Armoede; impressies uit de periode 1900 ‚Äď 1940 (Jaarboek 30 2007 pg 43-50)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over armoede: 18e eeuw, 19e eeuw, periode 1900-1940


Jaarboek 30, pagina 43

Armoede in Castricum; impressies uit de periode 1900-1940

Tuinbouw.
Tuinbouw buiten, de akker is omgespit. In de verte de watertoren en kerk van Duin en Bosch. Ook het hoge duin bij de Sifriedstraat is goed zichtbaar. Collectie Stuifbergen. Toegveoegd.

Het grootste deel van de inwoners van Castricum en Bakkum verdiende in het begin van de 20e eeuw zijn brood in de land- en tuinbouw en de veehouderij. Castricum telde nog geen 1.900 inwoners en de samenstelling van de bevolking was feitelijk al eeuwen ongeveer hetzelfde gebleven.

De teelt van aardappelen, erwten en bonen ontwikkelde zich. Via de grove tuinbouw kwam men tot bloembollenteelt en tot de fijnere tuinbouw waaronder aardbeien en groenten. Akkers in de duinen waren nog volop in cultuur. Producten werden rechtstreeks of via handelaren aan de man gebracht. Pas in 1913 kreeg het dorp zijn eigen groenteveiling.

De eerste jaren van de vorige eeuw kenmerkten zich door een wat oplevende conjunctuur en iets meer werkgelegenheid. Castricum stond aan de vooravond van ontwikkelingen die het dorp voorgoed zouden veranderen: de stichting van het Provinciaal Ziekenhuis en de opkomst van het forensisme.

Een karig bestaan

Vanaf 1901 vulde het gemeentebestuur formulieren in die een inzicht geven in het aantal personen dat ondersteuning ontving, maar deze tonen een andere indeling en vraagstelling dan vroeger het geval was. Trachten we uit de cijfers toch een indruk te krijgen van het totaal aantal bedeelden, dan komen we voor bijvoorbeeld 1902 tot een bedeling (hulp aan armen) van minstens 97 personen, deel uitmakend van 23 gezinnen. Castricum telt dan bijna 2.000 inwoners, zodat het aantal bedeelden uitkomt op circa 5 procent van de bevolking.

Het armenhuis aan de Overtoom hoek Schoolstraat.
Het armenhuis aan de Overtoom hoek Schoolstraat. Schilder Huib Hogenstijn. Foto Jacques Schermer. Toegevoegd.

In het Algemeen Armenhuis verbleven vijf personen, te weten twee oude lieden, twee gebrekkigen en een kind. In 1906 is de situatie ten opzichte van  1902 weinig veranderd. Als oorzaken van de bedeling worden genoemd: ouderdom, ziekte en gebrek aan werk. In vergelijking met de situatie in vroegere perioden van de Castricumse geschiedenis valt het percentage bedeelden mee, maar dat neemt niet weg dat vele Castricummers, vooral de tuinders, maar een karig bestaan hadden.

In zijn boek ‘Schippers van het Stet’ schetst Quirinus de Ruijter de soms zeer primitieve woonomstandigheden in het begin van de vorige eeuw. Woninkjes,¬†van 7 √† 8 meter bij 4 meter, werden meestal langs de lengte van de weg gebouwd . Zij werden opgetrokken met een halfsteens muurtje; het dak dat niet hoger reikte dan 4 √† 5 meter bestond uit op zogenaamde sparren getimmerde panlatten waarop de pannen werden gelegd. Vrijwel de gehele ruimte werd in beslag genomen door een woonkamer van 4 bij 5 meter met twee bedsteden. Door grote gezinnen werd een gedeelte van de zolder als slaapruimte gebruikt; tien kinderen op een lange rij was geen uitzondering. In 1928 laat de gemeentearts dokter Leenaers weten dat de slaapgelegenheden, in huizen bewoond door grote gezinnen, zeer te wensen overlaten. Onverluchte (niet geventileerde) bedsteden in woonkamers schat hij op vijftig procent van het aantal woningen!

Tekening van Sijf Portegies van het huisje van Jan de Winter aan het Schoutenbosch.
Tekening van Sijf Portegies van het huisje van Jan de Winter aan het Schoutenbosch.

Uit het leven van een Castricumse tuinder omstreeks 1900

In 1947 en 1948 publiceerde het “Nieuwsblad voor Castricum, Limmen, Heemskerk en Uitgeest” regelmatig bijdragen van een niet met name genoemde Castricumse auteur, onder de naam ‘Samenspraak tussen Kris en Kras’, waarin met een karakteristiek taalgebruik plaatselijke toestanden op de korrel werden genomen. In een nummer uit 1947 haalt de auteur herinneringen op uit zijn jeugd, die een impressie geven van het moeizame bestaan van een Castricumse tuinder rond 1900.

“Toen ik nog kind was, dat is zestig jaar geleden, mocht ik dikwijls mee met vader naar de Wijk de kleine groentjes (erwten) of de Leidse hangers (tuinbonen) markten op de Meer.

Dat was zo’n sensatie in mijn kinderleven of ik een kijk in de grote wereld mocht nemen. De sensatie bestond niet alleen, om boven op de zakken te zitten van de geladen handkar, bespannen met twee grote honden, maar er zat ook een traktatie aan vast.

Mijn vader kwam nog niet eens het slechtst voor de dag, met twee honden bespannen wagen: de meeste bouwers van toentertijd moesten met de benenwagen achter de kar duwen naar de Wijk. Ons vertrek met dat gerei van Castricum werd dan ingeluid met zenuwachtig geblaf van Bello en Turk met een honderd pond of wat erwten of bonen, naargelang de tijden van het jaar.

Elke bouwer markte zijn producten zelf, want veilingen bestonden er toen nog niet, men huurde een standplaats op de Meer en ging verkopen. Kwam er dan een koopman, ‘schagger’ genoemd, dan moest ik van vader zeggen Ome Sijmen of Ome Lou, dat scheelde een half centje in de prijs van het product. Als dan eindelijk de koop werd gesloten, dan kostte dat een glas jenever van de koper of van de bouwer bij Piet Verlee of Thijssen.

Dan werd de stand gewogen op een bascule, waar de bouwer dan dik genomen werd in gewicht, want die had toch geen begrip van gewichten. Snapte deze iets van het wegen, dan was de handigheid van de Kaagridders, onder adere Pannetje Pap, Dikke Chris, Pak


Jaarboek 30, pagina 44

van B. dat de bouwers toch bedrogen werden. Wilde je dan toch christelijk behandeld worden, dan kostte dat enige glazen Schiedam. Er werd gewogen met jenever.

Eer vader dan het armzalig poetje in handen had en hij rekende in stuivers en schellingen, dan bleek het dat hij nog geen plak voor het pond had, terwijl soms de marktprijs 3 √†¬†4 centen bedroeg. De bouwers rekenden in ponden en de schaggers in kilo’s, vandaar het bedrog en misstanden in prijzen en gewicht.

Voordat dan weer op Castricum aantrokken werd, is Jan Oud de bakker aangedaan voor vijf centen taaitjes, dat was een bekende traditie. Een bouwer, die geen taaitjes mee naar huis nam, was niet op de Meer geweest. Of de erwten nu veel of weinig hadden opgebracht, er moest taai mee naar huis.

Ouwe Castricummer bouwers weten nog wel bij ondervinding, voor je van de Meer ging dat als regel de helft van de lege zakken was gestolen.

Ik zie nog al die hondenkarren, naast elkaar aan een palenhek met een horizontale balk er overheen, voorzien van ringen staan om de honden vast te zetten, het zogenaamde parkeerterrein.

Aan een ander hek stonden hitten en muilezels vast. De Heemskerker Jazz-muziek van tegenwoordig in vergelijking met dat concert van huilende honden, balkende ezels en gierende hitten is er niets bij.

Veel huisvaders gaven een groot deel van hun inkomen aan drank uit. Het wekt geen verwondering dat er dus indringende campagnes werden gevoerd om de vaders van de drank te houden. Een uitnodiging voor een openluchtmeeting in Velsen op 2 juli 1911 werd gevonden onder de vloer van het raadhuis aan de Dorpsstraat.
Veel huisvaders gaven een groot deel van hun inkomen aan drank uit. Het wekt geen verwondering dat er dus indringende campagnes werden gevoerd om de vaders van de drank te houden. Een uitnodiging voor een openluchtmeeting in Velsen op 2 juli 1911 werd gevonden onder de vloer van het raadhuis aan de Dorpsstraat.

Iedere bouwer ‘kon’ de ezel van dronken Teun boven het lawaai uit, als de dirigent van de marktkapel. Op de markt was het een krioelende, schreeuwende mensenhoop die niets anders, volgens mijn gedachte, deden als borrels drinken, gooien en smijten met kisten en manden. Dat lawaai werkte wel zo op mijn kindergemoed, dat ik bang was in deze maalstroom te vergaan. Ik werd zo angstig, dat ik aan mijn vader bleef vast hangen, als een klit dat ik eindelijk blij was als wij de markt weer verlieten.

In februari 1897 werd het baanvak Beverwijk - Alkmaar geopend en sindsdien reed de stoomtram tussen Haarlem en Alkmaar dus ook door Castricum.
In februari 1897 werd het baanvak Beverwijk-Alkmaar geopend en sindsdien reed de stoomtram tussen Haarlem en Alkmaar dus ook door Castricum.

Gingen wij dan eenmaal weer rijden, dan vlogen de honden langs de Rijksweg als de wind, soms nog harder dan de ‘blokkendoos’ tram, Haarlem-Alkmaar. De honden stopten uit eigen beweging bij Piet Koopman te Noorddorp, daar werd onder leugenachtige verhalen door de bouwers van zoveel van de roe, weer grote borrels ingenomen.

Zo bleef er dan een teil erwten, een paar daalders over voor moeder, voor een pak winkelvet, terwijl er van die inkomens landhuur, zaadgoed, mest enzovoorts betaald moest worden. Men dronk niet alleen uit gewoonte maar uit balorigheid, er was toch geen uitkomst, er was eenmaal een te kort aan verdienste – elke leverancier leefde op de zomer – en dat bleef een ware nachtmerrie van het tuindergezin.”

Burgerlijk Armenbestuur

Volgens de ‘Gids der Nederlandsche Weldadigheid’ uit 1899 waren er in Nederland circa 7.500 instellingen die zich met een of andere vorm van steun aan armen bezighielden. In 1912 kwam er een nieuwe Armenwet, waarin, evenals in de oude wet van 1854, was vastgelegd dat ingeval van nood eerst familie, dan kerkelijke of bijzondere instellingen en pas op de laatste plaats overheidsinstellingen moesten helpen. Tussen ouders en kinderen, grootouders en kleinkinderen en zelfs tussen schoonouders en aangetrouwde kinderen bestond er een onderhoudsplicht.

Er bestond ook volgens de nieuwe wet geen recht op ondersteuning. De wet stond wel ‘dubbele’ bedeling toe. Het Armenbestuur behoefde niet langer afzijdig te blijven waar kerken of particuliere instellingen ook een bijdrage verleenden.

De sociale wetgeving ontwikkelde zich langzaam. In 1901 werd de Ongevallenwet van kracht en vervolgens kwam de Ziektewet (1913) en de Ouderdomswet (1919). In 1913 ontving ongeveer een vijfde van de bejaarden een ouderdomspensioentje. Het Werkeloosheidsbesluit ( 1917) en de steunregelingen uit de jaren (negentien) twintig en dertig ontlastten de armenzorg eveneens.

In het 27e jaarboekje (2004) van de Werkgroep Oud-Castricum is een schets gegeven van de armenzorg in de 19e eeuw, die in handen was van het Rooms-katholiek Armenbestuur en het Algemeen Armenbestuur. Ook de diaconie van de hervormde kerk speelde een bescheiden rol.


Jaarboek 30, pagina 45

Het Algemeen Armenbestuur, later Burgerlijk Armenbestuur genoemd, was feitelijk een zelfstandige instelling die ook bezittingen had in de vorm van verschillende huisjes en grond en daaruit ook inkomsten had in de vorm van huur en pacht. Om ondersteuning te kunnen krijgen, moest wat men nog aan eigendommen had, worden ingeleverd. Op die manier ontstond het bezit van het Armenbestuur. Volgens kadastrale gegevens had(den) ‘de Algemene Armen’ in 1870 zes woningen in bezit en vele percelen land met een totale grootte van 27,44 hectare.

Behalve de inkomsten uit het bezit kreeg het armenbestuur een financi√ęle bijdrage van het gemeentebestuur en werd ambtelijke ondersteuning beschikbaar gesteld. De leden werden door de gemeenteraad benoemd.

Juffrouw Vahl verongelukte in 1931, toen ze met haar bromfiets onder de tram van het Provinciaal Ziekenhuis kwam. Een gebroken zuil op de begraafplaats bij de Hervormde kerk herinnert aan haar. Op het monument staat de tekst: "Deze grafs·teen werd haar geschonken door de vrouwen van Castricum" .
Juffrouw Vahl verongelukte in 1931, toen ze met haar bromfiets onder de tram van het Provinciaal Ziekenhuis kwam. Een gebroken zuil op de begraafplaats bij de Hervormde kerk herinnert aan haar. Op het monument staat de tekst: “Deze grafsteen werd haar geschonken door de vrouwen van Castricum” .

Hulpverlening aan de noodlijdende was, volgens de voorzitter Gerrit Louter, de gezamenlijke doelstelling. Ook het beheer van het Armenhuis, tot 1923 Weeshuis genoemd, behoorde tot de taak van het bestuur. Tot bestuurslid en tevens notuliste werd in 1922 vroedvrouw juffrouw Vahl aangewezen.

Overtoom 40-54 ca. 1930: Burgerlijk Armenhuis gebouwd in 1912.
Overtoom 40-54 circa 1930: Burgerlijk Armenhuis gebouwd in 1912.

Een nieuw armenhuis

Op 18 april 1906 werd er in de vergadering van de Castricumse gemeenteraad voor het eerst gesproken over de wenselijkheid van de bouw van een nieuw armenhuis. Een maand later werden de wethouders Goes en Spaansen benoemd in een commissie die een onderzoek zou instellen naar de toestand van het bestaande armenhuis. Van een advies van deze commissie is niets aangetroffen, maar aangenomen moet worden dat het bestaande armenhuis in slechte staat verkeerde, want de beslissing valt ten gunste van nieuwbouw.

Het eerste Castricumse armenhuis - met het dubbele puntdak - naar een tekening van Sijf Portegies. Het werd in 1911 gesloopt. In de boerderij op de achtergrond en het naastgelegen schuurtje was een bakkersbedrijf gevestigd, dat ca. 1911 door brand werd verwoest.
Het eerste Castricumse armenhuis – vanaf de zijkant met het dubbele puntdak – naar een tekening van Sijf Portegies. Het werd in 1911 gesloopt. In de boerderij op de achtergrond en het naastgelegen schuurtje was een bakkersbedrijf gevestigd, dat circa 1911 door brand werd verwoest.

In het schriftelijk overleg hierover met Gedeputeerde Staten (GS) van Noord-Holland, dat in 1909 aanvangt, wordt de nieuwbouw gekoppeld aan toestemming tot aankoop van de naast het armenhuis gelegen boerderij, die door Portegies op enkele tekeningen is afgebeeld en waarin een bakkerij was gevestigd.

Het armenhuis (dubbele puntdak) met bakkerij aan de Overtoom hoek Schoolstraat in 1862. In 1912 plaats moest het plaats maken voor nieuwbouw.
Het armenhuis (dubbele puntdak) met bakkerij aan de Overtoom hoek Schoolstraat in 1862. In 1912 plaats moest het plaats maken voor nieuwbouw. Pentekening van Sijf Portegies.

Welke rol deze bakkerij in de plannen speelde, is niet duidelijk, maar waarschijnlijk wilde men deze, evenals het bestaande bouwvallige armenhuis, daterende uit omstreeks 1862, slopen om grond vrij te krijgen voor de nieuwbouw.

In 1911 volgt een begroting voor een nieuw armenhuis van het Algemeen Armenbestuur. De totale uitgaven worden geschat op 11.500 gulden, met als belangrijkste post de bouwkosten à 6.400 gulden. Verder zal de bakkerij voor 3.450 gulden worden gekocht, te financieren uit een lening. Voor de aankoop van meubilair wordt een bedrag van 500 gulden opgevoerd en voor de aanleg van acetyleenverlichting 250 gulden.

Aan de inkomstenkant treffen we onder andere een geldlening door de gemeente van 5.800 gulden. Aannemer Holman zal 600 gulden neertellen voor een partij stenen die uit de sloopwerkzaamheden resteren. Intrigerend is de inkomstenpost ‘uitkering brandschade’ √† 2.200 gulden. Waarschijnlijk betreft dit de inmiddels afgebrande boerderij/bakkerij. Volgens een bijschrift op de tekening van Portegies zou deze brand in 1914 hebben plaatsgevonden, maar waarschijnlijk vond de brand in 1911 plaats. Het samenvallen van de brand van een te slopen pand met nieuwbouwplannen en het incasseren van verzekeringspenningen is te toevallig om er niets achter te zoeken. Er circuleerden dan ook geruchten over een moedwillige brandstichting.

Het vroegere Armenhuis.
Het vroegere Armenhuis. Overtoom 40-54 in Castricum, 2007. Omstreeks 1910 woonden hier mensen die geen geld of onderdak hadden. Daarna werd het een bejaardenhuis en later een dependance van het gemeentehuis. In 2010 is het verbouwd tot wooneenheden. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Uit het archief aanwezig in het Castricumse gemeentehuis, blijkt dat de bouwvergunning ‘voor oprichten van een gebouw door J. Tromp, bouwkundige te Castricum, aan het Overtoom met als bestemming Armenhuis’ op 7 april 1911 werd verleend. De bouwtekening toont een trapeziumvormig gebouw, met de gevelpartij zoals die thans nog bestaat.

Op de begane grond waren gesitueerd: keuken, kamer voor de moeder, ziekenzaal, twee verblijfsruimten voor de bewoners en een ontvangstkamer. De (bouw)tekening toont ook een zolderverdieping met slaapruimten en onder een gedeelte van het huis een kelder.

Het nieuwe armenhuis werd op 16 mei 1912 geopend en in gebruik genomen. Na ruim 14 jaar werd besloten waterleiding te laten aanleggen. De moeder meldde dat er wormen in het putwater zaten en dat zou niet bevorderlijk zijn voor de gezondheid. In 1928 krijgt het huis ook elektriciteit.

Het nieuwe, in 1912 gereedgekomen 'Burgerlijk Armenhuis', zoals op het bord naast de ingang staat te lezen, thans appartementengebouw op de hoek Overtoom-Schoolstraal. Op het bord staan ook de beperkte bezoekuren.
Het nieuwe, in 1912 gereedgekomen ‘Burgerlijk Armenhuis’, zoals op het bord naast de ingang staat te lezen, thans appartementengebouw op de hoek Overtoom-Schoolstraal. Op het bord staan ook de beperkte bezoekuren. Voor het huis de eerste bewoners, van links naar rechts Guurtje Ooms, Trijntje Ooms, Maartje Knaap, Teunis Baars en Dirk Stuifbergen. Geheel rechts de eerste armenmoeder van het nieuwe tehuis, Keetje (moeder) de Winter.

Bewoners van het nieuwe armenhuis

De eerste ‘moeder’ van het nieuwe armenhuis was Keetje de Winter, een Castricumse, geboren in 1858. Zij wordt in 1923 opgevolgd door Anna Holt, op een wedde van 159 gulden per jaar, benevens vrije kost en inwoning.

Als eerste bewoners van het nieuwe armenhuis komen we tegen Teunis Oostermeijer, Maartje Knaap, Jacob de Graaf, Maartje Gijzen, Jan Vader, Frans Baars, Teunis Baars, Guurtje Ooms, Trijntje Ooms en Dirk Stuifbergen. In een kleine gemeenschap als de Castricumse kon het niet uitblijven of de bewoners van het tehuis werden bekend onder allerhande bijnamen, zoals Dirk de Stomme voor de doofstomme schoenmaker Dirk Stuifbergen,


Jaarboek 30, pagina 46

Kale Jaap voor de kennelijk weinig haar bezittende tuinder Jaap Beentjes en dronken Heert voor de nogal diep in het glaasje kijkende Heert Zonneveld.

Sommige bejaarde Castricummers, die bij het armenhuis hebben gewoond, konden zich de verschillende bewoners en hun eigenaardigheden nog goed herinneren. Zo is er het verhaal dat Kale Jaap er een genoegen in schepte te beweren blind te zijn, hoewel bij allerlei gelegenheden bleek dat hij wel degelijk kon zien. Zo protesteerde hij bijvoorbeeld, als zijn nog niet leeggedronken borrelglaasje werd weggepakt. Hij werd dan gesard met de opmerking: “Als je blind bent Jaap, hoe weel je dan dat er nog wal in je glaasje zit?”


Het Armenbestuur verdeelt de armoede

Ter illustratie een paar besluiten van het bestuur uit de jaren (negentien) twintig en dertig in de notulen Burgerlijk Armbestuur 1923 – 1939:

  • Verzoek om ondersteuning door J.W. wordt goedgevonden. Voorlopig 3 gulden per week.
  • Verzoek van P.B. wiens kind voor rekening van het Armbestuur wordt verpleegd, om vervoer van het kind per auto vergoed te krijgen, wordt afgewezen.
  • Verheugd wordt kennis genomen van de mededeling van de weduwe J. V. dat zij nu hoopte zonder steun te kunnen rondkomen.
  • Gesproken wordt over J.S. die op het ogenblik wat geld heeft. Er zullen pogingen in het werk gesteld worden om uitgaven te verhalen.
  • Verzoek van C.R. of hij in aanmerking kan komen voor melk voor zijn vrouw. Wordt goedgevonden voor 4 weken en twee liter per dag.
  • Verzoek van R.S. om melk en eieren voor zijn gezin. Wordt goedgevonden, voor zover dit nodig mocht zijn. Ook is hem een deken verstrekt.
  • Besloten wordt een stuk land, ‘de Armenhalen’ genaamd, niet te verpachten. De grasveiling zal vermoedelijk meer opbrengen.
  • Geen vergoeding wordt verstrekt voor het laten plomberen van een kies, tenzij het absoluut noodzakelijk is voor de gezondheid van de pati√ęnt.
  • Op voorstel van mejuffrouw Vahl wordt aan M.G. die thans 25 jaar in het Armenhuis woont (waarvan 10 jaar in het vorige pand) 5 gulden gegeven, waarvan ze de medebewoners kan trakteren.

 
Ook voor de kosten van verpleging in het ziekenhuis en de geneeskundige hulp wordt vaak een beroep gedaan op het Armenbestuur. In 1927 wordt aan 31 gezinnen, totaal 120 personen, vrije doktershulp toegestaan. Verder worden regelmatig kleding, schoenen en klompen verstrekt.

De armoede uitte zich in 1934 ook in de huisvesting, zoals hier de familie Verdwaald in de Peperstraat woonde. De kinderen sliepen op de bovenverdieping, die alleen via een ladder te bereiken was.
De armoede uitte zich in 1934 ook in de huisvesting, zoals te zien bij de familie Verdwaald, die in de Peperstraat woonde. De kinderen sliepen op de bovenverdieping, die alleen via een ladder te bereiken was. Pentekening Sijf Portegies.

Inleiding tot de crisis van de jaren (negentien) dertig

De voortekenen van een grote wereldcrisis tekenden zich in onze land al omstreeks 1920 af. De gevolgen, die de ouderen onder ons, al was het maar uit de verhalen van vader of grootvader, zich nog kunnen herinneren, waren ingrijpend. Door stimulerende maatregelen in de tuinbouw, zoals investering in kassen en grondverbetering, was na 1924 nog wel een licht herstel in de agrarische sector opgetreden, maar dat was van korte duur. Een der oorzaken van de crisis was de overproductie in de akkerbouw en veehouderij, paradoxaal genoeg door ontwikkelingen die juist een verbetering van de productie beoogden, zoals een toename van het te betelen landoppervlak door droogmakingen.

Daarnaast ondervond vooral de agrarische sector in toenemende mate concurrentie door de import van buitenlandse producten, die elders goedkoper konden worden geproduceerd en van plaatsvervangende producten, zoals margarine. De export werd gehinderd door importbeperkende maatregelen van buurlanden, waar eveneens een sterke stimulering van de landbouw en veeteelt had plaatsgevonden.

Het resultaat was een prijsdaling van agrarische producten, waardoor het boerenbedrijf steeds minder lonend werd. Dit had weer de uitstoot van arbeidskrachten en een toenemende werkloosheid onder de landarbeiders tot gevolg.

Regelingen voor werklozen

Tegen de financi√ęle gevolgen van werkloosheid bestond er in de eerste helft van de 20e eeuw weliswaar geen verplichte sociale verzekering, maar vanaf de eerste jaren na de eeuwwisseling bestonden er wel mogelijkheden om zich vrijwillig tegen werkloosheid te verzekeren, waarvan echter vooral door de beter geschoolde arbeiders en ambtenaren gebruik werd gemaakt.

Tot de regering was doorgedrongen dat men niet alle werklozenzorg onder de armenzorg kon brengen. Er ontstonden steunregelingen en er werden instanties in het leven geroepen voor steunuitkeringen, zoals arbeidsbureaus, waarbij steuntrekkers zich moesten inschrijven.


Jaarboek 30, pagina 47

In september 1932 hielden land- en tuinbouwers uit Noord-Holland een betoging in Amsterdam. De aandacht werd gevestigd op het verlies dat gemiddeld per hectare werd geleden door de scherpe daling van de prijzen voor agrarische producten. Verder werden producten getoond die deze zomer bij duizenden kilo's op de mestvaalt werden geworpen, het zogenaamde 'doordraaien'.
In september 1932 hielden land- en tuinbouwers uit Noord-Holland een betoging in Amsterdam. De aandacht werd gevestigd op het verlies dat gemiddeld per hectare werd geleden door de scherpe daling van de prijzen voor agrarische producten. Verder werden producten getoond die deze zomer bij duizenden kilo’s op de mestvaalt werden geworpen, het zogenaamde ‘doordraaien’.

Bedroeg de gemiddelde werkloosheid in 1930 landelijk nog 4 procent van de beroepsbevolking, in 1936 was die opgelopen tot 17,9 procent om daarna weer heel langzaam te dalen.

Het bedrag van de ondersteuning werd berekend volgens normen die nogal eens werden gewijzigd en die erop neer kwamen dat men nooit meer dan 65 procent van het laatstgenoten loon als steun kon ontvangen en dat bovendien nog voor een beperkte periode.

Men moest, op straffe van inhouding van de uitkering, aangeboden werk waarvoor men geschikt was, accepteren. Een van de vervelendste maatregelen was dat men zich een- of tweemaal per dag op het gemeentehuis moest melden om aan te geven dat men inderdaad niet (zwart) werkte. De melding werd met een stempel op een naamlijst aangegeven. Dit dagelijks ‘stempelen’ door de werklozen werd een begrip.

De crisis slaat toe in Castricum

De wereldcrisis van de jaren (negentien) dertig had voor vrijwel alle sectoren van de Nederlandse samenleving grote gevolgen. In een statistisch rapport uit 1931 werd aangetoond dat de agrarische sector in Nederland verliesgevend was geworden, waarbij vooral de toestand van de tuinders slecht werd genoemd.

Kees Brakenhoff aan het werk op het land.
Kees Brakenhoff aan het werk op het land. Beverwijkerstraatweg inn Castricum. De kettekar om de manden met aardappelen te vervoeren staat klaar. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Wat Castricum betreft werd inderdaad vooral de agrarische sector getroffen. Hoewel de werkloosheid in ons dorp al langere tijd een oorzaak van armoede en bedeling vormde, nam ze nu zulke vormen aan, dat de ‘klassieke’ armoede van weduwen, gebrekkigen en ouderen geheel naar de achtergrond werd gedrongen.

Reeds het jaarverslag van de gemeente over 1930 sprak van een slechte toestand in de tuinderij: “Waardoor de werkeloosheid een veel grotere omvang zal hebben dan in voorgaande jaren en dus gesproken kan worden van crisis-werkloosheid, omdat tuinders, die andere jaren hun werkkrachten in dienst konden houden, dit thans niet meer kunnen, maar een nooddruft (gebrek aan voedsel) zal ontstaan, waardoor de mensen zullen worden gedwongen zelf op werk uit te gaan of op andere wijze steun zullen moeten krijgen.”

Een gevolg van de crisis in Castricum tekende zich in de eerste plaats af in een scherpe stijging van het aantal door het maatschappelijk hulpbetoon gesteunde gezinnen: 5 in 1931, 6 in 1932, 22 in 1933, 35 in 1934 en 77 in 1935. De stijging van de gemeentelijke bijdrage aan het maatschappelijk hulpbetoon over genoemde periode is navenant: van 4.000 gulden in 1931 tot bijna 17.000 gulden in 1935.

Mattheus Dekker bijnaam Rooie Thijs, een tuinder uit de Peperstraat in Castricum, 1933.
Mattheus Dekker bijnaam Rooie Thijs, een tuinder uit de Peperstraat in Castricum, 1933. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Deze sterke toename van het aantal bedeelde gezinnen en van de gelden hieraan gespendeerd was vooral toe te schrijven aan de stijging van de armoede onder de tuinders. De omvang van de traditionele armenzorg en de ondersteuning van armen door de kerken veranderde volgens beschikbare cijfers nauwelijks.

Ondervoeding

Bij het Armenbestuur kwamen in 1935 signalen binnen van de huisartsen Van der Sluis en Leenaers over ondervoeding onder schoolkinderen. Met name in de praktijk van dokter Leenaers zou dit vrij veel voorkomen. De directie van het ziekenhuis Duin en Bosch werd bereid gevonden om voor 13 cent per liter maaltijden te leveren. Volgens opgave van de hoofden van de lagere scholen ging het in de winter 1935-1936 om 40 kinderen van de jongensschool; 29 van de meisjesschool; 18 van de bewaarschool en 15 van de openbare school, totaal 106. Daar op de christelijke school geen kinderen uit de eigen gemeente voor voeding in aanmerking kwamen en men niet bereid was aan kinderen van buitengemeenten voeding te verstrekken, werd die school uitgesloten van deelneming.

Enkele werkelozen werd opgedragen te zorgen voor het halen van het eten en voor het opdienen en schoonmaken werd de Vrouwenbond ingeschakeld.
De regeling heeft in ieder geval tot de winter van 1938-1939 bestaan.

Dorpsstraat 70 ca 1943: achter deze (onbekende) jongens het distributiekantoor.
Dorpsstraat 70 circa 1943: achter deze (onbekende) jongens het distributiekantoor.

In november 1939 wordt besloten om de schoolvoeding niet meer te verstrekken wegens de distributiemaatregelen, de verhoogde kostprijs en tenslotte omdat de verstrekking niet meer nodig is. De ondervinding heeft aangetoond dat de kinderen (vooral van de jongensschool) de voeding niet meer waarderen. Besloten wordt in plaats van schoolvoeding vet aan de personen die ondersteuning kregen te verstrekken en wel ter gelegenheid van Kerstmis. Alsdan zal accijnsvrij vet kunnen worden verkregen.

Stempelen in Castricum

De meeste kleine boeren in Castricum waren voor het overleven van de crisis aangewezen op de steunregelingen, die door rijk en gemeente in het leven werden geroepen. De diverse vormen van steun aan werklozen in Castricum, zoals men die in het archief kan terugvinden in verslagen en naamlijsten, tonen vanwege het ontbreken van inzicht in de onderlinge samenhang een wat chaotisch beeld van de organisatie.

Duidelijk is in ieder geval dat de steuntrekkers werden ingeschreven bij het gemeentelijk bureau voor Steunverlening en Werkverschaffing. Zij moesten dagelijks op het gemeentehuis stempelen. Het raadhuis werd te klein voor al die mensen. Burgemeester en wethouders schreven in 1936: “De toestand is nu zoo, dat in de ochtenduren, wanneer de werkloozen komen stempelen, de secretarie vrijwel ontoegankelijk is voor andere personen, welke aldaar zaken te bespreken wat eveneens een onhoudbare toestand is. De gang van het raadhuis is gedegradeerd tot opslagplaats van de te verstrekken levensmiddelen, wat eveneens een onhoudbare toestand is.” Besloten wordt daarom om het gedeelte van het gebouw dat nog als woning werd gebruikt bij het raadhuis te trekken.

De door de regering vastgestelde steunnormen en regels, waaraan men moest voldoen om voor steun in aanmerking te komen, werden door Burgemeester en Wethouders van Castricum ‘vertaald’ in een reglement dat aan alle ondersteunde werklozen beschikbaar werd gesteld.
Onder de kop ‘Aan den gesteunde werklooze’ vangt het reglement aan met bangmakerij: “Toen onlangs √©√©n uwer werd geverbaliseerd.


Jaarboek 30, pagina 48

omdat hij gezinsinkomen had verzwegen, gaf deze voor niet met de bepalingen op de hoogte te zijn.” Vervolgens werd benadrukt dat dit niet als excuus mocht gelden en dat voortaan eenieder werd geacht op de hoogte te zijn van de steunregeling.

De overheid attendeerde gemeentebesturen op kwalijke praktijken van de werkloze.
Bijvoorbeeld met betrekking tot caf√©bezoek: “De regeering stelt zich op het standpunt, dat alleen naar behoefte wordt gegeven. Iemand, die zich veelvuldig aan caf√©bezoek schuldig maakt, zou het bewijs leveren, dat een te hoge steun wordt toegekend of dat hij op √©√©n of andere wijze de steunregeling saboteert.” Over het zogenaamde stempelverlof werd opgemerkt: “Het gebeurde wel dat in voorkomende gevallen verlof van stempelen werd gegeven 0m werkloozen in de gelegenheid te stellen om te visschen. Stempelverlof mag evenwel niet dan in de hoogst noodzakelijke gevallen worden toegestaan, dus zeker niet om te visschen.”

Het graven van het duinmeer 'het meertje van Vogelenzang' in 1934 was een van de werkverschaffingsprojecten. Het zand werd met lorries getransporteerd naar de Zeeweg voor de aanleg van het viaduct over de spoorl(jn.
Het graven van het duinmeer ‘het meertje van Vogelenzang’ in 1934 was een van de werkverschaffingsprojecten. Het zand werd met lorries getransporteerd naar de Zeeweg voor de aanleg van het viaduct over de spoorl(jn.

Ter bestrijding van de werkloosheid en armoede stelde de gemeenteraad al in 1922 geld beschikbaar om werklozen te werk te stellen in het provinciaal duingebied. Het uurloon was veel lager dan in het bedrijfsleven om de prikkel te laten bestaan daar weer zo spoedig mogelijk naar terug te keren.

Aanleg van het voetpad langs de Zeeweg.
Aanleg van het voetpad langs de Zeeweg in Bakkum. Voordat de stenen gelegd werden moest het eerst gevlakt worden. De man rechts was de voorman en gaf de aanwijzingen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Tot de werkverschaffingsprojecten, waarbij ook Castricumse steuntrekkers werden ingeschakeld, behoorden werkzaamheden in de duinen, de aanleg van een fietspad langs de Zanddijk en de aanleg van de Zeeweg, tussen de Provinciale weg en de Heereweg.

Aanleg Duinmeertje of karpervijver.
Aanleg Duinmeertje of karpervijver. Jetjeslaan, duinen Bakkum in 1933. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het duinmeertje, ook wel Karpervijver genoemd, werd in 1934 met handkracht uitgegraven en het zand werd met lorries getransporteerd naar de Zeeweg voor de aanleg van het viaduct over de spoorlijn.

De aanleg van het viaduct over de spoorlijn.
De aanleg van het viaduct over de spoorlijn bij de Zeeweg in Bakkum, 1934. Begin 1933 is een aanvang gemaakt met het verbinden van de Zeeweg, vanaf het kruispunt Heereweg, met de inmiddels gereed zijnde provinciale weg Uitgeest-Limmen. Het zand is gehaald uit het duin en zo is het meertje van Vogelenzang ontstaan. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1938 wordt nog besloten een rioleringsplan uit te voeren voor 1/3 in het vrije bedrijf en voor 2/3 gedeelte in werkverschaffing. In de raad is er een heftige discussie tussen degenen die het algemeen belang dan wel de gemeentefinanci√ęn het zwaarste laten wegen en degenen die arbeiders niet meer willen laten werken voor de laagste lonen. Uiteindelijk wordt het compromis bereikt.

Vader Jacob Zonneveld.
Vader Jacob Zonneveld, bijnaam Jaap van Kees, geboren 11 mei 1888, overleden 19 juli 1970.

Herinneringen van Loek Zonneveld geboren op 10 december 1930 in Bakkum

“Het was in de jaren (negentien) dertig, zoals in de meeste grote gezinnen, armoede troef. We waren met z’n veertienen en zestien met vader en moeder erbij. De oudste was het huis al uit die had een betrekking met kost en inwoning. Als je zo rond de 14 was, dan ging vader een baas voor je zoeken en moest je aan het werk en degenen die er onder kwamen moesten moeder thuis helpen. Of het een jongen of een meisje was dat maakte niet uit.

Stofzuigers had je nog niet; er was ook geen stroom. Er was alleen gas in huis. We hadden zeil, balatum, dat werd bij elke verhuizing weer in mekaar gepast. Er viel natuurlijk steeds meer af. Op het laatst hadden we in het middenstuk geen zeil meer. Daar ging dan een kleed over. Het balatum ging dan in de goede kamer. Je woonde eigenlijk in de grote keuken. Alleen als er visite was, kwam ze in de goeie kamer. Daar stonden dan effe knappere stoelen. Gebruikt werden ze praktisch niet. Het was armoe troef.

Vader Jaap ging ’s morgens vroeg de deur uit als hij werk had en kwam ’s avonds om zes uur, half zeven thuis en dan kon ie thuis nog een beetje aan de gang. In het voorjaar had hij altijd wel spitwerk. Hij ging achter mekaar door. Het was een ras-spitter. Grote tuinen omspitten 2 tot 3 steken diep. In de winter werkte hij als het half kon bij de PWN. In de zomer zat hij weer op de tuinen.

Bij het PWN ging hij delven (graven). Er waren veel te veel konijnen. Je moest een bepaald aantal konijnen op een dag hebben dan had je je loon. Alles wat meer was, werd niet meegerekend. Er werden een paar kanten van een hol dichtgemaakt, dan uitgraven en dan met een hondje die konijnen eruit jagen. De jachttijd was rond oktober tot januari. Dan mocht je geen konijnen meer jagen en dan was het weer delven.

Een van mijn oudere zusters vertelde dan wel dat ze ’s morgens voor schooltijd het duin in ging op de fiets. Dan ging ze vader opzoeken. Dan werden er twee of drie konijnen onder haar jurk op haar buik gebonden met een touwtje. Die konijnen bracht ze dan naar Cor van Duin en dan had moeder weer een paar centen.

Hij had ook wel eens geen werk. Ik weet nog dat je met je stempelkaart naar het gemeentehuis ging om een pakje margarine te halen. Een pakje kostte, dacht ik, zo’n 11 cent.


Jaarboek 30, pagina 49

Je moest wel betalen natuurlijk maar heel weinig. Ze moesten twee keer per dag stempelen op het gemeentehuis en dan kreeg jeje steun van maatschappelijk hulpbetoon. Die wisten in wezen wie hulp nodig hadden.

Ik kan me herinneren dat in 1937, iemand van die organisatie bij ons aan kwam. We zaten in de keuken om de tafel. Moeder sneed het brood en ieder kreeg twee sneden. Het brood werd gewoon verdeeld. Zij sneed het brood gewoon op de borst. Dat mens dat komt binnen en zegt dat ze even komt kijken. Ze loopt zo door naar de slaapkamer. Ik denk dat het op een maandag is geweest, de lakens lagen nog op zo’n kastje. Het waren juist de goeie lakens.

Er was niks stuk hoor, zo arm als we waren. We hadden nooit kapotte kleren aan naar school. We hadden wel broeken waar een stuk ingezet was, maar het was nooit stuk. Dat was met het beddengoed precies hetzelfde. Ze keek naar de lakens en in de linnenkast. Ze deed de kast dicht en ging weg. Dat was het.

Moeder Cornelia M. Zonneveld - Bakker, geb. 17 maart 1892, overleden 18 oktober 1971.
Moeder Cornelia M. Zonneveld-Bakker, geb. 17 maart 1892, overleden 18 oktober 1971.

Ik kan me niet herinneren dat mijn ouders ooit iets van maatschappelijk hulpbetoon hebben gehad. Het was zelfs zo met aannemen (katholiek feest voor de eerste heilige communie). Ik zal toen een jaar of negen geweest zijn, er was helemaal geen geld voor een pakkie. Toen mocht ik van het kerkbestuur een pakkie halen bij Jaap Twisk op de Dorpsstraat. Toen had ik een soort plusfour. Normaal hoort zo broek op je enkels te zitten. De mijne kwam niet hoger als m’n knie√ęn.

In 1945 werd het maatschappelijk hulpbetoon effe anders. Toen kwamen er andere mensen. Joop Zentveld kwam ertussen. Die kwam overal. Als er iemand dekens nodig had dan zorgde hij er wel voor. Ook zij van Bertus Stuifbergen, die kruidenier van Bakkum. Dat was allemaal in de naperiode maar toen hadden deze mensen niets meer nodig. De jongens waren allemaal groot. Toen ze klein waren, toen was het er niet.

In 1960 kwam zij van Klaas Beentjes vragen of mijn vader soms een paar baaien (van wol of flanel) hemden moest hebben. Toen zei ik tegen haar dat had je 20 jaar terug moeten vragen. Het enige waar je die man nog een plezier mee kan doen dat is een bonkertje (jasje). De zijne is al 30 tot 40 jaar oud. Ze kwam later terug en toen heb ik met mijn vader bij Alleman een nieuw bonkertje mogen halen. Voor al die dingen die je toen gemist heb, heb je nauw dat bonkertje. Hij heb er niet zo gek veel plezier van gehad, maar goed hij heeft dan toch dat bonkertje gehad. Dat was het maatschappelijke Hhlpbetoon zoals ik het gekend heb.”

Extra ondersteuning

In de crisisperiode stelde het gemeentebestuur via een Gemeentelijk Crisiscomité met als voorzitter wethouder P. de Vries en als secretaris W.J. Driessen bescheiden bedragen beschikbaar voor extra steun aan werklozen, welke extra steun overigens moest worden aangevraagd

Uit bewaard gebleven formulieren hieromtrent blijkt dat in 1933 door 49 en in 1934 door 91 Castricumse gezinnen een beroep op deze extra ondersteuning werd gedaan. Op het formulier stond duidelijk aangegeven dat het ging om ondersteuning in natura, tot een bedrag van maximaal 3 √† 4 gulden per aanvraag. Men komt een bonte en ietwat wrange reeks van aanvragen tegen: een werkbroek, een werkjas, een jas voor de 15-jarige Wouter, een hemd en een borstrok (warm hemd), een stuk katoen voor lakens en slopen, een deken, werkschoenen, kindergoed. E√©n der aanvragers vult in dat hij het liefst geld wil: “Vier gulden, daar ik zelf wel van alles kan gebruiken, maar ik zou dit bedrag liever besteden aan mijn vrouw, die er veel nodiger om verlegen zit, zij kan doodgewoon de weg niet meer op.”

De situatie van vooral de kleine boeren en tuinders werd zo nijpend, dat er in 1932 een aparte commissie werd opgericht, belast met extra ondersteuning van de noodlijdende tuinders. In 1933 was door de gemeente voor deze extra ondersteuning 1.000 gulden beschikbaar gesteld en in 1934 was dat 2.000 gulden.

Deze ondersteuningsregeling voor tuinders en zijn uitvoering leidde tot politieke beroering in de Castricumse gemeenteraad.

De affaire P. de Wildt

Piet de Wildt, destijds secretaris van de rooms-katholieke fractie in de Castricumse gemeenteraad, stelde de gang van zaken met betrekking tot de ondersteuning aan de tuinders, zoals besproken in de raadsvergadering van 16 oktober 1935, in de Castricummer Courant van vrijdag 1 november 1935 in een uitvoerig artikel aan de orde. Het voornaamste punt van kritiek van De Wildt was dat door het gemeentebestuur in 1934 slechts 2.000 gulden beschikbaar was gesteld, terwijl door Gedeputeerde Staten een bedrag van minstens 4.000 gulden was geadviseerd.

Naar aanleiding hiervan had De Wildt in de raadsvergadering bij een betoog van de burgemeester, die volgens zijn zeggen altijd alles voor de tuinders had gedaan en de nood goed kende, de cijfers naar voren gebracht en uitgeroepen: “Is dat de nood goed kennen en daar naar te handelen ?”

De Castricummer Courant onderzocht de gang van zaken met betrekking tot de steun aan de tuinders uitvoerig. Het resultaat van dit onderzoek werd gepubliceerd, met als voornaamste conclusie dat in een twintigtal gemeenten met een nog intensievere tuinderij dan in Castricum, de tuindersteun niet anders of beter was geregeld. In deze gemeenten kregen de tuinders zelfs niets uit de gemeentekas, maar alleen rijkssteun via het Crisiscomité.

Herstel

Dat het na 1936 met de economie langzaam beter ging en de werkloosheid afnam, had onder meer te maken met de devaluatie (minder waard worden) van de gulden, welke maatregel door Nederland als één van de laatste Europese landen werd genomen.

Allerlei werkverschaffingsprojecten, waaraan een werkloze kon worden verplicht deel te nemen op straffe van verlies van uitkering, kregen nu de hoogste voorrang. In de verschillende werkverschaffingen in Castricum bedroeg het aantal manweken (weken dat totaal gewerkt werd) in 1938 nog 1642. Er stonden gemiddeld 102 werklozen bij het plaatselijk agentschap der arbeidsbemiddeling ingeschreven. In 2415 gevallen werd steun verleend tot een totaal bedrag van ruim 22.000 gulden.

Het aantal zorggevallen bedroeg 100 in februari 1938 tegen 114 in 1937.


Jaarboek 30, pagina 50

De burgemeester hield de gemeenteraad in 1939 voor, dat nog steeds de grootste voorzichtigheid geboden was, hoewel de economische toestand in de gemeente verbeterd was.

Pernéstraat 65 in Castricum. Bouwjaar 1937.
Pernéstraat 65 in Castricum. Bouwjaar 1937. Makelaarsbriefje. Toegevoegd.

Intussen was, gestimuleerd door de goedkope bouwgrond, door de uitvoering van diverse bouwprojecten Рonder andere Pernéstraat, Geelvinckstraat en Nuhout van der Veenstraat Рhet aantal inwoners op 1 januari 1939 gestegen tot 7.527.

Het aandeel van de agrarische bevolking was sterk verminderd. Velen waren naar andere plaatsen vertrokken, omdat er in Castricum geen bestaansmogelijkheid meer voor hen was.

In de jaren (negentien) dertig, met haar schrikbarende noodtoestanden, waarvan de herinnering velen nog altijd met huiver vervult, is het karakter van Castricum als stedelijk forensendorp bepaald.

Wim Hespe
Niek Kaan

De gemeenteraad in 1930.
De gemeenteraad in 1930. Van links naar rechts staand de heer B. Res Wzn, C. Kuijs, P. Twisk, J. de Nijs, H. Schipper; T. Hellinga, F.J. Aukes, P. de Vries, notulist C. Louter jr.; achter de tafel de wethouders H. Hemmer en G. Louter senior, burgemeester P.H.L.J. Lommen, secretaris N.A. van Lunen en het eerste vrouwelijke raadslid mevr. G. Kuijs-Piepers.

Bronnen:

  • Archiefstukken betreffende Castricum in het Regionaal Archief te Alkmaar:
    – Maatschappelijke zorg, nummers 618-662.
    – Algemeen Armbestuur, nummers 785-799.
    – Pancratius parochie Castricum.
    – Diaconie hervormde gemeente Castricum.
  • Bieleman, J., Geschiedenis van de landbouw in Nederland 19001950, Boom, Meppel 1992.
  • Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl 1973.
  • Loo, L.F. van, Arm in Nederland 1815-1990, Boom, 1994.
  • Rooy, P. de, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding 1917-1940, Van Gennep, 1978.
  • Notulen Maatschappelijk Hulpbetoon 1922-1940.
  • Ruijter W.Jzn., Q. de, Schippers van het Stet

Stolpboerderijen 4e deel (Jaarboek 30 2007 pg 34-42)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Stolpboerderijen:
deel 1deel 2deel 3deel 4 Рdeel 5deel 6deel 7


Jaarboek 30, pagina 34

Stolpboerderijen in Castricum en Bakkum (deel 4)

In aansluiting op het artikel over de boerderijen in Castricum en Bakkum in het 29e jaarboek van vorig jaar is ook nu weer de beschrijving van een aantal boerderijen in Castricum en Bakkum opgenomen. Het gaat om de eerste vermelding van een bouwsel op een perceel grond met de opeenvolgende eigenaren en bewoners.

Dit jaar worden vier stolpboerderijen in Castricum en drie in Bakkum behandeld.

De herbouwde boerderij.
De herbouwde boerderij Albertshoeve aan de Molendijk in Castricum.
De situatie in 1970.
De situatie in 1970.
De situatie na herbouw.
De situatie na herbouw.

Molendijk 1 tot en met 23, Albert’s Hoeve

Op de plaats waar nu de wooneenheid ‘Albert’s Hoeve’ ligt, stond tot 1985 de ‘boerderij van Asjes’, die in de 18e eeuw werd gebouwd. Over de geschiedenis van deze boerderij met de laatste bewoner Albert Asjes is in het 9e jaarboek een uitgebreid artikel opgenomen. De fraaie boerderij, die in bouwvallige staat verkeerde, werd ge-

De oude Asjeshoeve.
De oude Asjeshoeve.

Jaarboek 30, pagina 35

sloopt en in 1985 herbouwd in opdracht van de woningbouwvereniging St.-Joseph naar een ontwerp van architect Van Eyk. Hierbij werden in de nieuwbouw 12 wooneenheden gerealiseerd voor een en tweepersoonshuishoudens.

De oorspronkelijke vorm van de boerderij en de bijgebouwen zijn gehandhaafd . Het nieuwe gebouw ligt niet meer in het open weiland, maar maakt deel uit van de nieuwe wijk Albert’s Hoeve. Ook is een stukje van de oude Molendijk naast de boerderij gehandhaafd.

De oudste boerderij aan de Breedeweg (nr 80).
De oudste boerderij aan de Breedeweg nummer 80.
De ligging aan de Breedeweg.
De ligging aan de Breedeweg.
De situatie omstreeks 1835.
De situatie omstreeks 1835.

Breedeweg 80

De eerst bekende bewoner van de oudste boerderij aan de Breedeweg was Jan Glorie. Jan was een zoon van Claas Jansz. Glorie en Antje IJpelaan en trouwde in 1775 met Aagje van der Laan; in 1783 hertrouwde hij met Aagje Kraakman (zie 7e jaarboek).

Jan kocht op 4 mei 1791 de boerderij als huisnummer 72 met de naastgelegen tuin aan de Oosterbuurt. Na zijn overlijden volgde de boedelscheiding in 1815. De bezittingen betreffen onder andere twee boerderijen aan de Breedeweg en een aantal percelen weiland. De hier behandelde boerderij wordt omschreven als: ‘Een huismanswoning getekend met nummer 70 en de hofstee van het Plattehuis, staande en gelegen te Castricum, zijnde de hofstee groot 122 roeden, belend (gelegen naast) Frans Nanne ten westen en de Breedeweg ten zuiden.’

De erfgenamen van het gehele bezit waren Aagje Kraakman voor 5/8 deel en Klaas Glorie voor 3/8 deel. Klaas was het enige kind van Jan Glorie en kwam uit het eerste huwelijk met Aagje van der Laan. Deze boerderij werd ge√ęrfd door Klaas Glorie, die gehuwd was met Antje Nanne en die in 1835 overleed.

In 1830 werd de boerderij bewoond door de 49-jarige Jacob Krom, zijn vrouw Guurtje Knaap en enige zoon Wulbert, zoals blijkt uit het bevolkingsregister van Castricum. Jacob oefende het beroep van nachtwacht uit. Bij de oprichting van het kadaster in 1832 staat de boerderij getekend in sectie B, nummer 442 met een grootte van 9 roeden 30 ellen (=930 vierkante meter ) en de naastgelegen tuin nummer 443 met een grootte van 8 roeden 60 ellen.

In 1850 werd de boerderij intern verbouwd door het vierkant te vergroten; zo ontstond er een grotere veestalling.

Sinds 1835 had Antje Nanne de leiding over het boerenbedrijf. Pas in 1853 volgde mede op haar verzoek de boedelscheiding, waarbij haar zoon Frans Glorie, gehuwd met Neeltje de Groot en veehouder te Castricum, de nieuwe eigenaar werd van de boerderij, omschreven als: ‘Een huismanswoning, stalling, kapberg, erve (kadaster nummer 782, groot 930 vierkante meter) en tuin (kadaster nummer 443, groot 860 vierkante meter), gelegen in de Oosterbuurt met een waarde van 1.450 gulden.’

In 1855 werd de boerderij onderhands verkocht aan Pieter Schotvanger, veehouder en loco-burgemeester van Castricum. Pieter was gehuwd met Jannetje Pepping; na haar overlijden hertrouwde hij in 1844 met Arendje Kuijs. Hij kocht deze boerderij vermoedelijk voor een van zijn kinderen, want zelf woonde hij tot zijn overlijden in 1858 op zijn boerderij, die gestaan heeft nabij de Rollerusstraat (zie het 28e jaarboek).

In 1860 werd zijn nalatenschap verdeeld en werd de boerderij aan de Breedeweg ge√ęrfd door zijn dochter Maartje Schotvanger, die in 1859 was gehuwd met Jacob Pietersz. Kuijs, landbouwer en veehouder. Maartje en Jacob erfden bovendien nog vier percelen weiland en twee percelen bouwland. Maartje overleed ruim een jaar later en Jacob Pietersz. Kuijs hertrouwde in 1862 met Klaasje Terra, geboren in 1837 in het Kooghuis te Uitgeest. Uit dit huwelijk werden te Castricum elf kinderen geboren.

In 1890 werd door Jacob Pietersz. Kuijs een schuur bijgebouwd met stenen van de oude, naastgelegen boerderij.

Na het overlijden van Klaasje Terra in 1904 werd het bezit toebedeeld aan haar man, die met de kinderen in de boerderij bleef wonen. Jacob Pietersz. Kuijs overleed in 1916. De boerderij werd toebedeeld aan zijn zoons Pieter en Herman en dochter Trijntje Kuijs. Zij waren alle drie de veertig gepasseerd en ongehuwd gebleven. Pieter was de hoofdbewoner van de boerderij. Zij oefenden een kleine melkveehouderij uit. Pieter overleed in 1948 en Trijntje in 1950. Herman ging daarna door met het bedrijfje en bleef in de boerderij wonen tot zijn overlijden in 1960.

Boerderij Kuijs.
Boerderij Kuijs. Breedeweg 80 in Castricum. Aquarel van Kees Bakker. Foto Jacques Schermer. Toegevoegd.

In datzelfde jaar 1960 werd de boerderij van de erven Kuijs gekocht door buurman Petrus Antonius (Piet) Kuijs. Piet Kuijs was geboren in 1915 te Limmen en was een zoon van Nicolaas (Klaas) Kuijs en Johanna (Jansje) de Groot. Als medepachter was hij in 1949 in de veehouderij begonnen; hij trouwde met Catharina J. Th. (Trien) Dijkman, geboren in 1919 te Heemskerk als dochter van Antonius Dijkman en Anna Zonneveld. Zij gingen na hun trouwen in 1950 eerst wonen in de Julianastraat in Castricum en vanaf 1958 aan de Breedeweg in het naastliggende huis nummer 74. De geschiedenis en het eigendom van dit naastliggende perceel waren in de vorige eeuw nauw verbonden met de hier behandelde boerderij. Reden waarom nader hierop wordt ingegaan.

Piet oefende een klein veebedrijf uit in de boerderij, die vanaf 1960


Jaarboek 30, pagina 36

aan het woningbestand van de gemeente Castricum was onttrokken en als bedrijfspand dienst deed. Zijn zoon Niek Kuijs, geboren in 1954, draaide mee in het bedrijf, nam in 1978 het vee van zijn vader over en pachtte de bedrijfspanden en de gronden. In 1982 werd het bedrijf gestopt en Niek Kuijs vestigde zich als melkveehouder in Moerbeek bij Nieuwe Niedorp. De boerderij kreeg een bestemming als opslag.

De boerderij van Niek Kuijs.
De boerderij van Niek Kuijs na de renovantie. Breedeweg
 80 in Castricum, 2009. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 2005 is Niek Kuijs gestopt met zijn melkveehouderij in Moerbeek en kwam wonen aan de Breedeweg bij zijn moeder, die in 1986 weduwe was geworden.
Niek Kuijs wil nu in de boerderij gaan wonen en heeft inmiddels vergunning gekregen om de boerderij te renoveren, waarvoor architect Cornelis de Jong uit Middenbeemster een ontwerp heeft gemaakt.

De boerderij van Glorie links en de boerderij van Kuijs rechts. Breedeweg 74 in Castricum. Schilder: Lau Hoebe. Foto Jacques Schermer. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Naastliggende woning Breedeweg 74

Bij de oprichting van het kadaster in 1832 was het naastliggende terrein bezit van Jan Lourensz. Castricum en bestond uit drie percelen (zie kaartje op pagina 35): nummer 435 de boerderij met het erf, groot 1.640 vierkante meter; nummer 436 een tuin, groot 1.230 vierkante meter en nummer 437 een klein perceel bos van 520 vierkante meter.

Jan Lourensz. Castricum was in 1814 gehuwd met Neeltje Nanne en had bovengenoemd bezit in 18 15 kunnen kopen van zijn schoonvader Frans Nanne. Deze had de boerderij al lange tijd in bezit, doch kon volgens de koopakte in 1815 de bewijzen niet overleggen, omdat de papieren in de oorlog van 1799 verloren waren geraakt. Jan Lourens Castricum overleed in 1829 en Neeltje hertrouwde met Jacob Janszoon Castricum, een achterneef van haar eerste man.

Na het overlijden van Neeltje Nanne in 1879 werd genoemd bezit door de erfgenamen voor 4.475 gulden verkocht aan Jacob Pietersz. Kuijs, de buurman, die woonde op Breedeweg 80. De drie percelen staan dan omschreven als: ‘Een huizing, ingericht tot woning en boerderij en erve, boomgaard en tuin, aan de Oosterbuurt.’ De kadasternummers zijn niet gewijzigd.

Omstreeks 1949 werd dit bezit van de erfgenamen van Jacob Pietersz. Kuijs gekocht door Petrus Antonius (Piet) Kuijs, Sinds oktober 1958 woonden Piet Kuijs en echtgenote Trien Dijkman in het huis aan de Breedeweg nummer 74, dat in 1958 nieuw was gebouwd. In 2005 is hun ongehuwde zoon Niek Kuijs gestopt met zijn melkveehouderij in Moerbeek en kwam weer aan de Breedeweg in Castricum wonen bij zijn moeder, die sedert 1986 weduwe was geworden.

Woonhuis en veestalling aan de Breedeweg (nr 45).
Woonhuis en veestalling aan de Breedeweg nummer 45.
De huidige situatie.
De huidige situatie.

Breedeweg 45

In 1897 kocht Wilhelmus Hendricus de Wildt, gehuwd met Anna Maria Leek, op een veiling enkele percelen grond, waaronder het perceel B 678, groot 3 hectare 52 are en 80 centiare, dat sinds 1886 in bezit was van Gerrit Albrink, landbouwer te Castricum.

Willem de Wildt woonde als landman te Uitgeest en liet in 1927 op het perceel een woning met kapberg bouwen: ‘Een woning en kapberg voor veestalling en hooiberging, gelegen aan de Kerkweg, belend (grenzend aan) ten oosten door het woonhuis van Reijnders, ten noorden door de weg en overigen door weiland. Kadastrale sectie 8, nummer 2688, met toegang vanaf de openbare weg (Kerkweg).’

Hij begon in april 1928 in de boerderij een melkveehouderij, die gelegen was aan de Breedeweg, genummerd 35. Willem overleed in 1932 en de boerderij kwam in bezit van zijn echtgenote Anna M. Leek. Zij verkocht de boerderij in oktober 1940 aan Jacobus J. de Wildt, wonende te Beverwijk, die het gelijk doorverkocht in november 1940 aan Lucas Aardenburg, directeur van de gelijknamige Naamloze Vennootschap uit Beverwijk. De koop werd omschreven als: ‘Woonhuis met stalling, schuur, boerderij, erf, tuingrond en weiland met aanhorigheden, staande en gelegen te Castricum, samen groot 15 hectare 98 are en 50 centiare.’

De familie De Wildt bleef in het pand wonen en gebruikte het voor haar bedrijf: tuinbouw en bloembollenteelt. In 1951 kocht Petrus C.W. (Piet) de Wildt de boerderij met veestalling, hooiberg, erf en grond, aan de Breedeweg, met een oppervlak ter grootte van circa 1.000 vierkante meter.

Zeven jaar later, in juni 1958, verkocht Lucas Aardenburg opnieuw aan landbouwer Piet de Wildt een stuk grond aan de Breedeweg nummer 35 ter grootte van 500 vierkante meter . Piet liet hierop in hetzelfde jaar een kippenschuur bouwen voor een bedrag van 6.000 gulden.

In oktober 1972 verkocht deze Piet de Wildt, dan bloembollenkweker van beroep, wonende aan de Breedeweg 45 en gehuwd met Elisabeth C. M. (Sets) Pronk, de boerderij aan de twee zoons (ieder voor de onverdeelde helft): Cornelis P. (Cor) de Wildt, gehuwd met Anna van Kooten, wonende aan de Gobatstraat en Petrus C. (Piet) de Wildt, gehuwd met Margaretha van der Laan, wonende aan de Breedeweg 45.


Jaarboek 30, pagina 37


De boerderij werd toen omschreven als: ‘Het woonhuis met veestalling, hooiberging en verdere aanhorigheden met ondergrond, erf en tuin, gelegen aan de Breedeweg 45 te Castricum, kadastraal gelegen in sectie 8, nummer 6548, groot 18 are 20 centiare.

Op 13 december 1972 brak brand uit in de benedenverdieping van het woonhuis, waarbij de 74-jarige Bets de Wildt-Pronk om het leven kwam. Het inwendige van de gehele benedenverdieping was uitgebrand en de buitengevel van het woonhuis was zwart geblakerd. Na herstel van de woning, waarbij de gevels in wit stucwerk werden uitgevoerd, betrok zoon Piet de Wildt de woning.

De veestalling en hooiberging met aanhorigheden werden in de loop van de tijd wit geschilderd en aangepast tot een bedrijfsruimte met 5 zomerhuisjes. Voor het beheer en gebruik van de verschillende onderdelen werd door de twee broers een vennootschap onder firma gevormd: Gebroeders C.P. en P.C. de Wildt te Castricum.

Boerderij van De Wildt.
Boerderij van De Wildt. Breedeweg 45 in Castricum, 2008. Deze boerderij, gebouwd in 1920, is gelegen achter de tuinderwoning waarin de familie de Wildt woont. In de boerderij zijn nu appartementen gevestigd en die worden verhuurd. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1982 werd met wederzijds goedvinden de onverdeeldheid van het bezit opgeheven en werd het woonhuis met toebehoren toebedeeld aan Piet de Wildt.

In 1984, toen de bestaande vennootschap onder firma werd opgeheven, werd het achterliggende deel van het bezit, gelegen aan de Rollerusstraat, ook toebedeeld aan Piet de Wildt. Dit stond omschreven als: ‘Het bedrijfspand met 5 zomerhuisjes, staande en gelegen aan de Breedeweg, kadastraal gelegen in sectie 8, nummer 6548, groot 18 a en 15 centiare, met uitzondering van het deel dat in 1982 al was toebedeeld.’

In september 2005 kwam Piet de Wildt plotseling te overlijden. Zijn vrouw, Margaretha van der Laan, bewoont nu (in 2007) het huis met haar twee zoons en de wooneenheden zijn verhuurd aan derden.

De Maria Hoeve aan de Walstro.
De Maria Hoeve aan de Walstro 1.
De situatie omstreeks 1832.
De situatie omstreeks 1832.
De huidige situatie.
De huidige situatie.

Walstro 1, Maria Hoeve

Deze voor de Castricummers bekende boerderij, nu gelegen naast de in de volksmond zo genoemde Bloembakkenweg aan de Walstro 1, is gebouwd in 1845 en stond toen aan de Brakersweg nummer 66 (zie 22e jaarboek). De boerderij is na 1945 genoemd naar Maria Twisk, dochter van Floris Twisk en Pietertje Schut, de moeder van de huidige bewoner Jan Schermer.

De Soomerwegh oftewel Bloembakkenweg.
De Soomerwegh oftewel Bloembakkenweg. Bij de aanleg is de Soomerweh in Castricum ontworpen als vierbaansweg. Maar naarmate het dorp uitbreidde en meer kruisingen kreeg, werd het om de weg op te gaan of over te steken zeer onoverzichtelijk en gevaarlijk. Dit werd opgelost met bloembakken op de linkerstrook. Deze foto is vast op maandag genomen aangezien de “jeugd” elk weekend de bloembakken een slag draaiden. Foto Henk Honing. Toegevoegd.

Claas Glorie kocht in 1742 een huismanswoning (boerderij) en een stuk land aan de Brakersweg. Hij was gehuwd met Antje IJpelaan en overleed in 1787. Hun dan nog enige zoon Jan kocht in 1791 de boerderij in de Oosterbuurt, die hiervoor onder Breedeweg nummer 80 uitvoerig is behandeld. De boerderij aan de Brakersweg werd daarna hoogstwaarschijnlijk verpacht. Na het overlijden van Jan Glorie in 1813 vervielen zijn bezittingen aan Aagje Kraakman, zijn tweede echtgenote en aan Klaas Glorie, zoon uit zijn eerder huwelijk met Aagje van der Laan.

In 1817 verkochten Fulps Ranke, meester-metselaar (aannemer) te Castricum en Dirk Schotvanger, landbouwer te Limmen, beiden namens Aagje Kraakman samen met Klaas Glorie in een publieke verkoop onder andere de boerderij en de bijbehorende omliggende stukjes grond aan de Noordeinderweg, zoals de Brakersweg toen werd genoemd. Fulps Ranke en Arie Zonneveld, meester-metselaar te Uitgeest, werden hiervan, ieder voor de helft, de nieuwe eigenaar.

Na het overlijden van Arie Zonneveld in 1828 werden zijn laatste echtgenote Guurtje Huisman en zes kinderen uit meerdere huwelijken de erfgenamen, elk voor 1/7 deel. De toedeling van het bezit aan de Brakersweg vond in 1829 plaats aan Guurtje Huisman; de wederhelft behoorde nog steeds aan Fulps Ranke. De vermelding van deze bezittingen was als volgt: ‘Een huismanswoning met erf, tuin, boschje en hofstede op ’t Noordeinde van Castricum;


Jaarboek 30, pagina 38

het erf, groot 13 roe, 80 ellen, de tuin, groot 6 roe, 60 ellen, het boschje, groot 7 roe, 40 ellen en de hofstede, groot 50 roe. Verder een stuk weiland genaamd ‘het Klaverland’, groot 1 bunder 1 roe 40 ellen, een stuk weiland genaamd ‘de Weid bij de plaats’, groot 3 bunder 7 roe en een stuk weiland genaamd ‘het Zeugenweidje’, groot 60 roe 80 ellen.’

Volgens de beschrijving bij de oprichting van het kadaster in 1832 lagen deze percelen in sectie B: het erf, nummer 114, de tuin, nummer 115, het boschje, nummer 116, het Klaverland nummer 11 7, de Weid bij de plaats nummer 113 en het Zeugenweidje nummer 110.

In 1830 werd de boerderij bewoond door de 55-jarige Jacob de Graaf, zijn tweede echtgenote Guurtje Bloothoofd en zeven kinderen.

Namens Guurtje Huisman en Grietje Ranke, enige dochter en erfgename van Fulps Ranke, ieder voor de helft eigenaar, werd in 1851 een openbare verkoping gehouden van de boerderij met de eerdergenoemde bijhorende percelen land; de koper was Gerrit Brakenhoff junior, veehouder te Castricum en gehuwd met Dirkje Melker (zie 11e jaarboek).

Gerrit Brakenhoff laat in 1875 de boerderij aan de Brakersweg vernieuwen tot een karakteristieke stolp met dubbel vierkant, groot 16 x 18 meter, vermeld als: ‘een huis en erf met schuur, gelegen in sectie B, nummer 1652, groot 1.500 vierkante meter en bouwland, gelegen in sectie B, nummer 1653, groot 820 vierkante meter’.

In 1898 volgde een boedelscheiding en kwam de boerderij met bouwland in bezit van schoonzoon Jacob Bommer, veehouder te Egmond-Binnen en gehuwd met Willemijntje Brakenhoff. Hij verhuurde de boerderij aan bloembollenkweker Pepping.

In 1901 vond de verkoop plaats aan Floris Cornelisz Twisk, timmerman en wagenmaker te Castricum en aan Gerrit Louter, winkelier te Castricum, ieder voor de helft.

Kort daarna, in 1904, werd Floris Twisk, gehuwd met Pietertje Schut, volledig eigenaar; hij had zich inmiddels toegelegd op de melkveehouderij en hield 14 stuks melkvee.

In 1920 volgde verkoop aan Johannes (Jan) Schermer, landbouwer en veehouder, die in het voorjaar van 1921 trouwde met Maria Twisk, dochter van Floris Twisk en Pietertje Schut (zie 17e jaarboek).

Er werd een schuur bijgebouwd en een gierkelder en zo bestond de boerderij aan de Brakersweg 66 uit een huis, 2 schuren en erf op perceel nummer 1652, groot 1.500 vierkante meter en een schuur, erf en gierkelder op perceel nummer 1653, groot 820 vierkante meter.

Het gezin van Jan Schermer en Anna Leyser.
Het gezin van Jan Schermer en Anna Leyser. Walstro 1 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1962 werd de boerderij overgenomen door de zoon Johannes F.M. (Jan) Schermer, veehouder, geboren in 1927 en gehuwd met Anna C.M. Leyser; zij woonden er met hun gezin, bestaande uit drie zoons en twee dochters.

Bij de ontwikkeling van het bouwplan Noordend was de Soomerwegh ingetekend als een rechte weg die aansloot op de Zeeweg. Het plan betekende het einde van enkele boerderijen. Door het tracé van de Soomerwegh te verleggen kon de prachtige Maria Hoeve gespaard worden en kwam de boerderij na de wijzigingen in de wegensituatie aan de Walstro te liggen.

Het bedrijf van Jan Schermer was een melkveehouderij met 18 melkkoeien, 30 mestkalveren en 8 pinken. Naast de boerderij, aan de oostkant, werd een tuin aangehouden, waarin vooral bessenstruiken stonden. De verkoop van bessen bij de boerderij werd een jaarlijkse traditie.

In het jaar 1975 werd met het bedrijf gestopt; de boerderij werd ingericht als woning, waarbij aan de stalkant (de oostkant) twee slaapkamers, een douche en toilet werden aangebracht. De in de gevel aanwezige kleine kozijnen werden vervangen door grotere kozijnen met een getoogde bovendorpel.

De voorzijde van de Blauhoef.
De voorzijde van de Blauhoef.
De huidige ligging aan de Achterlaan.
De huidige ligging aan de Achterlaan.
De situatie in 1872.
De situatie in 1872.

Achterlaan 5, Blauhoef

Enigszins verscholen nabij de Heereweg en de Zeeweg ligt aan de Achterlaan 5 te Bakkum de boerderij ‘Blauhoef’.

De geschiedenis van de Blauhoef is al vele eeuwen oud. In 1686 werden er een woning en stukken land in Bakkum gekocht door jonkheer Gerard van Egmond van de Nijenburg. De omschrijving luidt: ‘Een wooning gelegen tot Suijt Baccum genaemt ‘Blaeu Hoeff’ in janu. 1686 gecogt voor 5.650 gulden op drie maij dagen te betalen, groot in ’t geheel 16 morgen en 593,5 roeden.’

Jonkheer Gerard van Egmond van de Nijenburg ( 1646- 17 12) was onder andere burgemeester van Alkmaar, dijkgraaf van de Hondsbossche, dijkgraaf van de Uitwaterende Sluizen en ook de stichter van het nu nog bestaande landgoed ‘Nijenburg‘, gelegen aan de Kennemerstraatweg in het Heiloo√ęr Bos. Hij was in 1675 gehuwd met Machteld van Foreest. Door vererving via de familie Van Foreest kwam de Blauhoef al v√≥√≥r 1769 in bezit van de schatrijke Pieter van Akerlaken ( 1722-1784), afkomstig uit de Hoornse regentenfamilie Van Akerlaken. Pieter was gehuwd met Petronella Bregitta van Foreest.

Na zijn overlijden in 1784 werden de Bakkumse bezittingen ge√ęrfd door zijn zoon Cornelis Christoffel van Akerlaken ( 1752-1800) en vervolgens na zijn overlijden door diens echtgenote Elisabeth Stoel. Zij had bij de oprichting van het kadaster in 1832 in totaal in Bakkum ruim 36 hectare land en boerderij Blauhoef op haar naam staan. Deze boerderij werd verpacht. In 1830 werd de boerderij bewoond door de 35-jarige Pieter Jansz. Kuijs, zijn vrouw Maartje Bruijn, hun vijf kinderen, een boerenknecht en een werkmeid.

Elisabeth Stoel overleed in 1834 in Hoorn. Kort na haar overlijden werden op 22 december 1834 door haar kinderen, de erfgenamen, alle bezittingen in Bakkum op een openbare verkoping in De Rustende Jager in tegenwoordigheid van burgemeester Pieter Kieft en kastelein Fredrik J. H. Snijders verkocht.
Koper van de Blauhoef was Dirk Bruijn, landbouwer en boer te Castricum.


Jaarboek 30, pagina 39

De aankoop omvatte de huismanswoning met erve (gelegen in sectie A, nummer 151, groot 1.640 vierkante meter) , samen met enkele stukken bouwland, weiland, tuingrond, bosland en wei- of hooiland met een totale grootte van 10 hectare 22 are 60 centiare. Dirk Bruijn, geboren in 1805, trouwde in 1833 met Trijntje van Bruijnswaard, dochter van Klaas van Bruijnswaard (duinmeier, landbouwer, schelpenvisser) en Maartje Koene.

De achterzijde van de Blauhoef.
De achterzijde van de Blauhoef.

In 1865 werd Gerrit Schollen, dagloner, de nieuwe eigenaar. Gerrit trouwde eerst met Maartje de Vries en na haar overlijden met Grietje Leeuw in 1863. Hij overleed in 1877; vervolgens ging het eigendom van de boerderij met bijbehorende grond over op zijn weduwe en na haar overlijden in 1903 op hun zoon Pieter Schollen.

In 1925 verkocht Pieter Schollen het huis en erf, kadastraal gelegen in sectie A, nummer 531 , groot 370 vierkante meter met 3 percelen bouwland, totaal groot 2.750 vierkante meter aan mr. Hendricus P. M. Kraakman, advocaat en procureur te Alkmaar.

In opdracht van mr. Hendricus P. M. Kraakman werd door J. Weel, bouwkundige te Bakkum, een nieuw ontwerp gemaakt van een vierkante stolpboerderij van 14 x 14 meter, waarvoor een bouwvergunning werd aangevraagd. De vergunning werd in september 1925 door de gemeente Castricum verleend.
Nadat de nieuwe boerderij gereed was, werd Nicolaas (Klaas) Stuifbergen de eerste bewoner en gebruiker. Hij was gehuwd met Wilhelmina (Willemijn) Duijn en had een groot gezin met 8 kinderen.

De kap van de nieuwe boerderij liep bij een zware storm in 1926 grote schade op. De melkveehouderij bestond uit 18 melkkoeien, die in de winter in de stal werden gezet: 12 koeien op de lange regel en 6 op de korte regel.


Jaarboek 30, pagina 40

In 1936 werd een schuur bijgebouwd; de omschrijving luidde: ‘Een huis, schuur, erf en bouwland, kadastraal gelegen in sectie A, nummer 886, groot 3.380 vierkante meter’.

In het door Margaret Pronk-Stuifbergen bewerkte boek ‘Dagboek van een boerin in Bakkum tijdens de oorlog’ heeft Willemijn Stuifbergen-Duijn als bewoonster van de boerderij Blauhoef haar belevenissen met haar gezin, de boerderij en de gebeurtenissen in Castricum en Bakkum gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 beschreven. Op de omslag van het boek is een schilderij van de voorgevel van de boerderij geplaatst van de hand van Jozef Stuifbergen.

Boerderij Blauhoef.
Boerderij Blauhoef ten tijde van Nicolaas Stuifbergen en Truus Poel. Pentekening Lau Hoebe. Foto Jacques Schermer. Toegevoegd

Vanaf 1945 heeft zoon Nicolaas (Co) Stuifbergen, gehuwd met Truus Poel, er de melkveehouderij uitgeoefend. Nadien hebben enkele aanpassingen plaatsgevonden. In 1965 werd de westgevel aangepast en in 1967 een nieuwe stal bijgebouwd. In 1968 werd de boerderij, gelegen aan de Achterlaan nummer 5, omschreven als: ‘Een huis, schuur, zomerhuisje, stal en weiland, kadastraal gelegen in sectie A, nummer 1389, groot 5 hectare 65 are 27 centiare.’

Nicolaas (Co) Stuifbergen is in 1980 met het bedrijf gestopt en heeft de boerderij verkocht. Het gezin Stuifbergen ging aan de Achterlaan nummer 7 wonen, dicht bij de Blauhoef.

Jan Teerenstra, directeur van Teerenstra Bouw uit Heiloo, werd de nieuwe eigenaar. Hij liet de boerderij renoveren aan de hand van een ontwerp van Bakker en Boots, architecten uit Schagen en zo werd in 1981 een fraaie woning gerealiseerd. In dat jaar betrok Jan Teerenstra ( 1932), gehuwd met Alida Johanna Lute met drie kinderen de nieuwe woning; zij hebben er tot maart 1987 gewoond.

Boerderij Van Tienhoven en daarachter boerderij Blauhoef.
Boerderij Van Tienhoven en daarachter boerderij Blauhoef. Aquarel van Ruud ter Laare. Foto Jacques Schermer. Toegevoegd.

Mevrouw Teerenstra-Lute vertelde: “We hadden daar aan de Achterlaan een prachtige plek tussen de Van Tienhovenhoeve en de familie Stuifbergen, met fraai uitzicht naar de weg.

Onze buurman Co Stuifbergen was een speciale man, die zich na de verkoop maar moeilijk los kon maken van de boerderij. Hij kwam vaak helpen, deed veel werk, vaak uit zichzelf, gebruikte een deel van de stal als opslag en stalling voor zijn trekker en zorgde ook voor veel gezelligheid.

Op ons erf had hij een volkstuintje met een glashuisje, gemaakt van oude raamkozijnen, waar hij onder meer tomaten en komkommers kweekte. Hij kon zich daar echt in terug trekken. Hij kwam ook wel om een uur of tien voor een ‘bakkie koffie’ en Truus was daar ook wel bij. Aan die vrolijke, levenslustige man, die ons goed geholpen heeft, hebben we goede herinneringen overgehouden.

We hebben in en om de Blauhoef heel hard gewerkt met elkaar om alles voor elkaar te krijgen. Het naast de boerderij gelegen huisje werd ingericht voor een van onze dochters, die er vijf jaar met haar man heeft gewoond. Een deel van de stal werd ingericht als garage, het witte zomerhuisje uiteindelijk gesloopt en we hebben veel aan de tuin gedaan. Na enkele jaren stond het er prachtig bij; we waren er erg trots op.

Helaas werd mijn man ernstig ziek en is hij na een lange ziekteperiode in maart 1983 overleden. Een enorme klap was dat met als gevolg uiteindelijk toch de verkoop van de boerderij.”

Herman Bolt, bestuurder bij CSM, werd de nieuwe eigenaar; hij verbouwde in 1987 de woning naar een ontwerp van architectenbureau Bakker en Boots uit Schagen. De oude koeienstal werd vervangen door een grote dubbele garage en het zomerhuisje werd gesloopt. Veel aandacht werd geschonken aan het onderhoud van het geheel, waarbij mevrouw Bolt veel deed aan tuinonderhoud; zij had een speciaal stukje ingericht voor het telen van bijzondere planten en bloemen. De familie Bolt heeft er tot begin 2007 heel prettig gewoond.

Op 10 mei 2007 werd Simon C. M. Min (1956), directeur van aannemingsbedrijf FRAB te Limmen, de nieuwe eigenaar. Hij is gehuwd met Dominique Stet (1959) en het gezin heeft drie kinderen.

Boerderij Starrenburg in de periode 1905 - 1927. V.l.n.r.: Ant en Jane Grapendaal, Bet Hogenstijn en eigenaar Freek Grapendaal.
Boerderij Starrenburg in de periode 1905-1927. Van links naar rechts Ant en Jane Grapendaal, Bet Hogenstijn en eigenaar Freek Grapendaal.
De ligging aan de Bleumerweg.
De ligging aan de Bleumerweg.

Bleumerweg 33, Starrenburg

Aan de Bleumerweg ligt, tegen de weg aan op de hoek met de Achterlaan, de oude boerderij ‘Starrenburg’. De bouwdatum van de boerderij is niet bekend, maar de oudst bekende verkoping dateert van 1827, zoals uit oude notari√ęle akten blijkt.

In het 10e jaarboek is de historie van de boerderij tot het jaar 1970 beschreven. In dat jaar verkocht Gerarda Adriana van der Meij, weduwe van Willem de Zeeuw, de boerderij met bijbehorend land aan Arnold Jacobus Bruynjé, algemeen directeur van het bouwbedrijf van Hattum en Blankevoort.
Hij liet een plan maken door architect Adriaan Zoon te Heiloo


Jaarboek 30, pagina 41

voor de verbouwing/restauratie van de boerderij tot woning. In juni 1970 werd begonnen met de werkzaamheden, waarbij Arnold Bruynjé zelf als coördinator/uitvoerder optrad. Eerst werd de rietdekking van de kap vernieuwd om deze waterdicht te maken. Na verwijdering van het bestaande binnenwerk van de boerderij werd op de begane grond een betonnen vloer gestort, waarop met de opbouw van het binnenwerk kon worden begonnen, waarbij ook vele oude materialen werden gebruikt. In de kap werden enkele dakkapellen geplaatst.

De huidige boerderij Starrenburg.
De huidige boerderij Starrenburg.

In december 1970 was de verbouwing nagenoeg gereed. Het bestaande bijgebouw, een schuur uit 1936 en gebouwd door A. Borst te Bakkum, werd in 1973 verbouwd tot garage.

De heer Bruynjé, die in 2002 is overleden, heeft veel gedaan om de fraaie boerderij in goede conditie te brengen en te houden. Thans (in 2007) wordt Starrenburg bewoond door zijn echtgenote Jacqueline Bruynjé-Ennes met drie dochters.

De Coenhoeve aan de Limmerweg.
De Coenhoeve aan de Limmerweg.
De ligging aan de Limmerweg.
De ligging aan de Limmerweg.
De situatie omstreeks 1830.
De situatie omstreeks 1830.
De situatie in 1872.
De situatie in 1872.

Limmerweg 2, de Coenhoeve

In de buurtschap Noord-Bakkum aan de Limmerweg nabij de grens met Egmond-Binnen en circa 500 meter vanaf de Zanddijk stond vroeger, reeds voor 1768, een boerderij, die kort daarna ‘Het Pannenhuis’ is gaan heten. Deze boerderij kent een lange geschiedenis.

Op 10 juni 1768 verkochten de erfgenamen van Aalbert en Cornelis Walenburg voor 2.530 gulden aan Jan Cornelisz. Pannenhuijs, dan schepen in het dorpsbestuur van Bakkum, een huis en erf groot 600 roeden met nog 16 percelen land, totaal groot 20 morgen (1 morgen = 0,8 tot 1 hectare). Om een en ander te kunnen bekostigen leent Jan in datzelfde jaar 1.300 gulden van Paulus Hesseling uit Wormerveer.

De naam Pannenhuis heeft de boerderij uiteraard gekregen door de naam van de toenmalige eigenaar. Deze Jan Cornelisz. Pannenhuijs ging zich later Jan Cornelisz. Duijn noemen. Na zijn overlijden in 1786 werden de bezittingen ge√ęrfd door zijn kinderen die hun erfdeel in 1787 verkochten aan hun broer Klaas. De boerderij droeg toen al de naam ‘Het Pannenhuis’.

In 1798 ging Klaas Jansz Duijn in Velsen wonen en verkocht voor 3.690 gulden de boerderij met het land: ‘Een boerenwoning met 24 morgen en 8912 roeden, zo(wel) hooi-, weide-, zaad- als bosland uit onderscheidene percelen bestaande, gelegen te Noord-Bakkum’ aan Simon Cornelisz. Duinmeijer en Willem Fransz.Brakenhoff, beiden wonende in Bakkum en als schepen deel uitmakend van het dorpsbestuur. Simon en Willem waren aangetrouwde familie. Maartje Sijmons Groen, de moeder van Simon Duijnmeijer, was eerst gehuwd met Cornelis Sijmonsz. Duijnmeijer en vervolgens met Gerrit Pietersz. Kuijs. Neeltje Kuijs, dochter uit dit tweede huwelijk en halfzuster van Simon Duijnmeijer, was omstreeks 1790 gehuwd met Willem Fransz. Brakenhoff.

In 1806 verkoopt Simon Duijnmeijer zijn halve deel van de boerderij met het land aan zijn zwager Willem Fransz Brakenhoff, die daardoor volledig eigenaar werd. Willem overleed in 1826 en in 1827 werd een inventarisatie van de inboedel van de boerderij gemaakt (zie 11e jaarboek), die daarna op de naam van zijn vrouw Neeltje Kuijs is gezet. Bij de oprichting van het kadaster in 1832 stond op naam van de weduwe van Willem Fransz. Brakenhoff 18 percelen in sectie A (Bakkum) met een totaal oppervlak van 25 hectare 92 are 20 centiare. De boerderij en de direct omliggende percelen zijn kadastraal bekend als huis en erf, nummer 37, groot 2.510 vierkante meter; bos, nummer 33, groot 2.720 vierkante meter; tuin, nummer 34, groot 350 vierkante meter; bouwland, nummer 35, groot 15.180 vierkante meter; weiland, nummer 36, groot 340 vierkante meter en tuin, nummer 38, groot 610 vierkante meter.


Jaarboek 30, pagina 42

Oudere foto van Boerderijb de Coenhoeve, vroeger Pannenhuis geheten, aan de Limmerweg.
Oudere foto van boerderij de Coenhoeve, vroeger Pannenhuis geheten, aan de Limmerweg.

Toen Neeltje Kuijs in 1842 overleed, werd de boerderij met bijbehorende weilanden verkocht door de kinderen aan schoonzoon Jan Kraakrnan, veehouder te Egmond-Binnen en zoon van Jan Kraakman en Marijtje Obdam. Hij kocht 5/6 deel, want het resterende 1/6 deel was reeds het erfdeel van zijn vrouw, de jongste dochter Aagje Brakenhoff. Zij was in 1836 met Jan Kraakman getrouwd. In 1860 volgde een boedelscheiding door het overlijden van Aagje Brakenhoff en werd de boerderij met bijbehorende landerijen toegewezen aan Jan Kraakman, die inmiddels was hertrouwd met Maartje van den Berg.

Jan Kraakman overleed in 1879; zijn kinderen werden ieder voor 1/8 deel erfgenaam. Bij de openbare verkoping in 1880 kwam de boerderij met enige percelen land in bezit van Pieter Willemsz Groen, veehouder, woonachtig in Uitgeest en gehuwd met Marijtje Kraakman, een dochter van Jan Kraakman.

In 1916 werd de boerderij betrokken door Adrianus Liefting, melkveehouder, gehuwd met Adriana Apeldoorn. Zij hadden een gezin van 11 kinderen, waarvan Gerardus (1896) en Adrianus (1909) ongehuwd zijn gebleven. Beiden waren veehouders, die na het overlijden van hun vader in 1952 het bedrijf hebben voortgezet. Toen Gerardus Liefting in 1964 overleed, heeft zijn broer Adrianus (Arie) het bedrijf tot 1969 alleen voortgezet. In dat jaar werd het bedrijf aan de bestemming van veestalling en agrarisch gebruik onttrokken. Arie ging wonen in de Vondelstraat te Castricum en is eind 1991 te Heemskerk overleden.

De boerderij de Coen hoeve.
De boerderij de Coen hoeve. Limmerweg 2 in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In december 1969 verkocht Arie Liefting: ‘De boerenhofstede met schuur, bijbehorende bebossing, grond en erf, kadastraal bekend gemeente Castricum, sectie A, nr. 1284 en 710’ aan het gereformeerd of burgerweeshuis te Haarlem, dat de boerderij wilde herinrichten voor gebruik als vakantieverblijf voor kinderen. De toenmalige directeur M. Hartevelt was vooral initiatiefnemer om de vakantieboerderij te realiseren en is tot in de jaren 1970 betrokken geweest bij het wel en wee van dit pand.

Als beheerder werd Anne Merkuur (1940) aangesteld. Hij was werkzaam bij V.N.U. gehuwd met Maria Hanraads ( 1946) en woonde te Alkmaar.

Hij vertelde:
“Eind jaren 1960 woonde ik met mijn vrouw en 2 kinderen in Alkmaar en ik was werkzaam als verkoopadviseur bij V.N.U. te Haarlem. Wij kwamen regelmatig op de boerderijwoning van mijn schoonouders aan de Limmerweg 4, waar mijn schoonouders woonden. Zodoende kenden wij Arie liefting en wij waren van de verkoop aan het Burgerweeshuis in 1969 op de hoogte.

Toen er een beheerder voor het toekomstige vakantieverblijf’ voor weeskinderen gezocht werd, waren wij er dan ook als eersten bij. Toevallig konden wij op dat moment onze flat in Alkmaar inruilen voor een eengezinswoning. We besloten deze keuze niet te maken, maar Alkmaar te verlaten en naar Castricum te gaan. Vanaf 1 april 1970 woonden wij in de boerderij.

Het was een bouwval. De veestallingen waren uitgebroken, het rieten dak lekte en verloor veel riet, de houten vloeren van de kamers waren doorgezakt, het was er vochtig, maar we maakten er wat van.

We woonden aan de voorkant, de zuidzijde, waar de voordeur was. Links van die deur de keuken met erachter de WC., rechts de woonkamer, slaapkamer en daarnaast de opkamer met daaronder de kelder. Het was een droge kelder met een gemetseld gewelf en stenen vloer; je kon er rechtop in staan.

In de staart werd een douche gemaakt, waar we met de autoped vanuit de voorkant naar toe gingen!

Maar het was wel afzien. Het zou tijdelijk zijn en dat hield ons staande. Aan de andere kant was het ook een uitdaging. Aanvankelijk werd geprobeerd de boerderij te restaureren naar idee√ęn van architect Vincent Bijl uil Arnhem, maar al snel bleek dat in verband mei de bouwvalligheid niet haalbaar.

Als eerste stap werd door Jan Hes de aanbouw aan de noordkant, de staart, gesloopt en door aannemer Mooij uit Krommenie herbouwd tot woning voor de beheerder; voor ons gezin dus.
De woning was in 1972 gereed.

Wij verhuisden binnendoor, van voren naar achteren, van het zuiden naar het noorden! Daarna werd, als tweede stap, het hoofdgedeelte van de boerderij gesloopt, ook weer door Jan Hes en werd de stolpboerderij naar een ontwerp van R. Visser uil Bergen herbouwd. Heddes Bouw was de aannemer en ook hij gebruikte hiervoor nieuwe bouwmaterialen. In 1974 was de gehele herbouw gereed.

Sedert 1 april 1970 ben ik de beheerder van ‘de Coenhoeve’ en we hebben het hier erg naar onze zin.”

Aan de vakantieboerderij is de naam ‘Coenhoeve’ toegekend door de leiding van het Coen Cuserhuis, eerder het gereformeerd- of burgerweeshuis aan de Olieslagerslaan te Haarlem.

Coen Cuser werd omstreeks 1325 geboren en is in of na 1405 overleden. Hij was Ridder, Heer van Oosterwijck, woonde te Haarlem en was weldoener voor de armen in de stad Haarlem. Hij nam ouderen op in zijn huis, het Heilige Geesthuis, waaruit het gereformeerd- of burgerweeshuis is ontstaan.

Piet Blom

Bronnen:

  • Brinkgreve, C., Het Gereformeerd- of Burgerweeshuis te Haarlem, 1394-1969.
  • Druijven, C.N., Boerderijen in Limmen, 2003.
  • Jaarboeken van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.
  • Kadaster directie Noordwest, vestiging Alkmaar en vestiging Amsterdam (Sloterdijk).
  • Regionaal Archief te Alkmaar: Oud-Rechterlijk Archief, Notarieel Archief, bevolkingsregisters etc.
  • Van Egmond-van Rookhuizen, A., Overzicht van de familie Kuijs/Kuis, afkomstig van Delft/Castricum, 1985.

Grensbepaling in 1821 (Jaarboek 30 2007 pg 31-33)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 30, pagina 31

De grensbepaling van het grondgebied van Castricum in 1821

Detailkaart noordgrens van de Heereweg tot de grens met Heiloo. De noordgrens loopt vanaf de Heereweg in oostelijke richting naar de Tochtsloot op de grens met Heiloo, daarbij worden de perceelsgrenzen van de verschillende eigenaren aangehouden. Achtereenvolgens worden de Hoogeweg, de Limmerweg en het Zuiderdijkje gepasseerd.
Detailkaart noordgrens van de Heereweg tot de grens met Heiloo. De noordgrens loopt vanaf de Heereweg in oostelijke richting naar de Tochtsloot op de grens met Heiloo, daarbij worden de perceelsgrenzen van de verschillende eigenaren aangehouden. Achtereenvolgens worden de Hoogeweg, de Limmerweg en het Zuiderdijkje gepasseerd.

In 1832 wordt het Kadaster opgericht voornamelijk met het doel om te komen tot een rechtvaardige heffing van de grondbelasting. In een aantal jaren voorafgaande aan de offici√ęle oprichting worden alle huizen, erven, wegen en wateren, duinen en landerijen opgemeten, genummerd en getekend op de zogeheten minuutplans. Voordat dit werk een aanvang neemt, wordt eerst nauwkeurig de grens van de gemeente Castricum in overleg met de vertegenwoordigers van elke aangrenzende gemeente verkend, op schrift gesteld en in tekening gebracht.

Op 30 juni 1821 is de landmeter-grensbepaler, de heer A. van Oosterhout, naar Castricum gekomen om met de schout Pieter Kieft en de schepenen Jan Franszoon Brakenhoff en Gerrit Tromp de grenzen van het grondgebied van de gemeente Castricum te bepalen. Beide schepenen zijn voor dit doel benoemd tot aanwijzers. De vaststelling van de grens geschiedt in aanwezigheid en overeenstemming met de schout en de twee aanwijzers van de aangrenzende gemeente. Achtereenvolgens wordt de grens vastgesteld met de gemeente Egmond-Binnen, Heiloo, Limmen, Uitgeest en Heemskerk.

De grensscheiding met Egmond-Binnen

Samen met de schout en aanwijzers van de gemeente Egmond-Binnen, de heren Christiaan van Egmond, Willem van Voorst en Gerrit Apeldoorn, begeeft het gezelschap zich op weg, vanaf de Noordzee ongeveer 225 meter ten noorden van de mijlpaal 43 en volgt vanaf dit startpunt een rechte lijn over de duinen in oostelijke richting tot aan de Heereweg, die hier uitkomt ten zuiden van een stuk weiland genaamd ‘de Oude Bleek’.

De route volgt de westzijde van de Heereweg enkele honderden


Jaarboek 30, pagina 32

meters in noordelijke richting tot een wal, die vanaf de oostzijde van de weg in oostelijke richting gaat tot aan de Hogeweg.

Zuiderdijkje.
Zuiderdijkje. Bakkum 2006. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Vanaf deze weg begint de grens enkele tientallen meters zuidelijker en gaat in oostelijke richting over een wal tot aan de Limmerweg. De grens gaat verder iets noordelijker vanaf deze weg en volgt een greppel in oostelijke richting tot aan het Zuiderdijkje. Iets noordelijker vanaf het Zuiderdijkje loopt de grens over de sloot tussen de weilanden door tot aan de Tochtsloot, waar de grensscheiding met Egmond-Binnen eindigt en die met Heiloo begint. De totale lengte van de grens met Egmond-Binnen is 4.910 meter.

Handtekening van de vertegenwoordigers van Egmond-Binnen en Castricum.
Handtekening van de vertegenwoordigers van Egmond-Binnen en Castricum.

Met bovengenoemde grensvaststelling en -beschrijving gaan de eerder genoemde schout en aanwijzers van de gemeente Castricum en Egmond-Binnen akkoord en ondertekenen het betreffende onderdeel van het proces verbaal.

We merken op dat de grensscheiding met Egmond-Binnen vanaf de Heereweg naar het Zuiderdijkje een nogal springend verloop heeft door het volgen van de grillige perceelsgrenzen. Hierdoor behoorde het volledig perceel of bij de ene of bij de andere gemeente met de daarbij horende belastingheffing. De oude, rechte gemeentegrens doorsneed allerlei eigendomsgrenzen met het gevolg dat een eigenaar voor een perceel bijvoorbeeld voor 2/7 in de ene en voor 5/7 in de andere gemeente zou worden aangeslagen.

De grensscheiding met Heiloo

Voor de gemeente Heiloo worden als schout en aanwijzers genoemd de heren Jan Smit, Hendrik Mulder en Jan Besteman. De grens met de gemeente Heiloo volgt de Tochtsloot in zuidelijke richting tot de sloot gelegen tussen de weilanden van Wouter Admiraal onder Castricum en van Jan Besteman c.s. (cum suis = met de zijnen) onder Heiloo. Deze sloot loopt tot een kromme sloot, gelegen tussen de weilanden van de kinderen van Jan Admiraal onder Castricum en Wouter Admiraal onder Limmen, waar de grens met Heiloo eindigt en die met Limmen begint. De totale lengte van de grens van Castricum met Heiloo is 1.021 meter.

De grensscheiding met Limmen

Schout Matthijs H. Weldijk en de aanwijzers Willem de Bie en Klaas Winder vertegenwoordigen de gemeente Limmen. De grens met Limmen volgt de genoemde kromme sloot in zuidelijke richting, komt uit op de Zanddijk en gaat verder zuidwaarts de Westerzijdervaart volgend tot het weiland van de rooms-katholieke kerk van Limmen.

Zanddijk.
Watering Zanddijk grens Limmen richting Egmond Binnen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hier volgt de grens verder in zuidwestelijke richting de Bakkummertocht tot aan de Madeweg, verder in zuidoostelijke richting een korte afstand langs de Madeweg om daarna de Bakkummertocht te vervolgen tot aan de Schulpvaart.

De door het land slingerende Schulpvaart.
De door het land slingerende Schulpvaart. e vaart vormde ooit de grens tussen Castricum en Bakkum. Hier een deel dat de Grote Bocht wordt genoemd. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Over de Schulpvaart een weinig westwaarts loopt de grens over een kromme sloot die tot de Nieuwe Weg of Straatweg gaat. De sloot loopt daarbij langs de weilanden van Gerrit Tromp, Fulps Ranke en Cornelis Schutte onder Castricum en langs die van Lourens Henneman en Dirk Schotvanger onder Limmen.

Doorkijk Brakersweg en de ernaast lopende sloot in 1970.
Doorkijk Brakersweg en de ernaast lopende sloot in 1970. Nu is dit ter hoogte van de Mozartlaan en het Tulpenveld in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Straatweg wordt een eindje zuidwestwaarts gevolgd tot de Binkersloot, die gelegen is tussen de weilanden van Cornelis Kabel onder Castricum en van Cornelis Schutte onder Limmen. De grens volgt in zuidoostelijke richting de Binkersloot, dan de Nesdijk, als ook de Brakersweg tot aan een stenen paal op deze weg, waar de grens dan in oostelijke richting loopt over de Nesdijk tot aan de Diesloot, die dan zuidwaarts wordt gevolgd tot aan de Hendriksloot, die de scheiding vormt van de gemeenten Limmen en Uitgeest. De totale lengte van de grens met Limmen is 7.202 meter.

De grensscheiding met Uitgeest

Voor de gemeente Uitgeest zijn de schout Gerrit Muntjewerff en de aanwijzers Bos Zonjee en Herman Terra aanwezig. De grens met de gemeente Uitgeest volgt het Die in zuidelijke richting tot het Heemstederdijkje alwaar de gemeente Uitgeest overgaat in de gemeente Heemskerk. De totale lengte van de grens met Uitgeest is 2.010 meter.

De grensscheiding met Heemskerk

Schout Jan Karshoff en de aanwijzers Cornelis de Wildt en Klaas Limmen vertegenwoordigen de gemeente Heemskerk. De grens met de gemeente Heemskerk volgt in westelijke richting de noordzijde van het Heemstederdijkje, daarna de zuidzijde van de Maardijk tot aan de Straatweg, waar een stenen grenspaal gevonden wordt. Van deze paal loopt de grensscheiding over de duinen tot de Noordzee door een lijn gaande in een volkomen westelijke richting tot aan de Noordzee. De totale lengte van de grens met Heemskerk is 6646 meter.

De Koren of Maerdijk strekt zich uit vanaf de duinrand.
De Koren of Maerdijk strekt zich uit vanaf de duinrand. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Vanaf dit punt tot het beginpunt met de gemeente Egmond-Binnen vormt de Noordzee de westelijke begrenzing met een lengte van 4.780 meter.


Jaarboek 30, pagina 33

Hiermee heeft de gehele omschrijving van de grens van Castricum met een totale lengte van 26.569 meter plaats gevonden en zijn de verschillende onderdelen van het proces-verbaal door de betreffende vertegenwoordigers van de omliggende gemeenten ondertekend.

Simon Zuurbier

Bron:

Archief Gemeente Castricum 1812- 1915, inv. nr. 364.

Het kaartje van de gemeente Castricum omstreeks 1867 (uit Gemeente atlas van J. Kuyper).
Het kaartje van de gemeente Castricum omstreeks 1867 (uit Gemeente atlas van J. Kuyper).

Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot (Jaarboek 30 2007 pg 29-30)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2:¬†Castricum in oorlogstijd¬†–¬†Dagboek kapelaans¬†– De dood van Arie Hageman –¬†Duin en Bosch, evacuatie¬†–¬†Duinkant, een verdwenen dorpje¬†– Godschalk, Joods gezinOorlogsherinneringen Nardus Bos –¬†Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot¬†– verdedigingswerken –¬†verzetsstrijders¬†–¬†Leenaers, dokter¬†–¬†tante Sientje

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans, EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan WillemJacobs-Wentink, GréKieft, PieterKortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 30, pagina 29

Het oorlogsverhaal van koerierster Tiny van Vlaanderen-Boot

Er werden in de oorlog nogal wat mannen verliefd op Tiny. Daardoor kreeg ze veel voor elkaar tot groot voordeel van de verzetsbeweging.
Er werden in de oorlog nogal wat mannen verliefd op Tiny. Daardoor kreeg ze veel voor elkaar tot groot voordeel van de verzetsbeweging.

Evertina Hendrika Boot (roepnaam Tiny) werd geboren op 5 februari 1925 in Castricum. Haar ouders waren Iman Boot en Alberdina Gebke Urban, die beiden als verpleegkundige werkzaam waren op Duin en Bosch. Tiny begon op 18-jarige leeftijd te werken op het gemeentehuis van Castricum. Tijdens de oorlog was zij zeer actief in het verzetswerk en kende geen angst. Tiny vertelt haar spannende belevenissen uit die tijd in onderstaand verhaal. Zij schreef dit in Zuid-Afrika, waar zij alweer 59 jaar woont met haar echtgenoot Rinus van Vlaanderen.

Het gemeentehuis en plantsoen aan de Dorpsstraat 65 in Castricum circa 1940.
Het gemeentehuis en plantsoen aan de Dorpsstraat 65 in Castricum circa 1940. Aan de zijgevel van het gemeentehuis een mededelingenbord. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

“Ik begon te werken voor de gemeente Castricum in 1943 als hulp voor Piet van der Goes. Dit was maar tijdelijk bedoeld, maar er kwam steeds meer werk voor me te doen als typiste voor verschillende ambtenaren.

Zo werkte ik onder andere voor gemeentesecretaris Van Lunen. In 1944 ging ik over naar de distributiedienst, die door de staat was ingesteld om in crisistijd de verdeling van levensbehoeften te regelen. Daarnaast bleef ik echter ook werk doen voor de gemeente als dat nodig was. Ik werkte meestal voor Henk Nielen en Piet Gomes op de distributiedienst.

 Het distributiekantoor in Castricum.
Achter deze (onbekende) jongens het distributiekantoor, voorheen was het de bloemenwinkel van J. Kehl. Dorpsstraat 70 in Castricum, circa 1943. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

We waren toen gehuisvest aan de overkant van het gemeentehuis. Het pand brandde in 1944 af om het verdwijnen van bonnen te camoufleren. Ik vermoedde dat er iets van dien aard zou gebeuren, want Piet van der Goes kwam mij, wetende dat ik alleen zou zijn, tussen de middag opzoeken en verkende het hele gebouw. Piet was mijn verzetshoofd, die ik veel geholpen heb. Ik stelde hem nooit vragen, maar hij liet mij na de brand weten dat hij daarvoor mede verantwoordelijk was.

De administratie van de distributiedienst werd toen ondergebracht in het gemeentehuis en zodoende deelde ik mijn lessenaar met Piet Gomes. Deze hielp veel in de kluis om de distributiebonnen in en uit te boeken en te controleren aan de loketten.

Ik was een grote flirtster en zodoende werden er nogal wat mannen op me verliefd. Tot groot voordeel van de verzetsbeweging kon ik van alles en nog wat doen. Zo wond ik de NSB-ers en als het te pas kwam ook de Duitsers om mijn vinger.

Beeld van de Dorpsstraat in oorlogstijd (1942). Achrer het publiek rondom de ijscoman is het distributiekantoor zichtbaar.
Beeld van de Dorpsstraat in oorlogstijd (1942). Achrer het publiek rondom de ijscoman is het distributiekantoor zichtbaar.

Collega’s bij de gemeente waren onder anderen Jan Krom (ook een verzetswerker in Uitgeest), Admiraal, Tervoort en Koelman. Andere namen zijn me ontschoten.

Distributiecollega’s waren directeur Nielen, Verhoeven, Van Aalst, Iepenga, Ewald, Kemmink, Denneman, De Smalen, De Vries, De Boer en twee NSB-ers, waarvan ik de namen vergeten ben.

Piet Gomes, Verhoeven en Iepenga zorgden voor de bonkaarten voor de onderduikers. Toen we naar de Zaan ge√ęvacueerd werden, nam ik deze kaarten vaak mee in de trein en bezorgde ze dan bij Verhoeven thuis. Hij zat zelf in de trein, maar het was te gevaarlijk voor een man om ze bij zich te hebben. In geval de Duitsers de trein kwamen doorzoeken, was het makkelijker voor een jong meisje om er doorheen te komen. Gelukkig is er nooit iets gebeurd.

Burgemeester Masdorp neemt de door de geallieerden gedropte voedselpakketten in ontvangst.
Burgemeester Masdorp neemt de door de geallieerden gedropte voedselpakketten in ontvangst. Castricum, 3 mei 1945. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Omdat het kantoor van Piet Gomes naast de kamer van burgemeester Masdorp was, wisten we meestal wanneer deze buiten de deur was. Dan kon ik gauw een stempel met zijn handtekening of een belangrijk document wegnemen en weer terugplaatsen. De burgemeester, die NSB-er was en in mijn ogen een oude vent, werd ook verliefd op me. Ik moest hem niet, maar kon hem niet afpoeieren, omdat ik regelmatig in zijn kamer moest zijn om het nodige te stelen.

Zoals gewoonlijk vroeg ik nooit waarom iets nodig was, hoe minder te weten hoe beter. Dat gold ook voor mijn koerierswerk. Ik wist niet wat de inhoud van enveloppen of pakjes was. Het gebruikelijke herkenningsteken was altijd de klop van Beethovens 5e symfonie.

Stencilmachine gebruikt voor het illegale blaadje De Strijd in de Tweede wereldoorlog.
Stencilmachine gebruikt voor het illegale blaadje De Strijd in de Tweede wereldoorlog. Een stencil is een sjabloon gemaakt van een materiaal dat inkt doorlaat en waarmee afdrukken kunnen worden gemaakt. Tentoonstelling Tweede Wereldoorlog Werkgroep oud Castricum. Toegevoegd.

Krosschell was een heel belangrijk persoon in de verzetsbeweging, maar ik weet niet of hij het hoofd was. Hij was altijd hulpvaardig en een goed mens. Ik kende hem alleen door de bulletins van radio Oranje, die ik bij hem thuis uittikte en op stencil afdraaide. Dan vouwde ik de stencils op, stopte ze onder mijn jas en bracht ze rond naar de verschillende adressen. Ik was nooit bang, want iedereen dacht dat ik maar de gek speelde.


Jaarboek 30, pagina 30

Met Piet van der Goes, die een heel voorname rol in de verzetsbeweging speelde, had ik het meeste contact. Wij waren heel goede vrienden. Gedurende zijn onderduiktijd zagen we elkaar niet zoveel, ofschoon ik wist waar hij zat; dat was in een huis aan het eind van de Geelvinckstraat.

Piet liet me een fiets gebruiken van de burgemeestersvrouw, die nooit haar fiets hoefde in te leveren. Hij nam me ook mee achter op de motorfiets naar de bunkers in de duinen om de Engelse troepen te ontmoeten, die zich daar hadden gevestigd.

Links de marechaussee E.H. Surksum.
Deze foto is genomen vlak na de bevrijding. Links de marechaussee E.H. Surksum en rechts een lid van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Dorpsstraat in Castricum, 1945. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Ik kwam ook in contact met vele marechaussees, want die moesten ons bewaken bij het vervoer van bonkaarten naar Limmen of Uitgeest. Het vervoer vond plaats in een auto van Dijkhuizen, die een apparaat bevatte dat met hout werd gestookt om kracht te maken voor de motor. Dit ging met horten en stoten en soms begon het apparaat te koken, waardoor de chauffeur met al zijn kracht aan het stuur moest hangen. Dikwijls vlogen we de kant in en zaten we in spanning. Soms was burgemeester Masdorp er ook bij, want die was eveneens burgemeester van Uitgeest.

Taxi's en trouwauto's van garage Dijkhuizen.
Taxi’s en trouwauto’s van garage Dijkhuizen. Van der Mijleweg 1 in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In het begin van mijn verzetswerk wist mijn familie (moeder en twee broers) daar niets van, totdat ik door Piet van der Goes gewaarschuwd werd voor een razzia. Ik moest alles verbranden wat er in huis was aan blaadjes enzovoorts. Toen moest ik wel met het geheim voor de dag komen en ik zal maar niet de boze woorden herhalen, die ik toen te horen kreeg. Niemand sliep die nacht, want er was een razzia bij de buurman die opgepikt werd. We woonden toen in Koog aan de Zaan.

In het verzetsleger kende ik verscheidene namen, maar ik weet er nu nog maar een paar. Namen als Niek Bakker, Tiemstra en Koelewijn heb ik onthouden. Ik had foto’s van het verzetsleger, maar heb die helaas al jaren geleden weggedaan, denkende dat die tijd voorbij is en niemand daarin meer is ge√Įnteresseerd, vooral niet in Zuid-Afrika. De mannen droegen blauwe overalls en hadden geweren over de schouder. De foto’s waren gemaakt door fotograaf De Smalen.

Achter bakkerij Brakenhoff het huis van Jacobs.
Achter bakkerij Brakenhoff het huis van Jacobs. Burgemeester Mooijstaat in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De gaarkeuken was tegenover het station naast de bakkerij op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat. De kok was Jacobs, die in dezelfde straat woonde. Het voedsel was gewoonlijk kool, biet en raap.
Lekker was het niet, maar het was eten, ook al vonden we er soms spinnen of andere insecten in.

Direct na de bevrijding haalden de mannen van het verzetsleger de NSB-ers met hun vrouwen en grote kinderen uit hun huizen en zij werden op Duin en Bosch in een paviljoen achter tralies opgesloten. Daar gingen Van der Goes en ik dan naar toe om ze te registreren. Ik denk wel dat ik een grote grijns op m’n gezicht had. Er waren ook meiden bij die altijd lagen te vrijen met de Duitsers. Ze waren doodsbenauwd dat hun hoofden kaalgeschoren zouden worden, wat veel gebeurde in die tijd.

De medewerkers van de distributiedienst in 1946 in de tuin achter hel kantoor. V.l.n.r.: slaand: Mar Quatfass, Tiny Gorter; Riek de Groot en Mien Schermer; zittend: Kemming, Janny Roemer; De Nooy, Trees de Nooy, Hein Zonjee, Tiny Boot en Van Zweden.
De medewerkers van de distributiedienst in 1946 in de tuin achter het kantoor. Van links naar rechts staand: Mar Quatfass, Tiny Gorter; Riek de Groot en Mien Schermer; zittend: Kemming, Janny Roemer; De Nooy, Trees de Nooy, Hein Zonjee, Tiny Boot en Van Zweden.

Ik wil ook nog een gebeurtenis vertellen, die niets te maken heeft met het verzet.

Locomotief met camouflage kleuren.
De locomotief is in camouflage kleuren geschilderd. Zeeweg in Castricum, 1942. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het was zaterdag en een prachtige zomerdag. Alle distributiecollega’s gingen per trein naar huis, want we waren ge√ęvacueerd. We waren allemaal vrolijk gestemd en zaten bij elkaar in de eerste wagon te lachen en te praten. Opeens doken er twee Engelse vliegtuigen uit de lucht en begonnen de trein te beschieten. De bestuurder wist de trein te stoppen net voordat hij stierf.

Het zusje van collega De Vries, dat tegenover mij zat, viel dood neer. Collega Ewald kreeg een kogel in zijn been en overleed hieraan een paar maanden later. Ik had alleen maar scherven in mijn billen, die er wel uitgehaald moesten worden door een dokter. Het was een afschuwelijke gewaarwording, temeer omdat het Engelse vliegtuigen waren. Er werd toen wel op ze gevloekt, want ze zagen duidelijk dat het een passagierstrein was, vooral toen we er verwilderd uitsprongen. Desondanks bleven ze schieten.

Theo Weda in uniform van de Binnenlandse Strijdkrachten op wacht voor het gemeentehuis.
Theo Weda in uniform van de Binnenlandse Strijdkrachten op wacht voor het gemeentehuis. Dorpsstraat 65 in Castricum, 15 mei 1945. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De grootste herinnering aan die periode is tot slot de dag na de 5e mei, toen het Castricumse verzetslegertje marcheerde voor het gemeentehuis en ik naast de gauw gekozen ‘burgemeester’ Nielen (het hoofd van de distributiedienst) stond. Dat was voor mij een hele eer, ofschoon het eigenlijk niets betekende. Ik zag mij namelijk nooit als heldin en deed alleen maar wat nodig was. Er zijn veel grotere daden verricht, ik was maar een kleine schakel.”

Tiny van Vlaanderen-Boot

Bevrijdingsfeest bij het gemeentehuis.
Bevrijdingsfeest bij het gemeentehuis. Het bordes is versierd met bloemen en de vlag. Dorpsstraat 65 in Castricum. 15 mei 1945. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Castricum in de groei (Jaarboek 30 2007 pg 17-28)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 30, pagina 17

Castricum in de groei

Castricum telde in 1969 nog net geen 20.000 inwoners, maar in gemeentelijke en provinciale plannen werd rekening gehouden met 35.000 inwoners. Het bestuur bereidde zich voor op verdere uitgroei van de gemeente tot kleine stad en het bouwen voor de overloop uit de grote steden. Er lag een prognose voor drie miljoen Noord-Hollanders in het jaar 2000 en die moesten toch ergens wonen. Burgemeester Van Boxtel was per 1 januari 1969 als kersverse burgemeester aangetreden. Hij was afkomstig uit Breda en een van zijn eerste initiatieven was de introductie van carnaval.

Castricum was volop in beweging. Lang gekoesterde zekerheden stonden ter discussie. Dat gold voor de wijze van besturen, het bouwbeleid, de inrichting van het dorp enz. Het waren vooral nieuwe ingezetenen die zich teweer stelden tegen alles en nog wat.

Het kantoor van gemeentewerken aan de Brink dat in 1965 in gebruik genomen werd. In 1982 vertrokken de technisch medewerkers naar het nieuwe gemeentehuis en werd dit kantoor politiebureau. Het woongebouw De Brink staat nu op die plaats.
Het kantoor van gemeentewerken aan de Brink dat in 1965 in gebruik genomen werd. In 1982 vertrokken de technisch medewerkers naar het nieuwe gemeentehuis en werd dit kantoor politiebureau. Het woongebouw De Brink staat nu op die plaats.

De gemeentelijke diensten waren klein van omvang en qua huisvesting verspreid over diverse locaties in het dorp. Gemeentewerken was in 1965 verplaatst vanuit het raadhuis in de Dorpsstraat naar een nieuw gebouw op de Brink, dat als bijnaam ‘de Paddenstoel’ kreeg. Het stond op de plek waar nu het wooncomplex ‘De Brink’ is verrezen. Naast het gebouw van gemeentewerken aan de Ruiterweg stond een noodpostkantoor (in afwachting van een nieuw te bouwen postkantoor aan de C.F. Smeetslaan) en langs de Burgemeester Boreelstraat bevonden zich de houten noodgebouwen van de bibliotheek. Toen deze noodgebouwen vrijkwamen, werden ze direct in gebruik genomen voor de dienst Gemeentewerken. De groeiambitie van Castricum maakte snelle uitbreiding van het ambtelijk apparaat noodzakelijk.

Aan de collegetafel zitten v.l.n.r.: de wethouders Kraakman en Hendrikse, burgemeester Van Boxtel, gemeentesecretaris Louter en wethouder Kooiman. De gemeenteraad vergaderde toen in de aula van de Juliana van Stolbergschool. De foto is gemaakt bij het afscheid van secretaris Louter, die per 1 juli 1970 werd opgevolgd door Fons Mok.
Aan de collegetafel zitten van links naar rechts de wethouders Kraakman en Hendrikse, burgemeester Van Boxtel, gemeentesecretaris Louter en wethouder Kooiman. De gemeenteraad vergaderde toen in de aula van de Juliana van Stolbergschool. De foto is gemaakt bij het afscheid van secretaris Louter, die per 1 juli 1970 werd opgevolgd door Fons Mok.

In het toenmalige gemeentehuis aan de Dorpsstraat (nu – in 2007 – kantoor van Landschap Noord-Holland) zetelde in 1969 het college van burgemeester en wethouders, bestaande uit burgemeester Van Boxtel en de wethouders Hendrikse, Kraakman en Kooiman. Ook waren hier Algemene, Interne, Sociale en Burgerzaken gehuisvest en ook was daar de raadszaal tevens trouwzaal. Sociale zaken verhuisde later naar een huurpand in de Burgemeester Mooijstraat en Burgerzaken naar de voormalige ambtswoning van de burgemeester aan de Stationsweg. De raadsvergaderingen werden vanaf 1970 in de aula van de Juliana van Stolbergschool gehouden en later in Geesterhage. Voor de wethouders kwamen er kamers boven een winkel in de Dorpsstraat.
De afdeling ‘Onderwijs, Financi√ęn en Personeelszaken’ was ook uit het raadhuis vertrokken en hield kantoor in een houten noodgebouwtje aan de Overtoom, naast het toen nog als zodanig in gebruikzijnde Tehuis voor Ouden van Dagen van de Gemeentelijke Instelling voor Maatschappelijk Hulpbetoon. Van lieverlee bezette de afdeling ook vertrekken van dit tehuis. Na vertrek van de laatste cli√ęnten en de ‘moeder’ kreeg deze afdeling het hele gebouw tot haar beschikking.

Menigmaal moesten burgers van het ene naar het andere gebouw om aan de juiste informatie te kunnen komen. Ook voor het ambtelijk apparaat was het een gruwel. Veel tijd ging verloren door de verspreide locaties. De situatie was verre van ideaal en daar kwam bij dat er ook bestuurlijk het nodige speelde.


Jaarboek 30, pagina 18

Politiek bestuurlijke ontwikkelingen

Burgemeester Van Boxtel en zijn medebestuurders moesten uitvoering geven aan plannen van de gemeente, die in de jaren (negentien)mvijftig en zestig onder leiding van burgemeester Smeets, waren voorbereid. De besluitvorming geschiedde onder veel politiek gekrakeel. Ambtenaren wisten vaak niet wat hen overkwam en in welke chaotische toestanden ze soms werden meegetrokken. Raadsvergaderingen tot drie uur in de nacht waren geen uitzondering en plannen veranderden continu. Over publieke belangstelling hadden de politici niet te klagen.

Er was veel belangstelling voor de discussies in de gemeenteraad in het begin van de jaren (negentien)zeventig. Wachtmeester Muizelaar van de Rijkspolitie moest de orde bewaren.
Er was veel belangstelling voor de discussies in de gemeenteraad in het begin van de jaren (negentien) zeventig. Wachtmeester Muizelaar van de Rijkspolitie moest de orde bewaren.

Deze politiek zeer roerige periode zette zich de volgende jaren voort. Menigmaal haalde Castricum de landelijke pers. Castricum werd wel vergeleken met de toenmalige televisie soapserie ‘Peyton Place’, waar alles even chaotisch was.

In de periode tussen de eindjaren (negentien ) zestig en beginjaren zeventig was vaak sprake van insinuaties, verdachtmakingen aan het adres van de raadsleden van de diverse fracties en ambtelijke medewerkers, met name als het ging over de vraag wat en hoe er gebouwd moest worden en door wie.
Er was een grote behoefte aan sociale woningbouw en iedere fractie had hierover zijn eigen idee√ęn.

Een drietal grote Castricumse bouwondernemers blies het partijtje mee. De bouwondernemingen van Jan Biesterbos, Cees Flink en Jac. de Nijs probeerden maximale invloed uit te oefenen op de besluitvorming over categorie√ęn en aantallen te bouwen woningen, ook via grondaankopen.

In deze periode speelde ook mee dat er sprake was van een mogelijk ‘lek’ bij de gemeente, waardoor vertrouwelijke infonnatie bij de genoemde bouwbedrijven terechtkwam. Tevens verdwenen tekeningen van conceptplannen, waaruit kon worden opgemaakt in welke richting en op welke percelen de gemeente voornemens was om woningbouwplannen te ontwikkelen.

De drie bouwbedrijven, Biesterbos, Flink en De Nijs, kochten diverse percelen grond en verschaften zich een stevige onderhandelingspositie.
Dat deze drie bedrijven zo’n grote vinger in de pap hadden, zette weer kwaad bloed bij de kleinere Castricumse bouwbedrijven en ook zij probeerden alsnog een graantje mee te pikken en gingen ook op pad om grond in eigendom te verwerven. Zo werd het voor de gemeente steeds moeilijker om het gewenste bouwprogramma te realiseren.

De discussie welk bouwbedrijf wat mocht bouwen liep zeer hoog op. Dit alles leidde tot onderzoek door het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, gevolgd door onderzoek door de Rijksrecherche.

Resultaat van deze onaangename periode was, dat vermeende misstanden (steekpenningen, diefstal en verstrekken van vertrouwelijke informatie) niet konden worden bewezen. Wethouder Bollen is ontslagen van rechtsvervolging, zodat er geen sprake is geweest van een veroordeling. Alleen wethouder Bollen werd veroordeeld wegens een onjuiste privé-uitbouw van zijn woning en garage, die uitgevoerd was door het bouwbedrijf Flink (correctie 30e jaarboek op pg 108 van jaarboek 31 uit 2008).

Afgeweken was van de bouwvergunning en voor een deel was geen bouwvergunning aangevraagd. Deze veroordeling resulteerde in januari 1972 in het aftreden van deze bestuurder, alhoewel sommigen het gevoel hadden dat het meer een stok was om mee te slaan.

Molendijk-Zuid en -Noord

Ondanks de boven omschreven politieke toestanden ging de realisatie van de plannen door. De in de periode van burgemeester Smeets moeizaam vastgestelde uitbreidingsplannen Molendijk-Zuid en Molendijk-Noord (circa 1.200 woningen) kwamen vanaf 1966 in uitvoering. De eerste woningen, gebouwd door de eerdergenoemde bouwbedrijven, werden bewoond en ook de Stichting Eigen Woningbezit had een aanzienlijk contingent woningen in aanbouw.

Serviceflat Sans Souci, bouwjaar 1971.
Serviceflat Sans Souci, bouwjaar 1971. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Behalve de eengezinswoningen was in de plannen op diverse plaatsen ook hoogbouw voorzien, een geheel nieuw fenomeen voor dit dorp.
Bouwbedrijf Biesterbos realiseerde in 1974 de verzorgingsflat Sans Souci (architect professor Holt), gevolgd door bouw van de terrasftat De Ambassadeur (van dezelfde architect). Aan De Loet in Molendijk-Zuid (1972) werden de 3 torenflats van 10 woonlagen gerealiseerd en de nieuwe ‘skyline’ van Castricum ontstond.

Torenflats gaan vanaf 1971 de skyline van Castricum bepalen. In de gemeenteraad werden voorafgaand aan de vaststelling van plan Molendijk in 1964 heftige discussies gevoerd over de noodzaak van deze uit stedenbouwkundig oogpunt gewenste 'accenten' langs de invalswegen .
Torenflats gaan vanaf 1971 de skyline van Castricum bepalen. In de gemeenteraad werden voorafgaand aan de vaststelling van plan Molendijk in 1964 heftige discussies gevoerd over de noodzaak van deze uit stedenbouwkundig oogpunt gewenste ‘accenten’ langs de invalswegen .

Ten tijde van de vaststelling van plan Molendijk werd nog verwacht dat Castricum conform het provinciaal streekplan van 1962, waarin een gemeentelijke structuurschets uit 1959 was opgenomen, zou uitgroeien tot een gemeente met 35.000 inwoners. Dit betekende dat tijdig moest worden ingespeeld op het te verwachten verkeersaanbod, waarvoor in- en uitvalswegen met twee rijbanen waren


Jaarboek 30, pagina 19

gedacht. Met de uitvoering van het plan werd de aanzet gegeven voor de realisering van de huidige Soomerwegh, Burgemeester Smeetslaan en Dokter de Jonghweg.

De Soomerwegh in aanleg.
De Soomerwegh in aanleg. De boerderij Maria hoeve zou oorspronkelijk moeten wijken voor deze weg. Het traject is later iets gewijzigd. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Er waren brede wegtrac√©s ontworpen, waar later wegen met twee rijstroken gerealiseerd konden worden. De hoofdader in oostelijke richting zou moeten aansluiten op de provinciale weg ter hoogte van de Uitgeesterweg, waardoor een nieuw te bebouwen gebied werd gecre√ęerd. Bedoeld wordt het gebied tussen Provincialeweg, Martin Luther Kinglaan en ten noorden van de geplande uitvalsweg. Tevens zou een zuidelijke uitvalsweg (Dokter de Jonghweg) in westelijke richting moeten afbuigen naar de Beverwijkerstraatweg om hiermee de verbinding richting IJmond te realiseren. In het streekplan was verder nog een westelijke randweg via de Zanderij geprojecteerd.

Belangrijke gesprekspartner voor het college was het op 5 februari 1970 opgerichte comité Molendijk. Een groep sterk betrokken bewoners, woonachtig in het nieuwe plan, die zich met alle zaken aangaande Molendijk en daarna Noordend bemoeiden en de discussie met de politiek aangingen. Eenieder moest in die periode wennen aan de omgang met inspraak.

Maquette winkelcentrum, volgens het plan Molendijk. In 1971 volgde er een herziening in de vorm van plan Geesterduin.
Maquette winkelcentrum, volgens het plan Molendijk. In 1971 volgde er een herziening in de vorm van plan Geesterduin.

De strijd om het winkelcentrum

Van 1964 tot 1968 werd er al over een nieuw winkelcentrum gesproken. Burgemeester Van Boxtel startte al snel na zijn komst het eerste overleg voor de oprichting van een nieuwe voorbereidingscommissie tot realisering van winkelcentrum Molendijk. Van de commissie maakten onder andere deel uit stedenbouwkundige ir. Hundsdorfer, die het bureau van ir. Gouwetor had overgenomen en de sociograaf drs. Kwantes. De plaatselijke middenstand was er in eerste instantie nog niet bij betrokken vanwege de verdeeldheid die er heerste over de noodzaak van een nieuw winkelcentrum.

De onderzoekscommissie stelde allereerst vast dat een nieuw hoofdwinkelcentrum noodzakelijk was, omdat in de oude dorpskern aan de groeiende vraag onvoldoende tegemoet gekomen kon worden. Er was al sprake van een grote koopkrachtafvloeiing. Het zou in stedenbouwkundig opzicht te betreuren zijn geweest, als geprobeerd was de oude dorpskern in een modern winkelcentrum te herscheppen.

Het futuristische 'regeneratieplan' voor de oude dorpskern. Het plan voorzag in nieuwe ontsluitingswegen en een groot open gebied voor het station met dagwinkels, waar nu de Tuin van Rommel floreert.
Het futuristische ‘regeneratieplan’ voor de oude dorpskern. Het plan voorzag in nieuwe ontsluitingswegen en een groot open gebied voor het station met dagwinkels, waar nu de Tuin van Rommel floreert.

Plannen die verband hielden met de toekomst van de oude dorpskern van Castricum waren tot op dat moment binnenskamers gehouden. Burgemeester Van Boxtel koos voor openheid van zaken. Een schets voor de ‘regeneratie’ van de oude dorpskom werd gepresenteerd. Daarin was onder andere een nieuw stationsplein en busstation opgenomen op de plaats van de tuin van kapitein Rommel. Deze tuin werd op voorhand door de gemeente hiervoor aangekocht. Ook de witte villa’s aan de Stationsweg hadden voor deze utopische visie moeten wijken. De Dorpsstraat zou als voetgangersgebied worden ingericht, tussen de Verlegde Overtoom en de Cieweg, en verkeerswegen zouden het centrum omringen.

Rechts de ambtswoning van burgemeester Lommen en de daarnaast gebouwde witte
 villa’s.
Rechts de ambtswoning van burgemeester Lommen en de daarnaast gebouwde witte
 villa’s, die de namen Solana, Eduarda, Jacoba en Flora kregen. Stationsweg 3, 5, 7, 9, 11 in Castricum, 1930. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De toekomstvisie voor de dorpskom nam niet weg dat binnen de middenstand twee groepen konden worden onderscheiden. De ene groep was van mening dat als het winkelcentrum Molendijk goed van de grond kwam, de winkelstraten zoals Torenstraat en Burgemeester Mooijstraat dan ‘dode’ straten zouden worden. De andere groep huldigde het standpunt dat een nieuw winkelcentrum onmisbaar was voor de ontwikkeling van Castricum, maar wel qua omvang ondergeschikt moest blijven aan het oude dorpscentrum.

Het Project Ontwikkelings Bureau Amro-Westland-Utrecht kreeg opdracht het winkelcentrum met een oppervlakte van ongeveer 15.000 vierkante meter in drie fasen te ontwikkelen.

In juni 1971 behandelde de gemeenteraad het bestemmingsplan voor het winkelcentrum en onder andere een bezwaarschrift van de


Jaarboek 30, pagina 20

‘Stichting tot Behoud en Sanering van de bestaande dorpskern’, die de belangen vertegenwoordigde van 66 winkeliers. De bezwaren richtten zich tegen de omvang van het winkelcentrum, die gebaseerd zou zijn op een verouderd rapport, zonder dat rekening gehouden was met de uitbreidingen die inmiddels in de oude dorpskern gerealiseerd waren; voorts ging men uit van een te hoog ingeschat inwoneraantal richting 35.000.

Het plan werd na een urenlange discussie toch vastgesteld, met 10 stemmen voor en 4 tegen. De tegenstemmers waren de heren Wokke, Kuijper en Martens alsmede mevrouw De Bats van de CCC-fractie. Zij wensten een duidelijke koppeling van de fasering aan het bereiken van inwonertallen uit vrees voor overbewinkeling.
De notulen van de raad beslaan, alleen over dit agendapunt, 35 bladzijden. 

Onder druk van het gegeven dat de bezwaren tot de Kroon zouden worden doorgezet, werd in 1972 met eerdergenoemde stichting overeengekomen 4.400 vierkante meter winkelcentrum te laten vervallen en gefaseerd maximaal 9.200 vierkante meter te bouwen. Op het vrijkomende terrein zou een woningbouwplan ontwikkeld moeten worden, zodat uitbreiding van het winkelcentrum ook in de toekomst zou worden uitgesloten. In 1973 legde burgemeester Van Boxtel de eerste steen voor het nieuwe winkelcentrum. De naam ‘Geesterduin’ had hij zelf verzonnen.

Winkelcentrum Geesterduin werd in de jaren negentientachtig gebouwd.
Winkelcentrum Geesterduin werd in de jaren negentientachtig gebouwd. In 2019-2020 is het winkelcentrum helemaal gerenoveerd. Foto G. van Geenhuizen. Toegevoegd.

lnmiddels is het winkelcentrum op het verkleinde grondoppervlak toch uitgegroeid tot 12.500 vierkante meter en er zijn plannen voor nog eens 2.000 tot 4.000 vierkante meter. Ondanks de ooit veel te groot geachte parkeerterreinen wordt al op het dak geparkeerd en straks misschien ook in een ondergrondse parkeergarage. Toch zijn de meest pessimistische verwachtingen uit die tijd over het toekomstig aantal inwoners van Castricum (26.500) nog veel te hoog geweest.

Voor de invulling van het overblijvende deel (Geesterduin 2) besloot de gemeente een prijsvraag uit te schrijven. Er werd een selectiecommissie ingesteld, die op basis van vooraf bepaalde criteria adviseerde een plan van het Bouwfonds Ned. Gemeenten te kiezen. Met een minieme meerderheid koos de raad echter toch voor een plan van de plaatselijke aannemerscombinatie Geestbouw.


Jo Stevens
Jo Stevens

Jo Stevens (89), kijkt terug op de totstandkoming van Geesterduin

Ik kwam oorspronkelijk uit Drenthe en na in enkele andere winkels te hebben gewerkt, wilde ik een eigen zaak beginnen. In 1958 nam ik de herenmodezaak over van Jaap Twisk (hoek Cieweg-Dorpsstraat), een geweldige man die mij overal in steunde. In 1960 kocht ik aan de overkant van de Cieweg de bakkerij van Res en opende daar samen met mijn vrouw een damesmodewinkel. Nu is er op die plaats weer een bakkerij gekomen (correctie 30e jaarboek op pg 108 van jaarboek 31 uit 2008).

In 1962 had de gemeente al plannen om aan de Kooiweg 40 winkeleenheden te bouwen. De Castricumse Middenstandscentrale heeft toen duidelijk kunnen maken dat 6 à 8 winkeleenheden het maximum zou zijn. In die zestiger jaren speelde ook de bouw van een nieuw winkelcentrum van 15.000 vierkante meter, dat voor ons dorp veel te groot was. In de prognose van 35.000 inwoners geloofden we niet. Ik heb die gezinsplanning en de veel kleinere gezinnen zien aankomen.

Samen met Egbert Bossinade en Theo Weda richtten we de ‘Stichting tot Behoud en Sanering van de bestaande dorpskern van Castricum’ op en namen de toen heel bekende advocaat Geelkerken uit Leiden in de arm. Er werd een¬†bezwaarschrift ingediend bij de provincie. Een jaar na de vaststelling van het plan kwam de gemeenteraad tot inkeer.

In 1972 werd ruim 5.000 vierkante meter geschrapt en het aangepaste plan werd daarna door Gedeputeerde Staten goedgekeurd. Bij de opening van het winkelcentrum heeft burgemeester Van Boxtel toegegeven dat de stichting de gemeente voor een ernstige fout heeft behoed; een groot gebaar van deze man, die naar mijn mening in Castricum veel op de rails heeft gezet.

Ik ben bang dat door alle nieuwe plannen de geschiedenis zich herhaalt.


De eerste steen van het nieuwe raadhuis werd in 1982 gelegd door oud-wethouder Klaas Veldt.
De eerste steen van het nieuwe raadhuis werd in 1982 gelegd door oud-wethouder Klaas Veldt.

Situering raadhuis en Ambassadeur

In het plan Molendijk was het nieuwe raadhuis nog gedacht op de plaats van de terrasflat Ambassadeur. In het bestemmingsplan Geesterduin werd een situering genoemd op de plaats van het tegenwoordige Klaverland, maar bij de uitwerking van Geesterduin 2 is het de plaats geworden waar het nu staat. In de inspraakprocedure voor de dorpskom (1976) had een meerderheid zich ook voor die plaats uitgesproken. Burgemeester Gmelich Meijling, die in 1978 Van Boxtel opvolgde, zette vaart achter de nieuwbouw. Oud-wethouder Klaas Veldt legde op 12 maart 1982 de eerste steen.

Het raadhuis dat in november 1982 in gebruik werd genomen.
Het raadhuis dat in november 1982 in gebruik werd genomen. Raadhuis
plein 1 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Jaarboek 30, pagina 21

Appartementsgebouw Ambassadeur.
Appartementsgebouw Ambassadeur. C.F. Smeetslaan 1-199 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De totstandkoming van de terras flat Ambassadeur van bouwbedrijf Biesterbos en architect professor Holt is een verhaal apart. Met het oog op de bezwaren van omwonenden liet de gemeenteraad dit project eerst vallen bij de behandeling van plan Geesterduin op 23 juni 1971. Na een indringend betoog van het college over met name de financi√ęle consequenties, besloot de raad een dag later om de flat alsnog in het plan te handhaven.

Het bestemmingsplan Noordend dat in 1970 werd vastgesteld. De hoogbouw Molenveide, Plantenhove en Bloemgaarde was geschrapt en daarvoor moesten afzonderlijke plannen worden gemaakt.
Het bestemmingsplan Noordend dat in 1970 werd vastgesteld. De hoogbouw Molenveide, Plantenhove en Bloemgaarde was geschrapt en daarvoor moesten afzonderlijke plannen worden gemaakt.

Noordend

In 1969 werd met de voorbereiding van het bestemmingsplan Noordend (circa 1.200 woningen) gestart. Er was in die tijd maar beperkte aandacht voor cultuurhistorische elementen. Wegen werden rechttoe rechtaan getekend en oude boerderijen werden snel als niet belangrijk bestempeld. Ook de na de oorlog herbouwde boerderijen van Liefting en Vergouw aan de Alkmaarderstraatweg werden gesloopt.

Door de verlegging van de Soomerwegh is de prachtige Mariahoeve van Jan Schermer nog net gespaard en in Molenweide is de plaats van de oude korenmolen vrij gehouden van bebouwing. Een herkenbaar element is ook een stukje van de oude Alkmaarderstraatweg bij het oorlogsmonument.

Omgeving van het Pad van de mensenrechten naar het oorlogsmonument.
Omgeving van het Pad van de mensenrechten naar het oorlogsmonument. Dit pad ligt ten noord oosten van Castricum, nabij Limmen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan Noordend op 1 juni 1970 staakten de stemmen. Voor de vierde keer in de geschiedenis stak de raad een stokje voor geplande hoogbouw. De gemeenteraad verlangde dat alle geplande hoogbouw langs de Soomerwegh zou worden vervangen door laagbouw. Dit zijn de locaties die we nu kennen als Plantenhove, Bloemgaarde en Molenweide. Het aangepaste plan werd op 11 juni 1970 met algemene stemmen aangenomen.

Bloemgaarde, woningen aan het water.
Bloemgaarde, woningen aan het water. Gezien vanaf de Molenweide richting Soomerwegh, 2010. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De exploitatiebegroting van het toekomstige bestemmingsplan moest worden opgesteld, met een raming van opbrengsten verkregen door verkoop van bouwgrond voor woningen tegenover de kosten van riolering, wegen en renteverliezen. Van het ambtelijk apparaat werd een voorstel verwacht van de uitgifte van bouwkavels en een advies over de categorie√ęn te bouwen woningen, afgestemd op de woningbehoefte. De ambtenaren mochten daartoe zelfstandig onderhandelen met onder andere de drie grote, eerder genoemde bouwbedrijven in Castricum. Resultaten van deze onderhandelingen werden natuurlijk regelmatig teruggekoppeld naar bestuurders en daarbij ontstond nog al eens frictie, afhankelijk van de positie die ingenomen werd.

Naast het opzetten van een grondexploitatie, moest de verwerving van gronden en het pachtvrij maken in gang worden gezet. Dit geschiedde in samenwerking met een extern ingehuurde deskundige. De aankooponderhandelingen verliepen niet altijd even prettig en gemakkelijk. Veel agrari√ęrs waren hierbij zeer emotioneel betrokken en dat leidde soms tot gespannen situaties. Natuurlijk begrijpelijk, maar soms ook weer niet, als bleek dat diezelfde agrari√ęr delen van zijn eigendom reeds vrijwillig had verkocht aan bouwbedrijven.

De nog altijd aanwezige achterdocht, het mogelijke ‘lek’ binnen de gemeente, dat al bij de ontwikkeling van Molendijk speelde, had tot gevolg dat ambtenaren die betrokken waren bij de planontwikkeling, dagelijks (wekenlang) werden ‘opgesloten’ in een kamer van het gemeentehuis naast de kamer van de toenmalig secretaris Mok. De gemeentesecretaris stak de sleutel in zijn zak en de ambtenaren konden bellen voor de welbekende noodzakelijke onderbrekingen. Hiermee wordt de situatie wel getypeerd.

De drie grote aannemersbedrijven bleken ook niet stil gezeten te hebben. Om het bouwprogramma zoveel mogelijk aan hun bedrijven te kunnen koppelen en om er voor te zorgen dat zij onderling ook aan hun trekken kwamen, hadden zij al in 1968 een merkwaardige overeenkomst gesloten, waarbij zij elkaar gelijke winstmogelijkheden beloofden.

Deze overeenkomst werd later inzet van een harde juridische strijd. Bouwbedrijf Flink ontkende het bestaan van de overeenkomst, nadat zijn bouwbedrijf er goed uitkwam bij de verdeling door de gemeente van het aantal te bouwen woningen. De twee andere bedrijven spanden een rechtszaak aan. De overeenkomst kwam natuurlijk boven water en Flink werd in 1971 in het ongelijk gesteld.

Na grote commotie, rechtszaken en diverse raadsvergaderingen werd tenslotte een verdeling van bouwgrond overeengekomen, waarmee de gemeenteraad op 22 juni 1972 instemde. De drie aannemers Biesterbos, Flink en De Nijs hebben zeker goede


Jaarboek 30, pagina 22

sier gemaakt met de hoeveelheid luxe woningen, maar niet ontkend kan worden dat in Noordend ook heel wat sociale woningen gerealiseerd zijn en bepaald niet op ‘achteraf’ plaatsjes.

Een stukje van Noordend gelegen langs de Soomerwegh.
Een stukje van Noordend gelegen langs de Soomerwegh. Links de Soomerwegh en de rechter straat is de Zwanebloem de daar tussen liggende woonwijk is de Bloemgaarde. Foto Wim Schermer, 1 augustus 1981. Toegevoegd.

In de jaren (negentien) zeventig was het nog regel dat de Hoofdingenieur Directeur van de Volkshuisvesting (HID) te Haarlem goedkeuring moest verlenen aan de exploitatieopzet van een bestemmingsplan. Reden hiervan was dat de HID grip wilde houden op de uitgifteprijs van bouwgrond voor de sociale woningbouw. Alle in zijn ogen overbodige en kostenverhogende onderdelen werden uit de exploitatie geschrapt.

De Pegasus fontein in de vijver langs De Bloemen, Wederik en sportpark Noordend.
De Pegasus fontein in de vijver langs De Bloemen, Wederik en sportpark Noordend. De maker van het beeld is Jan de Baat. Pegasus is een gevleugeld paard uit de Romeinse en Griekse mythologie. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Dit had gevolgen voor het realiseren van speelterreinen en kunstobjecten. De oplossing was de uitgaven daarvoor te versleutelen in de kosten van bouwrijp maken. Op deze wijze is Castricum in staat geweest een aanzienlijk aantal kunstwerken en speelterreinen te realiseren.

Het college van burgemeester en wethouders zoals het vanaf 1974 was samengesteld. V.l.n.r: de wethouders H.P. Wokke en L.W. Stam, burgemeester W.C.A.M. van Boxtel, gemeentesecretaris A.G.M. Mok en de wethouders H. van der Velde en H.A. Poeze.
Het college van burgemeester en wethouders zoals het vanaf 1974 was samengesteld. Van links naar rechts de wethouders H.P. Wokke en L.W. Stam, burgemeester W.C.A.M. van Boxtel, gemeentesecretaris A.G.M. Mok en de wethouders H. van der Velde en H.A. Poeze.

Structuurschets

De eerste helft van de jaren (negentien) zeventig was er sprake van hectische toestanden in de plaatselijke politiek. Toch werd er rond die tijd veel gepresteerd. Gerealiseerd werden het zwembad, winkelcentrum Geesterduin, nieuwe bibliotheek en Geesterhage, De Santmark, woningbouw in Molendijk, bestemmingsplan Noordend, noodbouw Bonhoeffercollege, nieuwe basisscholen, aankoop dorpshuis De Kern, sporthal, structuurschets, oprichting Creativiteitscentrum, Culturele Werkgroep en jongerencentrum De Bakkerij, enzovoorts. Een krant schreef in 1973: “Over Castricum kun je zeggen dat die plaats, als je er een week niet geweest bent, alweer veranderd is.”

Zorgcentrum De Santmark.
Zorgcentrum De Santmark. Oranjelaan 1 in Castricum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Oud-gemeentesecretaris Mok terugkijkend: “Castricum is bestuurlijk in de periode die ik van nabij heb mogen meemaken, een ingewikkelde gemeente geweest. De opkomst van nieuwe groeperingen, zoals Nieuw links, D’66, de PPR, ir. Stam c.s., die allen uit waren op een profilering, maakte de bestuurlijke kaart nog ingewikkelder dan het al was. Maar gelukkig was er een stevige ‘vierde macht’, waardoor er desondanks heel veel goeds tot stand kwam.”

De gemeenteraad stelde in 1970 een groot bedrag beschikbaar voor het gereed maken van een plan voor een tunnel onder de spoorlijn ten zuiden van de Oude Haarlemmerweg in het kader van de aanleg van de ‘zuidelijke invalsweg’. Vervolgens krabbelde de gemeente wel wat terug vanwege de financi√ęle consequenties van de uitvoering.

Als een steen in de vijver verscheen in 1971 de nota ‘Castricum in het wegennet’, waarbij een drietal raadsleden, ir. G.H.A. Hoogenboom, ir. A. Kuijper en A.J.S. Mooijman, pleitten voor een herziening van de geplande wegenstructuur. Het laten vervallen van de eerder geplande Westelijke randweg en de Oostelijke invalsweg was daar een onderdeel van. Het strandverkeer zou alleen via een verbinding met de Zeeweg moeten worden afgewikkeld.

De kruising in de Zeeweg.
De kruising in de Zeeweg. Inmiddels vervangen door een rotonde om een betere doorstroming te krijgen. Rechts zien we nog Fochteloo en iets daarachter de woningen aan de B-weg. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Het gemeentebestuur besloot een inspraakprocedure te starten om te komen tot een nieuwe toekomstvisie. Deze visie moest de grondslag worden voor de inbreng van de gemeente bij de streekplanherziening en zou het oude structuurplan van 1959 (dat nooit formeel was vastgesteld) vervangen.

Het gemeentebestuur koos voor maximale benutting van bouwmogelijkheden: “De vestiging van een grotendeels uit een stedelijke sfeer afkomstige en aan een stedelijk voorzieningenpatroon gewende bevolking maakt een verdere groei ook wenselijk om een aanvaardbare fundering te krijgen voor het uitbouwen van de noodzakelijke infrastructuur.”

Voor de wegenstructuur werd onder andere gedacht aan een belangrijke regionale weg tussen de IJmond en de Ringweg rond Groot- Alkmaar, ter vervanging van een westelijke randweg. Een westelijke weg (Duinrandweg) zou er dan uitsluitend een kunnen worden van lokale betekenis.

In 1970 kwam de discussie los over aan te leggen nieuwe uitvalswegen om Castricum, dit om het centrum te verlossen van de auto's.
In 1970 kwam de discussie los over aan te leggen nieuwe uitvalswegen om Castricum, dit om het centrum te verlossen van de auto’s. Hier zien we hoe men had bedacht hoe de oostelijke¬†randweg moest lopen. De stippellijn onderin is het spoor, de rode woningen liggen tussen de Doodweg en de Breedeweg (bouwjaar 1968-1972). Bovenin rechts is de begraafplaats behorende bij de Pancratiuskerk en gelegen aan de Cieweg. Aan de rechterkant zien we een brede weg getekend, dat is de oostelijke¬†randweg . Men is er nooit uitgekomen en in 2020 praten we weer over een¬†westelijke en oostelijke¬†randweg. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In eerste instantie dacht de gemeente met een enkele ‘hearing’ te kunnen volstaan, maar onder druk van heel veel betrokken burgers is vervolgens een nieuwe start gemaakt. Inwoners namen plaats in diverse werkgroepen en die gingen aan de slag op basis van een uitgebreid schema van inspraakavonden. Deze inspraakprocedure werd begeleid door de Volkshogeschool uit Bergen.

De conclusie van de volksraadpleging was dat Castricum zich in de toekomst moest beperken tot slechts bouw voor de eigen woningbehoefte. Een functie in het kader van het provinciale bouwbeleid werd van de hand gewezen. Het toekomstige woningbouwprogramma zou in een vertraagd tempo moeten plaatsvinden, zodat de gemeente langer kon beschikken over uitgeefbare grond voor sociale woningbouw.

De groene ruimte tussen Castricum en de omliggende gemeenten moest zoveel mogelijk worden gehandhaafd. De grens van de oostelijke uitbreiding werd enkele honderden meters teruggelegd ten opzichte van het plan dat aan de inspraak was onderworpen.


Jaarboek 30, pagina 23

Doorgaand verkeer moest volgens het eindrapport van de insprekers worden omgeleid via een bescheiden zuidelijke randweg – gelijkend op de oostelijke omleiding uit de jaren (negentien) twintig – tussen de Beverwijkerstraatweg en de provinciale weg. Een westelijke randweg, ook uitgevoerd als ‘veredeld karrenspoor’ (omschrijving van de verkeersdeskundige), werd afgewezen.

De gemeenteraad behandelde op 29 november 1973 het voorstel van het gemeentebestuur om de conclusies uit de inspraak grotendeels over te nemen. De uitspraak van de gemeenteraad was werkelijk een grote breuk met het verleden: woningbouwprogramma’s zouden voortaan worden afgestemd op de plaatselijke behoefte, er zou rekening worden gehouden met natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en het behoud van het karakter van Brakersweg, Doodweg en Breedeweg werd nagestreefd.

De aanleg van een zuidelijke randweg, nu met een gelijkvloerse spoorwegovergang, werd nog wel opengehouden (afhankelijk van een financi√ęle bijdrage van de provincie), maar een westelijke randweg werd afgewezen.

Rond 1970 eindigde de Soomerwegh nog ter hoogte van de Beethovensingel, omdat nog niet alle grond in handen was van de gemeente. Het verkeer werd op dat punt weer naar de oude Alkmaarderstraatweg geleid. Hier een foto van deze tijdelijke oplossing genomen vanaf de Offenbachflat.
Rond 1970 eindigde de Soomerwegh nog ter hoogte van de Beethovensingel, omdat nog niet alle grond in handen was van de gemeente. Het verkeer werd op dat punt weer naar de oude Alkmaarderstraatweg geleid. Hier een foto van deze tijdelijke oplossing genomen vanaf de Offenbachflat.
Ter vergelijking de omgeving van het kruispunt in 2007.
Ter vergelijking de omgeving van het kruispunt in 2007.

Intussen waren de eerste wegdelen voor een noordelijke (Soomerwegh), oostelijke (C.F. Smeetslaan) en zuidelijke invalsweg (Dokter de Jonghweg), conform het uitbreidingsplan uit 1960 (!), al wel aangelegd.

Het inspraakmodel van de toekomstige oostelijke uitbreiding van Castricum. Met punten is aangegeven voor welke grens uiteindelijk is gekozen en met strepen is de grens aangeduid van plan Albert's Hoeve. In de loop der jaren werd aan de open ruimte tussen Castricum en Uitgeest steeds meer waarde gehecht.
Het inspraakmodel van de toekomstige oostelijke uitbreiding van Castricum. Met punten is aangegeven voor welke grens uiteindelijk is gekozen en met strepen is de grens aangeduid van plan Albert’s Hoeve. In de loop der jaren werd aan de open ruimte tussen Castricum en Uitgeest steeds meer waarde gehecht.

Streekplan

Het gemeentebestuur bracht de structuurschets uit 1973 ter tafel bij de voorbereiding van het nieuwe streekplan voor Noord-Kennemerland. De provincie constateerde dat bij realisering van de oostelijke uitbreiding, volgens de gemeentelijke structuurschets, de open weidezone tussen Castricum en Uitgeest te veel zou worden versmald. Bovendien werd het gewenst geacht om de relatie tussen de eendenkooi (van Albert Asjes) en het weidegebied te handhaven. Tenslotte werd overwogen dat de woningbehoefte voor een periode van 10 jaar gedekt kon worden, met ruimte voor 1250 woningen, zodat de oostelijke uitbreiding verder ingeperkt kon worden.

Rechts de vroegere eendenkooi van Albert Asjes.
Rechts de vroegere eendenkooi van Albert Asjes. Gezien vanaf vanaf het Buitendijkspad in 2001. Aan de linkerzijde de flats van de Oosterweide. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Jaarboek 30, pagina 24

Wethouder mevrouw Postelmans-Blankemeijer bracht op de hoorzitting nog naar voren dat het voor de gemeente van belang is bij de voorbereiding van plannen verder te kijken dan 10 jaar en pleitte ervoor tenminste een reservering voor de periode daarna aan te geven.

Over de exacte grens wilde de provincie nog wel praten, maar de aangegeven oostelijke uitbreiding zou de definitieve afronding van Castricum moeten betekenen. Dit betekende een behoorlijke vermindering van woningbouwmogelijkheden ten opzichte van het streekplan van 1962 en nog meer ten opzichte van de structuurschets 1973.

Van een zuidelijke randweg, de verbinding tussen de Beverwijkerstraatweg en de S16 (Uitgeest-Castricum) werd weinig effect verwacht voor de verkeersafwikkeling in Castricum en dat gold eveneens voor een verbinding vanuit Castricum-Oost naar de S16.

De westelijke randweg, die nog in het streekplan van 1962 voorkwam, was van de kaart verdwenen. In plaats van een verlenging van de Zeeweg naar de A9 werd meer gevoeld voor een verbinding bij Heiloo.

De provincie haalde in het streekplan van 1982 definitief een streep door eventuele groei-aspiraties en de aanleg van nieuwe hoofdwegen en de gemeenteraad kon daar prima mee leven.

De ontwikkeling van de Dokter de Jonghweg tot zuidelijke uitvalsweg is resoluut geblokkeerd door het woningbouwplan aan Het Strengh.
De ontwikkeling van de Dokter de Jonghweg tot zuidelijke uitvalsweg is resoluut geblokkeerd door het woningbouwplan aan Het Strengh.

Door de uitvoering van het plan Het Strengh, bij het zwembad, op het programma te zetten werd een verbinding van de Dokter de Jonghweg met de Beverwijkerstraatweg ook in de toekomst onmogelijk gemaakt.

In latere jaren werd de noodzaak van realisatie van randwegen toch nog enkele keren op de gemeentelijke politieke agenda gezet. Tot op de dag van vandaag zijn er stromingen die het ontbreken van dergelijke randwegen als een onjuiste beslissing uit het verleden beschouwen.

Woningen aan hel Tulpenveld in Kooiweg-Noord.
Woningen aan hel Tulpenveld in Kooiweg-Noord.

Kooiweg-Noord

Het plan Kooiweg-Noord, een bestemmingsplan met een omvang van ongeveer 5 hectare en ruimte voor circa 275 woningen, stond als het volgende te ontwikkelen plan op het programma. Het werd begrensd door de Brakersweg, Bizetstraat en Soomerwegh. In het streekplan van 1962 was vrijwel het hele gebied ten noorden van de Brakersweg als woongebied aangeduid, maar de gemeenteraad had in het kader van de structuurschets besloten dit gebied grotendeels te sparen.

De Brakersweg in 1975 met uitzicht op Limmen.
De Brakersweg in 1975 met uitzicht op Limmen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In juni 1975 werd het definitieve plan vastgesteld. Natuurlijk waren er de nodige obstakels. Diverse belanghebbenden hadden bezwaar aangetekend tegen de ontwikkeling van het plan en zoals dit voor Castricum usance werd, gingen bezwaarmakers tot in hoogste instantie in beroep. Eind 1980 werden de bezwaren eindelijk niet ontvankelijk verklaard en werd het bestemmingsplan onherroepelijk.

Hoofddoel was het zoveel mogelijk realiseren van betaalbare woningen voor de eigen inwoners, in de huursector en de goedkope koopsector. Het college liet onderzoeken op welke wijze en in welke verhouding een positief financieel resultaat kon worden bereikt. Om een plan financieel haalbaar te maken, moesten er ook duurdere koopwoningen worden gerealiseerd, als drager voor de tekorten voortkomend uit de sociale bouw. De gemeenteraad wenste maximale inspraak van de toekomstige bewoners bij de uitwerking van het plan.

In april 1979 werd de inspraakprocedure gestart en zaten ruim 400 woningzoekenden in de aula van het Bonhoeffercollege in spanning af te wachten wat ging komen. De inspraak werd begeleid door het Amsterdamse bureau Cebeon, centrum voor beleidsadvisering van Hedy d’Ancona en Maurice de Hond.

Woningen aan het Tulpenveld in Kooiweg-Noord.
Woningen aan het Tulpenveld in Kooiweg-Noord, Castricum 1982. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De insprekers konden kiezen uit modellen voor het karakter dat hun woonomgeving en woningen zou kunnen krijgen. Een vijftal inspraakrondes werden gepland om tot een eindresultaat te komen. Er ontstonden programma’s van eisen voor een drietal buurten. Iedere buurt kreeg zijn eigen kenmerken. De woningen in de drie buurten werden door drie verschillende architectenbureaus ontworpen.

De grondverwerving leverde nog even een probleem op. Het bouwbedrijf Jac. De Nijs had een aanzienlijk grondbezit (circa 1,6 hectare) en was niet van plan dit grondbezit te verkopen aan de gemeente zonder de garantie te krijgen voor een toekomstig bouwcontingent en dan met name in de koopsector. Nu de gemeente maximale aantallen woningen in de sociale sector wenste, verzette het bouwbedrijf zich met alle macht. Het was dan ook voor het eerst in de Castricumse geschiedenis dat de raad een besluit tot onteigening van de grond (1981) vaststelde en ook van plan was de procedure tot het einde tot volgen.

Gelukkig voor de Castricumse woningzoekenden werd een compromis bereikt, waardoor alsnog de grond via een minnelijke schikking (1982) eigendom werd van de gemeente. De publieke opinie was er mede debet aan dat het niet op een confrontatie was uitgelopen.

Bestemmingsplan dorpskom

Dorpsstraat in 2000 met bredere trottoirs, meer groen en een versmalde rijbaan.
Dorpsstraat in 2000 met bredere trottoirs, meer groen en een versmalde rijbaan.

In dezelfde periode vond de discussie plaats over de nota Dorpskom. Na een uitgebreide inspraakprocedure, 17 gespreksgroepen en 200 deelnemers, werd eind oktober 1976 een eindrapport opgesteld.

De raad moest zich definitief uitspreken over de uitgangspunten voor een nieuw vast te stellen bestemmingsplan Dorpskom. Raadsbreed was men het erover eens dat het karakter van het dorp moest worden behouden, maar dat was ook het enige. Grote meningsverschillen bestonden bijvoorbeeld over het omzetten van vrijkomende bedrijfsruimten en woningen in winkels, het wel of niet uitbreiden van de parkeergelegenheid achter de Rabobank enzovoorts.

Ook het doorgaande verkeer leverde de nodige meningsverschillen op, al was er wel een meerderheid voor handhaving van de functie van de weg. De doortrekking van de Dokter de Jonghweg naar de Beverwijkerstraatweg werd verworpen en besloten werd dat ook definitief onmogelijk te maken door de realisering van het woningbouwplan Het Strengh.

De herinrichting van de Dorpsstraat was vaak onderwerp van gesprek. Op deze impressie zien we een autovrije Dorpsstraat, die er echter nooit is gekomen.
De herinrichting van de Dorpsstraat was vaak onderwerp van gesprek. Op deze impressie zien we een autovrije Dorpsstraat, die er echter nooit is gekomen. Het gemeentehuis rechts is duidelijk herkenbaar, links de Rustende Jager. Dorpsstraat 65 in Castricum, 1970. Collectie Oud-Castricum. Toegveoegd.

Uiteindelijk schaarde de raad zich achter het collegevoorstel over de uitgangspunten voor een nieuw bestemmingsplan, waarin veel aandacht werd besteed aan het behoud van de karakteristieke waarden. De Dorpsstraat zelf is heringericht met bredere trottoirs, meer groen en een versmalde rijbaan. Het doorgaand verkeer wordt verdeeld over de Ruiterweg en de Dorpsstraat. Vooral omdat fietsers in de Dorpsstraat nog al eens in de verdrukking komen, staat al enige jaren weer een nieuwe discussie op het programma.


Jaarboek 30, pagina 25

Bedrijventerrein

Castricum was vooral een woongemeente met minimale mogelijkheden voor bedrijven. Het werd wel ‘vrouwendorp’ genoemd, omdat het merendeel van de mannelijke bevolking ’s morgens uit Castricum vertrok en pas ’s avonds weer terugkeerde. Het bedrijfsleven keek uit naar nieuwe mogelijkheden. Het gemeentebestuur stond niet afwijzend tegenover een ontwikkeling ten zuiden van de Oude Haarlemmerweg.

Oude Haarlemmerweg in Castricum.
Oude Haarlemmerweg in Castricum. Links het oude gedeelte van straat. Gezien vanuit het zuiden na de zijstraat Tolweid. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Bouwbedrijf Borst nam op enig moment het initiatief om daar grond te verwerven in de hoop en verwachting hier de start voor een bedrijventerrein te kunnen geven. De ontwikkeling naar een toekomstig bedrijventerrein kende echter een lange en moeizame weg van onderzoek naar de financi√ęle haalbaarheid en de verwerving van gronden.

De bouw van bedrijfspanden aan de Castricummerwerf.
De bouw van bedrijfspanden aan de Castricummerwerf, 1986. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

De ontsluiting vormde een apart probleem. De dure toegangsweg is met behulp van een provinciale subsidie aangelegd. In 1984 kreeg de gemeente het voor elkaar dat een bedrijvengebied van circa 6 hectare kon worden ontwikkeld, waarvan ruim 4 hectare kon worden benut voor Castricumse bedrijven en die uit de regio Egmond.

Brochure bedrijventerrein Castricummerwerf.
Brochure bedrijventerrein Castricummerwerf.

Dit bedrijventerrein kreeg de naam Castricummerwerf. In 1985 ging de gemeente Castricum de markt op. Een bedrijvenambtenaar stond op stands van bedrijfsbeurzen in Noord-Holland en de gemeente adverteerde in landelijke bladen. Een speciale brochure werd uitgegeven met foto’s van wethouder Henk Wokke en de contactpersoon Roel de Bruin. De toenmalig burgemeester Gmelich Meijling liet overal waar hij kwam folders achter op leestafels van restaurants en bedrijven ter promotie van Castricum. Je weet nooit hoe een koe een haas vangt, was zijn devies.

Nu zou men kunnen denken dat een dergelijke actie niet nodig was, immers de plaatselijke ondernemers hadden toch behoefte aan een dergelijke ontwikkeling. Nee dus. Door de lange aanlooptijd was het economisch tij gekeerd en voelde de ondernemer niet meer zoveel voor investering in nieuwbouw.

Castricummerwerf.
Castricummerwerf. Makelaarsbriefje, 1985. Toegevoegd.

Met uitzondering van het bouwbedrijf A.C. Borst, dat zich op eigen grond had gevestigd en ook enkele bedrijfsunits te koop aanbood, kwamen de eerste ondernemers niet uit Castricum, maar uit de IJmond en de regio Zaandam. Niet de bedoeling, maar ja, de gemeente had wel een forse investering gedaan en werkgelegenheid binnenhalen was ook aantrekkelijk.

Het heeft al met al redelijk lang geduurd eer de Castricumse ondernemers de stap durfden te zetten om zich hier te vestigen. Toen het eenmaal zover was, kwam het eind van de beschikbare bouwkavels ook snel in zicht en begon de roep om meer bedrijfsterrein opnieuw.

Plan Alberts Hoeve in ontwikkeling.
Plan Alberts Hoeve in ontwikkeling.

Castricums laatste grote uitbreiding

Direct na 1985 werd gestart met het ‘laatste’ grote uitbreidingsplan van Castricum, het bestemmingsplan Albert’s Hoeve, met zo’n 45 hectare oppervlakte. Daarmee zouden alle bouwmogelijkheden binnen het provinciale streekplan zijn benut.

Reeds geruime tijd was het gemeentebestuur in onderhandeling met de Nederlands Hervormde Gemeente om de eigendom te verkrijgen van een groot aantal percelen weiland aan de oostkant van Castricum, inclusief de boerderij Albert’s Hoeve. De Hervormde Gemeente was hiervan eigenaresse geworden via een legaat van de voormalig eigenaar Albert Asjes, waarbij hij had bepaald dat de exploitatie van de weilanden en de boerderij ten goede moest komen aan de kerk, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat verkoop van de gronden niet mogelijk is.

De herbouwde Albertshoeve gezien vanaf de zuidzijde.
De herbouwde Albertshoeve gezien vanaf de zuidzijde. Molendijk in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Uiteindelijk werd een juridische oplossing gevonden, waarbij de grond zonder de lange onteigeningsprocedure aan de gemeente kon worden verkocht. De gemeente had hier een groot belang bij, want binnen de voorgenomen contouren van het bestemmingsplan, was de eigendomsverhouding bijzonder divers. Grote gedeelten waren in het verleden eigendom geworden van ontwikkelaars/bouwbedrijven. Het gemeentebestuur had zich voorgenomen de ontwikkeling volledig vrij van belemmeringen van derden uit te voeren.

Om de boerderij van Albert Asjes als cultuurhistorisch element te bewaren, werd ook onderzocht of het mogelijk was de oude vervallen boerderij aan de oude Molendijk te restaureren en onderdeel te


Jaarboek 30, pagina 26

maken van het nieuwe plan. Restaureren bleek wel een groot woord, feitelijk moest de gehele boerderij worden gesloopt. Arwin van Eijk, een Castricumse architect, slaagde erin de boerderij in hoofdvorm te herbouwen met 11 wooneenheden ten behoeve van de woningbouwvereniging Sint Joseph.

Het gemeentebestuur gaf opdracht om zoveel mogelijk grond in eigendom te verwerven. De mogelijkheid deed zich voor om grond van het grondbedrijf Jac. De Nijs tegen de boekwaarde over te nemen. Dit bezit was na be√ęindiging van het bouwbedrijf Jac. De Nijs overgegaan naar zijn neef, een groot bouwbedrijf in Warmenhuizen. De gemeente stelde in ruil bouwvolume aan dat bedrijf beschikbaar.

Plankaart Albertshoeve.
Plankaart Albertshoeve.

Met het stedenbouwkundig bureau Kuiper Compagnons uit Rotterdam, werden de voorbereidingen getroffen om tot een goed plan te komen. Met de stedenbouwkundige hebben bestuurders en ambtenaren diverse uitbreidingslocaties in Nederland bezocht, onder andere de uitbreidingslocatie in Delft. Hier werden idee√ęn opgedaan voor de vormgeving in het vlekkenplan van Albert’s Hoeve.

Het plan moest gefaseerd kunnen worden uitgevoerd. Oude elementen, zoals het Molendijkje en de eendenkooi, moesten herkenbaar in het plan worden opgenomen en de overgang van de bebouwing met het openblijvend oostelijke gebied richting Uitgeest moest een zachte overgang vormen.

Er werd een zogenaamd vlekkenplan van 7 vlekken (vlek A toto en met H) ontworpen, waarbij de invulling van de vlekken kon geschieden op moment van de feitelijke ontwikkeling. Alleen de hoofdlijnen werden vastgelegd. Gekozen werd voor een buffer van groen en water aan de rand van het plan, als overgang van bebouwing naar open weidegebied.

Waterwoningen als blikvanger in de wijk Albert's Hoeve.
Waterwoningen als blikvanger in de wijk Albert’s Hoeve.

Getracht is met eigentijdse bebouwing, veel waterpartijen en aparte brugontwerpen, een opvallende wijk te cre√ęren. Blikvangers in de wijk zijn de 5 waterwoningen en het banaanvormige woongebouw van de woningbouwvereniging. Verder is de woningbouw gevarieerd en zijn diverse ontwerpen met zorg op elkaar afgestemd. Door het plan langs de diagonale waterpartij loopt het fietspad richting Uitgeest en wordt een verbinding gelegd met het poldergebied.

Nieuwbouw aan de Oosterweide in plan Albertshoeve, 1995.
Nieuwbouw aan de Oosterweide in plan Albertshoeve, 1995. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Het bestemmingsplan bood de mogelijkheid voor de bouw van ongeveer 1.450 woningen, zowel in de koop- als in de huursector. De gemeenteraad wenste een zodanige fasering dat gedurende een periode van 12 jaar (dat werd feitelijk meer dan 16 jaar) de Castricumse woningzoekenden uitzicht zouden hebben op een woning. Dit impliceerde dat circa 120 woningen per jaar gebouwd konden worden. (Later werd dit aantal nog verder teruggebracht tot maximaal circa 75 woningen per jaar.)
Voor het gemeentelijk grondbedrijf was dit een gecompliceerde opgave.

De toekomstige woningbouwlocaties tussen de verlengde C.F. Smeetslaan en de Heemstederweg waren eigendom geworden van de Exploitatiemaatschappij Egmond, een samenwerkingsverband van een drietal bouwondernemingen uit Egmond en Assendelft. Na moeizame onderhandelingen is de gemeente er tenslotte in geslaagd een compromis te bereiken. Bijzonder is dat daar in 1996 nog een grote archeologische opgraving mogelijk gemaakt is, waarvoor onder adere door het grondbedrijf een grote financi√ęle bijdrage is verleend. In dat gebied is het skelet gevonden van een vrouw uit de vierde eeuw. Een kunstwerk aan de Laan van Albert’s Hoeve herinnert aan de vondsten die in die omgeving zijn gedaan.

Kunstwerk dat gemaakt is na archeologische opgravingen in de Oosterbuurt. Laan van Albertshoeve in Castricum, 1999. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Op de vlekken aan de noordoost kant van het bestemmingsplan was sprake van de eerdergenoemde bouwclaim van het bouw bedrijf De Nijs uit Warmenhuizen. Ook hier moest het nodige worden verricht om tot goede uitgangspunten te komen. Het resultaat is voor de woningzoekenden echter niet ongunstig verlopen.


Jaarboek 30, pagina 27

De parkstrook langs de wijk Albert's Hoeve vormt een mooie overgang naar de Castricummer polder.
De parkstrook langs de wijk Albert’s Hoeve vormt een mooie overgang naar de Castricummer polder.

Niet onvermeld mag blijven de prestatie die gemeentemedewerker Mick van der Vlugt heeft geleverd om de groenbuffer langs het bestemmingsplan Albert’s Hoeve gerealiseerd te krijgen; een groenbuffer met de naam Hendriksveld en ontworpen door de landschapsarchitect Kees Hund; een zeer gevarieerd plan met waterpartijen, bebossing en ecologische gedeelten.

Toentertijd werden de aanlegkosten geraamd op zo’n 2 miljoen gulden; een forse investering, die slechts ten dele uit de exploitatie van het bestemmingsplan werd gedekt. Door ambtelijke inspanning werd ruim een half miljoen gulden binnengehaald als subsidie, zowel van de provincie als van het waterschap Het Lange Rond. De tekortkomende middelen werden uiteindelijk gedekt uit de reserve Grondbedrijf, een buffer voor onverwachte en gewenste uitgaven bij het in exploitatie brengen van gronden. Het is plezierig om te zien hoeveel Castricummers nu genieten van deze fraaie, landelijke omgeving.

Tot vandaag (in 2007) is het bestemmingsplan Albert’s Hoeve nog niet afgerond. Het gebied rond de gerestaureerde boerderij is nog niet voltooid.
Diverse plannen zijn de revue gepasseerd, van vrijstaande luxe boerderijtypen, stapelbouw tot rijtjeswoningen. Het gemeentebestuur heeft nog geen definitieve keuze gemaakt. Een kinderdagverblijf is hier wel gerealiseerd.

Het gebouw van het Jac.P. Thijsse College dat in 1995 werd geopend. In 2007 telt de school ruim 2000 leerlingen.
Het gebouw van het Jac.P. Thijsse College dat in 1995 werd geopend. In 2007 telt de school ruim 2000 leerlingen.

Grote projecten

In de afgelopen jaren zijn twee grote nieuwe schoolgebouwen gerealiseerd, het Jac. P. Thijsse College en het Bonhoeffercollege. Bij de realisatie van beide scholen heeft de gemeente intensief samengewerkt met de schoolbesturen.

Een drietal voor Castricum belangrijke ‘inbreidings’plannen zijn nog het Bakkerspleintje, de Burgemeester Mooijstraat (Gouden Stulp) en de Sokkerwei. De eerste twee betreffen de plannen in het oude dorp, gericht op versterking van het oude winkelcentrum. Na een langdurige voorbereiding van diverse plannen voor het Bakkerspleintje, diverse ontwerpen, overleg en bezwaarschriftprocedures, werd uiteindelijk in 2006 een start gemaakt met de eerste fase.

Een tweede versterking van het centrum zijn de bouwactiviteiten in de Burgemeester Mooijstraat, waar nieuwe winkels worden gerealiseerd met appartementen. Op het binnenterrein worden seniorenwoningen gebouwd met onder het complex een grote parkeerkelder.

De eerste duurzame basisschool van Nederland de 'Sokkerwei'.
De eerste duurzame basisschool van Nederland de ‘Sokkerwei’.

Het laatste plan dat genoemd moet worden, is zeker niet het minste. Het betreft het gerealiseerde complex Sokkerwei aan de Kleibroek, met de eerste duurzame basisschool, waarvoor ook onze plaatsgenoot, de hoogleraar Hans van Weenen, zich bijzonder heeft ingespannen. Hier is een bijzonder fraai complex gecre√ęerd. De school heeft veel belangstelling gekregen uit het onderwijsveld, zowel in Nederland als er buiten.


Jaarboek 30, pagina 28

Buitengewoon Castricum

In de loop van 1997 begonnen de verkenningen naar de mogelijkheden van een fusie met de gemeenten Akersloot en Limmen. De beide gemeenten hadden Castricum als fusiepartner gekozen. Op 1 januari 2002 werd de fusie een feit en ontstond de nieuwe gemeente Castricum met de vijf kernen, Castricum, Bakkum, Limmen, Akersloot en De Woude.

Aan de fusie lag een strategische visie voor de nieuwe gemeente ten grondslag, maar na de feitelijke fusie wenste de gemeenteraad een nieuwe strategische visie tot 2030. Feitelijk kan men stellen, dat hiermee de eerste fusiedocumenten worden opengebroken voor een mogelijk nieuwe koers.

Buitengewoon Castricum.
Buitengewoon Castricum. Van links naar rechts op de stoep van het oude raadhuis: de heren Mok, Wokke, De Bruin en Kaan.

Het eindresultaat van het proces onder de vlag ‘Buitengewoon Castricum’ is toch de keuze voor consolidatie van een inwoneraantal van de nieuwe gemeente van rond 35.000 met de hieraan gerelateerde voorzieningen. Woningbouw zal alleen binnen de bestaande bebouwingsgrens mogelijk zijn, met uitzondering van circa 600 nieuwe woningen op het grondgebied van de oude gemeente Limmen, de zogenaamde Zandzoomlocatie tussen de spoorlijn, de grens met Heiloo en de Kennemerstraatweg.

Na de vaststelling van de strategische visie volgde de ontwikkeling van een toekomstvisie voor het winkelcentrum Geesterduin. Gegeven de uitspraak dat uitbreiding van woningbouw binnen het stedelijk gebied moet plaatsvinden, is Geesterduin zeker een gebied dat daarvoor in aanmerking komt, dit naast een gewenste upgrading van het naar binnen gerichte winkelcentrum. Verder zou de uitbreiding van het raadhuis moeten worden ingepast en kunnen de welzijnsinstellingen er een adequate accommodatie krijgen. (In 1968 was daartoe al een stichting actief.)

Met bovenstaande, is getracht Castricums ontwikkeling gedurende de laatste 35 jaar te beschrijven. Het gemeentelijke Grondbedrijf mag bogen op de verdienste dat alle exploitaties van de bestemmingsplannen een positief bedrijfsresultaat hebben gekend, wat zeker ten goede is gekomen van de Castricumse woningzoekenden.

Tot slot

Is er nu veel veranderd in 35 jaar?

Zeker als het gaat om de voorbereiding van plannen. Was het vroeger zo dat de stedenbouwkundigen met grote zelfstandigheid plannen presenteerden, als waren het de enige denkbare oplossingen, thans is het meer gebruikelijk om vooraf met de gemeenteraad en alle betrokkenen overleg te plegen.

Pas hierna worden de eerste idee schetsen gemaakt met alternatieven, die ook weer worden besproken, voordat een definitief plan wordt gepresenteerd. Onder meer de cultuur-historische gegevens van het gebied wegen zwaar mee bij het ontwerp.

De inwoners hebben een duidelijk plaats bij de voorbereiding gekregen, maar het financi√ęle plaatje blijft het speelveld beperken. Ondanks ruime participatiemogelijkheden is toch de tolerantiegrens steeds meer afgenomen. Meer en meer worden gemeentebesturen geconfronteerd met het nimbyeffect zoals dat heet (not in my backyard, in gewoon Nederlands, geen bebouwing waarop ik uitkijk). Steeds vaker moet de rechter de knopen doorhakken.

De bestuurskracht is nog steeds afhankelijk van de mensen die deel uitmaken van het bestuur. Dit is niet zoveel anders dan vroeger, zij het dat de problematiek wel complexer is geworden.

De nieuwe woonwijken met parken, onderwijs- en sportvoorzieningen hebben het oude dorp een nieuwe uitstraling gegeven. Natuurlijk had het hier en daar beter gekund, maar toch is er met volle inzet van bestuur en ambtenaren, samen met veel betrokken inwoners, een dorp ontstaan waar het goed wonen is. We mogen hier best trots op zijn.

Een toekomst met nieuwe uitdagingen in de 21e eeuw biedt zich al weer aan.

Roel J.W. de Bruin,
oud-directeur gemeentewerken

De twee artikelen – Castricum in opbouw en Castricum in de groei – over de ontwikkeling van Castricum zijn samengesteld met bijdragen van oud-wethouder Henk Wokke en oud-gemeentesecretaris Fons Mok.

Overige bronnen:
Het archief van de gemeente Castricum, met dank aan de heren Ger Foeken en Henk Stigt voor hun medewerking.

Castricum in opbouw (Jaarboek 30 2007 pg 3-16)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 30, pagina 3

Castricum in opbouw

Luchtfoto van het verdwenen wijkje Duinkant en de omgeving.
Luchtfoto van het verdwenen wijkje Duinkant en de omgeving. Kramersweg in Castricum, 6 september 1935. Foto Radstaat. Toegevoegd.

In de 20e eeuw is de grondslag gelegd voor de verandering van de tuinderdorpen Castricum en Bakkum in een meer stedelijk woongebied. Vele eeuwen waren het genoeglijke dorpen met een agrarische bevolking, waar de rust slechts werd verstoord door de diligence en later door de stoomtram.

De komst van het spoor in 1867, het ziekenhuis Duin en Bosch in 1909 en het kampeerterrein in 1928 hebben er veel aan bijgedragen dat de gemeente meer en meer bekendheid kreeg als aantrekkelijke woongemeente.

Woningbouw verdrong de tuinderijen en de samenstelling van de bevolking veranderde in korte tijd. Met behulp van archiefstukken, foto’s en verslagen van ooggetuigen willen wij terugblikken op de vorige eeuw en proberen ons voor te stellen hoe onze woonomgeving tot stand is gekomen, met aandacht voor mensen die daarin een rol speelden.

De Zanddijk in Bakkum.
De Zanddijk vormde een afdamming van de lage gronden tussen de binnenduinrand en de strandwal  AlkmaarLimmen. Het initiatief tot de aanleg in de 11e of 12e eeuw wordt toegeschreven aan de monniken van de Egmondse abdij. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De eerste bewoning was beperkt tot de oude strandwallen en concentreerde zich op de zogeheten geesten. Een geest was een hoger gelegen gebied waarop een nederzetting of een buurtschap was gevestigd. In de loop van de 10e eeuw is de ontginning van het gebied vanuit deze geesten grotendeels voltooid.

Binnen Castricum kunnen we vier buurtschappen onderscheiden, namelijk de Kerkbuurt (rond de dorpskerk), de Oosterbuurt (Breedeweg en Doodweg), Heemstee (omgeving Heemstederweg) en Noordeind (tussen de Eerste Groenelaan en de Stetweg/Brakersweg). In Bakkum lag de oude geest in het gebied Bleumerweg-Achterlaan.

In 1812 werden Castricum en Bakkum (ten noorden van de Zeeweg) samengevoegd.

Schelpenkarren op het strand can Castricum aan Zee.
Schelpenkarren op het strand can Castricum aan Zee, 1905. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

Tot diep in de 19e eeuw was veeteelt nog de voornaamste bron van inkomsten, aangevuld met enige nevenverdiensten uit de schelpenvisserij. In 1900 stond er al een melkfabriekje aan de Cieweg en in 1905 volgde de stoomzuivelfabriek ‘De Holland‘ aan de Breedeweg.

Een beeld van de gemeente gezien vanaf Bakkum in 1926. Rechts op de voorgrond de Zeeweg en links de Heereweg. De provinciale weg richting Limmen werd pas 10 jaar later aangelegd. De vele tuinderijen zijn goed herkenbaar.
Een beeld van de gemeente gezien vanaf Bakkum in 1926. Rechts op de voorgrond de Zeeweg en links de Heereweg. De provinciale weg richting Limmen werd pas 10 jaar later aangelegd. De vele tuinderijen zijn goed herkenbaar.

In de eerste helft van de 20e eeuw is het grasland in de directe omgeving van de dorpskom grotendeels in tuingrond omgezet. In 1913 werd de Castricumse Tuinbouwveiling ‘Ons Belang‘ opgericht. Tot 1933 bestond er zelfs nog een tweede veiling die bekend stond als de ‘vrije veiling’. Er brak een lange periode aan van bloei en uitbreiding van de tuinbouw. Voor zover er al sprake was van landbouw, was die in de jaren (negentien) twintig bijna helemaal verdwenen.

De stichting van het provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch en de komst van de daarbij behorende beroepsbevolking gaf in de eerste twintig jaar (van de 20ste eeuw) een hele verandering in het dorp. Verder ontdekten ook gepensioneerden en renteniers het dorp langzamerhand als aantrekkelijk woonoord. Vanwege de goede treinverbinding met de omliggende steden kwam ook kantoorpersoneel uit de Zaanstreek en Amsterdam naar Castricum.

Ingang van kampeerterrein Bakkum.
Ingang van kampeerterrein Bakkum. Aan de linkerkant het kampwachters huisje. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1914 werden de eerste kampeerders al in het duingebied gesignaleerd. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd de verdere ontwikkeling even gestuit, maar in 1920 werden de eerste offici√ęle kampeervergunningen afgegeven. In 1927 verrees de eerste accommodatie op het terrein tegenover Johanna’s Hof, bestaande uit drie toiletgebouwtjes en wachthuisje.


Jaarboek 30, pagina 4

In 1924 werd de Zeeweg bestraat.
In 1924 werd de Zeeweg bestraat, een grote verbetering voor de schelpenvissers. De offici√ęle opening vond plaats in mei 1925 door burgemeester Lommen. een jaar later kwam er ook een fietspad en in 1930 een voetpad. Zeeweg in Bakkum, 1923. Collectie Oud-Castricum. Toeegvoegd.

De aanleg van de Zeeweg in 1925, die de oude in slechte staat verkerende Schulpweg verving, maakte van Castricum aan Zee een volksbadplaats voor Amsterdam en de Zaanstreek.

De komst van burgemeester Lommen

In 1918 legde op zeventigjarige leeftijd Jan Mooij, een boerenzoon uit de Oosterbuurt, na dertig jaar het burgemeestersambt neer. Castricum telde toen ruim 4.000 inwoners. Jan Mooij was gemeenteontvanger geweest van 1873 tot 1888 en vervolgens benoemd tot burgemeester. Tot 1914 was hij ook gemeentesecretaris. Bij zijn afscheid memoreerde hij dat hij zijn benoeming tot burgemeester te danken had gehad aan de inspanningen daarvoor van de burgerij.

Zijn opvolger is P.H.L.J. Lommen, die daarvoor burgemeester was van Ursem. Met de komst van Lommen, een vakburgemeester zoals hij genoemd werd, brak voor Castricum een nieuwe tijd aan.

Burgemeester Lommen (1885-1936) droeg op hoogtijdagen nog zijn ambtsuniform.
Burgemeester Lommen (1885-1936) droeg op hoogtijdagen nog zijn ambtsuniform.

Burgemeester Lommen (1918-1936)

Burgemeester Lommen werd op 10 september 1885 geboren en was afkomstig uit een fabrikantenfamilie in Tilburg. In 1914 werd hij burgemeester van Ursem en op 1 augustus 1918 kwam hij naar Castricum. Hij was de eerste bewoner van de ambtswoning die in 1919 aan de Stationsweg werd gebouwd.

In de gemeente veranderde onder zijn leiding veel. Stedenbouwkundige De Casseres werd aangetrokken en er kwam een uitbreidingsplan voor het dorp. Nieuwe wegen werden aangelegd en nieuwe woonwijken ontstonden.

Hij stimuleerde de oprichting van een elektriciteitsbedrijf, de reorganisatie van het gasbedrijf en de bouw van een nieuwe openbare lagere school.

Burgemeester Lommen is lid geweest van Provinciale Staten Noord-Holland en was hoofdbestuurslid van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hij overleed op 10 november 1936 op 51-jarige leeftijd.

Een van de eerste initiatieven die hij nam, was in 1919 de oprichting van de Vereniging voor Vreemdelingen Verkeer ‘Castricum Vooruit’, die het bevorderen van de aanleg en verbetering van wegen en het verfraaien van de gemeente als belangrijkste doelstellingen zag. Dat de organisatie een verlengstuk was van de gemeente, blijkt wel uit het uit het feit dat de per 1 augustus 1919 benoemde gemeentesecretaris Van Lunen secretaris werd van deze vereniging.

De organisatie werd breed gesteund door ruim 180 leden, waaronder mevrouw Lommen en de stiefmoeder van de burgemeester, mevrouw Lommen-Sauveur (volgens de correctie 30e jaarboek op pagina 108 van jaarboek 31 uit 2008).

Advertentie uit de gids van de V.V.V. 'Castricum Vooruit' uitgegeven in 1925.
Advertentie uit de gids van de V.V.V. ‘Castricum Vooruit’ uitgegeven in 1925.

VVV ‘Castricum Vooruit’

In 1925 werd ter gelegenheid van de opening van het laatste deel van de Zeeweg een toeristische gids uitgegeven waarin burgemeester Lommen schreef:
“Ons ideaal is: het dorp de comfortabele woonplaats; het onmiddellijk daaraan grenzend natuurschoon ongerept. Laat Castricum Castricum blijven, dat wil zeggen een mooi idyllisch dorp. omzoomd door schitterende plekjes rijk aan natuurschoon, dat is de beste aanbeveling.”

De door het land slingerende Schulpvaart.
De door het land slingerende Schulpvaart. De vaart vormde ooit de grens tussen Castricum en Bakkum. Hier een deel dat de Grote Bocht wordt genoemd. Op de achtergrond is de spoorlijn zichtbaar. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Deze VVV voerde onder andere actie voor het bestraten van de Zeeweg, het uitdiepen van de Schulpvaart en een betere postbezorging.

Burgemeester Lommen voorzag grote kansen voor de gemeente als woonoord. Veel was tot dan aan het particulier initiatiefovergelaten. Er werd gebouwd langs de eeuwenoude wegen, waardoor lintbebouwing ontstond. Van een weldoordacht uitbreidingsplan was geen sprake.

Eind 1919 had de woningbouwvereniging ‘Sint Joseph’ er al wel op aangedrongen, maar geldgebrek weerhield de gemeente van een voortvarende aanpak. Een rooilijnenplan was kennelijk het


Jaarboek 30, pagina 5

maximaal haalbare. Toch werd er al behoorlijk gebouwd in de gemeente. In 1923 werden 47 bouwvergunningen verleend en in 1924 liep het aantal op naar 57.

Rechts achterin een straatlantaarn aan de Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat).
Rechts achterin een straatlantaarn aan de Rijksstraatweg. Links café de Landbouw. Duidelijk zichtbaar is de trambaan met wissel en rechts op de achtergrond de waterpomp voor de stoomtram. Dorpsstraat 30-42 in Castricum, 1923. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Castricum was natuurlijk nog wel een klein dorp, zoals blijkt uit een discussie in de gemeenteraad in oktober 1923 over een voorstel voor enkele nieuwe straatlantaarns.

“De heer Spaansen is van oordeel dat de verlichting bij lichte maan en gedurende de maanden mei tot en met september in de Oosterbuurt en Noordeinde enzovoorts niet nodig is, omdat het vroeger ook niet plaats had. Hij vindt het een raar gezicht straatverlichting bij maanlicht. De heer Schipper bestrijdt de mening van de heer Spaansen; men moet niet vergeten dat het telkens stil zetten en tussentijds opwinden der uurwerken ook kosten voor de gemeente veroorzaken; bovendien is het niet zo’n raar gezicht, als bij maanlicht de verlichting is ontstoken, want het kan stikdonker zijn en goed nagegaan zal men vooral in de wintermaanden weinig avonden hebben dat het maanlicht werkelijk de wegen verlicht.”

Uiteindelijk stemde de raad toch met het voorstel in. Er zou wel een lantaarn extra worden geplaatst bij de woning van de verloskundige in de Burgemeester Mooijstraat, welke lantaarn het gehele jaar gedurende de gehele nacht zou branden. Voor deze uitbreiding stelde de raad een extra krediet van 100 gulden beschikbaar.

Tempo

Het Technisch Adviesbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten kreeg in 1925 opdracht om een uitbreidingsplan en een rioleringsplan te maken. Een plan voor verbetering van de weg Castricum-Bergen, voor de Mient en voor de Bakkummerweg is in hetzelfde jaar in voorbereiding genomen.

Van de opening in 1925 van het laatste deel van de Zeeweg tot aan het strand werd een groot feest gemaakt. Op de voorgrond met hoed in de hand burgemeester Lommen en rechts oud-burgemeester Mooij.
Van de opening in 1925 van het laatste deel van de Zeeweg tot aan het strand werd een groot feest gemaakt. Op de voorgrond met hoed in de hand burgemeester Lommen en rechts oud-burgemeester Mooij.

In 1925 werd het laatste stuk van de ‘verharde strand- of schelpweg’, later Zeeweg genoemd, door burgemeester Lommen geopend. Het eerste deel tussen de Heereweg en het kampeerterrein/Commissarishuis had de provincie al in 1922 aangelegd. De burgemeester memoreerde bij de opening nog wel even, dat de gemeenteraad het benodigde geld niet eerder beschikbaar had willen stellen – pas in mei 1924 was de raad daartoe bereid – waardoor de aanleg in twee etappes moest gebeuren.

Castricum aan Zee met badhotel Armeria van J.W. Kockx. De provincie verleende in 1930 aan M.J. Biesterbos het recht van erfpacht voor 25 jaar voor de bouw van een moderne garage en een fietsenstalling voor 40 auto's en 1500 fietsen. In 1931 volgde er nog een tweede stalling voor 1000 fietsen.
Castricum aan Zee met badhotel Armeria van J.W. Kockx. De provincie verleende in 1930 aan M.J. Biesterbos het recht van erfpacht voor 25 jaar voor de bouw van een moderne garage en een fietsenstalling voor 40 auto’s en 1.500 fietsen. In 1931 volgde er nog een tweede stalling voor 1.000 fietsen.

M.J. Biesterbos, overgrootvader van de huidige exploitant van het parkeerterrein, was er als de kippen bij om in Castricum aan Zee een rijwielstalling te bouwen en een parkeerterrein voor 80 auto’s aan te leggen. In 1925 verscheen op de laatste duinenrij het houten strandpaviljoen ‘Armeria’ van J.W. Kockx, dat in 1930 vervangen werd door een fraai badhotel.

Het verkeer van en naar het strand moest nog wel door Castricum en Bakkum; de provinciale weg tussen Uitgeest en Limmen en tussen Limmen en Bakkum zou pas ver in de jaren (negentien) dertig worden aangelegd.

Raadslid Schipper concludeert eind 1925, dat Castricum zich in een opgaande lijn beweegt. Hij gelooft zeker dat dit voor een goed deel te danken is aan de manier, waarop burgemeester en wethouders de gemeente beheren. “Castricum beweegt zich in een tempo 20, 30 maal zo vlug als dit vroeger geschiedde.”

Bij de installatie van de nieuwe gemeenteraad op 6 september 1927 hield de burgemeester een bezielende toespraak: “Castricum, tot voor luttele jaren hel rustige plaatsje zonder verlangens en bijna zonder behoeften, thans prat op zijn vooruitgang en ontwikkeling. veeleischend om een schoone plaats te gaan innemen in de rij harer zustergemeenten. Castricum, vol veranderingen, strevende naar hooger; naar groei en bloei.”


Jaarboek 30, pagina 6

De samenwerking met het Adviesbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten werd om financi√ęle redenen verbroken en de voorbereiding van een uitbreidingsplan moest opnieuw worden opgestart. De technische subcommissie voor gemeentelijke uitbreidingsplannen werd in maart 1927 om advies gevraagd over de toekomst van Castricum en Bakkum: “Teneinde geen overbodig werk te verrichten. zouden wij het op prijs stellen, indien Uwe Commissie ons zoudt willen inlichten 0mtrent de algemeene lijnen welke in acht zijn te nemen in verband mei de gewestelijke uitbreiding.”

De reactie van de provinciale commissie volgde op 25 november 1927. Men achtte Castricum zeker van betekenis als tuinbouwdorp, echter voorzien werd een krachtige ontwikkeling van de gemeente als woonplaats voor forensen. Men adviseerde villabouw tussen het station en de duinen, kleine middenstandsbouw ten oosten van het station en richting Oosterbuurt werd gedacht aan arbeiderswoningen. “Vooral zij, die op dagelijksch vervoer per spoor aangewezen zijn, zullen hun woning op niet te grooten afstand van het station willen zoeken.”

Zicht op perron van station Castricum met spoorrails.
Zicht op perron van station Castricum met spoorrails. Stationsweg 2, 1909. Opvallend is het rangeerspoor rechts met de wagons. Het station dateert uit 1865 en is in 1969 afgebroken. Het spoor heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toeegvoegd.

Er moest een weg komen over de Zanderij, tussen de Beverwijkerstraatweg en de Vinkebaan, die aan de duinzijde onbebouwd moest blijven. Verder werd gedacht aan een aftakking van de Rijksstraatweg tussen de Beverwijkerstraatweg en de oude Alkmaarderstraatweg, 700 à 800 meter ten noorden van de rooms-katholieke kerk, met een viaduct over de spoorlijn.

De commissie waarschuwde tegen te grote verwachtingen van de ontwikkeling van een badplaats Castricum aan Zee. Het werd als een typische volksbadplaats voor dagjesmensen uit de Zaanstreek beschouwd en de commissie zag dan ook geen aanleiding om het ontstaan van een woonwijk aan zee te bevorderen. Tenslotte werd geadviseerd een bekwaam deskundige aan te trekken voor het maken van het uitbreidingsplan.

Stedenbouwkundige J.M. de Casseres ( 1902-1990).
Stedenbouwkundige J.M. de Casseres ( 1902-1990).

Onderzoek van De Casseres

Op voorstel van burgemeester Lommen werd Jo√ęl Meijer de Casseres uit Beverwijk in maart 1928 door de gemeente Castricum aangesteld als gemeentearchitect, met de opdracht een uitbreidingsplan te ontwerpen op basis van de globale richtlijnen van de provincie. Overeengekomen werd een honorarium van 4.000 gulden uit te betalen als het plan goedgekeurd was. Deze overeenkomst zou hem nog bezuren.

De Casseres begon met een verkenning naar de bestaande toestand in de gemeente, wat toen een nieuw element was in de stedenbouw. In die verkenning constateerde hij dat de bouw hier nog al wat te wensen overliet. Hij vond Castricum een typisch voorbeeld van een plaats waar de economische nadelen verbonden aan lintbebouwing te constateren zijn. Hij sprak van een gemis aan ‘schoonheidsbewustzijn’ op het gebied van bouwen.

De eerste stedenbouwkundige

Jo√ęl Meijer de Casseres (1902-1990) werd in 1928 door de gemeente Castricum aangetrokken als stedenbouwkundig adviseur. In 1928 zette hij zich aan een studie ter voorbereiding op een uitbreidingsplan voor Castricum. Voorafgegaan door enkele deelplannen werd in 1936 een plan voor Castricum en Bakkum vastgesteld.

De Casseres wordt de aartsvader van de Nederlandse planologie genoemd. Hij werd geboren in Beverwijk waar zijn ouders een meubelzaak hadden in de Breestraat. Hij volgde een opleiding aan de Hoge School voor Bouwkunst en Sierende Kunsten te Haarlem. In 1926 vestigde hij zijn naam


Jaarboek 30, pagina 7

door de publicatie van zijn eerste boek getiteld ‘Stedenbouw’ en in 1929 introduceerde hij het begrip planologie.

Hij maakte een uitbreidings- en bebouwingsplan voor Wijk aan Zee, uitbreidingsplannen voor Eindhoven en streekplannen voor grote delen van Brabant. In 1945 werd hij persoonlijk adviseur van minister Sicco Mansholt.

Het bouwen van arbeidershuisjes gebeurde rond de eeuwwisseling nog uiterst primitief, zoals Quirinus de Ruijter beschreef in zijn boek ‘Schippers van het Stet’. Men besprak met de timmerman of de metselaar zijn wensen en die maakte dan een eenvoudige tekening. De huisjes werden meestal in de lengte van de weg gebouwd en waren ongeveer 7 tot 8 meter lang en 4 meter breed. De zolder, via een buitenladder bereikbaar, was de slaapruimte voor de kinderen: tien kinderen op een lange rij was geen uitzondering. Volgens de beperkte bouwvoorschriften mocht een privaat (toilet), buiten de woning, hoogstens 10 meter van de woning staan. Al met al kwam een huisje op 300 √† 400 gulden.

Voor en linker zij-gevel van een arbeidershuisje.
Voor en linker zij-gevel van een arbeidershuisje. Doodweg 4 in Castricum. Het huisje is gebouwd in 1904. Geheel links is het buitentoilet nog zichtbaar. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Casseres haalt in zijn rapport de gemeentearts dokter Leenaers aan, die in 1928 het aantal woningen waar nog geslapen wordt in bedsteden zonder directe verluchting, schat op 50 procent van het totaal aantal woningen. Intussen was bij verordening het aanbrengen van bedsteden bij nieuwbouw wel verboden.

Over de woningbouw liet De Casseres zich niet vleiend uit in een brief aan het gemeentebestuur:
“Ik wil Uw aandacht erop vestigen, dat de laatste tijd aannemers gebruik maken van mijn aanwezigheid op het gemeentehuis, om hunne – meestal in flagrante strijd mei de welstandsbepaling zijnde – plannetjes opgekalefaterd te krijgen.

Hij ontwierp enkele eenvoudige voorschriften zoals: “Bij nieuwbouw en verbouwing dient de uiterste eenvoud te worden betracht; ingewikkelde dakvormen, gecompliceerde raam- en deuropeningen en steenverbanden, die niet direct uit de constructie voorkomen, zijn afkeurenswaardig.”

Verder was als raadgeving opgenomen: “Men overwege bij het ontwerpen, waar het huis zal komen te slaan en welke indruk het daar zal maken”.

Zeeweg met huizen van Goed Wonen.
Zeeweg met huizen van Goed Wonen. De huizen zijn in 1920 gebouwd voor Duin en Bosch personeel. Later gingen de huisjes over naar woningbouwvereniging Goed Wonen. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De eerste sociale woningbouw had in Castricum intussen zijn intrede gedaan. In 1914 bouwde de woningbouwvereniging Goed Wonen 14 huurwoningen aan de Dokter Jacobilaan, daarna nog eens 20 woningen aan de Bakkummerstraat en 10 aan de Zeeweg.

De woningbouwvereniging Sint Joseph wist in 1919 aan de Mient 12 huurwoningen van de grond te krijgen. In deze woningen was bij eerste oplevering ook een ledikant inbegrepen, om de overgang van bedstede naar bed te vergemakkelijken …

Kaart van Castricum die door De Casseres in 1928 is getekend ter voorbereiding op zijn geografische en sociografische beschrijving van de gemeente.
Kaart van Castricum die door De Casseres in 1928 is getekend ter voorbereiding op zijn geografische en sociografische beschrijving van de gemeente.

Tracé Rijksweg

In zijn verkenning van de gemeente stelde De Casseres dat maatregelen om de te verwachten uitbreidingen te begeleiden nog juist op tijd genomen zouden kunnen worden. De al gerealiseerde bebouwing had naar zijn mening nog geen volstrekt onherstelbare


Jaarboek 30, pagina 8

schade toegebracht: “Het stemt tot groote vreugde dat de bestuurderen van Castricum op verrassende wijze blijk hebben gegeven de waarde van de regeling en ontwikkeling van de Gemeente te beseffen.”

Schets van De Casseres van de westelijke en oostelijke omleiding van de Rijksstraatweg. Goed is te zien dat de westelijke omleiding begint in de bocht van de Dorpsstraat bij de Burgemeester Mooijstraat.
Schets van De Casseres van de westelijke en oostelijke omleiding van de Rijksstraatweg. Goed is te zien dat de westelijke omleiding begint in de bocht van de Dorpsstraat bij de Burgemeester Mooijstraat.

Een ernstig probleem bij het maken van een uitbreidingsplan was het verschil van mening over het trac√© van een nieuwe ‘rijksweg’ ter vervanging van de Dorpsstraat. Nog in 1928, enkele maanden na de verlening van de opdracht aan De Casseres, werd de gemeenteraad geconfronteerd met een plan van Rijkswaterstaat voor een oostelijke aftakking van de rijksweg, op de manier die door de provinciale commissie al was aangegeven. De raadsleden waren bang dat door het omleggen van de weg als het ware een muur om het eigenlijke dorp zou worden getrokken, waardoor Castricum een dood dorp zou worden.

Vanuit de gemeenteraad kwam een beter idee. Men wilde de rijksweg tot in het dorp handhaven en dan vanaf de aansluiting met de Burgemeester Mooijstraat in westelijke richting omleiden, tot hij voorbij het dorp weer op het oude tracé zou aansluiten.

Verder verkoos men een tunnel in plaats van een viaduct, indien Rijkswaterstaat de gelijkvloerse spoorwegovergang persé wilde opheffen.
Ondanks de waarschuwing van burgemeester Lommen: “Waar niet te winnen valt, is ’t ijdel dat men strijdt”, besloot de raad, met de stemmen van Twisk, Res en Kuijs tegen, de strijd toch voort te zetten.

Dit alles week af van de opdracht die eerder aan De Casseres was gegeven. Hij voorzag grote problemen en schreef beleefd: “dat de behandeling van bovengenoemde afsnijding door mij niet wordt geambieerd.”

Omdat Rijkswaterstaat geen nadere beslissing nam over het tracé van de rijksweg en ook de provincie niet achter de wens van de gemeenteraad stond, werd De Casseres opgedragen alvast een algemeen uitbreidingsplan voor Castricum op te stellen, waarbij de rijksweg door Castricum gehandhaafd werd. Een schematisch ontwerp voor zowel een oostelijke als een westelijke afsnijding moest er dan maar aan toegevoegd worden.

Het plan waar De Casseres met tussenpozen aan werkte, bestond verder uit drie hoofdpunten: woningbouw aan de Puikman, verbreding van de Dorpsstraat en de creatie van een dorpsplein aan de Dorpsstraat ter hoogte van de oude kerk, waarvoor de panden naast het gemeentehuis en de doorrijstal aan de overkant dan gesloopt zouden moeten worden.

Voor het nieuwe profiel van de Dorpsstraat maakte De Casseres een zeer gedetailleerde tekening, waarbij naar een wegbreedte van 9 meter werd gestreefd, 6 meter rijweg en twee rijwielpaden van elk 1,5 meter. Het rooilijnenplan werd eind 1928 vastgesteld en op 13 september 1929 nog verder verfijnd. Om de indruk van lintbebouwing tegen te gaan werd de minimale onderlinge afstand van gebouwen op 25 meter bepaald. Nog geen jaar later werd het hele rooilijnenplan door de raad weer ingetrokken. De provincie wilde zich er alleen over uitspreken in het kader van een uitbreidingsplan.

Bakkummerstraat ter hoogte van de huidige Van der Mijleweg.
Bakkummerstraat in 1925 ter hoogte van de huidige Van der Mijleweg. Links nog zichtbaar het caf√© van Frans Metzer dat afgebrand is op 15 september 1928 waardoor daar de Van der Mijleweg
 in 1929 kon worden aangelegd. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

In 1929 stemt de raad in met het plan voor de aanleg van de Van der Mijleweg in Bakkum, waardoor de gevaarlijke bocht in de Bakkummerweg, tegenwoordig Bakkummerstraat, wordt opgeheven en de toegang tot de ‘badplaats Castricum aan Zee’ sterk verbetert. De provinciale commissie voor de gemeentelijke uitbreidingsplannen wilde zich nog niet over het ook door de raad aanvaarde plan


Jaarboek 30, pagina 9

voor uitbreiding van de gemeente uitspreken. Gedetailleerde plannen waren, aldus de commissie, slechts nodig voor ‘ De Puikman’, de Zanderij, omgeving Bakkummerstraat en de omgeving van het station.

Algemeen uitbreidingsplan

In april 1931 is er dan eindelijk uitsluitsel van Rijkswaterstaat: het tracé van de rijksweg door het dorp zal voorlopig gehandhaafd blijven. De Casseres zette zich opnieuw aan een algemeen uitbreidingsplan voor het hele grondgebied van Castricum. Hij deed dat echter met grote tegenzin, vanwege de in zijn ogen voortdurende detailkritiek van de provinciale commissie. Hij was inmiddels ook al aan de slag voor de gemeente Eindhoven en bij de planologische dienst van de provincie Noord-Brabant.

De Puikman in Castricum. Foto genomen vanaf de Papenberg. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De provinciale commissie bleef erbij dat de oostelijke afsnijding in de plannen moest worden opgenomen. Een verbetering van de rijksweg door het dorp achtte de commissie nooit een voldoende oplossing, vanwege het bochtige trac√©, de geringe breedte en de gelijkvloerse spoorwegovergang. De commissie adviseerde voorlopig een plan op te stellen voor een villawijk op het land genaamd ‘De Puikman’ en voor een tuindorp op de Zanderij.

In januari 1932 zond De Casseres het uitbreidingsplan Castricum 1 in, dat De Puikman inpaste in het gebied tussen duinrand, spoorbaan en Rijksstraatweg. Een afzonderlijk plan maakte hij voor het gebied tussen de Burgemeester Mooijstraat en de Ruiterweg, waarin de reeds aangelegde Geelvinckstraat, die buiten zijn bemoeienis tot stand was gekomen, ook was opgenomen.

Het plan werd op 21 oktober 1932 door de raad vastgesteld, maar door Gedeputeerde Staten (op de plannen voor De Puikman na) afgewezen. Met het plan voor De Puikman, eerst tien villa’s, later 57 woningen, zou als het ware een schil van woningbouw achter het station worden gerealiseerd.

Uitbreidingsplan voor Castricum en Bakkum vastgesteld op 31 maart 1936. De oostelijke omleiding is erop aangegeven.
Uitbreidingsplan voor Castricum en Bakkum vastgesteld op 31 maart 1936. De oostelijke omleiding is erop aangegeven.

Plan 1936

Nog steeds moet er een algemeen uitbreidingsplan komen. De lange duur van de planvoorbereiding begint het gemeentebestuur te irriteren. Burgemeester Lommen constateert in een brief met datum 8 augustus 1933 aan De Casseres: “We zijn nu 5 jaren met het uitbreidingsplan van Castricum bezig. als ik daar aftrek plus minus 1,5 jaar voor stil liggen inzake de omlegging van de Rijksweg en plannen Puikman en Geelvinckstraat, dan blijft er 3,5 jaar over voor andere werkzaamheden. U zult toch wel aanvoelen, dat wij nu sterk beginnen te verlangen naar het einde.”

Op 31 maart 1936 kon de gemeenteraad eindelijk de plannen goedkeuren voor Castricum 1 en Castricum 2 (Bakkum) met inbegrip van een schematisch aangegeven oostelijke afsnijding van de rijksweg en een aanzet voor woningbouw achter het station (Puikman), in de richting van het bestaande wijkje ‘De Duinkant‘ ten noorden van de Kramersweg.

Ook de provincie kon zich ermee verenigen. Het finale uitbreidingsplan uit 1936 is voor grote delen van Castricum nog tot in de jaren (negentien) zestig van kracht gebleven. Zelfs nu (in 2007) zijn er nog een paar plaatsen waar dat plan formeel nog van toepassing is.

Het parti√ęle plan voor de Puikman ten westen van de spoorlijn, aansluitend aan de wijk De Duinkant achter het station, is vlak voor de oorlog deels uitgevoerd en voor de aanleg van de Atlantikwall weer afgebroken. De rijksweg heeft in de jaren (negentien) vijftig een ‘iets’ ander trac√© gekregen en van een omleiding van het doorgaand verkeer is het nooit meer gekomen.

Breedeweg op de kruising met de Nuhout van de Veenstraat en de Meester Ludwigstraat.
Breedeweg, vroeg in de ochtend, op de kruising met de Nuhout van de Veenstraat en de Meester Ludwigstraat. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Forensisme

Vooruitlopende op het uitbreidingsplan was er vanaf 1927 al een begin gemaakt met de aanleg van de Geelvinckstraat. Daarna volgden de Pernéstraat, Jacob Catsstraat, Koningin Julianastraat, Nuhout van der Veenstraat en Meester Ludwigstraat.


Jaarboek 30, pagina 10

De stoomlocomotief komt uit Uitgeest in Castricum aan.
De stoomlocomotief komt uit Uitgeest in Castricum aan. De bovenleiding voor elektrificatie
 is in 1931 gekomen en tot die tijd reden er dit type stoomtreinen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De overgang van Castricum van tuinderdorp in een forensenstadje heeft in de jaren (negentien) dertig echt een aanvang genomen, ondanks alle problemen met betrekking tot de wegenstructuur, maar vergemakkelijkt door de lage grondprijzen tengevolge van de crisistijd. Het inwonertal steeg van 5.182 in 1927 tot ruim 8.400 in 1941. In 1927 woonden er 74 forensen in de gemeente.
In 1931 vond de elektrificatie van de spoorlijn plaats. De reistijd Amsterdam-Castricum per sneltrein bedroeg toen nog maar 30 minuten. Het aantal forensen nam steeds meer toe: in 1947 werden 717 forensen geteld. In 1953 was meer dan de helft van de beroepsbevolking forens, wat neer kwam op 1.029 inwoners; een toeneming in zes jaar met 63 procent.

Ter behartiging van de gezamenlijke belangen werd in 1935 een Forensenvereniging opgericht. De leden betaalden 1,50 gulden per jaar. Behalve aandacht voor de dienstregeling van de Spoorwegen, kwam de vereniging ook in actie als het ging om het onderwijs, de sport of het culturele leven in Castricum.

Carel J. Brensa.
Carel J. Brensa (midden-boven). Hij was in Castricum actief als voorzitter van de Vereniging
 voor Forensenbelangen die later met de VVV ‚ÄėCastricum Vooruit‚Äô fuseerde. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
 

Burgemeester Lommen heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de opbouw van het dorp en de richting waarin het zich heeft ontwikkeld. Op 10 november 1936 overleed deze geliefde burgemeester, nog slechts 51 jaar oud. In een hoofdartikel in een speciaal rouwnummer van de Castricummer Courant beschreef de redacteur Carel J. Brensa de persoon van Lommen onder andere als volgt:
“Hij was een mensch onder de menschen van de gemeente. Voor alle medewerking was hij te vinden zonder aanzien des persoons. Het tegenwoordig bestaande uitbreidingsplan hielp hij mee scheppen. Aanleg van nieuwe wegen en straten, verbeteringen in den gemeentedienst, de oprichting eerst van het elektrisch bedrijf en de overgang daarna naar de Provincie waren bestuursdaden van zijn hand.”

Tweede Wereldoorlog

Mr. Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo, volgde burgemeester Lommen op. De nieuwe burgemeester werd op 15 februari 1937 feestelijk ge√Įnstalleerd. De herinrichting van de oude Rijksstraatweg/Dorpsstraat was inmiddels in volle gang en √©√©n van zijn eerste offici√ęle handelingen was de heropening op 2 augustus 1937.

De opening van de vernieuwde Dorpsstraat door burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo op 2 auguslus 1937.
De opening van de vernieuwde Dorpsstraat door burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo op 2 auguslus 1937.

In de samenstelling van de raad kwam een belangrijke wijziging door het aftreden van wethouder Hemmer en de verkiezing van de SDAP’er Hellinga tot wethouder, naast P. de Vries van de Rooms-Katholieke StaatsPartij (RKSP).

De nieuwe burgemeester was blijkens zijn nieuwjaarstoespraak in 1939 vol lof over de vooruitgang en de bloei van de gemeente. Het aantal ondersteunden liep terug en de daling van de grote werkeloosheid van de jaren (negentien) dertig zette zich voort. Met de uitvoering van een rioleringsplan, waarbij ook werklozen te werk gesteld werden, was begonnen. Een negental nieuwe straten werd aangelegd dan wel verlengd en er werden bouwvergunningen verleend voor 222 woningen.

Ook wijdde de burgemeester enige woorden aan de geboorte van Prinses Beatrix en aan het ambtsjubileum van Koningin Wilhelmina. “In deze moeilijke tijden beseffen wij meer dan ooit de hooge betekenis van ons Koningsschap en het gelukkige bezit van een wijze Vorstin.”

Tegen de achtergrond van deze woorden is de bekering van deze burgemeester tot de ideologie van de bezetter moeilijk te begrijpen. Hij werd in 1941 gepromoveerd tot burgemeester van ‘s-Hertogenbosch. Bekend is dat hij daar verschillende acties ondernam om het lot van joodse oorlogsinvaliden en ook voor andere Bosschenaren van joodse huize te verlichten. Kennelijk zag hij in dat hij de verkeerde weg had ingeslagen, want hij bedankte in 1942 voor de NSB en nam per 1 juli 1943 ontslag als burgemeester.

Op 29 augustus 1942, de NSB-vlag wapperde van de gemeentelijke kerktoren, werd burgemeester Masdorp in Castricum ge√Įnstalleerd. Hij zei onder andere: “De democratie is reeds verslagen, rest nog slechts vijand nummer 1, het bolsjewisme.”

In 1943 gesloopt op last van de bezetter: kruidenierswinkel van Jaap Stuifbergen, hoek Kramersweg-Onderlangs.
Kruidenierswinkel van Jaap Stuifbergen, hoek Kramersweg-Onderlangs in 1936. In dit winkeltje versnoepten de kinderen hun zondagscent voor ze op de Papenberg gingen spelen. In 1943 gesloopt op last van de bezetter. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De aanleg van de Atlantic Wall, een grootscheepse evacuatie en de afbraak van honderden woningen stond de gemeente vervolgens te wachten. Woningen aan de Vinkebaan, Onderlangs, Kramersweg, westzijde Mient, Stetweg, kalkovens aan het Schulpstet en de nieuwe nog niet of nauwelijks bewoonde woningen aan De Puikman gingen tegen de grond. Ook het fraaie badhotel (Armeria), dat in 1930 in Castricum aan Zee was gebouwd, moest op last van de bezetter worden gesloopt.

Bevrijding en wederopbouw

De oorlog liet in Castricum zijn sporen na. In het 8e jaarboek van Oud-Castricum is daar al uitgebreid op ingegaan. Castricums nieuwe burgemeester C.F. Smeets, voorheen gemeentesecretaris van Assendelft, werd op 16 november 1945 enthousiast ontvangen. Op zijn schouders werd de zware taak gelegd om leiding te geven aan de wederopbouw. Een van de vele sprekers bij de installatieplechtigheid vatte de opdracht als volgt samen: “Burgemeester; maak Castricum groot en blij!”

burgemeester C.F. Smeets.
De eerste steen voor de rooms-katholieke kerk Maria ten Hemelopneming in Bakkum door burgemeester
 C.F. Smeets in 1951. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Burgemeester Smeets opende op 3 september 1946 de eerste vergadering van de nieuw gekozen gemeenteraad. Sinds 4 juli 1941 waren er geen vergaderingen meer geweest.
De eerste 10 maanden werkte hij alleen samen met de SDAP’er T. Hellinga, die raadslid was van 1923 tot 1941 en wethouder vanaf 1938. Toen in september 1941 het wethouderschap


Jaarboek 30, pagina 11

werd verlaagd tot ‘knechtsschap’ van de burgemeester, had hij ontslag genomen. In 1945 keerde hij weer in die functie terug, tot de eerste verkiezingen werden gehouden.

De heren P. de Vries en G. Meijer vormden in september 1946 het nieuwe college. De Vries (KVP) was al raadslid in 1923 en was ook in 1931 en 1935 tot wethouder gekozen. Meijer (Partij van de Arbeid) kon als vertegenwoordiger van de ‘nieuwkomers’ worden beschouwd. Hij had in 1939 Amsterdam voor Castricum verruild en had een woning betrokken in de toen net opgeleverde Prinses Julianastraat.

Het herstel van beschadigde woningen had de eerste prioriteit, zodat zoveel mogelijk oud-inwoners naar Castricum terug konden komen. Door het dubbel bewoonbaar maken van de panden werd geprobeerd meer gezinnen te huisvesten. Het aantal inwoners dat op 1 januari 1945 nog maar 3.733 bedroeg, was een jaar later al gestegen tot 6.625.

Wederopbouwplan 1947. Hierin is de oostelijke omleiding opnieuw aangeduid en is ook een westelijke randweg opgenomen. De Brink wordt als het nieuwe middelpunt van de gemeente gezien.
Wederopbouwplan 1947. Hierin is de oostelijke omleiding opnieuw aangeduid en is ook een westelijke randweg opgenomen. De Brink wordt als het nieuwe middelpunt van de gemeente gezien.

Ook op papier werd aan het herstel hard gewerkt. Ir. F.J. Gouwetor van het adviesbureau Verhage, Kuiper en Gouwetor kreeg opdracht een Wederopbouwplan op te stellen. Castricum zou na de herbouw een fraaier en gerieflijker woonoord moeten worden dan het ooit was geweest. Op 18 december 1947 werd het Wederopbouwplan van kracht.

Stedenbouwkundige ir. Gouwetor (1903-1972). Hij ontwierp ook de woningen en de patiobungalows ten westen van het buurtwinkelcentrum Kooiplein.
Stedenbouwkundige ir. Gouwetor (1903-1972). Hij ontwierp ook de woningen en de patiobungalows ten westen van het buurtwinkelcentrum Kooiplein.

Met woningbouw is niet gewacht tot het plan helemaal klaar was. Afgestemd op het plan van 1936 bouwde de rooms-katholieke woningbouwvereniging St.-Joseph 37 woningen tussen het Schoutenbosch en de Oudeweg op het voormalige voetbalveld van Vitesse ’22. Het volgende woningbouwcomplex bestond uit 42 woningen aan de Leo Toepoelstraat en de Jan Hobergstraat. De woningbouwvereniging Goed Wonen bouwde aan de Poelven 45 duplexwoningen, die elk voor 2 gezinnen bedoeld waren.

Zicht op Vinkebaan vanaf duintop aan Duinpad, voor 1940.
Zicht op Vinkebaan vanaf de duintop aan het Duinpad, voor 1940. Op de achtergrond is de Pancratiuskerk vaag te zien. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Wederopbouwplan

In de toelichting op het Wederopbouwplan staat dat in stedenbouwkundig opzicht de afbraak, voor de ordening van de bebouwing en het behoud van natuurschoon, aantrekkelijke perspectieven opende. Het verdwijnen van de met de achterzijde naar de spoorbaan gelegen huizen aan de Mient en het openen van het uitzicht op het duinlandschap vanaf de hele westzijde van het dorp en vanaf de Vinkebaan, wordt een belangrijke verbetering genoemd. Er zou dus geen sprake zijn van terugkeer van die bebouwing.

“De betekenis van Castricum als forensendorp kan alleen maar gebaat zijn met het behoud, dan wel herstel van het natuurschoon in zo groot mogelijke omvang en tot zo dichtbij het dorp als mogelijk is. Het gezicht vanaf het dorp op de hoge duinen is wel zo uniek. dat alleen al op grond hiervan herbebouwing ontoelaatbaar geacht moet worden.”

Het Wederopbouwplan heeft in belangrijke mate het gezicht van het dorp bepaald. Gestreefd werd naar het karakter van forensendorp met als middelpunt een grote brink, ge√Įnspireerd door de beroemde brink van Zuid-Laren. Daar was ook het toekomstig raadhuis ge-


Jaarboek 30, pagina 12

dacht. Op de Zanderij is een villapark getekend, een idee dat al in de jaren (negentien) twintig speelde. Er was rekening gehouden met een westelijke randweg (tussen de Beverwijkerstraatweg en de Van Oldenbarneveldweg) en een oostelijke omleiding van de rijksweg werd schematisch aangegeven.

Koningin Wilhelminalaan met met een plantsoen tussen de huizen.
Koningin Wilhelminalaan met met een plantsoen tussen de huizen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De doortrekking van de Koningin Wilhelminalaan en de Prinses lrenestraat en de Prinses Margrietstraat werden ontworpen. Het plan uit 1936 ging nog niet verder dan de lijn Ruiterweg-Prinses Beatrixstraat, maar nu werden de ten noorden daarvan liggende tuinderijen ook in de plannen betrokken. De Poelven en de Schelgeest-Vondelstraat zijn uit het plan van 1936 in het Wederopbouwplan overgenomen.

Biesterbos

Het gemeentebestuur verleende voor de eerste offici√ęle herbouw woning in maart 1948 vergunning. In totaal zouden 21 7 herbouw woningen gerealiseerd worden. In 1949 wordt het Brinkplan aangepakt en de daarin opgenomen straten krijgen de namen van de straten die door de afbraak van de woningen aan De Puikman waren vervallen: Burgemeester Bareel-, Burgemeester Lommen- en Burgemeester Zaalbergstraat.
De Vondelstraat, P.C. Hooftstraat en de Constantijn Huygenstraat worden gebouwd en ook 12 bejaardenwoningen aan het Rusthof.

Dit is een van de toegangen naar het Rusthof.
Dit is een van de toegangen naar het Rusthof. Gezien vanaf de Jan Hobergstraat. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Het bouwbedrijf Biesterbos doet het aanbod 96 woningen te realiseren in de Oranjebuurt, waarvan er 48 voor verhuur worden bestemd. Op deze manier wordt het tekort aan woningbouw contingenten ondervangen. Het probleem voor Castricum was dat die contingenten aanvankelijk alleen werden toegewezen aan gemeenten binnen wier grondgebied of in de onmiddellijke nabijheid daarvan werkgelegenheid aanwezig was en Castricum viel daar niet onder. De gemeente omarmt het aanbod van Biesterbos dan ook om toch te kunnen bouwen.

Het is een grote stap voor de jonge Jan Biesterbos. Zijn vader, ook aannemer, schrikt zo van de risico’s die zijn zoon neemt, dat hij weigert op 28 februari 1952 bij de eerste steenlegging aanwezig te zijn.

De verplaatsing van de tuinderswoning van de familie Schut van de Koningin Wilhelminalaan naar de Prinses Beatrixstraat symboliseert de verandering van tuinbouwcentrum tot forensendorp.
De verplaatsing van de tuinderswoning van de familie Schut van de Koningin Wilhelminalaan naar de Prinses Beatrixstraat symboliseert de verandering van tuinbouwcentrum tot forensendorp.

Een enorme stunt levert Biesterbos, wanneer hij in september 1952 het stenen huis van de familie Schut, dat de verlenging van de Koningin Wilhelminalaan in de weg staat, in zijn geheel verplaatst. Het huis wordt op een soort stalen slee gezet en met een lier voortgetrokken door de Prinses lrenestraat, richting Prinses Beatrixstraat. Het huis staat nog op de plaats waar het destijds is aangekomen, op de hoek van de Prinses Beatrixstraat en de Dorpsstraat.

De woning die verrold is op de hoek Beatrixstraat/Dorpsstraat in Castricum.
De woning die verrold is op de hoek Beatrixstraat/Dorpsstraat in Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Jan Biesterbos bouwt verder. In februari 1953 wordt ten zuiden van de Prinses Beatrixstraat grond voor 25 woningen verkocht en ten noorden van de Prinses Beatrixstraat voor 55 en 40 woningen. De 25 en 55 middenstandswoningen zijn koopwoningen en voor de 40 arbeiderswoningen mag het gemeentebestuur huurders aanwijzen. Het gemeentebestuur heeft het aanbod dankbaar aanvaard. Uiteindelijk bouwde Biesterbos in de Oranjebuurt 376 woningen.

Tuinbouw of woningbouw

Tegen de groei van Castricum ontstaat oppositie van agrarische zijde. Omdat de beste tuingrond niet in de graslandpolder ligt, wil de Rijksconsulent voor Grond- en Pachtzaken op twee punten in een nieuw ontwerp-uitbreidingsplan van Castricum snoeien: het gedeelte van het woongebied ten noorden van de Ruiterweg en het beoogde villapark op de Zanderij.

Bollenvelden op de Zanderij.
Bollenvelden op de Zanderij. Gezien van de Geversweg in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Dit levert een impasse op. Voordat met het uitbreidingsplan verder wordt gegaan, moet een bodemkarteringskaart gemaakt worden. De Provinciale Planologische Dienst van Noord-Holland wordt op 6 oktober 1948 gevraagd om een studie naar de economische kant van het forensisme en de toekomst van de tuinbouw. De vraag is of het al dan niet verantwoord is om de tuinbouw verder te verdrijven voor woningbouw.

In een rapport met de omvang van 43 bladzijden wordt de vraag van het gemeentebestuur enkele jaren later bevestigend beantwoord. Verdere verdringing van de tuinbouw ligt voor de hand en de mogelijkheid om benadeelde tuinders elders in de gemeente aan geschikte grond te helpen is aanwezig, zij het dat daarvoor drie of vier veehouderbedrijven zouden moeten wijken.

Daarmee is de strijd nog niet helemaal beslecht. Nadat uit een rapport van de Stichting voor Bodemkartering is gebleken dat de Zanderij uit eerste klas bollengrond bestaat, wordt het daar geplande villaparkje geschrapt.

De kop van een bericht in het Dagblad Kennemerland van 17 april 1953.
De kop van een bericht in het Dagblad Kennemerland van 17 april 1953.

Op 26 juni 1953 stelt de gemeenteraad een plan vast voor het gebied ten noorden van de Prinses Beatrixstraat tot aan de tegenwoordige Oranjelaan. Met bloedend hart zien veel raadsleden dat cultuurgrond voor woningbouw wordt opgeofferd. Raadslid en agrari√ęr Klaas Veldt wijst op de gevoelens van eigenaren van wie de grond van vader op zoon is overgegaan.
Hij wil zijn stem aan het plan geven onder voorwaarde dat aan de eigenaren en gebruikers, indien mogelijk, andere grond wordt teruggegeven.


Jaarboek 30, pagina 13

Rechts van het midden in de Zanderij de nieuwe veiling "Ons Belang". De offici√ęle opening van de nieuwe veiling vond plaats op 1 augustus 1952.
Rechts van het midden in de Zanderij de nieuwe veiling “Ons Belang”. De offici√ęle opening van de nieuwe veiling vond plaats op 1 augustus 1952.

De gemeente had inmiddels al ruim 11 hectare tuingrond onteigend en 40 hectare aangekocht. Toch was er op 1 augustus 1952 nog een nieuw veilinggebouw geopend aan de Kramersweg. De situatie rond het oude gebouw in de bocht van de Dorpsstraat was onhoudbaar. Het gemeentebestuur had zich wel afgevraagd of een nieuwe veiling wel bestaansmogelijkheden zou hebben. Verschillende instanties op tuinbouwgebied adviseerden echter positief, waarop de gemeenteraad besloot aan de verplaatsing mee te werken. De inkrimping van de tuinbouwgronden zou zich echter voortzetten.

Vooral in de jaren (negentien) zestig besloten veel agrari√ęrs om te stoppen. Velen gingen bij de Hoogovens werken. Zo liep de agrarische productie steeds meer terug. Op 23 september 1967 werd de veiling opgeheven en was Castricum tuinderdorp af. In het 19e jaarboek is de geschiedenis van de veiling beschreven.

Groot Castricum

Stedenbouwkundige Gouwetor kreeg opdracht om een structuurvisie voor de verdere ontwikkeling van de gemeente te maken. Zijn plan dat in 1957 werd afgeleverd, voorzag in een geweldige uitbreiding van Castricum tot 40.000 inwoners; een woonstad die in de toelichting Groot-Castricum wordt genoemd.

Een nieuw centrum en noordelijke, zuidelijke en oostelijke invalswegen en een westelijke randweg kenmerken het plan. De zuidelijke invalsweg zal de spoorlijn kruisen middels een viaduct. Bij het kruispunt van de hoofdwegen is het centrum gedacht. De provinciale commissie was het er in februari 1960 helemaal mee eens. Aan de gemeenteraad is het plan dan nog niet voorgelegd, in afwachting van een nieuw streekplan.

De Bomenbuurt in Castricum.
De Bomenbuurt. Helmkade; Kastanjelaan in Castricum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Inmiddels werd, uitgaande van de structuurvisie, een plan gemaakt voor de ontwikkeling van de zogenaamde bomenbuurt ten westen van de Kleibroek, op in 1953 nog gespaarde tuingrond. De raad verzette zich tegen de daar geplande etagebouw in drie lagen. Het plan werd in 1959 zonder etagebouw vastgesteld.

Het voorstel van een meerderheid van het college om een proefeenheid hoog bouw te realiseren wordt in maart 1960 eveneens verworpen. Alleen de fractie van de Partij van de Arbeid is er voor “omdat Noord-Kennemerland anders een groot vlak van huizen zal worden.”

Luchtfoto van Castricum in 1962. De wijk Kooiweg is in aanbouw. De oude Alkmaarderstraatweg is er nog mooi op te zien.
Luchtfoto van Castricum in 1962. De wijk Kooiweg is in aanbouw. De oude Alkmaarderstraatweg is er nog mooi op te zien.

Door vaststelling in 1960 van het plan in hoofdzaak ‘Oost’ (een nader uit te werken plan) wordt alvast ruimte gereserveerd voor de wijken Kooiweg, Molendijk, Noordend en een grote uitbreiding richting Uitgeest. Wethouder Veldt sprak bij de vaststelling met weemoed over zijn jeugd toen Castricum nog klein was en bestond uit een agrarische bevolking en daar ook door werd bestuurd. Hij kon zich de bezwaren van de agrari√ęrs goed indenken, maar het algemeen en nationaal belang zal moeten prevaleren. Hij benadrukte de grote offers die hierdoor van de agrarische bevolking worden gevraagd.

Burgemeester Smeets verwoordde in een nieuwjaarsrede de groei-ambitie van de gemeente als volgt: “Wij kunnen niet onverschillig staan tegenover de woningnood, die niet alleen hier, doch in nog ergere mate in de grotere centra in de omgeving heerst. Wij hebben begrepen, dat wij een taak hebben te vervullen, door degenen die in Amsterdam, de Zaanstreek of de IJmond hun werk hebben, doch daar geen woning kunnen krijgen, aan woonruimte te helpen. Wij hebben er ons mee verzoend, dat Castricum, in een tijdsbestek van 20 jaren tot 35 √† 40 duizend inwoners zal uitgroeien.”

Het raadslid Verkerk liet herhaaldelijk een tegengeluid horen: “Niet wat ons gemeentebestuur wil wordt t0t richtsnoer van ons handelen genomen, maar met een zeker fatalisme wordt het als een axioma aanvaard, dat ‘hogere machten’ uitgemaakt hebben dat Castricum een stad met circa 35.000 inwoners moet worden.”

Uitbreiding van Castricum volgens het in 1962 vastgestelde streekplan Noord-Kennemerland.
Uitbreiding van Castricum volgens het in 1962 vastgestelde streekplan Noord-Kennemerland.

Streekplan Noord-Kennemerland

In het ontwerp-streekplan Noord-Kennemerland wordt de structuur-visie van Castricum overgenomen. Bij de vaststelling van het streekplan op 10 december 1962 worden de uitbreidingsmogelijkheden van Castricum in oostelijke richting echter plotseling ingekrompen met enkele honderden meters. Wel wordt er enige compensatie gegeven aan de noord-oostzijde, waardoor op grondgebied van Limmen wordt gebouwd, wat een grenswijziging nodig zou maken.


Jaarboek 30, pagina 14

Door een gedeputeerde is in de vergadering van Provinciale Staten gezegd dat van Castricum een stuk is afgenomen, omdat die gemeente aarzelend staat ten opzichte van de bouw voor Hoogovenpersoneel. Een deel van de groei zou met handhaving van een bepaalde hoeveelheid open ruimte naar Uitgeest zijn overgeheveld. De raad tekent beroep aan tegen deze willekeurige beslissing. Het geplande nieuwe centrum komt hierdoor minder centraal te liggen. De raad vindt geen gehoor bij de Kroon, omdat Castricum nog voldoende armslag heeft voor uitbreidingen. Voorlopig verzoent men zich met de nieuwe situatie.

Kooiweg

In 1960 verkocht bouwbedrijf Biesterbos in enkele dagen tijd het grootste deel van de 160 koopwoningen in de Lindenlaan, Kastanjelaan en omgeving. Biesterbos had het gemeentebestuur wel verzocht de straatnamen op ‘laan’ te laten eindigen, omdat dit de verkoop ten goede zou komen. De woningen met een koopprijs vari√ęrende van 15.250 tot 16.000 gulden vlogen de deur uit.

Eind 1961 stelde de raad een uitwerking vast van het eerder genoemd plan in hoofdzaak ‘Oost’, namelijk het uitbreidingsplan Kooiweg met de op basis van de straatnaamgeving zogenoemde zeehelden- en componistenwijk. Het totale gebied werd in een keer uitgegeven, waardoor bouwbedrijf Biesterbos als medegrondeigenaar liefst 553 woningen kon bouwen.

Burgemeester Smets legde op 3 november 1962 aan de Offenbachstraat de eerste steen voor de 2000e naoorlogse woning. Met de hoed in de hand staan de burgemeester en de aannemer even stil bij deze mijlpaal.
Burgemeester Smets legde op 3 november 1962 aan de Offenbachstraat de eerste steen voor de tweeduizendste naoorlogse woning. Met de hoed in de hand staan de burgemeester en de aannemer even stil bij deze mijlpaal.

Op zaterdag 3 november 1962 legde burgemeester Smeets aan de Offenbachstraat de eerste steen voor de tweeduizendste naoorlogse woning. Aan het bouwbedrijf werd veel lof toegezwaaid, omdat er 120 goedkope koopwoningen voor Castricummers konden worden gebouwd.

De positie van het bouwbedrijf binnen de gemeente is de partij Castricums Belang een doorn in het oog. Het is het raadslid Bollen die menige aanval op het bouwbedrijf opent, maar er niet in slaagt de positie van het bouwbedrijf aan te tasten. Wel komt er concurrentie; ook andere bouwbedrijven kopen grond in toekomstige woongebieden om een vinger in de pap te krijgen.

Maquette van het plan Molendijk.
Maquette van het plan Molendijk.

Molendijk

In 1964 is het plan Kooiweg al weer nagenoeg vol gebouwd. Het gemeentebestuur heeft haast met het volgende plan: dat wordt het plan Molendijk. Belangrijk, omdat aan dit plan een nieuw winkelcentrum en de realisering van het nieuwe hoofdwegenstelsel is gekoppeld.

Bij de behandeling van het plan, met ruimte voor 1.280 woningen, verzette raadslid Verkerk van de VVD-fractie zich sterk tegen alle hoogbouw in het plan, daarbij gesteund door de KVP-fractie, waarvan J.P. Kraakman voorzitter was. KVP-wethouder Veldt volgde, anders dan in 1959, het standpunt van PvdA-wethouder Meijer en burgemeester Smeets. Van deze beslissing kreeg hij later spijt: “Het zou me zeker zijn gelukt de meerderheid van de raad mee te krijgen om alle hoogbouw te weren.”

Dokter de Jonghweg in 1975: hoogbouw aan de Loet met appartementsgebouwen Landzicht, Duinzicht en Zeezicht.
Dokter de Jonghweg in 1975: hoogbouw aan de Loet met appartementsgebouwen Landzicht, Duinzicht en Zeezicht.

Op voorstel van de AR/CHU-fractie, bij monde van de heer Kaper, koos een raadsmeerderheid voor drie torenflats, elk van tien etages hoog, langs de zuidelijke invalsweg (Dokter de Jonghweg).
Het voorstel van Verkerk om aan de stedenbouwkundige op te dragen voor de rest van de geplande hoogbouw alternatieven te bedenken, wordt op 28 januari 1964 met een kleine meerderheid aangenomen.

In een jaarverslag van de Provinciale Planologische Dienst wordt plan Molendijk, van stedenbouwkundige ir. Frits Johan Gouwetor, een voorbeeld genoemd van moderne stedenbouw. De oorsprong van het nieuwe uitbreidingsplan is gelegen in de werkgelegenheid, die Amsterdam, de IJmond en de Zaanstreek bieden. Het ‘buitenwonen’ wordt een karakteristiek van het plan genoemd. Het openbare groen ‘doorspoelt’ het gehele woongebied.

Eerste paal voor woningen plan Molendijk.
Eerste paal voor woningen plan Molendijk. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Bij de uitvoering van het plan ontbrandde een hevige strijd om de bouw van 124 woningen in Molendijk-Noord. In eerste instantie waren de huizen aan de Stichting Eigen Woningbezit toegedacht. Deze stichting bouwde in Molendijk-Zuid al 97 koopwoningen en slaagde er naar het oordeel van de raad niet in duidelijk te maken dat ook de 124 woningen allemaal aan Castricumse woningzoekenden verkocht zouden worden.

(tekst loopt door op pagina 16)


Jaarboek 30, pagina 15

Publieke tribune in het oude raadhuis tijdens de spannende debatten over woningbouw in Molendijk.
Publieke tribune in het oude raadhuis tijdens de spannende debatten over woningbouw in Molendijk. Op de voorgrond van links naar rechts de raadsleden G.Meijer en mevrouw M. Wentink.-Beusman van de PvdA en mr. J. Verkerk en J. de Vries van de VVD.

Jaarboek 30, pagina 16

Vervolgens moest de raad kiezen tussen aanbiedingen van bouw- bedrijf Biesterbos en van de combinatie Flink/De Nijs. In augustus 1967 staakten de stemmen over het voorstel van burgemeester en wethouders om het aanbod van Biesterbos te aanvaarden: 8-8. De heren W.M. Hendrikse, A. Kooiman en J. Kraakman maakten sinds september 1966 deel uit van het college. De raadsleden ir. W. Stam en J.J. Bollen voerden de oppositie aan.

Er werden krantjes verspreid, zoals ‘De Noodkreet’ en stickers met de tekst ‘Geen Stam-gezwam, maar woningen’. Op het laatste moment bood de combinatie Flink/De Nijs aan onder dezelfde voorwaarden als Biesterbos te bouwen. Onder grote belangstelling op de publieke tribune werd het aanbod van Biesterbos op 26 september 1967 toch met algemene stemmen aangenomen. De volgende dag bracht het Nieuwsblad voor Castricum het nieuws in een extra editie!

Burgemeester Smeets geflankeerd door de drie grote Castricumse aannemers.
Burgemeester Smeets geflankeerd door de drie grote Castricumse aannemers. Van links naar rechts Cees Flink, burgemeester Smeets, Jan Biesterbos en Thijs de Nijs.

De groei van Castricum verliep snel; van 8.871 in 1950 tot bijna 17.000 inwoners op 1 januari 1968. Hierdoor ontstond voldoende draagvlak voor nieuwe voorzieningen op het gebied van onderwijs, zorg, sport, cultuur enzovoorts. Veel daarvan is in de jaren (negentien) zeventig gerealiseerd.

Loco-burgemeester Hendrikse droeg op 3 januari 1969 de voorzittershamer over aan burgemeester Van Boxtel. Een nieuw tijdperk brak aan ...
Loco-burgemeester Hendrikse droeg op 3 januari 1969 de voorzittershamer over aan burgemeester Van Boxtel. Een nieuw tijdperk brak aan …

Burgemeester Van Boxtel

Eind 1968 nam burgemeester Smeets afscheid na 23 jaar op een zeer gewaardeerde manier leiding te hebben gegeven aan de groei van Castricum. Er werd een groots afscheid voor hem georganiseerd en hij werd benoemd tot ereburger. Dankbaarheid voerde de boventoon.

Burgemeester Nielen van Heemskerk bood een boom aan, die in de groene zone tussen Castricum en Heemskerk geplant moest worden om Castricum te beschermen tegen de wind uit de IJmond …

Per 1 januari 1969 wordt burgemeester W.C.A.M. van Boxtel – wethouder van Breda – benoemd. Hij komt in een periode van toenemende politieke spanningen en bestuurlijke vernieuwingen. Er zijn volop vragen over het toekomstige inwonertal van Castricum, de wegenstructuur, winkelcentra en andere voorzieningen. De inwoners willen ‘inspraak’, een tot dan toe nieuw begrip. Bijna overenthousiast slaat de nieuwe burgemeester de hand aan de ploeg. Zijn retorische gaven zijn groot en de raadsvergaderingen duren tot diep in de nacht, maar ondanks alle politieke problemen wordt er veel gepresteerd.

Niek Kaan

Bronnen:

  • Archief gemeente Castricum.
  • Archief provincie Noord-Holland.
  • Archief oud-wethouder Hendrikse, in bezit van de Werkgroep Oud-Castricum.
  • Bosma, J.E., Casseres de, J.M. De eerste planoloog, 2003.
  • Ostendorf, W.J.M. Het sociaal profiel van de gemeente, 1988.
  • Ruijter W. Jzn. Q. de, Schippers van het Stet, 1974.