Eén van de vondsten van de taakgroep Archiefonderzoek

Huis te Castricum / Kronenburg / Cronenburg / Kroonenburch.
Klik hier voor meer informatie

De groep Archiefonderzoek ontdekt vaak leuke artikeltjes in allerlei bronnen. Sommige daarvan zijn historisch goed onderbouwd; andere iets minder. In onderstaand artikel, geschreven door Jacobus Craandijk, zijn sommige ‘feiten’ inmiddels achterhaald. Maar met die kennis in het achterhoofd blijft het, vinden wij, een lezenswaardig verhaal. Geniet ervan en neem het niet te letterlijk!

Wandelen met Jacobus Craandijk

Tussen 1874 en 1888 maakte Jacobus Craandijk meer dan 70 wandeltochten door Nederland. De verslagen van deze tochten verschenen in de achtdelige reeks Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Het verhaal waarin hij Castricum en Bakkum noemt staan in de beschrijving:

De Amsterdamsche waterwegen naar zee

Bladzijde 7 en 8……. :
”Bij Uitgeest buigt zich de spoorbaan weêr naar de duinen, om, na een vrij scherpen hoek te hebben gemaakt, langs den voet der hooge zandheuvels voort te loopen. Daar ligt het overoude Castricum, dat reeds in de 10de eeuw bekend was en veel vroeger welligt een Romeinsch Castrum of kasteel is geweest, later een aanzienlijke heerlijkheid, van wier slot in de vorige eeuw nog wat muurwerk en een brok van een zwaren, vierkanten toren stond. Naar de overlevering verhaalt, had Sivaert (Sifried), graaf Aernout’s zoon, hier de schoone Tetburge ontmoet. Lang woonde er een edel en krijgshaftig geslacht, dat den naam van Castricum voerde en zich niet onbetuigd liet in de gedurige oorlogen met de West-friezen. Een bastaardzoon van graaf Willem III, Willem van Cronenburg, bezat later het huis en viel bij Staveren, in den bloedigen slag van 1345. Zijn geslacht hield het sedert als achterleen van het edele huis van de Lecke. De Amsterdamsche burgemeester Geelvink was in de vorige eeuw Heer van Castricum en Cronenburg. In 1091 woedde een felle strijd tusschen die van Castricum en den abt van Egmond. In 1358 werd de Hoeksgezinde baljuw van Kennemerland, Heer Reinout van Brederode, hier door den afgezetten Kabeljaauwschen baljuw, Jan van Bloemenstein, overvallen en redde zich op den sterken toren der kerk, tot de dorpers uit den omtrek kwamen opdagen tot ontzet. In 1573 hebben de Spanjaards dorp en slot geplunderd en verwoest. In 1799 werd hier een hevige veldslag tegen de verbonden Engelschen en Russen geleverd, waarin het dorp tweemaal verloren en hernomen werd. Zoo ontbreken ook aan Castricum de geschiedkundige herinneringen niet.

Wat verder ligt Limmen, waarvan wij, van ‘t station af, niet veel meer dan den toren zien, – lange jaren een deel der heerlijkheid Egmond, even als Castricum een plaats, die reeds in de 10de eeuw wordt vermeld, even als Castricum in 1573 in kolen gelegd, en waar in 1799 het slottafereel van den Engelsch-Russischen veldtogt werd gespeeld, toen na den slag bij Castricum, op een aanbeeld van de smidse, de overeenkomst werd geteekend, waarbij de vreemde troepen zich tot terugkeer naar hun schepen verbonden en de hoop van den verdreven stadhouder in rook vervloog.

Tusschen die beide dorpen in, aan den voet der duinen, liggen de roode daken van het oude Bakkum, een nederig, schilderachtig gehucht, thans onder Castricum, oudtijds onder Egmond behoorend, in 1629 als afzonderlijke heerlijkheid door de Staten van Holland en West-Friesland aan Cornelis van der Mijle verkocht. De ‘Heinmannekens’, die vroeger de bosschen in den omtrek bewoond moeten hebben, – goedige kaboutermannetjes 1) die niemand leed deden, – zullen wel door het gillen van de stoomfluit zijn verdreven, zoo zij niet reeds verjaagd zijn door de ontginning van uitgestrekte woeste gronden, door koning Willem I in 1829 begonnen. Voor de wandelaars hadden zij niet behoeven te vlugten! Die zijn hier niet in grooten getale te vinden en waren er nooit overvloedig, al leverde de zandweg tusschen Castricum en Egmond-binnen met zijn weelderig houtgewas overvloed van natuurschoon. Een noodlottig bezoek ontvingen die van Bakkum in 1573, toen Spaansche ruiters ook hier den rooden haan lieten kraaijen, en een bange dag was ‘t voor de nederige buurt, toen zij den 6den Oct. 1799 het tooneel eener geweldige worsteling tusschen Fransche en Russische troepen was.”

1) Aan het bestaan van kabouters, twijfelen wij bij Oud-Castricum niet.

Uit: Jacobus Craandijk, Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Deel 4. H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1879

Jacobus Craandijk

Gemopper over de Rustende Jager in de vorige eeuw

Op de ansichtkaart De Rustende Jager in 1907 (met doorrijstal)

Menigeen betreurt dat het markante gebouw van de Rustende Jager in 1976 verdwenen is. In de vorige eeuw waren er echter mensen die dat nieuwe gebouw uit 1911 met zijn voorgevel naar de zijkant maar niks vonden, zij prefereerden het vorige gebouw.

In het verhaal Insula Dei van Nescio (1882-1961) mijmeren twee heertjes over wat er allemaal veranderd is sinds het gezegende jaar 1904: “Je denkt, ze breken je wereld af. Eerst merk je ’t nauwelijks en je weet niet wat er gebeurt. Wat je moeizaam hebt veroverd verdwijnt of verandert onherkenbaar. Ze vragen nix, ze doen maar. Wegen en waters, bruggen, huizen, dorpen en steden. Menschen ook. Na twintig jaar kwam ik in Castricum en kon “De rustende jager” eerst niet meer vinden, zoo raar stonti er tusschen.” (Uit: Nescio, Boven het dal, Amsterdam 1961, p.80).

Eric Bor maakte ons attent op de vermelding van Castricum in het verhaal van Nescio. Nescio is het pseudoniem van de Nederlandse schrijver Jan Hendrik Frederik Grönloh. Het citaat over Castricum komt uit zijn verhalenbundel ‘Boven het dal’. De titel van het verhaal ‘Insula Dei’ betekent letterlijk ‘Gods Eiland’.

Op de foto De Rustende Jager met de voorkant naar de zijkant in 1917

Tentoonstelling 100 jaar vrijwillige brandweer Castricum geopend

Opening brandweertentoonstelling 19 januari 2020

De nieuwe tentoonstelling van Oud-Castricum, die in het teken staat van 100 jaar vrijwillige brandweer Castricum, werd op zondag 19 januari feestelijk geopend.
In het bijzijn van een aantal actieve spuitgasten die met een blusvoertuig naar De Duynkant waren gekomen en een flink aantal oud-brandweervrijwilligers die hadden meegewerkt aan de tentoonstelling, deed oud-brandweerman en oud-bestuurslid Gerard Veldt het openingswoord. Gestoken in een bijna100 jaar oude brandweerjas met pet ging hij in op het ontstaan van de brandweer en de vele veranderingen die er in een eeuw binnen deze organisatie hebben plaatsgevonden op het gebied van organisatie en technische ontwikkelingen.

Veldt roemde de inzet van de meer dan 150 vrijwilligers voor de gemeenschap van Castricum in de afgelopen 100 jaar. Via het spreekwoord ‘Voor elkaar door het vuur gaan’ ging hij in op de onderlinge band binnen de brandweercollega’s en de betrokkenheid van het thuisfront van de vrijwilligers. Postcommandant Jacques van Beek overhandigde Oud- Castricum vervolgens een klein presentje onder het mom ‘Wie jarig is trakteert’.

Na een kort informeel samenzijn stroomden de eerste belangstellenden al binnen en met veel bewondering werden de vele foto’s en de film bekeken. De tentoonstelling is nog te bezichtigen op de eerste en derde zondag van februari, maart en april.

Spuitgasten komen aan bij De Duynkant

Nieuwe expositie over 100 jaar Brandweer bij Oud-Castricum

Brand in 1965 in gasflessenloods op kampeerterrein Bakkum. (foto Oud-Castricum)

De Werkgroep Oud-Castricum is er weer in geslaagd om een interessante tentoonstelling samen te stellen. Dit keer is het 100-jarig bestaan van de vrijwillige Castricumse Brandweer het onderwerp. Aan de tentoonstelling, die zoals gebruikelijk bestaat uit panelen met veel nostalgische foto’s, hebben veel (oud)brandweerlieden een bijdrage geleverd.

Daarnaast wordt er in de filmzaal doorlopend een film vertoond die zowel oude beelden als interviews met brandweermannen en -vrouwen uit het heden en verleden bevat.

Het is dus zeker de moeite waard om op zondag 19 januari een bezoekje te brengen aan De Duynkant aan de Geversweg 1b. U bent van harte welkom van 13.30 tot 16.00 uur.

Deze expositie is na de opening op 19 januari in ieder geval op elke eerste en derde zondag van de maanden februari, maart en april te bezichtigen.

De toegang voor donateurs is gratis. Overige bezoekers betalen € 1,00 entree.

  • Galerij met foto's brandweertentoonstelling jan. 2020

Hoe het hier reilt en zeilt

In de Duynkant vertoont Werkgroep Oud-Castricum een ‘stomme’ film over de zestiger jaren in Castricum.

De zestiger jaren. Foto Geert Spanjaard

Dit is de naam van een film die begin zestiger jaren is gemaakt. De 50 minuten durende film geeft een prachtig tijdbeeld van het dorp met de markt, vele winkeliers, de scholen en de sport. Ben je geboren in de vijftiger jaren, dan heb je grote kans dat je jezelf en tijdgenoten herkent.

Wil je een uur genieten én nagenieten? Oud-Castricum gaat deze geluidloze film viermaal afspelen op zondagmiddag 27 oktober in het gebouw De Duynkant aan de Geversweg. Bekijk hieronder alvast de trailer.

Middagvoorstelling om 13.00, 14.00, 15.00 en 16.00 uur. Schrijf je in door een mail te sturen naar informatie@oud-castricum.nl. Zet in deze mail je naam en hoe laat en met hoeveel personen je wilt komen.

Trailer ‘Hoe het hier reilt en zeilt’

Oude bakstenen en dakpannen

Voorwoord

Als er in steden of dorpen gebouwd wordt dan zijn er op het bouwterrein altijd stenen, bouwstenen aanwezig: bakstenen, kalkzandstenen, stenen van beton en andere materialen en/of constructiedelen. We vinden het eigenlijk heel gewoon dat er bakstenen en dakpannen worden gebruikt, maar is dat altijd zo geweest, doen wij dat al lang? Hoe is dat in Noord-Holland of Castricum, waar komen die stenen vandaan en welke soorten zijn er?

Bij de renovatie van een oude boerderij aan de Breedeweg in Castricum, gebouwd omstreeks 1800 en gedekt met oude pannen, kwamen heel veel oude bakstenen tevoorschijn, daarom nu eens aandacht voor oude bakstenen en pannen.

Oude gebikte bakstenen

Oude bakstenen

Algemeen

In Nederland werd voor het bouwen van de vroegste kerken tufsteen gebruikt, een vulkanisch gesteente uit de Eifel, Duitsland. De Oude Dorpskerk in Castricum, die dateert uit de 11e eeuw, werd ook in tufsteen gebouwd; de toren echter, die dateert van midden 15e eeuw, is opgetrokken in baksteen.

Het gebruik van bakstenen in Nederland is begonnen in Groningen en Friesland aan het eind van de 12e eeuw; in Holland werd voor kerkelijke en burgerlijke gebouwen baksteen gebruikt in het begin van de 13e eeuw.

Voor woningbouw voldeed gebruik van hout lange tijd, maar duurzaamheid en het voorkomen van brand deed het gebruik van bakstenen toenemen.

De oude dorpskerk in Castricum

In oude panden in Noord-Holland en ook in Castricum blijkt in de loop van de eeuwen een veelheid aan baksteensoorten te zijn gebruikt. Niet alleen zijn er verschillende kleuren en hardheden (baksels), maar vooral de afmetingen van de stenen zijn heel erg verschillend.

Globaal kan gezegd worden dat de grootste steenmaten (lengte) de oudste sten zijn. De eerste maal dat gebruik van baksteen in Noord-Holland is vastgelegd betreft het graf van de Hollandse gravin Gerberga (Geva), overleden omstreeks 960 en begraven in de tweede abdijkerk van Egmond. Oorspronkelijk was het graf geheel van natuursteen dat omstreeks 1150 werd hersteld met forse bakstenen, 33 cm lang.

Stenen van voor 1350 hebben in het algemeen een lengte van 29 cm of groter. Bekend is de kloostermop, die in die tijd ‘een mop ofte grooten backstien’ genoemd, een grote baksteen met een standaardmaat van 28,5 x 13,5 x 8,0 cm. In de omgeving van Castricum zijn enkele bijzondere gebouwen die grote bakstenen bevatten: de resten van het rondeel van het kasteel van Egmond, gebouwd omstreeks 1210, bevat bakstenen 28,0 – 30,0 cm lang, 14,5 -15,0 cm breed en 7,0 – 8,0 cm dik.

De toren van de tufstenen kerk in Limmen (12e eeuw) werd in de 13e eeuw opgebouwd uit grote bakstenen 30,0 x 15,0 x 8,0 cm.

Na het midden van de 14e eeuw ontstond geleidelijk verkleiningde baksteen om stenen sneller te kunnen leveren. Een kleine steen vergt minder klei, heeft een kortere baktijd met vormbehoud, is handzamer dan grote formaten en heeft minder schade bij transport.

De toren van de Dorpskerk in Castricum, die gebouwd werd in de 15e eeuw, is opgebouwd met veelkleurige kleine bakstenen van 22,0 x 10,0 x 4,5 cm.

Tufsteen aan de zuidzijde van de dorpskerk.
Veelkleurige baksteen aan de zuidzijde van de kerktoren.

Aan het eind van de 16e eeuw lijkt een beperking in steenlengten te zijn ontstaan: 23 cm, 21,5 cm ,21  cm en 20,5 cm, zoals ook uit archeologisch en bouwhistorisch onderzoek in Alkmaar blijkt.

Steenbakkerijen

In Noord-Holland zijn maar een beperkt aantal steen- en pannenbakkerijen teruggevonden. Er zijn geen uitgestrekte vindplaatsen van rivierklei, maar wel van zeeklei. Niet alle klei is echter geschikt voor de vervaardiging van stenen en er dient voldoende brandstof (turf) in de omgeving te zijn om te kunnen bakken. In de omgeving van Alkmaar, Koedijk, Oudorp en St. Pancras stonden tussen eind 13e– en midden 16e eeuw enkele veldovens, die met blauwe zeeklei stenen produceerden. De stenen werden eeuwenlang met de hand gemaakt met behulp van houten steenvormen door de handvormer.

In St. Pancras van voor 1518 was het ‘graven van Clei of Cleijtrekken’ een nering. Ook vanuit de kust gingen Egmonders klei baggeren, ook wel ‘kleiboren’ genoemd. In de Beemster trok men klei voor de drooglegging in 1612. Langs de ringdijk waren deze boor- of baggergaten lange tijd duidelijk herkenbaar.

Gebruik van ijzerhoudende zeeklei kleurt de bakstenen rood en kalkhoudende klei kleurt de stenen geel. Bij menging van die kleisoorten ontstaan allerlei kleurnuances, zoals de rood-gele appelbloesem.

De ‘Alkmaarse handvormstenen’ waren aanvankelijk 25 cm lang en vaalrood van kleur. Later waren deze stenen bekend als rood-geel en oranje-geel geaderde bakstenen in betrekkelijk kleine maten:

20,0 x 9,5 / 10,0 x 4,5 cm

In Beverwijk was ook een oven bekend, maar verdere gegevens ontbreken.

In de omgeving van Castricum is geen steenoven bekend.

De handvormer, een ets van Jan Luyken.

In de 16e eeuw kwamen lokale baksteenfabricages in verval door drooglegging van meren en plassen. Er ontstond import van stenen in vele maten uit andere delen van het land, zoals uit de veldovens van Zuid-Holland, langs de Vecht, Hollandse IJssel, Oude Rijn en zelfs Friesland, egaal rood en geel gekleurd. Na 1850, toen de machinale productie werd ingevoerd kwamen meer vormvaste stenen beschikbaar. Aanvankelijk vormbakstenen, die gemaakt werden met de Abersonpers en later toen de strengpers in gebruik werd genomen kwamen de strengpersstenen op de markt.

De Aberson-pers is een pers waarbij losse vormbakken aan de zijkant worden ingestoken; onder de kleitrechter wordt door een persblok klei in de vormbak geperst, waarna de bak met de geperste natte steen er aan de voorzijde weer uit komt. Het zware handvormen werd door de machine overgenomen. De afstrijker verwijdert de overtollige klei.

Bij de strengpers wordt een kleistreng  door een mondstuk geperst en met gespannen draden in steendiktes afgesneden.

De Abersonpers
De strengpers

Bekend werd de kleurige paarsrode Waalvormsteen en in de vorige eeuw kwam de ‘miskleurige’ boeren- en hardgrauw in waalformaat 20,5 x 10,0 x 5,0 cm in algemeen gebruik. Deze stenen hebben een verschil in hardheid, boerengrauw is iets zachter. De klinker, in hetzelfde formaat, heeft een grotere hardheid en een zeer heldere klank. Deze stenen werden in het algemeen gemetseld in cementspecie. In de oven worden stenen die dichtst bij het vuur hebben gelegen tijdens het bakproces mondstenen genoemd, heel harde stenen en de stenen die het verst van het vuur liggen en zachter zijn, halve garen.

De bakstenen zijn herkenbaar naar de wijze waarop ze zijn gemaakt:

– Handvormstenen: vijf bezande (met zand bestrooid)  kanten en één afgesneden vlak, onregelmatig van oppervlak, vaak plooien en gaten.

– Vormbakstenen: vijf bezande kanten en één afgesneden vlak, regelmatige vorm.

– Strengpersstenen: kan drie bezande kanten hebben, strakke vorm met twee snijvlakken.

Oude dakpannen

Het pannendak vormt een belangrijk element van historische bouwwerken en bij boerderijen ziet men vooral de samenhang met de omgeving. Opmerkelijk is dat in veel publicaties aandacht wordt besteed aan baksteen, maar dat dakpannen nog wel eens worden ‘vergeten’.

Ook de dakpan kent zijn geschiedenis: de Romeinen brachten ‘dakpannen’ naar het westen van Europa, maar het gebruik verdween weer met het verval van het Romeinse Rijk. In de vroege middeleeuwen werd als dakbedekking voor huizen boerderijen stro, riet of gras gebruikt, dikwijls bestreken met klei of leem. Vanaf de 14e eeuw werden om brandveiligheidsredenen harde materialen toegepast: tegels, leien, onder- en bovenpannen en later de V-vormige pan, ‘De Zwolse pan’.

Het Romeinse dakpansysteem met holle en bolle pannen.
Nog een holle en bolle pan.

Uit de Zwolse pan werd de holle pan ontwikkeld, die in de 16e eeuw vrij algemeen werd toegepast. Met deze pan kon een aanzienlijke gewichtsbesparing van het dak worden bereikt. Aanvankelijk werden de Oudhollandse pannen op een onbeschoten kap op panlatten toegepast en waren de pannen vanaf de zolder of vanaf de stalvloer zichtbaar. Teneinde de kap meer winddicht te maken werden ‘strodokken’ of stroken riet onder de pannen aangebracht, soms aangesmeerd met leem of kalkspecie. In de 19e eeuw werd afdichting met beschot wat algemener en werden zolders minder tochtig.                                            

De oude holle pannen werden aanvankelijk als linkse of rechtse pan geleverd; afhankelijk van de algemeen heersende windrichting werd de overlap van de pan links of rechts gehouden. Na 1900 werden alleen nog rechtse pannen geproduceerd.

De oude handgemaakte pan, gemaakt van rivierklei, is een holle pan met een flauw gebogen bovenkant met een ‘wel’ (golf) en een aangebakken nok aan de achterzijde, om de pan op te kunnen hangen aan de panlat. De kleur van de handvormpan is in het algemeen lichtrood door het ijzeroxide in de klei. Behalve de rode zijn er ook blauwgrijze pannen, die een iets afwijkend bakproces hebben doorgemaakt. Naast de pannen op het dakvlak werden op de nokken en de hoeken van de kap ‘vorsten of vorstpannen’ aangebracht, meestal vastgezet in kalkspecie.

Toen in de loop van de 19e eeuw pannen met behulp van vormbakmachines en stempelpersen werden gemaakt, kregen de pannen een strakker uiterlijk. Naast de Oudhollandse pan kwamen meer typen beschikbaar, zoals de Verbeterde Hollandse pan met een verbeterde kop- en zijsluiting. Bekend in Noord-Holland zijn de pannen van het bedrijf Van Oordt in Alphen aan de Rijn en Woerden.                    

De Oudhollandse pan.
De Hollands verbeterde pan.

In de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw waren er in Nederland honderden zelfstandige, veelal kleine, dakpanfabrieken, vooral in het gebied van de grote rivieren. Na de Tweede Wereldoorlog is mede door sterke mechanisering en automatisering het aantal fabrieken sterk gedaald tot enkele grote fabrieken.

De boerderij aan de Breedeweg 75/77 te Castricum als voorbeeld

De boerderij kwam in 1813 in bezit van Nicolaas Glorie uit de nalatenschap akten van Jan Glorie (1746 – 1813), groot 1190 m2, gelegen aan de Breedeweg, met bos en weiland (zie artikel Jaarboek 28, Stichting Werkgroep Oud Castricum). Piet Glorie, geboren in 1930, was de laatste boer/eigenaar en heeft er tot 1992 een melkveehouderij gehad en is in 2013 overleden. De grote ‘boerderij van Glorie’ met 3 vierkanten, werd door de erven in 2015 verkocht aan de echtparen Brockhus-Dekker en Dekker-Admiraal. Zij gaven de architect Sander Douma Architecten opdracht een ontwerp te maken om de boerderij geschikt te maken voor dubbele bewoning. Medio maart 2015 werd door de gemeente Castricum de vergunning verleend en in juni kon met inwendig sloopwerk worden begonnen, dat door de toekomstige bewoners werd uitgevoerd! De gehele uitvoering van de renovatie was in handen van Aannemersbedrijf Ambacht bv. te De Goorn, West- Friesland.

De boerderij Breedeweg 75/77 anno 2000.

De binnenmuren van de boerderij

Bij het slopen van de gepleisterde binnenmuren voor en tijdens de start van de volledige renovatie van de boerderij zijn van het oudste gedeelte veel bakstenen behouden gebleven en apart gezet voor hergebruik (juni/juli 2015). De kalkspecie van de stuclagen aan de voornamelijk handvormstenen liet bij het slopen al vaak los en kon bij het bikken vrij gemakkelijk worden verwijderd. Ook onder de houten vloer van het woongedeelte bleken veel oude vloerstenen te liggen.

Opgetaste gebikte stenen.

De bakstenen van de binnenmuren van de boerderij en de losse stenen die onder de vloer lagen zijn bij beoordeling van een ‘bij elkaar geraapte partij oude stenen’ van voor de 19e eeuw; veel soorten, hard en zacht gebakken in heel veel maten en kleuren, rode, roodbruine en gele kleuren. Kortom een bonte verzameling stenen die na het bikken en schoonmaken heel goed gebruikt konden worden. Uit het oogpunt van kostenbesparing was hergebruik van bakstenen vroeger heel algemeen. De binnenmuren die zijn aangebracht in 1955, bestonden voornamelijk uit kalkzandsteen en boerengrauw in waalformaat en gemetseld in cementspecie. Op een enkele plaats waren zelfs dubbeldikke klinkers en een enkele straatsteen verwerkt.

Aangetroffen stenen en formaten

– 21,0 x 8,5 x 5,0 cm, kleur rood, handvormsteen, zacht en poreus.

De grootste aangetroffen steen

– 19,0 x 9,0 x 3,5 cm, handvormsteen, enigszins krom en zacht, Rijnformaat.

– 18,5 x 9,0 x 4,0 cm, kleur roodbruin, handvormsteen, harde steen.                                  

– 18,5 x 8,5 x 5,0 cm, kleur geel, handvormsteen, zachte steen.

– 18,5 x 8,0 x 3,5 cm, kleur roodbruin, handvormsteen, hard gebakken, Friese drieling.

– 18,0 x 5,0 x 8,5 – 9,0 cm, kleur rood, strengperssteen, dichte harde steen.

– 15,5 x 6,5 x 3,5 cm, kleur geel, IJsselsteentje, de kleinste steen in een aantal van 600 stuks.

Veel van deze stenen zijn hergebruikt zoals op de foto wordt getoond.

Oude gebikte stenen.

Naast deze genoemde stenen werden ook klinkers aangetroffen in de vloer van de dors en veel plavuizen.

De klinkers in de afmetingen: 21,5 x 6,5 x 5,0 cm en 20,0 x 6,0 x 4,5 cm en 19,5 x 8,0 x 4,5 cm en grijsblauw van kleur. Veel van deze stenen waren vervormd, krom, ook kwamen veel halve stenen voor.

De plavuizen: Rood en blauw van kleur, groot 22,0 x 22,0 x 3,5 cm

De nieuwe binnenmuren van de boerderij zijn gemetseld met geperforeerde porotherm binnenmuurblokken.

De buitenmuren van de boerderij

De buitenmuren zijn als oud herkenbaar door een vijftal soorten bakstenen, gemetseld in kalk- en of cementspecie. Bouwhistorisch waren ingrepen zoals onderhoud en verbouwingen in de gevels goed te herkennen. Ter vergelijking: in de buitengevels van boerderij Kronenburg (ca. 1725) komen een zevental baksteensoorten voor, veelal hergebruikte stenen in voornamelijk Rijnformaat en Friese drieling.

De voorgevel (oostgevel) van deze boerderij is opgebouwd met rode handvormstenen van 19,0 x 9,0 x 4,0 cm in staand verband (de koppenlagen en strekkenlagen wisselen elkaar af). De gevel is gemetseld met kalkspecie en aan de binnenzijde voorzien van een 1 cm dikke stuclaag. Op een aantal plaatsen was de blauwe afwerklaag op de stuclaag nog aanwezig. In 1928 volgde een inwendige verbouwing en werden enkele wanden hersteld. In 1955 is voornamelijk het woon- en slaapgedeelte gewijzigd, waarbij achter de éénsteens voorgevel een spouw en een wand van kalkzandsteen werd aangebracht, afgewerkt met een stuclaag. In 1979 werden enkele geveldelen aan de buitenkant afgewerkt met een stuclaag en een witte granollaag.

Doorsnede voorgevel.

De oude metselstenen van de overige drie gevels (noord, west en zuid) zijn miskleurig en roodbruin van kleur en zijn voor een deel nog in de gevels aanwezig. De oudste stenen zijn dun formaat stenen, roodbruin 22 x 10,5 x 3,6 cm en gemetseld in 20 lagen per meter met kalkspecie en ook met kalkspecie gevoegd. Door verbouwingen en onderhoud komen waalformaatstenen voor, onder meer de miskleurige hardgrauwe in waalformaat van 20,5 x 10,0 x 5,0 cm gemetseld en gevoegd met kalk- en cementspecie. Als metselverband werd staand verband toegepast en de buitenmuurdikte was 20,5 cm (steenlengte) dus.

In onderstaande schets is de naamgeving aangegeven van lagen metselwerk en de metselverbanden.

De zuidgevel
De noordgevel

De vijf soorten gevelstenen:

– 22,5 x 10,5 x 4,0 cm, rood, in de voorgevel, Hilversums formaat, handvorm.

– 22,0 x 10,5 x 3,6 cm, roodbruin, 20 lagen per meter, in de noordgevel.

– 21,0 x 10,5 x 4,5 cm, miskleurig, hardgrauw, Vechtformaat, in de noordgevel.

– 22,0 x 10,5 x 5,0 cm, miskleurig, hardgrauw, Waalformaat, in de westgevel.

– 20,5 x 10,0 x 5,0 cm, miskleurig, boerengrauw, Waalformaat in de zuidgevel.

De noordgevel met aan de onderzijde dikke en daarboven dunne stenen.

De muren, de gevels, werden in een ‘armelijke’ toestand aangetroffen, behoudens de met granol afgewerkt delen aan de voorzijde van de boerderij. Scheurvorming, verzakkingen en scheefstand was aanleiding grote delen te vervangen en uit te voeren als spouw-, isolatiemuren. Aan de binnenzijde metselblokken van porotherm, dik 10 cm met isolatieplaten en aan de buitenzijde een rode gevelsteen van de Steenfabriek Klinkers uit Maastricht, gemetseld in cementspecie en gevoegd.

 Ter vergelijking: de gevels van de boerderij van Niek Kuijs, Breedeweg 88 (ca. 1800), die een aantal jaren geleden is gerestaureerd, zijn opgetrokken in roodbruine bakstenen in formaat 18,0 x 8,5 x 4,0 cm, Rijnformaat.

Het pannendak

De pannen op het enorme dak van de boerderij zijn herkenbaar als Oudhollandse pannen, rood en blauw van kleur. Het zuidelijk dakvlak en een deel van het noordelijke dakvlak was bekleed met rode pannen. De rest van het dakvlak was bekleed met blauwe pannen. De rode pannen zijn afkomstig van het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk, die in de jaren ’50 van de vorige eeuw zijn gelegd, waardoor ook weer een reservebestand pannen, rood en blauw, kon worden opgebouwd. Bij deze renovatie werden alle pannen verwijderd van de boerderij en de naast gelegen stal en terzijde gezet voor hergebruik.

De terzijde gezette rode en blauwe pannen.

Bij het verwijderen van de pannen bleek dat grote delen van de kap waren afgedicht met riet tussen de pannen en op enkele plaatsen specie. Tussen de pannen kwam ook de vogelpan tevoorschijn en hier en daar zaten vogelnesten, die de pannen omhoog hadden gedrukt. Maar de kap was wel waterdicht en onder de kap was het droog.

De kwaliteit van de Oudhollandse pan werd als heel goed beoordeeld en de leeftijd werd op minstens 100 jaar geschat.

Duidelijk waarneembaar is nu, na de restauratie/renovatie de uitstraling van het Oudhollandse doorleefde pannendak. 

De entree van de Breedeweg vanuit het oosten heeft met deze ‘aanwinst’ weer een mooie uitstraling gekregen!

Piet Blom

Bronnen en literatuur:

– Batjes, J., Vermeulen, R., en Wetzels, J., Een andere kijk op keramiek, uitgave Stichting Historie Grof Keramiek, Makkum, 2013.

– Bitter, Peter, Graven en begraven, archeologie en geschiedenis van de Grote Kerk van Alkmaar, Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2002.

– Brandts Buys, L. De landelijke bouwkunst in Hollands Noorderkwartier, uitgegeven door de Stichting Historisch Boerderijen-onderzoek, Arnhem, 1974.

– Bouman J., Bedijking, opkomst en bloei van de Beemster, 1857.

– Burger, A. C. M., Het kasteel van Egmond, Pirola, 1998.

– Cordfunke, E.H.P., Over de datering van middeleeuwse baksteen uit Holland in het Tijdschrift voor de Nederlandse Archeologie Westerheem, nr. 4, augustus 2015.

– Kol, J., IR., De parochiekerk Sint Pancras te Castricum tot aan de reformatie, Jaarboek 15, Stichting Werkgroep Oud Castricum, 1992.

– Tussenbroek van, Gabri, Vroege baksteen in Holland tot 1300 in Novi Monasteri, Bureau Monumenten en Archeologie Gemeente Amsterdam.