28 juni 2022

Nachtwacht in het Geversduin (Jaarboek 31 2008 pg 19-28)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 31, pagina 19

De Nachtwacht in het Geversduin

Het moment waarop de Nachtwacht wordt opgehaald uit de Kunstbunker om naar Heemskerk vervoerd te worden.
Het moment waarop de Nachtwacht wordt opgehaald uit de Kunstbunker om naar Heemskerk vervoerd te worden. Helmweg, duinen Castricum. Schilder Hans Goedhart. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In een bomvrije kluis in het Castricumse duingebied werden in de eerste oorlogsjaren onze belangrijkste kunstschatten opgeslagen. Het was te danken aan de inzet van de conservator van het Stedelijk Museum, jonkheer Willem Sandberg, dat de kunstbergplaats nog juist voor de inval van de Duitsers is gebouwd. Via hem is Castricum verbonden met bijzondere mensen en gebeurtenissen. In een kleine houten barak, vlakbij ‘Kijk Uit’, ontving Sandberg wetenschappers, kunstenaars en verzetsstrijders.
Daar werd gefilosofeerd over de toekomst van Nederland na de oorlog.

Jonkheer Willem Sandberg, conservator en later directeur van het Stedelijk Museum, die een belangrijke rol speelde bij het in veiligheid brengen van de kunstschatten. In de eerste oorlogsjaren verbleef hij bijna dagelijks in Castricum (foto Stedelijk Museum Amsterdam).
Jonkheer Willem Sandberg, conservator en later directeur van het Stedelijk Museum, die een belangrijke rol speelde bij het in veiligheid brengen van de kunstschatten. In de eerste oorlogsjaren verbleef hij bijna dagelijks in Castricum. Foto Stedelijk Museum Amsterdam.

De mensen die de aanslag op het Bevolkingsregister van Amsterdam uitvoerden, vierden in Castricum nog een feestje, kort voor hun arrestatie.
Kunstenaar en typograaf Hendrik Werkman liet zich inspireren door de ‘schilderijenbunker’ en maakte een prachtige serie prenten onder de naam ‘Amsterdam-Castricum.’ De agenda’s van de kunstbergplaats, die worden bewaard in het archief van het Stedelijk Museum, onthullen iets van de geschiedenis die zich deels in het Geversduin afspeelde.

De oorlogsdreiging nam in de jaren (negentien) dertig steeds meer toe en in augustus 1939 werd de mobilisatie van het leger afgekondigd. Enkele maanden later begon de distributie van levensmiddelen. Evacuatieplannen voor de bevolking uit gebieden die voor de verdediging onder water gezet zouden worden, lagen klaar. De Rode Kruisafdeling voor Castricum, Limmen en Uitgeest kreeg opdracht noodziekenhuizen voor militairen in gereedheid te brengen.

Zorgen waren er ook over het nationaal kunstbezit in geval van oorlog. In 1938 maakte Sandberg, vergezeld door Spanjekenner dr. Johan Brouwer, een reis naar Spanje om de maatregelen te bestuderen die daar tijdens de Spaanse burgeroorlog getroffen waren om de kunstschatten te beschermen. Bijzondere indruk maakten de in rotsen uitgehouwen kluizen. De mogelijkheden die Spanjes rotsen boden, lagen voor ons land aan zee, in de duinen.

Hoge landinwaarts gelegen duinen zouden het meest geschikt zijn voor het maken van ondergrondse betonnen bergplaatsen, met een aardlaag erboven, ter bescherming tegen bombardementen. Samen met zijn directeur jonkheer Röell overtuigde Sandberg het gemeentebestuur van Amsterdam  van de noodzaak om spoedig maatregelen te nemen. In overleg met de architect ir. P.C. Tirion was de gewenste bouwplaats in het Geversduin al snel gevonden.

Voor de kunstschatten van het Rijk drong de directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg dr. J. Kalf ook aan op de bouw van ondergrondse bergplaatsen. Toch waren in september 1939, toen de Duitse aanval op Polen al had plaatsgevonden, de gemeentelijke en de rijksbergplaatsen nog niet gereed.

Evacuatieplan

In augustus 1939 begon het overbrengen van de belangrijkste kunstwerken naar veiliger plaatsen. H.P. Baard, na de oorlog directeur van het Frans Hals museum, schreef in zijn in 1946 verschenen boek ‘Kunst in schuilkelders’: “Het is niet gemakkelijk, den buitenstaander de spanning te schetsen, die de eerste phase van de evacuatie beheerschte. Hier werd de vlucht voorbereid van onze nationale kunstschatten, hetgeen wij voelden als een historisch moment van een draagwijdte, die wij nog niet konden beseffen, maar daarom niet minder vreesden.”

Het Rijksmuseum koos voor tijdelijke bergplaatsen in een aantal Noord-Hollandse dorpen. Ongeveer 2.000 schilderijen en meer dan 30.000 objecten van artistieke en historische waarde, glaswerk en porselein moesten worden vervoerd. Op 4 september 1939 werd de Nachtwacht op een glastransportwagen (!) naar kasteel Radboud in Medemblik gereden. Veel topstukken kwamen terecht in gymnastieklokalen in Wieringerwerf, Winkel, Lutjewinkel, Barsingerhorn en Schagerbrug.

Vrijwel onbekende dorpen kregen voor ingewijden de betekenis van cultuurcentra. Zo was het ‘Straatje van Vermeer’ onafscheidelijk verbonden met Schagerbrug, ‘ De Joodsche Bruid’ met Wieringerwerf en de ‘ Vrolijke Drinker’ van Frans Hals met Lutjewinkel. Op 1 november 1939 was het omvangrijkste transport van kunstwerken, dat ons land ooit heeft gekend, voltooid.


Jaarboek 31, pagina 20

Het Stedelijk Museum bracht zijn verzameling schilderijen van Van Gogh, schilderijen van de Amsterdamse universiteit en van het stadhuis onder in stalen lichterschepen. Voor dit evacuatieplan, dat in augustus 1939, werd uitgevoerd, is Sandberg verantwoordelijk geweest. “Deze stalen schepen liggen te allen tijde in groote getale in de Amsterdamse havens”, schreef Sandberg aan de wethouder voor kunstzaken. “Zij zouden indien noodig binnen twee uur aan de Amstel bij de Stadhouderskade kunnen aanleggen, terwijl de kunstwerken per tapissière (verhuiswagen) van het museum naar de aanlegplaats kunnen worden vervoerd.”

Een van de schepen afgemeerd in de buurt van het Alkmaardermeer; waarin de kunstschatten van het Stedelijk Museum tijdelijk werden bewaard, totdat zij naar de bomvrije kluis in Castricum konden worden overgebracht (foto Joh. de Haas).
Een van de schepen afgemeerd in de buurt van het Alkmaardermeer. Daarinwerden de kunstschatten van het Stedelijk Museum tijdelijk bewaard, totdat zij naar de bomvrije kluis in Castricum konden worden overgebracht. Foto Joh. de Haas.

Op 28 augustus 1939 werden de eerste verhuiswagens geladen. Eerder waren de kunstwerken naar belangrijkheid in drie categorieën ingedeeld. Rood stond voor onvervangbaar; wit voor belangrijk en blauw betekende vervangbaar. Israëls, Breitners, Van Goghs en andere werden opgeborgen in het ruim van de Dankbaarheid. In het ruim van de Mercurius en dat van De Morgenstern werd ook een deel opgeslagen, samen met werk van Mondriaan, Charley Toorop en andere moderne kunstenaars. Het was zoveel dat tenslotte nog een vierde schip in gebruik is genomen, de Harwu Almien.

Om de museale klimatologische omstandigheden te benaderen, waren in de ruimen kachels, emmers met ongebluste kalk en hygrometers geplaatst. De schepen werden bewaakt door suppoosten, die hun post onder geen beding mochten verlaten. Aanvankelijk lagen de schepen bij elkaar in de buurt in de Knollendammervaart bij Spijkerboor en in het Noord-Hollands kanaal. Enige weken later besloot men de lichters verder uit elkaar te leggen. Begin oktober was de kunstvloot verspreid over de Noord-Hollandse en Zuid-Hollandse wateren. De Dankbaarheid lag in het Kogerpolderkanaal bij De Woude. Ongeveer 500 meter noordelijker dobberde de Mercurius. Onder de bevolking deed het gerucht de ronde dat de Nachtwacht, in een grote zinken koker ingesoldeerd, op de bodem van het Alkmaardermeer rustte.

De eerste fase was nu afgerond. Het belangrijkste kunstbezit was wel weg uit het onveilige Amsterdam, maar echte veiligheid konden alleen bomvrije schuilkelders bieden.

Amsterdamse kluis

De gemeente Amsterdam bereikte overeenstemming met het Provinciaal Waterleidingbedrijf (PWN) over de plaats en de directeur Publieke Werken vroeg op 17 oktober 1939 bij de gemeente Castricum vergunning voor de bouw van een ‘betonnen bergplaats aan de Helmweg in het Geversduin ‘. Het gemeentebestuur verleende de bouwvergunning nog diezelfde dag. Omdat op geheimhouding was aangedrongen, verwonderden de bestuurders zich er wel over dat de Beverwijksche en de Alkmaarsche Courant het nieuws van de bouw van de ‘schatkelder’ al op 21 oktober 1939 publiceerden.

De gecamoufleerde ingang van de kluis aan de Helmweg in het Geversduin. De bouw is op 1 januari begonnen en op 10 april 1940 voltooid (foto Stedelijk Museum).
De gecamoufleerde ingang van de kluis aan de Helmweg in het Geversduin. De bouw is op 1 januari begonnen en op 10 april 1940 voltooid. Foto Stedelijk Museum.

De dienst Publieke Werken van Amsterdam stelde een bestek op voor de aanbesteding. Het dak en de buitenmuren van de bergplaats moesten 1,50 meter dik worden, het hoofdgedeelte ruim 12x5x2,50 meter. Een voorvertrek met twee stalen deuren verschafte toegang tot de bergplaats. Het geheel zou door een zandlaag van 4 meter (later tot 10 meter verhoogd) worden bedekt. De Amsterdamse Aannemingsmaatschappij ‘De Kondor’ was de laagste inschrijver en voor een bedrag van 20.810 gulden kreeg dat bedrijf het werk.
Op nieuwjaarsdag 1940 werd het beton voor de Castricumse bergplaats gestort en in maart 1940 vond de oplevering plaats. De kluis werd gecamoufleerd, zodat hij vanuit de lucht niet zichtbaar zou zijn.

Er werden tientallen uitschuifbare rekken gemonteerd om de schilderijen aan op te hangen. De inventarisatie was daardoor eenvoudig en de toestand van de schilderijen kon voortdurend worden gecontroleerd. Een luchtbehandelinginstallatie waarborgde de juiste temperatuur en het vochtgehalte.


Jaarboek 31, pagina 21

De logboeken van 1940 tot en met 1943.
De logboeken van 1940 tot en met 1943.

De logboeken

In het archief van het Stedelijk Museum van Amsterdam zijn de agenda’s opgeborgen die in gebruik zijn geweest als logboeken van de kluis. De allereerste aantekening is gemaakt op woensdag 3 april 1940: ‘Bewaking door Siliakus’. De agenda’s leveren veel informatie op over het gebruik van de bergplaats en ook over de verschillende bezoekers die er een kijkje kwamen nemen.

De eerste schilderijen van de schepen werden vanaf begin april naar de kluis gebracht. Op 7 mei kwam volgens de agenda het laatste transport aan. Ook zaken die nog in het Stedelijk Museum waren achtergebleven, werden aangevoerd.

Op vrijdag 10 mei, de dag van de Duitse inval, ging het werk gewoon verder. Genoteerd werd in de agenda: “Drie wagens met schilderijen en kisten vanuit het Stedelijk Museum gebracht en verschillende werkzaamheden verricht door personeel onder leiding van jonkheer Sandberg.”

De dagen daarop kwamen er kunstwerken aan uit het Rijksmuseum dat nog zonder schuilplaats zat. Bewaker Siliakus bezorgde de fiets van jonkheer Sandberg en een brandblusser.


Jonkheer Willem Jacob Henri Berend Sandberg (1897-1984)

Willem Sandberg was vanaf 1937 conservator en van 1945 tot 1962 directeur van het Stedelijk Museum van Amsterdam. Na het gymnasium en militaire dienst ging hij naar de Rijksacademie voor beeldende kunsten, waar hij het maar kort uithield. Hij werd grafisch ontwerper en deed onder andere in Parijs ervaring op.

Sandberg was nauw betrokken bij het verzet. Zo bezocht hij in 1941 Duitsland, op verzoek van de illegaliteit, om te peilen of er kans was op een opstand tegen het Hitler-regime. Hij was betrokken bij het vervalsen van paspoorten en de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam en moest vervolgens onderduiken. In 1945 volgde hij jonkheer Röell op als directeur. Onder Sandbergs leiding ontwikkelde het museum zich tot een internationaal vermaard centrum voor moderne kunst. Het was zijn overtuiging dat eigentijdse kunst betekenis heeft voor het begrijpen van de wereld waarin wij leven.

Na zijn pensionering in 1962 bleef Sandberg actief als tentoonstellingsmaker en ontwerper. Hij speelde een belangrijke rol in de opbouw van het Israël Museum in Jeruzalem en gaf college aan de Harvard Universiteit in de Verenigde Staten.


Nachtwacht

De Nachtwacht stond begin mei 1940 nog in de ridderzaal van kasteel Radboud. De aanwezigheid van een mijnenveger in de haven van Medemblik baarde zorgen. Het schip zou vijandelijke vliegtuigen kunnen aantrekken, waardoor het kasteel en dus de kunstwerken gevaar liepen. Dat het gevaar niet denkbeeldig was, bleek ook wel, want de mijnenveger beschoot daadwerkelijk een vliegtuig, dat waarschijnlijk in het IJsselmeer terechtgekomen is. Bij Kornwerderzand op de Afsluitdijk was het Nederlandse leger in gevecht met de Duitsers. Een doorbraak van de vijand naar Noord-Holland was te verwachten. Op 13 mei, tweede pinksterdag, nam de hoofddirecteur van het Rijksmuseum dr. Schmidt Degener het besluit om de Nachtwacht naar de bergplaats in Castricum te brengen. Hij nam daarmee een zware verantwoordelijkheid op zich. De oorlog was heel dichtbij.

Met deze wagen en op dezelfde manier werd op 4 september 1939 de Nachtwacht naar kasteel Radboud in Medemblik gebracht en vervolgens op 13 en 14 mei 1940 naar Castricum (foto Rijksmuseum).
Met deze wagen en op dezelfde manier werd op 4 september 1939 de Nachtwacht naar kasteel Radboud in Medemblik gebracht en vervolgens op 13 en 14 mei 1940 naar Castricum. Foto Rijksmuseum.

Baard heeft in zijn boek de spanning rond het zonderlinge transport goed weergegeven: ” Om halfacht ’s avonds vertrok het konvooi vanaf het kasteel. Voorop gingen enkele


Jaarboek 31, pagina 22

auto’s met militairen, dan de glaswagen met de Nachtwacht en de stoet werd gesloten door de auto van de hoofd directeur. Het was voor de achterblijvers een indrukwekkend moment, het meer dan 3,5 meter hoge doek, zorgvuldig in dekzeilen verpakt, langzaam te zien wegrijden onder het enerverend gedreun van geschut. In het dorpje Winkel werd overnacht onder het afdak van de schuur van de smid. Bij het krieken van de dag werd de tocht voortgezet naar Castricum.”

Aantekeningen in de logboeken van de kluis op 13, 14 en 15 mei 1940. De aankomst van de Nachtwacht wordt slechts aangeduid met 'NW'.
Aantekeningen in de logboeken van de kluis op 13, 14 en 15 mei 1940. De aankomst van de Nachtwacht wordt slechts aangeduid met ‘NW’.

De ingang van de bergplaats was niet berekend op de grote omvang van het schilderij. Op het grasveld voor de naburige woning van jonkheer Frits Gevers werd het doek van zijn spieraam ontdaan en met de verf naar buiten over een grote cilinder gerold. Daarop was ook al een ander doek aangebracht. Zoals jonker Frits aan Hendrik de Smidt, medewerker van het filmmuseum, vertelde, heeft de Nachtwacht twee keer op zijn grasveld gelegen: bij de aankomst in mei 1940 en bij het vertrek. Op 21 maart 1941 werd de Nachtwacht overgebracht naar de gereedgekomen bergplaats van het Rijksmuseum in Heemskerk en vandaar is het stuk op 24 maart 1942 naar een schuilplaats in de Sint Pietersberg getransporteerd.

De toegang tot de kluis is zo laag dat de Nachtwacht opgerold naar binnen moest worden gebracht (foto Stedelijk Museum).
De toegang tot de kluis is zo laag dat de Nachtwacht opgerold naar binnen moest worden gebracht. Foto Stedelijk Museum.

Het ‘huisje van Sandberg’

Op 14 mei 1940, de dag van de capitulatie, kwam er nog een laatste zending schilderijen en kisten van het Rijksmuseum in Castricum aan. Op dezelfde dag besloten directeur van het Stedelijk Museum jonkheer Röell en conservator jonkheer Sandberg om beurten toezicht te houden. Er werd een kleine barak gebouwd achter de jachtopzienerswoning Kijk Uit, tussen de Oude Schulpweg en het Schoolpad, dat als woonverblijf diende. Het werd al snel het ‘huisje van Sandberg’ genoemd. Er zat een kamer in met openslaande deuren, een slaapkamer en een keuken. Volgens foto’s was


Jaarboek 31, pagina 23

de inrichting gedeeltelijk modern met rieten meubels en biezen matten op de vloer, maar ook met een antieke eettafel en stoelen.
De jonkheren werden bijgestaan door bewakers van het Stedelijk Museum. Suppoost Hermanus Beijer ging in januari 1941 in Castricum wonen. (Het museum huurde de woning Breedeweg 10 voor een bedrag van 23,85 gulden per maand.)

Het 'huisje van Sandberg', waar de jonkheren Sandberg en Röell meestal verbleven, stond achter 'Kijk Uit'. Het was zowel met antiek als met modern meubilair ingericht (foto Stedelijk Museum).
Het ‘huisje van Sandberg’, waar de jonkheren Sandberg en Röell meestal verbleven, stond achter ‘Kijk Uit’. Het was zowel met antiek als met modern meubilair ingericht. Foto Stedelijk Museum.

Kort na de oorlog schreef Sandberg dat het voor de Duitsers geen geheim was waar de kluis zich bevond en wat erin verborgen zat:
“Zij hebben echter nooit hun handen naar de kunstwerken uitgestoken. Waarschijnlijk vonden ze dat de schilderijen nergens veiliger opgeborgen konden worden. Zij waren wel zo overtuigd van de overwinning dat zij te gelegener tijd de schatten wel eens op zouden halen.”

Een kijkje in het 'huisje van Sandberg'.
Een kijkje in het ‘huisje van Sandberg’. Oude Schulpweg in Castricum, 1940. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Er was zelfs sprake van een zekere bescherming. De Rijkscommissaris verordonneerde in augustus 1940 dat het zonder zijn bijzondere toestemming verboden was om de inhoud van de bergplaats te onderzoeken of iets van de inhoud mee te nemen.

Bezoekers van het Geversduin

Het Stedelijk Museum had van diverse instellingen en verzamelaars kunstwerken in bewaring genomen. Dat blijkt uit ontvangstbewijzen van musea en onder andere van paleis Noordeinde en paleis Soestdijk. Ook belangrijke collecties van grote verzamelaars, zoals ir. V.W. van Gogh, W.J.R. Dreesmann en Anton Philips zijn door het museum beschermd. Als dank voor het onderbrengen van zijn collectie schonk ir. Van Gogh na de oorlog het beroemde schilderij ‘La Berceuse’ aan het Stedelijk Museum.

Verschillende eigenaren en museumdirecteuren werden afwisselend door directeur jonkheer Roëll en jonkheer Sandberg ontvangen. Er is een film getiteld ‘Rembrandt in de schuilkelder’ bewaard gebleven, die laat zien hoe Sandberg een aantal bezoekers in de bergplaats rondleidt. Voorafgaande aan de opnamen kreeg de Castricumse elektriciën Piet van Duin nog de opdracht een paar extra contactdozen voor de filmlampen aan te brengen.

Het volgepakte interieur van de kelder waarin nauwelijks ruimte was voor de beambte. links ligt op de vomgrond de opgerolde Nachtwacht en daarachter staan stalen kasten met kostbare boeken en plaatwerken. Rechts kisten met kunstvoorwerpen en op de achtergrond de stalen rekken met schilderijen (foto Stedelijk Museum).
Het volgepakte interieur van de kelder waarin nauwelijks ruimte was voor de beambte. links ligt op de vomgrond de opgerolde Nachtwacht en daarachter staan stalen kasten met kostbare boeken en plaatwerken. Rechts kisten met kunstvoorwerpen en op de achtergrond de stalen rekken met schilderijen. Foto Stedelijk Museum.

Baard, toen nog werkzaam bij het Rijksmuseum, bezocht volgens de agenda de bergplaats op 22 juli 1940 en hij vermeldt in zijn eerdergenoemde boek: “Kost het de organisator van een tentoonstelling hoofdbrekens om goede combinaties en geschikte pendants te vinden voor zijn arrangement, bij het behangen van de rekken werd, los van stijl of tijd, slechts rekening gehouden met de afmeting en de dikte van de lijsten. In het onderaardse verblijf werden de kunstwerken van vijf eeuwen, dooreen geroerd met het verrassende resultaat, dat het beste boven bleef drijven. Als zodanig heb ik de exposities in de schuilkelders tot de interessantste gerekend die ik ooit mocht zien.”

Hendrik Werkman

Een bijzondere bezoeker van de Castricumse kluis was de Groningse drukker en schilder Hendrik Werkman. Sandberg was onder de indruk gekomen van zijn werk. In een interview zei Sandberg: “Ik was zo nieuwsgierig en zo geïntrigeerd door die grote bladen van Werkman, dat ik de man wou zien en wou weten wat hij verder deed.” Hij stapte op de trein naar Groningen en zocht hem in zijn


Jaarboek 31, pagina 24

kleine woning op. Werkman bleek een zeer terughoudende Groninger met wie niet gemakkelijk een gesprek te beginnen was. Toch raakten ze bevriend en bleven sedertdien het contact onderhouden.
Sandberg ontving Werkman in 1941 bij hem thuis en op een zondag nam hij hem en de schilder Jan Wiegers mee naar de kluis.

Hendrik Nicolaas Werkman ( 1882-1945)

Hendrik Werkman was in 1908 een drukkerij in Groningen begonnen. In het begin van de twintiger jaren had hij nog een grote drukkerij met ruim 20 man personeel. Nadat hij zijn bedrijf wegens zakelijke problemen had moeten sluiten, werd hij beeldend kunstenaar. Werkman schilderde en begon te experimenteren met materialen uit de drukkerij, waarbij hij geen gebruik maakte van de regels binnen het drukkersvak. Het zijn vooral de ‘druksels’ en het daaraan verwante drukwerk waarmee Werkman zich aan de hand van steeds nieuwe ontdekkingen ontwikkelde en zich als beeldend kunstenaar manifesteerde. Zijn druksels worden tot de prentkunst gerekend.
In Groningen maakte Werkman deel uit van de in 1918 opgerichte kunstenaarsvereniging ‘De Ploeg’.

Op 10 april 1945, een paar dagen voor de bevrijding, werd Werkman op 62-jarige leeftijd, samen met negen anderen, door een Nederlandse SD’er gefusilleerd. Drie dagen daarna werd de streek door de Canadezen bevrijd. Hoewel hij illegaal drukwerk verzorgde, is de reden van zijn executie nooit helemaal duidelijk geworden.

In een brief aan een vriend schreef Werkman op 20 mei 1941 uitgebreid over het uitstapje naar Castricum:
“Met graagte hebben Wiegers en ik die uitnodiging aangenomen, hebben met de heer en mevrouw Sandberg geluncht in hun optrekje (n.b. de directiekeet van het Stedelijk Museum) midden in de wildernis van het uitgestrekte duinlandschap genoten, zowel van de natuur als van de schilderijen, die anders in de musea hangen. Van Gogh, Gauguin, Cézanne, Utrillo, Picasso, Manet, Monet, Pissarro, Renoir en vele andere beroemde schilders.

Terug uit de kluis, mooi verkleumd door de kou die er heerscht, een wandeling door de duinstreek langs broedende vogels op hun nest – een fazant op 14 eieren onder andere Vlaamsche gaaien enzovoorts – de nachtegaal maakte van de nacht een dag en zong wat hij kon. Dat was het besluit van een onvergetelijke dag.
U kunt zich denken dat ik gelukkig en dankbaar gestemd ben en verrijkt teruggekeerd van een reis waartegen ik zoo heb opgezien. Eén ding staat voor mij vast: aan het werk.”

Na de reis naar Amsterdam en Castricum heeft Werkman in een serie van zijn mooiste ‘druksels’ aan zijn herinneringen gestalte gegeven. Allerlei natuurmotieven komen er in terug.

Hij was van plan er een oplage van te maken met een pagina tekst bij elk werk, maar dat was er nog niet van gekomen. Daarover schreef hij: “Wel heb ik over de tekst nagedacht, maar de tijd is er nog niet rijp voor en de tekst niet rijp voor de tijd. ” Hij was wel tevreden met het resultaat: “Om twee redenen ben ik met de map Amsterdam-Castricum in mijn schik. In de eerste plaats omdat ik weer aan de slag ben met het maken van drukken en in de tweede plaats omdat het resultaat geheel anders is dan wat ik het laatst heb gemaakt.”

Druksel van Hendrik Werkman uit de serie Amsterdam-Castricum, waarin hij de kluis uitbeeldt. De hele serie bestaat uit 11 kleurrijke drukwerken (foto Stedelijk Museum).
Druksel van Hendrik Werkman uit de serie Amsterdam-Castricum, waarin hij de kluis uitbeeldt. De hele serie bestaat uit 11 kleurrijke drukwerken. Foto Stedelijk Museum.

Sandberg vertelde in een interview over de fantastische wijze waarop Werkman de kluis heeft afgebeeld: “Een of andere vogel komt uit de kluis, zoiets als inspiratie. Ook zie je de grammofoon bij ons thuis waarop we jazz-platen draaiden, een bruggetje over een Amsterdamse gracht enzovoorts. Dat is er allemaal uit voortgekomen en dat heeft hem eigenlijk weer op gang gebracht om te werken.”

De latere directeur van het Rijksmuseum professor Van Os schreef ter gelegenheid van de Werkmantentoonstelling,


Jaarboek 31, pagina 25

die in 1965 in Groningen plaatsvond, dat Werkman van onvervangbare betekenis is geweest voor de Nederlandse beeldende kunst.

Jan Romein

Sandberg en zijn vrienden leefden vol verwachting toe naar het einde van de oorlog. In commissies of groepjes werd veel gefilosofeerd over de toekomst. Sandberg zat in een Amsterdams groepje met onder andere de historicus Jan Romein. In het boekje ‘Sandberg, portret van een kunstenaar’ wordt hij als volgt geciteerd: “We zaten vaak in het barakje bij de kunstkluis in Castricum en hebben echt geprobeerd uit te denken hoe die tijd na de oorlog eruit zou moeten zien. Uit die gesprekken is een boekje van Jan Romein voortgekomen, dat ‘Nieuw Nederland’ heette en dat kort na de bevrijding is verschenen.”

Het barakje oftewel het huisje van Sandberg.
Het barakje oftewel het huisje van Sandberg. Oude Schulpweg in Castricum, 1940. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Jan Romein schrijft in het voorwoord van zijn boek ‘Nieuw Nederland’ dat hij niet in staat zou zijn geweest het te schrijven, als hij niet tijdens de bezetting deel had genomen aan de bijeenkomsten van een studieclubje, waarin de toekomstvisies uitgebreid werden besproken. Eén van de aanbevelingen was dat in een nieuwe grondwet moest worden vastgelegd, dat de kleine burgerij, het fabrieks- en kantoorpersoneel, de ambtenaren en de intellectuelen, kortom de grote massa van de bevolking, in de nieuwe regering vertegenwoordigd zouden moeten zijn in plaats van de vroegere minderheid.

Sommige deelnemers aan de bijeenkomsten, die op verschillende plaatsen in het land plaatsvonden, hebben het einde van de oorlog niet gehaald. Jan Romein droeg het boek aan hen op.

Jan Romein ( 1893-1962)

Jan Romein was een Nederlands historicus en vanaf 1939 hoogleraar te Amsterdam. In 1920 trouwde hij met schrijfster en historica Annie Verschoor. Vooral vraagstukken op het terrein van de theoretische geschiedenis en de historiografie hadden zijn aandacht. De eerste publicatie over het dagboek van Anne Frank was van zijn hand. In de vroege jaren 1950 stond Romein tamelijk geïsoleerd vanwege zijn communistische sympathieën en in 1951 werd hem de toegang tot de Verenigde Staten geweigerd.

Hij schreef onder andere ‘In opdracht van de tijd’ en ‘Op het breukvlak van twee eeuwen’. In dat boek poogt hij een integrale visie op de geschiedenis te geven. Samen met zijn echtgenote schreef hij ‘De lage landen bij de zee’ en ‘Erflaters van onze beschaving’, boeken die nu nog worden gewaardeerd.

Sandberg: “We dachten dat iedereen door alle oorlogsbelevenissen, de bezetting en de concentratiekampen zo tot in zijn ziel doorkneed was, dat er nieuwe mensen uit tevoorschijn zouden komen. Dat was dus een grote teleurstelling na de bevrijding. Daar werd niets van zichtbaar’. Iedereen holde terug naar zijn baantje, beroep ofzaak van vóór 1940. Terwijl wij dachten dat 1940 nu volledig afg elopen was en een nieuwe fase zou aanbreken.”

Achterin de kluis de uitschuifbare rekken met schilderijen. Te herkennen zijn schilderijen van Van Gogh en in het midden op de onderste rij een werk van Toulouse-lautrec (foto Stedelijk Museum).
Achterin de kluis de uitschuifbare rekken met schilderijen. Te herkennen zijn schilderijen van Van Gogh en in het midden op de onderste rij een werk van Toulouse-Lautrec. Foto Stedelijk Museum.

Kunstenaarsverzet

Uit hoofde van zijn beroep als conservator en graficus stond Sandberg vanaf het begin van de bezetting midden in alle problemen en discussies over de positie van de kunstenaar tegenover de bezetter. In het najaar van 1941 werd het zogenaamde Haags Comité opgericht ter bespreking van een naoorlogse bestuursorganisatie voor kunstenaars. Onder andere de beeldhouwer Frits van Hal en de schilder J.J. Voskuil maakten er deel van uit. Eens in de veertien dagen kwam dit Comité bijeen in het Stedelijk Museum of in het ‘huisje van Sandberg’, de directiekeet bij de kunstbergplaats. Sandberg verzorgde de contacten met het Amsterdams Comité, dat een gelijke doelstelling kende.

In de agenda’s van de bergplaats komen we verder bekende namen tegen, zoals Rudolf Mengelberg tot 1954 artistiek leider van het Concertgebouw en staatsrechtgeleerde professor G.A. van Poelje.


Jaarboek 31, pagina 26

Ook de namen Willem Arondéus, Johan Brouwer en Koen Limperg vallen op, namen uit het kunstenaarsverzet en deelnemers aan de aanslag op het Bevolkingsregister van Amsterdam op 27 maart 1943. De Duitsers hadden in november 1941 de Kultuurkamer ingesteld en kunstenaars moesten verplicht lid worden om naar buiten te kunnen treden met hun werk. Degenen die dat principieel weigerden, werd het brood uit de mond gestoten, omdat ze geen overheidsopdrachten meer konden uitvoeren of niet meer konden optreden. Hieruit kwam het kunstenaarsverzet voort.

Er werd een steunfonds opgericht voor kunstenaars die door het niet accepteren van opdrachten in moeilijkheden kwamen. Voor de beeldende kunstenaars en de schrijvers was een groepje mensen actief, dat naast de eerder genoemden bestond uit Gerrit van der Veen, Willem Sandberg en Leen van Dijk. Laatstgenoemde, toentertijd belastinginspecteur in Leiden, was belast met de financiën.
Zij raakten ook op andere manieren in het verzet betrokken en zetten zich in voor het verspreiden van valse persoonsbewijzen. Het vervaardigen van het pseudo-watermerk noemde Sandberg het beste stukje typografie waaraan hij ooit gewerkt had.

De aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister

Joden werden van een andere identiteit voorzien, ook degenen die voor de arbeidsdienst naar Duitsland dreigden te worden gestuurd en verzetsmensen. De valsheid van de persoonsbewijzen kon moeilijk worden vastgesteld, maar men kon ze wel altijd verifiëren op het Bevolkingsregister. Om die reden beraamde de groep een aanslag op het Bevolkingsregister van Amsterdam; een gebouw naast de ingang van ‘Artis’.

Er ging een maandenlange voorbereiding aan vooraf. Begin maart 1943 was alles gereed. Architect Koen Limperg had een plattegrond van het gebouw gemaakt. Springstof en brandstof benzol was beschikbaar en de nagemaakte uniformen lagen klaar. De aanslag werd uitgevoerd op 27 maart 1943. Willem Arondéus, schilder en schrijver, was daarbij verkleed als politiekapitein en de beeldhouwer Gerrit van der Veen als politieluitenant. De aanslag werd uitgevoerd zoals de bedoeling was, zonder dat er slachtoffers vielen. De geschiedenis van deze opzienbarende verzetsdaad is uitgebreid beschreven door dr. L. de Jong in deel 6 (II) van ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’.

Door Sandberg ontworpen gedenksteen mei de namen van de verzetsstrijders die de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam uitvoerden. De steen is aangebracht op de gevel van het voormalige bevolkingsregister de huidige studio Plantage naast de ingang van Artis.
Door Sandberg ontworpen gedenksteen mei de namen van de verzetsstrijders die de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam uitvoerden. De steen is aangebracht op de gevel van het voormalige bevolkingsregister de huidige studio Plantage naast de ingang van Artis.

Een deel van de voorbereidingen zal vast in het Geversduin hebben plaatsgevonden. Volgens de kluisagenda van 1942 zijn Arondéus, Brouwer en Limperg meerdere malen bij Sandberg op bezoek geweest en de deelnemers gingen enkele dagen na de aanslag terug naar Castricum. Op 31 maart 1943 hebben ze er volgens een verklaring van de eerder genoemde Leen van Dijk een feestje gevierd. In het ‘huisje van Sandberg’ is dat niet meer geweest; dat was een maand eerder afgebroken. Waar het dan wel heeft plaatsgevonden, is niet duidelijk. Misschien was het de woning die het Museum aan de Breedeweg huurde. We zullen het waarschijnlijk nooit meer te weten komen.

Van meer belang is dat al de volgende dag de arrestaties begonnen. Alleen Sandberg, die vanwege zijn bekende gezicht en zijn tengere postuur niet aan de aanslag had deelgenomen, en Gerrit van der Veen konden nog onderduiken. Twaalf mannen werden, na een proces in het Tropenmuseum, ter dood veroordeeld en op 1 juli 1943 in de duinen bij Overveen gefusilleerd. Gerrit van der Veen is later, na een overval op het Huis van Bewaring aan de Weteringschans, alsnog gepakt en op 10 juni 1944 gefusilleerd. Willem Sandberg was op de dag van de arrestaties bij de kunstbergplaats in Zandvoort en zijn vrouw kon hem nog tijdig waarschuwen. Hij werd in eerste instantie opgevangen in het huis van de familie Van Gogh in Laren en dook daarna onder in Limburg, waar hij de resterende oorlogsjaren aan het verzet bleef deelnemen.

Op de gevel van het voormalige Bevolkingsregister, de huidige Plantagestudio, is een door Willem Sandberg ontworpen plaquette geplaatst met de namen van de twaalf deelnemers en helpers.
De aanslag op het Bevolkingsregister wordt nog ieder jaar in Amsterdam herdacht en Provinciale Staten van Noord-Holland besloten in 2004 tot een jaarlijkse themalezing, die de naam Willem Arondéuslezing heeft gekregen.


Jaarboek 31, pagina 27

Willem Arondéus (1894-1943)

‘Het is of ik verduisterd leef – zonder leed en zonder vreugde.’
Willem Arondéus, beeldend kunstenaar en later schrijver, getuigt in zijn dagboekaantekeningen van een verscheurd en eenzelvig bestaan. In de televisiefilm ‘Na het feest, zonder afscheid verdwenen’ belicht documentairemaakster Toni Boumans zijn verzetsactiviteiten, zijn homoseksualiteit en zijn kunstenaarschap. Vier grote opdrachten vielen hem ten deel: een schilderij voor het Rotterdamse stadhuis, twee wandschilderingen in openbare gebouwen in Amsterdam en het ontwerpen van negen gobelins in het Noord-Hollands provinciehuis. Hij schreef twee romans en een biografie van de schilder Matthijs Maris.

Marco Entrop schreef een boek over hem getiteld: ‘Onbekwaam in het compromis’. Van de hand van Rudi van Dantzig verscheen het boek ‘Het leven van Willem Arondéus’.

Ontruiming bergplaats

In december 1941 besloot de Wehrmacht tot de bouw van een verdedigingslinie langs de westkust: de Atlanticwall. De kust, het strand en het direct aangrenzende achterland werden tot strijdtoneel verklaard. Castricum behoorde tot een van de vier steunpuntsgroepen tussen Den Helder en IJmuiden. Dit had de bouw van honderden bunkers, radarinstallaties enzovoort tot gevolg en in november 1942 moesten veel inwoners voor wie het verblijf in het dorp niet noodzakelijk was, vertrekken.

De burgemeester van Amsterdam ontving van de Staatssecretaris op 15 oktober 1942 de opdracht de kunstbergplaats te ontruimen:
“Der Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden bittet mich zu veranlassen dass der Schutzkeller des Städtischen Museums in Amsterdam bei Castricum umgehend geräumt wird. Die Schlüssel wären sodann bei der Wehrmachtkommandantur abzugeben. lch habe darauf hingewiesen, dass diese Räumung mit Schwierigkeiten verbunden ist. Die Wehrmacht muss aber, da sich dieser Bunker in einer Kampfstellung befindet, auf ihrem Wunsch bestehen.”

Een nieuwe verhuizing moest worden voorbereid. Hoewel de berging van het Rijk in Zandvoort eerder was ontruimd, konden veel kunstschatten uit Castricum daar in maart 1943 toch naar toe. De Lipsdeuren en de luchtbehandelingsinstallatie waren al eerder gedemonteerd en net als het ‘huisje van Sandberg’ naar Zandvoort overgebracht. Een laatste transport vertrok op 12 maart 1943 naar een nieuwe rijksbergplaats in Paaslo. Het logboek werd op die dag door bewaker Beijer afgesloten met het woord: ‘finis.’ Daarmee eindigde de geschiedenis van de kunstbergplaats in Castricum.

Baard: “Na de laatste transporten naar de duindepots kwam over ons nationaal kunstbezit eindelijk de rust, die niet vóór de bevrijding verstoord zou worden. Ver buiten de stille kluizen werd intussen een gigantische strijd, onverbiddelijk op leven en dood, voortgezet.”

Van bergplaats voor kunst, soldatenverblijf, fietsen en aardappelen tot filmarchief. Op de achterwand staan de woorden 'England verrecke'; het laatste woord is door de stellingen onzichtbaar.
Van bergplaats voor kunst, soldatenverblijf, fietsen en aardappelen tot filmarchief. Op de achterwand staan de woorden ‘England verrecke’; het laatste woord is door de stellingen onzichtbaar.

In de omgeving van de bergplaats werden verschillende bunkers gebouwd. De bergplaats zelf is door de Duitsers onder andere als opslagplaats in gebruik genomen. De Castricummer Piet Stuifbergen (87) is er getuige van geweest dat er fietsen in werden opgeslagen en dat de ruimte enige tijd woon- en slaapgelegenheid voor Duitse soldaten is geweest. Niet of nauwelijks meer zichtbare opschriften op de muren getuigen van de aanwezigheid van de andere gebruikers. Aan het einde van de bunker was in gotische letters de wens ‘England verrecke’ aangebracht. Links en rechts stonden de slogans ‘Ein Volk, ein Reich, ein Führer’ en ook ‘Führer befehlt, wir folgen’.

Na de oorlog

De kostbaarste zaken werden in juni 1945 per schip van Maastricht naar Amsterdam teruggebracht. De Nachtwacht kwam aan boord van het schip met de naam ‘ Van God gegeven’ . Op hetzelfde moment dat de schepen Am-


Jaarboek 31, pagina 28

sterdam binnenvoeren, vierde de jubelende stad de komst van de Koningin.

Baard: “Zoo was dan in de zomer van 1945 eindelijk het moment gekomen waarop een deel van de nationale kunstschatten na een al te lange onderbreking zijn plaats in de nieuwe samenleving kon hernemen.” Op de binnenplaats van het Rijksmuseum werd de Nachtwacht ontrold en weer opnieuw op het raamwerk aangebracht. Het schilderij bleek tot ieders opluchting alle beproevingen goed te hebben doorstaan.

Na de oorlog zijn de Duitse bunkers grotendeels gesloopt of onder het zand verdwenen. Niet echter de bergplaats van de gemeente Amsterdam. Nadat het zelfs nog even een opslagplaats is geweest voor de aardappelen van groenteboer Stengs, bepleitte Sandberg in 1952 bij de wethouder voor Kunstzaken van Amsterdam om de kluis weer voor kunstopslag geschikt te maken. Hij stuurde een tekening van de gewenste aanpassingen overeenkomstig adviezen van een militair bureau en in verband met beveiliging tegen atoombommen ook van de directeur van het Instituut voor Kernphysisch Onderzoek.

In zijn brief aan de wethouder herinnerde hij aan de dramatische meidagen van 1940, toen in allerijl de voornaamste kunstwerken van het Rijksmuseum naar de gemeentekluis in Castricum werden overgebracht en hoe de Nachtwacht op een grasveldje werd opgerold. Sandberg was duidelijk trots op de kluis, want hij liet de wethouder weten: “De kluis was de eerste in Holland en wat ligging, outillage en camouflage betreft, zeker de beste.”

Hier zien we enkele van de honderden films.
Hier zien we enkele van de honderden films. Helmweg in Castricum, 1958. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Naar aanleiding van de Hongaarse opstand waarschuwde Sandberg in 1956 het gemeentebestuur opnieuw. Tevergeefs drong hij aan op herstel en modernisering van de kluis. Als voorzitter van het Filmmuseum kreeg hij het in 1958 wel voor elkaar dat de bergplaats voor het bewaren van brandbaar filmmateriaal in gebruik kon worden genomen. Aan de Willemslaan verrees een houten barak die tot 1969 als kantoor en werkplaats van het Filmmuseum dienst deed. Deze stond gedeeltelijk op de nog aanwezige betonnen baan van een V1 lanceerinrichting. Tegenwoordig is dezelfde barak een deel van het clubgebouw van de Kennemer IJsbaan.

De tegenwoordig met een hek extra beveiligde toegang tot de kluis aan de Helmweg in het Geversduin. Het bouwwerk is vanwege de historische achtergrond terecht als gemeentelijk monument aangewezen.
De tegenwoordig met een hek extra beveiligde toegang tot de kluis aan de Helmweg in het Geversduin. Het bouwwerk is vanwege de historische achtergrond terecht als gemeentelijk monument aangewezen.

De kunstbergplaats vervult tot op de dag van vandaag nog een belangrijke functie en bovendien is het een stuk cultuurhistorisch erfgoed van nationale betekenis.

Niek Kaan

Bronnen:

Publicaties:

  • Baard, H.P., Kunst in Schuilkelders, Den Haag 1946.
  • Dantzig van, R., Het leven van Willem Arondéus, AmsterdamAntwerpen 2003.
  • Entrop, M., Onbekwaam in het compromis, Willem Arondéus kunstenaar en verzetsstrijder, Amsterdam 1993.
  • Hendriks, A., Huis van illusies, Amsterdam 1996.
  • Jong, L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog delen 2, 6 en 13, Den Haag 1975.
  • Kalf, J., Bescherming van Kunstwerken tegen Oorlogsgevaren, Den Haag 1938.
  • Leeuw-Marcar, A., Willem Sandberg portret van een kunstenaar, Amsterdam 1981.
  • Martinet, J., Brieven van H.N. Werkman 1940- 1945, Amsterdam 1968.
  • Os, H. W., Werkman, H.N., Groningen 1965.
  • Petersen, A., Brattinga P., Sandberg: een documentaire, Amsterdam 1975.
  • Rikhof, F., Kunst in een bunker, Ons Amsterdam, jaargang 48, nummer 3.
  • Romein, J., Nieuw Nederland, Amsterdam 1945.
  • Soeting, M., Het Stedelijk Museum in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog, Jong Holland nummer 2, jaargang 17, 2001.

Archieven:

  • Filmmuseum Amsterdam, met dank aan de heer H. de Smidt.
  • Gemeente Castricum, met dank aan de heer H. Stigt.
  • Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.
  • Provinciaal Waterleidingbedrijf, met dank aan de heer H. Posthuma.
  • Stedelijk Museum Amsterdam.
  • Stadsarchief Amsterdam.

7 februari 2022

Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot (Jaarboek 30 2007 pg 29-30)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 30, pagina 29

Het oorlogsverhaal van koerierster Tiny van Vlaanderen-Boot

Er werden in de oorlog nogal wat mannen verliefd op Tiny. Daardoor kreeg ze veel voor elkaar tot groot voordeel van de verzetsbeweging.
Er werden in de oorlog nogal wat mannen verliefd op Tiny. Daardoor kreeg ze veel voor elkaar tot groot voordeel van de verzetsbeweging.

Evertina Hendrika Boot (roepnaam Tiny) werd geboren op 5 februari 1925 in Castricum. Haar ouders waren Iman Boot en Alberdina Gebke Urban, die beiden als verpleegkundige werkzaam waren op Duin en Bosch. Tiny begon op 18-jarige leeftijd te werken op het gemeentehuis van Castricum. Tijdens de oorlog was zij zeer actief in het verzetswerk en kende geen angst. Tiny vertelt haar spannende belevenissen uit die tijd in onderstaand verhaal. Zij schreef dit in Zuid-Afrika, waar zij alweer 59 jaar woont met haar echtgenoot Rinus van Vlaanderen.

Het gemeentehuis en plantsoen aan de Dorpsstraat 65 in Castricum circa 1940.
Het gemeentehuis en plantsoen aan de Dorpsstraat 65 in Castricum circa 1940. Aan de zijgevel van het gemeentehuis een mededelingenbord. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

“Ik begon te werken voor de gemeente Castricum in 1943 als hulp voor Piet van der Goes. Dit was maar tijdelijk bedoeld, maar er kwam steeds meer werk voor me te doen als typiste voor verschillende ambtenaren.

Zo werkte ik onder andere voor gemeentesecretaris Van Lunen. In 1944 ging ik over naar de distributiedienst, die door de staat was ingesteld om in crisistijd de verdeling van levensbehoeften te regelen. Daarnaast bleef ik echter ook werk doen voor de gemeente als dat nodig was. Ik werkte meestal voor Henk Nielen en Piet Gomes op de distributiedienst.

 Het distributiekantoor in Castricum.
Achter deze (onbekende) jongens het distributiekantoor, voorheen was het de bloemenwinkel van J. Kehl. Dorpsstraat 70 in Castricum, circa 1943. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

We waren toen gehuisvest aan de overkant van het gemeentehuis. Het pand brandde in 1944 af om het verdwijnen van bonnen te camoufleren. Ik vermoedde dat er iets van dien aard zou gebeuren, want Piet van der Goes kwam mij, wetende dat ik alleen zou zijn, tussen de middag opzoeken en verkende het hele gebouw. Piet was mijn verzetshoofd, die ik veel geholpen heb. Ik stelde hem nooit vragen, maar hij liet mij na de brand weten dat hij daarvoor mede verantwoordelijk was.

De administratie van de distributiedienst werd toen ondergebracht in het gemeentehuis en zodoende deelde ik mijn lessenaar met Piet Gomes. Deze hielp veel in de kluis om de distributiebonnen in en uit te boeken en te controleren aan de loketten.

Ik was een grote flirtster en zodoende werden er nogal wat mannen op me verliefd. Tot groot voordeel van de verzetsbeweging kon ik van alles en nog wat doen. Zo wond ik de NSB-ers en als het te pas kwam ook de Duitsers om mijn vinger.

Beeld van de Dorpsstraat in oorlogstijd (1942). Achrer het publiek rondom de ijscoman is het distributiekantoor zichtbaar.
Beeld van de Dorpsstraat in oorlogstijd (1942). Achrer het publiek rondom de ijscoman is het distributiekantoor zichtbaar.

Collega’s bij de gemeente waren onder anderen Jan Krom (ook een verzetswerker in Uitgeest), Admiraal, Tervoort en Koelman. Andere namen zijn me ontschoten.

Distributiecollega’s waren directeur Nielen, Verhoeven, Van Aalst, Iepenga, Ewald, Kemmink, Denneman, De Smalen, De Vries, De Boer en twee NSB-ers, waarvan ik de namen vergeten ben.

Piet Gomes, Verhoeven en Iepenga zorgden voor de bonkaarten voor de onderduikers. Toen we naar de Zaan geëvacueerd werden, nam ik deze kaarten vaak mee in de trein en bezorgde ze dan bij Verhoeven thuis. Hij zat zelf in de trein, maar het was te gevaarlijk voor een man om ze bij zich te hebben. In geval de Duitsers de trein kwamen doorzoeken, was het makkelijker voor een jong meisje om er doorheen te komen. Gelukkig is er nooit iets gebeurd.

Burgemeester Masdorp neemt de door de geallieerden gedropte voedselpakketten in ontvangst.
Burgemeester Masdorp neemt de door de geallieerden gedropte voedselpakketten in ontvangst. Castricum, 3 mei 1945. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Omdat het kantoor van Piet Gomes naast de kamer van burgemeester Masdorp was, wisten we meestal wanneer deze buiten de deur was. Dan kon ik gauw een stempel met zijn handtekening of een belangrijk document wegnemen en weer terugplaatsen. De burgemeester, die NSB-er was en in mijn ogen een oude vent, werd ook verliefd op me. Ik moest hem niet, maar kon hem niet afpoeieren, omdat ik regelmatig in zijn kamer moest zijn om het nodige te stelen.

Zoals gewoonlijk vroeg ik nooit waarom iets nodig was, hoe minder te weten hoe beter. Dat gold ook voor mijn koerierswerk. Ik wist niet wat de inhoud van enveloppen of pakjes was. Het gebruikelijke herkenningsteken was altijd de klop van Beethovens 5e symfonie.

Stencilmachine gebruikt voor het illegale blaadje De Strijd in de Tweede wereldoorlog.
Stencilmachine gebruikt voor het illegale blaadje De Strijd in de Tweede wereldoorlog. Een stencil is een sjabloon gemaakt van een materiaal dat inkt doorlaat en waarmee afdrukken kunnen worden gemaakt. Tentoonstelling Tweede Wereldoorlog Werkgroep oud Castricum. Toegevoegd.

Krosschell was een heel belangrijk persoon in de verzetsbeweging, maar ik weet niet of hij het hoofd was. Hij was altijd hulpvaardig en een goed mens. Ik kende hem alleen door de bulletins van radio Oranje, die ik bij hem thuis uittikte en op stencil afdraaide. Dan vouwde ik de stencils op, stopte ze onder mijn jas en bracht ze rond naar de verschillende adressen. Ik was nooit bang, want iedereen dacht dat ik maar de gek speelde.


Jaarboek 30, pagina 30

Met Piet van der Goes, die een heel voorname rol in de verzetsbeweging speelde, had ik het meeste contact. Wij waren heel goede vrienden. Gedurende zijn onderduiktijd zagen we elkaar niet zoveel, ofschoon ik wist waar hij zat; dat was in een huis aan het eind van de Geelvinckstraat.

Piet liet me een fiets gebruiken van de burgemeestersvrouw, die nooit haar fiets hoefde in te leveren. Hij nam me ook mee achter op de motorfiets naar de bunkers in de duinen om de Engelse troepen te ontmoeten, die zich daar hadden gevestigd.

Links de marechaussee E.H. Surksum.
Deze foto is genomen vlak na de bevrijding. Links de marechaussee E.H. Surksum en rechts een lid van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Dorpsstraat in Castricum, 1945. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Ik kwam ook in contact met vele marechaussees, want die moesten ons bewaken bij het vervoer van bonkaarten naar Limmen of Uitgeest. Het vervoer vond plaats in een auto van Dijkhuizen, die een apparaat bevatte dat met hout werd gestookt om kracht te maken voor de motor. Dit ging met horten en stoten en soms begon het apparaat te koken, waardoor de chauffeur met al zijn kracht aan het stuur moest hangen. Dikwijls vlogen we de kant in en zaten we in spanning. Soms was burgemeester Masdorp er ook bij, want die was eveneens burgemeester van Uitgeest.

Taxi's en trouwauto's van garage Dijkhuizen.
Taxi’s en trouwauto’s van garage Dijkhuizen. Van der Mijleweg 1 in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In het begin van mijn verzetswerk wist mijn familie (moeder en twee broers) daar niets van, totdat ik door Piet van der Goes gewaarschuwd werd voor een razzia. Ik moest alles verbranden wat er in huis was aan blaadjes enzovoorts. Toen moest ik wel met het geheim voor de dag komen en ik zal maar niet de boze woorden herhalen, die ik toen te horen kreeg. Niemand sliep die nacht, want er was een razzia bij de buurman die opgepikt werd. We woonden toen in Koog aan de Zaan.

In het verzetsleger kende ik verscheidene namen, maar ik weet er nu nog maar een paar. Namen als Niek Bakker, Tiemstra en Koelewijn heb ik onthouden. Ik had foto’s van het verzetsleger, maar heb die helaas al jaren geleden weggedaan, denkende dat die tijd voorbij is en niemand daarin meer is geïnteresseerd, vooral niet in Zuid-Afrika. De mannen droegen blauwe overalls en hadden geweren over de schouder. De foto’s waren gemaakt door fotograaf De Smalen.

Achter bakkerij Brakenhoff het huis van Jacobs.
Achter bakkerij Brakenhoff het huis van Jacobs. Burgemeester Mooijstaat in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De gaarkeuken was tegenover het station naast de bakkerij op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat. De kok was Jacobs, die in dezelfde straat woonde. Het voedsel was gewoonlijk kool, biet en raap.
Lekker was het niet, maar het was eten, ook al vonden we er soms spinnen of andere insecten in.

Direct na de bevrijding haalden de mannen van het verzetsleger de NSB-ers met hun vrouwen en grote kinderen uit hun huizen en zij werden op Duin en Bosch in een paviljoen achter tralies opgesloten. Daar gingen Van der Goes en ik dan naar toe om ze te registreren. Ik denk wel dat ik een grote grijns op m’n gezicht had. Er waren ook meiden bij die altijd lagen te vrijen met de Duitsers. Ze waren doodsbenauwd dat hun hoofden kaalgeschoren zouden worden, wat veel gebeurde in die tijd.

De medewerkers van de distributiedienst in 1946 in de tuin achter hel kantoor. V.l.n.r.: slaand: Mar Quatfass, Tiny Gorter; Riek de Groot en Mien Schermer; zittend: Kemming, Janny Roemer; De Nooy, Trees de Nooy, Hein Zonjee, Tiny Boot en Van Zweden.
De medewerkers van de distributiedienst in 1946 in de tuin achter het kantoor. Van links naar rechts staand: Mar Quatfass, Tiny Gorter; Riek de Groot en Mien Schermer; zittend: Kemming, Janny Roemer; De Nooy, Trees de Nooy, Hein Zonjee, Tiny Boot en Van Zweden.

Ik wil ook nog een gebeurtenis vertellen, die niets te maken heeft met het verzet.

Locomotief met camouflage kleuren.
De locomotief is in camouflage kleuren geschilderd. Zeeweg in Castricum, 1942. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het was zaterdag en een prachtige zomerdag. Alle distributiecollega’s gingen per trein naar huis, want we waren geëvacueerd. We waren allemaal vrolijk gestemd en zaten bij elkaar in de eerste wagon te lachen en te praten. Opeens doken er twee Engelse vliegtuigen uit de lucht en begonnen de trein te beschieten. De bestuurder wist de trein te stoppen net voordat hij stierf.

Het zusje van collega De Vries, dat tegenover mij zat, viel dood neer. Collega Ewald kreeg een kogel in zijn been en overleed hieraan een paar maanden later. Ik had alleen maar scherven in mijn billen, die er wel uitgehaald moesten worden door een dokter. Het was een afschuwelijke gewaarwording, temeer omdat het Engelse vliegtuigen waren. Er werd toen wel op ze gevloekt, want ze zagen duidelijk dat het een passagierstrein was, vooral toen we er verwilderd uitsprongen. Desondanks bleven ze schieten.

Theo Weda in uniform van de Binnenlandse Strijdkrachten op wacht voor het gemeentehuis.
Theo Weda in uniform van de Binnenlandse Strijdkrachten op wacht voor het gemeentehuis. Dorpsstraat 65 in Castricum, 15 mei 1945. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De grootste herinnering aan die periode is tot slot de dag na de 5e mei, toen het Castricumse verzetslegertje marcheerde voor het gemeentehuis en ik naast de gauw gekozen ‘burgemeester’ Nielen (het hoofd van de distributiedienst) stond. Dat was voor mij een hele eer, ofschoon het eigenlijk niets betekende. Ik zag mij namelijk nooit als heldin en deed alleen maar wat nodig was. Er zijn veel grotere daden verricht, ik was maar een kleine schakel.”

Tiny van Vlaanderen-Boot

Bevrijdingsfeest bij het gemeentehuis.
Bevrijdingsfeest bij het gemeentehuis. Het bordes is versierd met bloemen en de vlag. Dorpsstraat 65 in Castricum. 15 mei 1945. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

28 december 2021

Vlaggen in de Bernhardstraat: de moeilijke keuzes van een Castricumse gemeentearchitect in WOII

Omslag boek ‘Vlaggen in de Bernhardstraat’

Vorige maand is het boek ‘Vlaggen in de Bernhardstraat: de spagaat van een gemeentearchitect tijdens de vijf oorlogsjaren’ verschenen. Het boek is geschreven door Geert van Diepen, een oud-Castricummer.

Geert van Diepen kreeg van zijn broer twee dozen bijzondere brieven en documenten van en over zijn opa Dirk van Diepen, die gemeentearchitect was tijdens de vijf bezettingsjaren in Castricum. Dat leidde na de oorlog tot een onderzoek naar de rol van zijn opa in de oorlogsjaren. Was ie goed of was ie fout? Geert doet bijzondere en ontluisterende ontdekkingen over de rol, de politieke ideeën en het karakter van zijn opa Dirk van Diepen (1894-1977).

15 november 2021

Het Joodse gezin Godschalk, een postuum eerbetoon (Jaarboek 43 2020 pg 7-10)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 43, pagina 7

Het Joodse gezin Godschalk, een postuum eerbetoon

Het Joods Monument in het centrum van Castricum.
Het Joods Monument in het centrum van Castricum.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, begin 1942, vroeg Leentje Godschalk-Colthof haar buurvrouw, mevrouw Kuijs, enkele dierbare eigendommen voor haar te bewaren. Leentje en haar man Maurits Godschalk doken onder in Ommen. Helaas hebben zij de oorlog niet overleefd. Mevrouw Kuijs heeft de prachtige art deco metalen schaal met deksel en het tweedelig roomstel altijd bewaard. Ze zijn nu in het bezit van haar dochter Truus Zonneveld-Kuijs (1935) en haar man Pé Zonneveld (1932-2020).


Hoe het begon

Het gezin Kuijs, vader, moeder en hun dochters Truus en Elly, woonde in de bovenwoning van het pand Dorpsstraat 39, tegenwoordig naast het pand van slagerij Van der Meer.


Maurits Godschalk en Leentje Colthof

Maurits Salomon Godschalk werd geboren op 20 december 1883 in Ommen in Overijssel, Leentje Coltof op 1 oktober 1887 in Opsterland in Friesland. Zij trouwden op 13 april 1910 in Den Helder, verhuisden naar Ommen en kregen twee kinderen: dochter Matje in 1911 en zoon Jaap in 1914.

Advertentie van de winkel uit 1941.
Advertentie van de winkel uit 1941.

Het Joodse echtpaar vestigde zich op 20 juni 1940 in Castricum. Zij gingen wonen in de Doktersstraat 23, nu Dr. Leenaersstraat, en begonnen een damesmodezaak op de begane grond van Dorpsstraat 39 onder de naam ‘De Concurrent’. De winkel was een filiaal van de modezaak van hun zoon Jaap en schoondochter Judy in Den Helder, zoals in het handelsregister in 1940 werd vermeld.

Vermelding in het handelsregister.
Vermelding in het handelsregister.

Jaarboek 43, pagina 8

Uiterst rechts, het pand Dorpsstraat 39.
Uiterst rechts, het pand Dorpsstraat 39. Foto Chiel de Bood.

Pepermuntjes

De Castricumse kunstenaar Pé Zonneveld woonde destijds op de Mient en kende Maurits Godschalk wel: “Een heel aardige mijnheer die pepermuntjes uitdeelde aan de spelende buurtkinderen. Dat was heel bijzonder in die periode van schaarste tijdens de oorlogsjaren.” Hij herinnert zich ook het moment dat ze door de ramen keken van het huis in de Doktersstraat, na het gerucht dat de bewoners halsoverkop zouden zijn vertrokken: “De ontbijttafel was niet afgeruimd, alsof zij wilden aangeven dat zij spoedig terug zouden keren.

Op 5 maart 1942 moest de gemeente Castricum van ‘de nieuwe orde’ de Joodse bewoners doorgeven. Het ging om 34 ‘Juden’, die met volledige naam, geboortedatum en -plaats aangemeld moesten worden. Maurits en Leentje stonden ook op deze lijst, echter met de aantekening V.O.W. die stond voor: ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’. Om aan het lot van deportatie te ontkomen, doken Maurits en Leentje begin 1942 onder in Ommen. Op vrijdag 27 maart 1942 berichtte de Alkmaarsche Courant dat er was ingebroken in de winkel.

Alkmaarsche Courant, vrijdag 27 maart 1942.
Alkmaarsche Courant, vrijdag 27 maart 1942.

Abnahmeverzeichnis

Op 27 mei 1942 werd een zogenaamde ‘Abnahmeverzeichnis’ ingevuld. Dit formulier gaf de gezamenlijke waarde weer van het huisraad dat achterbleef als een Joods gezin gedeporteerd werd of ‘was vertrokken met onbekende bestemming’. De waarde van de inboedel van Doktersstraat 23 werd geschat op 1.155 gulden.

Ondergedoken

Maurits Godschalk, zijn vrouw Leentje, zoon Jaap en schoondochter Judy waren sinds maart 1942 ondergedoken bij de familie Veldman, op de boerderij ‘Het Oude


Jaarboek 43, pagina 9

Veerhuis’. Dat was een afgelegen boerderij aan de rand van het bos in het buurtschap Junne bij Ommen. Wanneer er gevaar dreigde, vluchtte de familie Godschalk naar een schuilplaats in het bos.

Noodlot

Op 13 november 1943 sloeg het noodlot toe. Er vond een bombardement plaats van de Amerikaanse luchtmacht op de Duitse havensteden Bremen, Kiel en Flensberg. Tussen 11.20 en 11.45 uur vlogen 272 bommenwerpers vanuit Engeland richting Duitsland over het Vechtdal in Overijssel. In de nabijheid van Ommen stortte een Amerikaanse B-17 bommenwerper neer. Bewakers van het nabijgelegen ‘Arbeitseinsatzlager Erika’ gingen op onderzoek uit en stuitten op het gezin Godschalk, dat juist op weg was naar de schuilplaats in het bos. Bij de aanhouding probeerde Maurits te vluchten, maar hij werd daarbij in de rug geschoten. Hij overleed ter plekke.

Huiszoeking

Daarna volgde huiszoeking op het onderduikadres bij de familie Veldman. Wolter Veldman werd naar kamp ‘Erika’ overgebracht, daarna naar de gevangenis in Arnhem en vervolgens naar het concentratiekamp in Amersfoort, vanwaar hij pas met Kerstmis 1944 naar Junne mocht terugkeren.

De familie Godschalk bleek tijdens haar onderduikperiode medicijnen te krijgen van huisarts dokter Van Nievelt uit Castricum. Hij zond deze naar Hendrik Oldeman, een oud-werknemer van Maurits Godschalk. Mevrouw Oldeman vervoerde deze medicijnen per kinderwagen naar Veldman. Toen de medicijnflesjes met Oldemans adres werden aangetroffen, kon hij nog net op tijd gewaarschuwd worden, waarna hij ook moest onderduiken.

Kamp Erika

Collaborateur Karel Diepgrond was kampcommandant van Arbeitseinsatzlager Erika. Na de aanhouding van de familie Godschalk belde hij met de Zwolse gemeentepolitie. Leentje, Jaap en Judy werden op zondag 14 november door Untersturmführer Stok overgebracht naar het politiebureau in Zwolle. De volgende dag werden zij opgehaald voor verder transport naar Westerbork. De drie gezinsleden zijn daarna naar Auschwitz gedeporteerd, waar Leentje en Judy om het leven zijn gebracht op 19 november 1943. Jaap Godschalk is op een niet nader genoemde plaats in Polen omgebracht op 31 maart 1944.

Gezin vader Maurits en moeder Leentje

Maurits kwam uit een gezin van zeven kinderen, hij was de enige zoon. Zes zussen, hun partners en hun kinderen zijn vermoord in Auschwitz, Westerbork of als vermist opgegeven. Ook een zus en broer van moeder Leentje, hun partners en kinderen zijn in Auschwitz en Sobibor vermoord.

Jaap Godschalk.
Jaap Godschalk.

Over zoon Jaap Godschalk

In 1921 verhuisde Jaap met zijn ouders van Ommen naar Den Helder. Het koopmansbloed van vader stroomde door Jaaps’ aderen en hij begon op 6 maart 1937 een winkel in dameskleding in zijn woonplaats. Op 19 oktober 1937 trad hij in het huwelijk in de synagoge van Zwolle met Judy van Gelderen.

Annonce van de ondertrouw.
Annonce van de ondertrouw.

Jaap was een groot voetbaltalent. In Ommen speelde hij voor O.V.C., in Den Helder werd hij lid van H.F.C. Den Helder. In februari 1941 stapte hij over naar de Velseroorder Sport Vereniging in Velserbroek (V.S.V.), de voorloper van het huidige Telstar. Zijn laatste wedstrijd speelde hij op 21 juni 1941 met V.S.V. tegen Be Quick, die mede door toedoen van Jaap met 5-1 werd gewonnen. Door steeds meer anti-Joodse maatregelen van de nazi’s werd het hem verboden om het sportveld te betreden.


Jaarboek 43, pagina 10

Over dochter Matje Godschalk

Matje was getrouwd met Emiel Meijers. Aanvankelijk woonden zij in Nijmegen en vanaf 1940 in Arnhem, samen met hun vier kinderen, geboren tussen 1933 en 1940.

In 1942 verzocht de Hoofdcommissaris van Politie in Arnhem opsporing, aanhouding en voorgeleiding van Emiel Meijers en zijn vrouw Matje Meijers-Godschalk. Zij werden ervan verdacht van woonplaats te zijn veranderd zonder daartoe de vereiste vergunning te hebben. Met deze omschrijving werden Joden aangeduid die waren ondergedoken.

Het gezin is na 1 oktober 1942 gedeporteerd, Matje (31) is samen met haar vier kinderen, Wilhelmina van twee, Robbie van vier, Johanna van zeven en Lena van acht jaar oud, op 2 november 1942 in Auschwitz vermoord. Voor Emiel Meijers is opgegeven: 31 maart 1944 in Midden-Europa.

Joodse Monumenten

Maurits Godschalk wordt herdacht op twee gedenktekens in Ommen: het monument voor oorlogsslachtoffers en op de Joodse begraafplaats waar hij ligt begraven.

Het Joods monument ter nagedachtenis aan de gevallen Joodse inwoners.
Het Joods monument ter nagedachtenis aan de gevallen Joodse inwoners. In totaal kwamen er 32 in Castricum wonende Joden om het leven tijdens de Duitse bezetting. Het monument is in 2013 aangebracht op initiatief van Ton de Groot.

Maurits is samen met zijn vrouw Leentje ook vermeld op het herdenkingsmonument voor omgekomen Joodse inwoners in Castricum. De zwerfkei op het pleintje naast Hotel Het Oude Raadhuis, onder de hoede van een grote beuk, wordt gedragen door de Davidster en is omringd met duindoornstruiken. De struiken zijn een symbool voor de Castricumse duinen, waarbij de doorns verwijzen naar de pijn en lijdensweg.

Jaap Godschalk en zijn vrouw Judy Godschalk-van Gelder worden herdacht door de plaquette op de Joodse begraafplaats in Den Helder.

Matje Meijers-Godschalk, Emiel Meijers en hun vier kinderen worden herdacht door de plaquette op de Joodse begraafplaats Moscowa in Arnhem en door het op 18 november 2019 door Opperrabbijn Binyomin Jacobs en burgemeester Ahmed Marcouch van Arnhem onthulde monument voor de ongeveer 1.500 Arnhemse Joden die de Tweede Wereldoorlog niet hebben overleefd. In Arnhem woonden voor de oorlog circa 2.300 Joodse mensen. In november 1942 werd het grootste deel van hen tijdens een razzia opgepakt en weggevoerd.

Levenslicht, monument van Daan Rosegaarde

Ieder jaar wordt rond 27 januari stilgestaan bij de slachtoffers van de Holocaust. Dit jaar (2020) is het 75 jaar geleden dat de gevangenen van het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz werden bevrijd. Op verzoek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei is een tijdelijk lichtmonument ontworpen door kunstenaar Daan Roosegaarde: ‘Levenslicht’. Met 104.000 lichtgevende herdenkingsstenen, gelijk aan het aantal slachtoffers uit Nederland, stond het kunstwerk een week lang symbool voor de impact van de Holocaust.

Tijdens de herdenking in de gemeente Castricum op vrijdag 26 januari 2020 heeft burgemeester Mans het monument onthuld en aandacht geschonken aan het verhaal van Leentje en Maurits Godschalk. Doel van dit lichtmonument was het bewustzijn te vergroten dat in heel Nederland Joden, Roma en Sinti woonden en dat deze mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn vervolgd, gedeporteerd en vermoord. Ook Maurits en Leentje Godschalk, zij waren onze buren en plaatsgenoten en mogen nooit vergeten worden.

De art deco metalen schaal.
De art deco metalen schaal.
Het tweedelige roomstel.
Het tweedelige roomstel.

Nabestaanden

Truus Zonneveld-Kuijs en haar man Pé Zonneveld hopen dat de door hen bewaarde schaal en het roomstel teruggegeven kunnen worden aan nabestaanden, ter herinnering aan het gezin Godschalk-Colthof. In samenwerking met de Stichting Joods Monument wordt op dit moment gezocht naar familieleden.

Dit postuum eerbetoon heeft in januari 2021 een onverwacht vervolg gekregen. Klik op deze link om verder te lezen: artikel in jaarboek krijgt bijzonder vervolg

Annette Beentjes

Met dank aan: Ton de Groot en Corrie Loogman.

Bronnen:

  • Alkmaarsche Courant, 27 maart 1942; Joods Cultureel Kwartier;
  • Makkinga, Martend, Maurits Godschalk. De Darde Klokke; nummer 36, kwartaaluitgave van de Gemienschop van Old Ommer. Ommen 1980;
  • Oud-Castricum. De geschiedenis van de Dorpsstraat en zijn bewoners (derde deel), 28e Jaarboek 2005;
  • Schokkenbroek, Sir, Drama boven Ommen. De Darde Klokke; nummer 162, februari 2012;
  • Warner, Gerko, Joodse Huizen 4, hoofdstuk Koningstraat 58-60, Den Helder;
  • Zonneveld: gesprekken met Truus Zonneveld-Kuijs en haar man Pé Zonneveld 2019.

8 oktober 2021

Duitse V-wapens op Antwerpen vanuit Nederland

Lezing van Pieter Serriens over de periode september 1944 – maart 1945

Als Antwerpen op 4 september 1944 wordt bevrijd heerst er vreugde in de straten van de havenstad. Begin oktober hebben de geallieerden het gehele havengebied onder controle maar de euforie maakt al snel plaats voor angst als blijkt dat de Duitsers de stad bedelven onder een tapijt van Vergeltungsbommen (V1 & V2) die dood en verderf zaaien. Het “vrije’ Antwerpen krijgt te maken met een terreur die in heel België aan ongeveer 9000 Belgen het leven zal kosten.

Een in Nederland vrijwel onbekende geschiedenis omdat hier eigenlijk alleen Londen als algemeen doelwit bekend staat. Nederland was echter samen met het Westen van Duitsland de belangrijkste lanceerplaats voor de beide V-wapens. De ruim 2000 inslagen en 300 dodelijke slachtoffers die er in Nederland te betreuren vielen, steken echter schril af tegen de aantallen die Antwerpen en Londen te verduren kregen. Vooral de inslag op de Antwerpse Cinema Rex, waarbij een V2 in één klap 567 filmtoeschouwers de dood in joeg geeft aan welke impact de terreur te weeg kon brengen. Het is, afgezien van de atoombommen op Hiroshima & Nagasaki, tot op de dag van vandaag de inslag met de meeste dodelijke slachtoffers door 1 enkele bom.

22 april 2021

De familie Drukker en de tragiek van joods Alkmaar

Persbericht van het Regionaal Archief Alkmaar

ALKMAAR – Het Regionaal Archief verzorgt een live online presentatie over het lot van de joodse familie Drukker en hun joodse stadsgenoten, vanaf de jaren dertig tot en met de Tweede Wereldoorlog. De presentatie is op donderdagavond 29 april gratis te volgen. De spreker, historicus en archivaris Jan van Baar, baseert zijn lezing op zijn recentelijk verschenen boek ‘De familie Drukker en de tragiek van joods Alkmaar’.

Cover van het boek ‘De familie Drukker en de tragiek van joods Alkmaar’

Bram Drukker woonde met zijn vrouw Juliette en dochter Marjan in Alkmaar toen de oorlog uitbrak. Het gezin overleefde die oorlog niet – Marjan werd maar 15 jaar. Het verhaal van de familie is op papier gezet door Jan van Baar. Met behulp van de herinneringen van Bram, geschreven in drie schriftjes, verschillende brieven die het gezin vanuit Westerbork schreef en talloze andere bronnen, zorgt Van Baar ervoor dat het lot van de familie niet wordt vergeten.