Schatrijke Duinen

Het rondetafelgesprek op dinsdag 19 juni 2018 georganiseerd door Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland had als thema archeologie in het Noordelijk en Zuidelijk Duingebied. Het Steunpunt was gast in het gebouw De Duynkant van Oud-Castricum. Ruim dertig genodigden, waaronder vertegenwoordiging van Oud-Castricum, bogen zich over de vraag hoe de kwetsbare archeologie, en dus de kennis over onze voorouders, in het duingebied te beschermen en/of juist zichtbaar te maken.

PWN is de dagelijkse uitvoerder in het gebied als het gaat over water en natuur. Er is in het duingebied méér dan water en natuur. Er zijn drie cultuurlagen en conflictarcheologie. Voorwerpen kun je bewaren bij een verstoring, maar sporen in het landschap niet. Het belang natuur wordt getoetst door Provincie en Staat en het belang cultuur en archeologie door de betreffende Gemeente die over het duingebied beleid maakt. Dit overleg leidde tot het boekje Schatrijk Noordelijk Duingebied. Een verzameling van kwetsbaarheden …

De kaft van het boekje Schatrijk Noordelijk Duingebied (foto Rino Zonneveld)

De groep aanwezigen vormden vier overlegtafels. De opdracht was: kom tot een overzicht van vondsten en vindplaatsen, belangrijke verhalen en aandachtspunten voor behoud, beheer, beleid, benutten en beleven van de archeologie in het duingebied.

Voor de terreinbeheerders in het duin ligt er inmiddels een protocol dat bijna klaar is. Dit protocol geeft dan samen met de uitkomst van het rondetafelgesprek richtlijnen voor beleid aan lokale groepen, gemeenten, PWN en archeologen. 

Een overlegtafel met kaart van het duingebied en betrokken en bezielde deelnemers (foto Steunpunt Monumenten en Archeologie Noord-Holland)

Het resultaat was de prachtige glossy Schatrijk Noordelijk Duingebied die op 7 december 2018 in slot Assumburg werd gepresenteerd.

Ook Paul Slettenhaar, wethouder Gemeente Castricum, kreeg een glossy overhandigd. (foto Rino Zonneveld)

De onderwerpen in het boekje die Castricum en Bakkum betreffen zijn: de Wei van Brasser met vroegmiddeleeuws aardewerk, de onderstoven nederzetting Arem, de oorlog van 1799 met als gevolg resten van soldaten en uitrusting in de duinen, de pottenstapel van Castricum met door vingers ingedrukte versiering op de rand en de vraag naar de functie, de Atlantikwall met haar resten die nu conflictarcheologie wordt genoemd, bunkers en kunstschuilkelder.

Het boekje van 131 pagina’s is te koop bij het Huis van Hilde voor slechts €2,10. Een genot om te lezen over de archeologie in de duinen van Groet tot het Noorzeekanaal. Het kan ook (gratis) gedownload worden van de site van Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland, de uitgever van het blad.

Bron: Rino Zonneveld

Maak een luchtreis boven Castricum

Nieuwe expositie in De Duynkant

Na de succesvolle expositie ’50 Jaar Protest in Castricum’ komt Oud-Castricum vanaf 3 februari 2019 met een nieuwe tentoonstelling: ‘Castricum van boven’ een verzameling  bijzondere foto’s van grote hoogte. Dus kom op de eerste of de derde zondag van de maand naar de Open Dag in De Duynkant en maak een mooie luchtreis boven ons dorp. U vliegt over alle bekende punten. De Zanderij, het dorpscentrum, de Heereweg, het strand, de wijk rond het Bakkummerduintje, Antonius, Geesterduin, het stationsgebied, de wijk rond de Wilhelminalaan, onze nieuwbouwwijken in diverse stadia, Duin en Bosch, Geesterduin, Tulpenveld en de Oosterbuurt. En het leuke is: het is een reis door de tijd. De oudste foto’s dateren van 1923, maar er zijn er ook van de jaren ’50 en ’70.  Zo ziet u in vogelvlucht de ontwikkeling en groei van ons mooie dorp.

Open Dagen

De Open Dagen van Oud-Castricum zijn elke 1e en 3e zondag van de maand in gebouw De Duynkant aan de Geversweg. De openingstijden zijn van 13.30 uur tot 16.00 uur en iedereen is welkom. Vooral natuurlijk nieuwe donateurs, die graag ons werk de komende tijd willen steunen. De toegang is gratis voor donateurs; andere bezoekers betalen 1 euro.

Nieuwsbericht van Jan Possel

Protestsongs in De Duynkant

Geslaagd muzikaal afscheid van protestexpositie Oud-Castricum

Zondag 20 januari was het Open Dag in de Duynkant, het gebouw van Oud-Castricum. En al snel moesten er stoelen bijgeschoven worden, want op het programma stond een optreden van Frank Edam en het aktiekoor De Straatklinker. Zij gingen geheel in stijl de expositie “50 jaar Protest in Castricum” afsluiten. Namelijk met protestsongs.

Frank bracht de stemming er meteen in met een lied uit 1266 (!) van Jacob van Maerlant. Daarna namen hij en het koor ons mee door de roerige jaren, eindigend met een prachtig eigen lied over de harde realiteit van nu. Vele hete hangijzers passeerden onderweg de revue. Vietnam, Provo, Gastarbeiders, Apartheid, Populisme, Extremisme en lokale onderwerpen als Vliegveld in Zee, Vliegtuiglawaai, Verkeersinfarct Beverwijkerstraatweg, Rondweg en de aantasting van het kwetsbare duingebied.

Daarna konden de bezoekers, vrijwel allemaal van de protestgeneratie, voor de laatste keer de expositie bewonderen, waaronder een speciaal voor de expositie gemaakte film van Anton Visser.

Werkgroep Oud-Castricum kan met de onderwerpkeuze (zie ook de openingstoespraak van Bernard van den Boogaard) en aanpak van deze tentoonstelling terugkijken op een zeer geslaagde aktie.

Open Dagen

De Open Dagen van Oud-Castricum zijn elke 1e en 3e zondag van de maand in gebouw de Duynkant aan de Geversweg. Openingstijden zijn van 13.30 uur tot 16.00 uur en iedereen is welkom. Dat geldt natuurlijk vooral voor nieuwe donateurs die het werk van Oud-Castricum de komende tijd willen ondersteunen. De entree is voor donateurs gratis, de overige bezoekers betalen 1 euro.

Protest in Castricum from Filmboer Produktie /Anton Visser on Vimeo.

Voor honderd jaren

In afl. 2 van den loopenden jaargang van het Vaktijdschrift vermeldt M. Kramer interessante bijzonderheden betreffende een onderwijzersbenoeming te Castricum een eeuw geleden (1804.)

Na den inhoud van verschillende documenten aangaande de vacature en de sollicitanten te hebben medegedeeld, wordt de lezer met de correspondentie tusschen den Schout en Secretaris van Castricum en den Schoolopziener in kennis gesteld.

Vervolgens komt een uitgebreid verslag van het onderzoek der sollicitanten. Hieruit blijkt, dat eerst de Schout en Secretaris hen „omtrent hunne kunde in de nederduitsche taal, schoolonderwijs en verdere vereischten, ook door proeven in het schrijven, lezen en zingen en geschiktheid tot het schoolonderwijs” heeft geëxamineerd. Daarna zijn de genomineerden (een zestal) aan den tand gevoeld door burger Pr. Corver, Schoolonderwijzer te Velzen.

Door „den eersten genomineerden” , N. ANSLIJN, waren de getuigschriften vóór het examen teruggevraagd. Van dezen had de Schoolopziener in zijn „advis op de 32 sollicitanten” geschreven:

„N. Anslijn is, als Schoolonderwijzer praeferent – ik durf u verzekeren, dat gij in meer opzichten, dan in de taal, ook in Rekenkunst, wis- en Aardrijkskunde een bekwaam man in hem zult aantreffen. Hij schrijft zelf niet fraai, maar onderwijst goed, heeft daarin vaste theoretische gronden, – en levert, dit weet ik, goede schrijvers.-Hoe kan dit zamen gaan? zult gij vragen. Zeer wel, omdat theorie en Praktijk zeer onderscheiden zijn.”


De Schoolopziener verwachtte, „dat het Gem. Bestuur wel zoo veel achting voor het departementaal Schoolbestuur zal aan den dag leggen, dat de man met het volledig getuigschrift althans op de Nominatie worden geplaatst”.

Nadat Anslijn zich echter had teruggetrokken moest men een keuze doen uit het overgebleven vijftal, dat „van half 10 tot des namiddags om half een uuren” door genoemden burger Corver „op eene hem vereerende wijze met eene weergalooze juistheid en nauwkeurigheid; waar in de bewijzen van des examinators uitmuntende kunde en ervarenheid doorstraalde; eerst in de vereischten van eenen goeden onderwijzer der Jeugd, en het onderwijs in het bijzonder; daar na omtrent de gronden der nederduitsche taal, het regelmatig lezen, als mede de rekenkonst, (was) geëxamineerd“; en nadat de 5 genomineerde burgers in de kerk openlijke proeven hadden gegeven in het lezen en zingen werd „tot Schoolonderwijzer, koster, voorzanger en gerechtsbode van Castricum verkoren en aangesteld de burger Pieter Kieft te Amsterdam.

Volgens art. 1 zijner Instructie moest hij zich „met alle oplettendheid en naarstigheid[1] in het schoolhouden en onderwijzen gedragen naar de wetten en naar het Reglement van orde voor de openbare scholen, binnen de Bataafsche Republiek”, en hij genoot hiervoor (als schoolmeester en gerechtsbode) per jaar _ . . f 125, benevens f 3 emolumenten[2]!

Niettegenstaande de „uitmuntende kunde en ervarenheid” van den examinator schijnt er aan burger Kieft’s ontwikkeling wel het een en ander te hebben ontbroken. Althans weinige maanden na zijn benoeming werd in de vergadering van het gemeentebestuur behandeld „eene Missieve href=”#voetnoot01″>[03] van het Departementaal Schoolbestuur voor het noordelijk gedeelte van Holland”, houdende een kennisgeving, „dat door het zelve Schoolbestuur op den 7 Juny voorn. had onderzoek gedaan naar de kunde en bekwaamheid van Pieter Kieft; hem nagenoeg in alles derwijze zwak gevonden had, dat het hem niet had kunnen geven een volledig getuigschrift, maar hem alleen had toegestaan het school alhier, geduurenden één Jaar waar te nemen, om zich dan, in Juny 1805, andermaal door het zelve te laten examineeren, voorts zijn leedwezen te kennen gevende, dat het zoo ongunstig omtrent de bekwaamheid van dien persoon, zich genoodzaakt zag te berichten, maar dat het daartoe gedrongen wierdt eensdeels door de waarheid der zaake, en anderdeels door het onaangenaam gevoel, ’t welk bij het zelve had moeten opkomen, toen het gezien had, dat deze vergadering, bij het beroep van dezen, in vergelijking onkundigen man, andere sollicitanten waren voorbijgegaan, van wier meerdere kunde en bekwaamheid, het zelve de overtuigendste proeven ondervonden had”.

Niettegenstaande de „uitmuntende kunde en ervarenheid” van den examinator schijnt er aan burger Kieft’s ontwikkeling wel het een en ander te hebben ontbroken. Althans weinige maanden na zijn benoeming werd in de vergadering van het gemeentebestuur behandeld „eene Missieve[3] van het Departementaal Schoolbestuur voor het noordelijk gedeelte van Holland”, houdende een kennisgeving, „dat door het zelve Schoolbestuur op den 7 Juny voorn. had onderzoek gedaan naar de kunde en bekwaamheid van Pieter Kieft; hem nagenoeg in alles derwijze zwak gevonden had, dat het hem niet had kunnen geven een volledig getuigschrift, maar hem alleen had toegestaan het school alhier, geduurenden één Jaar waar te nemen, om zich dan, in Juny 1805, andermaal door het zelve te laten examineeren, voorts zijn leedwezen te kennen gevende, dat het zoo ongunstig omtrent de bekwaamheid van dien persoon, zich genoodzaakt zag te berichten, maar dat het daartoe gedrongen wierdt eensdeels door de waarheid der zaake, en anderdeels door het onaangenaam gevoel, ’t welk bij het zelve had moeten opkomen, toen het gezien had, dat deze vergadering, bij het beroep van dezen, in vergelijking onkundigen man, andere sollicitanten waren voorbijgegaan, van wier meerdere kunde en bekwaamheid, het zelve de overtuigendste proeven ondervonden had”.

Gelukkig voor Kieft werd „na deliberatie geresolveerd, om zonder zich te expliceeren over het in dien brief medegedeelde, en dus zonder op den inhoud enig het minste regard[4] te slaan, die missieve aan te nemen voor notificatie”. Na juni 1805 was hij dan ook nog in functie[5] en men scheen in zijn dorpje tevreden over hem, want hij werd in het laatst van dat jaar bovendien nog aangesteld als Doodgraver!


M. Kramer

Dit artikel van M. Kramer is één van de velen die hij heeft geschreven. Deze doet er toe omdat het over Castricum gaat.

Uit: Nieuw Leven, Weekblad voor Opvoeding en Onderwijs in School en Huis, 2e jaargang, no. 41, p. 488-489, 17-01-1906

Bron: Rino Zonneveld


[1] naarstigheid is ijver

[2] emolument is een beloning voor werk buiten het normale salaris.

[3] missieve is een ambtelijke brief

[4] regard is acht

[5] Pieter Kieft is in 1825 vervangen door dhr. Schut.

Door de duinen naar het strand, na een storm

Dit artikel van M. Kramer is één van de velen die hij heeft geschreven. Deze doet er toe omdat het over Castricum gaat.

Wanneer gij met uw leerlingen een schoolreisje maakt naar het strand, dan kiest gij daarvoor een mooien dag uit. En gij geeft hun een denkbeeld van het duinlandschap in een jaargetijde, dat ook daar leven is en beweging. Van de kracht der zee krijgen ze dan echter geen voorstelling, van de geheimzinnige stilte en verlatenheid der duinen slechts een flauw idee.

Maar gij zelf – zoo gij niet in de nabijheid geboren en getogen zijt – hebt gij door eigen aanschouwing een duidelijk begrip van de verwoestende macht van wind en water te zamen? Hebt gij u tijdens of na een storm wel eens overtuigd van hun invloed, door een bezoek aan het strand? Zoo niet, grijp dan de eerste de beste gelegenheid aan om dat gebrek aan uw eigen voorstelling te verhelpen en gij zult bij dit gedeelte van uw aardrijkskundig onderwijs in het vervolg zeker vollediger kunnen zijn.

Neem na een herfst- of winterstorm een trein of een trammetje naar het prachtig gelegen Castricum bijv. en ga vandaar uit de vrije natuur in.

De menschen buiten zullen de schouders ophalen en u „een raar mensch” vinden. „Wie gaat er nou in den winter naar zee !” Probeer maar niet ze op het schoone van zoo’n wandeling te wijzen en uw verwondering uit te drukken over het feit, dat vele inwoners van het dorp zelfs ‘s zomers niet naar zee gaan, ja, dat er zijn – zoo dicht bij zee – die nog nooit de grootsche watervlakte gezien hebben. „Er is niks an! Als ereis een vinvisch aangespoeld is of een schip gestrand – liefst met practische dingen – ja, dan is het wat anders.” Kort en goed: ge blijft „raar”, wat ge u echter niet in het minst aantrekt. Zij „voor hun part” gaan liever „een spulletje pandoeren achter de kachel” en gij voor uw part gaat — naar zee.

* * *

Met den eersten dag van dit jaar scheen de natuur tot rust te zijn gekomen; ‘een kalmte, die verademing gaf na het stormgeloei der laatste Decemberdagen, lokte uit naar buiten.

„’t Heeft er wat aan gedaan, hoor! De duinen hebben aardig geleden en te Egmond is het gewoon verschrikkelijk,” zoo vertelde de strandvonder, die zijn goeie kennissen veel heil en zegen in het Nieuwejaar kwam wenschen. Zijn mededeeling deed het verlangen nog sterker worden, om bij het kostelijk winterweer een wandeling naar zee te doen.

‘t Is een heerlijk voetreisje van Castricum door de duinen. Bij „Kijk-Uit” – de woning van een opzichter in het duin – slaan we een der zes wegen in, die daar samen komen. Voorbij „De Brabantsche Landbouw” – een boerderij – wandelen we langs den ouden schelpweg naar het doel van onzen tocht.

‘t ls treffend stil in de eenzame duinen, overal een beeld van verlatenheid. Geen weelderig groen, geen vroolijk gezang van vogels. Hier en daar slechts een schichtig konijn, vluchtend voor den vreedzamen wandelaar, of een fazant, plotseling met schrik naast u opvliegend. Als om de doodsche stilte des te beter te doen uitkomen, treft nu en dan het verwijderde gekras van een kraai of het gerommel vaneen spoortrein uw oor. Het sombere groen van sparren en dennen heeft nooit zooveel indruk op u gemaakt als thans, nu het andere hout zijn bladerentooi mist. Wat een verwrongen takken bij vele boomen! Wat een dorrende bladeren zijn hier samengewaaid; ze kraken onder uw voetstappen. Hoe prachtig, hoe fijn, die lichtgroene mosrand langs uw pad; het lijkt wel fluweel. Beter tijd had het nietige plantje niet kunnen uitkiezen om zich in zijn groei en bloei te laten opmerken dan in het tijdperk van rust voor de andere planten. – En toch, hoe doodsch en verlaten, het landschap is verheven schoon. Ge neemt er een onvergetelijken indruk van mede.

Gij nadert de zee. De golven, nog niet geheel tot bedaren gekomen, doen haar geruisch in toenemende sterkte hooren. ’s Zomers zoudt ge haar nabijheid ook bemerken aan het luide gekrijsch van zeevogels, die hun jongen waarschuwen voor den naderenden vijand. Na u nog eens omgewend te hebben, om van een hooger standpunt op uw weg het landschap te overzien, bereidt ge u voor op andere indrukken.

Bij het omslaan van een heuvel staat ge onverwachts voor een man, die met planken en latten beladen van den kant der zee huiswaarts keert. Waarom ontwijkt zijn blik den uwen, waarom mompelt hij een groet in dit eenzame oord, waar men onwillekeurig meer hartelijkheid in zijn toon legt? Lezer, hij voelt zich betrapt. Hij dacht er niet aan op den Nieuwjaarsdag in het verlaten duin menschen te kunnen ontmoeten. Ook hij ging na den storm het strand bezoeken, maar met heel andere bedoelingen dan gij. „Zou er niet voor een weekje brand aangespoeld zijn?”

Wat een hebzuchtige belangstelling bij zoo’n eerzamen duinbewoner, denkt gij. Zijn gedachte zal wel wezen: „rare lui, wat is eraan ‘t strand te vinden, als je toch niks gaat halen”.

Omhoog, omlaag, nu nog één duinhelling en — daar ziet ge de zee voor u. Ze is reeds vrij kalm geworden. Alleen aan het strand nog flinke golven, doch ze verliezenhaar kracht reeds ver van de duinen. Hadt ge hier enkele dagengeleden gestaan! Ge waart uw leven niet zeker geweest. Het zand onder uw voeten zou verraderlijk weggezakt zijn en gij zoudt in de kokende golven den dood hebben gevonden. Want ziet ge daar vlakbij uw voeten die flinke scheuren wel? En waag thans nog eens eenige stappen vooruit! Een huivering overvalt u. Ge merkt nu eerst, dat ge post gevat hebt op den rand van een afgrond. Gij, gewoon het duin af te hollen om het eerst bij het water te zijn, ge zoudt een val gedaan hebben van ettelijke meters. Een kreet van verrassing ontsnapt u bij de ontdekking, dat rechts en links een stuk van de zeeduinen is ingestort of weggeslagen. Wat een verwoesting! Wat een geweldige kracht in dat water, als de storm de golven opzet en voortzweept tot aan de duinen!

De dagbladen hebben u gemeld, hoe verschrikkelijk het is toegegaan te Egmond aan Zee. Duizenden hebben de verwoesting gezien, daar in weinige oogenblikken aangericht. Zoo licht zou men nu denken — de dagbladen toch maakten alleen melding van Egmond — dat de vernieling aan het duin zich bepaalde tot de badplaats. Maar ook op andere plaatsen aan de duinen is de grootste schade toegebracht; overal, waar duinen zijn, loert de verraderlijke zee op buit. Het instorten van de gebouwen, die te Egmond dicht aan zee stonden, is eigenlijk niets meer dan een bijkomende omstandigheid.

Als men zoo’n verwoesting over een heele strook ziet, neemt men wel aan, wat geconstateerd is, dat n.l. onze kust gemiddeld per jaar1 M. afneemt.

Treurige dingen brengt de romp van een schuit u in herinnering! Het is het vaartuig der drie ongelukkige Urkers, die te IJmuiden in het gezicht der haven verdronken zijn. De schuit, van mast en roeren en zwaarden beroofd, was bij paal 47 op ‘t strand geworpen. Eenige lui uit IJmuiden hadden aangenomen het wrak derwaarts te voeren, waar het zou opgeknapt worden om met weer andere visschers den gevaarlijken plas te bezeilen. Daags voor den storm van 30 December had men het op rollen tot bij zee gebracht en daar vastgelegd. Maarde storm verijdelde het werk: een 40 M. werd het teruggeworpen tot den voet der duinen.

We kunnen hier moeilijk op het strand komen; ‘t is te gewaagd. Wel een kwartier zijn we genoodzaakt de wandeling, liever de huppelpartij, naast den afgrond voort te zetten. Ha, daar is een gedeelte, waar we met eenige sprongen op de ingestorte stukken zonder gevaar het strand kunnen bereiken. Het is maar goed, dat het zand half bevroren is, zoodat men niet behoeft te vreezen, dat het bij een sprong uiteen zal vallen.

Van beneden gezien komt de verwoesting nog sterker uit. En hoe prachtig vlak is het strand! Ge maakt de opmerking, dat het ook wel breeder lijkt. Nergens is een geul te zien. Door de sterke beroering van het zand zijn een menigte dingen boven gekomen. Doode zeesterren, overblijfselen van kreeften enz., nooit hebt ge ze in zoo groote hoeveelheid aangetroffen. Hier en daar liggen bossen helm, waarmede de verwoeste zeeduinen zoo zorgvuldig beplant waren. Talloos zijn thans de brokken samengeperst veen, die naar boven gewoeld zijn. Zij lijken wel afgeronde stukken turf en leveren het bewijs, dat de duinen bij haar verplaatsing naar het Oosten een veenlaag tot ondergrond hebben gekregen. Dat men na een stormvloed bij de badplaatsen naar geldstukken gaat zoeken komt u thans begrijpelijk voor.

Van paal 47 wandelen we naar paal 45, waar de „zeeweg” van het strand weer naar Castricum voert. Zoo’n tochtje langs het eenzame strand boeit altijd. Heel inde verte ziet ge den Van Speijkstoren te Egmond. Langs en op het water een menigte zeevogels, meest scholeksters. Merkt ge ginds dat vrouwtje op, telkens bukkend? Zou ze ook naar zee gelokt zijn om aangespoeld hout te halen? Al meer en meer naderen we het begin (of het eind) van den zee-weg. Van paal 45, altijd goed zichtbaar, merken we thans echter niets. We moeten er toch dicht bij zijn; de weg is reeds duidelijk te zien, vooral nu het vrouwtje bij onze nadering zich daar in de duinen terugtrekt. De zaak is opgelost: een korte stomp slechts steekt boven het zand uit, de paal is door den stormvloed afgerukt. Daar ligt hij omgekeerd tegen het ingestorte duin. Al bestond de paal niet uit één stuk, hij was toch stevig vastgehecht met stevige krammen en spijkers. Als spelden zijn ze omgebogen.

De ingang van den schelpweg — of zee-weg — heeft ook veel geleden. Wat is ook hier een zand weggespoeld!

Arme schelpvisschers en paarden, die de nog veel steiler geworden helling moeten bestijgen met een kar vol schelpen; zonder eenigen last gaat het al moeilijk.

Na een laatsten blik te hebben geworpen op de zee, waarin aanstonds de zon zal verdwijnen, gaan we langs den schilderachtigen weg huiswaarts. Daar strompelt zoowaar het vrouwtje een eind voor ons uit. We hebben haar spoedig ingehaald, al haast ze zich ook merkbaar. Op den rug torst ze een zak, waaruit eenige stukken plank steken. We hebben ons niet vergist. Bij het voorbijgaan voelt ze zich gedrongen een verklaring te geven van haarbezoek aan het strand: „Ja zie je, die boot van die Urkers wou ik zoo graag eens zien en toen zag ik aan het strand stukkies hout liggen en ik denk, ‘t is zonde, as dat hier blijft. Ik ben net zoo’n „struinder”, zie je.”

Zoo doet men de ervaring op, dat er meer strandvonders zijn, dan wettelijk werden aangesteld. Arme ziel echter, als bittere armoe haar tot dezen tocht genoopt heeft. En wat een zielelijden zal haar dan nog op den moeilijken weg gekweld hebben, nu zij zich als een „struinder” betrapt moest zien. Over het terrein, waar men reeds bezig is het krankzinnigengesticht „Duin en Bosch” te bouwen, bereiken we het dorp. Een heerlijke wandeling hebben we gedaan, rijk aan indrukken.

Amsterdam.                                               M. KRAMER.

Gepubliceerd in: Nieuw Leven, Weekblad voor Opvoeding en Onderwijs in School en Huis, 2e jaargang, no. 7, p. 76-79, 24-05-1905.

Het weer destijds: Het vroor in de dagen dat het verhaal speelt op 1 januari 1905 een graad of 7 en de wind waaide Bft 2. Op 30 december 1904 was het Bft 7-9. Het waren koude kerstdagen in 1904 met temperaturen rond en onder het vriespunt.

Wie was M. Kramer? Dat is Matthijs Kramer. Zie: Jaarboek 31, 2008, pg 68-76.

Bron: Rino Zonneveld