Bevrijding

Toespraak van Walter Leenaers bij de opening van de tentoonstelling ’75 jaar bevrijding’

Bij de opening van de tentoonstelling ’75 jaar bevrijding’ hield Walter Leenaers (zoon van dr. Leenaers) een toespraak. Hieronder leest u de tekst en kunt u de film zien die gemaakt is tijdens de opening.

Walter Leenaers bij de openingstoespraak

Wij herdenken doden maar vieren de bevrijding.
Wat vieren wij dan?

1940 – 1945 : Nederland is geknecht en tot op het bot vernederd.
Over de verschrikkingen uit die tijd kunnen wij allemaal wel lezen,
maar slechts enkelen voelen het nog.
Wat vieren wij dan?

1970. 25 jaar bevrijding. Dat werd uitbundig gevierd zoals bij een 25-jarig ambtsjubileum of huwelijk. De bevolking was zich toen nog terdege bewust van het verleden. De wederopbouw was in volle gang. De vrijheid van de jaren zestig gaf ons het gevoel dat alles mogelijk was en moest kunnen.
Wat vieren wij dan?

1995. 50 jaar bevrijding. Dat werd gevierd in een tijd dat de bomen tot in de hemel leken te groeien. Wij vierden de welvaart en de consumptie, die grenzeloos leek. De 65 plussers van toen wisten nog wel hoe het geweest was en waarom zij de bevrijding vierden.
Wat vieren wij dan?

2020. 75 jaar bevrijding. NU. Bijzonder omdat nog slechts enkelen kunnen getuigen over wat er toen heeft plaats gevonden. Ook in Castricum en Bakkum. Daarna zal iedere bevrijdingviering geschiedenis zijn.
Wat vieren wij dan?

Dat was en is voor de Werkgroep Oud-Castricum reden geweest om deze tentoonstelling te organiseren. Een werkgroep bestaande uit vrijwilligers
die niet alleen de geschiedenis bewaard willen zien en dan met name die van Castricum, Bakkum en omgeving maar die ook deze geschiedenis archiveren en exposeren om volgende, jongere generaties daarvan kennis te laten nemen. Hun tijd en energie zijn van onschatbare waarde voor deze gemeenschap.
De door de Werkgroep uitgegeven jaarboeken zijn juweeltjes.

Een bijzondere vondst is de wijze waarop deze tentoonstelling tot stand is gekomen. Gebaseerd op dagboeken. Die allen in die jaren zijn geschreven door mensen die zeer nauw betrokken waren bij het wel en wee van de Castricummers en Bakkummers. Met de bedoeling dat volgende generaties hierover geinformeerd zouden worden en dit stukje geschiedenis niet zouden vergeten.

De angst, de pijn, de honger, het gebrek aan alles maar vooral het verdriet zijn niet meer voelbaar. Echter, door deze tentoonstelling te baseren op deze  dagboeken waarvan de auteurs midden in die tijd stonden keren wij mentaal even terug in die wereld van toen.

Het eerste dagboek is dat van een boerin in Bakkum: Willemijn Stuifbergen Duijn. Het is haar kleindochter Margaret Pronk Stuifbergen die na lezing van dit manuscript in 2005 het in boekvorm heeft uitgegeven. Willemijn had een speciale reden voor het bijhouden van een dagboek: haar oudste zoon, Jaap, was voor de oorlog geëmigreerd naar Zuid-Afrika. Zij wilde dat hij na de oorlog zou kunnen lezen wat er in Castricum en Bakkum- zijn geboortegrond – had plaats gevonden. Dat wij nu door haar aantekeningen zoveel over de dagelijkse gebeurtenissen uit die tijd weten heeft zij zich nooit gerealiseerd.
Al lezende merk je, dat zij een vrouw was met hart en ziel voor het boeren vak. Daarnaast ook een trotse moeder van een groot gezin met kinderen die in meerdere opzichten van elkaar verschilden.
Een vrouw ook met een onwankelbaar geloof, wat zij ook van anderen verwachtte, maar tegelijkertijd vanuit dat geloof maar niet kon begrijpen waarom al deze ellende over hen kwam. Er was toch ‘Iemand’ die daar een einde aan kon maken?
Hoewel zij een beperkte opleiding had genoten (wat meer meisjes in die tijd ten deel viel) bleek zij te beschikken over een nuchtere kijk op veel zaken in en buiten het gezin. Over alles had zij een mening waarin persoonlijke fantasie en emoties vaak niet ontbraken.
Zij beschrijft niet alleen het steeds strakker aanhalen van de buikriem tot voor onze begrippen nu krankzinnige proporties, maar ook het steeds strakker aanhalen van de strop om de nek: het steeds verder inperken van de fysieke en mentale vrijheid. Haar dubbele gevoel over de dagelijkse nachtelijke bombardementen door de Tommies in Duitsland om een geallieerde invasie voor te bereiden, omdat haar jongste zoon daar verbleef vanwege de ‘arbeitseinsatsz’.
Het verplicht inleveren van vee – om niet – moet voor iedere boer en boerin een catastrofaal gevoel zijn. Van 26 naar 10 koeien! Terwijl de dagelijks bedelende rij stedelingen voor de deur steeds langer werd moest zij dan uiteindelijk NEE verkopen.

Opvallend in haar boek is de aanvankelijk vriendelijke houding ten aanzien van de bezetter, die onder andere hun paarden bij haar op stal hadden staan.
Castricum heeft een viertal verschillende shifts van Duitsers te verwerken gekregen. De beestachtigheid – om in haar termen te spreken-  nam alleen maar toe. Haar aanvankelijke vriendelijkheid veranderde in haat.

Het tweede dagboek betreft het dagboek van de kapelaans. Door de Werkgroep in 2020 uitgegeven. Vanuit een andere optiek geschreven.
Drie kapelaans – Holthuizen, Verheul en van der Zalm – kwamen afzonderlijk op het idee de gebeurtenissen voor later vast te leggen. Omdat de geestelijkheid in die tijd veel autoriteit werd aangemeten hadden zij meer kontakten met de buitenwereld dan de gemiddelde inwoners van Bakkum en Castricum. Dit valt ook te lezen in hun dagboeken. Door vele kleine lokale opmerkingen geven zij de sfeer, spanning, onrecht en verdriet goed weer.
Waarbij ook bij hen het geloof – hun missie – een grote rol speelde. Daarnaast worden eveneens vaak gebeurtenissen elders in het land en in de wereld genoemd. Informatie die vermoedelijk via radio Oranje ea tot hen kwamen. Wellicht hebben hun kortere verbindingslijnen met hogere echelons zoals bisschoppen en kardinaal hiertoe bijgedragen.
Bij hen kreeg de evacuatiedreiging van Catricummers veel aandacht.
Om de haverklap kregen bewoners van de bezetter te horen dat zij wel of niet hun huis moesten verlaten. Al of niet met achter laten van al hun spullen.
Die constante onzekerheid moet velen radeloos gemaakt hebben. De reden van het verlaten en plat gooien van hun huizen was de uitvoering van de  ‘Atlantik Wall’. Een door de Duitsers opgezette verdedigingslinie van Noorwegen tot Spanje om een geallieerde landing te voorkomen. Voor diegenen, die dat nog niet wisten: hier in de tuin achter dit gebouw staat nog steeds een klein stukje van die Wall.
In toenemende mate maken de kapelaans ook melding van vergeldingsacties door verzet en ondergrondse. Wat beantwoord werd met nieuwe slachtoffers onder burgers en gevangenen.
Anderzijds vermelden zij ook over collaborateurs, NSB’ers en anderen die het niet zo nauw namen met normen en waarden. In Castricum werd een NSB burgemeester benoemd, waaraan velen een onaangename herinnering hebben overgehouden.

Hoewel ook zij leden onder alle tekorten zaten zij toch een beetje in een andere positie. Iets extra’s ging nog wel eens naar de pastorie. Een aparte vermelding bijvoorbeeld, dat de pastoor een maal per week ‘n eitje krijgt. Alleen de pastoor. Bijna ludiek klinkt het als men nu leest, dat vier volwassenen met elkaar een sinaasappel mogen delen.

Het derde dag boek is geschreven door Annie van Nievelt. Het is in concept gereed maar nog niet uitgegeven.
Annie van Nievelt woonde met haar broer Han die tijdens de oorlog huisarts was in Castricum en haar zuster Hennie, apothekersassistente,  later na de oorlog op de Geversweg, hier 100 meter verder. Zij waren alle drie ongehuwd. Zij die hen nog gekend hebben zullen het mij eens zijn, dat alle drie zo geplaatst zouden kunnen worden in de tijd van Charles Dickens.
Niet alleen qua uiterlijk zoals kleding en kapsel maar ook hun denkwereld. Principieel, onherroepelijk en onverstoorbaar wilden zij zich inzetten voor iedere goede zaak. Annie met name deelde de werkzaamheden in het verzet.  Onder andere door het verspreiden van illegale berichten. Zij was intelligent en sprak 6 talen. Vanwege deze enorme talenkennis werd zij na de oorlog als secretaresse aangenomen bij het grote proces tegen de Duitse misdadigers in Neurenberg. Vanwaar de volgende anekdote komt die ik u graag wil laten weten: Tijdens een van die rechtszittingen  in Neurenberg kwam met spoed een engelsman haar kantoor binnenlopen met een Nederlands document, dat direkt vertaald moest worden voor de zitting, die reeds aan de gang was. Annie keek ernaar en vertaalde uit haar hoofd het document. Het bleek dat zij dit document honderden keren had gestencild tijdens haar werkzaamheden voor het verzet in Castricum. Misschien op de stencilmachine die u straks in de vitrine hiernaast kan zien staan!
Ook na de oorlog bleef deze familie zich inzetten voor wat volgens hen principieel moest. Weinigen zal bekend zijn, dat zij bij de Hongaarse opstand in 1956 twee jonge Hongaren – broer en zus – hebben  ‘geadopteerd’, een opleiding hebben laten volgen en op een toekomstig spoor hebben gezet.
Oh ja, Annie leerde en sprak voor die gelegenheid vloeiend Hongaars.

Dat ik vandaag hier voor u sta en deze woorden mag uitspreken is niet qualitate qua omdat ik schrijver of iets dergelijks ben. De leden van de werkgroep Oud Castricum was het bij het samenstellen en lezen van de dagboeken opgevallen, dat sommige namen vaker voorkwamen.
                           Dr. Leenaers was er daar een van.
In de dagboeken wordt hij meermalen gememoreerd. Het leek hen daarom een idee om iemand uit die hoek te vragen deze tentoonstelling voor u te openen.
Mede met het doel een volgende generaties deze geschiedenis te laten doorgeven.
Daarom sta ik hier. Ik ben namelijk zijn zoon en geboren Castricummer. Ik weet, dat mijn vader een zeer gerespecteerd man in Castricum was. Hij was niet alleen medisch maar ook sociaal zeer bewogen met zijn mensen. Wat hij reeds op velerlei wijzen in de dertiger jaren in de praktijk gebracht had.
En toen kwam de oorlog. Hij verzette zich heftig tegen alles wat onrecht was.
Bijvoorbeeld een burgemeester van NSB huize. Toen zij elkaar op de trap van het gemeentehuis passeerden vroeg deze hem waarom hij de burgemeester niet groette. Mijn vader zei: mijn burgemeester wordt door Hare Majesteit benoemd. 24 uur later was hij geen gemeentearts meer!
 Hij bleef het koningshuis trouw. Zijn jongste dochter(1941) kreeg de namen: Juliana, Beatrix, Irene.
De diepere gedachte achter een bevrijdingsviering of feest is dat wij en de mensen na ons blijven vertellen wat bevrijding en daardoor vrijheid is. Er lijkt door de toenemende individualisering van de jongere generaties minder vertrouwen te zijn in hun betrokkenheid. Het is ook niet gemakkelijk 75 jaar oude kost tot je te nemen.
Meer dan 70 jaar na de bevrijding kon mijn dochter mij overhalen een bezoek aan Berlijn te brengen. De reden voor dit lange wachten waren onder andere de hiervoor genoemde gebeurtenissen in Castricum en de gevolgen daarvan voor mij persoonlijk. Bij dat bezoek bezochten wij samen het Holocaust Museum. Daar vielen ons twee dingen speciaal op.
Naast de enorme hoeveelheid informatie die de duitsers daar verzameld en tentoongesteld hebben uit geheel Europa om ons te laten zien hoeveel leed zij anderen bezorgd hebben viel ons ook het onvoorstelbare aantal jongeren op die op dat moment in het museum aanwezig waren. Die zeer geinteresseerd in absolute stilte zich voortbewogen door de gangen en zalen. En later buiten gesprekken met elkaar voerden. Laten wij onze jongeren daarom niet onderschatten en hen vertellen wat wij nog weten, zoals vandaag de Werkgroep Oud Castricum met deze tentoontelling aan ons wil vertellen.

Dank u.

Tentoonstelling 75 jaar bevrijding

Bevrijdingsfeest Geelvinckstraat

Op 12 september wordt (in besloten kring) de tentoonstelling ’75 jaar bevrijding’ geopend. Deze tentoonstelling behandelt de periode 1940-1945 in Castricum. De feitelijke gebeurtenissen, zoals de afbraak van huizen en de evacuatie van een deel van de bevolking, het optreden van de Duitse bezetters en de honger in de laatste winter, zijn wel algemeen bekend. Maar over hoe de Castricummers dit persoonlijk hebben ervaren en hoe zij zijn omgegaan met gevoelens van rechteloosheid, onzekerheid, angst, enz. weten wij niet veel.

Gelukkig kunnen wij beschikken over een aantal dagboeken waarin zowel feiten als gevoelens uit de bezettingstijd zijn beschreven. Op basis van de volgende dagboeken is deze tentoonstelling samengesteld:

Tijdens de tentoonstelling wordt ook een film afgespeeld waarin getuigen uit de vier kernen vertellen hoe zij de oorlog beleefd hebben.

Oud-Castricum hoopt met deze tentoonstelling tevens te bereiken dat we beseffen hoe de omstandigheden waarin we nu leven verschillen van die gedurende de oorlogsjaren. Hoe wij leven in een rechtsstaat en in welvaart. Maar dat wij ook beseffen dat dit niet vanzelfsprekend is en dat er helaas nog miljoenen mensen leven in gebieden waar oorlog, gebrek en rechteloosheid het dagelijks leven bepalen.

De tentoonstelling wordt (in besloten kring) geopend door Walter Leenaers (zoon van dr. Leenaers) op 12 september in de Duynkant en is daarna te bezichtigen op 12 en 13 september van 10.00 tot 17.00 uur en verder gedurende drie maanden op de open dagen (met ingang van 20 september). Uiteraard is de tentoonstelling Corona-proof.

N.B. In het kader van ’75 jaar bevrijding’ is er ook een fiets-/wandeltocht samengesteld door Oud-Castricum, in samenwerking met de Historische Vereniging Oud-Akersloot, de Stichting Oud Limmen en de Vereniging Oud Uitgeest. Lees hier meer over deze tour. Hieronder een interview van Omroep Castricum met Frans Zonneveld, voorzitter van Oud-Akersloot.


Had Floris V een gat in zijn hand?

door Rino Zonneveld

Floris V is in 1254 geboren in Leiden en op de Schepelenberg in Heemskerk tot graaf verklaard. Hij vocht als achttienjarige tegen de West-Friezen om zijn vader graaf Willem II die bij Hoogwoud was gesneuveld te wreken. Hij beëindigde in 1274 de opstand van de Kennemerlandse, Waterlandse en Amstellandse bevolking. Hij wist hen voor zich te winnen en werd ‘Der Keerlen God’ genoemd, god van de boeren of gewone man, hij was een geliefde graaf.

In 1280 liet hij het Muiderslot bouwen, in 1282 onderwierp hij de West-Friezen en in 1287 werd kasteel Radboud gebouwd. Uiteindelijk is hij door een conflict in de wolhandel te grazen genomen door Gerard van Velsen en compagnons. Hij overleed in 1296 en opvallend is zijn begrafenis in de Grote Kerk te Alkmaar. Inmiddels liggen de botten herbegraven in Rijnsburg.

Voorzijde van de munt die op 29 juli 2020 gevonden is door onze detectoramateur Ron van Wezop

In en rond Bakkum zijn in de afgelopen jaren al ruim tachtig munten van Floris V gevonden. De munt is van zilver en is 13 mm groot en ongeveer 0,5 gram. Hieronder een voor- en achterzijde van de munt én hierboven de munt die op 29 juli 2020 gevonden is door onze detectoramateur Ron van Wezop.

Gat in de hand of niet: Floris V was ongetwijfeld een rijk man.

Voor- en achterzijde van dezelfde munt

Enkele flinke neuten op het erf

door Rino Zonneveld

Op het erf van een boerderij aan de Breedeweg in Castricum werd ik in juli 2020 door de eigenaar gewezen op een viertal zware stenen. Het betreft de boerderij van Nico Kuijs rechts onderaan op de plattegrond. Wat zijn het? Hoe komen ze op het erf?

Maten van de stenen

Schuilkerk aan de Breedeweg. Plattegrond uit 19e eeuw.

Eén steen is hoog 290 mm en de andere iets hoger namelijk 296 mm. Andere maten zijn bij beide stenen identiek. De korte breedte is 214 mm en de lange breedte bedraagt 242 mm. Het korte deel naast de boog is 100 mm en de kleine inspring tegen de boog aan is 24 mm.

Het vierkante gat (dookgat) is ca 30 x 30 mm en het hart daarvan ligt ca 100 mm van de haakse kanten. Een dookgat heeft de functie de stenen met elkaar te verbinden door bijv. een metalen pen. De ronding van het hardsteen is mooi verticaal gefrijnd.

Functie

De stenen

Het gebruik van de objecten. De eigenaar dacht aan poeren om balken in een stolp te stutten. Ze zijn daar te mooi, te duur voor.  Het idee over de afkomst lijkt eerder gebruik als onderdeel van een hek/poort of van een schouw. In ieder geval iets van aanzien. In de nabijheid van de boerderij staan nog twee oude boerderijen én er stond een schuilkerk. Op de kaart het blauwe gebouw.

Van twee van de vier neuten is het gebruik wél bekend. Zij kregen een tweede gebruik om als een soort aambeeld bakstenen op te leggen en mortel af te bikken. Zouden ze deel uitgemaakt hebben van een poortdeur van de schuilkerk?

Ik heb advies gevraagd aan de boerderijenstichting en aan boerderijdeskundige Dieuwertje Duijn. Zij bevroeg op haar beurt Pieter Meijers, bouwhistoricus. Hij zegt het volgende: “De ronde kant is verticaal gefrijnd dus gebruikt in de getoonde positie. Het lijkt mij een basement (als de onderdelen op elkaar aansluiten) of een onderdeel van een poort of doorgang. Frijnslag ziet er gaaf uit, dus blok heeft hoger dan plint gezeten. Het dookgat wijst op een stapeling. Lijkt 18e-19e eeuws.”

Info over de schuilkerk

Er zijn twee afbeeldingen gemaakt door de plaatselijke kunstschilder Sijf Portegies. De tekeningen zijn mede gebaseerd op beschrijvingen door oude mensen. Er is geen grote poort te zien waar de neuten deel van uitgemaakt hebben.

De schuilkerk was aanvankelijk een boerenstolp en is in 1663 in gebruik genomen. Deze rooms-katholieke kerk is steeds mooier geworden in de loop der tijd. In 1820 is het pand nog eens grondig vernieuwd. Meuwsen was tot 1858 de laatste pastoor. De kerk is gesloopt en het erf verkocht aan Cornelis Mooij. Die werd geboren in 1821 in Bergen en verhuisde op jonge leeftijd naar Castricum. In 1858 trok hij de aandacht met zijn aankoop van de locatie voormalige schuilkerk en bijbehorende gronden aan de Breedeweg.

Archeologisch onderzoek Bakkummer weidje

Recent is onderzoek gedaan naar het Bakkummer weidje, aan het eind van de Madeweg in Bakkum. Na literatuuronderzoek en bestudering van oude kaarten en luchtfoto’s door Hans van Weenen, meende men hier resten van het huis van Floris van Bakkum, ca 1333, aan te treffen.

Van het veldonderzoek is een video gemaakt. Deze video geeft een mooi beeld van niet-verstorend onderzoek. Het veldwerk is verricht door Archeo-Pro en er is geassisteerd door vrijwilligers van Oud-Castricum.

Meer informatie over het onderzoek is te vinden in dit artikel op de site Kijk op Castricum.

Eén van de vondsten van de taakgroep Archiefonderzoek

Huis te Castricum / Kronenburg / Cronenburg / Kroonenburch.
Klik hier voor meer informatie

De groep Archiefonderzoek ontdekt vaak leuke artikeltjes in allerlei bronnen. Sommige daarvan zijn historisch goed onderbouwd; andere iets minder. In onderstaand artikel, geschreven door Jacobus Craandijk, zijn sommige ‘feiten’ inmiddels achterhaald. Maar met die kennis in het achterhoofd blijft het, vinden wij, een lezenswaardig verhaal. Geniet ervan en neem het niet te letterlijk!

Wandelen met Jacobus Craandijk

Tussen 1874 en 1888 maakte Jacobus Craandijk meer dan 70 wandeltochten door Nederland. De verslagen van deze tochten verschenen in de achtdelige reeks Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Het verhaal waarin hij Castricum en Bakkum noemt staan in de beschrijving:

De Amsterdamsche waterwegen naar zee

Bladzijde 7 en 8……. :
”Bij Uitgeest buigt zich de spoorbaan weêr naar de duinen, om, na een vrij scherpen hoek te hebben gemaakt, langs den voet der hooge zandheuvels voort te loopen. Daar ligt het overoude Castricum, dat reeds in de 10de eeuw bekend was en veel vroeger welligt een Romeinsch Castrum of kasteel is geweest, later een aanzienlijke heerlijkheid, van wier slot in de vorige eeuw nog wat muurwerk en een brok van een zwaren, vierkanten toren stond. Naar de overlevering verhaalt, had Sivaert (Sifried), graaf Aernout’s zoon, hier de schoone Tetburge ontmoet. Lang woonde er een edel en krijgshaftig geslacht, dat den naam van Castricum voerde en zich niet onbetuigd liet in de gedurige oorlogen met de West-friezen. Een bastaardzoon van graaf Willem III, Willem van Cronenburg, bezat later het huis en viel bij Staveren, in den bloedigen slag van 1345. Zijn geslacht hield het sedert als achterleen van het edele huis van de Lecke. De Amsterdamsche burgemeester Geelvink was in de vorige eeuw Heer van Castricum en Cronenburg. In 1091 woedde een felle strijd tusschen die van Castricum en den abt van Egmond. In 1358 werd de Hoeksgezinde baljuw van Kennemerland, Heer Reinout van Brederode, hier door den afgezetten Kabeljaauwschen baljuw, Jan van Bloemenstein, overvallen en redde zich op den sterken toren der kerk, tot de dorpers uit den omtrek kwamen opdagen tot ontzet. In 1573 hebben de Spanjaards dorp en slot geplunderd en verwoest. In 1799 werd hier een hevige veldslag tegen de verbonden Engelschen en Russen geleverd, waarin het dorp tweemaal verloren en hernomen werd. Zoo ontbreken ook aan Castricum de geschiedkundige herinneringen niet.

Wat verder ligt Limmen, waarvan wij, van ‘t station af, niet veel meer dan den toren zien, – lange jaren een deel der heerlijkheid Egmond, even als Castricum een plaats, die reeds in de 10de eeuw wordt vermeld, even als Castricum in 1573 in kolen gelegd, en waar in 1799 het slottafereel van den Engelsch-Russischen veldtogt werd gespeeld, toen na den slag bij Castricum, op een aanbeeld van de smidse, de overeenkomst werd geteekend, waarbij de vreemde troepen zich tot terugkeer naar hun schepen verbonden en de hoop van den verdreven stadhouder in rook vervloog.

Tusschen die beide dorpen in, aan den voet der duinen, liggen de roode daken van het oude Bakkum, een nederig, schilderachtig gehucht, thans onder Castricum, oudtijds onder Egmond behoorend, in 1629 als afzonderlijke heerlijkheid door de Staten van Holland en West-Friesland aan Cornelis van der Mijle verkocht. De ‘Heinmannekens’, die vroeger de bosschen in den omtrek bewoond moeten hebben, – goedige kaboutermannetjes 1) die niemand leed deden, – zullen wel door het gillen van de stoomfluit zijn verdreven, zoo zij niet reeds verjaagd zijn door de ontginning van uitgestrekte woeste gronden, door koning Willem I in 1829 begonnen. Voor de wandelaars hadden zij niet behoeven te vlugten! Die zijn hier niet in grooten getale te vinden en waren er nooit overvloedig, al leverde de zandweg tusschen Castricum en Egmond-binnen met zijn weelderig houtgewas overvloed van natuurschoon. Een noodlottig bezoek ontvingen die van Bakkum in 1573, toen Spaansche ruiters ook hier den rooden haan lieten kraaijen, en een bange dag was ‘t voor de nederige buurt, toen zij den 6den Oct. 1799 het tooneel eener geweldige worsteling tusschen Fransche en Russische troepen was.”

1) Aan het bestaan van kabouters, twijfelen wij bij Oud-Castricum niet.

Uit: Jacobus Craandijk, Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Deel 4. H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1879

Jacobus Craandijk