Kroniek 1981 van de Gemeente Castricum (Jaarboek 05 1982 pg 42-43)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 5, pagina 42

Kroniek 1981 van de Gemeente Castricum

Januari

Het aantal inwoners bedraagt 22.727

2 Nieuwe accommodatie van Vitesse ’22 op het sportpark De Puikman geopend.

4 De heer W.C. Brouwer secretaris woningbouwvereniging Goed Wonen overleden.

16 Receptie ter gelegenheid van de renovatie van de St. Pancratiuskerk.

We kijken in de richting van de Dorpsstraat. De markt is vanaf 1951 hier gehouden. In 2001 verhuisde de markt naar de Dorpsstraat.
We kijken in de richting van de Dorpsstraat. DeĀ markt is vanaf 1951 hier gehouden. In 2001 verhuisde deĀ markt naar de Dorpsstraat. Toegevoegd.

29 Na uitvoerig beraad besloot de gemeenteraad niet in te gaan op de wens van de marktkooplieden de weekmarkt te verplaatsen van de Burgemeester Mooijstraat naar een parkeerterrein bij het winkelcentrum Geesterduin.

Ā 
Februari

1 Viering tienjarig bestaan van de carnavalsvereniging “De Windtrappers”.

4 De heer P.F. Janzen besluit om gezondheidsredenen als wethouder en raadslid af te treden.

7 CafĆ© Het Biljartpaleis voorheen gevestigd op de hoek van de Dorpsstraat – Burgemeester Mooijstraat is verhuisd naar het daarnaast gelegen vroegere veilinggebouw van de Tuinbouwvereniging Ons Belang. Het voormalig cafĆ© en bondshotel krijgt een winkelbestemming.

7 Museum van provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch na renovatie wederom opengesteld.

18 Eerste gerenoveerde woning aan de Leo Toepoelstraat van renovatieproject woningbouwvereniging St. Jozef opgeleverd.

Ā 
Maart

6 Mevr. M. Siekerman – Korver en J. Harmse worden benoemd tot ere-leden van de Projectgroep Arbeidsongeschikten.

Ā 
April

3 Wethouder H.P. Wokke en oud-wethouder ir. H. v.d. Velde reiken de eerste sleutels uit van een complex van 42 woningen voor 1 en 2 persoons huishoudens aan het Kortenaerplantsoen.

4 Heropening door wethouder mevr. Postelmans van het verbouwde clubhuis van de Mixed Hockey Club Castricum.

8 Receptie ter gelegenheid van de promotie naar de eredivisie van het damesteam van de volleybalvereniging The Smash.

26 Opening door wethouder mevr. J. Postelmans van een nieuw clubgebouw van de schietvereniging De Vrijheid.

27 Burgemeester Gmelich Meijling en oud-wethouder Janzen verwelkomen met een bloemetje de bewoners van het nieuwe woonwagenkampje aan De Bloemen.

29 Drie Castricumse ingezetenen de heren G.R. Hendriks, K. Molenaar en H.C. Scheerman ontvangen een Koninklijke onderscheiding.

29 De raad besluit een overeenkomst aan te gaan met Maco-bouw te Amsterdam voor de bouw van een nieuw gemeentehuis aan de Soomerwegh. Het raadslid Bijlenga stemde als enige tegen onder verwijzing naar de onzekere financiƫle positie van de gemeente.

Ā 
Mei

8 Afscheidsreceptie van de heer P.F. Janzen als wethouder, waarbij hij een Koninklijke onderscheiding ontvangt. De heer Janzen was bijna twintig jaar actief in de gemeentepolitiek.

14 Viering twintigjarig jubileum van de amateur-tuindersvereniging.

15 Viering tienjarig bestaan van de R.K. kleuter- en lagere school De Molenweid.

16 Opening nieuwe strandaccommodatie van de E.H.B.O. en de Castricumse reddingsbrigade door wethouder H.P. Wokke.

16 Opening nieuw kantoor Nutsspaarbank in winkelcentrum Geesterduin.

Ā 
Juni

19 Na een dienstverband van 48 jaar heeft de heer H. Koelman ambtenaar van de gemeente Castricum afscheid genomen.

22 De oude politie-strandpost te Castricum aan Zee is opnieuw in gebruik genomen.

26 Officiƫle opening vernieuwde groepspraktijk tandartsen aan de Schelgeest.

27 Afscheid van de heer H. Wegdam hoofd van de Gerardusschool, eerder hoofd van de Pius X school.

29 De gemeenteraad heeft om financiƫle redenen besloten af te zien van het streven naar de bouw van een nieuwe centrale accommodatie voor sociaal-culturele activiteiten.

29 In het kader van de gemeentelijke standpunt bepaling met betrekking tot de herziening van het streekplan Noord-Kennemerland besluit een kleine meerderheid de structuurschets 1973 te handhaven ten aanzien van de omvang van de oostelijke uitbreiding. Met 11 tegen 7 stemmen werd


Jaarboek 5, pagina 43

besloten de in de struktuurschets geplande zuidelijke randweg te schrappen.

Ā 
Juli

1 De heer L. Abercrombie, scheidend directeur filterfabriek “Golden Super” ontvangt een Koninklijke onderscheiding.

5 Open huis van het verzorgingstehuis ” Op de Hooghe Aert “.

8 In het dorpscentrum wordt voor de 2e maal een wielerronde gehouden, genaamd de “Dubbele lus van Castricum”.

12 Pastoor Meijer van de Pancratiusparochie op familiebezoek in Australiƫ overleden.

Ā 
Augustus

15 Jaarlijkse rommelmarkt van het jongerencentrum “De Bakkerij” bracht 15.780 gulden op, tegenover in 1980 ruim 25.000 gulden.

15 In de nacht van zaterdag op zondag is de lagere agrarische school aan de Oranjelaan door brand geheel verwoest.

27 Een langdurige discussie over de pro’s en contra’s van eenrichtingverkeer in de Dorpsstraat wordt door de raad afgesloten met het besluit dat het tweerichtingverkeer gehandhaafd zal blijven.

28 Tijdens een bijzondere raadsvergadering wordt afscheid genomen van de heer J.A. Middelhoff loco-gemeentesecretaris, wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Hij wordt benoemd tot ereburger.

Cor Heeck met Lida Tulp en burgemeester Van Boxtel.
CorĀ Heeck met Lida Tulp en burgemeester Van Boxtel bij een expositie in de Clinghe op Duin en Bosch. Toegevoegd.

29 Opening door de burgemeester van een tentoonstelling van het werk van de kunstschilder J.C. Heeck ter gelegenheid van diens afscheid als begeleider van de schildersclub “Perspectief”.

Ā 
September

11 Opening door wethouder Ritzer van de havo-afdeling van de Jac. P. Thijsse openbare scholengemeenschap voor havo en mavo. De heer G.J. Korrelboom is tot directeur benoemd.

24 Raad stemt in beginsel in met een bouwplan voor een woongebouw met 84 wooneenheden op het terrein van de voormalige Pius X school aan de Alkmaarderstraatweg.

Ā 
Oktober

2 Het oudste bestuurslid van de woningbouwvereniging St. Jozef de heer L.H. Scholten legt de eerste steen voor de bouw van 41 huurwoningen en een nieuwe kantoorruimte aan de Cieweg en de Dokter de Jonghweg.

3 Viering 2e lustrum van het Bonhoeffer college.

9 Mevr. M.J. Postelmans – Blankemeijer slaat de eerste paal voor de bouw van de eerste woningen in de wijk Kooiweg Noord.

9 Indrukwekkende uitvoering van het Mendelsohn’s “Elias” door de Castricumse Oratoriumvereniging in de Pancratiuskerk.

10 Naar aanleiding van het 65-jarig bestaan van de vrouwenvereniging “Dorcas” is een bazar georganiseerd, ten behoeve van nieuwbouw Hervormd gemeentecentrum.

16 Officiƫle opening door burgemeester Gmelich Meijling van een nieuw kantoor van de Algemene Bank Nederland aan de Dorpsstraat.

18 De directeur van gemeentewerken R. Vries overleden.

18 Supermarkt op het kampeerterrein Bakkum door brand verwoest.

21 Heropening kantoor Nederlandse Middenstandsbank (NMB, nu: ING) aan de Burgemeester Mooijstraat.

Ā 
November

4 Raad besluit tot verkoop van de voormalige ambtswoning aan de Stationsweg aan burgemeester Gmelich Meijling.

11 De carnavalsvereniging stelt prins Psychodomus I voor.

25 De gemeenteraad besluit om financiƫle redenen verschillende randvoorzieningen van het onderwijs te beperken dan wel af te bouwen o.a. subsidiƫring godsdienstonderwijs, logopedische hulp etc.
Plannen voor de bouw van een sportzaal en een nieuwe muziekschool definitief van de baan.

Ā 
December

5 Wethouder V.G.N. Ritzer benoemd per 1 januari 1982 tot burgemeester van de gemeente Schinveld in Limburg.

17 De heer F.A. van Wijk wordt benoemd tot directeur gemeentewerken.

17 De raad besluit om financiƫle redenen het lidmaatschap van de Raad van Europese Gemeenten op te zeggen.

17 Raad akkoord met drastische huurverhoging gemeentelijke accommodaties voor sociaal-culturele activiteiten.

27 Schaatswedstrijden op de Kennemer ijsbaan.

Jaarverslag 1981 (vJaarboek 05 1982 pg 40-41)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 5, pagina 40

Jaarverslag 1981

Jaarboekje

Het in 1981 verschenen vierde jaarboekje van de werkgroep bevatte een hoofdartikel van de heer Q. de Ruijter over de duinboerderijen en de bewoners.
Verder een artikel van de heer Mooy over een middeleeuwse schoen gevonden tijdens het bouwrijpmaken van de wijk Noordend.
In de rubriek “Wie was…” beschreef de heer S.P.A. Zuurbier de oud-burgemeester Jan de Quack. Voor de eerste keer een artikel over oude Castricumse familienamen, waarin de familie Duinmeijer werd behandeld, door de heer ir. H. v.d. Velde. Verder kwamen de gebruikelijke rubrieken terug, Castricum – honderd jaar geleden, de kroniek 1980 en het jaarverslag.
In verband met de stijgende belangstelling was deze oplage snel uitverkocht.
In verband met de toenemende kosten van de uitgave heeft de werkgroep een subsidie aangevraagd bij het Anjerfonds.
In december werd bericht ontvangen dat een subsidie van 500 gulden is toegekend.

Aktiviteiten werkgroep historie

Belangrijke aktiviteit van de werkgroep was uiteraard het onderzoek in archieven. Bezoeken zijn gebracht aan de gemeentearchieven in Velsen, Leiden, Haarlem, en Alkmaar. Ook het rijksarchief in Haarlem is bezocht. Veel tijd is besteed aan de kadastrale archieven te Alkmaar en Amsterdam om een overzicht te verkrijgen van bewoners en eigenaren in Castricum omstreeks het jaar 1830.
Verder is gewerkt aan de fichering van Castricumse doop- en trouwboeken uit 17e en 18e eeuw.

Aktiviteiten werkgroep archeologie

In de maand april werden bouwaktiviteiten voorbereid op een terrein gelegen aan de Cieweg hoek Dokter de Jonghweg. Deze gelegenheid is benut om waarnemingen te doen, omdat juist in dit gebied uitgebreide bewoningssporen uit de eerste eeuwen van de jaartelling zijn aangetroffen. In 1982 zal de inrichting van het binnenterrein worden uitgevoerd. De werkgroep hoopt dan nog enig aanvullend onderzoek te kunnen doen.
In verband met de start van het bouwrijpmaken van de wijk Kooiweg-Noord zijn ook aldaar waarnemingen gedaan. Alleen enige verspreide scherfjes (Pingsdorf) daterende uit omstreeks de 12e eeuw zijn aangetroffen.
Veel aandacht is ook in het verslagjaar weer besteed aan de restauratie van archeologische vondsten en aan de afronding van opgravingsverslagen.

Bestemming oude raadhuis

In een brief d.d. 4 juni 1981 heeft de werkgroep de gemeenteraad van Castricum gevraagd het oude raadhuis aan de Dorpsstraat niet te verkopen en de openbare bestemming te handhaven. De werkgroep zou het bijzonder betreuren indien dit gebouw voor de gemeenschap verloren zou gaan.
Omdat het gebouw de Duynkant voor de activiteiten van de werkgroep te klein begint te worden, is aangeboden mee te werken aan de vestiging van de oudheidkamer in een deel van het oude raadhuis.
Ook voor de ruimtenood van andere instellingen zou in dit gebouw een oplossing gevonden kunnen worden. De gemeenteraad heeft op 27 augustus 1981 besloten ons verzoek te betrekken bij een nadere studie over sociaal-culturele accomodaties.
Inmiddels is vernomen dat er plannen worden voorbereid de muziekschool in het gebouw te huisvesten.

Bezoek aan De Duynkant

Gedurende 6 zondagmiddagen in de zomermaanden is het museum weer gratis voor bezoekers opengesteld. Er blijkt toch steeds weer een redelijke belangstelling voor te zijn.
Ook zijn door mevrouw Steeman – Borst buiten het zomerseizoen weer diverse schoolklassen en jeugdgroepen ontvangen en rondgeleid.

Lezing

De voorzitter van de werkgroep de heer G. van Geenhuizen heeft een dia-presentatie betreffende Castricum’s historie samengesteld. Op twee schermen worden beelden van oud en nieuw Castricum getoond.
Op 10 november 1981 heeft hij voor de eerste keer een avond verzorgd en uiteraard voor de donateurs van de werkgroep. Het is een zeer geslaagde avond geworden.

Uitbreiding collectie

Diverse zaken werden in 1981 aan de collectie van de werkgroep toegevoegd. De volgende boeken zijn aangekocht:
Het Molenrijk Uitgeest (door J.C. Krom); Middeleeuwse kastelen (mr. J.W. Groesbeek); en Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de middeleeuwen (J.K. de Cock); het boek Archieven in Noord-Holland inhoudend overzichten van archieven in verzamelingen in de openbare archief- bewaarplaatsen; Verleden Land; ambtsketens van Burgemeesters in Nederland en Stoomtrams rond Alkmaar.
Ook zijn hoogtekaarten van Castricums grondgebied aangekocht alsmede een geomorfologische kaart. Een groot aantal fotokopieĆ«n en foto’s van documenten uit verschillende archieven zijn in ons bezit gekomen, waaronder stukken betreffende de procesgang van Pieter Kieft; verpondingenregisters; registers civique; schelpenvisserij etc.
Twee jaargangen van het Nieuwsblad voor Castricum e.o. werden ingebonden.

Schenking

Ter gelegenheid van de opening van de nieuwe ABN bank op 16 oktober werd de werkgroep verblijd met een schenking van 1.500 gulden. Dit bedrag zal worden besteed voor aankoop van een document betreffende de plaatselijke historie.


Jaarboek 5, pagina 41

Excursie

De leden van de werkgroep brachten op 17 september een bezoek aan de omvangrijke opgravingen door Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek van een nederzetting uit de Romeinse tijd in Uitgeest.
Verder werd op 31 oktober een excursie gemaakt naar het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden.

Bestuur, leden en donateurs

Op 31 december 1981 was het bestuur van de werkgroep als volgt samengesteld:
G. van Geenhuizen, voorzitter
N.A. Kaan, secretaris
S.P.A. Zuurbier, penningmeester
E. Mooy, lid
F. Baars, lid
H. Vermanen, lid

Tijdens de jaarvergadering op 25 mei 1981 werden de heren Baars en Zuurbier herkozen als bestuursleden.
Op 31 december 1981 bedroeg het aantal donateurs 311. Ten opzichte van 1980 is het aantal toegenomen met 46.

Castricum – honderd jaar geleden 1881 (Jaarboek 05 1982 pg 37-39)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 5, pagina 37

Castricum – honderd jaar geleden 1881

In het jaar 1881 kunnen er geen schokkende gebeurtenissen te Castricum worden opgetekend. Het gemeentebestuur onder voorzitterschap van burgemeester jonkheer Boreel van Hogelanden heeft zich in dit jaar onder andere bezig gehouden met de vernieuwing van de Bakkummerstraatweg, verzoeken voor een stoomtramlijn en een paardentramlijn van Castricum naar de Egmonden en met een verordening rond de drankwet. De burgemeester wordt regelmatig in het ongelijk gesteld en hij vraagt zich af of hij nog wel voldoende vertrouwen van de gemeenteraad geniet. Als kamerjonker in dienst van koning Willem III gaat hij in 1881 naar Rusland ter gelegenheid van de kroning van Alexander III tot tsaar der Russen.

Op 1 januari 1881 telt Castricum 1.574 inwoners; op 31 december 1881 is dit aantal toegenomen tot 1.633 inwoners. In 1881 worden 71 kinderen geboren, overlijden er 25 personen en is er een vestigingsoverschot van 13 personen.

 
5 januari 1881

Het gemeentebestuur bestaat naast de burgemeester Boreel van Hogelanden uit de wethouders Jacob Brakenhoff en A. van der Park en uit de raadsleden Jacob Kuijs Pz., W. Melker, J. Kuijs en F. Glorie. Door het overlijden van raadslid Jacobus Apeldoorn wordt op deze datum Jan Adam van Soll als nieuw raadslid geĆÆnstalleerd.

 
17 januari 1881

De vernieuwing van de Bakkummerstraatweg is onderhands aanbesteed bij aannemer Othes uit Wognum. De raad heeft hiertegen bezwaar, wil de opdracht aan een Castricummer gunnen en wil besluiten tot een publieke aanbesteding. De burgemeester is het hier niet mee eens, allereerst vanwege de beloftes die inmiddels aan Othes zijn gedaan en bovendien omdat naar zijn zeggen metselaar P. de Nijs geen goed werk kan leveren. De gemeenteraad blijft echter bij haar besluit. Op 6 april 1881 vindt de aanbesteding plaats van het vernieuwen, herstellen en onderhouden van een gedeelte van de straatweg in de buurtschap Bakkum. De uitvoering wordt geschat op 1 tot 2 jaar.
De laagste inschrijver is de Castricummer Lambertus van Benthem voor 399 gulden, verder Pieter Othes uit Wognum voor 490 gulden, Pieter Langedijk uit Beverwijk voor 690, gulden, Gerrit Ruiter uit Uitgeest voor 800 gulden en tenslotte Pieter de Nijs uit Castricum voor 825 gulden.
De opdracht gaat derhalve naar van Benthem, terwijl Othes een schadevergoeding krijgt van 28,90 gulden voor de gemaakte onkosten bij de opname van de Bakkummerweg.

 
1 februari 1881

Mej. A.W.B. de Hoog wordt als hulponderwijzeres aangesteld tegen een jaarsalaris van 500 gulden. Het onderwijzend personeel van de nog enige school in Castricum bestaat uit de hoofdonderwijzer Frans Ludewig, de heer D. Dekker en (tijdelijk?) de heer E. Berendsen met resp. een jaarsalaris van 900, 650 en 700 gulden.

 
9 februari 1881

Enkele opgaven aan de Commissaris van de Koning vermelden dat in Castricum:

  • 2 stoomketels in gebruik zijn
  • circa 5 bunder land met bloembollen worden beteeld, in welke bedrijfstak in totaal 23 mensen werkzaam zijn
  • de heer A. Reijnders als enige heelmeester met de geneeskundige verzorging is belast.

 
16 februari 1881

Jaarlijks wordt publiekelijk bij opbod het gras van de bermen der gemeentewegen verpacht. In de acte, die de namen van de pachters bevat, treffen we veel straatnamen die nu nog bestaan. De volgende namen worden in de akte genoemd:

  • Bakkummerweg (nu de Torenstraat + Ruiterweg + Bakkummerstraat + Heereweg)
  • wegje achter Kerkzicht (nu Korte Cieweg)
  • in Noord Bakkum: Duinweg, Zanddijk, Hoogenweg, Limmerweg, het Groenelaantje, Noordbakkummerdijkje en de Madeweg.
  • in Bakkum: Jan Miessenlaan, het Dijkje, de Haagse weg, de Laan, de Bleumer- of Veldweg, de Achterlaan, het Karhok.
  • in Castricum: de Stet of Noordeinderweg, Kooijweg en Diepenlaan, de eerste en tweede Groenelaan, Kramersweg, stationsterrein met toegangswegen langs de veelading, Nieuweweg, weg naar Heemstede, Heemstederweg, Teeliksweg, weg naar Dijksmeer, Maardijk, Achterweg tot het Haarlemmervoetpad en verder tot de Parallelweg, de Breeweg en het Over, de Oudeweg, de Parallelweg bij de tol, het Postlaantje en de Malleweg.

 
6 april 1881

De zogeheten kiezerslijsten zijn gesloten. Het aantal kiezers in de gemeente Castricum bedraagt 60 personen voor de verkiezing van de leden der Tweede Kamer en 93 personen voor de verkiezing van een nieuwe gemeenteraad. Op de 3e maandag in september 1881 treden 7 leden der Tweede Kamer af uit de hoofdkiesdistricten Hoorn, Alkmaar, Amsterdam en Haarlem. Castricum hoort als onderkiesdistrict bij Alkmaar. In district Alkmaar trad af als lid der 2e Kamer Mr. W. van der Kaay; voor deze vacature gaan de 60 kiesgerechtigden op 14 juni 1881 te Castricum naar de stembus.

 
4 mei 1881

De gemeenteraad keurt een voorstel goed om de jaarwedde van de burgemeester met 50 te verhogen tot 300 gulden. De goedkeuring van Zijne Majesteit de Koning wordt op 9 juni verleend en de verhoging gaat in op 1 juli 1881.

 
19 juli 1881

Het dagelijks bestuur besluit de brandspuit, welke zij tevoren bij de heer F.W. Stoel te Alkmaar heeft zien werken, van genoemde heer Stoel aan te kopen voor de somma van 250 gulden.


Jaarboek 5, pagina 38

18 augustus 1881

Anthonie Reijnders is op 66-jarige leeftijd overleden. Hij is niet minder dan 36 jaar de heel- en vroedmeester van Castricum geweest. Na het overlijden van dokter Bernardus Res in 1845 was hij naar Castricum gekomen. Reeds in februari 1881 is door zijn slechte gezondheidstoestand de 25-jarige dokter Pieter Stolp hem komen vervangen. Tot 1905 zal Pieter Stolp de geneeskunst in Castricum beoefenen.

 
4 september 1881

Van de heer Jan Holland komt het verzoek voor de aanleg en exploitatie van een stoomtramlijn vanaf het station Castricum naar de grens met Egmond Binnen, daar aansluitend op het baanvak Egmond Binnen – Bergen, voor welke lijn eveneens vergunning is aangevraagd. De heer Holland heeft zich voorgesteld om:
ā€¢ een smal spoor te maken van 1 meter breed, over de zandweg (Mient) lopende vanaf het station parallel aan de spoorlijn richting Alkmaar tot aan de rijweg van Castricum naar de Egmonden buigende aldaar om over de spoorweg (Vinkebaan) om vervolgens op de oostelijke berm te continueren.

  • overal de verharde weg vrij te laten behalve daar waar zulks onvermijdelijk is.
  • niet met een hogere snelheid dan 15 km per uur buiten en dan 6 km per uur binnen de kom der gemeente te rijden en door bellen de nadering der tram aan te kondigen.
  • de locomotieven van dezelfde constructie en model als algemeen bij stoomtrammen worden gebruikt in te zetten en te stoken met cokes.
  • het houtgewas langs de weg zoveel mogelijk te vermijden door daar waar de ruimte zulks toelaat de weg achter langs de bomen om te leggen.
  • in de kom der gemeente gebruik te zullen maken van verzonken rails, daarbuiten van “vignola”rails.

De heer Holland schrijft verder dat hem “sinds jaren in – en met deze streken bekend, is gebleken hoe stiefmoederlijk deze prachtige streek tot heden met vervoermiddelen bedeeld is, hoe met verlangen naar communicatie met de Egmonden en Bergen wordt uitgezien en de bijna algemeene wensch der bewoners zich uit in de woorden, hadden we maar een stoomtram dan zou ‘t wel beter gaan. Adressant durft dus met vertrouwen de vergunning van de aangevraagde lijn te verzoeken, omdat ze welvaart zal verspreiden, ‘t postwezen en goederenvervoer beter zal worden, de afstanden doet verdwijnen, Castricum – Egmond Binnen en -Zee – Bergen Ć©Ć©n maakt, ‘t verkeer doet toenemen/want waar de gelegenheid is zijn ook de menschen / ‘t welk de gemeente doet bloeijen. Castricum zoo lief gelegen, historisch beroemd door den bloedigen veldslag in 1799 in hare nabijheid geleverd, Egmond a. Zee als badplaats zoo aanbevolen, doch bij gebrek aan communicatie zoo weinig bezocht. Bergen beroemd door buiten – zoowel als inlanders; kortom die streek waar eens ‘t geslacht der Kaninefaten zich vestigden, die streek zoo schoon en toch zoo onbekend zal aan die onbekendheid ontrukt en door duizenden bezocht worden door middel van den geest des tijds, de stoom”.

Op 19 oktober 1881 verleent de gemeenteraad goedkeuring voor de exploitatie van een stoomtramweg langs de Bakkummerstraatweg, mits de weg wordt aangelegd vanaf vĆ³Ć³r 1 januari 1882 tot november 1882.
Holland gaat hiermee akkoord maar zegt tevens, dat hij nog niet de goedkeuring binnen heeft van de Hoge Erfgenamen van wijlen Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Frederik op het verzoek om over de oude weg lopend door de duinen van wijlen Zijne Koninklijke Hoogheid, te mogen.

 
10 september 1881

Er is een brief ontvangen van de schoolopziener van het lager onderwijs in het district Haarlem met daarin opgenomen het lesrooster voor de school. We kunnen hierin zien dat de kinderen 25 uur per week les hebben. De schoolopziener (tegenwoordig inspecteur) geeft B. en W. in overweging om herhalingsonderwijs in te voeren voor die kinderen, die reeds de lagere school hebben doorlopen. Dit onderwijs zal dan gegeven moeten worden telkens 2 uur op 4 avonden in de week gedurende de maanden november, december, januari, februari en maart.

 
12 september 1881

Na het verzoek voor een stoomtramlijn komt ruim Ć©Ć©n week later een verzoek van C. de Groot uit Egmond aan Zee, die zich met drie andere compagnons hebben verenigd in de Kennemerlander Tramway Compagnie tot het aanleggen en in exploitatie brengen van paardetramlijnen. Zij geloven dat het noodzakelijk zal zijn een lijn aan te leggen van Egmond aan den Hoef langs Rinnegom, Egmond Binnen, Bakkummerduin naar het station van Castricum.

 
19 oktober 1881

In de gemeenteraad is het voorstel aan de orde om de kosten van het zogeheten vergunningsrecht van 20 gulden voor elke honderd gulden huurwaarde te verhogen naar 25 gulden. Dit recht geeft vergunning tot het uitoefenen van de kleinhandel in sterken drank. De burgemeester is voorstander van de prijsverhoging, terwijl de meerderheid van de gemeenteraad vindt dat de kasteleins dan teveel moeten betalen en daarom het voorstel afwijst. Het voorstel is een uitvloeisel van de wet, die op 28 juni van dit jaar van kracht is geworden en bepalingen inhoudt tot regeling van de kleinhandel in sterke drank en tot beteugeling van de openbare dronkenschap. Zo worden de kosten met 25% verminderd voor die herbergier die schriftelijk verklaart tussen zaterdagavond 6 uur en maandagmorgen 6 uur geen sterke drank te verkopen noch te schenken.
De huurwaarde van de lokaliteit waar de sterke drank wordt verkocht, wordt jaarlijks door deskundigen vastgesteld. In de raadsvergadering wordt tenslotte een uitgebreide verordening betreffende de drankwet vastgesteld.

 
15 november 1881

Door de Commissaris des Konings is op voordracht van de burgemeester van Castricum tot veldwachter van deze gemeente benoemd de heer Jan Beusman op een jaarwedde van 330 gulden per jaar te voldoen uit de gemeentekas.
Jan Beusman volgt hiermee Cornelis Bakker op, die op 13 september 1881 op 68-jarige leeftijd is overleden en ruim 30 jaar de gemeente als veldwachter heeft gediend.

Voor de kandidatuur van Jan Beusman heeft dominee P.A. van der Laan een aanbevelingsbrief aan de burgemeester gericht. Omdat dit briefje de geest van die tijd goed weergeeft, wil ik dit hierbij graag onverkort weergeven: “Jan Beusman ken ik sedert jaren van eene goede zijde en geloof zeker dat er in de gemeente van Castricum geen beter en geschikter persoon voor die betrekking te vinden zou zijn. Hij is een gepasporteerd militair, bezit een goed voorkomen en flinke houding dusdanige hoedanigheden om ontzag in te boezemen, kan redelijk wel schrijven zoodat hij bij eenige oefening spoedig in staat zou zijn om desgevordert zelf proces verbaal op te maken. Hij is getrouwd met eene zeer nette en propere vrouw, woont midden in het dorp, behoort niet dadelijk tot wat men noemt


Jaarboek 5, pagina 39

den armoedigen stand en aangezien dat hij behoort tot den gereformeerde godsdienst zou, zoo Uwe keus op hem mogt vallen U Ed. hem in alle vrijmoedigheid aan zijn Excellentie den Commissaris des Konings kunnen voordragen en ik geloof dat ieder in onze gemeente met zijne benoeming als zodanig zou te vreden zijn, U Ed. aan hem een zeer goeden veldwachter zou hebben daar hij zeer goed weet waar hij staan moet, bescheiden is. In een woord ik durf hem gerust aan U Ed. aan te bevelen”.

 
14 december 1881

De gemeenteraad neemt het besluit om het lijkenhuisje met Ć©Ć©n meter te verlengen, opdat de nieuw aangekochte brandspuit er in kan worden geborgen. De hieraan verbonden kosten bedragen 50 gulden.

 
30 december 1881

Verzoek van J. Holland uit Amsterdam om uitstel van de datum, waarop een aanvang gemaakt moet worden met de aanleg van de stoomtramweg van 1 januari naar 1 mei 1882. Dit in verband met het ontbreken van de toestemming om met de tram door de duinen van wijlen Z.K.H. Prins Frederik te mogen gaan.

 
31 december 1881

De gemeenterekening over het jaar 1881 bedraagt aan inkomsten 10.987 gulden en aan uitgaven 10.315 gulden. Het batig saldo bedraagt derhalve 672 gulden.

Een opgave aan de Commissaris van de Koning over de gestrande goederen in het jaar 1881 maakt melding van het aanspoelen van in totaal 4 “drenkeldoden”, allen van het mannelijk geslacht. Bovendien is op 18 december het Nederlandse schip “Kinderdijk” gestrand, welke is geladen met stukgoederen.

S.P.A. Zuurbier

Zaalberg, Hermanus (Jaarboek 05 1982 pg 21-26)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, GrĆ© – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 5, pagina 21

Wie was … Hermanus Zaalberg

Hermanus Zaalberg
Hermanus Zaalberg

Vorig jaar heb ik in de rubriek “Wie was…” aandacht geschonken aan de hier weinig bekende en toch zo veelzijdige burgemeester Jan de Quack. Dit jaar is opnieuw de schijnwerper gericht op een burgemeester van Castricum. Ook in toekomstige jaarboekjes zullen burgemeesters in deze rubriek aan bod komen.
Daarbij gaat het meer om een stukje Castricumse geschiedenis, die zich uitstrekt over de betreffende ambtsperiode dan om de persoonsbeschrijving van de burgemeester.
Hermanus Zaalberg wordt in januari 1868 burgemeester van Castricum en heeft slechts anderhalf jaar dit ambt bekleed. Hij is hiermee tot nu toe de burgemeester met de kortste ambtsperiode. Hermanus, zoon van de toen reeds bekende dekenfabrikant Johannes Zaalberg, is geboren in Leiden en heeft daar 55 jaar gewoond.

Op 21 januari 1868 wordt hij benoemd tot burgemeester van Castricum en Heemskerk. Zijn voortvarendheid en beslistheid, waarmee hij bepaalde zaken, die naar zijn idee scheef gegroeid waren, wil recht zetten, brengt hem weldra in conflictsituaties, welke hem uiteindelijk tot aftreden zullen dwingen.

Dekenfabrikant in Leiden

Op 17 mei 1812 wordt Hermanus Zaalberg te Leiden geboren als zoon van Johannes Cornelis Zaalberg, fabrikant van wollen dekens. Dat jaar verkeerde ons land nog onder Franse overheersing. Van zijn jeugd is weinig bekend, hij wordt Nederlandse Hervormd opgevoed, komt uit een gezin met 9 kinderen en woont met zijn ouders in een groot pand aan de Heerengracht op nummer 114. Dit huis maakt deel uit van een aantal vorstelijk aandoende panden, welke toebehoort aan het fabriekscomplex van zijn vader.
Al betrekkelijk jong wordt hij opgenomen in de leiding van het bedrijf. Bij zijn huwelijk in 1835 wordt als beroep fabrikeur (fabrikant) opgegeven en woont in het pand naast zijn ouders. Na het overlijden van zijn vader in 1849 vormt hij samen met zijn oudere broer Jan Cornelis de directie van het bedrijf. Omstreeks 1852 heeft de fabriek 136 arbeiders in dienst en beschikt over een stoommachine en een stoomketel.
Het bedrijf werd tot enkele tientallen jaren geleden nog steeds onder de naam van zijn vader – de firma J.C. Zaalberg en zoons – gevoerd en was nog steeds gevestigd tussen de Vestestraat en de Heeregracht. Inmiddels is het bedrijf verplaatst naar Tilburg en voert momenteel de merknaam AaBe-dekens. Bij vele ouderen heeft echter de naam “Zaalberg-dekens” nog een bekende klank.

Tussen Hermanus en zijn 15 jaar oudere broer Jan Cornelis zou het niet zo goed geboterd hebben, reden waarom Hermanus in 1854 uit de onderneming werd gekocht. Zijn betere opleiding en zijn meer progressieve en sociale instelling zouden debet zijn geweest aan de slechte samenwerking. Verondersteld wordt dat Hermanus in de ogen van zijn broer al te liberaal was. Deze broer had vermoedelijk te lang aan de leiband van zijn vader gelopen om zich van diens inzichten volledig te hebben kunnen losmaken, terwijl Hermanus een grote belangstelling aan de dag legde voor sociale vraagstukken en er ten opzichte van het beleid tegenover de arbeiders geavanceerde opvattingen op na hield.

Op 17 maart 1854 koopt Hermanus Zaalberg een huis en erf aan de Rijn op de Apothekersdijk nr. 22. Hier woont hij met zijn gezin tot begin 1868 en wordt in deze periode koopman en ook grossier in manufacturen genoemd. Hiernaast heeft hij functies bij de Diaconie van Leiden, is hij regent bij het Huiszittenhuis en diaken der Nederlandsch Hervormde Gemeente. Belangrijke verdiensten heeft hij verworven bij de beperking van de kinderarbeid.

Strijder tegen de kinderarbeid

De kinderarbeid was in de vorige eeuw een normaal verschijnsel. Jonge kinderen beneden de 10 jaar werkten al lange dagen in de fabriek. Kinderarbeid onder de 10 jaar was sinds 1813 uitsluitend nog in de mijnen verboden. In het midden van de vorige eeuw komen steeds meer stemmen op om aan de kinderarbeid paal en perk te stellen. In Leiden wordt in 1859 een voor die tijd opmerkelijk initiatief genomen. Op uitnodiging der diakenen van de Nederlandse Hervormde Gemeente wordt een vergadering gehouden met vertegenwoordigers van de plaatselijke armbesturen en van de Leidse Maatschappij van Weldadigheid om te beraadslagen over het werken van kinderen in fabrieken ter plaatse, zowel op te jeugdige leeftijd als met te lange werktijden. In hetzelfde jaar neemt de Maatschappij ter bevordering van Nijverheid een besluit tot het instellen van een commissie “om middelen te beramen dat kinderen beneden de 14 jaren niet zoo vroeg naar de fabrieken worden gezonden en indien zij arbeiden, dat zulks geen 12 of 15 uren daags geschelde”.
Om het werk van deze commissie zoveel mogelijk te vergemakkelijken, worden hierin uitsluitend Leidenaars benoemd. Hermanus Zaalberg wordt tot secretaris van de commissie gekozen; een belangrijk deel van het werk van de commissie wordt door hem verricht.
In haar rapport van 1860 stelt de commissie vast, dat bij kinderen van 10 jaar en ouder schoolverzuim veelvuldig voorkomt. Verder brengt zij naar voren, dat blijkens haar onderzoek 8% der Leidse kinderen beneden 13 jaar op fabrieken en in ambachten werkt. Ook wijst zij erop, dat een arbeidstijd van 12 tot 15 uur per dag voor kinderen te langdurig is en dat de werkzaamheden, die hun worden opgedragen, dikwijls te zwaar zijn. Dat de kinderen op zo grote schaal in fabrieken worden te werk gesteld, moet echter volgens de commissie niet zozeer aan de fabrikanten, als wel aan de ouders worden geweten, die van de arbeid van hun kinderen gebruik maken om de gezinsinkomsten te doen toenemen. Aan het slot van haar rapport geeft de commissie een aantal wettelijke maatregelen in overweging.
Ongeveer in dezelfde periode had de Ingenieur van het Stoomwezen, de heer De Vries RobbĆ©, aan de Minister van Binnenlandse Zaken uitgewerkte voorstellen doen toekomen in zake een wettelijke regeling van de arbeid in fabrieken en werkplaatsen. Hij gaf daarbij mede in overweging te besluiten tot de aanstelling van een inspecteur, die op de naleving van de nieuwe wettelijke voorschriften zou hebben toe te zien, zonder nochtans aan de fabrikanten al te grote last te veroorzaken en “zonder zich met hun fabryksgeheimen in te laten”.
Voor de vervulling van deze nieuwe taak beval hij met klem bij de Minister aan “de heer H. Zaalberg, thans grossier in manufacturen in Leiden, welke heer sinds 13 jaren bij de


Jaarboek 5, pagina 22

Diaconie van Leiden getoond heeft allezints met het armwezen bekend te zijn, nog onlangs rapporteur van de Maatschappij van Nijverheid betrekkelijk den toestand der kinderen in de fabryken”. De heer de Vries RobbĆ© meent dan ook, dat “deze betrekking moeilijk aan een geschikter persoon zou kunnen worden opgedragen”.
De minister neemt voorlopig nog geen actie. De Leidse industriƫlen zijn in meerderheid echter doordrongen, dat er iets moet gebeuren. Op 17 maart 1863 wordt op initiatief van 32 Leidse fabrikanten, waaronder de firma Zaalberg, een verzoek aan de Koning gericht om het onderwijs, de arbeidsduur en rusttijden van kinderen, die in fabrieken werken door wettelijke bepalingen te regelen.
Het zal evenwel nog tot 1874 duren, voordat op initiatief van het Tweede kamerlid Van Houten een wet tot afschaffing van de kinderarbeid wordt aangenomen.

Regent van het huiszittenhuis te Leiden

Het huiszittenhuis was een instelling, welke was bedoeld voor de uitdeling van voedsel en brandstof aan de armen. Het vele geld dat hiervoor nodig was, kwam vooral uit de in die tijd slecht gevulde gemeentekas en door kerkelijke gelden.
De beheerscommissie, die verantwoordelijk was voor de uitgaven werd voor de helft aangewezen door het gemeentebestuur en voor de andere helft door de kerkenraad. Hermanus Zaalberg wordt in 1848 in de commissie benoemd. In datzelfde jaar is hij betrokken bij de landelijk zeer geruchtmakende kwestie rond het huiszittenhuis, waarbij hij behoort tot de deputatie van de kerkenraad, die op 3 juni 1848 de burgemeester en het nieuwe bestuur van het huiszittenhuis, de toegang tot het gebouw ontzegt.
Hierop worden de vertegenwoordigers van de kerkenraad door de politie uit het gebouw verwijderd.

In 1853 wordt Hermanus Zaalberg benoemd tot regent van het huiszittenhuis, tevens tot provisioneel secretaris en in de commissies voor financiƫn, verlichting en voeding. In de jaren 1857 en 1858 is hij voorzitter van de commissie voor financiƫn. Bij zijn afscheid in 1859 wordt hem een aandenken in zilver overhandigd en worden zijn verdiensten herdacht. Hij blijft toch op een of andere wijze betrokken bij het huiszittenhuis, want in 1863 wordt in het openbaar een keiharde pennestrijd gevoerd tussen Hermanus Zaalberg en ene Scheltema betreffende het financiƫle beheer van het huiszittenhuis. Diverse gedrukte boekwerkjes worden door beide heren afwisselend gepubliceerd.

Burgemeester van Castricum en Heemskerk

Per 1 januari 1868 is de ambtstermijn van 6 jaar van burgemeester Jonkheer Jacob Rendorp van Marquette verstreken. Omdat hij door zijn hoge leeftijd toch niet opnieuw zal worden benoemd, heeft hij reeds in november 1867 zijn ontslag aangevraagd. In de vacante betrekking van burgemeester van Castricum en Heemskerk wordt bij koninklijk besluit van 21 januari 1868 Hermanus Zaalberg benoemd. Op 27 januari daaraanvolgend wordt hij hier in een voltallige gemeenteraadsvergadering geĆÆnstalleerd.
Castricum telt op dat moment circa 1.380 inwoners, verdeeld over 5 woonbuurten namelijk de Kerkbuurt (huidige dorpskom), Oosterbuurt (Breedeweg, Doodweg), Duinbuurt (Mient, Kramersweg, Vinkebaan), Noordend (Brakersweg, Kooiweg) en Bakkum (ten noorden van de Zeeweg).

Castricum in 1868 en 1869

Bij zijn ambtsaanvaarding bestaat de gemeenteraad uit de wethouders Cornelis Schermer en Jan Schotvanger en uit de leden Johannes Rommel, Teunis Slooten, Frans Glorie, Jan Pieterszoon Kuijs en Jan Corneliszoon Kuijs.
In de eerste raadsvergadering van 27 januari vragen Cornelis Schermer vanwege zijn hoge leeftijd en Teunis Slooten in verband met maatschappelijke belangen hun ontslag aan. Op 5 februari 1868 brengen de 61 stemgerechtigden uit de gemeente hun stem uit voor de keuze van 2 nieuwe raadsleden. Cornelis Mooij krijgt 26 stemmen en wordt gelijk gekozen, terwijl tussen Arie van der Park en Dirk Bruin met elk respectievelijk 19 en 16 stemmen een herverkiezing plaats moet vinden. De herverkiezing wordt op 18 februari 1868 gehouden en Dirk Bruin haalt de meeste stemmen.
In de raadsvergadering van 8 april 1868 wordt vervolgens Cornelis Mooij tot wethouder gekozen. Hij had overigens eerder in een brief van 9 januari aan de koning meegedongen naar het burgemeestersambt van Castricum.

Het station

Het station is omstreeks 1866 gebouwd; op 1 mei 1867 rijdt de eerste trein door Castricum. Gedurende zijn gehele ambtsperiode zal Hermanus Zaalberg worden geconfronteerd met zaken die het station, het stationsplein of de toegangswegen naar het station betreffen. Uiteindelijk zal dit ook de aanleiding vormen tot zijn gedwongen vertrek als burgemeester.
Het begint al op 22 februari 1868. In een brief van de Minister van Binnenlandse Zaken wordt, naar aanleiding van een door hem ontvangen rapport, melding gemaakt van de slechte staat van de toegangsweg naar het station. De minister stelt dat het onderhoud en verlichting naar het station ten laste komt van de gemeente, omdat in diens belang de toegangsweg is gemaakt. Hij eist vervolgens herstelling en een blijvend onderhoud van de toegangswegen.


Jaarboek 5, pagina 23

De straatverlichting naar het station wordt zowel door wethouder Schotvanger als de burgemeester wenselijk geacht, maar zij vinden dat de kosten hiervan voor de gemeente nogal bezwaarlijk zijn. Zij besluiten deze zaak aan de gemeenteraad in overweging te geven en vragen bovendien aan de directie van de Spoorwegen om bij te dragen in de kosten van de verlichting “tussen het dorp en het station”.
Het station bevindt zich op circa 300 meter afstand van de dichtstbijzijnde bebouwing. De directie van de Spoorwegen gaat hier niet op in door te stellen dat de toegangswegen niet tot de spoorwegdienst behoren en dat de gemeente – toch al begunstigd met een station – de meest belanghebbende is.
In haar vergadering van 8 april verklaart de meerderheid van de gemeenteraad zich tegen de aanschaf van de straatverlichting. De zaak is hiermee echter niet afgedaan; in een schrijven van 28 juli 1868 van de Commissaris van de Koning in de provincie Noord-Holland wordt melding gemaakt van het feit dat de “Raad van toezigt op de Spoorwegdiensten” de aandacht van de minister opnieuw heeft gevestigd op de nog onbeheerde toestand van de toegangswegen naar het station en op het ontbreken van verlichting. Het is met name de minister niet duidelijk waarom de medewerking van het gemeentebestuur van Castricum voortdurend wordt gemist, terwijl elders de aangenomen regel, dat de verlichting van de toegangswegen ten laste komt van de gemeente in wiens belang de toegangsweg is gemaakt, tot uitvoering is gebracht.
De minister geeft tevens aan dat het bezit van een station door vele gemeenten op prijs wordt gesteld blijkens de veelvuldige verzoeken hiervoor en hij kan daarom niet aannemen, dat de belangen van onze gemeente niet door de spoorweg zouden zijn gebaat. Hij nodigt vervolgens de gemeente uit om op eigen kosten in de verlichting te voorzien en binnen een maand hem te berichten hoe aan deze zaak vervolg is gegeven.
In de raadsvergadering van 19 augustus wordt teruggekomen op het eerder genomen besluit en wordt nu besloten om de toegangsweg van het dorp naar het station te begrinden en te verlichten. Het zal nog tot in november duren, voordat er 6 lantaarnpalen zijn geplaatst vanaf het station tot aan de Rooms-Katholieke kerk.

Een andere zaak welke het spoorweg-gebeuren betreft is een aanbod van de directie der Staatsspoorwegen te Alkmaar in mei 1868 aan de gemeente Castricum om de parallelwegen en paden naast de spoorlijn (bij de eerste Groenelaan, Stationsweg, de Oude weg en de Oud-Haarlemmerweg) en de gronden, die grenzen aan het stationsgebouw, in beheer en onderhoud over te nemen. De gemeenteraad is hier wel toe bereid, mits zij ook het recht van beplanting en het vruchtgebruik verwerft. Hiertegen heeft de directie geen bezwaar.

De gemeenteontvanger

Op 20 juni 1868 wordt een extra raadsvergadering belegd in verband met gebleken tekorten in de gemeentekas. De heer A. Dekker wordt als ontvanger en secretaris der gemeente Castricum in beide functies ontslagen. Niet precies is na te gaan, wat er is gebeurd. De indruk bestaat dat er weliswaar niet is gefraudeerd, maar dat door grove nalatigheid er grote tekorten zijn ontstaan.

De borgen van de gemeenteontvanger t.w. Cornelis Schermer en de Erven van Jacob Brakenhoff worden voor een bedrag van 300 gulden aansprakelijk gesteld.
De administratie en inning van de belasting betreffende de Hondsbosse zeewering wordt onder controle en beheer gebracht van B en W.
Tot nieuwe gemeenteontvanger wordt op 1 juli Cornelis de Groot benoemd, die zelf moet zorgen voor de vereiste borgen. Hiertoe zijn bereid J.P. Kuijs en F. Glorie, beide leden der gemeenteraad, voor een bedrag van 1000 gulden.

Tot secretaris van de gemeente wordt burgemeester Zaalberg benoemd; hij wordt door Zijne Majesteit beƫdigd op 8 juli 1868. De jaarwedde voor de secretaris bedraagt 200 gulden en wordt nog vermeerderd met 50 gulden reisgeld tussen Castricum en Heemskerk.
Overigens zal op 17 februari 1869 in de raadsvergadering een verzoek van A. Dekker aan de orde zijn om te worden begunstigd met de betrekking van klerk ter secretarie. De gemeenteraad besluit hem, ondanks zijn antecedenten in het belang van A. Dekker en zijn talrijk gezin, te steunen.

Polderbestuur tegen Kerkbestuur

Het reeds jaren bestaande twistpunt over het onderhoud van de Kerkedijk wordt mede door toedoen van burgemeester Zaalberg opgelost. Als hoofd van het bestuur van de Castricummer polder neemt hij in een schrijven van 23 juni 1868 contact op met het kerkbestuur van de Nederlanse Hervormde kerk en doet een voorstel om een contract van 30 jaar aan te gaan om de schouwbepaling van de Kerkedijk onder het toezicht van het polderbestuur te doen nakomen en de kosten hieraan gelijkelijk te verdelen. Het kerkbestuur zal hiermee akkoord gaan.

Het raadhuis

Het raadhuis verkeert in bijzondere slechte staat; al in 1867 is dit aanhangig gemaakt bij de Commissaris der Koning. Voor de financiering van deze verbouwing zijn reeds gelden belegd, die zijn ontvangen door verkoop van een perceel bouwland door de gemeente Castricum aan de spoorwegmaatschappij. In de gemeenteraadsvergadering van 25 november 1868 vraagt de burgemeester aan de raad een uitspraak op welke wijze het ontbrekende bedrag voor de verbouwing moet worden gefinancierd. Hij houdt een warm pleidooi om deze verbouwing door te laten gaan. (zie voor het raadhuis elders in het jaarboekje).

De tolheffing

Al in maart 1868 wordt in het kader van de klachten over de slechte toestand van de toegangswegen verzocht vrijheid van tolgeld voor de rijtuigen, die passagiers naar het station brengen of vandaar afhalen of de tol te doen verplaatsen.
De tol is op de Dorpsstraat juist iets voorbij de ingang van de nu geheten Burgemeester Mooijstraat. Deze laatstgenoemde weg is in 1868 nog een zandweg en niet geschikt voor de rijtuigen. In verband met de tolheffing op de Dorpsstraat wordt deze zandweg echter gebruikt om deze heffing te ontduiken. De gemeenteraad wil graag de tol verplaatsen naar de noordzijde van het dorp, omdat de afstand tussen de tol van Heemskerk en die van Castricum te klein is. Verschillende keren wordt het verzoek bij de Minister herhaald.

Afsluiting van het station

Na de overname van het beheer en onderhoud van parallelwegen en het stationsplein van de spoorwegmaatschappij worden plannen gemaakt voor de inrichting en de beplanting van de omgeving van het station. Er wordt een commissie van fabricage ingesteld bestaande uit de raadsleden Rommel en Kuijs en er wordt besloten om de parallelweg (Stationsweg) met els en wilg te beplanten en een plantsoen aan te leggen en eveneens met bomen te beplanten.

Eind januari 1869 is de aanleg gereed. In de raadsvergadering van 20 januari 1869 wordt besloten op een voorstel van de heren Rommel en Kuijs om de binnenweg naar het dorp op


Jaarboek 5, pagina 24

Kaartje van Castricum in 1865.
afb. 2 Kaartje van Castricum in 1865.

eenvoudige wijze af te sluiten in afwachting van een afsluiting door de spoorwegmaatschappij. Dit dient om het verkeer te beletten van deze weg (Burgemeester Mooijstraat) gebruik te maken, hetgeen door alle voertuigen zonder uitzondering geschiedt. Dit veroorzaakt veel extra overlast aan het verkeer van en naar het station.
Begin februari komt er bij de gemeente Castricum een ernstige klacht van de Minister. De heren Rommel en Kuijs hebben tegen het raadsbesluit om de binnenweg af te sluiten een deel van het stationsplein opgebroken, waardoor de zuidelijke toegangsweg naar het stationsplein (vanaf Funadama) is afgesloten.
De minister gelast onmiddellijk het opgebroken gedeelte weer te verharden. Ook volgt een ernstige waarschuwing van de spoorwegmaatschappij, die echter in afwachting van een definitieve regeling aangaande de tolafsluiting, de bestaande situatie nog korte tijd zal accepteren. In verband met deze houding wil de Raad in afwachting van maatregelen tegen de tolontduiking het terugbrengen naar de oude staat uitstellen ook al om het respect voor de beide raadsleden ten overstaan van de burgers niet te ondergraven. Bovendien willen Rommel en Kuijs even wachten op de stenen, die vrij komen bij de afbraak van het raadhuis.

Ontslag van alle raadsleden

In de raadsvergadering van 21 april 1869 hebben enkele raadsleden moeite met de notulen van de voorgaande vergadering; zij proeven een beschuldigd van de heren Rommel en Kuijs, terwijl zij weliswaar meer harde weg hebben opgebroken dan was toegestaan, maar dit dan toch in het belang van de gemeente hebben gedaan. In de eerstvolgende raadsvergadering op 10 mei zijn opnieuw veel bezwaren rond de goedkeuring van de notulen rond de zaak van het stationsplein. Enkele raadsleden kunnen zich er opnieuw niet mee verenigen. Rommel wil een stemming of de afsluiting zoals hij is gemaakt nou wel of niet in overeenstemming is met het raadsbesluit van 20 januari 11. Burgemeester Zaalberg maakt hiertegen ernstig bezwaar, “omdat de Raad niet op de proef gesteld worden tegen een vroeger besluit te getuigen of iets anders te besluiten”; verder heeft hij vernomen dat een gerucht circuleert, waarin wordt gezegd, dat de burgemeester een onterende straf zou moeten ondergaan om het feit der afsluiting (volgens dit gerucht zou hij een boete krijgen van 300 gulden en gedurende 6 weken van zijn burgemeestersambts zijn ontheven).
De straf van de burgemeester zou te maken hebben gehad met het verzwijgen van de namen van de schuldigen en/of het goedkeuren van een raadsbesluit in januari, hetwelk een strafbaar feit zou inhouden.
De gemoederen der raadsleden zijn niet gesust; ze willen niet meer hun vertrouwen schenken aan de burgemeester. Op de eerstvolgende raadsvergadering op 19 mei komt niemand opdagen. Overeenkomstig de gemeentewet schrijft Zaalberg een nieuwe vergadering uit op 20 mei en toen op die dag ook niemand verscheen, schrijft hij voor 24 mei een derde vergadering uit. Alleen wethouder Jan Schotvanger is nu verschenen. Als toehoorder is de Commissaris van de Koning aanwezig.

Op 12 mei hadden alle raadsleden schriftelijk hun ontslag aangeboden, maar moeten volgens de gemeentewet tot na de benoeming van nieuwe raadsleden, hun functies waarnemen. De burgemeester denkt aan de uitschrijving van nieuwe


Jaarboek 5, pagina 25

gemeenteraadsverkiezingen, maar het is duidelijk een onhoudbare toestand.

Ondertekening van de afscheidsbrief.
Ondertekening van de afscheidsbrief.

Op 28 mei verzoekt Hermanus Zaalberg aan de gemeenteraad om te worden ontslagen als burgemeester en secretaris, welk verzoek in de raadsvergadering van 5 juni, waarin alle raadsleden met uitzondering van Zaalberg weer zijn verschenen, wordt ingewilligd, behoudens uiteraard de goedkeuring van Zijne Majesteit de Koning.
Per 1 juli krijgt de burgemeester eervol ontslag. Bij de gemeenteraadsverkiezing die op 8 juni wordt gehouden, worden dezelfde raadsleden, die eerder officieel hun ontslag hebben ingediend, weer herkozen.
Als opvolger van Zaalberg wordt per 1 juli tot burgemeester van Castricum benoemd Carel Hendrik Moens, geboren in Kampen en op dat moment nog ongehuwd en wonende in Brummen (Gld.). Hij neemt zijn intrek in de woning van hoofdonderwijzer Ludewig.
In zijn afscheidsbrief aan de raadsleden wenst Hermanus Zaalberg zijn opvolger een betere toekomst toe; verder schrijft hij: “Moge meerdere eerbied voor de wetten en eene hoogere achting voor het Hoofd der Gemeente U voortaan bezielen, dan eerst zult gij U Mijne heeren! over uw gehouden gedrag jegens mij vernederen. Dan eerst zult gij de belangen van de Gemeente beter behartigen, dan gij tot hiertoe deed. Ik veroordeel U niet – God oordeele tusschen U en mij. Hij behoedde verder de Gemeente van Castricum, die ik reeds lief had gekregen en die betere Raadsleden waardig is”.

Dieper liggende oorzaken

De aanleiding voor het vertrek van Hermanus Zaalberg is de gang van zaken rond het stationsplein. De oorzaak ligt echter naar mijn idee veel dieper. Zaalberg is een man die zeer veel waarde hecht aan eerlijkheid, orde, gezag en naleving van de wet. Wij komen dat niet alleen in zijn handelwijze tegen, maar ook in zijn brieven aan enkele inwoners. Zo schrijft hij onder andere: “de burgemeester van Castricum zal zooveel in zijn vermogen is waken dat de gemeentenaren zich aan wet en orde gewennen” en een andere keer “om te waarderen dat de Burgemeester de wet en de orde weet te handhaven en te handelen in de moeilijkste gevaren, al is het ook dat hij schijnbaar alleen staat. Met God in het oog, met de wet in de hand en een rein hart trotseer ik alles en allen”.
Door zijn rechtlijnigheid en scherpslijperij maakt hij zich niet bepaald geliefd. Bij meerdere inwoners heeft hij de grenzen van hun eigendommen weer naar de oorspronkelijke toestand laten brengen, waardoor de wegen en sloten verbreed konden worden. Door beheer en administratie van gemeente, armbestuur en Castricummer polder drastisch te reorganiseren heeft hij veel tegenstand moeten overwinnen. We zien zijn dalende populariteit weerspiegeld in de stemmingen in de gemeenteraad over een vergoeding van zijn reiskosten, die hij als secretaris maakt tussen zijn woonplaats Heemskerk en Castricum. Op 16 september 1868 wordt na zijn benoeming een vergoeding van 50 gulden per jaar door de raad voor 1869 goedgekeurd. Bij zijn verzoek op 17 februari 1869 om over het afgelopen jaar de vergoeding te ontvangen, staken de stemmen; bij een herstemming op 21 april wordt zijn verzoek afgestemd met 2 voor en 4 stemmen tegen.
Waarschijnlijk heeft ook wethouder Cornelis Mooij, die zelf ook begin 1868 had gesolliciteerd naar de opengevallen burgemeesterszetel, een belangrijke rol gespeeld in het vertrek van Zaalberg. De samenwerking tussen Mooij en de burgemeester is uitermate slecht. De handelingen van de wethouder worden door de burgemeester in een aantal brieven aan de wethouder, telkens afgekeurd.
In de raadsvergadering van 10 mei 1869 komt dit meer in de openbaarheid bij de behandeling van de sollicitanten voor de post van hulponderwijzer, waarbij wethouder en burgemeester over de gevolgde procedure lijnrecht tegenover elkaar staan.

Ook de verpachting van het viswater van de Castricummerpolder, welke door de wethouder wordt gepacht en die hij nu opnieuw voor de komende periode wil pachten tegen een onderhands vastgesteld bedrag, wil de burgemeester in het openbaar aan de hoogste bieder verpachten.
Mooij en Rommel moeten we als de initiatiefnemers zien om als raad collectief ontslag te nemen.

Burgemeester van Heemskerk

Hermanus Zaalberg is vanaf dezelfde datum op 21 januari 1868 ook tot burgemeester van Heemskerk benoemd. Ook hier blijkt al spoedig dat hij zijn ambt met nauwgezetheid wil vervullen en zich strikt aan de wet wenst te houden. In een plattelands-


Jaarboek 5, pagina 26

gemeente als toen ook Heemskerk was (ca. 1300 inwoners) levert het stipt naleven van de vele wetten vaak ernstige conflicten op. In het eerste jaar van zijn ambtsvervulling schrijft Zaalberg dat hij zeer veel te strijden heeft tegen de opvatting van de “eigenzinnige, onverzettelijke, stijve en baatzuchtige gemeentenaren, wier antwoord is: ” We zijn het altijd zoo gewend geweest”.
Ook hier zet hij krachtig door met het in het leven roepen van de vereiste verordeningen; hierbij komt het nog al eens tot onaangenaamheden, die aanleiding vormen van klachten door enkele ingezetenen bij de Commissaris van de Koning.
Binnen het eerste jaar worden maar liefst acht keer klachten tegen hem geuit. De oppositie tegen hem is algemeen. Zaalberg gaat echter voor niemand opzij, niet voor de gewone man, noch voor de kasteelheren. Geleidelijk aan echter gaat men Zaalberg waarderen om zijn grote inzet voor de belangen van de gemeente. Vooral op het gebied van de wegen heeft hij veel vooruitgang geboekt. Met algemene stemmen wordt hij daarom in 1878 ook voorgedragen voor zijn herbenoeming. Tijdgenoten hebben hem de baanbreker genoemd van alles wat Heemskerk tot heil en welvaart heeft gestrekt en de toenmalige pastoor zei in 1879 van hem “dat hij nog lang roemrijk genoemd worde”.

Beijerslust te Heemskerk omstreeks 1842.
Beijerslust te Heemskerk omstreeks 1842.

Beijerlust

Hermanus Zaalberg woont in Beijerlust, een mooie hofstede aan de Hoflanderweg te Heemskerk. In augustus 1868 heeft hij deze buitenplaats gekocht van de erven Deutz van Assendelft. Hij heeft hier de gemeentesecretarie van Heemskerk ondergebracht. Wegens te eenzaam verblijf (de kastelen Marquette en Assumburg waren reeds geruime tijd niet bewoond) vraagt hij in 1875 aan de Commissaris van de Koning toestemming om voortaan in Beverwijk te mogen wonen.
Na toestemming laat hij de buitenplaats in 1876 slopen en laat een nieuw dubbel herenhuis “Beijerlust” bouwen aan de Velserweg te Beverwijk. Dit pand staat hier nog en kijkt uit op het stationsplein te Beverwijk; de naam Beijerlust prijkt nog op de voorgevel – het is nu een beschermd monument.

Op 18 april 1884 overlijdt op bijna 72-jarige leeftijd Hermanus Zaalberg in zijn woonplaats Beverwijk. Tot zijn onverwachte overlijden blijft hij burgemeester van Heemskerk; hij laat bij zijn overlijden 7 dochters na. Hier volgen nog enkele familiegegevens.

Genealogie

Hermanus Zaalberg, geboren te Leiden op 17 mei 1812, overleden te Beverwijk op 18 april 1884, zoon van Johannes Cornelis Zaalberg en Maria Brouwer. Hij trouwt te Leiden op 20 mei 1835 met Elisabeth Hendrica Kiewit, geboren te Leiden op 7 maart 1811, overleden te Beverwijk op 13 juli 1886, dochter van Johannes Hendrik Kiewit en Elsje Altenhove.

Kinderen uit hun huwelijk:

  • Elsje Zaalberg, geb. te Leiden op 11 aug. 1837, gehuwd aldaar op 18 dec. 1861 met Albertus Samuel Carpentier Alting, predikant.
  • Maria Zaalberg, geb. te Leiden op 5 juni 1840, overleden te Beverwijk op 30 dec. 1917, gehuwd te Deventer op 31 aug. 1860 met Hendrik Vervoort, koopman.
  • Hendrina Hermina Zaalberg, geb. te Leiden op 1 april 1842, ongehuwd te Beverwijk overleden op 27 nov. 1915.
  • Carolina Maria Elisabeth Zaalberg, geb. te Leiden op 2 jan. 1844, gehuwd aldaar op 26 sept. 1866 met Doctor Louis Charles Levoir, hoogleraar aan de Polytechn. School te Delft nu T.H.).
  • Hermanus Zaalberg, geb. te Leiden op 18 dec. 1845 en overleden op 1 okt. 1846.
  • Elisabeth Henrica Zaalberg, geb. te Leiden op 15 juni 1847, ongehuwd te Beverwijk overleden op 9 juli 1910.
  • Gerardina Wilhelmina Zaalberg, geb. te Leiden op 24 febr. 1849, gehuwd te Heemskerk op 20 febr. 1873 met Meindert Bokma de Boer, wijnhandelaar.
  • Susanna Jacoba Zaalberg, geb. te Leiden op 9 sept. 1854, ongehuwd te Beverwijk overleden op 31 maart 1945.

 Slotwoord

Hermanus Zaalberg heeft als burgemeester van Castricum de kortste ambtstermijn gekend. Als oorspronkelijk fabrikant en stedeling is hij voor het dorpse Castricum een buitenstaander, dat nog wordt versterkt door het feit dat hij in Heemskerk woont. Zaalberg heeft zich met veel voortvarendheid gestort op de volgens hem hier heersende wantoestanden in de gemeentelijke administratie.
Hoge eisen stelt hij aan de stipte naleving van de wetten en verordeningen. Dit brengt hem weldra in conflict met de kleine Castricumse gemeenschap, die het niet zo streng gewend is. Hoewel Zaalberg het zeer goed bedoelt, een integer mens is en zich inzet voor het welzijn van de ingezetenen leidt zijn scherpslijperij tot zoveel weerstanden, dat een onenigheid rond de afsluiting van het stationsterrein reeds voldoende is voor de gemeenteraad om zonder uitzondering hun ontslag te nemen en daarmee Zaalberg tot aftreden te dwingen. Dit een voor die tijd unieke gebeurtenis mogen we zeker ook achteraf betreuren. Hermanus Zaalberg was een krachtige persoonlijkheid die in dezelfde periode als burgemeester van Heemskerk ook in het begin veel oppositie tegen zich heeft gehad, maar door zijn grote inzet zich zeer verdienstelijk voor de gemeente heeft gemaakt en tenslotte vele vrienden kende en algemeen werd gewaardeerd.

S.P.A. Zuurbier

 Bronnen:

  • Raadsnotulen, correspondentie gemeente Castricum periode 1868-1869, aanwezig in het streekarchief te Alkmaar.
  • Doop en trouwregisters, bevolkingsregisters en burgelijke stand van Leiden, aanwezig in het gemeentearchief Leiden.
  • Archief van het Huiszittenhuis – gemeente archief Leiden.
  • Leidse wevers onder Gaslicht, Leiden, juli 1952. Boek uitgegeven in opdracht van de N.V. Koninklijke Nederlandse Fabriek van Wollen Dekens v/h J.C. Zaalberg en Zoon – door Mr. A.J. Backer.
  • Het Leidsche Initiatief tot beperking van Kinderarbeid in Fabrieken, Leidsch Jaarboekje, 1939.
  • Kinderarbeid in Nederland, 1500-1874 door J.C. Vleggert, Assen 1964.
  • Thorbecke en het Leidsche huiszittenhuis, Leidsch Jaarboekje, 1932-33.
  • Handschrift van H. van Benthem betreffende Heemskerk.
  • Gegevens van J. Schoen en G.J. van Wijk te Heemskerk.

Bouwfragmenten uit de 1e – 3e eeuw (Jaarboek 05 1982 pg 16-20)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 5, pagina 16

Bouwfragmenten uit de 1e – 3e eeuw

Opgraving aan de Boogaertsweg [1969]

Inleiding

De lokatie van de opgraving.
afb. 1 De lokatie van de opgraving.

Vanaf 1966 werden graafwerkzaamheden, ten behoeve van de aanleg van riolering en wegen, voor het bouwrijp maken van het gebied Molendijk-zuid, door de heer D. v. Deelen met veel aandacht gevolgd. Als toenmalig korrespondent van de R.O.B. (Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek) was hij op zoek naar sporen van vroegere bewoning. Zijn speurzin leidde tot het verzamelen van vele kilo’s scherfmateriaal uit de le-3e eeuw na Chr., waarmede bewoning uit die tijd onomstotelijk vastgesteld kon worden. Een van de lokaties waar zich een belangrijke schervenkonsentratie voordeed was het gebied tussen de Boogaertsweg en de Geesterduinweg. Dit was voor de nog prille werkgroep “Oud Castricum” aanleiding om daar, op aanwijzing van de heer Van Deelen, de spade voor een nader onderzoek in de grond te steken. Na het maken van enkele proefgaten werden wederom bewoningssporen aangetroffen. Het is beter te spreken van een verkennend onderzoek omdat met de gevolgde opgravingstechniek geen volledig of nauwkeurig onderzoek bereikt kon worden. De enige middelen die we tot onze beschikking hadden, waren de meegebrachte spaden. Slechts een klein oppervlak kon daardoor onderzocht worden. Bovendien was het doel teveel gericht op het verzamelen van tastbaar materiaal waardoor andere bewoningssporen, zoals grondverkleuringen en geologische factoren, onvoldoende aandacht kregen.

Toch heeft dit onderzoek gelukkig plaats gehad. Er waren geen alternatieven tot een beter onderzoek en geen onderzoek betekende het voorgoed verloren gaan van kennis omtrent de archeologische bijzonderheid van dit gebied. Veel doorzettingsvermogen was nodig bij de verwerking van het gevonden archeologisch materiaal. De resultaten zijn echter belangwekkend genoeg voor het schrijven van dit artikel.

De opgraving

Tegenover het bejaardencentrum “De Boogaert” werd een kuil gegraven. Opvallend waren de vele, op hutteleem gelijkende, brokstukken die daar werden aangetroffen. Hutteleem blijft alleen in de grond bewaard als het zodanig met hitte in aanraking is geweest dat het materiaal enigszins werd gebakken. Ook met de hier gevonden brokstukken moet dit het geval geweest zijn, al was de gelijkenis groter met zwart/grijze kluiten waaraan het vochtige zand verkleefd zat.

Enkele gevonden brokstukken in situ.
afb. 2 Enkele gevonden brokstukken in situ.

De verleiding was erg groot om aan dit materiaal geen aandacht te besteden en het maar achteloos weg te werpen. Toch werd besloten de brokstukken te verzamelen. Zo werd ongeveer 33 kg van dit materiaal verkregen. Naderhand werden de brokstukken schoongemaakt, waardoor dit materiaal voor verder onderzoek toegankelijker werd. De conclusie was dat we zeer zeker met bouwfragmenten te maken hadden. In dezelfde kuil werden eveneens potscherven gevonden.

In de grond samengedrukte potscherven.
afb. 3 In de grond samengedrukte potscherven.

Jaarboek 5, pagina 17

De voorzijde.
afb. 4a De voorzijde.
De bovenzijde met de touwgroeven.
afb. 4b De bovenzijde met de touwgroeven.
De binnenzijde van het gerestaureerde bouwfragment.
afb 4c De binnenzijde van het gerestaureerde bouwfragment.

Jaarboek 5, pagina 18

De bouwfragmenten

Bij het verwerken van dit vondstmateriaal bleken verscheidene brokstukken tot een groter geheel samengevoegd te kunnen worden. Het grootste samengestelde fragment heeft een lengte van plusminus 75 centimeter, een breedte van plusminus 31 centimeter en een dikte van plusminus 6 centimeter en is gekromd van vorm. Wanneer we de gekromde vorm doortrekken tot een cirkel zal dit een binnendiameter opleveren van bijna twee meter (1,90 meter). Voorts lijkt dit een rand- of kraagstuk te zijn, want de lange zijde is afgerond (zie afb. 4). Meerdere kraagstukken, van kleinere afmetingen, zijn bewaard gebleven. Het baksel is inwendig grijs, de boven- en onderzijde licht okerkleurig. Hier en daar lijkt het geheel met een dun laagje klei aangestreken te zijn. Opvallend zijn de touwindrukken. In lengte richting lopen over de bolle zijde zes groeven waarin de slagen van het touw goed te zien zijn. Sommige groeven vormen een hol kanaaltje in het baksel, anderen liggen aan de oppervlakte. De holle en waarschijnlijke binnenzijde, valt vooral op door de craquelĆ©-achtige structuur, de wirwar van fijne krimpscheurtjes. Behalve de touwindrukken, bestaat het vermoeden dat de evenwijdig aan elkaar in lengte richting lopende U-vormige uithollingen, met een tussenstand van ongeveer 12 centimeter, holten zijn die achtergebleven zijn van in het “bouwwerk” opgenomen houtwerk. We veronderstellen dat eerst een skelet van bekapte takken is gemaakt, waarna de openingen verkleind werden door om de buitenzijde van het skelet touwen te winden. Vervolgens zal de klei er van binnenuit tegenaan gebracht zijn, waarbij het touwwerk het buitenwaarts uitzakken van de klei moest voorkomen. Daarna werd waarschijnlijk de buitenzijde aangestreken, waardoor het touwwerk min of meer in de klei kwam te liggen. Het is goed mogelijk dat het bouwsel, na droging, gebakken werd door er een vuur omheen en erin aan te leggen en te onderhouden totdat het bakproces was voltooid. Wanneer we b.v. denken te maken te hebben met restanten van een grote kuip of iets dergelijks, zou dit goed kunnen.
Het houten skelet en het touwwerk verkoolden en verloren hun functie. De constructie van deze lompe baksels zou verplaatsing waarschijnlijk niet toelaten, zodat aan gebruik ter plaatse gedacht moet worden. In “Westerheem”, een periodiek van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland, heeft dhr. A. Schermer reeds in 1974 een artikel geschreven waarin de Castricumse vondsten met die van de Grebpolder in het Geestmerambacht (1956) en te Dorregeest, nabij Uitgeest (1941) werden vergeleken. Treffend zijn de daarbij geconstateerde overeenkomsten.

Toch is er meer aan de hand. Er zijn enkele fragmenten, uit meerdere brokstukken samengesteld, waarvan de binnenzijde nog erg gaaf is, maar waarvan de buitenlaag totaal afgebrokkeld is. Een verklaring hiervoor is dat de binnenzijde meer met vuur in contact is geweest en daardoor harder gebakken dan de buitenzijde. Twee van deze “binnenwand” fragmenten vertonen een bijzonderheid. Het kleinste stuk vertoont op het breukvlak, diagonaal, een halve “0”-vormige uitholling.
De lengte van de uitholling is ongeveer 5 centimeter en de diameter ongeveer 2 centimeter. Rond de mond van dit gat zit een verdikking. Oorspronkelijk moet deze uitholling cilindervormig geweest zijn en gemaakt zijn door b.v. een stok in de nog zachte klei te drukken, waardoor de weggedrukte klei rond de opening omhoog kwam. Het grotere stuk vertoont deze bijzonderheid zelfs driemaal. De meest linkse uitholling valt daarbij op door het “L”-vormige verloop van de schacht, maar ook door de vingerstreken, nabij de opening, in het oppervlak.
Welke betekenis aan deze bijzonderheid toegekend moet worden blijft vooralsnog een raadsel. Volledigheidshalve dient nog vermeld te worden dat de onderlinge afstand tussen de gaten gemiddeld 6-7 centimeter bedraagt.

Brokstukken met dlindervormige gaten en vingerstreken.
afb. 5 Brokstukken met dlindervormige gaten en vingerstreken.
De richelfragmenten.
afb. 6 De richelfragmenten.

Richelfragmenten

Heel merkwaardig zijn twee “L”-vormige richelfragmenten. Van het fragment, dat nu beschreven gaat worden, is de lange zijde ongeveer 23 centimeter lang, 4 centimeter hoog en 2,5 centimeter breed en in lengterichting licht gebogen. Aan de basis, tevens breukvlak, is deze richel iets breder als gevolg van het aandrukken en aansmeren voor een goede hechting op de ondergrond. De korte zijde wordt gevormd door een brugstuk, zo genoemd vanwege de gebogen vorm. Dit deel is 9 centimeter lang en 7 centimeter breed en heeft een ovaalvormige dwarsdoorsnede. De aanhechtingspunten aan de kopeinden lopen iets breder uit. Opvallend is dat aan het onverbonden kopeinde van dit brugstuk (zie afb. 6, rechts) nauwelijks sprake is van een breukvlak, maar van een “C”-vormige uitholllng over de volle breedte. Toch is het niet uitgesloten dat dit het verbindingspunt is geweest met een tweede richel. Op het verbindingspunt met de richel zit, diagonaal, een afgeronde kegelvormige uitstulping. De breukvlakken aan de kopeinden van de richel tonen aan dat dit fragment afkomstig is van een groter geheel.
Ook is er een aanwijzing dat de richel met een dwarsstuk verbonden is geweest. Behoudens een klein verschil in afmetingen komt de tweede “L”-vormige fragment geheel overeen met de eerste, evenwel minder kompleet. Van het brugstuk is slechts een fragment overgebleven en de kegelvormige uitstulping gevonden welke niet plaatsbaar bleek.

Een derde, minder groot, richelfragment heeft een dwarsstuk en is “T”-vormig. Ook dit stuk heeft breukvlakken aan de drie kopeinden en over de gehele onderzijde. Waartoe deze fragmenten gediend en tot welk groter verband ze behoord hebben blijft vooralsnog in duister gehuld.


Jaarboek 5, pagina 19

De potscherven

Eerder in dit verslag werd al vermeld dat er ook potscherven werden gevonden. Na reiniging en droging bleken de scherven hard van kwaliteit en nagenoeg oranje/rood van kleur te zijn, terwijl het inheemse aardewerk toentertijd overwegend gesmoord werd gebakken waardoor het z’n grijsbruine, okerkleurige tint verkreeg.

De binnenzijde van een in stukken gebroken randfragment tijdens de opgraving.
afb. 7 De binnenzijde van een in stukken gebroken randfragment tijdens de opgraving.

Aan elkaar geplakt leverden de scherven een groot gedeelte van een pot op met een diameter, gemeten aan de binnenkant van de rand, van ongeveer 35 centimeter. Er zijn aanwijzingen waardoor we met recht kunnen spreken van een “misbaksel”. De pot moet asymmetrisch van vorm geweest zijn. De kromming van de wand naar de bodem is niet overal gelijk, waardoor de bodem zich niet in het midden van de pot bevonden kan hebben, een nadeel voor de stabiliteit. Voorts kunnen we de veronderstelling uitspreken dat de pot tijdens het bakproces is gebroken.

"Een misbaksel van een pot".
afb. 8 “Een misbaksel van een pot”.

De eerste aanwijzing daartoe vormt de rand (zie afb. 8). Tot aan de verticale breuk is de rand, links op de foto, donkergrijs, terwijl het andere gedeelte, rechts op de foto, helder oranje/rood van kleur is. Zo’n sterk begrensd kleurverschil is alleen mogelijk als de pot al tijdens het bakken is gebroken en de delen het bakproces in verschillende omstandigheden (meer of minder zuurstoftoetreding) hebben ondergaan.
De breukvlakken zelf vormen de tweede aanwijzing voor deze veronderstelling. Scherven kunnen weer sluitend aan elkaar gevoegd worden als de breukvlakken met elkaar in overeenstemming zijn. Hoewel van verschillende scherven de profielen van de breukvlakken met elkaar in overeenstemming waren konden die toch niet goed sluitend samengevoegd worden. Dit was ook het geval met de scherven die aansluiten op de verticale breuklijn die eveneens het kleurverschil markeert

Doordat de pot was gebroken werd daarmee ook de spanning van het geheel opgeheven. Daardoor verkregen tijdens het bakproces verscheidene scherven een iets andere kromming t.a.v. de overige scherven, het breukprofiel kon daardoor bij de restauratie niet goed meer in elkaar sluiten. Zo kunnen we met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid concluderen dat deze pot niet het gebruik heeft gekend waarvoor de maker deze bedoeld had.

Samenvatting

De opgravingsresultaten stellen ons niet in staat om tot een reconstructie van het geheel te komen en een stellige uitspraak te doen over de gebruiksfunctie. De enige mogelijkheid om meer duidelijkheid te verkrijgen moet gezocht worden in het vergelijken met overeenkomstige vondsten elders. Zoals reeds werd vermeld zijn vergelijkbare vondsten bekend en door dhr. A. Schermer beschreven.
Treffend zijn de overeenkomsten, maar zij leveren geen aanvulling op de Castricumse vondsten. Ik heb nog niet het juiste spoor kunnen ontdekken die vergelijking met andere vondsten mogelijk maakt.
Toch is het onbevredigend te moeten volstaan met het beschrijven van het vondstmateriaal allƩƩn. De verscheidenheid van het materiaal is uitnodigend genoeg om te overdenken in welke opzichten de vondsten met elkaar verband houden. Ik kan het dan ook niet nalaten mijn gedachten daaromtrent te verwoorden en mij te wagen aan een voorzichtige uitspraak over mogelijke gebruiksfuncties.

Met zekerheid kunnen we vaststellen dat al het gevonden materiaal met vuur in contact is geweest en voldoende gehard is geworden, waardoor deze resten van menselijke bouwactiviteit in de 1e-3e eeuw vele eeuwen lang in de bodem bewaard zijn gebleven.
De waarschijnlijkheid is zeer groot dat het opgravingsmateriaal, gevonden in dezelfde opgravingsput, inderdaad met elkaar verband houdt en er niet zondermeer gesproken kan worden van een “afvalkuil”.
Bij het beschrijven van de kleibrokstukken met de touwindrukken werd verondersteld dat dit wandfragmenten konden zijn van een bouwsel van een behoorlijke omvang. De gebogen vorm van deze brokstukken deed denken aan restanten van b.v. een vaste voorraadkuip. De aanwezigheid van kleibrokken met cilindervormige gaten, de kleirichels en het roodbakken aardewerk van een misvormde pot roepen echter twijfels op over de hierboven veronderstelde gebruiksfunctie.
Het blijkt niet goed mogelijk voor deze fragmenten een functie te bedenken die met een voorraadkuip in verband kan worden gebracht. De brokstukken met cilindervormige gaten zouden kunnen duiden op een “rooster”, samen met de andere brokstukken, de restanten vormend van b.v. een bakoven. Hoe de kleirichels aan deze hypothese toegevoegd kunnen worden blijft een open vraag. Het enige dat hierover vast te stellen valt is dat deze richels ergens op vastgehecht zaten.


Jaarboek 5, pagina 20

Beraad tijdens de opgraving van een pot".
Afb. 9 Beraad tijdens de opgraving van een pot”.

Als we het aardewerk beschouwen als afkomstig van een “misbaksel” komen de gedachten spoedig op de mogelijkheid te doen te hebben met afval uit een pottenbakkersoven. Hiermede lijkt het bewijs van een aanvaardbare gebruiksfunctie van het gevonden opgravingsmateriaal geleverd te zijn. Benoemd is het wel, bewezen allerminst.

E. Mooij

 
Geraadpleegde literatuur

Westerheem XXIII – 6 – 1974 blz. 335 e.v. “Grote vaste voorraadkuipen van de oude Friezen” A. Schermer

Westerheem XXIV – 6 – 1975 blz. 252 e.v. “Nogmaals een ringvormig voorwerp van aardewerk” F.B. Simonis

Westerheem XXV – 4 – 1976 blz. 182 e.v. “Ringvormige aardewerken voorwerpen en haardkragen” J.W. Boersma

De gemeente Castricum en haar raadhuizen (Jaarboek 05 1982 pg 3-15)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 5, pagina 3

De gemeente Castricum en haar raadhuizen

Opening van het nieuwe raadhuis, Raadhuisplein 1 in Castricum.
Opening van het nieuwe raadhuis, Raadhuisplein 1 in Castricum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Tot de weinige gebouwen in Castricum die herinneringen aan het verleden oproepen, behoort het raadhuis aan de Dorpsstraat.
Nu in 1982 een nieuw gemeentehuis in gebruik wordt genomen, lag het voor de hand de geschiedenis van dit gebouw eens op te diepen. Dat was weer aanleiding om aan de ontwikkeling van onze leefgemeenschap met zijn plaatselijk bestuur en aan de raadhuizen die Castricum en Bakkum eerder hebben gehad, aandacht te besteden. Deze onderwerpen zijn zo veelomvattend dat alleen hoofdlijnen en mogelijk voor bepaalde perioden representatieve feiten en gebeurtenissen kunnen worden weergegeven.

Gevelsteen raadhuis. De betekenis van de letters is Senatus Populusque Castrici: Bestuur en Bevolking van Castricum.
Gevelsteen raadhuis. De betekenis van de letters is Senatus Populusque Castrici: Bestuur en Bevolking van Castricum.

Begin van een dorp

De eerste blijvende vestigingen in Midden-Kennemerland ontstonden op de hogere gronden van de oude strandwallen. Stukken land in onze streek werden afgewisseld met uitgestrekte moerassen en regelmatig kwamen gebieden onder water te staan. Pas omstreeks 950 na Christus begonnen de moerasgebieden tussen de strandwallen droog te vallen.

De eerste sporen van bewoning in Castricum dateren van enkele honderden jaren vĆ³Ć³r Christus. In de eerste eeuwen van de jaartelling was hier, zoals uit vele archeologische vondsten is gebleken, sprake van een uitgebreide inheemse nederzetting. Omstreeks 280 na Christus is de bewoning van ons gebied weer beĆ«indigd, vermoedelijk ten gevolge van de hoge zee- en grondwaterstanden. Uitgebreide bewoningssporen komen we in Castricum pas weer tegen vanaf de 8e en 9e eeuw.
Sporen van een nederzetting uit deze tijd zijn door de werkgroep Oud-Castricum in 1971 gevonden bij de aanleg van het park aan de Willem de Rijkelaan. Ook door de heer D. van Deelen zijn uit die tijd bewoningssporen ontdekt en wel in het duingebied in de omgeving van de boerderij “De Brabantse Landbouw” en bij de Van Oldenborghweg. Ook in de omgeving van de Heemstederweg zijn vondsten uit deze periode aangetroffen.

De landbouw in Kennemerland was ook toen nog grotendeels beperkt tot de oude strandwallen en concentreerde zich op de zogeheten geesten. Een geest was het gebied van een nederzetting met bijbehorende akkers. In de loop van de 10e eeuw is de ontginning van het gebied vanuit deze geesten grotendeels voltooid.

Akte met de eerste schriftelijke vermelding van Castricum.
afb. 1 Foto van de akte met de eerste schriftelijke vermelding van Castricum.

Binnen het grondgebied van Castricum kunnen vier geesten worden onderscheiden, n.l. in Bakkum (gebied Bleumerweg – Achterlaan), Noord-eind (tussen Eerste Groenelaan en Stetweg/Brakersweg), de Kerkbuurt, uitlopende in de Oosterbuurt en het gebied Heemstede (aan de Korendijk en de Heemstederweg).
De voormalige geesten Heemstede, Bakkum en Castricum komen al vroeg in de schriftelijke bronnen voor.
Er is een akte gemaakt van een schenking van graaf Dirk II, ten gunste van de abdij van Egmond, van een hoeve te Heemstede en drie hoeven te Bakkum, daterende van omstreeks het jaar 980.
De zoon van Dirk II graaf Arnulf schonk omstreeks 990 een en driekwart hoeve gelegen in Castricum aan de abdij. In deze akte komt de naam “Castrichem” voor het eerst voor (afb. 1). Over de oorsprong van de naam bestaan verschillende theorieĆ«n. Castricum zou b.v. afgeleid kunnen zijn van de Griekse namen die Bever Wijk betekenen.

Bestuur vanaf de Graventijd

Wellicht vooral omdat de mens van nature geneigd is tot samenleven met andere mensen zijn zich gemeenschappen gaan vormen. Binnen een gemeenschap ontstaat al spoedig behoefte aan bepaalde afspraken in het belang van de personen in die gemeenschap en ook in het belang van die gemeenschap zelf. Als in een gemeenschap organen worden gevormd, die normen kunnen vaststellen en handhaven, gaan we het beeld krijgen van staatkundige eenheden. De ontwikkeling van die eenheden hangt voor een deel samen met de economische betekenis van een plaats. Naarmate de bestaansbronnen van de gemeenschap als landbouw, veeteelt of handel groeien, neemt het bestaansrecht en de aantrekkingskracht van de gemeenschap toe. Reeds eeuwen geleden kwamen er organen voor, die door hun uiterlijke verschijningsvorm deden denken aan wat tegenwoordig gemeenten worden genoemd.


Jaarboek 5, pagina 4

Onder Karel de Grote (768-814) is er voor het eerst sprake van een centraal gezag. Voor het gewestelijke en plaatselijke bestuur werd het rijk in gouwen ingedeeld, waarover door de Keizer gouwgraven werden aangesteld. Een gouw was ook Kinheim of Kennemerland. De oudste vermelding van deze naam komt voor in een oorkonde die tussen 715 en 739 wordt gedateerd.
In het laatst van de 9e eeuw werd de gouw Kennemerland bestuurd door Gerulf, die wel als stamvader van het z.g. Hollandse Huis, dat meer dan vier eeuwen geregeerd heeft, wordt genoemd. De graven wisten hun grondbezit steeds door aankoop, huwelijk of verovering te vergroten. In de 11e eeuw is voor hun gehele gebied de naam Holland in gebruik gekomen. De graven van Holland hadden zowel wetgevende als rechtsprekende bevoegdheden en inden boetes en belastingen. In onderdelen van hun graafschap delegeerden zij vanaf het einde van de 13e eeuw bevoegdheden aan baljuwschappen en schoutambachten.
Als men – zoals de inwoners van die tijd – het graafschap Holland als provincie ziet kan men een baljuwschap met een gewest vergelijken.
Zoals men nu kent gemeente, gewest en provincie had men toen ambacht, baljuwschap en graafschap, met dit verschil dat rechtspraak en bestuur nog Ć©Ć©n waren. De baljuwschappen waren algemeen bestuurlijke en rechterlijke organisaties, opgebouwd uit zelfstandige ambachten.
Castricum viel onder het baljuwschap van Kennemerland. Bakkum viel voor de hoge rechtspraak tot het begin van de 17e eeuw onder het baljuwschap van de Egmonden. Later had Bakkum een eigen baljuw, die tevens schout was.

Ambachtsheren

Als de graaf een schoutambacht (of het ambtsgebied van schout) in leen had gegeven, ontstond een z.g. ambachtsheerlijkheid. Het leen werd dan erfelijk bezit. Simon van Haerlem werd als eerste beleend met het schoutambacht van Castricum en Heemskerk en mocht zich dan ook de Heer van Castricum en Heemskerk noemen. Ook werd hij baljuw van Kennemerland en zijn er aanwijzingen dat hij de bouwheer is van o.a. “het huis te Castricum”, dat in de 15e eeuw het huis Kronenburg werd genoemd.
De volgende geslachten hebben ambachtsheren van Castricum voortgebracht.

Van Haerlem ca 1250 tot 1321
Van Polanen (Van der Lecke) 1327 tot 1485
Van Assendelft 1485 tot 1626
Van Renesse 1626 tot 1664
Geelvinck 1664 tot 1802
Schuyt 1803 tot 1899
Elias 1899 – heden

Nadat Geelvinck in 1749 de heerlijkheid Bakkum aankocht, kwamen Castricum en Bakkum in een hand. Het ambt van schout werd sindsdien door dezelfde persoon bekleed. De dorpen bleven tot 1812 echter nog zelfstandige eenheden. Over de heren van Bakkum is in het jaarboekje 1980 een artikel verschenen van de hand van de heer S. P. A. Zuurbier.
De lagere rechtspraak en het recht tot benoeming van verschillende functionarissen en de heffing van bepaalde belastingen behoorden tot de voornaamste heerlijke rechten.

Van Nidek schrijft in 1729 in het boek ‘Het Zegenpralent Kennemerlant”:

“De ingezetenen van Kastrikum moeten elk naer hunne gegoetheit ‘s jaerlijx aan den heer opbrengen in ‘t geheel zes en negentigh zakken koorn, welk koorn op Kronenburg moet worden gebraght, of anders in gereden gelde betaelt tegens dien prys van ieder zal zoo als dezelve omtrent Paeschen is geldende, welke prys door oude en nieuwe schepenen ‘t eiken jare op Paeschmaendagh wort vastgestelt, wordende het zelve door Schepenen van die geenen, die in geit, en niet met koorn, betalen, vergadert, het welke Pacht-garst-garen genoemt wort. Het dorp moet ook ‘s jaerlyx aan den heer betalen voor:

Herfst-bede 8 9: 8 (gulden – stuivers – penningen)
Vroonschulden 1 11: 8
Smaltienden 1 13: 1
Voederpenningen 0 5: 0
en voor boddingen om de drie jaren 5 0: 0

Zoals uit het staatje blijkt is de bodding ook een soort belasting. Het woord is een samenvoeging van bod – ding. Ding is een oud woord voor vergadering of rechtszitting. We vinden het terug in het begrip rechtsgeding. “Bod” komt van geboden in de zin van verplicht voorgeschreven. In oude tijden bezocht de graaf afwisselend alle plaatsen van zijn graafschap. Tijdens dat bezoek hield de graaf rechtszitting. De rechtszitting was het bod – ding.
Tijdens het bezoek van de graaf kwam zijn onderhoud en dat van zijn gevolg voor rekening van de bezochte plaats. Toen deze last verviel, werd zij vervangen door een vaste belasting als afkoop van de kosten die vroeger voor het houden van het geboden geding gemaakt moesten worden.

Hoewel de Heer in feite zelf de lagere rechtspraak kan uitoefenen hebben de Heren van Castricum en Bakkum van dit recht waarschijnlijk niet of zelden gebruik gemaakt. Zij stelden in hun plaats een schout aan en benoemde ook de schepenen. Ook het aanstellen van verschillende andere functionarissen behoorde tot de rechten van de ambachtsheer. Zo benoemde hij de bestuurders van de weeskamer. Alvorens hun functie te aanvaarden moeten zij door de Heer of namens hem door schout en schepen beƫdigd worden.

De heerlijke rechten werden in de staatsregeling van 1798 afgeschaft doch bij de grondwet van 1814 weer gedeeltelijk hersteld. De ambachtsheren kregen jacht-, vis- en dergelijke rechten terug, maar van heerlijkheid in de zin van bestuursgezag in particuliere handen bleef slechts een recht van benoemingen en het doen van voordrachten over.

Volgens het “Reglement op het bestuur ten Platten Lande” trad elke twee jaar op 2 januari een derde van de leden van de gemeenteraad af. Voordrachten voor benoeming van nieuwe leden aan de Staten dienden door de eigenaren van de Heerlijkheden te worden gedaan.
In de raadsnotulen van 14 december 1835 lezen we echter dat dan sedert jaren de verblijf- of woonplaats van de Heer onbekend is, zodat wordt besloten zelf maar een voordracht te doen. Kort daarna deed de Heer van Castricum en Bakkum echter weer van zich spreken. In de raadsvergadering van 20 februari 1837 kwam een brief ter tafel van advocaat Wiardi Beekman waarbij deze, namens de ambachtsheer Albertus Johannes Schuyt, reclameerde over de sinds 1818 niet meer betaalde heerlijke rechten!

De grondwetsherziening van 1848 schafte de heerlijke rechten van voordracht en benoeming definitief af. Toch maakte de Heer van Castricum nog wel gebruik van zijn – in overeenkomsten vastgelegd – recht om al of niet goedkeuring te verlenen aan de beroeping van predikanten.

Schout en schepenen

Een dorpsgebied of een ambacht werd ook wel banne genoemd, hetgeen zoveel betekende als rechtsgebied of district. Een banne was weer onderverdeeld in delen, ook wel buurschappen


Jaarboek 5, pagina 5

of waarschappen genoemd. Castricum bestond uit vijf buurten: Kerkbuurt, Oosterbuurt, Heemstede, Noorteinde en Kleibroek. De oorspronkelijke bewoningskernen op de geesten vinden we hierin terug.

Sedert de reorganisatie van de rechtspraak door graaf Floris V in 1292 bestond het bestuur van de bannen of wel het gerecht zoals het heel lang is genoemd, uit de schout en vijf schepenen. De schout vertegenwoordigde de graaf of de ambachtsheer en de schepenen kwamen op voor de “gemene buren” waarmee iedereen werd bedoeld, die in het dorp een erf had. Wie aan deze eis voldeed had binnen de banne het huurrecht.
De schout had een veel omvattende taak. Hij was handhaver van het gezag en controleerde de naleving van de keuren. Hij was voorzitter van het gerecht en tevens belast met de uitvoering van de vonnissen. Zijn inkomsten bestonden o.a. uit een aandeel in de opgelegde boetes. Schout en schepenen traden ook op als dijkgraaf en heemraden want de polders waren tot de 2e helft van de 19e eeuw niet zelfstandig.

Kleine vergrijpen werden door het gerecht van het dorp, de grotere – zeker de misdrijven – werden aan de Vierschaar van Kennemerland, waarvan de baljuw voorzitter was, voorgelegd. Deze Vierschaar behandelde ook de hogere beroepszaken.

Omdat de baljuw en het dorpsbestuur beiden het keurrecht hadden, d.w.z. het recht om politieverordeningen vast te stellen, kwamen er nog al eens competentiegeschillen voor. Zo wilde de baljuw van Kennemerland, Gerrit van Berckenrode, in 1587 een verordening aan de dorpen van Kennemerland opleggen. Limmen, Uitgeest, Heiloo en Castricum verzetten zich daartegen. Zij beriepen zich op eertijds van de graven van Holland verkregen rechten om politionele verordeningen zelf te mogen vaststellen. Uiteindelijk stelde de Hoge Raad in 1606 de baljuw in het ongelijk. Uitgesproken werd dat de Kennemers zelf verordeningen mochten maken, met uitzondering van die aangelegenheden, welke meer van interlokaal dan van plaatselijk belang waren.

Afgezien van de prehistorische bewoning waren de Friezen de oudste bewoners van onze streek. Diverse sporen van het oude Friese recht zijn nog eeuwenlang herkenbaar gebleven. Wanneer er in een Fries dorp recht gesproken moest worden of er andere kwesties van gemeenschappelijk belang aan de orde waren kwamen de bewoners bij elkaar.
Was er sprake van een rechtszaak dan legde de asing (rechtszegger) het vonnis aan de vergadering voor. De buren (inwoners) die het geding bijwoonden, stelden het vast. Tot in de 17e eeuw is buurspraak in Castricum nog een begrip gebleven, ondanks het feit dat het rechterlijk bestuur al sedert eeuwen aan de asing en “de buren” was onttrokken.
De aanhef van een besluit uit 1584 luidt aldus: “Ordonnantien ende Keuren, geordonneert ende ghekeurt bij den Schout en Schepenen tot Castricum, ende andere Buurhluyden daer toe wettelijk verdaeght”.

In de keuren van 1685 vinden we terug, dat wanneer men door schout en schepenen tot “buurspraak” wordt ontboden en zonder reden thuis blijft, een boete verbeurt van 6 stuyvers en 8 penningen. Indien zou blijken dat de bode zijn boodschap niet goed had gedaan, zou hijzelf deze boete moeten betalen.

Art. 15 van de keur van 1685 bepaalt dat het verboden is tabak te roken op het raadhuys, wanneer buurspraak gehouden wordt; “op de boete van zes stuyvers en terstond met een arm er uitgezet te worden”.

In dezelfde keur vinden we ook een verbod om een minderjarige op “bandingsregt” te zenden. Dit waren de jaarlijkse bijeenkomsten van de inwoners waarbij de keuren opnieuw werden afgelezen.

In 1584 gebeurde dat door de schoolmeester. In 1585 vond voorlezing plaats na de predicatie in de kerk. In 1590 werd het bandingsrecht voor het rechthuys gehouden.

Het begrip bandingsrecht komt in de keuren van 1742 nog steeds voor. Verplicht was om alle jaren op bandingsrecht de in bezit zijnde honden door de ring te halen.
De honden die door een kleine ring gehaald konden worden mochten zonder “blok of knippel” aan de hals loslopen.
De honden die alleen door een grote ring konden, moesten een zodanig zwaar blok meeslepen dat ze geen kwaad meer konden doen of met succes achter de konijnen zouden kunnen aanzitten.
De honden die door geen van de twee ringen gehaald konden worden, moesten aan een sterke ijzeren ketting vastgelegd worden.

Aan hetgeen hiervoor al over de taak van de schout is vermeld kan nog worden toegevoegd dat hij ook huwelijken voltrok. In de keuren van 1679-1684 kwam een verbod voor om zonder toestemming te komen op de plaats waar de plechtigheid plaatsvond.
Ook is interessant een bepaling welke een voorloper van het bevolkingsregister genoemd kan worden.
Men was verplicht om in handen van het geregt “hunne wettelijke certificaten te vertonen, van waer zy gekomen zyn ende laetst haer residentie en woonplaats gehouden hebben”.

Vanaf de 16e eeuw tot omstreeks het midden van de I9e eeuw schommelde het aantal inwoners van Castricum tussen 500 en 900 inwoners.

Tot de gemeentewet van 1851

Na de graventijd en de Spaanse overheersing ontstond in 1588 de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De steden namen een onafhankelijke positie in. Het platteland daarentegen had geen staatsrechtelijke bevoegdheden. Het hoogste gezag binnen een gewest berustte bij de Staten Generaal. Het in leen geven van heerlijkheden werd nu een taak van dit orgaan. In het leenstelsel kwam overigens weinig verandering.

De stichting van de Bataafse Republiek (1795) bracht een radicale ommekeer in het staatsbestel, opgebouwd op de beginselen van de Franse Revolutie. “Vrijheid, gelijkheid en broederschap!” was de leus. Regenten werden afgezet en vervangen door representanten van de burgerij. Schout en schepenen van Castricum riepen op 9 februari 1795 alle mannen boven 18 jaar bijeen in de kerk om een nieuw bestuur samen te stellen. Schout Joachim Nuhout van der Veen hield een indrukwekkende redevoering, waaruit de volgende passage:

“Wij bewoners van het platteland, die gene Rechten in de Maatschappij hadden, maar alle ongehoorde plichten moesten vervullen, die onder de drukkendste lasten zuchten, en die in dubbele mate draagen, die door de zoogenaamde Grooten wierden uitgemergeld, als niets beduidende wezens verachtelijk behandeld, en onder de voet getrapt, zonder ons daartegen te kunnen verzetten: wij, bewoners van het platteland herzeg ik, zullen nu ook deelen in de heerlijke gevolgen van deze waarlijk gezegende omwending van zaaken”.

De representanten van het volk maakten later plaats voor een gekozen municipaliteit die de functie had van de huidige gemeenteraad. Een maire verving de schout.

In feite veranderde er weinig op het platteland. Wel werd vanaf die tijd geprobeerd een scheiding tussen bestuur, wetgeving en rechtspraak aan de brengen. Ambachten werden zelfstandige gemeenten die hun eigen bestuur kozen.


Jaarboek 5, pagina 6

Reorganisaties van het staatsbestel volgden elkaar daarna snel op. Na het herstel van onze onafhankelijkheid maakten de grondwetten van 1814 en 1815 weer onderscheid tussen stedelijke en plattelandsgemeenten. Gesproken werd enerzijds van steden, anderzijds van “heerlijkheden, districten en dorpen”. De organisatie van het bestuur ten plattelande werd vastgelegd in een besluit van 1817. Krachtens dit besluit keerde de schout (benoemd door de koning), die tevens secretaris en ontvanger was, terug, bijgestaan door een raad (periodiek aftredend, benoemd door Provinciale Staten uit de aanzienlijken) en twee assessoren (wethouders) gekozen uit de raad.

Op 3 april 1817 werden Gerrit Brasser en Simon Duynmayer tot assessoren benoemd en Evert Asjes, Cornelis Schrama en Floris Twisk tot leden van de raad. De oude raad werd door schout en secretaris Pieter Kieft ontbonden en bedankt voor de zorgvuldigheid waarmee hetzelve steeds de belangen dezer gemeente heeft waargenomen”.
In het besluit van 1825 is de eeuwenoude titel van schout afgeschaft om definitief plaats te maken voor die van burgemeester.

De grondwetsherziening van 1848 eiste een nieuwe gemeentewet, rechtstreekse verkiezingen, gepaard aan periodieke aftreding van de raadsleden en gemeentelijke autonomie. Aan de gemeentewet van 1851 is de naam van de staatsman mr. J.R. Thorbecke onverbrekelijk verbonden. In de loop van de jaren is de gemeentewet dikwijls gewijzigd doch haar grondslagen zijn vrijwel onaangetast gebleven.
In alle gemeenten wordt de raad het hoofd van de gemeente, welke voortaan rechtstreeks door de ingezetenen wordt gekozen (beperkt kiesrecht tot 1917). De benoeming van de burgemeester blijft bij de Koning. Assessoren worden voortaan wethouders genoemd.
Bij het aanbreken van het nieuwe tijdperk werd, ondanks een verzoek van de nieuw gekozen gemeenteraad, de 83-jarige burgemeester en secretaris J. de Quack niet herbenoemd. Jhr. Jacob Rendorp van Marquette werd zijn opvolger.

ONTWIKKELING GEMEENTETAKEN

Van nachtwakersgemeente tot welzijnsgemeente

Heel veel omstandigheden en stromingen hebben de gemeente en zijn besturen in de loop der eeuwen beĆÆnvloed. Tot de 20e eeuw kan de plaats en de functie van de gemeente vooral worden vergeleken met die van nachtwaker. De gemeente waakt hoofdzakelijk over de handhaving van de openbare orde en rust, terwijl ook de armenzorg en de weeskamer veel aandacht vergt. De gerichtheid van de gemeente is vooral afwerend en bewakend. Aan het einde van de 19e eeuw worden aanzetten gegeven tot een verdere ontwikkeling van de gemeentelijke taak.
De gemeente ging zich meer en intensiever bezighouden met zaken als woningbouw, wegenaanleg, volksgezondheid, onderwijs, gas– en elektriciteitsvoorzieningen. Ook het culturele leven begon de aandacht te krijgen.
In 1921 kende de gemeenteraad voor het eerst een subsidie voor bibliotheekwerk toe van 10 gulden. Het fanfarecorps “Eendracht maakt macht” kreeg 50 en de R.K. Geitenfokvereniging 100 gulden. Nu, ruim 60 jaar later, wordt voor de bibliotheek meer dan 600.000 uitgetrokken en de fanfare ontvangt 12.000 gulden. De Geitenfokvereniging is evenwel opgeheven.

Woningbouw

Met betrekking tot de bouw beperkte de zorg van de gemeente zich nog tot de vorige eeuw tot het voorkomen van brandgevaar. Op grond van de Woningwet van 1901 werd in 1904 een eerste verordening “op het bouwen en slopen” vastgesteld. Aan deze verordening werd in 1918 toegevoegd dat burgemeester en wethouders ook eisen konden stellen aan het uiterlijk schoon. Een eerste plan tot bepaling van voor- en achtergevel rooilijnen voor o.a. de Dorpsstraat werd in 1920 vastgesteld. Burgemeester Lommen zag de noodzaak van een begeleiding van de ontwikkelingen op bouwgebied goed in. In zijn nieuwjaarsrede op 10 februari 1925 merkt hij b.v. op: “Veel schoons kan er van onze zo mooie en gunstig gelegen gemeente groeien, maar zo heel veel kan er nog bedorven worden”. De eerste opdracht tot het maken van een uitbreidingsplan werd in dezelfde vergadering nog gegeven, maar de keuze van het adviesbureau bleek toch geen gelukkige te zijn geweest.

De gemeenteraad in 1930.
afb. 2 De gemeenteraad in 1930. V.l.n.r.: de heer B. Res Wzn., G. Kuijs, P. Twisk, J. de Nijs, H. Schipper, T. Hellinga, F. J. Aukes, P. de Vries, G. Louter. Achter de tafel: de wethouders H. Hemmer en G. Louter sr., burgemeester P. H. L. J. Lommen, secretaris N. A. van Lunen en het eerste vrouwelijke raadslid mevrouw G. Kuijs – Piepers.

In 1928 werd de opstelling van een algemeen uitbreidingsplan aan ir. J.M. de Casseres opgedragen. Hij startte met een zeer gedegen studie naar de bestaande toestand en de karakteristieken van de gemeente, waarmee hij zijn tijd ver vooruit was. Ten aanzien van de zich ontwikkelende lintbebouwing in de gemeente merkte hij op, “dat deze zeer bevorderlijk is voor de bereiking van een onaesthetisch geheel”. Hij signaleerde dat naast het gebruikelijke vrijstaande eengezinshuis het rijenhuis zijn intrede deed, wat bijdroeg aan de verminking van het landschapsschoon; bovendien was het als bouwblok veel te massaal om met de oude boerenhoeven een geheel te vormen. De slechte harmonie weet hij aan het feit dat de ontwerpen van particuliere woningen vrijwel geheel aan aannemers werden toevertrouwd, die architectonisch slecht onderlegd waren. Verbetering zou mogelijk zijn door duidelijke gemeentelijke voorschriften en een goede uitvoering van het welstandstoezicht.
Grote problemen ontstonden bij de voorbereiding van het uitbreidingsplan over de oostelijke, dan wel westelijke omlegging van de Rijksstraatweg.
Rijkswaterstaat had voorkeur voor een verbinding ten oosten van de bebouwde kom tussen de Beverwijkerstraatweg en de Alkmaarderstraatweg, met een viaduct over de spoorlijn. De gemeente verkoos een westelijke omleiding. Burgemeester Lommen gaf als zijn persoonlijke mening te kennen:
“Waar niet te winnen valt is het ijdel dat men strijdt”. Er kwam geen beslissing van Rijkswaterstaat en eind 1930 werd De Casseres door de raad opgedragen toch maar uit te gaan van een oostelijke omleiding, (afb. 2). De adviesarbeid van De Casseres heeft o.a. geleid tot de vaststelling in 1936 van een bestemmingsplan voor een gebied o.a. omgeven door de Ruiterweg, Pr. Beatrixstraat, Van Ginhovenstraat en de spoorlijn. Een groot deel van ons dorp is op basis van dit plan gebouwd. De oostelijke omleiding van het verkeer is nog steeds niet in zicht …

Verkeer

Zoals uit het voorgaande bleek, kampten de gemeentebestuurders vijftig jaar geleden al met de verkeersproblematiek. Wie zou menen, dat invoering van eenrichtingverkeer in de dorpskom toch wel iets van de laatste tijd zou zijn, vergist zich. In 1933 vroeg de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders om te overwegen, gedurende het zomerseizoen of tenminste op de zondagen, op de toen nog smalle Mient, eenrichtingsverkeer toe te passen. Het gemeentebestuur zette de bezwaren voor het openbaar vervoer en van filevorming voor de spoorwegovergang en het extra politietoezicht uitvoerig uiteen.
Burgemeester Lommen wees de raad erop, dat de gewoontevorming gedurende werkdagen problemen zou kunnen opleveren. Ook voerde de burgemeester aan dat de gereedkoming in 1933 van de provinciale primaire weg vanaf de Zaanstreek naar Limmen veel verlichting zou brengen.
Toeristen uit de Zaanstreek en Amsterdam zouden tot de verbinding met zee klaar is, gedeeltelijk de Brakersweg kunnen berijden, waardoor de Mient wordt ontlast.


Jaarboek 5, pagina 7

Op 22 januari 1934 legde de raad zich nog zonder hoofdelijke instemming neer bij het oordeel van burgemeester en wethouders. In 1975 gaf de raad zich niet gewonnen en is er toch een omleiding van het recreatieverkeer ingevoerd, zij het niet meer voor de Mient, maar ten gunste van de Bakkummerstraat.
Begin 1936 is een aanvang gemaakt met het verbinden van de Zeeweg, vanaf het kruispunt Heereweg, met de inmiddels gereed zijnde provinciale weg Uitgeest-Limmen. (De grond voor het spoorwegviaduct werd verkregen door het in werkverschaffing graven van het duinmeertje ten noord-oosten van genoemde kruising).

Riolering

In de raadsvergadering van 25 maart 1914 pleitte burgemeester Mooij voor het maken van een aanvang met de riolering, b.v. vanaf het raadhuis tot de Kramersweg. Raadslid Goes steunde dit voorstel als zijnde in het belang van de neringdoenden en voor hunne klanten. Met slecht weer moesten er planken worden gelegd om de winkels te kunnen bereiken!
Besloten werd tot het maken van een kostenraming. De kosten vielen kennelijk tegen want er gebeurde weinig. In 1925 werd aan het Technisch Adviesbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opdracht gegeven een rioleringsplan te ontwerpen. Dit plan dat aan het einde van het jaar door de raad werd vastgesteld zou in in fasen worden uitgevoerd. Tot een krachtige aanpak kwam het niet mede vanwege de hoge kosten. Pas enkele jaren voor de oorlog werden omvangrijke rioleringswerken uitgevoerd en is ook een zuiveringsinrichting aan de Heemstederweg gebouwd. De raad stelde in 1938 een krediet beschikbaar van 200.000 gulden!

Vuilnisophaaldienst

In 1915 werden verschillende aanbiedingen van particulieren ontvangen om voor 3 tot 3,75 gulden per week vuilnis op te halen. Het raadslid P. Kuys zei plaatsen te weten waar men het aanbesteedt en er nog geld toe wordt gegeven. De raad besloot vervolgens niet op de aanbiedingen in te gaan.
In 1919 werd echter toch besloten in de Kerkbuurt een proef voor drie maanden te nemen. Particulieren konden voor dit werk inschrijven. H. Beentjes bood aan twee maal per week vuil op te halen voor 7,48 gulden, doch wilde zijn inschrijving tot 6 gulden terugbrengen, indien hij toestemming zou krijgen de beerputten bij de school en het raadhuis te legen. Overbodig te zeggen dat het werk hem voor 6 gulden werd gegund. Het experiment was kennelijk geslaagd, want besloten werd per 1 januari 1920 in de hele gemeente vuilnis te doen ophalen.
In 1935 nam het gemeentebestuur de ophaaldienst in eigen beheer. Voor een bedrag van 3.585 gulden werd in 1939 een echte vuilnisauto gekocht.

Gas- en electriciteitsbedrijf

Op 6 augustus 1913 werd door de gemeenteraad besloten tot oprichting van een gemeentelijk gasbedrijf. Per 1 januari 1920


Jaarboek 5, pagina 8

werd ook een elektriciteitsbedrijf gesticht dat elektrische stroom doorverkocht.
Rond de gemeentelijke lichtbedrijven hebben zich in Castricum vele conflicten voorgedaan. Interessant genoeg om er nog eens afzonderlijk aandacht aan te besteden. De eerste directeur werd in 1920 al ontslagen. In 1921 werd de heer J. van Hoeve directeur, die in alle stormen rond zijn bedrijf overeind is gebleven. Over het wel of niet opheffen van het gasbedrijf en de gasprijzen waren de inwoners en ook de gemeenteraadsleden het zeer oneens. Er zijn tijden geweest dat het dorp zo verdeeld was dat men als voorstander van opheffing geen klant kon zijn van een bakker die er tegen was. De discussies in de gemeenteraad waren opzienbarend.
Het elektriciteitsbedrijf werd in 1936 door het PEN overgenomen, terwijl in 1942 Castricum werd opgenomen in het met Hoogovengas voorziene verzorgingsgebied van de gemeente Beverwijk.

Waterleiding

Op 22 september 1922 werd voor de raadsleden een informatie-avond gehouden over de waterlevering. De directeur van het P.W.N., de heer J. van Oldenborgh, zette uiteen dat in de bouwverordening zou moeten worden opgenomen dat iedereen die binnen 40 meter van de leiding bouwt verplicht was om aan te sluiten, tenzij burgemeester en wethouders ontheffing zouden verlenen als men reeds goed water had.
In 1924 werd de bouwverordening op deze wijze aangepast en konden vele pompen en welputten worden opgeheven.
Toch heeft een en ander nog wel de nodige weerstanden opgeroepen. Tegen inwoners die vooral vanwege de kosten, weigerachtig bleven aan te sluiten nadat het water uit eigen bron was afgekeurd, moest in veel gevallen proces-verbaal worden opgemaakt.
De wateronttrekking door het P.W.N. in het duingebied had overigens ernstige gevolgen voor de vele tuinders die daar hun land hadden.

Onderwijs

Het onderwijs is vanouds een belangrijke zorg voor de overheid. Dat de school in vroeger tijden onder Ć©Ć©n dak met het regthuys was gevestigd, waarna nog tot 1935 het schoolhoofd zijn woning in het huidige gemeentehuis had, is daarvan wellicht een illustratie. Vaak hadden de schoolmeesters ook nog veel andere functies, zoals gemeentebode en klokkenist. Nadat in vroegere eeuwen in het regthuys en de Hervormde kerk les werd gegeven, kwam in 1854 het eerste schoolgebouw totstand naast het gemeentehuis aan de Dorpsstraat. Het eerste schoolhoofd aldaar was meester Ludewig. In 1904 werd in Bakkum de tweede openbare school gebouwd, waarvan meester Nijssen hoofd werd. Vermeldenswaard is dat de grond aan de gemeente werd geschonken door prinses Von Wied. In 1919 deed het bijzonder onderwijs zijn intrede door de bouw van de R.K. Meisjesschool aan de Alkmaarderstraatweg; een jaar later gevolgd door de R.K. Jongensschool (Pius X school). In 1932 besloot de gemeenteraad de school aan de Van Oldenbarneveldtweg beschikbaar te stellen aan het christelijk schoolbestuur en de leerlingen van het openbaar onderwijs uit Bakkum tijdelijk in het schoolgebouw bij het raadhuis onder te brengen.
De raad aarzelde om uitvoering te geven aan het principe-besluit tot stichting van een centrale openbare lagere school, dit vanwege de slechte economische omstandigheden. Burgemeester en wethouders slaagden er niet in de raad te overtuigen van de noodzaak tot nieuwbouw. Raadslid P. Twisk stelde tijdens een van de vele beraadslagingen, dat toen hij vroeger op school ging, aan honderd kinderen in Ć©Ć©n klas les werd gegeven en dat het onderwijs toen niet slechter was als nu.

Op 13 oktober 1932 vergaderden twee leden van het college van gedeputeerde staten de heren A. H. Gerhard en J. B. Bomans in het geheim met de gemeenteraad. Zij maakten de raad duidelijk dat er geen goedkeuring aan de tijdelijke samenvoeging van de beide lagere scholen zou worden gegeven, indien de bouw van een nieuwe centrale openbare lagere school zou worden uitgesteld. In dat geval moest een nieuwe christelijke school gebouwd worden. Tesamen met de kosten van een opknapbeurt van de school aan de Dorpsstraat zou de gemeente dan nog duurder uit zijn. Deze argumenten gaven de doorslag en al op 21 oktober 1932 werd besloten tot de bouw van de nieuwe school. Een jaar later kwam het gebouw gereed. Nu is het nog steeds in gebruik en wel bij de J. P. Thijsse-scholengemeenschap.
Begin 1934 werd besloten het oude schoolgebouw aan de Dorpsstraat met spoed te slopen, uit vrees voor vandalisme.

Recreatie

In 1919 is de vereniging “Castricum Vooruit” opgericht, welke niet alleen de bevordering van het vreemdelingenverkeer, maar ook de ontwikkeling van het dorp ten doel had.
De gemeentesecretaris Van Lunen was tevens secretaris van deze vereniging. Ere-voorzitter was burgemeester Lommen. In het provinciaal verslag over 1920 wordt voor het eerst officieel melding gemaakt van het gebruik van een terrein tegenover Johanna’s Hof voor ontspanning.
Aan 11 dames en 9 heren werd vergunning verleend tot kamperen. Het bezoek nam snel toe en in 1927 kwamen de eerste permanente voorzieningen op het terrein in de vorm van drie toiletgebouwtjes en een wachthuisje.
Ook het strandbezoek kwam op gang. De gemeente huurde in 1921 100 meter strand voor het plaatsen van tentjes voor “ververschingen”. De bestrating van de Zeeweg in 1922 vanaf het kruispunt Heereweg tot het Commissarishuis en in 1925 het overige deel heeft vanzelfsprekend de ontwikkeling van Castricum tot vakantieoord zeer bevorderd.
In 1925 werd op het strandplateau een houten paviljoen Armeria gebouwd. In 1930 werd dit vervangen door het fraaie badhotel Armeria, dat in de oorlogsjaren is afgebroken. Van herbouw is tot nu toe niets gekomen. Nog steeds streeft het gemeentebestuur naar een bescheiden aanvulling van de accommodatie te Castricum aan Zee.

Het ontstaan van een nieuw Castricum

Tussen 1860 en 1880 steeg het aantal inwoners van 1.150 tot 1.574, door een toenemende agrarische welvaart. De afzetmogelijkheden werden verbeterd door de opening van de spoorlijn Haarlem-Alkmaar in 1876. Tussen 1905 en 1930 veranderde er veel in Castricum. Het inwonertal nam snel toe van 2.076 in 1905 tot 5.500 in 1930. Castricum veranderde van een overwegend agrarisch dorp tot een dorp van gepensioneerden en renteniers, terwijl ook de eerste forensen zich vestigden. (In 1927 telde Castricum 74 forensen). Ook de stichting van het provinciaal ziekenhuis in 1909 is, in verband met het talrijke ziekenhuispersoneel, een factor van betekenis geworden in de ontwikkeling van Castricum. In de jaren twintig begint het dorp voorts op te komen als vakantieoord.
In de jaren (negentien)dertig, met grote problemen tengevolge van de crisis, heeft de verandering van Castricum tot stedelijk forensendorp zich definitief voltrokken. Het aantal inwoners van Castricum steeg in 1940 tot 8.412.

In de 2e wereldoorlog werden op last van de Duitse bezetting 265 woningen afgebroken, dit in verband met de kustverdediging. Karakteristieke panden en fraaie boerderijen gingen verloren. Ook door de evacuatie van grote delen van het dorp heeft de bevolking in de oorlogsjaren veel geleden.


Jaarboek 5, pagina 9

Na de bevrijding werd de heer C. F. Smeets tot burgemeester benoemd. Gedurende 10 maanden werd hij bijgestaan door wethouder T. Hellinga. De eerste vergadering van de raad na de oorlog vond plaats op 2 september 1946. G. Meijer en P. de Vries werden tot wethouder gekozen. P. de Vries trok zich in 1955 terug, na in totaal 32 jaar lid van de raad te zijn geweest, waarvan 17 jaar als wethouder! De collegesamenstelling bleef vervolgens 11 jaar ongewijzigd. Zonder discussie werden de wethouders G. Meijer en N. Veldt steeds opnieuw benoemd. De wederopbouw werd krachtig aangepakt. Het eerste bouwplan betrof de afbouw van de Geelvinckstraat. De z.g. Oranjebuurt en de Torenstraat volgden. Uit de toelichting op het Wederopbouwplan blijkt dat er bewust voor werd gekozen om niet alle bouwterreinen van vĆ³Ć³r de oorlog opnieuw te benutten. Het verdwijnen van de met de achterzijde naar de spoorbaan gelegen huizen aan de Mient en het openen van het uitzicht op het duinlandschap vanaf de gehele westzijde van het dorp en vanaf de Vinkebaan werd een verbetering geacht. Ook de buurt De Duinkant, ontstaan in de 2e helft van de 19e eeuw, in verband met de afzanding van De Zanderij t.b.v. de spoorlijn, zou niet terugkeren.
Tussen 1960 en 1970 werden de wijken Kooiweg en Noordend grotendeels voltooid. Van ruim 12000 inwoners in 1960 groeide de gemeente tot bijna 20.000 inwoners 10 jaar later. Daarna is het groeitempo snel afgenomen. De gemeente telt nu ruim 22.000 inwoners.

HET RAADHUIS VAN DE GEMEENTE

Van Dinckstal tot raadhuis

In het voorgaande is geprobeerd een indruk te geven van de ontwikkeling van de gemeente en de taken van het gemeentebestuur. Parallel met dit proces verliep de omvang van het ambtelijk apparaat en daarmee ook de huisvesting. We keren daarvoor eerst nog even terug naar vroegere eeuwen.

Dingstal of dingstoel is de oude naam voor de plaats van het gerecht. Een akte gevonden in de leenregisters van het graafschap Egmond bewijst dat op dezelfde plaats waar vanouds recht werd gesproken, het gemeentebestuur van Castricum thans nog zetelt.
In die akte gedagtekent 12 september 1491 is sprake van een belening door de graaf Van Egmond met een vlak daarnaast gelegen perceel, t.w.: “eenhuijsinge ende erve gelegen in de Ban van Castercom welcke huijsinge ende erve voorschreven belent heeft an dat Oosteijnde den Dinckstoel van Castercom, an die zuijtzijde dat kerckhoff ende an die Noortzijde die Heernwech”.
Dat de oude naam nog lang in gebruik is gebleven blijkt uit een raadsbesluit van 1866. De gemeenteraad besloot toen een terrein genaamd de Dinckstal achter de lagere school die tussen het raadhuis en de Schoolstraat stond, als speelplaats beschikbaar te stellen.
Mr. J. Belonje die in 1952 in De Speelwagen van de akte uit 1491 melding maakte, stelde dat een particulier in zijn leven wel eens en soms meermalen verhuist, maar dat het een grote uitzondering is, vooral in onze nomadische tijd, wanneer iemands geboortehuis met zijn sterfhuis samenvalt. “Het bestuur van een gemeente verhuist daarentegen ook tegenwoordig niet graag”. Dertig jaar na deze constatering van de heer Belonje zal het er toch van komen.

afb. 3 Gevelsteen raadhuis. Uit de archieven is niet duidelijk geworden of in 1684 sprake was van de stichting van een rechthuys. Er zijn aanwijzingen dat er in 1584 al een dergelijk gebouw was. Uit het bestek van het raadhuis blijkt dat de gevelstenen waarschijnlijk al eerder in een gebouw zijn gebruikt.

Van het allereerste regthuys van Castricum is weinig bekend. Uit de afkondiging van een keur ter vergadering van de gehele gemeente, voor het regthuys, weten we zeker dat er in 1590 in ieder geval een gebouw was, waarin het regthuys was ondergebracht. Op de Dinckstal woonde in 1584 ook de schoolmeester al. (afb. 3).
De ruimte, welke het bestuur in beslag nam, was bijzonder gering.

In het boek “De Nederlandsche Stad- en Dorpsbeschrijver” uit 1795 lezen wij dat de zogenaamde rechtkamer wordt gehouden “boven het school en woonhuis van den Meester, zijnde deeze kamer een vertrek dat niets bijzonders heeft”.

Van het regthuys dat in 1825 op de Dinckstal van Castricum stond beschikken we over een vage plattegrond, aangegeven op de eerste kadastrale kaart. (afb. 4).
Zoals daarop is te zien, liep er een weg vlak langs het gebouw en ontstond daar een driehoekig perceel. Op dit terrein werd in 1854 de school gebouwd.
Uit deze kaart blijkt ook dat er in de Kerkbuurt toen nog maar zo’n dertig huizen stonden.

De eerste kadastrale kaart geeft een beeld van Castricum anno 1825.
afb. 4 De eerste kadastrale kaart geeft een beeld van Castricum anno 1825.

Jaarboek 5, pagina 10

Het regthuys van Bakkum heeft ongeveer gestaan op de plaats van de tegenwoordige splitsing Achterlaan/Heereweg. Het oude regthuys zou in de 17e eeuw zijn ingericht in de vroegere Cunerakapel. In het Aardrijkskundig woordenboek van Van der Aa uit 1840 lezen wij:
“Voor onderscheidende eeuwen is hier een kapel gesticht, die nog in wezen is maar reeds meer dan een eeuw tot gemeentehuis ingericht werd”.
De Cunerakapel werd in de 14e eeuw gebouwd door Willem V uit dankbaarheid voor een gewonnen zeeslag. Tot de samenvoeging van Castricum in 1812 heeft dit gebouw of althans een gebouw op die plaats dienst gedaan als regthuys. In een beschrijving van de ambachtsheerlijkheid Backum van de hand van de heer L.J.A.B. Braakenburg wordt vermeld dat het nadien nog lange tijd door de gemeente als woonhuis werd verhuurd. De gemeenteraad van Castricum besloot op 29 januari 1873 het voormalig raadhuis met erf openbaar te verkopen. Van het perceel werd het gemeentelijk schuthok (voor het tijdelijk onderbrengen van loslopende vee) uitgesloten.
Op 19 maart 1873 werd Dirk Bruin wonende te Castricum de nieuwe eigenaar voor een bedrag van 606 gulden.

Het raadhuis van 1869

Kort na zijn benoeming in Castricum pleit burgemeester Zaalberg voor een spoedige nieuwbouw van het raadhuis.

In een brief aan gedeputeerde staten van 25 september 1868 vraagt de burgemeester een subsidie van 1.650 gulden voor het herstel van de onderwijzerswoning. Hoe slecht dat gebouw dan wel is blijkt duidelijk uit deze brief. De burgemeester wees er op dat door de slechte staat van daken, goten en muren het zich daarin bevindende archief niet kan worden gevrijwaard voor lekkages.
Daarenboven is de zogenaamde raadkamer een lokaal dat niet alleen “afzigtelijk” maar ook ontredderd en te klein is.
Het archief ligt in een krib opgeborgen onder de pannen van een laag afdak, waar men niet rechtop kan staan en dat lokaal is zo vermolmd, dat het schoonmaken slechts zeer korte tijd effect sorteert.
De burgemeester besluit zijn brief met de conclusie dat het gebouw zo bouwvallig is dat hij een kamer zal moeten huren bij een ingezetene, teneinde behoorlijk zijn dienstwerk te kunnen volbrengen en om het archief dat nog in zeer verwarde en ongeredderde toestand is, te vrijwaren van verdere beschadiging door “lellingen en motvreterijen”.

Hoewel het subsidieverzoek wordt afgewezen, besluit de raad toch op 25 november 1868 een plan tot herbouw van raadhuis en onderwijzerswoning in principe te aanvaarden.
Plan en bestek zijn ontworpen door de timmerman J. Res en de metselaar C. de Groot, beiden wonende te Castricum.
Uit de notulen van de vergadering blijkt, dat burgemeester Zaalberg de raad erop heeft gewezen dat het plan voor de verbouwing al voor de aanvaarding zijner bediening was opgevat, zodat aan hem de eer van het initiatief niet toekomt. Hij verklaarde hoogst ingenomen te zijn met het denkbeeld en voorstander van de bereiking van de nieuwbouw, zowel tot sieraad van de gemeente als tot bekoming van een beter lokaal voor de vergadering van de raad als voor zijn eigen arbeid en tot betere bewaring en instandhouding van het archief.
Ook zou hij het toejuichen, om bij de verkiezingen niet langer de toevlucht te moeten nemen tot de herberg, een plaats die niet voegt voor dergelijke openbare gelegenheden.

Op 23 december 1868 besluit de raad met algemene stemmen definitief goedkeuring aan het plan te verlenen en over te gaan tot onderhandse aanbesteding en daartoe uitsluitend werkba-


Jaarboek 5, pagina 11

zen uit de gemeente uit te nodigen: C. de Groot, metselaar, J. Res, timmerman, Cornelis Bakker en A. de Graaf, die zij niet alleen als deskundigen voor dat werk bekwaam rekenen, maar daarenboven een vrije concurrentie ontraden.

De raming van het werk komt uit op 2.903 gulden.
Op 20 januari 1869 doet de burgemeester verslag van de aanbesteding.
J. Res, timmerman schrijft in voor 3.189 gulden
C. de Groot, metselaar voor 3.198 gulden
C. Bakker, timmerman voor 3.745 gulden

Raadhuis gebouwd in 1869. Rechts daarvan staat de in 1854 geopende openbare lagere school.
afb.5 Raadhuis gebouwd in 1869. Rechts daarvan staat de in 1854 geopende openbare lagere school.

De laagste inschrijver is dus J. Res met 3.189 gulden, benevens 25 gulden voor het maken van een privaat.
Ten overstaan van de raad is door Res het contract ondertekend.
Op 17 februari 1869 besluit de raad nog gedurende de bouwtijd tijdelijk een woonhuis te huren voor huisvesting van de onderwijzer alsmede voor de secretarie.
De kosten bedragen 3,50 gulden per week. De trouwpartijen zullen tijdelijk in de school plaats vinden.
Begin april van het jaar 1869 wordt met de sloping van het oude gemeentehuis een begin gemaakt.
De eerste steen voor het nieuwe gemeentehuis (afb. 5) wordt na afloop van een raadsvergadering op 21 april 1869 door burgemeester Zaalberg gelegd.
Hij heeft het genoegen van de door hem begeerde nieuwe werkruimte niet mogen smaken. Na een conflict met de gemeenteraad – zie het artikel “Wie was . . . Hermanus Zaalberg” – krijgt hij per 1 juli 1869 ontslag.

Het raadhuis van Jan Stuyt

Toen in 1869 het raadhuis werd gebouwd telde de gemeente 1376 inwoners. Het inwonertal steeg tot 3267 inwoners in 1910. In de vergadering van 25 augustus 1910 behandelde de raad onder voorzitterschap van burgemeester Mooij een brief van de commissaris der Koningin naar aanleiding van diens bezoek. In deze brief worden aanmerkingen gemaakt over de toestand van de onderwijzerswoning en de werkzaamheden ter secretarie. De onderwijzerswoning was duidelijk te klein.
Overwogen werd het aanbrengen van een “bovenbouwtje” maar dit werd onmiddellijk weer verworpen, aangezien er dan sprake zou zijn van goed geld naar kwaad geld gooien.
Ook het raadhuis behoefde van buiten herstel. Besloten werd de mogelijkheid van algehele nieuwbouw te onderzoeken.

Naar aanleiding van de opmerkingen over de werkzaamheden ter secretarie, opperde de burgemeester de gedachte om een secretaris te benoemen.
“De gemeente neemt al meer en meer toe met zaken en voorstellen van allerlei aard, terwijl tot heden de burgemeester geen voortdurende geregelde hulp dagelijks heeft en het kwam hem wel voor, dat een verhoging in dat geval van de uitgaven voor de jaarwedden van burgemeester en secretaris, wel overeen te achten is met de werkzaamheden en bemoeiingen ter secretarie”.
Er werd snel gerekend en het bleek dat de meerkosten nog al meevielen.
Burgemeester Mooij zou als burgemeester en secretaris niet meer resp. 650 en 600 gulden ontvangen, maar in totaal 900 gulden per jaar.
Een nieuw te benoemen secretaris zou een gelijk bedrag ontvangen. De 200 gulden voor schrijflonen zouden komen te vervallen bij de intrede van de secretaris.
In het midden werd gelaten, of een secretaris met diploma zou worden aangetrokken om aan het verlangen van de commissaris te voldoen.

Besloten werd, op 25 augustus 1910, om de Commissaris te informeren over het voorlopig plan voor de onderwijzerswoning en het raadhuis en de wijze waarop het naar de mening van de raad, op voorstel van de voorzitter, het meest verkieslijk zou zijn te voorzien in betere waarneming van de werkzaamheden ter secretarie.

Toch duurde het nog tot 1 februari 1914 voor een gemeente- secretaris zijn intrede deed. Het was de heer J.A. Verder, voordien gemeente-secretaris van Egmond-Binnen, die met 4 tegen 2 stemmen werd benoemd. In 1915 vertrok de heer Verder weer en wel naar Vleuten en Haarzuilen als burgemeester.
Tot zijn opvolger wordt benoemd de heer H. Oostveen. Deze wordt in 1919 burgemeester van Blokker. Zijn opvolger is de heer N.A. van Lunen.
Nu we het toch over het ambtelijk apparaat hebben, zij nog vermeld dat de gemeenteraad op 27 augustus 1913 heeft besloten de eerste schrijfmachine aan te kopen.
Besloten werd tot een tweedehandsmachine, want een geheel nieuwe werd te kostbaar geacht.

Het besluit om een nieuw raadhuis en onderwijzerswoning te laten bouwen werd op 21 september 1910 genomen.
Uit twee verschillende schetsontwerpen van de architect Jan Stuyt, (afb. 6) werd er Ć©Ć©n door de raad uitgekozen.

Architect Jan Stuyt
afb. 6 Architect Jan Stuyt.

Jan Stuyt (1868-1934) was een zeer bekend bouwer van Katholieke Kerken. Hij ontwierp het seminarie Hageveld te Haarlem, de St. Willibrorduskerk te Heiloo en de Heilig Land stichting te Nijmegen. Verder is hij de ontwerper geweest van gemeentehuizen in Heemskerk en Purmerend en het Elizabethziekenhuis te Alkmaar.
In 1910 ontwierp hij ook een nieuwe kerk voor de St. Pancratius-parochie.
Of dit de aanleiding was om hem te vragen een ontwerp te maken voor het gemeentehuis, of het feit dat burgemeester Mooij een opleiding had genoten op een van de scheppingen van Jan Stuyt, het seminarie Hageveld, vermeldt de geschiedenis niet.

Zijn gedachten over architectuur heeft hij in verschillende geschriften vastgelegd. Uit het boek Jan Stuyt, door hemzelf in 1933 geschreven citeren wij: “Wanneer wij het verfrissende van een mooi brok architectuur genieten, dan vragen wij ons


Jaarboek 5, pagina 12

verbijsterd af waarin toch dat pittige, dat kernachtige bestaat en hoe het komt dat dezelfde elementen, deuren, vensters, muren, daken in oude samenvoeging zoveel meer te vertellen hebben en in de nieuwe combinatie zo dikwijls stom en zielloos voor ons staan.
Hoe komt het dat de simpelste oude deur soms een vertrouwelijke gestalte heeft die ons dadelijk sympathiek aandoet en daar tegenover de meest bestudeerde moderne woning ingang ons volkomen koud laat of dikwijls nog in hoge mate onsympathiek is”.

Jan Stuyt werkte het door de gemeenteraad gekozen schetsontwerp uit en stelde een bestek samen.
In de raadsvergadering van 28 december 1910 werd mededeling gedaan van de uitslag van de gehouden inschrijving. Laagste inschrijver was Jacobus Res voor een bedrag van 9.490 gulden. Jacobus Res was een zoon van Johannes Res die het raadhuis in 1869 bouwde.
Op 22 februari vond de laatste vergadering plaats in het oude raadhuis. Burgemeester Mooij sloot de vergadering met de opmerking dat aan het oude gebouw vele herinneringen, zowel aangename als minder aangename, achterblijven.
De voorzitter hoopte echter dat veel aan de vergetelheid zou worden overgelaten, van hetgeen misschien minder goed was gegaan, ondanks de goede wil. Hij stelde voor nog een foto van het gebouw te laten maken en daarmee was de raad het geheel eens.

Gevelsteen in het raadhuis met het jaartal van de bouw.
afb. 7 Gevelsteen in het raadhuis met het jaartal van de bouw.

Op 27 april 1911 legde burgemeester Mooij de eerste steen van het nieuwe raadhuis, (afb. 7). De eerste raadsvergadering in het nieuwe gebouw vond plaats op 16 november 1911.

Burgemeester Mooij feliciteerde de raad en bracht hulde aan architect, opzichter en aannemer. Hij sprak de wens uit: “dat het gebouw moge blijven waarvoor het thans wordt beschouwd een sieraad voor de gemeente”.

Originele bouwtekening van de voorgevel van het raadhuis.
afb. 8 Originele bouwtekening van de voorgevel van het raadhuis.

Verbouwing

Hoe het raadhuis er oorspronkelijk heeft uitgezien en hoe het was ingedeeld zien we aan de bouwtekeningen van Jan Stuyt (afb. 8 en 9). Voor de secretarie was er nog maar weinig ruimte nodig. In 1933 hadden daar secretaris N.A. van Lunen, 1e ambtenaar G. Louter en de heren W. J. Driessen, N. de Nijs, H. Nielen en H. Koelman een plaatsje.
Gemeenteopzichter G. Slop, die in 1915 een vaste aanstelling had gekregen, had geen kamer, maar hij kwam dan ook maar 1 X per week op het kantoor. Gemeentewerken bestond verder nog uit 2 werklieden Wulp en Stroomer. Het gemeentehuis werd tevens bewoond door hoofdonderwijzer Zinkweg, terwijl ook de gemeenteveldwachters P. Bleyendaal en J. Tol er hun bureau hadden.

Feest ter gelegenheid van het 12,5 Jarig ambtsjubileum van burgemeester Lommen op 1 februari 1931.
afb.10 Feest ter gelegenheid van het 12,5 Jarig ambtsjubileum van burgemeester Lommen op 1 februari 1931. Van links naar rechts: burgemeester Lommen, mevr. Lommen, de moeder van burgemeester Lommen, J. van Hoeve, directeur gasbedrijf, Essingen van Lunen gemeentesecretaris. Op de voorgrond dochters van de heren van Lunen en Van Hoeve.

Burgemeester Lommen (afb. 10) luidde, wat betreft de ruimte voor het gemeentelijk apparaat, in 1936 de noodklok. Hij schreef een nota waarin hij stelde dat de werkruimte sinds de bouw van het raadhuis, toen de gemeente 3200 inwoners telde nauwelijks was aangepast. Nu de gemeente dan 6700 inwoners telde is uitbreiding noodzakelijk. De bureaus van de gemeente-ontvanger, de werklozenzorg en het bureau van de gemeente-opzichter zijn noodgedwongen op de raadzaal ingericht en dat kan niet langer. De burgemeester stelde voor om de onderwijzer woning, bewoond door veldwachter Tol, omdat meester Zinkweg een woning had gekregen bij de nieuwe centrale openbare lagere school in Bakkum, bij het raadhuis te betrekken. De verbouwing, op de meest zuinige manier uitgevoerd behoefde niet meer dan 6.000 gulden te kosten. Omdat door de uitbreiding van het aantal raadsleden toch nieuw meubilair nodig was, kon het oude meubilair voor de ambtenaren worden gebruikt. Als laatste argument stelde hij dat deze tijd van werkeloosheid zeer geschikt was om te trachten de arbeidsmogelijkheden van de inwoners te vergroten.
De raad nam het voorstel over. In het bestek werd een bepaling opgenomen, waarbij de aannemer werd verplicht 100 procent Castricummer werklieden te werk te stellen, dat wil zeggen die op de dag van de gunning minstens 1 jaar in de gemeente Castricum woonden. Hiervan werden eventueel uitgesloten de aannemer met eigen zoon.
Het werk kon op 2 september 1936 toch aan een Castricumse aannemer, J. A. Nootebos, worden gegund.


Jaarboek 5, pagina 13

Evenals burgemeester Zaalberg destijds, heeft burgemeester Lommen niet van de verbeterde kantoorruimte geprofiteerd. Op 10 september 1936 overleed hij.

Plattegronden van de begane grond en de verdieping, Dorpsstraat 65 in Castricum.
afb. 9 Plattegronden van de begane grond en de verdieping, Dorpsstraat 65 in Castricum.

Tot de zestiger jaren bleef het oude gemeentehuis, zij het met kunst- en vliegwerk, in gebruik voor het gehele personeel. Het aantal inwoners was inmiddels gestegen tot circa 14.000 In 1963 vertrok de afdeling financiƫn, onderwijs en personeelszaken naar een noodgebouw aan de Overtoom. In 1968 werd het voormalig armenhuis als kantoorruimte voor deze afdelingen in gebruik genomen. De dienst gemeentewerken kreeg in 1964 een nieuw gebouw op de Brink, maar in 1973 moest het oude gebouw van het postkantoor er reeds aan worden toegevoegd. De afdeling sociale zaken ging in 1972 naar een kantoor in de Burgemeester Mooijstraat. In 1974 werden de afdeling bevolking en personeelszaken gehuisvest in de voormalige ambtswoning van de burgemeester aan de Stationsweg. De raadsvergaderingen werden sinds 1970 niet meer in het gebouw aan de Dorpsstraat gehouden. Van 1970 tot 1976 werd in de aula van de Juliana van Stolbergschool vergaderd en daarna in Geesterhage. De wethouders hebben hun kamers reeds enige jaren boven een winkel aan de Dorpsstraat.


Jaarboek 5, pagina 14

Het gemeentelijk apparaat, met bijna 100 medewerkers, excl. de buitendienst, is momenteel op 9 plaatsen gehuisvest. Dit is uiteraard niet bevordelijk voor het efficiƫnt functioneren.

Na uitvoerige discussie, vooral ook over de financiƫle aspecten, besloot de raad op 29 april 1981 tot de bouw van een nieuw kantoorgebouw, waarin alle diensten weer onder ƩƩn dak gehuisvest kunnen worden.

Eerste Steenlegging nieuwe raadhuis door oud-wethouder N. Veldt.
afb. 11 Eerste Steenlegging nieuwe raadhuis door oud-wethouder N. Veldt.

De tachtigjarige oud-wethouder N. Veldt legde op 12 maart 1982 de eerste steen (afb. 11).

Gevelsteen raadhuis met gemeentewapen.
Gevelsteen raadhuis met gemeentewapen, Dorpsstraat 65 in Castricum.

Nog dit jaar zal het bestuur van de gemeente vertrekken van de plaats waar het vele eeuwen was gevestigd

N.A. Kaan


Jaarboek 5, pagina 15

Bronnen:

  • Architectuurmuseum te Amsterdam
  • Gemeentearchief van Castricum dat berust in het streekarchief te Alkmaar
  • Bijdrage tot de Historische geografie van Kennemerland in de Middeleeuwen op Fysisch-geografische grondslag, Dr. J.K. de Cock
  • Historie van Castricum en Bakkum, D. van Deelen Heemskerk onderwerp van verleden naar heden, mr. J.W. Groesbeek
  • Het Molenrijk Uitgeest; J.C. Krom
  • Kennemer Dijkgeschiedenis, J. Westenberg
  • Uit het verleden van Midden-Kennemerland, mr. H.J.J. Scholtens
  • Het Zegenpralent Kennemerlant van M.B. van Nidek
  • Het Groot Previlegie en Handvestboek van Kennemerlandt 1664 van W.G. Lams
  • De archieven in Noord-Holland; gids van Ver. van archivarissen in Nederland
  • Informaties van de heren N. Veldt, H. Koelman en N. de Nijs.

 
BURGEMEESTERS VAN CASTRICUM

P .Kieft 1814-1836

J.de Quack 1837-1852

Jonkheer J. Rendorp van Marquette 1852-1867

H. Zaalberg 1868-1869

C.H. Moens 1869-1877

Jonkheer Mr. J.W.G. Boreel- van Hogelanden 1877-1888

J. Mooij 1888-1918

P.H.L.J. Lommen 1918-1936

C.A.F.H.W.B. van den Clooster, baron Sloet tot Everlo 1937-1941

W.J. Masdorp 1942-1945

C.F. Smeets 1945-1968

W.C.A.M. van Boxtel 1969-1977

J.C. Gmelich Meijling 1978-1985

 
ENIGE JAARTALLEN IN DE GESCHIEDENIS VAN CASTRICUM

  • circa 300 V. Chr. Eerste bewoning van Castricums grondgebied.
  • circa 980 Eerste schriftelijke vermeldingen Castrichem en Baccum.
  • circa 1050 Bouw van St. Pancratiuskapel.
  • circa 1250 Bouw van het huis te Castricum; in de 15 eeuw “Kronenburg” genoemd. Bouwheer Simon van Haarlem, ambachtsheer van Heemskerk en Castricum.
  • 1351 Stichting Cunerakapel in Bakkum.
  • 1520 De toren van de oude Sint Pancratius wordt gebouwd.
  • 1573 Het bestuur van de kerk gaat over op de Reformatie. Het kasteel Kronenburg wordt verwoest door de Spanjaarden.
  • 1607 Bouw van een staartkorenmolen aan het begin van de Molendijk.
  • 1795-1813 De Franse tijd.
  • 1795 Grote brand in de Kerkbuurt. Vijf huizen branden af en de herberg “De Rustende Jager” geraakt ook bijna in brand.
  • 1799 Slag bij Castricum.
  • 1812 Samenvoeging van Bakkum en Castricum tot Ć©Ć©n gemeente.
  • 1820-1821 Verharding van de Straatweg Haarlem-Alkmaar.
  • 1847 Een diligence onderhoudt een geregelde dienst tussen Haarlem en Alkmaar. Een stopplaats wordt ingericht in Castricum.
  • 1854 Opening van de nieuwe school naast het raadhuis. De huur van een lokaal in de dorpskerk wordt opgezegd.
  • 1858 Nieuwe R.K.-kerk wordt gebouwd aan de Dorpsstraat. De schuilkerk aan de Breedeweg wordt gesloopt.
  • 1867 De spoorlijn tussen Alkmaar, Uitgeest, Haarlem in gebruik genomen.
  • 1869 Eerste steen wordt gelegd voor nieuw raadhuis door burgemeester Zaalberg.
  • 1882 De school wordt uitgebreid met een paar klassen.
  • 1897 Stoomtram Alkmaar-Haarlem.
  • 1904 Oprichting Ziekenfonds Onderlinge Hulp.
  • 1905 Tweede openbare lagere school aan de Van Oldenbarneveldtweg.
  • 1909 Opening van het provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch.
  • 1910 Bouw van de huidige R.K.-kerk.
  • 1911 Burgemeester J. Mooij legt de eerste steen voor nieuw raadhuis.
  • 1914 Gemeente gasbedrijf opgericht.
  • 1914 Een paardentram zorgt voor vervoer tussen station en het ziekenhuis.
  • 1919 Oprichting Provinciaal Waterleiding Bedrijf.
  • 1919 Oprichting vereniging voor vreemdelingenverkeer “Castricum Vooruit”.
  • 1920 Eerste kampeerders op kampeerterrein Bakkum.
  • 1925 De Zeeweg is thans geheel bestraat. Gemeenteraad verleent een concessie voor radiodistributie aan C. Stolk.
  • 1930 Naam Burgerlijk Armenbestuur wordt vervangen door Instelling Maatschappelijk Hulpbetoon.
  • 1931 Elektrificatie spoorlijn Amsterdam-Alkmaar.
  • 1933 Bouw restaurant Johanna’s Hof.
  • 1940-1945 De Tweede Wereldoorlog. Veel huizen worden door de Duitsers afgebroken in verband met de verdediging van de Hollandse kust.