Oude bakstenen en dakpannen

Voorwoord

Als er in steden of dorpen gebouwd wordt dan zijn er op het bouwterrein altijd stenen, bouwstenen aanwezig: bakstenen, kalkzandstenen, stenen van beton en andere materialen en/of constructiedelen. We vinden het eigenlijk heel gewoon dat er bakstenen en dakpannen worden gebruikt, maar is dat altijd zo geweest, doen wij dat al lang? Hoe is dat in Noord-Holland of Castricum, waar komen die stenen vandaan en welke soorten zijn er?

Bij de renovatie van een oude boerderij aan de Breedeweg in Castricum, gebouwd omstreeks 1800 en gedekt met oude pannen, kwamen heel veel oude bakstenen tevoorschijn, daarom nu eens aandacht voor oude bakstenen en pannen.

Oude gebikte bakstenen

Oude bakstenen

Algemeen

In Nederland werd voor het bouwen van de vroegste kerken tufsteen gebruikt, een vulkanisch gesteente uit de Eifel, Duitsland. De Oude Dorpskerk in Castricum, die dateert uit de 11e eeuw, werd ook in tufsteen gebouwd; de toren echter, die dateert van midden 15e eeuw, is opgetrokken in baksteen.

Het gebruik van bakstenen in Nederland is begonnen in Groningen en Friesland aan het eind van de 12e eeuw; in Holland werd voor kerkelijke en burgerlijke gebouwen baksteen gebruikt in het begin van de 13e eeuw.

Voor woningbouw voldeed gebruik van hout lange tijd, maar duurzaamheid en het voorkomen van brand deed het gebruik van bakstenen toenemen.

De oude dorpskerk in Castricum

In oude panden in Noord-Holland en ook in Castricum blijkt in de loop van de eeuwen een veelheid aan baksteensoorten te zijn gebruikt. Niet alleen zijn er verschillende kleuren en hardheden (baksels), maar vooral de afmetingen van de stenen zijn heel erg verschillend.

Globaal kan gezegd worden dat de grootste steenmaten (lengte) de oudste sten zijn. De eerste maal dat gebruik van baksteen in Noord-Holland is vastgelegd betreft het graf van de Hollandse gravin Gerberga (Geva), overleden omstreeks 960 en begraven in de tweede abdijkerk van Egmond. Oorspronkelijk was het graf geheel van natuursteen dat omstreeks 1150 werd hersteld met forse bakstenen, 33 cm lang.

Stenen van voor 1350 hebben in het algemeen een lengte van 29 cm of groter. Bekend is de kloostermop, die in die tijd ‘een mop ofte grooten backstien’ genoemd, een grote baksteen met een standaardmaat van 28,5 x 13,5 x 8,0 cm. In de omgeving van Castricum zijn enkele bijzondere gebouwen die grote bakstenen bevatten: de resten van het rondeel van het kasteel van Egmond, gebouwd omstreeks 1210, bevat bakstenen 28,0 – 30,0 cm lang, 14,5 -15,0 cm breed en 7,0 – 8,0 cm dik.

De toren van de tufstenen kerk in Limmen (12e eeuw) werd in de 13e eeuw opgebouwd uit grote bakstenen 30,0 x 15,0 x 8,0 cm.

Na het midden van de 14e eeuw ontstond geleidelijk verkleiningde baksteen om stenen sneller te kunnen leveren. Een kleine steen vergt minder klei, heeft een kortere baktijd met vormbehoud, is handzamer dan grote formaten en heeft minder schade bij transport.

De toren van de Dorpskerk in Castricum, die gebouwd werd in de 15e eeuw, is opgebouwd met veelkleurige kleine bakstenen van 22,0 x 10,0 x 4,5 cm.

Tufsteen aan de zuidzijde van de dorpskerk.
Veelkleurige baksteen aan de zuidzijde van de kerktoren.

Aan het eind van de 16e eeuw lijkt een beperking in steenlengten te zijn ontstaan: 23 cm, 21,5 cm ,21  cm en 20,5 cm, zoals ook uit archeologisch en bouwhistorisch onderzoek in Alkmaar blijkt.

Steenbakkerijen

In Noord-Holland zijn maar een beperkt aantal steen- en pannenbakkerijen teruggevonden. Er zijn geen uitgestrekte vindplaatsen van rivierklei, maar wel van zeeklei. Niet alle klei is echter geschikt voor de vervaardiging van stenen en er dient voldoende brandstof (turf) in de omgeving te zijn om te kunnen bakken. In de omgeving van Alkmaar, Koedijk, Oudorp en St. Pancras stonden tussen eind 13e– en midden 16e eeuw enkele veldovens, die met blauwe zeeklei stenen produceerden. De stenen werden eeuwenlang met de hand gemaakt met behulp van houten steenvormen door de handvormer.

In St. Pancras van voor 1518 was het ‘graven van Clei of Cleijtrekken’ een nering. Ook vanuit de kust gingen Egmonders klei baggeren, ook wel ‘kleiboren’ genoemd. In de Beemster trok men klei voor de drooglegging in 1612. Langs de ringdijk waren deze boor- of baggergaten lange tijd duidelijk herkenbaar.

Gebruik van ijzerhoudende zeeklei kleurt de bakstenen rood en kalkhoudende klei kleurt de stenen geel. Bij menging van die kleisoorten ontstaan allerlei kleurnuances, zoals de rood-gele appelbloesem.

De ‘Alkmaarse handvormstenen’ waren aanvankelijk 25 cm lang en vaalrood van kleur. Later waren deze stenen bekend als rood-geel en oranje-geel geaderde bakstenen in betrekkelijk kleine maten:

20,0 x 9,5 / 10,0 x 4,5 cm

In Beverwijk was ook een oven bekend, maar verdere gegevens ontbreken.

In de omgeving van Castricum is geen steenoven bekend.

De handvormer, een ets van Jan Luyken.

In de 16e eeuw kwamen lokale baksteenfabricages in verval door drooglegging van meren en plassen. Er ontstond import van stenen in vele maten uit andere delen van het land, zoals uit de veldovens van Zuid-Holland, langs de Vecht, Hollandse IJssel, Oude Rijn en zelfs Friesland, egaal rood en geel gekleurd. Na 1850, toen de machinale productie werd ingevoerd kwamen meer vormvaste stenen beschikbaar. Aanvankelijk vormbakstenen, die gemaakt werden met de Abersonpers en later toen de strengpers in gebruik werd genomen kwamen de strengpersstenen op de markt.

De Aberson-pers is een pers waarbij losse vormbakken aan de zijkant worden ingestoken; onder de kleitrechter wordt door een persblok klei in de vormbak geperst, waarna de bak met de geperste natte steen er aan de voorzijde weer uit komt. Het zware handvormen werd door de machine overgenomen. De afstrijker verwijdert de overtollige klei.

Bij de strengpers wordt een kleistreng  door een mondstuk geperst en met gespannen draden in steendiktes afgesneden.

De Abersonpers
De strengpers

Bekend werd de kleurige paarsrode Waalvormsteen en in de vorige eeuw kwam de ‘miskleurige’ boeren- en hardgrauw in waalformaat 20,5 x 10,0 x 5,0 cm in algemeen gebruik. Deze stenen hebben een verschil in hardheid, boerengrauw is iets zachter. De klinker, in hetzelfde formaat, heeft een grotere hardheid en een zeer heldere klank. Deze stenen werden in het algemeen gemetseld in cementspecie. In de oven worden stenen die dichtst bij het vuur hebben gelegen tijdens het bakproces mondstenen genoemd, heel harde stenen en de stenen die het verst van het vuur liggen en zachter zijn, halve garen.

De bakstenen zijn herkenbaar naar de wijze waarop ze zijn gemaakt:

– Handvormstenen: vijf bezande (met zand bestrooid)  kanten en één afgesneden vlak, onregelmatig van oppervlak, vaak plooien en gaten.

– Vormbakstenen: vijf bezande kanten en één afgesneden vlak, regelmatige vorm.

– Strengpersstenen: kan drie bezande kanten hebben, strakke vorm met twee snijvlakken.

Oude dakpannen

Het pannendak vormt een belangrijk element van historische bouwwerken en bij boerderijen ziet men vooral de samenhang met de omgeving. Opmerkelijk is dat in veel publicaties aandacht wordt besteed aan baksteen, maar dat dakpannen nog wel eens worden ‘vergeten’.

Ook de dakpan kent zijn geschiedenis: de Romeinen brachten ‘dakpannen’ naar het westen van Europa, maar het gebruik verdween weer met het verval van het Romeinse Rijk. In de vroege middeleeuwen werd als dakbedekking voor huizen boerderijen stro, riet of gras gebruikt, dikwijls bestreken met klei of leem. Vanaf de 14e eeuw werden om brandveiligheidsredenen harde materialen toegepast: tegels, leien, onder- en bovenpannen en later de V-vormige pan, ‘De Zwolse pan’.

Het Romeinse dakpansysteem met holle en bolle pannen.
Nog een holle en bolle pan.

Uit de Zwolse pan werd de holle pan ontwikkeld, die in de 16e eeuw vrij algemeen werd toegepast. Met deze pan kon een aanzienlijke gewichtsbesparing van het dak worden bereikt. Aanvankelijk werden de Oudhollandse pannen op een onbeschoten kap op panlatten toegepast en waren de pannen vanaf de zolder of vanaf de stalvloer zichtbaar. Teneinde de kap meer winddicht te maken werden ‘strodokken’ of stroken riet onder de pannen aangebracht, soms aangesmeerd met leem of kalkspecie. In de 19e eeuw werd afdichting met beschot wat algemener en werden zolders minder tochtig.                                            

De oude holle pannen werden aanvankelijk als linkse of rechtse pan geleverd; afhankelijk van de algemeen heersende windrichting werd de overlap van de pan links of rechts gehouden. Na 1900 werden alleen nog rechtse pannen geproduceerd.

De oude handgemaakte pan, gemaakt van rivierklei, is een holle pan met een flauw gebogen bovenkant met een ‘wel’ (golf) en een aangebakken nok aan de achterzijde, om de pan op te kunnen hangen aan de panlat. De kleur van de handvormpan is in het algemeen lichtrood door het ijzeroxide in de klei. Behalve de rode zijn er ook blauwgrijze pannen, die een iets afwijkend bakproces hebben doorgemaakt. Naast de pannen op het dakvlak werden op de nokken en de hoeken van de kap ‘vorsten of vorstpannen’ aangebracht, meestal vastgezet in kalkspecie.

Toen in de loop van de 19e eeuw pannen met behulp van vormbakmachines en stempelpersen werden gemaakt, kregen de pannen een strakker uiterlijk. Naast de Oudhollandse pan kwamen meer typen beschikbaar, zoals de Verbeterde Hollandse pan met een verbeterde kop- en zijsluiting. Bekend in Noord-Holland zijn de pannen van het bedrijf Van Oordt in Alphen aan de Rijn en Woerden.                    

De Oudhollandse pan.
De Hollands verbeterde pan.

In de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw waren er in Nederland honderden zelfstandige, veelal kleine, dakpanfabrieken, vooral in het gebied van de grote rivieren. Na de Tweede Wereldoorlog is mede door sterke mechanisering en automatisering het aantal fabrieken sterk gedaald tot enkele grote fabrieken.

De boerderij aan de Breedeweg 75/77 te Castricum als voorbeeld

De boerderij kwam in 1813 in bezit van Nicolaas Glorie uit de nalatenschap akten van Jan Glorie (1746 – 1813), groot 1190 m2, gelegen aan de Breedeweg, met bos en weiland (zie artikel Jaarboek 28, Stichting Werkgroep Oud Castricum). Piet Glorie, geboren in 1930, was de laatste boer/eigenaar en heeft er tot 1992 een melkveehouderij gehad en is in 2013 overleden. De grote ‘boerderij van Glorie’ met 3 vierkanten, werd door de erven in 2015 verkocht aan de echtparen Brockhus-Dekker en Dekker-Admiraal. Zij gaven de architect Sander Douma Architecten opdracht een ontwerp te maken om de boerderij geschikt te maken voor dubbele bewoning. Medio maart 2015 werd door de gemeente Castricum de vergunning verleend en in juni kon met inwendig sloopwerk worden begonnen, dat door de toekomstige bewoners werd uitgevoerd! De gehele uitvoering van de renovatie was in handen van Aannemersbedrijf Ambacht bv. te De Goorn, West- Friesland.

De boerderij Breedeweg 75/77 anno 2000.

De binnenmuren van de boerderij

Bij het slopen van de gepleisterde binnenmuren voor en tijdens de start van de volledige renovatie van de boerderij zijn van het oudste gedeelte veel bakstenen behouden gebleven en apart gezet voor hergebruik (juni/juli 2015). De kalkspecie van de stuclagen aan de voornamelijk handvormstenen liet bij het slopen al vaak los en kon bij het bikken vrij gemakkelijk worden verwijderd. Ook onder de houten vloer van het woongedeelte bleken veel oude vloerstenen te liggen.

Opgetaste gebikte stenen.

De bakstenen van de binnenmuren van de boerderij en de losse stenen die onder de vloer lagen zijn bij beoordeling van een ‘bij elkaar geraapte partij oude stenen’ van voor de 19e eeuw; veel soorten, hard en zacht gebakken in heel veel maten en kleuren, rode, roodbruine en gele kleuren. Kortom een bonte verzameling stenen die na het bikken en schoonmaken heel goed gebruikt konden worden. Uit het oogpunt van kostenbesparing was hergebruik van bakstenen vroeger heel algemeen. De binnenmuren die zijn aangebracht in 1955, bestonden voornamelijk uit kalkzandsteen en boerengrauw in waalformaat en gemetseld in cementspecie. Op een enkele plaats waren zelfs dubbeldikke klinkers en een enkele straatsteen verwerkt.

Aangetroffen stenen en formaten

– 21,0 x 8,5 x 5,0 cm, kleur rood, handvormsteen, zacht en poreus.

De grootste aangetroffen steen

– 19,0 x 9,0 x 3,5 cm, handvormsteen, enigszins krom en zacht, Rijnformaat.

– 18,5 x 9,0 x 4,0 cm, kleur roodbruin, handvormsteen, harde steen.                                  

– 18,5 x 8,5 x 5,0 cm, kleur geel, handvormsteen, zachte steen.

– 18,5 x 8,0 x 3,5 cm, kleur roodbruin, handvormsteen, hard gebakken, Friese drieling.

– 18,0 x 5,0 x 8,5 – 9,0 cm, kleur rood, strengperssteen, dichte harde steen.

– 15,5 x 6,5 x 3,5 cm, kleur geel, IJsselsteentje, de kleinste steen in een aantal van 600 stuks.

Veel van deze stenen zijn hergebruikt zoals op de foto wordt getoond.

Oude gebikte stenen.

Naast deze genoemde stenen werden ook klinkers aangetroffen in de vloer van de dors en veel plavuizen.

De klinkers in de afmetingen: 21,5 x 6,5 x 5,0 cm en 20,0 x 6,0 x 4,5 cm en 19,5 x 8,0 x 4,5 cm en grijsblauw van kleur. Veel van deze stenen waren vervormd, krom, ook kwamen veel halve stenen voor.

De plavuizen: Rood en blauw van kleur, groot 22,0 x 22,0 x 3,5 cm

De nieuwe binnenmuren van de boerderij zijn gemetseld met geperforeerde porotherm binnenmuurblokken.

De buitenmuren van de boerderij

De buitenmuren zijn als oud herkenbaar door een vijftal soorten bakstenen, gemetseld in kalk- en of cementspecie. Bouwhistorisch waren ingrepen zoals onderhoud en verbouwingen in de gevels goed te herkennen. Ter vergelijking: in de buitengevels van boerderij Kronenburg (ca. 1725) komen een zevental baksteensoorten voor, veelal hergebruikte stenen in voornamelijk Rijnformaat en Friese drieling.

De voorgevel (oostgevel) van deze boerderij is opgebouwd met rode handvormstenen van 19,0 x 9,0 x 4,0 cm in staand verband (de koppenlagen en strekkenlagen wisselen elkaar af). De gevel is gemetseld met kalkspecie en aan de binnenzijde voorzien van een 1 cm dikke stuclaag. Op een aantal plaatsen was de blauwe afwerklaag op de stuclaag nog aanwezig. In 1928 volgde een inwendige verbouwing en werden enkele wanden hersteld. In 1955 is voornamelijk het woon- en slaapgedeelte gewijzigd, waarbij achter de éénsteens voorgevel een spouw en een wand van kalkzandsteen werd aangebracht, afgewerkt met een stuclaag. In 1979 werden enkele geveldelen aan de buitenkant afgewerkt met een stuclaag en een witte granollaag.

Doorsnede voorgevel.

De oude metselstenen van de overige drie gevels (noord, west en zuid) zijn miskleurig en roodbruin van kleur en zijn voor een deel nog in de gevels aanwezig. De oudste stenen zijn dun formaat stenen, roodbruin 22 x 10,5 x 3,6 cm en gemetseld in 20 lagen per meter met kalkspecie en ook met kalkspecie gevoegd. Door verbouwingen en onderhoud komen waalformaatstenen voor, onder meer de miskleurige hardgrauwe in waalformaat van 20,5 x 10,0 x 5,0 cm gemetseld en gevoegd met kalk- en cementspecie. Als metselverband werd staand verband toegepast en de buitenmuurdikte was 20,5 cm (steenlengte) dus.

In onderstaande schets is de naamgeving aangegeven van lagen metselwerk en de metselverbanden.

De zuidgevel
De noordgevel

De vijf soorten gevelstenen:

– 22,5 x 10,5 x 4,0 cm, rood, in de voorgevel, Hilversums formaat, handvorm.

– 22,0 x 10,5 x 3,6 cm, roodbruin, 20 lagen per meter, in de noordgevel.

– 21,0 x 10,5 x 4,5 cm, miskleurig, hardgrauw, Vechtformaat, in de noordgevel.

– 22,0 x 10,5 x 5,0 cm, miskleurig, hardgrauw, Waalformaat, in de westgevel.

– 20,5 x 10,0 x 5,0 cm, miskleurig, boerengrauw, Waalformaat in de zuidgevel.

De noordgevel met aan de onderzijde dikke en daarboven dunne stenen.

De muren, de gevels, werden in een ‘armelijke’ toestand aangetroffen, behoudens de met granol afgewerkt delen aan de voorzijde van de boerderij. Scheurvorming, verzakkingen en scheefstand was aanleiding grote delen te vervangen en uit te voeren als spouw-, isolatiemuren. Aan de binnenzijde metselblokken van porotherm, dik 10 cm met isolatieplaten en aan de buitenzijde een rode gevelsteen van de Steenfabriek Klinkers uit Maastricht, gemetseld in cementspecie en gevoegd.

 Ter vergelijking: de gevels van de boerderij van Niek Kuijs, Breedeweg 88 (ca. 1800), die een aantal jaren geleden is gerestaureerd, zijn opgetrokken in roodbruine bakstenen in formaat 18,0 x 8,5 x 4,0 cm, Rijnformaat.

Het pannendak

De pannen op het enorme dak van de boerderij zijn herkenbaar als Oudhollandse pannen, rood en blauw van kleur. Het zuidelijk dakvlak en een deel van het noordelijke dakvlak was bekleed met rode pannen. De rest van het dakvlak was bekleed met blauwe pannen. De rode pannen zijn afkomstig van het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk, die in de jaren ’50 van de vorige eeuw zijn gelegd, waardoor ook weer een reservebestand pannen, rood en blauw, kon worden opgebouwd. Bij deze renovatie werden alle pannen verwijderd van de boerderij en de naast gelegen stal en terzijde gezet voor hergebruik.

De terzijde gezette rode en blauwe pannen.

Bij het verwijderen van de pannen bleek dat grote delen van de kap waren afgedicht met riet tussen de pannen en op enkele plaatsen specie. Tussen de pannen kwam ook de vogelpan tevoorschijn en hier en daar zaten vogelnesten, die de pannen omhoog hadden gedrukt. Maar de kap was wel waterdicht en onder de kap was het droog.

De kwaliteit van de Oudhollandse pan werd als heel goed beoordeeld en de leeftijd werd op minstens 100 jaar geschat.

Duidelijk waarneembaar is nu, na de restauratie/renovatie de uitstraling van het Oudhollandse doorleefde pannendak. 

De entree van de Breedeweg vanuit het oosten heeft met deze ‘aanwinst’ weer een mooie uitstraling gekregen!

Piet Blom

Bronnen en literatuur:

– Batjes, J., Vermeulen, R., en Wetzels, J., Een andere kijk op keramiek, uitgave Stichting Historie Grof Keramiek, Makkum, 2013.

– Bitter, Peter, Graven en begraven, archeologie en geschiedenis van de Grote Kerk van Alkmaar, Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2002.

– Brandts Buys, L. De landelijke bouwkunst in Hollands Noorderkwartier, uitgegeven door de Stichting Historisch Boerderijen-onderzoek, Arnhem, 1974.

– Bouman J., Bedijking, opkomst en bloei van de Beemster, 1857.

– Burger, A. C. M., Het kasteel van Egmond, Pirola, 1998.

– Cordfunke, E.H.P., Over de datering van middeleeuwse baksteen uit Holland in het Tijdschrift voor de Nederlandse Archeologie Westerheem, nr. 4, augustus 2015.

– Kol, J., IR., De parochiekerk Sint Pancras te Castricum tot aan de reformatie, Jaarboek 15, Stichting Werkgroep Oud Castricum, 1992.

– Tussenbroek van, Gabri, Vroege baksteen in Holland tot 1300 in Novi Monasteri, Bureau Monumenten en Archeologie Gemeente Amsterdam.

Klaar!

Schaapsherderswoning Klein Johanna’s Hof.

We zijn er mee klaar ! Ga naar fotobeeldbank van Werkgroep Oud-Castricum. Typ twee zoekwoorden KUNST 300 en geniet van de 815 afbeeldingen die getekend, geschilderd, geschetst zijn door en voor Castricummers en Bakkummers. Vorig jaar hebben 125 werken bij Streetscape gehangen in het kader van het project Castricumse Streken tgv 50 jaar Oud-Castricum. De werkgroepleden Jacques Schermer en Rino Zonneveld hebben alles beschreven. GENIET van de “Castricumse School”.

Enkele namen van kunstenaars: Alois Kapr, Cor Heeck, Frans Zaal, Geert Middelveld, Huib Hogenstijn, Ingrid de Haas, Jan Pasman, Jan Reinders, Kees Bakker, Lau Hoebe, Meinard Kloppenburg, Pé Zonneveld, Ton Revers, Wim de Goede, Sijf Portegies….

Bron: JBCA

 

‘Icoon van Bakkum’ is verkocht

Bakkum – Het pittoreske en sfeervolle ‘Witte Kerkje’ uit 1908 op landgoed Duin en Bosch kreeg onlangs een nieuwe eigenaar: publicist en voormalig beurscommentator bij RTLZ Willem Middelkoop. Wat is hij van plan met dit markante rijksmonument en wat ging er zoal aan vooraf?

Peter van Eerden

Het oorspronkelijke kerkje met entree aan de westzijde. Uit:’Duin en Bosch geschetst’, 2004

Oorspronkelijk was het geen wit kerkje en alleen bedoeld voor bewoners en personeel van het complex. Echter, voordat in 1951 in Bakkum de (intussen alweer gesloten) kerk ‘Maria ten Hemelopneming’ was gebouwd, hadden katholieke Bakkummers ook de mogelijkheid om naar het kerkje op Duin en Bosch (D&B) te gaan en daar te luisteren naar de pastoor. Naar de dominee mocht ook, want: “Het kan zoowel voor Katholieken als Protestantschen eredienst worden ingericht”, staat in het eerste verslag van het ‘Gesticht Duin en Bosch’ uit 1909. Dus oecumenisch gebruik avant la lettre én later ook multifunctioneel als onder meer trouwzaal en expositieruimte. In 2015 werd het kerkje samen met de watertoren op het terrein gekocht door de stichting Boei die zich inzet voor restaureren en herbestemmen van cultureel erfgoed. Dit jaar werd het kerkje doorverkocht en met de opbrengst wil Boei de restauratie van de watertoren bekostigen. De kerkdiensten zijn intussen verplaatst naar ‘De Oude Keuken’ in het voormalige Administratiegebouw.

WIT GESAUSD Het gesticht D&B, nu GGZ Dijk en Duin, kwam tot stand in 1904 en werd daarna steeds meer zelfvoorzienend met onder andere een wasserij, badhuis en begraafplaats. Het kerkje werd in 1908 gebouwd in traditionalistische stijl met robuuste steunberen. Op het zadeldak pronkt een houten klokkentoren bekroond met een haan. De architect was Poggenbeek, geestelijk vader van meer karakteristieke gebouwen op en rond het landgoed.

Het Witte Kerkje van Duin en Bosch verstild in de sneeuw, Bakkum 2000

Daarvan zijn er veel verdwenen maar het kerkje bleef behouden en is sinds 2001 een rijksmonument. Helaas heeft in 1969 een drastische renovatie plaatsgevonden naar de maatstaven van die tijd. De bakstenen gevels werden wit gesausd, de vensterindeling gewijzigd, alle oude kozijnen gesloopt, de entree verplaatst en het interieur ‘gemoderniseerd’. Later volgde nog een ingreep waarbij de kap en vijf spanten door een verlaagd plafond aan het zicht werden onttrokken. In 2010 vond nog een grondige renovatie plaats, maar nu volgt restauratie!

ONDERNEMER De nieuwe eigenaar is Willem Middelkoop, een lokale ondernemer die sinds 2000 op het landgoed woont in een voormalig paviljoen. Hij huurde tot voor kort het tegenover de kerk gelegen badhuisje dat intussen ook aan een particulier is verkocht. Hij wil het gebedshuis gaan gebruiken als woon- en kantoorruimte. Middelkoop: “Het wordt dus niet openbaar en is niet te huur, zeker niet voor feesten en partijen”. Hij zet zijn plan enthousiast uiteen: “De verbouwingen in het verleden hebben het originele ontwerp geen goed gedaan. Ik wil de kerk waar mogelijk terugbrengen in de oorspronkelijke staat, latere toevoegingen verwijderen en oude elementen weer zichtbaar maken. In het portaal komt een klein appartement met een vide afgescheiden door een glaswand. In de kerkruimte komen de verdieping en de vroegere vorm van de ramen terug. Dicht gezette boogramen worden weer van glas”. Dat wordt een kostbare operatie die even zal gaan duren? Middelkoop bevestigt dat het “wel wat gaat kosten” maar hoopt de verbouwing voor 2020 te hebben gerealiseerd, in het begin mogelijk gefaseerd: “Als het budget het toelaat wil ik in de laatste fase ook het plafond vernieuwen waardoor de constructie van de dakkap weer tot zijn recht komt”.

MONUMENT Volgens de website van de stichting Boei wacht het monument als woon- en kantoorruimte een goede bestemming met oog voor authenticiteit, duurzaamheid en kwaliteit:

“Het verhaal doorgeven”: Bakkummers in 1951 tijdens de mis in het kerkje van Duin en Bosch dat toen nog niet wit was

“Het krijgt een nieuw hoofdstuk in zijn bestaan met een exploitatie op basis van zelfredzaamheid. Maar, minstens zo belangrijk is de verstilde herinnering die weer tot leven komt en verhalen doorgeeft die raken aan de emoties van burgers en voorzien in een behoefte aan historische kennis en identiteit”. Dat is heel mooi gezegd en daarom geeft Middelkoop tot slot een geruststellende verzekering: “Alle plannen worden gemaakt in overleg met en goedkeuring van de Erfgoedcommissie, want het gaat om een historisch-functioneel en kostbaar onderdeel van het landgoed Duin en Bosch”.

Bron: Nieuwsblad voor Castricum – 13-12-2017

 

Corso theater 80 jaar

Van stomme films met ’pianino’ tot films van de harde schijf.

Sinds september 1937 beschikt Castricum over een eigen bioscoop, maar ook daarvoor keek men al graag naar films, zo blijkt uit een artikel van Niek Kaan van de Werkgroep Oud-Castricum. Kaan schreef het stuk vijf jaar geleden bij het 75-jarige bestaan van Corso Filmtheater. Hij beschikte daarbij over een unieke bron, de aantekeningen van Wim Kuijs (1909-1989), een markante ongetrouwde Castricummer, die met zijn vriend Dirk Schotvanger decennialang trouw bezoeker was van het Corsotheater.

Kinematograaf

Corso theater in 1938, een jaar na de opening. Foto: WOC

Kuijs beschreef hoe hij als kind, ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, films keek in wat toen nog geen bioscoop heette maar een ’kinematograaf’. Hij herinnerde zich een film die in 1916 in een café werd vertoond en die ’De vergiftigde bonbons’ heette.

De kinematografen vertoonden hun films tijdens kermissen. Een bekende was de firma Schinkel uit Purmerend die zijn tent per dekschuit liet aanvoeren. De reizende bioscoop had houten klapstoelen; die op het balkon waren bekleed met rood pluche. De films waren nog stom. In de zaal stond een meneer ’explicateur’ die de film uitlegde. De begeleiding vond plaats op de ’pianino’, een kruising tussen een piano en een orgel.

Uiteindelijk was het de in Castricum destijds bekende aannemer Jan Res die het initiatief nam voor een vaste bioscoop. Hij ging een samenwerking aan met Roland Wefers Bettink uit Alkmaar, die bedrijfsleider/operateur was in de Alkmaarse bioscoop; het Roxy Theater. Bettink wilde graag voor zichzelf beginnen. Hij had kennis van bioscopen, Res had verstand van bouwen.

Het Corsotheater ging van start op 17 september 1937, in het gebouw aan de Dorpsstraat waar Corso nog altijd zit. Aanvankelijk was er een woning boven, dat is nu Zaal 2. Destijds beschikte het theater over 350 zitplaatsen met opklapbare stoelen verdeeld over vijf rangen. De eerste hoofdfilm die te zien was, was een Franse film met de titel ’Le Mioche’, vertaald als ’’t Jochie’.

Oranje Hein

In de oorlog werden Engelstalige films verboden. Alleen Duitse en Italiaanse films mochten nog vertoond worden. Uiteraard bepaalden de Duitsers de inhoud van het bioscoopjournaal. Als dat werd gedraaid, mocht niemand de zaal verlaten. Gewapende agenten hielden daarop toezicht. De laatste winter moest de bioscoop sluiten wegens een gebrek aan stroom, maar na de bevrijding ging Corso als een van de eerste filmzalen weer open. Vertoond werden ’Oranje Hein’ en ’It’s in the air’ met George Formby.

Corso theater in 2017. Foto: Koen van Eijk

Piet Bettink nam in 1972 de zaak over van zijn vader. Dat deed hij met zijn vrouw Jenny. Zij voerden diverse moderniseringen door. In 1996 onderging de grote zaal een ingrijpende verbouwing. Het toneel verdween, het filmdoek werd twee keer zo groot. Het aantal stoelen werd teruggebracht van 350 naar 162.
De stoelen waren gerieflijk. Bovendien kwam er boven een tweede zaal bij, met eveneens comfortabele stoelen.

Erik Weel is pas de derde eigenaar. Hij heeft Corso nu dertien jaar in bezit. Onder zijn leiding digitaliseerde de bioscoop. Geen filmrollen meer, maar films op de harde schijf.

Zoals onder Piet en Jenny Bettink al het geval was, zet ook Weel in op films van kwaliteit. Geen actie-films met knokken en schieten. Daar is in Castricum geen vraag naar. Jongeren zien dat soort films in Amsterdam en Haarlem. Corso mikt op de jongste jeugd, op 45-plussers en op ’vriendinnengroepen’. De bezoekers komen uit Castricum, maar ook uit de dorpen er omheen.

Bron: Noordhollands Dagblad 23 september 2017 – Koen van Eijk

Open Monumentendag 2017 – Geld beschikbaar dendrochronologisch onderzoek Stolpboerderijen

Een toepasselijkere dag kon er haast niet gekozen worden, Open Monumentendag, om aan voorzitter Peter Sibinga van Stichting Werkgroep Oud-Castricum een bedrag te overhandigen voor dendrochronologisch onderzoek van drie Stolpboerderijen in Castricum.

Blije gezichten bij het aanbieden van de cheque door wethouder Marcel Steeman aan voorzitter Werkgroep Oud-Castricum Peter Sibinga. (foto Aart Tóth)

Dat gebeurde dus afgelopen zaterdag 9 september door wethouder Marcel Steeman, met in zijn portefeuille Cultuurhistorie. Dit vond plaats tijdens het Open Monumentenweekend bij en in het gemeentelijk monument de boerderij ‘Finus coronat opus’ (1892) van de bollenkweker en bloemist familie Twisk in de Dorpsstraat 11. Dendrochronologie staat voor oudheidonderzoek, wat veelal bij bomen plaatsvindt en via de jaarringen de leeftijd kan worden bepaald. Dat kan ook van toepassing zijn op oude gebouwen waarin hout de constructie is, zoals bij deze gelegenheid op Stolpboerderijen. Zo kon tijdens de renovatie van de grote boerderij aan de Breedeweg 75/77 worden aangetoond dat het oudste deel van voor 1800 in Eikenhout uitgevoerd en het latere deel in Grenenhout. Nader onderzoek wees vervolgens uit dat de boom uit 1537 kwam en in 1563 werd gekapt in Zweden.

Breedeweg 75/77 (Foto Oud-Castricum)

Er blijken nog twee Stolpboerderijen in Castricum te staan en wel op de Breedeweg 80 en 72, die beide dateren van voor 1800. De Stichting Werkgroep Oud-Castricum is bereid de kosten van één boerderij op zich te nemen, waarna het college van B&W van Castricum bereid was subsidie te verlenen voor het overige deel, als blijk van waardering voor het cultuur-historisch werk. Verrassing deze zaterdagmorgen was echter dat wethouder Steeman de aanwezigen en voorzitter kon mededelen dat de gemeente Castricum geheel de financiering van onderzoek, te weten 2168 Euro, voor zijn rekening te nemen. Voorzitter Peter Sibinga en de Taakgroep Cultuurhistorie en Monumenten waren dan ook in de nopjes met de mogelijkheid nader onderzoek te verrichten naar de historie van Castricum.

Bron: Nieuwsblad voor Castricum – Aart Tóth

Paden op, lanen in

Mysterieuze laantjes tussen Breedeweg en Doodweg


In Castricum kun je meer paden op en lanen in dan je denkt. Twee privéweggetjes tussen de Breedeweg en de Doodweg blijken gewoon openbaar toegankelijk, ontdekte verslaggever Hans Boot. Al wordt het nut ervan betwijfeld door entertainer Hein Poel die aan de Doodweg woont.

Hein Poel pleegt onderhoud op zijn Kerkelaantje. (Foto Hans Boot)

Bijna iedereen die in de Oosterbuurt wandelt, heeft zich weleens afgevraagd hoe het nu precies zit met het Kerkelaantje en het Melklaantje. Deze weggetjes deden waarschijnlijk in een ver verleden dienst als verbindingspad tussen de Doodweg en de Breedeweg.

Kerkelaantje

Als je vanaf het Bonhoeffercollege op de Doodweg fietst richting de oostkant van Castricum, dan valt ten eerste, ter hoogte van de woning met huisnummer 2, het gele bordje aan de lantaarnpaal op. ’Kerkelaantje’ staat er op, en het wijst richting Breedeweg. Tegelijkertijd zie je op de grond een bordje met ‘Eigen weg’. Het blijkt van Hein Poel te zijn, alom bekend van zijn creatieve uitspattingen als Sinterklaas, Kerstman, aap, kip en clown. Hein is met zijn vrouw eigenaar/bewoner van het pand Doodweg 2 en vertelt: “Het Kerkelaantje is ook eigendom van ons, maar eigenlijk heb je er niks aan en mag ik het alleen maar onderhouden. Vroeger ging men er vanuit de Oosterbuurt veel doorheen om bijvoorbeeld naar de Pancratiuskerk te gaan.

Kerkelaantje. Zicht op de Pancratiuskerk vanaf de Doodweg. Foto: WOC.

Tegenwoordig maken wandelaars en fietsers er af en toe gebruik van, waaronder scholieren van het Bonhoeffer. Zelf nemen we het pad ook nog wel eens als we op de Breedeweg moeten zijn. Je kan er echter niet met de auto over, omdat het niet verhard is. Dat is wel het geval met het Melklaantje dat even verderop ligt en eigendom is van Piet van der Hulst die ook aan de Doodweg woont. Over dat pad gingen vroeger veel paard- en wagens.”

Monumentenraad

Alhoewel beide weggetjes er al eeuwenlang liggen, kwam de openbaarheid pas weer ter sprake vanaf eind 2008. Poel: “De gemeente heeft toen de straatnaambordjes aangebracht om te laten zien dat de paden openbaar zijn. Dat vond ik prima. Ik zorg ervoor dat het gras op het Kerkelaantje regelmatig wordt gemaaid en heb er alleen moeite mee als mensen daarop hun hond uitlaten, want dan kan ik de stront opruimen. Daarom heb ik er sinds kort een verbodsbordje voor honden neergezet en heb daarop tot nu toe geen commentaar gehad.”

De redenen voor het in beeld brengen van de openbare status van de twee laantjes worden toegelicht door een woordvoerder van de gemeentelijke Monumentenraad: “Wij hebben in november 2008 burgemeester en wethouders voorgesteld daar straatnaambordjes te plaatsen. In onze brief verwijzen we naar een raadsbesluit uit 1930, waarin staat dat de landwegen de namen Melklaantje en Kerkelaantje hebben gekregen. Daaruit blijkt dat ze beiden een openbare bestemming hebben en door het herplaatsen van straatnaambordjes wordt voorkomen dat de eigenaren in een onbewaakt ogenblik de openbaarheid opheffen. Daarbij is het makkelijk dat dit soort paden een naam hebben voor als er bijvoorbeeld ter plekke of in de buurt een ongeval gebeurt. Dat geldt ook voor het Buitendijkspad dat op verzoek van de politie een naam heeft gekregen.”

Plattegrond

Voortaan weet elke Castricummer dus hoe het zit met de twee laantjes tussen de Breedeweg en Doodweg. Het Kerkelaantje staat ook keurig ingetekend op de 21e editie van de plattegrond van de gemeente Castricum, zij het verkeerd gespeld. Het Melklaantje is men echter vergeten. Wie weet wordt ook die in een volgende editie meegenomen. (tekst Hans Boot)

Bron: Nieuwsblad voor Castricum