28 juni 2022

Nachtwacht in het Geversduin (Jaarboek 31 2008 pg 19-28)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 31, pagina 19

De Nachtwacht in het Geversduin

Het moment waarop de Nachtwacht wordt opgehaald uit de Kunstbunker om naar Heemskerk vervoerd te worden.
Het moment waarop de Nachtwacht wordt opgehaald uit de Kunstbunker om naar Heemskerk vervoerd te worden. Helmweg, duinen Castricum. Schilder Hans Goedhart. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In een bomvrije kluis in het Castricumse duingebied werden in de eerste oorlogsjaren onze belangrijkste kunstschatten opgeslagen. Het was te danken aan de inzet van de conservator van het Stedelijk Museum, jonkheer Willem Sandberg, dat de kunstbergplaats nog juist voor de inval van de Duitsers is gebouwd. Via hem is Castricum verbonden met bijzondere mensen en gebeurtenissen. In een kleine houten barak, vlakbij ‘Kijk Uit’, ontving Sandberg wetenschappers, kunstenaars en verzetsstrijders.
Daar werd gefilosofeerd over de toekomst van Nederland na de oorlog.

Jonkheer Willem Sandberg, conservator en later directeur van het Stedelijk Museum, die een belangrijke rol speelde bij het in veiligheid brengen van de kunstschatten. In de eerste oorlogsjaren verbleef hij bijna dagelijks in Castricum (foto Stedelijk Museum Amsterdam).
Jonkheer Willem Sandberg, conservator en later directeur van het Stedelijk Museum, die een belangrijke rol speelde bij het in veiligheid brengen van de kunstschatten. In de eerste oorlogsjaren verbleef hij bijna dagelijks in Castricum. Foto Stedelijk Museum Amsterdam.

De mensen die de aanslag op het Bevolkingsregister van Amsterdam uitvoerden, vierden in Castricum nog een feestje, kort voor hun arrestatie.
Kunstenaar en typograaf Hendrik Werkman liet zich inspireren door de ‘schilderijenbunker’ en maakte een prachtige serie prenten onder de naam ‘Amsterdam-Castricum.’ De agenda’s van de kunstbergplaats, die worden bewaard in het archief van het Stedelijk Museum, onthullen iets van de geschiedenis die zich deels in het Geversduin afspeelde.

De oorlogsdreiging nam in de jaren (negentien) dertig steeds meer toe en in augustus 1939 werd de mobilisatie van het leger afgekondigd. Enkele maanden later begon de distributie van levensmiddelen. Evacuatieplannen voor de bevolking uit gebieden die voor de verdediging onder water gezet zouden worden, lagen klaar. De Rode Kruisafdeling voor Castricum, Limmen en Uitgeest kreeg opdracht noodziekenhuizen voor militairen in gereedheid te brengen.

Zorgen waren er ook over het nationaal kunstbezit in geval van oorlog. In 1938 maakte Sandberg, vergezeld door Spanjekenner dr. Johan Brouwer, een reis naar Spanje om de maatregelen te bestuderen die daar tijdens de Spaanse burgeroorlog getroffen waren om de kunstschatten te beschermen. Bijzondere indruk maakten de in rotsen uitgehouwen kluizen. De mogelijkheden die Spanjes rotsen boden, lagen voor ons land aan zee, in de duinen.
Hoge landinwaarts gelegen duinen zouden het meest geschikt zijn voor het maken van ondergrondse betonnen bergplaatsen, met een aardlaag erboven, ter bescherming tegen bombardementen. Samen met zijn directeur jonkheer Röell overtuigde Sandberg het gemeentebestuur van Amsterdam  van de noodzaak om spoedig maatregelen te nemen. In overleg met de architect ir. P.C. Tirion was de gewenste bouwplaats in het Geversduin al snel gevonden.

Voor de kunstschatten van het Rijk drong de directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg dr. J. Kalf ook aan op de bouw van ondergrondse bergplaatsen. Toch waren in september 1939, toen de Duitse aanval op Polen al had plaatsgevonden, de gemeentelijke en de rijksbergplaatsen nog niet gereed.

Evacuatieplan

In augustus 1939 begon het overbrengen van de belangrijkste kunstwerken naar veiliger plaatsen. H.P. Baard, na de oorlog directeur van het Frans Hals museum, schreef in zijn in 1946 verschenen boek ‘Kunst in schuilkelders’: “Het is niet gemakkelijk, den buitenstaander de spanning te schetsen, die de eerste phase van de evacuatie beheerschte. Hier werd de vlucht voorbereid van onze nationale kunstschatten, hetgeen wij voelden als een historisch moment van een draagwijdte, die wij nog niet konden beseffen, maar daarom niet minder vreesden.”

Het Rijksmuseum koos voor tijdelijke bergplaatsen in een aantal Noord-Hollandse dorpen. Ongeveer 2.000 schilderijen en meer dan 30.000 objecten van artistieke en historische waarde, glaswerk en porselein moesten worden vervoerd. Op 4 september 1939 werd de Nachtwacht op een glastransportwagen (!) naar kasteel Radboud in Medemblik gereden. Veel topstukken kwamen terecht in gymnastieklokalen in Wieringerwerf, Winkel, Lutjewinkel, Barsingerhorn en Schagerbrug.

Vrijwel onbekende dorpen kregen voor ingewijden de betekenis van cultuurcentra. Zo was het ‘Straatje van Vermeer’ onafscheidelijk verbonden met Schagerbrug, ‘ De Joodsche Bruid’ met Wieringerwerf en de ‘ Vrolijke Drinker’ van Frans Hals met Lutjewinkel. Op 1 november 1939 was het omvangrijkste transport van kunstwerken, dat ons land ooit heeft gekend, voltooid.


Jaarboek 31, pagina 20

Het Stedelijk Museum bracht zijn verzameling schilderijen van Van Gogh, schilderijen van de Amsterdamse universiteit en van het stadhuis onder in stalen lichterschepen. Voor dit evacuatieplan, dat in augustus 1939, werd uitgevoerd, is Sandberg verantwoordelijk geweest. “Deze stalen schepen liggen te allen tijde in groote getale in de Amsterdamse havens”, schreef Sandberg aan de wethouder voor kunstzaken. “Zij zouden indien noodig binnen twee uur aan de Amstel bij de Stadhouderskade kunnen aanleggen, terwijl de kunstwerken per tapissière (verhuiswagen) van het museum naar de aanlegplaats kunnen worden vervoerd.”

Een van de schepen afgemeerd in de buurt van het Alkmaardermeer; waarin de kunstschatten van het Stedelijk Museum tijdelijk werden bewaard, totdat zij naar de bomvrije kluis in Castricum konden worden overgebracht (foto Joh. de Haas).
Een van de schepen afgemeerd in de buurt van het Alkmaardermeer. Daarinwerden de kunstschatten van het Stedelijk Museum tijdelijk bewaard, totdat zij naar de bomvrije kluis in Castricum konden worden overgebracht. Foto Joh. de Haas.

Op 28 augustus 1939 werden de eerste verhuiswagens geladen. Eerder waren de kunstwerken naar belangrijkheid in drie categorieën ingedeeld. Rood stond voor onvervangbaar; wit voor belangrijk en blauw betekende vervangbaar. Israëls, Breitners, Van Goghs en andere werden opgeborgen in het ruim van de Dankbaarheid. In het ruim van de Mercurius en dat van De Morgenstern werd ook een deel opgeslagen, samen met werk van Mondriaan, Charley Toorop en andere moderne kunstenaars. Het was zoveel dat tenslotte nog een vierde schip in gebruik is genomen, de Harwu Almien.

Om de museale klimatologische omstandigheden te benaderen, waren in de ruimen kachels, emmers met ongebluste kalk en hygrometers geplaatst. De schepen werden bewaakt door suppoosten, die hun post onder geen beding mochten verlaten. Aanvankelijk lagen de schepen bij elkaar in de buurt in de Knollendammervaart bij Spijkerboor en in het Noord-Hollands kanaal. Enige weken later besloot men de lichters verder uit elkaar te leggen. Begin oktober was de kunstvloot verspreid over de Noord-Hollandse en Zuid-Hollandse wateren. De Dankbaarheid lag in het Kogerpolderkanaal bij De Woude. Ongeveer 500 meter noordelijker dobberde de Mercurius. Onder de bevolking deed het gerucht de ronde dat de Nachtwacht, in een grote zinken koker ingesoldeerd, op de bodem van het Alkmaardermeer rustte.

De eerste fase was nu afgerond. Het belangrijkste kunstbezit was wel weg uit het onveilige Amsterdam, maar echte veiligheid konden alleen bomvrije schuilkelders bieden.

Amsterdamse kluis

De gemeente Amsterdam bereikte overeenstemming met het Provinciaal Waterleidingbedrijf (PWN) over de plaats en de directeur Publieke Werken vroeg op 17 oktober 1939 bij de gemeente Castricum vergunning voor de bouw van een ‘betonnen bergplaats aan de Helmweg in het Geversduin ‘. Het gemeentebestuur verleende de bouwvergunning nog diezelfde dag. Omdat op geheimhouding was aangedrongen, verwonderden de bestuurders zich er wel over dat de Beverwijksche en de Alkmaarsche Courant het nieuws van de bouw van de ‘schatkelder’ al op 21 oktober 1939 publiceerden.

De gecamoufleerde ingang van de kluis aan de Helmweg in het Geversduin. De bouw is op 1 januari begonnen en op 10 april 1940 voltooid (foto Stedelijk Museum).
De gecamoufleerde ingang van de kluis aan de Helmweg in het Geversduin. De bouw is op 1 januari begonnen en op 10 april 1940 voltooid. Foto Stedelijk Museum.

De dienst Publieke Werken van Amsterdam stelde een bestek op voor de aanbesteding. Het dak en de buitenmuren van de bergplaats moesten 1,50 meter dik worden, het hoofdgedeelte ruim 12x5x2,50 meter. Een voorvertrek met twee stalen deuren verschafte toegang tot de bergplaats. Het geheel zou door een zandlaag van 4 meter (later tot 10 meter verhoogd) worden bedekt. De Amsterdamse Aannemingsmaatschappij ‘De Kondor’ was de laagste inschrijver en voor een bedrag van 20.810 gulden kreeg dat bedrijf het werk.
Op nieuwjaarsdag 1940 werd het beton voor de Castricumse bergplaats gestort en in maart 1940 vond de oplevering plaats. De kluis werd gecamoufleerd, zodat hij vanuit de lucht niet zichtbaar zou zijn.

Er werden tientallen uitschuifbare rekken gemonteerd om de schilderijen aan op te hangen. De inventarisatie was daardoor eenvoudig en de toestand van de schilderijen kon voortdurend worden gecontroleerd. Een luchtbehandelinginstallatie waarborgde de juiste temperatuur en het vochtgehalte.


Jaarboek 31, pagina 21

De logboeken van 1940 tot en met 1943.
De logboeken van 1940 tot en met 1943.

De logboeken

In het archief van het Stedelijk Museum van Amsterdam zijn de agenda’s opgeborgen die in gebruik zijn geweest als logboeken van de kluis. De allereerste aantekening is gemaakt op woensdag 3 april 1940: ‘Bewaking door Siliakus’. De agenda’s leveren veel informatie op over het gebruik van de bergplaats en ook over de verschillende bezoekers die er een kijkje kwamen nemen.

De eerste schilderijen van de schepen werden vanaf begin april naar de kluis gebracht. Op 7 mei kwam volgens de agenda het laatste transport aan. Ook zaken die nog in het Stedelijk Museum waren achtergebleven, werden aangevoerd.

Op vrijdag 10 mei, de dag van de Duitse inval, ging het werk gewoon verder. Genoteerd werd in de agenda: “Drie wagens met schilderijen en kisten vanuit het Stedelijk Museum gebracht en verschillende werkzaamheden verricht door personeel onder leiding van jonkheer Sandberg.”
De dagen daarop kwamen er kunstwerken aan uit het Rijksmuseum dat nog zonder schuilplaats zat. Bewaker Siliakus bezorgde de fiets van jonkheer Sandberg en een brandblusser.


Jonkheer Willem Jacob Henri Berend Sandberg (1897-1984)

Willem Sandberg was vanaf 1937 conservator en van 1945 tot 1962 directeur van het Stedelijk Museum van Amsterdam. Na het gymnasium en militaire dienst ging hij naar de Rijksacademie voor beeldende kunsten, waar hij het maar kort uithield. Hij werd grafisch ontwerper en deed onder andere in Parijs ervaring op.

Sandberg was nauw betrokken bij het verzet. Zo bezocht hij in 1941 Duitsland, op verzoek van de illegaliteit, om te peilen of er kans was op een opstand tegen het Hitler-regime. Hij was betrokken bij het vervalsen van paspoorten en de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam en moest vervolgens onderduiken. In 1945 volgde hij jonkheer Röell op als directeur. Onder Sandbergs leiding ontwikkelde het museum zich tot een internationaal vermaard centrum voor moderne kunst. Het was zijn overtuiging dat eigentijdse kunst betekenis heeft voor het begrijpen van de wereld waarin wij leven.

Na zijn pensionering in 1962 bleef Sandberg actief als tentoonstellingsmaker en ontwerper. Hij speelde een belangrijke rol in de opbouw van het Israël Museum in Jeruzalem en gaf college aan de Harvard Universiteit in de Verenigde Staten.


Nachtwacht

De Nachtwacht stond begin mei 1940 nog in de ridderzaal van kasteel Radboud. De aanwezigheid van een mijnenveger in de haven van Medemblik baarde zorgen. Het schip zou vijandelijke vliegtuigen kunnen aantrekken, waardoor het kasteel en dus de kunstwerken gevaar liepen. Dat het gevaar niet denkbeeldig was, bleek ook wel, want de mijnenveger beschoot daadwerkelijk een vliegtuig, dat waarschijnlijk in het IJsselmeer terechtgekomen is. Bij Kornwerderzand op de Afsluitdijk was het Nederlandse leger in gevecht met de Duitsers. Een doorbraak van de vijand naar Noord-Holland was te verwachten. Op 13 mei, tweede pinksterdag, nam de hoofddirecteur van het Rijksmuseum dr. Schmidt Degener het besluit om de Nachtwacht naar de bergplaats in Castricum te brengen. Hij nam daarmee een zware verantwoordelijkheid op zich. De oorlog was heel dichtbij.

Met deze wagen en op dezelfde manier werd op 4 september 1939 de Nachtwacht naar kasteel Radboud in Medemblik gebracht en vervolgens op 13 en 14 mei 1940 naar Castricum (foto Rijksmuseum).
Met deze wagen en op dezelfde manier werd op 4 september 1939 de Nachtwacht naar kasteel Radboud in Medemblik gebracht en vervolgens op 13 en 14 mei 1940 naar Castricum. Foto Rijksmuseum.

Baard heeft in zijn boek de spanning rond het zonderlinge transport goed weergegeven: ” Om halfacht ’s avonds vertrok het konvooi vanaf het kasteel. Voorop gingen enkele


Jaarboek 31, pagina 22

auto’s met militairen, dan de glaswagen met de Nachtwacht en de stoet werd gesloten door de auto van de hoofd directeur. Het was voor de achterblijvers een indrukwekkend moment, het meer dan 3,5 meter hoge doek, zorgvuldig in dekzeilen verpakt, langzaam te zien wegrijden onder het enerverend gedreun van geschut. In het dorpje Winkel werd overnacht onder het afdak van de schuur van de smid. Bij het krieken van de dag werd de tocht voortgezet naar Castricum.”

Aantekeningen in de logboeken van de kluis op 13, 14 en 15 mei 1940. De aankomst van de Nachtwacht wordt slechts aangeduid met 'NW'.
Aantekeningen in de logboeken van de kluis op 13, 14 en 15 mei 1940. De aankomst van de Nachtwacht wordt slechts aangeduid met ‘NW’.

De ingang van de bergplaats was niet berekend op de grote omvang van het schilderij. Op het grasveld voor de naburige woning van jonkheer Frits Gevers werd het doek van zijn spieraam ontdaan en met de verf naar buiten over een grote cilinder gerold. Daarop was ook al een ander doek aangebracht. Zoals jonker Frits aan Hendrik de Smidt, medewerker van het filmmuseum, vertelde, heeft de Nachtwacht twee keer op zijn grasveld gelegen: bij de aankomst in mei 1940 en bij het vertrek. Op 21 maart 1941 werd de Nachtwacht overgebracht naar de gereedgekomen bergplaats van het Rijksmuseum in Heemskerk en vandaar is het stuk op 24 maart 1942 naar een schuilplaats in de Sint Pietersberg getransporteerd.

De toegang tot de kluis is zo laag dat de Nachtwacht opgerold naar binnen moest worden gebracht (foto Stedelijk Museum).
De toegang tot de kluis is zo laag dat de Nachtwacht opgerold naar binnen moest worden gebracht. Foto Stedelijk Museum.

Het ‘huisje van Sandberg’

Op 14 mei 1940, de dag van de capitulatie, kwam er nog een laatste zending schilderijen en kisten van het Rijksmuseum in Castricum aan. Op dezelfde dag besloten directeur van het Stedelijk Museum jonkheer Röell en conservator jonkheer Sandberg om beurten toezicht te houden. Er werd een kleine barak gebouwd achter de jachtopzienerswoning Kijk Uit, tussen de Oude Schulpweg en het Schoolpad, dat als woonverblijf diende. Het werd al snel het ‘huisje van Sandberg’ genoemd. Er zat een kamer in met openslaande deuren, een slaapkamer en een keuken. Volgens foto’s was


Jaarboek 31, pagina 23

de inrichting gedeeltelijk modern met rieten meubels en biezen matten op de vloer, maar ook met een antieke eettafel en stoelen.
De jonkheren werden bijgestaan door bewakers van het Stedelijk Museum. Suppoost Hermanus Beijer ging in januari 1941 in Castricum wonen. (Het museum huurde de woning Breedeweg 10 voor een bedrag van 23,85 gulden per maand.)

Het 'huisje van Sandberg', waar de jonkheren Sandberg en Röell meestal verbleven, stond achter 'Kijk Uit'. Het was zowel met antiek als met modern meubilair ingericht (foto Stedelijk Museum).
Het ‘huisje van Sandberg’, waar de jonkheren Sandberg en Röell meestal verbleven, stond achter ‘Kijk Uit’. Het was zowel met antiek als met modern meubilair ingericht. Foto Stedelijk Museum.

Kort na de oorlog schreef Sandberg dat het voor de Duitsers geen geheim was waar de kluis zich bevond en wat erin verborgen zat:
“Zij hebben echter nooit hun handen naar de kunstwerken uitgestoken. Waarschijnlijk vonden ze dat de schilderijen nergens veiliger opgeborgen konden worden. Zij waren wel zo overtuigd van de overwinning dat zij te gelegener tijd de schatten wel eens op zouden halen.”

Er was zelfs sprake van een zekere bescherming. De Rijkscommissaris verordonneerde in augustus 1940 dat het zonder zijn bijzondere toestemming verboden was om de inhoud van de bergplaats te onderzoeken of iets van de inhoud mee te nemen.

Bezoekers van het Geversduin

Het Stedelijk Museum had van diverse instellingen en verzamelaars kunstwerken in bewaring genomen. Dat blijkt uit ontvangstbewijzen van musea en onder andere van paleis Noordeinde en paleis Soestdijk. Ook belangrijke collecties van grote verzamelaars, zoals ir. V.W. van Gogh, W.J.R. Dreesmann en Anton Philips zijn door het museum beschermd. Als dank voor het onderbrengen van zijn collectie schonk ir. Van Gogh na de oorlog het beroemde schilderij ‘La Berceuse’ aan het Stedelijk Museum.

Verschillende eigenaren en museumdirecteuren werden afwisselend door directeur jonkheer Roëll en jonkheer Sandberg ontvangen. Er is een film getiteld ‘Rembrandt in de schuilkelder’ bewaard gebleven, die laat zien hoe Sandberg een aantal bezoekers in de bergplaats rondleidt. Voorafgaande aan de opnamen kreeg de Castricumse elektriciën Piet van Duin nog de opdracht een paar extra contactdozen voor de filmlampen aan te brengen.

Het volgepakte interieur van de kelder waarin nauwelijks ruimte was voor de beambte. links ligt op de vomgrond de opgerolde Nachtwacht en daarachter staan stalen kasten met kostbare boeken en plaatwerken. Rechts kisten met kunstvoorwerpen en op de achtergrond de stalen rekken met schilderijen (foto Stedelijk Museum).
Het volgepakte interieur van de kelder waarin nauwelijks ruimte was voor de beambte. links ligt op de vomgrond de opgerolde Nachtwacht en daarachter staan stalen kasten met kostbare boeken en plaatwerken. Rechts kisten met kunstvoorwerpen en op de achtergrond de stalen rekken met schilderijen. Foto Stedelijk Museum.

Baard, toen nog werkzaam bij het Rijksmuseum, bezocht volgens de agenda de bergplaats op 22 juli 1940 en hij vermeldt in zijn eerdergenoemde boek: “Kost het de organisator van een tentoonstelling hoofdbrekens om goede combinaties en geschikte pendants te vinden voor zijn arrangement, bij het behangen van de rekken werd, los van stijl of tijd, slechts rekening gehouden met de afmeting en de dikte van de lijsten. In het onderaardse verblijf werden de kunstwerken van vijf eeuwen, dooreen geroerd met het verrassende resultaat, dat het beste boven bleef drijven. Als zodanig heb ik de exposities in de schuilkelders tot de interessantste gerekend die ik ooit mocht zien.”

Hendrik Werkman

Een bijzondere bezoeker van de Castricumse kluis was de Groningse drukker en schilder Hendrik Werkman. Sandberg was onder de indruk gekomen van zijn werk. In een interview zei Sandberg: “Ik was zo nieuwsgierig en zo geïntrigeerd door die grote bladen van Werkman, dat ik de man wou zien en wou weten wat hij verder deed.” Hij stapte op de trein naar Groningen en zocht hem in zijn


Jaarboek 31, pagina 24

kleine woning op. Werkman bleek een zeer terughoudende Groninger met wie niet gemakkelijk een gesprek te beginnen was. Toch raakten ze bevriend en bleven sedertdien het contact onderhouden.
Sandberg ontving Werkman in 1941 bij hem thuis en op een zondag nam hij hem en de schilder Jan Wiegers mee naar de kluis.

Hendrik Nicolaas Werkman ( 1882-1945)

Hendrik Werkman was in 1908 een drukkerij in Groningen begonnen. In het begin van de twintiger jaren had hij nog een grote drukkerij met ruim 20 man personeel. Nadat hij zijn bedrijf wegens zakelijke problemen had moeten sluiten, werd hij beeldend kunstenaar. Werkman schilderde en begon te experimenteren met materialen uit de drukkerij, waarbij hij geen gebruik maakte van de regels binnen het drukkersvak. Het zijn vooral de ‘druksels’ en het daaraan verwante drukwerk waarmee Werkman zich aan de hand van steeds nieuwe ontdekkingen ontwikkelde en zich als beeldend kunstenaar manifesteerde. Zijn druksels worden tot de prentkunst gerekend.
In Groningen maakte Werkman deel uit van de in 1918 opgerichte kunstenaarsvereniging ‘De Ploeg’.

Op 10 april 1945, een paar dagen voor de bevrijding, werd Werkman op 62-jarige leeftijd, samen met negen anderen, door een Nederlandse SD’er gefusilleerd. Drie dagen daarna werd de streek door de Canadezen bevrijd. Hoewel hij illegaal drukwerk verzorgde, is de reden van zijn executie nooit helemaal duidelijk geworden.

In een brief aan een vriend schreef Werkman op 20 mei 1941 uitgebreid over het uitstapje naar Castricum:
“Met graagte hebben Wiegers en ik die uitnodiging aangenomen, hebben met de heer en mevrouw Sandberg geluncht in hun optrekje (n.b. de directiekeet van het Stedelijk Museum) midden in de wildernis van het uitgestrekte duinlandschap genoten, zowel van de natuur als van de schilderijen, die anders in de musea hangen. Van Gogh, Gauguin, Cézanne, Utrillo, Picasso, Manet, Monet, Pissarro, Renoir en vele andere beroemde schilders.

Terug uit de kluis, mooi verkleumd door de kou die er heerscht, een wandeling door de duinstreek langs broedende vogels op hun nest – een fazant op 14 eieren onder andere Vlaamsche gaaien enzovoorts – de nachtegaal maakte van de nacht een dag en zong wat hij kon. Dat was het besluit van een onvergetelijke dag.
U kunt zich denken dat ik gelukkig en dankbaar gestemd ben en verrijkt teruggekeerd van een reis waartegen ik zoo heb opgezien. Eén ding staat voor mij vast: aan het werk.”

Na de reis naar Amsterdam en Castricum heeft Werkman in een serie van zijn mooiste ‘druksels’ aan zijn herinneringen gestalte gegeven. Allerlei natuurmotieven komen er in terug.

Hij was van plan er een oplage van te maken met een pagina tekst bij elk werk, maar dat was er nog niet van gekomen. Daarover schreef hij: “Wel heb ik over de tekst nagedacht, maar de tijd is er nog niet rijp voor en de tekst niet rijp voor de tijd. ” Hij was wel tevreden met het resultaat: “Om twee redenen ben ik met de map Amsterdam-Castricum in mijn schik. In de eerste plaats omdat ik weer aan de slag ben met het maken van drukken en in de tweede plaats omdat het resultaat geheel anders is dan wat ik het laatst heb gemaakt.”

Druksel van Hendrik Werkman uit de serie Amsterdam-Castricum, waarin hij de kluis uitbeeldt. De hele serie bestaat uit 11 kleurrijke drukwerken (foto Stedelijk Museum).
Druksel van Hendrik Werkman uit de serie Amsterdam-Castricum, waarin hij de kluis uitbeeldt. De hele serie bestaat uit 11 kleurrijke drukwerken. Foto Stedelijk Museum.

Sandberg vertelde in een interview over de fantastische wijze waarop Werkman de kluis heeft afgebeeld: “Een of andere vogel komt uit de kluis, zoiets als inspiratie. Ook zie je de grammofoon bij ons thuis waarop we jazz-platen draaiden, een bruggetje over een Amsterdamse gracht enzovoorts. Dat is er allemaal uit voortgekomen en dat heeft hem eigenlijk weer op gang gebracht om te werken.”

De latere directeur van het Rijksmuseum professor Van Os schreef ter gelegenheid van de Werkmantentoonstelling,


Jaarboek 31, pagina 25

die in 1965 in Groningen plaatsvond, dat Werkman van onvervangbare betekenis is geweest voor de Nederlandse beeldende kunst.

Jan Romein

Sandberg en zijn vrienden leefden vol verwachting toe naar het einde van de oorlog. In commissies of groepjes werd veel gefilosofeerd over de toekomst. Sandberg zat in een Amsterdams groepje met onder andere de historicus Jan Romein. In het boekje ‘Sandberg, portret van een kunstenaar’ wordt hij als volgt geciteerd: “We zaten vaak in het barakje bij de kunstkluis in Castricum en hebben echt geprobeerd uit te denken hoe die tijd na de oorlog eruit zou moeten zien. Uit die gesprekken is een boekje van Jan Romein voortgekomen, dat ‘Nieuw Nederland’ heette en dat kort na de bevrijding is verschenen.”

Jan Romein schrijft in het voorwoord van zijn boek ‘Nieuw Nederland’ dat hij niet in staat zou zijn geweest het te schrijven, als hij niet tijdens de bezetting deel had genomen aan de bijeenkomsten van een studieclubje, waarin de toekomstvisies uitgebreid werden besproken. Eén van de aanbevelingen was dat in een nieuwe grondwet moest worden vastgelegd, dat de kleine burgerij, het fabrieks- en kantoorpersoneel, de ambtenaren en de intellectuelen, kortom de grote massa van de bevolking, in de nieuwe regering vertegenwoordigd zouden moeten zijn in plaats van de vroegere minderheid.

Sommige deelnemers aan de bijeenkomsten, die op verschillende plaatsen in het land plaatsvonden, hebben het einde van de oorlog niet gehaald. Jan Romein droeg het boek aan hen op.

Jan Romein ( 1893-1962)

Jan Romein was een Nederlands historicus en vanaf 1939 hoogleraar te Amsterdam. In 1920 trouwde hij met schrijfster en historica Annie Verschoor. Vooral vraagstukken op het terrein van de theoretische geschiedenis en de historiografie hadden zijn aandacht. De eerste publicatie over het dagboek van Anne Frank was van zijn hand. In de vroege jaren 1950 stond Romein tamelijk geïsoleerd vanwege zijn communistische sympathieën en in 1951 werd hem de toegang tot de Verenigde Staten geweigerd.

Hij schreef onder andere ‘In opdracht van de tijd’ en ‘Op het breukvlak van twee eeuwen’. In dat boek poogt hij een integrale visie op de geschiedenis te geven. Samen met zijn echtgenote schreef hij ‘De lage landen bij de zee’ en ‘Erflaters van onze beschaving’, boeken die nu nog worden gewaardeerd.

Sandberg: “We dachten dat iedereen door alle oorlogsbelevenissen, de bezetting en de concentratiekampen zo tot in zijn ziel doorkneed was, dat er nieuwe mensen uit tevoorschijn zouden komen. Dat was dus een grote teleurstelling na de bevrijding. Daar werd niets van zichtbaar’. Iedereen holde terug naar zijn baantje, beroep ofzaak van vóór 1940. Terwijl wij dachten dat 1940 nu volledig afg elopen was en een nieuwe fase zou aanbreken.”

Achterin de kluis de uitschuifbare rekken met schilderijen. Te herkennen zijn schilderijen van Van Gogh en in het midden op de onderste rij een werk van Toulouse-lautrec (foto Stedelijk Museum).
Achterin de kluis de uitschuifbare rekken met schilderijen. Te herkennen zijn schilderijen van Van Gogh en in het midden op de onderste rij een werk van Toulouse-Lautrec. Foto Stedelijk Museum.

Kunstenaarsverzet

Uit hoofde van zijn beroep als conservator en graficus stond Sandberg vanaf het begin van de bezetting midden in alle problemen en discussies over de positie van de kunstenaar tegenover de bezetter. In het najaar van 1941 werd het zogenaamde Haags Comité opgericht ter bespreking van een naoorlogse bestuursorganisatie voor kunstenaars. Onder andere de beeldhouwer Frits van Hal en de schilder J.J. Voskuil maakten er deel van uit. Eens in de veertien dagen kwam dit Comité bijeen in het Stedelijk Museum of in het ‘huisje van Sandberg’, de directiekeet bij de kunstbergplaats. Sandberg verzorgde de contacten met het Amsterdams Comité, dat een gelijke doelstelling kende.

In de agenda’s van de bergplaats komen we verder bekende namen tegen, zoals Rudolf Mengelberg tot 1954 artistiek leider van het Concertgebouw en staatsrechtgeleerde professor G.A. van Poelje.


Jaarboek 31, pagina 26

Ook de namen Willem Arondéus, Johan Brouwer en Koen Limperg vallen op, namen uit het kunstenaarsverzet en deelnemers aan de aanslag op het Bevolkingsregister van Amsterdam op 27 maart 1943. De Duitsers hadden in november 1941 de Kultuurkamer ingesteld en kunstenaars moesten verplicht lid worden om naar buiten te kunnen treden met hun werk. Degenen die dat principieel weigerden, werd het brood uit de mond gestoten, omdat ze geen overheidsopdrachten meer konden uitvoeren of niet meer konden optreden. Hieruit kwam het kunstenaarsverzet voort.

Er werd een steunfonds opgericht voor kunstenaars die door het niet accepteren van opdrachten in moeilijkheden kwamen. Voor de beeldende kunstenaars en de schrijvers was een groepje mensen actief, dat naast de eerder genoemden bestond uit Gerrit van der Veen, Willem Sandberg en Leen van Dijk. Laatstgenoemde, toentertijd belastinginspecteur in Leiden, was belast met de financiën.
Zij raakten ook op andere manieren in het verzet betrokken en zetten zich in voor het verspreiden van valse persoonsbewijzen. Het vervaardigen van het pseudo-watermerk noemde Sandberg het beste stukje typografie waaraan hij ooit gewerkt had.

De aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister

Joden werden van een andere identiteit voorzien, ook degenen die voor de arbeidsdienst naar Duitsland dreigden te worden gestuurd en verzetsmensen. De valsheid van de persoonsbewijzen kon moeilijk worden vastgesteld, maar men kon ze wel altijd verifiëren op het Bevolkingsregister. Om die reden beraamde de groep een aanslag op het Bevolkingsregister van Amsterdam; een gebouw naast de ingang van ‘Artis’.

Er ging een maandenlange voorbereiding aan vooraf. Begin maart 1943 was alles gereed. Architect Koen Limperg had een plattegrond van het gebouw gemaakt. Springstof en brandstof benzol was beschikbaar en de nagemaakte uniformen lagen klaar. De aanslag werd uitgevoerd op 27 maart 1943. Willem Arondéus, schilder en schrijver, was daarbij verkleed als politiekapitein en de beeldhouwer Gerrit van der Veen als politieluitenant. De aanslag werd uitgevoerd zoals de bedoeling was, zonder dat er slachtoffers vielen. De geschiedenis van deze opzienbarende verzetsdaad is uitgebreid beschreven door dr. L. de Jong in deel 6 (II) van ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’.

Door Sandberg ontworpen gedenksteen mei de namen van de verzetsstrijders die de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam uitvoerden. De steen is aangebracht op de gevel van het voormalige bevolkingsregister de huidige studio Plantage naast de ingang van Artis.
Door Sandberg ontworpen gedenksteen mei de namen van de verzetsstrijders die de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam uitvoerden. De steen is aangebracht op de gevel van het voormalige bevolkingsregister de huidige studio Plantage naast de ingang van Artis.

Een deel van de voorbereidingen zal vast in het Geversduin hebben plaatsgevonden. Volgens de kluisagenda van 1942 zijn Arondéus, Brouwer en Limperg meerdere malen bij Sandberg op bezoek geweest en de deelnemers gingen enkele dagen na de aanslag terug naar Castricum. Op 31 maart 1943 hebben ze er volgens een verklaring van de eerder genoemde Leen van Dijk een feestje gevierd. In het ‘huisje van Sandberg’ is dat niet meer geweest; dat was een maand eerder afgebroken. Waar het dan wel heeft plaatsgevonden, is niet duidelijk. Misschien was het de woning die het Museum aan de Breedeweg huurde. We zullen het waarschijnlijk nooit meer te weten komen.

Van meer belang is dat al de volgende dag de arrestaties begonnen. Alleen Sandberg, die vanwege zijn bekende gezicht en zijn tengere postuur niet aan de aanslag had deelgenomen, en Gerrit van der Veen konden nog onderduiken. Twaalf mannen werden, na een proces in het Tropenmuseum, ter dood veroordeeld en op 1 juli 1943 in de duinen bij Overveen gefusilleerd. Gerrit van der Veen is later, na een overval op het Huis van Bewaring aan de Weteringschans, alsnog gepakt en op 10 juni 1944 gefusilleerd. Willem Sandberg was op de dag van de arrestaties bij de kunstbergplaats in Zandvoort en zijn vrouw kon hem nog tijdig waarschuwen. Hij werd in eerste instantie opgevangen in het huis van de familie Van Gogh in Laren en dook daarna onder in Limburg, waar hij de resterende oorlogsjaren aan het verzet bleef deelnemen.

Op de gevel van het voormalige Bevolkingsregister, de huidige Plantagestudio, is een door Willem Sandberg ontworpen plaquette geplaatst met de namen van de twaalf deelnemers en helpers.
De aanslag op het Bevolkingsregister wordt nog ieder jaar in Amsterdam herdacht en Provinciale Staten van Noord-Holland besloten in 2004 tot een jaarlijkse themalezing, die de naam Willem Arondéuslezing heeft gekregen.


Jaarboek 31, pagina 27

Willem Arondéus (1894-1943)

‘Het is of ik verduisterd leef – zonder leed en zonder vreugde.’
Willem Arondéus, beeldend kunstenaar en later schrijver, getuigt in zijn dagboekaantekeningen van een verscheurd en eenzelvig bestaan. In de televisiefilm ‘Na het feest, zonder afscheid verdwenen’ belicht documentairemaakster Toni Boumans zijn verzetsactiviteiten, zijn homoseksualiteit en zijn kunstenaarschap. Vier grote opdrachten vielen hem ten deel: een schilderij voor het Rotterdamse stadhuis, twee wandschilderingen in openbare gebouwen in Amsterdam en het ontwerpen van negen gobelins in het Noord-Hollands provinciehuis. Hij schreef twee romans en een biografie van de schilder Matthijs Maris.

Marco Entrop schreef een boek over hem getiteld: ‘Onbekwaam in het compromis’. Van de hand van Rudi van Dantzig verscheen het boek ‘Het leven van Willem Arondéus’.

Ontruiming bergplaats

In december 1941 besloot de Wehrmacht tot de bouw van een verdedigingslinie langs de westkust: de Atlanticwall. De kust, het strand en het direct aangrenzende achterland werden tot strijdtoneel verklaard. Castricum behoorde tot een van de vier steunpuntsgroepen tussen Den Helder en IJmuiden. Dit had de bouw van honderden bunkers, radarinstallaties enzovoort tot gevolg en in november 1942 moesten veel inwoners voor wie het verblijf in het dorp niet noodzakelijk was, vertrekken.

De burgemeester van Amsterdam ontving van de Staatssecretaris op 15 oktober 1942 de opdracht de kunstbergplaats te ontruimen:
“Der Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden bittet mich zu veranlassen dass der Schutzkeller des Städtischen Museums in Amsterdam bei Castricum umgehend geräumt wird. Die Schlüssel wären sodann bei der Wehrmachtkommandantur abzugeben. lch habe darauf hingewiesen, dass diese Räumung mit Schwierigkeiten verbunden ist. Die Wehrmacht muss aber, da sich dieser Bunker in einer Kampfstellung befindet, auf ihrem Wunsch bestehen.”

Een nieuwe verhuizing moest worden voorbereid. Hoewel de berging van het Rijk in Zandvoort eerder was ontruimd, konden veel kunstschatten uit Castricum daar in maart 1943 toch naar toe. De Lipsdeuren en de luchtbehandelingsinstallatie waren al eerder gedemonteerd en net als het ‘huisje van Sandberg’ naar Zandvoort overgebracht. Een laatste transport vertrok op 12 maart 1943 naar een nieuwe rijksbergplaats in Paaslo. Het logboek werd op die dag door bewaker Beijer afgesloten met het woord: ‘finis.’ Daarmee eindigde de geschiedenis van de kunstbergplaats in Castricum.

Baard: “Na de laatste transporten naar de duindepots kwam over ons nationaal kunstbezit eindelijk de rust, die niet vóór de bevrijding verstoord zou worden. Ver buiten de stille kluizen werd intussen een gigantische strijd, onverbiddelijk op leven en dood, voortgezet.”

Van bergplaats voor kunst, soldatenverblijf, fietsen en aardappelen tot filmarchief. Op de achterwand staan de woorden 'England verrecke'; het laatste woord is door de stellingen onzichtbaar.
Van bergplaats voor kunst, soldatenverblijf, fietsen en aardappelen tot filmarchief. Op de achterwand staan de woorden ‘England verrecke’; het laatste woord is door de stellingen onzichtbaar.

In de omgeving van de bergplaats werden verschillende bunkers gebouwd. De bergplaats zelf is door de Duitsers onder andere als opslagplaats in gebruik genomen. De Castricummer Piet Stuifbergen (87) is er getuige van geweest dat er fietsen in werden opgeslagen en dat de ruimte enige tijd woon- en slaapgelegenheid voor Duitse soldaten is geweest. Niet of nauwelijks meer zichtbare opschriften op de muren getuigen van de aanwezigheid van de andere gebruikers. Aan het einde van de bunker was in gotische letters de wens ‘England verrecke’ aangebracht. Links en rechts stonden de slogans ‘Ein Volk, ein Reich, ein Führer’ en ook ‘Führer befehlt, wir folgen’.

Na de oorlog

De kostbaarste zaken werden in juni 1945 per schip van Maastricht naar Amsterdam teruggebracht. De Nachtwacht kwam aan boord van het schip met de naam ‘ Van God gegeven’ . Op hetzelfde moment dat de schepen Am-


Jaarboek 31, pagina 28

sterdam binnenvoeren, vierde de jubelende stad de komst van de Koningin.
Baard: “Zoo was dan in de zomer van 1945 eindelijk het moment gekomen waarop een deel van de nationale kunstschatten na een al te lange onderbreking zijn plaats in de nieuwe samenleving kon hernemen.” Op de binnenplaats van het Rijksmuseum werd de Nachtwacht ontrold en weer opnieuw op het raamwerk aangebracht. Het schilderij bleek tot ieders opluchting alle beproevingen goed te hebben doorstaan.

Na de oorlog zijn de Duitse bunkers grotendeels gesloopt of onder het zand verdwenen. Niet echter de bergplaats van de gemeente Amsterdam. Nadat het zelfs nog even een opslagplaats is geweest voor de aardappelen van groenteboer Stengs, bepleitte Sandberg in 1952 bij de wethouder voor Kunstzaken van Amsterdam om de kluis weer voor kunstopslag geschikt te maken. Hij stuurde een tekening van de gewenste aanpassingen overeenkomstig adviezen van een militair bureau en in verband met beveiliging tegen atoombommen ook van de directeur van het Instituut voor Kernphysisch Onderzoek.

In zijn brief aan de wethouder herinnerde hij aan de dramatische meidagen van 1940, toen in allerijl de voornaamste kunstwerken van het Rijksmuseum naar de gemeentekluis in Castricum werden overgebracht en hoe de Nachtwacht op een grasveldje werd opgerold. Sandberg was duidelijk trots op de kluis, want hij liet de wethouder weten: “De kluis was de eerste in Holland en wat ligging, outillage en camouflage betreft, zeker de beste.”

Naar aanleiding van de Hongaarse opstand waarschuwde Sandberg in 1956 het gemeentebestuur opnieuw. Tevergeefs drong hij aan op herstel en modernisering van de kluis. Als voorzitter van het Filmmuseum kreeg hij het in 1958 wel voor elkaar dat de bergplaats voor het bewaren van brandbaar filmmateriaal in gebruik kon worden genomen. Aan de Willemslaan verrees een houten barak die tot 1969 als kantoor en werkplaats van het Filmmuseum dienst deed. Deze stond gedeeltelijk op de nog aanwezige betonnen baan van een V1 lanceerinrichting. Tegenwoordig is dezelfde barak een deel van het clubgebouw van de Kennemer IJsbaan.

De tegenwoordig met een hek extra beveiligde toegang tot de kluis aan de Helmweg in het Geversduin. Het bouwwerk is vanwege de historische achtergrond terecht als gemeentelijk monument aangewezen.
De tegenwoordig met een hek extra beveiligde toegang tot de kluis aan de Helmweg in het Geversduin. Het bouwwerk is vanwege de historische achtergrond terecht als gemeentelijk monument aangewezen.

De kunstbergplaats vervult tot op de dag van vandaag nog een belangrijke functie en bovendien is het een stuk cultuurhistorisch erfgoed van nationale betekenis.

Niek Kaan

Bronnen:

Publicaties:

  • Baard, H.P., Kunst in Schuilkelders, Den Haag 1946.
  • Dantzig van, R., Het leven van Willem Arondéus, AmsterdamAntwerpen 2003.
  • Entrop, M., Onbekwaam in het compromis, Willem Arondéus kunstenaar en verzetsstrijder, Amsterdam 1993.
  • Hendriks, A., Huis van illusies, Amsterdam 1996.
  • Jong, L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog delen 2, 6 en 13, Den Haag 1975.
  • Kalf, J., Bescherming van Kunstwerken tegen Oorlogsgevaren, Den Haag 1938.
  • Leeuw-Marcar, A., Willem Sandberg portret van een kunstenaar, Amsterdam 1981.
  • Martinet, J., Brieven van H.N. Werkman 1940- 1945, Amsterdam 1968.
  • Os, H. W., Werkman, H.N., Groningen 1965.
  • Petersen, A., Brattinga P., Sandberg: een documentaire, Amsterdam 1975.
  • Rikhof, F., Kunst in een bunker, Ons Amsterdam, jaargang 48, nummer 3.
  • Romein, J., Nieuw Nederland, Amsterdam 1945.
  • Soeting, M., Het Stedelijk Museum in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog, Jong Holland nummer 2, jaargang 17, 2001.

Archieven:

  • Filmmuseum Amsterdam, met dank aan de heer H. de Smidt.
  • Gemeente Castricum, met dank aan de heer H. Stigt.
  • Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.
  • Provinciaal Waterleidingbedrijf, met dank aan de heer H. Posthuma.
  • Stedelijk Museum Amsterdam.
  • Stadsarchief Amsterdam.

28 juni 2022

Gemeentebestuur 1812 – 1919, 1e deel (Jaarboek 31 008 pg 3-18)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 31, pagina 3

Het gemeentebestuur van Castricum tussen twee fusies:

de fusie met Bakkum in 1812 en de fusie met Limmen en Akersloot in 2002 (1e deel)

Inleiding

In het jaar 1812 zijn de gemeenten Bakkum en Castricum samengevoegd. In 2002 volgt de fusie met de gemeenten Akersloot en Limmen. In de tussenliggende periode van bijna 200 jaar zijn er allerlei ontwikkelingen geweest in het bestuur van de gemeente Castricum. Dit artikel neemt u mee vanaf de beginsituatie met een schout, 5 raadsleden en zonder politieke partijen naar de situatie van eind 2001 met een burgemeester, 19 raadsleden en 6 politieke patiijen. Het atiikel verschijnt in meerdere delen; dit eerste deel behandelt de periode 1812 tot 1919, het jaar dat de nieuwe Kieswet in werking treedt. De overige delen verschijnen in de hierna volgende jaarboeken.

De geschiedenis van het gemeentebestuur wordt behandeld in een aantal afgebakende perioden:

  • de voorgeschiedenis tot 1812
  • de periode van 5 raadszetels tot het in werking treden van het Reglement op het Bestuur ten Platten lande in 1825
  • de periode van 6 raadszetels tot in 1851 de nieuwe Gemeentewet van Thorbecke van kracht wordt
  •  en vervolgens de periode van 7 raadszetels die bijna 70 jaar duurt tot de nieuwe Kieswet van 1919.

Door deze wet verandert er veel: iedere volwassen burger moet elke vier jaar stemmen voor een nieuwe gemeenteraad; de verkiezingen zijn gekoppeld aan kieslijsten en politieke partijen.

Van elke periode worden in dit artikel de namen en de zittingsperiode van de raadsleden vermeld en de namen van de raadsleden die tot wethouder zijn benoemd. Van de in die periode functionerende burgemeester(s) en de belangrijkste ontwikkelingen in het dorp wordt een korte beschrijving gegeven. Het artikel wordt afgesloten met een alfabetische lijst van alle leden van de gemeenteraad in de periode 1812-1919 met een korte persoonsbeschrijving.

Voorgeschiedenis tot 1812

Het dorpsbestuur in de 18e eeuw wordt gevormd door een schout met vijf schepenen. Voor de verkiezing van het dorpsbestuur wordt ieder jaar door de schout een nominatie opgemaakt; daarop volgen de benoemingen door de ambachtsheer voor de periode van één jaar en wel van Pasen tot Pasen. De ambachtsheer had een zekere regeermacht over een banne of dorp. Deze macht of heerlijke rechten waren door aankoop verworven en gingen door vererving over op volgende generaties. Zo’n banne of dorp werd een (ambachts)heerlijkheid genoemd.

Bakkum en Castricum zijn twee afzonderlijke dorpen met elk een eigen bestuur. De grens tussen beide dorpen ligt ter hoogte van de huidige Zeeweg en de Schulpvaart naar Limmen. Door de aankoop in 1749 van de ambachtsheerlijkheid Bakkum door Nicolaas Geelvinck, de ambachtsheer van Castricum, hebben beide dorpen dezelfde ambachtsheer, die vervolgens ook in beide dorpen dezelfde schout heeft aangesteld: tot 1778 Leonard Tempelaar en daarna mr. Joachim Nuhout van der Veen.

Joachim Nuhout van der Veen
Joachim Nuhout van der Veen

In 1787 bestaat het dorpsbestuur van Castricum uit de schout mr. Joachim Nuhout van der Veen en de schepenen: Jacob Drost, Pieter Duijneveld, Cornelis Stet, Cornelis van den Dam en Jan Brakenhoff.
In datzelfde jaar bestaat het dorpsbestuur van Bakkum uit diezelfde schout en de schepenen: Jan Twisk, Gerrit Kuijs, Klaas Duijn, Jan van Bruijnswaard en Simon Duinmaijer.

De stichting van de Bataafse Republiek in 1795 brengt een radicale ommekeer in het staatsbestel, gebaseerd op de beginselen van de Franse Revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Regenten worden afgezet en vervangen door representanten van de burgerij. Schout en schepenen van Castricum roepen op 9 februari 1795 alle stemgerechtigde burgers van Castricum bijeen in de kerk om een nieuw dorpsbestuur samen te stellen. Voor het eerst in de geschiedenis worden verkiezingen gehouden. In totaal 110 mannen van 20 jaar of ouder zijn aanwezig en reageren enthousiast op de redevoering van de Castricumse schout Joachim Nuhout van der Veen: “Ziet daar dan eindelijk de zon der vrijheid met een schitterende glans doorbroken en het Neerlands volk uyt den afgrond gered.” Deze woorden uit de redevoering van de schout staan op de sokkel van


Jaarboek 31, pagina 4

het monument ter herdenking van de Slag bij Castricum bij het gemeentehuis.
Joachim Nuhout van der Veen is een fervent voorstander van de nieuwe beginselen en geniet landelijke bekendheid.

De representanten van het volk maken die dag plaats voor een gekozen municipaliteit, die de functie heeft van de huidige gemeenteraad. In feite verandert er weinig op het platteland. Wel wordt vanaf die tijd geprobeerd een scheiding tussen bestuur, wetgeving en rechtspraak aan te brengen. Ambachtsheerlijkheden worden zelfstandige gemeenten die hun eigen bestuur kiezen.

In 1802 wordt op verzoek van het Departementaal bestuur van Holland een plaatselijke commissie van drie personen ingesteld om een ontwerp te maken voor de inrichting van het gemeentebestuur. Gerrit Brasser, Cornelis van den Dam en Jan Pietersz Kuijs worden in deze commissie benoemd: zij mogen in het raadhuis vergaderen en dienen binnen 6 weken met het ontwerp gereed te zijn. Op 21 oktober 1802 is het zover en kunnen de stemgerechtigde burgers zich de daaraanvolgende week hierover uitspreken. Het reglement, dat een jaar later door het Departementaal Bestuur van Holland wordt goedgekeurd, bestaat uit 22 artikelen waarvan de belangrijkste zijn:

  • het gemeentebestuur bestaat uit 3 burgers, die stemgerechtigd moeten zijn, minstens 25 jaar oud zijn en tenminste twee jaar in Castricum hebben gewoond;
  • elk jaar treedt op 1 mei één lid af, die weer herkiesbaar is;
  • het gemeentebestuur kiest uit zijn midden een president, die ieder half jaar door een andere wordt vervangen.

Om de scheiding van rechtspraak en burgerlijk bestuur daadwerkelijk gestalte te geven, wordt ook een reglement opgesteld voor de Civiele Rechtbank te Castricum. Volgens dit reglement, opgesteld in 1804 en goedgekeurd door het departementaal bestuur, bestaat de rechtbank uit de schout en vijf schepenen, waaronder de drie leden van het gemeentebestuur.

Tussen 1795 en 1810 is Nederland in een aantal fasen bij het Franse rijk ingelijfd. Het verschil tussen stad en platteland wordt opgeheven en voor het eerst wordt de term ‘gemeente’ ingevoerd.
Bij Keizerlijk Decreet van 9 juli 1810 is de volledige inlijving van Nederland een feit. Het geannexeerde gebied wordt vanaf 1 januari 1811 verdeeld in 7 departementen, elk onderverdeeld in arrondissementen en die weer in kantons en gemeenten. Het departement van de Zuiderzee omvat globaal het grondgebied van de huidige provincies Noord-Holland en Utrecht. Dit departement wordt onderverdeeld in de arrondissementen Amsterdam, Hoorn, Utrecht en Amersfoort. Castricum en Bakkum vallen onder het arrondissement Hoorn.
In de praktijk blijken de arrondissementen Amsterdam en Hoorn te groot te zijn. Het Keizerlijk Decreet van 21 oktober 1811 regelt daarom de splitsing van het arrondissement Amsterdam in dat van Amsterdam en Haarlem en het arrondissement van Hoorn in dat van Hoorn en Alkmaar. Daarmee vallen vanaf die datum Castricum en Bakkum onder het arrondissement Alkmaar.

In de archieven van het arrondissement Hoorn zijn lijsten bewaard gebleven van de processen-verbaal betreffende maires (burgemeesters), adjoints (wethouders) en municipale raden (raadsleden) in de gemeenten (in het arrondissement Hoorn), die op 19 juli 1811 worden geïnstalleerd en beëdigd.
Voor de gemeente Castricum: maire Jan Glorie, adjoint Albert Maartensz. Knaap, municipale raden Wouter de Bie, Fulps Ranke, Gerrit Brasser, Evert Asjes en Pieter Schavemaker.
Voor de gemeente Bakkum: maire Jan van Bruijnswaard, adjoint Arie Admiraal, municipale raden Simon Duijnmaijer, Willem Brakenhoff, Pieter Gerritsz. Kuijs, Jacob Stuifbergen en Albert Dirksz. Knaap.

Voor Bakkum wordt Jan van Bruijnswaard benoemd tot burgemeester, een post die hij om allerlei redenen beslist niet ambieert. Hij smeekt het bestuur van het arrondissement om van deze post te worden ontheven. Zijn brief van 16 juli 1811 is hieronder letterlijk weergegeven.

Brief van De Provisionele Maire van Baccum (J. van Bruijnswaard) aan Den Heer onder Prefekt van het Arrondissement Hoorn in het Departement van de Zuiderzee.

Mijn Heer de Onderprefekt
Nooit vervoegde zich voorzeker iemand met meer regt tot UwelED. Gestr. om van den Post, welken hij bekleede, ontslagen te worden, dan ik; althans wanneer een zeventig jarige ouderdom, vergezeld van die gebreken welke daar aan zeer dikwijls eigen zijn en bijzonder het gemis van eene der voornaamste zintuigen het gehoor, voor voldoende redenen tot ontslag mogen gerekend worden.
Daarbij en dit blijde ik welmeenend, beken ik gaarn dat ik geene der vereischten bezit, welke tot dien Post worden gevorderd en evenwel zoo hoog nodig zijn. Mijne Jaren eisschen zoveel mogelijk rust en ik gevoel geenen schijn van eerzucht tot een Ambt, waar toe jeugdige krachten, kunde, en bekwaamheid boven alles onontbeerlijk zijn. Van mijne jeugd af was mijn beroep de Duinmaijerij, zeer verre verwijderd van de politieke loopbaan waarin men mij nu geplaatst heeft, terwijl mijne krachten afneemen, mijne vermogens afgesleeten zijn en mijn lichaam ten grave neigt.
Behoef ik mijn Heer de OnderPrefekt hier wel iets meer bij te voegen? Ja eene zaak moet ik nog aanvoeren onder zoo veelen welke ik zoude kunnen bijbrengen en deze is dat ik de Fransche Taal niet verstaa en dus de wetten niet leezen, veel min verstaan kan, waardoor ik niets dan onheil stigten zoude voor de Ingezetenen, welker geluk ik zoude moeten bevorderen. Dit alles, vertrouw ik, zal genoeg zijn om UwelED.Gestr. te verzoeken, ja te smeeken om mijn ontslag te helpen bewerken.
Zoo dit niet gebeurde moet ik om mijnen korten leeftijd met een vrij geweeten te eindigen, ronduit


Jaarboek 31, pagina 5

verklaren dat ik mij onverantwoordelijke houde voor de gevolgen, welke ten nadele der Burgerij uit mijn onwillig verkeerd gedrag en handelwijze noodwendig moeten en zullen ontstaan en waarvan ik de straffen mij zoude op den hals halen.
Ik vertrouw dat mijn verzoek, welke dat is van eenen afgeleefden grijsaart, niet zonder gewenschte uitwerking blijven zal en in die verwachting heb ik de eer met verschuldigde hoogachting te zijn.

Mijn Heer de Onder Prefekt

UwelEd.Gestr. onderdanigen en gehoorzamen Dienaar
J. v. Bruijnswaard

Aan zijn verzoek is geen gehoor gegeven. Nog op 18 oktober in datzelfde jaar overlijdt Jan van Bruijnswaard.

Samenvoeging van Castricum in 1812

Bij Keizerlijk Decreet van 21 oktober 1811 wordt bepaald dat met ingang van l januari 1812 Castricum en Bakkum zullen worden samengevoegd. Als burgemeester is benoemd mr. Jacob Nuhout van der Veen, de 32-jarige zoon van de afgetreden schout van Castricum en Bakkum mr. Joachim Nuhout van der Veen.

De samenvoeging van Bakkum (110 inwoners) en Castricum (520 inwoners) is een onderdeel van een gemeentelijke herindeling in de Franse tijd die veel meer gemeentes treft. In onze regio worden per dezelfde datum de volgende gemeenten samengevoegd: Wimmenum (68 inwoners) bij Bergen (628), Limmen (442) bij Heiloo (480), Groet (149) bij Schoorl (564) en Veenhuizen (175) en Oterleek (444) bij Heerhugowaard (659).

Op 5 januari 1812 wordt de nieuwe gemeenteraad op het raadhuis van Castricum geïnstalleerd, bestaande uit de volgende raadsleden: Arie Admiraal, Simon Duinmaijer, Albert

Kaartje van de beide gemeenten zoals is ingetekend op de gemeentekaart uit 1867. De lila lijn geeft ongeveer het verloop weer van de grens tussen de afzonderlijke gemeenten Bakkum en Castricum.
Kaartje van de beide gemeenten zoals is ingetekend op de gemeentekaart uit 1867. De lila lijn geeft ongeveer het verloop weer van de grens tussen de afzonderlijke gemeenten Bakkum en Castricum.

Jaarboek 31, pagina 6

Knaap, Wouter de Bie, Fulps Ranke, Gerrit Brasser, Evert Asjes, Pieter Schavemaker en Willem Brakenhoff. Van hen wonen Arie Admiraal, Simon Duinmaijer en Willem Brakenhoff in Bakkum en de overigen in Castricum.
Arie Admiraal wordt ‘adjoinct du maire’ (wethouder) en de overigen worden raadsleden. Het gemeentebestuur bestaat naast de burgemeester uit een wethouder (Arie Admiraal) en tien raadsleden. Naast de acht geïnstalleerde leden zijn er ook twee vacatures. De benoeming betreft namelijk ook Jan van Bruijnswaard, die inmiddels is overleden en Jan Glorie die zijn benoeming vanwege zijn slechte gezichtsvermogen en hoge ouderdom niet heeft aanvaard.

Burgemeester Jacob Nuhout van der Veen doet op 7 maart 1812 in een brief aan de onder-prefect een dringend verzoek om te worden ontslagen, omdat het hem onmogelijk is gebleken om het burgemeestersambt te combineren met dat van notaris (in Alkmaar). Voorlopig blijft hij echter in functie.
Per 1 januari 181 3 zijn drie kandidaten voor de post van burgemeester genomineerd:

  1. Pieter Kieft, tabaksverkoper, geboren in 1783, 29 jaar, woont in Castricum, gehuwd, 3 kinderen, ontvanger der indirecte belastingen, persoonlijk bezit 300 gulden, omschreven als man met verstand, fatsoen en goede wil;
  2. Arie Admiraal, adjoint, geboren in 1760, 52 jaar, woont in Bakkum, gehuwd, 5 kinderen, landbouwer, persoonlijk bezit 300 gulden, omschreven als man met beperkte capaciteiten voor zijn functie;
  3. Simon Duinmaijer, raadslid, geboren in 1762, 50 jaar, woont in Bakkum, gehuwd, 6 kinderen, landbouwer, persoonlijk bezit 400 gulden, geschikt voor de functie.

Op 6 januari 1813 leggen Pieter Kieft als burgemeester van Castricum en Arie Admiraal als ‘adjoint du maire’ de eed af en worden geïnstalleerd op het raadhuis te Castricum in het bijzijn van de afgetreden burgemeester Jacob Nuhout van der Veen; beide heren waren op 25 december 1812 door de prefect van het departement benoemd.
Pieter Kieft neemt in zijn nieuwe functie al op 13 februari 1813 contact op met de onderprefect over de twee vacatures in de gemeenteraad. Als kandidaten worden voorgesteld: Cornelis van den Dam, geboren 8 oktober 1750 en Cornelis Schrama, geboren 1 maart 1746; beiden zijn weduwnaar, hebben geen kinderen en zijn veehouder met een jaarinkomen van 5.000 gulden.

Na het einde van de Franse overheersing, waardoor de Nederlandse onafhankelijkheid wordt hersteld, maken de grondwetten van 1814 en 1815 weer onderscheid tussen stedelijke en plattelandsgemeenten. De gemeentelijke samenvoegingen worden bij Koninklijk Besluit van 13 december 1815 weer ongedaan gemaakt. Dat geldt echter niet voor Bakkum en Castricum, die al vele tientallen jaren dezelfde ambachtsheer en schout hadden gekend en in zeker opzicht al samen optrokken. Bovendien was er in Bakkum geen burgemeester beschikbaar. Onze gemeente ging in 1817 ‘Castricum en Bakkum’ heten.

Ook worden na de Franse overheersing de rechten van de ambachtsheer ten dele hersteld, waarbij de benoeming van raadsleden mede geschiedt op voordracht van de ambachtsheer.
Gesproken wordt enerzijds van steden, anderzijds van heerlijkheden, districten en dorpen. De organisatie van het bestuur ten plattelande wordt vastgelegd in een reglement van 1815. Krachtens dit reglement keert de schout terug; hij is tevens secretaris en ontvanger en wordt bijgestaan door een raad. In de gemeente ‘Castricum en Bakkum’ bestaat de raad uit vijf leden, waaruit twee assessoren (wethouders) worden gekozen. De raadsleden worden voor drie jaar benoemd; zij worden bij voorkeur gekozen uit de ‘vroedste en gegoedste’ ingezetenen. Een raadslid moet minstens vier jaar in de gemeente hebben gewoond, minstens 50 gulden aan belasting betalen en voor het overige voldoen aan de eisen van een stemgerechtigde burger. Om stemgerechtigd te zijn moet een burger minstens een jaar in de gemeente hebben gewoond, minstens 12 gulden aan belasting betalen, zelfstandig zijn en niet met justitie in aanraking zijn geweest.
De stemming ter vervulling van de opengevallen plaatsen geschiedt jaarlijks in de maand september via gesloten briefjes, die namens de schout aan huis worden bezorgd en opgehaald. In 1812 zijn er van de 630 inwoners 156 stemgerechtigd. In 1817 is de grens voor de burger om stemgerechtigd te kunnen zijn verhoogd naar 30 gulden, waardoor er nog maar 23 personen daarvoor in aanmerking komen.

Samenstelling van het gemeentebestuur volgens een opgave van 9 juli 1812:

maire:
Jacob Nuhout van der Veen, beroep notaris, oud 33 jaren, woonplaats Alkmaar

adjunct:
Arie Admiraal, beroep landbouwer, oud 52 jaren, woonplaats Bakkum

municipale raden:
Simon Duinmaijer, beroep landbouwer, oud 50 jaren, woonplaats Bakkum
Albert Maartensz Knaap, beroep landbouwer, oud 48 jaren, woonplaats Castricum
Wouter de Bie, beroep schilder, oud 42 jaren, woonplaats Castricum
Fulps Ranke, beroep metselaar, oud 40 jaren, woonplaats Castricum
Gerrit Brasser, beroep landbouwer, oud 57 jaren, woonplaats Castricum
Evert Asjes, beroep landbouwer, oud 55 jaren, woonplaats Castricum
Pieter Schavemaker, beroep bakker, oud 40 jaren, woonplaats Castricum
Willem Brakenhoff, beroep landbouwer, oud 56 jaren, woonplaats Bakkum


Jaarboek 31, pagina 7

De installatie van een nieuw gemeentebestuur op 1 mei 1817

De schout wordt benoemd door de Koning en de raadsleden door de Provinciale Staten, beiden op voordracht van de ambachtsheer. Het eerste gemeentebestuur dat volgens de nieuwe wetten is samengesteld, wordt voor elke gemeente in de provincie Noord-Holland omstreeks 1 mei 1817 geïnstalleerd. Direct hieraan voorafgaand heeft de schout en secretaris der ‘Gemeente Castricum en Bakkum’, Pieter Kieft, op 23 april 1817 de eed afgelegd ten overstaan van de heer Staatsraad Gouverneur van onze provincie. (Tegenwoordig spreken we van Commissaris van de Koningin.) Bovendien hebben Gedeputeerde Staten eerder bij hun besluit van 3 april de leden van de raad benoemd, te weten: Gerrit Brasser en Simon Duinmaijer als assessoren en Evert Asjes, Cornelis Schrama en Floris Twisk als raadsleden.

Op de bewuste dag, 1 mei, wordt op het gemeentehuis van Castricum om 10 uur ’s morgens voor de schout Pieter Kieft het oude bestuur ontbonden, treedt het nieuwe bestuur aan en wordt door de schout de eed voorgelezen, luidende: “Ik zweer dat ik den mij opgedragen post van lid der Gemeenteraad van de gemeente Castricum, met alle getrouwheid zal vervullen; dat ik mij van alle pligten mij in die betrekking opgelegd, eerlijk en opregtelijk zal kwijten, overeenkomstig de Grondwet, de algemeene landswetten, als mede met hetgeen bij het reglement van bestuur van het platteland van Holland is voorgeschreven.”
Vervolgens wordt de eed door elk raadslid afzonderlijk bevestigd met de woorden: “Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!”
Door de schout is van deze installatie een proces verbaal opgemaakt dat door de schout, de assessoren en de overige raadsleden is ondertekend.

Volgens het nu geldende reglement worden de raadsleden tekens voor drie jaar benoemd; elk jaar treedt op 2 december een derde af. Bij loting is de volgorde van aftreden bepaald. Per 2 december 1817 zijn dat Gerrit Brasser en Cornelis Schrama; op diezelfde dag in 1818 zijn dat Floris Twisk en Evert Asjes en in 1819 is Simon Duijnmaijer aan de beurt.

De raadsperiode van mei 1817 tot december 1825 (5 raadszetels)

Samenstelling gemeenteraad:

Schout:
Kieft, P. gedurende de periode van 1-5-1817 tot  1-12-1825

Raadsleden:
Brasser, G. zetel a, gedurende periode van 1-5-1817 tot 2-12-1820
Tromp. G., zetel a, gedurende periode van 2-12-1820 tot 1-12-1825
Duinmaijer, S. zetel b, gedurende periode van 1-5-1817 tot 3-12-1822
Twisk, F. zetel b, gedurende periode van 3-12-1822 tot 1-12-1825
Asjes, E. zetel c, gedurende periode van 1-5-1817 tot 1-12-1825
Schrama C. zetel d, gedurende periode van 1-5-1817 tot 2-12-1820
Brakenhoff, J. zetel d, gedurende periode van 2-12-1820 tot 1-12-1825
Twisk, F. zetel e, gedurende periode van 1-5-1817 tot 6-12-1821
Ranke, F. zetel e, gedurende periode van 6-12-1821 tot 1-12-1825

Toelichting tabel:
De kleine letters a t/m e geven de zetels aan van de vijf raadsleden. Als een raadslid wordt vervangen, geldt voor zijn opvolger dezelfde letter. De begin- en einddatum vermelden de periode van genoemd raadslid binnen de behandelde raadsperiode.

Assessoren:
Uit hun midden werden elk jaar van de vijf raadsleden er twee tot assessor gekozen. Assessoren waren in deze periode achtereenvolgens Gerrit Brasser (3,5 jaar), Simon Duinmaijer (3,5 jaar), Jan Brakenhoff (5 jaar), Evert Asjes (1 jaar) en Gerrit Tromp (4 jaar).

Ontwikkelingen in deze raadsperiode:
Bij een opgave in 1812 heeft Bakkum 110 en Castricum 520 inwoners. Bij de volkstelling van 1830 is het totaal aantal inwoners toegenomen tot 791. In 1812 waren er 41 schelpenvissers, 21 veehouders en 21 dagloners. Pieter Kieft is als onderwijzer in 1813 opgevolgd door Antonie van Rozenhagen. Het onderwijs wordt gegeven in een afgescheiden gedeelte in de oude dorpskerk. Vanwege herhaalde dronkenschap wordt Van Rozenhagen ontslagen. Vanaf 1825 is Cornelis Schut de schoolmeester van Castricum. Predikant van de Nederlands hervormde kerk is al sinds 1791 Ernst Willem Fabritius, een zwager van de vroegere schout Joachim Nuhout van der Veen.
In deze periode is 88 procent van de Castricumse bevolking rooms-katholiek en de overige 12 procent protestant. De rooms-katholieken gaan ter kerke in de schuilkerk aan de Breedeweg. In 1817 wordt Bernardus Piepers benoemd tot pastoor in Castricum. Hij zorgt ervoor dat het schuilkerkje nog eens grondig wordt vernieuwd en onder de druk van het stijgend aantal gelovigen vergroot. Een beschrijving uit 1826 over het interieur van de schuilkerk meldt circa 150 plaatsen. In 1824 wordt pastoor Piepers opgevolgd door Gijsbertus Ruijgrok van de Werve.


Jaarboek 31, pagina 8

Titelblad van het Reglement op het Bestuur ten Platten lande van 1825.
Titelblad van het Reglement op het Bestuur ten Platten lande van 1825.

Het Reglement op het Bestuur ten Platten Lande van 1825

Jaarlijks moeten de namen van de kandidaten worden voorgelegd aan de ambachtsheer. Na diens goedkeuring worden de raadsleden benoemd door Gedeputeerde Staten. Vanuit de nieuwe samenstelling worden dan vervolgens uit hun midden de assessoren (wethouders) gekozen. Vanwege de omslachtige werkwijze wordt de korte raadsperiode dan ook aangepast bij het in werking treden van een nieuw ‘Reglement op het Bestuur ten Platten Lande in de Provincie Holland’ in 1825. De raadsleden worden in het vervolg voor zes jaar benoemd en elke twee jaar treedt op 2 januari eenderde af. De aftredende raadsleden zijn in principe weer herkiesbaar.
In dit nieuwe reglement is de eeuwenoude titel van schout afgeschaft en vervangen door die van burgemeester, die voor een termijn van zes jaar door de koning wordt benoemd. Na 1825 bestaat de gemeenteraad van Castricum uit een burgemeester, 2 assessoren en 4 raadsleden.

Om raadslid te kunnen zijn moet je Nederlands staatsburger en minimaal 23 jaar oud zijn, in de desbetreffende gemeente wonen, geen familierelatie hebben met een van de overige leden van de raad en zoveel belasting betalen als ook vereist wordt om te mogen stemmen voor de Provinciale Staten. Een inwoner moet een flink inkomen genieten om tot raadslid te kunnen worden gekozen. In Castricum betekent dit in de 19e eeuw dat vooral de ‘rijke’ veehouders lid van de gemeenteraad zijn.

De raadsperiode van december 1825 tot september 1851 (6 raadszetels)

Burgemeesters:
Kieft, P. gedurende de periode van 1-12-1825 tot 22-1-1836
Quack, J. de gedurende de periode van 20-1-1837 tot 10-9-1851

Raadsleden:
Tromp, G. zetel a, gedurende de periode van 1-12-1825 tot 3-7-1832 (overleden)
Melker, W. zetel a, gedurende de periode van 18-7-1832 tot 2-1-1836
Schotvanger, P. zetel a, gedurende de periode van 2-1-1836 tot 10-9-1851
Twisk, F. zetel b, gedurende de periode van 1-12-1825 tot 10-9-1851
Asjes, E. zetel c, gedurende de periode van 1-12-1825 tot 15-3-1 827 (overleden)
Bruijnswaard, K. zetel c, gedurende de periode van 14-6-1827 tot 10-9-1851
van Brakenhoff, J. zetel d, gedurende de periode van 1-12-1825 tot 2-1-1828
Schermer, C. zetel d, gedurende de periode van 2-1-1828 tot 2-1-1828
Louter, J. zetel d, gedurende de periode van 2-1-1834 tot 10-9-1851
Ranke, F. zetel e, gedurende de periode van 1-12-1825 tot 1-5-1835 (overleden)
Stet, K. zetel e, gedurende de periode van 17-6-1835 tot 10-9-1851
Muijs, P. zetel f, gedurende de periode van 1-12-1825 tot 11-6-1841 (overleden)
Asjes, A. zetel f, gedurende de periode van 22-9-1841 tot 10-9-1851

Bij hun aantreden in 1825 waren vier raadsleden veehouder van beroep, één raadslid was naast veehouder ook koopman in schelpen (Gerrit Tromp) en één raadslid (Fulps Ranke) was aannemer. De gemiddelde leeftijd van de raadsleden in 1825 was 57 jaar.

Assessoren:
Elke twee jaar worden van de zes raadsleden er twee tot assessor (wethouder) gekozen. Assessoren waren in deze periode achtereenvolgens Gerrit Tromp (6,5 jaar), Jan Brakenhoff (2 jaar), Pieter Muijs (15,5 jaar), Willem Melker (3,5 jaar), Pieter Schotvanger (1,5 jaar) en Klaas Stet (10 jaar).


Jaarboek 31, pagina 9

Ontwikkelingen in deze raadsperiode
De meest ingrijpende gebeurtenis in deze raadsperiode is de gevangenneming en veroordeling van burgemeester Pieter Kieft, die naast burgemeester ook ontvanger is van diverse belastingen. In deze functie heeft hij fraude gepleegd en wordt hiervoor in 1836 tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Men kan zich voorstellen dat dit enorm veel tumult heeft gegeven bij de plaatselijke bevolking. Verschillende grondbezitters hebben gedurende een reeks van jaren te veel belasting betaald, die Pieter Kieft niet heeft afgedragen aan de betreffende instanties, maar in eigen zak heeft gestoken. In deze rechtszaken hebben niet alleen de toen in functie zijnde assessoren P. Schotvanger en P. Muijs, de raadsleden Jan Louter en Klaas Stet en afgetreden assessor Willem Melker verklaringen afgelegd en zijn zij ondervraagd, maar heeft ook een aantal grondbezitters hun aanslagen in de bijdrage aan de St. Aagtendijk, de Hondsbossche en de Uitwaterende Sluizen moeten overleggen.

Jan de Quack, burgemeester van Castricum van 1837 tot 1852.
Jan de Quack, burgemeester van Castricum van 1837 tot 1852.

Het vertrek van Pieter Kieft zal in Castricum met de nodige opluchting gepaard zijn gegaan. Met de komst op 6 februari 1837 van zijn opvolger Jan de Quack breekt een stabiele periode aan. Jan de Quack is een veelzijdig persoon. Hij geniet landelijke bekendheid als toneelschrijver en dichter, is al sinds 1828 burgemeester van Beverwijk en neemt bovendien op 67-jarige leeftijd in 1837 het ambt van burgemeester en secretaris van Castricum op zijn schouders. Hij heeft toestemming om in Beverwijk te blijven wonen. Kenmerkend voor deze raadsperiode is de grote armoede die in het dorp heerst; de armenkas is nagenoeg leeg en ook met de gemeentelijke financiën is het slecht gesteld. Deze situatie is mede veroorzaakt door de grote schuld die de vorige burgemeester heeft achtergelaten. Dit heeft ook gevolgen voor het onderwijs. Er zijn heel veel klachten van de ouders over het slechte onderwijs dat door meester Schut wordt gegeven. Schut is de enige leerkracht voor meer dan 100 kinderen. De school is nog steeds ondergebracht in een afgescheiden gedeelte van de oude dorpskerk. Er is geen geld voor een ondermeester.

In de periode 1830 tot 1835 is een groot project in het duingebied in uitvoering, dat diende om uitgestrekte duinvalleien voor landbouw en veeteelt geschikt te maken. Dit bracht gedurende die periode werk voor vele tientallen grondwerkers.
Ernst Willem Fabritius wordt in 1828 opgevolgd als dominee van de Ned. Hervormde Kerk door Coert D. Canne, die in 1846 wordt opgevolgd door Pieter A. van der Laan. Pastoor Gijsbertus Ruijgrok van de Werve wordt na zijn overlijden in 1849 opgevolgd door Henricus Meeuwsen.

De nieuwe gemeentewet van 1851

Bij de grondwetsherziening van 1848 zijn de heerlijke rechten tot voordracht van een lid van het gemeentebestuur afgeschaft. Ook wordt het verschil in bestuur tussen stad en platteland opgeheven; grote en kleine gemeenten krijgen voortaan gelijke rechten en plichten. Een en ander heeft tot gevolg dat er een nieuwe gemeentewet moet komen. Het ontwerp van de gemeentewet van 1851 is van de staatsman Thorbecke; zijn naam is hieraan onverbrekelijk verbonden.

Thorbecke, groot staatsman en ontwerper van de nieuwe gemeentewet van 1851.
Thorbecke, groot staatsman en ontwerper van de nieuwe gemeentewet van 1851.

Thorbecke (1798-1872) is de meest geslaagde staatkundige hervormer uit de Nederlandse geschiedenis. Onder zijn ministeries kwamen belangrijke wetten tot stand: de Kieswet en de Provinciale wet, beide van 1850, en het jaar daarop de Gemeentewet. De laatste twee vormen tot op heden het fiundament van de bestuurlijke indeling van Nederland. Daarna volgden de wetten tot aanleg van het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg, en de wet op het Middelbaar Onderwijs.

In alle gemeenten wordt de raad het hoofd van de gemeente; de gemeenteraad is de baas over het eigen gemeentelijke beleid. Hij maakt uit aan welke zaken geld wordt besteed (budgetrecht), bepaalt de gemeentelijke regels waaraan alle burgers zich te houden hebben (verordeningen) en neemt alle besluiten die voor het reilen en zeilen van de gemeente van belang zijn (beschikkingen).

De gemeenteraad wordt voortaan rechtstreeks door de ingezetenen gekozen. Stemrecht hebben alleen mannen van


Jaarboek 31, pagina 10

minimaal 23 jaar en alleen zij die een bepaald bedrag aan belasting betalen. Dit minimum bedrag (census) is in de grondwet vastgelegd en bedraagt 20 gulden, in die tijd een groot bedrag. Het zogenoemde censuskiesrecht heeft tot gevolg dat slechts weinig mensen aan de verkiezingen mogen deelnemen (circa 11 procent van de mannen).

Volgens de nieuwe wet wordt de burgemeester door de Koning(in) benoemd voor een periode van zes jaar. Vóór de aanvaarding van zijn ambt legt de burgemeester de eed af in handen van de Commissaris van de Koning(in), die hem vervolgens beëdigt. Dan volgt gewoonlijk een plechtige installatie in de raadsvergadering, die speciaal voor dat doel is belegd.

Assessoren worden voortaan wethouders genoemd en door de raad uit hun midden gekozen; gemeenten met minder dan 2.000 inwoners, zoals Castricum, krijgen zeven raadsleden, die voor een periode van zes jaar worden gekozen. Elke twee jaar treedt eenderde af.

Geloofsbrieven

Bij opvolging worden de geloofsbrieven van een nieuw gekozen raadslid beoordeeld door een commissie van drie leden uit de gemeenteraad, die hierover in de raadsvergadering verslag uitbrengt. De geloofsbrieven omvatten het bewijs van Nederlanderschap en van meerderjarigheid, een verklaring dat hij minstens een jaar in de gemeente heeft gewoond, dat hij geen openbare betrekkingen bekleedt en er geen familierelatie bestaat van hem of zijn echtgenote in de eerste of tweede graad met de burgemeester of met een van de andere raadsleden. Veelal is dit een formaliteit en zal de raad vervolgens de geloofsbrieven goedkeuren en besluiten om het gekozen (benoemde) raadslid in de gemeenteraad op te nemen. Het desbetreffende raadslid wordt dan voor de eerstvolgende gemeenteraadsvergadering uitgenodigd om de eed af te leggen en te worden geïnstalleerd.

In 1851 worden nieuwe gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Daarbij worden Klaas van Bruijnswaard en Floris Twisk, resp. 72 en 75 jaar, niet meer herkozen. Ook burgemeester De Quack wordt – ondanks een klemmend beroep door de gemeenteraad op de Commissaris des Konings tot voortzetting van zijn ambt – vanwege zijn hoge leeftijd van 82 jaar op 13 mei 1852 eervol ontslagen.

Plan in 1851 voor de samenvoeging van Limmen met Castricum

Minister Thorbecke heeft ter voorbereiding van de invoering van de nieuwe gemeentewet in 1851 de wenselijkheid geuit om deze invoering ‘hand aan hand te doen gaan met eene vereeniging van kleine gemeenten tot grootere’. Een door Gedeputeerde Staten (GS) uit hun midden benoemde commissie bracht reeds op 21-5-1851 een voorlopig rapport uit. Naar de mening van de commissie komen een aantal gemeenten voor samenvoeging in aanmerking. In onze regio zijn dat:

  • Egmond-Binnen met Wimmenum
  • Heerhugowaard met Veenhuizen
  • Oudorp met Oterleek
  • Limmen met Castricum
  • Uitgeest met Heemskerk

Een bepaling in de nieuwe gemeentewet maakt het onmogelijk dat gemeenten blijven voortbestaan met minder dan 25 kiezers voor de benoeming van leden van de gemeenteraad. Dit is vervolgens aanleiding om de samenvoegingsplannen te beperken tot gemeenten met minder dan 25 kiezers. In dit nieuwe voorstel gelden in onze regio nog slechts de volgende samenvoegingen: in 1854 Veenhuizen (12 kiezers) bij Heerhugowaard en in 1857 Wimmenum (6 kiezers) bij Egmond-Binnen.

De raadsperiode van september 1851 tot september 1919 (7 raadszetels)

Gedurende deze zeer lange raadsperiode van 68 jaar blijft de grootte van de gemeenteraad gelijk. Pas in 1919 gaat er veel veranderen door een nieuw kiesstelsel. Het onderstaande overzicht geeft de opeenvolgende zeven burgemeesters en de in functie zijnde raadsleden gedurende deze raadsperiode. Per ambtsperiode van elke burgemeester worden de belangrijkste ontwikkelingen in de gemeente belicht. Het aantal inwoners verviervoudigt bijna van ca. 1.100 in 1851 tot circa 4.300 in 1919.

Samenstelling gemeenteraad:

Burgemeesters:
Quack, J.de gedurende de periode van 10-9-1851 tot 13- 5-1852
Rendorp, J. gedurende de periode van 13-5-1 852 tot 1-1-1868
Zaalberg, H. gedurende de periode van 21-1-1868 tot 1-7-1869
Moens, C.H. gedurende de periode van 1-7-1869 tot 15-11-1877
Boreel van Hogelanden, J.W.G. gedurende de periode van 1-12-1877 tot 1-5-1888
Mooij, J. gedurende de periode van 5-6-1888 tot 1-6-1918
Lommen, P.H.L.J. gedurende de periode van 1-8-1918 tot 2-9-1919

Raadsleden:
Schotvanger, P.  zetel a, gedurende de periode van 10-9-1851 tot 12- 12-1858 (overleden)
Rommel, J.F. zetel a, gedurende de periode van 11-5-1859 tot 16-9-1875
Kuijs, Jb. zetel a, gedurende de periode van 16-9-1875 tot 3-6-1910


Jaarboek 31, pagina 11

(vervolg van pagina 11)
Raadsleden
:
Dijkman, Th. zetel a, gedurende de periode van 27-7-1910 tot 15-12-1912 (overleden)
Spaansen, C., zetel a, gedurende de periode van 5-3-1913 tot 2-9-1919
Brakenhoff, J. zetel b, gedurende de periode van 10-9-1851 tot 17-12-1859 (overleden)
Handgraaf, H. zetel b, gedurende de periode van 16-5-1860 tot 1-10-1863
Kuijs, Jn. Czn. zetel b, gedurende de periode van 7-10-1863 tot 4-5-1877
Apeldoorn, J. zetel b, gedurende de periode van 25-7-1877 tot 3-10-1880 (overleden)
Soll, J.A. van zetel b, gedurende de periode van 5-1-1881 tot 10-12-1891 (overleden)
Franse, H.A.F. zetel b, gedurende de periode van 31-3-1892 tot 16-8-1893
Goes, J.M. zetel b, gedurende de periode van 5-9-1893 tot 4-9-1917
Schuijt, J. zetel b, gedurende de periode van 4-9-1917 tot 2-9-1919
Schermer, C. zetel c, gedurende de periode van l 0-9-1851 tot 8-4-1868
Mooij, C. zetel c, gedurende de periode van 8-4-1868 tot 2-6-1880
Melker, W. zetel c, gedurende de periode van l l-8-1880 tot 13-10-1903 (overleden)
Duijn, P. zetel c, gedurende de periode van 21-1-1904 tot 17-7-1910 (overleden)
Twisk, P. zetel c, gedurende de periode van 16-11-1910 tot 2-9-1919
Louter, J. zetel d, gedurende de periode van 10-9-1851 tot  31-7-1866
Glorie, F. zetel d, gedurende de periode van 8-8-1866 tot 1-9-1891
Spaansen, C. zetel d, gedurende de periode van 1-9-1891 tot 7-9-1908
Valkering, P.J. zetel d, gedurende de periode van 7-9-1909 tot 2-9-1919
Stet, K. zetel e, gedurende de periode van 10-9-1851 tot 11-7-1860
Brakenhoff, G. zetel e, gedurende de periode van 11-7-1860 tot 14-9-1861 (overleden)
Schotvanger, J. zetel e, gedurende de periode van 15-1-1862 tot 16-8-1878 (overleden)
Brakenhoff, J. zetel e, gedurende de periode van 7-11-1878 tot 16-10-1882
Louter, S. zetel e, gedurende de periode van 20-12-1882 tot 3-9-1895
Asjes, A. zetel e, gedurende de periode van 3-9-1895 tot 3-9-1901
Hogenstijn, J.J. zetel e, gedurende de periode van 3- 9-1901 tot 21- 3-1912 (overleden)
Slop, G. zetel e, gedurende de periode van 12-7-1912 tot 2-9-1913
Louter, G. zetel e, gedurende de periode van 2-9-1913 tot 2-9-1919
Asjes, A. zetel f, gedurende de periode van 10-9-1851 tot 16-12-1860 (overleden)
Slooten, T. zetel f, gedurende de periode van 20-3-1861 tot 8-4-1868
Bruijn, D. zetel f, gedurende de periode van 8-4-1868 tot 17-9-1873
Park, A. van der zetel f, gedurende de periode van 17-9-1873 tot 1-9-1891
Twisk, J. zetel f, gedurende de periode van 1-9-1891 tot 7-9- 909
Kuijs, G. zetel f, gedurende de periode van 7-9-1909 tot 2-9-1919
Rommel, J.F. zetel h, gedurende de periode van 10-9-1851 tot 2-9-1857
Kuijs, Jn. Jbzn. zetel h, gedurende de periode van 2-9-1857 tot 27-5-1862 (overleden)
Kuijs, Jn. Pzn. zetel h, gedurende de periode van 24-9-1862 tot 13-12-1884 (overleden)
Schuijt, J. zetel h, gedurende de periode van 4-2-1885 tot 4- 4-1910 (overleden)
Kuijs, P. zetel h, gedurende de periode van 27-7-1910 tot 2- 9-1919

Rouwadvertentie na het overlijden van raadslid Jacob Brakenhoff, die op 17 december 1859 is overleden: zijn vele kinderen en kleinkinderen hebben hem niet afgehouden van het raadslidmaatschap.
Rouwadvertentie na het overlijden van raadslid Jacob Brakenhoff, die op 17 december 1859 is overleden: zijn vele kinderen en kleinkinderen hebben hem niet afgehouden van het raadslidmaatschap.

Bij hun aantreden in 1851 waren 5 raadsleden veehouder van beroep, 1 raadslid was naast veehouder ook broodbakker (C. Schermer) en 1 raadslid (J.F. Rommel) was logementhouder van De Rustende Jager.
De gemiddelde leeftijd van de zeven raadsleden in 1851 was 54 jaar.

Wethouders:
Ook in deze periode zijn twee wethouders in functie. Er is nog geen sprake van een verdeling van portefeuilles. Het college houdt zich met alle voorkomende zaken bezig. Wethouders waren in deze periode achtereenvolgens Pieter Schotvanger (7 jaar), Klaas Stet (8,5  jaar), Cornelis Schermer (9 jaar), Jan Kuijs Jbzn. (2 jaar), Jan Schotvanger (13 jaar), Cornelis Mooij (9 jaar), Johannes F. Rommel (6 jaar), Adrianus van der Park ( 11 jaar), Jacob Brakenhoff (2 jaar), Jacob Kuijs (22,5 jaar), Wulbert Melker ( 13 jaar), Joseph M. Goes (14 jaar), Cornelis Spaansen (7 jaar) en Petrus J. Valkering (10 jaar).

Ontwikkelingen in deze raadsperiode (68 jaar)
Burgemeester Jan de Quack wordt in 1852 opgevolgd door de 56-jarige jonkheer Jacob Rendorp.
Rendorp is eigenaar van de kastelen Assumburg en


Jaarboek 31, pagina 12

Marquette in Heemskerk, is ambachtsheer van de gemeenten Heemskerk en Wijk aan Zee en Duin en vanaf 1850 ook burgemeester van Heemskerk. Hij woont op kasteel Marquette. Jacob Rendorp was goed op de hoogte van de plaatselijke situatie. Hij was door koning Willem 1 in 1829 samen met Gevers van Endegeest en Van Lennep benoemd in een commissie ter uitvoering van het grote ontginningsproject op Castricums grondgebied.
Met de bouw van een school naast het raadhuis en de komst van een tweede onderwijzer in 1853 wordt de kwaliteit van het onderwijs aanzienlijk verbeterd. Omstreeks 1862 wordt een Algemeen Armenhuis ingericht en op 1 mei 1867 wordt de spoorlijn Alkmaar-Haarlem geopend. De spoorlijn krijgt een station in Castricum, dat voor de ontwikkeling van onze gemeente van onschatbare betekenis is geweest.
De schuilkerk aan de Breedeweg wordt in 1858 gesloopt. In datzelfde jaar is een nieuwe rooms-katholieke kerk aan de Alkmaarderstraatweg gebouwd.

Jacob Rendorp, burgemeester van Castricum van 1852 tot 1868.
Jacob Rendorp, burgemeester van Castricum van 1852 tot 1868.
Hermanus Zaalbetg, burgemeester van Castricum in 1868 en 1869.
Hermanus Zaalberg, burgemeester van Castricum in 1868 en 1869.

Op zijn verzoek krijgt Jacob Rendorp per 1 januari 1868 ontslag als burgemeester van Castricum en Heemskerk en wordt in beide functies opgevolgd door de 55-jarige Hermanus Zaalberg, zoon van een Leidse dekenfabrikant, tot 1854 mededirecteur van de dekenfabriek en tot 1868 koopman en grossier in manufacturen te Leiden. De ambtsperiode in Castricum heeft kort geduurd. Zijn voortvarendheid en beslistheid waarmee hij bepaalde zaken, die naar zijn idee scheef gegroeid waren, recht wil zetten, brengt hem weldra in conflictsituaties, die hem uiteindelijk tot aftreden zullen dwingen. Diverse verwikkelingen rond de inrichting van het stationsplein en de afsluiting van de toegangswegen naar het station vormen de aanleiding van de raad om het vertrouwen in de burgemeester op te zeggen. Op de geplande raadsvergadering van 19 mei 1869 komt geen enkel raadslid opdagen. Ook op de nieuw uitgeschreven vergadering, een dag later, verschijnt niemand. Bij de derde poging op 24 mei is alleen wethouder J. Schotvanger aanwezig en als toehoorder de Commissaris van de Koning. Deze onhoudbare toestand leidt uiteindelijk tot het ontslag van de burgemeester per 1 juli 1869. In zijn afscheidsbrief aan de raadsleden wenst Hermanus Zaalberg zijn opvolger een beter toekomst toe. Verder schrijft hij: “Moge meerdere eerbied voor de wetten en eene hoogere achting voor het Hoofd der Gemeente U voortaan bezielen, dan eerst zult gij U Mijneheeren! over uw gehouden gedrag jegens mij vernederen.
Dan eerst zult gij de belangen van de Gemeente beter behartigen, dan gij tot hiertoe deed. Ik veroordeel U niet – God oordeele tusschen U en mij. Hij behoedde verder de Gemeente van Castricum, die ik reeds lief had gekregen en die betere Raadsleden waardig is.”
Zaalberg blijft tot zijn overlijden in 1884 wel burgemeester van Heemskerk.

Het oude raadhuis van Castricum, gebouwd in 1869; rechts hiervan staat de in 1854 geopende openbare lagere school.
Het oude raadhuis van Castricum, gebouwd in 1869; rechts hiervan staat de in 1854 geopende openbare lagere school.
Carel Hendrik Moens, burgemeester van Castricum van 1869 tot 1877.
Carel Hendrik Moens, burgemeester van Castricum van 1869 tot 1877.

Per 1 juli 1869 is de 23-jarige Carel Hendrik Moens benoemd als opvolger van Zaalberg. Moens is geboren in Kampen, is kandidaat-notaris, op dat moment nog ongehuwd en woont in Brummen (Gelderland). Hij neemt zijn intrek bij hoofdonderwijzer Franciscus Ludewig en gaat na zijn huwelijk in mei 1870


Jaarboek 31, pagina 13

in Beverwijk wonen. Op 15 november 1877 wordt hij op zijn verzoek ontslagen en wordt hij notaris in Beverwijk. Dit beroep oefent hij gedurende 41 jaar uit naast zijn wethouderschap voor deze gemeente. Een plein en een straat zijn in Beverwijk naar hem genoemd.

Jacob Boreel van Hogelanden, burgemeester van Castricum van 1877 tot 1888.
Jacob Boreel van Hogelanden, burgemeester van Castricum van 1877 tot 1888.

Op 1 december 1877 wordt Moens als burgemeester van Castricum opgevolgd door de 25-jarige jonkheer Jacob Willem Gustaaf Boreel van Hogelanden, die werd geboren op het landgoed Waterland te Velsen, rechten studeerde in Leiden en enige tijd werkte als attaché in Londen. Enkele maanden na zijn ambtsaanvaarding trouwt hij op 14 maart 1878 te ‘s-Gravenhage met barones Maria Cornelia Schimmelpenninck van der Oye. Jacob heeft van de minister van Binnenlandse Zaken toestemming om gedurende ruim twee maanden een buitenlandse huwelijksreis te maken. Na zijn terugkeer wordt hij op 11 juni 1878 in Castricum feestelijk binnengehaald: straten en huizen zijn versierd en er staan erepoorten op de Rijksstraatweg. Jacob Boreel heeft toestemming om te wonen op zijn landgoed Meervliet te Velsen. Wel moet hij voor de burgers van Castricum op elke woensdag in Castricum te spreken zijn.
In 1884 wordt Jacob Boreel ook benoemd tot burgemeester van Heemskerk. Om zich volledig te kunnen wijden aan zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer krijgt hij op l mei 1888 op eigen verzoek ontslag als burgemeester van Castricum en Heemskerk.

De periode van de burgemeesters Zaalberg, Moens en Boreel van Hogelanden kenmerkt zich als een betrekkelijk rustige periode in de Castricumse geschiedenis. Het aantal inwoners schommelt tussen 1.375 en 1.715. Er zijn


Jaarboek 31, pagina 14

geen bijzondere bouwwerken verrezen, wegen aangelegd of andere nu nog aanwijsbare elementen uit die periode bewaard gebleven. Alleen de Openbare School wordt met 3 lokalen uitgebreid. De financiële toestand van de gemeente blijft onveranderd slecht.

Johannes Mooij, burgemeester van Castricum van 1888 tot 1918.
Johannes Mooij, burgemeester van Castricum van 1888 tot 1918.

Johannes Mooij wordt op 21 juni 1888 geïnstalleerd als opvolger van Jacob Boreel en is tot nu toe de enige burgemeester die in Castricum geboren en getogen is. Johannes was een zoon van veehouder en wethouder Cornelis Mooij en Antje Schermer, ging op kostschool in Bodegraven en naar het seminarie Hageveld in Voorhout. In 1878 trouwde hij met boerendochter Neeltje Kuijs; ook haar vader, Jan Kuijs, zat tot zijn overlijden in 1862 in de gemeenteraad. Voor zijn benoeming tot burgemeester en gemeentesecretaris was Johannes Mooij bloemkweker, landbouwer en gemeenteontvanger. Hij is 30 jaar burgemeester van Castricum en daarmee degene die dit ambt hier het langst heeft bekleed.

Belangrijke ontwikkelingen in Castricum tijdens zijn ambtsperiode zijn de bouw van zuivelfabriek ‘De Holland‘ aan de Breedeweg ( 1905), van de Gemeentelijke Gasfabriek aan de Oude Haarlemmerweg (1914) en de bouw en ingebruikname van Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch (1909). De komst van Duin en Bosch gaf een enorme impuls aan de plaatselijke gemeenschap.
In de periode van 1906 tot 1916 steeg het aantal inwoners van 2.285 tot 3.993: een toename met 75 procent. Rond 1911 werd een nieuw raadhuis, een nieuwe rooms-katholieke Pancratiuskerk en een nieuw hotel-restaurant ‘De Rustende Jager‘ gebouwd. Ook kwamen er in 1915 twee tuinbouwveilingen.

Op zijn verzoek wordt Johannes Mooij per 1 juni 1918 ontslagen en op 1 augustus daaraanvolgend door burgemeester Lommen opgevolgd.

Burgemeester Mooij op zijn werkkamer in het raadhuis.
Burgemeester Mooij op zijn werkkamer in het raadhuis.

De nieuwe Kieswet van 1919

Het in de 19e eeuw geldende censuskiesrecht had tot gevolg dat het aantal kiesgerechtigden relatief gering was: alleen mannen die een goed inkomen hadden mochten stemmen. Slechts zeer langzaam werd het kiesrecht uitgebreid, omdat de gegoede burgers, vooral liberalen en conservatieven, de dienst uitmaakten. Zij voelden niets voor een toenemende invloed van de arbeidersbeweging op het bestuur. Ook vanuit religieuze kringen was er een beweging om het kiesrecht uit te breiden, mede om via wetgeving een einde te maken aan de ongelijkheid in de financiering van het ondetwijs. Het openbare onderwijs kreeg geld uit de staatskas, terwijl

De eerste foto van de gemeenteraad in het toen nog nieuwe raadhuis. Vermoedelijk genomen op 2 september 1913 bij de installatie van Gerrit Louter als raadslid, die plaats heeft aan het hoofd van de tafel, geflankeerd door veldwachter Bleijendaal. Aan de achterwand een foto van het nog jonge prinsesje Juliana en van een wapenbord van de familie Geelvinck, als ambachtsheren van Bakkum.
De eerste foto van de gemeenteraad in het toen nog nieuwe raadhuis. Vermoedelijk genomen op 2 september 1913 bij de installatie van Gerrit Louter als raadslid, die plaats heeft aan het hoofd van de tafel, geflankeerd door veldwachter Bleijendaal. Aan de achterwand een foto van het nog jonge prinsesje Juliana en van een wapenbord van de familie Geelvinck, als ambachtsheren van Bakkum. Niet alle personen op de foto zijn bekend. We herkennen uiterst links Piet Twisk en naast hem Piet Kuijs; de tweede en derde van rechts respectievelijk Piet Valkering en burgemeester Mooij.

Jaarboek 31, pagina 15

particuliere rooms-katholieke en protestants-christelijke scholen geen subsidie kregen. Uitbreiding van het kiesrecht was een belangrijke doelstelling van de in 1879 opgerichte Anti-Revolutionaire Partij (ARP), de eerste politieke partij in ons land. Ook vanuit de arbeidersbeweging, die in de l9e eeuw ten gevolge van de industrialisatie was ontstaan, was er een sterke behoefte om meer invloed te krijgen.Veel arbeiders verdienden niet genoeg om hun stem te mogen uitbrengen. In 1894 verenigden de arbeiders zich in de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) met het voornaamste doel om algemeen kiesrecht te bereiken. Grondwetwijzigingen in 1887 en 1896 hadden weliswaar de leeftijd om te mogen stemmen verhoogd naar 25 jaar, maar onder andere de financiële drempel aanzienlijk verlaagd met het gevolg dat nu aanzienlijk meer mannen mochten stemmen. In Castricum is het aantal stemgerechtigden in 1882 voor de gemeenteraad 96 (circa 6 procent van de bevolking), in 1894 zijn dat er 143 (circa 8 procent) en in 1915 is het aantal toegenomen tot 504 stemgerechtigden (circa 13 procent).

De installatie van burgemeester Lommen in 1918.
De installatie van burgemeester Lommen in 1918.
Vl.n.r.: zittend: Piet Kuijs (raadslid), Hendrikus Oostveen (gemeentesecretaris), Kees Spaansen (raadslid), mevr. Lommen (stiefmoeder van de burgemeester), burgemeester Lommen en de raadsleden Piet Valkering, Gerrit Kuijs, Gerrit Louter en Piet Twisk; staand: dominee Van Poelgeest, raadslid Joseph Goes, oudburgemeester Mooij, een familielid van burgemeester Lommen, mevr. Van Benthem, Herman van Benthem en nog een familielid van burgemeester Lommen.

Uiteindelijk bracht de nieuwe Kieswet van 1919 algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen en de plicht om te stemmen (opkomstplicht, die in 1970 weer werd afgeschaft). De nieuwe wet bracht veel veranderingen. De raadsleden worden gekozen voor een periode van vier jaar. Vóór de te houden verkiezingen worden de kandidaten van een bepaalde groep of partij op verkiezingslijsten samengebracht. In het volgende jaarboek wordt dit artikel voortgezet met de resultaten van de verkiezingen, de politieke partijen, de veranderingen in het gemeentebestuur en de belangrijkste ontwikkelingen in de gemeente na 1919.

Simon Zuurbier

Bronnen:

Archieven:

  • Regionaal Archief Alkmaar: archief gemeente Castricum 1812-1936 + Oud-Archief Castricum.
  • Noord-Hollands Archief, archief van de Arrondissementsbesturen van Amsterdam, Haarlem, Hoorn en Alkmaar 1811-1815.

Publicaties:

  • Alberts, prof. mr. dr. W.J., De geboorte en groei van de Nederlandse gemeente, Nauta Reeks 1, Alphen aan den Rijn 1966.
  • Blauw, K., Rapport der provinciale commissie ter bestudering van de gemeentelijke indeling van Noord-Holland (6 banden), Eerste deel: algemene beschouwingen, bijlage: historisch overzicht van de gemeentelijke indeling van Noord-Holland.
  • Blécourt, mr. A.S. de, De organisatie der gemeenten gedurende de jaren 1795 – 1851 , Haarlem 1903.
  • Kaan, N.A., De gemeente Castricum en haar raadhuizen, 5e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum.
  • Koeken, mr. M.J.A.Y., Van stads- en plattelandsbestuur naar gemeentebestuur, ‘s-Gravenhage 1973.
  • Overwater, A.M., Het Bestuur van Barendrecht, 18 11-2001.
  • Raadschelders, J.C.N., Plaatselijke bestuurlijke ontwikkelingen 1600-1980. Een historisch-bestuurskundig onderzoek in vier Noord-Hollandse gemeenten, Proefschrift, ‘s-Gravenhage, 1990.
  • Rombach, J.H., De rechtstreeks gekozen gemeenteraad van Alkmaar: 14 oktober 1851 – 1 oktober 1972, Alkmaars Jaarboekje, 1972, blz. 126 t/m 156.
  • Zuurbier, S.P.A., Wie was … Joachim Nuhout van der Veen, 1e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1978.

Jaarboek 31, pagina 16

Personalia leden van het gemeentebestuur van 1812 tot 1919:

Apeldoorn, Jacob, geboren Egmond-Binnen 19-1-1 827, landbouwer op Noord-Bakkum, aldaar overleden 3-10-1880, gehuwd met Trijntje Apeldoorn, zoon van Gerrit Apeldoorn en Petronella de Waard. Raadslid van 25-7-1 877 tot t 3-10-1880 (overleden).

Asjes, Albert, geboren op De Brabantse Landbouw 16- 11-1793, veehouder op de Albert’s Hoeve in de Oosterbuurt, overleden Castricum 16-12-1 860, gehuwd met Elisabeth de Bie, zoon van Evert Asjes en Codijntje !Hessing. Raadslid van 2-9-1841 tot 16-12-1860 (overleden).

Asjes, Arie, geboren Castricum 1-1-1833, veehouder op de Albert’s Hoeve in de Oosterbuurt, overleden Castricum 17-6-1921 , gehuwd met Dieuwertje Bommezij, zoon van Albert Asjes en Elisabeth de Bie. Raadslid van 3-9-1895 tot 3-9-1901.

Asjes, Evert, geboren Dalfsen (Ov) 6-6-1 757, veehouder op De Brabantse Landbouw in het duingebied en op de Albert’s Hoeve in de Oosterbuurt, overleden Castricum 15-3-1 827, gehuwd met Codijntje Hessing, zoon van Assje Berents en Jannichje Janssen. Raadslid van 5-1-1812 tot 15-3-1827 (overleden), wethouder van 2-12-1820 tot 6-12-1821.

Boreel van Hogelanden, jonkheer Jacob Willem Gustaaf, geboren Velsen 10-9-1852, burgemeester van Castricum, Heemskerk en Haarlem, lid van de Tweede Kamer en van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, woonde op het landgoed Waterland te Velsen, overleden Bloemendaal 16-7-1937, gehuwd met (1) barones Maria C. Schimmelpenninck van der Oye, (2) jvr. Cornelia M. van Weede, zoon van jhr. Willem Bareel van Hogelanden en jonkvrouwe Margaretha J.M.P. Bareel. Burgemeester van 1-12-1877 tot 1-5-1888.

Brakenhoff, Gerrit, geboren Castricum 16-9-1818, veehouder op boerderij Starrenburg aan de Bleumerweg, overleden Castricum 14-9-1861, gehuwd met Antje Stet, zoon van Jacob Brakenhoff en Antje van der Beek. Raadslid van 11-6-1860 tot 14-9-1861.

Brakenhoff, Jacob, geboren Castricum 22-12-1788, veehouder aan de Brakersweg, overleden Castricum 17-12-1859, gehuwd met (!) Antje van der Beek, (2) Neeltje Kuijs, (3) Grietje Beentjes, zoon van Jan Brakenhoff en Jannetje Molenaar. Raadslid van 10-9-1 85 1 tot 17-12-1859 (overleden).

Brakenhoff, Jacobus, geboren Alkmaar 23-7-1843, landbouwer, overleden Nijmegen 18-11-1929, gehuwd met Elisabeth Reijnders, zoon van Jacob Brakenhoff en Neeltje Stet. Raadslid van 7-11-1878 tot 16-10-1882 (wegens vertrek naar Nijmegen); wethouder van 11-8-1880 tot 16-10-1882.

Brakenhoff, Jan, gedoopt Limmen 15-2-1757, veehouder in de Oosterbuurt, overleden Castricum 30-3-1835, gehuwd met Jannetje Molenaar, zoon van Frans Brakenhoff en Jacoba van Leunen. Raadslid van 2-12-1820 tot 2-1-1828; wethouder van 2-12-1820 tot 2-1-1828.

Brasser, Gerrit, geboren Akersloot 18-1-1750, veehouder op boerderij Kronenburg, overleden Castricum 30-10-1825, gehuwd met Apollonia van Vliet, zoon van Jan Brasser en Guurtje Groot. Raadslid van 5-1-1812 tot 2-12-1820; wethouder van 1-51817 tot 2-12-1820.

Bruijn, Dirk, geboren Castricum 21-8-1805, veehouder op Bakkum, overleden Castricum 18-3-1 887, gehuwd met Trijntje van Bruijnswaarcl, zoon van Pieter Bruijn en Trijntje Leijen. Raadslid van 8-4-1868 tot 17-9-1873.

Bruijnswaard, Klaas van, geboren Castricum 6-9-1779, duinmeijer, schelpenvisser en veehouder, overleden Haarlemmermeer 19-5-1856, gehuwd met Maartje Koene, zoon van Jan van Bruijnswaard en Geertje van Velzen. Raadslid van 14-6-1 827 tot 10-9-1851.

Duinmaijer, Simon, gedoopt Castricum 8-11-1759, veehouder op Noord-Bakkum, overleden Heiloo 20-6-1827, gehuwd met (1) Aaltje Molenaar, (2) Catharina Everhout, zoon van Cornelis Duinmaijer en Maartje Groen. Raadslid van 5-1-1812 tot 3-12-1822 (in verband met vestiging in Heiloo); wethouder van 1-5-1817 tot 2-12-1820.

Duijn, Pieter, geboren Castricum 24-7-1853, veehouder aan de Heereweg, overleden Castricum 17-7-1910, gehuwd met Trijntje Stet, zoon van Willem Duijn en Willemijntje Kuijs. Raadslid van 21-1-1904 tot 17-7-1910 (overleden).

Dijkman, Theodorus, geboren Heemskerk 26-8-1863, veehouder op boerderij ‘De Groene Klaver’ in de Oosterbuurt, overleden Castricum 15-11-1912, gehuwd met Catharina Hoogewerf, zoon van Anthonius Dijkman en Agnes Groen. Raadslid van 27-7-1910 tot 15-11-1912 (overleden).

Franse, Henricus Antonius Franciscus, geboren Amsterdam 2-5-1847, landbouwer en winkelier, woonde aan de Overtoom, overleden Castricum 26-1-1917, gehuwd met (1) Henderika Scheerman, (2) Trijntje Kouwenberg, zoon van Antonius F. Franse en Carolina J. Visbeek. Raadslid van 31-3-1892 tot 16-8-1893 .

Glorie, Frans, geboren Castricum 15-7-1813, veehouder aan de Breedeweg, overleden Castricum 5-11-1891, gehuwd met Neeltje de Groot, zoon van Klaas Glorie en Antje Nanne. Raadslid van 31-7-1866 tot 1-9-1891.

Goes, Joseph Maria, geboren Amsterdam 26-4-1861, bloemkweker, lid van Prov. Staten, overleden Driebergen-Rijsenburg 27-7-1942, gehuwd met Maria Voorting, zoon van Nicolaas J. Goes en Susanna C. Diepen. Raadslid van 5-9-1893 tot 4-9-1 917; wethouder van 2-9-1902 tot 14-12-1904 en van 5-9-1905 tot 4-9-1917.

Handgraaf, Hendrik, gedoopt Velsen 26-6-1807, timmerman, woonde in de Kerkbuurt, overleden Castricum 7-10-1863, gehuwd met Catharina Traan, zoon van Harmanus Handgraaf en Leentje van Leeuwen. Raadslid van 16-5-1860 tot 23-9-1863.

Hogenstijn, Johan Jacob, geboren Castricum 19-10-185 1 veehouder op de Brakersweg, overleden Castricum 21-3-1912, gehuwd met Klaasje van den Berg, zoon van Jan Hogenstijn en Elisabeth A. Eckhart. Raadslid van 3-9-1901 tot 21-3-1912 (overleden).

Kieft, Pieter, geboren Westzaan 20-6-1782, schoolonderwijzer, schout en burgemeester, woonde aan de Dorpsstraat, wegens fraude ontslagen en veroordeeld in 1836, na 1841 kastelein in Amsterdam, aldaar overleden 3-2-1843, gehuwd met (1) Elisabeth Smit, (2) Maria H. Korte, zoon van Cornelis Kieft en Neeltje Rooij. Schout van 6-1-1813 tot 1-12-1825, Burgemeester van 1-12-1825 tot 22-1-1836 (datum in hechtenisname).

Kuijs, Gerrit, geboren Castricum 8-7-1863, landbouwer, tuinder aan de Brakersweg, overleden Castricum 15-3-1938, gehuwd met Aagje Admiraal, zoon van Pieter Kuijs en Aaltje Duijnmeijer. Raadslid van 7-9-1909 tot 1-9-1931; wethouder van 4-9-1923 tot 6-9-1927.


Jaarboek 31, pagina 17

Kuijs, Jacob, geboren Akersloot 25-4-1837, veehouder in de Oosterbuurl, overleden Castricum 15-2-1916, gehuwd met (1) Maartje Schotvanger, (2) Klaasje Terra, zoon van Pieter Kuijs en Eva Schermer. Raadslid van 16-9-1875 tot 7-7-1910 (ontslagbrief 3-6-191o); wethouder van 20-12-1882 tot 5-9-1 905.

Kuijs, Jan, geboren Akersloot 11-5-1816, veehouder in de Oosterbuurt, overleden Castricum 27-5-1862, gehuwd met (1) Trijntje Sinnige, (2) Guurtje Kuijs, zoon van Jacob Kuijs en Neeltje Dekker. Raadslid van 2-9-1857 tot 27-5-1862 (overleden); wethouder van 16-5-1860 tot 27-5-1862 (overleden).

Kuijs, Jan, geboren Castricum 21-11-1820, landbouwer en bloemkweker, woonde in de Kerkbuurt, overleden Castricum 13-12-1884, gehuwd met Aaltje Duijn, zoon van Pieter Kuijs en Maartje Bruijn. Raadslid van 24-9-1862 tot  13-12-1884 (overleden).

Kuijs, Jan, geboren Akersloot 18-2-1843, veehouder, vertrekt in 1877 naar Limmen, overleden Alkmaar 1-5-1918, gehuwd met Maartje van Veen, zoon van Cornelis Kuijs en Antje Dekker. Raadslid van 1-10-1863 tot 28-6-1877.

Kuijs, Petrus, geboren Castricum 7-7-1879, bloemkweker en koopman in zaden en tuinvruchten, overleden Castricum 22-6-1951 , gehuwd met Geertrudis Piepers, zoon van Pieter Kuijs en Koosje Brakenhoff. Raadslid van 27-7-1910 tot 4-9-1923; wethouder van 2-9-1919 tot 4-9-1923.

Lommen, Petrus Henricus Leo Josephus (Piet), geboren Tilburg 10-9-1885, ambtenaar ter secretarie te Valburg, te Ursem, lid Prov. Staten van Noord-Holland, burgemeester, overleden Castricum 10-11-1936, gehuwd met Emma F.R.M. Maury, zoon van Maximinus D.H.H. Lommen en Geertruida M.C. Spigt. Burgemeester van 1-8-1918 tot 10-11-1936 (overleden).

Louter, Gerrit, geboren Castricum 28-11- 1863, landbouwer en kruidenier, woonde aan het Schulpstet en aan de Dorpsstraat, overleden Castricum 15-5-1958, gehuwd met Adriana de Weijer, zoon van Simon Louter en Guurtje Brakenhoff. Raadslid van 2-9-1913 tot 2-9- 1919; 4-9-1923 tot 1-9-1931; wethouder van 6-9-1927 tot 1-9-1931.

Louter, Jan, geboren Castricum 26-1-1798, veehouder aan de Brakersweg, overleden Castricum 24-5-1869, gehuwd met Maartje Tromp, zoon van Simon Louter en Aagje Morsch. Raadslid van 2-1-1834 tot 31-7-1866.

Louter, Simon, geboren Castricum 22-2-1825, landbouwer op het Noordend, overleden Castricum 28-7-1915, gehuwd met Guurtje Brakenhoff, zoon van Jan Louter en Maartje Tromp. Raadslid van 20-12-1882 tot 3-9-1895.

Melker; Willem, gedoopt Akersloot 26-4-1796, veehouder in de Oosterbuurt, overleden Castricum 15-11-1872, gehuwd met Maartje Beugel, zoon van Wulbert Melker en Klaasje Castricum. Raadslid van 5-7-1832 tot 2-1-1836; wethouder van 5-7-1832 tot 2-1-1836.

Melker, Wulbert, geboren Castricum 12-10-1824, landbouwer in de Oosterbuurt, overleden Castricum 13-10-1903, gehuwd met Jannetje Schermer, zoon van Willem Melker en Maartje Beugel. Raadslid van 11-8-1880 tot 13-10-1903 (overleden); wethouder van 20-10-1889 tot 2-9-1902.

Moens, Carel Hendrik, geboren Kampen 21-6-1841 , burgemeester, vanaf 1877 notaris, woonde vanaf 1870 in Beverwijk, aldaar overleden 12-5-1920, gehuwd met Lucretia F. Harger, zoon van Anthony Moens en Johanna Lambert. Burgemeester van 1-7-1869 tot 15-11-1877.

Mooij Cornelis, geboren Bergen 14-5-1821, landbouwer en gemeenteontvanger, overleden Castricum 13-1-1888, gehuwd met Antje Schermer, zoon van Jan Mooij en Neeltje Bruin. Raadslid van 8-4-1868 tot 2-6-1880; wethouder van 8-4-1868 tot 3-9-1872 en van 16-9-1875 tot 2-6-1880.

Mooij, Johannes (Jan), geboren Castricum 10-3-1848, bloemist, bestuurslid van de Groot-Limmerpolder, gemeenteontvanger, burgemeester, woonde aan de Dorpsstraat, overleden Amsterdam 8-2-1939, gehuwd met Neeltje Kuijs, zoon van Cornelis Mooij en Antje Schermer. Burgemeester van 5-6-1888 tot 1-6-1918.

Muijs, Pieter, geboren Beemster 9-12-1781, veehouder op boerderij Kranenburg, overleden Castricum 11-6-1841 , gehuwd met Guurtje Brasser, zoon van Jan Muijs en Trijntje Kloek. Raadslid van 1-12-1825 tot ’11-6-1841 (overleden); wethouder van 2-1 -1828 tot 11-6-1841 (overleden).

Park, Adrianus van der, geboren Assendelft 30-8-1819, veehouder in de Oosterbuurt, overleden Castricum 20-1-1892, gehuwd met Neeltje Hageman, zoon van Jan van der Park en Petronella Brakenhoff. Raadslid van 17-9-1873 tot 1-9-1891; wethouder van 10-7-1878 tot 20-10-1889.

Quack, Jan de, geboren Rotterdam 16-8-1769, klerk, magazijnmeester, ambtenaar bij een ministerie, commissaris van politie, vrederechter, burgemeester van Beverwijk en Castricum, genoot landelijke bekendheid als dichter, toneel- en romanschrijver, woonde in Beverwijk, aldaar overleden 4-7-1852, gehuwd met Petronella J. van Sluijs, zoon van Jan de Quack en Hester Esbeek. Burgemeester van 6-2-1837 tot 13-5-1852.

Ranke, Fulps, geboren Castricum 3-1-1768, aannemer, woonde aan de Dorpsstraat, overleden Castricum 1-5-1835, gehuwd met Aaltje Dekker, zoon van Maarten Ranke en Grietje Aalstius. Raadslid van 5-1-1812 tot 1-5-1  17 en van 6-12-182 1 tot 1-5-1835 (overleden).

Rendorp, jonkheer Jacob, geboren Amsterdam 3-11-1795, cavalerie-officier, luitenant-kolonel bij de Amsterdamse schutterij, burgemeester van Heemskerk en Castricum, woonde vele jaren op kasteel Marquette en vanaf 1869 in ‘s-Gravenhage, aldaar overleden 30-7-1879, gehuwd met jvr. Agneta M.C. Deutz van Assendelft, zoon van Mr. Willem Rendorp van Marquette en Paulina A. Bareel, Burgemeester van 13-5-1852 tot 1-1-1868.

Rommel, Johannes Frederik, geboren Castricum 10-7-1817, eigenaar van De Rustende Jager, ook landbouwer, overleden Castricum 27-5-1879, gehuwd met (1) Trijntje Alberti, (2) Anna P. Waagmeester, zoon van Bat1holomeus N. Rommel en Johanna M. Telvoren. Raadslid van 10-9-1851 tot 2-9-1857; van 11-5-1859 tot 16-9-1875; wethouder van 7-9-1869 tot 16-9-1875.

Schermer, Cornelis, gedoopt Heemskerk 7-2-1791, broodbakker, woonde aan de Dorpsstraat, overleden Castricum 21-12-1877, gehuwd met (1) Antje Dekker, (2) Willemijntje Brakenhoff, (3) Maartje Bakker, zoon van Jan Schermer en Hillegonda Knaap. Raadslid van 2-1-1828 tot 2-1-1834; van 10-9-1851 tot 8-4-1868; wethouder van 22-12-1858 tot 8-4-1868.

Schotvanger, Jan, geboren Limmen 23-1-1805, veehouder aan de Kooiweg, overleden Castricum 16-8-1878, gehuwd met (1) Grietje Kuijs, (2) Catharina Traan, (3) Antje Stet, zoon van Dirk Schotvanger en Guurtje Bruijn. Raadslid van 15-1-1862 tot 16-8-1878 (overleden); wethouder van 24-9-1862 tot 7-9-1869 en van 3-9-1872 tot 10-7-1878.


Jaarboek 31, pagina 18

Schotvanger, Pieter, geboren Castricum 1797, veehouder in de Oosterbuurt, overleden Castricum 12-12-1858, gehuwd met (1) Jannetje Pepping, (2) Arendje Kuijs, zoon van Dirk Schotvanger en Guurtje Bruijn. Raadslid en wethouder van 2-1-1836 tot 12-12-1858 (overleden).

Schrama, Cornelis, geboren Castricum 1-3-1746, veehouder in de Oosterbuurt, overleden Castricum 4-11-1830, gehuwd met Elisabeth van Duijn, zoon van Engel Schrama en Neeltje Cornelis. Raadslid van 1-5-1817 tot 2-12-1820.

Schuijt, Jacob, geboren Velsen 16-7-1875, landbouwer aan de Cieweg, overleden Leidschendam 17-6-1957, gehuwd met (1) Bregje Hofland, (2) Maria Gallé, (3) Cornelia Bakker, zoon van Jan Schuijt en Neeltje Castricum. Raadslid van 4-9- 1917 tot 11-6-1920.

Schuijt, Jan, geboren Heemskerk 15-12-1831, landbouwer in de Duinderbuurt, overleden Castricum 4-4-1910, gehuwd met Neeltje Castricum, zoon van Simon Schuijt en Hilletje Koopman. Raadslid van 4-2-1885 tot 4-4-1910 (overleden).

Slooten, Teunis, geboren Wormer 12-2-1819, veehouder op boerderij Kronenburg, overleden Heiloo 1-3-1909, gehuwd met (1) Antje Kooij, (2) Rensje Strooker, zoon van Willem Slooten en Jannetje Kroon. Raadslid van 20-3-1861 tot 8-4-1868.

Slop, Gerrit, geboren Koog aan de Zaan 13-3-1878, timmerman en gemeenteopzichter, woonde aan de Bakkummerstraat, vanaf 1939 in Arnhem, aldaar overleden 24-6-1955, gehuwd met Adriana Rond, zoon van Dirk Slop en Dieuwertje de Boer. Raadslid van 12-7-1912 tot 19-7-1913.

Soll, Jan Adam van, geboren Amsterdam 16-1-1813, broodbakker en brievengaarder, overleden Castricum 10-12-1891, gehuwd met Margrietje Rensenbrink, zoon van Jan van Soll en Antje Beijl. Raadslid van 5-1-1881 tot 10-12-1891.

Spaansen, Cornelis, geboren Schoorl 22-12-1863, veehouder aan de Breedeweg, overleden Castricum 11-12-1925, gehuwd met Johanna Henneman, zoon van Cornelis Spaansen en Trijntje Kap. Raadslid van 1-9-1891 tot 7-9-1909; van 5-3-1913 tot 11-12-1925 (overleden); wethouder van 14-12-1904 tot 7-9-1909 en van 4-7-1917 tot 2-9-1919.

Stet, Klaas, geboren Castricum 7-11-1793, veehouder aan de Brakersweg, overleden Huiswaard 19-6-1866, gehuwd met (1) Trijntje Koeleveld, (2) Neeltje Bruijn, zoon van Reijer Stet en Neeltje IJpelaan. Raadslid van 17-6-1835 tot 11-7- 1860; wethouder van 22-9-1841 tot 11-7-1860.

Tromp, Gerrit, geboren Castricum 3-1-1768, winkelier, koopman in schelpen, woonde aan het Schulpstet, overleden Castricum 3-7-1832, gehuwd met Willemijntje van Winsen, zoon van Jan Tromp en Antje IJpelaan. Raadslid van 2-12-1820 tot 3-7-1832 (overleden); wethouder van 6-12-1821 tot 3-7-1832 (overleden).

Twisk, Floris, geboren Heemskerk 18-11-1775, schelpenvisser, veehouder op de Bleumerweg, overleden Castricum 16-5-1860, gehuwd met Maartje Bakkum, zoon van Cornelis Twisk en Guurtje Kleibroek. Raadslid van 1-5-1817 tot 6- 12-1821 en van 3-12-1822 tot 10-9-1851.

Twisk, Jan, geboren Castricum 31-5-1833, landbouwer op Bakkum, overleden Bakkum 23-5-1910, gehuwd met Aagje Bos, zoon van Cornelis Twisk en Stijntje Zonneveld. Raadslid van 1-9-1891 tot 25-8-1909.

Twisk, Pieter, geboren Castricum 15-2-1865, veehouder en directeur Boerenleenbank, woonde aan de Burg. Mooijstraat, overleden Heiloo 9-4-1939, gehuwd met (1) Adriana Bakker, (2) Hendrika van Benthem, zoon van Cornelis Twisk en Willemijntje Kuijs. Raadslid van 16-11-1910 tot 2-9- 1919; RKSP van 9-7-1920 tot 1-9-1931, Vrije Lijst van 1-9-19 1 tot 3-9-1935.

Valkering, Petrus Johannes, geboren Limmen 14-2-1874, bloemkweker en handelsreiziger, overleden Castricum 14-8-1955, gehuwd met Aagje Heere, zoon van Timon Valkering en Dieuwertje Duin. Raadslid en wethouder van 7-9- 1909 tot 2-9-1919.

Zaalberg, Hermanus, geboren Leiden 17-5-1812, mede directeur in het familiebedrijf en fabriek van wollen dekens te Leiden, koopman en grossier in manufacturen, burgemeester van Castricum en Heemskerk, overleden Beverwijk 18-4-1884, gehuwd met Elisabeth H. Kiewit, zoon van Johannnes C. Zaalberg en Maria Brouwer. Burgemeester van 21-1-1868 tot 1-7-1869.

22 juni 2022

Drukkerij Boesenkool

Door: Eric Bor

Afb. 1. Geelvinckstraat 15. Het woonhuis van Boesenkool en rechts het kantoortje. Achter het huis de drukkerij

De drukkerij aan de Geelvinckstraat was heel klein. Als je niet wist dat hij er was, liep je hem zo voorbij. Alleen op dinsdag en vrijdag in de vroege avond was hij zichtbaar door de talrijke fietsen van de krantenbezorgers die in het steegje voor de drukkerij stonden. Ieder wachtte op zijn portie exemplaren van het Nieuwsblad voor Castricum, die bij de abonnees in de bussen moesten worden gestopt. Elke bezorger had een in plastic gevat lijstje met de straten en huisnummers die zijn wijk vormden. Soms moest daar op gezag van Jan Boesenkool op het laatste moment nog een nummer bij of af.

8 juni 2022

Het huis van de notaris

Door: Eric Bor

Afb. 1. Hermana State omstreeks 1920

Het houten huis had verschillende namen. Wij noemden in 1964 het leegstaande en op de slopershamer wachtende pand het huis van de notaris. Het vormde voor ons voor korte tijd een verboden en dus woest aantrekkelijk spookhuis annex adolescentenlustoord. Vorige generaties spraken van het huis van de dokter. Het huis heette officieel Hermana State, maar voor 1906 heette het Zorgvlied. Het stond een tiental meters naar achteren op het terrein aan de Dorpsstraat waarop nu het voormalige gebouw van de  ABN/AMRO-bank staat.

1 juni 2022

Twisk Engel, smid – levensverhaal (Jaarboek 38 2015 pg 59-66)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 38, pagina 59

In gesprek met Engel Twisk

Engel Twisk op zijn praatstoel.
Engel Twisk op zijn praatstoel.

Ik heb het aambeeld van De Salamander nog in mijn werkplaats gehad …

Engel Twisk werd op 19 januari 1925 in Bakkum geboren en vierde dit jaar zijn 90e verjaardag. Hij kijkt terug op zijn leven en dat van zijn ouders en grootouders. Vader Floris startte rond 1918 met een smederij op de hoek van de Bakkummerstraat en de Vinkebaan. Engel wilde net als zijn vader smid worden. Geen ander beroep sprak hem zo aan.

Zijn eerste opleiding kreeg hij op de Ambachtsschool in Alkmaar. Het was een zware slag toen in 1943 de woning en de werkplaats in opdracht van de Duitsers werden gesloopt, net als honderden andere panden. In 1948 kon vader Floris in zijn oude buurtje een nieuwe woning met smederij in gebruik nemen.

Intussen was Engel zelf als dienstplichtige naar Nederlands-Indië vertrokken. In oktober 1949 kwam hij terug op het troepentransportschip Kota Inten en pakte zijn geliefde vak weer op. Nu is de voormalige smederij zijn woning. Daar hoopt hij met steun van de kinderen tot zijn laatste dag te blijven.

De oude smederij heeft Engel in 1983 grotendeels eigenhandig verbouwd tot woning.
De oude smederij heeft Engel in 1983 grotendeels eigenhandig verbouwd tot woning.

Engel Twisk is een geboren verteller en bovendien beschikt hij over een goed geheugen. Het leven van zijn ouders en grootouders staat hem nog helder voor de geest; alleen mogen we hem af en toe een beetje helpen met jaartallen. Hij woont sinds 1983 comfortabel in de vroegere smederij, die hij bijna eigenhandig heeft verbouwd. Zijn stoel staat op de plaats waar ooit een aambeeld stond. Voor het raam het model van een oude molen, uiteraard gemaakt van metaal. Klaas Molenaar van de vroegere Wastora heeft hem willen kopen: “Zeg maar wat je er voor wilt hebben.”

Engel had al meer molens gemaakt en hij had er geen zin in om dat nog eens te doen. Voor geld is niet alles te koop. Molenaar had er begrip voor.

We maken eerst kennis met de familie Twisk.
“Mijn grootvader Willem Twisk en grootmoeder Catharina Haaker hadden een kleermakerij, zoals verschillende generaties voor hem. Eerst in Heiloo en later in Velsen. In 1899 gingen ze in de Burgemeester Mooijstraat wonen en daarna verhuisden ze naar de Alkmaarderstraatweg 24, tegenwoordig Dorpsstraat 128, tegenover de rooms-katholieke kerk. Zijn zoons Jaap en Jan waren ook kleermakers. De oudste zoon was mijn vader Floris, die smid is geworden. Hij trouwde met Catharina Zonneveld.

Zelf ben ik in 1952 getrouwd met Ank Buur uit Akersloot. Zij is in 2000 overleden. Omdat er geen huis was te krijgen, woonden we eerst op de verdieping van het nieuwe huis van mijn ouders. In 1956 verhuisden we naar de Breedeweg en in 1966 ruilden mijn vader en ik weer van woning en nam ik de smederij over.


Jaarboek 38, pagina 60

Het gezin van kleermaker Willem Twisk. Het vak werd door vier generaties uitgeoefend. Floris Twisk staande rechts op de foto werd smid en zoon Engel volgde hem op.
Het gezin van kleermaker Willem Twisk. Het vak werd door vier generaties uitgeoefend. Floris Twisk staande rechts op de foto werd smid en zoon Engel volgde hem op.

De familie Twisk

In het 10e jaarboek van Oud-Castricum (1987) is de familie Twisk beschreven. Deze familie en veel aangetrouwde familieleden zijn diep geworteld in Bakkum en Castricum.

Engel Twisk stamt af van Jan Twisk die in 1766 werd genoemd als schepen van Bakkum. Zijn boerderij stond op de (zuid)hoek van de Haagscheweg-Heereweg. Floris, een zoon van Jan, had een boerderij op ‘t Noordend aan de Kooiweg.

Diens zoon Willem (1799-1863) werd kleermaker in de Oosterbuurt en zoon Floris (1840-1923) volgde zijn vader op. Hij vestigde zich op de hoek Overtoom-Schoutenbosch. Het vak werd voortgezet door zoon Willem (1868-1932) die met Catharina Haaker trouwde. De oudste zoon kreeg weer de naam Floris (1893-1974), maar die werd geen kleermaker maar smid en Engel trad in zijn voetsporen.

De Salamander die bij laag water nog altijd te zien is.
De Salamander die bij laag water nog altijd te zien is.

De Salamander

De grootvader van mijn moederskant was Engel Zonneveld (1865-1937). Hij was schelpenvisser, tuinder en van 1917 tot zijn dood ook strandvonder. Met zijn vrouw Grietje Limmen (1864-1945) woonde hij op de duinboerderij Van Lennepsoord. Het was een heel ‘slachtige’ vent hoor. Slachtig betekent handig. Hij maakte zelf schelpenkarren voor die jongens van hem. Hij kocht een tweedehands onderstel en de rest maakte hij van juttershout.

In 1910 strandde De Salamander. Het was een kanonneerboot en een ramschip, 46 meter lang en 10 meter breed, gebouwd in Bremen rond 1880. Het was één bonk ijzer en na iedere storm zakte het weer een halve meter dieper in het zand. Hij zou naar Hendrik-Ido-Ambacht gesleept worden voor de sloop.

De runners kwamen bij mijn grootvader in huis. Die mannen waren daar een tijdje in de kost. Ze kregen in de gaten dat ze het schip niet konden bergen en tenslotte gaven ze het op. De baas vroeg mijn grootvader hoeveel kostgeld hij kreeg. In plaats daarvan kwamen ze overeen dat hij voor een rijksdaalder het wrak mocht overnemen. Bewijzen heb ik er nooit van gezien. Zo ging het vroeger niet, maar Engel Zonneveld werd dus de nieuwe eigenaar.

Het aambeeld van de Salamander heb ik nog in mijn werkplaats gehad. Het schip had een kanon dat 180 graden kon draaien. Twee torpedokamers zijn er later ingebouwd. Het was natuurlijk een schip met een stoommachine. Ik ben er zelf nooit op geweest, maar heb er genoeg over horen vertellen.

De boeg van het schip was 20 centimeter dik. De Duitse keizer heeft dat ding laten bouwen. Het was er een van een serie. Later bleek het een mislukking te wezen. Het was de bedoeling om met die schepen op de Duitse wadden te patrouilleren en bij eb te gaan liggen. Als er vijandelijke schepen vanuit de Oostzee de wadden opvoeren, dan konden ze er snel naar toe varen en dan ramden ze die of schoten er torpedo’s op af.

De smederij van Jan Hoebe

Opa Zonneveld woonde in het duin, tot zijn land door de waterwinning zo verdroogde, dat er niets meer te telen viel. Toen kocht hij van Bertus Hageman aan de Heereweg 18 een boerderijtje. Er stond een grote kapberg achter. De achterkant was helemaal open en die kant heeft hij dicht gemaakt met planken van het strand. Al die rotzooi uit het duin vandaan heeft hij daar naar toe gesleept. Hij heeft nog een tijdje geschulpt, maar kreeg maagkanker en overleed op 12 juni 1937. In die oude schuur heeft mijn vader in de oorlog nog een smederij gehad. Er was geen smidsvuur, maar hij maakte er wel kachels en zo.

Vader is in 1893 in Heiloo geboren. Als 11-jarige jongen werkte hij al bij Bertus Stuifbergen, die een boter en kaaszaak had op de hoek van de Ruiterweg en de Mient.


Jaarboek 38, pagina 61

De vrouw van Stuifbergen was een Van den Berg uit Egmond aan Zee. Door de aanleg van het Noordzeekanaal werd IJmuiden belangrijk als vissershaven en de Egmonders trokken daar naar toe. Bertus had een wagen met een ket (red: klein paard) waar mijn vader in IJmuiden de bestellingen mee rondbracht. Bertus liet zijn paard beslaan in Heemskerk bij smederij Eeltink. Mijn vader stond er altijd bij te kijken. Het smidsvak trok hem erg aan. Bij die smid kreeg hij toen zijn eerste opleiding. Later werkte hij in Bakkum bij de smederij van Jan Hoebe.

Bij een verbouwing van de broodfabriek moesten er gaten in stalen balken geboord werden. Hoebe had alleen een handboor en het duurde heel lang voordat zo’n boor door de balk heen was. Bertus de Groot in IJmuiden had moderner gereedschap. Mijn vader ging daar een spiraalboor lenen.

Bertus stelde hem voor: “Je ken wel bij main komme werken.” Vader zei: “Ik werk nog bij Jan Hoebe. Ik kan niet zo maar weglopen.” Hij praatte er wel over met ouwe Jan Hoebe. Die vond het eigenlijk wel een goed idee dat hij eens een paar maanden bij Bertus ging werken om ervaring op te doen. Dat heb ie gedaan en daarna is hij weer terug gegaan naar Bakkum.

Meester-hoefsmid

Mijn vader was klein van stuk. In het keuringsrapport voor het leger staat 1 meter 60. Hij moest in 1913 opkomen en had bij de marine gewild als stoker. Dat is hem niet gelukt. De Eerste Wereldoorlog brak uit en in Den Helder werd de Kustwacht ingesteld. Daar heeft hij zes jaar gezeten. Daarvoor was hij nog een tijdje bewaker op het interneringskamp in Bergen.

Floris Twisk met kleinzoon Floris op weg naar de kermis in Bakkum. Achter hem loopt Engel.
Floris Twisk met kleinzoon Floris op weg naar de kermis in Bakkum. Achter hem loopt Engel.

Er was veel geouwehoer en geteut onder de soldaten en mijn vader ging liever aan het werk. Om wat te doen te hebben onderhield hij in Den Helder de kanonnen. Er was een kapitein die Sijpestein heette. Die zag mijn vader daar altijd scharrelen. Mijn vader vertelde hem dat hij graag hoefsmid wilde worden, maar dat hij daarvoor een cursus moest volgen die op zaterdagochtend in Haarlem werd gegeven. De kapitein heeft hem toen toestemming gegeven om op vrijdagavond naar huis te gaan, zodat hij op zaterdag die cursus kon volgen. Dan ging hij ‘s ochtends eerst naar paardenslager Jan Huiberts op de Vinkebaan voor een paar afgezaagde poten en die gingen achterop de fiets mee naar Haarlem voor de cursus. Daar kregen ze les. Een hoef is een ingewikkeld mechanisme hoor. Er zitten veel zenuwen in zo’n hoef. Door die dikke rand er omheen moeten zo’n zes hoefnagels geslagen worden. Aan die hoefnagels zit een smal kantje, waardoor die automatisch naar buiten lopen. Ze hadden in Haarlem graag dat hij een rijkserkend diploma zou halen. Toen volgde hij in Utrecht de opleiding meester-hoefsmid en slaagde met lof. Die rijkserkenning bestaat tegenwoordig niet meer. Nu kan iedereen zich hoefsmid noemen.

Wagenmakerij en smederij

Na zijn diensttijd ging mijn vader weer aan het werk bij Jan Hoebe. Rond 1920 was de Bakkummerstraat nog steeds niet meer dan een paardenpadje. Alleen in het midden was er bestrating. Toen hij naar huis fietste, kwam hij hier op de hoek Jan de Groot tegen. Die had zijn smederij in de Schoolstraat verkocht aan Dorus de Groot (een broer van Kees de Groot van de kalkovens). Jan was ‘een man van het veld’, dat betekende dat zijn vader niet bekend was. Hij droeg de achternaam van zijn moeder. Ze liepen samen op naar het dorp. “Wil je geen smederij beginnen?”, vroeg hij. “Daar heb ik geen centen voor,” zei mijn vader, maar Jan zag wel een oplossing.

Wat ben je laat,” zei z’n moeder toen hij thuis kwam. Ze woonden toen al in de Burgemeester Mooijstraat. Hij vertelde dat hij met Jan de Groot was meegelopen en dat ze het over een smederij hadden gehad. Voor mij niet te betalen, maar hij had gezegd dat het wel goed zat. Mijn moeder trok de stoute schoenen aan en zei: “Wij gaan vanavond naar hem toe.” Diezelfde avond werden ze het al eens.

Timmerman Jan Vlaar uit de Noord had op de hoek van de Bakkummerstraat en de Vinkebaan een werkplaats. Hij was met een dochter van Jan getrouwd. Bij de verkoop van de smederij in de Schoolstraat was overeen gekomen dat hij geen smederij meer mocht beginnen. Een wagenhandel of een wagenmakerij kon natuurlijk wel. Daarvoor werd aan de werkplaats van Vlaar een stuk aangebouwd. Bertus Nootebos nam het later van hem over.

Via Jan de Groot is mijn vader dus aan de Vinkebaan terechtgekomen. De wagenmakerij werd steeds meer een


Jaarboek 38, pagina 62

smederij. Een wagenmaker en een smid hadden elkaar toch nodig. Om de wielen van een schelpenkar moest bijvoorbeeld een ijzeren band worden gelegd en ook bij andere onderdelen kwam de smid er aan te pas. Ik kan me nog goed herinneren dat er boven het smidsvuur een enorme blaasbalg zat.

De in de Tweede Wereldoorlog gesloopte wagenmakerij annex smederij op de hoek
van de Vinkebaan en de Bakkummerstraat.
De in de Tweede Wereldoorlog gesloopte wagenmakerij annex smederij op de hoek
van de Vinkebaan en de Bakkummerstraat. V.l.n.r.: Bertus Nootebos, Jan Vlaar en echtgenote.

Vakman

Rond de tijd dat mijn vader in 1921 met Catharina Zonneveld trouwde, heeft hij samen met zijn buurvrouw Geessie Kaag een dubbel woonhuis Bakkummerstraat 1 en 3 laten bouwen. Ze had met haar inmiddels overleden man een melkzaak gehad in Amsterdam. Nu woonde ze hier aan het Duinpad. Geessie Kaag begon op Bakkummerstraat 3 een kruidenierszaakje en mijn vader had behalve de smederij ook een winkeltje waar hij fietsen, onderdelen van kachels en potten en pannen verkocht. Ik ben in 1925 op het adres Bakkummerstraat 1 geboren. Ik heb twee broers, een oudere broer Willem (1922) en een jongere broer Theo (1929).

Engel Twisk voor het bord met orthopedische hoefijzers die zijn vader Floris heeft gemaakt.
Engel Twisk voor het bord met orthopedische hoefijzers die zijn vader Floris heeft gemaakt.

Ik heb nog een heel stel hoefijzers die mijn vader gemaakt heeft. Het zijn allemaal orthopedische hoefijzers. Die waren bijvoorbeeld voor een paard met een doorgezakte hoef. Je moest als hoefsmid heel goed op de hoogte zijn van de stand en de gang van de paarden. De paarden werden bij de smederij ‘warm’ beslagen. Tegenwoordig hebben de hoefsmeden verschillende maten hoefijzers in voorraad, zodat zij ‘koud’ kunnen beslaan. Mijn vader kon heel goed smeden. Voor mij zijn die hoefijzers echte kunstwerkjes!

Toen ik in de jaren (negentien) zestig de smederij overnam, hadden we nog maar elf klanten met een paard. Ik herinner me nog Karel, het prachtige paard van Gerrit Veldt, dat een schitterende draf had. Als er een paard moest worden beslagen, ging dat altijd voor en werd het andere werk direct stil gelegd. Op een gegeven moment zijn we er mee gestopt.

De smeden van Castricum, Peperkamp, De Groot, Hoebe en ook smeden uit Akersloot en Limmen, kochten gezamenlijk in. Zo af en toe hadden ze vergadering bij ons thuis en daar werd heel wat afgelachen, maar intussen was de onderlinge concurrentie groot. Bij offertes gingen ze rustig een paar centen onder de prijs van een collega zitten, als ze die aan de weet kwamen.

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog kwam er een vertegenwoordiger van een grote gereedschapsfabriek uit Duitsland naar mijn vader. Hij verkocht gereedschapsstaal. Voor een schoffel of een bijl smeedde je twee stukken ijzer aan elkaar en een stuk staal er tussen. Die werktuigen hoefde je zowat nooit te scherpen. Als je ging hakken, vooral in ijs, dan sleet het ijzer weg, maar het staal bleef intact.
Mijn vader zou de rekening van dat gereedschapsstaal betalen, maar die vertegenwoordiger had op de rekening overal een nul achter gezet. Had je 6 kilogram, dan werd het 60 kilogam. We kregen veel te veel. Het werd een moeilijke kwestie. Mijn vader betaalde niet. Toen heeft hij contact gezocht met de boekhouder van Duin en Bosch. Die woonde net over de spoorbomen aan de Beverwij-


Jaarboek 38, pagina 63

kerstraatweg. Zijn schoonzoon was kunstschilder Middelveld. Die stelde brieven op en maakte duidelijk hoe de vork in de steel stak. Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit en heeft hij er niets meer van gehoord.

Op winterdag werd het soms om drie uur al donker en dan zei hij: “Maak het vuur maar an.” Dan ging hij bakken. Een ijzeren ton werd op het vuur gezet en daar werden de oude hoefijzers in gegooid. Hij smeedde er nieuwe hoefijzers van of gereedschap. Het fascineerde me dat je van oud materiaal nieuwe dingen kon maken.
Het eerste wat ik van mijn vader leerde, was het maken van Hollandse klinkstellen of deurbeslag. Had ik er een gemaakt, zei hij: “Het rooit erop, maak er nog maar eens ien.” Zo heb ik er heel wat gemaakt. Ik vond het een heel interessant vak. Het bestond uit drie onderdelen: grof, hoef- en kachelsmid.

Door de komst van de forensen in het dorp veranderde ons werk. We kregen nieuwe klanten en bovendien hadden forensen geen kachels maar haarden. Ons assortiment werd uitgebreid.

Net voor de oorlog had ik op de Ambachtsschool in Alkmaar de opleiding voor smid en bankwerker gevolgd. Toen was ik een jaar of 13. We kregen in de oorlogsjaren aanvullend les van een Vereniging ter bevordering van Vakonderwijs. Eerst in de school met de Bijbel en later in café De Vriendschap in de Dorpsstraat. Meneer Kaper van Duin en Bosch was zo’n beetje de hotemetoot. Werkstukken maakte je in verschillende andere smederijen. Ik heb hier nog oorkondes van prijzen die ik heb gewonnen. Mijn zoon heeft ze laten inlijsten en opgehangen.

Ik had altijd ruzie met een leermeester die bij de gemeente werkte. Ik dacht dat het Van Diepen was. Een timmerman gebruikt geen millimeters maar centimeters en ik heb dus altijd geleerd met millimeters te werken. Toen heb ik gezegd dat geen les meer van hem wilde hebben. Daarna heeft ene Groot, die bij de Technische Dienst van Duin en Bosch zat, ons les gegeven. Ik kon goed leren, maar ik had alleen belangstelling voor onderwerpen die me interesseerden en de rest zag ik als tijdverlies.

Evacuatie en sloop in de oorlog

Ik weet nog dat mijn vader ons ‘s morgens vroeg riep: “Kom je bed uit, het is oorlog.” Al na een paar weken werden er Duitsers in Bakkum ondergebracht. Op het duin hier tegenover kwam een kazemat; er werden bunkers gebouwd en de tankval werd gegraven. De eerste tijd had je nog niet veel last van de bezetting. Je kon nog in het duin komen en op het strand. Daar spoelden lijken aan die bij de dorpskerk werden begraven.

In 1943, midden in de oorlog, moesten we binnen een week evacueren. De smederij en de woningen werden gesloopt. Het was verschrikkelijk voor mijn ouders. Mijn vader is in een paar dagen grijs geworden. We kregen een evacuatie-adres in Wildervank en dat zagen we helemaal niet zitten. Eerst werden we opgevangen bij Jaap Twisk, een broer van mijn vader. Die had een kleermakerij op de hoek van de Korte Cieweg en de Dorpsstraat. Later zat Stevens daar. Tenslotte kregen mijn ouders woonruimte in Krommenie.

Ik heb eerst geprobeerd onder te duiken, maar moest toch voor de Arbeidsdienst naar Duitsland. Daar kwam ik bij een smid terecht. Ik heb nog een beetje gescharreld met zijn dochter. Sindsdien had ik meer begrip voor de contacten van Hollandse meisjes en Duitse soldaten.

Ik kreeg wel een steeds grotere hekel aan de mentaliteit daar en het gesnauw. Tenslotte ben ik teruggekomen en ondergedoken bij een tuinder in Venhuizen. Bij droppings ben ik nog door het verzet ingeschakeld. Met zaklantaarns moesten we het terrein afbakenen. Vaak lukte dat niet door de mist en het hielp niet mee dat ik ook niet lang ben. Werken op het land was niets voor mij. Ik ging terug naar Bakkum en kon bij smid Hoebe aan het werk en daar was ik ook in de kost. Ik kon heel wat ervaring opdoen, niet alleen met het beslaan van paarden, maar ook allerlei ander werk; ik was ook slotenmaker. Natuurlijk werkte ik in het hol van de leeuw, maar het voordeel was dat er in ons dorp geen razzia’s zijn gehouden en ik voelde me wel veilig. Iedereen werkte voor de Duitsers, want er moest brood op de plank komen. Ik had een vals Ausweisz en haalde eten bij de gaarkeuken tegenover het station. Als er vrijbankvlees was, werd dat door dorpsomroeper Dorus Kuijs bekend gemaakt. Onder andere in de werkplaats van Duinenbosch stonden paarden van de Duitsers. Dode paarden gingen naar de krengenslager Castricum aan de Breedeweg.

Naar Indië

Een foto van Engel en zijn verloofde Ank Buur gemaakt in 1946 kort voor zijn vertrek als dienstplichtige naar Indië.
Een foto van Engel en zijn verloofde Ank Buur gemaakt in 1946 kort voor zijn vertrek als dienstplichtige naar Indië.

In 1946 moest ik, 21 jaar oud, met de eerste lichting dienstplichtigen naar Indië en werd ingedeeld bij de ‘Zeven December Divisie’. Ik was dan wel opgeleid als


Jaarboek 38, pagina 64

smid, maar daar werd ik ingezet als automonteur en reparateur van van alles. Op een keer kreeg ik een aanvaring met een sergeant en die slingerde me op rapport. Ik moest bij de commandant komen en die begon met de vraag of ik als kwartiermaker naar Buitenzorg wilde, een plaats op West-Java waar de Gouverneur-Generaal zijn kantoor had. Nu heet het Bogor. Dat wilde ik wel. Daarmee was het gesprek afgelopen. Later zat ik nog als monteur in Soekaboemi.

Engel maakt een ritje op zijn motor in Soekaboemi op Java.
Engel maakt een ritje op zijn motor in Soekaboemi op Java.

Poncke (Jan) Princen (1925-2002), activist voor mensenrechten, lag daar op een kamer onder anderen samen met Martin Duijn, een andere Castricummer. Zo kwam ik in contact met Princen.
Poncke Princen is daar gedeserteerd. De hele groep had hem eigenlijk moeten volgen. Dan schieten de tranen in zijn ogen: “Voor mij was het een held en geen landverrader. Hij had een standbeeld verdiend. Ik heb me vaak afgevraagd wat we daar eigenlijk deden. Wij Nederlanders wilden toch ook graag bevrijd worden van de Duitsers. Ik had een hekel aan die dienstplicht. We zijn gewoon besodemieterd. Anderhalf jaar zouden we gaan, maar we hebben er drie jaar gezeten.”

Plaatsgenoten zochten elkaar op.
Plaatsgenoten zochten elkaar op. V.l.n.r. Floor Schermer, Martin Duin en Engel Twisk.

In 1949 kwam Engel met het transportschip Kota Inten terug, tegelijk met de dorpsgenoten Harm Vermeulen en Hans van Deelen. Toen was het nieuwe dubbele woonhuis, dat vader Floris samen met Nootebos had laten zetten, net klaar. Bakkummerstraat 5 en 7; achter nummer 5 kwam een timmerwerkplaats en achter nummer 7 de smederij met een travalje (red: hoefstal) voor het beslaan van paarden. Die travalje had Floris zelf gemaakt.

Loopbaan

Zwager Frans Zonneveld werkte ook bij mijn vader. Hij was een beetje invalide. Toen brak er een slechte tijd aan en het werk zakte als een pudding in mekaar. “Wat moet dat nu”, zei mijn vader. “Zal ik ome Frans naar huis sturen?” “Ik ga wel weg”, zei ik.

Ik ben toen begonnen bij Jan Spiering in Beverwijk en werd onder andere ingezet bij de Hoogovens. Het tijdelijk personeel kreeg de rottigste klussen. Toen vroeg Beijnes, de spoortreinfabriek, nieuw personeel. Ik solliciteerde en werd aangenomen met een proeftijd van drie weken. Na die drie weken, op een zaterdag, werd ik uitbetaald. Ik kreeg 1 gulden en 2 cent per uur. De anderen kregen vier cent meer. Toen ik de volgende week terugkwam, heb ik gezegd dat ik een volwaardige vakman ben en dat ik hetzelfde betaald wilde worden als de andere mensen die niet in Indië hebben gezeten. Ik kreeg mijn zin niet, leverde mijn werkkist in en ging terug naar Jan Spiering. Op het station kwam ik later de personeelschef van Beijnes tegen. Die stelde me voor om weer terug te komen. Hij zei: ”Ik zal zorgen dat je 1 gulden 6 krijgt.”

Ik ben bij Beijnes teruggekomen en kreeg volgens afspraak toch die 1 gulden en 6 cent. Door bemiddeling van prins Bernhard hebben we voor Argentinië zelfs roestvrijstalen treinen gemaakt. Voor onze begrippen heel modern.

Bij Beijnes ging het op den duur slecht en na acht jaar solliciteerde ik bij de Linoleumfabriek Forbo in Krommenie. Daar heb ik ook acht jaar gewerkt. Ze vonden me wel een goede smid in Krommenie. Ze vroegen waar ik het vak geleerd had. Bij m’n vader. “Heeft je vader een smederij?” Ik zei ja. “We hebben eigenlijk ander werk voor je, maar we willen je niet uit die ploeg vandaan halen.” Zodoende heeft mijn vader toen ook nog opdrachten van Forbo gekregen.

Logo smederij.
Logo smederij.

Jaarboek 38, pagina 65

De fabriek werkte ook voor Armstrong in Amerika. Armstrong was de grootste linoleumfabriek van de wereld. Als Armstrong een order kreeg die te klein was, dan hevelden ze die over naar Krommenie. Er moesten linoleumtegels gestanst worden. Ze kregen ze niet op de juiste maat. De baas vroeg of ik had verstand had van materialen. “Natuurlijk”, zei ik. Ook de ouderwetse maten nog, want vroeger was alles in inches. Ik moest die stans op de juiste maat brengen. Dat was een leuke klus.

De baas bood me een sigaar aan. Ik zeg: “Waar zijn die andere negen?” Hij had er een hele doos aan overgehouden. Toen heb ik op het kantoor die ene sigaar teruggegeven. Ik zei: “Dan kunnen jullie die ook op roken.” Tenslotte kreeg ik die doos sigaren toch nog.

Ik heb ook nog twee jaar bij de Hoogovens gewerkt, maar ben toen afgekeurd vanwege mijn rechterarm. Toen het weer iets beter leek te gaan met mijn arm, ben ik in de smederij in Bakkum begonnen. Daar heb ik eigenlijk weer te lang en te veel gewerkt. Het begon zo. Ik ging bij mijn vader op bezoek en toen vertrok net ouwe Cor Lute, een poelier van de Bakkummerstraat. Mijn vader vertelde: “Hij wil het hele spulletje kopen. Hij had er een redelijke prijs voor over.”
Ik zei dat ik er zelf belangstelling voor had. “Ben jij bedonderd riep mijn vader. Jij moet helemaal niet voor je eigen beginnen.”

Ik heb hem uitgelegd dat het me helemaal niet ging om een hoop werk of om rijk te worden, maar dat ik eigen baas wilde worden. Ook mijn vrouw was er eerst niet erg voor. Mijn vader kreeg er zowat de zenuwen van. Toen ben ik met die banenpijpen (rollen waar het 25 meter brede linoleum overheen liep) voor de linoleumfabriek begonnen. Daar had mijn vader ook al aan gewerkt. Het werk werd goed betaald. Beter dan in de fabriek zelf.

De in neo-gotische trant uitgevoerde smeedijzeren fontein op het Binnenhof die door Engel Twisk is gerestaureerd.
De in neo-gotische trant uitgevoerde smeedijzeren fontein op het Binnenhof die door Engel Twisk is gerestaureerd.

De fontein op het Binnenhof

Hier hangt ook een foto van de fontein op het Binnenhof. Die fontein heb ik gerenoveerd. Dat kwam zo. Op een gegeven moment kwam er een smid uit Egmond-Binnen bij me langs. Die was bezig met een kunstwerk voor Beatrix in verband met haar huwelijk in 1966. Hij was ook leraar op de ambachtsschool en had er te weinig tijd voor. Hij liet het me zien en vroeg of ik het wilde doen. Toen heb ik het afgemaakt. Het was een symbool of logo voor Beatrix. Het was goed geslaagd. Ik heb me ook altijd wel siersmid gevoeld. Hij vertelde me dat hij contact had met iemand van Monumentenzorg uit Amsterdam die veel smeedwerk uitbesteedde. Die man vroeg of ik iets voor hem wilde maken. “Dan weet ik wat u kan.”

Toen hebben we een segment van een hekkie gemaakt. Nadat hij het had bekeken zei hij: ”Ik wou dat ik je eerder gekend had. Iemand heeft het hek van ons gebouw gerestaureerd, maar ik vond het niet zo kunstig als wat jij hebt gemaakt.”

Zo kwam het dat ik opdracht kreeg om de fontein, die op het Binnenhof had gestaan, te herstellen. Die fontein was helemaal verrot en verroest en die hadden ze gesloopt. De restanten lagen in een boerderij bij de Egmondse abdij. Er was ook een kolom bij van gietijzer en die kieperden ze zo van de wagen, waardoor die kolom brak. Hij dateert uit 1883, de tijd van Koning Willem III. Het ontwerp is van de beroemde architect Pierre Cuypers en gemaakt ter nagedachtenis aan Willem II (1227-1256) koning van het Rooms-Duitse rijk die bij Hoogwoud door de West-Friezen is vermoord.
De vele onderdelen van de fontein waren wel gemerkt, maar niet erg zorgvuldig, dus dat heb ik opnieuw moeten doen.

Ik heb nog gezegd dat ze alles moesten laten galvaniseren. Maar wat was het geval? Dat ding was gemaakt van puddelijzer en daar zit vaak veel koolstof in. Dat smeedde vroeger veel makkelijker en het laste veel beter. Om het te galvaniseren moet ijzer in het zoutzuur gelegd worden om te ontroesten. Die koolstof lost allemaal op en dan kijk je er dwars doorheen. Dat vonden ze te rigoureus.


Jaarboek 38, pagina 66

Bij een fabriek in Purmerend is het metaal gecoat, maar dat was geen afdoende oplossing. De fontein is later nog wel een paar keer onder handen genomen.”

Terugblik

“Ik had voor de Forbo wel naar Zweden of Zuid-Afrika kunnen gaan. Overal hadden ze fabrieken, maar daar liet ik me niet heen sturen. Ik wou helemaal niet naar het buitenland. In Bakkum was ik thuis. Mijn vrouw en ik waren aan dit gebied gehecht.

Toen ik dat nog kon, ging ik hier altijd naar de kerk. Ik heb nog steeds sympathie voor het katholiek geloof, maar het instituut ging me tegenstaan. Dat de huidige paus kritisch is op de kardinalen en de bisschoppen vind ik hoopgevend, maar ik hou vast aan mijn eigen manier van geloven. Ik heb in mijn leven geleerd dat iedereen er recht op heeft om zichzelf te zijn.”

Niek Kaan

Weergave van gesprekken met Engel Twisk in het jaar 2014

Op het graf van het echtpaar Twisk staat een prachtig door Engel zelf gesmeed kruis.
Op het graf van het echtpaar Twisk staat een prachtig door Engel zelf gesmeed kruis.

Naschrift:

Na een ziekbed van enkele maanden overleed Engel Twisk op 5 april 2015. Zoals hij wilde, is hij gestorven in zijn tot woning omgebouwde smederij aan de Bakkummerstraat. ‘Onze verhalenverteller is uitgesproken …’ staat er boven zijn overlijdensbericht. Inderdaad, wat kon hij geweldig vertellen met oog voor de kleinste details. Vaak kwam in zijn verhalen zijn gevoel voor recht en onrecht naar voren en de stempel die zijn diensttijd in Indonesië op zijn leven heeft gedrukt.
Pastor Bertus Stuifbergen, die de uitvaart leidde, roemde zijn wijze, filosofische inslag. Ze hadden elkaar wel aangevoeld. De overgrootvader van de pastor woonde op de boerderij de Papenberg en de pastor kon het niet laten om op te merken dat het graf van Engel en zijn echtgenote gelokaliseerd kan worden op het bijbehorende ‘Kippenlandje’, nu deel van de begraafplaats Onderlangs.

Engel zou het prachtig hebben gevonden. Hij was sterk verbonden met het dorp dat hij voor geen goud wilde verlaten.

30 mei 2022

Oud-Castricum presenteert ‘Castricum in Beelden’

De openingshandeling van ‘Castricum in Beelden’. Foto Hans Boot

Hans Boot, een van onze vrijwilligers, schreef voor De Castricummer van 25 mei 2022, onderstaand artikel. We schreven daar zelf al eender een kort bericht over, het artikel van Hans Boot geeft daar een prachtige aanvullling op. Daarom plaatsten we zijn artikel hieronder op onze site.

Castricum – Vorig jaar legde Oud-Castricum veertien kunstbeelden in het dorp vast op film. Daar werd een vervolg aan gegeven door nog eens drieëntwintig beelden van een filmisch commentaar te voorzien. Afgelopen donderdag werd het project geopend door wethouder De Haan en Corrie Stam-Zwart.