28 juni 2022

Gemeentebestuur 1812 – 1919, 1e deel (Jaarboek 31 008 pg 3-18)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 31, pagina 3

Het gemeentebestuur van Castricum tussen twee fusies:

de fusie met Bakkum in 1812 en de fusie met Limmen en Akersloot in 2002 (1e deel)

Inleiding

In het jaar 1812 zijn de gemeenten Bakkum en Castricum samengevoegd. In 2002 volgt de fusie met de gemeenten Akersloot en Limmen. In de tussenliggende periode van bijna 200 jaar zijn er allerlei ontwikkelingen geweest in het bestuur van de gemeente Castricum. Dit artikel neemt u mee vanaf de beginsituatie met een schout, 5 raadsleden en zonder politieke partijen naar de situatie van eind 2001 met een burgemeester, 19 raadsleden en 6 politieke patiijen. Het atiikel verschijnt in meerdere delen; dit eerste deel behandelt de periode 1812 tot 1919, het jaar dat de nieuwe Kieswet in werking treedt. De overige delen verschijnen in de hierna volgende jaarboeken.

De geschiedenis van het gemeentebestuur wordt behandeld in een aantal afgebakende perioden:

  • de voorgeschiedenis tot 1812
  • de periode van 5 raadszetels tot het in werking treden van het Reglement op het Bestuur ten Platten lande in 1825
  • de periode van 6 raadszetels tot in 1851 de nieuwe Gemeentewet van Thorbecke van kracht wordt
  •  en vervolgens de periode van 7 raadszetels die bijna 70 jaar duurt tot de nieuwe Kieswet van 1919.

Door deze wet verandert er veel: iedere volwassen burger moet elke vier jaar stemmen voor een nieuwe gemeenteraad; de verkiezingen zijn gekoppeld aan kieslijsten en politieke partijen.

Van elke periode worden in dit artikel de namen en de zittingsperiode van de raadsleden vermeld en de namen van de raadsleden die tot wethouder zijn benoemd. Van de in die periode functionerende burgemeester(s) en de belangrijkste ontwikkelingen in het dorp wordt een korte beschrijving gegeven. Het artikel wordt afgesloten met een alfabetische lijst van alle leden van de gemeenteraad in de periode 1812-1919 met een korte persoonsbeschrijving.

Voorgeschiedenis tot 1812

Het dorpsbestuur in de 18e eeuw wordt gevormd door een schout met vijf schepenen. Voor de verkiezing van het dorpsbestuur wordt ieder jaar door de schout een nominatie opgemaakt; daarop volgen de benoemingen door de ambachtsheer voor de periode van één jaar en wel van Pasen tot Pasen. De ambachtsheer had een zekere regeermacht over een banne of dorp. Deze macht of heerlijke rechten waren door aankoop verworven en gingen door vererving over op volgende generaties. Zo’n banne of dorp werd een (ambachts)heerlijkheid genoemd.

Bakkum en Castricum zijn twee afzonderlijke dorpen met elk een eigen bestuur. De grens tussen beide dorpen ligt ter hoogte van de huidige Zeeweg en de Schulpvaart naar Limmen. Door de aankoop in 1749 van de ambachtsheerlijkheid Bakkum door Nicolaas Geelvinck, de ambachtsheer van Castricum, hebben beide dorpen dezelfde ambachtsheer, die vervolgens ook in beide dorpen dezelfde schout heeft aangesteld: tot 1778 Leonard Tempelaar en daarna mr. Joachim Nuhout van der Veen.

Joachim Nuhout van der Veen
Joachim Nuhout van der Veen

In 1787 bestaat het dorpsbestuur van Castricum uit de schout mr. Joachim Nuhout van der Veen en de schepenen: Jacob Drost, Pieter Duijneveld, Cornelis Stet, Cornelis van den Dam en Jan Brakenhoff.
In datzelfde jaar bestaat het dorpsbestuur van Bakkum uit diezelfde schout en de schepenen: Jan Twisk, Gerrit Kuijs, Klaas Duijn, Jan van Bruijnswaard en Simon Duinmaijer.

De stichting van de Bataafse Republiek in 1795 brengt een radicale ommekeer in het staatsbestel, gebaseerd op de beginselen van de Franse Revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Regenten worden afgezet en vervangen door representanten van de burgerij. Schout en schepenen van Castricum roepen op 9 februari 1795 alle stemgerechtigde burgers van Castricum bijeen in de kerk om een nieuw dorpsbestuur samen te stellen. Voor het eerst in de geschiedenis worden verkiezingen gehouden. In totaal 110 mannen van 20 jaar of ouder zijn aanwezig en reageren enthousiast op de redevoering van de Castricumse schout Joachim Nuhout van der Veen: “Ziet daar dan eindelijk de zon der vrijheid met een schitterende glans doorbroken en het Neerlands volk uyt den afgrond gered.” Deze woorden uit de redevoering van de schout staan op de sokkel van


Jaarboek 31, pagina 4

het monument ter herdenking van de Slag bij Castricum bij het gemeentehuis.
Joachim Nuhout van der Veen is een fervent voorstander van de nieuwe beginselen en geniet landelijke bekendheid.

De representanten van het volk maken die dag plaats voor een gekozen municipaliteit, die de functie heeft van de huidige gemeenteraad. In feite verandert er weinig op het platteland. Wel wordt vanaf die tijd geprobeerd een scheiding tussen bestuur, wetgeving en rechtspraak aan te brengen. Ambachtsheerlijkheden worden zelfstandige gemeenten die hun eigen bestuur kiezen.

In 1802 wordt op verzoek van het Departementaal bestuur van Holland een plaatselijke commissie van drie personen ingesteld om een ontwerp te maken voor de inrichting van het gemeentebestuur. Gerrit Brasser, Cornelis van den Dam en Jan Pietersz Kuijs worden in deze commissie benoemd: zij mogen in het raadhuis vergaderen en dienen binnen 6 weken met het ontwerp gereed te zijn. Op 21 oktober 1802 is het zover en kunnen de stemgerechtigde burgers zich de daaraanvolgende week hierover uitspreken. Het reglement, dat een jaar later door het Departementaal Bestuur van Holland wordt goedgekeurd, bestaat uit 22 artikelen waarvan de belangrijkste zijn:

  • het gemeentebestuur bestaat uit 3 burgers, die stemgerechtigd moeten zijn, minstens 25 jaar oud zijn en tenminste twee jaar in Castricum hebben gewoond;
  • elk jaar treedt op 1 mei één lid af, die weer herkiesbaar is;
  • het gemeentebestuur kiest uit zijn midden een president, die ieder half jaar door een andere wordt vervangen.

Om de scheiding van rechtspraak en burgerlijk bestuur daadwerkelijk gestalte te geven, wordt ook een reglement opgesteld voor de Civiele Rechtbank te Castricum. Volgens dit reglement, opgesteld in 1804 en goedgekeurd door het departementaal bestuur, bestaat de rechtbank uit de schout en vijf schepenen, waaronder de drie leden van het gemeentebestuur.

Tussen 1795 en 1810 is Nederland in een aantal fasen bij het Franse rijk ingelijfd. Het verschil tussen stad en platteland wordt opgeheven en voor het eerst wordt de term ‘gemeente’ ingevoerd.
Bij Keizerlijk Decreet van 9 juli 1810 is de volledige inlijving van Nederland een feit. Het geannexeerde gebied wordt vanaf 1 januari 1811 verdeeld in 7 departementen, elk onderverdeeld in arrondissementen en die weer in kantons en gemeenten. Het departement van de Zuiderzee omvat globaal het grondgebied van de huidige provincies Noord-Holland en Utrecht. Dit departement wordt onderverdeeld in de arrondissementen Amsterdam, Hoorn, Utrecht en Amersfoort. Castricum en Bakkum vallen onder het arrondissement Hoorn.
In de praktijk blijken de arrondissementen Amsterdam en Hoorn te groot te zijn. Het Keizerlijk Decreet van 21 oktober 1811 regelt daarom de splitsing van het arrondissement Amsterdam in dat van Amsterdam en Haarlem en het arrondissement van Hoorn in dat van Hoorn en Alkmaar. Daarmee vallen vanaf die datum Castricum en Bakkum onder het arrondissement Alkmaar.

In de archieven van het arrondissement Hoorn zijn lijsten bewaard gebleven van de processen-verbaal betreffende maires (burgemeesters), adjoints (wethouders) en municipale raden (raadsleden) in de gemeenten (in het arrondissement Hoorn), die op 19 juli 1811 worden geïnstalleerd en beëdigd.
Voor de gemeente Castricum: maire Jan Glorie, adjoint Albert Maartensz. Knaap, municipale raden Wouter de Bie, Fulps Ranke, Gerrit Brasser, Evert Asjes en Pieter Schavemaker.
Voor de gemeente Bakkum: maire Jan van Bruijnswaard, adjoint Arie Admiraal, municipale raden Simon Duijnmaijer, Willem Brakenhoff, Pieter Gerritsz. Kuijs, Jacob Stuifbergen en Albert Dirksz. Knaap.

Voor Bakkum wordt Jan van Bruijnswaard benoemd tot burgemeester, een post die hij om allerlei redenen beslist niet ambieert. Hij smeekt het bestuur van het arrondissement om van deze post te worden ontheven. Zijn brief van 16 juli 1811 is hieronder letterlijk weergegeven.

Brief van De Provisionele Maire van Baccum (J. van Bruijnswaard) aan Den Heer onder Prefekt van het Arrondissement Hoorn in het Departement van de Zuiderzee.

Mijn Heer de Onderprefekt
Nooit vervoegde zich voorzeker iemand met meer regt tot UwelED. Gestr. om van den Post, welken hij bekleede, ontslagen te worden, dan ik; althans wanneer een zeventig jarige ouderdom, vergezeld van die gebreken welke daar aan zeer dikwijls eigen zijn en bijzonder het gemis van eene der voornaamste zintuigen het gehoor, voor voldoende redenen tot ontslag mogen gerekend worden.
Daarbij en dit blijde ik welmeenend, beken ik gaarn dat ik geene der vereischten bezit, welke tot dien Post worden gevorderd en evenwel zoo hoog nodig zijn. Mijne Jaren eisschen zoveel mogelijk rust en ik gevoel geenen schijn van eerzucht tot een Ambt, waar toe jeugdige krachten, kunde, en bekwaamheid boven alles onontbeerlijk zijn. Van mijne jeugd af was mijn beroep de Duinmaijerij, zeer verre verwijderd van de politieke loopbaan waarin men mij nu geplaatst heeft, terwijl mijne krachten afneemen, mijne vermogens afgesleeten zijn en mijn lichaam ten grave neigt.
Behoef ik mijn Heer de OnderPrefekt hier wel iets meer bij te voegen? Ja eene zaak moet ik nog aanvoeren onder zoo veelen welke ik zoude kunnen bijbrengen en deze is dat ik de Fransche Taal niet verstaa en dus de wetten niet leezen, veel min verstaan kan, waardoor ik niets dan onheil stigten zoude voor de Ingezetenen, welker geluk ik zoude moeten bevorderen. Dit alles, vertrouw ik, zal genoeg zijn om UwelED.Gestr. te verzoeken, ja te smeeken om mijn ontslag te helpen bewerken.
Zoo dit niet gebeurde moet ik om mijnen korten leeftijd met een vrij geweeten te eindigen, ronduit


Jaarboek 31, pagina 5

verklaren dat ik mij onverantwoordelijke houde voor de gevolgen, welke ten nadele der Burgerij uit mijn onwillig verkeerd gedrag en handelwijze noodwendig moeten en zullen ontstaan en waarvan ik de straffen mij zoude op den hals halen.
Ik vertrouw dat mijn verzoek, welke dat is van eenen afgeleefden grijsaart, niet zonder gewenschte uitwerking blijven zal en in die verwachting heb ik de eer met verschuldigde hoogachting te zijn.

Mijn Heer de Onder Prefekt

UwelEd.Gestr. onderdanigen en gehoorzamen Dienaar
J. v. Bruijnswaard

Aan zijn verzoek is geen gehoor gegeven. Nog op 18 oktober in datzelfde jaar overlijdt Jan van Bruijnswaard.

Samenvoeging van Castricum in 1812

Bij Keizerlijk Decreet van 21 oktober 1811 wordt bepaald dat met ingang van l januari 1812 Castricum en Bakkum zullen worden samengevoegd. Als burgemeester is benoemd mr. Jacob Nuhout van der Veen, de 32-jarige zoon van de afgetreden schout van Castricum en Bakkum mr. Joachim Nuhout van der Veen.

De samenvoeging van Bakkum (110 inwoners) en Castricum (520 inwoners) is een onderdeel van een gemeentelijke herindeling in de Franse tijd die veel meer gemeentes treft. In onze regio worden per dezelfde datum de volgende gemeenten samengevoegd: Wimmenum (68 inwoners) bij Bergen (628), Limmen (442) bij Heiloo (480), Groet (149) bij Schoorl (564) en Veenhuizen (175) en Oterleek (444) bij Heerhugowaard (659).

Op 5 januari 1812 wordt de nieuwe gemeenteraad op het raadhuis van Castricum geïnstalleerd, bestaande uit de volgende raadsleden: Arie Admiraal, Simon Duinmaijer, Albert

Kaartje van de beide gemeenten zoals is ingetekend op de gemeentekaart uit 1867. De lila lijn geeft ongeveer het verloop weer van de grens tussen de afzonderlijke gemeenten Bakkum en Castricum.
Kaartje van de beide gemeenten zoals is ingetekend op de gemeentekaart uit 1867. De lila lijn geeft ongeveer het verloop weer van de grens tussen de afzonderlijke gemeenten Bakkum en Castricum.

Jaarboek 31, pagina 6

Knaap, Wouter de Bie, Fulps Ranke, Gerrit Brasser, Evert Asjes, Pieter Schavemaker en Willem Brakenhoff. Van hen wonen Arie Admiraal, Simon Duinmaijer en Willem Brakenhoff in Bakkum en de overigen in Castricum.
Arie Admiraal wordt ‘adjoinct du maire’ (wethouder) en de overigen worden raadsleden. Het gemeentebestuur bestaat naast de burgemeester uit een wethouder (Arie Admiraal) en tien raadsleden. Naast de acht geïnstalleerde leden zijn er ook twee vacatures. De benoeming betreft namelijk ook Jan van Bruijnswaard, die inmiddels is overleden en Jan Glorie die zijn benoeming vanwege zijn slechte gezichtsvermogen en hoge ouderdom niet heeft aanvaard.

Burgemeester Jacob Nuhout van der Veen doet op 7 maart 1812 in een brief aan de onder-prefect een dringend verzoek om te worden ontslagen, omdat het hem onmogelijk is gebleken om het burgemeestersambt te combineren met dat van notaris (in Alkmaar). Voorlopig blijft hij echter in functie.
Per 1 januari 181 3 zijn drie kandidaten voor de post van burgemeester genomineerd:

  1. Pieter Kieft, tabaksverkoper, geboren in 1783, 29 jaar, woont in Castricum, gehuwd, 3 kinderen, ontvanger der indirecte belastingen, persoonlijk bezit 300 gulden, omschreven als man met verstand, fatsoen en goede wil;
  2. Arie Admiraal, adjoint, geboren in 1760, 52 jaar, woont in Bakkum, gehuwd, 5 kinderen, landbouwer, persoonlijk bezit 300 gulden, omschreven als man met beperkte capaciteiten voor zijn functie;
  3. Simon Duinmaijer, raadslid, geboren in 1762, 50 jaar, woont in Bakkum, gehuwd, 6 kinderen, landbouwer, persoonlijk bezit 400 gulden, geschikt voor de functie.

Op 6 januari 1813 leggen Pieter Kieft als burgemeester van Castricum en Arie Admiraal als ‘adjoint du maire’ de eed af en worden geïnstalleerd op het raadhuis te Castricum in het bijzijn van de afgetreden burgemeester Jacob Nuhout van der Veen; beide heren waren op 25 december 1812 door de prefect van het departement benoemd.
Pieter Kieft neemt in zijn nieuwe functie al op 13 februari 1813 contact op met de onderprefect over de twee vacatures in de gemeenteraad. Als kandidaten worden voorgesteld: Cornelis van den Dam, geboren 8 oktober 1750 en Cornelis Schrama, geboren 1 maart 1746; beiden zijn weduwnaar, hebben geen kinderen en zijn veehouder met een jaarinkomen van 5.000 gulden.

Na het einde van de Franse overheersing, waardoor de Nederlandse onafhankelijkheid wordt hersteld, maken de grondwetten van 1814 en 1815 weer onderscheid tussen stedelijke en plattelandsgemeenten. De gemeentelijke samenvoegingen worden bij Koninklijk Besluit van 13 december 1815 weer ongedaan gemaakt. Dat geldt echter niet voor Bakkum en Castricum, die al vele tientallen jaren dezelfde ambachtsheer en schout hadden gekend en in zeker opzicht al samen optrokken. Bovendien was er in Bakkum geen burgemeester beschikbaar. Onze gemeente ging in 1817 ‘Castricum en Bakkum’ heten.

Ook worden na de Franse overheersing de rechten van de ambachtsheer ten dele hersteld, waarbij de benoeming van raadsleden mede geschiedt op voordracht van de ambachtsheer.
Gesproken wordt enerzijds van steden, anderzijds van heerlijkheden, districten en dorpen. De organisatie van het bestuur ten plattelande wordt vastgelegd in een reglement van 1815. Krachtens dit reglement keert de schout terug; hij is tevens secretaris en ontvanger en wordt bijgestaan door een raad. In de gemeente ‘Castricum en Bakkum’ bestaat de raad uit vijf leden, waaruit twee assessoren (wethouders) worden gekozen. De raadsleden worden voor drie jaar benoemd; zij worden bij voorkeur gekozen uit de ‘vroedste en gegoedste’ ingezetenen. Een raadslid moet minstens vier jaar in de gemeente hebben gewoond, minstens 50 gulden aan belasting betalen en voor het overige voldoen aan de eisen van een stemgerechtigde burger. Om stemgerechtigd te zijn moet een burger minstens een jaar in de gemeente hebben gewoond, minstens 12 gulden aan belasting betalen, zelfstandig zijn en niet met justitie in aanraking zijn geweest.
De stemming ter vervulling van de opengevallen plaatsen geschiedt jaarlijks in de maand september via gesloten briefjes, die namens de schout aan huis worden bezorgd en opgehaald. In 1812 zijn er van de 630 inwoners 156 stemgerechtigd. In 1817 is de grens voor de burger om stemgerechtigd te kunnen zijn verhoogd naar 30 gulden, waardoor er nog maar 23 personen daarvoor in aanmerking komen.

Samenstelling van het gemeentebestuur volgens een opgave van 9 juli 1812:

maire:
Jacob Nuhout van der Veen, beroep notaris, oud 33 jaren, woonplaats Alkmaar

adjunct:
Arie Admiraal, beroep landbouwer, oud 52 jaren, woonplaats Bakkum

municipale raden:
Simon Duinmaijer, beroep landbouwer, oud 50 jaren, woonplaats Bakkum
Albert Maartensz Knaap, beroep landbouwer, oud 48 jaren, woonplaats Castricum
Wouter de Bie, beroep schilder, oud 42 jaren, woonplaats Castricum
Fulps Ranke, beroep metselaar, oud 40 jaren, woonplaats Castricum
Gerrit Brasser, beroep landbouwer, oud 57 jaren, woonplaats Castricum
Evert Asjes, beroep landbouwer, oud 55 jaren, woonplaats Castricum
Pieter Schavemaker, beroep bakker, oud 40 jaren, woonplaats Castricum
Willem Brakenhoff, beroep landbouwer, oud 56 jaren, woonplaats Bakkum


Jaarboek 31, pagina 7

De installatie van een nieuw gemeentebestuur op 1 mei 1817

De schout wordt benoemd door de Koning en de raadsleden door de Provinciale Staten, beiden op voordracht van de ambachtsheer. Het eerste gemeentebestuur dat volgens de nieuwe wetten is samengesteld, wordt voor elke gemeente in de provincie Noord-Holland omstreeks 1 mei 1817 geïnstalleerd. Direct hieraan voorafgaand heeft de schout en secretaris der ‘Gemeente Castricum en Bakkum’, Pieter Kieft, op 23 april 1817 de eed afgelegd ten overstaan van de heer Staatsraad Gouverneur van onze provincie. (Tegenwoordig spreken we van Commissaris van de Koningin.) Bovendien hebben Gedeputeerde Staten eerder bij hun besluit van 3 april de leden van de raad benoemd, te weten: Gerrit Brasser en Simon Duinmaijer als assessoren en Evert Asjes, Cornelis Schrama en Floris Twisk als raadsleden.

Op de bewuste dag, 1 mei, wordt op het gemeentehuis van Castricum om 10 uur ’s morgens voor de schout Pieter Kieft het oude bestuur ontbonden, treedt het nieuwe bestuur aan en wordt door de schout de eed voorgelezen, luidende: “Ik zweer dat ik den mij opgedragen post van lid der Gemeenteraad van de gemeente Castricum, met alle getrouwheid zal vervullen; dat ik mij van alle pligten mij in die betrekking opgelegd, eerlijk en opregtelijk zal kwijten, overeenkomstig de Grondwet, de algemeene landswetten, als mede met hetgeen bij het reglement van bestuur van het platteland van Holland is voorgeschreven.”
Vervolgens wordt de eed door elk raadslid afzonderlijk bevestigd met de woorden: “Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!”
Door de schout is van deze installatie een proces verbaal opgemaakt dat door de schout, de assessoren en de overige raadsleden is ondertekend.

Volgens het nu geldende reglement worden de raadsleden tekens voor drie jaar benoemd; elk jaar treedt op 2 december een derde af. Bij loting is de volgorde van aftreden bepaald. Per 2 december 1817 zijn dat Gerrit Brasser en Cornelis Schrama; op diezelfde dag in 1818 zijn dat Floris Twisk en Evert Asjes en in 1819 is Simon Duijnmaijer aan de beurt.

De raadsperiode van mei 1817 tot december 1825 (5 raadszetels)

Samenstelling gemeenteraad:

Schout:
Kieft, P. gedurende de periode van 1-5-1817 tot  1-12-1825

Raadsleden:
Brasser, G. zetel a, gedurende periode van 1-5-1817 tot 2-12-1820
Tromp. G., zetel a, gedurende periode van 2-12-1820 tot 1-12-1825
Duinmaijer, S. zetel b, gedurende periode van 1-5-1817 tot 3-12-1822
Twisk, F. zetel b, gedurende periode van 3-12-1822 tot 1-12-1825
Asjes, E. zetel c, gedurende periode van 1-5-1817 tot 1-12-1825
Schrama C. zetel d, gedurende periode van 1-5-1817 tot 2-12-1820
Brakenhoff, J. zetel d, gedurende periode van 2-12-1820 tot 1-12-1825
Twisk, F. zetel e, gedurende periode van 1-5-1817 tot 6-12-1821
Ranke, F. zetel e, gedurende periode van 6-12-1821 tot 1-12-1825

Toelichting tabel:
De kleine letters a t/m e geven de zetels aan van de vijf raadsleden. Als een raadslid wordt vervangen, geldt voor zijn opvolger dezelfde letter. De begin- en einddatum vermelden de periode van genoemd raadslid binnen de behandelde raadsperiode.

Assessoren:
Uit hun midden werden elk jaar van de vijf raadsleden er twee tot assessor gekozen. Assessoren waren in deze periode achtereenvolgens Gerrit Brasser (3,5 jaar), Simon Duinmaijer (3,5 jaar), Jan Brakenhoff (5 jaar), Evert Asjes (1 jaar) en Gerrit Tromp (4 jaar).

Ontwikkelingen in deze raadsperiode:
Bij een opgave in 1812 heeft Bakkum 110 en Castricum 520 inwoners. Bij de volkstelling van 1830 is het totaal aantal inwoners toegenomen tot 791. In 1812 waren er 41 schelpenvissers, 21 veehouders en 21 dagloners. Pieter Kieft is als onderwijzer in 1813 opgevolgd door Antonie van Rozenhagen. Het onderwijs wordt gegeven in een afgescheiden gedeelte in de oude dorpskerk. Vanwege herhaalde dronkenschap wordt Van Rozenhagen ontslagen. Vanaf 1825 is Cornelis Schut de schoolmeester van Castricum. Predikant van de Nederlands hervormde kerk is al sinds 1791 Ernst Willem Fabritius, een zwager van de vroegere schout Joachim Nuhout van der Veen.
In deze periode is 88 procent van de Castricumse bevolking rooms-katholiek en de overige 12 procent protestant. De rooms-katholieken gaan ter kerke in de schuilkerk aan de Breedeweg. In 1817 wordt Bernardus Piepers benoemd tot pastoor in Castricum. Hij zorgt ervoor dat het schuilkerkje nog eens grondig wordt vernieuwd en onder de druk van het stijgend aantal gelovigen vergroot. Een beschrijving uit 1826 over het interieur van de schuilkerk meldt circa 150 plaatsen. In 1824 wordt pastoor Piepers opgevolgd door Gijsbertus Ruijgrok van de Werve.


Jaarboek 31, pagina 8

Titelblad van het Reglement op het Bestuur ten Platten lande van 1825.
Titelblad van het Reglement op het Bestuur ten Platten lande van 1825.

Het Reglement op het Bestuur ten Platten Lande van 1825

Jaarlijks moeten de namen van de kandidaten worden voorgelegd aan de ambachtsheer. Na diens goedkeuring worden de raadsleden benoemd door Gedeputeerde Staten. Vanuit de nieuwe samenstelling worden dan vervolgens uit hun midden de assessoren (wethouders) gekozen. Vanwege de omslachtige werkwijze wordt de korte raadsperiode dan ook aangepast bij het in werking treden van een nieuw ‘Reglement op het Bestuur ten Platten Lande in de Provincie Holland’ in 1825. De raadsleden worden in het vervolg voor zes jaar benoemd en elke twee jaar treedt op 2 januari eenderde af. De aftredende raadsleden zijn in principe weer herkiesbaar.
In dit nieuwe reglement is de eeuwenoude titel van schout afgeschaft en vervangen door die van burgemeester, die voor een termijn van zes jaar door de koning wordt benoemd. Na 1825 bestaat de gemeenteraad van Castricum uit een burgemeester, 2 assessoren en 4 raadsleden.

Om raadslid te kunnen zijn moet je Nederlands staatsburger en minimaal 23 jaar oud zijn, in de desbetreffende gemeente wonen, geen familierelatie hebben met een van de overige leden van de raad en zoveel belasting betalen als ook vereist wordt om te mogen stemmen voor de Provinciale Staten. Een inwoner moet een flink inkomen genieten om tot raadslid te kunnen worden gekozen. In Castricum betekent dit in de 19e eeuw dat vooral de ‘rijke’ veehouders lid van de gemeenteraad zijn.

De raadsperiode van december 1825 tot september 1851 (6 raadszetels)

Burgemeesters:
Kieft, P. gedurende de periode van 1-12-1825 tot 22-1-1836
Quack, J. de gedurende de periode van 20-1-1837 tot 10-9-1851

Raadsleden:
Tromp, G. zetel a, gedurende de periode van 1-12-1825 tot 3-7-1832 (overleden)
Melker, W. zetel a, gedurende de periode van 18-7-1832 tot 2-1-1836
Schotvanger, P. zetel a, gedurende de periode van 2-1-1836 tot 10-9-1851
Twisk, F. zetel b, gedurende de periode van 1-12-1825 tot 10-9-1851
Asjes, E. zetel c, gedurende de periode van 1-12-1825 tot 15-3-1 827 (overleden)
Bruijnswaard, K. zetel c, gedurende de periode van 14-6-1827 tot 10-9-1851
van Brakenhoff, J. zetel d, gedurende de periode van 1-12-1825 tot 2-1-1828
Schermer, C. zetel d, gedurende de periode van 2-1-1828 tot 2-1-1828
Louter, J. zetel d, gedurende de periode van 2-1-1834 tot 10-9-1851
Ranke, F. zetel e, gedurende de periode van 1-12-1825 tot 1-5-1835 (overleden)
Stet, K. zetel e, gedurende de periode van 17-6-1835 tot 10-9-1851
Muijs, P. zetel f, gedurende de periode van 1-12-1825 tot 11-6-1841 (overleden)
Asjes, A. zetel f, gedurende de periode van 22-9-1841 tot 10-9-1851

Bij hun aantreden in 1825 waren vier raadsleden veehouder van beroep, één raadslid was naast veehouder ook koopman in schelpen (Gerrit Tromp) en één raadslid (Fulps Ranke) was aannemer. De gemiddelde leeftijd van de raadsleden in 1825 was 57 jaar.

Assessoren:
Elke twee jaar worden van de zes raadsleden er twee tot assessor (wethouder) gekozen. Assessoren waren in deze periode achtereenvolgens Gerrit Tromp (6,5 jaar), Jan Brakenhoff (2 jaar), Pieter Muijs (15,5 jaar), Willem Melker (3,5 jaar), Pieter Schotvanger (1,5 jaar) en Klaas Stet (10 jaar).


Jaarboek 31, pagina 9

Ontwikkelingen in deze raadsperiode
De meest ingrijpende gebeurtenis in deze raadsperiode is de gevangenneming en veroordeling van burgemeester Pieter Kieft, die naast burgemeester ook ontvanger is van diverse belastingen. In deze functie heeft hij fraude gepleegd en wordt hiervoor in 1836 tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Men kan zich voorstellen dat dit enorm veel tumult heeft gegeven bij de plaatselijke bevolking. Verschillende grondbezitters hebben gedurende een reeks van jaren te veel belasting betaald, die Pieter Kieft niet heeft afgedragen aan de betreffende instanties, maar in eigen zak heeft gestoken. In deze rechtszaken hebben niet alleen de toen in functie zijnde assessoren P. Schotvanger en P. Muijs, de raadsleden Jan Louter en Klaas Stet en afgetreden assessor Willem Melker verklaringen afgelegd en zijn zij ondervraagd, maar heeft ook een aantal grondbezitters hun aanslagen in de bijdrage aan de St. Aagtendijk, de Hondsbossche en de Uitwaterende Sluizen moeten overleggen.

Jan de Quack, burgemeester van Castricum van 1837 tot 1852.
Jan de Quack, burgemeester van Castricum van 1837 tot 1852.

Het vertrek van Pieter Kieft zal in Castricum met de nodige opluchting gepaard zijn gegaan. Met de komst op 6 februari 1837 van zijn opvolger Jan de Quack breekt een stabiele periode aan. Jan de Quack is een veelzijdig persoon. Hij geniet landelijke bekendheid als toneelschrijver en dichter, is al sinds 1828 burgemeester van Beverwijk en neemt bovendien op 67-jarige leeftijd in 1837 het ambt van burgemeester en secretaris van Castricum op zijn schouders. Hij heeft toestemming om in Beverwijk te blijven wonen. Kenmerkend voor deze raadsperiode is de grote armoede die in het dorp heerst; de armenkas is nagenoeg leeg en ook met de gemeentelijke financiën is het slecht gesteld. Deze situatie is mede veroorzaakt door de grote schuld die de vorige burgemeester heeft achtergelaten. Dit heeft ook gevolgen voor het onderwijs. Er zijn heel veel klachten van de ouders over het slechte onderwijs dat door meester Schut wordt gegeven. Schut is de enige leerkracht voor meer dan 100 kinderen. De school is nog steeds ondergebracht in een afgescheiden gedeelte van de oude dorpskerk. Er is geen geld voor een ondermeester.

In de periode 1830 tot 1835 is een groot project in het duingebied in uitvoering, dat diende om uitgestrekte duinvalleien voor landbouw en veeteelt geschikt te maken. Dit bracht gedurende die periode werk voor vele tientallen grondwerkers.
Ernst Willem Fabritius wordt in 1828 opgevolgd als dominee van de Ned. Hervormde Kerk door Coert D. Canne, die in 1846 wordt opgevolgd door Pieter A. van der Laan. Pastoor Gijsbertus Ruijgrok van de Werve wordt na zijn overlijden in 1849 opgevolgd door Henricus Meeuwsen.

De nieuwe gemeentewet van 1851

Bij de grondwetsherziening van 1848 zijn de heerlijke rechten tot voordracht van een lid van het gemeentebestuur afgeschaft. Ook wordt het verschil in bestuur tussen stad en platteland opgeheven; grote en kleine gemeenten krijgen voortaan gelijke rechten en plichten. Een en ander heeft tot gevolg dat er een nieuwe gemeentewet moet komen. Het ontwerp van de gemeentewet van 1851 is van de staatsman Thorbecke; zijn naam is hieraan onverbrekelijk verbonden.

Thorbecke, groot staatsman en ontwerper van de nieuwe gemeentewet van 1851.
Thorbecke, groot staatsman en ontwerper van de nieuwe gemeentewet van 1851.

Thorbecke (1798-1872) is de meest geslaagde staatkundige hervormer uit de Nederlandse geschiedenis. Onder zijn ministeries kwamen belangrijke wetten tot stand: de Kieswet en de Provinciale wet, beide van 1850, en het jaar daarop de Gemeentewet. De laatste twee vormen tot op heden het fiundament van de bestuurlijke indeling van Nederland. Daarna volgden de wetten tot aanleg van het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg, en de wet op het Middelbaar Onderwijs.

In alle gemeenten wordt de raad het hoofd van de gemeente; de gemeenteraad is de baas over het eigen gemeentelijke beleid. Hij maakt uit aan welke zaken geld wordt besteed (budgetrecht), bepaalt de gemeentelijke regels waaraan alle burgers zich te houden hebben (verordeningen) en neemt alle besluiten die voor het reilen en zeilen van de gemeente van belang zijn (beschikkingen).

De gemeenteraad wordt voortaan rechtstreeks door de ingezetenen gekozen. Stemrecht hebben alleen mannen van


Jaarboek 31, pagina 10

minimaal 23 jaar en alleen zij die een bepaald bedrag aan belasting betalen. Dit minimum bedrag (census) is in de grondwet vastgelegd en bedraagt 20 gulden, in die tijd een groot bedrag. Het zogenoemde censuskiesrecht heeft tot gevolg dat slechts weinig mensen aan de verkiezingen mogen deelnemen (circa 11 procent van de mannen).

Volgens de nieuwe wet wordt de burgemeester door de Koning(in) benoemd voor een periode van zes jaar. Vóór de aanvaarding van zijn ambt legt de burgemeester de eed af in handen van de Commissaris van de Koning(in), die hem vervolgens beëdigt. Dan volgt gewoonlijk een plechtige installatie in de raadsvergadering, die speciaal voor dat doel is belegd.

Assessoren worden voortaan wethouders genoemd en door de raad uit hun midden gekozen; gemeenten met minder dan 2.000 inwoners, zoals Castricum, krijgen zeven raadsleden, die voor een periode van zes jaar worden gekozen. Elke twee jaar treedt eenderde af.

Geloofsbrieven

Bij opvolging worden de geloofsbrieven van een nieuw gekozen raadslid beoordeeld door een commissie van drie leden uit de gemeenteraad, die hierover in de raadsvergadering verslag uitbrengt. De geloofsbrieven omvatten het bewijs van Nederlanderschap en van meerderjarigheid, een verklaring dat hij minstens een jaar in de gemeente heeft gewoond, dat hij geen openbare betrekkingen bekleedt en er geen familierelatie bestaat van hem of zijn echtgenote in de eerste of tweede graad met de burgemeester of met een van de andere raadsleden. Veelal is dit een formaliteit en zal de raad vervolgens de geloofsbrieven goedkeuren en besluiten om het gekozen (benoemde) raadslid in de gemeenteraad op te nemen. Het desbetreffende raadslid wordt dan voor de eerstvolgende gemeenteraadsvergadering uitgenodigd om de eed af te leggen en te worden geïnstalleerd.

In 1851 worden nieuwe gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Daarbij worden Klaas van Bruijnswaard en Floris Twisk, resp. 72 en 75 jaar, niet meer herkozen. Ook burgemeester De Quack wordt – ondanks een klemmend beroep door de gemeenteraad op de Commissaris des Konings tot voortzetting van zijn ambt – vanwege zijn hoge leeftijd van 82 jaar op 13 mei 1852 eervol ontslagen.

Plan in 1851 voor de samenvoeging van Limmen met Castricum

Minister Thorbecke heeft ter voorbereiding van de invoering van de nieuwe gemeentewet in 1851 de wenselijkheid geuit om deze invoering ‘hand aan hand te doen gaan met eene vereeniging van kleine gemeenten tot grootere’. Een door Gedeputeerde Staten (GS) uit hun midden benoemde commissie bracht reeds op 21-5-1851 een voorlopig rapport uit. Naar de mening van de commissie komen een aantal gemeenten voor samenvoeging in aanmerking. In onze regio zijn dat:

  • Egmond-Binnen met Wimmenum
  • Heerhugowaard met Veenhuizen
  • Oudorp met Oterleek
  • Limmen met Castricum
  • Uitgeest met Heemskerk

Een bepaling in de nieuwe gemeentewet maakt het onmogelijk dat gemeenten blijven voortbestaan met minder dan 25 kiezers voor de benoeming van leden van de gemeenteraad. Dit is vervolgens aanleiding om de samenvoegingsplannen te beperken tot gemeenten met minder dan 25 kiezers. In dit nieuwe voorstel gelden in onze regio nog slechts de volgende samenvoegingen: in 1854 Veenhuizen (12 kiezers) bij Heerhugowaard en in 1857 Wimmenum (6 kiezers) bij Egmond-Binnen.

De raadsperiode van september 1851 tot september 1919 (7 raadszetels)

Gedurende deze zeer lange raadsperiode van 68 jaar blijft de grootte van de gemeenteraad gelijk. Pas in 1919 gaat er veel veranderen door een nieuw kiesstelsel. Het onderstaande overzicht geeft de opeenvolgende zeven burgemeesters en de in functie zijnde raadsleden gedurende deze raadsperiode. Per ambtsperiode van elke burgemeester worden de belangrijkste ontwikkelingen in de gemeente belicht. Het aantal inwoners verviervoudigt bijna van ca. 1.100 in 1851 tot circa 4.300 in 1919.

Samenstelling gemeenteraad:

Burgemeesters:
Quack, J.de gedurende de periode van 10-9-1851 tot 13- 5-1852
Rendorp, J. gedurende de periode van 13-5-1 852 tot 1-1-1868
Zaalberg, H. gedurende de periode van 21-1-1868 tot 1-7-1869
Moens, C.H. gedurende de periode van 1-7-1869 tot 15-11-1877
Boreel van Hogelanden, J.W.G. gedurende de periode van 1-12-1877 tot 1-5-1888
Mooij, J. gedurende de periode van 5-6-1888 tot 1-6-1918
Lommen, P.H.L.J. gedurende de periode van 1-8-1918 tot 2-9-1919

Raadsleden:
Schotvanger, P.  zetel a, gedurende de periode van 10-9-1851 tot 12- 12-1858 (overleden)
Rommel, J.F. zetel a, gedurende de periode van 11-5-1859 tot 16-9-1875
Kuijs, Jb. zetel a, gedurende de periode van 16-9-1875 tot 3-6-1910


Jaarboek 31, pagina 11

(vervolg van pagina 11)
Raadsleden
:
Dijkman, Th. zetel a, gedurende de periode van 27-7-1910 tot 15-12-1912 (overleden)
Spaansen, C., zetel a, gedurende de periode van 5-3-1913 tot 2-9-1919
Brakenhoff, J. zetel b, gedurende de periode van 10-9-1851 tot 17-12-1859 (overleden)
Handgraaf, H. zetel b, gedurende de periode van 16-5-1860 tot 1-10-1863
Kuijs, Jn. Czn. zetel b, gedurende de periode van 7-10-1863 tot 4-5-1877
Apeldoorn, J. zetel b, gedurende de periode van 25-7-1877 tot 3-10-1880 (overleden)
Soll, J.A. van zetel b, gedurende de periode van 5-1-1881 tot 10-12-1891 (overleden)
Franse, H.A.F. zetel b, gedurende de periode van 31-3-1892 tot 16-8-1893
Goes, J.M. zetel b, gedurende de periode van 5-9-1893 tot 4-9-1917
Schuijt, J. zetel b, gedurende de periode van 4-9-1917 tot 2-9-1919
Schermer, C. zetel c, gedurende de periode van l 0-9-1851 tot 8-4-1868
Mooij, C. zetel c, gedurende de periode van 8-4-1868 tot 2-6-1880
Melker, W. zetel c, gedurende de periode van l l-8-1880 tot 13-10-1903 (overleden)
Duijn, P. zetel c, gedurende de periode van 21-1-1904 tot 17-7-1910 (overleden)
Twisk, P. zetel c, gedurende de periode van 16-11-1910 tot 2-9-1919
Louter, J. zetel d, gedurende de periode van 10-9-1851 tot  31-7-1866
Glorie, F. zetel d, gedurende de periode van 8-8-1866 tot 1-9-1891
Spaansen, C. zetel d, gedurende de periode van 1-9-1891 tot 7-9-1908
Valkering, P.J. zetel d, gedurende de periode van 7-9-1909 tot 2-9-1919
Stet, K. zetel e, gedurende de periode van 10-9-1851 tot 11-7-1860
Brakenhoff, G. zetel e, gedurende de periode van 11-7-1860 tot 14-9-1861 (overleden)
Schotvanger, J. zetel e, gedurende de periode van 15-1-1862 tot 16-8-1878 (overleden)
Brakenhoff, J. zetel e, gedurende de periode van 7-11-1878 tot 16-10-1882
Louter, S. zetel e, gedurende de periode van 20-12-1882 tot 3-9-1895
Asjes, A. zetel e, gedurende de periode van 3-9-1895 tot 3-9-1901
Hogenstijn, J.J. zetel e, gedurende de periode van 3- 9-1901 tot 21- 3-1912 (overleden)
Slop, G. zetel e, gedurende de periode van 12-7-1912 tot 2-9-1913
Louter, G. zetel e, gedurende de periode van 2-9-1913 tot 2-9-1919
Asjes, A. zetel f, gedurende de periode van 10-9-1851 tot 16-12-1860 (overleden)
Slooten, T. zetel f, gedurende de periode van 20-3-1861 tot 8-4-1868
Bruijn, D. zetel f, gedurende de periode van 8-4-1868 tot 17-9-1873
Park, A. van der zetel f, gedurende de periode van 17-9-1873 tot 1-9-1891
Twisk, J. zetel f, gedurende de periode van 1-9-1891 tot 7-9- 909
Kuijs, G. zetel f, gedurende de periode van 7-9-1909 tot 2-9-1919
Rommel, J.F. zetel h, gedurende de periode van 10-9-1851 tot 2-9-1857
Kuijs, Jn. Jbzn. zetel h, gedurende de periode van 2-9-1857 tot 27-5-1862 (overleden)
Kuijs, Jn. Pzn. zetel h, gedurende de periode van 24-9-1862 tot 13-12-1884 (overleden)
Schuijt, J. zetel h, gedurende de periode van 4-2-1885 tot 4- 4-1910 (overleden)
Kuijs, P. zetel h, gedurende de periode van 27-7-1910 tot 2- 9-1919

Rouwadvertentie na het overlijden van raadslid Jacob Brakenhoff, die op 17 december 1859 is overleden: zijn vele kinderen en kleinkinderen hebben hem niet afgehouden van het raadslidmaatschap.
Rouwadvertentie na het overlijden van raadslid Jacob Brakenhoff, die op 17 december 1859 is overleden: zijn vele kinderen en kleinkinderen hebben hem niet afgehouden van het raadslidmaatschap.

Bij hun aantreden in 1851 waren 5 raadsleden veehouder van beroep, 1 raadslid was naast veehouder ook broodbakker (C. Schermer) en 1 raadslid (J.F. Rommel) was logementhouder van De Rustende Jager.
De gemiddelde leeftijd van de zeven raadsleden in 1851 was 54 jaar.

Wethouders:
Ook in deze periode zijn twee wethouders in functie. Er is nog geen sprake van een verdeling van portefeuilles. Het college houdt zich met alle voorkomende zaken bezig. Wethouders waren in deze periode achtereenvolgens Pieter Schotvanger (7 jaar), Klaas Stet (8,5  jaar), Cornelis Schermer (9 jaar), Jan Kuijs Jbzn. (2 jaar), Jan Schotvanger (13 jaar), Cornelis Mooij (9 jaar), Johannes F. Rommel (6 jaar), Adrianus van der Park ( 11 jaar), Jacob Brakenhoff (2 jaar), Jacob Kuijs (22,5 jaar), Wulbert Melker ( 13 jaar), Joseph M. Goes (14 jaar), Cornelis Spaansen (7 jaar) en Petrus J. Valkering (10 jaar).

Ontwikkelingen in deze raadsperiode (68 jaar)
Burgemeester Jan de Quack wordt in 1852 opgevolgd door de 56-jarige jonkheer Jacob Rendorp.
Rendorp is eigenaar van de kastelen Assumburg en


Jaarboek 31, pagina 12

Marquette in Heemskerk, is ambachtsheer van de gemeenten Heemskerk en Wijk aan Zee en Duin en vanaf 1850 ook burgemeester van Heemskerk. Hij woont op kasteel Marquette. Jacob Rendorp was goed op de hoogte van de plaatselijke situatie. Hij was door koning Willem 1 in 1829 samen met Gevers van Endegeest en Van Lennep benoemd in een commissie ter uitvoering van het grote ontginningsproject op Castricums grondgebied.
Met de bouw van een school naast het raadhuis en de komst van een tweede onderwijzer in 1853 wordt de kwaliteit van het onderwijs aanzienlijk verbeterd. Omstreeks 1862 wordt een Algemeen Armenhuis ingericht en op 1 mei 1867 wordt de spoorlijn Alkmaar-Haarlem geopend. De spoorlijn krijgt een station in Castricum, dat voor de ontwikkeling van onze gemeente van onschatbare betekenis is geweest.
De schuilkerk aan de Breedeweg wordt in 1858 gesloopt. In datzelfde jaar is een nieuwe rooms-katholieke kerk aan de Alkmaarderstraatweg gebouwd.

Jacob Rendorp, burgemeester van Castricum van 1852 tot 1868.
Jacob Rendorp, burgemeester van Castricum van 1852 tot 1868.
Hermanus Zaalbetg, burgemeester van Castricum in 1868 en 1869.
Hermanus Zaalberg, burgemeester van Castricum in 1868 en 1869.

Op zijn verzoek krijgt Jacob Rendorp per 1 januari 1868 ontslag als burgemeester van Castricum en Heemskerk en wordt in beide functies opgevolgd door de 55-jarige Hermanus Zaalberg, zoon van een Leidse dekenfabrikant, tot 1854 mededirecteur van de dekenfabriek en tot 1868 koopman en grossier in manufacturen te Leiden. De ambtsperiode in Castricum heeft kort geduurd. Zijn voortvarendheid en beslistheid waarmee hij bepaalde zaken, die naar zijn idee scheef gegroeid waren, recht wil zetten, brengt hem weldra in conflictsituaties, die hem uiteindelijk tot aftreden zullen dwingen. Diverse verwikkelingen rond de inrichting van het stationsplein en de afsluiting van de toegangswegen naar het station vormen de aanleiding van de raad om het vertrouwen in de burgemeester op te zeggen. Op de geplande raadsvergadering van 19 mei 1869 komt geen enkel raadslid opdagen. Ook op de nieuw uitgeschreven vergadering, een dag later, verschijnt niemand. Bij de derde poging op 24 mei is alleen wethouder J. Schotvanger aanwezig en als toehoorder de Commissaris van de Koning. Deze onhoudbare toestand leidt uiteindelijk tot het ontslag van de burgemeester per 1 juli 1869. In zijn afscheidsbrief aan de raadsleden wenst Hermanus Zaalberg zijn opvolger een beter toekomst toe. Verder schrijft hij: “Moge meerdere eerbied voor de wetten en eene hoogere achting voor het Hoofd der Gemeente U voortaan bezielen, dan eerst zult gij U Mijneheeren! over uw gehouden gedrag jegens mij vernederen.
Dan eerst zult gij de belangen van de Gemeente beter behartigen, dan gij tot hiertoe deed. Ik veroordeel U niet – God oordeele tusschen U en mij. Hij behoedde verder de Gemeente van Castricum, die ik reeds lief had gekregen en die betere Raadsleden waardig is.”
Zaalberg blijft tot zijn overlijden in 1884 wel burgemeester van Heemskerk.

Het oude raadhuis van Castricum, gebouwd in 1869; rechts hiervan staat de in 1854 geopende openbare lagere school.
Het oude raadhuis van Castricum, gebouwd in 1869; rechts hiervan staat de in 1854 geopende openbare lagere school.
Carel Hendrik Moens, burgemeester van Castricum van 1869 tot 1877.
Carel Hendrik Moens, burgemeester van Castricum van 1869 tot 1877.

Per 1 juli 1869 is de 23-jarige Carel Hendrik Moens benoemd als opvolger van Zaalberg. Moens is geboren in Kampen, is kandidaat-notaris, op dat moment nog ongehuwd en woont in Brummen (Gelderland). Hij neemt zijn intrek bij hoofdonderwijzer Franciscus Ludewig en gaat na zijn huwelijk in mei 1870


Jaarboek 31, pagina 13

in Beverwijk wonen. Op 15 november 1877 wordt hij op zijn verzoek ontslagen en wordt hij notaris in Beverwijk. Dit beroep oefent hij gedurende 41 jaar uit naast zijn wethouderschap voor deze gemeente. Een plein en een straat zijn in Beverwijk naar hem genoemd.

Jacob Boreel van Hogelanden, burgemeester van Castricum van 1877 tot 1888.
Jacob Boreel van Hogelanden, burgemeester van Castricum van 1877 tot 1888.

Op 1 december 1877 wordt Moens als burgemeester van Castricum opgevolgd door de 25-jarige jonkheer Jacob Willem Gustaaf Boreel van Hogelanden, die werd geboren op het landgoed Waterland te Velsen, rechten studeerde in Leiden en enige tijd werkte als attaché in Londen. Enkele maanden na zijn ambtsaanvaarding trouwt hij op 14 maart 1878 te ‘s-Gravenhage met barones Maria Cornelia Schimmelpenninck van der Oye. Jacob heeft van de minister van Binnenlandse Zaken toestemming om gedurende ruim twee maanden een buitenlandse huwelijksreis te maken. Na zijn terugkeer wordt hij op 11 juni 1878 in Castricum feestelijk binnengehaald: straten en huizen zijn versierd en er staan erepoorten op de Rijksstraatweg. Jacob Boreel heeft toestemming om te wonen op zijn landgoed Meervliet te Velsen. Wel moet hij voor de burgers van Castricum op elke woensdag in Castricum te spreken zijn.
In 1884 wordt Jacob Boreel ook benoemd tot burgemeester van Heemskerk. Om zich volledig te kunnen wijden aan zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer krijgt hij op l mei 1888 op eigen verzoek ontslag als burgemeester van Castricum en Heemskerk.

De periode van de burgemeesters Zaalberg, Moens en Boreel van Hogelanden kenmerkt zich als een betrekkelijk rustige periode in de Castricumse geschiedenis. Het aantal inwoners schommelt tussen 1.375 en 1.715. Er zijn


Jaarboek 31, pagina 14

geen bijzondere bouwwerken verrezen, wegen aangelegd of andere nu nog aanwijsbare elementen uit die periode bewaard gebleven. Alleen de Openbare School wordt met 3 lokalen uitgebreid. De financiële toestand van de gemeente blijft onveranderd slecht.

Johannes Mooij, burgemeester van Castricum van 1888 tot 1918.
Johannes Mooij, burgemeester van Castricum van 1888 tot 1918.

Johannes Mooij wordt op 21 juni 1888 geïnstalleerd als opvolger van Jacob Boreel en is tot nu toe de enige burgemeester die in Castricum geboren en getogen is. Johannes was een zoon van veehouder en wethouder Cornelis Mooij en Antje Schermer, ging op kostschool in Bodegraven en naar het seminarie Hageveld in Voorhout. In 1878 trouwde hij met boerendochter Neeltje Kuijs; ook haar vader, Jan Kuijs, zat tot zijn overlijden in 1862 in de gemeenteraad. Voor zijn benoeming tot burgemeester en gemeentesecretaris was Johannes Mooij bloemkweker, landbouwer en gemeenteontvanger. Hij is 30 jaar burgemeester van Castricum en daarmee degene die dit ambt hier het langst heeft bekleed.

Belangrijke ontwikkelingen in Castricum tijdens zijn ambtsperiode zijn de bouw van zuivelfabriek ‘De Holland‘ aan de Breedeweg ( 1905), van de Gemeentelijke Gasfabriek aan de Oude Haarlemmerweg (1914) en de bouw en ingebruikname van Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch (1909). De komst van Duin en Bosch gaf een enorme impuls aan de plaatselijke gemeenschap.
In de periode van 1906 tot 1916 steeg het aantal inwoners van 2.285 tot 3.993: een toename met 75 procent. Rond 1911 werd een nieuw raadhuis, een nieuwe rooms-katholieke Pancratiuskerk en een nieuw hotel-restaurant ‘De Rustende Jager‘ gebouwd. Ook kwamen er in 1915 twee tuinbouwveilingen.

Op zijn verzoek wordt Johannes Mooij per 1 juni 1918 ontslagen en op 1 augustus daaraanvolgend door burgemeester Lommen opgevolgd.

Burgemeester Mooij op zijn werkkamer in het raadhuis.
Burgemeester Mooij op zijn werkkamer in het raadhuis.

De nieuwe Kieswet van 1919

Het in de 19e eeuw geldende censuskiesrecht had tot gevolg dat het aantal kiesgerechtigden relatief gering was: alleen mannen die een goed inkomen hadden mochten stemmen. Slechts zeer langzaam werd het kiesrecht uitgebreid, omdat de gegoede burgers, vooral liberalen en conservatieven, de dienst uitmaakten. Zij voelden niets voor een toenemende invloed van de arbeidersbeweging op het bestuur. Ook vanuit religieuze kringen was er een beweging om het kiesrecht uit te breiden, mede om via wetgeving een einde te maken aan de ongelijkheid in de financiering van het ondetwijs. Het openbare onderwijs kreeg geld uit de staatskas, terwijl

De eerste foto van de gemeenteraad in het toen nog nieuwe raadhuis. Vermoedelijk genomen op 2 september 1913 bij de installatie van Gerrit Louter als raadslid, die plaats heeft aan het hoofd van de tafel, geflankeerd door veldwachter Bleijendaal. Aan de achterwand een foto van het nog jonge prinsesje Juliana en van een wapenbord van de familie Geelvinck, als ambachtsheren van Bakkum.
De eerste foto van de gemeenteraad in het toen nog nieuwe raadhuis. Vermoedelijk genomen op 2 september 1913 bij de installatie van Gerrit Louter als raadslid, die plaats heeft aan het hoofd van de tafel, geflankeerd door veldwachter Bleijendaal. Aan de achterwand een foto van het nog jonge prinsesje Juliana en van een wapenbord van de familie Geelvinck, als ambachtsheren van Bakkum. Niet alle personen op de foto zijn bekend. We herkennen uiterst links Piet Twisk en naast hem Piet Kuijs; de tweede en derde van rechts respectievelijk Piet Valkering en burgemeester Mooij.

Jaarboek 31, pagina 15

particuliere rooms-katholieke en protestants-christelijke scholen geen subsidie kregen. Uitbreiding van het kiesrecht was een belangrijke doelstelling van de in 1879 opgerichte Anti-Revolutionaire Partij (ARP), de eerste politieke partij in ons land. Ook vanuit de arbeidersbeweging, die in de l9e eeuw ten gevolge van de industrialisatie was ontstaan, was er een sterke behoefte om meer invloed te krijgen.Veel arbeiders verdienden niet genoeg om hun stem te mogen uitbrengen. In 1894 verenigden de arbeiders zich in de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) met het voornaamste doel om algemeen kiesrecht te bereiken. Grondwetwijzigingen in 1887 en 1896 hadden weliswaar de leeftijd om te mogen stemmen verhoogd naar 25 jaar, maar onder andere de financiële drempel aanzienlijk verlaagd met het gevolg dat nu aanzienlijk meer mannen mochten stemmen. In Castricum is het aantal stemgerechtigden in 1882 voor de gemeenteraad 96 (circa 6 procent van de bevolking), in 1894 zijn dat er 143 (circa 8 procent) en in 1915 is het aantal toegenomen tot 504 stemgerechtigden (circa 13 procent).

De installatie van burgemeester Lommen in 1918.
De installatie van burgemeester Lommen in 1918.
Vl.n.r.: zittend: Piet Kuijs (raadslid), Hendrikus Oostveen (gemeentesecretaris), Kees Spaansen (raadslid), mevr. Lommen (stiefmoeder van de burgemeester), burgemeester Lommen en de raadsleden Piet Valkering, Gerrit Kuijs, Gerrit Louter en Piet Twisk; staand: dominee Van Poelgeest, raadslid Joseph Goes, oudburgemeester Mooij, een familielid van burgemeester Lommen, mevr. Van Benthem, Herman van Benthem en nog een familielid van burgemeester Lommen.

Uiteindelijk bracht de nieuwe Kieswet van 1919 algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen en de plicht om te stemmen (opkomstplicht, die in 1970 weer werd afgeschaft). De nieuwe wet bracht veel veranderingen. De raadsleden worden gekozen voor een periode van vier jaar. Vóór de te houden verkiezingen worden de kandidaten van een bepaalde groep of partij op verkiezingslijsten samengebracht. In het volgende jaarboek wordt dit artikel voortgezet met de resultaten van de verkiezingen, de politieke partijen, de veranderingen in het gemeentebestuur en de belangrijkste ontwikkelingen in de gemeente na 1919.

Simon Zuurbier

Bronnen:

Archieven:

  • Regionaal Archief Alkmaar: archief gemeente Castricum 1812-1936 + Oud-Archief Castricum.
  • Noord-Hollands Archief, archief van de Arrondissementsbesturen van Amsterdam, Haarlem, Hoorn en Alkmaar 1811-1815.

Publicaties:

  • Alberts, prof. mr. dr. W.J., De geboorte en groei van de Nederlandse gemeente, Nauta Reeks 1, Alphen aan den Rijn 1966.
  • Blauw, K., Rapport der provinciale commissie ter bestudering van de gemeentelijke indeling van Noord-Holland (6 banden), Eerste deel: algemene beschouwingen, bijlage: historisch overzicht van de gemeentelijke indeling van Noord-Holland.
  • Blécourt, mr. A.S. de, De organisatie der gemeenten gedurende de jaren 1795 – 1851 , Haarlem 1903.
  • Kaan, N.A., De gemeente Castricum en haar raadhuizen, 5e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum.
  • Koeken, mr. M.J.A.Y., Van stads- en plattelandsbestuur naar gemeentebestuur, ‘s-Gravenhage 1973.
  • Overwater, A.M., Het Bestuur van Barendrecht, 18 11-2001.
  • Raadschelders, J.C.N., Plaatselijke bestuurlijke ontwikkelingen 1600-1980. Een historisch-bestuurskundig onderzoek in vier Noord-Hollandse gemeenten, Proefschrift, ‘s-Gravenhage, 1990.
  • Rombach, J.H., De rechtstreeks gekozen gemeenteraad van Alkmaar: 14 oktober 1851 – 1 oktober 1972, Alkmaars Jaarboekje, 1972, blz. 126 t/m 156.
  • Zuurbier, S.P.A., Wie was … Joachim Nuhout van der Veen, 1e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1978.

Jaarboek 31, pagina 16

Personalia leden van het gemeentebestuur van 1812 tot 1919:

Apeldoorn, Jacob, geboren Egmond-Binnen 19-1-1 827, landbouwer op Noord-Bakkum, aldaar overleden 3-10-1880, gehuwd met Trijntje Apeldoorn, zoon van Gerrit Apeldoorn en Petronella de Waard. Raadslid van 25-7-1 877 tot t 3-10-1880 (overleden).

Asjes, Albert, geboren op De Brabantse Landbouw 16- 11-1793, veehouder op de Albert’s Hoeve in de Oosterbuurt, overleden Castricum 16-12-1 860, gehuwd met Elisabeth de Bie, zoon van Evert Asjes en Codijntje !Hessing. Raadslid van 2-9-1841 tot 16-12-1860 (overleden).

Asjes, Arie, geboren Castricum 1-1-1833, veehouder op de Albert’s Hoeve in de Oosterbuurt, overleden Castricum 17-6-1921 , gehuwd met Dieuwertje Bommezij, zoon van Albert Asjes en Elisabeth de Bie. Raadslid van 3-9-1895 tot 3-9-1901.

Asjes, Evert, geboren Dalfsen (Ov) 6-6-1 757, veehouder op De Brabantse Landbouw in het duingebied en op de Albert’s Hoeve in de Oosterbuurt, overleden Castricum 15-3-1 827, gehuwd met Codijntje Hessing, zoon van Assje Berents en Jannichje Janssen. Raadslid van 5-1-1812 tot 15-3-1827 (overleden), wethouder van 2-12-1820 tot 6-12-1821.

Boreel van Hogelanden, jonkheer Jacob Willem Gustaaf, geboren Velsen 10-9-1852, burgemeester van Castricum, Heemskerk en Haarlem, lid van de Tweede Kamer en van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, woonde op het landgoed Waterland te Velsen, overleden Bloemendaal 16-7-1937, gehuwd met (1) barones Maria C. Schimmelpenninck van der Oye, (2) jvr. Cornelia M. van Weede, zoon van jhr. Willem Bareel van Hogelanden en jonkvrouwe Margaretha J.M.P. Bareel. Burgemeester van 1-12-1877 tot 1-5-1888.

Brakenhoff, Gerrit, geboren Castricum 16-9-1818, veehouder op boerderij Starrenburg aan de Bleumerweg, overleden Castricum 14-9-1861, gehuwd met Antje Stet, zoon van Jacob Brakenhoff en Antje van der Beek. Raadslid van 11-6-1860 tot 14-9-1861.

Brakenhoff, Jacob, geboren Castricum 22-12-1788, veehouder aan de Brakersweg, overleden Castricum 17-12-1859, gehuwd met (!) Antje van der Beek, (2) Neeltje Kuijs, (3) Grietje Beentjes, zoon van Jan Brakenhoff en Jannetje Molenaar. Raadslid van 10-9-1 85 1 tot 17-12-1859 (overleden).

Brakenhoff, Jacobus, geboren Alkmaar 23-7-1843, landbouwer, overleden Nijmegen 18-11-1929, gehuwd met Elisabeth Reijnders, zoon van Jacob Brakenhoff en Neeltje Stet. Raadslid van 7-11-1878 tot 16-10-1882 (wegens vertrek naar Nijmegen); wethouder van 11-8-1880 tot 16-10-1882.

Brakenhoff, Jan, gedoopt Limmen 15-2-1757, veehouder in de Oosterbuurt, overleden Castricum 30-3-1835, gehuwd met Jannetje Molenaar, zoon van Frans Brakenhoff en Jacoba van Leunen. Raadslid van 2-12-1820 tot 2-1-1828; wethouder van 2-12-1820 tot 2-1-1828.

Brasser, Gerrit, geboren Akersloot 18-1-1750, veehouder op boerderij Kronenburg, overleden Castricum 30-10-1825, gehuwd met Apollonia van Vliet, zoon van Jan Brasser en Guurtje Groot. Raadslid van 5-1-1812 tot 2-12-1820; wethouder van 1-51817 tot 2-12-1820.

Bruijn, Dirk, geboren Castricum 21-8-1805, veehouder op Bakkum, overleden Castricum 18-3-1 887, gehuwd met Trijntje van Bruijnswaarcl, zoon van Pieter Bruijn en Trijntje Leijen. Raadslid van 8-4-1868 tot 17-9-1873.

Bruijnswaard, Klaas van, geboren Castricum 6-9-1779, duinmeijer, schelpenvisser en veehouder, overleden Haarlemmermeer 19-5-1856, gehuwd met Maartje Koene, zoon van Jan van Bruijnswaard en Geertje van Velzen. Raadslid van 14-6-1 827 tot 10-9-1851.

Duinmaijer, Simon, gedoopt Castricum 8-11-1759, veehouder op Noord-Bakkum, overleden Heiloo 20-6-1827, gehuwd met (1) Aaltje Molenaar, (2) Catharina Everhout, zoon van Cornelis Duinmaijer en Maartje Groen. Raadslid van 5-1-1812 tot 3-12-1822 (in verband met vestiging in Heiloo); wethouder van 1-5-1817 tot 2-12-1820.

Duijn, Pieter, geboren Castricum 24-7-1853, veehouder aan de Heereweg, overleden Castricum 17-7-1910, gehuwd met Trijntje Stet, zoon van Willem Duijn en Willemijntje Kuijs. Raadslid van 21-1-1904 tot 17-7-1910 (overleden).

Dijkman, Theodorus, geboren Heemskerk 26-8-1863, veehouder op boerderij ‘De Groene Klaver’ in de Oosterbuurt, overleden Castricum 15-11-1912, gehuwd met Catharina Hoogewerf, zoon van Anthonius Dijkman en Agnes Groen. Raadslid van 27-7-1910 tot 15-11-1912 (overleden).

Franse, Henricus Antonius Franciscus, geboren Amsterdam 2-5-1847, landbouwer en winkelier, woonde aan de Overtoom, overleden Castricum 26-1-1917, gehuwd met (1) Henderika Scheerman, (2) Trijntje Kouwenberg, zoon van Antonius F. Franse en Carolina J. Visbeek. Raadslid van 31-3-1892 tot 16-8-1893 .

Glorie, Frans, geboren Castricum 15-7-1813, veehouder aan de Breedeweg, overleden Castricum 5-11-1891, gehuwd met Neeltje de Groot, zoon van Klaas Glorie en Antje Nanne. Raadslid van 31-7-1866 tot 1-9-1891.

Goes, Joseph Maria, geboren Amsterdam 26-4-1861, bloemkweker, lid van Prov. Staten, overleden Driebergen-Rijsenburg 27-7-1942, gehuwd met Maria Voorting, zoon van Nicolaas J. Goes en Susanna C. Diepen. Raadslid van 5-9-1893 tot 4-9-1 917; wethouder van 2-9-1902 tot 14-12-1904 en van 5-9-1905 tot 4-9-1917.

Handgraaf, Hendrik, gedoopt Velsen 26-6-1807, timmerman, woonde in de Kerkbuurt, overleden Castricum 7-10-1863, gehuwd met Catharina Traan, zoon van Harmanus Handgraaf en Leentje van Leeuwen. Raadslid van 16-5-1860 tot 23-9-1863.

Hogenstijn, Johan Jacob, geboren Castricum 19-10-185 1 veehouder op de Brakersweg, overleden Castricum 21-3-1912, gehuwd met Klaasje van den Berg, zoon van Jan Hogenstijn en Elisabeth A. Eckhart. Raadslid van 3-9-1901 tot 21-3-1912 (overleden).

Kieft, Pieter, geboren Westzaan 20-6-1782, schoolonderwijzer, schout en burgemeester, woonde aan de Dorpsstraat, wegens fraude ontslagen en veroordeeld in 1836, na 1841 kastelein in Amsterdam, aldaar overleden 3-2-1843, gehuwd met (1) Elisabeth Smit, (2) Maria H. Korte, zoon van Cornelis Kieft en Neeltje Rooij. Schout van 6-1-1813 tot 1-12-1825, Burgemeester van 1-12-1825 tot 22-1-1836 (datum in hechtenisname).

Kuijs, Gerrit, geboren Castricum 8-7-1863, landbouwer, tuinder aan de Brakersweg, overleden Castricum 15-3-1938, gehuwd met Aagje Admiraal, zoon van Pieter Kuijs en Aaltje Duijnmeijer. Raadslid van 7-9-1909 tot 1-9-1931; wethouder van 4-9-1923 tot 6-9-1927.


Jaarboek 31, pagina 17

Kuijs, Jacob, geboren Akersloot 25-4-1837, veehouder in de Oosterbuurl, overleden Castricum 15-2-1916, gehuwd met (1) Maartje Schotvanger, (2) Klaasje Terra, zoon van Pieter Kuijs en Eva Schermer. Raadslid van 16-9-1875 tot 7-7-1910 (ontslagbrief 3-6-191o); wethouder van 20-12-1882 tot 5-9-1 905.

Kuijs, Jan, geboren Akersloot 11-5-1816, veehouder in de Oosterbuurt, overleden Castricum 27-5-1862, gehuwd met (1) Trijntje Sinnige, (2) Guurtje Kuijs, zoon van Jacob Kuijs en Neeltje Dekker. Raadslid van 2-9-1857 tot 27-5-1862 (overleden); wethouder van 16-5-1860 tot 27-5-1862 (overleden).

Kuijs, Jan, geboren Castricum 21-11-1820, landbouwer en bloemkweker, woonde in de Kerkbuurt, overleden Castricum 13-12-1884, gehuwd met Aaltje Duijn, zoon van Pieter Kuijs en Maartje Bruijn. Raadslid van 24-9-1862 tot  13-12-1884 (overleden).

Kuijs, Jan, geboren Akersloot 18-2-1843, veehouder, vertrekt in 1877 naar Limmen, overleden Alkmaar 1-5-1918, gehuwd met Maartje van Veen, zoon van Cornelis Kuijs en Antje Dekker. Raadslid van 1-10-1863 tot 28-6-1877.

Kuijs, Petrus, geboren Castricum 7-7-1879, bloemkweker en koopman in zaden en tuinvruchten, overleden Castricum 22-6-1951 , gehuwd met Geertrudis Piepers, zoon van Pieter Kuijs en Koosje Brakenhoff. Raadslid van 27-7-1910 tot 4-9-1923; wethouder van 2-9-1919 tot 4-9-1923.

Lommen, Petrus Henricus Leo Josephus (Piet), geboren Tilburg 10-9-1885, ambtenaar ter secretarie te Valburg, te Ursem, lid Prov. Staten van Noord-Holland, burgemeester, overleden Castricum 10-11-1936, gehuwd met Emma F.R.M. Maury, zoon van Maximinus D.H.H. Lommen en Geertruida M.C. Spigt. Burgemeester van 1-8-1918 tot 10-11-1936 (overleden).

Louter, Gerrit, geboren Castricum 28-11- 1863, landbouwer en kruidenier, woonde aan het Schulpstet en aan de Dorpsstraat, overleden Castricum 15-5-1958, gehuwd met Adriana de Weijer, zoon van Simon Louter en Guurtje Brakenhoff. Raadslid van 2-9-1913 tot 2-9- 1919; 4-9-1923 tot 1-9-1931; wethouder van 6-9-1927 tot 1-9-1931.

Louter, Jan, geboren Castricum 26-1-1798, veehouder aan de Brakersweg, overleden Castricum 24-5-1869, gehuwd met Maartje Tromp, zoon van Simon Louter en Aagje Morsch. Raadslid van 2-1-1834 tot 31-7-1866.

Louter, Simon, geboren Castricum 22-2-1825, landbouwer op het Noordend, overleden Castricum 28-7-1915, gehuwd met Guurtje Brakenhoff, zoon van Jan Louter en Maartje Tromp. Raadslid van 20-12-1882 tot 3-9-1895.

Melker; Willem, gedoopt Akersloot 26-4-1796, veehouder in de Oosterbuurt, overleden Castricum 15-11-1872, gehuwd met Maartje Beugel, zoon van Wulbert Melker en Klaasje Castricum. Raadslid van 5-7-1832 tot 2-1-1836; wethouder van 5-7-1832 tot 2-1-1836.

Melker, Wulbert, geboren Castricum 12-10-1824, landbouwer in de Oosterbuurt, overleden Castricum 13-10-1903, gehuwd met Jannetje Schermer, zoon van Willem Melker en Maartje Beugel. Raadslid van 11-8-1880 tot 13-10-1903 (overleden); wethouder van 20-10-1889 tot 2-9-1902.

Moens, Carel Hendrik, geboren Kampen 21-6-1841 , burgemeester, vanaf 1877 notaris, woonde vanaf 1870 in Beverwijk, aldaar overleden 12-5-1920, gehuwd met Lucretia F. Harger, zoon van Anthony Moens en Johanna Lambert. Burgemeester van 1-7-1869 tot 15-11-1877.

Mooij Cornelis, geboren Bergen 14-5-1821, landbouwer en gemeenteontvanger, overleden Castricum 13-1-1888, gehuwd met Antje Schermer, zoon van Jan Mooij en Neeltje Bruin. Raadslid van 8-4-1868 tot 2-6-1880; wethouder van 8-4-1868 tot 3-9-1872 en van 16-9-1875 tot 2-6-1880.

Mooij, Johannes (Jan), geboren Castricum 10-3-1848, bloemist, bestuurslid van de Groot-Limmerpolder, gemeenteontvanger, burgemeester, woonde aan de Dorpsstraat, overleden Amsterdam 8-2-1939, gehuwd met Neeltje Kuijs, zoon van Cornelis Mooij en Antje Schermer. Burgemeester van 5-6-1888 tot 1-6-1918.

Muijs, Pieter, geboren Beemster 9-12-1781, veehouder op boerderij Kranenburg, overleden Castricum 11-6-1841 , gehuwd met Guurtje Brasser, zoon van Jan Muijs en Trijntje Kloek. Raadslid van 1-12-1825 tot ’11-6-1841 (overleden); wethouder van 2-1 -1828 tot 11-6-1841 (overleden).

Park, Adrianus van der, geboren Assendelft 30-8-1819, veehouder in de Oosterbuurt, overleden Castricum 20-1-1892, gehuwd met Neeltje Hageman, zoon van Jan van der Park en Petronella Brakenhoff. Raadslid van 17-9-1873 tot 1-9-1891; wethouder van 10-7-1878 tot 20-10-1889.

Quack, Jan de, geboren Rotterdam 16-8-1769, klerk, magazijnmeester, ambtenaar bij een ministerie, commissaris van politie, vrederechter, burgemeester van Beverwijk en Castricum, genoot landelijke bekendheid als dichter, toneel- en romanschrijver, woonde in Beverwijk, aldaar overleden 4-7-1852, gehuwd met Petronella J. van Sluijs, zoon van Jan de Quack en Hester Esbeek. Burgemeester van 6-2-1837 tot 13-5-1852.

Ranke, Fulps, geboren Castricum 3-1-1768, aannemer, woonde aan de Dorpsstraat, overleden Castricum 1-5-1835, gehuwd met Aaltje Dekker, zoon van Maarten Ranke en Grietje Aalstius. Raadslid van 5-1-1812 tot 1-5-1  17 en van 6-12-182 1 tot 1-5-1835 (overleden).

Rendorp, jonkheer Jacob, geboren Amsterdam 3-11-1795, cavalerie-officier, luitenant-kolonel bij de Amsterdamse schutterij, burgemeester van Heemskerk en Castricum, woonde vele jaren op kasteel Marquette en vanaf 1869 in ‘s-Gravenhage, aldaar overleden 30-7-1879, gehuwd met jvr. Agneta M.C. Deutz van Assendelft, zoon van Mr. Willem Rendorp van Marquette en Paulina A. Bareel, Burgemeester van 13-5-1852 tot 1-1-1868.

Rommel, Johannes Frederik, geboren Castricum 10-7-1817, eigenaar van De Rustende Jager, ook landbouwer, overleden Castricum 27-5-1879, gehuwd met (1) Trijntje Alberti, (2) Anna P. Waagmeester, zoon van Bat1holomeus N. Rommel en Johanna M. Telvoren. Raadslid van 10-9-1851 tot 2-9-1857; van 11-5-1859 tot 16-9-1875; wethouder van 7-9-1869 tot 16-9-1875.

Schermer, Cornelis, gedoopt Heemskerk 7-2-1791, broodbakker, woonde aan de Dorpsstraat, overleden Castricum 21-12-1877, gehuwd met (1) Antje Dekker, (2) Willemijntje Brakenhoff, (3) Maartje Bakker, zoon van Jan Schermer en Hillegonda Knaap. Raadslid van 2-1-1828 tot 2-1-1834; van 10-9-1851 tot 8-4-1868; wethouder van 22-12-1858 tot 8-4-1868.

Schotvanger, Jan, geboren Limmen 23-1-1805, veehouder aan de Kooiweg, overleden Castricum 16-8-1878, gehuwd met (1) Grietje Kuijs, (2) Catharina Traan, (3) Antje Stet, zoon van Dirk Schotvanger en Guurtje Bruijn. Raadslid van 15-1-1862 tot 16-8-1878 (overleden); wethouder van 24-9-1862 tot 7-9-1869 en van 3-9-1872 tot 10-7-1878.


Jaarboek 31, pagina 18

Schotvanger, Pieter, geboren Castricum 1797, veehouder in de Oosterbuurt, overleden Castricum 12-12-1858, gehuwd met (1) Jannetje Pepping, (2) Arendje Kuijs, zoon van Dirk Schotvanger en Guurtje Bruijn. Raadslid en wethouder van 2-1-1836 tot 12-12-1858 (overleden).

Schrama, Cornelis, geboren Castricum 1-3-1746, veehouder in de Oosterbuurt, overleden Castricum 4-11-1830, gehuwd met Elisabeth van Duijn, zoon van Engel Schrama en Neeltje Cornelis. Raadslid van 1-5-1817 tot 2-12-1820.

Schuijt, Jacob, geboren Velsen 16-7-1875, landbouwer aan de Cieweg, overleden Leidschendam 17-6-1957, gehuwd met (1) Bregje Hofland, (2) Maria Gallé, (3) Cornelia Bakker, zoon van Jan Schuijt en Neeltje Castricum. Raadslid van 4-9- 1917 tot 11-6-1920.

Schuijt, Jan, geboren Heemskerk 15-12-1831, landbouwer in de Duinderbuurt, overleden Castricum 4-4-1910, gehuwd met Neeltje Castricum, zoon van Simon Schuijt en Hilletje Koopman. Raadslid van 4-2-1885 tot 4-4-1910 (overleden).

Slooten, Teunis, geboren Wormer 12-2-1819, veehouder op boerderij Kronenburg, overleden Heiloo 1-3-1909, gehuwd met (1) Antje Kooij, (2) Rensje Strooker, zoon van Willem Slooten en Jannetje Kroon. Raadslid van 20-3-1861 tot 8-4-1868.

Slop, Gerrit, geboren Koog aan de Zaan 13-3-1878, timmerman en gemeenteopzichter, woonde aan de Bakkummerstraat, vanaf 1939 in Arnhem, aldaar overleden 24-6-1955, gehuwd met Adriana Rond, zoon van Dirk Slop en Dieuwertje de Boer. Raadslid van 12-7-1912 tot 19-7-1913.

Soll, Jan Adam van, geboren Amsterdam 16-1-1813, broodbakker en brievengaarder, overleden Castricum 10-12-1891, gehuwd met Margrietje Rensenbrink, zoon van Jan van Soll en Antje Beijl. Raadslid van 5-1-1881 tot 10-12-1891.

Spaansen, Cornelis, geboren Schoorl 22-12-1863, veehouder aan de Breedeweg, overleden Castricum 11-12-1925, gehuwd met Johanna Henneman, zoon van Cornelis Spaansen en Trijntje Kap. Raadslid van 1-9-1891 tot 7-9-1909; van 5-3-1913 tot 11-12-1925 (overleden); wethouder van 14-12-1904 tot 7-9-1909 en van 4-7-1917 tot 2-9-1919.

Stet, Klaas, geboren Castricum 7-11-1793, veehouder aan de Brakersweg, overleden Huiswaard 19-6-1866, gehuwd met (1) Trijntje Koeleveld, (2) Neeltje Bruijn, zoon van Reijer Stet en Neeltje IJpelaan. Raadslid van 17-6-1835 tot 11-7- 1860; wethouder van 22-9-1841 tot 11-7-1860.

Tromp, Gerrit, geboren Castricum 3-1-1768, winkelier, koopman in schelpen, woonde aan het Schulpstet, overleden Castricum 3-7-1832, gehuwd met Willemijntje van Winsen, zoon van Jan Tromp en Antje IJpelaan. Raadslid van 2-12-1820 tot 3-7-1832 (overleden); wethouder van 6-12-1821 tot 3-7-1832 (overleden).

Twisk, Floris, geboren Heemskerk 18-11-1775, schelpenvisser, veehouder op de Bleumerweg, overleden Castricum 16-5-1860, gehuwd met Maartje Bakkum, zoon van Cornelis Twisk en Guurtje Kleibroek. Raadslid van 1-5-1817 tot 6- 12-1821 en van 3-12-1822 tot 10-9-1851.

Twisk, Jan, geboren Castricum 31-5-1833, landbouwer op Bakkum, overleden Bakkum 23-5-1910, gehuwd met Aagje Bos, zoon van Cornelis Twisk en Stijntje Zonneveld. Raadslid van 1-9-1891 tot 25-8-1909.

Twisk, Pieter, geboren Castricum 15-2-1865, veehouder en directeur Boerenleenbank, woonde aan de Burg. Mooijstraat, overleden Heiloo 9-4-1939, gehuwd met (1) Adriana Bakker, (2) Hendrika van Benthem, zoon van Cornelis Twisk en Willemijntje Kuijs. Raadslid van 16-11-1910 tot 2-9- 1919; RKSP van 9-7-1920 tot 1-9-1931, Vrije Lijst van 1-9-19 1 tot 3-9-1935.

Valkering, Petrus Johannes, geboren Limmen 14-2-1874, bloemkweker en handelsreiziger, overleden Castricum 14-8-1955, gehuwd met Aagje Heere, zoon van Timon Valkering en Dieuwertje Duin. Raadslid en wethouder van 7-9- 1909 tot 2-9-1919.

Zaalberg, Hermanus, geboren Leiden 17-5-1812, mede directeur in het familiebedrijf en fabriek van wollen dekens te Leiden, koopman en grossier in manufacturen, burgemeester van Castricum en Heemskerk, overleden Beverwijk 18-4-1884, gehuwd met Elisabeth H. Kiewit, zoon van Johannnes C. Zaalberg en Maria Brouwer. Burgemeester van 21-1-1868 tot 1-7-1869.

27 juni 2022

Castricum – Honderd jaar geleden 1906 (Jaarboek 30 2007 pg 88-90)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 30, pagina 88

Castricum – Honderd jaar geleden 1906

Dokter Schoonhoff.
Dokter Schoonhoff. Woonde in Hermana State, Dorpsstraat 76 in castricum. Foto gemaakt circa 1910. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Enige beroering ontstond in 1906 over de verlening van verloskundige hulp. Slechts gedurende een korte periode heeft Castricum twee huisartsen gehad. In het rooms-katholieke Castricum waren er voor de protestantse dokter Rentmeester onvoldoende bestaansmogelijkheden en hij vertrok. Dokter Schoonhoff ziet geen kans om met zijn drukke praktijk de verloskundige hulp te verlenen die hij had toegezegd en op basis waarvan de vroedvrouw was ontslagen.

De informatie voor dit artikel is onder andere ontleend aan de notulen van de gemeenteraadsvergaderingen, de inkomende en uitgaande stukken van de gemeente Castricum, de provinciale bladen en de registers van de burgerlijke stand.

1 januari 1906

Het gemeentebestuur bestaat op 1 januari 1906 uit burgemeester Johannes (Jan) Mooij, de wethouders Jacob Pzn. Kuijs en Cornelis Spaansen. Raadsleden zijn Jan Schuijt, Jan Twisk, Joseph Goes, Johan Hogenstijn en Pieter Duijn. De gemeenteontvanger is Bernardus A. Res.

Op 1 januari 1906 telt Castricum 2.265 inwoners. Dit aantal is op 31 december in datzelfde jaar toegenomen tot 2.429. In het jaar 1906 worden in Castricum 103 kinderen geboren; er worden 20 huwelijken gesloten en er overlijden 31 personen. Door dit geboorte overschot van 72 en doordat er 92 personen meer in Castricum komen wonen (234) dan er zijn vertrokken naar elders ( 142), neemt het inwonertal met 164 personen toe. De relatief sterke toename van het aantal inwoners, die zich al in 1905 inzette, had ongetwijfeld te maken met de bouw van Duin en Bosch, die in volle gang was.

24 januari 1906

Het gemeentebestuur zal geen vergunning verlenen voor de verkoop van sterke drank in een aantal wijken, buurten of straten binnen de gemeente Castricum. Het betreft Noord-Bakkum, het Schulpstet, Noordend, de Oosterbuurt en de Brabantsche Landbouw. In de Duinderbuurt, de Duinontginning en Zuid-Bakkum mogen in totaal maximaal vier vergunningen worden verleend; dat geldt ook voor de Kerkbuurt.

7 februari 1906

Binnen de gemeenteraad is er veel opschudding ontstaan over de benoeming van dokter Schoonhoff tot gemeentearts. Met deze benoeming wordt Schoonhoff belast met de doodschouw, de vaccinatie en de armenpraktijk; hij volgt daarmee dokter J. Rentmeester op.

Drie raadsleden hebben een brief gestuurd naar Gedeputeerde Staten (GS), waarin zij stellen:

  • dat bij de benoeming van Schoonhoff naar hun mening ongeoorloofde motieven hebben gespeeld; zo zou een raadslid die voor Schoonhoff heeft gestemd hebben gezegd: “Wij willen een Roomse dokter”;
  • dat de verdraagzaamheid door die benoeming niet werd bevorderd;
  • dat zij liever hadden gezien dat die verschillende functies tenminste niet alle aan één persoon hadden gekomen;
  • dat de heer Rentmeester onverdiend grievend onrecht wordt aangedaan;
  • dat zij daarom de tussenkomst hebben ingeroepen van Gepedupteerde Staten (GS) om die benoeming niet goed te keuren en indien mogelijk de benoeming voor een jaar te laten gelden om te voorkomen dat een geacht ingezetene wordt achtergesteld om geloofswille.

Door de burgemeester wordt aan GS om advies gevraagd. Echter door het vertrek van dokter Rentmeester komt er geen verandering in de benoeming van dokter Schoonhoff.

26 februari 1906

De eigenaren en bewoners van huizen aan de Rijksstraatweg alhier schrijven aan de gemeenteraad:
“Dat het hun bij herhaling gebleken is dat woonwagens hun standplaats kozen aan het zuidelijk gedeelte van genoemde straatweg in het dorp. Dat aan huizen of eigendommen door ongevraagd binnendringen der eigenaren van woonwagens stoorniswekkende ongeriefelijkheden worden opgeleverd en dat het aanhoudend bedelen van bewoners dier wagens evenzo aanleiding geeft tot onaangenaamheden.
Redenen waarom adressanten zich eerbiedig tot U wenden met het verzoek hierin verbetering aan te brengen door het eventueel bezoek van woonwagens op andere standplaatsen buiten het dorp te doen plaats hebben.”

Een van de paviljoens van Duin en Bosch in aanbouw.
Een van de paviljoens van Duin en Bosch in aanbouw.

8 maart 1906

De aannemer van de bouw van Duin en Bosch meldt in verband met de veiligheidswet dat in de timmerwerkplaats op het bouwterrein een stoommachine van 26 paardenkrachten (pk) wordt geplaatst om de volgende werktuigen aan te drijven: lint- en cirkelzaagmachine, reebank(vlakschaaf)machine, lijstenschaafmachine, boor- en hakmachine, een slijpmachine en een kortzaagmachine. Bovendien worden voor de aanmaak van metselspecie twee kalkmolens door stoom aangedreven.

Het werkend personeel bestaat uit 142 mensen, waaronder 42 timmerlieden, 22 metselaars, 26 opperlieden en 22 grondwerkers. De aanvoer van de bouwmaterialen geschiedt over een aparte spoorbaan langs de Duinenboschweg tot aan de duinvoet.

Links is de treinrails nog te zien die langs de Duinenboschweg loopt.
Spoor langs de Mient. Links is de treinrails nog te zien die langs de Duinenboschweg naar provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch loopt. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Jaarboek 30, pagina 89

17 maart 1906

Elisabeth Tromp, echtgenote van Willem Zonneveld, is voor een vergoeding van 1,05 gulden per week belast met het schoonmaken van de lokalen van de school in Bakkum. Nu de school met een lokaal is uitgebreid, verzoekt zij om haar loon te verhogen naar 1,30 gulden per week. Hierop wordt afwijzend beschikt. Op 12 juni 1906 schrijft mevrouw Zonneveld-Tromp aan de burgemeester dat de school is schoongemaakt, dat dit het laatste kwartaal is dat zij dit werk doet en dat de burgemeester naar een ander kan uitkijken.

De openbare lagere school aan de Van Oldenbarneveldweg in Bakkum.
De openbare lagere school aan de Van Oldenbarneveldweg in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

21 maart 1906

Het jaarsalaris van de heer Nijsen, onderwijzer aan de Openbare Lagere School in Bakkum, wordt verhoogd van 850 naar 900 gulden.

18 april 1906

De burgemeester meent dat een nieuw Armenhuis noodzakelijk is, of het bestaande tehuis zal ingrijpend moeten worden gerepareerd. Het bouwen van een nieuw Armenhuis wordt afhankelijk gesteld van het al of niet beschikbaar komen van geld. De wethouders Goes en Spaansen worden belast met het onderzoek naar de toestand van het Armenhuis betreffende herstel of nieuwbouw.

Voormalige Armenhuis.
Voormalige Armenhuis, nu verbouwd tot wooneenheden. Overtoom 22-36 in Castricum, 2010. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Ook wordt de komst van rijkspolitie wenselijk geacht. Het daarvoor beschikbaar stellen van een woning verdient de voorkeur boven het aanstellen van een gemeenteveldwachter. De mogelijkheid voor de aanstelling van rijkspolitie zal worden onderzocht.

23 mei 1906

Herman van Benthem, die in deeltijd werkt als beambte op de gemeentesecretarie te Limmen, wordt met ingang van 1 juni 1906 ook benoemd tot ‘ambtenaar ter secretarie’ te Castricum van 2 tot 6 uur ’s middags; hij wordt tevens ambtenaar van de burgerlijke stand.

5 juni 1906

Burgemeester Mooij heeft bij de Commissaris van de Koningin de eed afgelegd vanwege de aanvaarding van een nieuwe ambtsperiode van zes jaar; eerder was hij al benoemd bij Koninklijk Besluit van 26 mei 1906.

Burgemeester Mooij op zijn werkkamer in het raadhuis.
Burgemeester Mooij op zijn werkkamer in het raadhuis. Dorpsstraat 65 in Castricum, 1905. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

25 juli 1906

Aan de orde is een verhoging van het jaarsalaris van de burgemeester en de secretaris naar respectievelijk 800 en 600 gulden in verband met de toename van het aantal inwoners. Omdat er nu een extra ambtenaar is aangesteld voor een jaarsalaris van 200 gulden, komt er al 150 gulden meer ten laste van de gemeente dan er de laatste jaren op de begroting hiervoor is uitgetrokken. Daarom wordt voorgesteld om de salarissen te verhogen naar respectievelijk 650 en 575 gulden. Ook wordt voorgesteld om het presentiegeld voor de raadsleden te verhogen naar 60 gulden per jaar. In september wordt dienovereenkomstig besloten.

29 augustus 1906

Het voorstel wordt aangenomen om twee gaslantaarns te plaatsen in de Kerkbuurt en één op de hoek bij Klaas Peijs (Bakkummerstraat/van Oldenbarneveldweg).

Gaslantaarn aan de Vinkebaan 18.
Aan de Vinkebaan stonden gaslantaarns die ‘s avonds ontstoken moesten worden en de volgende ochtend weer gedoofd. Mogelijk is dit Arie Stet die op Vinkebaan 22 woonde en lantaarnopsteker was. Vinkebaan 18 in Castricum, 1930. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Een groot aantal dorpsgenoten brengt bij het gemeentebestuur het slechte wegdek van de Mient vanaf de woning van Engel Lute tot die van de heer W. Res onder de aandacht. Dringend verzoeken zij de toestand van de weg te verbeteren: “Hetzij met koolasch, grint, schelpen of beharding met geklopte puin. Daar die weg een van de drukste verkeerpunten is vanaf het station tot Bakkum en andere wijken, voor tuinders, bouwers,  bloemkweekers, tot het vervoeren van mest en producten, ook voor elke neringdoende en voor voetgangers, de naaste weg van en naar het station.”

Handtekeningen onder het verzoekschrift ter verbetering van de Mient.
Handtekeningen onder het verzoekschrift ter verbetering van de Mient.

10 oktober 1906

Dokter Schoonhoff heeft een verzoek ingediend bij de gemeenteraad tot het aanstellen van een vroedvrouw. Zelf is hij niet bereid om deze taak op zich te nemen. Mogelijk zou mejuffrouw Slot weer bereid zijn om deze taak op zich te nemen. Het verzoek ontmoet veel weerstand, omdat een jaar eerder mejuffrouw Slot, na vele jaren als vroedvrouw werkzaam te zijn geweest, ontslag had gekregen, daar deze taak door de beide geneesheren zou worden behartigd. Inmiddels heeft dokter Rentmeester Castricum verlaten en staat dokter Schoonhoff er alleen voor. Het waarnemen van de verloskunde vindt hij te bezwaarlijk vanwege zijn drukke praktijk.

Vroedvrouw Slot.
Elisabeth Kieft-Slot, vroedvrouw, (met koffiepot) en familieleden. Collectie Ou-Castricum. Toegevoegd.

Na veel discussie is dokter Schoonhoff uiteindelijk bereid om aan de gemeente gedurende twee jaren 100 gulden te betalen als tegemoetkoming in de kosten van het salaris van de vroedvrouw. Op 28 december besluit daarop de gemeenteraad om mejuffrouw Elisabeth Slot uit Limmen voor een salaris van 150 gulden per jaar aan te stellen met daarboven 52 gulden vergoeding aan huishuur. Zij zal dan voor de tijd van 5 jaar aan behoeftigen gratis verloskundige hulp verlenen.

5 december 1906

Het verzoek van G. Kabel om voor de gemeente te mogen werken als timmerman wordt ingewilligd.
Afwijzend wordt beschikt op het verzoek van bierhuishouder J. Tromp. Deze heeft gevraagd om de verordening ter uitvoering van de drankwet in te trekken. Daarin wordt het aantal vergunningen om sterke drank te mogen verkopen in de buurtschappen vastgesteld. In de buurtschap waar Tromp woont (Oosterbuurt), mag geen sterke drank worden verkocht. De gemeenteraad is van


Jaarboek 30, pagina 90

mening dat intrekking het drankverbruik zal bevorderen door meer gelegenheid te geven.
Vergunningen tot de verkoop van sterke drank zijn beperkt tot maximaal vier in de Kerkbuurt: L.A. van Benthem (de Vriendschap), wed. J. Koopman (De Rustende Jager), B. Wempe (hoek Dorpsstraat-Burgemeester Mooijstraat) en M. Olgers (Burgemeester Mooijstraat) en vier in Bakkum: L. Burgering, Wub. Joosten (nu – in 2007 – hotel Borst), Johannes Kamp (Heereweg) en C. Castricum (De Goede Verwachting aan de Heereweg).

Familie Lute voor de deur van hun huis aan de Kramersweg. Het café is in 1908 overgenomen door Thijs Olgers.
Familie Lute voor de deur van hun huis aan de Kramersweg. Het café is in 1908 overgenomen door Thijs Olgers. Burgemeester Mooijstraat 19 in Castricum, 1908. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

18 december 1906

Een opgave van het aantal leerlingen op de twee openbare lagere scholen vermeldt 220 leerlingen op de school aan de Dorpsstraat onder leiding van C.J. Bussen en 99 leerlingen op de school in Bakkum onder leiding van H.A. Nijsen. Laatstgenoemde heeft voor zijn school een leerplan opgesteld; dat is goedgekeurd door het gemeentebestuur en door de schoolopziener van het district Haarlem. Dit plan omvat 6 leergangen, elk met 13 vakken. De leerlingen hebben toegang tot het nieuwe leerjaar als de leeftijd van 6 jaar vóór 1 juli is bereikt.

Leerlingen en meesters van de openbare lagere school aan de Dorpsstraat.
Leerlingen en meesters van de openbare lagere school aan de Dorpsstraat in Castricum, 1917. Hoofd van de school was meester Bussen (rechts) en meester Korf staat links. Het hoofd van de school woonde toendertijd in het gedeelte van het raadhuis aan de kant van de school. Dit was eerst de enige lagere school in Castricum, in 1920 werd de Augustinus school
gebouwd naast de kerk. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

31 december 1906

De gemeenterekening over het jaar 1906 telt aan ontvangsten 22.458 gulden en aan uitgaven 21.311 gulden, zodat er een batig saldo is van 1.147 gulden.

Simon Zuurbier

27 juni 2022

Breedeweg, bezittingen Zijtje Rechtop (Jaarboek 30 2017 pg 61-63)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 40, pagina 61

Zijtje Rechtops bezittingen aan de Breedeweg bij haar overlijden in 1798

De stalkant van de boerderij van Spaansen aan de Breedeweg 72. Let op de stalramen en de twee grotere ramen rechts.
De stalkant van de boerderij vanSpaansen aan de Breedeweg 72. Let op de stalramen en de twee grotere ramen rechts.

Hoe het huis van onze opa en oma (of werd ze, zoals de mijne, nog ‘opoe’ genoemd?) er vroeger uitzag, herinneren de ouderen onder ons zich misschien nog vaag. Mogelijk hebben ze er zelfs een duidelijk beeld van dankzij het verplichte zondagse bezoek. De kolenkachel, de leunstoelen links en rechts, allebei met een mooi gehaakt wit kleedje boven op de rug van de stoel; bij die van opa een groenteblik (de woorden antimakassar en kwispedoor kenden we niet, maar we bewonderden de precisie waarmee hij de uitgekauwde pruimtabak erin wist te spugen); een pendule, tafel met stoelen. Soms aan de muur een kruis met een palmtakje en misschien een schilderij van de Goede Herder. De keuken zie je misschien ook nog voor je: de geëmailleerde pannen, het petroleumstel, de pollepel waaruit je water dronk. Zo zag een eenvoudig huis er dus voor 1950 zo’n beetje uit.

Hoe was dat 200 jaar geleden of meer? Met een beetje geluk kom je bij het zoeken in het archief of tussen je familiepapieren een inventaris tegen van het bezit van een voorvader of ‘voormoeder’. Het gaat dan in de meeste gevallen wel om een redelijk gegoed iemand. In zo’n inventaris, meestal na de dood van een langstlevende echtgenoot opgemaakt, vind je vaak per kamer opgetekend wat er werd aangetroffen. Later voegden ze er zelfs de geschatte waarde van alle spullen of van de belangrijkste stukken aan toe. Het is alsof je zo’n huis binnenloopt en alles zelf ziet. En heb je heel veel geluk, dan weet je waar dat huis stond en is het zelfs bewaard.

In het Regionaal Archief in Alkmaar bevinden zich de akten van de Castricumse schout en notaris Joachim Nuhout van der Veen uit de jaren 1778-1811. Daarin is ook de inventaris bewaard van de boedel van wijlen Zijtje Willemsdochter Rechtop, weduwe van veehouder Cornelis de Graaf. Hij is de stamvader van de Castricumse familie van die naam (zie 13e Jaarboek, 1990). Zijtje was in 1773 met hem getrouwd. Het was zijn tweede huwelijk. Bij zijn overlijden waren er vier minderjarige kinderen. Een jaar na zijn dood is Zijtje in 1790 opnieuw getrouwd met bakker Jan Schavemaker. Diens tweede vrouw was waarschijnlijk zojuist in het kraambed overleden. Hij had nog jonge kinderen. Na zijn dood in 1796 moet Zijtje zijn verhuisd naar de nog steeds bestaande boerderij aan de Breedeweg, met het huidige nummer 72, die naast de katholieke schuilkerk stond. Cornelis de Graaf had die boerderij in 1767 gekocht.

Boerderij aan de Breedeweg 72 in Casticum.
Boerderij aan de Breedeweg 72 in Casticum.

Ruim een jaar na haar overlijden (ze is op 1 februari 1798 begraven) is op 9 mei 1799 – op verzoek van de voogden van de minderjarige kinderen van wijlen Cornelis en Zijtje Willemsdochter Rechtop – door henzelf een inventaris opgemaakt. Deze twee, Jan Glorie en Pieter de Graaf, de oudste nog levende zoon van Cornelis, hebben die samen met de notaris en twee getuigen ondertekend.

De notariële akte met de titel ‘Staat en inventaris van alle zodanige goederen, effecten en schulden’ van Zijtje bestond uit drie onderdelen.
Eerst werd een overzicht gegeven van alle grondbezit. Zij bezat in Castricum 15 percelen land, die allemaal met hun


Jaarboek 40, pagina 62

van ouds bekende veldnaam werden aangeduid. Ze hadden een oppervlak van in totaal 15 morgen en ruim 380 roedensamen zo ongeveer 15 hectare. Het totale bezit bevond zich voor een deel aan de duinkant en een deel in de Oosterbuurt. Van de meeste percelen zijn de datum en de akte van aankoop door Cornelis de Graaf bekend.

Dan volgt een paginalange lijst, per kamer uitgesplitst, van alle spullen die in elk vertrek apart aangetroffen werden. Achtereenvolgens worden genoemd: het voorhuis, het vertrek aan de muur, de binnenwoning, de zomerwoning, het kamertje, de bovenkamer, de koeienstal en de zolder van de stal.

Het voorhuis moet de mooie kamer geweest zijn. Er stonden vier kasten in en een latafel met Zijtjes spullen.
Een gladde kast met dameskleding (boezelaars, strooien hoeden, boven- en onderrokken) en voornamelijk sieraden: een gouden oorijzer, een ketting van bloedkoraal met gouden haak en kruis, drie gouden haarnaalden, zes gouden ringen en nog meer gouden en vooral zilveren (gebruiks)voorwerpen.

Een rijglijf.
Een rijglijf.

Een kast met dekens, dameskleding (waaronder een rijglijf, wanten, boven- en ondermutsen, mouwen, halsdoeken en gazen kappen), 18 grote en 10 kleine Delftse tafelborden en zes stalen vorken.
Verder een latafel met diverse stoffen en kleden, beddengoed, tafellakens, glasgordijntjes en onderkleding en nog een hangkast met dameskleding, waaronder twee hoepelrokken, vier gestreepte rokken en een goede baaien rok, twee jakken, een schoudermantel en een keurslijf.
Tenslotte stond er nog een glazen kast met beddengoed, onderkleding, kleden, stoffen, bestek en eetgerei.

Een keurslijf.
Een keurslijf.

Het vertrek naast het voorhuis grenzend aan de buitenmuur was de enige ruimte waar tafels staan en veel Delftse en porseleinen borden en bestek aanwezig is.

De binnenwoning was een grote ruimte, waarin werd gestookt en gekookt. Hier was de haard, de provisiekast, een ‘rechtbankje’, een soort aanrecht, weer met vele tientallen borden. In de schoorsteen bleken in mei nog vier zijden spek te hangen en zes stukken rookvlees. In dit vertrek was het warm en dus werd er ook gewoond zolang het koud was en vochtig. Er was een spiegel, een grote slaande Friese klok met een hekje eromheen. Om dezelfde reden sliepen Zijtje en haar vier kinderen er ook. Naar het aantal matrassen, peluwen en dekens te oordelen waren er drie bedsteden.

De zomerwoning was of een gedeelte van de stal, waar men in de zomer woonde als het vee naar buiten was, of een apart vertrek, waar gekookt en in ieder geval gegeten werd. Er was weer veel bestek, tientallen borden, maar ook ketels. Stoelen worden in geen enkel vertrek genoemd. Er zullen vaste banken geweest zijn.
Het kamertje was een voorraadkamer met een kuip pekelvlees en een met spek en diverse potten en pannen.
De bovenkamer diende als opslagruimte voor minder bederfelijke waar (koren, erwten) en allerlei gebruiksvoorwerpen, waaronder een spinnewiel met toebehoren.


Jaarboek 40, pagina 63

Of de koeien, kalveren, kalfvaarzen en pinken (in totaal 14 stuks), het paard, twee schapen en vijf varkens in mei werkelijk op de ‘koeienstal’ stonden, valt te betwijfelen. Voor de rest liepen er zes kippen en een haan rond en waren er diverse soorten werktuigen en wagens aanwezig.
Op de zolder van de stal lagen hooi, turf en pronkbonen en ook sliep waarschijnlijk hier de meid.

Als derde onderdeel werden het contante geld (18 gulden en tien stuivers), de schulden aan en van Zijtje (respectievelijk 488 en 1.086 gulden) vermeld.

Zo moet ongeveer de plattegrond geweest zijn van de boerderij in 1799.
Zo moet ongeveer de plattegrond geweest zijn van de boerderij in 1799.

De stolpboerderij aan de Breedeweg 72 staat nog steeds op dezelfde plek. Terwijl de boerderij zelf bewaard is gebleven, is het van binnen, vooral na de laatste verbouwing in 2000, radicaal veranderd. De oude indeling is nog wel in grote lijnen herkenbaar. De plattegrond zal ongeveer overeengekomen zijn met die van een regelmatige stolpboerderij als afgebeeld op de bijgevoegde tekening. Als je voor het huis staat, liep de stal links over bijna de hele diepte van het huis.

Boerderij Breedweg 72 in Castricum.
Boerderij Breedweg 72 in Castricum.

Het voorste gedeelte, herkenbaar aan de grotere ramen, was misschien de zomerwoning. Het voorhuis, de ruimte aan de voorkant, was, aan de inhoud van de kasten te zien, ook Zijtjes kamer. In het vertrek aan de muur rechts daarvan moet gegeten zijn. De binnenwoning is het grote vierkant van de boerderij, waar de haard was, waar gekookt, gewoond en geslapen werd (in bedsteden voor Zijtje en de vier kinderen De Graaf).

Als het vee in het voorjaar naar buiten kon, werd voor de dagelijkse behoeften de zomerwoning gebruikt. De bovenkamer en de zolder waren de voorraadruimtes. De dieren en het gereedschap in de stal laten het gemengde karakter van het boerenbedrijf zien: het vee voor melk, boter, kaas en vlees, de ploeg en het zaad voor de land- en tuinbouw, de zagen, wiggen en bijlen voor het hout uit de eigen percelen bosgrond en de sjees voor de sociale contacten en andere verplichtingen.

Arnold van Gemert

Bronnen en literatuur:

  • Boedelbank van het Meertensinstituut van de KNAW; hierin zijn gegevens uit meer dan 3.000 boedelinventarissen integraal opgenomen;
  • Regionaal Archief Alkmaar, Notarieel Archief Castricum, notaris Joachim Nuhout van der Veen, inv. 3015 (1799);
  • Schuurman, A.J., J. de Vries en A.M. van der Woude (redactie), Aards Geluk : de Nederlanders en hun spullen van 1550 tot 1850, Amsterdam 1997;
  • Klep, P.M.M. en andere (redactie), Wonen in het verleden, 17e-20e eeuw: economie, politiek, volkshuisvesting, cultuur en bibliografie, Amsterdam 1987.

5 mei 2022

Oud-Castricum schenkt oorlogskranten aan NIOD

Peter Levi (links) en Hubert Berkhout tijdens de overdacht. Foto aangeleverd

In De Castricummer van 4 mei 2022 (op pag. 8) vertelt Hans Boot over de collectie kranten die Oud-Castricum schonk aan het NIOD. Waarom die collectie van belang is en waarom wij die schonken aan het NIOD, leest u hieronder in zijn artikel.

Castricum –  De Stichting Werkgroep Oud-Castricum was in het bezit van bijna alle exemplaren van de verzetskrant ‘Strijd’. Archiefbeheerder Peter Levi droeg de collectie op 22 april over aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD).

14 februari 2022

Grensbepaling in 1821 (Jaarboek 30 2007 pg 31-33)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 30, pagina 31

De grensbepaling van het grondgebied van Castricum in 1821

Detailkaart noordgrens van de Heereweg tot de grens met Heiloo. De noordgrens loopt vanaf de Heereweg in oostelijke richting naar de Tochtsloot op de grens met Heiloo, daarbij worden de perceelsgrenzen van de verschillende eigenaren aangehouden. Achtereenvolgens worden de Hoogeweg, de Limmerweg en het Zuiderdijkje gepasseerd.
Detailkaart noordgrens van de Heereweg tot de grens met Heiloo. De noordgrens loopt vanaf de Heereweg in oostelijke richting naar de Tochtsloot op de grens met Heiloo, daarbij worden de perceelsgrenzen van de verschillende eigenaren aangehouden. Achtereenvolgens worden de Hoogeweg, de Limmerweg en het Zuiderdijkje gepasseerd.

In 1832 wordt het Kadaster opgericht voornamelijk met het doel om te komen tot een rechtvaardige heffing van de grondbelasting. In een aantal jaren voorafgaande aan de officiële oprichting worden alle huizen, erven, wegen en wateren, duinen en landerijen opgemeten, genummerd en getekend op de zogeheten minuutplans. Voordat dit werk een aanvang neemt, wordt eerst nauwkeurig de grens van de gemeente Castricum in overleg met de vertegenwoordigers van elke aangrenzende gemeente verkend, op schrift gesteld en in tekening gebracht.

Op 30 juni 1821 is de landmeter-grensbepaler, de heer A. van Oosterhout, naar Castricum gekomen om met de schout Pieter Kieft en de schepenen Jan Franszoon Brakenhoff en Gerrit Tromp de grenzen van het grondgebied van de gemeente Castricum te bepalen. Beide schepenen zijn voor dit doel benoemd tot aanwijzers. De vaststelling van de grens geschiedt in aanwezigheid en overeenstemming met de schout en de twee aanwijzers van de aangrenzende gemeente. Achtereenvolgens wordt de grens vastgesteld met de gemeente Egmond-Binnen, Heiloo, Limmen, Uitgeest en Heemskerk.

De grensscheiding met Egmond-Binnen

Samen met de schout en aanwijzers van de gemeente Egmond-Binnen, de heren Christiaan van Egmond, Willem van Voorst en Gerrit Apeldoorn, begeeft het gezelschap zich op weg, vanaf de Noordzee ongeveer 225 meter ten noorden van de mijlpaal 43 en volgt vanaf dit startpunt een rechte lijn over de duinen in oostelijke richting tot aan de Heereweg, die hier uitkomt ten zuiden van een stuk weiland genaamd ‘de Oude Bleek’.

De route volgt de westzijde van de Heereweg enkele honderden


Jaarboek 30, pagina 32

meters in noordelijke richting tot een wal, die vanaf de oostzijde van de weg in oostelijke richting gaat tot aan de Hogeweg.

Zuiderdijkje.
Zuiderdijkje. Bakkum 2006. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Vanaf deze weg begint de grens enkele tientallen meters zuidelijker en gaat in oostelijke richting over een wal tot aan de Limmerweg. De grens gaat verder iets noordelijker vanaf deze weg en volgt een greppel in oostelijke richting tot aan het Zuiderdijkje. Iets noordelijker vanaf het Zuiderdijkje loopt de grens over de sloot tussen de weilanden door tot aan de Tochtsloot, waar de grensscheiding met Egmond-Binnen eindigt en die met Heiloo begint. De totale lengte van de grens met Egmond-Binnen is 4.910 meter.

Handtekening van de vertegenwoordigers van Egmond-Binnen en Castricum.
Handtekening van de vertegenwoordigers van Egmond-Binnen en Castricum.

Met bovengenoemde grensvaststelling en -beschrijving gaan de eerder genoemde schout en aanwijzers van de gemeente Castricum en Egmond-Binnen akkoord en ondertekenen het betreffende onderdeel van het proces verbaal.

We merken op dat de grensscheiding met Egmond-Binnen vanaf de Heereweg naar het Zuiderdijkje een nogal springend verloop heeft door het volgen van de grillige perceelsgrenzen. Hierdoor behoorde het volledig perceel of bij de ene of bij de andere gemeente met de daarbij horende belastingheffing. De oude, rechte gemeentegrens doorsneed allerlei eigendomsgrenzen met het gevolg dat een eigenaar voor een perceel bijvoorbeeld voor 2/7 in de ene en voor 5/7 in de andere gemeente zou worden aangeslagen.

De grensscheiding met Heiloo

Voor de gemeente Heiloo worden als schout en aanwijzers genoemd de heren Jan Smit, Hendrik Mulder en Jan Besteman. De grens met de gemeente Heiloo volgt de Tochtsloot in zuidelijke richting tot de sloot gelegen tussen de weilanden van Wouter Admiraal onder Castricum en van Jan Besteman c.s. (cum suis = met de zijnen) onder Heiloo. Deze sloot loopt tot een kromme sloot, gelegen tussen de weilanden van de kinderen van Jan Admiraal onder Castricum en Wouter Admiraal onder Limmen, waar de grens met Heiloo eindigt en die met Limmen begint. De totale lengte van de grens van Castricum met Heiloo is 1.021 meter.

De grensscheiding met Limmen

Schout Matthijs H. Weldijk en de aanwijzers Willem de Bie en Klaas Winder vertegenwoordigen de gemeente Limmen. De grens met Limmen volgt de genoemde kromme sloot in zuidelijke richting, komt uit op de Zanddijk en gaat verder zuidwaarts de Westerzijdervaart volgend tot het weiland van de rooms-katholieke kerk van Limmen.

Zanddijk.
Watering Zanddijk grens Limmen richting Egmond Binnen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hier volgt de grens verder in zuidwestelijke richting de Bakkummertocht tot aan de Madeweg, verder in zuidoostelijke richting een korte afstand langs de Madeweg om daarna de Bakkummertocht te vervolgen tot aan de Schulpvaart.

De door het land slingerende Schulpvaart.
De door het land slingerende Schulpvaart. e vaart vormde ooit de grens tussen Castricum en Bakkum. Hier een deel dat de Grote Bocht wordt genoemd. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Over de Schulpvaart een weinig westwaarts loopt de grens over een kromme sloot die tot de Nieuwe Weg of Straatweg gaat. De sloot loopt daarbij langs de weilanden van Gerrit Tromp, Fulps Ranke en Cornelis Schutte onder Castricum en langs die van Lourens Henneman en Dirk Schotvanger onder Limmen.

Doorkijk Brakersweg en de ernaast lopende sloot in 1970.
Doorkijk Brakersweg en de ernaast lopende sloot in 1970. Nu is dit ter hoogte van de Mozartlaan en het Tulpenveld in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Straatweg wordt een eindje zuidwestwaarts gevolgd tot de Binkersloot, die gelegen is tussen de weilanden van Cornelis Kabel onder Castricum en van Cornelis Schutte onder Limmen. De grens volgt in zuidoostelijke richting de Binkersloot, dan de Nesdijk, als ook de Brakersweg tot aan een stenen paal op deze weg, waar de grens dan in oostelijke richting loopt over de Nesdijk tot aan de Diesloot, die dan zuidwaarts wordt gevolgd tot aan de Hendriksloot, die de scheiding vormt van de gemeenten Limmen en Uitgeest. De totale lengte van de grens met Limmen is 7.202 meter.

De grensscheiding met Uitgeest

Voor de gemeente Uitgeest zijn de schout Gerrit Muntjewerff en de aanwijzers Bos Zonjee en Herman Terra aanwezig. De grens met de gemeente Uitgeest volgt het Die in zuidelijke richting tot het Heemstederdijkje alwaar de gemeente Uitgeest overgaat in de gemeente Heemskerk. De totale lengte van de grens met Uitgeest is 2.010 meter.

De grensscheiding met Heemskerk

Schout Jan Karshoff en de aanwijzers Cornelis de Wildt en Klaas Limmen vertegenwoordigen de gemeente Heemskerk. De grens met de gemeente Heemskerk volgt in westelijke richting de noordzijde van het Heemstederdijkje, daarna de zuidzijde van de Maardijk tot aan de Straatweg, waar een stenen grenspaal gevonden wordt. Van deze paal loopt de grensscheiding over de duinen tot de Noordzee door een lijn gaande in een volkomen westelijke richting tot aan de Noordzee. De totale lengte van de grens met Heemskerk is 6646 meter.

De Koren of Maerdijk strekt zich uit vanaf de duinrand.
De Koren of Maerdijk strekt zich uit vanaf de duinrand. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Vanaf dit punt tot het beginpunt met de gemeente Egmond-Binnen vormt de Noordzee de westelijke begrenzing met een lengte van 4.780 meter.


Jaarboek 30, pagina 33

Hiermee heeft de gehele omschrijving van de grens van Castricum met een totale lengte van 26.569 meter plaats gevonden en zijn de verschillende onderdelen van het proces-verbaal door de betreffende vertegenwoordigers van de omliggende gemeenten ondertekend.

Simon Zuurbier

Bron:

Archief Gemeente Castricum 1812- 1915, inv. nr. 364.

Het kaartje van de gemeente Castricum omstreeks 1867 (uit Gemeente atlas van J. Kuyper).
Het kaartje van de gemeente Castricum omstreeks 1867 (uit Gemeente atlas van J. Kuyper).

17 januari 2022

Castricum – Honderd jaar geleden 1905 (Jaarboek 29 2006 pg 88-90)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 29, pagina 88

Castricum – Honderd jaar geleden 1905

De informatie voor dit artikel is onder andere ontleend aan de notulen van de gemeenteraadsvergaderingen, de inkomende en uitgaande stukken van de Gemeente Castricum, de provinciale bladen en de registers van de burgerlijke stand.

Bouw van Duin en Bosch.
Bouw van Duin en Bosch. Duinenboschweg in Bakkum, 1910. Op de voorgrond een enorme loods voor bouwmaterialen. Daarachter is de werkbouwkundige werkplaats van Duin en Bosch. Het zou kunnen dat het tijdens de bouw in gebruik was bij de bouwvakkers. De weg die er achterlangs loopt heet nu de Oude Trambaan. Collectie NHA. Toegevoegd.

In 1905 zijn de voorbereidingen voor de bouw van het Provinciaal Krankzinnigengesticht ‘Duin en Bosch‘ in volle gang en daardoor loopt het aantal inwoners snel op. Een andere belangrijke gebeurtenis in 1905 is de bouw van stoomzuivelfabriek De Holland aan de Breedeweg.
De gemeenteraad kan ondanks provinciale druk maar steeds geen beslissing nemen over nieuwbouw of reparatie van de bouwvallige woning van de hoofdonderwijzer in de Dorpsstraat.

 
1 januari 1905

Het gemeentebestuur bestaat op 1 januari 1905 uit burgemeester Johannes (Jan) Mooij, de wethouders Jacob Pzn. Kuijs en Cornelis Spaansen en de raadsleden Jan Schuijt, Jan Twisk, Joseph Goes, Johan Hogenstijn en Pieter Duijn. De gemeenteontvanger is Bernardus A. Res.

Op 1 januari 1905 telt Castricum 2.076 inwoners. Dit aantal is op 31 december in datzelfde jaar met relatief veel personen toegenomen en wel tot 2.265. In het jaar 1905 zijn in Castricum 84 kinderen geboren; er worden 11 huwelijken gesloten en er overlijden 35 personen. Door dit geboorteoverschot van 49 en doordat er 140 personen meer in Castricum komen wonen (246) dan er zijn vertrokken naar elders (106), neemt het inwonertal met 189 personen toe.

In de voorgaande jaren vestigen zich jaarlijks zo’n 110 personen in Castricum en vertrekt er ongeveer een gelijk aantal naar elders. Dit jaar is er een trendbreuk door de voorbereidingen voor de bouw van Duin en Bosch; maar liefst 246 mensen komen hier wonen.

 
25 januari 1905

In de gemeenteraadsvergadering wordt de verordening op de heffing en de invordering van het schoolgeld opnieuw vastgesteld.

Café de Goede Verwachting.
Café de Goede Verwachting. Heereweg 36 in Bakkum, 1915. Familie Castricum met personeel.
Op de gevel staat: Hier stalt en verhuurt men paard. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Door de heer C. Castricum te Zuid-Bakkum is een vergunning aangevraagd om sterke drank in zijn lokaliteit aan de Heereweg te mogen verkopen (later geheten café De Goede Verwachting). De gemeenteraad wijst er het college nog wel op dat er voor deze lokaliteit vroeger een vergunning heeft gegolden, die echter is overgegaan naar het perceel van Joosten (nu hotel Borst). De vergunning wordt verleend.

De heer Duijn stelt voor om elektrisch licht in de gemeente aan te leggen, nu de gelegenheid zich voordoet bij de aanleg van elektrisch licht bij de Provinciale Stichting. De raad meent dat de aanleg te hoge kosten met zich zou meebrengen. Dit voorstel wordt echter voor een nadere bespreking voor de toekomst aangehouden. Misschien dat men dan eens meer op de hoogte zou raken van wat eigenlijk de kosten van aanleg zijn en of de ligging der woningen zich daartoe wel leent.

 
22 februari 1905

De hoofdonderwijzer Bussen heeft al herhaalde malen over de slechte toestand van de onderwijzerswoning (deel uitmakend van het oude raadhuis) geklaagd. Ook de Gedeputeerde Staten (GS) en de districtsschoolopziener hebben zich achter Bussen gesteld en vinden de toestand onhoudbaar. Het beste zou een nieuwe onderwijzerswoning zijn. De gemeenteraad vindt de kosten hiervan veel te hoog en wil niet verder gaan dan een grondige reparatie. Met het plan tot verandering van de woning dat door het college op last van GS is opgesteld, kan Bussen zich niet verenigen en hij wendt zich opnieuw tot de schoolopziener.

De binnenplaats met links meester C.J. Bussen, hoofd van de Eerste Openbare Lagere School.
De binnenplaats met links meester C.J. Bussen, hoofd van de Eerste Openbare Lagere School. Dorpsstraat in Castricum, 1897. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De raad gaat nu akkoord met enkele aanpassingen om de heer Bussen tegemoet te komen. De schoolopziener stelt dat in verhouding tot de vermoedelijke kosten van de verbouw het wenselijker was om een nieuwe woning te bouwen met het uitzicht op een buitengewone subsidie van 50 procent. De raad kan niet besluiten tot nieuwbouw, omdat de kosten hiervan 6.000 gulden bedragen en dan zou het de gemeente, gegeven de subsidie, 500 gulden meer gaan kosten dan verbouw en zij zou dan ook twee woningen in onderhoud hebben.

Uiteindelijk wordt op 30 augustus besloten, na enige wijzigingen en aanvullingen van het plan door timmerman/aannemer Kabel, ‘om het nodigste aan de onderwijzerswoning te laten repareren’.

 
8 maart 1905

Vergunning is verleend aan B.A. Res, R. Kaptein, J. Hogenstijn en H. Duijn tot het oprichten van een stoomzuivelfabriek op een weiland met als belendingen ten oosten en ten zuiden weiland, ten noorden de Gemeente straatweg (de Breedeweg) en ten westen het Haarlemmervoetpad (Schoutenbosch) en Wulbert Liefting (boerderij Compaan). In 1905 wordt de melkfabriek De Holland gebouwd.

 De stoomzuivelfabriek 'De Holland' in 1905 gebouwd aan de Breedeweg.
De stoomzuivelfabriek ‘De Holland’ in 1905 gebouwd aan de Breedeweg.

 
22 maart 1905

De onderwijzeres Mulder is op haar verzoek eervol ontslag verleend; zij zou per 15 mei opgevolgd worden door mejuffrouw Benedic uit Utrecht. In het jaar 1904 zijn er nogal wat personeelswijzigingen op de Openbare School nummer 1 in de Dorpsstraat en op nummer 2, de nieuwe school aan de Van Oldenbarneveldweg in Bakkum. Per 16 mei krijgt onderwijzer S. Stolp eervol ontslag. In april wordt de slechte gezondheidstoestand van onderwijzeres Sluijsken gemeld; zij zou nog dit jaar overlijden. Met ingang van 16 september wordt ondenvijzeres C.H. Ahlert uit Amsterdam benoemd.

De Openbare Lagere school aan de Oldenbarneveldweg in Bakkum.
Rechts de Openbare Lagere school aan de Oldenbarneveldweg in Bakkum, 1908. De Bakkummerweg is nog een zandweg. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

 
12 april 1905

Raadslid Goes meldt de slechte toestand van de weg bij het stationsplein langs de veelading. Voorgesteld wordt om de weg te verbeteren met sintels.

 
3 mei 1905

Het verzoek van B.A. Res, als gemachtigde van de stoomzuivelfabriek (De Holland aan de Breedeweg), om de uitwegen van de bedoelde fabriek te verharden en het slootje tussen hun perceel en het Haarlemmervoetpad (Schoutenbosch) te dempen, wordt ingewilligd.


Jaarboek 29, pagina 89

Burgemeester en Wethouders (B&W) informeren bij Gedeputeerde Staten (GS) naar de mogelijkheid om te gelegener tijd met de (straat)verlichting aan te sluiten bij Duin en Bosch.

 
2 augustus 1905

Dokter Stolp, de enige huisarts van Castricum, hier reeds 24 jaar werkzaam en woonachtig aan de Dorpsstraat in het huis dat later Hermana State zou gaan heten, meldt aan het gemeentebestuur dat hij de gemeente gaat verlaten en verzoekt om hem per 1 augustus te ontslaan als geneeskundige belast met doodschouw en vaccinatie en in zijn plaats te benoemen zijn opvolger arts Rentmeester.

Hermana State aan de Dorpsstraat met wellicht dokter Schoonhoff.
Hermana State aan de Dorpsstraat 76 met wellicht dokter Schoonhoff, 1925. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Ook de rooms-katholieke arts Schoonhoff komt in Castricum werken. De gemeenteraad stelt voor om zij die ten laste van de gemeente komen, voorlopig over te dragen aan arts Rentmeester, doch te zijner tijd de armenpraktijk aan Schoonhoff over te dragen. Rentmeester ontvangt een toelage van 50 gulden voor vaccinatie en doodschouw voor de periode tot 31 december 1905.

Rentmeester is net als zijn voorganger Nederlands Hervormd en dat wordt in het overwegend katholieke Castricum als ongewenst ervaren. In zijn brief aan het gemeentebestuur schrijft Rentmeester: “Oorspronkelijk hier gekomen met het  plan rustig praktijk uit te oefenen, is mij thans ter ore gekomen dat mijn komst minder gewenst was en men een katholieken docter hier wilde hebben.” Hij stelt dat de praktijk, zoals die door Dokter Stolp is waargenomen, alleen een voldoende bestaan oplevert voor één geneesheer.

 
30 augustus 1905

Het afzanden van de Duinweg (de Mient) wordt voortgezet mits de rijweg berijdbaar blijft.

Zicht op Mient hier nog een zandpad.
Zicht op Mient hier nog een zandpad, circa 1900. De weg wordt in 1916 bestraat. Toen de Zanderij werd afgegraven was de Mient nog onbewoond. Enkele arbeiders uit de omliggende polders die op de Zanderij werkzaam waren bouwden hier hun meestal schamele huisjes. Antje Breetveld, ook wel Zwarte Ant genaamd en Griet Miggel waren getrouwd met 2 van deze polderjongens zoals men de zandgravers toendertijd betitelde. In 1914 werden de vervallen bouwsels afgebroken. Voor het huis de vrouwen in klederdracht en links het huisje van Jan Vader. De behuizing is hoewel schilderachtig vooral primitief. Het huisje van Jan Vader was geen officieel café. Veel jongelui legden hier een kaartje. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

 
5 september 1905

De raadsleden Goes, Kuijs en Schuijt worden herkozen. Jacob Kuijs treedt af als wethouder en wordt opgevolgd door Goes.

 
27 september 1905

De afsluitboom wordt bij het passeren van de stoomtram Haarlem-Alkmaar niet meer neergelaten. Door de Raad van Toezicht op de Spoorwegen te ‘s-Gravenhage was de snelheid van de tram op 7,5 km per uur gesteld in de kom der gemeente tot aan de rooms-katholieke kerk. Deze Raad verzoekt om de afsluitboom te handhaven.

Een stoomtram op de Dorpsstraat bij de Rustende Jager. Dorpsstraat in Castricum, 1910. Tot de eisen van het gemeentebestuur behoorden het plaatsen van een afsluitboom bij de school in de Dorpsstraat (toen nog Rijksstraatweg), het posteren van een man met een vlag bij het passeren van de aansluiting met de Overtoom en de Kramersweg (Burgemeester Mooijstraat) en het stapvoets rijden van de tram door het dorp achter een persoon met een luid rinkelende bel, die ‘vooruitloper’ werd genoemd. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De gemeenteraad besluit tot het vaststellen van een verordening. In deze verordening wordt de afsluitboom voor de veiligheid van het verkeer weer in gebruik gesteld. Bovendien wordt de snelheid van de tram in de dorpskom (van spoorlijn tot rooms-katholieke kerk) teruggebracht van 7,5 km naar 5 km per uur en zal de tram over dit traject met een luid klinkende bel van zijn passage blijk geven.

De verloskundige hulp in het dorp wordt al sinds 1882 verleend door vroedvrouw mejuffrouw E. Slot, die in Limmen woont. Indien zou blijken dat beide artsen zich voor die verrichtingen beschikbaar stellen, dan zou mejuffrouw Slot volgens de gemeenteraad kunnen worden ontslagen. Dokter Schoonhoff stelt zich hiervoor beschikbaar en


Jaarboek 29, pagina 90

besloten wordt mejuffrouw Slot met ingang van 1 januari 1906 eervol te ontslaan.

Elisabeth Kieft-Slot en familieleden.
Elisabeth Kieft-Slot (met koffiepot) en familieleden. Rijksweg 54 in Limmen. Na een wervingsprocedure wordt in oktober 1882, na goedkeuring door de Castricumse gemeenteraad, aangesteld als vroedvrouw in Castricum en Limmen. Elisabeth Slot, die haar diploma behaalde op 19 juli 1882 in Rotterdam, kan dus worden gezien als eerste van een reeks erkende Castricumse vroedvrouwen. In de eerste jaren van haar werkzaamheden leert Elisabeth haar toekomstige echtgenoot Christiaan Kieft, bollenkweker te Limmen, kennen, waarmee ze op 8 september 1886 in het huwelijk treedt. Het echtpaar gaat wonen Rijksweg 54 te Limmen, een huis dat kortgeleden is gesloopt. Elisabeth Kieft-Slot blijft meer dan 25 jaar als vroedvrouw in Castricum en Limmen werkzaam en wij mogen dus aannemen, dat zij een aanzienlijk aantal Castricummers en Limmenaren op de wereld heeft geholpen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Mejuffrouw Slot laat het er niet bij zitten, zoals blijkt uit haar brief aan het college van Castricum:
“Weledelachtbare Heeren!
Naar aanleiding van geruchten, als zou de Raad der gemeente Castricum er over denken mij met 1 Januari 1906 als vroedvrouw te ontslaan, neem ik de vrijheid mij tot u te richten, met het beleefd verzoek, mij althans voor het komende jaar 1906 in mijne betrekking te handhaven. Afgezien van de overweging in hoeverre zulk een ontslag in overeenstemming is met het besluit voltrokken, welke ik destijds ben benoemd, meen ik op grond van een 23 jarige nauwgezette plichtsbetrachting, gegrond bezwaren te mogen hebben tegen een ontslag, op zulk een kort termijn.

Wel is waar hebben zich door de vestiging van twee Doktoren, de toestanden ter plaatse van de verloskundige hulp in Uwe gemeente gewijzigd. Het is mij echter bekend dat Dr. Rentmeester geen verloskundige praktijk zal uitoefenen, terwijl mede ondersteld mag worden dat Dr. Schoonhoff evenwel de tarieven voor verloskunde hulp in Medische kringen gebruikelijk handhaven zal, en zoo de toestand wel gewijzigt, toch meen ik niet in die male dat althans niet voor één jaar, een afwachtende houding zou kunnen worden aangenomen.”

Mejuffrouw Slot krijgt steun van het bestuur van de afdeling Noord-Holland van de Bond van Vrouwelijke Verloskundigen in Nederland die in een schrijven van 28 oktober 1905 aan het gemeentebestuur van Castricum te kennen geeft:

  • “Dat het geven van het ontslag aan de Gemeente vroedvrouw E. Kieft-Slot een onbillijke houding is, die geen gegronde redenen tot grondslag heeft;
  • dat door dit ontslag de Raad der Gemeente Castricum een onrechtvaardig besluit heeft genomen tegenover het grootste deel der bevolking dat prijs stelt op hulp van een vroedvrouw;
  • dat door het verdwijnen der vroedvrouw uit Uw gemeente in den hand wordt gewerkt het uitoefenen van de verloskunde door onbevoegden;
  • dat door het geven van het ontslag aan de vroedvrouw een grove onbillijkheid is begaan, omdat zij drie en twintig jaren steeds ten genoegen van den Raad en Gemeentenaren haar ambt heeft vervuld.
  • Reden waarom adressanten U eerbiedig verzoeken bedoeld besluit te herroepen of aan de ontslagene een jaarlijkse toelage te verschaffen van minstens 75 gulden voor trouwe dienstvervulling.
  • Adressanten zullen de vrijheid nemen de vraag en het antwoord te publiceren in verschillende bladen.”

Het gemeentebestuur heeft desondanks mejuffouw Slot per 1 januari 1906 ontslagen.

 
12 oktober 1905

Enige ingezetenen van Bakkum hebben een verzoek gericht aan Gedeputeerde Staten om ook op de nieuwe school in Bakkum herhalingsonderwijs te geven. Vijftien leerlingen hebben zich aangemeld. De districtsschoolopziener dringt er sterk op aan om op beide scholen de gelegenheid open te stellen tot het bijwonen van herhalingsonderwijs. Hiertoe wordt door de raad besloten. Het onderwijs wordt gegeven door de hoofden der scholen in Castricum en Bakkum respectievelijk de heren Bussen en Nijsen.

Meester Dekker.
Portret uit 1920 van meester Theodorus (Dirk) Dekker. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Opnieuw zijn leerkrachten nodig. Een oproep wordt geplaatst voor een onderwijzeres voor de school in Bakkum en voor een onderwijzer voor tijdelijk in Castricum, opdat meester Dekker niet nog langer voor twee klassen staat. Op school 1 wordt door vijf onderwijzers les gegeven en de taken zijn zo verdeeld dat meester Dekker aan de tweede en vierde klas les geeft. De schoolopziener meldt dat dit zeer nadelig is voor het onderwijs en dat blijkt ook; als Dekker in de ene klas bezig is, is er in de andere klas geen leiding bij het maken van de oefeningen. Hij dringt aan op een nieuwe onderwijzer en stelt dat ook de wet eist dat zes onderwijzers moeten fungeren op straffe van verlies van de Rijksbijdrage.

 
28 november 1905

Meester Dekker richt een verzoek aan de gemeenteraad voor een geldelijke beloning:

“Ondergeteekende D. Dekker Az. (Adriaanszoon?), sedert 1879 onderwijzer alhier, geeft met verschuldigde eerbied te kennen:

  • dat het in die lange reeks van jaren dikwijls is voorgekomen dat ondergeteekende bij ziekte van een collega of bij vacature werd geplaatst voor twee klassen, onder andere nog tijdens de vacature Hermans, toen hem 4 maanden lang 2 klassen van 96 leerlingen werden opgedragen;
  • dat ook nu weer vanaf 1 April tot heden dus gedurende acht maanden ondergeteekende is geplaatst voor het 4e en 2e leerjaar samen 70 leerlingen, verdeeld over 2 lokalen;
  • dat dit aantal grooter is dan het 5e en 6e leerjaar samen en bijna zoo groot als het aantal leerlingen op school nummer 2 te Bakkum;
  • dat het onderwijzen van zulk een groot aantal kinderen, in 2 lokalen, in gewone omstandigheden aan 2 onderwijzers opgedragen, voor één te vermoeiend moet zijn, en in staat de gezondheid ook van sterkeren te schaden;
  • dat ondergeteekende in het volle bewustzijn zijn plicht gedaan en met den meesten ijver aan deze al te zwaren taak gewerkt te hebben, en overtuigd dat Uw geacht College zijn arbeid waardeert, ook mag vertrouwen dat U het billijken van een verzoek om een geldelijke belooning wel zult willen erkennen;
  • dat de gemeente gedurende genoemd tijdvak van acht maanden, door den arbeid van ondergeteekende ongeveer 8 x 50 = 400 gulden salaris voor een tijdelijke onderwijzer heeft uitgespaard.
  • reden waarom ondergeteekende zich tot Uw Geacht College richt met beleefd verzoek hem voor genoemden bovenmatig zwaren arbeid eene geldelijke belooning wel te willen toestaan.”
    Door de gemeenteraad wordt aan meester Dekker een bedrag van 40 gulden toegekend.

 
31 december 1905

De gemeenterekening over het jaar 1905 telt 17.317 gulden aan ontvangsten en 18.082 gulden aan uitgaven, zodat er een nadelig saldo is van 765 gulden.

Simon Zuurbier