Duin en Bosch, evacuatie (Jaarboek 18 1995 pg 27-30)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Duin en Bosch in Bakkum:
Duin en Boschbegraafplaatsevacuatiepati√ęntenzorgtrammetje
Extra: JacobiJacobi gezin en grafmonument –¬†Broeder Krist vertelt …Raadsel met schilderij opgelost

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2:¬†Castricum in oorlogstijd¬†–¬†Dagboek kapelaans¬†– De dood van Arie Hageman –¬†Duin en Bosch, evacuatie¬†–¬†Duinkant, een verdwenen dorpje¬†– Oorlogsherinneringen Nardus Bos –¬†Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot¬†– verdedigingswerken –¬†verzetsstrijders¬†–¬†Leenaers, dokter¬†–¬†tante Sientje


Jaarboek 18, pagina 27

Een ziekenhuis op drift

De evacuatie van Duin en Bosch

Evacuatie Duin en Bosch, uitladen van goederen in Rosmalen.
Evacuatie¬†Duin¬†en¬†Bosch, uitladen van goederen in Rosmalen. De¬†evacuatie moest plaatsvinden op 23 juni 1942. Teenstra ontsloeg eerst 60 betere pati√ęnten. De overige 770 pati√ęnten werden overgeplaatst naar andere instellingen: 254 pati√ęnten gingen naar de Willem Arntsz hoeve bij Den Dolder, 195 werden geplaatst in Groot-Graffel te Warnsveld, 162 in Medemblik en 159 in Rosmalen (Coudewater). De directie koos domicilie in een voormalig schoolgebouw in Limmen om zodoende dichtbij het ziekenhuis te blijven en de zaken in de gaten te houden.¬†Pati√ęnten en personeel hebben het nodige te lijden gehad van de oorlogsomstandigheden. De Joodse pati√ęnten die naar Den Dolder en Rosmalen waren ge√ęvacueerd, konden uit de handen van de bezetter worden gehouden; in Medemblik en Warnsveld zijn ze slachtoffer van de terreur geworden. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Juni 1942

Door velen werd het reeds gevreesd, door anderen mogelijk ver­wacht: maar in juni 1942 werd de directie van Duin en Bosch geconfronteerd met een aan duidelijkheid niets te wensen overla­tend bevel van de Duitse Wehrmacht tot ontruiming van het grote ziekenhuiscomplex met uitzondering van een paar bedrijfsgebou­wen, zoals ketelhuis, centrale, wasserij en keuken. Het bericht kwam voor de directie als een donderslag bij heldere hemel en betekende voor bewoners en personeel zonder meer op zeer korte termijn evacuatie naar oorden elders in het land. Ik sprak erover met personen, die er nauw bij betrokken waren en zich er alles van konden herinneren, al is het 53 jaar geleden. Zij wisten er dikwijls kleurig en boeiend over te vertellen. Dat sommigen van hen al niet meer onder ons zijn, is een onontkoombaar gegeven.

Dokterswoning van Duin en Bosch, van Oldenbarneveldweg 38 in Bakkum.
Dokterswoning van Duin en Bosch, van Oldenbarneveldweg 38 in Bakkum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Limmen

De directie en de centrale boekhouding en administratie werden voorlopig ondergebracht in een van de dokterswoningen, maar ver­huisden evenwel spoedig naar een niet meer in gebruik zijnd schoolgebouw in Limmen. Van hieruit trachtten geneesheer-directeur dr. Teenstra en hoofdadministrateur Van Keeken plus een aan­tal medewerkers, contact te houden met de vier evacuatiebestemmingen in Warnsveld, Medemblik, Rosmalen en Den Dolder. Het onderhouden van deze contacten bleek later zeer moeilijk te zijn.

Mannelijke pati√ęnten en personeel van Duin en Bosch tijdens de evacuatie periode in Groot Graffel te Warnsveld tijdens de tweede wereldoorlog.
Mannelijke pati√ęnten en personeel van¬†Duin en¬†Bosch¬†tijdens de evacuatie periode in Groot Graffel te¬†Warnsveld¬†tijdens de tweede wereldoorlog. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Warnsveld

“Ik werd met vele anderen aangewezen als begeleider van een groep van 195 mannelijke en vrouwelijke pati√ęnten voor evacuatie naar de psychiatrische inrichting ‘Groot-Graffel’ in Warnsveld”, vertelde me oud hoofdverpleegkundige Arie Kossen, toen nog jong verpleger. De groep werd ondergebracht in twee paviljoens waarover dokter Ten Raa de leiding had. “De huisvesting kon nooit optimaal zijn, want Groot-Graffel kon normaal 700 mensen herbergen. Na ons arriveerde nog een groep vrouwen uit Santpoort, zodat er een overbezetting van 400 mensen was. De voedselvoorziening was aanvankelijk uitstekend, maar werd snel minder en er werd tenslotte bijna honger geleden. Een ‘zwaar’ onderhoud met de rentmeester van de stichting, een belangrijke figuur, leidde tot duidelijke verbetering, er kwam meer eten. De verstandhouding met het personeel van Groot-Graffel was zonder meer prima, er werd met elkaar gezongen, zelfs toneel gespeeld, kortom we werden gastvrij ontvangen door onze collega’s in het dorp, die huisvesting aanboden aan het gehuwde personeel van Duin en Bosch. Ik en mijn vrouw met wie ik in het gemeentehuis van Warnsveld trouwde, woonden op kamers bij een collega.”

Toen de voedselsituatie minder werd kon men bij boeren in de omgeving naast melk, ook nog lang rogge en tarwe bemachtigen. “Ik kocht bij een heel goede boer zelfs een big tegen de geldende prijs per kilo. Niks geen ‘zwart’. Ik bracht hem in een zak achter op de fiets naar huis”, lacht Arie Kossen bij de gedachte eraan. Het leven werd eind 1944, begin 1945 echt moeilijk toen Warnsveld in de frontlinie kwam te liggen. Het echtpaar Kossen bracht nog een dag of vier door in de kelder bij de buren, terwijl de granaten van de Duitsers en Canadezen en de gevreesde V1‚Äôs van de Duitsers over het dorp gierden. “Begin 1945 werd ik met andere collega ‘s bij toerbeurt tewerkgesteld bij het aanleggen van versterkingen en geschutsopstellingen voor de Duitsers. Ik zat midden in de winter aan de IJssel te kappen en te zagen voor 35 gulden in de week met zaterdags een worst en een brood mee naar huis.” Arie Kossen kan er boeiend en met zin voor humor einde¬≠ loos over vertellen.

Over het wel en het wee van de pati√ęnten schrijft dokter Ten Raa in zijn sober bijgehouden, maar veelzeggende dagboek over de laatste angstige maanden in Warnsveld:

  • 23 januari 1945 Vandaag veel onrust in de lucht, bommen en schieten.
  • 26 januari 945 Moordende koude, 15 graden beneden nul. Brand¬≠stoffen slinken onrustbarend.
  • 6 februari 1945 De hele dag bombardementen. Veel pati√ęnten van¬≠nacht onrustig. Huilen en schreeuwen.
  • 13 februari 1945 Rantsoenen vet en boter zeer sterk beperkt. Voor ongeveer 1500 pati√ęnten is nog zo’n 12 kilogram boter per week beschikbaar. Het middageten van de pati√ęn¬≠ten is ongeveer de helft van gewoonlijk. Kolen zijn op en er moet met hout worden gestookt.
  • 10 maart 1945 Door gebrek aan hout, stopt heden de centrale ver¬≠warming. Koude noordenwind, koud op alle zalen.
  • 28 maart 1945 Met opgewektheid gevierd het 25-jarig dienstjubileum van zuster Fekkes, vooral nu de gebeurtenis¬≠sen wijzen op een snel naderend einde van de oor¬≠log.
  • 31 maart 1945 Vanmiddag is alles op en om het terrein in oorlogsopstelling. De pati√ęnten van de zolders zullen beneden op de grond slapen. Alle mobiele pati√ęn¬≠ten blijven ‘s nachts in de kleren.
  • 4 april 1945 Om half twee ‘s middags begint een beschieting met granaten, die met korte onderbrekingen duurt tot 10 uur ‘s avonds. Na talloze granaatinslagen, die een mannelijke pati√ęnt doodden, kwam om 10 uur ‚Äės avonds nog mitrailleurvuur op ons mannen¬≠ paviljoen, waardoor 2 pati√ęnten op slag gedood werden. Toen kort na 1 uur vier voltreffers op ons vrouwenpaviljoen. Het was een hel toen de Canadezen door de gangdeuren naar binnen scho¬≠ten. Begeleid door broeder Nonnekes, die een branden¬≠de lantaarn omhooghield, kon ik de Canadese offi¬≠cier overtuigen, dat dit een ziekenhuis was en geen militaire vesting, zoals hij op zijn kaart had staan. Het was zijn opdracht het gesticht volkomen te vernietigen. Even na ons gesprek hield het artille¬≠rievuur op ons gesticht op.
  • 5 april 1945 Een helse nacht om nooit te vergeten. Alle pati√ęn¬≠ten tezamen gepakt met het personeel in de bene¬≠den gangen. Niemand sliep. Alle personeel hielp voortreffelijk in de allerzwaarste omstandigheden.

Tot zover het dagboek van dokter Ten Raa. De volgende dag was Groot-Graffel bevrijd. Vier pati√ęnten lieten het leven en in de loop van de evacuatie werden de enkele Joodse pati√ęnten, die van Duin en Bosch waren meegekomen, weggevoerd naar de vernietigings¬≠kampen in het oosten.


Jaarboek 18, pagina 28

“Het was een benauwde en angstige tijd, die je nooit meer ver¬≠geet,” aldus Arie Kossen. Zijn groep keerde het eerst terug op Duin en Bosch op 30 oktober 1945.

Hoofdgebouw te Medemblik.
Hoofdgebouw te Medemblik.

Medemblik

Met als einddoel het zusterziekenhuis in Medemblik kroop in die bewogen juni maand in 1942 een lange karavaan autobussen, vracht- en verhuiswagens richting IJsselmeer, waar 162 mannelij¬≠ke pati√ęnten en 40 personeelsleden zouden worden ondergebracht. De algemene leiding berustte bij dokter Kruytbosch; de dagelijkse leiding was in handen van zuster Frikkee.
Oud-verpleegster Jeanne Kriekaard (in 1994 overleden) was er bij en vertelde me haar ervaringen: “De ontvangst was uitermate har¬≠telijk en warm, het laatste niet in het minst door de grote ketels met stevige, smakelijke soep, die de keuken in Medemblik voor ons had bereid.” Die ontvangst was haast symbolisch voor de fijne verstandhouding, die er in die lange evacuatietijd was ontstaan. Het ziekenhuis kende niet als Duin en Bosch paviljoens, maar het ‘bloksysteem’, waarbij de bevolking eigenlijk onder √©√©n dak woont, dat wil zeggen in twee grote vleugels en een hoofdgebouw. De Duin en Bosch-bewoners werden in een aantal door de Medemblikker pati√ęnten ontruimde zalen ondergebracht, terwijl een grote werkzaal als ziekenzaal werd ingericht. Het ongehuwde personeel van Duin en Bosch werd in slaapkamertjes gehuisvest op de bovenverdieping, terwijl de gehuwden al redelijk snel onderdak vonden in het stille stadje.

“In het ziekenhuis mengden onze mannen zich al gauw onder de Medemblikkers, omdat sommige zalen eigenlijk gewoon in elkaar overliepen. Het ging wederkerig en ‘s avonds was het vaak √©√©n grote familie en een en al gezelligheid. Tussen de personeelsleden waren de relaties eveneens prima, wat later zou blijken uit een handvol huwelijken, die er werden gesloten. Het eten was er heel lang goed en voldoende, maar in de laatste winter werd het steeds meer mondjesmaat net als overal. Licht en verwarming waren er de laatste maanden nauwelijks meer. Grote met hout gestookte en soms bar rokende en stinkende kachels zorgden nog voor wat behaaglijkheid. Het water werd tenslotte tot een minimum gerant¬≠soeneerd”, aldus Jeanne Kriekaard, die een trieste herinnering had aan die dag in maart 1944 toen de Duitsers 9 Joodse pati√ęnten van Medemblik en Duin en Bosch wegvoerden naar Auschwitz, waar ze het leven lieten. “We waren machteloos en verslagen”, besloot ze haar verhaal.

Pati√ęnten en personeel ge√ęvacueerd in Medemblik.
Pati√ęnten en personeel ge√ęvacueerd in Medemblik.

Aanvankelijk als huishoudelijke hulp, later in de grote keuken werkzaam heeft Gr√© Froma-Zonneveld aan die jaren in Medemblik – ondanks alles – veel goede herinneringen. “De verstandhouding tussen het interne perso¬≠neel van Medemblik en ons was prima en er ontston¬≠den van lieverlede hechte relaties tussen de broeders van Medemblik en de zusters en dienstmeisjes van Duin en Bosch. Op Duin en Bosch vond men in die jaren de omgang van broeders met dienstmeisjes maar zo zo”, wil ze even kwijt. Een sterke, angstige herinnering heeft ze aan 15 januari 1945 toen zo’n 100 man Gr√ľne Polizei en Wehrmacht een grote razzia hielden in het ziekenhuis, dat – overigens niet ten onrechte – door de Duitsers werd beschouwd als een broeinest van verzet en een verblijfplaats voor onderduikers. “Ik werd uit de keuken gehaald en door de beruchte Fischer, commandant van de Gr√ľne Polizei, gesommeerd hem de weg te wijzen boven in het hoofdgebouw, waar hij kennelijk niet vond wat hij zocht. Ik ging trillend op mijn benen weer met hem naar beneden. Veel later hoorde ik dat zich op zolder een bekende Medemblikker ver¬≠zetsman schuilhield. In de vroege ochtend van die dag werd een aantal uitwonende personeelsleden – op weg naar hun werk – op een hoop gedreven en voor verhoor meegenomen naar het hoofdkwartier van de Gr√ľne Polizei. De meesten werden vrij snel weer losgelaten, een paar moesten voor een verder verhoor naar Alkmaar, maar ook zij keerden gauw terug, behalve een paar broeders van Medemblik, die naar Duitsland werden getransporteerd. Een aantal jonge Medemblikker verplegers – bevreesd voor de Arbeitseinsatz in Duitsland – bracht de dag door in de verwarmingskelders, die zich onder het gehele complex uitstrekten. Ze kwamen na vertrek van de Duitsers weer te voorschijn, al hadden ze wel angstige ogenblikken gekend.”

Wat haar het meest is bijgebleven, was de beschie­ting van een kleine Nederlandse vrachtboot door een Engelse Typhon op het IJsselmeer vlak onder de haven van Medemblik een paar weken vóór de bevrijding. Met een aantal doden en gewonden aan boord meerde de boot af langs het ziekenhuisterrein aan de Westerhaven, waar al snel de nodige en nog mogelijke hulp werd geboden. Een paar oudere Duin


Jaarboek 18, pagina 29

en Bosch-zusters begeleidden de gewonden op een met stro en strobalen bedekte boerenwagen met een witte vlag naar het zie­kenhuis in Enkhuizen: een gevaarlijke onderneming met die vlieg­tuigen in de lucht.

De klokkenstoel op het terrein van Duin en Bosch.
De klokkenstoel op het terrein van Duin en Bosch. De klokkenstoel stond voorheen bij het Provinciaal Ziekenhuis in Medemblik. Hij verhuisde naar Castricum na sluiting van het Provinciaal Ziekenhuis in Medemblik in de jaren kort na 1960. In de jaren na 1960 heeft er op Duin en Bosch vervangende nieuwbouw plaats gevonden. Na de voltooiing daarvan is door de aannemer een klokkenstoel geschonken en is de luiklok daarin opgehangen.De klokkenstoel stond bij het Oude Huys, museum, theehuis. Toen de vervangende nieuwbouw werd gesloopt en er veel ging veranderen op het zieknhuisterrein is in 2014 de klok door Parnassia Vastgoed Groep aan de Oudheidkundige Vereniging Medenblick geschonken. De klok staat nu in het museum van deze vereniging. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Toen de Bevrijdingsdag eindelijk kwam, werd de etensbel aan de muur van het hoofdgebouw uitbundig geluid (hij prijkt nu naast het Duin en Bosch-museum in een klokkenstoel). “Ja, je was blij, maar toch timide en triest om wat er gebeurd was, het fusilleren van drie Medemblikker personeelsleden. Je kende ze allemaal zo goed”, besloot Gr√© Froma haar verhaal.

De aankomst in juni 1942De aankomst in juni 1942 op 'Coudewater' te Rosmalen.
De aankomst in juni 1942 op ‘Coudewater’ te Rosmalen.

Rosmalen

“Die evacuatie kwam als een donderslag bij heldere hemel. De nacht v√≥√≥r het vertrek sliepen we met de vrouwen in het stro, omdat ledikanten en bedden al in de vrachtauto’s waren geladen”, vertelde hoofdverpleegster Chris Commandeur mij’ toen ik twee jaar geleden met haar sprak over de evacuatie naar het rooms-katholieke gesticht ‘Coudewater’ in het Brabantse Rosmalen. Met haar colle¬≠ga en huisgenote Jeanne Holtrop vergezelde ze een groep van 159 vrouwen, die onder supervisie van mevrouw dokter Aukes moes¬≠ten verhuizen naar het zuiden des lands. De pati√ęnten werden ondergebracht in een tweetal ontruimde paviljoens, het personeel in het zogeheten ‘Sanatorium’. Toen er later nog 200 mensen uit ‘Oud-Roosenburg’ bij Loosduinen en 150 uit Noordwijkerhout bij kwamen, moest het personeel zich in de dorpen Berlicum en Rosmalen vestigen. Hoe was het contact met het personeel van Coudewater? “Er was heel weinig contact, de omgang was bijna gereserveerd. Mogelijk speelde daarbij de katholieke signatuur van het gesticht wel een rol; we leefden eigenlijk helemaal apart en dat was onder de gegeven omstandigheden toch wel vreemd”, aldus de zusters. “De voedselvoorziening was bepaald goed te noemen. Dank zij een eigen boerderij, waarvan de verbouwde tarwe, rogge en peulvruchten nooit werden ingeleverd bij de Duitsers, was er haast geen gebrek, terwijl de keuken in 1944 toch voor zo‚Äôn 1500 mensen moest zorgen”, weet Chris Comman¬≠deur. “Er werd ook regelmatig clandestien geslacht. Nee, honger hebben we nooit geleden zoals de mensen in Den Dolder, al kon¬≠ den wij het moeilijk begrijpen dat de pati√ęnten van hun klasse-afdeling ondanks de schaarste altijd betere en ruimere voeding kregen, terwijl iedereen toch dezelfde bonkaarten had.”

De zusters willen het zo veel jaren later nog wel even kwijt. Ontspanning was er vrijwel niet en daarvoor was ook geen gele¬≠genheid toen van medio tot eind 1944 de Engelsen en Canadezen gestaag oprukten in het zuiden en Coudewater in de frontlinie kwam te liggen. “Een angstige tijd door de schietpartijen en bombardementen over en weer. De pati√ęnten werden in de kelders van de paviljoens ondergebracht waar ze beschermd waren tegen bomscherven. Het was gewoon een hel als de granaten over Coudewater gierden en de bommen insloegen, terwijl je ‘s nachts de vrouwen in de kelders moest verzorgen en verschonen. Velen waren incontinent. We konden er amper rechtop staan”, herinne¬≠ren de zusters zich nog maar al te goed. Overigens vielen er geen slachtoffers, behalve een zuster uit Oud-Roosenburg, die door een granaatscherf werd getroffen en gewond werd. Op 24 oktober werd Coudewater door de Engelse troepen bevrijd. “Ik was die dag jarig en had me geen mooier verjaardagscadeau kunnen wensen”, aldus Jeanne Holtrop.

Paviljoen Vrouwen 1.
Toegangsweg en ingang van Hoograde Duin en Bosch. Dit pand was heel vroeger een opnameafdeling voor¬†vrouwen¬†en had de naam¬†Vrouwen¬†1. In de jaren 1960 , toen het Provinciaal Ziekenhuis te Medemblik werd opgeheven en naar Bakkum kwam, hebben alle¬†paviljoens een eigen naam gekregen. Hoograde wil zeggen “hoge grenslijn”. Oude Parklaan in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Toch zou het nog ruim een jaar duren – om precies te zijn op 20 november 1945 – dat de groep ‘Rosmalen’ weer op haar oude paviljoens Vrouwen 1 en Vrouwen 2 van Duin en Bosch terug¬≠ kwam en aan een bange tijd een einde kwam.
De zusters Holtrop en Commandeur zijn in 1993 en 1994 overle­den.

Den Dolder

Ook al eiste direct oorlogsgeweld geen slachtoffers onder pati√ęnten en personeel, de evacuatieperiode in Den Dolder zou de meest rampzalige, de zwartste bladzijde in de oorlogsgeschiedenis van het zieken¬≠huis worden. Van de 254 mannen en vrouwen, die juni 1942 een ander onderkomen vonden in een tweetal paviljoens van de Willem Arntzhoeve, stierf van juni 1942 tot december 1946 ongeveer 25 procent. Een schrikbarend sterftecijfer, dat zijn oorsprong vond in het vanaf 1942 stijgend voedselgebrek, in de kou op de tenslotte onverwarmde zalen en in de onmoge¬≠lijkheid hen – ondanks alle zorg en inzet van het per¬≠ soneel – de verzorging en behandeling te geven, die zij nodig hadden.
Evenals de evacu√©s van Rosmalen sliepen de pati√ęnten van Vrouwen 2 en Vrouwen 3 de laatste nacht in het stro, omdat de ledikanten en bedden al de dag ervoor naar Den Dolder waren vervoerd, waar een paar personeelsleden de slaapgelegenheid zo goed mogelijk hadden verzorgd.

Een van hen was oud-verpleegster Hilde Nienhuis. Zij wist er nog heel veel van te vertellen. “Het verkeer langs de route door Amsterdam was voor de Duin en Bosch karavaan speciaal omge¬≠leid. Dokter Graafland (later werd hij vervangen door dokter Elderson) en hoofdzuster Ruisaart hadden de leiding. We werden vriendelijk ontvangen en de relatie met onze collega’s van de Willem Arntzhoeve was en bleef ook heel prettig. Ja, alles liet zich in het begin goed aanzien, maar dat zou in de loop van de tijd ver¬≠anderen. De voedselrantsoenen werden steeds kleiner en de opge¬≠slagen voorraden in de centrale vestiging in Limmen waren al gauw als een druppel op een gloeiende plaat. Kwam er eens wat extra’s, dan belandde dat vaak op de klasse-afdeling van de Willem Arntzhoeve hoeve in plaats van bij ons. Het verbaasde ons nauwelijks sinds de leiding van het ziekenhuis door een N.S.B.-directeur was vervan¬≠gen. Hoewel het nabijgelegen vliegveld Soesterberg regelmatig door de geallieerde luchtmacht werd gebombardeerd en twee paviljoens van de inrichting werden getroffen, vielen onder onze mensen geen slachtoffers.


Jaarboek 18, pagina 30

De Jodenvervolging, die zich in 1943 ook tot ziekenhuizen en psy¬≠chiatrische inrichtingen uitstrekte, was een andere bedreiging. Het personeel had al direct de namen van de vijf of zes Joodse mensen uit hun kleding gehaald en bij een razzia week een zuster via een achteruitgang met hen uit naar een blokhut in het bos, die een vei¬≠lige haven bleek. In 1944 was er geen verwarming meer, moest het water uit twee bronnen op het terrein worden gehaald en lag de wasserij stil. We wasten vuil lijf- en beddengoed met ‘luchtzeep’ in koud water in de badkuipen, ook besmet goed, want er was een dysenterie-epidemie onder de pati√ęnten uitgebroken, die steeds meer slachtoffers maakte. Daarbij kwam tot overmaat van ramp de schurft, die we haast niet meer konden behandelen, omdat er geen desinfectiemiddelen waren. Het werd een ware ramp. Veel mensen stierven door de kou, door gebrek aan voedsel en geringe weerstand. Voor de doden waren geen kisten meer; ze werden in een papieren zak gewikkeld en op een grote kar naar het kerkhof vervoerd. Heel luguber allemaal”, aldus Hilde Nienhuis, die de Joodse pati√ęnten van de Willem Arntzhoeve staande in vrachtau¬≠to’s zag wegvoeren. “Het was afschuwelijk en we konden niets voor hen doen, we waren machteloos”, verzucht ze nu nog zoveel jaren later.

Paviljoen Mannen 1, later Hoge Steeg genoemd, in 1946.
Paviljoen Mannen 1, later Hoge Steeg genoemd, in 1946. Oude Parklaan in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In december 1946 arriveerde haar groep na vier verschrikkelijke jaren weer op Duin en Bosch. Velen van hen, in 1942 vertrokken, hadden het niet overleefd.

Drie Duitse soldaten tijdens de tweede wereldoorlog.
Drie Duitse soldaten tijdens de tweede wereldoorlog. Er was in 1943 een continent van 400 Duitse soldaten. Openbare gebouwen werden gevorderd voor het onderbrengen van de Duitsers, onder andere op Duin en Bosch, het zusterhuis en scholen, en ook woningen werden gevorderd. Deze soldaten zaten vermoedelijk op Duin en Bosch. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Terug naar Bakkum

Wat was er sinds juni 1942 met het leegstaande Duin en Bosch gebeurd? De verlaten paviljoens boden al gauw huisvesting aan Duitse militairen en manschappen van de ‘Organisation Todt’, de bouwafdeling van de Duitse Wehrmacht. Zij werden ingezet bij de aanleg en het bouwen van versterkingen en fortificaties, zoals de bunkers in de duinen en aan de kust en de voor een deel nooit opgeruimde ‘Tankwal’ bij de Geversweg. Ook bouwden zij de bunkers op het ziekenhuisterrein aan de Sifriedstraat, twee kleine en √©√©n grote, die later volgestort met beton en overdekt met zand, aan het gezicht onttrokken zijn, √©n ook de nog zichtbare bunker achter het PWN-gebouw.

Tankmuur bij de Geversweg.
Tankmuur bij de Geversweg. Deze Panzermauer is bedoeld om het binnendringen van tanks naar het duingebied te verhinderen. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Dankzij de bezetting – men had ze immers nodig – bleven elektrische centrale, ketelhuis en wasserij gewoon functioneren met het daar werkzame personeel, zo goed en zo kwaad als dat onder de oorlogsomstandigheden mogelijk was.

De elektriciteitscentrale van Duin en Bosch.
De elektriciteitscentrale van¬†Duin¬†en¬†Bosch in 1935.. (Jan) J.S.G. Bedeke de machinist en J.J. le Noble de elektrici√ęn van de elektriciteitscentrale van¬†Duin¬†en¬†Bosch. De elektriciteitsopwekking gebeurde met een stoomturbine (Laval turbine) en 110 Volt gelijkstroomgeneratoren. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Aan de directie was eind 1942 de toegang tot het ziekenhuis ontzegd.
Men zou verwachten dat na de bevrijding de evacuatiegroepen spoedig op Duin en Bosch zouden terugkeren, maar niets bleek minder waar. Na de capitulatie van de Duitse troepen hadden de Binnenlandse Strijdkrachten (B.S.) hun oog laten vallen op de leegstaan¬≠ de gebouwen. Van de zes paviljoens, voor zover bruikbaar, werden er vier ingericht tot bewaringskamp voor ‘politieke delinquenten’ en twee tot verblijf van de manschappen. In het A-gebouw werden wapenkamers en militaire bureaus gevestigd.

Het administratiegebouw op Duin en Bosch.
Het administratiegebouw op Duin en Bosch. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Half juli 1945 werd een deel van het A-gebouw vrij gegeven en kon men het bewoonbaar maken om van daaruit de langzamerhand weer ter beschikking gestelde paviljoens leeg te ruimen en schoon te maken. Het daarvoor aangetrokken personeel moet het gevoel gehad hebben ‘sisyfusarbeid’ te verrichten. De gebouwen waren volkomen uitgewoond, niet alleen door de Duitsers, maar ook door de paarden die er gestald waren. Langzaam maar zeker werden de paviljoens enigermate geschikt om hun eigenlijke bewoners weer te ontvangen, al zou het nog wel behelpen worden voorlopig. Er was nog aan alles gebrek. Een direct na de bevrijding inzettende stroom van nieuwe pati√ęnten en een groot tekort aan verpleegkun¬≠digen en medische staf, maakten het alleen nog maar erger.

Het 'thuisfront' in Limmen op 9 mei 1945.
Het ‘thuisfront’ in Limmen op 9 mei 1945.

De 130 pati√ęnten uit Warnsveld, die op 30 oktober 1945 als eer¬≠sten met hun begeleiders terugkeerden, vonden misschien letterlijk een ‘opgemaakt bedje’, maar meer ook vrijwel niet. Op 20 novem¬≠ber van dat jaar volgden 129 vrouwen uit Rosmalen.

Daggang in gebouw De Loet (het vroegere Mannen 2).
Dag gang in gebouw De Loet (het vroegere Mannen 2). Oude Parklaan 15-95 in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Omdat de schoonmaak en herinrichting van de gebouwen veel tijd vergde, werden alle teruggekeerden voorlopig op Mannen 2 (de tegenwoordige Loet) ondergebracht, wat in dit nu meer dan over­bevolkte paviljoen uiteraard ook problemen met zich mee bracht. Men kon de problemen echter de baas! Had men zich nog maar zo kort geleden, onder slechtere omstandigheden niet moeten behel­pen? De terugkomst van de groepen uit Medemblik en Den Dolder zou nog meer dan een jaar duren. Pas op 19 december 1946 keerden de laatste evacués terug op Duin en Bosch. Aan meer dan vier jaar van ontberingen, droefenis, angst en ellende was toen een eind gekomen.

Jaap Glastra

Duin en Bosch (Jaarboek 18 1995 pg 18-26)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.

Verschenen artikelen over Duin en Bosch in Bakkum:
Duin en Boschbegraafplaatsevacuatiepati√ęntenzorgtrammetje
Extra: JacobiJacobi gezin en grafmonument –¬†Broeder Krist vertelt …Raadsel met schilderij opgelost


Jaarboek 18, pagina 18

Het oude Duin en Bosch

Een ziekenhuis van oprichting tot in oorlogstijd

Luchtfoto van Duin en Bosch met links de paviljoens voor vrouwen rechts voor mannen.
Luchtfoto van Duin en Bosch met links de paviljoens voor vrouwen rechts voor mannen. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

Een verhaal …

25 november 1902 … voor Castricum en Bakkum een dag als zo veel andere dagen van het jaar, lijkt het … Bij caf√© Van Benthem stappen een paar vrouwen in de stoomtram, die zich sissend en puffend, grote wolken van stoom uitblazend, opmaakt voor zijn verdere reis naar Haarlem … In de smederij van oude Klaas Smit vlamt het vuur hoog op; vonken sproeien de zwartgeblakerde schoorsteen in. In de deuropening hangen een paar dreumesen en kijken gefascineerd naar het vonkenspel en naar de jonge Cor Peperkamp, die boven het aambeeld zijn grote hamer zwaait en neer laat komen op het roodgloeiende ijzer. Het dreunt in hun kleine oren en de stille Dorpsstraat rinkinkt er van … Van achter de ramen van de school van Meester Dekker klinken aloude Sinterklaasliedjes, zoals ze elk jaar rond deze tijd klinken … “mak¬≠kers, staakt uw wild geraas …” Ja zeker, de Goedheilig man is weer in het land. Hij zal Castricum en Bakkum ook dit jaar weer niet vergeten, al liggen ze er op deze grijze herfstdag haast ver¬≠stild bij … Ach, in de rustige agrarische dorpen gebeurt nou een¬≠ maal niet zo veel en zeker niet in deze tijd van het jaar, nu land¬≠bouw en tuinderij op hun winterrust zijn en de bedrijvigheid rond de veeteelt zich meer in de beslotenheid van schuur en stal afspeelt. De weilanden in Molendijk en verder naar Uitgeest toe in Noordend, de akkers en de duinveldjes langs de oude Heereweg, ze liggen er kaal en verlaten bij. ‘t Lijkt of er winter in de lucht zit … Een dag als zo vele andere?

Luchtfoto van Bakkum, 1923. Vooraan links van het duintje staan de houten en stenen woningen voor het personeel van Duin en Bosch.
Luchtfoto van Bakkum, 1923. Vooraan links van het duintje staan de houten en stenen woningen voor het personeel van Duin en Bosch nu de Doctor Ramaerlaan en de van Duurenlaan. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Voorspel

25 November 1902 … de Commissaris der Koningin van Noord- Holland laat in het Haarlems Prinsenhof aan de Jacobijnestraat – toen nog zetel van het Provinciaal Bestuur – ongetwijfeld met vol¬≠ doening zijn hamer vallen, een wat andere en kleinere hamer dan die van Cor Peperkamp. Hij bekrachtigt daarmee het juist zonder hoofdelijke stemming genomen besluit van zijn Provinciale Statenleden om Gedeputeerde Staten (G.S) te machtigen tot de aankoop van de nodi¬≠ge gronden voor de bouw van een groot psychiatrisch ziekenhuis of krankzinnigengesticht zoals men het nog pleegt te noemen, en wel in de nabijheid van de gemeente Castricum. Aan dit besluit was gedurende twintig jaar veel voorafgegaan, te veel om uitge¬≠breid te vertellen; een reden om het in kort bestek samen te vatten.

In 1884 was de nieuwe Wet tot Regeling van het Staatstoezicht op Krankzinnigen aangenomen; een wet die bij artikel 11 de zorg voor voldoende plaatsruimte voor verpleging en verzorging van krankzinnigen opdroeg aan de Provinciale Besturen. En het was nu juist het gebrek aan plaatsruimte, dat in het laatste kwart van de vorige eeuw een bron van toenemende zorg was voor het Bestuur van onze provincie.

Het Provinciaal Gesticht ‘Meer en Berg’ nabij Santpoort bood nauwelijks ruimte meer voor het stijgend aantal armlastige pati√ęn¬≠ten, waarvan een deel elders in het land of in andere inrichtingen soms ver van hun woonplaats werd verpleegd. Aan deze situatie wilde men om allerlei redenen een eind maken. Daarbij kwam dat de prognose voor de komende jaren verre van geruststellend was. Er werd veel over gepraat in bestuurskringen zonder dat men evenwel tot een oplossing van de problemen kwam. Het vraagstuk werd dermate nijpend, dat in 1898 de toenmalige geneesheer-directeur van Meer en Berg, Van Deventer, met een uitvoerig rap¬≠port kwam met als hoofdconclusie: de oprichting van een tweede Provinciaal Krankzinnigengesticht.
Een tweede gesticht zou het bestaande stelsel van uitbesteding voortaan overbodig maken en het zou een ‘open’ gesticht moeten zijn met een zo ruim mogelijke gelegenheid tot het verschaffen van productieve arbeid aan de verpleegden. Van Deventer hand¬≠haafde zijn bezwaren tegen een uitbreiding van zijn Meer en Berg en adviseerde de oprichting van een landbouwkolonie, namelijk een cen¬≠traal gesticht met een aantal arbeiderswoningen, waarin gezinsver¬≠pleging mogelijk zou kunnen zijn.

Gedeputeerde Staten benoemden rond de eeuwwisseling een com¬≠missie van deskundigen, die tenslotte – zij het niet eenstemmig – met voorstellen kwam: een uitbreiding van Meer en Berg tot een zogenaamde cit√© m√©dicale met de bouw van 3 gestichten, elk met een eigen geneesheer-directeur met een eigen medische staf en het oude plan van een landbouwkolonie, uit de koker van het lid dr. W. P. Ruysch, die hiermee overigens alleen stond. Geen van de twee voorstellen vond tenslotte genade. Na uitvoerige behandeling in Provinciale Staten kwam het op 12 november 1901 tot een machti¬≠ging aan G.S. om terrein aan te kopen voor de bouw van een nieuw krankzinnigengesticht in de provincie, ‘elders dan in Santpoort‚Äô.

Prinses Marie Von Wied.
Prinses Wilhelmina Frederika Anna Elisabeth Marie van Oranje Nassau 1841-1910 (prinses Marie Von Wied). Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In oktober 1902 slaagde men er in Рachttien jaar na de totstandko­ming van de wet van 1884 Рduingronden te vinden nabij Castri­cum, een terrein groot ongeveer 82 hectare tegen de prijs van 54.700 gulden, in eigendom van Marie, prinses von Wied, geboren Prinses der Nederlanden en geparenteerd aan het huis der Oranjes. Een maand later Рop 25 november 1902 Рwerden G.S. gemachtigd lot aankoop over te gaan en werd besloten het


Jaarboek 18, pagina 19

De eerste geneesheer-directeur dr. J. W. Jacobi.
De eerste geneesheer-directeur dr. J. W. Jacobi.

nieuwe gesticht de naam ‚ÄėDuin en Bosch’ mee te geven en een geneesheer-directeur aan te stellen. Dat werd met ingang van 1 april 1903 dr. J.W. Jacobi, arts verbonden aan het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis. Op basis van zijn rapport van 20 oktober. 1902 is bij de bouw van Duin en Bosch gekozen voor het paviljoensysteem. Het opnemen van circa 600 pati√ęnten in √©√©n enkel groot gebouw was om allerlei redenen ongewenst.

In 1904 was gebrek aan verpleegruimte evenwel zo nijpend actueel geworden dat dr. Jacobi benoemd werd tot directeur van een inmiddels in gebruik genomen dependance, waarin maximaal 125 vrouwelijke pati√ęnten konden worden verpleegd. In deze depen¬≠dance van het nog te bouwen Duin en Bosch – gevestigd in de hoofdstad (Amsterdam) aan de Zwanenburgwal in een ontruimd jongensweeshuis – werden direct al uit het Wilhelmina Gasthuis 82 vrouwen opgenomen, een kleine verlichting van de problemen weliswaar. Een oplossing was in aantocht, omdat men inmiddels in het duin¬≠ gebied bij Castricum met de bouw was begonnen.

De oude Bergerweg en links de weg naar de Duin en Bosch woningen.
Circa 1925: de oude Bergerweg en links de weg naar de Duin en Bosch woningen. De oude (Heere)weg liep links. De Van Oldenbarneveldweg rechts is pas ontstaan bij de bouw van de dokterswoningen aan deze weg. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Hoe had men in Castricum en Bakkum dit alles ontvangen? Het lijdt geen twijfel dat de meningen in de stille, misschien haast wat ingeslapen dorpen verdeeld zijn geweest. Natuurlijk had men van de provinciale plannen vernomen, al was er nog geen radio en televisie en voor iedereen nog geen krant. Men had ten dele de ontwikkelingen wel gevolgd, wellicht niet zonder de nodige bedenkingen en de nodige kritiek. De overwegend agrarische bevolking was waarschijnlijk ook niet vrij te pleiten van een zeke¬≠re behoudzucht. En dan zo’n groot gesticht pal naast de deur, nee niet iedereen was er blij mee … Dat bij dat alles op de achtergrond ook het taboe meespeelde, dat toen nog heerste bij alles rond de geesteszieke medemens, is welhaast zeker … Dat er overigens ook een gezonde, op de toekomst gerichte visie bestond, staat al even¬≠ zeer vast.

Doorkijk Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat) met rechts De Rustende
 Jager, links zijn de tramrails zichtbaar. Bij deze herberg met doorrijstal werden de paarden van de postkoets verzorgd.
Doorkijk Rijksstraatweg in 1920 (nu Dorpsstraat) met rechts De Rustende Jager, links zijn de tramrails zichtbaar. Bij deze herberg met doorrijstal werden de paarden van de postkoets verzorgd. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Rond de stamtafel bij Jan Koopman in De Rustende Jager zullen heel wat wijze hoofden zijn geschud, zal politiek bedreven zijn, maar zullen ook positieve standpunten met verve verdedigd zijn met als inzet een verwachte groei van de gemeente, die de vesti¬≠ging van zo’n groot ziekenhuis met zich mee zou brengen en de allure, die het aan de dorpen zou verlenen. De voorstanders ver¬≠wachtten een toenemende economische groei en zou dat niet zeer welkom zijn? Zij zouden gelijk krijgen, want langzaam maar zeker veranderde er iets en zou er van vooruitgang sprake zijn. Het inwonertal steeg van zo’n 1.900 in het begin van deze eeuw tot ongeveer 5.500 in 1931. Duin en Bosch had met haar bevolking en personeel met hun gezinnen daartoe bijgedragen. Als tekenen van vooruitgang kwamen kort na de bouw van Duin en Bosch bijvoor¬≠beeld de school in Bakkum, het nieuwe raadhuis aan de Dorps¬≠straat, de ingebruikneming van de nieuwe Pancratiuskerk en een vervanging van de oude herberg De Rustende Jager door een modern hotel-restaurant tot stand.

De tegenstanders, de sceptici, de voorstanders, hun stemmen zijn al lang verklonken… In 1902 en 1903 hadden de plannen gestalte gekregen op de tekentafels en in 1904 begon de bouw van Duin en Bosch, een karwei, dat vijf jaar in beslag zou nemen…

Duin en Bosch in de beginjaren.
Duin en Bosch in de beginjaren.

Bouw

Niemand van de Castricummers en Bakkummers van nu heeft uiteraard de bouw van het ziekenhuis bewust beleefd en Duin en Bosch zien groeien in het toen nog ruige en vrijwel ongerepte duingebied, niemand heeft gezien hoe de Duin en Boschweg met naast zich het tracé van een trambaan aangelegd werd door de Zanderij richting bouwterrein.

Gezin van Cor de Vries in 1947.
Gezin van Cor de Vries (achterste rij, 2e van rechts) en Janiie Schipper (achterste rij, helemaal rechts) bij het huis aan de Hoogevoort in Castricum, 1947. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Er zijn alleen de verhalen van enkele hoogbejaarde dorpsbewo¬≠ners, waarvan de vaders werkzaam waren bij de bouw en soms na de ingebruikneming van het gesticht, erbij in dienst traden. Een zoon van √©√©n van die vaders, de nu 89-jarige Cor de Vries, wist nog veel te vertellen over de bouwperiode, steunend op de verhalen van zijn vader. Hij vertelde van de bouwmaterialen, hoofdza¬≠kelijk steen en dakpannen, die per schip vanaf Akersloot via de Schulpvaart op het Schulpstet werden aangevoerd en van daar met wagens en karren langs de Stetweg, Bakkummerstraat en Peper¬≠straat (nu Dr. Jacobilaan) naar de bouwplaatsen werden gebracht. Het bracht bedrijvigheid en vertier in Bakkum en Ab Zoon zag in die jaren in zijn cafeetje aan de Stetweg zijn omzet stijgen…

Vader de Vries bleef als klusjesman op Duin en Bosch, evenals


Jaarboek 18, pagina 20

andere Castricummers, die in de tuinen, het park en de varkens¬≠stallen of in de keuken en de huishoudelijke dienst de zekerheid van een vast inkomen verkozen boven een seizoensgebonden loon in de tuinderij. “De mensen van de verpleging kwamen allemaal van buiten”, vertelde hij.
Voor grondwerkzaamheden, zoals bijvoorbeeld de aanleg van de Duin en Boschweg en het bouwrijp maken van het terrein werden overwe¬≠gend mensen uit de gemeente en de naburige dorpen aangetrok¬≠ken. Bij de eigenlijke bouw werkten veel vaklieden van verre, die als ‘kostgangers’ in gezinnen waren ondergebracht. Voor menig gezin vormde hun kostgeld een welkome aanvulling op het dik¬≠wijls niet zo hoge gezinsinkomen, dat in de winter soms helemaal ontbrak als er op land en tuin geen werk was. Wat bracht de komst van een aantal ‘vreemde eenden in de bijt’ teweeg? “Nou ja”, lach¬≠te Cor de Vries, “er werd door sommigen nogal een stevige borrel gedronken en dat gaf wel eens wat wrijving, h√®? Overigens zullen de plaatselijke horeca-bedrijven er wel bij gevaren hebben …”

Aankomst van de paardentram op Duin en Bosch.
Aankomst van de paardentram op Duin en Bosch in 1916. Ten behoeve van kolentransport werd er een spoorlijntje aangelegd. In 1913 werd het lijntje doorgetrokken tot bij het administratiegebouw. Ook werd een railverbinding gemaakt met spoorwegstation Castricum. Voor 1.000 gulden kocht het bestuur twee oude tramwagons en op 30 januari 1914 kon de paardentramdienst van start. Prijs: personeel en pati√ęnten 3 cent en bezoekers 5 cent per rit. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Werd er dus via Bakkum steen enzovoorts aangevoerd, het transport van hout en ander materiaal ging per trein naar Castricum en vanaf het station per tram langs de als eerste object aangelegde Duin en Boschweg naar het bouwterrein. De tramlijn liep aanvankelijk tot de grens van het terrein en kreeg een kleine aftakking ter hoogte van de huidige bouwkundige werkplaats, die ook het eerst werd opgetrokken. In 1913 zou de lijn worden doorgetrokken tot de centrale, in verband met het kolentransport.

Het administratiegebouw.
Het administratiegebouw.

Hoe zou de bouw zich verder ontwikkelen? Het Koninklijk Besluit dat die bouw formeel mogelijk maakte, sprak – kort samengevat – van de bouw van zes paviljoens: drie voor vrouwen en drie voor mannen, waarbij een maximum bezetting van 620 pati√ęnten was gesteld (310 voor vrouwen en 310 voor mannen), dat alles met de nodige dienstgebouwen, waaronder woningen voor minstens vier ‘opwonende’ doktoren bij wie de medische zorg zou moeten berus¬≠ten over de bewoners, het inwonend personeel, maar ook over de in Castricum en Bakkum woonachtige personeelsleden en hun gezin¬≠nen. Naast hun praktijk op Duin en Bosch zouden zij geen andere uitoefenen. In 1904 kwamen behalve de Duin en Boschweg en de trambaan een tweetal opzichterswoningen, het anatomie (sectie) gebouw, werkplaatsen voor mannen en een dubbele woning tot stand.

Een van de paviljoens van Duin en Bosch in aanbouw.
Paviljoen Mannen 1 van Duin en Bosch in aanbouw in 1906. De aannemer van de bouw van Duin en Bosch meldt in verband met de veiligheidswet dat in de timmerwerkplaats op het bouwterrein een stoommachine van 26 pk wordt geplaatst om de volgende werktuigen aan te drijven: lint- en cirkelzaagmachine, freesbankmachine, lijstenschaafmachine, boor- en hakmachine, een slijpmachine en een kortzaagmachine. Bovendien worden voor de aanmaak van metselspecie twee kalkmolens door stoom aangedreven. Het werkend personeel bestaat uit 142 mensen, waaronder 42 timmerlieden, 22 metselaars, 26 opperlieden en 22 grondwerkers. De aanvoer van de bouwmaterialen geschiedt over een aparte spoorbaan langs de Duinenboschweg tot aan de duinvoet. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In de twee daaropvolgende jaren werden behalve het Administratiegebouw de zes geplande paviljoens gebouwd. Geheel naar de opvattingen van die tijd verrezen de vrouwenpavil¬≠joens aan de linker-, de paviljoens voor mannen aan de rechterzij¬≠de van de hoofdweg over het terrein. Scheiding der seksen moest er zijn en dat zou nog heel, heel lang zo blijven. In 1907 werden de ‘dokterswoningen’ aan de Bakkummerstraat (nu Van Oldenbarneveltweg), de centrale (het ketelhuis met bijbehorende werkplaatsen), de wasserij en de watertoren opgetrokken.

Het kerkje van Duin en Bosch.
Het kerkje van Duin en Bosch in 1989. Duinenboschweg 132 in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het kerkgebouw met 220 zitplaatsen, de varkensstallen en nog een dienstwoning kwamen in hetzelfde jaar van de grond. In het openingsjaar 1909 werd de bouw besloten met een barak voor besmet¬≠telijke zieken. De gebouwen waren typerend voor die tijd: hoog en plomp zonder veel versiering, al verleenden de wit-gesausde buitenmuren aan het geheel toch wel een wat levendiger toets. Boven de vrouwenwerkplaats (‘het breipaleis’), die middels een overdek¬≠ te doorgang met Vrouwen 1 was verbonden, was de toneelzaal gevestigd, die plaats bood aan 380 personen en die veelvuldig gebruikt zou worden.

Een heel oude duinboerderij uit de 17e eeuw heet wel 't Oude Huis.
Een heel oude duinboerderij uit de 17e eeuw heet wel ‘t Oude Huis. Oorspronkelijk heette het De Kwekerij. Tot 1830 eigendom van L. Boreel die het huis en de landerijen aan Koning Willem 1 heeft verkocht. Hier nog met een houten landbouwschuur, een volledige stolp. Het stenen gedeelte ligt er recht achter. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Zijn er nu nog een tweetal paviljoens, het A-gebouw en verschillen¬≠ de dienstgebouwen uit die bouwperiode over gebleven, in ouderdom blijven zij ver achter bij de oude duinboerderij, die uit de 18e, mogelijk zelfs uit de 17e eeuw dateert. Zij maakte deel uit van de in 1902 aangekochte terreinen en herbergt na vele functies (theehuis voor bezoekers bijvoorbeeld) na de restauratie in 1969 nu (anno 1995) het Duin en Bosch-museum ‘Het Oude Huijs’ dat de herinnering aan de bouw¬≠ jaren levendig houdt, maar anderszins veel interessante zaken uit de geschiedenis van de ziekenhuizen van Medemblik en Castricum laat zien en elke maand bezoekers trekt uit de gemeente, maar ook steeds meer uit de regio. Het aantal dienstwoningen beperkte zich in 1909 nog tot drie woningen op het terrein (voor machinist en park¬≠wachters) en vijf aan de Van Oldebarneveltweg, bewoond door de geneesheer-directeur (het huidige PWN-gebouw), drie artsen en de bouwkundig opzichter. In 1912 werden nog een dokterswoning en aanvankelijk 14, later nog eens 8 ‘beambtenwoningen’ gebouwd aan wat tegenwoordig Van Duurenlaan heet.

Vroeger personeelswoningen van Provinciaal ziekenhuis Duinenbosch aan de Peperstraat.
Vroeger personeelswoningen van Provinciaal ziekenhuis Duinenbosch aan de Peperstraat (nu Dokter Jacobilaan) in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Men had woningen nodig om personeel te werven en aan zich te binden. In verband met de woningnood na de eerste wereldoorlog verrezen als ‘tijdelijke maatregel’ nog 24 houten woningen aan de huidige Dr. Ramaerlaan. Een aantal jaren geleden werden deze woningen – nog voor een groot deel door personeel bewoond – door het ziekenhuis afgestoten, evenals de stenen woningen aan de Van Duurenlaan. Ze werden meestal door de toenmalige bewoners gekocht. Goede bouw en regelmatig en gedegen onderhoud leer¬≠den hoe betrekkelijk het begrip ‘lij¬≠delijk’ was. Ze staan er nog, zij het soms verbouwd en gerenoveerd, maar houden met hun uiterlijk de herinnering levend aan wat eens de ‘broederwijk’ was.

Het zusterhuis, het latere lescentrum. Het gebouw staat links van het administratiegebouw.
Het zusterhuis, het latere lescentrum. Het gebouw staat links van het administratiegebouw. Oude Parklaan 123-131 in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1920 werd direct bij de hoofdin¬≠gang van het terrein nog een com¬≠plex van vijf blokken woningen opgetrokken, bestemd voor inwonen¬≠de zusters. Traditioneel noemt men de nog niet zo heel lang geleden gerestaureerde woningen de ‘zusterhuisjes’. Tegenwoordig (anno 1995) worden ze √®n door Duin en Bosch personeel √®n door niet-‘Duin en Boschers’ bewoond.
In het kader van de bouw verdient ook vermelding het Badhuis schuin tegenover hel rustieke kerkje.


Jaarboek 18, pagina 21

Het badhuis op het terrein van Dijk en Duin.
Het badhuis op het terrein van Dijk en Duin. Tot ver in de vijftiger jaren zijn vele huizen nog niet voorzien van een douchegelegenheid. Vele gemeenten hadden al lang daarin voorzien door de stichting van een badhuis. Zo niet de gemeente Castricum. De enige mogelijkheid was er door gebruik te maken van de faciliteiten van Duin en Bosch. Alleen op zaterdagmiddag kon men in het badhuis daar een douche nemen. Foto Henk Hommes. Toegevoegd.

Aanvankelijk was het bedoeld als badgelegenheid voor rustige en mobiele pati√ęnten, die er zich onder toezicht van verplegend per¬≠soneel konden baden. Later kwam het ook ter beschikking van personeel en huisgenoten en in de latere jaren zelfs van dorpsbe¬≠woners, tot de komst van bad en douche in veel woningen het gebouwtje overbodig maakte. Nu is het in gebruik als opslagruim¬≠ te voor de schoonmaakdienst en waar eertijds de douches stroomden, staat nu (in 1995) moderne reinigingsapparatuur en bussen met schoon¬≠maakmiddelen enzovoorts.

De watertoren van Duin en Bosch in 1985.
De watertoren van Duin en Bosch in 1985. Foto van Ad van de Velde. Toegevoegd.

De al van verre zichtbare watertoren voorzag Duin en Bosch een lange reeks van jaren van water uit eigen bronnen. Later voorzag de PWN deels daarin en een aantal jaren geleden nam het pro­vinciaal bedrijf die taak helemaal over. De niet meer toegankelijke watertoren (onbetrouwbare trappen en dergelijke) staat nu (anno 1995) als een bedrijfsmonument in de schaduw van de centrale. Hij markeert Duin en Bosch vanuit de verte nog altijd samen met het speelse torentje van het Administratiegebouw. Het silhouet van de schoorsteen van het ketelhuis verdween, toen de stoom plaats maakte voor andere vormen van energie.

De eindhalte van de elektrische tram naast het spoorhuis aan de Kramersweg in 1934.
De eindhalte van de elektrische tram naast het spoorhuis aan de Kramersweg in 1934. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Tenslotte nog even iets over het smalspoornet, dat zich over het terrein uitstrekte en de gebouwen onderling en met magazijn en keuken verbond. Het maakte vervoer van voedsel en ook andere zaken mogelijk en vormde een verre voorloper van de moderne gele cars, die nu (in 1995) haast geruisloos het terrein doorkruisen.

Door het Provinciaal Bestuur van Noord-Holland werd een toezicht college (commissie van bestuur) ingesteld dat advies gaf en controle uitoefende op de Besturen van de Provinvciale Ziekenhuizen van Noord-Holland.
Door het Provinciaal Bestuur van Noord-Holland werd een toezicht college (commissie van bestuur) ingesteld dat advies gaf en controle uitoefende op de Besturen van de Provinciale Ziekenhuizen van Noord-Holland. De heer Benders ( 1e Geneesheer- Directeur), de heer Valkering (lid), Onbekend, Mevrouw Miedema-Zondervan (lid), Onbekend, De heer Gerhard (voorzitter), De heer Deinum (secretaris). 1932. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Bestuur

Nadat op grondslag van het Huishoudelijk Reglement voor het Provinciaal Gesticht voor Krankzinnigen genaamd Duin en Bosch een Commissie van Bestuur was ingesteld, werd dit besturend orgaan op 28 december 1908 door de Commissaris der Koningin ge√Įnstalleerd en vergaderde het op 18 mei 1909 voor het eerst in het Administratiegebouw. Onder toezicht van Gedeputeerde Staten hielden de vijf commissieleden zich bezig met het bestuur van het ziekenhuis.
De geneesheer-directeur had naast zijn verantwoordelijkheid voor de zorg en behandeling van de pati√ęnten, ook het personeel en het beheer van Duin en Bosch in alle facetten in zijn portefeuille. Een veelomvattende taak en al spoedig te groot geacht voor √©√©n persoon, waarna aanstelling en ontslag van verplegend personeel beneden de rang van hoofdverplegende en van alle dienstpersoneel werd over¬≠ gedragen aan de Commissie van Bestuur. Benoeming en ontslag van de geneesheren, de adjunct-directeur der technische dienst, de apo¬≠theker en de adjunct-directrice (de hoofdbeambten) zou berusten bij Gedeputeerde Staten. Tot 1920 ontbrak in de Commissie van Bestuur het vrouwelijk element en was het bestuur van het zieken¬≠huis met zijn vele vrouwelijke pati√ęnten en dito personeel dus een echte mannenaangelegenheid, maar het was nog maar 1920.
In dat kader paste bijvoorbeeld heel wel een regeling voor de tabaks- en sigarenvoorziening voor de mannelijke pati√ęnten, aanvankelijk zonder enige compensatie voor de vrouwen, die dit terecht als een vorm van discriminatie beschouwd zouden hebben, als zij dit begrip reeds gekend hadden. Maar gelukkig werd een en ander rechtgetrokken met het besluit dat “voor de werkende(!) vrouwelij¬≠ke pati√ęnten voortaan vier maal daagsch √©√©n van de twee kopjes gesuikerd zal zijn, dit naar aanleiding van een verzoek om meer suiker voor koffie en thee”. Er werd in het nog zo prille Duin en Bosch kennelijk geducht op de kleintjes gelet.

Verpleging in de open lucht.
Verpleging in de open lucht.

Bewoners

Begin mei 1909 was het dan zo ver, de bewoning kon beginnen. De adjunct-directrice, een paar personeelsleden en enkele pati√ęn¬≠ten die konden helpen bij het inrichten van de zalen, kwamen als ‘kwartiermakers’ van de Amsterdamse Zwanenburgwal naar Castricum en op 25, 26, en 27 mei arriveerden de eerste bewoners uit Amsterdam op Duin en Bosch en eind 1909 werden er 30 mannen en 166 vrou¬≠wen verpleegd, allen afkomstig uit Noord-Holland. Toen bleek al dat de prognose ten aanzien van het aantal verplegingsbehoeftigen in onze provincie te somber was geweest en zou voor het nieuwe


Jaarboek 18, pagina 22

ziekenhuis in de toekomst overcapaciteit kunnen ontstaan met alle financi√ęle consequenties van dien. Een oplossing voor dit dreigen¬≠ de probleem kwam in de vorm van een contract tussen Provincie en Rijk inhoudende de verpleging van pati√ęnten, die onder ‘s Rijks zorg en toezicht vielen.
Bij Koninklijk Besluit was het aantal  in Duin en Bosch te verple¬≠gen pati√ęnten inmiddels verhoogd van de oorspronkelijke 620 tot 732 als een aanvaardbaar maximum. In 1910 werden de eerste Rijks pati√ęnten opgenomen: mannen uit het overvolle Rijks Krankzinnigen Gesticht in Medemblik en vrouwen uit Grave. Een uitzondering wenste men te maken voor ‘gevangenispati√ęnten’. Zij kregen een plaats in de in Medemblik gebouwde versterkte afde¬≠ling. Nu konden er meer paviljoens in gebruik worden genomen en van de 732 plaatsen steeg de bezetting aan het einde van 1910, 1911 en 1912 respectievelijk tot 550, 649 en 717.

Die totalen waren uiteraard in de loop der volgende jaren aan schommelingen onderhevig en in 1918 daalden zij tot 635, een gevolg van de overplaatsing van de Rijkspati√ęnten naar elders. Daarna was het oude niveau toch weer snel bereikt en in het eind der jaren (negentien) twintig zelfs gestegen naar 871. Bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog werden er nog 879 pati√ęnten verpleegd. In 1925 werd gestart met gezinsverpleging en werden in Castricum en Bakkum 12 pati√ęnten in gezinnen geplaatst en het jaar daarop steeg dat aantal zelfs tot 23, maar vanaf 1927 trad een langzame daling in, die mogelijk verband hield met het groeiend toerisme in onze dorpen, waardoor een toenemend aantal gezinnen hun deuren openden voor pensiongasten. Dat was lucratiever dan permanent een Duin en Bosch bewoner over de vloer. In 1946 waren nog 4 pati√ęnten in het dorp woonachtig, in 1958 nog 2, een aflopende zaak dus.

Arbeidstherapie in de schoenmakerij.
Arbeidstherapie in de schoenmakerij.

Hoe verliep in de jaren voor en na de eerste wereldoorlog het leven van hen, die soms voor kortere, maar veelal voor langere tijd moesten worden opgenomen? De eerste jaren werden velen in bed verpleegd op de ziekenzalen, ‘s zomers bij goed weer onder de lui¬≠fels van de paviljoens in de open lucht. De bedverpleging naar de opvattingen van Neisser was immers populair. Maar natuurlijk waren er ook ‘lopende’ pati√ęnten. Zij bevolkten de hoge dagzalen en holle corridors, waarvan men bij voortduring trachtte een stuk ongezelligheid weg te nemen door wat aardig meubilair, veel plan¬≠ten en passende wandversiering.

Arbeidstherapie in het schillokaal voor vrouwen.
Arbeidstherapie in het schillokaal voor vrouwen.

Alle goede zorgen en verpleging ten spijt, leek het leven voor veel bewoners in de beginjaren vrij doelloos, temeer omdat slechts een betrekkelijk klein deel van hen op de √©√©n of andere wijze bezig was, al probeerde men dat wel te stimuleren en waren sommigen ergens ook zeker actief. Enkele bevoorrechten mochten zich bui¬≠ten de ziekenhuismuren en afdelingstuinen begeven en rondwandelen op het uitgestrekte – toen nog niet afgepaalde – terrein, dat door begroeiing en onoverzichtelijkheid de kans op verdwalen groot maakte. Uit die jaren dateert nog het in het Duin en Bosch museum bewaarde hoorntje, waarmee verplegend personeel was uitgerust en waarmee men onderling contact kon blijven houden bij het zoeken naar een pati√ęnt, die verdwaald was of – want dat kon ook – wanneer men z√©lf soms de weg was kwijtgeraakt. In dat verband paste ook de beloning van twee gulden bij het naar het ziekenhuis terugbrengen van een verdwaalde of weggelopen pati√ęnt, een ‘vindersloon’ dat uiteraard niet voor het personeel was bedoeld.

Arbeidstherapie in de naaikamer.
Arbeidstherapie in de naaikamer.

Naast de gangbare bedverpleging had een heel andere vorm van therapie inmiddels zijn intrede gedaan: de hydrotherapie. Met deze behandelingsmethode met permanente baden was men in de vori¬≠ge eeuw in de psychiatrie al bezig geweest. Nadien won zij steeds meer terrein en in de eerste decennia van deze eeuw werd zij in de Nederlandse gestichten veelvuldig toegepast. Ook Duin en Bosch kende haar permanente of geprolongeerde baden, waarbij pati√ęn¬≠ten onder voortdurend toezicht langere of kortere tijd verbleven in een badkuip, waarin het water steeds op de juiste temperatuur werd gehouden. Voor zo’n behandeling werden zij met vaseline ingesmeerd om verweking en eventuele ontsteking van de huid te voorkomen. Zij werden zo nodig in hun bewegingen beperkt door een zeil, dat over de badkuip gespannen, alleen via een ronde opening het hoofd vrij liet. Zo kende Vrouwen 3 (het tegenwoordige – in 1995 –


Jaarboek 18, pagina 23

nog in de oude staat verkerende, maar al lang niet meer bewoonde ‘Kinnehin’) een badkamer met drie kuipen. Op het wat rustiger Vrouwen 2 werd – zij het wat minder – ook hydrotherapie toegepast. Voor de mannenpaviljoens gold hetzelfde. In Mannen 3 werd in 1923 zelfs nog een permanente badkamer ingericht.
Uit die ‘natte’ permanente badkamer zal wel het grapje komen dat in veel zie¬≠kenhuizen de ronde deed: “Ergens in een ‘gesticht’ op de afdeling permanente baden loopt – kennelijk door een ietwat haperende communicatie daar terecht gekomen – een mannetje met een akte¬≠tas. Op de vraag wat hij komt doen, antwoordt hij geheel naar waarheid: ik ben de pianostemmer, kunt u mij de weg wijzen? Antwoord: Zo de pianostemmer? Die hebben we hier nog niet, wel Napoleon. Winnetou en de Maagd van Orleans. Maar maakt u zich niet druk of ongerust, het is voor uw eigen bestwil, en voor de arme man zich nader kon verklaren, lag hij in het lauwe bad¬≠ water.” Hoe het verder liep, bleef in het vage.

Zo had alles zijn eigen tijd, ook in de psychiatrie. In Duin en Bosch waren al voor 1920 bewoners bij diverse werkzaamheden betrokken, maar hun aantal steeg in de loop der jaren door de opvattingen, die de Duitse psychiater dr. Hermann Simon al in 1905 vanuit zijn ziekenhuis in G√ľtersloh (Westfalen) rond de actieve arbeidstherapie en de actievere therapie in het algemeen had verkondigd. Ze hadden ook in Duin en Bosch weerklank gevonden, niet in het minst door de propaganda, die dr. van der Scheer (1919-1921) er voor voerde. Dr. Van der Scheer was dok¬≠ter Melchior in 1918 als geneesheer-directeur opgevolgd.

Grafmonument Dr. W.J.Jacobi, eerste directeur van Duin en Bosch.
Grafmonument Dr. W.J.Jacobi, eerste directeur van Duin en Bosch. Gerestaureerd in 2013. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Dokter Melchior was de opvolger van dr. J.W. Jacobi; laatstge¬≠noemde was de grondlegger van de medische zorg in Duin en Bosch. Zijn leven vanaf zijn aantreden als geneesheer-directeur in 1909 was heel nauw verweven met dat van zijn ziekenhuis en zijn bewoners. Na een slopende ziekte overleed hij op 5 december 1916. Betreurd door velen werd hij – zoals hij dat had gewild – te midden van zijn pati√ęnten op het ziekenhuiskerkhof begraven. Een in verval zijnd (red: inmiddels gerestaureerd door Werkgroep Oud-Castricum) monument siert nog zijn graf.

In 1926 was de actievere therapie in Duin en Bosch volledig inge­voerd en in de loop van hetzelfde jaar was van de 423 vrouwen 85 procent, van de 451 mannen 89 procent op de een of andere wijze erbij betrokken.

Deze mannen beiden in dienstkleding (1919) van het pas geopende Duin en Bosch zijn: links: A. Giethoorn en rechts G. van Straaten, 28 jaar oud.
Deze mannen beiden in dienstkleding (1919) van het pas geopende Duin en Bosch zijn: links: A. Giethoorn en rechts G. van Straaten, 28 jaar oud. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Tegenover het actief en productief bezig zijn in ziekenhuisverband stond natuurlijk een zekere beloning afhankelijk van de pres¬≠tatie. Die beloning was er overigens al in 1920 toen op Duin en Bosch een beloningenstelsel werd ingevoerd en men met ‘gestichtsmunten’ van het ‘verdiende’ geld in de gestichtswinkel allerlei zaken kon kopen. In 1921 bedroeg de wekelijkse winkelomzet 100 gulden, een bedrag dat na de laatste oorlog, in 1958 geste¬≠gen was tot gemiddeld 740 gulden.

 Fanfarecorps D.I.U. voor de muziektent in de Beukenlaan rond 1935.
Fanfarecorps D.I.U. voor de muziektent in de Beukenlaan rond 1935.

Ontspanning

Al snel na de opening van het ziekenhuis werd er aan de noodza¬≠kelijke ontspanning gedacht. De afgelegen ligging, de besloten¬≠heid van het ziekenhuis, waarin aanvankelijk met uitzondering van enkele in de dorpen wonende personeelsleden, vrijwel alle perso¬≠neel inwonend was, maakte dat men op elkaar aangewezen was en na het werk gezelligheid en ontspanning zocht. Logisch gevolg was de oprichting van de vereniging ‘Door Inspanning Uitspanning‚Äô (D.I.U.), die zich de eerste paar jaar met toneel en zang bezig hield. In 1910 al waagde de sectie ‘toneel en zang’ zich voor het voetlicht in de toneelzaal, tot groot genoegen van bewoners en personeel. In 1912 kwam er een afdeling gymnastiek tot stand. Onder de wonderschone naam ‘Hygi√ęne’ en geleid door de heer J. Witbaard, trachtte men naast de geest ook de lichamelijke conditie op peil te houden en in hetzelfde jaar werkte de groep al met vrije oefeningen, stokoefeningen, brugoptreden en een aantal ‘standen’ mee aan een bont programma. Bewoners en personeel met huisgenoten bevolkten op zulke avonden de grote zaal boven het ‘breipaleis’.

Fanfarekorps van Duin en Bosch.
Fanfarekorps van Duin en Bosch bij Mient-Ruiterweg in 1936. Van links naar rechts (voor zover zichtbaar): J. de Jong (portier), J. Witbaard (tuinman), G. Heintzberger (schilder), G. van den Born (schilder), W. Jacobs (PWN), J. Zandbergen (vioolleraar), Jan de Nijs (metselaar), P. de Baat (keukendienst, later portier, J. le Noble (elektromonteur), Gerrit van der Wolff (timmerman). Het muziekkorps telde 35 actieve leden. Jaarlijks werden 1 tot 2 openbare uitvoeringen gegeven in de toneelzaal van Duin en Bosch. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De meest bekende uitloper van D.I.U. zou het fanfarecorps wor­den, dat Рin 1911 opgericht Рin februari 1912 al met een uiteraard nog eenvoudig programma optrad. Onder leiding van de heer G. Slop Dzn. Een en ander zou het zich vanaf de laagste fanfare-afdeling der Koninklijke Nederlandse Federatie van Harmonie- en Fanfaregezelschappen tot de op één na hoogste, de Ere-Afdeling ontwikkelen. En dan duikt in mei 1911 in een programma de naam Van Weenen op in een blijspel en een klucht. Deze man van de technische dienst zou later als de haast legendarische Wub van Weenen niet weg te denken zijn uit het culturele leven van Bakkum en Castricum.


Jaarboek 18, pagina 24

'Het Oude Huis’ als theehuis voor bezoekers; sinds 1969 is hierin het museum ondergebracht.
‘Het Oude Huis‚Äô als theehuis voor bezoekers; sinds 1969 is hierin het museum ondergebracht.

Tegen de opvattingen van de kerkelijke overheid in, waagde hij revu¬≠es te schrijven en op te voeren met een uiteraard gemengde bezetting en dat was in die dertiger jaren ‚Äėnot done‚Äô in Castricum. Een moedi¬≠ge man, die ondanks alles volle zalen trok en daarnaast ook nog 40 jaar met verve in zijn dorp de rol van Sint-Nicolaas vertolkte.
In 1911 werd ter geestelijke verheffing van het personeel een ver¬≠eniging ‘Ontwikkeling’ opgericht, die lezingen – al dan niet met lichtbeelden – organiseerde en onder meer als sprekers kende dr. Muntendam (Ned. Rode Kruis) en de grote natuurkenner Jac. P. Thijsse. Tenslotte maakte in 1924 het Zusterkoor ‘Duin en Bosch’ onder leiding van Stephan Jansen zijn entree. Het beperkte zich niet alleen tot zang in de vroege kerstmorgen in de paviljoens, maar trad ook naar buiten en kreeg later zelfs landelijke bekendheid door radio-optredens onder leiding van de zangeres Jo Immink. Het was een voorloper van het latere Castricums Vrouwenkoor.
Ja, niemand op Duin en Bosch kwam – cultureel gesproken – iets tekort. De fanfare maakte wel het meest furore niet alleen door haar vele optredens op Duin en Bosch, maar ook daarbuiten in Castricum, Bakkum, Limmen en elders, maar vooral door haar concoursresultaten. Vermelding verdient onder andere het optreden in Haarlem bij de grootse huldiging van de eerste Holland-Indi√ę-vliegers in 1925. Twee coupletten van het Wilhelmus, gespeeld door D.I.U., onderstreepten het geheel.
Onder leiding van achtereenvolgens de heren Slop, Peetoom, Joossen en na de Tweede Wereldoorlog van de bekende Zaanse dirigent Toon de Vries en na diens afscheid nog tot 1954 onder de heer A.N. v.d. Berg, leefde de fanfare het langst. Op 25 januari 1954 werd het laatste concert gegeven en was er voor de bekende fanfare geen ‚Äėda capo’ (red: muziekterm: opnieuw, vanaf het begin) meer. De andere verenigingen waren de fanfare – door gebrek aan leden en animo – inmiddels al voorge¬≠gaan. Ze hadden vanaf 1909 tot na de laatste oorlog de Duin en Bosch-bewoners en vele anderen het nodige plezier verschaft.

Oude Toneelzaal van Duin en Bosch.
Oude Toneelzaal van Duin en Bosch. Dit pand was gelegen achter het oude Hoograde. Heel vroeger waren er op het terrein tal van activiteiten voor pati√ęnten en personeel en door personeel, zoals toneel, cabaret, harmonie enzovoorts. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het zou uiteindelijk de in 1936 opgerichte vereniging O.V.A. (Ontspanning voor Allen) zijn, die √®n personeel √®n pati√ęnten in clubverband samenbracht bij sport (de Vierdaagse in Nijmegen, voetbal, sportdagen enzovoorts) en bij zang en muziek (de muziek- en zangclub van Broeder Schijp). De algemene opvattingen ten aanzien van de ontspanningstherapie hadden zich in die jaren ook in die zin gewij¬≠zigd. O.V.A. organiseerde ook toneel-, film- en muziekavonden in de toneelzaal en hield met uitzondering van de oorlogsjaren moe¬≠dig stand, tot zij op 1 januari 1966 ophield te bestaan. Haar taak werd gedeeltelijk overgenomen door de huidige Ontspanningscommissie die onder meer nu elke week op de donderdagavond zorgt dat ‘er wat te doen is’ in de fraaie toneelzaal van de Clinghe.

Het zou uiteindelijk de in 1936 opgerichte vereniging O.V.A. (Ontspanning voor Allen) zijn, die en personeel en pati√ęnten in clubverband samenbracht bij sport (de Vierdaagse in Nijmegen, voetbal, sportdagen etc.) en bij zang en muziek.
Het zou uiteindelijk de in 1936 opgerichte vereniging O.V.A. (Ontspanning voor Allen) zijn, die en personeel en pati√ęnten in clubverband samenbracht bij sport (de Vierdaagse in Nijmegen, voetbal, sportdagen etc.) en bij zang en muziek (de muziek- en zangclub van Broeder Schip). De algemene opvattingen ten aanzien van de ontspanningstherapie hadden zich in die jaren ook in die zin gewijzigd. O.V.A. organiseerde ook toneel-, film- en muziekavonden in de toneelzaal en hield met uitzondering van de oorlogsjaren moedig stand, tot zij op 1 januari 1966 ophield te bestaan. Haar taak werd gedeeltelijk overgenomen door de huidige Ontspanning- commissie die onder meer nu elke week op de donderdagavond zorgt dat er wat te doen is in de fraaie toneelzaal van de Clinghe. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Personeel

De eerste jaren van het ziekenhuis waren uiter¬≠aard ‘pioniersjaren’, waarin na de bouw van de paviljoens immers ook de verplegingsorganisatie vorm moest krijgen. Het verplegend en huishou¬≠delijk personeel was, zoals reeds eerder werd verteld, aanvankelijk intern en vormde door de ligging van het gebouwencomplex een vrij besloten gemeenschap, waarin men met elkaar de nodige afleiding en gezelligheid zocht en vond. In 1914 waren er 11 zusters en 9 broeders in de dorpen woonachtig, maar in 1917 waren dat nog maar 2 zusters tenslotte, een daling waaraan onder andere de schaarste in de eerste wereldoor¬≠log niet vreemd zal zijn geweest. Die oorlog zorgde in 1914 bij het afkondigen van de mobili¬≠satie voor de nodige problemen in het nog jonge ziekenhuis. Liefst 28 personeelsleden, waarbij een arts en elf verplegers, werden opgeroepen met als direct gevolg ontruiming van twee mannenafdelingen, die ter beschikking werden gesteld van het Nederlandse Rode Kruis, dat er zo nodig 50 zieken of gewonden zou kunnen onder¬≠ brengen. In 1917 werden ze weer door Duin en Bosch in gebruik genomen.

Broederhuisjes op Duin en Bosch.
Broederhuisjes op Duin en Bosch. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Voor de statistiek: in 1920 telde het ziekenhuis in totaal 48 broe­ders en liefst 197 zusters. Vanaf de start van Duin en Bosch had­ den zij een 10-urige werkdag. In 1919 werd de 8-urige werkdag en de 45-urige werkweek ingevoerd. Hierdoor was er meer personeel nodig, dat niet gemakkelijk te werven was. Dit probleem en ook een bezuiniging op de hoge kosten van de provinciale ziekenhui­zen resulteerde in 1924 in de terugkeer naar de 48-urige werkweek voor de verpleging. Daarnaast kwam er ook een reorganisatie van de diensten en werden er andere beperkende maatregelen inge­voerd. die maakten dat de organieke sterkte van het verplegend personeel met 30 personen kon worden teruggebracht, die van andere diensten met 21. Het aantal van de gediplomeerde verplegenden werd bepaald op 47 zusters en 23 broeders. De indienstneming van leerlingverplegenden op arbeidscontract maakte moge­lijk dat de kosten van salarissen en pensioenbijdragen van het zie­kenhuispersoneel konden verminderen.

Eetzaal in het voormalige zusterhuis.
Eetzaal in het voormalige zusterhuis, 1935. Later werd dit het lescentrum. Oude Parklaan 123-131 in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Niettemin waren de lonen en salarissen van het Duin en Bosch-personeel bepaald nog wel aantrekkelijk en staken ze gunstig af bij wat de doorsnee Castricummer en Bakkummer verdiende. Dat dit – met name in de crisisjaren – wel eens leidde tot een verborgen jaloezie kan men zich voorstellen.
Mede onder invloed hiervan ontstond er in Castricum al vroeg een afdeling van de toenmalige S.D.A.P., die snel groeide en werd er reeds in 1911 een afdeling van de Centrale Nederlandse Ambtena¬≠renbond opgericht, de voorloper van de huidige Abva/Kabo zou je kunnen zeggen. Twee jaar later organiseerden de katholieke amb¬≠tenaren zich in de tooms-katholieke Bond van Overheidspersoneel ‘Sint Paulus’. In 1918 kreeg Castricum er nog een afdeling van de Algemene Christelijke Ambtenarenbond bij.

Er was sinds de opening van Duin en Bosch duidelijk een andere wind gaan waaien in Castricum, die wat van de gezapigheid van vroeger had weggeblazen. De mensen van Duin en Bosch waren in de loop der jaren over het algemeen wel ge√Įntegreerd en voelden zich lid van de dorpsgemeenschap. Een aantal van hen vervulde nuttige functies in het verenigingsleven, was actief bezig op vak-


Jaarboek 18, pagina 25

bondsgebied en had zelfs zitting in de gemeenteraad zoals Piet de Vries (vader van de eerdergenoemde Cor), die aan de wieg stond van de afdeling Castricum van de rooms-katholieke Bond van Overheids¬≠personeel en het later tot wethouder bracht. Tot hen behoorde ook Tijmen Hellinga, voorman van de groeiende afdeling van de S.D.A.P. in Castricum, die het eerste socialistische raadslid en later de ‘rooie wethouder’ werd. Een andere katholieke vakbondsman, Dirk Berlee, had ook zitting in de gemeenteraad, die toen nog uit 11 leden bestond.

De dertiger jaren

In Duin en Bosch bleef men de ontwikkelingen in de psychiatrie zeker op de voet volgen. De periode van 1909 tot 1930 was echter niet zo rijk aan grote gebeurtenissen. Toch verdient een markant feit hier vermelding en wel de totstandkoming in 1914 van de eigen tramverbinding met het station Castricum, aanvankelijk met paardentractie, in 1918 ge√ęlektrificeerd, maar in 1938 overbodig geworden en opgeheven (zie het artikel van Piet van der Kamp in het 16e jaarboekje (1993), getiteld: Het trammetje naar Duin en Bosch).

Elektrische tram naar Duin en Bosch rond 1935.
Elektrische tram naar Duin en Bosch rond 1935. Van links naar rechts J.Witbaard, G.de Wit en G.Borst. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1937 werd een gedeelte van Mannen 3 ingericht en van het nodige instrumentarium voorzien om negen pati√ęnten te behandelen met de insuline-shocktherapie. In het voetspoor van deze behandelmethode volgden later de Cardiazol-shock- en de Azoman-shocktherapie. Dat men – ook medisch – nieuwe wegen zocht, moge uit dit alles blijken, al waren de resultaten ervan niet altijd wat men ervan verwachtte. In 1939 paste men voor het eerst met succes de elektroshock-therapie toe.

Een andere gebeurtenis was de bouw van een vierde vrouwenpa¬≠viljoen voor 158 pati√ęnten, dat in 1935 aan de dienst werd overge¬≠dragen. Het werd urgent geacht in verband met de verwachte behoefte aan verpleegruimte voor vrouwelijke pati√ęnten. Achteraf bleek die behoefte minder groot dan de prognose had voorzien. Het pavil¬≠joen werd wel anders dan de zes al vanaf 1909 bestaande pavil¬≠joens, maar had de ‘plompheid’, de ‘ongezelligheid’ wel overge¬≠nomen en zou aan haar oorspronkelijke bestemming nooit helemaal voldoen. Men zou het heel lang ‘het nieuwe paviljoen’ blij¬≠ven noemen.

Dagvervblijf paviljoen Hoograde, vroeger Vrouwen 1.
Dagvervblijf paviljoen Hoograde, vroeger Vrouwen 1. Oude Parklaan in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1937 verliet dr. A.M. Benders, die in 1921 dr. Van der Scheer was opgevolgd als geneesheer-directeur, de dienst van het zieken­huis. In hetzelfde jaar trad als zodanig aan dr. P.E.M. Teenstra, als vijfde in die functie. Hem zouden zware jaren wachten.

Overigens kenmerkten de jaren dertig zich – zoals een arts uit die tijd ze later zou schetsen – als de meest gelijkmatige periode sinds de oprichting in 1909. Er was een sterk gevoel van saamhorigheid, het personeel was ‘honkvast’ en bleef Duin en Bosch trouw, wat zeker te maken had met de heersende economische crisis en de daarmee gepaard gaande werkloosheid, die vanaf 1929 een groot deel van West-Europa en ook ons land in zijn greep had. Men koos voor zekerheid en bleef waar men was.
Ondanks die ‘gelijkmatigheid’ binnen de muren van het zieken¬≠huis, waren daar buiten, in het oude Europa de spanningen opgelo¬≠pen en de opgehoopte conflictstof en expansiezucht hadden al tot bezettingen en gewapende conflicten geleid. Het zou nazomer 1939 worden, dat ons land en uiteraard ook Duin en Bosch indirect bij het gebeuren buiten de grenzen werd betrokken. Voor het ziekenhuis, bleven de consequenties daarvan niet uit. Het zag een aantal mannelijke personeelsleden naar hun mobilisatiebestemming vertrekken, maar de leiding was de problemen rond de open¬≠ gevallen plaatsen snel meester en het leven hervatte min of meer weer zijn loop voor de ongeveer 880 pati√ęnten en voor het personeel. Ach, hoe gauw zou het anders worden.

 Bij 'Het Oude Huis‚Äô toen het nog als theehuis in gebruik was; bij de deur Willem Kuijs (rechts) en een pati√ęnt van Mannen 1.
Bij ‘Het Oude Huis‚Äô toen het nog als theehuis in gebruik was; bij de deur Willem Kuijs (rechts) en een pati√ęnt van Mannen 1.

Oorlog

1940. Na een strenge winter met veel sneeuw en ijs was een mooi voorjaar gekomen, dat de bollenvelden in en rond Bakkum en Castricum had doen kleuren tot strakke rechthoeken van geel en rood, wit en blauw. De meimaand leek hoogtij te gaan vieren. Juist in die dagen van ontwakend leven, van hoop – tegen beter weten in – op een spoedige be√ęindiging van het conflict, bleek hoe voos het begrip ‘neutraliteit’ voor ons land eigenlijk was. Op 10 mei – een prachtige voorjaarsdag – overviel, als een dief in de nacht het Duitse leger ons land met overmacht van mankracht en wapens. Na vijf dagen van ongelijke strijd capituleerde het Nederlandse leger en op 14 mei werd de bezetting een feit.

Het leven veranderde als bij toverslag en ook in het rustige Duin en Bosch ontkwam men niet aan de maatregelen van de bezetter. Het ‘nieuwe paviljoen’ werd op 10 mei direct door het Nederlandse Rode Kruis ingericht voor de verpleging van lichtgewonde en herstel¬≠lende militairen, die onder de algehele leiding van dr. Teenstra door Duin en Bosch-personeel konden worden verzorgd. Eind mei werd het paviljoen weer ontruimd en werden de pati√ęnten elders ondergebracht, waarna het gebouw in gebruik werd genomen voor huisvesting van plus minus 250 pati√ęnten van de Sint Willibrordusstichting in Heiloo, waar de Duitsers een aantal gebouwen hadden gevorderd. De groep bleef er met haar eigen personeel tot 1942 toen in juni heel Duin en Bosch moest worden ontruimd.

Bombardement op Vrouwen I in augustus 1940.
Bombardement op Vrouwen I in augustus 1940.

De eerste rechtstreekse confrontatie met het oorlogsgeweld kwam in de nacht van 12 op 13 augustus 1940 toen paviljoen Vrouwen 1 (het latere ‘Hoograde’) door vijf brisant- en een aantal brandbom¬≠men werd getroffen. De ravage was enorm maar de hechte bouw voorkwam instorting. Helaas werden twee vrouwen op slag gedood en een achttal werd gewond. Dat de inwonende zusters, die op de bovenverdieping sliepen, ongedeerd bleven was een groot wonder. Dank zij kordaat optreden van de dienstdoende nachtzusters ontstond geen paniek en waren ziekenhuisbrandweer en gemeentelijke luchtbeschermingsdienst de situatie spoedig meester.
Dat toen al – drie maanden na de bezetting – de ‘gelijkschakeling’ van de Nederlandse pers een feit was, moge blijken uit de uiterst tendentieuze berichtgeving in de verschillende bladen. Onder de grote kop: “Engelse bomaanval op Castricum” schreef een krant:


Jaarboek 18, pagina 26

“Het A.N.P. meldt onder andere nog over den aanval van een Engels vlieg¬≠tuig op het Provinciale Ziekenhuis te Castricum, dat het toestel tot half √©√©n boven het dorp cirkelde, blijkbaar om toch maar absoluut zeker te zijn dat het zijn doel goed zou raken.” En besloot met de slotalinea: “Uit alles blijkt dat de Brit met opzet zijn bommen op het ziekenhuis heeft geworpen.” Een ander blad berichtte heel uit¬≠voerig en gooide er nog een schepje bovenop met “de bevolking is zeer verbitterd over dezen laffen aanval” en “Algemeen noemt men het doelloos en misdadig. De vlieger heeft positief het zieken¬≠ huis willen raken en is hierin ook goed geslaagd”.

Inmiddels deden de vele richtlijnen, de verbodsbepalingen en de beperkende maatregelen van de bezetter zich in het ziekenhuis steeds meer gelden en begonnen voedseldistributie en toenemende schaarste een goed functioneren van verpleging en verzorging moeilijker te maken. Men improviseerde en maakte dikwijls van de nood een deugd. Ondanks dat probeerde men – voor zover mogelijk – alles nog zoveel mogelijk zijn gang te laten gaan en bleef er nog tijd over voor ontspanning zoals op zondagmiddag 26 april 1942 als de fanfare D.I.U voor bewoners en personeel een ‘Solistenconcours’ in de toneelzaal houdt en eigen leden om de prijzen en de punten strijden, zoals bijvoorbeeld het saxofoonkwartet dat met 59 punten een eerste prijs behaalt. De leden G. Ronk (altsax), J. van Gelder (sopraansax), H. Mars (tenorsax) en C. Stolk (baritonsax) gaven een fraaie vertolking van ‘Avondvertelling’ van Joh. Zaagmans. Het zouden voorlopig de laatste opgewekte klan¬≠ken zijn op het Duin en Bosch-terrein.
Boven het Noordhollands kustgebied, boven Castricum en Bakkum, boven Duin en Bosch pakten zich donkere wolken samen. Voor de bewoners van de dorpen en het ziekenhuis was de maat nog lang niet vol.

Mannelijke patiÎnten en personeel van Duin en Bosch tijdens de evacuatie periode in Groot Graffel te Warnsveld tijdens de tweede wereldoorlog.
Mannelijke pati√énten en personeel van Duin en Bosch tijdens de evacuatie periode in Groot Graffel te Warnsveld tijdens de tweede wereldoorlog.

Evacuatie

Of de herinnering aan de geslaagde landing van de Engelse troe¬≠pen op de Noordhollandse kust in 1799 en uitmondend in de slag bij Castricum en Bergen de Duitsers ertoe bracht de hele Nederlandse kuststrook in de hoogste slaat van verdediging te brengen, weten we niet. Maar de nu nog hier en daar zichtbare restanten van bunkers en kazematten wijzen erop, dat men dit deel van de ‘Atlantik Wall’ enorm wilde versterken. Dit had haast onvermijdelijk een evacuatie van hen, die de kuststrook bewoon¬≠den tot gevolg. De noodklok luidde voor Castricum, Bakkum en uiteraard voor Duin en Bosch. En – misschien al eerder verwacht – in de laatste weken van juni 1942 kwam het bevel tot volledige ontruiming van het ziekenhuiscomplex. Op korte termijn moest men zorgen voor voldoende bussen om pati√ęnten en personeel naar hun evacuatie-oorden te vervoeren, voor voldoende vracht¬≠wagens om veel meubilair als ledikanten, bedden, maar ook tafels, stoelen, kasten enzovoorts over te brengen. Men slaagde er in die omvangrijke organisatie bin¬≠nen de gestelde termijn rond te krijgen. In de pavil¬≠joens had men de zorg voor het gereedmaken van kle¬≠ding, medicijnen, beddengoed, huishoudelijk gerei, verplegingsartikelen, serviesgoed en wat dies meer zij. Met de inzet van alle krachten lukte alles won¬≠derwel en men kan gerust stellen dat de evacuatie en de voorbereiding ervan een immens grote operatie is geweest, een massale prestatie, zoals het ziekenhuis die in haar 33-jarig bestaan niet had gekend.

In 1942 begon de evacuatie van Duin en Bosch.
In 1942 begon de evacuatie van Duin en Bosch. In recordtijd moest het terrein verlaten zijn en iedereen moest helpen. Patienten liepen met een deel van de inboedel naar buiten. Het meeste werd opgehaald door vrachtauto’s en bussen en werd naar onder andere Warnsveld gebracht. Collectie NHA. Toegevoegd.

Hoe verliep deze massale verhuizing, hoe hebben bewoners en personeel deze diaspora, die hen van het vertrouwde Duin en Bosch naar de vier evacuatie-oorden bracht, beleefd? Wat vonden ze in Warnsveld, in Medemblik, Den Dolder en Rosmalen? Hun ervaringen waren naast negatief (kon het anders?) toch ook dikwijls positief. Elke evacuatieplaats kreeg zijn eigen verhaal over die moeilijke periode, die in de laatste weken van juni 1942 begon en voor de laatst teruggekeerde groep uit Den Dolder in december 1946 zou eindigen. Die verhalen, veelal interviews met betrokkenen, vindt U in het volgende artikel getiteld “Een ziekenhuis op drift“.

Jaap Glastra

Boek

Bronnen:

  • Het Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch te Bakkum, Gedenkschrift uitgegeven ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan, 1959, door dr. P. van Kleffens.
  • Jaarverslagen vanaf 1909
  • Doctoraalscriptie stadssociologie, juli 1993, Marja Onrust.
  • Gesprekken met hen, die nog veel wisten.

Geneesheer-directeuren van Duin en Bosch

  • J.W. Jacobi: 1.4.1903 – 27.12.1908 dependance Amsterdam
    en 28.12.1908 – 5.12.1916 (overleden) in Castricum
  • F.A. Melchior: 1.1.1917- 8.12.1918 (overleden)
  • W.M. van der Scheer: 1.6.1919 – 1.3.1921 vertrek naar Santpoort
  • A.M. Benders: 1.6.1921- 1.6.1937 met pensioen
  • P.E.M. Teenstra: 11.7.1937 – 3.1.1955 met pensioen
  • mevrouw J.A. Buiter-Kloosterman: 1.3.1955 – 31.3.1976 met pensioen
  • E.J.M. Crabbendam: 1.8.1975 – 1.12.1992 met pensioen.

Brandweer (Jaarboek 18 1995 pg 3-17)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.


Jaarboek 18, pagina 3

Tweehonderd jaar brandweer in Castricum

Brandweerauto's en brandweerlieden in uniform.
Brandweerauto’s en brandweerlieden in uniform. Burgemeester Boreelstraat, Brakenburgstraat, Castricum in 1958. Trots op de nieuwe nevelspuitwagen. Commandant Han Beijersbergen, Piet van Maarleveld, Jan Kriek, Piet Borst, Bertus Eikel, Cees de Groot, Joop Zijlstra, Tinus Hopman, Gerard Hemmer en helemaal rechts een klein jongetje. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Inleiding

In het dagboek van Jan de la Chambre, schepen en burgemeester van Beverwijk, wordt een grote brand beschreven, die op 29 juli 1795 in Castricum heeft gewoed: “Deeze nademiddag om 3 Uuren ondstond aldaar een felle Brand waardoor binnen korten tijd 5 Huizen bene¬≠vens de Stalling & Schuur bij de Herberg in den Asch werde gelegt, de Herberg zelve schoon beschadigt, is echter staande gebleven. Sonder de spoedige aangebrachten Hulpe onzer Meede Burgeren van Beverwijk & Uitgeest zoude alle Huizen om de Kerk een Prooij der Vlammen zijn geworden, 8 Huisgezinnen uit 34 Menschen waar onder 19 Kinderen geteld worden, bestaan; zijn daar door in de bit¬≠terste Armoed gedompeld; waar voor hier ter Steede op den 16 Sepbtember dezes Jaar gecollecteerd is een Zomme van 93-11- (93 gulden en 11 stuivers);”

Dit is de oudste vermelding van een brand, die over Castricum bekend is. Opvallend is, dat gesproken wordt over ‘hulp’ en geen woord gerept wordt over brandweerlieden, die de brand geblust zouden moeten hebben. Branden van een dergelijke omvang kwa¬≠men vroeger vaak voor. Ons dorp is van een brand van deze omvang verder verschoond gebleven. Van vrijwel elke stad of dorp zijn grote branden bekend, waardoor steden en dorpen geheel of grotendeels in de as werden gelegd.

Het houten huis van postbode van Benthem in de Dorpsstraat
Het houten huis van postbode van Benthem in de Dorpsstraat. Dit huis stond naast het pand van Huitenga. Het is bij de uitbreiding van het winkelpand gesloopt. Dorpsstraat 71 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevegd.

Brandgevaarlijk

In de steden en grotere dorpen beseft men maar al te goed de geva­ren, die aan een compacte bebouwing zijn verbonden. De wonin­gen zijn aanvankelijk geheel van hout opgetrokken, waarbij door­gaans een schoorsteen ontbreekt. In het gunstigste geval beschikt men over een houten rookkanaal. De stookplaats is in vroeger eeu­wen een kuil in de lemen vloer. Tel daarbij nog een veelal rieten dakbedekking afgedicht met pek, en een klein ongelukje met vuur is voldoende om het geheel in korte tijd te doen afbranden.
Een belangrijk jaar in de geschiedenis van de brandweer is 1521 als Karel V een wet uitvaardigt, waardoor het bouwen van huizen anders dan van steen verboden wordt. Maar het zal nog lang duren, voordat die wet ook daadwerkelijk uitgevoerd wordt. Met name op het platteland en in de kleinere steden neemt men het met die verordening nog niet zo nauw. In vele plaatsen en zelfs streken blijven de houten huizen Рtegen het verbod in Рgewoon gebouwd worden. In onze omgeving zijn er voorbeelden te over van plaat­sen, die de wet niet letterlijk genomen hebben. Het voordeel is dat prachtige dorpen als Marken, Broek in Waterland en vele andere plaatsen in Noord-Holland met houten huizen nog bestaan.

Brandweermiddelen

Van een brandweerorganisatie is aanvankelijk geen sprake. Elke burger heeft de plicht om bij brand datgene te doen wat de plaatse­lijke overheid voorschrijft. Veel kan men niet doen: het vuur moet bestreden worden met water, dat met emmers in de brandhaard gegooid wordt. Natte zeilen moeten voorkomen dat het vuur over­ slaat naar belendende percelen. Vaak is het pand al tot de grond afgebrand, voordat men ook maar iets heeft kunnen uitrichten.

De oude brandspuit Otto.
De oude brandspuit Otto. Juliana van Stolbergstraat 3 in Castricum, 1967. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De ontwikkeling van de brandspuit begint in de zeventiende eeuw met de Neurenburger smid Johann Hautsch, die een brandspuit heeft vervaardigd: een nogal log gevaarte dat met sleden vervoerd moet worden. Zo‚Äôn succes is deze spuit nooit geweest, want de waterstraal komt uit een straalpijp, die vast verbonden was met de pomp, waardoor de waterstraal nooit het vuur dicht kan benaderen. Het is Jan van der Heiden, die op het idee komt om met slangen te werken. Het gelukt hem om in 1672 de eerste slangenbrandspuit te maken. Jan van der Heiden was een geniale man, die naast kunst¬≠ schilder en technicus ook uitvinder was. Ook aan zijn eerste ont¬≠werpen ontbrak nog wel iets zeer belangrijks. De pomp moest met de hand gevuld worden met water. Hij weet zijn uitvinding zelf belangrijk te verbeteren door ook een aanzuigpomp te ontwerpen. In 1673 komt zijn grote doorbraak als hij met zijn nieuwste brand¬≠ spuit een grote brand in Amsterdam weet te bedwingen. Hij beperkt zich niet tot het verbeteren van zijn uitvinding, maar hij is ook een begenadigd organisator. Hij ontwikkelt ook een brand¬≠weerorganisatie. Bij een brand wist men vaak niet zo gauw wat te doen, wie haalt de spuit, zijn de slangen in orde, waar zijn de lad¬≠ders. Praktische problemen waarop Van der Heiden een oplossing vond in de opstelling van een ‘brandkeur’. In 1685 wordt deze verordening in Amsterdam ingesteld, waarmee de geschiedenis van de georganiseerde brandbestrijding aanvangt.
Tweehonderd jaar later worden nieuwe stappen gezet voor een verbeterde brandwering, de komst van de stoomspuit en de uit­ bouw van het waterleidingnet

Keuren van 1753

Uit de beschrijving van de brand waarmee dit artikel begint, kun¬≠nen we al opmaken dat het met de Castricumse brandbestrijding niet zo best moet zijn gesteld. En uit de archieven wordt duidelijk dat van een goede organisatie van de brandbestrijding tot in onze eeuw geen sprake is geweest. In het gemeente-archief komen, gedateerd 27 maart 1753, twee keuren voor met betrekking tot de brandweer, beiden ondertekend door secretaris Leonard Tempelaar. De eerste luidt: “Alzo verscheyden reysen klagten zyn gedaen, dat enige Ingezetenen van Castricum haar niet ontzien, om in hare Somerwoningen, Schuuren en elders vuur te stooken, zonder dat daar schoorstenen zyn, waerdoor grote perykel is, om brant te veroorzaken, waer tegens behoorde voorzien te worden, zo hebben Schout en Schepenen gekeurt, gelyk dezelve keuren by dezen, dat niemant zal vermogen in hare huyzen, schuuren of stal¬≠len, vuur te hebben of te stoken, als onder een schoorsteen en behoorlyke haartstee, op de boete van 2:12:8 (2 gulden, 12 stuiver en 8 centen) de bekeuring zo wel te doen by de Buuren, als by den Schout en Bode, waer voor de bekeurder de helft van de boete zal genieten, en de andere helft voor den Schout, en in dien dezelve drie dagen na de bekeuring geen schoorsteen of haartstee hebben laten maken, zo zal de Schout vermogen alle dagen de bekeuring te doen, tot zo lange het volgens deze keure is gemaakt, zodanig dat geen perykel te vrezen is.”

Nog een keur uit 1753

De tweede tekst luidt: “Alzo klagten worden gedaen, dat de Luyden zo onvoorzigtig zyn om hete gloeijende Asch op den weg uyt te gieten, waer door ongemakken en brand te vrezen zyn, zo word mede gekeurt, dat niemand hete of andere assche op den


Jaarboek 18, pagina 4

weg zal mogen uytgieten, op de boete van f 2:12:8 (2 gulden, 12 stuiver en 8 centen) de bekeuring zal door de Buuren zo wel als door den Schout of Bode mogen geschieden en daarvoor de helft van de boete genieten, midts zulks aen den Schout bekend te maken”.

Johan Geelvinck

Een ander oud stuk met betrekking tot de brandweer is een keur (verordening) op de hooibroei te Castricum, die door de schout en schepenen onder mr. Johan Geelvinck, Heer van Castricum en Croonenburgh is vastgesteld. De verordening is niet gedateerd, maar Geelvinck bezat de Heerlijkheid Castricum van 1764 tot 1802. Het document moet gelet op de namen, die daarin vermeld staan, omstreeks 1795 worden gedateerd. Het handelt over de benoeming van een viertal hooistekers. Het gaat om Jan Brakenhoff in de buurtschap Heemstede, Cornelis Schrama in de Oosterbuurt, Fulps Ranke in de Kerkbuurt en Simon Duynmayer in Bakkum. De complete tekst ervan luidt:

“Keure op het broeijen van het Hooy onder Castricum.

Schout en Schepenen der Heerlykheyd van Castricum, hebben op de propositie en goedvinden van den Wel Edelen Gestrengen Heer Mr. JOAN GEELVINCK, Heer van Castricum en Croonenburgh &c. etc. als tragtende soo veel mogelyk is, voor te komen alle ongelucken van Brant, die door het sterk broeijen van het Hooy te dugten zyn (‚Äėt welck God gelieve te verhoede) voor dit … Jaar tot Hooysteekers en Keurmeesters gecomitteert de ondergenoemde Persoonen, gevende by dese aan de selve Keurmeesters de magt, en authoriteit, om ten allen tyde als sy het nodig oordelen, Egter ten minsten eens, of tweemaal in yder week, in de Maande July en Augusty of langer na tyts omstandigheyd, soo wel, als op verzoek en aanklagte van Bueren of andere geintresseerdens daar ontrent woonende of Eygendom hebbende, te visiteeren alle Hooyhuysen, Schueren, Bergen en Klampen in Castricum staande, en cv des nodig bevindende de Eygenaars of Opsigters van ‘t Hooy aan te seggen en te gelasten, dat zy hun broeijent Hooy aanstonts sullen hebben te steecken, lugten of wel te verplaatsen uyt de Hooyhuysen, Schueren, Bergen of Klampen, soodanig dat daar geen brant van te vreesen is, met Waarschouwinge dat by nalatigheyd of onwilligheyd sulcx met Communicatie van dese Agtb: Geregte, ten Lasten en Kosten van soodanige nalatige en onwilli¬≠ ge gedaan en besteet sal worden, en bovens dien yder dag na de Waarschouwinge te verbeuren twee Kennemer Ponde boeten voor de Schout, en zyn tot Keurmeesters aangestelt. Aldus gedaan, gekeurt en gearresteert op den Regthuyse van Castricum, en ten selven dage na voorgaande Kloeke geklep geplubliceert ter prefentie van Schouten en Schepenen den …”

Cronenburg hooischuur.
Cronenburg hooischuur. Heemstederweg 1 in Castricum. Pentekening Jan Deckwitz. Collectie Oud-Castricum Kunst. Toegevoegd.

Hooistekers

In een agrarisch dorp als Castricum was brand als gevolg van hooibroei een der belangrijkste oorzaken. Om dit gevaar zoveel mogelijk te voorkomen werden zogeheten hooistekers benoemd. Deze mannen controleerden zeer regelmatig, 1 of 2 keer in de week in het hooiseizoen of zolang het nodig was de temperatuur van het opgeslagen hooi. Zij deden dit met behulp van peilijzers die zo diep als mogelijk in de hooiberg werd gestoken. Zo nodig moest de hooischelf uit elkaar gehaald worden om brand te voor­ komen. Deze hooistekers of hooipeilers behoorden tot 1969 niet tot de brandweer, maar vielen rechtstreeks onder de verantwoor­ding van schout en schepenen en later van burgemeester en wet­ houders. Brandweercommandant Tinus Hopman heeft er voor geijverd, dat zij onderdeel werden van de vrijwillige brandweer. Dat was in 1969, voor niet zo lang, want het beroep bestaat sinds 1982 niet meer. De laatsten waren G. Bos voor Castricum en P. Zomerdijk voor Bakkum. Zij werden overbodig, doordat brand door hooibroei praktisch niet meer voor komt.

Een draagbare brandspuit in 1805

De gemeente Castricum besluit tot de aankoop van een brandspuit op een aanbieding van mr. J.H. Onderdewijngaart Cansius uit Delft: “Bericht van intekening op verbeterde draagbare brand¬≠ spuiten, ten einde langs die weg meer algemeen te maken: Deze gemeente is nog nooit van zulke een onontbeerlijk werktuig voor¬≠ zien geweest, waarvan de kosten ten hoogste  64 gulden kunnen belopen.” De spuit wordt door de schout ontvangen en deze maakt daarvan in de vergadering van 7 augustus 1805 melding: “De brandspuit zal berusten onder toezicht van de schout en ten zijnen huize, opdat daar van ingevalle van nood altijd gebruik gemaakt kan worden.”

Landelijke organisatie

In 1815 gaat de overheid zich nadrukkelijk bemoeien met de orga¬≠nisatie van de plaatselijke brandpreventie en bestrijding. Gedateerd 22 juni 1815 krijgt de gemeente een rondschrijven van Gedeputeerde Staten (G.S.) van Noord-Holland, waarin men vooruitlo¬≠pend op een komend brandweerreglement waarschuwt voor de gevaren van hooibroei. Met beveelt de gemeenten aan “om de bin¬≠nen de Gemeenten zich bevindende Brandspuiten met alle zorg en accuratesse te doen examineren en proberen en ook deswegens de noodige verordeningen te maken, teneinde in het onverhoopte geval van brand, tot hulp dergene die dit onheil zoude mogen tref¬≠fen, te kunnen spoeden”.
Wat er met de missive gebeurd is, wordt niet vermeld. Behoudens de aanstelling van de hooistekers, bekommert men zich er kennelijk niet zo om. De gemeente Castricum beschikt voor haar uitgestrekte grondgebied met vele zeer verspreid liggende boerderijen over 1 draagbare brandspuit. De spuit is in 1805 voor een bedrag van 68 gulden en 10 stuivers aangekocht. Het is een – zelfs voor die tijd – ouderwets geval, dat met emmers van water moet worden voorzien en ook de spuit moet met de hand worden bediend. In 1830 tellen Castricum en Bakkum samen 791 inwoners en 134 huizen.

Provinciaal ingrijpen

Op 20 juni 1816 sturen de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland een brandweerverordening als gevolg van hooibroei naar de gemeenten met het verzoek om deze voor Castricum vast te stellen.

Brand ...
Brand …

Jaarboek 18, pagina 5

Burgemeester Kieft (1814-1836) krijgt op 13 maart 1827 een waar¬≠schuwing, omdat er in Castricum geen brandreglement is. Men ver¬≠ wijst naar het algemeen reglement ‘ter voorkooming en blussching van brand’ van 27 november 1823 dat voor de gehele provincie is vastgesteld. Daarnaast wordt gewezen op de verplichting tot nale¬≠ving van dat reglement en het zich er naar te gedragen. Kieft doet waarschijnlijk niets met de brief. Inmiddels is Jan de Quack burge¬≠meester (1837-1852) geworden, als een der raadsleden op 8 augus¬≠tus 1838 het gevaar van hooibroei ter sprake brengt. Hij doet een beroep op de raad om de voormalige keur op het hooipeilen weer in werking te stellen. Het antwoord is dat bedoeld reglement door de provincie nooit bekrachtigd is en derhalve niet van toepassing. Uit de toevoeging: “Er zal een nieuw reglement opgesteld moeten wor¬≠den ter goedkeuring door Gedeputeerde Staten”, blijkt wel dat er niets aan gedaan is. Aangezien men op dat reglement niet kan wach¬≠ten, worden met directe ingang twee hooipeilers aangesteld: Klaas Stet en Jacob de Graaf. Zij worden beloond met 10 gulden per jaar voor hun activiteiten. Om de bevolking in kennis te stellen van de maatregel, wordt een publicatie aangeplakt, met de aansporing om aan de heren alle medewerking te verlenen.

Eindelijk maatregelen

Verondersteld had mogen worden, dat de gemeente iets met de voorstellen van de provincie zou doen, maar niets is minder waar. Het is alweer tien jaar later als ‘de Heer Staatsraad Gouverneur’ (tegenwoordig Commissaris der Koningin) zich op 1 maart 1848 andermaal tot de gemeente wendt met de dringende boodschap om de beschikbare brandblusmiddelen in goede staat te brengen en te onderhouden. Men komt in de gemeenteraad tot de conclusie dat wegens het – met name in warme zomermaanden – gebrek aan water in de uitgestrekte gemeente het gebruik van een ‘gewone’ brand¬≠ spuit geen zin heeft. De nog aanwezige ‘draagbare’ spuit zou – als die tenminste functioneert – wel ter plaatse bruikbaar zijn. Met wei¬≠nig kosten moet dat vermaledijde apparaat toch weer aan de praat te krijgen zijn. Men schrijft dit aan de gouverneur, die – blij met het antwoord – aanspoort om de pomp onverwijld te laten repareren. De spuit wordt naar brandspuitmaker Martinus Eymen in Beverwijk gestuurd. De burgemeester rapporteert, dat hij “op giste¬≠ren de spuit heeft ge√Įnspecteerd en dezelve heeft zien werken, dat de spuit een straal water ter dikte van eenen gewonen mansduim tot eene hoogte van dertien a veertien ellen opgeeft en door niet meer dan twee mannen behoeft te worden bewerkt”. Daar blijft het niet bij, want in hetzelfde jaar wordt een brandweerreglement vastgesteld. Op maandag 14 augustus 1848 wordt het personeel van de brandspuit benoemd. Uit de 27 kandidaten worden 12 man¬≠nen gekozen, de commandeurs H. Handgraaf en J.F. Rommel, de pijpleiders C. Breedveld en J.F. Beudeker. Er zijn vier pompers, C. de Groot, J. Kuys, P. Liefting, en E. Winkelman. Tenslotte vier waterdragers te weten A. Dekker, A. van Duijn, L. Houttuin en B. Lute. Alle benoemden krijgen een exemplaar van het reglement toegestuurd met tegelijkertijd de aankondiging voor een eerste ‘excercitie’.

Het reglement van 1848

Het reglement van 1848 omvat 31 artikelen, die ons nu informatie geven over de organisatie en de beschikbare middelen. Over de beschikbare middelen kunnen we kort zijn: er is 1 draagbare spuit, die op een vaste plaats op het raadhuis wordt bewaard, “vanwaar dezelve zonder moeite of tijdverlies zowel bij nacht als bij dag naar buiten kan worden gebragt”. De al genoemde twaalf man¬≠ schappen, waaronder de eerste en tweede commandeur, moeten tussen de 20 en 50 jaar oud zijn en zij moeten bovendien bij voor¬≠keur in de kom der gemeente wonen. De burgemeester heeft het opperbevel over het ‘gansche brand wezen’. Ook aan de burgerij worden verplichtingen gesteld: de naaste buren moeten zo snel mogelijk de burgemeester van de brand in kennis stellen, die onverwijld de dorpsklok moet laten luiden. Hij zal ook nog twee wagens met paarden moeten ‘requireren’ (red: opeisen). “Deze wagens voor het raadhuis gekomen zijnde, zullen de pompers en waterdragers, de brandspuit op eenen der wagens zetten en zich vervolgens op de beide wagens verdelen, zoodanig dat zich op elk dier wagens een commandeur bevindt en daarmede zoo spoedig mogelijk rijden naar de plaats waar de brand is.” Men moet vervolgens de spuit zo dicht mogelijk bij de brandhaard zetten. “Terstond daarop zul¬≠len de waterdragers uit de naastbijgelegene beeck, put of pomp het water met emmers aanvoeren en in de bak van de brandspuit storten”. Pompers en pijpleiders moeten elkaar beurtelings bij het (handmatige) pompen aflossen. Tweemaal per jaar – in april en oktober – wordt een oefening gehouden. Er staan boetes op het niet verschijnen tijdens brand of oefening. Dronkenschap is taboe: “Iemand der manschappen tot de dienst van de brandspuit behoorende, beschonken zijnde, zal verbeuren bij brand eene gulden en bovendien onmiddellijk worden heengezonden.” Ook belediging van de commandeur wordt met een gulden bestraft.

Weinig branden

Het gemeentelijk jaarverslag van 1851 verwijst onder het hoofd¬≠ stuk ‘Openbare veiligheid’ nog eens naar het reglement van 1848 en er wordt opgemerkt, dat in 1851 en zelfs gedurende een groot aantal jaren in de gemeente geen brand is ontstaan. De manschap¬≠ pen hebben aangedrongen op de aanschaf van een moderne spuit, maar de gemeente herhaalt dat dit in verband met het probleem van het watertekort in de gemeente geen zin heeft. In de jaarbegro¬≠tingen wordt telkens vijf gulden uitgetrokken voor onderhoud van de oude brandspuit.

Machteloos

Als er brand uitbreekt, staat de brandweer voor een verloren zaak. Voordat de brandmelding binnen is, de wagens met paarden opge¬≠trommeld, de manschappen aanwezig en de spuit opgeladen, is al geruime tijd verstreken. Tel daarbij nog de afstanden, die via slecht onderhouden zandpaden afgelegd moeten worden. Bij de brand aangekomen, moet men maar hopen, dat er in de buurt een sloot te vinden is. De afstand tussen de sloot en de brandspuit moet telkens met emmers afgelegd worden om de pomp te vullen. Bij enige branden, die uitbreken, heeft de brandweer dan ook geen enkel succes. Burgemeester Rendorp (1852-1867) krijgt te maken met enige fikse branden. Het begint op 2 juli 1860 als kort na de middag herberg ‚ÄėDe Roskam‚Äô in Bakkum vlam vat. De brandweer moet met de gebrekkige hulpmiddelen toezien dat het pand geheel afbrandt. Inmiddels heeft schoolmeester C. Schut in 1858 een agentschap van een verzekeringsmaatschappij geopend. Men kan zich nu tenminste tegen brandschade verzekeren. Ook de afge¬≠brande herberg was verzekerd, maar de inboedel niet. Dat bracht A. Hageman ertoe om huis met inboedel te verzekeren. Gelukkig maar, want zijn boerderij brandde op 8 mei 1864 geheel af. Of ook Simon Louter verzekerd was, weten we niet. Maar op 4 september 1866 woedde er een hevig onweer boven Noord-Holland. Verscheidene boerderijen gingen in vlammen op, waaronder die van Louter aan het Noordend. Geen enkele brand kon dus geblust worden. Ondertussen is er weer een nieuwe burgemeester – H. Zaalberg – verschenen, die slechts 1 jaar (1868-1869) zal blijven. Hij rapporteert dat een adequate brandspuit hard nodig is, maar het geld ontbreekt. Ook zijn opvolger burgemeester C.H. Moens (1869-1877) krijgt met enige flinke branden te maken. Het is 22 april 1870, als in de woning van rijksveldwachter en jachtopziener Pieter de Boer aan de Rijksstraatweg brand uitbreekt. Behalve de geredden – een kind, twee geiten en een varken – wordt alles een


Jaarboek 18, pagina 6

prooi der vlammen. Het jaar 1871 eindigt met twee branden: de woning van Hendrik van der Heijden in de Oosterbuurt gaat op 25 september in vlammen op. De tweede bewoner – het gezin van Cornelis Orij – raakt alles kwijt. Zij zijn niet verzekerd. En op 4 december is de kapitale boerderij van D. Meijne aan de beurt. Het huis met veestalling, kapberg en boet vatte om 11 uur ‘s avonds vlam. De gehele wintervoorraad van koren, hooi en stro ging ver¬≠loren. Het vee kon voor het merendeel worden gered, 5 koeien kwamen echter in de vlammen om.

Watervoorziening

In de gemeenteraadsvergadering van 8 april 1868 brengt Zaalberg het gebrek aan bluswater ter sprake. In 1867 is de spoorlijn in gebruik genomen, waarnaast sloten zijn gegraven. Die wil Zaalberg benutten om de precaire situatie met het bluswater in de kom van het dorp te verbeteren. Er bestaat nog geen waterleiding­ net, de inwoners halen hun water uit een bij de woning gelegen put of pomp.

Zicht op de Ciebeek en de bouw van Molendijk Zuid.
Zicht op de Ciebeek en de bouw van Molendijk Zuid. Cieweg in Castricum rond 1965. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Castricum had drie beken, die richting polder liepen. Deze beken waren via greppels met de land- en tuinbouwgebieden in het dorp verbonden en stonden in de zomer regelmatig droog. Er worden maatregelen genomen om het water dichterbij het raad­ huis te krijgen. Zaalberg wil naast verbetering van de watertoevoer ook een eigentijdse brandspuit. Mooie woorden, maar het duurt bijna tien jaar voordat een echte brandspuit wordt aangeschaft.

Krachtdadig optreden

Burgemeester Moens, die Zaalberg na korte tijd opvolgt, weet in zijn achtjarige ambtstermijn geen verbetering aan te brengen. In januari 1875 laat hij drie raadsleden nog onderzoeken welke spuit aangeschaft moet worden. Met zijn opvolger Jonkheer Mr. J.W.G. Boreel van Hogelanden (1877-1888) breken andere tijden aan. Hij zal de zaken groots aanpakken. De eerste stap is 750 gulden op de begroting van 1879 te zetten voor de aanschaf van een brandspuit.
De aankoopnota van F.M. Kronenburg, “Leverancier van bekroon¬≠de brandspuiten” uit Alkmaar van 7 september 1877 vermeldt een handbrandspuit met zuigbuizen en straalpijpen. Die hoeft dus niet meer handmatig met water gevuld te worden. Een hele verbetering voor de manschappen, maar vooral voor het resultaat.

In 1877 werd voor de Castricumse brandweer een onderkomen gebouwd voor de handbrandspuit.
In 1877 werd voor de Castricumse brandweer een onderkomen gebouwd voor de handbrandspuit. Op deze plaats stond aanvankelijk een gemeentelijk schuthok voor vee. Bugemeester Mooijstraat 14 rond 1980. Collectie Makelaarsbriefje. Toegevoegd.

De volgende stap is de bouw van een brandspuithuisje aan de Kramersweg. Op die plek staat een schuthok, dat verplaatst moet worden naar een plek bij het huis van P. de Graaf aan de Oudeweg. Het spuithuisje heeft lange tijd als zodanig dienst gedaan. Het pandje met een karakteristieke gevel is in 1961 afgebroken, na ook nog tientallen jaren dienst te hebben gedaan als Kruisgebouwtje. Op dezelfde plek staat nu (red: anno 1995) het pand van makelaar Kloes. De voortvarende bur­gemeester heeft inmiddels ook een nieuwe brandverordening opgesteld. Hij pakt ook de organisatie grootschalig aan, te groots zoals weldra zal blijken. Het aantal manschappen wil hij van 12 naar 101 brengen. Maar raadslid J. Kuys Pzn. gaat nog verder, maar liefst 187 koppen moet het korps gaan tellen. De burgemees­ter vindt dat wat erg veel, maar de motie van Kuys wordt met 3 tegen 2 aangenomen.

Iedereen moet meewerken

Aan het hoofd komt een brandmeester, geassisteerd door een adjunct; er zijn 6 commandanten, 16 kwartiermeesters en 164 manschappen. Tot de functies behoren pijpleiders, werklieden, slanghouders, (128) pompers, slangbewaarders en tenslotte 2 licht­ dragers. Daarnaast wordt nog een Brandraad benoemd, die het toe­ zicht op de brandblusmiddelen en het personeel heeft. De bran­draad bestaat uit de voorzitter, brandmeester J. Kuys Pz. (het raadslid van de motie) en adjunct-brandmeester O.J. Kehl en ver­volgens de commandanten, W. Melker, K. v.d. Berg, J. Koopman, J. Res, J. Stam en F. Twisk Czn. Of dit alles nog niet genoeg is, worden volgens de verordening nog eens 33 mannen aangesteld voor aanvullende werkzaamheden als het wegruimen van brandge­vaarlijke goederen, het luiden van de torenklok en nog eens 6 lichtdragers. Van 12 is de bezetting uitgegroeid tot 220 manschap­pen. Nu moet de maximum leeftijd veertig jaar zijn, maar als blijkt dat de kom der gemeente niet zoveel mannen van die leeftijd heeft, vindt men een eenvoudige oplossing en wordt de leeftijd naar 45 jaar verhoogd.

Verdere maatregelen

De eerste oefening met het voltallige brandweerkorps wordt na de aflevering van de nieuwe spuit op 18 juni 1879 gehouden. Geen onverdeeld succes. Aan de manschappen ligt het niet, op drie na komt iedereen opdagen. Willem Liefting, Klaas Steeman en Comelis Roskam worden voor hun afwezigheid beboet. Het nieu­we apparaat vertoont allerhande mankementen. De spuit wordt in Alkmaar gerepareerd, waarvoor 55 gulden in rekening wordt gebracht. Dat pikt de burgemeester niet, want er is toch zes jaar garantie. Hij vraagt eerst deskundig advies, waaruit blijkt dat het een construc­tiefout betreft. Uiteindelijk wordt een schikking getroffen. Het advies is gevraagd aan de gemeente-architect van Beverwijk N. de Wolf, die ook desgevraagd een advies uitbrengt over de wateraanvoer. De gemeente wil een nieuwe brandput laten maken, maar De Wolf vindt een eenvoudiger oplossing. Simpel een sloot uitdiepen, die vanaf de spoorsloot naar de woning van Mooij loopt. Daarnaast moet een beschoeiing in de beek bij Reinders worden aangebracht. Tenslotte beveelt hij de aankoop van een aanjager bij de brandspuit aan. Spoedig wordt, met zoveel manschappen, de behoefte aan een tweede brandspuit gevoeld. Die wordt natuurlijk niet bij Kroonenburg gekocht, maar F.W. Stoel uit Alkmaar mag de zuigperspomp in 1881 voor 250 gulden leveren.

Zuigpomp, te gebruiken in put of sloot.
Zuigpomp, te gebruiken in put of sloot.
Perspomp.
Perspomp.

De werking van de ‘witte’ pomp: bij brand wordt de slang van de zuigpomp in een sloot gelegd. De perspomp wordt dicht bij de brandhaard geplaatst. Door middel van gekoppelde slangen wor¬≠den de pompen met elkaar verbonden. Twee pompers bedienen de zuigpomp en vier de perspomp. Andere pompers staan gereed om het zware werk over te nemen. Als men vijftien minuten gewerkt heeft, wordt het bevel ‘kwartier’ gegeven. De zes mannen krijgen dan een glaasje jenever of brandewijn. De andere groep neemt ondertussen het pompen over.

De witte en de bruine ploeg

De twee pompen worden in het vervolg onderscheiden als de witte en de bruine pomp. De witte is ondergebracht in het spuithuis aan de Kramersweg en voor de nieuwe bruine wordt een onderkomen gevonden in het voormalige lijkhuisje bij de gemeentetoren. Het huisje is daartoe ten koste van 50 gulden verlengd. Raadslid Jb. Kuys heeft nog wel eerst aangedrongen op ventilatie in het huisje. De manschappen worden over de beide spuiten verdeeld. De ploegen worden onderscheiden door een bruine of witte armband, die bovendien doorlopend genummerd zijn. De commandanten en kwartiermeesters van de ploegen zijn herkenbaar aan de witte of bruine stok. Brandmeester en adjunct hebben een stok met hun rang en het gemeentewapen. De stok van de brandmeester is nog in de huidige brandweerkazerne aanwezig. In 1884 wordt de ver¬≠ordening nog eens aangepast. Opvallende artikelen zijn, dat bij brand tussen 4 uur ‘s middags en 8 uur ‘s morgens niet alleen de klok geluid wordt, maar dat ook ratelaars de ronde zullen doen om de manschappen op te roepen. Daarnaast schijnt het nodig te zijn geweest om een verbod op te nemen om het spuithuisje open te breken als er geen sleutel aanwezig blijkt. Er kunnen paarden en voertuigen van de burgerij gevorderd worden en een dronken medewerker wordt direct gearresteerd en pas ontslagen als hij zijn roes heeft uitgeslapen. De beide ploegen worden in 1878 drastisch ingekrompen, de personeelssterkte gaat van 220 naar 136 man.

Weinig verandering

Ondanks deze maatregelen verandert er niet echt iets. Er wordt bijvoorbeeld regelmatig gesproken over de slechte toestand waarin


Jaarboek 18, pagina 7

één der pompen zich bevindt. Na drie jaar experimenteren laat men die eindelijk eens repareren. Zelfs over een paar sleutels voor de spuithuisjes wordt eindeloos gepraat en rapporten geschreven. In de tussentijd breken weer een paar branden uit, waarbij de brandweer machteloos moet toezien hoe de woningen geheel afbranden. Echte veranderingen zullen pas ruim na de eeuwwisse­ling plaatsvinden. In de vergadering van de Brandraad in april 1898 wordt voor het eerst gesproken over een vrijwillige brand­ weer, maar ook die zal nog lang op zich laten wachten.

We maken nu een sprong in de tijd. Inmiddels is J. Mooij in 1888 burgemeester geworden en zal dat blijven tot 1918. In 1911 wordt om niet nader vermelde redenen de brandspuit, die in het huisje aan de Kramersweg staat, ver¬≠kocht. Het spuithuisje bij de gemeentetoren wordt verkocht aan Bernardus Res voor 200 gulden. Het geld wordt bewaard voor de aankoop van grond ‘ter gele¬≠gener tijd’. In plaats van enige verbetering, blijkt nu dus dat de vele spuitgasten het vanaf nu met 1 spuit moeten doen.

De ommekeer

Bij zijn aantreden op 1 juli 1918 treft de nieuwe burgemeester P.H.L.J. Lommen een slecht functionerende brandweer aan, die zich met twijfelachtig materiaal moet behelpen. Op 23 oktober 1919 richt hij zich tot de raad en zegt hij dat hij aan de Commis­saris van de Koningin heeft geschreven, dat hij geen verantwoordelijkheid bij brand, gezien de toestand van de brandmiddelen, kan aanvaarden. Hij heeft de gemeenteopzichter een rapport over de inrichting van de brandweer laten opmaken. Hij geeft de raad te verstaan dat er onmiddellijk maatregelen moeten worden geno­men. J. Schuijt sputtert tegen en wil op de bekende manier nog eens uitstel. Hij wil het bouwvallige apparaat nog eens laten repa­reren en misschien later een nieuwe brandspuit kopen. Lommen vraagt aan Schuijt of hij de verantwoordelijkheid dan wil dragen. Als men blijft sputteren over het vele geld dat dit gaat kosten, geeft Lommen aan dat de investering door een geldlening afgedekt kan worden. H. Schipper vindt, dat er gelet op het rapport weinig anders op zit, waardoor de burgemeester als hoofd van de brand­ weer zijn verantwoordelijkheid kan dragen. Lommen heeft zijn zaak goed voorbereid en zonder hoofdelijke stemming wordt het college van B&W gemachtigd om voor 5.600 gulden brandblusmiddelen aan te schaffen.

De vrijwillige brandweer, 11 februari 1920

Daar blijft het niet bij, want burgemeester Lommen zit nog met de gebrekkige organisatie van de brandweer. Het korps bevat veel te veel manschappen en kan alleen daardoor al niet effici√ęnt functioneren. Daarbij komt dat met de nieuwe spuit minder mensen nodig zijn. Hij besluit dan ook tot een ingrijpende verandering. De ver¬≠ plichte brandweerorganisatie wordt ontbonden. Daarvoor in de plaats moet in navolging van omliggende plaatsen als Alkmaar, Beverwijk en Zaandam een vrijwillige brandweer komen. Castricum is een dorp dat zich snel uitbreidt. Hierop is de hopeloos ver¬≠ ouderde brandweerorganisatie absoluut niet ingesteld. De kom van het dorp krijgt langzamerhand een aaneengesloten bebouwing met alle brandgevaren vandien. Lommen zorgt voor een nieuwe veror¬≠dening en er wordt uitgekeken naar geschikte personen voor het nieuwe vrijwillige brandweerkorps. Criteria zijn: leeftijd, beschik¬≠baarheid, bereikbaarheid en uiteraard geschiktheid om hun werk te kunnen doen. Met name wordt gedacht aan mannen die in de dorpskom, of in Bakkum hun werk hebben.

Aannemer-timmerman Gerrit Kabel op circ 25-jarige leeftijd.
Aannemer-timmerman Gerrit Kabel op circ 25-jarige leeftijd. Dorpsstraat 24 in Castricum, 1903. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Zo wordt bijvoorbeeld aannemer-timmerman Gerrit Kabel benaderd. Hij heeft zijn werk­ plaats aan de Dorpsstraat 24, in een schuur achter het pand van burgemeester Mooy. Hij heeft een zestal knechten, Jan Houtenbos, Sip Veenstra, Jan Tromp en Dirk Tromp. Jan Schuijt en Janus Hopman. Gerrit Kabel met 2 knechten sluiten zich aan. Daarnaast weet Lommen enige andere bekende plaatsgenoten als de smeden Cor Peperkamp en Dorus de Groot te strikken. De Vrijwillige Bandweer wordt op 11 februari 1920 opgericht. Per 20 februari 1920 wordt de nieuwe brandweerverordening vastgesteld en de twaalf brandweerlieden worden benoemd. De mannen van het eerste uur zijn: J. Tromp van de Oosterbuurt als commandant, B.J. Roemer en J. Lute als motormachinisten en Q. Stolk als assis­tent. Er zijn twee pijpleiders, J. Houtenbos en G. Kabel en drie slanghouders C.J. Peperkamp, Th. de Groot en G. de Nijs Jbzn. Deze mannen zijn ingedeeld bij de motorbrandspuit. Voor de handbrandspuit in Bakkum worden aangesteld: A.C. Borst als commandant en C. de Groot en J. Hoebe.

Veldwachter Pieter Koelewijn met zijn twee honden.
Hier zien we Pieter Koelewijn met zijn twee honden. Pieter werd in augustus 1901 aangesteld als veldwachter. In 1908 werd hij in Bakkum geplaatst. Bij zijn 25-jarig jubileum kreeg hij van de bevolking een gouden horloge met inscriptie.

De verordening van 1920

In de verordening van 1920 wordt gesproken over de nieuwe motorbrandspuit, die in het spuithuisje naast de gemeentetoren wordt geplaatst. De handbrandspuit staat in het spuithuisje te Bakkum naast de woning van de rijksveldwachter. Er wordt in de verordening onderscheid gemaakt tussen de organisatie van de vrijwillige brandweer in Castricum met de nieuwe motorspuit, en de oude organisatievorm in Bakkum met de oude handspuit. Er worden ook nieuwe vergoedingen geregeld: in Bakkum krijgen de brandweercommandant, opperbrandmeester en brandmeester voor elke brand vijf gulden en drie gulden voor een oefening. De manschappen van de handbrandspuit krijgen 75 cent voor hel eerste uur en ver-


Jaarboek 18, pagina 8

volgens twee kwartjes voor elk volgend uur. Daarnaast krijgt degene, die de brand gemeld heeft, een gulden, de brandroeper krijgt een rijksdaalder; degene die de handspuit met paard en wagen vervoert beurt vijf gulden. De leden van de motorbrandweer krijgen een vaste jaarlijkse vergoeding van twintig gulden en vervolgens 75 cent of 50 cent per uur. De handspuit wordt van de hand gedaan, zo blijkt uit de aangepaste verordening van 1926, waarin deze spuit niet meer wordt genoemd.

De motorspuit Otto, die in 1920 is gekocht van de gemeente Zaandam.
De motorspuit Otto, die in 1920 is gekocht van de gemeente Zaandam.

De nieuwe motorspuit

De beoogde technische verbetering moet uit Zaandam komen. Die gemeente gaat tot aankoop van een autospuit over en biedt de motorspuit voor 2.500 gulden te koop aan. In januari 1920 wordt de koop gesloten, maar in afwachting van de auto moet de oude spuit nog even in Zaandam blijven. Die bewijst daar op 20 januari nog eens goede dienst door vijf uur onafgebroken een grote brand in de graanpakhuizen ‘Java’ te bestrijden.
Begin maart wordt de ‘Otto’ in Castricum afgeleverd. Een prachti¬≠ge machine, die de trots van het brandweerkorps is en nu staat opgesteld in de huidige brandweerkazerne. Bij de aankoop wordt de inventarislijst van de motorspuit meegeleverd, waaruit blijkt dat de motorspuit 500 liter per minuut levert. Bij de vele onderdelen worden onder andere drie kaarslantaarns en een koperen bel genoemd. Als op 14 april 1921 raadslid H.J. Zandbergen vraagt hoe de resultaten met de nieuwe spuit zijn, kan de voorzitter trots mededelen, dat de spuit zeer goed voldoet. Er was nog wel een probleem met de watertoevoer, maar dat is verholpen. Zandbergen constateert enige maanden later echter, dat bij een brand in de Schoolstraat gebleken is, dat de spuit niet voldeed. Het probleem blijkt aldus Lommen te zitten in de slechte watertoevoer: de water¬≠ putten hebben te weinig capaciteit voor ‘Otto’. Zandbergen wil daarom de waterputten verbeteren, maar deze keer wil Lommen even afwachten. Hij wil aansluiting op het waterleidingnet. Zandbergen is ook niet tevreden over de houding van het brand¬≠ weerpersoneel tijdens de oefeningen. De voorzitter belooft de heren een waarschuwing te geven.


In 1922 wordt aldus een pompgebouwtje met een pompcapaciteit van 150 kubieke meter per uur geplaatst in de sloot langs de Korte Cieweg.

In 1922 wordt aldus een pompgebouwtje met een pompcapaciteit van 150 kubieke meter per uur geplaatst in de sloot langs de Korte Cieweg in Castricum, 1980. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Rapport van 5 juni 1923

Lommen brengt verslag uit aan de raad omtrent de toestand van de brandweer, waarin hij concludeert, dat de motorspuit in goede staat is en voldoende capaciteit heeft. Hij geeft het probleem van de watervoorziening aan.
“Vanuit de sloot bij J. Twisk is de Rijksstraatweg te bereiken tot aan het Caf√© ‘Sportlust’. Vanuit de sloot bij P. Schotvanger is de geheele Burgemeester Mooijstraat te bestrijken. Vanaf de Cieweg kwam men tot aan de winkel van Heideman, met twee slangen tot aan het Caf√© van de Erven van Benthem. Om de geheele kom van het dorp te kun¬≠nen bestrijken is het noodig om: bij de Cieweg te zorgen voor vol¬≠doende water, op de hoek bij Goes een brandput te maken vanuit het pompstation aan de Cieweg, zeer gewenscht zou zijn een brandput te maken in de richting van de rooms-katholieke kerk. Overleg zal worden gepleegd met de directie van (melkfabriek) ‘De Holland‘ (Breedeweg) teneinde de Oosterbuurt gedeeltelijk te kunnen bestrij¬≠ken. Aangekocht diene te worden 200 meter slang. De handbrandspuit voldeed goed, gaf spoedig water, de putten voldeden eveneens goed. Op het oogenblik is de capaciteit nauwelijks voldoende, daar er te Bakkum veel wordt bijgebouwd; wellicht is er eene overeen¬≠komst te treffen met de directie van het Provinciaal Ziekenhuis om de brandputten van die inrichting te mogen gebruiken”.

De Ciebeek met het waterhuis of pompgemaal. Het stond ter hoogte van wat nu 't Strengh is.
De Ciebeek met het waterhuis of pompgemaal. Het stond ter hoogte van wat nu ‘t Strengh is. Castricum rond 1950. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De genoemde sloot bij J. Twisk is de spoorsloot bij Funadama, nu (red: anno 1995) Jasmin Garden en caf√© Sportlust is op de hoek Dorpsstraat-Burgemeester Mooijstraat. Schotvanger is de kastelein van ‘De Harmonie’, nu (red: anno  1995) Wong‚Äôs Palace. De winkel van Heideman staat op de plaats waar nu Huitinga is gevestigd. En caf√© Van Benthem, wordt later ‘De Vriendschap’, het huidige (red: anno 1995) Sam Sam. Goes woont tegenover het oude raadhuis. De raad gaat met Lommen’s voorstellen akkoord en er worden afspraken gemaakt met de directie van de melkfabriek over de watertoevoer naar de Oosterbuurt. de brandputten worden geslagen en met Duin en Bosch worden nieuwe afspraken gemaakt.

Waterleiding

De geschiedenis rond de aansluiting op het waterleidingnet wordt beschreven op pagina 23 van het artikel over de gezond­heidszorg in het 17e jaarboek­je. Uit het artikel blijkt dat er vanaf 1911 gesproken is over de met name voor de volksge­zondheid zo noodzakelijke waterleiding. Vanwege de problemen met de aanvoer van bluswater wacht ook de brandweer op de aansluiting. Aan het besluit tot aansluiting gaat een hevige rel vooraf, die door een brand veroorzaakt wordt. Op zondagmorgen 17 februari 1924 breekt er brand uit in de bollenschuur van de gebroeders Gerrit en Simon Twisk aan de Dorpsstraat (dezelfde plek waar nu (red: anno 1995) Jan Twisk zijn bloemen- en plantenhandel heeft). Na het bran­dalarm spoedt de brandweer zich naar het spuithuisje aan de Kramersweg en bij de


Jaarboek 18, pagina 9

brand aangekomen, plaatst men de pomp bij de spoorsloot. De slangen worden uitgerold en aangesloten, maar al wat er gebeurt: Otto geeft geen druppel water. De bevolking neemt dit de nu toch zo goed georganiseerde brandweer zeer kwalijk. De bewoners van de dorpskom verenigen zich en er wordt een petitie opgesteld. Vierenvijftig personen ondertekenen de brief, die naar het gemeentebestuur wordt gestuurd. Onder de vele bekende namen tref­fen we ook de handtekening van pastoor Engering aan. Uit de pro­testbrief blijkt, dat geen der spuitgasten een sleutel van het spuit­huisje had, dat daarom moest worden opengebroken. De motor­ spuit was bevroren en gaf pas na twee uur water. Er waren geen brandhaken en de brandklok had niet geluid. In de raadsvergadering van 17 maart 1924 wordt de verantwoordelijke man, burgemeester Lommen, stevig onder vuur genomen. Lommen heeft ondertussen een onderzoek ingesteld en komt met een uitvoerige verklaring. Drie brandweermannen, die nabij het spuithuis wonen, blijken een sleutel te hebben. De nalatigen zullen ongetwijfeld een stevige uitbrander hebben gekregen. Door de koude en vochtig­heid gaf het magneetmechanisme te weinig vonk. Iedere spuitgast hoort te weten dat de brandhaken- en ladders in de gemeentetoren hangen.

Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat 65 in Castricum) met voormalig Raadhuis.
Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat 65 in Castricum) met voormalig Raadhuis en gemeentetoren, rond 1950. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hij heeft de vergeetachtigen hierop ernstig gewezen. Over het laatste punt zegt hij: “Ook in het vervolg zal de brandklok niet luiden, dat is geheel overbodig. Voor een behoorlijke gang van zaken is het beste, dat zij die niet behooren tot de brandweerlieden of onmiddellijk bij de brand betrokken zijn, rustig aan hun werk of in bed blijven. Aan tal van dwarskijkers ontbreekt het bij een brand nooit. Zij lopen den spuitgasten in den weg, dringen zich op het terrein, geven zelfs ongevraagd bevelen en bederven in de regel meer dan zij goedmaken. Het vaste corps aangevuld met drie √† zes personen, zo heeft de praktijk geleerd, is meer dan voldoende.” Hij geeft aan waar nodig maatregelen genomen te hebben.

Commotie

Vervolgens gaat hij heel handig over op het ontbreken van een goede watertoevoer doordat er nog geen aansluiting op het water­leidingnet is. Zolang dat ontbreekt, kan hij er niet voor instaan, dat het niet weer zal gebeuren. Schipper en Zandbergen nemen het voor de burgemeester op, zij menen dat de organisatie van de brandweer nu goed geregeld is. Maar H. Hemmer wijst op de grote brand in Vriezenveen en vraagt zich af of de Castricumse brandweer een dergelijke catastrofe zou kunnen voorko­men. Besloten wordt om in afwachting van een rapport van de Gezondheids­commissie het onderwerp op de agenda van de volgende vergadering te zetten. Op 24 juli 1924 wordt met vijf tegen vier stemmen het voorstel aangenomen. Uit de stemmenverhouding blijkt, dat bepaald niet iedereen het belang van de waterleiding inziet. Dat blijkt nog eens uit de vergadering van 24 oktober als de nieuwe bouwverordening, met name een gewraakt artikel over verplichte aanslui­ting op het waterleidingnet, op de agenda staat. De Vries wijst op het belang van de brandbestrijding. Doorslaggevend voor hem is, dat de watervoorziening bij brand onvoldoende is. De tegenstemmers hebben succes en het gewraak­te artikel wordt op 11 december uit de verordening geschrapt. Op 17 maart 1925 wordt het voorstel tot het aanbrengen van brandkra­nen op het waterleidingnet wel aangenomen. Voor de brandweer een historisch besluit.

Eind 1925 de slangenwagen uit Alkmaar.
Eind 1925 de slangenwagen uit Alkmaar. Van links naar rechts Johan Weda, machi­nist Jaap Lute, commandant Jan Tromp, Jan Houtenbos, Dorus de Groot en Dirk de Winter.

Eind 1925 koopt men een slangenwagen van de brandweer in Alkmaar. Het is een open wagen met zitplaat­sen, een bergruimte voor de slangen en een rek bovenop voor de ladders. In hetzelfde jaar besluit men om het spuithuisje op het ter­rein van de Nederlands hervormde kerk te verlaten en de motorspuit over te brengen naar een schuur aan de Schoolstraat/Overtoom naast het armenhuis. Voor 550 gulden wordt het eerst nog aangepast en opge­knapt.

Voormalig Armenhuis, Overtoom 40-54 in Castricum.
Voormalig Armenhuis, Overtoom 40-54 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De boerderij van Th. Liefting in brand

Dat er veel mis kan gaan bij het blussen van een brand vertelt ons het rapport van de brandweercommandant J. Tromp over de brand van de boerderij van Th. Liefting. Omdat dit rapport de toenmali­ge werkwijze zo goed weergeeft, wordt het rapport hier volledig opgenomen.

Afgebrande boerderij van Liefting.
Afgebrande boerderij van Liefting, met daarvoor een persoon met paard en wagen. Limmerweg in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

“Op dinsdag 16 November 1926 des morgens om zes uur werd ik geroepen voor een brand, welke was uitgebroken in de boerderij van den Heer Th. Liefting in de Oosterbuurt en bewoond door de familie Bomars. Onmiddellijk heb ik mij toen naar de motorspuit begeven, omdat daar ter plaatse geen waterleiding is en trof daar ook al aan de brandmeesters Houtenbos en De Groot. Jb. Brakenhoff junior heb ik direct met een boodschap naar de Burge¬≠meester gezonden. Met de motorspuit en alle slangen rukten wij toen uit, na ook nog Jn. Korsman te hebben gecommandeerd ons te helpen. Al heel spoedig ontmoetten wij de voerman Jb. Jannes met zijn paard, die ik had aangesteld om ons materiaal naar de brand te brengen en zoo kwamen wij zoo vlug als het had kunnen gaan op de plaats des onheils aan, waar echter het geheele gebouw al in lichter laaie stond en voor de aangrenzende percelen en in de omtrek bestond er weinig gevaar doordat het mooi stil weer was. De brandmeester Jn. Boon was ook vrij spoedig op zijn post. Wij stelden de spuit op bij de watering op ongeveer 250


Jaarboek 18, pagina 10

meter van de brand, doch hadden veel pech, daar de motor niet wou aanslaan en toen hij dit na een poos wel deed, konden wij niet veel druk op de slangen krijgen, zoodat wij weinig water kregen om te blusschen en eindelijk besloten wij om te trachten met de slangen op de waterleiding vanaf de brandkraan bij C. Spaansen den brand te bereiken, daarvoor hadden wij ook de slangen van Bakkum noodig, welke ik heb laten halen. Met de auto van Jo de Groot arriveerde dan ook na eenige tijd de slangen van Bakkum en ook de brandmeesters en hun commandant. Over tuinen en wei­land hebben wij toen getracht den brand te bereiken, doch het bleek dat wij lengten te kort hadden en toen heb ik de auto naar Duin en Bosch en Limmen gezonden om slangen ter leen te vra­gen, doch het bleek dat die niet paste op de onze. Toen hebben wij alle slangen weer opgenomen en zouden wij het maar weer eens met de motorspuit probeeren en na alles nog eens goed nagezien te hebben, bleek dat de haalbuis niet luchtdicht aan de spuit was verbonden en na dit euvel met een goede dosis consistentvet te hebben verholpen, hadden wij eindelijk voldoende water om de brandende massa en vooral het hooi te bewerken.

De slangen van ons konden echter de druk niet doorstaan en in de een na de andere sprong een gat, zoodat wij nog maar een paar goede slangen hebben en het noodzakelijk is dat er nieuwe worden aangeschaft. Met al deze werkzaamheden was geruimen tijd heen¬≠ gegaan en het was ‘s avonds zes uur eer wij het vuur, voor zoover wij konden, gebluscht hadden en de spuit voorlopig geen dienst meer behoefde te doen. Voor den nacht heb ik twee wachten bij den brand geplaatst en zelf ben ik ook tot half elf gebleven, want er was nog steeds druk werk om het smeulende hooi nat te houden. Den volgende morgen om zeven uur was ik weer op het terrein aanwezig en de wachten deelden mede, dat zij den geheele nacht werk hadden gehad om het vuur dat geregeld uit het hooi te voor¬≠ schijn kwam te blusschen. Ik wilde het terrein dan ook niet verla¬≠ten, want het was niet uitgesloten of het hooi zou weer in vlam slaan, hetgeen ook bleek want voordat het middag was, moesten wij de spuit weer in werking stellen. Den geheele dag ben ik toen bij den brand gebleven en ‘s avonds was ik weer genoodzaakt om twee brandmeesters te halen en wij hebben tot ‘s nachts 1 uur bijna onophoudelijk moeten spuiten, daar het vuur in het hooi steeds aanwakkerde. In dien nacht had de brandmeester Houtenbos het ongeluk met zijn been bekneld te raken tusschen twee steenbrokken, waardoor hij zijn been bezeerde en zich den volgende morgen onder geneeskundige hulp moest stellen. Donderdagmorgen om vijf uur hebben wij den brand overgegeven aan het personeel van den eigenaar doch ‘s avonds waren wij weer genoodzaakt de spuit in werking te stellen daar weer veel vuur aanwezig was. De nacht van Donderdag op Vrijdag heeft het personeel van den Heer Liefting bij den brand gewaakt.

Vrijdag ben ik weer den geheelen dag op het terrein aanwezig geweest, daar ik de zaak nog lang niet vertrouwde en er in het hooi nog veel vuur zat. Dien dag hebben wij na hard werken en veel water gooien het laatste aanwezige vuur bezworen. De spuit hebben wij vrijdagmiddag om vier uur van het terrein gehaald en opgebor¬≠gen, doch het was ‘s avonds half negen eer al het vuur was gedoofd, doch dien nacht heeft het personeel van Liefting nog gewaakt. E√©n van de brandmeesters heeft gedurende deze brand waar wij elkan¬≠der zoo hard noodig hadden, niets van zich laten hooren of zien, zoodat ik de brandraad adviseer hem als zoodanig te ontslaan en voor hem een ander te benoemen. Hoewel wij bij deze brand met vele moeielijkheden en tegenspoed te kampen hebben gehad en veel critiek van de zijde van het publiek hebben moeten verduren, kan ik niet nalaten mijn groote tevredenheid uit te spreken over de brandmeesters en ook die van Bakkum, voor de goede samenwerking en het vele werk dat zij bij deze brand hebben verricht en ik twijfel niet of deze brand is voor ons zeer leerzaam geweest en bij een volgende keer zal alles veel vlotter verloopen als er vooral maar voor gezorgd wordt, dat ons materiaal goed in orde is.

Bij deze brand hebben hulp verleend: J. Tromp, commandant 56 uur, de brandmeesters J. Houtenbos 25 uur, Th. de Groot 40 uur en J. Boon 12 uur. Van Bakkum A. Borst 10 uur en C. de Groot, Jb. Borst en Jb. Weel elk 12 uur. De brandmeester Houtenbos, die door een ongeval zijn been heeft bezeerd, zal eenige dagen zijn werkzaamheden niet kunnen verrichten. Nog werden door mij aan¬≠ gesteld: Dorus Metselaar en J. Groentjes elk 24 uur, J. Korsman 5 uur en Cor Tromp 16 uur. Jb. Brakenhoff Jzn. als boodschapper naar den Burgemeester, Jb. Jannes vervoer der spuit van en naar de brand en Jo de Groot vervoer met auto. Onkosten: D. Brandjes aan koffie 2 gulden, J. van Benthem 25 sigaren en A. van Benthem 2 kan jenever. Terwijl door de Secretaris ook nog sigaren en brood en worst zijn gecommandeerd. De Brandmeester, J. Tromp”.

De gemeenteraad

Het ligt voor de hand dat dit voorval, dat voor commandant Tromp een nachtmerrie moet zijn geweest, aanleiding was om de burge¬≠meester vanuit de raad weer eens danig aan de tand te voelen. Als bij de begrotingsbehandeling op 9 december 1926 de brandweer aan de orde is, breekt men los. Zandbergen constateert dat veel mis is gegaan en eist regelmatiger oefeningen. De Vries vindt dat er ondeskundig te werk is gegaan, bij een sterke wind had een grote ramp kunnen gebeuren, meent hij. Men vraagt zich ook af, of de gewonde Jan Houtenbos nog schadeloos gesteld moet wor¬≠den. Lommen neemt de kritiek ter harte, maar men is toch wel hardleers. Want er gaat een jaar voorbij, voordat met het besluit neemt om de gammele slangen voor 250 gulden te vervangen. Bij de behandeling van de begroting voor 1930 wordt op 30 december 1929 weer uitvoerig de organisatie van de brandweer besproken. Er is net een grote brand in Zeeland geweest en raadslid Aukes vraagt bezorgd of Burgemeester en Wethouders (B&W) de verantwoordelijkheid met het oog op dergelijke catastrofes nog wel aan kan. Hellinga wijst er op, dat er op de begroting geen geld is uitgetrokken voor een alarmsignaleringssysteem voor de brandweer en ook de druk op de waterlei¬≠ding is niet hoog genoeg. In december 1931 heeft men weer kri¬≠tiek op het functioneren van de brandweer. Aanleiding vormen nu twee branden die op 17 en 18 oktober hebben gewoed, ‘s Zaterdags brandt de boerderij van C. Hollenberg aan de Alkmaarseweg af en de volgende morgen breekt er brand uit in het huis van Kl. Bloedjes aan de Kramersweg. Zijn huisje met schuur¬≠tje ligt al tegen de grond als commandant Tromp tegen zessen arriveert.

Overeenkomst met Alkmaar

Door deze en eerdere voorvallen heeft de raad mogelijk weinig ver­trouwen gehad in de capaciteiten van het eigen korps. In ieder geval wordt in december 1933 een regeling met Alkmaar gesloten voor hulp bij Castricumse branden door de vrijwillige brandweer van Alkmaar. Castricum betaalt daarvoor een jaarlijkse vaste bijdrage plus vergoedingen als daadwerkelijk hulp wordt verleend. Dit besluit valt, zoals te verwachten is, niet in goede aarde bij onze mannen. Met name Jan Tromp, Toon Borst, Cees en Dorus de Groot voelen zich door het gemeentebestuur nogal bevoogd. Voor zover bekend is er nooit enig beroep gedaan op Alkmaar. De regeling is in 1955 opgeheven. In een rapport van 29 oktober 1935 vermeldt de secretaris van de brandraad (hij is ook gemeentesecretaris) dat in Castricum 400 meter slang aanwezig is met een motorspuit, een brandslangenwagen en diverse hulpmaterialen. In Bakkum ligt 350 meter slang met toebehoren en ook daar is een slangenwagen.
Er woeden in 1935 wat kleinere branden, waaronder bij Siem Bra¬≠kenhoff ‘in de Bossen’ op de hoek van de Beverwijkerstraatweg en de Oud-Haarlemmerweg. Het is kermismaandag en de brand breekt uit tijdens het traditionele ‘eerste deuntje’. Er heerst onder de brandweerlieden een jolige sfeer, want op deze kermismaandag


Jaarboek 18, pagina 11

wordt er vergaderd en de jaarlijkse ver­goeding van twintig gulden wordt uitge­keerd.

Ari√ęn Gorter was als veldwachter een bekende Castricumse figuur.
Ari√ęn Gorter was als veldwachter een bekende Castricumse figuur, die in 1909 vanuit Hoogwoud op het adres Dorpsstraat 20 was komen wonen. Hij leefde van 1870-1954. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na de melding vertrekt men naar ‘de Bossen’ en begint met flinke stralen het vuur te bestrijden. Vanwege de ter plekke aanwezige persleiding lukt het uitstekend om veel water te geven. Nu had een der spuitgasten, Jan Houtenbos, net een bekeuring gehad van de Limmense veldwachter De Koekoek. Wetend dat omliggende dorpen assisten¬≠tie verlenen tijdens de kermis, ziet Jan de gewraakte diender tussen de toe¬≠ schouwers staan. Jan neemt zijn kans waar en spuit de agent compleet de grep¬≠pel in. Maar onder de kreet: “Niet doen jongens, hou op, ik ben het”, kruipt de veldwachter uit de greppel. Tot schrik van Houtenbos kruipt echter niet die Limmen uit de greppel, maar blijkt het de eigen gewaardeerde veldwachter Gorter te zijn. De combinatie van rook, vlammen en verhitting, maar vooral drank zullen de oorzaak van de vergissing zijn geweest. Siem Brakenhoff zal zeker niet meegelachen hebben, zijn huis brandde ondanks het vele water geheel af.

Foto waarschijnlijk gemaakt in 1936 hij de intocht van burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo.
Foto waarschijnlijk gemaakt in 1936 hij de intocht van burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo.

De oorlogsjaren

In 1936 overlijdt Lommen. Hij wordt opgevolgd door een man met een lange naam, C.A.F.H.W.B. van den Clooster, baron Sloet tot Everlo. Lommen heeft een duidelijk stempel gedrukt op de organisatie van de brandweer. Spijtig voor hem en het korps dat er niet zo veel succes is geweest. In 1938 verhuist de brandweer van de Schoolstraat naar een garage aan de Dorpsstraat, gelegen tussen fietsenmaker Eikel en ‘het huis met de kogel’. Na de capitulatie van het Nederlandse leger in mei 1940 krijgt Castricum in die zomer uit de overtollige legervoorraden de beschikking over een nieuwe auto. Het is een Chevrolet, een commandowagen met 8 zitplaatsen en een trekkerkoppeling. Deze wordt ingezet als trekker-manschappenwagen en dit wonder van vooruitgang kan moei¬≠teloos de oude Otto gaan trekken. Voor niet al te lang helaas, want in 1943 wordt de wagen door de Wehrmacht weer opge√ęist. Bijna zijn we de Otto in 1944 kwijtgeraakt. Vanwege de oorlogsomstan¬≠digheden wordt het korps uitgebreid tot 40 man. Het wordt uitge¬≠breid met een hulpbrandweer. Men treedt graag tot de hulpbrandweer toe, omdat men dan in het dorp mag blijven wonen. Daarnaast wordt een brandweerzegel op het persoonsbewijs geplakt, waardoor men ook is vrijgesteld van de beruchte ‘Arbeitseinsatz’. Van de oorspronkelijke in 1920 benoemde ploeg zijn nog drie mannen over, A.C. Borst, C. de Groot en Th. de Groot. Daarna zijn een vijftal nieuwe mannen toegetreden, G. Ronk, Jh. Res, G. de Rooy, B. van Benthem en A. Dekker. Toon Borst volgt in 1940 Jan Tromp als commandant op. Vanwege zijn leeftijd wordt hij in 1942 door Cees de Groot opgevolgd. In 1945 wordt Gerit Ronk tot waarnemend commandant benoemd. In 1946 wordt Joh. Res tot commandant aangesteld.

Werken voor de vijand

Van de Duitsers krijgt de brandweer de opdracht om aan het strand palen te ‘spritzen’: langs de vloedlijn worden palen geplaatst, waarop mijnen worden bevestigd. De brandweer moet hiervoor gaten spuiten, waarbij gebruik is gemaakt van onze oude motorspuit. Als de Duitsers bevel geven om Otto bij laag water dichter naar de zee te brengen, waarschuwt men tevergeefs de opdrachtge¬≠vers. En bij de opkomende vloed gebeurt, wat men heeft gevreesd. De brave Otto verdwijnt in de golven. De volgende dag weet men met man en macht met behulp van staaldraad, kettingen en een locomotief, Otto weer op het droge te brengen. Helaas geeft hij geen water meer; hij wordt overgebracht naar de gemeenteloods. Otto was trouwens ook bijna de oorzaak van een gevaarlijke toe¬≠stand op het strand. Door het lawaai dat hij produceerde, hadden de brandweermannen niet in de gaten, dat de Duitsers het strand af renden. Achteraf bleek, dat Engelse jagers een aanval hadden gedaan. Zelfs het lawaai van mitrailleurs werd niet opgemerkt. De brandweermannen hadden pas in de gaten dat er iets aan de hand was, toen zij de jagers weg zagen vliegen. Niemand werd gelukkig door de kogels geraakt.

De gasfabriek met twee gashouders.
De gasfabriek met twee gashouders. Gasstraat in Castricum. Collectie Ou-Castricum. Toegevoegd.

Branden

Door laswerk van Dorus de Groot breekt op 6 augustus 1940 een gevaarlijke brand uit in de gashouder. Hierop heeft onze brand­weer geen antwoord en de hulp van Alkmaar, dus toch, wordt ingeroepen. Deze dekt het dak af met een laag schuim en het loopt goed af. De gasfabriek is daarna nog eens het doelwit van Engelse jagers en raakt zo weer in de brand. Ook nu weer paniek vanwege het ontploffingsgevaar, maar de commandant besluit toch tot blus­sen. De vlammen lekken uit de gaten waar de mitrailleurkogels zijn binnengedrongen. Met veel vindingrijkheid weet men de steeds weer oplaaiende vlammen, stuk voor stuk te doven, door de gaten met houten proppen te dichten. Op 9 oktober 1944 worden drie woonhuizen in de Pernéstraat als represaillemaatregel door de bezetters in de brand gestoken. De opgetrommelde brandweer mag het vuur niet bestrijden en wacht op enige afstand tot de Duitsers zijn verdwenen. Men kan het vuur wel doven, maar de huizen zijn toch grotendeels uitgebrand. Een dag later hetzelfde tafereel bij Cor Groen, wiens boerderij aan de Kerkedijk langs de spoorlijn in brand wordt gestoken. De boerderij met al het hooi en twee onder het hooi verstopte auto’s gaan verloren. Aan het einde van de oorlog


Jaarboek 18, pagina 12

zijn er vrijwel geen brandblusmiddelen meer over. De auto en de pomp zijn weg en uitrustingsstukken zijn er ook niet meer.

Brandweerlieden voor het gemeentehuis in 1949. V.l.n.r. comman­dant Dorus de Groot, burgemeester Smeets, Gerrit Ronk, Ber van Benthem en P. van Maarleveld. Op de achtergrond de voormalige doorrijstal, waarin toen de ijssalon van Niek de Groot was geves­tigd. In een gedeelte van de doorrijstal was tot 1955 de brand­weerkazerne ondergebracht.
Brandweerlieden voor het gemeentehuis in 1949. Van links naar rechts: comman­dant Dorus de Groot, burgemeester Smeets, Gerrit Ronk, Ber van Benthem en P. van Maarleveld. Op de achtergrond de voormalige doorrijstal, waarin toen de ijssalon van Niek de Groot was geves­tigd. In een gedeelte van de doorrijstal was tot 1955 de brand­weerkazerne ondergebracht.

Een nieuwe tijd

Als op 5 mei 1945 de oorlog is be√ęindigd, blijft de brandweer be¬≠rooid achter. Maar gelukkig wordt er snel een oplossing aangebo¬≠den. Er is veel overtollig legermateriaal en daarvan mogen de Castricummers een auto met spuit uit het Amsterdamse depot komen halen. Het is een Engelse Austin, met het stuur dus rechts en met een bel boven de cabine. Het is een dichte wagen met aan weerszijden zitbanken. De auto heeft een trekhaak voor de Harland motorspuit met een capaciteit van 3.000 liter per minuut. Na enige tijd worden de manschappen verrijkt met nieuwe kle¬≠ding: donkerblauwe battledress uniformen met rubber laarzen. De pakken zijn niet waterdicht, maar dat neemt men op de koop toe.

De Brandweer aangetreden voor burgemeester Smeets en commandant Dorus de Groot.
De Brandweer aangetreden voor burgemeester Smeets en commandant Dorus de Groot. Dorpsstraat in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Als op 16 november 1945 C.F. Smeets tot burgemeester wordt benoemd, breekt een nieuw tijdperk voor de brandweer aan. Hij zal veel tot stand brengen en daarnaast toont hij veel belangstel¬≠ling, zowel voor de organisatie als voor de mensen. Dorus de Groot volgt in 1947 Joh. Res als commandant op. Op 8 november 1948 wordt de ‘Vereniging Vrijwillige Brandweer’ opgericht. Gerrit Ronk is de animator voor de oprichting van deze personeelsvereniging geweest en wordt tot voorzitter gekozen. Met veel liefde en  enthousiasme heeft hij die vereniging geleid. De nieuwe commandant krijgt onder andere als taak om zijn mannen het zogenaamde ‘aflegsysteem’ bij te brengen. Dit systeem was een organisatievorm met als doel om water zo effici√ęnt mogelijk bij de brand te brengen. Elke brandweerman krijgt hierbij een nummer toebedeeld en wordt dan geacht precies te weten, wat te doen. Maar men is er niet aan gewend om les te krijgen. Het kost Dorus de Groot dan ook de grootste moeite om zijn hardleerse mannen het systeem aan te leren. Of Dorus het zelf wist, is een tweede, hij las het voor uit een boekje. Maar uiteindelijk heeft men het sys¬≠teem onder de knie, behalve als er brand uitbreekt, want dan ver¬≠geet men die nieuwe instructies even en wordt op de aloude manier gewerkt. De brand wordt dan wel geblust, alleen niet vol¬≠gens het boekje. Pas in een veel later stadium vanaf 1967 worden de manschappen naar cursussen gestuurd. Er zijn dan opleidingen tot bijvoorbeeld brandwacht eerste en tweede klas.

Na de oorlog wordt de stal in drie gedeelten verhuurd; aan de westzijde staat de brandweerauto, het middengedeelte wordt verhuurd aan Pieter Eikel voor opslag van fietsen en de oostkant wordt in 1948 ingericht tot IJssalon.
Na de oorlog wordt de stal in drie gedeelten verhuurd; aan de westzijde staat de brandweerauto, het middengedeelte wordt verhuurd aan Pieter Eikel voor opslag van fietsen en de oostkant wordt in 1948 ingericht tot IJssalon. Dorpsstraat 62a in Castricum rond 1950. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Huisvesting

Met de huisvesting van de brandweer is het hopeloos gesteld geweest. In 1947 wordt J.W. Beyersbergen als aankomende direc­teur van Gemeentewerken aangesteld als ondercommandant. Hij krijgt tot taak om eens kritisch naar de organisatie van de brand­ weer te kijken. Smeets ziet met lede ogen het erbarmelijke onderkomen aan, waar het materieel is opgeslagen. In de oude doorrijstal naast De Rustende Jager is geen mogelijkheid om de slan­gen te drogen, er is geen toilet, zelfs een kraan ontbreekt. Het dak lekt aan alle kanten, waardoor de zoldervloer deels is vergaan en tot overmaat van ramp ligt de vloer onder het straatniveau. Bij een flinke regenbui staat de vloer 20 centimeter onder water. Het plan wordt nu geboren om een eigentijds onderkomen te realiseren. Beyersbergen en Smeets pakken de kwestie energiek aan, want op 10 juli in het jaar van zijn benoeming wordt een ontwerp met de architecten Nielsen en Spruyt besproken. Maar niet alles werkt mee en het zal toch nog jaren duren voordat de felbegeerde brand­ weerkazerne er staat.

De brandweerkazerne aan de kant van de Brakenburgstraat in Castricum.
De brandweerkazerne aan de kant van de Brakenburgstraat in Castricum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

De brandweerkazerne

In 1950 verwerpen zowel de schoonheidscommissie als de stedebouwkundige het ontwerp. Het voorziet in een gecombineerd gebouw voor brandweer en gemeentewerken met twee bovenwo¬≠ningen. Beyersbergen is inmiddels in 1951 commandant geworden als opvolger van Dorus de Groot en hij krijgt Piet van Maarleveld als ondercommandant. De nieuwe commandant zet de inspannin¬≠gen van Dorus de Groot voort, maar het combinatiegebouw heeft geen kans van slagen. Daarom wordt van dat plan afgezien en gaat men over tot de stichting van een gebouw voor de brandweer alleen. Op 3 september 1953 wordt het complex met twee boven¬≠ woningen aanbesteed. Aannemer Johan de Nijs van de Overtoom blijkt de laagste inschrijver voor  93.600 gulden. Maar dit ligt boven de begroting en daarom wordt door de bestratingswerkzaamheden uit het bestek te halen de prijs tot 87.730 gulden teruggebracht. Het gebouw wordt in 1954 opgeleverd en de kazerne kan door de Castricumse brandweer in gebruik genomen worden. Het bevat een garage met slangentoren, een les- en instructielokaal met hal, toilet en keuken. De twee bovenwoningen worden betrokken door de families Noordover en De Vries. Noordover en De Vries zijn werkzaam bij Gemeentewerken en moeten bij wekelijkse toerbeurt het brandalarmsysteem bedienen. De manschappen zijn de koning te rijk met het nieuwe luxe onderkomen.

Personeelsuitbreiding

Beyersbergen heeft zich in de tussentijd beziggehouden met ande­re aspecten van de organisatie en stuit daarbij op het materieel dat niet meer aan de eisen van de moderne tijd voldoet. Geldgebrek zal vermoedelijk de oorzaak zijn dat zijn verzoek van 14 april 1951 om modernisering en uitbreiding van het materieel niet geho­noreerd wordt. Hij krijgt uiteindelijk toch het fiat voor het plan en mag op 22 juni 1954 zijn bestelling plaatsen. Vanwege de sterke inflatie in de vijftiger jaren zijn de aanschafkosten ondertussen met 40 procent gestegen, zodat het aanvankelijke budget ruimschoots wordt overschreden. Castricum wordt de trotse bezitter van een uit Amerika overgewaaide noviteit, een mist- of nevelautospuit. De auto, een Austin brandweertruck, wordt bij garage De Pont in Velsen-Noord gekocht. De hogedruk-mistbrandspuit is een Bean Royal 55 pomp met drie cilinders en een stalen tank van 1.500 liter. De spuit heeft een capaciteit van 225-250 liter per minuut. De auto heeft een gesloten bestuurders- en manschappencabine, een neerklapbaar ladderrek, een electrische sirene en een ver-


Jaarboek 18, pagina 13

plaatsbare schijnwerper. De leverancier van de pomp is A. Boudewijn en Zonen uit Geldermalsen. Het gaat om een draagbare motorspuit, die op een slede in het achtercompartiment van de auto wordt geplaatst. Boudewijn krijgt ook de opdracht om het geheel van auto en opbouw met de pomp bedrijfsklaar op te leveren. Door het nieuwe materieel moet de bezetting tot zestien man worden uitgebreid. Onder de nieuwe mannen treffen we bekende namen aan: Ab Weda en Antoon de Rooy in 1951 en Joop Zijlstra, Bertus Eikel, Gerrit Bedeke, Piet Gomes en Libert Eggers in 1954.

Opening nieuwe kazerne en feest 35 jaar brandweer, burgemeester Boreelstraat, Brakenburgstraat 1a in Castricum, 14 mei 1955. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Feestelijke opening in 1955

Een nieuw gebouw, nieuw materieel, weer nieuwe uniformen en bluskleding. Er is reden om de bloemetjes eens flink buiten te zet¬≠ ten. De enthousiaste ploeg wil het feest groots aanpakken. Men is niet vergeten dat in een gemeenteloods de oude Otto staat weg te roesten. Dat stuk nostalgie zal naar de brandweerkazerne gehaald worden en een totale opknapbeurt moeten ondergaan. Gerard Hemmer, Piet Borst, Cees de Groot en Piet Gomes nemen het kar¬≠wei op zich. De oude spuit wordt helemaal ontmanteld en met veel geduld stukje bij beetje weer in zijn oude staat teruggebracht. Na vele vrijetijdsuren met sleutelen, schuren, schilderen en poetsen is dan het grote moment aangebroken. Otto moet tot leven komen. Maar al wat men probeert, hij zwijgt als het graf. Piet Borst komt op het verlossende idee: “Ether erin en hij zal lopen”. Er komt eerst enig gesputter en gehoest uit Otto‚Äôs binnenste en tot opluch¬≠ting van de mannen produceert hij even later een gezond geluid dat allengs mooier wordt.

Opening van de brandweerkazerne door burgemeester Smeets.
Opening van de brandweerkazerne door burgemeester Smeets. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

14 Mei 1955 is de grote feestdag voor brandweer en gemeente, als het nieuwe gebouw en het materieel officieel in gebruik wordt genomen. In de optocht van de oude doorrijstal aan de Dorpsstraat naar de nieuwe kazerne aan de Brakenburgstraat rijdt de Otto, getrokken door het paard van Klaas Bos en geflankeerd door een erebegeleiding van zonen van spuitgasten, trots met zijn prachtige kleuren en glimmend koper voorop in de stoet. Daarna volgen de bellenwagen met de Harlandspuit en daarna de nieuwste aankoop, de Austin-truck met spuit. Men heeft het geluk dat het een prachti¬≠ge zonnige dag is, zodat vele belangstellenden de feestelijkheden meemaken. De opening wordt door burgemeester Smeets verricht door het hijsen van de vlag. Tot de geschenken behoren onder andere een door schilder- en brandweerman Wijnand Tromp geschonken glas in lood raam, voorstellende ‘De Rode Haan’ en een door de echtgenotes van de brandweerlieden geborduurde fraaie vlag. De burgemeester overhandigt de uit 1879 stammende brandweerstaf, die geruime tijd de burgemeesterskamer had gesierd.

Het vrijwillige brandweerkorps van Castricum op het kazerneterrein.
Het vrijwillige brandweerkorps van Castricum op het kazerneterrein. Van links naar rechts:: Piet van Maarleveld, ?, ?, ?, ?, ?, ?, ?, Gerrit Ronk, Cees de Groot (zoon van Dorus), Tinus Hopman, Libert Eggers (van De Rustende Jager), Gerard Hemmer, Antoon de Rooij, Piet Tromp (zoon van Wijnand Tromp). Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Donkere wolken

Door onduidelijke oorzaak ontstaat er in de jaren na 1955 verwij¬≠dering tussen commandant Beyersbergen en zijn mensen. De sfeer in het korps wordt gespannen en bereikt in de jaarvergadering van de personeelsvereniging van februari 1958 een tragisch diepte¬≠ punt, als over en weer verwijten worden gemaakt. Enige leden denken er zelfs over om op te stappen, maar dankzij aansporingen van collega’s blijft men toch bijeen. Tot opluchting van een aantal brandweerlieden kondigt de commandant zijn vertrek aan, als hij elders een baan aanvaardt. Met ingang van 1 januari 1959 wordt hem eervol ontslag verleend. Het gemeentebestuur begrijpt dat het korps een stem moet hebben in de benoeming van zijn opvolger en men krijgt daarom toestemming om een voordracht te doen. Unaniem wordt Piet van Maarleveld voorgedragen en Gerrit Ronk als ondercommandant. De nieuwe commandant ontdekt dat er zon¬≠der medeweten van het korps ondertussen een bestelling voor een nieuwe trekker-manschappenwagen is geplaatst. De door Metz in Alkmaar te leveren Chevrolet is dan al bijna gereed. Door snel te reageren kunnen nog enige aanpassingen gerealiseerd worden. Het blijkt een brandweerwagen te zijn, waaraan men niet veel plezier beleeft. Door de uitbreiding met deze wagen is er weer een aanpassing van de personeelssterkte noodzakelijk. Het aantal wordt op twintig man gebracht. Van Maarleveld wordt ervaren als een goede commandant en een humaan mens. Na een ernstige ziekte overlijdt hij op 1 oktober 1964; op 5 oktober wordt hij door zijn mannen met korpseer begraven.

De zestiger jaren

Zijn waarnemer Gerrit Ronk wordt op voorstel van de leden per 1 januari 1965 tot de nieuwe commandant benoemd en Tinus Hopman tot ondercommandant. Vanwege zijn leeftijd krijgt Ronk op 16 maart 1967 eervol ontslag en wordt Hopman zijn opvolger. Ondercommandant wordt dan P. Borst. In 1965 wordt de brand­ weerkazerne in verband met nieuw materieel vergroot. De brand­weer zelf voert daarvan een deel vanwege de hoge kosten in eigen beheer uit. Onder leiding van brandweerman Bedeke wordt met enige mannen de centrale verwarming aangepast. Die verwarming is in 1960 aangelegd ter vervanging van een te grote stinkende oliekachel, die de vergaderingen verziekte.

De brandweerploeg van Duin en Bosch poserend voor de ladderwagen.
De brandweerploeg van Duin en Bosch poserend voor de ladderwagen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Nieuwe ontwikkelingen

Brandpreventie begint al bij de voorbereiding van bouwplannen, beseft Van Maarleveld. Hij stapt hiermee naar de gemeentelijke bouwkundige dienst, waar hij wat argwanend wordt aangehoord. Door geduldig doorzetten worden de weerstanden goeddeels over¬≠ wonnen. Ronk schrijft in 1964 over ‘het tere plantje dat eerst wor¬≠tel moet schieten’. Bij Hopman‚Äôs benoeming tot commandant blijkt dit plantje tot een aardig boompje te zijn uitgegroeid.
Het psychiatrisch ziekenhuis Duin en Bosch beschikt over een eigen bedrijfsbrandweer. Er is enige samenwerking, maar in 1957 dringt de districtsinspecteur Fehres aan op een nauwere samen¬≠werking. In een bespreking in 1959 ten gemeentehuize tussen Fehres, Van Maarleveld en Kaper, hoofd van de bouwkundige dienst van Duin en Bosch, blijkt een dergelijk verschil van mening over het beleid, dat men onverrichter zake huiswaarts keert. Maar het rapport van de districtsinspectie naar het gemeentebestuur en de directie van het ziekenhuis leidt toch tot gezamenlijke oefenin¬≠gen van de beide brandweerkorpsen. Onder Ronk worden de con¬≠tacten gaandeweg beter en er worden veelvuldiger oefeningen gehouden. Tot de oefeningen behoren ook ori√ęntatieritten over het (doolhof-)terrein van Duin en Bosch. Het terrein was toentertijd nog niet van richtingborden voorzien. In het kader van de regiona¬≠le samenwerking wordt in oktober 1965 een grote oefening gehou¬≠den met de korpsen van Castricum, Limmen en Heemskerk; ook Duin en Bosch is hierbij aanwezig.
Cursussen zijn lange tijd een onbekend fenomeen bij de brandweer. Men wordt geacht om kennis van de apparatuur onder de knie te krij­gen door middel van een korte instructie, veelal door de commandant.

Van links naar rechts vader Piet Hes, Kees Hes, Bart Wakke, Jan van de Reep en Jos Hes.
Van links naar rechts vader Piet Hes, Kees Hes, Bart Wakke, Jan van de Reep en Jos Hes. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Branden

In november 1959 vat de boerderij van P. Hes aan de Hoogeweg in Bakkum-Noord vlam. Om 6 uur in de ochtend wordt er alarm geslagen. Er hangt een dichte mist, het zicht is vijf meter en zo voorzichtig mogelijk rijdend bereikt men te laat de boerderij. Pas in de directe nabijheid kan men de felle brandhaard zien. De belendende percelen zijn niet zichtbaar. Hes weet met zoon Kees en dochter Alie, zijn vrouw en kinderen uit de vuurzee te redden. Ook het vee heeft men inmiddels in veiligheid gebracht. Door de reddingsactie heeft zoon Kees zware brandwonden aan gezicht en handen opgelopen; hij moet naar het ziekenhuis vervoerd worden.


Jaarboek 18, pagina 14

In april 1961 wordt de hulp ingeroepen voor een brand in de preekstoel van de Nederlands hervormde kerk. De kerk blijft behouden, maar de waardevolle kansel gaat verloren.

Een gevaarlijke brand op 10 augustus 1965, die een grote consternatie op de camping Bakkum.
Een gevaarlijke brand op 10 augustus 1965, die een grote consternatie op de camping Bakkum.

In augustus 1965 breekt op het kampeerterrein Bakkum een gevaarlijke brand uit in een winkel met petroleum- en butagasvoorraad. Spoedig vliegen de butagasflessen als projectielen de lucht in. Er komen enkele ook op een rieten dak van een loods terecht, die ook vlam vat. Gelukkig zijn de meeste kampeergasten op dat moment vanwege het mooie weer op het strand, zodat zich geen persoonlijke ongelukken voordoen. Deze brand op het PWN-terrein ontlokte commandant Ronk de opmerking, dat brandweer­ lieden eerst een duinkaart moeten kopen om op het PWN-terrein een brand te kunnen blussen; sindsdien krijgt elke brandweerman van PWN een jaarkaart voor toegang tot het duingebied.

In maart 1966 brandt de houtwarenfabriek van Eling geheel af.
In maart 1966 brandt de houtwarenfabriek van Eling geheel af.

In maart 1966 wordt de houtwarenfabriek van Eling aan de Stetweg een prooi der vlammen. Lak en droog hout zorgen ervoor dat de fabriek verloren gaat.

Op 13 december 1972 brak brand uit in de benedenverdieping van het woonhuis.
De boerderij werd omschreven als: ‘ Het woonhuis met veestalling, hooi berging en verdere aanhorigheden met ondergrond, erf en tuin, gelegen aan de 8reedeweg 45 te Castricum, Op 13 december 1972 brak¬†brand uit in de benedenverdieping van het woonhuis, waarbij de 74-jarige 8ets de¬†Wildt-Pronk om het leven kwam. Het inwendige van de gehele benedenverdieping was uitgebrand en de buitengevel van het woonhuis was zwart geblakerd. Na herstel van de woning, waarbij de gevels in wit stucwerk werden uitgevoerd, betrok zoon Piet de¬†Wildt¬†de woning. Breedeweg 45 in Castricum rond 1975. Toegevoegd.

In 1972 valt wel een slachtoffer te betreuren als op 22 december de woning van de familie De Wildt aan de Breedeweg door een felle binnen­brand wordt getroffen. De vrouw des huizes komt hierbij om het leven.

Het Chinese vrachtschip Wan Chun strandt op 13 november 1972 op de Castricumse kust.
Het Chinese vrachtschip Wan Chun strandt op 13 november 1972 op de Castricumse kust.

Een unicum is een heuse scheepsbrand als op 7 april 1977 assistentie moet worden verleend op het gestrande schip de Wan Chun. In deze perio­de zijn talloze branden geweest, maar het is ondoenlijk om die allemaal te noemen.

Appartementen gebouwen De Loet. Dokter de Jonghweg in Castricum, 1975.
Appartementen gebouwen ‘De Loet’. Dokter de Jonghweg in Castricum, 1975. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Veranderingen

In de jaren (negentien) zestig en zeventig worden in het dorp enige grootschalige gebouwen neergezet, waarmee de brandweer geen ervaring heeft. Het gaat om de flats aan de C.F. Smeetslaan en de Loet, Sans Souci en De Ambassadeur en het winkelcentrum Geesterduin. Oud-commandant Ronk wordt bereid gevonden om de preventiezaken voor en tijdens de bouw voor zijn rekening te nemen. Advies wordt verkregen van de brandweerinspectie en van de beroepsbrandweer van Haarlem.

De brandweerkazerne heeft een nieuw aanbouw gekregen die rechts aan de kant van de burgemeester Boreelstraat te zien is.
De brandweerkazerne heeft een nieuw aanbouw gekregen die rechts aan de kant van de burgemeester Boreelstraat te zien is. Foto Wick Natzijl. Toegevoegd.

Burgemeester Smeets is in 1968 met pensioen gegaan en opgevolgd door Van Boxtel. Hij vraagt Hopman in 1969 om een vijfjarenplan op te stellen. Het plan staat op 2 pagina’s en wordt aan gemeenteambtenaar J. Middelhoff, die onder andere belast is met brandweerzaken, overhandigd om daarvan een echt rapport te maken. Hij presteert het om de 2 pagina‚Äôs in een 41 pagina’s tellend rapport om te toveren. Het houdt een uitbreiding van het materieel, versterking van het korps en vergroting van de brandweerkazerne in. Het advies wordt in 1972 door de gemeenteraad overgenomen. In 1973 en 1974 worden twee Magyrus autospuiten afgeleverd. In 1974 komt er nieuwe alarmapparatuur. Smits Bouwbedrijf uit Beverwijk gaat voor 597.000 gulden de nieuwbouw van de brandweerka¬≠zerne maken. Voor de diverse installaties wordt nog eens 187.000 gulden uitgetrokken. Begin 1977 wordt het gebouw opgeleverd. De opening wordt vanwege ziekteverlof van burgemeester Van Boxtel verricht door locoburgemeester H. Wokke. Jaap Hartog wordt als beroepskracht in dienst genomen. Hij wordt speciaal belast met preventiezaken.
Na een dienstverband van 37 jaar neemt Tinus Hopman op 17 februari 1978 afscheid en wordt tot erelid van de brandweer benoemd. Ton Settels volgt hem op en Cees van der Laan wordt de ondercommandant. Het korps is inmiddels uitge­groeid tot 31 man, waarvan Hartog beroeps is.

Het korps uit 1971.
Het korps uit 1971. Onder van links naar rechts: R. Sprengers, A. Weda, J. Zijlstra, A. Burgmeijer, J. Brakenhoff, J. Weda, G. Bos, H. Twisk, G. Ronk junior, J. Beerse, commandant M. Hopman, C. de Groot, P. Nolet, A. Houtenbos, A. Settels, W. Noordover, G. Zonneveld en H. Hemmer. Boven van links naar rechts: C. van der Laan, G. Borst, P. Zomerdijk, H. Twisk, Th. van der Himst en H. Nuijens.

De laatste jaren

Settels is 22 jaar brandweerman geweest, waarvan vier jaar als commandant. Hij neemt afscheid op 12 juni 1982 en krijgt voor zijn verdienste de gouden eremedaille in de orde van Oranje Nassau. Gmelich Meyling is op 16 april 1978 burgemeester geworden. Als hij op 1 juni 1985 naar Den Helder vertrekt, neemt Wokke als locoburgemeester zijn plaats voor een halfjaar in. Sinds 16 januari 1986 is burgemeester Schouwenaar de nieuwe baas over de brandweer. Hartog is op 1 juni 1982 de eerste beroepscommandant in het korps geworden.


Jaarboek 18, pagina 15

Zwembad De Witte Brug staat in brand. Jacob Rensdorpstraat 1 in Castricum. Foto Oud-Castricum. Toegevoegd.

Over de laatste jaren is een aantal spectaculaire branden te mel­den, waarvan de verwoesting van het zwembad De Witte Brug in de nacht van 5 op 6 juli 1987 de meest aansprekende is en die de landelijke pers uitvoerig heeft gehaald. De pomp van de autospuit 638 is hierbij beschadigd, maar kan weer hersteld worden. Flinke klappers zijn ook de branden van de Agrarische school aan de Oranjelaan in 1981 en op 10 mei 1983 de filterfabriek Golden Super op een binnenterrein tussen de Mient en Geelvinckstraat. Het gebouw wordt niet herbouwd, want het bedrijf vertrekt naar Uitgeest.

Het korps met de burgemeester Aaltje Emmens-Knol in het midden aan de `brink in Castricum.
Het korps met de burgemeester Aaltje Emmens-Knol in het midden aan de `brink in Castricum. Staand en zittend voor al het aanwezige materieel.

Het jubileum van de Vrijwillige Brandweer

Op 11 februari 1995 heeft de Vrijwillige Brandweer van Castri¬≠cum op ludieke wijze haar 75-jarig bestaan gevierd. De offici√ęle receptie loopt uit in een ware happening met aftre¬≠dend ondercommandant Cees van der Laan als onbetwist middel¬≠punt van de feestvreugde. Hij wordt door burgemeester Schouwenaar na een geestige speech onderscheiden met de gou¬≠den eremedaille in de Orde van Oranje Nassau. Door commandant Hartog wordt hij tot erelid benoemd. Tijdens de receptie wordt een tableau aan het brandweerkorps aangeboden, waarop alle namen van de manschappen staan vermeld, die in de 75 jaar dienst hebben gedaan. Opvallend is, dat de lijst slechts 101 namen bevat, een overtuigend bewijs dat de brandweermannen hart voor de zaak hebben en zich met plezier voor de gemeenschap inzetten. Hoe de toekomst er uit zal zien, moeten we afwachten. Nieuwe ontwikkelingen staan voor de deur, waarop de organisatie van de brandweer een antwoord zal moeten vinden. De snel veranderende maatschappij eist een steeds verdergaande professionalisering van het korps. Het werkterrein heeft zich in de laatste decennia razendsnel uitgebreid, hetgeen kennis over een zeer breed terrein vergt. Mogelijk dat in de verre – of wie zal het zeggen – al nabije toekomst meer beroepskrachten moeten worden ingezet.

Brand in Villa Doornduijn in 1993.
Brand in Villa Doornduijn in 1993.

Een boeiende geschiedenis

Sinds de grote brand van 1795 is er veel gebeurd met de brand­weer. Aanvankelijk moet de gehele dorpsgemeenschap meewer­ken om met zeer beperkte middelen de branden te blussen.


Jaarboek 18, pagina 16

Het korps uit 1991.
Het korps uit 1991. Boven van links naar rechts: J. Grippeling, P. Krom, D. Hilbers, W. Johannes, H. de Nas, J. Brasser, W. Noordover, C. Kerssens, F. Wark, J. Theissling, C. Suurmond en P. Zomerdijk. Midden v.l.n.r.: W. van Bruggen, J. Kooijman, J. Brakenhoff, M. Duyn, R. Oudshoorn, G. Veldt Bzn, A. Bijman, H. Lind, N. van der Park, W. de Reus, J. Zijlstra, J. Beerse, H. Borst, G. Veldt Gzn, H. Houtenbos, H. Veldt, H. Langeveld, J. Weda en R. Struik. Onder van links naar rechts: H. Nuyens, A. Burgmeijer, P. Prinsen, A. Houtenbos, commandant ./. Hartog, burgemeester J. Schouwenaar, C. van der Laan, R. Sprengers en H. Hemmer.

Het gemeentebestuur stelt tot het begin van deze eeuw weinig midde¬≠len ter beschikking om behoorlijk blusmaterieel aan te schaffen. Pas met de komst van de Vrijwillige Brandweer treedt er wezenlij¬≠ke verandering in. De aansluiting door Castricum op het waterlei¬≠dingnet is voor de brandweer van grote betekenis geweest. Een kleine groep heeft zich jarenlang ingezet voor de veiligheid van de gemeenschap. Ondanks de inzet van de mannen heeft men eerst nog niet zo’n succes. Gelet op de gebrekkige middelen, die ter beschikking gesteld zijn, is dat niet zo verwonderlijk. Na de twee¬≠ de wereldoorlog heeft de brandweer zich spectaculair ontwikkeld. Door de komst van beter materieel heeft de brandweer grote suc¬≠cessen geboekt. Het korps heeft zich uitstekend aangepast aan de nieuwe tijd en is met de uitbreiding van het dorp meegegroeid. Het korps bestaat nu uit veertig manschappen met een goed uitgeruste brandweerkazerne en modern materieel.

Burgemeester Schouwenaar met leden van de plaatselijke brandweer. Afscheid van 4 vrijwilligers op 11-03-1998. Benoemd tot lid in Orde van Oranje Nassau.
Burgemeester Schouwenaar met leden van de plaatselijke brandweer. Afscheid van 4 vrijwilligers op 11-03-1998. Benoemd tot lid in Orde van Oranje Nassau.
Van links naar rechts: Henk Langeveld, Henk Hemmer, Burgemeester Schouwenaar, Jan Brakenhoff, Rinus Sprengers. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Er liggen tweehonderd jaar van brandweerhistorie achter ons, waarin de Castricumse Vrijwillige Brandweer een boeiend aandeel heeft gehad. Het dorp mag trots zijn op het vele dat haar brandweerkorps heeft bereikt. Dat is aan de inzet van de 101 vrijwillige enthousiaste brandweermannen te danken.

F. Baar
M. Hopman


Jaarboek 18, pagina 17

Verantwoording

De totstandkoming van deze geschiedenis is voornamelijk te dan­ken aan het vele archiefwerk, dat door oud-commandant Tinus Hopman is verricht. Zonder hem was dit artikel niet mogelijk geweest.

 Tinus Hopman, oud-commandant van de brandweer.
 Tinus Hopman (1919-2017), oud-commandant van de brandweer. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Gebruik is gemaakt van gegevens uit de archieven van de gemeente Castricum, van de Vrijwillige Brandweer Castricum en het Rijksarchief te Haarlem. Aanvullende informatie is verkregen uit Jaarboekjes van de Werkgroep Oud-Castricum. Daarnaast gegevens uit ‘De Historie van Castricum en Bakkum’ door D. van Deelen en uit het dagboek van J. de la Chambre, aanwezig in het museum ‘Kennemerland’ te Beverwijk. Informatie over de alge¬≠mene brandweerhistorie is gehaald uit ‘De geschiedenis van de brandweer in Nederland’, A.C. Broeshart, Rijswijk 1980.

Leden van de Vrijwillige Brandweer van Castricum 1920 -1995

Overzicht leden vrijwillige brandweer 1920-1995.
Overzicht leden vrijwillige brandweer 1920-1995.

Kroniek 1993 van Castricum (Jaarboek 17 1994 pg 63-64)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 17, pagina 63

Kroniek 1993 van Castricum

Januari

1 Castricum telt 22.541 inwoners, 159 meer dan op 1 januari 1992.

16 Het nieuwe gebouw van de tweedehands goederen winkel van de stichting ‘Castricum helpt Muttathara’ officieel geopend.

25 Wethouder De Wolf opent de reeks van activiteiten in het kader van het Europees Jaar van de Ouderen.

Villa Doornduyn na de brand in 1993 aan de Duinweg 2 in Castricum.
Villa Doornduyn na de brand in 1993 aan de Duinweg 2 in Castricum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

30 Een uitslaande brand heeft in de nacht van zaterdag op zondag de villa Doornduyn aan de Duinweg in de as gelegd.

Februari

18 Mevrouw C.G. Bakker-van der Wolff opent in het bezoekerscentrum De Hoep de tentoonstelling ‘Castricum en zijn bewoners’ van de werkgroep Oud-Castricum.

De orde van de luie Bul van de Carnavalsvereniging De Windtrappers,.
De orde van de luie Bul van de Carnavalsvereniging De Windtrappers, 1989 met P.Q. van Daalen. Foto van Kees Blokker. Toegevoegd.

21 Jaarlijkse Carnavalsoptocht met vier fanfarekorpsen en zeven praalwagens. Jan Groenland en de leden van de werkgroep Oud-Castricum, Jaap Stuifbergen en Loek Zonneveld, werden onderscheiden in de Orde van de Luie Bul.

25 De gemeenteraad besluit meer aandacht te gaan besteden aan toeristisch-recreatieve voorzieningen in Castricum.

Maart

8 Presentatie van het nieuwe boek ‘de Pijnvogel’ van plaats genoot Peter Pollet.

15 Jonge zeehond op het strand gevonden en afgevoerd naar zeehondenopvangcentrum in Pieterburen.

Zeebotenvereniging De Salamander moest zich in de begin periode met een klein vissersbootje van 3,60 meter.
Zeebotenvereniging De Salamander moest zich in de begin periode met een klein vissersbootje van 3,60 meter. Foto Kees Blokker. Toegevoegd.

20 De botenvereniging De Salamander bestaat 20 jaar. Ter gelegenheid daarvan is een nationale zeehengelwedstrijd georganiseerd.

25 De gemeenteraad besluit de realisering van een milieu-natuurtuin op het terrein bekend als de ‘Tuin van Rommel’ financieel te steunen.

28 De oude veilingklok van de bloemenveiling Aalsmeer is aan de Agrarische school geschonken en wordt daar weer ‘bedrijfsklaar’ opgehangen.

31 Het jeugdteam van de schaakvereniging Castricum sleept in de categorie tot en met 20 jaar de nationale titel in de wacht.

April

6 Klaas en Bep Ulder nemen afscheid als exploitanten van het strandpaviljoen ‘Albatros’.

12 De politie vangt in de wijk Molendijk een vos, die voorzien is van een zendertje. Steeds meer klachten worden vernomen over de overlast van vossen.

13 Groep van 60 personen uit Balatonf√ľred door de Stichting Jumelage en de gastgezinnen hartelijk ontvangen. Tot 18 april wordt een uitgebreid programma afgewerkt.

18 De heer P. Alkemade ontvangt de pauselijke onderscheiding Pro Ecclesia et Pontifice voor zijn vele werk ten behoeve van de parochie Maria ten Hemelopneming.

Het spirituele centrum van de Stichting Jan 17.
Het spirituele centrum van de Stichting Jan 17 aan de Noorderstraat in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

21 Bij de monastieke academie ‘Jan 17’, gevestigd in de oude boerderij Zeeveld, zijn door scoutinggroepen 190 bomen geplant.

22 De heer A. Dijkstra treedt af als voorzitter van het stichtingsbestuur van het zwembad.

24 De oudste inwoonster van Castricum mevrouw Nieuwkoop-Druif is 102 jaar geworden.

25 Grote kunstveiling van de Stichting Castricum-Zawite heeft, mede dankzij de medewerking van Frans van Dusschoten als veilingmeester, 11.000 gulden opgebracht.

29 Ter gelegenheid van Koninginnedag werden ir. W.J.A. Hoenselaar, ir. F. Hollander en B. Castricum koninklijk onderscheiden.

30 In het jongerencentrum De Bakkerij is De Nacht van het Nederlandstalige Lied een succes geworden.

Mei

2 Burgemeester Schouwenaar heeft 3.273 handtekeningen in ontvangst genomen, die het resultaat zijn van een actie van de Bakkumse ondernemers tegen voornemens van de gemeente om de toegang tot Bakkum af te sluiten voor verkeer vanaf de Zeeweg.

De Kramersweg met het kaaspakhuis van Uniekaas in het oude veilinggebouw.
De Kramersweg met het kaaspakhuis van Uniekaas in het oude veilinggebouw. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

8 Open dag ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van Dijkman-Uniekaas.

15 Oud-wethouder Abraham Kooiman op 83-jarige leeftijd overleden.

16 Met de opening van de post van de Castricumse Reddingsbrigade door Klaas Ulder is het strandseizoen officieel begonnen.

26 Voorzitter B .W. Wagenaar en secretaris A. van Elst nemen afscheid van het afdelingsbestuur van het Rode Kruis.

Juni

1 In het Jongerencentrum De Bakkerij is vanaf heden het gebruik en de handel in drugs verboden.

De 21 kinderen van groep vier van de Cuneraschool, stapten in optocht naar het cursuscentrum De Plaats, dat de school als noodopvang kreeg aangeboden.
De 21 kinderen van groep vier van de Cuneraschool stapten in optocht naar het cursuscentrum De Plaats, dat de school als noodopvang kreeg aangeboden. Foto Ronald Goedheer. Toegevoegd.

12 Cursuscentrum De Plaats in Bakkum feestelijk geopend.

17 Ruim 2000 deelnemers aan de 50e avond-vierdaagse feestelijk ingehaald.


Jaarboek 17, pagina 64

21 De heer T.P. Buitenwerf wordt ter gelegenheid van het afscheid van zijn werkgever Radio Holland koninklijk onderscheiden.

22 Op basis van een woningbehoefte onderzoek is het gemeentelijke bouwprogramma opnieuw bezien. Het bouwtempo van zo’n 100 woningen per jaar wordt gehandhaafd. In 2005 zal het laatste uitbreidingsplan Albert’s Hoeve geheel zijn volgebouwd.

Park Noordend aan de bloemen bij het Jac. P. Thijsse college.
Park Noordend aan de bloemen bij het Jac. P. Thijsse college. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

24 De raad besluit het nieuwe Jac.P. Thijsse College op een van de velden van het sportpark Noordend te laten bouwen.

28 Een groep van 12 protestantse en 12 katholieke jongeren uit Noord-Ierland is drie weken te gast in Castricum.

Juli

8 Vijf bewoners van de woonvorm voor lichamelijk gehandicapten Klaverland zijn er in geslaagd de afstand Castricum-Brugge per fiets af te leggen.

Optreden van de 'Joseph LAM Jazzband' in de Burgemeester Mooijstraat te Castricum.
Optreden van de ‘Joseph LAM Jazzband’ in de Burgemeester Mooijstraat te Castricum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

24 Jazz-weekend in Castricum.

Augustus

it huis is volgens zeggen het café van Bet van Floor, ook wel café 'Het Haasje' geweest.
Hier is op 6 oktober 1799 tijdens de Slag bij Castricum Neeltje Groentjes doodgeschoten. Dit huis is volgens zeggen het caf√© van Bet van Floor, ook wel caf√© ‘Het Haasje‘ geweest. Daarvoor zou de familie Groentjes er gewoond hebben. Heereweg 8 in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

10 Een van de oudste huizen van Castricum, het voormalige cafe ‘t Haasje aan de Heereweg, waar Neeltje Groentjes tijdens de Slag bij Castricum werd doodgeschoten, wordt helaas afgebroken.

September

4 Op zijn 70e verjaardag ontving de heer M. Marcker een koninklijke onderscheiding voor zijn vele verdiensten voor de Castricumse rugbyclub.

9 Kleine windhoos op het strand van Castricum waargenomen.

10 De rooms-katholieke basisscholen Molenweid en De Hoeksteen gaan samen onder de nieuwe naam De Toermalijn.

13 Mevrouw Smeets-Koot, weduwe van oud-burgemeester Smeets overleden.

22 Een pati√ęnt van het ziekenhuis Duin en Bosch om het leven gebracht.

23 Mevrouw M. Postelmans-Blankemeijer neemt ontslag als lid van de gemeenteraad.

Bouw van het nieuwe bezoekerscentrum De Hoep aan de Johannisweg 2 in Bakkum.
Bouw van het nieuwe bezoekerscentrum De Hoep aan de Johannisweg 2 in Bakkum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

30 Start van de bouw van het nieuwe PWN-bezoekerscentrum De Hoep in Bakkum.

Oktober

Uitzicht over het latere Bakkerspleintje.
Uitzicht over het latere Bakkerspleintje. De foto is genomen in 1935 vanaf de oude Dorpskerk. Op de voorgrond de Rustende Jager. Rechts de Pern√©straat en links de Geelvinckstraat. De Henry Schuitstraat moet nog bebouwd worden. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

5 De Winkeliersvereniging Castricum Centrum presenteert een plan tot uitbreiding van het winkelgebied op het Bakkerspleintje. Bewonersgroepen verzetten zich tegen de omvang van de gedachte uitbreiding.

5 Het politiek vormingsinstituut M50 organiseert samen met de gemeente het project ‘Wegwijs op het gemeentehuis‘. Ruim zestig leerlingen van het Jac.P. Thijsse College oefenen in politieke besluitvorming.

5 De heer A. Dijkstra, oud-voorzitter van het bestuur van het zwembad, oprichter en ere-lid van Aquafit, overleden.

8 Informatiesysteem LOKET in de bibliotheek in gebruik genomen.

29 Wethouder P. de Wolf neemt een verkeersnota in ontvangst, die is opgesteld door zeven organisaties van Castricumse ondernemers en middenstanders, de Vereniging Castricum Veilig en Veilig Verkeer Nederland. Hierin wordt aanleg van een ringweg bepleit.

November

4 Mevrouw Hoogendijk-van Leeuwen, mede-oprichtster van de woongemeenschap ‘Op de Kordewagen’, overleden.

12 Op informele wijze heeft de heer Hans Schwartz afscheid genomen als directeur van de Duinrandschool. Hij wordt voorlichter van de gemeente Castricum.

Het Fanfare orkest Emergo bij de vroegere ingang van het gemeentehuis.
Het Fanfare orkest Emergo bij de vroegere ingang van het gemeentehuis, Raadhuisplein in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

19 Alle 45 leden van Castricums fanfare hebben een gemeente das ontvangen wegens het behalen van het kampioenschap van de Muziekbond.

19 Jubileumconcert Castricumse Oratorium Vereniging. Het koor bestaat 25 jaar.

25 De heer J.D. Beltman volgt voor de VVD mevr. Postelmans-Blankemeijer op als lid van de gemeenteraad.

25 Bewoners en personeelsleden van ziekenhuis Duin en Bosch voeren actie tegen de bezuinigingen op de ziekenhuis-budgetten.

December

7 In het kader van de Internationale Vrijwilligers Dag presenteert de Vrijwilligers Centrale zich als opvolger van de Vrijwilligers Vacature Bank.

16 De gemeenteraad besluit met algemene stemmen Provinciale Staten te verzoeken Castricum in te delen in het gewest Noord-Kennemerland.

18 Het gemeentehuis wordt opengesteld voor een inzamelingsactie ten behoeve van de bewoners van Bosni√ę-Herzegovina in het voormalige Joegoslavi√ę.

20 Beleidsplan Verkeer door de gemeenteraad vastgesteld. Er zullen proefnemingen worden gedaan met eenrichtingverkeer in de Dorpsstraat; de wegen Stationsweg, Mient, Ruiterweg, Kleibroek, Oranjelaan en Soomerwegh worden ingericht als route voor doorgaand verkeer.

22 Raadslid Alex van de Ven, uitgetreden uit de fractie van het CDA, is voor de raadsverkiezingen in 1994 verkiesbaar gesteld door Castricum Actief.

Bronzen beeld genaamd “De Dans”, gemaakt door Peter Erftemeijer, aan de Van der Mijleweg in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

29 De burgemeester onthult bronsplastiek ‘De Dans’ van kunstenaar Peter Erftemeijer, als afronding van de renovatie van het centrum van Bakkum.

C.G. Bakker-van der Wolff
N.A. Kaan

Castricum – Honderd jaar geleden 1893 (Jaarboek 17 1994 pg 60)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 17, pagina 60

Castricum – Honderd jaar geleden 1893

Aan de hand van de gemeenteraadsnotulen, de inkomende – en uitgaande stukken van de gemeente Castricum, provinciale bladen, burgerlijke stand registers enzovoorts, zijn de belangrijkste gebeurtenissen in Castricum opgespoord van nu (red: 1994) honderd jaar geleden. In het jaar 1893 hebben in Castricum geen schokkende gebeurtenissen plaats gevonden.
Op 1 januari 1893 bestaat het Gemeentebestuur uit burgemeester Johannes Mooij, de wethouders Wulbert Melker en Jacob Kuijs en de raadsleden Cornelis Spaansen, Jan Twisk, Simon Louter, Jan Schuijt en Henricus Franse.
In deze periode schommelt het aantal inwoners rond 1.700; op 1 januari 1893 telt Castricum 1.690 inwoners, op 31 december 1893 is dit aantal toegenomen tot 1.732; in dit jaar worden in Castricum 56 kinderen geboren, worden 10 huwelijken gesloten en overlijden 24 personen. Door het geboorteoverschot van 32 en doordat er 10 personen minder zich elders vestigen (81) dan er in Castricum komen wonen (91), neemt het inwonertal met 42 personen toe.
Het aantal kiesgerechtigde inwoners in 1893 bedraagt 143; bij de verkiezing van 3 raadsleden (2 herkiesbaar) waren 92 kiezers opgekomen.

 
25 januari 1893

Op voorstel van de burgemeester wordt aan A. Dekker en C. Bakker elk drie gulden uitgekeerd voor hun werkzaamheden in 1892 bij het nemen van voorzorgsmaatregelen tegen de cholera.

Een verzoekschrift van de onderwijzer Van der Ploeg om verhoging van zijn jaarwedde wordt door de Raad afgewezen.

De eerste Groenelaan richting Kooiweg, 1950.
De eerste Groenelaan richting Kooiweg in Castricum, 1950. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het voorstel van L. Zonneveld, dat de huurder van de bermen van de Kooiweg zou moeten gedogen dat de stier van L. Zonneveld op het pad aan de westkant van deze weg al lopende mag grazen, wordt goedgekeurd. Zonneveld moet dan in ruil hiervoor de westelijke kant (om)heinen.

 
1 februari 1893

E. de Zeeuw krijgt toestemming van de Raad om vermindering van schoolgeldbetaling voor zijn 3 kinderen; voor één kind wordt vrijstelling van schoolgeldbetaling gegeven.

 
12 april 1893

De Heer Tollenaar, onderwijzer aan de Openbare Lagere School krijgt met ingang van 1 juni eervol ontslag.

Met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1893 worden de jaarwedde van de gemeentesecretaris en de burgemeester met respectievelijk 50 en 100 gulden verhoogd en daarmee gebracht op 300 en 400 gulden.

 
3 mei 1893

Het Algemeen Armenbestuur verzoekt het Gemeentebestuur om maatregelen te nemen tegen het bedelen. De Gemeenteraad was van mening dat elke ingezetene hieraan kan bijdragen door aan de bedelenden te weigeren iets te geven. De burgemeester zou de veldwachter aanzeggen op het bedelen meer dan anders acht te slaan en het te verhinderen.

 
24 mei 1893

Als nieuwe onderwijzer wordt P.J. Zandstra uit Sneek benoemd.

 
26 juli 1893

Op het verzoek van de heer J. Holland betreffende een concessie tol het aanleggen van een stoomtram van Castricum naar Egmond, wordt afwijzend beschikt.

In 1877 werd voor de Castricumse brandweer een onderkomen gebouwd voor de handbrandspuit.
In 1877 werd voor de Castricumse brandweer een onderkomen gebouwd voor de handbrandspuit. Op deze plaats, aan de Burgemeester Mooijstraat 14 in Castricum, stond aanvankelijk een gemeentelijk schuthok voor vee. Makelaarsbriefje rond 1980. Toegevoegd.

Brandweer: voorstel van de burgemeester ter verbetering van de veiligheid van het brandspuithuisje.

 
16 augustus 1893

Voorstel om Gedeputeerde Staten (G.S.) tegemoetkoming te verzoeken in de kosten van de verpleging van arme krankzinnigen in het Gesticht Meerenberg, die nu ten laste komen van onze Gemeente en hare Algemene Armen. Dit verzoek wordt ingediend, omdat deze kosten inmiddels zijn gestegen tot de aanzienlijke som van 900 gulden per jaar. De gemeente heeft in de periode 1879 tot en met 1892 aan deze verpleegkosten al bijna 8.000 gulden betaald. En daarvoor heeft de Algemene Armenvereniging over de periode 1865 tot en met 1878 ongeveer 4.200 gulden betaald. Deze kosten zijn voor de Gemeente uiteindelijk te bezwaarlijk en ondraaglijk. G.S. kennen de financi√ęn van deze gemeente en zijn overtuigd hoe alles onder de meeste spaarzaamheid geschiedt. Ook weet G.S. dat de gemeente Castricum in de algemeen slechte toestand deelt.
Een en ander overwegende is de Raad van oordeel dat het in het belang der gemeente noodzakelijk is geworden zich tot de Staten van deze provincie te wenden, opdat een tegemoetkoming zal worden verleend, zo niet gehele ontheffing van deze zo bezwarende verpleegkosten.

 
5 september 1893

Benoeming en eedaflegging van de op 18 juli herkozen raadsleden de heren Jb. Kuijs Pz., J. Schuijt en J.M. Goes. De heer Jb. Kuijs Pz. wordt tevens opnieuw gekozen tot wethouder. De heer Franse is als raadslid opgevolgd door Joseph Goes.

 
20 september 1893

G.S. heeft afwijzend beschikt op het verzoek tot tegemoetkoming in de kosten van verpleging van arme krankzinnigen.

Het verzoekschrift van enige schippers en schulpers tot het uitdiepen van een gedeelte van de Schulpvaart wordt aangehouden.

De Schulpvaart vormde ooit de grens tussen Castricum en Bakkum.
De Schulpvaart vormde ooit de grens tussen Castricum en Bakkum. Hier een deel dat de Grote Bocht wordt genoemd. Op de achtergrond is de spoorlijn zichtbaar. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

 
18 oktober 1893

In 1875 was de Schulpvaart voor het laatst uitgediept. De Raad besluit om de Schulpvaart Klaas Bakker de uitdieping te laten verrichten in daggeld; de kosten hiervan bedragen ongeveer 50 gulden.

 
15 november 1893

De Heer Zandstra, onderwijzer aan de Openbare Lagere School, verzoekt om eervol ontslag met ingang van 1 januari 1894.

Het bestuur van de Groot-Limmerpolder wil voor één derde bijdragen in de kosten voor het uitbaggeren van de Schulpvaart.

 
13 december 1893

A. Franse, onderwijzer aan de rooms-katholieke school in ‘t Zand, wordt per 1 januari 1894 aangesteld.

S.P.A. Zuurbier

Jaarverslag 1993 (Jaarboek 17 1994 pg 61-62)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 17, pagina 61

Jaarverslag 1993

Het verslagjaar 1993 was een boeiend en geanimeerd jaar voor de werkgroep. De werkgroep is dit jaar meer dan in andere jaren bij allerlei gelegenheden naar buiten getreden. De werkende leden van de werkgroep hebben enthousiast aan de activiteiten bijgedragen en mooie resultaten geboekt.

Tentoonstelling De Hoep

Op 18 februari werd door de heer Frens van het PWN en mevrouw C.G. Bakker-van der Wolff namens de werkgroep de tentoonstelling geopend in de Hoep met als thema: de bewoningsgeschiedenis van Castricums duingebied. Voor deze tentoonstelling, die door PWN en de werkgroep Oud-Castricum in goede samenwerking werd opgezet, was veel belangstelling.

Regiobijeenkomst

Op 28 april was de werkgroep gastheer tijdens een bijeenkomst met afgevaardigden van de historische verenigingen uit de regio. Thema was het ontstaan en de geschiedenis van de Hervormde kerken in onze regio; spreker was de heer Kol, die eerst een rondleiding in de pas gerestaureerde Oude Pancratiuskerk verzorgde.

Castricum en Sakhalin

Op 15 juli van dit jaar werd de werkgroep Oud-Castricum betrokken bij de viering van het feit dat 350 jaar geleden de bemanning van het VOC-schip ‘Castricum’ als eerste Europeanen voet aan land zette op het eiland Sakhalin. Onze gravure van het schip Castricum hangt nu in een museum op Sakhalin aan de andere kant van de wereld; cadeaus zijn uitgewisseld tussen de gemeente Castricum en Makaroff, de hoofdplaats van Sakhalin met Shell als tussenpersoon. Een en ander is in de pers uitgebreid aan bod gekomen.

De Duijnkant

Op 28 juli werd de werkruimte De Duynkant notarieel overgedragen door de gemeente Castricum aan de Stichting Werkgroep Oud-Castricum voor het symbolische bedrag van één gulden. Daaraan voorafgaand moesten de statuten van de stichting worden aangepast en voor de notaris worden gepasseerd. De grond blijft eigendom van de gemeente.

Opslagruimte bij gemeentewerken

Door de gemeente is een opslagruimte beschikbaar gesteld in een loods op het Schulpstet. Deze ruimte hebben we in augustus in gebruik genomen en hier zijn meerdere grote voorwerpen (mangel, hakselmachine enzovoorts) achter slot en grendel opgeslagen.

Hotel, café-restaurant Kornman aan de Mient 1 in Castricum.
Hotel, caf√©-restaurant Kornman aan de Mient 1 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

16e Jaarboekje

Op 21 oktober is het eerste exemplaar van het 16e jaarboekje in hotel Kornman in aanwezigheid van de pers overhandigd aan mevrouw Stet. Hoofdthema van het 16e jaarboekje is Castricum en de spoorwegen, verder een verscheidenheid aan onderwerpen en de stamboom van de Castricumse familie Stet. Ondanks de hogere oplage van 1.500 stuks is dit jaarboekje heel goed ontvangen en nagenoeg uitverkocht.

Donateursavonden

De jaarlijkse donateursavond werd gehouden op 25 november. De heer F. Diederik hield op een uiterst boeiende wijze een lezing met als thema ‘Zo begon het in Noord-Holland’. Er waren veel dia’s van archeologische opgravingen en vondsten. Naast de donateursavond zijn er ook een filmavond en verscheidene diapresentaties geweest door J. Stuifbergen en L. Zonneveld voor verschillende groepen donateurs en belangstellenden. De avonden werden druk bezocht en de reacties waren uiterst positief.

Enige bezoekers kijken aandachtig naar oude landkaarten van de Heerlijkheid.
Enige bezoekers kijken aandachtig naar oude landkaarten van de Heerlijkheid. In de loop der jaren zijn er daar veel van gemaakt en er duikt er zo nu en dan ook weer eentje op. Originele kaarten worden geconditioneerd bewaard. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Kaart van de Heerlijkheid

Op 22 december is de kaart van de Heerlijkheid onthuld door de burgemeester samen met de heer Klijnstra, directeur van de Rabobank, in aanwezigheid van de pers en van een groot aantal leden van de werkgroep in de bezoekersruimte van de Rabobank. De werkgroep deed met succes een beroep op de donateurs om een extra bijdrage over te maken om de aanschaf van de unieke kaart mogelijk te maken. De gemeente en de Rabobank namen ook een deel van de kosten van de kaart op zich. De kaart komt te hangen in de raadzaal van het gemeentehuis.

Aanschaffingen in 1993:

De belangrijkste aanschaffingen in 1993 zijn geweest: een koffiezetapparaat, een telefoonaansluiting, een metaaldetector, een nieuwe CV-ketel, een houten archiefkast voor het opbergen van de ingebonden kranten, de kaart van de Hoepbeekse afwatering, de kaart van de Heerlijkheid, een nieuwe snelle computer en het programma AskSam (red: database).

Activiteiten in 1993:

Archeologie

Terreinverkenning vooral nabij de Albertshoeve en de aanleg van het fietspad naar Heemskerk in het verlengde van de Heemstederweg. In de werkruimte zijn verschillende voorwerpen gerestaureerd.

Archiefbezoek

Een groepje leden is vele vrijdagen op het streekarchief te Alkmaar bezig geweest met het inventariseren van het archief van de gemeente Castricum over de periode 1915 tot 1936. Het resultaat is een getypt lijvig boekwerk met nauwkeurige verwijzingen. Een ander groepje leden is op dinsdagavond op het archief in Alkmaar vooral bezig geweest met de onderwerpen uit de jaarboekjes, zoals de families Stet, Schermer en Zoontjes en de gezondheidszorg. Ook wordt systematisch gewerkt aan het archief van verschillende Alkmaarse notarissen om Castricumse zaken en personen hieruit over te nemen. Verder nemen enkele leden deel aan het burgemeestersproject van de Stichting Regionale Geschiedbeoefening Noord-Holland.


Jaarboek 17, pagina 62

Inventarisatie

De bibliotheek van de werkgroep is nu grotendeels in de computer ingevoerd; een begin is gemaakt met het inventariseren van ansichtkaarten en foto’s. Er is een begin gemaakt met het geven van instructies in het gebruik van de computer; voor dit doel zijn inmiddels ook enkele handleidingen opgesteld.

Public Relations

De rubriek Oud en Nieuw verschijnt maandelijks in het Nieuwsblad van Castricum. Er is een nieuwe brochure gemaakt voor nieuwe donateurs met informatie over de werkgroep.

Bestuur, leden en donateurs

Tijdens de jaarvergadering op 7 juni werden twee nieuwe bestuursleden gekozen en wel mevrouw T. Sminia en de heer L. Zonneveld ter opvolging van de heer F. Baars en de heer P. van der Kamp. Het penningmeesterschap was al in het begin van het jaar door de heer W. Visser overgenomen; in de ledenvergadering in september is de heer M. Schiermann tot nieuwe penningmeester gekozen.

Op 31 december was het bestuur als volgt samengesteld:
S.P.A. Zuurbier, voorzitter
W.A.M. Steeman, secretaris
M.G.J. Schiermann, penningmeester
Mevrouw T. Sminia lid
H.M. Vermanen, lid
L. Zonneveld, lid.

Aan de werkavonden in de werkruimte De Duynkant en andere activiteiten van de werkgroep wordt door een dertigtal werkende leden deelgenomen.
Het aantal donateurs bedroeg op 31 december 1993: 974. Ten opzichte van 1992 is dat een toename van 44.

W.A.M. Steeman