Eén van de vondsten van de taakgroep Archiefonderzoek

Huis te Castricum / Kronenburg / Cronenburg / Kroonenburch.
Klik hier voor meer informatie

De groep Archiefonderzoek ontdekt vaak leuke artikeltjes in allerlei bronnen. Sommige daarvan zijn historisch goed onderbouwd; andere iets minder. In onderstaand artikel, geschreven door Jacobus Craandijk, zijn sommige ‘feiten’ inmiddels achterhaald. Maar met die kennis in het achterhoofd blijft het, vinden wij, een lezenswaardig verhaal. Geniet ervan en neem het niet te letterlijk!

Wandelen met Jacobus Craandijk

Tussen 1874 en 1888 maakte Jacobus Craandijk meer dan 70 wandeltochten door Nederland. De verslagen van deze tochten verschenen in de achtdelige reeks Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Het verhaal waarin hij Castricum en Bakkum noemt staan in de beschrijving:

De Amsterdamsche waterwegen naar zee

Bladzijde 7 en 8……. :
”Bij Uitgeest buigt zich de spoorbaan weêr naar de duinen, om, na een vrij scherpen hoek te hebben gemaakt, langs den voet der hooge zandheuvels voort te loopen. Daar ligt het overoude Castricum, dat reeds in de 10de eeuw bekend was en veel vroeger welligt een Romeinsch Castrum of kasteel is geweest, later een aanzienlijke heerlijkheid, van wier slot in de vorige eeuw nog wat muurwerk en een brok van een zwaren, vierkanten toren stond. Naar de overlevering verhaalt, had Sivaert (Sifried), graaf Aernout’s zoon, hier de schoone Tetburge ontmoet. Lang woonde er een edel en krijgshaftig geslacht, dat den naam van Castricum voerde en zich niet onbetuigd liet in de gedurige oorlogen met de West-friezen. Een bastaardzoon van graaf Willem III, Willem van Cronenburg, bezat later het huis en viel bij Staveren, in den bloedigen slag van 1345. Zijn geslacht hield het sedert als achterleen van het edele huis van de Lecke. De Amsterdamsche burgemeester Geelvink was in de vorige eeuw Heer van Castricum en Cronenburg. In 1091 woedde een felle strijd tusschen die van Castricum en den abt van Egmond. In 1358 werd de Hoeksgezinde baljuw van Kennemerland, Heer Reinout van Brederode, hier door den afgezetten Kabeljaauwschen baljuw, Jan van Bloemenstein, overvallen en redde zich op den sterken toren der kerk, tot de dorpers uit den omtrek kwamen opdagen tot ontzet. In 1573 hebben de Spanjaards dorp en slot geplunderd en verwoest. In 1799 werd hier een hevige veldslag tegen de verbonden Engelschen en Russen geleverd, waarin het dorp tweemaal verloren en hernomen werd. Zoo ontbreken ook aan Castricum de geschiedkundige herinneringen niet.

Wat verder ligt Limmen, waarvan wij, van ‘t station af, niet veel meer dan den toren zien, – lange jaren een deel der heerlijkheid Egmond, even als Castricum een plaats, die reeds in de 10de eeuw wordt vermeld, even als Castricum in 1573 in kolen gelegd, en waar in 1799 het slottafereel van den Engelsch-Russischen veldtogt werd gespeeld, toen na den slag bij Castricum, op een aanbeeld van de smidse, de overeenkomst werd geteekend, waarbij de vreemde troepen zich tot terugkeer naar hun schepen verbonden en de hoop van den verdreven stadhouder in rook vervloog.

Tusschen die beide dorpen in, aan den voet der duinen, liggen de roode daken van het oude Bakkum, een nederig, schilderachtig gehucht, thans onder Castricum, oudtijds onder Egmond behoorend, in 1629 als afzonderlijke heerlijkheid door de Staten van Holland en West-Friesland aan Cornelis van der Mijle verkocht. De ‘Heinmannekens’, die vroeger de bosschen in den omtrek bewoond moeten hebben, – goedige kaboutermannetjes 1) die niemand leed deden, – zullen wel door het gillen van de stoomfluit zijn verdreven, zoo zij niet reeds verjaagd zijn door de ontginning van uitgestrekte woeste gronden, door koning Willem I in 1829 begonnen. Voor de wandelaars hadden zij niet behoeven te vlugten! Die zijn hier niet in grooten getale te vinden en waren er nooit overvloedig, al leverde de zandweg tusschen Castricum en Egmond-binnen met zijn weelderig houtgewas overvloed van natuurschoon. Een noodlottig bezoek ontvingen die van Bakkum in 1573, toen Spaansche ruiters ook hier den rooden haan lieten kraaijen, en een bange dag was ‘t voor de nederige buurt, toen zij den 6den Oct. 1799 het tooneel eener geweldige worsteling tusschen Fransche en Russische troepen was.”

1) Aan het bestaan van kabouters, twijfelen wij bij Oud-Castricum niet.

Uit: Jacobus Craandijk, Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Deel 4. H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1879

Jacobus Craandijk

Gemopper over de Rustende Jager in de vorige eeuw

Op de ansichtkaart De Rustende Jager in 1907 (met doorrijstal)

Menigeen betreurt dat het markante gebouw van de Rustende Jager in 1976 verdwenen is. In de vorige eeuw waren er echter mensen die dat nieuwe gebouw uit 1911 met zijn voorgevel naar de zijkant maar niks vonden, zij prefereerden het vorige gebouw.

In het verhaal Insula Dei van Nescio (1882-1961) mijmeren twee heertjes over wat er allemaal veranderd is sinds het gezegende jaar 1904: “Je denkt, ze breken je wereld af. Eerst merk je ’t nauwelijks en je weet niet wat er gebeurt. Wat je moeizaam hebt veroverd verdwijnt of verandert onherkenbaar. Ze vragen nix, ze doen maar. Wegen en waters, bruggen, huizen, dorpen en steden. Menschen ook. Na twintig jaar kwam ik in Castricum en kon “De rustende jager” eerst niet meer vinden, zoo raar stonti er tusschen.” (Uit: Nescio, Boven het dal, Amsterdam 1961, p.80).

Eric Bor maakte ons attent op de vermelding van Castricum in het verhaal van Nescio. Nescio is het pseudoniem van de Nederlandse schrijver Jan Hendrik Frederik Grönloh. Het citaat over Castricum komt uit zijn verhalenbundel ‘Boven het dal’. De titel van het verhaal ‘Insula Dei’ betekent letterlijk ‘Gods Eiland’.

Op de foto De Rustende Jager met de voorkant naar de zijkant in 1917

Voor honderd jaren

In afl. 2 van den loopenden jaargang van het Vaktijdschrift vermeldt M. Kramer interessante bijzonderheden betreffende een onderwijzersbenoeming te Castricum een eeuw geleden (1804.)

Na den inhoud van verschillende documenten aangaande de vacature en de sollicitanten te hebben medegedeeld, wordt de lezer met de correspondentie tusschen den Schout en Secretaris van Castricum en den Schoolopziener in kennis gesteld.

Vervolgens komt een uitgebreid verslag van het onderzoek der sollicitanten. Hieruit blijkt, dat eerst de Schout en Secretaris hen „omtrent hunne kunde in de nederduitsche taal, schoolonderwijs en verdere vereischten, ook door proeven in het schrijven, lezen en zingen en geschiktheid tot het schoolonderwijs” heeft geëxamineerd. Daarna zijn de genomineerden (een zestal) aan den tand gevoeld door burger Pr. Corver, Schoolonderwijzer te Velzen.

Door „den eersten genomineerden” , N. ANSLIJN, waren de getuigschriften vóór het examen teruggevraagd. Van dezen had de Schoolopziener in zijn „advis op de 32 sollicitanten” geschreven:

„N. Anslijn is, als Schoolonderwijzer praeferent – ik durf u verzekeren, dat gij in meer opzichten, dan in de taal, ook in Rekenkunst, wis- en Aardrijkskunde een bekwaam man in hem zult aantreffen. Hij schrijft zelf niet fraai, maar onderwijst goed, heeft daarin vaste theoretische gronden, – en levert, dit weet ik, goede schrijvers.-Hoe kan dit zamen gaan? zult gij vragen. Zeer wel, omdat theorie en Praktijk zeer onderscheiden zijn.”


De Schoolopziener verwachtte, „dat het Gem. Bestuur wel zoo veel achting voor het departementaal Schoolbestuur zal aan den dag leggen, dat de man met het volledig getuigschrift althans op de Nominatie worden geplaatst”.

Nadat Anslijn zich echter had teruggetrokken moest men een keuze doen uit het overgebleven vijftal, dat „van half 10 tot des namiddags om half een uuren” door genoemden burger Corver „op eene hem vereerende wijze met eene weergalooze juistheid en nauwkeurigheid; waar in de bewijzen van des examinators uitmuntende kunde en ervarenheid doorstraalde; eerst in de vereischten van eenen goeden onderwijzer der Jeugd, en het onderwijs in het bijzonder; daar na omtrent de gronden der nederduitsche taal, het regelmatig lezen, als mede de rekenkonst, (was) geëxamineerd“; en nadat de 5 genomineerde burgers in de kerk openlijke proeven hadden gegeven in het lezen en zingen werd „tot Schoolonderwijzer, koster, voorzanger en gerechtsbode van Castricum verkoren en aangesteld de burger Pieter Kieft te Amsterdam.

Volgens art. 1 zijner Instructie moest hij zich „met alle oplettendheid en naarstigheid[1] in het schoolhouden en onderwijzen gedragen naar de wetten en naar het Reglement van orde voor de openbare scholen, binnen de Bataafsche Republiek”, en hij genoot hiervoor (als schoolmeester en gerechtsbode) per jaar _ . . f 125, benevens f 3 emolumenten[2]!

Niettegenstaande de „uitmuntende kunde en ervarenheid” van den examinator schijnt er aan burger Kieft’s ontwikkeling wel het een en ander te hebben ontbroken. Althans weinige maanden na zijn benoeming werd in de vergadering van het gemeentebestuur behandeld „eene Missieve href=”#voetnoot01″>[03] van het Departementaal Schoolbestuur voor het noordelijk gedeelte van Holland”, houdende een kennisgeving, „dat door het zelve Schoolbestuur op den 7 Juny voorn. had onderzoek gedaan naar de kunde en bekwaamheid van Pieter Kieft; hem nagenoeg in alles derwijze zwak gevonden had, dat het hem niet had kunnen geven een volledig getuigschrift, maar hem alleen had toegestaan het school alhier, geduurenden één Jaar waar te nemen, om zich dan, in Juny 1805, andermaal door het zelve te laten examineeren, voorts zijn leedwezen te kennen gevende, dat het zoo ongunstig omtrent de bekwaamheid van dien persoon, zich genoodzaakt zag te berichten, maar dat het daartoe gedrongen wierdt eensdeels door de waarheid der zaake, en anderdeels door het onaangenaam gevoel, ’t welk bij het zelve had moeten opkomen, toen het gezien had, dat deze vergadering, bij het beroep van dezen, in vergelijking onkundigen man, andere sollicitanten waren voorbijgegaan, van wier meerdere kunde en bekwaamheid, het zelve de overtuigendste proeven ondervonden had”.

Niettegenstaande de „uitmuntende kunde en ervarenheid” van den examinator schijnt er aan burger Kieft’s ontwikkeling wel het een en ander te hebben ontbroken. Althans weinige maanden na zijn benoeming werd in de vergadering van het gemeentebestuur behandeld „eene Missieve[3] van het Departementaal Schoolbestuur voor het noordelijk gedeelte van Holland”, houdende een kennisgeving, „dat door het zelve Schoolbestuur op den 7 Juny voorn. had onderzoek gedaan naar de kunde en bekwaamheid van Pieter Kieft; hem nagenoeg in alles derwijze zwak gevonden had, dat het hem niet had kunnen geven een volledig getuigschrift, maar hem alleen had toegestaan het school alhier, geduurenden één Jaar waar te nemen, om zich dan, in Juny 1805, andermaal door het zelve te laten examineeren, voorts zijn leedwezen te kennen gevende, dat het zoo ongunstig omtrent de bekwaamheid van dien persoon, zich genoodzaakt zag te berichten, maar dat het daartoe gedrongen wierdt eensdeels door de waarheid der zaake, en anderdeels door het onaangenaam gevoel, ’t welk bij het zelve had moeten opkomen, toen het gezien had, dat deze vergadering, bij het beroep van dezen, in vergelijking onkundigen man, andere sollicitanten waren voorbijgegaan, van wier meerdere kunde en bekwaamheid, het zelve de overtuigendste proeven ondervonden had”.

Gelukkig voor Kieft werd „na deliberatie geresolveerd, om zonder zich te expliceeren over het in dien brief medegedeelde, en dus zonder op den inhoud enig het minste regard[4] te slaan, die missieve aan te nemen voor notificatie”. Na juni 1805 was hij dan ook nog in functie[5] en men scheen in zijn dorpje tevreden over hem, want hij werd in het laatst van dat jaar bovendien nog aangesteld als Doodgraver!


M. Kramer

Dit artikel van M. Kramer is één van de velen die hij heeft geschreven. Deze doet er toe omdat het over Castricum gaat.

Uit: Nieuw Leven, Weekblad voor Opvoeding en Onderwijs in School en Huis, 2e jaargang, no. 41, p. 488-489, 17-01-1906

Bron: Rino Zonneveld


[1] naarstigheid is ijver

[2] emolument is een beloning voor werk buiten het normale salaris.

[3] missieve is een ambtelijke brief

[4] regard is acht

[5] Pieter Kieft is in 1825 vervangen door dhr. Schut.

Door de duinen naar het strand, na een storm

Dit artikel van M. Kramer is één van de velen die hij heeft geschreven. Deze doet er toe omdat het over Castricum gaat.

Wanneer gij met uw leerlingen een schoolreisje maakt naar het strand, dan kiest gij daarvoor een mooien dag uit. En gij geeft hun een denkbeeld van het duinlandschap in een jaargetijde, dat ook daar leven is en beweging. Van de kracht der zee krijgen ze dan echter geen voorstelling, van de geheimzinnige stilte en verlatenheid der duinen slechts een flauw idee.

Maar gij zelf – zoo gij niet in de nabijheid geboren en getogen zijt – hebt gij door eigen aanschouwing een duidelijk begrip van de verwoestende macht van wind en water te zamen? Hebt gij u tijdens of na een storm wel eens overtuigd van hun invloed, door een bezoek aan het strand? Zoo niet, grijp dan de eerste de beste gelegenheid aan om dat gebrek aan uw eigen voorstelling te verhelpen en gij zult bij dit gedeelte van uw aardrijkskundig onderwijs in het vervolg zeker vollediger kunnen zijn.

Neem na een herfst- of winterstorm een trein of een trammetje naar het prachtig gelegen Castricum bijv. en ga vandaar uit de vrije natuur in.

De menschen buiten zullen de schouders ophalen en u „een raar mensch” vinden. „Wie gaat er nou in den winter naar zee !” Probeer maar niet ze op het schoone van zoo’n wandeling te wijzen en uw verwondering uit te drukken over het feit, dat vele inwoners van het dorp zelfs ‘s zomers niet naar zee gaan, ja, dat er zijn – zoo dicht bij zee – die nog nooit de grootsche watervlakte gezien hebben. „Er is niks an! Als ereis een vinvisch aangespoeld is of een schip gestrand – liefst met practische dingen – ja, dan is het wat anders.” Kort en goed: ge blijft „raar”, wat ge u echter niet in het minst aantrekt. Zij „voor hun part” gaan liever „een spulletje pandoeren achter de kachel” en gij voor uw part gaat — naar zee.

* * *

Met den eersten dag van dit jaar scheen de natuur tot rust te zijn gekomen; ‘een kalmte, die verademing gaf na het stormgeloei der laatste Decemberdagen, lokte uit naar buiten.

„’t Heeft er wat aan gedaan, hoor! De duinen hebben aardig geleden en te Egmond is het gewoon verschrikkelijk,” zoo vertelde de strandvonder, die zijn goeie kennissen veel heil en zegen in het Nieuwejaar kwam wenschen. Zijn mededeeling deed het verlangen nog sterker worden, om bij het kostelijk winterweer een wandeling naar zee te doen.

‘t Is een heerlijk voetreisje van Castricum door de duinen. Bij „Kijk-Uit” – de woning van een opzichter in het duin – slaan we een der zes wegen in, die daar samen komen. Voorbij „De Brabantsche Landbouw” – een boerderij – wandelen we langs den ouden schelpweg naar het doel van onzen tocht.

‘t ls treffend stil in de eenzame duinen, overal een beeld van verlatenheid. Geen weelderig groen, geen vroolijk gezang van vogels. Hier en daar slechts een schichtig konijn, vluchtend voor den vreedzamen wandelaar, of een fazant, plotseling met schrik naast u opvliegend. Als om de doodsche stilte des te beter te doen uitkomen, treft nu en dan het verwijderde gekras van een kraai of het gerommel vaneen spoortrein uw oor. Het sombere groen van sparren en dennen heeft nooit zooveel indruk op u gemaakt als thans, nu het andere hout zijn bladerentooi mist. Wat een verwrongen takken bij vele boomen! Wat een dorrende bladeren zijn hier samengewaaid; ze kraken onder uw voetstappen. Hoe prachtig, hoe fijn, die lichtgroene mosrand langs uw pad; het lijkt wel fluweel. Beter tijd had het nietige plantje niet kunnen uitkiezen om zich in zijn groei en bloei te laten opmerken dan in het tijdperk van rust voor de andere planten. – En toch, hoe doodsch en verlaten, het landschap is verheven schoon. Ge neemt er een onvergetelijken indruk van mede.

Gij nadert de zee. De golven, nog niet geheel tot bedaren gekomen, doen haar geruisch in toenemende sterkte hooren. ’s Zomers zoudt ge haar nabijheid ook bemerken aan het luide gekrijsch van zeevogels, die hun jongen waarschuwen voor den naderenden vijand. Na u nog eens omgewend te hebben, om van een hooger standpunt op uw weg het landschap te overzien, bereidt ge u voor op andere indrukken.

Bij het omslaan van een heuvel staat ge onverwachts voor een man, die met planken en latten beladen van den kant der zee huiswaarts keert. Waarom ontwijkt zijn blik den uwen, waarom mompelt hij een groet in dit eenzame oord, waar men onwillekeurig meer hartelijkheid in zijn toon legt? Lezer, hij voelt zich betrapt. Hij dacht er niet aan op den Nieuwjaarsdag in het verlaten duin menschen te kunnen ontmoeten. Ook hij ging na den storm het strand bezoeken, maar met heel andere bedoelingen dan gij. „Zou er niet voor een weekje brand aangespoeld zijn?”

Wat een hebzuchtige belangstelling bij zoo’n eerzamen duinbewoner, denkt gij. Zijn gedachte zal wel wezen: „rare lui, wat is eraan ‘t strand te vinden, als je toch niks gaat halen”.

Omhoog, omlaag, nu nog één duinhelling en — daar ziet ge de zee voor u. Ze is reeds vrij kalm geworden. Alleen aan het strand nog flinke golven, doch ze verliezenhaar kracht reeds ver van de duinen. Hadt ge hier enkele dagengeleden gestaan! Ge waart uw leven niet zeker geweest. Het zand onder uw voeten zou verraderlijk weggezakt zijn en gij zoudt in de kokende golven den dood hebben gevonden. Want ziet ge daar vlakbij uw voeten die flinke scheuren wel? En waag thans nog eens eenige stappen vooruit! Een huivering overvalt u. Ge merkt nu eerst, dat ge post gevat hebt op den rand van een afgrond. Gij, gewoon het duin af te hollen om het eerst bij het water te zijn, ge zoudt een val gedaan hebben van ettelijke meters. Een kreet van verrassing ontsnapt u bij de ontdekking, dat rechts en links een stuk van de zeeduinen is ingestort of weggeslagen. Wat een verwoesting! Wat een geweldige kracht in dat water, als de storm de golven opzet en voortzweept tot aan de duinen!

De dagbladen hebben u gemeld, hoe verschrikkelijk het is toegegaan te Egmond aan Zee. Duizenden hebben de verwoesting gezien, daar in weinige oogenblikken aangericht. Zoo licht zou men nu denken — de dagbladen toch maakten alleen melding van Egmond — dat de vernieling aan het duin zich bepaalde tot de badplaats. Maar ook op andere plaatsen aan de duinen is de grootste schade toegebracht; overal, waar duinen zijn, loert de verraderlijke zee op buit. Het instorten van de gebouwen, die te Egmond dicht aan zee stonden, is eigenlijk niets meer dan een bijkomende omstandigheid.

Als men zoo’n verwoesting over een heele strook ziet, neemt men wel aan, wat geconstateerd is, dat n.l. onze kust gemiddeld per jaar1 M. afneemt.

Treurige dingen brengt de romp van een schuit u in herinnering! Het is het vaartuig der drie ongelukkige Urkers, die te IJmuiden in het gezicht der haven verdronken zijn. De schuit, van mast en roeren en zwaarden beroofd, was bij paal 47 op ‘t strand geworpen. Eenige lui uit IJmuiden hadden aangenomen het wrak derwaarts te voeren, waar het zou opgeknapt worden om met weer andere visschers den gevaarlijken plas te bezeilen. Daags voor den storm van 30 December had men het op rollen tot bij zee gebracht en daar vastgelegd. Maarde storm verijdelde het werk: een 40 M. werd het teruggeworpen tot den voet der duinen.

We kunnen hier moeilijk op het strand komen; ‘t is te gewaagd. Wel een kwartier zijn we genoodzaakt de wandeling, liever de huppelpartij, naast den afgrond voort te zetten. Ha, daar is een gedeelte, waar we met eenige sprongen op de ingestorte stukken zonder gevaar het strand kunnen bereiken. Het is maar goed, dat het zand half bevroren is, zoodat men niet behoeft te vreezen, dat het bij een sprong uiteen zal vallen.

Van beneden gezien komt de verwoesting nog sterker uit. En hoe prachtig vlak is het strand! Ge maakt de opmerking, dat het ook wel breeder lijkt. Nergens is een geul te zien. Door de sterke beroering van het zand zijn een menigte dingen boven gekomen. Doode zeesterren, overblijfselen van kreeften enz., nooit hebt ge ze in zoo groote hoeveelheid aangetroffen. Hier en daar liggen bossen helm, waarmede de verwoeste zeeduinen zoo zorgvuldig beplant waren. Talloos zijn thans de brokken samengeperst veen, die naar boven gewoeld zijn. Zij lijken wel afgeronde stukken turf en leveren het bewijs, dat de duinen bij haar verplaatsing naar het Oosten een veenlaag tot ondergrond hebben gekregen. Dat men na een stormvloed bij de badplaatsen naar geldstukken gaat zoeken komt u thans begrijpelijk voor.

Van paal 47 wandelen we naar paal 45, waar de „zeeweg” van het strand weer naar Castricum voert. Zoo’n tochtje langs het eenzame strand boeit altijd. Heel inde verte ziet ge den Van Speijkstoren te Egmond. Langs en op het water een menigte zeevogels, meest scholeksters. Merkt ge ginds dat vrouwtje op, telkens bukkend? Zou ze ook naar zee gelokt zijn om aangespoeld hout te halen? Al meer en meer naderen we het begin (of het eind) van den zee-weg. Van paal 45, altijd goed zichtbaar, merken we thans echter niets. We moeten er toch dicht bij zijn; de weg is reeds duidelijk te zien, vooral nu het vrouwtje bij onze nadering zich daar in de duinen terugtrekt. De zaak is opgelost: een korte stomp slechts steekt boven het zand uit, de paal is door den stormvloed afgerukt. Daar ligt hij omgekeerd tegen het ingestorte duin. Al bestond de paal niet uit één stuk, hij was toch stevig vastgehecht met stevige krammen en spijkers. Als spelden zijn ze omgebogen.

De ingang van den schelpweg — of zee-weg — heeft ook veel geleden. Wat is ook hier een zand weggespoeld!

Arme schelpvisschers en paarden, die de nog veel steiler geworden helling moeten bestijgen met een kar vol schelpen; zonder eenigen last gaat het al moeilijk.

Na een laatsten blik te hebben geworpen op de zee, waarin aanstonds de zon zal verdwijnen, gaan we langs den schilderachtigen weg huiswaarts. Daar strompelt zoowaar het vrouwtje een eind voor ons uit. We hebben haar spoedig ingehaald, al haast ze zich ook merkbaar. Op den rug torst ze een zak, waaruit eenige stukken plank steken. We hebben ons niet vergist. Bij het voorbijgaan voelt ze zich gedrongen een verklaring te geven van haarbezoek aan het strand: „Ja zie je, die boot van die Urkers wou ik zoo graag eens zien en toen zag ik aan het strand stukkies hout liggen en ik denk, ‘t is zonde, as dat hier blijft. Ik ben net zoo’n „struinder”, zie je.”

Zoo doet men de ervaring op, dat er meer strandvonders zijn, dan wettelijk werden aangesteld. Arme ziel echter, als bittere armoe haar tot dezen tocht genoopt heeft. En wat een zielelijden zal haar dan nog op den moeilijken weg gekweld hebben, nu zij zich als een „struinder” betrapt moest zien. Over het terrein, waar men reeds bezig is het krankzinnigengesticht „Duin en Bosch” te bouwen, bereiken we het dorp. Een heerlijke wandeling hebben we gedaan, rijk aan indrukken.

Amsterdam.                                               M. KRAMER.

Gepubliceerd in: Nieuw Leven, Weekblad voor Opvoeding en Onderwijs in School en Huis, 2e jaargang, no. 7, p. 76-79, 24-05-1905.

Het weer destijds: Het vroor in de dagen dat het verhaal speelt op 1 januari 1905 een graad of 7 en de wind waaide Bft 2. Op 30 december 1904 was het Bft 7-9. Het waren koude kerstdagen in 1904 met temperaturen rond en onder het vriespunt.

Wie was M. Kramer? Dat is Matthijs Kramer. Zie: Jaarboek 31, 2008, pg 68-76.

Bron: Rino Zonneveld

En brand blus je met melk …

Een verhaal over Castricum door Lieve van Ollefen en Rs. Bakker.

Lieve is geboren in Amsterdam op 13 oktober 1749. Hij heeft veel, misschien zelfs teveel geschreven. Men zou de conclusie kunnen trekken dat hij in dienst was van boekverkopers ofwel uitgeverijen. Een broodschrijver pur sang. Hij schreef toneelstukken, gedichten en biografieën. Hij schreef zelfs over de emancipatie van de vrouw en had daartoe contact met Betje Wolff. Samen met Rs. Bakker schreef hij vanaf 1791 De Nederlandsche Stad- en Dorpsbeschrijver. Over Rs. Bakker is geen levensbeschrijving te vinden. Het acht delen omvattende werk bevat prachtige gravures vervaardigd door Anna Brouwer en allegorische voorstellingen van Johan Christoffel Schultsz. De beschrijvingen gaan over het landschap en het dorp in de sfeer van postkoets en trekschuit. In 1976 is een herdruk van dit werk verschenen bij de Europese Bibliotheek in Zaltbommel. Het boek ligt bij tweedehands voor 5 of 6 euro.

Hieronder uit deel 4 Kennemerland het gedeelte dat het dorp Castricum beschrijft rond 1796. Bakkum is helaas niet beschreven. De oorspronkelijke tekst is onverkort weergegeven.

Het dorp Castricum 

De gravure is van Anna C. Brouwer
De gravure is van Anna C. Brouwer

Dit dorp met deszelfs ambacht, is mede al een van de oudsten van het in de Hollandsche Geschiedenissen zo vaak genoemde Kennemerland. 

Wat deszelfs ligging betreft, deeze kan gezegd worden te zijn, paalende met deszelfs ambacht ten noorden aan Bakkum, ten oosten aan Limmen en Uitgeest, ten zuiden aan Heemskerk, en ten westen, met de duinen, aan de Noordzee.
Het land tussen Egmond en Castricum, is zo men wil het laagste van geheel Holland: als in voorige tijden de felle stormen de zee over de dijken joeg, plagten deeze landen meest altijd onder water te geraaken; kort vóór het jaar 1100, ontstond er een geweldige haat tusschen die van Egmond en Castricum, bij dergelijke gelegenheid: de Egmonders maakten een zwaaren dijk, om dat hunne landen laager dan anderen waren, vreezende des, en niet zonder grond, voor eene geheele overstrooming; dan, de zee door dien dijk geschut, overstroomde in den volgenden winter al het land van Castricum, spoelende veele huizen om ver: de inwooners waren als woedende tegen die van Egmond, en vernielden den dijk; doch de wind die het water afkaatsten, verschoonde daardoor de Egmonders, het welk  de Monniken aldaar voor een mirakel uitbazuinden, en de eer daarvan toeschreven aan de beenderen van St. Adelbert: kort daarna, werd de dijk hermaakt, en Adelbert, Abt van Egmond, deed een graft graaven, om de kracht der golven daardoor te breeken en aftekeeren, het welk al weder tot nadeel van die van Castricum uitviel, welke toen, vrij sterk in magt en rijkdom zijnde, met een deel gewapend volk uitvielen, om den Abt daar in te verhinderen, die op hunne aankomst met de zijnen de vlugt nam; doch eenigen geraakten in handen van de Castricummers, en welken het met den dood moesten bekoopen: het einde van deezen twist, vind men niet gemeld. 

Over de naamsoorsprong

Wordt zeer bijzonderlijk gesproken: sommigen begeeren den naam Castricum afgeleid te hebben van twee Grieksche woorden, die Bever en Wijk betekenen; “Dit is,” zegt zeker schrijver “ten minsten ver gezocht, zo, niet wél gevonden”, bij de oude Chronijkschrijvers wordt het Castrichem genoemd— een voldoende aanwijzing van den oorsprong des naams hebben wij niet kunnen ontdekken— SOETEBOOM, redeneert er in zijn Saanlands Arcadia, dus over: “Dat ik, wijders, de oorzaak des naams van Castricum, naar de maniere van den gemeenen man wilde uitleggen, ik zoude durven zeggen, dat hij van den Griekschen Castor afkomstig is, dat is van Castors-hem, als zijnde een huis waarin weleer de Grieksche Castor voornoemd is geëerd, en als een God gediend geworden, gelijk dit Land in zijne ongeloovige eeuw veele zodanige Afgoden, heeft geëerd en gediend, en daarvan veele plaatsen de naamen getrokken hebben, als Medemblik, van Medea blik, diens beeld men zegt dat van den toren tot in Friesland eertijds blonk, waardoor een zeggen is gekomen, als de zon daarop begon te schijnen: Ziet Medea blikt — Staveren van Stavo den Afgod — Het Land van Arkel, van Herkules, den onoverwinnelijken held, en Baccum van Bacchus — Het verloop der eeuwen heeft voordgebragt, dat dit dorp bij den gemenen man Castercum werd geheten.”

Stichting en grootte

Wat de stichting aangaat, de eigenlijke tijd daarvan ligt mede in de vergetelheid begraaven; oud is het dorp of ambacht zekerlijk; want in de Chronijken wordt het reeds omtrent het einde der tiende eeuwe genoemd, ter gelegenheid naamlijk van het huwelijk van SICCO of SIVAART, met TETBURG VAN KASTRICUM; sommigen noemen hem SIFRIDUS, Zoon van ARNULPHUS, derde Graaf van Holland; hij zoude TETBURG voornoemd, die ook TIETBURG genaamd wordt, getrouwd hebben om haare uitneemende schoonheid; oude schrijvers willen dat zij hem tot haar in liefde heeft ontstoken door toverij: intusschen had dat huwelijk ten gevolge, dat SIFRIDUS nimmer tot het Graafschap mogt komen, maar zig moest vergenoegen met het stadhouderschap van Kennemerland, en andere goederen welken hem toegelegd werden.  —  Onder de Regeering van Graave FLORIS DEN TWEEDEN, in den jaare 1118, vindt men gemeld van eenen BRUIN VAN KASTRICUM, die door de Westfriezen te Schoorl werd verslagen; nadere berichten vindt men desaangaande niet. 

Wat aangaat het tweede gedeelte van dit artijkel in ons algemeene plan, naamlijk de grootte; volgends de quohieren der verpondingen, beslaat het ambacht 1012 morgen, 285 roeden lands, en in den jaare 1632, werden voor hetzelve 88 huizen aangetekend; dit getal is in den jaare 1732 reeds meerder geweest, en in 1749 bedroeg het 109 huizen en één molen: de bewooners derzelven zijn meest den Roomschen Godsdienst toegedaan. 

‘t Wapen

Is een wit veld, waarop twee roode klimmende leeuwen, en zes koornhalmen. 

Kerkelijk en godsdienstige gebouwen 

De Gereformeerde kerk alhier is klein , dewijl er van ouds maar weinige Gereformeerde ingezetenen waren; voor dezelven staat het jaargetal 1219, waarschijnelijk dat van den bouwtijd ; doch het choor en den toren zijn op verre na zo oud niet, men denkt dat het eerstgemelde wel 200, en de toren nog meer jaaren jonger is — de toren is, ongemeen zwaar, van vierkant metselwerk opgebouwd, en zeer aartig van ordinantie; er staat een vrij hoog spits op; van boven heeft hij een trans, en 4 wijzerplaaten — Van binnen heeft het kerkjen niets ongemeens; het is in allen deelen zeer zindelijk en net; er is geen orgel in; ook geene kaarskroonen, aangezien er des avonds nooit dienst in wordt gedaan — Boven den predikstoel leest men de woorden: Bekeert u en gelooft den Evangelium: 1599.

De Pastorie en ‘t Schoolhuis zijn zeer goede gebouwen. 

Wees- of Arm-huis wordt te Castricum niet gevonden: beiden worden bij de ingezetenen besteed — Thans zijn er zulke bestedelingen geheel niet. 

De Roomschgezinden, als gezegd is, het grootste gedeelte der inwooneren uitmaakende, hebben er een goede statie; en welke thans bediend wordt door den Weleerwaarden Heer NICOLAUS BOMMER. 

Wat aangaat de Wereldlijke gebouwen 

Desaangaande kunnen wij niets aantekenen; de zogenaamde rechtkamer wordt gehouden boven het school, en woonhuis van den Meester, zijnde deeze kamer een vertrek dat niets bijzonders heeft. 

Kerkelijk regeering 

Deeze bestaat uit den Predikant in der tijd, (thans, de Weleerwaarde Heer ERNST WILLEM FABRITIUS, die ook Predikant te Heemskerk is, doch hij woont te Castricum. Voords uit 2 Diaconen, en 2 Ouderlingen, van welken alle jaaren één afgaat; naamlijk één Ouderling, en één Diacon, die tevens door anderen worden vervangen. 

Wereldlijke regeering

Castricum en Heemskerk zijn lang onder éénen zelfden Heer verenigd geweest, zo in het aloud geslacht van Heemskerk, als in dat van Assendelft en van Renesse, tot dat het door koop gekomen is aan den stam van GEELVINK : deeze had er de aanstelling van eenen Schout en Secretaris, en vijf Schepenen — Thans, nu de gezegende revolutie het volk in zijne rechten heeft hersteld, is er de regeering op den tegenwoordigen voet ingericht; naamlijk door de dorpsstemgerechtigden is eene Municipaliteit verkozen. 

Er zijn voords twee Kerkmeesters en een gelijk getal armenvoogden. 

Voorname mannen

Castricum is onder anderen vermaard geworden door dat het der wereld geschonken heeft den beroemden en zeer geleerden JOHANNES PETRUS VAN CASTRICUM, of CASTRICHUM, als mede PANCRAS VAN CASTRICHUM [1], die Pensionaris te Groningen geweest is, en daarna Raadsheer in den Hoogen Raad van Holland; hij was een groot liefhebber der Bataafsche Geschiedenissen, en heeft in ‘t Latijn geschreven, een zeer naauwkeurige naamrol van alle de Hollandsche, Zeeuwsche en Stichtsche Schrijvers, welke naamrol echter nooit gedrukt is geworden. 


[1]Anderen stellen deezen van Alkmaar geboortig te zijn.

Voorrechten of verpligtingen 

Heeft Castricum niet.

De voornaamste Bezigheden 

Der ingezetenen van dit aangenaam dorp zijn de schulperij, (deeze bekleedt de eerste plaats,) de melk- en kaas-maakerij, en de konijnenvangst in de duinen; voords is er ook zaailand, en de raapenteelt wordt mede door eenigen ter hand gehouden. 

Geschiedenissen

Wat de oude geschiedenis van Castricum betreft, daaromtrent vindt men aangetekend, behalven ‘t geen wij er reeds van gezegd hebben, dat toen de verdervelijke Hoeksche en Kabeljaauwsche twist Nederland zo geweldig beroerde, Hertog ALBRECHT van Beieren, die tevens Graaf van Holland was, JAN VAN BLOEMENSTEIN van het Bailluwschap van Kennemerland af, en REYNOUT VAN BREDERODE daarin gezet had, zulks door de Hoeksche partij zo kwalijk werd genomen, dat zij REYNOUT voornoemd, omtrent dit dorp heimelijke laagen legden, alzo zij vernomen hadden, dat hij voorneemens was aldaar te komen; BREDERODE, hier van onkundig, kwam met zijn volk derwaards rijden, en zo dra werd hij door de Bloemenisten niet gezien , of deezen sprongen op hem toe, met het grouwlijk voornemen van hem dood te slaan; doch BREDERODE hen op hem ziende toeschieten, gaf zijn paard de spooren, en bereikte ook weldra het dorp, alwaar hij zig op het kerkhof begaf; de zijnen hadden hem niet zo schielijk kunnen volgen, zo dat drie van hun die de achtersten waren, door de Bloemenisten doodgeslagen werden: de getrouwe dorpelingen hunnen nieuwen Bailluw in deeze bekommering ziende, greepen hunne wapens, schoten gelijkerhand toe, en boden den vervolgeren tegenstand, met dat goed gevolg dat zij hun op de vlugt dreeven — De Bloemenisten kwamen vervolgends gedeeltelijk op het huis te Heemskerk, gedeeltelijk ook te Delft, alwaar zij, gelijk wij aangetekend vinden, zeer wél ontvangen en onderhouden werden.
 In het jaar 1573 werd het dorp door de Spanjaarden geplonderd, en een jaar laater zond de Pastoor deszelven, aan de Stad Alkmaar het pardon, dat de Spanjaarden aan de uitgewekenen en zogenaamde muitineerende inwooners deezer Provincie, in hunne medelijdende genade, wel wilden toestaan. 

Castricum wordt sedert in de gedenkrollen der Republiek niet genoemd.
Wat onze jongstledene beroerten betreft; daarin heeft het mede meer of min zijn deel gehad— door de Pruissische overweldigers had het echter niets te lijden, niettegenstaande veelen der inwooneren de partij des Vaderlands toegedaan waren, en zig ook in den loflijken wapenhandel geoefend hebben — Onze broeders de Franschen welken er ingequartierd zijn geweest, hebben ‘t er daarom ook zeer goed gehad; hunne wacht was in het Schoolhuis, alwaarom het School zo lang in de Kerk werd verplaatst.
Ten deezen jaare trof Castricum het ongeluk van een geweldigen brand, waarvan men ons het volgende relaas heeft mededeeld: 

Op den 29 deezer, (Julij 1795,) des namiddags ten 3 uuren werden wij alhier ter dood toe verschrikt, door dat de vlam uit een der huizen, nabij de kerk staande, sloeg, met zulk een geweld, dat wij weldra aan het bemagtigen van dezelve begonnen te wanhoopen; te meer daar alhier bijna volstrekt geen water bij de hand is; een enkelde put die men konde gebruiken was spoedig geledigd; zo dra het gezegde huis in lichterlaie vlam stond, zag men, dat ook reeds een vrij ver daarvan afgelegen huis, door het overgevlogen vuur op het stro-dak, aangestoken was, en werkelijk brandde — de angst welke ons beving is onbeschrijvelijk; wij konden niet anders verwachten, dan dat geheel ons dorp in de assche gelegd zoude worden; eerst drie, toen vier, daarna vijf huizen tegelijk stonden in volle vlamme; welke vlam nog onbedenkelijk veel akeliger werd toen mede een stalling en schuur in den brand vloog — alle die getimmertens zijn ook ten gronde toe afgebrand; waardoor niet minder dan 8 huisgezinnen , bestaande uit 34 menschen, waaronder 19 kinderen, in de uiterste armoede gedompeld zijn — er zal voor deeze ongelukkigen eene collecte op de omliggende plaatsen gedaan worden — De vlam had ook reeds eene zoldering beneden in de herberg, naast aan de brandende erven gelegen, aangegrepen; doch dezelve is met zoetemelk, wegens volstrekt gebrek aan water, gebluscht. 

Wanneer toch zal men op het platte land eens middelen trachten aanteschaffen, om het voor zulke en dergelijke jammeren re beveiligen!

De Bijzonderheden

Alhier te zien, zijn geene anderen, dan digt bij het dorp, de overblijflels van het huis Kroonenburg, ook het huis Kastricum genoemd— deezen bestaan in een ronden puinheuvel, en een laag muurwerk van eenen alouden toren: dit huis heeft al voorlang verwoest gelegen – CLAAS BRUYN noemt het  – een deerlijk overschot, het geen de krijg waarschijnlijk dus verplette. 

Logementen of herbergen 

Zijn alhier geene anderen dan de Rustende Jaager. 

Aan Reisgelegendheden 

Ontbreekt het te Castricum mede, even als op de meesten dorpen in deezen oord— De Alkmaarder Postwagen die er door passeert, verschaft somtijds eene gelegenheid om te kunnen vertrekken— Er rijdt ook een post door, met welken brieven verzonden kunnen worden. Volkstelling over Kennemerland gedaan in den jaare 1795. Castricum 540.

Lieve van Ollefen
Lieve van Ollefen
Bronnen:

Samengesteld door Rino Zonneveld

Armin van Buuren in het programma Verborgen Verleden

De programmamaker Hanneke van Kessel was nogal geïnteresseerd in Bernardus Res.
Ik stuurde haar onder andere een eerder gepubliceerd fragment over het onderzoek naar de stamvader van de Castricumse familie Res. “Alle naamgenoten in Nederland zijn terug te voeren op ene in Zaandam geboren Bernardus Res. Deze Bernardus kwam in 1828 als plattelands heelmeester naar Castricum. Hij woonde eerst in Zaandam met zijn ouders en broer en werkte een aantal jaren bij chirurgijn Hendrik Tobbe in Zaandijk. Daar deed hij ervaring op en studeerde in z’n vrije tijd. Min of meer bij toeval ontdekte ik het antwoord op de vraag waarom hij in Castricum terecht kwam.

In 1825 verzocht hij de ‘Provinciale commissie van geneeskundig onderzoek en toevoorzigt in Noord-Holland’ te Haarlem examen te mogen afleggen als heelmeester. Hij slaagde voor de meeste vakken, echter voor pharmacie en algemene ziektekunde moest hij herexamen doen. In de notulen van deze provinciale commissie konden we aardig volgen hoe Bernardus zich door de examens worstelde, diverse herkansingen kreeg en het regelmatig met de zenuwen te kwaad had. Hij kreeg toestemming om het examen schriftelijk i.p.v. mondeling te doen. In het voorjaar van 1828 slaagde hij alsnog en werd bevorderd tot heelmeester voor het platteland. Net in die tijd was Castricum verstoken van genees- en verloskundige hulp en had de gemeenteraad besloten een toelage te bieden van 150 gulden per jaar voor het verkrijgen van geneeskundige hulp. Voor deze uitgave moest Castricum toestemming hebben van Gedeputeerde Staten. En door deze samenloop van omstandigheden gebeurde het dat Bernardus kort daarna zijn praktijk in Castricum begon.”

Interieur van de toneel- en concertzaal, die Bertus van Benthemin 1910 aan de achterzijde van zijn café liet aanbouwen.

In het programma presenteerde Floor Twisk vanuit het café van Toon van Benthem in Haarlem meer details over de familie Van Benthem en liet beelden zien van onder andere het café met concertzaal in de Dorpsstraat.
Op mijn advies is Floor Twisk ingeschakeld als degene die onderzoek heeft gedaan naar de familie Van Benthem. Floor woonde in Uitgeest en is een zoon van Hendrika van Benthem en Adrianus Twisk, onderwijzer in Uitgeest en Bakkum.

Simon Zuurbier