Het Wisselkind – een Bakkumse ballade

Door: Eric Bor

Afb. 1. HeinzelmÀnnchen

In Kennemerland, Balladen van de Alkmaarse dichter Willem Hofdijk (1816-1888) staat de sprookjesachtige ballade ‘Het Wisselkind’. Volgens Hofdijk is het een eeuwenoud streekverhaal, dat hij gehoord heeft van de ‘landman’ Klaas Mooij uit Egmond-Binnen. Het gaat over ‘Heinmannekens’, kabouters die in de duinen bij Bakkum leefden. Hun naam is de Nederlandse vorm van ‘HeizelmĂ€nnchen’, die volgens Duitse sagen kleine Keulse huisgeesten waren. De ballade van Hofdijk draait om een Heinmansdochter. De ballade begint bijna als de bekende Loreleysage:

In de lommer van de berken
Met hun geelen najaarsdosch,
Zat de schoone Heinmans-dochter 1),
Op het groene heuvelmosch.
En ze deed de snaren trillen
Op heur harp van blinkend goud,
En de zoetste toongalm ruischte
Door de duinvallei en ’t woud.

Afb. 2. W. Hofdijk in 1854 naar een litho van A.J. Ehnle

De nimf Loreley zit op een hoge rots aan de oever van de Rijn en betovert de schippers met haar zang en haar schoonheid, waardoor hun schip op de rotsen te pletter slaat. De Heinmansdochter is geen fatale vrouw, maar een zacht dwergachtig meisje. Zij is als baby verwisseld met een mensenkind. Ze heet Belwit. Ridder Anzing, de dorpsoudste van Bakkum, hoort haar spel, aanschouwt haar schoonheid en verklaart haar direct zijn liefde:

“Belwit, lieflijkste aller schonen!
Duinroos, geurende overzoet!
Wat toch heeft de wildernisse
Lokkend voor uw teer gemoed?
Op de Santmark staat mijn huizing,
Cierlijk als een landkasteel –
Belwit! ‘k biede ‘t met mijn harte
U ten recht en wettig deel.”

Maar hij week geen stap ter zij’
Driemaal boog zijn hand zich kruisend . . . .
’t Duingemommel ging voorbij.

Afb. 3. Kennemerland, Balladen

IRidder Azing bezweert haar bij zijn kruisbeeld, dat zij niet van de kabouters afstamt, waardoor hij de betovering die haar aan de kabouters bindt, verbreekt. Dan naderen de boze kabouterscharen:

’t Scheen toen of de duinen golfden
Als een zwaar beroerde plasch
Hij gevoelde ’t aan zijn boezem
Dat daar vreemds rondom hem was.
Haastig bad ze, en roerend smeekend:
„0 voleind, en maak mij vrij:
‘k Zie de ontelbre graauwe scharen,
Zwervend thands om u en mij!”
Dwarlend bruischte ’t rond hen henen.

De macht der liefde overwint alles.

Afb. 4. Loreley

Voetnoot
1) Heinmans = Heinmannekens = kaboutertjes

Bronnen
Tekst:
  • Adriaan Hendriks, Willem Hofdijk, de minstreel van Kennemerland, Amsterdam 1928,

  • Foto’s:
  • Afb. 1. HeinzelmĂ€nnchen Rien Poortvliet. Das große Buch der HeinzelmĂ€nnchen,
  • Afb. 2. Willem Hofdijk in 1854 (naar een litho van J.A. Ehle). DBNL (Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren),
  • Afb. 3. Kennemerland, Ballade. Regionaal Archief Alkmaar.
  • Afb. 4. Loreley. Ansichtkaart.

  • N.B. Meer columns van Eric Bor lezen?
    U vindt al zijn columns hier.

    De ‘Cunerakapel’ in Bakkum

    Door: Eric Bor

    Afb. 1. De kapel op een pentekening van Pieter Bruin, periode 1592-1643. Foto: Beeldbank Oud-Castricum

    Hertog Willem van Beieren (de latere graaf Willem V)  liet in 1351 in Delft een gezegelde oorkonde opstellen, waarin stond dat hij ter ere van God een kapel zou stichten in Bakkum. Dit omdat zijn leger eerder die maand de scheepsslag bij Zwartewaal had gewonnen van het leger van zijn moeder, Margaretha van Beieren, waarmee Willem de heerschappij verkreeg over Holland. Zeer waarschijnlijk kwam hij tot de keuze van Bakkum (destijds vallend onder Egmond) als plaats voor de kapel op aanraden van zijn adviseur Jan van Egmond.

    Afb. 2. De kapel op een schets van Andries Schoemaker uit 1726. Foto: Beeldbank Oud-Castricum

    Uit twee documenten uit het jaar 1439 in de archieven van de Abdij van Egmond blijkt dat de bouw van de kapel aan de Heereweg te Bakkum meer dan tachtig jaar later plaatsvond. Als schutspatroon wordt de Heilige Cornelius genoemd. Het altaar van de kapel werd ingewijd op 9 maart 1439. De kapel bleef ruim honderd jaar in gebruik. Tussen 1560 en 1570 werd de kapel verschillende keren beschadigd door de geuzen, die hun agressie richtten op alles wat Spaans en katholiek was. In 1576 was de kapel verlaten en in het begin van de 17e eeuw werd zij ingericht als ‘regthuys’ voor bestuur en rechtspraak door schout en schepenen en als school. Na 1812 werd het gebouw als woonhuis verhuurd.

    Afb. 3. Scheepsgevecht in de veertiende eeuw. Afbeelding: publiek domein, via Wikimedia Commons

    Op 29 januari 1873 werd het voormalige raadhuis met erf openbaar verkocht. De Castricummer Dirk Bruin werd de nieuwe eigenaar voor een bedrag van 606,- gulden. Het huis werd afgebroken en de stenen ervan werden gebruikt voor de bouw van de rentenierswoning  â€˜Eva’s Hof’ aan de Achterlaan. Ruim honderd jaar later werd ook deze woning afgebroken en nu werden de oude stenen van de kapel gebruikt bij de bouw van een modern landhuis aan de Achterlaan, op een perceel naast dat van het vroegere ‘regthuys’.

    Afb. 4. Eva’s Hof. Foto: Beeldbank Oud-Castricum

    Opmerkelijk is, dat de naam Cunerakapel nergens in de kerkelijke stukken opduikt. In de documenten uit 1439 is sprake van de H. Cornelius als schutspatroon. De enige die de naam ‘Cunerakapel’ vermeldt, pastoor Nicolaas Bommer (1777-1808) in zijn ‘Korte beschrijving van de slag bij Castricum’ (1799) onder de diefstallen door de Franse troepen “de klok van ‘t Raadhuijs te Baccum, eertijds de Capel van Sinte Cunera”. Het is mogelijk dat Cornelius op een zeker moment is vervangen door Cunera, wier relikwieĂ«n in Egmond worden bewaard.

    Bronnen

    Tekst:
  • Chris ten Raa, Cunerakapel. In: Jaarboek 25, 2002, p. 8-13.

  • Foto’s:
  • Afb. 1. De kapel op een pentekening van Pieter Bruin, periode 1592-1643 (Foto: Beeldbank Oud-Castricum),
  • Afb. 2. De kapel op een schets van Andries Schoemaker uit 1726 (Foto: Beeldbank Oud-Castricum),
  • Afb. 3. Afb. 3. Scheepsgevecht in de veertiende eeuw (Afbeelding: publiek domein, via Wikimedia Commons),
  • Afb. 4. Eva’s Hof (Foto: Beeldbank Oud-Castricum).

  • N.B. Meer columns van Eric Bor lezen?
    U vindt al zijn columns hier.

    Jac. P. Thijsse en het Naardermeer

    Door: Eric Bor

    Afb. 1. Jac. P. Thijsse. Foto archief Heimans en Thijsse Stichting

    Tegelijk met de invoering van de Mammoetwet op 1 augustus 1968, veranderde de naam van de openbare Ulo-school in Jac. P. Thijsse Mavo. Deze school zou uitgroeien tot het huidige Jac. P. Thijsse College. De school is vernoemd naar Jac. P. Thijsse, de natuurvorser die samen met Eli Heimans in 1904 streed voor het behoud van het Naardermeer.

    Afb. 2. Het Jac. P. Thijssecollege aan de Bloemen. Foto: Beeldbank Oud-Castricum

    Natuur als gebruiksvoorwerp

    In de negentiende eeuw werd de natuur nog gezien als een gebruiksvoorwerp. Hout was de grondstof voor vrijwel alles en natuurgebieden moesten wijken voor stadsuitbreidingen, spoorlijnen en wegen. De directeur van de Amsterdamse Stadsreiniging liet zijn oog vallen op het Naardermeer als stortplaats, toen de vuilnisbelt aan de Kostverlorenkade in 1904 vol raakte. De familie Rutgers van Rozenburg, die eigenaar was, wilde de ‘onnutte plas’ wel voor 155.000 gulden verkopen.

    Voorstel verworpen

    Afb. 3. Het Naardermeer. Foto: Geurt Besselink, Natuurmonumenten

    De onderwijzers Jac. P. Thijsse en Eli Heimans hadden in die tijd al tal van boeken over de natuur gepubliceerd. Thijsse had een vaste rubriek in het Algemeen Handelsblad en Heimans schreef voor  de Groene Amsterdammer. Nadat zij over het onzalige vuilnisplan hadden gehoord schreven zijom het publiek wakker te schudden een serie stukjes. Toch kregen hun argumenten in de beraadslagingen van de gemeenteraad niet veel aandacht. De discussie ging in de vergadering van 14 december 1904 vooral over de kosten, de volkshygiĂ«ne en de te verwachten moeilijkheden en risico’s. Uiteindelijk verwierp de raad het voorstel tot aankoop van het meer met een verschil van maar twee stemmen. Het huisvuil zou voortaan verbrand worden.

    Openbare verkoop

    Op 15 april 1905 werd de ‘Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland’ opgericht, met Jac. P. Thijsse als bestuurslid. De openbare veiling van het Naardermeer op 29 mei 1905 verliep teleurstellend voor de familie Rutgers van Rozenburg, want geen enkel bod haalde het bedrag, dat Amsterdam had willen betalen. Natuurmonumenten startte vervolgens onderhandelingen met de familie en wist het Naardermeer voor 150.000 gulden in de wacht te slepen.

    Invloed

    Afb. 4. De voormalige COL-school was een eerdere locatie van het Jac. P. Thijssecollege. Foto: Beeldbank Oud-Castricum

    Jac. P. Thijsse was dus niet letterlijk de redder van het Naardermeer, zoals nog wel eens gedacht wordt. Wel zorgde hij er met talrijke geschriften voor, dat zijn tijdgenoten  meer belangstelling kregen voor de natuur en er met meer respect naar gingen kijken. Hij had een heel sterke invloed op iedereen die zich in de twintigste eeuw met natuurbescherming heeft beziggehouden.

    Bronnen

    Tekst:
  • Albert Beintema, Het begon met het Naardermeer, ’s-Graveland 2005,

  • Foto’s:
  • Afb. 1. Jac. P. Thijsse (1865-1945) (Foto archief Heimans en Thijsse Stichting),
  • Afb. 2. Het Jac. P. Thijssecollege aan de Bloemen (Beeldbank Oud-Castricum),
  • Afb. 3. Het Naardermeer (Foto: Geurt Besselink, Natuurmonumenten),
  • Afb. 4. De voormalige COL-school was een eerdere locatie van het Jac. P. Thijssecollege (Beeldbank Oud-Castricum).

  • N.B. Meer columns van Eric Bor lezen?
    U vindt al zijn columns hier.

    Tuberculose in Castricum en Bakkum

    Door: Eric Bor

    Afb. 1. Ina Bleeker met enkele zussen en haar moeder (foto Gert-jan Bremer)

    Tuberculose is Ă©Ă©n van de oudste infectieziekten en kwam al in de oudheid voor. In het lichaam van Egyptische mummies van rond 3000 voor Christus hebben wetenschappers resten van de ziekte aangetroffen. In 1901 was tuberculose volksziekte nummer Ă©Ă©n in Nederland. Per 10.000 inwoners overleden er 18 aan de ziekte. Castricum en Bakkum golden in het begin van de twintigste eeuw als plaatsen met uitzonderlijk veel tuberculozen. De tbc-lijders gingen veelal naar sanatoria in Bilthoven of op de Veluwe, maar de meesten werden thuis in een tbc-huisje gelegd.

    afb. 2. Bedverpleging in de buitenlucht in de jaren 30. (Sanatorium Bilthoven)

    Bij tientallen woningen stond zo’n huisje op het erf. Ze waren gemonteerd op een draaischijf, zodat ze steeds naar de zon gericht konden worden. Voor leden van een kruisvereniging was de plaatsing van een ‘lig-tent’ bij hun huis gratis. Kees ‘Spriet’ Stuifbergen, die het magazijn in de Burgemeester Mooijstraat beheerde, leverde ook de hulpmiddelen, bedden, steken enz. De huisjes werden met paard en kar bij de mensen gebracht en op het erf opgebouwd. Er stond bijvoorbeeld een huisje bij de familie Bleeker. Dochter Ina kreeg als enige van een gezin van 11 tuberculose. Ze is twee keer naar het sanatorium in Berg en Dal geweest. Thuis lag ze in een tbc-huisje (afb. 1). Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch had een eigen tbc-paviljoen: De Wisk.

    Afb. 3. TBC-huisje op een draaischijf in het Openluchtmuseum (Foto: Suzanne Stoppel van RTV-Noord)

    Rond 1934 nam het aantal tbc-patiĂ«nten af. Op de jaarvergadering van het Witte Kruis werd gemeld dat er in Castricum drie patiĂ«nten waren uitgezonden naar sanatoria en drie gezond waren teruggekeerd. De wijkzusters hadden hier 180 bezoeken aan tbc-patiĂ«nten afgelegd, waarbij 23 gezinnen bezocht waren. Vlak na de oorlog liep het aantal patiĂ«nten weer op, maar in de jaren vijftig nam het, door toegenomen beschikbaarheid van goede medicijnen, sterk af. Volgens het RIVM waren er in 2019 nog 759 tbc-patiĂ«nten in Nederland.  

    Afb. 4. Affiche uit de jaren 30 (tbc-huisje.nl)
    Bronnen

    Tekst:
  • Niek Kaan. De Duinkant, een vergeten dorpje. In Jaarboek Oud-Castricum 2010 (p. 6 t/m 21),
  • Alkmaarsche Courant 19 februari 1935, p. 3,
  • Website Isgeschiedenis.nl,
  • RIVM,
  • informatie van Gert-jan Bremer (zoon van Ina Bleeker).

  • Foto’s:
  • Afb. 1. Ina Bleeker met enkele zussen en haar moeder (foto van Gert-jan Bremer,
  • Afb. 2. Bedverpleging in de buitenlucht in de jaren 30. Sanatorium Bilthoven,
  • Afb. 3. TBC-huisje op draaischijf in het Openluchtmuseum. Suzanne van RTV-Noord
  • Afb. 4. Affiche uit de jaren 30. TBC-huisje.nl,
  • Afb. 5. Paviljoen De Wisk van Duin en Bosch Beeldbank Oud-Castricum

  • Afb. 5. Paviljoen De Wisk van Duin en Bosch (Beeldbank Oud-Castricum)

    N.B. Meer columns van Eric Bor lezen?
    U vindt al zijn columns hier.

    Een Castricummer met 101 stemmen

    Door: Eric Bor

    Afb. 1. Frans van Dusschoten in 1992 (Beeldbank Oud-Castricum)

    Meneer de Uil, Willem Bever, Momfer de Mol, Chico Lama, Paulus de Boskabouter, Krakras, Salomo de raaf, Joris het vispaard, Brilsmurf, Knutselsmurf en Azrael waren van de jaren zestig tot en met tachtig bekende figuren van de kindertelevisie. Al hun stemmen werden ingesproken door de Castricummer Frans van Dusschoten. Vanaf de jaren zeventig werd hij ook bekend als ‘aangever’ in de AndrĂ© van Duin Shows.

    Afb. 2. Meneer de Uil uit de Fabeltjeskrant (foto: AD)

    Frans Joseph van Dusschoten werd op 6 augustus 1933 geboren in Amsterdam. Hij volgde de mulo en de hbs. Al op school kon hij zijn klas laten gieren door de stemmen van zijn leraren te imiteren. Hij ging werken bij een uitgeverij, maar zijn hart lag bij het theater. In 1950 deed hij een succesvolle auditie met imitaties voor het veelbeluisterde radioprogramma De Bonte Dinsdagavondtrein. In het theater debuteerde hij als artiest in een variĂ©tĂ©programma met onder anderen Lou Bandy en Kees Pruis. In 1955 begon ‘de man met de 101 stemmen’ op te treden als conferencier/imitator.

    Afb. 3. André van Duin Revue t.g.v. 100 jaar Carré; Frans in het zwart, links

    In 1968 ging de succesvolle televisieserie De Fabeltjeskrant van start met Frans als stemmenleverancier. Deze was tot 1989 op televisie. Ook aan de series Paulus de Boskabouter en De Smurfen leende Van Dusschoten zijn stem. In 1972 begon zijn samenwerking met André van Duin. De toen nog onbekende theaterproducent Joop van den Ende wilde Frans eigenlijk als komiek en André als aangever, maar andersom bleek het veel beter te werken. Behalve aan vele André van Duin Shows, werkte hij ook mee aan talrijke speelfilms. In 1993 ging Van Dusschoten met pensioen. In 1995 werd hij onderscheiden als Ridder in de Orde van Oranje Nassau. En hij kreeg in zijn carriÚre twee keer de Gouden Televizierring.

    Afb. 4. Frans van Dusschoten als veilingmeester in Castricum

    Frans van Dusschoten kocht in 1960 een huis in de bomenbuurt in Castricum en zou er tot zijn dood in 2005 blijven wonen. In interviews in de landelijke pers gaf hij vaak aan dat hij hield van het dorp en zijn prachtige omgeving. Hij was erg op zijn privacy gesteld en trad zelden naar voren in het dorp. In 1984 verrichtte hij de heropening van de Wereldwinkel en in de jaren negentig was hij bestuurslid van de afdeling Basiseducatie van de Stichting Gemeenschapsraad Castricum. In 1992, vijfhonderd jaar na de ontdekking van Amerika door Columbus, was hij gastheer van een Indiaanse solidariteitsmaaltijd georganiseerd door de Wereldwinkel in het Jac. P. Thijssecollege en in 1993 bracht hij als de meest oneerlijke veilingmeester van Nederland 11.000 gulden in het laatje van de Stichting Castricum-Zawite op een kunstveiling van honderd kunstwerken ten bate van het Koerdische dorp Zawite.

    Bronnen

    Tekst:
  • De digitale Theaterencyclopedie,
  • Enkele regionale en landelijke kranten.

  • Foto’s:
  • Afb. 1. Frans van Dusschoten in 1992 (Beeldbank Oud-Castricum),
  • Afb. 2. Meneer de Uil uit de Fabeltjeskrant (foto: AD),
  • Afb. 3. AndrĂ© van Duin Revue t.g.v. 100 jaar CarrĂ©; Frans in het zwart, links (Digitale Theaterencyclopedie),
  • Afb. 4. Frans van Dusschoten als veilingmeester in Castricum (Beeldbank Oud-Castricum).

  • N.B. Meer columns van Eric Bor lezen?
    U vindt al zijn columns hier.

    Het Koningskanaal langs de Zeeweg

    Door: Eric Bor

    Naast het fietspad op de Zeeweg loopt van de Van Lenneplaan tot de rotonde Zeeweg/Van Oldebarneveldweg een smalle waterloop. Dit was oorspronkelijk een afwateringskanaal dat behoorde bij de planmatige duinontginningen in de 19e eeuw en heet het Koningskanaal.

    Het Koningskanaal langs de Zeeweg

    Jonkheer Daniël Gevers van Endegeest had in 1824 een gouden bekroning gekregen voor zijn inzending bij een prijsvraag die was uitgeschreven door de Maatschappij ter bevordering van den Landbouw. Het ging om het geschikt maken van duinvalleien voor de landbouw, door te zorgen voor ontwatering en toegangswegen. In het plan van Gevers kwamen er windsingels tegen verstuiving en werd een stelsel van afwateringssloten aangelegd. Ook kwam er een kwekerij voor houtgewassen en werd een aantal duinboerderijen gebouwd.

    Op deze honderd jaar oude foto van de boerderij Johanna’s Hof is vooraan een stukje van het Koningskanaal zichtbaar

    Rond 1830 werd het plan van Gevers daadwerkelijk uitgevoerd. Er werden delen van het Castricumse duingebied ontgonnen, onder andere bij de boerderijen Zeeveld, Van Lennepsoord en Johanna’s Hof (deze laatste boerderij werd, zoals ik al eerder heb beschreven, later een theehuis). Koning Willem I was enthousiast over het plan van Gevers en wilde eraan deelnemen. Hij had ongeveer 1000 hectare duingebied laten aankopen door de makelaar J. Twisk Czn  uit Castricum. Om de afwatering te verbeteren werd onder andere het Koningskanaal gegraven. Het kanaal liep vanaf de huidig kruising Zeeweg/Van Oldenborghweg tot aan het Schulpstet en mondde daar uit in de Schulpvaart. Tegenwoordig gaat het onder de rotonde door naar het natuurontwikkelingsproject Hooge Weide.

    In het Koningskanaal groeiende bomen worden geregeld verwijderd

    Het grootste deel van de grond was bestemd voor de veeteelt, een deel ervan voor akkerbouw. In 1840 was er 30 hectare akkerland: op 15 ha stond rogge, op de rest haver, aardappelen, koolzaad, wortelen en paardebonen. De resultaten van de ontginning vielen tegen, want de zilte zeewind was slecht voor het gewas en de grond was niet erg productief. Na 1920 trad bovendien verdroging van de duingebieden op doordat er  water aan het duingebied werd onttrokken voor de drinkwaterwinning. De agrarische activiteiten op de duingronden en in de duinrand namen als gevolg hiervan af.

    De duiker bij de nieuwe ingang van Duin en Bos werd in 2000 vernieu

    Omdat restanten van duinontginningen relatief zeldzaam zijn en afwateringskanalen daarbinnen zeer zeldzaam, is het kanaal, ondanks dat het niet meer in zijn geheel aanwezig is, in het rapport “Definitieve selectie monumentwaardige terreinen en landschappelijke structuren” uit 2013 van het bureau Beek & Kooiman Cultuurhistorie opgenomen als gemeentelijk monument.

    Bronnen

    Tekst:
  • Bureau Beek & Kooiman Cultuurhistorie. Rapport: “Definitieve selectie monumentwaardige terreinen en landschappelijke structuren” (2013)

  • Foto’s:
  • Beeldbank Oud-Castricum

  • N.B. Meer columns van Eric Bor lezen?
    U vindt al zijn columns hier.