10 januari 2022

Dorpsstraat (4e deel) huisnrs 69–85 (Jaarboek 29 2006 pg 39-52)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 29, pagina 39

De geschiedenis van de Dorpsstraat en zijn bewoners (deel 4)

Huis nummers 69-85

Inleiding

Er wordt naar gestreefd om de gehele geschiedenis van de panden aan de Dorpsstraat en hun bewoners in beeld te brengen, vanaf hun stichting tot aan de huidige situatie. Het onderzoek in de diverse archieven levert dan dusdanig veel informatie op, dat dit niet in één artikel te verwerken valt.

In het derde artikel over de Dorpsstraat (28e jaarboek) zijn we geëindigd met nummer 65, het voormalige raadhuis en thans (in 2006) zetel van de stichting Landschap Noord-Holland.

In dit artikel vervolgen we onze tocht langs de oneven kant van de Dorpsstraat met de panden gelegen tussen de Schoolstraat en de Cieweg.

Gedeelte van kadasterkaart uit 1930, waarop de panden zijn genummerd, die wij in dit artikel zullen bespreken en die zijn gelegen aan de Dorpsstraat tussen Schoolstraat en Cieweg.

Gedeelte van kadasterkaart uit 1930, waarop de panden zijn genummerd, die wij in dit artikel zullen bespreken en die zijn gelegen aan de Dorpsstraat tussen Schoolstraat en Cieweg.
Het pand van de fa. Huitenga, Dorpsstraat 69, 71, 73.
Het pand van de firma Huitenga, Dorpsstraat 69, 71, 73.

Dorpsstraat 69, 71, 73 (nu Huitenga Slaapwoonwinkel)

Het eerste pand dat we onder de loep nemen is de winkel van de firma Huitenga op de hoek Dorpsstraat-Schoolstraat. Enkele jaren geleden kreeg het zijn huidige uiterlijk, een soort glazen paleis. De bouwvergunning werd in maart 1999 door de gemeente verleend.

Op het uiterlijk van het vernieuwde pand werd door de Castricumse bevolking zeer wisselend gereageerd: van ‘schandelijk’ tot ‘prachtig’. In de Commissie Ruimtelijke Ordening en Gemeentewerken heerste bij de beoordeling van het ontwerp in 1998 ook al geen eenstemmigheid. Een der leden vond het ontwerp te futuristisch en niet passend in de omgeving. Bovendien constateerde hij dat het afweek van de destijds door de raad vastgestelde ontwikkelingsvisie voor de Dorpskom. De heer Huitenga verdedigde zijn plan met verve. Hij kreeg, zoals te verwachten, ook het Castricums Ondernemers Verbond mee, dat bij monde van de voorzitter liet weten met de bouwplannen in te stemmen.

Het valt op dat het pand van de firma Huitenga niet minder dan drie huisnummers omvat: Dorpsstraat 69, 71 en 73. Dit suggereert dus dat er drie afzonderlijke panden aan de winkel van de firma Huitenga vooraf zijn gegaan. Wat is hiervan terug te vinden?


Jaarboek 29, pagina 40

Gedeelte van een kadasterkaart uit 1822.
Gedeelte van een kadasterkaart uit 1822.

Bekijken we eerst de oudste kadasterkaart uit 1822. Hier zien we dat een gebied gelegen in de hoek Dorpsstraat-Schoolstraat met kadasternummer 8390 (officieel geheten kadaster sectie 8, nummer 390, maar in dit artikel worden de kadasternummers verkort weergegeven), waar later het pand van Huitenga zou verrijzen, nog onbebouwd is. Het wordt omschreven als ‘moesland en boomgaard’, deel uitmakend van het landgoed van de tegenovergelegen villa Zorgvliet (later Hermana State), dat toen eigendom was van de voormalige Castricumse schout Joachim Nuhout van der Veen.

Zorgvliet met zijn bijbehorende tuinen was in trek als een ‘klein buiten’ en het werd in de loop der 19e eeuw dan ook herhaaldelijk doorverkocht aan personen die men als vrij welgesteld kan inschatten.

Een kadasterkaart uit 1875 toont voor het eerst bebouwing op het voormalige perceel B390, als gevolg waarvan het kadasternummer veranderde in B1340.
Een kadasterkaart uit 1875 toont voor het eerst bebouwing op het voormalige perceel B390, als gevolg waarvan het kadasternummer veranderde in B1340.

Op perceel nummer 8390 verscheen in 1875 voor het eerst bebouwing, een bescheiden pand, dat de toenmalige eigenaar van Zorgvliet, de bejaarde rentenier Pieter Kreur, liet bouwen. Het was grotendeels van hout, wat geen verbazing wekt, want dat was Zorgvliet ook en het bleef dus ‘in stijl’. Wat Kreur met de bestemming van het pand voor ogen stond, is niet duidelijk.

Kreur ging delen van zijn bezit verkopen, waarbij het genoemde houten huis en de bijbehorende tuin in handen kwamen van bloemkweker Mattheus de Nijs, die, gezien zijn beroep, met de tuin wel raad zal hebben geweten.

Hij verkocht het pand in 1896 aan Willem Brakenhoff, waarschijnlijk een speculant, want deze verkocht het alweer in 1898 aan Johannes Bernardus (Jan) van Benthem, een postbode.

Jan van Benthem was de in 1872 geboren zoon van Lambertus van Benthem en Maria Res, stichters van het naastgelegen café ‘De Vriendschap’ (nu – in 2006 – café Centraal), waarvan we de geschiedenis nog zullen bespreken. In hetzelfde jaar dat hij zijn pand betrok, was Jan van Benthem getrouwd met Margrietje van der Park. In 1899 werd het eerste kind geboren en er volgden er nog vier, waarvan er twee zeer jong zijn gestorven.

Tekening door Sijf Portegies van het karakeristieke houten huisje, Dorpsstraat 71, bewoond door postbode Jan van Benthem en zijn familie van 1898 tot 1958. daarna in gebruik genomen als opslagruimte en in 1966 afgebroken.
Tekening door Sijf Portegies van het karakeristieke houten huisje, Dorpsstraat 71, bewoond door postbode Jan van Benthem en zijn familie van 1898 tot 1958. daarna in gebruik genomen als opslagruimte en in 1966 afgebroken.

Het pand dat in 1930 als huisnummer Dorpsstraat 71 kreeg toebedeeld, werd door de familie Van Benthem bijna 60 jaar bewoond. Dat is wellicht voor de Dorpsstraat een record. Er zullen dan ook zeker nog Castricummers zijn die herinneringen aan Jan van Benthem hebben, want als postbode was hij natuurlijk een bekende figuur in het dorp.

Jan van Benthem stierf in 1948, waarna zijn weduwe nog een aantal jaren in het huisje bleef wonen. Zij overleed in 1958. Het woninkje werd kort daarna gekocht door Cornelis (Cees) Huitenga, die het in gebruik nam als bergplaats. Op het uiteindelijke lot van het pandje in de periode Huitenga komen we nog terug.

Foto uit 1920 van postbode Jan van Benthem met twee dochters voor zijn houten huisje aan de toenmalige Rijksstraatweg, later Dorpsstraat 71.
Foto uit 1920 van postbode Jan van Benthem met twee dochters voor zijn houten huisje aan de toenmalige Rijksstraatweg, later Dorpsstraat 71.

Toen Van Benthem het huis in 1898 kocht, lag tussen zijn pand en de Schoolstraat (zie de kadasterkaart uit 1875) nog een strook maagdelijke grond. In 1904 toont een kadasterkaart in dit gebied voor het eerst bebouwing, een pand dat direct was gelegen naast het huisje van Van Benthem.

We beschikken helaas niet over een foto. Het was een klein, smal pand waar in Jan Stuifbergen, een kapper, zich vestigde met zijn echtgenote Niesje Henneman. Het is niet duidelijk of Jan Stuifbergen hier nog zijn beroep heeft uitgeoefend, want geboren in 1845 was hij bij het betrekken van dit pand al op leeftijd.

Waarschijnlijk geldt dit wel voor zijn toen nog inwonende, 40-jarige zoon Lambertus Stuifbergen, eveneens een kapper, die later in Castricum bekendheid kreeg als ‘Kleine Bertus’, eigenaar van een kapperszaak aan de Dorpsstraat tegenover de rooms-katholieke kerk. Na het overlijden van Jan Stuifbergen in 1910 werd het pand eigendom van zijn weduwe en van zijn zoon Lambertus.


Jaarboek 29, pagina 41

Het oorspronkelijke woon/winkelhuis dat Jan Hendrik Heideman in 1909 liet bouwen op de hoek Dorpsstraat-Schoolstraat, waar hij met enkele van zijn zonen een zaak begon in 'manufacturen en gemaakte-goederen, vloerzijlen en karpetten'.
Het oorspronkelijke woon/winkelhuis dat Jan Hendrik Heideman in 1909 liet bouwen op de hoek Dorpsstraat-Schoolstraat, waar hij met enkele van zijn zonen een zaak begon in ‘manufacturen en gemaakte-goederen, vloerzijlen en karpetten’.

Op 2 oktober 1909 werd voor het nog overgebleven stuk grond tussen het pandje van Stuifbergen en de Schoolstraat door de gemeente een vergunning afgegeven aan Jan Hendrik Heideman om op de hoek Dorpsstraat-Schoolstraat een woon- en winkelhuis te bouwen. Jan Heideman was kleermaker, geboren in 1848 in Landsmeer en getrouwd met Afra Steevers.

Zijn gezin telde niet minder dan 11 kinderen, allen geboren te Landsmeer. Toen hij de bouwvergunning kreeg, was hij reeds 59 jaar; hij is niet in Castricum komen wonen. Uit het opschrift op de gevel ‘Heideman en Zonen’ kunnen we concluderen dat hij bij de exploitatie al dadelijk enkele van zijn zonen betrok.

Jan Heideman overleed in 1914 in Landsmeer en het pand in de Dorpsstraat kwam toen definitief in handen van zijn zoon Hendrik Jan (Henk) Heideman, manufacturier en koopman, geboren in 1885.
Henk Heideman, die in 1910 in Akersloot was gehuwd met Wilhelmina Wilken, woonde aanvankelijk met zijn gezin, dat in de periode 1912 tot 1927 acht kinderen ging tellen, achter en boven de winkel.

Foto uit 1924 met vooraan rechts het in 1920 verbouwde pand van Henk Heideman. Ernaast nog een glimp van het houten huisje van postbode Jan van Benthem.
Foto uit 1924 met vooraan rechts het in 1920 verbouwde pand van Henk Heideman. Ernaast nog een glimp van het houten huisje van postbode Jan van Benthem.

Hij boerde waarschijnlijk niet slecht, want in 1920 beschikte hij over de middelen voor een grondige renovatie van zijn pand. Deze bestond uit het verbouwen van de bestaande winkel en het bijbouwen van een nieuwe winkel, waardoor een geheel ontstond met een moderne uitstraling. Voor deze uitbreiding werd het naastgelegen en hiervoor besproken pandje van Jan Stuifbergen opgeofferd, dat nog tot 1918 bewoond was door zijn weduwe Niesje Stuifbergen – Henneman, die in dat jaar kwam te overlijden.

Kennelijk bood op den duur zelfs het verbouwde winkelhuis te weinig woonruimte, want Henk Heideman kocht op 3 juni 1926 bij een openbare veiling de villa Hermana State, het voormalige Zorgvliet, waarmee dus een riant onderkomen werd gerealiseerd.

Hier staat Jan Heideman voor de zaak die in 1918 verbouwd werd.
Hier staat Jan Heideman voor de zaak die in 1918 verbouwd werd. Dorpsstraat 69 in Castricum, 1928. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

In 1930 werd de bestaande nummering van de panden in de Dorpsstraat ingevoerd en daarbij kreeg het winkelpand van Heideman nummer 69 toebedeeld.

Nog voor de oorlog liet Henk Heideman de exploitatie van zijn manufacturenzaak over aan zijn in 1912 geboren zoon Johannes Gerardus (Jan) Heideman. Ondanks de moeilijke omstandigheden en de al snel optredende schaarste aan artikelen zag Jan Heideman kans zijn handel in de eerste oorlogsjaren (WO2) voort te zetten, onder andere met de verkoop van het toen courante artikel verduisteringspapier.

De manufacturenwinkel van Jan Heideman.
De manufacturenwinkel van Jan Heideman. Dorpsstraat 69, 71 in Castricum, 1943. Boven de luifel staat het opschrift linoleum parketten. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1943 werd Hermana State verkocht aan notaris Hendricus Cranenburgh en kort daarop verliet de gehele familie Heideman het dorp. Waarschijnlijk was dit vertrek gedwongen, want veel huizen in de Dorpsstraat werden in de oorlog gevorderd voor de inkwartiering van Duitse soldaten.

Na het vertrek van Jan Heideman vestigde de kruidenier Frans van der Houw zich in zijn winkelpand. Kennelijk was er, wat wel begrijpelijk is, voor levensmiddelenzaken in de oorlog wel plaats in het verder geëvacueerde deel van Castricum.

Na de oorlog, in 1946, verplaatste Frans van der Houw de kruidenierswinkel naar de Burgemeester Mooijstraat en kon Jan Heideman zijn handel in de Dorpsstraat onder de naam’ Manufacturen magazijn De Zon’ hervatten.

Het zal in de eerste jaren na de oorlog moeilijk zijn geweest om met de reguliere verkoop van textielgoederen het hoofd boven water te houden. Er was schaarste, alles was op de bon en de concurrerende zwarte handel bloeide, hoewel daartegen werd opgetreden, zoals blijkt uit een krantenbericht van februari 1947: “Textielbedrijf firma J. Heideman is begonnen mei de verkoop van een partij textielgoed, die enige maanden geleden van enkele plaatselijke textielhandelaren in beslag genomen was. De belangstelling was zeer groot en er zijn volgnummers uitgereikt.”


Jaarboek 29, pagina 42

In hetzelfde jaar toonde Heideman zich nauw betrokken bij een kerstpakkettenactie van het Katholieke Thuisfront voor ‘de jongens overzee’, de meer dan 80 Castricumse dienstplichtigen die betrokken waren bij de politionele acties in het toenmalige Nederlands-Indië.

Om de verkoop van de pakketten aan te moedigen stalde hij de inhoud van een pakket in een van zijn etalages ten toon: 1 goede roman, spel bridgekaarten, 1 flacon brillantine, 1 staafscheerzeep, 1 pakje scheermesjes, 1 tube tandpasta, 20 vel schrijfpapier, 18 enveloppen, zakboekje, 1 potlood met puntbeschermer, 1 pakje sigaretten (Old Mac), 2 poppen taaitaai, 2 rollen pepermunt, 1 doosje drop en 1 begeleidend schrijven van de volksdansgroep met artistieke illustraties, dit alles ter waarde van 8,50 gulden.

Vanaf 1949 ging Jan Heideman deel uitmaken van het bestuur van de pas opgerichte Castricumse Winkeliersvereniging, een functie die hij nog ruim 5 jaar heeft uitgeoefend tot hij in februari 1955 stopte met zijn activiteiten in de Dorpsstraat en verhuisde naar Egmond aan Zee.

Winkel van de firma Huitenga.
Winkel van de firma Huitenga. Dorpsstraat 69-73 in Castricum, 13 juni 1962. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Nog in dezelfde maand vestigde zich op Dorpsstraat 69 vanuit Sassenheim de 40-jarige Cornelis (Cees) Huitenga, die de verkoopactiviteiten ging verleggen van textiel naar woninginrichting. Het is begrijpelijk, dat het bestaande pand voor deze omschakeling naar een uitgebreider assortiment onvoldoende ruimte bood en het wekt dan ook geen verbazing dat Cees Huitenga al snel plannen ontwikkelde voor een groter pand.

Het huis waar postbode Jan van Benthem woonde, gesloopt in 1967 voor uitbreiding van het pand van Huitenga.
Het huis waar postbode Jan van Benthem woonde, gesloopt in 1967 voor uitbreiding van het pand van Huitenga. Dorpsstraat 71 in Castricum, 1965. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

In 1966 was het zover en kreeg hij vergunning voor de bouw van een nieuw winkelpand met twee bovenwoningen. Om de nieuwbouw te realiseren werd het houten pand Dorpsstraat 71 afgebroken, dat dus nog opvallend lang heeft bestaan. Het was door Huitenga in 1959 al van de erven Van Benthem gekocht en in gebruik genomen als schuur en opslagplaats.

De afbraak leidde tot vreugde bij de plaatselijke krant, die de opslagplaats van Huitenga karakteriseerde als een ‘ontsierend krot’ en ook bij B&W van Castricum, die in een schrijven aan de firma Huitenga van 25 november 1966 opmerkten: “Op 11 oktober 1966 is de rijksgoedkeuring afgekomen voor Uw nieuwbouw aan de Dorpsstraat. Tot ons genoegen zien we dat U voor de eerste fase de keus heeft laten vallen op de voorzijde van de nieuwbouw. Dit is een wijze keuze geweest, want het wordt de hoogste tijd dat de houten bouwval Dorpsstraat 71 ten spoedigste wordt afgebroken.”

De nieuwbouw leidde tot een volumineus, breed pand met een aantal etalages, noodzakelijk om de toegenomen verscheidenheid van artikelen ten toon te stellen: gordijnen, vloerbedekking, meubels, kleding, lakens, dekens, handdoeken, lingerie etc.

Het in 1967 vernieuwde winkelpand hoek Dorpsstraat-Schoolstraat van firma Huitenga.
Het in 1967 vernieuwde winkelpand hoek Dorpsstraat-Schoolstraat van firma Huitenga.

In 1970 kreeg Cees Huitenga opnieuw vergunning voor een verbouwing van zijn winkelpand. Het betrof het aanbouwen van een toonzaal en magazijn aan het bestaande winkelpand, nu Dorpsstraat 69, 71 en 73. In feite aan de achterkant, waardoor er dus geen sprake is van invloed op de voorgevel.

Bij de exploitatie werden meerdere leden van de familie Huitenga betrokken in een Huitenga Holding BV. De holding werd bij de meest recente, hiervoor besproken verbouwing tot het ‘glazen paleis’, gerepresenteerd door Ignatius Antonius (Ed) Huitenga, de in 1940 in Sassenheim geboren zoon van Cees Huitenga en Afra Borst.

Het pand van Huitenga na de verbouwing.
Het pand van Huitenga na de verbouwing. Dorpsstraat 69-73, 2013. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Hiervoor merkten we op dat de huidige firma Huitenga drie nummers in de Dorpsstraat omvat, 69, 71 en 73. In 1930, toen de huidige nummering van de huizen in de Dorpsstraat tot stand kwam, werden de panden vanaf de Schoolstraat voor wat betreft de bewoners als volgt benoemd: Dorpsstraat 69, winkel Heideman; Dorpsstraat 71, J.B. van Benthem (de postbode); Dorpsstraat 73, onbebouwd; Dorpsstraat 75 N.J. Stuijt (het cafépand).

De indruk is dat het nummer Dorpsstraat 73 gereserveerd was voor een nog te bouwen pand en dat het pas werd toegekend, toen Huitenga door de verbreding van zijn pand dit stuk grond in gebruik nam. Voor het bestaan van een afzonderlijk pand, dat ooit het nummer 73 zou hebben gedragen, is er geen enkele aanwijzing.

Doorkijk Dorpsstraat in 1988, met links op de voorgrond de vervallen, toen leegstaande voormalige doorrijstal, Dorpsstraat 77, nu 'het Malhuis'; vervolgens café-restaurant 'De Speckkoper', Dorpsstraat 75 (nu café Centraal); daarachter het in 1967 vernieuwde pand van de firma Huitenga, Dorpsstraat 69, 71 en 73.
Doorkijk Dorpsstraat in 1988, met links op de voorgrond de vervallen, toen leegstaande voormalige doorrijstal, Dorpsstraat 77, nu (in 2006) ‘het Malhuis’; vervolgens café-restaurant ‘De Speckkoper’, Dorpsstraat 75 (nu café Centraal); daarachter het in 1967 vernieuwde pand van de firma Huitenga, Dorpsstraat 69, 71 en 73.
Cafe Centraal en Snackbar 't Steegje.
Cafe Centraal en Snackbar ’t Steegje. Dorpsstraat 75 in Castricum, 2005. Foto M. Sneijder. Toegevoegd.

Dorpsstraat 75 (in 2006 ‘Café Centraal’)

De eerste kadasterkaart uit 1822 toont op vrijwel de plaats van het tegenwoordige (in 2006) café Centraal (tot voor kort Sam-Sam), op een perceel met kadasternummer 389, reeds een bescheiden gebouwtje. Het was toen overigens al veel ouder, want in 1792 lieten de uit Duitsland afkomstige Andries Schreuder en zijn vrouw, de Castricumse Aagje van der Beek, het pand bouwen.

De echtgenoten worden in archiefstukken ’tapper’ en ’tapster’ genoemd, waaruit we kunnen concluderen dat zij er een herberg exploiteerden. Naast herbergier was Andries ook dagloner, waarmee hij wat kon bijverdienen, terwijl Aagje ongetwijfeld de klanten van de herberg verzorgde. De ligging van het café aan de doorgaande Rijksweg door Castricum was natuurlijk goed gekozen, maar het bestaan van het gezin dat vier kinderen ging tellen, zal toch geen vetpot zijn geweest. Andries werd namelijk in 1812 voor de dorpsomslag (een belasting) aangeslagen voor 4,20 gulden, het op een na laagste tarief. Hij overleed in 1824 in Castricum.

Voor wat de verdere geschiedenis van het pand betreft, noemt het bevolkingsregister uit 1830 als bewoners de weduwe Aagje Schreuder-van der Beek, tapster, inmiddels 69 jaar en haar zoon Dirk Schreuder, tapper, bijna 30 jaar. Het was toen dus nog steeds een herberg.

Het huwelijk van Dirk Schreuder in 1832 in Castricum met de uit Egmond-Binnen afkomstige Trijntje Eenhuijs, lijkt aanleiding te zijn geweest om het cafébedrijf op te geven, want nog in hetzelfde


Jaarboek 29, pagina 43

jaar werd het pand betrokken door Bernard Res, heelmeester, een beroep waarvoor men sinds 1823 een opleiding kon volgen aan ‘clinische scholen’, opgericht in een aantal grotere steden. Deze opleiding was weliswaar niet van een universitair niveau, maar betekende wel een belangrijke verbetering ten opzichte van de gezondheidssituatie, waarin veelal matig geschoolde chirurgijns een hoofdrol speelden.

Bernard Res, geboren in 1798 in Oostzaan, was na zijn succesvolle examen in Haarlem geattendeerd op de vacature voor heelmeester in Castricum tegen een traktement van 150 gulden per jaar. Hij kwam in 1828 naar Castricum, als geroepen, want de gemeente was sinds 1806 vrijwel verstoken geweest van gekwalificeerde geneeskundigen, wat het gemeentebestuur terecht zorgen baarde.

Res woonde aanvankelijk in bij een echtpaar in de Kerkbuurt, maar na zijn huwelijk in 1831 met Johanna Maria Kuin, dienstbode bij pastoor Ruigrok van de Werve in de Oosterbuurt, betrok hij het vrijgekomen cafépand van Schreuder, eerst als huurder, later als koper. Bernard Res vestigde er zijn geneeskundige praktijk met apotheek, waarover we het een en ander te weten komen uit verslagen van geneeskundige visitatiecommissies, ingesteld om de kwaliteit van de gezondheidszorg te bewaken.

Veel heelmeesters in Noord-Holland komen er in de rapporten van deze commissies niet goed van af, maar dat geldt niet voor Res, die over het algemeen uitstekend werd beoordeeld. Bijvoorbeeld in 1838: “Staat winkel: zeer goed. Staat instrumenten: zeer goed. Vaccinatie: in orde. Epidemieën: geen. Verzorging armen: in orde. Aanmerkingen: geen. “Later wordt het oordeel iets minder, waarbij de achteruitgaande gezondheid van Res als oorzaak wordt genoemd. Hij komt, nog maar 47 jaar, in 1845 te overlijden, wat door de Castricumse bevolking als een gevoelig verlies werd ervaren.

Zijn weduwe Johanna Res-Kuin, inmiddels 43 jaar, bleef achter met nog vier jonge kinderen. Zij had uiteraard geen medische bevoegdheden en begon, om toch aan de kost te komen, een slijterij, waarmee het pand weer zijn oorspronkelijke bestemming terugkreeg.

Overigens zal in die tijd de omschakeling van apotheek naar slijterij niet zo groot zijn geweest, want Res verkocht ongetwijfeld ook reeds medicinale wijnen en kruidenbitters.

Johanna Kuin hertrouwde in 1850 met de 25-jarige, in Castricum geboren, Adriaan Raman, die reeds als kastelein in de slijterij assisteerde. Het lot bleef Johanna helaas ongunstig gezind, want ze werd opnieuw geconfronteerd met het jong overlijden van een echtgenoot. Adriaan stierf in november 1859. Wat de exploitatie van het café betreft, kreeg ze nu wel steun van haar inmiddels 18-jarige dochter Maria Res.

Foto uit 1903, waarop vier kinderen van Bertus van Benthem voor het door hem in 1874 gestichte café 'De Vriendschap' voor de fotograaf poseren. Kenmerkend voor het uiterlijk van het café aan de voorzijde was toen een zogenaamde 'waranda', een overdekte, maar verder open aanbouw.
Foto uit 1903, waarop vier kinderen van Bertus van Benthem voor het door hem in 1874 gestichte café ‘De Vriendschap’ voor de fotograaf poseren: van links naar rechts Jan van Benthem, de postbode van Dorpsstraat 71 met aan de hand zijn 2-jarige dochter Maria; Toon van Benthem (cafehouder van het bondshotel hoek Dorpsstraat-Burgemeester Mooijstraat); Riek van Benthem (caféhoudster ‘De Vriendschap’) en Door van Benthem. Kenmerkend voor het uiterlijk van het café aan de voorzijde was toen een zogenaamde ‘waranda’, een overdekte, maar verder open aanbouw.

In 1869 trouwde deze Maria Res met Lambertus Anthonius (Bertus) van Benthem, geboren in 1838 in Ootmarsum en timmerman van beroep. Volgens de overlevering was hij naar Castricum gekomen in verband met de aanleg van de spoorlijn. Bertus was waarschijnlijk een vaste bezoeker van het café, waarbij het ging klikken tussen hem en Maria.

Hij ging na zijn huwelijk aan de slag als kastelein in het café, dat overigens nog steeds in bezit was van zijn schoonmoeder. Hij lijkt niettemin al snel de touwtjes in handen te hebben genomen, want hij nam in 1874 de ingrijpende beslissing tot de bouw van een nieuw café. Het kreeg als naam ‘ De Vriendschap’.

De hiervoor weergegeven kadasterkaart uit 1875 toont hoe het nieuwe pand, kadaster nummer 1341, er qua oppervlak uitzag: rechthoekig, getekend over de wat vaag aangegeven plattegrond van het afgebroken pand, dat verder van de weg was gelegen. Deze in 1874 gebouwde ‘De Vriendschap’ bestaat nog steeds, nu (in 2006) als café ‘Centraal’, Dorpsstraat 75, een pand met dus een geschiedenis van meer dan 130 jaar.

Links de doorrijstal en daarnaast café van Benthem.
Links de doorrijstal en daarnaast café van Benthem. Dorpsstraat 77, 75 in Castricum, 1908. Een doorrijstal was bij vele herbergen te vinden. Voor de doorrijstal zijn de tramrails zichtbaar. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Met de aanbouw in 1886 van een doorrijstal, een smal maar diep pand, dat in gereconstrueerde vorm nog (in 2006) bestaat als restaurant ‘Het Malhuis’, Dorpsstraat 77, speelde Van Benthem in op het toenemende verkeer langs de Rijksweg.

Interieur van de toneel- en concertzaal, die Bertus van Benthem in 1910 aan de achterzijde van zijn café liet aanbouwen.
Interieur van de toneel- en concertzaal, die Bertus van Benthem in 1910 aan de achterzijde van zijn café liet aanbouwen. Vele verenigingen maakten druk gebruik van de toneelzaal.

In 1903, het jaar dat Bertus van Benthem de leeftijd bereikte van 65 jaar, overleed zijn echtgenote Maria Res. Hoewel Bertus reeds enkele van zijn acht kinderen bij het beheer van zijn café had betrokken, was hij zelf nog de initiatiefnemer tot het bijbouwen van een toneel- en concertzaal aan de achterzijde van het cafépand. Hij kreeg de vergunning in maart 1910 en het bleek voor Castricum een belangrijke aanwinst, want deze nog bestaande zaal speelde lange tijd een grote rol in het sociale- en culturele leven van Castricum.

Toch waren er ook toen al bedenkingen, bijvoorbeeld in roomse kring. Men zag met lede ogen aan dat bij Van Benthem iedereen welkom was en men had op de pastorie zelfs vernomen dat katholieke jongens heel erg vriendschappelijk omgingen met protestantse meisjes. Daaraan moest een einde komen, zo meende de toenmalige


Jaarboek 29, pagina 44

pastoor Engering en op 1 januari 1911 liet hij het volgende aflezen: “Wij wijzen erop dat men op dorpsfeesten voorzichtig moet zijn met wie men omgaat. Als men met protestanten omgaat, kan dit tot een doodzonde worden gerekend!”

Wij ontlenen dit stukje geschiedenis aan de latere pastoor Voets, die in een periode rond 1975 veel over de geschiedenis van de Pancratiuskerk in het plaatselijk nieuwsblad heeft geschreven en daarbij in een van zijn artikelen afstand nam van genoemde en andere uitspraken van de streng in de leer zijnde pastoor Engering:
“Met het woord ‘doodzonde’ was men nogal gauw in die dagen. Gelukkig zijn we nu van die banvloek en banbliksems bevrijd.”

Bertus van Benthem overleed in 1919. Het cafébedrijf kwam nu in handen van ‘De Erven van Benthem’, waarover de oudste dochter, Hendrika (Riek) van Benthem, geboren in 1870, de scepter ging zwaaien. Q. de Ruijter schreef over deze periode in zijn beken de boek ‘ Schippers van het Stet’: “Aan de Dorpsstraat stond ook het café De Vriendschap, waar tante Riek (van Benthem) niet achter de tapkast was weg te denken en waarachter een toneelzaal was, waarin gedurende de wintermaanden vrijwel alle toneeluitvoeringen en concerten werden gegeven.”

Mies van Benthem voor het café van haar tante Riek.
Mies van Benthem voor het café van haar tante Riek. Dorpsstraat 75 in Castricum, 1931. Mies was de dochter van Antoon van Benthem en Bets Lute. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1929 trad Riek van Benthem, bijna 60 jaar, in Castricum in het huwelijk met een vooraanstaande Castricummer, de 65-jarige Pieter Twisk, waarna ze het cafébedrijf welletjes vond en het verkocht aan Nicolaas Stuijt (geen familie van notaris Stuyt van Dorpsstraat 1, over wie we in een vorig artikel over de Dorpsstraat hebben geschreven).

Nicolaas Stuijt startte zijn loopbaan als caféhouder voortvarend met het aanbouwen van een serre aan de toneelzaal en het realiseren van een lichtreclame. Maar reeds in 1933 kwam er een einde aan zijn ambities – het waarom is niet duidelijk – en noemt de VVV-Gids als nieuwe eigenaar van ‘De Vriendschap, v.h. Stuijt’, de naam Th. Jak.

We hebben getracht wat meer over hem te weten te komen en waarschijnlijk betreft het hier Theodorus Jak, in 1905 in Krommenie geboren en in 1932 gehuwd met Cornelia van Steen. Hoe dan ook, ook Jak hield het slechts korte tijd uit, want op 7 december 1935 vestigde zich Wilhelmus Theodorus (Willem) Beentjes vanuit Velsen op het adres Dorpsstraat 75.

Deze Willem Beentjes, in 1901 geboren in Velsen en in 1927 gehuwd met Helena Braam, was een eigenaar die vrij lang stand wist te houden, wat wijst op doorzettingsvermogen, dat in deze branche wel nodig was. Het echtpaar Beentjes bleef kinderloos. Over de vele activiteiten die Willem Beentjes ontplooide en die het belang van het café als een soort sociaal centrum in het dorp illustreren, werd regelmatig gepubliceerd in de plaatselijke krant: toneelvoorstellingen, muziekuitvoeringen, vergaderingen, recepties, feestavonden enzovoorts.

De indeling van het cafépand was in de loop der tijd nogal eens aan wijzigingen onderhevig, waarvan de details niet steeds even duidelijk zijn. Wel duidelijk is dat in de loop der tijd aan de linker voorzijde een apart zaaltje werd gesticht met een eigen ingang, wat goed zichtbaar is op latere foto’s. Deze ruimte werd voor vergaderingen en recepties benut, maar tijdens een periode voor de oorlog was er ook derooms-katholieke parochie-bibliotheek gevestigd. Veel oudere Castricummers weten dat nog wel.

Piet van Westen, actief in het onderwijs in Castricum en ook een bekende koordirigent, had daar toen het beheer over. De boeken waren allemaal bruin gekaft, hadden een nummer en waren opgeborgen in afgesloten boekenkasten. Op zondag, na de hoogmis, was de bibliotheek een paar uur open. Je kon dan een catalogus inkijken en moest tenminste 5 nummers opschrijven van de boeken die je wilde lenen. Meester van Westen keek dan na welke nummers er beschikbaar waren om uit te lenen. Later werd de bibliotheek ondergebracht bij Kees Stuifbergen, de koster van de parochie.

Foto van een tekening van café 'De Vriendschap' zoals die voorkomt in een destijds uitgegeven bordspel, het stoomtramspel, waaruit blijkt dat het café een halteplaats was voor de stoomtram.
Foto van een tekening van café ‘De Vriendschap’ zoals die voorkomt in een destijds uitgegeven bordspel, het stoomtramspel, waaruit blijkt dat het café een halteplaats was voor de stoomtram.

In januari 1948 meldde het Nieuwsblad voor Castricum en Omstreken: “Het welbekende cafébedrijf ‘De Vriendschap’ is van eigenaar veranderd en wordt thans geëxploiteerd door de heer Roozendaal uit Heerhugowaard.” De krant wenste hem veel succes.

Het betreffende pand kwam op 2 januari 1948 inderdaad in handen van Piet Roozendaal, geboren in 1908, die met zijn gezin verhuisde vanuit Heerhugowaard naar Castricum. Voor zijn komst exploiteerde hij een kleine kruidenierswinkel aan het Verlaat in Nieuwe Niedorp. Hij was gehuwd met Elisabeth Jonker en hun vijf dochters werden allen in Heerhugowaard geboren.

Bij de vestiging in Castricum was de jongste dochter Gerda 1,5 jaar. Zij woont thans nog in Castricum en had levendige herinneringen aan de omstandigheden waaronder zij opgroeide: “We woonden in een deel van het café aan de rechterkant, waar nu de snackbar is gevestigd. We sliepen boven, een duistere zolder onder hel puntdak, met slechts enkele kleine ramen,
ter grootte van een dakpan. Later is aan de achterkant een dakkapel aangebracht. Achter het café en de uitgebouwde toneelzaal was vroeger nog een tuin, waar mijn vader groente verbouwde en ook kippen hield. We keken daar uit op de loodsen van de firma Eierglorie. Achterlangs kon je ook heel gemakkelijk komen bij de smederij van Dorus de Groot aan de Schoolstraat, een prettige buur, die altijd klaarstond om bij problemen te helpen.”

Het café-restaurant van Piet Roozendaal, circa 1950.
Het café-restaurant van Piet Roozendaal, circa 1950. De vroegere open ‘waranda’ aan de voorzijde van hel café is dicht gebouwd tol een soort serre. Het opschrift boven het linkergedeelte van hel pand, met een afzonderlijke ingang luidt: Toneel – Dancing Vergaderzalen.

Piet Roozendaal was geen eigenaar van het café, maar hij pachtte het van de Amstelbrouwerij, die het in deze periode moet hebben opgekocht. Hiermee hangt waarschijnlijk samen dat hij direct na zijn vestiging vroeg om een vergunning voor de bouw van een bierkelder, die 15 mei 1948 werd verleend. Roozendaal hield de toneelzaal in bedrijf, maar verlegde het accent al dadelijk naar meer amusement in de vorm van dansavonden, waaraan de feestcultuur, die na de bevrijding was ontstaan, niet vreemd zal zijn geweest.

In april 1968 trok de toen 60-jarige Piet Roozendaal zich terug en


Jaarboek 29, pagina 45

vestigde zich in Heerhugowaard. De belangrijkste reden was, dat hij te kampen kreeg met gezondheidsproblemen. Volgens Gerda Roozendaal was het werk zeer belastend, men was alle dagen van de week open, van ’s morgens 9 uur tot ’s avonds 12 uur en bovendien schuwde Roozendaal een borreltje niet. Daarnaast kreeg hij te maken met personele problemen, want zijn dochters, die meehielpen in het café, traden achtereenvolgens in het huwelijk.

Het café bleef na zijn terugtreden voorlopig nog in handen van de Amstelbrouwerij. Exploitant werd nu Johannes Simon Albertus (Jan) Beentjes, een zoon van Cornelis Beentjes, bekend als ‘Zwarte Cor’ en eigenaar van het voormalige café-restaurant-hotelbedrijf Funadama, Dorpsstraat 2.

De lezer zal zich afvragen wat zijn relatie was met de hiervoor genoemde Willem Beentjes, die van 1935 tot 1948 het cafébedrijf exploiteerde. Er is verwantschap, maar die ligt volgens een publicatie over de genealogie van de familie Beentjes vele generaties terug. Het is dus toeval dat bij de exploitatie van het cafébedrijf twee maal een Beentjes was betrokken.

Jan Beentjes nam al dadelijk het initiatief tot een verbouwing van het café en de toneelzaal. Langs de achterwand van het café werd een grote bar gebouwd en tussen café en toneelzaal kwam een toegangshal tot stand met garderobe, toiletten en een keuken. Beentjes heropende het café na de verbouwing in 1969 als d’ Oude Schimmel.

Café Bar de Oude Schimmel.
Café Bar de Oude Schimmel. Dorpsstraat 75 in Castricum. Links de Doorrijstal die is veranderd in een opslagplaats voor hout en ijzer. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1971 en 1972 kreeg hij, zoals ook andere horecabedrijven in de Dorpsstraat, te maken met ongeregeldheden, waarbij jongeren van Ambonese afkomst waren betrokken en die in de plaatselijke pers breed werden uitgemeten. We komen krantenkoppen tegen als: “Onenigheid in d’ Oude Schimmel; Castricumse jongen door groep Ambonezen gemolesteerd; ruilen met tuinstoelen ingegooid.”

De krant roemde overigens het verstandig optreden bij de verschillende conflicten van eigenaar Beentjes, waardoor de schade beperkt bleef. Of deze problemen de aanleiding waren, weten we niet, maar al snel, in juli 1973, trok Jan Beentjes zich terug uit ‘d’ Oude Schimmel’ om eigenaar te worden van ‘Funadama’, welk bedrijf hij overnam van zijn vader.

De indruk bestaat dat na het vertrek van Beentjes het café wat in verval raakte. Er kwam meer aandacht voor een woonfunctie, want Johan de Ridder die zich in 1973 vanuit Venhuizen op Dorpsstraat 75 vestigde, kreeg in juni van dat jaar toestemming voor het (her)inrichten van een woongedeelte aan de rechterkant van het café, wat voor het uiterlijk vooral een aanpassing van de westgevel betekende.

Ondanks zijn ingreep in de bestemming van het pand vertrok Johan de Ridder alweer in juli 1975 naar Heerhugowaard. Verschillende personen worden sindsdien genoemd die zich korte tijd gevestigd hebben op Dorpsstraat 75, waarbij echter niet duidelijk is in hoeverre ze slechts bewoners waren of ook nog met het cafébedrijf te maken hadden.

Het restaurant 'De Speckkoper' omstreeks 1980 met het uithangbord dat door Jan Kossen werd ontworpen.
Het restaurant ‘De Speckkoper’ omstreeks 1980 met het uithangbord dat door Jan Kossen werd ontworpen.

In 1977 brak voor het cafébedrijf een nieuwe toekomst aan. Het Nieuwsblad voor Castricum berichtte hierover: “Het pand Dorpsstraat 75, beter bekend als d’ Oude Schimmel is in oude luister hersteld. Het pand is inmiddels op de monumentenlijst geplaatst. Nieuwe eigenaar is het echtpaar J. Kossen uit Schoorl. Zij streken 8 maanden geleden in het nieuwe bedrijf neer en hebben eerst de kat uit de boom gekeken alvorens met een verbouwingsplan te komen. Jan Kossen is tevens de chefkok. De verbouwingsplannen zijn in de gemeenteraad behandeld om op de normen van de Monumentencommissie te worden beoordeeld.”

Kossen doopte het restaurantgedeelte van zijn pand ‘De Speckkoper’, een naamgeving die suggereert dat hij streefde naar een ‘Oud-Hollandse’ uitstraling, wat ook blijkt uit een uithangbord dat hij ontwierp en waarvan restanten vandaag de dag nog (in 2006) aan de gevel aanwezig zijn.

Een café is van oudsher een plek voor ongeregeldheden en ook de exploitatie door Kossen verliep niet altijd even gladjes. Zo kreeg hij in 1980 te maken met een tijdelijke sluiting, verordend door de burgemeester, vanwege een schietpartij in zijn café in de nacht van 26 op 27 januari. Op 20 februari 1980 berichtte de plaatselijke krant: “Na een gedwongen sluiting van enkele weken opende eigenaar Jan Kossen het intern flink verbouwde etablissement. Er zal nu een betere controle op de veiligheid mogelijk zijn en ook zal met pasjes worden gewerkt. De sociëteit kreeg een nieuwe naam: De Pimpelaer.”

‘De Pimpelaer’, weer zo’n oude naamgeving, was gelokaliseerd in de voormalige toneelzaal, gelegen achter ‘De Speckkoper’. Na de periode Kossen, die eindigde in 1988, ontwikkelde ‘De Pimpelaer’ zich meer en meer tot een discotheek met een vooral jong publiek.

Foto uit 1995, waaruit blijkt dat het café Dorpsstraat 75 nu uit drie onderdelen bestaat: café 'Sam Sam', snackbar 'De Stoep '(in het voormalige woongedeelte) en danscafé 'Sands' (in de voormalige toneelzaal).
Foto uit 1995, waaruit blijkt dat het café Dorpsstraat 75 nu uit drie onderdelen bestaat: café ‘Sam Sam’, snackbar ‘De Stoep ‘(in het voormalige woongedeelte) en danscafé ‘Sands’ (in de voormalige toneelzaal).

Dat het cafégebeuren in de Dorpsstraat nogal eens voor onrust zorgde, ondervond ook de opvolger van Kossen, Hans Schaddenhorst. Die kreeg op zijn beurt in 1990 te maken met een gedwongen sluiting van zowel zijn café – inmiddels ‘Sam-Sam’ gedoopt – en de erachter gelegen discotheek ‘Sands’.


Jaarboek 29, pagina 46

Oorzaak was bet ingooien van een raam bij een plaatselijke fotozaak door een jongeman die in Sam-Sam 20 biertjes zou hebben genuttigd, wat overigens door Schaddenhorst werd betwijfeld.

Een incident dat niettemin de aandacht vestigde op een hoog alcoholgebruik onder jongeren, een probleem dat ook nu nog actueel is. Volgens de krant was Schaddenhorst ten einde raad. Hij schatte de schade van de sluiting op minstens 50.000 gulden en overwoog het opheffen van zijn zaak. Waarschijnlijk te veel misbaar, want zover kwam het niet en na twee weken werden café en discotheek weer geopend.

Het etablissement was sindsdien het middelpunt van vele ludieke evenementen, die in de tijd van Van Benthem en Roozendaal nog ondenkbaar zouden zijn geweest, zoals hiphop-parties, disco-nights, miss-verkiezingen en modderbadgevechten, waarmee het zich als de meest toonaangevende discotheek in Castricum en omgeving ging afficheren. Er werd veel reclame gemaakt en voor toegangskaartjes waren er zelfs verkooppunten in Amsterdam en Alkmaar.

Ondanks dit succes ging het bedrijf recent failliet. Er werd vervolgens een doorstart gemaakt, zodat het meer dan 130 jaar oude pand nu nog steeds als cafébedrijf bestaat. Het kan overigens wel eens de langste tijd hebben geduurd, want onder de titel ‘Gemeente bouwt volop’ publiceren de plaatselijke kranten tegenwoordig lijsten van locaties waar in Castricum mogelijk gebouwd zal gaan worden en daarbij wordt ook Dorpsstraat 75 genoemd als plek waar in de toekomst 25 zogenaamde starterswoningen kunnen worden gerealiseerd.

Restaurant Het Malhuis.
Restaurant Het Malhuis. Dorpsstraat 77 in Castricum, circa 2000. Collecie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Dorpsstraat 77 (in 2006 restaurant ‘Het Malhuis’)

Het huidige restaurant ‘Het Malhuis’, Dorpsstraat 77, is een vervolg van de doorrijstal die Bertus van Benthem in 1886 naast zijn café ‘ De Vriendschap’ liet bouwen.

Een doorrijstal was van oudsher een voorziening voor het wegvervoer per paard en wagen, waar de paarden konden worden verzorgd en eventueel worden gewisseld. De man met paard op de hiervoor weergegeven foto van café ‘De Vriendschap’ uit 1903 suggereert dat de aanbouw toen nog volop als paardenstal in bedrijf was. Niettemin is duidelijk dat dergelijke voorzieningen aan de weg voor paarden op den duur niet meer nodig waren en ging de doorrijstal van Van Benthem meer en meer fungeren als opslagplaats. In 1930 werd het pand in een bewonerslijst benoemd als ‘werkplaats’, maar van wie is niet duidelijk.

Meer duidelijkheid over het verdere lot van het pand is er met de komst in mei 1940 van de 30-jarige Hermanus Theodorus (Herman) Dijkman Dulkes. In Beverwijk was Herman werkzaam als timmerman. Hij kreeg verkering met Cornelia Gerritse, een verkering die vanwege de woningnood die er toen in de regio heerste, lange tijd een huwelijk in de weg stond.

Het kwam dan ook als een geschenk dat Herman de kans kreeg om zich in Castricum te vestigen, waar hij eindelijk in het huwelijk kon treden en voor zichzelf kon beginnen met een houthandel. Herman Dijkman Dulkes komt niet alleen naar voren als een harde werker, maar ook als een sociaal bewogen figuur, die bijvoorbeeld bij een bevrijdingsfeest in 1945 gratis klompen uitdeelde aan Castricumse kinderen.

Zijn gezin ging 7 kinderen tellen en dat betekende op den duur een uiterst krappe behuizing op een kleine bovenverdieping. De familie verhuisde dan ook in 1956 naar een veel ruimer pand, gebouwd in de Torenstraat (waar nu – in 2006 – supermarkt Deen is gevestigd), waar de hout- en ijzerhandel werd voortgezet en uitgroeide tot een doe-het-zelfzaak. De voormalige doorrijstal bleef overigens in handen van de familie Dijkman Dulkes en ging opnieuw fungeren als een soort opslagloods, terwijl de bovenwoning werd verhuurd. In het weekend deed het pand ook nog dienst als fietsenstalling voor bezoekers van het naastliggende café.

Omstreeks 1980 veranderde het van bestemming, want een lid van de familie, Ton Dijkman Dulkes, begon er een handel in sleutels en keukengereedschap, die hij toepasselijk ‘De Sleutel’ noemde. Ook was er nog korte tijd een kapper gevestigd.

De voormalige doorrijstal omstreeks 1987 na de verhuizing van firma 'De Sleutel 'naar de Torenstraat. Het pand, dat er verwaarloosd uitziet, stond toen leeg. De naam 'De Sleutel' is overgeplakt mei de mededeling 'Te Koop '.
De voormalige doorrijstal omstreeks 1987 na de verhuizing van firma ‘De Sleutel ‘naar de Torenstraat. Het pand, dat er verwaarloosd uitziet, stond toen leeg. De naam ‘De Sleutel’ is overgeplakt mei de mededeling ‘Te Koop ‘.

Het pand maakt volgens foto’s uit deze periode een verwaarloosde indruk, wat ook de eigenaren niet ontging, want zij vroegen in november 1983 vergunning voor een verbouw. De toestemming had nog wel wat voeten in de aarde, want hoewel men zich ervan bewust was dat de oude karakteristieke doorloopstal in het verleden reeds ernstig was verminkt, vonden leden van de Welstandscommissie het ingediende plan nauwelijks een verbetering omdat “meer wezensvreemde elementen zijn ingebracht”. Men verzocht B&W de architect te vragen om een meer bevredigend plan, waarbij het karakter van het gebouw behouden zou blijven. In januari 1984 werd de definitieve toestemming voor de verbouw gegeven.

Hiermee werd echter voorlopig nog geen aanvang gemaakt, wat voor de gemeente aanleiding was de toenmalige eigenaren van het pand, de gebroeders Dijkman Dulkes, in februari 1988 te confronteren met intrekking van de in 1984 afgegeven bouwvergunning.

Zij protesteerden hiertegen en verklaarden dat zij voornemens waren om de vergunning alsnog te effectueren. De vertraging in de uitvoering had in de eerste plaats te maken met het feit dat ze voorrang hadden gegeven aan de verbouw van hun pand aan de Torenstraat en een probleem vormde ook de bestemming van een te vernieuwen Dorpsstraat 77, want ‘De Sleutel’ was inmiddels verplaatst naar de Torenstraat en welke ondernemer zou belangstelling hebben om zich in het vernieuwde pand te vestigen?


Jaarboek 29, pagina 47

In 1989 werd door de firma T. Dijkman, gevestigd aan de Torenstraat, een nieuw plan ingediend voor de verbouw van de voormalige doorrijstal, dat weinig verschilde van het eerdere plan. Ook was er een bestemming voor het te vernieuwen pand gevonden in de persoon van M.H.A. El Magraby, die in april 1989 aan de gemeente vergunning vroeg om er een Grieks restaurant te vestigen.

Restaurant Athene.
Restaurant Athene. Dorpsstraat 77 in Castricum, 1991. Voorheen een oude doorrijstal. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Niets stond nu meer de realisatie van het plan in de weg, want zelfs de Welstandscommissie was positief: “Het pandstaat al enkele jaren leeg en verkeert in een vervallen toestand. Door daarin een horecabedrijf toe te laten zal het perceel naar onze mening een zinvolle bestemming krijgen en het aanzien van de Dorpsstraat in dat gedeelte verbeteren.”

De verbouw werd nu voortvarend ter hand genomen en kwam volgens de opdrachtgevers vrijwel neer op nieuwbouw. In de vormgeving zijn nog duidelijk elementen te herkennen van de oorspronkelijke doorrijstal. Op de begane grond werd ruimte voor het Griekse restaurant gecreëerd, dat in 1990 opende onder de naam ‘Athene’, terwijl op de bovenverdieping een comfortabele woning tot stand kwam.

Het Griekse restaurant heeft slechts korte tijd bestaan, want in 1992 maakte het plaats voor Argentijns restaurant ‘La Estancia’, wat overigens slechts een verandering schijnt te zijn geweest van ‘formule’ door dezelfde Egyptische uitbaters.

Restaurant 'Het Theater', in 1996 gevestigd in de in 1989/1990 herbouwde voormalige doorrijstal, Dorpsstraat 77. Ten opzichte van de oude situatie oogt het pand veel fraaier; zonder dat het oorspronkelijke karakter al te zeer is aangetast.
Restaurant ‘Het Theater’, in 1996 gevestigd in de in 1989-1990 herbouwde voormalige doorrijstal, Dorpsstraat 77. Ten opzichte van de oude situatie oogt het pand veel fraaier; zonder dat het oorspronkelijke karakter al te zeer is aangetast.

Alweer in 1996 werd het Argentijnse restaurant opgevolgd door restaurant ‘Het Theater’, dat het er vrij lang uithield. Recent (gerekend vanaf 2006) ging dit restaurant niettemin over in andere handen en zette het zijn bestaan voort onder de naam ‘Het Malhuis’.

Slagerij Schipper.
Slagerij Schipper. Dorpsstraat 79 in Castricum, 2005. Foto M. Sneijder. Toegevoegd.

Dorpsstraat 79 (nu ‘Schipper’s ambachtelijke slagerij’)

Het pand Dorpsstraat 79, waar nu slagerij Schipper is gehuisvest, werd in 1901 gebouwd door de uit Limmen afkomstige Jacobus de Nijs, van beroep metselaar en de grondlegger van het latere bouwbedrijf ‘De Nijs BV’ in Castricum. De Nijs verkocht het kort na de bouw, in 1903, aan Pieter van Eck, een in Beverwijk woonachtige slager, die het pand kocht voor zijn schoonzoon, de in 1904 met zijn dochter Wilhelmina getrouwde Hendrik van der Woude, die daarmee in de gelegenheid werd gesteld er een slagerswinkel te beginnen. Aanvankelijk huurde Hendrik het pand van zijn schoonvader, maar in 1908 beschikte hij over de middelen om het winkelpand te kopen.

Slagerij van der Woude.
Slagerij van der Woude. Dorpsstraat 79 in Castricum, 1934. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Bijna 30 jaar was Hendrik van der Woude met zijn slagerij aan de Dorpsstraat gevestigd, tot 1934, toen zijn enige zoon, de 26-jarige Pieter (Piet) van der Woude, in dat jaar gehuwd met Trijntje ten Walde, zich aandiende als opvolger. We mogen aannemen dat deze Piet van der Woude zijn vader in de slagerij reeds geruime tijd had geassisteerd en daarbij de ervaring had opgedaan om in december 1932 zijn vakdiploma te behalen aan de Eerste Nederlandse Slagersschool te Utrecht.
Hij betrok het winkelhuis Dorpsstraat 79 en zijn 56-jarige vader verhuisde naar Dorpsstraat 32.

In 1936 en 1937 werd het gezin van Piet van der Woude verblijd met de geboorte van Hendrik en Huibert van der Woude. Zij zijn nog steeds (in 2006) in leven en hoewel zij al geruime tijd niet meer woonachtig zijn in Castricum, hebben ze nog veel herinneringen aan het slagersbedrijf van hun vader.
Beiden zijn niet in het slagersvak terechtgekomen, maar moesten in hun jonge jaren wel meehelpen in de slagerij, zoals bij het niet zeer geliefde ‘darmen krabben’ voor de worstmakerij.

Deze foto uit 1905 toont Hendrik van der Woude voor zijn slagerswinkel met in de deuropening zijn vrouw Wilhelmina van Eck en haar dochtertje Jacoba. Winkelopschrift: Vleeschhouwer en Spekslager.
Deze foto uit 1905 toont Hendrik van der Woude voor zijn slagerswinkel met in de deuropening zijn vrouw Wilhelmina van Eck en haar dochtertje Jacoba. Winkelopschrift: Vleeschhouwer en Spekslager.

Vanaf de straatzijde gezien was in het linkergedeelte van het pand de winkel gevestigd. Op een foto uit 1905 zien we rechts een deur, die toegang gaf tot een steeg van waaruit men het woongedeelte kon bereiken. De families Van der Woude en Admiraal, de slager die verderop in de Dorpsstraat was gevestigd, werkten een lange periode intensief samen. Zo bezaten ze gezamenlijk weiland in de Castricummer polder, waar de koeien graasden die in eigen beheer, zo ging dat toen nog, werden geslacht. Later werd het weiland, nog steeds eigendom van de beide families, verpacht.

In de oorlog werd het gezin Van der Woude een evacuatie bespaard, maar de slagerij kreeg het in een tijd dat vrijwel alle levensmiddelen gedistribueerd waren, uiteraard wel moeilijk. Piet van der Woude, en met hem zijn Castricumse collega’s, trachtten in deze periode het hoofd boven water te houden door clandestien te slachten, wat spannende momenten opleverde. Het gebeurde name!ijk op de vreemdste plaatsen, zoals in een ruimte onder de toneelzaal van het naastgelegen café Beentjes.

Na de oorlog adverteerde Piet van der Woude met de tekst: “Er is toch niet vergeten dat v.d. Woude voor de oorlog de beste kwaliteit leverde,” waaraan hij dus had kunnen toevoegen “ook in de oorlog”.

Begin 1947 zien we in de plaatselijke krant nog steeds advertenties van slagerij Van der Woude, maar niettemin trok hij zich in dat jaar


Jaarboek 29, pagina 48

terug uit het slagersvak om vanuit Castricum (Geelvinckstraat) als forens in Amsterdam te gaan werken in de meubelhandel.

Dat betekende wellicht ook een verlies voor het voetbal in Castricum, want in een ludiek wedstrijdverslag in de plaatselijke krant van een veteranenwedstrijd van CSV tegen Go Ahead Alkmaar in juli 1947 komen we de observatie tegen: “Ex-slager Van der Woude, een gevaarlijk heer overigens, sprintte alsof hij een ontsnapte koe achter zijn vodden zat en flitste, ver buiten het bereik zijner voorhoede, in het veld terug. Overigens zonder succes.”

In juni 1947, betrekkelijk kort na de oorlog, vestigde zich op Dorpsstraat 79 vanuit Jutphaas de 30-jarige Jan Staal, die het slagersbedrijf van Piet van der Woude overnam. Het winkelpand werd aanvankelijk door Staal, volgens wat een goed gebruik schijnt te zijn geweest, voor 10 jaar gepacht en daarna gekocht.

Voor hij naar Castricum kwam, was Jan Staal werkzaam geweest in Baarn, waar hij volgens de overlevering, hoewel slechts slagersknecht, alle toenmalige leden van de koninklijke familie had leren kennen.

Met de wens om kort na zijn huwelijk met Mathilda van Leeuwen een eigen bedrijf te beginnen, had hij uit advertenties in het slagersvakblad een lijst samengesteld van interessante aanbiedingen. Hij was een fanatieke motorrijder en raasde vervolgens, met zijn vrouw achterop, de verschillende locaties af. Het was mevrouw Staal die uiteindelijk de keus bepaalde op Castricum, dat als kustplaats en vanwege de prachtige omgeving de meeste indruk op haar had gemaakt.

Evenals andere Castricumse middenstanders ging Jan Staal zijn producten ook verkopen op de Camping Bakkum, waar een uit de oorlog daterende bunker werd ingericht tot slagerswinkel, omdat het er, zelfs bij warm weer, redelijk koel bleef.

Staal vond de behuizing van zijn gezin in het bescheiden winkelpand op den duur te weinig comfortabel en daarom kocht hij in 1960 van de erfgenamen Stuyt de riante villa Dorpsstraat 1 om er met zijn vrouw en twee kinderen te gaan wonen.

Gekwalificeerd personeel om in de slagerswinkel te helpen, was in Castricum niet steeds gemakkelijk te vinden en Staal adverteerde elders in het land om personeel te werven. Voor huisvesting stelde hij de vrijgekomen verdieping boven de slagerij ter beschikking en de bewonerskaart van het pand telt een hele rij namen van personen die daar hebben gewoond en voor korte of lange tijd in de slagerij hebben gewerkt.

Mevrouw Staal keek op de periode na de verhuizing overigens met gemengde gevoelens terug, want “ik kreeg het alleen maar drukker”. De tijdelijke krachten die meehielpen in de winkel, waren weliswaar boven de slagerij gehuisvest, maar ze kwamen voor hun maaltijden vrijwel elke dag naar Dorpsstraat 1, “het leek wel een restaurant”.

Jan Staal pleegde verschillende verbouwingen aan zijn pand. In 1959 werd de winkel vergroot en kwam er een koelcel. In 1961 werd de voorgevel onderhanden genomen en kreeg het pand zijn huidige vorm.

Bouwtekening uit 1976, die een impressie geeft van drie nog bestaande 'historische' panden in de Dorpsstraat. Rechts: café Centraal, gebouwd in 1874. Midden: de in 1989/1990, in 'oude stijl'gerestaureerde doorrijstal, die dateerde uit 1886 en links het in 1901 gebouwde pand, waar nu slagerij Schipper is gevestigd.
Bouwtekening uit 1976, die een impressie geeft van drie nog bestaande ‘historische’ panden in de Dorpsstraat. Rechts: café Centraal, gebouwd in 1874. Midden: de in 1989-1990, in ‘oude stijl’ gerestaureerde doorrijstal, die dateerde uit 1886 en links het in 1901 gebouwde pand, waar nu slagerij Schipper is gevestigd.

In 1971 hield Jan Staal het voor gezien en kwam het slagersbedrijf in handen van Cees Schipper, zoon van een slager in Opmeer. Hij werd in 1993 opgevolgd door zijn zoon Jacco Schipper, die te midden van de concurrentie nog steeds de slagerswinkel op Dorpsstraat 79 in stand heeft weten te houden.

Videoland en Alma creations.
Videoland en Alma creations. Dorpsstraat 81 in Castricum, 2005. Foto M. Sneijder. Toegevoegd.

Dorpsstraat 81 (‘Alma Creations’ en ‘Videoland’)

Op ongeveer de plaats waar nu een grootschalig wooncomplex is gevestigd met op de begane grond de winkels ‘Alma Creations’ en ‘Videoland’, toont de kadasterkaart uit 1822 een reeds vrij omvangrijk pand met kadasternummer B386.

Wat de ouderdom betreft blijkt uit archiefstukken dat het reeds voor 1813 bestond en toen eigendom was van de alhier woonachtige Willem Dirkszoon Duijn. Dit bezit van Duijn wordt omschreven als een ‘huis met erf’ en het nog onbebouwde land tot aan de Cieweg als een ‘boomgaard’.

In 1813 werden de bezittingen van Duijn gekocht door de 45-jarige Fulps Ranke, een Castricummer, die we reeds eerder vanwege zijn bezittingen in dit deel van de Dorpsstraat tegenkwamen en die wordt aangeduid als meester-metselaar, steenkoper en aannemer. Fulps Ranke nam het pand in gebruik als woning en gaf het de naam ‘Bouwlust’.

In 1830 noemt het bevolkingsregister als bewoners: Fulps Ranke, 62 jaar; Aaltje Dekker, echtgenote, 64 jaar; Jan Duijn, kleinzoon, 15 jaar; Jan Verduijn, boerenknecht, 40 jaar en Wilhelmina Enke, werkbode, 20 jaar. Een dergelijk huishouden wijst op welstand en inderdaad was Fulps Ranke in deze periode in heel goede doen, want hij bezat ruim 50 hectare land en circa 10 huizen.

Fulps Ranke kwam in 1835 te overlijden en zijn gehele bezit liet hij na aan zijn enige kind en dochter Grietje Ranke. Zij en haar echtgenoot Arie Duijn overleden beiden in 1857, waarna de erfgenamen de ‘huismanswoning’ Bouwlust verkochten aan de 41-jarige Pieter Liefting, een landbouwer en schelpenvisser.

De boerderij Dorpsstraat 81, kort voor de sloop in 1971, maar nog bewoond. Opschrift op de gevel: 'Breng hier Uw Oud Papier'.
De boerderij Dorpsstraat 81, kort voor de sloop in 1971, maar nog bewoond. Opschrift op de gevel: ‘Breng hier Uw Oud Papier’.

Pieter Liefting ging er wonen met zijn vrouw Willemijntje Stuifbergen en hun drie kinderen. Het pand en de bijbehorende grond bleven nog lang in het bezit van de familie Liefting. Het lijkt overigens wel of er een noodlot op het pand rustte, want zowel Pieter Liefting als zijn echtgenote overleden in hetzelfde jaar, 1895, net als hun beide voorgangers in 1857.

Het pand bleef in de familie en werd overgenomen door zoon Jacob Liefting, een veehandelaar. Het meer dan 80 jaar oude pand zal in een slechte conditie hebben verkeerd, want Jacob nam nog in hetzelfde jaar ( 1895) de drastische beslissing ‘Bouwlust’ te slopen, om plaats te maken voor een nieuwe boerderij met dezelfde naam, met een kleiner oppervlak en dichter naar de weg gelegen.

Jacob Liefting zou volgens de overlevering in agrarische kringen destijds een bekende figuur zijn geweest, die als veehandelaar groot vertrouwen genoot van de boeren. Hij bleef tot 1930, het jaar van zijn overlijden, eigenaar en bewoner van zijn nieuwe boerderij. Er zijn geen aanwijzingen dat tijdens zijn leven het pand nog belangrijke veranderingen onderging. De erfenis van Jacob Liefting, die ongehuwd bleef, was een ingewikkelde zaak.


Jaarboek 29, pagina 49

Bij testament had hij tot zijn erfgenamen benoemd zijn huisgenote Wilhelmina de Groot en de afstammelingen van wijlen zijn broers Jan en Willem Liefting. Volgens een akte uit 1930 waren er, toen het tot verkoop van de bezittingen kwam, niet minder dan 16 erfgenamen in het spel.

Gert Bos en Trijntje Sentveld.
Gert Bos en Trijntje Sentveld. Dorpsstraat 81 in Castricum, 1970. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Koper van Bouwlust was Gerardus (Gerrit) Bos, vrachtrijder te Castricum, die 5.500 gulden betaalde. In 1971, aan de vooravond van de sloop van zijn pand, vertelde de 68-jarige naar Egmond verhuisde Gerrit Bos in ‘Het Nieuwsblad voor Castricum en Omgeving’ een en ander over zijn leven. De krant noemde hem bij deze gelegenheid een karakteristiek figuur, bekend van het ‘Liefdewerk Oud Papier’, die men overal in het dorp op zijn bakfiets kon tegengekomen.

Bos herinnerde zich nog als de dag van gisteren dat hij op 15 mei 1930 (zijn trouwdag) de boerderij betrok. Het omringende land had hij er niet bijgekocht, dat had hij niet nodig.

Voor de oorlog reed hij vracht met paard en wagen, maar in de oorlog kon hij dit niet volhouden en ging hij schillen en papier ophalen. In 1946 kreeg hij vergunning voor het oprichten van een bergplaats voor wagens en landbouwmateriaal achter zijn woning. Deze werd vooral gebruikt als fietsenstalling voor bezoekers van het nabijgelegen café ‘De Vriendschap’.

Hij was getrouwd met de uit Egmond-Binnen afkomstige Catharina Sentveld. Het echtpaar kreeg geen kinderen en het is dan ook begrijpelijk dat Gerrit, wiens handel een vrij minimaal bestaan zal hebben geboden, de extra ruimte in de boerderij ten gelde ging maken door verhuur. In 1934 kwamen de eerste huurders.

In het archief van Bouw- en Woningtoezicht werd het pand sindsdien omschreven als ‘meergezinshuis’. Een zekere Theodorus Sneekes, die in 1971 , kort voor de sloop, als een soort kraakwacht het inmiddels leegstaande pand bewoonde, herinnert zich dat voor zijn komst Gerrit Bos en zijn vrouw in het rechtergedeelte van het pand waren gehuisvest en dat in het linkergedeelte een man met een houten been woonde. Dit was Willem Baars, een karakteristiek figuur die bij een ongeluk onder de tram kwam en een been verloor.

Het robuuste winkel- en appartementsgebouw dat in 1972 gereed kwam.
Het robuuste winkel- en appartementsgebouw dat in 1972 gereed kwam.

Op 29 mei 1970 verkocht Gerardus Bos zijn boerderij aan aannemer Cornelis Gerardus de Nijs. Bos vertrok met zijn vrouw naar Egmond-Binnen, waar veel familie woonde.

De oude boerderij naderde nu zijn einde, waarover de plaatselijke krant in juni 1971 schreef: “Makelaar Kuys deelde mede, dat aannemer De Nijs plannen heeft om het na de sloop vrijgekomen terrein te gaan bebouwen. Hij wilde nog niets over de plannen meedelen, maar er wordt gefluisterd dat men denkt aan een tweetal winkelpanden met daarop wellicht een achttal 3-kamerflats. Hoewel nog niets definitief is, heeft men nu reeds tot afbraak besloten van de reeds geruime tijd leegstaande boerderij, om te voorkomen dat de boerderij ten prooi valt aan lieden, die er niet thuishoren”.

Nog in 1971 werd de boerderij inderdaad gesloopt en startte Cornelis de Nijs de bouw van het robuuste winkelpand met acht bovenwoningen dat er nu nog staat.

Appartementen met daaronder Supermarkt B&W.
Appartementen met daaronder Supermarkt B&W. Dorpsstraat 81 in Castricum, 1985. B&W is later verhuisd naar de Torenstraat 4. Foto Wil v.d. Leygraaf. Toegevoegd.

Kort na de bouw betrok supermarkt B&W het winkelgedeelte. Dit bedrijf verhuisde alweer in 1984 naar een andere locatie, waarna de winkel werd opgesplitst in twee afzonderlijke winkelpanden, genummerd 81 en 81a. De acht bovenwoningen kregen de nummers 81b t/m 81i.

De exacte geschiedenis van de beide winkelpanden hebben we verder niet in detail uitgezocht. Op 81 was onder andere gevestigd ‘Tapijtland’, opgevolgd door woningstofferingszaak ‘Alma’, welke zaak we er nog steeds aantreffen onder de naam ‘Alma Creations’. Op 81a is nog steeds (in 2006) ‘Videoland’ gevestigd, een honkvast bedrijf.

Foto uit 1929, met als eerste pand rechts het in 1919 gebouwde woonhuis, dat later het nummer D0rpsstraat 83 kreeg. In het pand ernaast, was bakkerij Van Zilt gevestigd.
Foto uit 1929, met als eerste pand rechts het in 1919 gebouwde woonhuis, dat later het nummer D0rpsstraat 83 kreeg. In het pand ernaast, was bakkerij Van Zilt gevestigd.

Dorpsstraat 83 (nu woonhuis)

We bespraken hiervoor de geschiedenis van café ‘De Vriendschap’ en noemden daarbij Riek van Benthem, die na de dood van haar vader in 1919, voor wat betreft de exploitatie van het café de touwtjes in handen nam. Haar huwelijk op bijna 60-jarige leeftijd met Pieter Twisk vormde de aanleiding om haar café-loopbaan op te geven. De intensieve werkzaamheden in een café stonden kennelijk een huwelijk op jongere leeftijd in de weg.

Want het is opvallend dat haar zuster Theodora (Door) van Benthem ook pas op de gevorderde leeftijd van 43 jaar, kort na het overlijden van haar vader, in het huwelijk trad met de 58-jarige weduwnaar Willem Dekker, afkomstig uit Andijk.

In 1919, kort voor zijn huwelijk, liet Willem Dekker op nog braakliggend land, dat toebehoorde aan de bloemkweker Gerrit Heere, een woonhuis bouwen op de plaats van het huidige pand aan de Dorpsstraat 83. Door van Benthem overleed in 1931. Willem Dekker verbleef nog enkele jaren in zijn woning. In 1935 vertrok hij naar Utrecht, waar hij voor de derde keer in het huwelijk trad, nu met Geertruida Mettes. In 1954 overleed hij op hoge leeftijd in Amersfoort.

Willem Dekker bleef na zijn vertrek uit Castricum nog wel eigenaar van het woonhuis en ging het verhuren. In 1938 meldden zich


Jaarboek 29, pagina 50

als huurders Hendrikus Johannes (Henk) Zandbergen en zijn vrouw Catharina Rijpstra. Beiden werkten op Duin en Bosch, Henk als chef van de wasserij. Zijn gezin telde drie kinderen, waarvan de jongste, Johannes Mattheus (Joop) Zandbergen, voor kapper leerde in de zaak van Bertuss Stuifbergen (‘Kleine Bertus’), gelegen aan de Dorpsstraat tegenover de rooms-katholieke kerk.

Na het overlijden van de kapper Joop Zandbergen op 26 juni 1945 werd het pand in 1948 verhuurd aan Johannes (Jan) Stam en zijn echtgenote Afra de Groen.
Na het overlijden van de kapper Joop Zandbergen op 26 juni 1945 werd het pand in 1948 verhuurd aan Johannes (Jan) Stam en zijn echtgenote Afra de Groen. Dorpsstraat 83 in Castricum, 1955. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1939 besloot Joop Zandbergen voor zichzelf te beginnen, waartoe hij het woonhuis Dorpsstraat 83 aankocht. Nog in hetzelfde jaar kreeg hij vergunning voor een verbouw van de benedenverdieping tot kapperswinkel, wat er op neer kwam dat in het linkergedeelte van de begane grond, vanaf de straatzijde gezien, de kapsalon werd gevestigd. Zijn ouders verhuisden naar de Mient.

Het gedeelte van de Dorpsstraat waar de kapsalon was gevestigd, viel klaarblijkelijk niet onder de evacuatiemaatregelen van de bezetter, want Joop kon tijdens de oorlog zijn beroep blijven uitoefenen. Wel raakte hij betrokken bij een verzetsgroep, waarin de toenmalige Castricumse arts Van Nievelt een belangrijke rol speelde.

Op 14 juni 1945 publiceerde het uit de illegaliteit voortgekomen plaatselijke blad ‘Strijd en Nieuwsblad voor Castricum, Limmen en Uitgeest’, dat de meeste leden van de na de oorlog naar buiten getreden Binnenlandse Strijdkrachten (BS) zouden afzwaaien, met uitzondering van een klein gedeelte van deze groep, dat had getekend voor een langer verband als oorlogsvrijwilliger, waartoe de opleiding zou plaatsvinden in Beverwijk. Tot deze vrijwilligers behoorde het BS-lid Joop Zandbergen.

Hoe hij zijn activiteiten, hij was schietinstructeur, dacht te combineren met zijn kapperszaak, zal nooit duidelijk worden, want bij oefeningen in Beverwijk kwam hij op 26 juni 1945 te overlijden als gevolg van een incident met een schietwapen. Zijn begrafenis in Castricum werd door veel mensen bijgewoond. Voor zijn woning stond onder andere een detachement van 50 oorlogsvrijwilligers opgesteld. Hij werd bijgeschreven op een gedenksteen in de rooms-katholieke kerk van plaatselijke gevallenen in de tweede wereldoorlog.

De begrafenis van Joop Zandbergen, die kort na de oorlog het slachtoffer werd van een schietincident. De koets staat opgesteld voor zijn kapsalon. Rechts een erewacht van oorlogsvrijwilligers.
De begrafenis van Joop Zandbergen, die kort na de oorlog het slachtoffer werd van een schietincident. De koets staat opgesteld voor zijn kapsalon. Rechts een erewacht van oorlogsvrijwilligers.

Met sociale voorzieningen was het in die tijd nog niet al te best gesteld. Men mocht dan een verzetsheld zijn, maar dat leverde voor de nabestaanden nauwelijks inkomsten op en de weduwe Zandbergen moest de kapsalon voortzetten om toch enige inkomsten te verwerven. Zij slaagde hier aanvankelijk in door personeel in te huren en inwoning te bieden.

In 1948 zag zij zich genoodzaakt het gehele pand te verhuren en vertrok zij met haar drie kinderen naar de Van Ginhovenstraat. Huurder was de nog jonge kapper Johannes (Jan) Stam, die er zich vestigde met zijn echtgenote Afra de Groen, met wie hij in 1946 in Castricum was getrouwd. Wellicht vestigde hij een duurrecord onder de middenstand van Castricum, want hij wist het met zijn kappersbedrijf ruim 40 jaar in de Dorpsstraat vol te houden.

Overigens was de verhouding tussen Stam als huurder en de weduwe Zandbergen als verhuurder niet steeds optimaal. Het was voor de weduwe Zandbergen een uitkomst dat er omstreeks 1960 een einde kwam aan de problemen, want Stam kocht het pand.

Hij kon nu zelf het lot van zijn pand in handen nemen, waarvan wel duidelijk was dat het te krap was geworden om zijn gezin, dat tien kinderen was gaan tellen, enigszins comfortabel te huisvesten. In 1962 kreeg hij dan ook vergunning voor een grondige verbouw van de woon- en winkelruimte, waarbij het pand ontstond zoals dat nu nog bestaat.

Foto van 'Het Spoelhuis', Dorpsstraat 83, waarschijnlijk kort na de opening in 1992.
Foto van ‘Het Spoelhuis’, Dorpsstraat 83, waarschijnlijk kort na de opening in 1992.

De benedenverdieping toont nog overeenkomsten met de oude situatie, een middeningang met aan weerszijden etalages, waar vroeger ramen van het woonhuis waren gevestigd. De bovenverdieping onder een schuin dak werd geheel vervangen door een tweede woonlaag.

In 1989 stopten Jan en Afra Stam met de zaak en verhuisden naar


Jaarboek 29, pagina 51

Compaanhof. Het pand stond daarna enige tijd leeg tot het in 1992 werd gekocht door de familie Poel, die er een winkel in kinderspeelgoed begon, eerst onder de naam ‘Het Spoelhuis’ en later als ‘le petit pingouin atelier’.
De winkel bestaat inmiddels niet meer en de ruimte werd door de familie Poel betrokken bij het woonhuis.

RFH Hairdressers.
RFH Hairdressers. Dorpsstraat 85 in Castricum, 2005. Foto M. Sneijder. Toegevoegd.

Dorpsstraat 85 (‘RFH Hairdressers’)

De kadasterkaart uit 1822 toont nog geen enkele bebouwing van het perceel B384, grenzend aan de Dorpsstraat en Cieweg, waar veel later het huidige pand Dorpsstraat 85 zou verrijzen.

Het wordt in 1830 een boomgaard genoemd, in het bezit van de metselaar en aannemer Fulps Ranke, die in Castricum veel bezittingen had en die, zoals we hiervoor hebben besproken, in die periode huize ‘Bouwlust’ op het naastliggende perceel bewoonde. De boomgaard bleef nog lang in het bezit van de familie Ranke.

Een kadasterkaart uit 1898 toont voor het eerst bebouwing, een pand gelegen op de hoek Dorpsstraat-Cieweg, waarvan als stichter wordt genoemd Cornelis Heddes, een in 1855 in Spanbroek geboren veehouder, die de grond van nazaten van de familie Ranke had gekocht.

Deze Cornelis Heddes was getrouwd met Neeltje Zuurbier en zijn drie dochters werden allen in Spanbroek geboren. Wat de achterliggende motieven voor de bouw van een nieuw pand zijn, kan uit archiefgegevens niet altijd worden opgemaakt en zo ook in deze situatie. Er zijn geen aanwijzingen dat Cornelis Heddes en familieleden het pand in Castricum hebben bewoond.

Het pand kwam al vrijwel direct na de bouw in handen van ene Tamis Ruiter en echtgenote Neeltje Duijves, met wie Tamis in 1897 in Oudkarspel was getrouwd. Het is niet onwaarschijnlijk dat Cornelis Heddes het pand voor Neeltje Duijves, die evenals Cornelis veehoudster was, en haar echtgenoot Tamis Ruiter liet bouwen. Er lijkt in ieder geval een nauwe band tussen Cornelis Heddes en de familie Ruiter te hebben bestaan, want in 1913 trouwde hij, voor de tweede maal, met Catharina Ruiter, een zuster van Tamis Ruiter.

Tamis was reeds op 18-jarige leeftijd uit Egmond naar Castricum gekomen om er te werken als knecht in een bakkerij. Na zijn huwelijk begon hij dus voor zichzelf in het van Cornelis Heddes verworven pand.

Reeds in 1899 verhuisde Tamis Ruiter met zijn echtgenote naar de Duinderbuurt en wordt als beroep van Tamis landbouwer genoemd. De bakkerij kreeg nu een nieuwe eigenaar in de persoon van Cornelis Boots, een koek-, banket- en broodbakker, die kort voor zijn komst naar Castricum was getrouwd met Anna Schuijt. Er zullen geen Castricummers meer zijn die nog herinneringen hebben aan bakker Boots, want hij verbleef niet lang in Castricum en vertrok in 1912 met zijn gezin naar Alkmaar.

Foto ca. 1905: Pand midden is het postkantoor van Jacob Res (nr 87); helemaal rechts bakkerij Cornelis Boots gebouwd in 1898.
Foto uit circa 1905: Pand midden is het postkantoor van Jacob Res (nummer 87); helemaal rechts bakkerij Cornelis Boots, gebouwd in 1898.

Het pand werd nog in hetzelfde jaar gekocht door Simon van Zilt, die met zijn echtgenote Cornelia Latjes het bakkersbedrijf voortzette. Hij kwam uit Amsterdam, waar hij als bakkersknecht werkzaam was geweest.

Jan van Zilt (rechts) met zijn vriend Wijnand Borst in hun zondagse pak in de Dorpsstraat.
Jan van Zilt (rechts) met zijn vriend Wijnand Borst in hun zondagse pak in de Dorpsstraat.

In 1929 kreeg Van Zilt vergunning voor de verbouw van zijn pand, waarbij de voorgevel een wijziging onderging door het plaatsen van een winkelraam met kozijn aan de linkerkant. Ook kwamen er twee dakkapellen. De nieuwe etalage is te onderscheiden op de hiervoor geplaatste foto, die een doorkijk geeft van de Dorpsstraat in 1929.

Het appartementencomplex Dorpsstraat 81 is in aanbouw. Kapper Stam werkt en woont op nummer 85 en daarnaast is de voormalige bakkerij van bakker van Zilt.
Het appartementencomplex Dorpsstraat 81 is in aanbouw. Kapper Stam werkt en woont op nummer 85 en daarnaast is de voormalige bakkerij van bakker van Zilt. Dorpsstraat 83 en 85 in Castricum, 1972. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1941 verhuisde Simon van Zilt met echtgenote naar de Nuhout van der Veenstraat en werd het bakkersbedrijf voortgezet door zoon Johannes Hendrikus (Jan) van Zilt en zijn vrouw Geertruda Stuifbergen. Ook in de oorlog, zoals blijkt uit een advertentie in de plaatselijk krant in mei 1945: “Voor de oorlog en in de oorlog hebben wij u zo goed mogelijk bediend … nu hopen wij u weer zo gauw mogelijk ons wittebrood en krentenbrood te bezorgen.”

Een dochter van Jan van Zilt vertelde ons nog een en ander over het bakkersbedrijf. De bakkerij was gevestigd in het achterste gedeelte van het pand en aan de voorkant was de winkel. Haar vader stookte de oven aanvankelijk nog met takkenbossen, maar later kwam er een gasoven. Omstreeks 1962 stopte Jan van Zilt, mogelijk om gezondheidsredenen, met het zelf bakken van brood en kocht hij het in. Zijn brood en dergelijke werd niet alleen verkocht in de winkel maar ook uitgevent met een bakfiets, waarbij zijn zoons meehielpen.

Jan van Zilt kwam jong te overlijden, in augustus 1969. Hij werd 56 jaar. Zijn echtgenote bleef aanvankelijk nog op Dorpsstraat 85 wonen en ging het winkelgedeelte verhuren. Eerste huurder was, voorzover we konden nagaan, Paulien Jaspers-Hoffman, die er Pauliens Boutique begon, een zaak die bekendheid kreeg om haar modieuze dameskleding, die Paulien tot in Parijs inkocht.

De weduwe Van Zilt verliet het pand in 1972 om elders in de Dorpsstraat te gaan wonen.

In 1973 komen we als huurder tegen ene R. Dijkstra, een inwoner van Castricum, die nog in hetzelfde jaar vergunning vroeg om de


Jaarboek 29, pagina 52

voorgevel te verbouwen. Bouw en Woningtoezicht ging aanvankelijk niet akkoord, maar na enige discussie kwam Dijkstra met een aanvaardbare oplossing. Zijn bedoeling was, zoals uit bouwtekeningen blijkt, dat in het pand een tweede winkel zou komen, waar hij een fotozaak wilde beginnen.

De verbouw van de voorgevel van het pand Dorpsstraat 85, zoals die in 1973 werd doorgevoerd. Het aanbrengen van een tweede toegangsdeur en van een tweede etalageruit wijst erop dat nu er ook in het rechtergedeelte van het pand een winkel is gevestigd.
De verbouw van de voorgevel van het pand Dorpsstraat 85, zoals die in 1973 werd doorgevoerd. Het aanbrengen van een tweede toegangsdeur en van een tweede etalageruit wijst erop dat nu er ook in het rechtergedeelte van het pand een winkel is gevestigd.

Pauliens Boutique bleef er ook na de verbouwing gevestigd. Men kan zich afvragen of de verbouw nu zoveel zin heeft gehad, want nog geen drie jaar later, in 1976, werd het bescheiden, maar wel karakteristieke pandje gesloopt, om plaats te maken voor het winkelpand met woningen, dat we thans nog kunnen aanschouwen.

De winkel is gevestigd aan de Dorpsstraat in een betrekkelijk smal gedeelte van het pand dat zich vooral uitstrekt langs de Cieweg, waarboven we negen appartementen aantreffen, verdeeld over drie woonlagen.

Na het gereedkomen van het gebouw in 1978 vestigde zich in de winkel ‘B & G Kleding’, kort daarna gevolgd door handwerkboetiek ‘De 3 Suisses’. In 1987 kwam er een kapperszaak, ‘All-lnn Coifures’, recent opgevolgd door ‘RFH Hairdressers’.

Wim Hespe
Lien Steeman

Dorpsstraat, gefotografeerd in 1987 in de bocht, richting Pancratiuskerk. Geheel rechts Dorpsstraat 83, waarin toen nog de kapperszaak van Stam was gevestigd. Vervolgens Dorpsstraat 85, een in 1977/1978 gebouwd pand, dat zich voornamelijk uitstrekt langs de Cieweg, met woningen en een winkel aan de Dorpsstraat.
Dorpsstraat, gefotografeerd in 1987 in de bocht, richting Pancratiuskerk. Geheel rechts Dorpsstraat 83, waarin toen nog de kapperszaak van Stam was gevestigd. Vervolgens Dorpsstraat 85, een in 1977-1978 gebouwd pand, dat zich voornamelijk uitstrekt langs de Cieweg, met woningen en een winkel aan de Dorpsstraat.

Bronnen:

Archieven:

  • Gemeente Castricum: archief Bouw- en Woningtoezicht en bewonerskaarten.
  • Kadaster te Alkmaar, kadastrale gegevens betreffende Castricum.
  • Regionaal Archief Alkmaar: archief van het Gemeentebestuur Castricum, 1812-1936, bevolkingsregisters, kadastrale gegevens.
  • Werkgroep Oud-Castricum: fotoarchief, Nieuwsblad voor Castricum: beschikbare nummers uit de periode 1925 tot heden.

Publicaties:

1 december 2021

Weg naar Beverwijk verlegd in 1785 (Jaarboek 28 2005 pg 11-15)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 28, pagina 11

De weg naar Beverwijk verlegd in 1785

De hoofdweg van Castricum naar Beverwijk liep via de Oudeweg, de Oude Haarlemmerweg en Hollaan. Blijkens deze aquarel waren het nog zandwegen.
De hoofdweg van Castricum naar Beverwijk liep via de Oude weg, de Oude
Haarlemmerweg en Hollaan. Blijkens deze aquarel waren het nog zandwegen. Foto van aquarel door J.A. Crescent, als kleurendruk opgenomen in ‘Het veranderend gezicht van Noord-Holland’, Meijer Pers B.V., Amsterdam, 1976 (bladzijde 17). Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Oude Haarlemmerweg was voor de aanleg van de Beverwijkerstraatweg in 1820 de doorgaande weg tussen Haarlem en Alkmaar. Deze verbinding was eeuwenlang de enige route over land naar het noorden van Noord-Holland. Beverwijk lag aan het Wijkermeer dat bij Amsterdam overging in de Zuiderzee. De weg liep vanaf Haarlem via de smalle landengte ‘Holland op zijn smalst’ bij Beverwijk langs de binnenduinen naar Castricum en vervolgens meer oostelijk via Limmen naar Alkmaar.

De wegverlegging geprojecteerd op een recente kaart.
De wegverlegging geprojecteerd op een recente kaart.

Het goed begaanbaar zijn van deze hoofdweg leverde in Castricum telkens veel problemen op en was een doorn in het oog van de Alkmaarse bestuurders. De hoofdweg, in die tijd nog een zandweg, liep vanaf Heemskerk komende even voorbij de gemeentegrens met Castricum dicht langs een rij relatief hoge en onbegroeide duinen. Door zandverstuiving was de weg dikwijls onbegaanbaar.

Plan Beverwijkerstraat met rechts de spoorlijn, duidelijk is ook de Oude Haarlemmerweg ingetekend.
Plan Beverwijkerstraat met rechts de spoorlijn, duidelijk is ook de Oude
Haarlemmerweg ingetekend. Castricum, 1970. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Toen hier regelmatig de postkoets en andere rijtuigen kwamen vast te zitten en er zelfs koetsen omsloegen, is het stadsbestuur van Alkmaar tot actie overgegaan. De bestuurders dienden een plan in bij de landsregering om dit weggedeelte meer naar het oosten te verleggen. Het kostte veel tijd om de politiek achter dit plan te krijgen. Uiteindelijk werd de wegverlegging in 1785 onder leiding van onze schout Joachim Nuhout van der Veen gerealiseerd.

Postkoets.
Postkoets.

Met de postkoets van Haarlem naar Alkmaar

In de achttiende eeuw ging het belangrijkste vervoer over het water met beurtschepen en trekschuiten. Vervoer over de weg met een postkoets of diligence was kostbaar en niet erg comfortabel, maar tussen Haarlem en Alkmaar stonden er weinig andere vervoersmogelijkheden open. Omdat enige vering bij de koetsen ontbrak, werden de reizigers in de meer dan vijf uur durende rit van Haarlem naar Alkmaar dan ook goed door elkaar geschud. Schrijver Hildebrand beschrijft in zijn Camera Obscura de reis per koets als volgt:

“Maar velen koetsiers zetten ons in een schokkende, nauwe, dreunende, vuile, tochtige, harde, tuitelige doos, een soort van grote rammelende builkist op vier wielen; in de ene hebben we geen plaats voor onze dijen, in de andere geen ruimte voor onze knieën; uit deze komen we met bevroren tenen, uit de andere met een stijve nek; wij rijden ons ziek, wij rijden ons hoofdpijn, wij rijden ons dóór; wij menen gek te worden van het gesnor aan onze oren en ’t gedender aan onze voeten. En dikwijls denken wij er, onder het dooreenwerpen onzer ingewanden, met bekommering aan, wat gelukkiger zijn zou, dood of levend er uit te komen!”

De postkoetsen hadden een vaste dienstregeling en vertrokken vanaf een vast vertrekpunt tegelijkertijd iedere ochtend om half negen precies, zowel uit Haarlem als uit Alkmaar. Onderweg stopte de koetsier bij verschillende haltes of posten, vandaar dat het rijtuig ‘postkoets’ heette.

Halverwege de route lag een post bij Noorddorp onder Heemskerk. Het huis op deze plaats aan de Rijksstraatweg heet nu nog ‘Halfweg’. Hier werden de paarden gewisseld en wachtte de Haarlemse postkoets op die uit Alkmaar of omgekeerd. Als de andere koets was gearriveerd, stapten de passagiers over.

Daarna reden de beide koetsiers ieder naar hun eigen stad terug om, als het volgens schema verliep, om kwart voor twee weer bij het vertrekpunt terug te keren. In de postkoets stonden twee bankjes tegenover elkaar.

Het vervoer met de postkoets was een dure aangelegenheid. Passagiers die met hun rug naar de koetsier zaten en dus achteruit reden, moesten 1 gulden en 16 stuivers voor een rit betalen; zij die vooruit reden, moesten zes stuivers meer betalen.

Klachten van het stadsbestuur van Alkmaar

Op 24 mei 1782 hadden de ‘Heeren Burgemeesteren van Alkmaar’ een verzoek gericht aan de Gecommitteerde Raden in West-Friesland en het Noorderkwartier. Zij vroegen om de doorgaande weg te Castricum, toen genoemd’ de Castricummer weg’, te verbeteren en om voorzieningen te treffen om het stuiven van het Noorddorper duin tegen te gaan.

De Gecommitteerde Raden (verder afgekort tot GR) vormden in de periode 1574-1795 het bestuur van het overgrote deel van Noord-Holland, dat zetelde in Hoorn. Dit bestuur is het beste te vergelijken met het provinciale bestuur. Vervolgens stuurde GR de klachten van Alkmaar door naar mr. Joachim Nuhout van der Veen, schout en secretaris van Castricum. Nuhout van der Veen vond de klachten niet terecht, maar merkte vervolgens op dat de overstuiving zo ernstig was dat het onmogelijk was om de weg ‘passabel’ te houden.

Rijksstraatweg 217, deze woning staat tussen de Noorddorperweg en de Oosterweg aan de westzijde van de Rijksstraatweg.
Rijksstraatweg 217, deze woning staat tussen de Noorddorperweg en de Oosterweg aan de westzijde van de Rijksstraatweg. Pentekening van René Gort in de Kijk-Uit kalender 1993. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op 6 augustus van datzelfde jaar schreef het stadsbestuur van Alkmaar opnieuw aan GR en stelde dat het weggedeelte tussen Castricum en Noorddorp (gemeente Heemskerk) zo slecht was, dat als er voor de winter niets gebeurde de bereikbaarheid van Alkmaar-Haarlem zeer lastig zou kunnen worden. Op 1 oktober 1782 drong het opnieuw aan op spoed in verband met de naderende winter.

Weg door het bos van de heer Deutz van Assendelft

In datzelfde jaar 1782 is er contact tussen de heer Geelvinck, de ambachtsheer van Castricum, en de heer Deutz van Assendelft, schepen van Amsterdam en eigenaar van bospercelen land die gelegen zijn in Castricum en die grenzen aan het ondergestoven gedeelte van de hoofdweg. Als mogelijke oplossing wordt een verlegging van de


Jaarboek 28, pagina 12

hoofdweg door het bos van de heer Deutz genoemd. Het daar al lopende voetpad zou dan als rijweg geschikt moeten worden gemaakt.
Deutz is hiertoe voorlopig niet bereid. Hij vindt dat de overstuiving veroorzaakt wordt door het achterwege blijven van het beplanten van het duin met stro en helm.

In een brief van 9 oktober 1782 aan GR legt Deutz de schuld van het overstuiven volledig bij Schout en Regenten van Castricum: “Dat men uijt loutere agteloosheijd, waar de voorige Schout Tempelaar in heeft uitgemunt, liever de landerijen en Postweg zal laaten onderstuiven dan om de noodige orders te geeven om zulks voor te komen. Waarlik niemand; en evenwel is de zaak zo gebeurd; geen jaar is er bijna voorbijgegaan, of ik heb moeten, zo ik mijne boschen niet in Duijn wilde zien veranderen, op mijne kosten dezelve voorkant, die Schout en Schepenen op ’s Lands kosten hadden kunnen doen voorzien, met stroo en helm beplanten’.

Deutz is bereid om de weg te handhaven, zoals die nu al in ’t bos zelf is ingereden en zal deze op zijn kosten bruikbaar maken. Hij stelt echter als voorwaarde dat het bestuur van Castricum (Schout en Schepenen) zijn gedeelte van de duinen aan de voorkant moet beplanten en erop moet toezien dat de burgers hun gedeelte beplanten. Deze voorwaarden zijn gegeven de toestand niet uitvoerbaar. GR richt echter een verzoek aan de bestuurders van Castricum om overeenkomstig de oplossing van Deutz te handelen.

Schout Nuhout van der Veen antwoordt hierop: “Het doet ons leed dat U Ed. Mog. van ons vorderen de prestatie van iets waar aan nog wij, nog iemand ter wereld kan voldoen om namelijk de weg in het duyn tot passagie bequaam te maaken. Wij vertrouwen dat U Ed. Mog. bij onderzoek zullen bevinden dat wij onze wegen tegenwoordig zeer wel onderhouden, namelijk zonder gaten en hier toe zijn wij verpligt, dog het is ons volstrekt onmogelijk om het overstuijven der duijnen te kunnen beletten, waaromme wij ook begrijpen dat zodanig iets geensins voor Rekening van een arm dorp kan koomen, maar voor het geheele land loopt en wij hebben alle moeyte aangewend om te zien of er mogelijkheid was om de weg te verleggen door de daar naast aangeleegen bossen …”

Kaartje van landmeter Tromp uit 1782.
Kaartje van landmeter Tromp uit 1782.

Onderzoek door landmeter Tromp in 1782

Met de brief van de schout is er een patstelling ontstaan en GR vraagt aan landmeter W. Tromp uit Alkmaar een onderzoek uit te voeren naar de toestand van de Postweg in de duinen van Castricum.

In november 1782 komt landmeter Tromp met zijn bevindingen: “De weg gedurende dit lange regenachtige seizoen zoude kunnen worden gepasseerd en gebruikt dog ondertussen bij ’t aanstaande somer zaijsoen door ’t continue afglijdende zand van de duijnen door beplanting met stroo en helm niet kan worden geconserveert en het dus aan mij is voorgekomen omme dat gedeelte wegh aan de duinkant te verleggen en voegen als bij de hier bij overgelegde aftekening gecouleurt werd aangeweesen en te verlengen met de ordinairis weg van C. tot aan het oosteijnde van seker hout bosch aan den Heere Jan Deutz toebehoorende waarin bereets een vrij voet of kerkpad gelegen is, van 8 d 9 voeten en daarin nog te ontruijmen en uit te roeijen 5 a 6 stoelen hakhout tot genoegsame breete van een wegh voor dat gedeelte in gemelte bosch dus dat nog daar en boven zoude moeten worden gegraven een sloot tot watering van ’t zelve bosch ter wijtte van 6 a 7 voeten en lang ongeveer 60 rijnlandse roeden, dwars door ’t voorsz. bosch; dan nadien bezuijden aan belend dit bosch een wegh gaat mede bij aftekening geschetst ook van genoegsame breete en ongeveer lang 100 rijnlandsche roeden genaamd de Maarwegh en strekkende tot aan de banpaal van Castricum dog tans niet in dagelijks gebruik, zoude ook dat gedeelte de irregulier leggende en met gras bewasschen specie tonnen rond dienen geslegt te worden.” Met een kaartje schetst Tromp de bestaande wegen en geeft aan in kleur waar volgens hem de nieuwe weg zou moeten lopen.

Geen voortgang

Meerdere pogingen van Nuhout van der Veen om overleg te plegen met de heer Deutz hebben nog geen succes gehad, onder andere omdat Deutz zich voortdurend in Den Haag bevindt. Ook heeft hij


Jaarboek 28, pagina 13

geen antwoord gehad op zijn brief en Nuhout van der Veen acht het beter als GR zelf met Deutz over de weg overleg gaat voeren. Inmiddels is het eind 1782. Het blijft vervolgens lange tijd stil, totdat in september 1783 opnieuw de heren burgemeesters van Alkmaar van zich laten horen. Zij uiten aan GR hun grote ongenoegen dat er nog niets is gebeurd en vrezen de komende winter voor een moeilijke, zo niet gestrande passage.

Er volgt nogmaals een nadrukkelijk verzoek om de nodige maatregelen te nemen. GR vraagt om informatie bij de duinmeijer van de heer Deutz, die vanzelfsprekend hetzelfde standpunt uitdraagt als de heer waarvoor hij dient: de oorzaak is overstuiving ten gevolge van verzuimde beplanting.

Op 4 oktober daaropvolgend is er bij de gewraakte duinen een ontmoeting geweest van schout Nuhout van der Veen met de heer Deutz. De schout schrijft aan GR als resultaat van dit overleg dat de heer Deutz niet bereid is om iets van zijn bossen af te staan voor de aanleg van de nieuwe weg, tenzij vooraf de duinen naar behoren beplant worden, hij een behoorlijke vergoeding krijgt en de weg niet op de voorgestelde plaats wordt aangelegd, maar langs de voet van het duin, ongeveer ter plaatse waar de weg nu al loopt.

Tenslotte is besloten om de duinen die sterk overstuiven op te meten om daarna alle mogelijke middelen in te zetten om tot herstel hiervan te komen. Hiervoor wordt de hulp van GR ingeroepen.

Een nieuw uitgewerkt plan van Alkmaar tot verlegging van de weg

Er verstrijken weer vele maanden zonder enige voortgang, tot op 11 juni 1784 door de Heren Gedeputeerden der stad Alkmaar bij GR een compleet ‘Plan tot verlegging en verbeetering van de Publicqen Rijdweg onder de Bannen van Castricum en Heemskerk’ wordt ingebracht met het verzoek om dit plan zo spoedig mogelijk op ’s lands kosten ten uitvoer te brengen.

Het nieuwe plan uit 1784.
Het nieuwe plan uit 1784.

Het plan is gedetailleerd op een kaart ingetekend (zie afbeelding) en de kosten van de uitvoering zijn per wegdeel begroot. Op de kaart zijn bij de verschillende wegdelen letters geplaatst.

De verlegging begint bij A en loopt over een lengte van 80 roeden (1 roede=3,767 meter) tot de Maar- of Korendijk (letter E).

Vervolgens volgt de weg deze dijk over een lengte van 90 roeden tot F en wordt een nieuw stuk weg van 65 roeden lang aangelegd tot punt G op de Heemskerker of Maatweg toe (nu Noordermaatweg).

Dan volgt de nieuwe route over een lengte van 64 roeden deze weg om tenslotte bij D op de bestaande weg uit te komen.

Voor het geschikt maken als doorgaande rijweg moeten wegdelen nieuw worden aangelegd, bestaande wegdelen verbreed en verhoogd en gaten worden gedicht.

Van de bestaande weg is het gedeelte van B naar C ter lengte van 60 roeden door overstuiving van het duin bijna geheel onbruikbaar en in het gedeelte van C naar D met een lengte van circa 60 roeden zitten grote veengaten, die door het duinwater worden veroorzaakt en passage in de winter of in een nat seizoen gevaarlijk maken.

Het gedeelte van D naar H loopt onder langs ‘bewassen’ (begroeid) duin, is hier ter plaatse zeer breed, maar moet wel opgehoogd worden. Bij het maken van het plan heeft men veel ondersteuning gekregen van Nuhout van der Veen en men acht hem bij de uitvoering van dit plan zeer geschikt als opzichter; tegenwoordig zouden wij dit projectleider noemen.

Joachim Nuhout van der Veen, schout van Castricum en Bakkum, had de leiding over het project.
Joachim Nuhout van der Veen, schout van Castricum en Bakkum, had de leiding over het project.

Steun van de Staten van Holland

De kosten van de aanleg moeten worden betaald door de overheid en dus zal de uiteindelijke goedkeuring moeten worden gegeven door de Staten van Holland en West-Friesland. In de Staten hebben de verschillende steden een belangrijke stem.

Cornelis Deutz van Assendelft, gehuwd met Maria Deutz, die de eigendommen in Castricum en Heemskerk van de inmiddels overleden neef Jean Deutz heeft geërfd, heeft haar belangen bepleit in een brief van augustus 1784 aan de Vroedschap van Amsterdam. Deze Cornelis had hier meerdere bekenden, want hij was eerder ook zelf lid van de vroedschap geweest.

In november heeft een delegatie van de steden Amsterdam en Alkmaar ter plaatse een inspectie uitgevoerd. Dit heeft geleid tot een aanpassing van het plan om moeilijkheden over het eigendom van de heer Deutz te vermijden en de weg niet door het bos van Deutz aan te leggen, maar net iets oostelijk daarvan tot aan de Maar- of Korendijk. Deze aanpassing heeft geen effect op de kosten.

Ook de stad Delft doet mee aan de besluitvorming. In een brief van 26 maart 1785 aan GR meent zij dat de overstuiving het probleem


Jaarboek 28, pagina 14

is en dat als oorzaak het verzuimen van beplanting moet worden aangemerkt. Hiervoor geeft Delft de bestuurders van Castricum de schuld en vindt daarom dat de kosten niet door ‘het Gemeene Land’ (de overheid) moeten worden betaald. Delft zal uiteindelijk niet dwars liggen in de Staten van Holland. In een brief van ‘s-Gravenhage wordt nog eens de slechte toestand van de weg benadrukt en wordt gemeld dat er enige rijtuigen hebben omgelegen en andere hebben vastgezeten.

Nadat het aangepaste plan door GR is goedgekeurd, wordt dit plan tot verlegging en repareren van de openbare weg onder de Bannen (gemeenten) van Castricum en Heemskerk ter goedkeuring voorgelegd aan de Staten van Holland en West Friesland.

Op 1 juli 1785 worden de plannen door de Staten goedgekeurd en bovendien wordt het benodigde som geld daarvoor uit ’s Lands kas beschikbaar gesteld. De uitvoering van dit project valt verder onder de verantwoordelijkheid van GR en met het dagelijkse toezicht wordt, zoals eerder was voorgesteld, Nuhout van der Veen belast. De kosten zijn begroot op 4.529 gulden.

Voorbereidingen voor de aanleg van de weg

Ter voorbereiding van de aanbesteding van de aanleg worden bestek en voorwaarden in concept opgesteld door Nuhout van der Veen: de nieuwe weg zal beginnen bij de drie palen die staan in de bocht van de bestaande ‘Heerenweg’, zal gaan door vlak land over een lengte van circa 250 roeden en een breedte krijgen van 4 roeden (inclusief de sloten) naar de Maardijk. Daarna loopt deze vanaf een iets westelijker gelegen punt op deze dijk in oostelijke richting over een lengte van circa 70 roeden in Heemskerks grondgebied en ook door vlak land tot aan de Maatweg.

Foto genomen vanaf de Maardijk/Korendijk.
Foto genomen vanaf de Maardijk/Korendijk in 1978 De Heemstederweg liep tot de boerderij van Cor Kuijs. In de jaren (negentien) zeventig is de weg verhard. In 1997 is de weg doorgetrokken naar de Noordermaatweg in Heemskerk. De weg werd geasfalteerd en de overweg werd beveiligd. Inmiddels is de woning, de stallen en de boerderij gesloopt. En er is in 2017 een nieuw woonhuis gebouwd met bijbehorende stallen voor de paarden. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De aanbesteding wordt gedaan per strekkende roede in parken van 50 roeden. De weg moet egaal tonrond worden afgewerkt en heeft een breedte van twee roeden; aan weerszijden van de weg moeten sloten worden gegraven.

De Maardijk en de Maatweg zullen alleen over de gedeelten waarover de nieuwe weg gaat lopen, moeten worden opgehoogd en gerepareerd. De Maatweg zal over een breedte van acht voet en een diepte van drie voet moeten worden uitgegraven en die uitgraving moet met duinzand worden opgevuld. Over enige vorm van verharding als puin of stenen wordt niet gesproken. In deze tijd werden zelfs de doorgaande hoofdwegen nog als zandwegen aangelegd met aan weerszijden sloten voor een goede afwatering.

Voor de aanleg van de weg moeten verschillende stukken grond ter breedte van vier roeden worden getaxeerd en aangekocht. Dit betreft de volgende percelen en eigenaren:

  • van Cornelis Kuijs, een perceel ‘Langestuk’, groot 540 roeden (7664 vierkante meter), gekocht voor 202,50 gulden;
  • van Joachim Nuhout van der Veen, een perceel ‘Hogeberg’, groot 133 roeden, gekocht voor 66,50 gulden;
  • van De Algemene Armen, een perceel ‘Commandeur’, groot 80 roeden, gekocht voor 30 gulden;
  • van Albert Schuyt, wonende in Amsterdam, een perceel ‘de Campjes’, groot 205 roeden, gekocht voor 76,87 gulden;
  • een gedeelte van de Maardijk, gekocht voor 50 gulden;
  • van Mr. Gerrit de Graaff, Heer van Polsbroek, een perceel land onder Heemskerk, groot 316 roeden, gekocht voor 61 gulden.
De openbare aankondiging van de aanbesteding.
De openbare aankondiging van de aanbesteding.

De aanbesteding in Castricum

Op 25 augustus 1785 worden bestek en voorwaarden besproken in de vergadering van GR. Zij besluiten om deze goed te keuren en vervolgens om de heren Ouwens en Van Foreest uit hun college te belasten met de aanbesteding van de weg, die op maandag 12 september 1785 voor de middag om elf uur plaatsvindt. Aan de aanbesteding wordt door advertenties in de Haarlemse, Amsterdamse en Vaderlandse kranten en door biljetten in de steden en dorpen in het Noorderkwartier bekendheid gegeven.

Parken:

  • 1 tot en met 5, lengte 244 roeden, weggedeelte: tot aan de Maardijk
  • 6 tot en met 9, lengte 177 roeden, weggedeelte: de Maardijk
  • 10 en 11, lengte 79 roeden, weggedeelte: nieuw gedeelte van de Maardijk tot aan de Maatweg
  • 12 en 13, lengte 100 roeden, weggedeelte: Maatweg en nog iets door op de bestaande weg
  • 14, lengte 141 roeden, weggedeelte: over de bestaande weg tot aan het landgoed van de heer Schuyt (De Vlotter ook wel Jagerslust genoemd)

Het totale traject van 741 roeden (2791 meter) is opgedeeld in 14 parken, genummerd 1 t/m 14 en park nr. 1 begint bij de dam van Kees Kuijs aan de Hollaan.

De aanbesteding wordt aan de laagste inschrijver gegund. De verschillen tussen de inschrijvingen zijn enorm. De parken worden per twee aanbesteed. Er zijn 15 inschrijvers. Op de parken nummers 1 en 2 wordt door aannemer Johannes Schonberg van Texel, voor 379 gulden ingeschreven. De hoogste inschrijving is 2.400 gulden en gemiddeld wordt voor 1.300 gulden ingeschreven.
De volgende aannemers zijn voor de verschillende parken de laagste inschrijvers en zullen het werk gaan uitvoeren: Johannes Schonberg


Jaarboek 28, pagina 15

voor de parken 1 tot en met 5, 10, 11 en 14 voor 1.531,40 gulden, Casper Balster voor de parken 6 tot en met 9 voor 480 gulden en Gerrit Josten voor de parken 12 en 13 voor 375 gulden.

Kwitantie van de betaling aan Johannes Schonberg.
Kwitantie van de betaling aan Johannes Schonberg.

De oplevering van de weg

Blijkens een brief van Nuhout van der Veen aan de secretaris van GR is de rijweg op 21 oktober 1785 gereed en kan op zaterdag 29 oktober daaraanvolgend door de heren commissarissen van GR de inspectie van dit werk plaatsvinden. Het rapport dat hierover door de heren Ouwens en Van Foreest werd opgesteld, is door de vergadering van GR op 31 oktober met waardering en dank goedgekeurd.

Behalve de betalingen aan de aannemers volgens de aanbestedingssommen en aan de eigenaren van de overgenomen gronden werd betaald aan Hermanus Beugeling, meestertimmerman in Castricum, voor geleverd hout en arbeidsloon 143,34 gulden, aan Jan Coersel voor het verven van de palen die langs de nieuwe weg zijn geplaatst 5,05 gulden, aan mr. Joachim van der Veen voor zijn salaris onder andere als dagelijks opzichter van het werk 160,40 gulden en aan landmeter W. Tromp uit Alkmaar 25,70 gulden.

Het onderhoud van de nieuwe weg

De nieuw aangelegde weg moest voortdurend worden onderhouden en gerepareerd. Over de periode 24 maart tot 11 augustus 1787 (95 dagen) is een gespecificeerde lijst bewaard gebleven met een opgave van data en namen van de mensen die aan de weg hebben gewerkt.

Per week vinden we ongeveer tien personen die voor hun werk werden uitbetaald; hieronder treffen we de namen aan van verschillende dorpsbewoners. Het loon bedraagt 14 stuivers per dag.

Degenen die het grootste aantal dagen hebben gewerkt zijn Gerrit Dekker (89 dagen), Cornelis Haarlem (82), Andries Schreuder (80), Jan Prik (76) en Jacob Maynsz (69). Voor werkers die met een paard werden ingehuurd werd per dag 2 gulden betaald en zij die met paard en kar verschenen, ontvingen 2,30 gulden per dag.

Slotopmerkingen

Vele bochten in de doorgaande rijweg in de omgeving van de grens met de gemeente Heemskerk zijn in 1820 verdwenen bij de aanleg van ‘Rijks groote Weg nummer 1’, die liep van Leer in Noord-Duitsland onder andere via Alkmaar en Haarlem naar Duinkerken in Noord-Frankrijk. Vele bochtige en smalle delen van de bestaande hoofdweg werden vervangen door geheel nieuwe rechte en brede wegdelen.

In Castricum is toen het huidige rechte wegdeel vanaf de kruising Dorpsstraat-Burgemeester Mooijstraat tot aan de gemeentegrens met Heemskerk geheel nieuw aangelegd. De oude route, die liep vanaf genoemde kruising langs wat nu (in 2005) wordt genoemd Rusthof, over de Oudeweg, de Oude Haarlemmerweg, de Hollaan en het hierboven beschreven weggedeelte, raakte als hoofdweg buiten gebruik.

Een stukje van de Malleweg in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Een stukje van de Malleweg in Castricum.

De wegverlegging uit 1785 is nog blijven bestaan en heet al van voor 1850 Malleweg. De naamkeuze destijds zal mogelijk te maken hebben gehad met de gekke kronkels die de doorgaande weg hier toen heeft gekregen.

Simon Zuurbier

Bronnen:

  • Archieven:
    – Noord-Hollands Archief te Haarlem: archief van Gecommitteerde Raden in West-Friesland en het Noorderkwartier 1574-1795.
    – Regionaal Archief Alkmaar: oud archief Castricum, dossier 89.
    – Werkgroep Oud-Castricum: prentenarchief.
  • Hildebrand, Camera Obscura, Haarlem 1851.
  • Tien eeuwen Alkmaar, de Alkmaarders en hun reislust, deel 6 van de bundel ‘Ach Lieve Tijd’.
  • Zuurbier, S.P.A., De ‘Nieuwe Weg’ aangelegd in 1820, 16e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1993.

15 november 2021

Van Peperstraat naar Dr. Jacobilaan: huizen en bewoners (zuidzijde) (Jaarboek 43 2020 pg 81-87)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 43, pagina 81

Van Peperstraat naar Dr. Jacobilaan: huizen en bewoners (zuidzijde)

Oude woning van Mattheus Dekker aan de Peperstraat.
Oude woning van Mattheus Dekker aan de Peperstraat in Bakkum. Gesloopt in 1932. Schilder Sijf Portegies.

In het 42e Jaarboek is uitvoerig aandacht besteed aan de Dr. Jacobilaan met zijn huizen en bewoners. De geschiedenis van de Dr. Jacobilaan, die vroeger Peperstraat heette, is beschreven vanaf de start van het Kadaster in 1832. In dat jaarboek werden de percelen en woningen aan de noordzijde behandeld, nu komt de zuidzijde aan bod.

De Peperstraat in 1832

Voorafgaande aan de start van het Kadaster in 1832 zijn alle percelen opgemeten en op kaart gezet. Ook zijn per perceel enige gegevens vastgelegd, zoals het soort perceel (bos, weiland, bouwland, huis en erf), de grootte van het oppervlak en de naam, beroep en woonplaats van de eigenaar. Zo kunnen we ons van de percelen die grenzen aan de Peperstraat, een nauwkeurig beeld vormen rond het jaar 1832. Aan de Peperstraat stonden twee huizen, nummer 19 aan de zuidzijde en nummer 20 aan de noordzijde.

Historische ontwikkeling na 1832 van de percelen aan de zuidzijde van de Peperstraat

Hierna volgt per kadastraal perceel langs de zuidzijde van de Peperstraat de historische ontwikkeling. Het begint bij de start van het Kadaster in 1832 tot de komst van de nog bestaande woningen. In het daarna volgende deel van dit artikel wordt per woning een overzicht gegeven van bouwjaar en opeenvolgende bewoners en eigenaren.

Zuidzijde Peperstraat: perceelnummers 239 tot en met 244

Het huis van Krijn Koper [perceel 242]

Volgens de volkstelling van 1830 woonde in huis nummer 19 Krijn Koper, 44 jaar, schelpenvisser van beroep en geboren in Zandvoort, zijn vrouw Kaatje Zaanman, 56 jaar, geboren in Akersloot, de 12-jarige Gerritje Asjes en de 8-jarige Jannetje Koper, beiden geboren in Castricum. Kaatje Zaanman was eerder gehuwd in 1802 met Pieter Parlie en in 1810 met Jannes Asjes.
Als boerin en weduwe van Jannes Asjes koopt zij in 1818 van de Armmeesters van de Algemene Armen het huis en erve aan het duin in de Peperstraat nummer 19. Kaatje trouwt in 1819 met Krijn Koper (1787-1835).

De percelen in 1832 die direct grenzen aan de Peperstraat
De percelen in 1832 die direct grenzen aan de Peperstraat

Het bezit aan de Peperstraat omvat volgens de kadastrale registers van 1832 de volgende percelen (zie kaartje) in sectie B: nummer 241 bouwland, nummer 242 huis en erf, nummer 243 bos en nummer 244 boomgaard, met een totaal oppervlak van 5.390 vierkante meter. Het staat dan op naam van Krijn Koper; hij overlijdt in Castricum in 1835. Kaatje met haar drie dochters uit haar huwelijk met Jannes Asjes verkoopt dit bezit in 1837 aan Pieter Veldt; daarbij wordt bedongen dat Kaatje Zaanman (1774-1851) haar leven lang het achterste woonvertrek van het huis mag bewonen, zonder lasten of huur te hoeven betalen.

Pieter Veldt (1803-1847) is eerst schelpenvisser, later


Jaarboek 43, pagina 82

landbouwer, woonde op het Noordend, waar hij in 1847 overlijdt. Pieter is gehuwd met Marijtje Mijzen; zij krijgen zes kinderen. Pieter verkoopt zijn bezit aan de Peperstraat: het huis met erf en de percelen bouwland, bos en boomgaard onderhands in 1846 aan Pieter Telleman.

Pieter Telleman (1820-1883) is geboren in Egmond aan Zee, is landbouwer, dagloner en trouwt in 1846 met Dirkje Stierp. Volgens het bevolkingsregister wordt het huis in 1850 in tweeën bewoond. Aan de voorzijde woont Pieter Telleman met zijn vrouw en hun twee pas geboren kinderen. Aan de achterzijde woont de 75-jarige Kaatje Zaanman en haar dochter Jannetje Koper, die in 1850 trouwt met Cornelis Schoen; deze trekt bij hen in en hier wordt hun oudste zoon Klaas in juni 1851 geboren. Kaatje overlijdt vijf maanden later; haar dochter Jannetje gaat met haar man Cornelis Schoen in de Kerkbuurt wonen.

Dirkje Stierp overlijdt in 1865; Pieter hertrouwt in 1867 met Maartje de Graaf, weduwe, boerin en wonend in Heemskerk. Pieter gaat met zijn twee kinderen in 1869 in Heemskerk wonen. Pieter, samen met zijn kinderen als erfgenamen van hun moeder, verkopen het huis en de drie genoemde percelen in 1877 aan zijn broer Gerrit Telleman (1818-1891), landbouwer die woont op Rinnegom met zijn vrouw Guurtje Apeldoorn.

Gerrit overlijdt kinderloos in 1891. Zijn vrouw krijgt het bezit aan de Peperstraat toebedeeld. Zij blijft op Rinnegom wonen en verhuurt dit Bakkummer bezit. In 1898 woont hier Cornelis van den Berg (1874) en echtgenote Hillegonda van de Poll; zij zijn twee jaar eerder gehuwd.

De oude woning van Thijs Dekker aan de Peperstraat.
De oude woning van Thijs Dekker aan de Peperstraat. Deze woning is gesloopt in 1932. Het is de enige woning aan de zuidzijde, die op de kadasterkaart van honderd jaar eerder is vermeld.

Guurtje Apeldoorn verkoopt het geheel op 12 december 1899 aan Mattheus (Thijs) Dekker Simonszoon (1867-1955), landbouwer, tuinder, geboren en wonende in Castricum. Thijs trouwt in 1900 met Catharina (Trijn) Zonneveld. Zij krijgen acht kinderen in de periode 1901-1915 die in dit huis aan de Peperstraat worden geboren.

Thijs Dekker (1867-1955).
Thijs Dekker (1867-1955) woonde in het oude huis aan de Peperstraat. Hij was tuinder en bollenkweker en bezat het tuingebied ten zuiden van de Peperstraat. Omstreeks 1931 laat hij een nieuwe woning bouwen, nummer 10. Hij was gehuwd met Trijn Zonneveld en zij kregen acht kinderen. Mattheus Dekker was voor die tijd een grote man, had een rooie baard dat hem de bijnaam ‘Rooie Thijs’ gaf. Hij ventte de groente uit met de handkar en trekhond en leverde veel aan Duin en Bosch.

Als de meeste kinderen het huis uit zijn, verkoopt de 64-jarige Thijs Dekker in 1931 nagenoeg zijn hele bezit aan de aannemerscombinatie Borst-De Groot. Het omvat het oude woonhuis nummer 19, dat inmiddels in twee huisgedeelten is opgesplitst. Thijs koopt van hen een perceeltje van 285 vierkante meter, dat deel uitmaakt van het oostelijk aangrenzende terrein dat de aannemerscombinatie in 1925 had opgekocht. Het oude huis wordt in 1932 gesloopt en Thijs gaat wonen in het op zijn nieuwe stuk grond gebouwd huis nummer 10.

Bosland Kralenkroft [perceel 240]

Hendrik Beugeling (1774-1831), timmermansbaas, woont in de Kerkbuurt en heeft vele bezittingen en landerijen. Rond 1830 bestaat zijn bezit uit drie huizen en bijna 28 hectaren land, waaronder de percelen 239 en 240 aan de Peperstraat. Hendrik is getrouwd met Johanna Bakker en overlijdt in 1831 met achterlating van twee volwassen kinderen.

Vele jaren na zijn overlijden verkoopt zijn echtgenote Johanna Bakker en de mede-erfgenamen in 1850 op een openbare veiling een groot aantal percelen land, waaronder perceel 240. Koper is Jan Schotvanger. Dit staat dan omschreven als een stuk bosland met houtgewassen, begroeiingen en beplantingen genaamd ‘in de Peperstraat’, nummer 240, groot 4.140 vierkante meter.

Hetzelfde perceel maakt een gedeelte uit van het land, genaamd Kralenkroft. Hendriks vader Hermanus Beuge-


Jaarboek 43, pagina 83

ing koopt in 1808 een stuk weiland, genaamd Kralenkroft dat later kadastraal is opgenomen in de twee percelen 239 en 240. Hij kocht dat toen van de heer François Tayspil Janszoon, wonende in Amsterdam.

De familie Tayspil is een rijke koopmansfamilie uit Amsterdam. Ze heeft onder andere een koffieplantage in Suriname. Deze familie was omstreeks 1585 afkomstig uit Antwerpen. Jan Tayspil Franszoon koopt in april 1766 het stuk land ‘de Kralencroft’ en nog vier kleine akkertjes rond de Bakkummerstraat en Schelgeest. Twee maanden later koopt hij een strook duingebied, dat zich uitstrekt vanaf de Noordzee tot de omgeving van wat nu de Bakkummerstraat is. Ten noorden van deze strook lagen de duinen van Joan Geelvinck, ambachtsheer van Castricum en ten zuiden de duinen van de familie Deutz van Assendelft van kasteel Marquette in Heemskerk.
Dit duingebied van de familie Tayspil met het duinmeiershuis is dan verhuurd aan duinmeier Cornelis Jeroenszoon Zonneveld en is vooral van belang vanwege de konijnenpopulatie. In 1791 wordt dit duingebied verkocht aan Gerrit Abbink. De aan de zuidzijde aangrenzende stukken bosland aan Kralenkroft, de nummers 245 en 246, worden nog in de 19e eeuw Tayspil genoemd.

In 1850 is, zoals hierboven vermeld, Jan Dirkszoon Schotvanger (1805-1878) eigenaar geworden van nummer 240. Jan is boer, heeft veel land, woont aan de Kooiweg en is in 1833 gehuwd met Grietje Kuijs; zij overlijdt in 1861 met achterlating van zeven kinderen. Jan hertrouwt daarna nog twee keer. Na zijn overlijden houden de erfgenamen op 22 oktober 1878 een openbare verkoping van de boerderij en een aantal percelen land, waaronder nummer 240. Koper van het merendeel van de percelen is Klaas Gerritszoon Brakenhoff. Klaas Brakenhoff (1847-1901) is boer en in 1874 gehuwd met Neeltje Kuijs. Zijn bezittingen, waaronder het perceel bosland nummer 240, worden in 1886 gekocht door mr. Jacobus Petrus Kraakman (1830-1907), advocaat en procureur, wonend in Alkmaar, gehuwd met Maria Geertruida Ibink Melenbrink.

Kraakman heeft boerderijen en vele stukken weiland ter grootte van ongeveer 95 hectaren, vanaf 1882 opgekocht vooral in Bakkum-Noord. Na zijn overlijden worden in 1908 zijn vele bezittingen verdeeld onder zijn vier kinderen.
Perceel 240, dat inmiddels als bouwland (tuingrond) in gebruik is, wordt toegedeeld aan zijn dochter Geertruida Kraakman (1876-1959), gehuwd met Theodoor Janzen, houthandelaar, beiden wonend in Haarlem. Geertruida houdt het perceel vele jaren in bezit en gaat het vervolgens verhuren. In 1925 verkoopt zij perceel nummer 240 aan de aannemerscombinatie Antoon Borst, timmerman en Cornelis de Groot, metselaar.
Vanaf de jaren (negentien) dertiger wordt hier een begin gemaakt met de bouw van woningen.

Antoon Borst.
5e van links Antoon Borst (in pak). Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Bouwland [perceel 239]

Zoals hierboven reeds gemeld is perceel 239 in 1830 in bezit van Hendrik Beugeling. Het perceel is ruim 1 hectare groot en enkele jaren later wordt een klein deel ter grootte van 620 vierkante meter afgesplitst en verkocht aan Cornelis van den Berg (1801-1881), die hierop een huis laat bouwen aan de Bakkummerstraat even ten zuiden van wat nu de ingang Tetburgstraat is.
Cornelis van den Berg, schulper (schelpenvisser) en landbouwer, trouwt in 1827 met Geertje van Bruijnswaard en na diens overlijden in 1841 met Almoed Rebecca Eckhart. Cornelis heeft alleen uit het tweede huwelijk kinderen.
In 1850 koopt hij land van de erfgenamen van Hendrik Beugeling en heeft nu het gehele perceel 239 in bezit.
Uit een boedelbeschrijving uit 1869 blijkt dat Cornelis naast een paard en een schulpkar ook drie melkkoeien heeft en een pink.

Schelpenvisser Klaas van den Berg.
Schelpenvisser Klaas van den Berg (geboren op 23 januari 1843 en overleden op 27 april 1931) Hij was ook strandvonder.

In 1871 verkoopt de 70-jarige Cornelis zijn huis en land (geheel nummer 239) aan zijn oudste zoon Klaas.
Klaas van den Berg (1842-1931) is landbouwer, schelpenvisser en vanaf 1869 aangesteld als strandvonder; hij trouwt in 1872 met Antje Prins. Op dit perceel nummer 239 groeien hun zeven kinderen op.
Klaas is strandvonder gedurende zeer vele jaren; tot in 1914. Hij brengt de aangespoelde strandgoederen, voornamelijk bestaande uit balken, planken en rondhout op zijn erf bij zijn huis aan de Bakkummerstraat. Als er na verloop van tijd veel strandgoederen zijn opgeslagen, wordt na verkregen goedkeuring van Gedeputeerde Staten een openbare verkoping op het erf van Klaas gehouden.

In 1907 laat Klaas op zijn erf langs de Bakkummerstraat vijf huizen bouwen, die hij in 1917 afzonderlijk verkoopt (nu de nummers 68, 70, 72, 74 en 76). Ook verkoopt hij dan een perceel tuingrond van 630 vierkante meter langs de Peperstraat aan zijn schoonzoon Gerrit van den Akker. Ook verkoopt hij een nog direct daarachter gelegen perceel tuingrond van 423 vierkante meter aan Gerrit Zonneveld.

De Peperstraat omstreeks 1920.
De Peperstraat omstreeks 1920. Rechts nog een deel van woning nummer 15. Achter de bomen het eerste huis van Goed Wonen nummer 17. Door de duinen op de achtergrond is links op de foto het huis van Thijs Dekker, dan het enige huis aan de zuidzijde, moeilijk zichtbaar.

In maart 1924 verkoopt Klaas het overgrote deel van zijn resterende bezit in perceel 239 aan de aannemerscombinatie Borst-De Groot, namelijk een bouwterrein van ongeveer 4750 vierkante meter. Het perceel tuingrond langs de Peperstraat, dat Gerrit van den Akker in 1918 van zijn schoonvader Klaas van den Berg heeft gekocht, blijft vele jaren als tuin in gebruik. Gerrit (1882-1957) is eerst spoorwegbeambte, daarna portier op Duin en Bosch. Na zijn overlijden verkopen zijn erfgenamen in 1959 nagenoeg het gehele perceel tuingrond aan Jac. de Nijs (1901), metselaar en aannemer en aan zijn zoon Thijs (1933), timmerman en aannemer, elk voor de helft. Beide aannemers kopen er dan ook nog 272 vierkante meter grond bij van het achterliggende perceel, sinds 1956 eigendom van Hein Zonneveld, groentehandelaar.

Een kleine witte woning. Dr. Jacobilaan nummer 4 in Bakkum.
Een kleine witte woning. Dr. Jacobilaan nummer 4 in Bakkum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Op deze grond verrijzen de huizen van Dr. Jacobilaan met nummers 2, 4 en 6. Er blijft nog een klein bouwterreintje over van 185 vierkante meter, waarop in 1981 het dubbel woonhuis met nummers 6a en 6b wordt gebouwd.

Aannemerscombinatie Borst-De Groot

Bij de realisatie van woningen in het gebied rond de Peperstraat is nauw samengewerkt door Antonius (Toon) Borst, timmerman en aannemer en Cornelis (Kees) de Groot, metselaar en aannemer, beiden wonend in Bakkum. Dit betrof vooral het gemeenschappelijk bezit van bouwter-


Jaarboek 43, pagina 84

reinen, de bouw van woningen en de verkoop van percelen aan nieuwe bewoners.
Bij een openbare verkoping in café ‘de Vriendschap’ aan de Dorpsstraat op 21 oktober 1919 wordt een boerenwoning met erf, tuin en weiland, met in totaal ruim 2,5 hectare grond nabij de Stetweg te koop aangeboden. Het wordt gekocht door een driemanschap, bestaande uit Gerrit Res, broodbakker en grondeigenaar en de beide aannemers.

Foto van omstreeks 1938 vanaf het land van Thijs Dekker.
Foto van omstreeks 1938 vanaf het land van Thijs Dekker. Links een zoon en kleinzoon, rechts een schoonzoon en kleindochter. Op de achtergrond links de woningen van Goed Wonen en rechts de achterzijde van de huizen nummers 12 en 10.

Een jaar later verkopen zij de boerenwoning en 1,5 hectare grond. Het driemanschap blijft in bezit van 1 hectare grond. Medio 1921 nemen de beide aannemers het aandeel over van Gerrit Res en is dit het begin van een lange periode dat deze aannemerscombinatie genoemde activiteiten ontplooit, vooral in de omgeving Stetweg, Bakkummerstraat en Dr. Jacobilaan.


Jaarboek 43, pagina 85

De aannemerscombinatie Borst-De Groot koopt in 1925 perceelnummer 240 met een grootte van 4.140 vierkante meter. In 1931 kopen ze van Thijs Dekker een perceel met het oude huis ter grootte van 5.150 vierkante meter. (oorspronkelijk de nummers 241 tot en met 244). Beide percelen zijn gelegen aan de zuidzijde van de Peperstraat.
Aan de zuidzijde van deze kavels is rond 1927 vanaf de Bakkummerstraat begonnen met de aanleg van de Tetburgstraat; hieraan worden door de aannemerscombinatie ook woningen gebouwd. Aan de oostzijde van perceel 240 wordt later de Van Renesselaan aangelegd.

Voorbereidingen voor de officiële opening op 24 juli 1949 van de speeltuin door burgemeester Smeets.
Voorbereidingen voor de officiële opening op 24 juli 1949 van de speeltuin door burgemeester Smeets.

Het terrein ten zuiden van de Dr. Jacobilaan blijft lange tijd een braakliggend gebied dat door de aannemerscombinatie voor de Bakkumse jeugd beschikbaar wordt gesteld. Door vrijwilligers is hier een speeltuintje gerealiseerd dat door burgemeester Smeets in 1949 officieel wordt geopend. Tot midden jaren (negentien) vijftig hebben kinderen van Bakkum hier kunnen spelen.
Voor dit terrein geldt ongeveer twintig jaar lang een bouwstop in verband met de projectie van de westelijke randweg. Als deze wordt ingetrokken, wordt voor dit gebied uitbreidingsplan Bakkum-West actueel, waarin in totaal twintig woningen zouden worden gebouwd. In 1967 is gestart met de bouw van de eerste zes woningen.
In de jaren (negentien)n tachtig worden hier woningen gebouwd die nu zijn gelegen aan de Van Renesselaan en aan de Dr. Melchiorlaan.

De huizen aan de zuidzijde van de Dr. Jacobilaan

Dr. Jacobilaan 2

In 1959 verkoopt Hein Zonneveld, groentehandelaar en wonend aan de Bakkummerstraat, een stuk grond van 272 vierkante meter, dat ligt achter zijn huis aan de zuidzijde van de Dr. Jacobilaan, als bouwterrein aan de aannemers Jac. de Nijs (1901) en zijn zoon Thijs (1933). Na de bouw verkopen de aannemers in 1961 de woning met schuur aan de Dr. Jacobilaan nummer 2 aan Willem Stadt (1918), kassier van het girokantoor der gemeente Amsterdam. Willem is gehuwd met Johanna Christina Schmidt.

In 1966 heeft Willem een garage op een klein aangekochte uitbreiding van zijn erf gebouwd. In 1977 verkoopt hij het geheel aan Henk van der Meer (1933- 1988), metaalbewerker, gehuwd met Gijsbertha (Bep) van Brenk; zij wonen er vanaf eind 1977. Kinderen: Robert, Henriëtte en John. In 1994 gaat Bep naar de Admiraal de Ruyterlaan en woont haar dochter Henriëtte hier met haar echtgenoot Peter Klut, procesingenieur en met hun drie kinderen: Stefan, Jelmer en Merijn.

Dr. Jacobilaan 4

Op het bouwterrein van 600 vierkante meter, dat door de aannemers Jac. en Thijs de Nijs in 1959 van de erfgenamen van Gerrit van den Akker is gekocht, worden twee woonhuizen gebouwd: nummer 4 en nummer 6. Na de realisatie worden deze verkocht aan de toekomstige bewoners.

Kobus Veldt woonde met Jansje Fokker en hun vijf kinderen op 4.
Kobus Veldt woonde met Jansje Fokker en hun vijf kinderen op 4. Hier Kobus met kinderen van links naar rechts Joke, Bert, Gerda, Jaap† en Bets.

In 1961 is nummer 4, woonhuis met garage op 263 vierkante meter grond, verkocht aan Kobus Veldt (1915), tuinder, dan wonend aan de Kooiweg en in 1949 gehuwd met Jansje (Jo) Fokker; hun vijf kinderen: Bets, Jaap†, Joke, Bert en Gerda zijn hier opgegroeid. Kobus werk later bij de gemeentereiniging en is overleden in 1983. Jo is vertrokken in 1988 naar de Heereweg en overleden in 2010. De volgende bewoners vanaf 1989, Hella den Dunnen en Dirk Zeeman, werken beiden in een ziekenhuis, respectievelijk als vaatlaborante en als afdelingsassistent; zij zijn de huidige (in 2020) bewoners.

Op 7 april 1961 is nummer 6, woonhuis met garage op 264 vierkante meter grond verkocht aan Arnoldus Gerardus van der Maat (1900), dan wonend in Zandvoort en gehuwd met Wilhelmina Maria Bernarda Kleene. Arnoldus is overleden in 1987.

In 1987 koopt Dick Schermer (1960), it-manager, de woning. Hij woont hier met Ellen Wijdekop en hun kinderen Mirte en Niek. In 2007 wordt het huis verkocht aan Remy Vels en Judith Kaandorp. Remy handelt in papier en karton en Judith Kaandorp is onderwijskundige.

Dr. Jacobilaan 6a en 6b

Op een nog resterend naastgelegen stukje bouwterrein wordt in 1982 door de firma Borst een dubbel woonhuis gebouwd, 6a en 6b, waarvan de eigenaren in 1983 worden:
6a: William Bruce Jamieson (1942), systeemcoördinator, gehuwd met Marijke de Boer, verpleegkundige;
6b: Hans van Schoor (1949), bedrijfsdirecteur, gehuwd met Dora Piek, verpleegkundige. Hans is van 1990 tot 2006 raadslid en fractievoorzitter geweest van D66.


Jaarboek 43, pagina 86

Dr. Jacobilaan 8

Andries Nicolaas Groeneveld, slager en wonend in Heiloo, koopt bouwgrond in 1981 van de aannemerscombinatie Borst-De Groot. In september 1982 gaat hij wonen in het nieuwe huis nummer 8 samen met zijn vrouw Jacqueline Kriek. Zij vertrekken in 1984 naar Dirkshorn (eigen slagerij) en verkopen het geheel aan Simon Petrus (Siem) Ruiter, die woont op Dr. Jacobilaan 15 en nu met zijn vrouw Truus Stam verhuist naar nummer 8. Truus overlijdt in 1991 en Siem in 2015. Sindsdien woont er zijn dochter Alette Ruiter, GGZ leidinggevende met haar man Hans Hofstra, theatertechnicus.

Dr. Jacobilaan 8a

Wilhelmus Cornelis (Will) Glorie (1957) koopt in 1981 een stukje bouwterrein van de aannemerscombinatie Borst-De Groot. Hierop wordt een huis met garage gebouwd. Will gaat hier in 1982 met Jolanda Groot wonen; hij heeft een loodgietersbedrijf en verkoopt het pand in 1991 aan Bernard Jäger (1965), sales engineer, en echtgenote Anne Claire Honing. In 1999 verkopen zij het huis en gaan in Limmen wonen. De nieuwe eigenaar is Hans Molenaar (1965), financieel planner, die het huis in 2010 verkoopt aan de huidige bewoners.

Dr. Jacobilaan 10

De aannemerscombinatie Borst-De Groot verkoopt een stuk grond (deel van nummer 240), groot 250 vierkante meter aan de Peperstraat in 1931 aan Mattheus (Thijs) Dekker (1867-1955), die in dezelfde transactie het huis met erf en tuin aan de Peperstraat, groot 5.150 vierkante meter, aan de combinatie verkoopt. Het oude huis wordt in 1932 gesloopt, terwijl op het nieuwe stukje grond van Thijs een huis met een schuur wordt gebouwd, nummer 10. Thijs is tuinder en gehuwd met Trijn Zonneveld, die in 1939 overlijdt. Kort daarna in 1940 verkoopt Thijs, dan inmiddels 73 jaar, dit huis aan Dirk de Winter (1890).

Dirk de Winter is wagenmaker en woont naast de Beatrix-klok aan de Bakkummerstraat; hij is maatschappelijk heel actief als gemeenteraadslid, bij de brandweer is voorzitter van ‘Onderlinge Hulp’. Het huis aan de Dr. Jacobilaan nummer 10 gaat Dirk verhuren; eerst aan Johannes Castricum (1901), die daarvoor met zijn gezin woonde in het huis van zijn vader op Dr. Jacobilaan 5. Na de ontruiming in 1943 keert Johannes hier niet meer terug.

Jo Zentveld en Jans Schermer woonden met hun kinderen op nummer 10.
Jo Zentveld en Jans Schermer woonden met hun kinderen op nummer 10.

Dirk de Winter verhuurt het huis direct na de oorlog aan Jacob (Jo) Zentveld (1906). Jo is chauffeur, ziekenfondsbode en lid van het kerkbestuur. Hij is in 1932 gehuwd met Jans Schermer. In dit huis groeien hun kinderen op. Jo koopt het huis van Dirk de Winter in 1962 en overlijdt in 1965. Jans gaat in 1969 wonen aan de Martin Luther Kinglaan. Het huis nummer 10 wordt dan overgenomen door hun dochter Hannie Zentveld (1939) met haar man Joop Tromp.

Joop (1937) is chauffeur; rangeerder en later gescheiden van Hannie Zentveld. Hij woont hier tot zijn overlijden in 2018. De erfgenamen verkopen het huis in 2018 aan Joris Kramer en Rose-Anne Dotinga, beiden zijn ontwerper. Zij zijn de huidige bewoners samen met hun kinderen Quinten en Philou.

Dr. Jacobilaan 12

In maart 1925 verkoopt Thijs Dekker een stukje grond van 230 vierkante meter (perceel nummer 241) aan Cornelis (Kees) Orij (1884-1935). Kees is tuinder, werkt later op de centrale bij Duin en Bosch en is getrouwd in 1910 met Adriana (Jane) Hollenberg, toen weduwe van Antonie Orij, een oudere broer van Kees.

Kees laat op dit perceel een huis bouwen en gaat hier wonen met Jane en hun gezin dat weldra zou bestaan uit elf kinderen, waarvan twee uit het eerste huwelijk van Jane. Kees overlijdt in 1935 op 51-jarige leeftijd en het huis komt op naam van Jane Hollenberg (1885-1967). Twintig jaar later in 1955 woont Jane in de Dr. Leenaersstraat en verkoopt het huis aan haar zoon Niek Orij (1916-1990).

In aansluiting op dit artikel zijn de voorouders van Niek Orij in de vorm van een kwartierstaat opgenomen. Dit om aan deze vorm van presentatie meer bekendheid te geven. Niek is kraandrijver bij Hoogovens en gehuwd met Lena Diemel; zij krijgen zes kinderen: Cees†, Hans, Marianne, Rineke†, Rob en Ron. Van Niek Orij wordt in dit jaarboek een overzicht van zijn voorouders gegeven.

In 1979 verkoopt Niek Orij het huis aan Marten Eveleens (1946), personeelsfunctionaris uit Sint-Pancras, die drie jaar later in 1982 het huis verkoopt aan Jikke van der Meulen (1923) uit Ouderkerk aan de Amstel. Opnieuw na drie jaar, in 1985, is er een nieuwe eigenaar; de bewoners worden Erik Gelauff, jeugdbeschermer en Heidi van Brussel, verpleegkundige. Zij wonen hier tot 2003 met hun drie kinderen, Piene, Bente en Fleur.

Daarna blijven de opeenvolgende bewoners relatief kort: vanaf 2003 Bastiaan Kroes, manager bij KLM en Marinke van der Windt, massage-pedicure met hun kinderen Romée, Pim en Mees; vanaf 2010 René Mogge, ondernemer, samen met Stephanie Hain en tenslotte de huidige bewoners sinds 2012 Erick Bakker, regiomanager NS en Bente Akkerman, psycholoog met hun twee kinderen.


Jaarboek 43, pagina 87

Dr. Jacobilaan 14

De aannemerscombinatie Borst-De Groot verkoopt in 1940 twee stukken grond van hun bouwterrein tussen Dr. Jacobilaan en Tetburgstraat en wel 666 vierkante meter aan aannemer Gerard Convent uit Zaandam en 449 vierkante meter aan Gerrit van den Born, beambte van Duin en Bosch. Hierop zullen later de huizen nummers 14 en 16 worden gebouwd.

Aannemer Convent heeft hier in de oorlogsjaren geen bouwactiviteiten ontplooid en dat is niet zo verwonderlijk met de vele afgebroken en leegstaande huizen in de omgeving. Hij verkoopt hetzelfde bouwterreintje in juni 1947 aan Frederik Arnoldus Hoogsteder (1895), een gepensioneerd West-Indische ambtenaar, die dan al in de gemeente woont. Ook Hoogsteder verkoopt het stuk grond als bouwterrein in november 1948 aan Dirk Kaper (1908).

Kaper staat als architect te boek en is hoofd van de Bouwkundige Dienst van Duin en Bosch. Hij is vanaf 1962 in totaal twaalf jaar gemeenteraadslid. Al veel eerder verkoopt hij in 1955 hetzelfde bouwterrein van 666 vierkante meter door aan Jan Smit, boekhouder, die in 1918 in Indonesië is geboren en uit Uitgeest komt. Jan Smit laat omstreeks 1957 het huis met garage bouwen. In dit nieuwe huis woont hij met echtgenote Sjoerdje Hellinghuizer en hier groeien hun zeven kinderen op: Jan, Theo, Carla, Anja, Fred, Arie en Hiltje. Jan Smit verkoopt het geheel in 1975 aan Cornelis van Dijk (1938) uit Beverwijk. Van Dijk is adjunct-accountant en gehuwd met Suzanna Maartje de Jager. Zij wonen er vanaf 1975. Suzanna is in 2015 overleden. Cornelis woont hier nog steeds.

Dr. Jacobilaan 16

Gerrit van den Born (1893) is beambte van Duin en Bosch, verkoopt het bouwterrein in 1953 aan Marie Susanna Bronkhorst (1885), lerares M.O. Engels.
In 1954 wordt op dit perceel een huis, schuurtje en atelier gebouwd, reeds op kosten van de nieuwe eigenaar Maurits Désiré Cappel (1905), gemeenteambtenaar, die de grond met het huis in 1954 koopt. Maurits woont hier tot zijn overlijden in 1980 met zijn echtgenote Johanna Wilhelmina Beukers; zij krijgen zes kinderen. Johanna blijft er na zijn overlijden nog kort wonen. Hun zoon Arthur Herman Cappel (1941), statisticus is vanaf 1984 de bewoner met echtgenote Maria Catharina (Ria) Sijmons; zij hebben twee kinderen.

Dr. Jacobilaan 18

De aannemerscombinatie Borst-De Groot verkoopt in 1937 een stukje grond van 426 vierkante meter aan Pieter Heida (1898), verpleger op Duin en Bosch. Pieter laat hier in 1937 een huis bouwen en gaat hier wonen met echtgenote Lien van Apeldoorn (1904), waarmee hij in 1929 in Castricum trouwt. Lien is verpleegster en is vanaf 1937 pensionhoudster. In dit huis groeien hun vier kinderen op: Lineke, Henk, Piet en Wim. Zoon Henk wordt in 1959 in de atletiek Nederlands kampioen op de 800 meter, daarna ook op de 1000 meter. Hij was vele jaren Nederlands recordhouder op deze afstanden.

Pieter overlijdt in 1980. Lien blijft hier wonen tot 1997; zij is overleden in 2000 in een verpleeghuis in Heemskerk. In 1997 wordt het huis verkocht aan de huidige bewoners Johannes (Jan) Pater, beeldhouwer en Karin Haker, projectleider bij een thuiszorgorganisatie. Zij hebben twee kinderen: Lisette en Maarten. Karin woonde daarvoor op Dr. Jacobilaan 27.

De huizen van de families Heida en Noordover op 18 en 20.

Dr. Jacobilaan 20

Pieter Dorjeé (1880), ambtenaar uit Zaandam, koopt in 1936 een stukje grond van 405 vierkante meter van de aannemerscombinatie Borst-De Groot. Hierop wordt kort daarna het huis nummer 20 gebouwd, waar Pieter gaat wonen met echtgenote Harmke de Jager; hij is dan zonder beroep en overlijdt in 1949. Zijn erfgenamen verkopen het huis met erf en tuin enkele maanden later aan Reinier Cornelis van den Bosch, adjudant rijkspolitie uit Zaandam. Deze is inmiddels gepensioneerd en woont in dit huis als hij het in 1952 verkoopt aan Petrus Lodewijk Dikkes (1891), loodgieter uit Amsterdam. Die gaat hier met zijn vrouw Lena Schipper wonen; zij overlijdt hier eind 1958. In 1962 woont Dikkes in Leiden en verkoopt de woning aan Aad Noordover (1936), timmerman bij Jac. de Nijs, in 1961 gehuwd met Rie Schermer, dochter van Bertus Schermer van de Dr. Jacobilaan 3; zij gaan er in mei 1962 wonen en Aad woont er nog steeds; zijn vrouw is in 2006 overleden. Hier zijn hun drie kinderen geboren: Annemiek, René en Jeroen.

Simon Zuurbier

Bronnen:

  • Archief Gemeente Castricum aanwezig op het Regionaal Archief te Alkmaar;
  • Bevolkingsregisters en Burgerlijke Stand;
  • Kadastrale bronnen over Castricum;
  • Notariële archieven te Alkmaar en Haarlem.

Met dank aan: de (oud-)bewoners van de Dr. Jacobilaan en hun relaties voor de verstrekte informatie.

1 november 2021

Dorpsstraat (2e deel) huisnrs 1–35 (Jaarboek 27 2004 pg 44-57)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 27, pagina 44

De geschiedenis van de Dorpsstraat en zijn bewoners (deel 2)

Dorpsstraat hoek burgemeester Mooijstraat.
Dorpsstraat hoek Burgemeester Mooijstraat. Het Bondshotel van Broksma is nu Brasserie bij Beentjes. Daarachter het Italiaans restaurant la Trattoria. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Huis nummers 1-35

De geschiedenis van de Dorpsstraat, als onderdeel van een hoofdverkeersweg tussen Beverwijk en Alkmaar, gaat ver terug in de tijd. Vroeger verliep de weg buiten het dorp wat anders dan nu, maar het huidige tracé door het dorp, vanaf het kruispunt met de Burgemeester Mooijstraat tot iets voorbij de huidige (in 2004) verkeerslichten is reeds als zodanig te onderkennen op kaarten uit de 17e eeuw. In het vorige jaarboekje werd een aanvang gemaakt met de geschiedschrijving van de Dorpsstraat, die gekarakteriseerd werd als wellicht de meest interessante straat van Castricum, sfeerbepalend voor het dorpscentrum, met zijn kerken, bioscoop, winkels en cafés. Beschreven werd hoe de straat uitgroeide van een rustige landweg tot een straat met een grote verkeersdrukte, waarlangs zich in de periode 1895 tot 1923 zelfs een aantal malen per dag een stoomtram voortbewoog.

Wat betreft de beschrijving van de geschiedenis van de Dorpsstraat is (het) een probleem, dat pas in 1929 de benaming Dorpsstraat werd ingevoerd voor het gedeelte van de Rijksstraatweg tussen de spoorwegovergang en de rooms-katholieke kerk. Het is verwarrend in de beschrijving steeds een onderscheid te moeten maken tussen Rijksstraatweg en Dorpsstraat en daarom is, wat betreft de plaatsaanduiding van de huizen, uitgegaan van de huidige nummering in de Dorpsstraat, hoewel de panden bij hun bouw aan de Rijksstraatweg waren gelegen en anders waren genummerd.

In het vorige artikel werd een aantal huizen met even nummers aan de noordkant van de Dorpsstraat besproken, te beginnen met het pand nummer 2, dat lange tijd onder de naam Funadama bekend was (nu restaurant Jasmin Garden) en eindigend met het pand op de hoek Dorpsstraat-Burgemeester Mooijstraat nummer 42 (nu – in 2004 – Brasserie bij Beentjes). In dit artikel komt de overkant aan bod en wordt een aantal panden met oneven nummers besproken, zoals die zijn aangegeven op de onderstaande plattegrond.

Wanneer, wat dit gedeelte van de Dorpsstraat betreft, wordt teruggegaan in de tijd, dan blijkt dat de grond in een periode voordat de latere bebouwing plaatsvond, voornamelijk gebruikt werd voor tuinbouw en de teelt van bloembollen en planten. Wat betreft de eigenaren van het land, die in de eerste decennia van de 20e eeuw hun grond verkochten voor de grotendeels nog bestaande bebouwing, kunnen vooral worden genoemd Petrus (Piet) Valkering en Adriaan van Lith, die beiden in het vervolg nog ter sprake komen.

Plattegrond daterend uit omstreeks 1935 van het gedeelte van de Dorpsstraat dat onderwerp was van het vorige artikel (de 'even kant'); nu is de 'oneven kant' aan de beurt. De nummering van de huizen komt overeen met de huidige nummering.
Plattegrond daterend uit omstreeks 1935 van het gedeelte van de Dorpsstraat dat onderwerp was van het vorige artikel (de ‘even kant’); nu is de ‘oneven kant’ aan de beurt. De nummering van de huizen komt overeen met de huidige nummering.

Een dubbele villa (nummer 1)

De bebouwing aan het begin van de ‘oneven kant’ van de Dorpsstraat wordt gekarakteriseerd door een aantal opvallende panden, deels nog in vrijwel de oorspronkelijke staat. Men zou kunnen spreken van herenhuizen, met een zeer verschillende architectuur, wat het straatbeeld levendig maakt. Een monumentencommissie sprak nog niet zo lang geleden van ‘rentenierswoningen’: grotere en rijkere woningen, die als voorbeeld kunnen gelden voor de ontwikkeling van Castricum rond 1920.

Villa 'De Geertruida', Dorpsstraat nr 1, omstreeks 1920. Het vooraanzicht is sindsdien weinig veranderd. Links het pand Dorpsstraat nr 3.
Villa ‘De Geertruida’, Dorpsstraat nummer 1, omstreeks 1920. Het vooraanzicht is sindsdien weinig veranderd. Links het pand Dorpsstraat nummer 3.

Als eerste van deze woningen staat direct over de spoorbaan aan het begin van de Dorpsstraat op de hoek met het Schoutenbosch de riante villa, die oud-kapitein Tom Arnold in 1911 liet bouwen op grond die hij had gekocht van bollenkweker Piet Valkering. In het artikel over de Dorpsstraat in het vorige jaarboekje maakten we reeds kennis met Tom Arnold, die in 1906 villa Funadama (later hotel-restaurant Funadama en thans restaurant Jasmin Garden) had laten bouwen en daarin ook tot zijn overlijden in 1919 woonde.

Tom Arnold was niet alleen, zoals wel gesuggereerd, een gezellige pijproker, die volgens de overlevering in trek was bij vrijgezelle dames, maar hij ontpopte zich na zijn pensionering en definitieve vestiging vanuit Batavia in Castricum ook als zakenman, hoewel op bescheiden schaal. Hij trachtte wat te verdienen aan de handel in grond en huizen.

Villa de Geertruida.
Villa de Geertruida. Dorpsstraat 1 en 1a in Castricum, 2010. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Een opvallende gevelsteen in de voorgevel van het pand toont een afbeelding van een scheepje en de naam ‘De Geertruida’. Een gevelsteen aan de zijkant van de villa toont als tekst: “14 April 1911 werd de eerste steen gelegd door Charlotte van den Hoeven, oud 13 jaar.” Tom Arnold, die niet getrouwd was en ook geen kinderen had, gold in zijn familie als de kindervriend oom Tom en het wekt dan ook


Jaarboek 27, pagina 45

geen verwondering dat de beide vernoemingen betrekking hadden op twee van zijn nichtjes: Charlotte van den Hoeven als dochter van zijn zuster Rebecca, die getrouwd was met de hervormde predikant Cornelis van den Hoeven en Geertruida Arnold als dochter van zijn broer Johannes. De naam Geertruida komt overigens meermalen voor in de familie en wat de naamgeving betreft heeft Tom Arnold wellicht ook gedacht aan zijn moeder, Geertruida Rebecca Tacke.

Waarom Tom Arnold een tweede huis liet bouwen, terwijl hij comfortabel in villa Funadama aan de overkant woonde, is niet geheel duidelijk. Bouwtekeningen spreken van een ‘dubbelvilla’, wat suggereert dat het huis bedoeld was voor gescheiden bewoning door twee gezinnen. Waarschijnlijk liet hij de villa bouwen voor zijn halfbroer Pieter Arnold, die bij zijn vestiging in Castricum net als hij een carrière achter de rug had als kapitein. Pieter Arnold en zijn familie komen hierna nog ter sprake, want zij verhuisden in 1918 naar een villa die hij even verderop had laten bouwen (Dorpsstraat nummer 7), waarna Tom Arnold ‘De Geertruida’ verkocht aan graanhandelaar Jan de Haas, die er zelf niet gewoond zal hebben, want hij verkocht het pand vrijwel direct aan Rudolf Mees, waarnemend geneesheer-directeur van Duin en Bosch.

Of Mees er met zijn gezin heeft gewoond is niet duidelijk. Volgens gegevens van de Burgerlijke Stand vestigde het gezin Mees zich bij de komst naar Castricum in 1915 in een ‘doktersvilla’ aan de Van Oldenbarneveldweg. Zijn in Castricum geboren zoon Rudolf Mees herinnert zich ook alleen maar Bakkum, waar hij op school ging. Er is dus wat de bewoning van de villa betreft een ‘zwart gat’ in een periode na 1918, maar wat zeker is, is dat de ene helft van de villa in 1923 door Mees werd verhuurd aan de uit Alkmaar afkomstige notaris Jacob Stuyt en de andere helft in 1924 aan ene Albert Jüdell.

Het gezin van notaris Stuyt omstreeks 1926. V.l.n.r.: Lotte, Tom, vader Jacob Stuyt, Jan, Henk, Job en moeder Engelina van den Brink.
Het gezin van notaris Stuyt omstreeks 1926. Van links naar rechts Lotte, Tom, vader Jacob Stuyt, Jan, Henk, Job en moeder Engelina van den Brink.

Deze Jüdell, destijds een conservenfabrikant met een fabriek in Limmen, was een telg uit een gefortuneerde Amsterdamse familie van koffiehandelaren, onder meer in het bezit van het landgoed ‘De Karperton’ bij Bergen. Toen Albert Jüdell in Castricum ging wonen, was hij 30 jaar en getrouwd met Catharina Johanna Zeewold. Zijn twee kinderen werden in Castricum geboren.

Toen de familie Jüdell in 1927 naar Alkmaar vertrok, zag Stuyt zijn kans schoon om het pand te kopen, want Mees verruilde Castricum voor Santpoort, waar hij was benoemd tot geneesheer-directeur van het Provinciaal Ziekenhuis aldaar. De dubbele villa was uiteraard geknipt voor notaris Stuyt, want in de ene helft (1a) kon hij zijn kantoor vestigen, terwijl de andere helft als woonhuis kon dienen voor zijn gezin, dat vijf kinderen telde. Nog in 1927 liet hij aan de zuidzijde van de villa een entree naar zijn kantoor maken en aan de oostgevel liet hij een serre aanbouwen. Jacob Stuyt was zijn loopbaan begonnen als kandidaat-notaris in Alkmaar en als zodanig had hij ook enige tijd stage gelopen bij notaris Heenk in Castricum. Nog levende nazaten kenschetsen notaris Stuyt als een rustige man, die niet de indruk wekte het overmatig druk te hebben, want hij lag zomers nog al eens in de tuin te slapen en moest door een medewerker worden gewekt als er een klant in zijn kantoor was gearriveerd. Hij overleed in 1938 op 57-jarige leeftijd en werd bijgezet in een familiegraf op het kerkhof van de Pancratiuskerk.

Zijn weduwe Engelina Stuyt-van den Brink zat niet bij de pakken neer en verhuurde het kantoorgedeelte van de villa in 1939 aan de Rijksgebouwendienst, die er de staf van een luchtafweercompagnie huisvestte. Over de in verband met de oorlogsdreiging gemobiliseerde Nederlandse militairen, die niet alleen aan de oostgrens, maar in het kader van de neutraliteitspolitiek ook langs de kust verbleven en deels ingekwartierd waren in Castricum, schreef in december 1939 onze plaatsgenoot W.E. van Keeken, destijds verplegingsofficier, in de plaatselijke krant:

“Door medewerking van verschillende kanten hebben alle militairen gelegerd te Castricum genoeglijke kerstdagen meegemaakt. Mag ik nog uw hulp inroepen om ook oudejaarsavond voor hun op te vrolijken. Bak wat meer oliebollen en stel deze voor onze bewakers beschikbaar, dan zal zeker geen dezer met een lege maag het jaar 1940 in behoeven te gaan. De totale sterkte, van luchtdoelartillerie en kustwacht te zamen, bedraagt 31 december ongeveer 120 man. Ieder, die daartoe genegen is wordt verzocht hare bijdrage, op 30 of 31 december af te geven bij ‘Hotel Broksma’ en van tevoren zo mogelijk nog even schriftelijk of telefonisch opgave te doen aan onderstaand adres op hoeveel stuks wij mogen rekenen.”

De oliebollenactie zal ongetwijfeld een succes zijn geweest, want de hier gelegerde Nederlandse militairen waren zeer populair. Dat blijkt bijvoorbeeld uit herinneringen van de bejaarde broers Stuyt, destijds 15 en 20 jaar, die zich vooral de periode van inkwartiering voor de geest wisten te halen en zelfs de namen van de militairen nog wisten te reproduceren. De inkwartiering kan gezien het oorlogsverloop slechts vrij kort hebben geduurd, maar niettemin: “het waren enorm gezellige kerels.” Een van deze gebroeders Stuyt, Henk Stuyt, die lange tijd elders in de provincie als notaris werkzaam was en met wie geanimeerde gesprekken werden gevoerd over zijn jaren in Castricum, overleed in maart 2003 en werd bijgezet in het graf van zijn ouders naast de Pancratiuskerk.

In de eerste jaren van de Duitse bezetting telde de villa nog enige tijd een extra bewoner in de persoon van Charles de Roy van Zuidewijn, de echtgenoot van dochter Charlotte Stuyt. In januari 1943 werd het gezin Stuyt in het kader van maatregelen die in het vorige artikel


Jaarboek 27, pagina 46

over de Dorpsstraat zijn beschreven, door de bezetter uit huis gezet en werden er opnieuw militairen, nu Duitsers, ingekwartierd. Eind 1944 wist Thomas Stuyt toestemming van de toenmalige Castricumse burgemeester Masdorp voor reëvacuatie te verkrijgen en zo keerde het gezin in december 1944 vanuit Amsterdam weer in de Dorpsstraat terug. Het huis was wel verwaarloosd. Zo trof men in het kantoorgedeelte een grote partij cokes aan, wat overigens goed van pas kwam.


Na de oorlog, omstreeks 1948, verhuurde mevrouw Stuyt dit gedeelte van de villa aan de rijkspolitie. Het politiebureau was op de begane grond, terwijl de bovenverdieping diende als onderkomen voor de commandant. In de periode 1951 tot 1962 wordt als zodanig genoemd Theo Eibers.

Mevrouw Stuyt-van den Brink overleed in 1959. De erfgenamen verkochten het gehele pand in 1960 aan de 43-jarige Jan Staal; die kwam van Dorpsstraat 79, waar hij als slager gevestigd was en boven zijn winkel woonde. Het gezin van Staal had in zijn nieuwe behuizing aanvankelijk nog de politie als buur, maar toen deze in 1963 verhuisde naar de Brink, werd dat gedeelte van de villa verkocht aan Theo Bleijendaal, een onroerend goedhandelaar, die onder meer bekendheid kreeg als eigenaar van ‘De Harmonie’ in de Burgemeester Mooijstraat (later een Chinees restaurant). Hij werd bovendien allerwegen geroemd over zijn aankoop van de panden hoek Burgemeester Mooijstraat-Dorpsstraat en het aangrenzende café De Stiefel, omdat hij deze panden wist te behoeden voor sloop en liet restaureren.

Na de dood van Jan Staal in 1992 voelde zijn weduwe zich op den duur niet meer op haar gemak in de grote woning aan de Dorpsstraat en verkocht zij haar gedeelte in 1997 aan de familie De Bont. Het gedeelte dat werd bewoond door de familie Bleijendaal werd na de dood van Theo in 1997 verkocht aan de familie Kalshoven. Opvallend is dat de dames Staal en Bleijendaal nog steeds buren zijn, maar nu (in 2004) in het flatgebouw naast de tuin van kapitein Rommel, dat in de wandeling ‘Het Kasteel’ wordt genoemd.

Foto uit 1977 van een drietal karakteristieke panden aan het begin van de Dorpsstraat, van rechts naar links de nummers 3, 5, en 7.
Foto uit 1977 van een drietal karakteristieke panden aan het begin van de Dorpsstraat, van rechts naar links de nummers 3, 5, en 7.

Twee ‘herenhuizen’ (nummers 3 en 5)

De villa Dorpsstraat nummer 3 werd gebouwd in 1912 in opdracht van Jan Baas, destijds directeur van stoomzuivelfabriek De Holland op de hoek van het Schoutenbosch en de Breedeweg. Het gezin van Jan Baas telde vier personen, waaraan de villa dus een riant onderkomen zal hebben geboden. Op de persoon Jan Baas, die later behalve directeur ook eigenaar van de zuivelfabriek werd, zullen wij hier niet verder ingaan, want daarover is uitvoerig geschreven in een artikel over de geschiedenis van de zuivelfabriek in ons 20e jaarboekje.

Jan Baas overleed in 1954 op 72-jarige leeftijd. Zijn weduwe Maria Baas-Vis bleef in de villa wonen. Zij overleed in 1974 op 87-jarige leeftijd, waarna het huis in het bezit kwam van de familie Kooijman, eigenaars en exploitanten van het vrijwel ernaast gelegen garagebedrijf, Dorpsstraat nummer 7.

In 1909 begon voor Castricum de geschiedenis van de psychiatrische inrichting Duin en Bosch. Na een lange periode van voorbereiding kwamen in dat jaar de eerste patiënten. Niet alleen nam het aantal patiënten snel toe, maar evenredig groeide ook de behoefte aan verplegend en administratief personeel. Duin en Bosch rekruteerde in zijn beginperiode behalve in Castricum ook veel personeel van buiten.

Villa de Wyde Blick.
Villa de Wyde Blick. Dorpsstraat 5 in Castricum, 2010. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Deze gang van zaken maakt ook deel uit van de geschiedenis van de ‘Wyde Blick’, de villa Dorpsstraat nummer 5 met als stichter een zekere Geert Middelveld, die kort na zijn huwelijk met Antje Tijs in 1910 vanuit Drenthe naar Castricum kwam om daar een betrekking als kantoorbediende op Duin en Bosch te aanvaarden. Hij woonde overigens na zijn komst naar Castricum met zijn vrouw eerst nog enkele jaren in een woning aan de overkant (nummer 14), maar verhuisde al spoedig naar de villa die hij in 1914 had laten bouwen op grond die hij had gekocht van de bloemist en bollenkweker Piet Valkering. Sindsdien woonden er onafgebroken leden van de familie Middelveld.

Geert Middelveld jr., bezig met het schilderen van bloemen, een van zijn geliefkoosde onderwerpen.
Geert Middelveld junior, bezig met het schilderen van bloemen, een van zijn geliefkoosde onderwerpen.

De in 1912 geboren zoon Geert Middelveld junior, die de kost verdiende als reclameschilder, kreeg in Castricum vooral bekendheid als kunstschilder. Zijn werk siert nog menig Castricums huis en in 1977 trok een tentoonstelling van zijn schilderijen met als titel ‘de bloem als vertroosting’ in Castricum veel belangstelling. Hetzelfde geldt voor een tentoonstelling in maart 1980 van zijn schilderijen in ‘De Vest’ (Alkmaar), met als onderwerp ‘landschappen en bloemen’, naar aanleiding waarvan Geert in de plaatselijke pers werd gekarakteriseerd “als een bijzonder man, een echt natuurmens, die tracht scheppend bezig te zijn en geestelijke inhoud aan zijn werken te geven”.

Het uiterlijk van de villa is sinds de bouw slechts weinig veranderd, alleen de dakkapel is van een latere datum. Veel Castricummers zullen zich nog de grote vogel herinneren, die Middelveld op de witte westkant van zijn huis had geschilderd. Als schilder had hij graffiti-neigingen en kon hij witte vlakken niet weerstaan. De schildering, die nog op een foto uit 1977 zichtbaar is, verdween toen het huis


Jaarboek 27, pagina 47

later werd overgeschilderd. Geert Middelveld overleed in 1987. Zijn weduwe, Grietje Middelveld-Tammes, heeft tot in 2004 in dit huis aan de Dorpsstraat gewoond en het nu verruild voor De Santmark.

Huize Elizabeth, Dorpsstraat 7, omstreeks 1920.
Huize Elizabeth, Dorpsstraat 7, omstreeks 1920.

Van woonhuis tot garage (nummer 7)

Op het adres Dorpsstraat nummer 7 was, zoals nog veel Castricummers zich zullen herinneren, lange tijd een garagebedrijf gevestigd en ook thans (in 2004) draagt het pand hiervan nog de littekens. Het behoorde aanvankelijk ook tot de categorie ‘herenhuizen’ en werd gebouwd in 1917 in opdracht van Pieter Arnold en zijn vrouw Anna van Duijn, die, voor zij er met hun gezin hun intrek namen, woonachtig waren op het adres Dorpsstraat nummer 1. Oude foto’s van de villa in zijn oorspronkelijke staat tonen inderdaad een stijlvol herenhuis met boven in de voorgevel de naam ‘Elizabeth’, een vernoeming naar Elizabeth Mus, de moeder van Anna van Duijn.

Pieter Arnold werd in 1861 in Huizen geboren. Hij was evenals zijn halfbroer Tom Arnold, waarmee in het voorgaande kennis werd gemaakt als stichter en bewoner van de villa Funadama, kapitein bij de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM), die lijndiensten onderhield tussen de eilanden van het toenmalige Nederlands-lndië.

Pieter en Tom Arnold hadden een gemeenschappelijke vader, de Amsterdammer Pieter Arnold, die ook kapitein was op de grote vaart en die daarmee hun beroepskeuze voor de scheepvaart ongetwijfeld zal hebben geïnspireerd. Zij hadden echter door de twee huwelijken van hun vader, in 1857 in Lisse met Jacoba Affourtit en in 1867 met de in Amsterdam geboren Geertruida Tacke, niet dezelfde moeder.

Pieter Arnold junior was in 1891 in Rotterdam getrouwd met de in Zierikzee geboren Anna van Duijn. Zijn woonplaats was lange tijd Batavia, waar zijn drie zonen werden geboren, maar sinds ongeveer 1895 had hij ook een pleisterplaats in Castricum, een niet meer bestaand huis aan de Kramersweg (later Burgemeester Mooijstraat). Pieter Arnold overleed in 1922 en daarmee werd hem veel leed bespaard, want zijn familie, die in een aantal opzichten zeker een Castricumse familie genoemd kan worden, kent een zeer tragische oorlogsgeschiedenis, waaraan in een afzonderlijk kader (hieronder) aandacht wordt geschonken.

Het gezin van Pieter Arnold omstreeks 1920 in nog gelukkige tijden bijeen in de tuin van hun huis aan de Dorpsstraat. Van links naar rechts: Theo Arnold, Marianne Pach (vrouw van Theo), Piet Arnold, Marijtje Ewald (vrouw van Piet), moeder Anna van Duijn, Anna Arnold, vader Pieter Arnold en Johan Arnold.
Het gezin van Pieter Arnold omstreeks 1920 in nog gelukkige tijden bijeen in de tuin van hun huis aan de Dorpsstraat. Van links naar rechts: Theo Arnold, Marianne Pach (vrouw van Theo), Piet Arnold, Marijtje Ewald (vrouw van Piet), moeder Anna van Duijn, Anna Arnold, vader Pieter Arnold en Johan Arnold.

De familie Arnold werd zwaar getroffen in de Tweede Wereldoorlog

Kort na de verrassingsaanval van Japan op Pearl Harbour en de oorlogsverklaring begin december 1941 aan de Verenigde Staten en het Britse Rijk, werd ook Nederland in de oorlog tegen Japan betrokken door een oorlogsverklaring die uitging van de in 1940 naar Londen uitgeweken regering.

De Japanners richtten al snel hun vijandelijkheden op Nederlands-Indië en hoewel het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en de marine, in samenwerking met de geallieerden, vaak hevige weerstand boden, hadden de Japanners eind maart 1942 het gehele Rijksdeel in handen.

In die periode bevonden zich twee zonen van de in 1922 in Castricum overleden oud-scheepsgezagvoerder Pieter Arnold in Nederlands-lndië. Piet Arnold, in 1920 in Castricum gehuwd met Marijtje Ewald, was bij het uitbreken van de oorlog met Japan sinds korte tijd in dienst bij de Shell als assistent bij de Seismische dienst op Oost-Java. Daarvoor was hij, in navolging van zijn vader, werkzaam als scheepskapitein bij de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM), die lijndiensten onderhield tussen de eilanden van de Indische archipel. Zijn broer Johan Arnold was werkzaam als stuurman bij de KPM.

Schepen van de KPM werden na het uitbreken van de oorlog al dadelijk in het krijgsgewoel betrokken, want zij trachtten zo goed mogelijk de pakketvaart tussen de eilanden gaande te houden en verzorgden nu ook militaire transporten, waardoor zij doelwit werden van Japanse oorlogsschepen. Om enigszins tegenspel aan de Japanners te bieden werd een aantal schepen licht bewapend, met een kanon en enkele mitrailleurs en er kwamen ook militairen aan boord.

Er zijn verschillende verhalen opgetekend van heldhaftige acties van KPM-scheepsbemanningen tegen de overmachtige Japanse oorlogsschepen. Maar deze betrokkenheid van koopvaardijschepen bij de oorlogsvoering bleek later een keerzijde te hebben.

Toen de Japanse bezetting een feit was, werden niet alleen militairen tot krijgsgevangenen verklaard, maar in strijd met de derde Conventie van Genève (die de Japanners niet hadden geratificeerd) ook een aantal Nederlandse opvarenden van de koopvaardijschepen, speciaal de scheepsofficieren.

Ook de beide broers Arnold trof dit lot, wat betekende dat ze niet, zoals veel Indische Nederlanders, in een ‘normaal’ interneringskamp terechtkwamen, maar in kampen waar krijgsgevangenen tot zware arbeid voor de Japanners werden gedwongen. In 1942 werden groepen krijgsgevangenen aan het werk gezet op Ambon en enkele omringende eilandjes bij de aanleg van vliegvelden. Ook Piet en Johan Arnold kwamen hier terecht.

In de kampen waar de slavenarbeiders werden ondergebracht in bamboehutten, heersten erbarmelijke omstandigheden en hielden sadistische bewakers de gevangenen onder de duim. Veel krijgsgevangenen werden ondervoed en ziek. Ook Johan Arnold was niet tegen de omstandigheden opgewassen en stierf in 1943 op 44-jarige leeftijd in het kamp aan tyfus.

Toen de aanleg van het vliegveld was voltooid, werd de nog in leven zijnde Piet Arnold in november 1943 met 350 andere, in


Jaarboek 27, pagina 48

slechte conditie verkerende krijgsgevangenen, aan boord gebracht van het Japanse vrachtschip Suez Maru, om naar Java te worden getransporteerd. Op 29 november 1943 werd het schip, waarvan in strijd met internationale conventies op geen enkele wijze duidelijk was dat het krijgsgevangenen vervoerde, terwijl er ter reparatie wel een vliegtuig op het voordek stond, in de Java Zee getorpedeerd door de Amerikaanse onderzeeboot Bonefish. Slechts één Amerikaanse krijgsgevangene overleefde, en zo stierf op deze dag ook Piet Arnold.

Hij was toen 47 jaar De nabestaanden van Johan en Piet, waaronder kinderen uit twee huwelijken van Piet Arnold, hebben dit verlies van twee naaste familieleden in een korte tijd, slechts moeilijk kunnen verwerken.

Na de oorlog moest de commandant van een Japanse mijnenveger, die de getorpedeerde Suez Maru vergezelde en die in strijd met alle oorlogsrecht opdracht zou hebben gegeven overlevenden die zich in het water en in sloepen bevonden te mitrailleren, zich wegens deze oorlogsmisdaad voor een bijzonder gerechtshof verantwoorden. Hij werd vrijgesproken.

De villa Dorpsstraat 7, kort na de gedeeltelijke verbouw tot garagebedrijf. Op de plaats in de voorgevel, waar eerder als naam 'Elizabeth' stond aangegeven, staat nu 'Agnes'.
De villa aan de Dorpsstraat 7, kort na de gedeeltelijke verbouw tot garagebedrijf. Op de plaats in de voorgevel, waar eerder als naam ‘Elizabeth’ stond aangegeven, staat nu ‘Agnes’.

Anna van Duijn verkocht na het overlijden van haar echtgenoot de woning aan een zekere Johan Arnhardt, een fabrikant van chocolade, die zich in december 1922 vanuit Velsen met zijn vrouw Wilhelmina Agnes Wahl in de villa vestigde. Het echtpaar had geen kinderen. Eind 1930 vertrok Johan Arnhardt – zijn vrouw was in 1927 in Castricum overleden – naar Bloemendaal en de villa, waarvan hij de naam zoals uit foto’s blijkt, had laten veranderen van ‘Elizabeth’ in ‘Agnes’, werd verkocht aan de 28-jarige, uit Heiloo afkomstige Piet van Maarleveld. Hiermee ving de periode aan waarin een deel van de villa aan zijn woonfunctie werd onttrokken en verbouwd tot garagebedrijf, de N.V. Autogarage Homa. Hiervoor werd niet alleen een deel van de villa opgeofferd, maar ook een gedeelte van de tuin aan de achterkant, waar het garagegedeelte werd uitgebouwd.

Uitnodiging voor de opening van garage Homa.
Uitnodiging voor de opening van garage Homa. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Arie Hoogland, een uit Amerika overgekomen zwager van Piet van Maarleveld, was een korte periode zijn compagnon en uit hun beider achternaam werd de naam Homa geconstrueerd. De hinderwetvergunning spreekt van het oprichten van een autogarage en herstelwerkplaats met showroom en werd in feite verleend aan de NV American Petroleum Company, waarbij Van Maarleveld genoemd wordt als representant van deze firma. In 1932 werd aan dezelfde firma een hinderwetvergunning verleend voor het oprichten van een ‘ondergrondse benzinebewaarplaats met aftap-inrichting’, wat betekent dat er toen een benzinepomp in het straatbeeld verscheen.

Van Maarleveld was gehuwd met Neeltje Pascha, die kort geleden (red: gerekend vanaf 2004) op hoge leeftijd in Castricum is overleden. Dochter Simona herinnert zich nog dat het gezin aanvankelijk naast de garage woonde, in het gedeelte met de erker op de begane grond. Later onderging het pand opnieuw een gedaanteverwisseling: de benedenwoning werd als kantoor ingericht en de erker werd, zie het huidige pand, naar de bovenwoning verplaatst!

Van Maarleveld was een bekende Castricummer. Hij genoot op den duur waarschijnlijk nog meer bekendheid als brandweerman dan als garagehouder. Een krantenartikel uit 1996, met een terugblik op zijn garagebedrijf, noemt hem een legendarische brandweercommandant, een functie die hij van 1959 tot 1964 uitoefende, nadat hij een lange periode, vanaf 1945, ondercommandant was geweest. Wat de functie van commandant van de vrijwillige brandweer inhield, blijkt bijvoorbeeld uit een verslag over het jaar 1962. In dat jaar gaf Van Maarleveld leiding aan 18 man en rukte de brandweer 14 maal uit, waaronder naar een beruchte brand in de Nederlands hervormde kerk, die veel schade aanrichtte, wat helaas ook door Van Maarleveld en zijn brandweer niet was te voorkomen. Verder was Van Maarleveld in zijn functie van brandweercommandant betrokken bij het adviseren van het gemeentebestuur en diverse Castricumse organisaties en bedrijven over de brandveiligheid.

Van Maarleveld overleed in 1964 op nog slechts 61-jarige leeftijd aan een ernstige ziekte en werd door zijn mannen met korpseer begraven.


Jaarboek 27, pagina 49

Dorpsstraat met rechts automobielbedrijf Gebroeders Kooijman B.V.
Dorpsstraat met rechts automobielbedrijf Gebroeders Kooijman B.V. Dorpssraat 7 in Castricum, 1966. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De garage was reeds voor het overlijden van Van Maarleveld, die inmiddels met zijn gezin boven de brandweergarage was gaan wonen, in 1956 verkocht aan Gerrit Kooijman, wat het begin betekende van een lange periode waarin de naam Kooijman aan het garagebedrijf verbonden bleef, eerst door genoemde Gerrit Kooijman en later door de zonen Joep en Pieter Kooijman. De ligging aan de drukke Dorpsstraat was op den duur niet ideaal, wat er toe leidde dat de ondernemende gebroeders Kooijman elders in Castricum activiteiten gingen ontplooien, onder meer aan de Soomerwegh en de Beverwijkerstraatweg.

In 1996 trok het garagebedrijf zich definitief terug uit de Dorpsstraat. Na enkele jaren leegstand is het pand nu weer bewoond, terwijl ook de vroegere garage een andere bestemming heeft gekregen. Het garagegedeelte is nu afgesloten, waardoor een wat doods aandoend pand is ontstaan, dat weinig meer herinnert aan het levendige garagebedrijf en nog minder aan de oorspronkelijke fraaie villa.

Vooraanzicht van de villa Dorpsstraat 9 op de oorspronkelijke bouwtekening uit 1920.
Vooraanzicht van de villa Dorpsstraat 9 op de oorspronkelijke bouwtekening uit 1920.

Nog een ‘herenhuis’ (nummer 9)

De villa Dorpsstraat nummer 9, die architectonisch wel wat gelijkenis vertoont met het oorspronkelijke pand nummer 7 – ook met een dominante erker met balkon – werd in 1921 gebouwd in opdracht van Jan Koopman, voormalig eigenaar van het bekende hotel-café-restaurant ‘De Rustende Jager‘ en bovendien actief op de huizenmarkt, waarvan in het voorgaande al enkele voorbeelden zijn genoemd. Overigens tonen kadasterkaarten dat dezelfde plek al circa 1900 bebouwd was met wat eerst een woonhuis en later een werkplaats wordt genoemd, met als eigenaar Petrus Valkering, die in het vervolg nog wordt genoemd. Er vond dus afbraak plaats voordat met nieuwbouw werd begonnen. Jan Koopman vestigde zich met zijn vrouw Cornelia Schouten en drie dochters in de nieuwe woning, nadat hij in 1920 zijn horecabedrijf had verkocht.

Het begin van de Dorpsstraat met trambaan.
Het begin van de Dorpsstraat met trambaan, links het begin van de Stationsweg. De villa nummer 7 rechts met daarnaast herenhuis nummer 9. Nummer 9 is in 1921 gebouwd in opdracht van Jan Koopman, voormalig eigenaar van het bekende hotel-café-restaurant ‘De Rustende Jager’ en bovendien actief op de huizenmarkt. Foto van circa 1925. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De nog pas 40-jarige Jan Koopman kon zich na zijn drukke bestaan als hotel- en café-eigenaar nu geheel concentreren op zijn financiële zaken. Zijn werkzaamheden in die tijd worden omschreven als inspecteur van een hypotheekbank en taxateur. Ook was hij actief als verkoper van Nederlandse Staatsloten. Mevrouw Eggers, die reeds eerder werd geciteerd om de korte impressies van de Dorpsstraat die zij in 1981 in het Nieuwsblad voor Castricum publiceerde, schreef over deze loterijactiviteiten: “Jan Koopman was de man van de loterij. De prijzen kreeg hij zelf, de nieten kregen wij.”

In november 1943 moest de familie Koopman het huis verlaten om plaats te maken voor Duitse militairen en men vertrok naar Oldenzaal, om in juni 1945 weer in Castricum terug te keren. Op het vertrouwde adres werd in 1946 het veertigjarig huwelijksfeest gevierd. In 1958 overleed Cornelia Koopman-Schouten op 76-jarige leeftijd en kort daarop vertrok Jan Koopman definitief naar Oldenzaal.

Hij verkocht het pand aan Petrus Bakker, die zijn naam eer aan deed met het bakkersbedrijf op de hoek Burgemeester Mooijstraat-Stationsweg. Na het overlijden van Petrus Bakker in 1964 bleef zijn weduwe met enkele van haar kinderen in het pand aan de Dorpsstraat wonen. Geertruida overleed in 1991, maar de naam Bakker bleef aan het pand verbonden, want vandaag de dag (in 2004) woont er nog een van haar zonen.

Recente foto van de boerderij Dorpsstraat 11, nadat werd gestopt met de verkoopactiviteiten van planten en tuinartikelen.
Recente foto van de boerderij Dorpsstraat 11, nadat werd gestopt met de verkoopactiviteiten van planten en tuinartikelen.

Een boerderij (nummer 11)

We zullen het pand Dorpsstraat 11, met de naam ‘Finus Coronat Opus’ (het einde bekroont het werk), waar nog niet zolang geleden de bekende bloemisterij van Jan Twisk was gevestigd, een boerderij noemen, hoewel niemand kan zich herinneren dat er ooit een stal in het pand was waar koeien hebben gestaan.

Het is waarschijnlijk het oudste nog bestaande pand aan deze kant van de Dorpsstraat. Kadastergegevens suggereren dat het pand in 1891 of 1892 moet zijn gebouwd. Het droeg toen kadasternummer B1692 en lag, te oordelen naar de bijbehorende kadasterkaart, inderdaad eenzaam in het omringende land.

Als eerste bewoner en waarschijnlijk ook de stichter van de boerderij komt naar voren ene Otto Kehl, die in 1827 in Alkmaar was geboren en zich met zijn gezin omstreeks 1870 vanuit Alkmaar in Castricum had gevestigd. De naam Kehl (volgens een nog levende nazaat in Castricum als Kel en elders als Keel uitgesproken) lijkt geen Nederlandse naam en dat klopt, want de oorsprong van de familie ligt in Duitsland van waaruit de Nederlandse stamvader van de familie Kehl zich in Alkmaar vestigde. Als één van de beroepen van Otto Kehl wordt broodbakker genoemd, maar het is niet duidelijk of hij dit beroep nog in Castricum heeft uitgeoefend. Dat zou overigens heel goed kunnen, want zijn in Alkmaar geboren zoon Nicolaas Kehl wordt ook broodbakker genoemd en was als zodanig in Castricum gevestigd op een adres in de Kerkbuurt.


Jaarboek 27, pagina 50

Genoemde Otto Kehl schijnt in Castricum in elk geval het beroep van broodbakker te hebben geruild voor bloemkweker, waartoe hij rond de boerderij een groot stuk land had aangekocht. Niet lang na het overlijden in januari 1894 van zijn vrouw, Aafje Zonjee, verhuisde hij met zijn nog thuis wonende kinderen naar een niet meer bestaand pand verderop in de Dorpsstraat, ter hoogte van het huidige Corso-theater, waar hij een bloemenzaak begon.

De traditie van de handel in bloemen werd voortgezet door zoon Jan Kehl, die in 1922 op ongeveer dezelfde plaats in een nieuw gebouwd pand de bloemenzaak begon, die in 1935 door Cools werd voortgezet en nog steeds (in 2004) onder deze naam bestaat. De boerderij en het omringende land verhuurde Otto Kehl aan de Castricumse bloemkweker Bernardus Res en zijn vrouw Trijntje Fraijman.

Van deze Res is bekend dat hij het kweken van bloemen al spoedig opgaf om een nieuw bestaan op te bouwen als gemeenteontvanger en later als bankier van de Boerenleenbank. Dat zou dan kloppen met het feit dat zich reeds in 1900 nieuwe bewoners van de boerderij aandienden in de personen van de uit Limmen afkomstige bollenkweker Piet Valkering met zijn echtgenote Agaath Heere, met wie hij in dat jaar getrouwd was.

Ernstig kijkende gemeentebestuurders, met naast burgemeester Lommen, van links naar rechts: Piet Valkering, Gerrit Kuijs en Gerrit Louter.
Ernstig kijkende gemeentebestuurders, met naast burgemeester Lommen, van links naar rechts: Piet Valkering, Gerrit Kuijs en Gerrit Louter.

Valkering bouwde een aanzienlijk bezit aan land op voor het telen van bloembollen, binnen het dorp aan de oostkant van de Rijksstraatweg en op de Zanderij. Hij stond bekend om zijn fabelachtige kennis van dit gewas. Hij onderscheidde vrijwel feilloos de diverse soorten bollen, als partijen door elkaar waren geraakt en ook zieke bollen haalde hij er vlot tussenuit.

Hiermee was hij zijn tijd ver vooruit, want nog niet lang geleden publiceerde het Noord-Hollands Dagblad over een machine die middels röntgenstraling zieke bollen van gezonde kan onderscheiden, waarmee volgens de krant een vraagstuk dat al honderd jaar speelt, zou zijn opgelost. Het toeval wil dat het apparaat ‘de machine van Valk’ wordt genoemd, maar dat slaat niet op Valkering maar op de uitvinder Hans Valk uit Lisse. Piet Valkering was ook actief in de politiek. Zo maakte hij tijdens de ambtsperiode van burgemeester Lommen (1918-1936) enige tijd deel uit van het gemeentebestuur.

Door crisisomstandigheden en water- en vorstschade gedurende twee opeenvolgende jaren ging het bollenbedrijf van Valkering ten gronde. Om de schade te beperken verkocht hij achtereenvolgens stukken van zijn land aan de Rijksstraatweg ten behoeve van de woningbouw, waaronder enkele van de villa’s die in dit artikel ter sprake komen. Ook bleef hij actief in de bloembollenhandel als commissionair en hij werd vanwege zijn deskundigheid bovendien door vele bollenkwekers nog vaak ingehuurd.

Het woonhuis van Piet Valkering kwam via enkele tussenpersonen, waaronder de zich inmiddels makelaar noemende Johannes Koopman, in 1922 in het bezit van Simon Twisk, die er na zijn huwelijk met Jacoba Hendriks – hij was toen 23 jaar – ging wonen. Met zijn toen nog thuis wonende broer Gerrit Twisk legde hij de grondslag voor de firma die bekend werd onder de naam ‘Gebroeders Twisk, bloembollenkwekers en handelaars’.

In 1922 kreeg Simon Twisk vergunning om achter het huis een schuur te bouwen, die echter reeds een jaar later door brand werd verwoest. Het verhaal wil dat in de schuur toen varkens werden gehouden, die in paniek over de Dorpsstraat renden, wat tot een grote consternatie in het Dorpscentrum aanleiding heeft gegeven. Kort daarop kwam de grote bollenschuur tot stand, die er tot vandaag de dag (in 2004) nog staat en die, als een geluk bij een ongeluk, goed van pas kwam toen de gebroeders Twisk bollengrond in de Zanderij in gebruik namen, een gebied genaamd de Bulb, dat zij hadden gekocht van een Amerikaans bedrijf dat daar enkele jaren, zonder commercieel succes, bollen had geteeld.

De boerderij van Jan Twisk.
De boerderij van Jan Twisk. Dorpsstraat 11 in Castricum, 2005. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1929 viel de firma van de gebroeders Twisk uiteen en verhuisde Simon Twisk, die wel de Bulb bleef beheren, naar Stationsweg nummer 11 en betrok Gerrit Twisk, die in dat jaar gehuwd was met Geertruida Meijne, de boerderij aan de Dorpsstraat. In 1950 werd vergunning verleend voor de uitbreiding van de woning met een garage en een bijkeuken. Gerrit Twisk overleed in 1975. Zijn zoon Jan Twisk nam het bedrijf, dat zich inmiddels had gespecialiseerd op de handel in planten en bloemen, in 1972 over. Hij liet in 1988 de voorgevel, vooral de raampartij, veranderen, wat zeker geen verslechtering kan worden genoemd. Hoewel sinds kort gestopt met het bedrijf, wonen Jan Twisk en zijn vrouw er nog steeds.

De boerderij van Jan Twisk met planten en bloemen op de stoep ervoor.
De boerderij van Jan Twisk in 2001 met planten en bloemen op de stoep ervoor. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Toen er nog bloemen en planten werden verkocht, was het uitzicht op de boerderij wat beperkt door de ruime uitstallingen op de stoep en vooral door de grote hekken die er na de openingsuren als afscherming werden geplaatst.

Disselwagen, deels achter de boom en het hek in de voortuin.
Disselwagen, deels achter de boom en het hek in de voortuin van Jan Twisk, Dorpsstraat 11.

Dit is nu anders en men kan het pand weer ongehinderd aanschouwen, evenals in de voortuin de prachtige disselwagen die ooit door Floris Twisk, de grootvader van Jan Twisk, is gebouwd.

Links van de boerderij staat Res Residence.
Links van de boerderij staat Res Residence. Dorpsstraat 13 in Castricum, 1977. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Res Residence (nummer 13)

De villa Dorpsstraat nummer 13 draagt bij de zij-ingang de naam Res Residence, een aardige woordspeling die aangeeft dat het huis reeds geruime tijd in bezit is van leden van de familie Res, terwijl bij de bouw ook een Res, de timmerman en aannemer Jacobus Res, was betrokken. Dit was een broer van de hiervoor genoemde Bernardus Res, die met zijn gezin enige tijd de besproken boerderij Dorpsstraat nummer 11 bewoonde.

Niettemin was de oorspronkelijk bewoner van Dorpsstraat nummer 13 geen Res. Het was de in 1906 vanuit Hoogwoud in Castricum ingeschreven Simon Vlaar, timmerman en in dienst van de genoemde Jacob Res, die het huis in 1913 had gebouwd op grond afkomstig van bollenkweker Adriaan van Lith. Het gezin van de in 1860 in Westwoud geboren Simon Vlaar en zijn vrouw Antje Appelman telde, toen het zich in de Dorpsstraat vestigde, negen kinderen, dus een wat ruime woning kwam wel van pas.

Simon Vlaar overleed in 1926. Zijn vrouw Antje Vlaar-Appelman overleed niet lang daarna, in 1929 op 64-jarige leeftijd. De kinderen kwamen nu in het bezit van het huis, maar slechts de in 1888 in Venhuizen geboren dochter Anna Vlaar bleef er wonen. Zij was niet getrouwd en voorzag in haar onderhoud met het geven van kuip- en naailessen. Ook verhuurde zij woonruimte.

In een periode vanaf 1935 tot 1941 staan bijvoorbeeld in de plaatselijke krant advertenties van de muziekleraar J. Streuli met als adres Dorpsstraat 13. Uit een openstaand raam zullen toen in de Dorpsstraat wel eens min of meer vrolijke muziekklanken hebben geklonken, want Streuli kwam vanuit Amsterdam één dag in de week naar Castricum, waar hij bij mevrouw Vlaar een kamer had gehuurd voor het geven van piano- en orgelles. Zijn broer Pieter Streuli, die als verpleger werkte


Jaarboek 27, pagina 51

op Duin en Bosch, bracht hem waarschijnlijk op het idee om in Castricum muziekles te gaan geven.

Anna Vlaar overleed in 1961, waarna het huis door haar familieleden werd verkocht aan Adriana Fatels, waarmee het uiteindelijk toch in handen kwam van de familie van de oorspronkelijke bouwer. Adriana Fatels was namelijk de weduwe van de in 1962 overleden Johannes Res, die als timmerman/aannemer, gevestigd in de Schoolstraat, in de voetsporen was getreden van zijn vader Jacob Res, de bouwer van het pand. Nog vóór Adriana Res-Fatels in 1974 op 71-jarige leeftijd zou overlijden, had haar zoon Frits Res, automonteur, het pand gekocht om daar met zijn gezin te gaan wonen. Dit gedeelte van de Dorpsstraat is nauw verbonden met de naam Res, want zoals nog wordt besproken, woonden in het naastgelegen pand nummer 15 ook leden van de familie Res.

Het oorspronkelijke vooraanzicht van het pand Dorpsstraat 15.
Het oorspronkelijke vooraanzicht van het pand Dorpsstraat 15.

Van zuivelhandel tot Verver Manor (nummer 15)

Het woonhuis Dorpsstraat nr 15 werd gebouwd in 1914 in opdracht van de in dat jaar met Elisabeth van der Wijst gehuwde Piet Liefting, op grond gekocht van bollenkweker Adriaan van Lith.

Bouwer was de Castricumse timmerman en aannemer Jacob Res, die een jaar eerder ook de hiervoor besproken Res Residence op nummer 13 had gebouwd. Bij gebrek aan een foto van het oorspronkelijke pand geeft een bouwtekening een indruk van hoe er uit heeft gezien.

Piet Liefting, handelaar in boter, kaas en eieren, hier afgebeeld voor zijn huis, Dorpsstraat 15, met paard en wagen, waarmee hij zijn producten naar de klanten bracht.
Piet Liefting, handelaar in boter, kaas en eieren, hier afgebeeld voor zijn huis, Dorpsstraat 15, met paard en wagen, waarmee hij zijn producten naar de klanten bracht.

De in 1884 in Castricum geboren Piet Liefting was een groothandelaar in boter, kaas en eieren, waarvan de voorraden lagen opgeslagen in een pakhuis dat hij eveneens in 1914 achter zijn huis had laten bouwen. Piet was in 1884 geboren als zoon van Willem Liefting, eigenaar van een gemengd boerenbedrijf aan het Schoutenbosch, met de nog steeds bestaande boerderij ‘de Compaan’. Hij zette in zekere zin de handel van zijn vader voort, want één van diens activiteiten was de handel in boter.
Piet Liefting was met zijn paard en wagen, waarmee hij producten naar zijn klanten bracht, lange tijd een bekende verschijning in Castricum en omstreken.

Hij genoot ook bekendheid als kerkmeester van de rooms-katholieke kerk. Na het overlijden van Piet Liefting in 1954 kwamen zijn kinderen in het bezit van het pand, dat voor korte tijd werd verhuurd en in 1959 verkocht aan Willibrord Liefting, een veel jongere halfbroer van Piet.

Nog hetzelfde jaar kwam het pand in handen van Johannes Res en zijn echtgenote Adriana Res-Fatels, welke laatste hiervoor als bewoonster van het pand nummer 13 wordt genoemd. Zij verhuurden het pand aan hun zoon Jacob Res, eveneens timmerman/aannemer.

Vooraanzicht van het pand Dorpsstraat 15 na een drastische verbouwing in 1961, waarbij o.a. de ingang werd verplaatst naar de linker zijgevel.
Vooraanzicht van het pand Dorpsstraat 15 na een drastische verbouwing in 1961, waarbij onder andere de ingang werd verplaatst naar de linker zijgevel.

In 1961 werd een verbouwing doorgevoerd, waarbij het pand niet alleen inwendig maar ook aan de buitenkant drastisch veranderde. De toegang werd verplaatst naar de zijgevel. Jacob Res overleed in 1968. In dat jaar was hij met zijn vrouw Maria Kuilman mede-eigenaar geworden van het pand.

Maria Kuilman-Res bleef er nog lang wonen en was dus een aantal jaren de buurvrouw van haar schoonmoeder Adriana Res-Fatels op nummer 13. In 1996 werd het pand verkocht aan de huidige eigenaren Henk en Jeanette Verver en kreeg het de naam Verver Manor.

Foto genomen ca. 1985 met van rechts naar links de villa's Dorpsstraat 17, 19 en 21.
Foto genomen circa 1985 met van rechts naar links de villa’s Dorpsstraat 17, 19 en 21.

Einde van een periode (nummer 17)

In 1924 liet Agatha Beentjes-Limmen de villa Dorpsstraat nummer 17 bouwen. Zij was toen weduwe van Piet Beentjes, onder meer eigenaar van boerenbedrijf ‘Tolweid’ in de Oosterbuurt en die in 1923 was gestorven. De erfenis verschafte Agatha de middelen om het huis aan de Dorpsstraat te laten bouwen. De grond waarop werd gebouwd, behoorde oorspronkelijk aan bollenkweker Adriaan van Lith, maar was in 1919 gekocht door Johanna Vahl, toen als vroedvrouw werkzaam in Castricum. Zij had zich kennelijk,


Jaarboek 27, pagina 52

evenals verschillende van haar dorpsgenoten, ingelaten met de grondspeculatie, want zelf ondernam zij niets met haar stukje land. Mogelijk heeft haar broer Johan Vahl, bollenkweker in Heiloo, die bij de koop als haar gemachtigde optrad, het nog gebruikt voor de teelt van bloembollen.

Anticiperend op de komende huizenbouw, kon men met de speculatie in grond aan de Rijksstraatweg aanzienlijke bedragen verdienen. Johanna Vahl kocht het perceel grond voor 900 gulden en verkocht het in 1923 voor 1.800 gulden!

Tot de naweeën van de Eerste Wereldoorlog behoorde de hongersnood, die in 1919 en 1920 in Oostenrijk, vooral in Wenen, heerste. Veel Oostenrijkse kinderen werden in deze jaren in Nederlandse gezinnen opgevangen. Ook in Castricum was dat het geval. De Castricumse pastoor Voets schreef hierover in 1971 in een historische terugblik: “In 1920 nam men in Castricum 80 kinderen op uit Wenen. Er werd een collecte gehouden om reisgeld bij elkaar te krijgen en vele gezinnen waren gelukkig met een kind. Er waren er in 1920 zoveel, dat er op woensdagmiddag in de katholieke school aparte godsdienstlessen werden gegeven in het Duits.”

Tot de kinderen die in 1920 uit Wenen naar Castricum kwamen om aan te sterken, behoorden de 6-jarige Edmund Travnicek en zijn halfbroer Leopold Leitner. Beiden keerden niet terug naar Oostenrijk en bleven in Castricum. Edmund werd opgenomen in het kinderloze gezin van Piet Beentjes en zijn vrouw Agatha. Hij volgde hier de lagere school, vervolgens de ambachtsschool in Alkmaar, waar hij werd opgeleid tot smid en bankwerker. Als smid werkte hij onder andere bij Doris de Groot in de Schoolstraat.

In de oorlog werd Edmund wegens zijn Oostenrijkse nationaliteit opgeroepen voor actieve dienst in het Duitse leger, maar hij vluchtte en dook onder in Noord-Brabant. Daar leerde hij zijn vrouw Anna van Schijndel kennen. Het huwelijk vond plaats in 1949, waarna het echtpaar in de Koningin Julianastraat ging wonen. In 1952 trokken ze in bij hun pleegmoeder Agatha Limmen in de Dorpsstraat, die ziek was en verzorgd moest worden. Zij overleed in 1956, maar had inmiddels Edmund Travnicek als haar zoon geadopteerd. Deze verkreeg dus na het overlijden van zijn stiefmoeder het pand Dorpsstraat nummer 17 in eigendom en bleef er wonen met zijn gezin, dat inmiddels drie kinderen telde.

Dorpsstraat 17 in Castricum.
Dorpsstraat 17 in Castricum. Collectie Makelaarsbriefje. Toegevoegd.

Edmund stierf in 2000. Zijn zoon Peter Travnicek merkte over zijn vader in een memoriam onder meer op: “De man voor de sloten op Duin en Bosch, maar ook daarbuiten. In zijn vrije tijd fluitend werken en klussen in de garage of soms bij bekenden, die een beroep op hem deden. Kandelaars, fietsen, grasmachines; het maakte niet uit. Hij repareerde alles wat van metaal was.”
En: “Hij uitte zijn gevoel niet altijd zo nadrukkelijk over zijn verdriet om zijn moeder, die hij na aankomst hier in Castricum niet meer heeft gezien en om zijn jong gestorven broers. Hij heeft hen altijd gemist.”

Agatha Travnicek-van Schijndel is nog maar kort geleden (red: gerekend vanaf 2004) gestorven en het huis kreeg een andere eigenaar. Zoals hiervoor werd beschreven, kwam in 1920 ook Leopold Leitner, de halfbroer van Edmund Travnicek, naar Castricum. De geschiedenis van Leopold, met wie Edmund altijd een nauw contact heeft onderhouden, is uitvoerig beschreven in het 23e jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum.

Foto van ca. 1980 met zicht op een aantal panden in de Dorpsstraat. Van rechts naar links de 'oude' panden nrs. 19, 21, 23 en de nieuwbouwpanden 25 en 27.
Foto van circa 1980 met zicht op een aantal panden in de Dorpsstraat. Van rechts naar links de ‘oude’ panden nummers 19, 21, 23 en de nieuwbouwpanden 25 en 27.

Boerenleenbank (nummer 19)

De villa Dorpsstraat nummer 19 dateert van 1921, toen Floris Twisk hem liet bouwen op grond die hij had gekocht van bollenteler Herman van Lith.
Floris was in 1862 in Castricum geboren, als zoon van Wilhelmina Kuijs en de landbouwer Cornelis Twisk, een karakteristieke Castricumse persoonlijkheid, die bij zijn dood een groot bezit aan land, boerderijen en huizen naliet.

Floris ontpopte zich als een veelzijdig man. Hij was wagenmaker, timmerman, boer en kassier van de Boerenleenbank. Een proeve van zijn grote bekwaamheid als wagenmaker valt nog te bewonderen in de voortuin van zijn kleinzoon Jan Twisk, Dorpsstraat 11.

Het gezin van Floris Twisk en Pietertje Schut.
Het gezin van Floris Twisk en Pietertje Schut in 1892. Floris Twisk, geboren op 28 november 1862, overleden op 11 juni 1923. Hij was wagenmaker, timmerman, later ook boer en ook kassier van de boerenleenbank. Hij woont achtereenvolgens op het Schulpstet, in de Bakkummerstraat, op de boerderij Mariahoeve en in de Dorpsstraat. Gehuwd te Bergen op 6 mei 1883 met Pietertje Schut, geboren te Koedijk op 19 augustus 1862, overleden op 27 april 1939 Zij was de dochter van Arie Schut en Trijntje Belleman. De kinderen zijn allen geboren te Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Floris Twisk huwde in 1883 met Pietertje Schut. Het gezin, dat toen het in 1921 in de Dorpsstraat ging wonen 7 kinderen telde, had daarvoor reeds meerdere verhuizingen achter de rug. Een zoon van Floris karakteriseerde zijn vader wat dit betreft als een rusteloze man. Voor de verhuizing naar de Dorpsstraat bewoonde het gezin de boerderij Mariahoeve aan de Brakersweg (nu – in 2004 – Walstro), waar Floris reeds kantoor hield voor de Boerenleenbank, die hij in september 1904 mee had helpen oprichten.

In de eerste jaren na de oprichting van de bank stelden deze activiteiten nog niet zo veel voor. Floris hield, als eerste kassier van de bank, elke zaterdagmiddag van 3 tot 5 uur spreekuur in zijn huis en elke zondagmiddag tussen 3 en 4 uur in de kaasfabriek, tegen een salaris van 30 gulden per jaar. Naarmate de activiteiten van de bank zich gingen uitbreiden, vond Floris dat de dienstverlening in het centrum van het dorp thuishoorde en dat was dan ook de voornaamste reden om in de Dorpsstraat te gaan wonen.

In zijn nieuwe huis richtte hij hiertoe een afzonderlijk kantoor in, met een nog bestaande ingang, aan de zijkant van de villa. Lang heeft Floor Twisk overigens niet van zijn nieuwe behuizing kunnen genieten, want hij overleed op 11 juni 1923, in een periode die voor de Boerenleenbank zeer zorgelijk was, wat wellicht zijn gezondheid niet ten goede is gekomen.

Er verscheen een ‘in memoriam’ in de plaatselijke krant, waarin Floor Twisk zeer werd geprezen om zijn verdiensten voor de


Jaarboek 27, pagina 53

boerenleenbank. Een citaat: “Floor was een kassier van een Boerenleenbank in de mooiste zin des woords. Het was hem niet alleen begonnen om het geld, maar de circulatie van het geld werd bij hem gedragen door een geest van naastenliefde en weldadigheid, de meest soliede basis voor zijn activiteit.”

Pietertje Twisk-Schut overleed in 1939 op 77-jarige leeftijd. Waarschijnlijk om gezondheidsredenen was ze reeds in 1937 uit Castricum vertrokken en had ze in dat jaar Dorpsstraat 19 verkocht aan haar zoon Adriaan Twisk, die in Uitgeest woonde en werkzaam was als onderwijzer in Uitgeest en Bakkum. Hij genoot ook bekendheid als organist van de kerk in Bakkum.

Adriaan Twisk ging het pand verhuren. De eerste huurder was een zekere Johan Richard, een kantoorbediende, die zich met zijn echtgenote Riemke de Vries in maart 1937 vanuit Amsterdam in Castricum vestigde.

Een indruk is dat vooral forensen zich tot het pand aangetrokken voelden, waarschijnlijk om zijn gunstige ligging ten opzichte van het station. Een voorbeeld hiervan is Gerard Kossen, een medewerker van de firma Wessanen in Wormerveer, die er vanaf 1946 tot 1955 woonde. In 1957 betrok Jacob Boots, de huidige eigenaar, met zijn gezin het pand. Hij was aanvankelijk ook huurder, maar in 1974 kocht hij het pand van Adriaan Twisk.

Dorpsstraat 21 en 23 in Castricum, 1910.
Dorpsstraat 21 en 23 (rechts vooraan) in Castricum, 1910. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Een deels gezamenlijke geschiedenis (nummers 21 en 23)

De panden Dorpsstraat 21 en 23 zijn, met het bijbehorende erf, op een kadasterkaart uit 1905 aangegeven onder één kadasternummer, wat er op wijst dat er één eigenaar was. Dat klopt, want de beide panden werden in dat jaar gesticht door Adriaan van Lith op bouwland, gekocht van familielid Antje van der Laan.

Nummer 21 was vanaf de bouw een woonhuis, nummer 23 een bollenschuur. Adriaan van Lith vestigde zich kort na zijn huwelijk met Ida van Canne in december 1905 vanuit Uitgeest in Castricum, waarbij hij de genoemde panden en omringende grond in gebruik nam om er met de teelt van bloembollen te beginnen. Hij werd in 1877 in Uitgeest geboren als zoon van Anthonie van Lith, in de periode 1901 tot 1925 burgemeester van Uitgeest. Deze Anthonie van Lith is nog kort inwoner van Castricum geweest. Nadat zijn vrouw in 1931 was overleden, verliet hij Uitgeest om met zijn zwakzinnig genoemde dochter Sientje in te trekken bij zijn zoon Adriaan aan de Dorpsstraat. Hij stierf in 1934 op 85-jarige leeftijd in Castricum, maar werd op het openbare kerkhof in Uitgeest in het familiegraf bijgezet.

Van Deelen schetst Adriaan van Lith in zijn boek ‘De Historie van Castricum en Bakkum’ als iemand die in de eerste jaren van het bestaan van het ziekenhuis Duin en Bosch, geregeld bloemen en bloembollen naar de afdelingen bracht om daarmee de zalen te versieren en de sfeer te verhogen.

Vanaf 1913 verkocht Adriaan van Lith, zoals in het voorgaande herhaaldelijk genoemd, stukken van zijn grond voor de huizenbouw, wellicht omdat hij, evenals zijn collega Piet Valkering, te maken had met tegenslag in zijn bedrijfsvoering.

In 1931 verkocht hij zijn laatste stuk grond met woonhuis en schuur aan de Coöperatieve Boerenleenbank in Uitgeest. Het heeft er de schijn van dat deze niet zo voor de hand liggende aankoop bedoeld was om hem uit zijn financiële problemen te helpen, want zijn inmiddels inwonende vader, de oud-burgemeester, was ook een voormalig directeur van de Boerenleenbank in Uitgeest en zal dus ongetwijfeld een bemiddelende rol hebben gespeeld. Door deze constructie werd Adriaan van Lith huurder van het pand. Hij bleef er, met een onderbreking in de oorlog, nog tot 1946 wonen, in welk jaar de panden eigendom werden van de in 1914 in Castricum geboren Theo de Winter, die de schuur liet verbouwen tot een garage om er het expeditiebedrijf voort te zetten, waarmee hij in de Schoolstraat was begonnen.

Het was een woningruil, want Adriaan van Lith betrok het pand van De Winter in de Schoolstraat. Theo de Winter trok met zijn vrachtauto’s in het dorp niet alleen de aandacht als expediteur, maar hij maakte zich ook verdienstelijk in het maatschappelijk leven, onder meer als bestuurslid van de Katholieke Volkspartij en als voorzitter van het in 1904 in Castricum opgerichte ziekenfonds ‘Onderlinge Hulp’, dat ruim 60 jaar heeft bestaan.
Het verblijf van Theo de Winter in de Dorpsstraat duurde niet lang, want in 1949 vertrok hij met zijn familie naar Oosterbeek, waar hij een grossierderij begon in rijwiel- en brommeronderdelen.
De geschiedenis van de beide panden verloopt vanaf dat jaar gescheiden.

Foto van het pand Dorpsstraat 21.
Foto van het pand Dorpsstraat 21.

Het woonhuis (nummer 21) verkocht Theo de Winter aan Gerrit Bleijendaal, een verzekeringsagent, die eerder in de Geelvinckstraat woonde. Het pand bleef hiermee in zekere zin in de familie, want Gerrit was gehuwd met Catharina de Winter, een tante van genoemde Theo de Winter.

Foto van het pand Dorpsstraat 23, waarin sinds 1996 was gevestigd Frank Boske Visuals.
Foto van het pand Dorpsstraat 23, waarin sinds 1996 was gevestigd Frank Boske Visuals.

De garage (nummer 23) werd gekocht door Cees Vendel, die er de lompen en oud-papierhandel voortzette, waarmee hij reeds was begonnen in de garage bij het huis van zijn ouders in de Julianastraat.

Na het overlijden van Gerrit Bleijendaal in 1962 betrok zijn zoon Piet, een vrachtwagenchauffeur, het woonhuis, waarmee hij niet ver af kwam te wonen van zijn broer Theo, die in dezelfde periode eigenaar was geworden van een gedeelte van de reeds besproken villa Dorpsstraat nummer 1. In 1989 kocht de uit Amsterdam afkomstige familie Hoffman het woonhuis, waaraan gezien de ouderdom wel een en ander opgeknapt moest worden.

Cees Vendel bleef met zijn activiteiten nog lang de aandacht trekken. Hij breidde zijn pand, waarin hij overigens niet woonde, aan de achterzijde aanzienlijk uit. In 1977 maakte hij via een advertentie


Jaarboek 27, pagina 54

bekend dat hij met zijn zoon Nico op de bovenverdieping van het pand Dorpsstraat 23 een dumpstore had gevestigd. In 1980 werd het een jeansstore. De gezondheid van Cees Vendel was inmiddels achteruit gegaan en hij liet de handel op den duur vrijwel geheel over aan Nico. Hij overleed in 1994.

Smockey's specialties.
Smockey’s specialties. Burgemeester Mooistraat 3 in Castricum, 2000. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Nico Vendel raakte uitgekeken op zijn handel, mede vanwege parkeerproblemen en omstreeks 1990 maakte hij een einde aan 40 jaar firma Vendel aan de Dorpsstraat, om zich niet lang daarna in geheel andere zaken te storten als eigenaar van ‘Smokey’s Specialties’ in de Burgemeester Mooijstraat.

Het pand was daarna nog enige tijd in handen van Henk Nuijens, van de dierenspeciaalzaak aan de overkant, die het als opslagruimte gebruikte. Hij verkocht het in 1996 aan Frank Boske, waarmee de voormalige bollenschuur, na een grondige opknapbeurt, zijn huidige bestemming kreeg als fotostudio.

Dorpsstraat 23, 25 en 27 in Castricum, 1972.
Dorpsstraat 23, 25 en 27 in Castricum, 1972. Deze foto is gemaakt vlak voor de sloop. Foto Wim Peperkanp. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Gesloopt (nummers 25 en 27)

Een sleutelwoord in de discussies over nieuwbouw in het dorpscentrum is ‘kleinschaligheid’: te slopen panden mogen niet worden vervangen door al te kolossale gebouwen. Bovendien mag het karakter van het dorpscentrum volgens het bestemmingsplan niet worden aangetast door al te afwijkende architectuur. De relatief recent gebouwde panden met de nummers Dorpsstraat 25 en 27, pakhuisachtige bouwwerken, met drie woonlagen waarin flats zijn ondergebracht, bieden aan een ieder de mogelijkheid om zijn opvattingen omtrent kleinschaligheid en architectuur in de Dorpsstraat te toetsen. Deze bouw kwam in 1977 in de plaats van enkele bescheiden huisjes, die rond 1975 werden gesloopt. Een indruk van de gesloopte pandjes geeft de hieronder afgebeelde aquarel van de hand van Sijf Portegies.

Aquarel geschilderd door Sijf Portegies in 1945, waarop van rechts naar links zijn afgebeeld een wagenberging (ongenummerd), het woonhuis Dorpsstraat 25 van Jan de Groot, brandstoffenhandelaar, en een loods voor kolenopslag, Dorpsstraat 27.
Aquarel geschilderd door Sijf Portegies in 1945, waarop van rechts naar links zijn afgebeeld een wagenberging (ongenummerd), het woonhuis Dorpsstraat 25 van Jan de Groot, brandstoffenhandelaar, en een loods voor kolenopslag, Dorpsstraat 27.

Deze panden komen reeds voor op een foto uit 1910, die een doorkijk geeft van de Dorpsstraat in dat jaar en die werd geplaatst bij deel 1 van dit artikel in het vorige jaarboekje. Kadastergegevens maken duidelijk dat de bouw in 1904 plaatsvond op grond die was gekocht van Adriaan van Lith. Een naastgelegen schuurtje, dat ook door Portegies is afgebeeld, werd in 1919 gebouwd.

De eerste bewoonster van het woonhuis, dat later nummer 25 kreeg, was de in 1862 in Castricum geboren Grietje de Groot-van Weenen. Zij was weduwe van de in 1902 op 43-jarige leeftijd overleden Cornelis de Groot. De familie de Groot woonde aanvankelijk in een niet meer bestaande boerderij aan de Burgemeester Mooijstraat, waar Cornelis op een ruim perceel grond achter het huis als landbouwer en bloemkweker de kost verdiende.

Na zijn overlijden stond Grietje met haar nog jonge gezin, dat zes kinderen telde, voor de keuze het tuinderbedrijf van haar echtgenoot voort te zetten of elders iets nieuws te beginnen om in haar onderhoud te voorzien. Ze koos voor het laatste en verkocht het woonhuis in de Burgemeester Mooijstraat en de bijbehorende gronden aan de familie Ten Wolde, om daarvoor in de plaats de door Portegies afgebeelde panden in de Dorpsstraat te laten bouwen en daar een kolenhandel te beginnen.

Haar twee oudste kinderen, Willem en Kees de Groot, hadden inmiddels de lagere school doorlopen en werden op nog jonge leeftijd, zo ging dat in die dagen, bij het bedrijf ingeschakeld. Een van hun bezigheden was het met een handwagen ophalen van turf en briketten (samengeperste steenkool) in Beverwijk, om die in Castricum uit te venten

Toen Willem de Groot de handel kon overlaten aan zijn jongere broer kocht hij een huis in de Bakkummerstraat. Eerst verhuurde hij dit huis, maar toen hij in 1917 trouwde, ging hij er zelf met zijn vrouw wonen en begon er een kolenhandel, als een soort filiaal van het bedrijf in de Dorpsstraat. Later kreeg hij een drankvergunning en opende aan de Bakkummerstraat, na enige verbouwingen, café ‘De Duinstreek’, waarmee een wat merkwaardige combinatie van het beroep van kolenboer met dat van kastelein ontstond.

Hoewel ook de andere zonen van Grietje naarmate ze ouder werden meehielpen in de kolenhandel, waren er niettemin die kozen voor een andere carrière. Zo werd Dorus de Groot bekend als smid in de Schoolstraat, waar hij van 1909 tot 1966 zijn bedrijf uitoefende. Kees de Groot werd bouwondernemer.

Grietje overleed in 1936, waarna haar zoon Jan de Groot op het adres in de Dorpsstraat achterbleef en de kolenhandel voortzette. Na de dood van Jan de Groot in 1969 bleef zijn huishoudster Mies Zonneveld met toestemming van de erfgenamen nog enkele jaren in het pand aan de Dorpsstraat wonen.

Flatgebouwen een de Dorpsstraat 27 in Castricum.
Flatgebouwen een de Dorpsstraat 27 in Castricum, 2000. Collectie Makelaarsbriefje. Toegevoegd.

Daarna kwamen woonhuis, kolenschuur en wagenberging via een Castricumse makelaar in handen van projectontwikkelaar Veldt, die de bestaande panden liet slopen om vervolgens met zijn B.V Handel en Exploitatiemaatschappij de huidige flatgebouwen te realiseren.


Jaarboek 27, pagina 55

Het afgebroken pand van administratiekantoor Toepoel.
Het afgebroken pand van administratiekantoor Toepoel. Dorpsstraat 29 in Castricum, 1997. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Een schildersbedrijf maakt plaats voor nieuwbouw (nummer 29)

Dorpsstraat nummer 29 werd in 1997 gebouwd in opdracht van administratiekantoor Toepoel. Dit kantoor, dat zich in 1969 had gevestigd in een oud, maar karakteristiek pandje dat op dezelfde plaats was gelegen, was uit zijn jasje gegroeid. Aanvankelijk werd gedacht aan uitbreiding van het bestaande pand met een verdieping, maar een later plan, dat in 1995 werd ingediend, kwam in feite neer op vervangende nieuwbouw en het had nogal wat voeten in de aarde voordat hiertoe van de gemeente toestemming werd verkregen. De bouw leverde een pand op dat wat betreft de architectuur aansluit bij de naastliggende nieuwbouwpanden. Beneden is administratiekantoor Toepoel en daarboven bevinden zich appartementen.

Vooraanzicht van het oorspronkelijke pand Dorpsstraat 29.
Vooraanzicht van het oorspronkelijke pand Dorpsstraat 29.

Het woonhuis, dat voor deze nieuwbouw werd gesloopt, stamde uit 1905 in welk jaar Quirinus (Krijn) Schram, een schilder, het liet bouwen op grond die hij had gekocht van tuinder Doris Hogensteijn.
Krijn Schram overleed in 1935 en nog in hetzelfde jaar verkocht zijn weduwe Anna de Ruijter het pand aan een uit Heemskerk afkomstige neef, de toen 27-jarige Hendrik Schram, eveneens een schilder.

In het linkergedeelte van het kleine pand was de schilderswerkplaats gevestigd, terwijl het rechtergedeelte en de bovenverdieping onderdak bood aan het gezin van de Hendrik Schram en zijn vrouw Hendrika Bruin, dat tien kinderen ging tellen, die in de periode 1935 tot 1951 in Castricum werden geboren.

Hendrik Schram overleed in 1955 op nog pas 45 jarige leeftijd. De weduwe Schram zette met enkele van haar zoons het schildersbedrijf nog tot 1963 voort, in welk jaar zij het pand vrij drastisch liet verbouwen. Het linkergedeelte van het huis, waarin de schilderswerkplaats was gevestigd, werd omgebouwd tot een woning, waarbij de steeg met het naastgelegen pand op nummer 31 verdween en verder werd aan de achterkant een stuk aangebouwd. De voorgevel kreeg nu het aanzien zoals dat kort voor de sloop nog bestond. Het pand werd nog een aantal jaren bewoond door de weduwe Schram en enkele familieleden, tot het in 1969 werd verkocht aan Toepoel, waarmee een nieuwe fase in de geschiedenis van het pand aanbrak, zoals hiervoor is beschreven.

Het recent - gerekend vanaf 2004 - gesloopte pand Dorpsstraat 31/33 in 1968 met de twee winkels van Langeveld. Rechts (nr 31) de kruidenierszaak en links (nr 33) de voormalige zaak van Westmaas en later Dijkstra Mode, ten tijde van de foto tijdelijk in gebruik als magazijn, hoewel de etalage werd benut voor het uitstallen van kruidenierswaren.
Het recent – gezien vanaf 2004 – gesloopte pand Dorpsstraat 31-33 in 1968 met de twee winkels van Langeveld. Rechts (nummer 31) de kruidenierszaak en links (nummer 33) de voormalige zaak van Westmaas en later Dijkstra Mode, ten tijde van de foto tijdelijk in gebruik als magazijn, hoewel de etalage werd benut voor het uitstallen van kruidenierswaren.

Gesloopt (nummers 31-33)

Nog niet zo lang geleden scheurde de voorgevel van het pand Dorpsstraat 31-33 door het gewicht van een kabel met kerstversiering, die vanaf het pand over de straat was gespannen. Volgens eigenaar Jan Langeveld had de schade niet met bouwvalligheid van het pand te maken, maar was de kabel verkeerd aangebracht, namelijk op het zwakste punt tussen twee ramen, terwijl sneeuwval het gewicht van het geheel nog aanzienlijk had doen toenemen. Niettemin bleef na de breuk in de voorgevel de vraag of het pand moest worden gerestaureerd, dan wel of tot sloop en nieuwbouw moest worden overgegaan. Na afweging van de voor- en nadelen werd voor het laatste gekozen. Inmiddels (in 2004) is er een nieuw pand in aanbouw met ongeveer eenzelfde opzet als het gesloopte pand: beneden een winkelgedeelte en erboven woningen.

Dorpsstraat 31-33 in Castricum, 1980.
Dorpsstraat 31-33 in Castricum, 1980. Vroeger was het de melkwinkel van Langeveld, en daarna kwam Francois mode erin.

De bouw van het oorspronkelijke pand vond plaats in 1906 in opdracht van Jan Stolk, die de bouwgrond had gekocht van Jan Hogenstijn, een tuinder.

Genoemde Jan Stolk had zich in 1897 op 44-jarige leeftijd, met zijn tweede echtgenote Dirkje Sloesarwij en twee zoons uit een eerste huwelijk, vanuit Nieuwer-Amstel in Castricum gevestigd. Met zijn zoon Hannes Stolk begon hij in de Dorpsstraat op de plek waar nu (in 2004) snackbar Panda (Dorpsstraat 39) is gevestigd, een kruidenierszaak, die later na verbouw en uitbreiding bekendheid kreeg als ‘De Nieuwe Winkel’. Waarom Jan Stolk in 1906 het pand Dorpsstraat


Jaarboek 27, pagina 56

31-33 liet bouwen, is niet geheel duidelijk. Het kadaster spreekt van een erf met een pakhuis, een werkplaats en twee bovenwoningen. Het pakhuis diende waarschijnlijk als opslagplaats voor de kruidenierswaren. De werkplaats zou wel eens kunnen zijn benut door de naast de kruidenierszaak wonende Hendrik Schram, die daar omstreeks 1897 een schildersbedrijf was begonnen en die wordt genoemd als mede-eigenaar van de kruidenierszaak.

Dit schildersbedrijf, dat overigens niet moet worden verward met het hiervoor besproken schildersbedrijf van een andere Schram (Dorpsstraat 29), vormde het begin van het later zeer bekend geworden bedrijf van de gebroeders Schram in schildersbenodigdheden, behang en aanverwante artikelen op het adres Dorpsstraat 37 en om de hoek aan de Overtoom.

Jan Stolk overleed in 1921 en dat was waarschijnlijk de aanleiding het pand Dorpsstraat 31-33 van de hand te doen. Het werd verkocht aan de in 1887 in Oudendijk geboren Piet Keetbaas, die er samen met zijn vrouw, Aafke van der Houw, een kaashandel begon. Het echtpaar had geen kinderen. Volgens Castricummers die zich de situatie nog herinneren, was de kaashandel van Keetbaas geen winkel, maar een groothandel gevestigd in het linkergedeelte van het pand, waar de kazen lagen opgestapeld. Ook de particulier kon er kaas kopen, maar dan wel een hele kaas, zoals een edammertje.

Gedateerd 1921 is in het gemeentearchief een hinderwetvergunning aanwezig voor het bouwen door Keetbaas van wat een ‘boterkelder’ wordt genoemd, wat suggereert dat hij handelde in meer dan alleen kaas. Na zijn overlijden verkocht zijn weduwe het pand in 1927 aan Jan Koopman, die nog in hetzelfde jaar het kaaspakhuis tot winkel liet verbouwen.

Vervolgens splitste Koopman het pand en verkocht hij in 1928 het winkelgedeelte met nummer 33 aan de uit Scheveningen afkomstige Jacob Westmaas, die er met zijn vrouw Anna Bruins magazijn ‘De Wolbaal’ vestigde. Het was een zaak waar, zoals de naam al zegt, aanvankelijk voornamelijk wol werd verkocht, maar die zoals uit advertenties in de plaatselijke krant blijkt, al snel uitgroeide tot een kledingzaak met de naam ‘Wolbaal Modes’.

De reeds herhaaldelijk geciteerde mevrouw Eggers merkt in haar in de krant gepubliceerde ‘Herinneringen aan de Dorpsstraat’ over de zaak van Westmaas op: “Westmaas, zij voor in de wol, hij haalde achter in de zaak matrassen leeg en stopte ze daarna weer vol.”

Kruidenier Jan Langeveld sr. in de periode dat hij er nog met de bakfiets als melkslijter op uit trok.
Kruidenier Jan Langeveld senior in de periode dat hij er nog met de bakfiets als melkslijter op uit trok.

In 1934 opende de uit Voorhout afkomstige Jan Langeveld in het andere gedeelte van het pand (nummer  31) een winkel in kruidenierswaren. Hij was ook actief als melkslijter. Volgens de overlevering constateerde Jan Langeveld toen hij na de koop van zijn gedeelte van het pand het notariskantoor verliet, dat hij nog maar 34 cent op zak had, maar zoals nog te zien zal zijn, is het met zijn zaken toch nog goed gekomen.

Westmaas stopte zijn activiteiten in 1958. In de winkel was toen nog enkele jaren Dijkstra Mode gevestigd, welke zaak in 1960 naar de Burgemeester Mooijstraat verhuisde, waarna Jan Langeveld en zijn inmiddels bij de zaak betrokken zoon Jan Langeveld junior kans zagen hun kruideniersbedrijf met de winkel op nummer 33 uit te breiden.

Aanvankelijk gebruikten ze deze als magazijn, maar in 1968 werden de beide winkelpanden, na een drastische verbouwing, samengevoegd tot een van de eerste zelfbedieningszaken in Castricum. In de volksmond heette een dergelijke zaak toen een ‘KijkGrijp’. Vanwege de verkeerde gedachten die deze naam kon wekken sprak men later, wat beschaafder, van zelfbediening. Op de voorgevel van de zaak van de Langevelds prijkte aanvankelijk de naam VIVO (Vrijwillige In- en Verkoop – Organisatie), een landelijk samenwerkingsverband van levensmiddelenhandelaren.

Jan Langeveld junior was reeds op 15-jarige leeftijd begonnen om zijn vader te helpen, zowel in de winkel als met het bezorgen van melkproducten per bakfiets. Later beschikte de familie over twee driewielertrucks, waarmee de melkproducten en kaas, betrokken bij melkfabriek Holland aan de Breedeweg, aan de man werden gebracht, terwijl moeder en zusters voor de winkel zorgden.

In 1971 nam Jan Langeveld junior de winkel officieel van zijn vader over.
De zelfbedieningswinkel bestond nog tot 1983, waarna het winkelpand werd verhuurd aan Frans Noordenbos, die er onder de naam ‘François Mode’ met een geheel andere bedrijvigheid begon. Omstreeks 1990 werd de genoemde modezaak opgeheven en huurde ‘Zon-, nagel- en schoonheidsinstituut Esmeralda’ het winkelgedeelte, welk instituut dus het slachtoffer is geworden van het scheuren van de voorgevel, die de aanleiding vormde tot de sloop van het pand.

De SRV man Langeveld komt langs de deur om zuivelproducten af te leveren.
De SRV man Langeveld komt langs de deur om zuivelproducten af te leveren. Castricum, 1957. Jan blikt terug: “Ik begon op de bakfiets en voor ritten door het bos gebruikte ik een transportfiets. De PWN-woningen, zoals De Brabantse Landbouw, behoorden namelijk ook tot onze klantenkring. Even verderop woonde jachtopziener Postma die kippen hield. Als ik dan kwam aanfietsen, werd ik prompt aangevallen door een haan en een keer was dat zo hevig dat ik ondersteboven lazerde.” Collectie Oud-Castricum. Togevoegd.

Jan Langeveld junior is nog lange tijd actief gebleven in Castricum met een rijdende winkel, waarmee hij pas kortgeleden (red: gerekend vanaf 2004) is gestopt.

Aanzicht van de zijgevel van het pand Dorpsstraat 35 aan de kant van de Verlegde Overtoom in 1950. Geheel links de garage.
Aanzicht van de zijgevel van het pand Dorpsstraat 35 aan de kant van de Verlegde Overtoom in 1950. Geheel links de garage.

Een snackbar (nummer 35)

Met de exploitatie van een snackbar in het pand op de hoek Dorpsstraat-Verlegde Overtoom werd in 1964 een begin gemaakt door Theo Besteman. De snackbar kreeg grote bekendheid onder de naam Veronica, welke naam nog lange tijd bleef bestaan, ook nadat Besteman in 1978 de exploitatie niet langer kon voortzetten. Nog niet zo lang geleden (red: gezien vanaf 2004) werd de naam door een nieuwe eigenaar veranderd in ‘De Eetsaloon’, maar veel Castricummers spreken nog steeds van Veronica.


Jaarboek 27, pagina 57

Op een bouwtekening uit 1950 is de uitbreiding van het hoekpand Dorpsstraat 35 aan de kant van de Verlegde Overtoom aangegeven.
Op een bouwtekening uit 1950 is de uitbreiding van het hoekpand Dorpsstraat 35 aan de kant van de Verlegde Overtoom aangegeven.

Hoewel dat aan de buitenkant niet duidelijk is te zien, vond de bouw van het winkelpand in twee gedeelten plaats. Het gedeelte gelegen aan de Dorpsstraat werd gebouwd in 1928.

Eigenaar was de in Heemskerk geboren en toen 29-jarige Nicolaas Scheerman, die er met zijn vrouw Maria Mooij een groentewinkel begon. In 1950 kreeg Scheerman toestemming om het pand aan de kant van de Verlegde overtoom uit te breiden. De winkel werd vergroot en er werd een garage aangebouwd.

De groentezaak van Nicolaas Scheerman, Dorpsstraat 35, rond 1960.
De groentezaak van Nicolaas Scheerman, Dorpsstraat 35, rond 1960.

In 1964 stopte Scheerman, hij was toen bijna 65 jaar, met zijn groentezaak en verkocht het pand aan Jan Stengs, bekend van de groente- en fruithandel in de Burgemeester Mooijstraat. De benedenverdieping kreeg nu een dubbele bestemming. Dochter Gré Stengs begon in het garagegedeelte een groente- en fruithal, als een soort voortzetting van de groentehandel van Scheerman en als een filiaal van de zaak van haar vader. Het voormalige winkelgedeelte werd nu ingericht als snackbar en geëxploiteerd door Theo Besteman, de echtgenoot van Gré Stengs.

Snackbar Veronica, Dorpsstraat 35, in 1998.
Snackbar Veronica, Dorpsstraat 35, in 1998.

Deze situatie duurde slechts korte tijd, want in 1967 werd de groentehal opgeheven en bij de snackbar getrokken, die hiermee een gedaanteverwisseling onderging. Zoals hiervoor reeds vermeld, stopte Besteman in 1978 met de exploitatie van de snackbar. Later is hij actief in de Burgemeester Mooijstraat, waar hij de slagerswinkel van Van Haaster had overgenomen. In 1981 verkocht Jan Stengs het pand aan een nieuwe snackbarexploitant, Cornelis den Engelsen, en sindsdien is het een snackbar gebleven.

In nog te verschijnen jaarboekjes zal het resterende gedeelte van de Dorpsstraat worden behandeld.

Wim Hespe
Lien Steeman

Bronnen:

  • Bakker-van der Wolff, C.G.; Zuurbier, S.P.A., De Castricumse familie … Twisk, 10e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1987.
  • Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl, 1973.
  • Fotoarchief Werkgroep Oud-Castricum.
  • Gemeente Castricum, archief.
  • Heideman, H., De oude generatie van Bakkum en Castricum (1900-1940).
  • Heideman, H., De oude generatie van Bakkum en Castricum, Deel 2 (1900-1950).
  • Kadastrale gegevens Castricum, Kadaster te Alkmaar.
  • Nieuwsblad voor Castricum, beschikbare nummers uit de periode 1925-heden.
  • Regionaal Archief Alkmaar, Bevolkingsregister Castricum.
  • Zuurbier, S.P.A., De Castricumse familie … Res, 6e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1983.

11 oktober 2021

Dorpsstraat (1e deel) huisnummers 2–42 (Jaarboek 26 2003 pg 35-52)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 26, pagina 35

De geschiedenis van de Dorpsstraat en zijn bewoners (deel 1)

Begin van de Dorpsstraat bij de rooms-katholieke kerk. 1905. Collectie Pennekamp.
Begin van de Dorpsstraat bij de rooms-katholieke kerk. 1905. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

Huis nummers 2-42

Inleiding

In dit artikel zullen we ingaan op de geschiedenis van de Dorpsstraat, niet alleen als belangrijkste verkeersweg door ons dorp, maar ook als sfeerbepalende factor voor het dorpscentrum, met zijn kerken, bioscoop, winkels en cafés. Ook een aantal woonhuizen en hun bewoners zullen worden besproken, waarbij we ons in verband met plaatsruimte echter zullen beperken tot de panden in het gedeelte van de Dorpsstraat vanaf de spoorwegovergang tot aan de Burgemeester Mooijstraat met een even nummering. Zie onderstaande plattegrond.

Plattegrond daterend uit omstreeks 1935 van het gedeelte van de Dorpsstraat dat onderwerp is van dit en een volgend artikel. De nummering van de huizen komt overeen met de huidige nummering.
Plattegrond daterend uit omstreeks 1935 van het gedeelte van de Dorpsstraat dat onderwerp is van dit en een volgend artikel. De nummering van de huizen komt overeen met de huidige nummering.

De Dorpsstraat is om zijn geschiedenis wellicht de meest interessante straat van Castricum en het is een relatief lange straat met veel panden, deels nog bestaand, maar ook afgebroken, aan de historie waarvan we dus in dit artikel maar ten dele toekomen. We zijn echter van plan ons verhaal over de Dorpsstraat in een volgend jaarboekje voort te zetten.

Wat betreft de navolgende bespreking van de geschiedenis van de Dorpsstraat en de aanliggende bebouwing is een zeker probleem, dat pas in 1929 de benaming Dorpsstraat werd ingevoerd voor het gedeelte van de Rijksstraatweg vanaf de rooms-katholieke kerk tot aan de overweg van de spoorlijn. Tegelijk werd het gedeelte van de voormalige Rijksstraatweg vanaf de rooms-katholieke kerk tot aan de gemeentegrens van Limmen officieel als Alkmaarderstraatweg benoemd en het gedeelte vanaf de spoorovergang tot aan de gemeentegrens met Beverwijk als Beverwijkerstraatweg.

Het is verwarrend steeds het onderscheid tussen Dorpsstraat en Rijksstraatweg te moeten maken en daarom hebben we voor de aanduiding van de panden het laatste adres in de Dorpsstraat gebruikt, ook al waren ze bij hun bouw aan de Rijksstraatweg gelegen en toen anders genummerd. Een nummering die overigens weinig houvast zou bieden, omdat ze nogal eens wijzigde.

In 1907, toen de Dorpsstraat nog Rijksstraatweg heette.
In 1907, toen de Dorpsstraat nog Rijksstraatweg heette … Met rechts de oudste herberg van Castricum De Rustende Jager. De herberg was hier al een bondshotel van de ANWB. En links de tramrails. De foto toont een voorganger van het latere gebouw met de karakteristieke trapgevel, dat dateert uit 1910-1911. Op de gevel is leesbaar ‘ Station Stoomtram’. Links de stoomtram die stapvoets door het dorp rijdt met een persoon met een luid rinkelende bel, die ‘vooruitloper’ werd genoemd. Foto Ger van Geenhuizen. Toegevoegd.
 

De oude verkeersweg door het dorp

De Dorpsstraat was reeds lang geleden onderdeel van een hoofdverkeersweg van Beverwijk naar Alkmaar.
Onderdeel van de doorgaande route was de vanuit het zuiden ko-


Jaarboek 26, pagina 36

mende Holle Laan, zoals uit oude kaarten blijkt. Deze weg, die ondanks de latere onderbrekingen en nieuwe benamingen nog goed te herkennen valt in het tracé Hollaan-Oude Haarlemmerweg-Oudeweg, eindigde ten westen van de oude Pancratiuskerk bij een samenkomst van wegen, waarna de doorgaande route zich binnen het dorp voortzette in een stukje Duijnweg (Kramersweg, later Burgemeester Mooijstraat) vanuit het westen om daarna naar het noordoosten af te buigen en onder de naam ‘Soomer Wegh’ op Limmen af te stevenen.

De tegenwoordige verkeersroute naar en door Castricum mag dan in een aantal opzichten verschillen met die van vroeger, maar het verloop van de weg binnen het dorpscentrum, vanaf het kruispunt met de Burgemeester Mooijstraat tot iets voorbij de huidige (in 2003) verkeerslichten, is nog vrijwel identiek aan de oude situatie.

Zicht op Castricum vanuit het zuiden, naar een aquarel uit 1807 van J.A. Cresent.
Zicht op Castricum vanuit het zuiden. Foto van een aquarel uit 1807 van J.A. Cresent (Meijer Pers B.V., Amsterdam, 1976)

Een aquarel van J.A. Crescent geeft een interessant beeld van de weg in het jaar 1807. De afbeelding toont ons een op Castricum aanlopende mulle zandweg, waarbij opvallend is het aan weerszijden ontbreken van enige bebouwing. Het kaarsrechte verloop van de weg naar het noorden en de ligging van de kerk ten opzichte van de weg, tonen duidelijk aan dat de situering van de weg nog in overeenstemming is met de situatie van de kaart uit 1737, en bovendien dat de tekening werd gemaakt vanaf een punt in de toenmalige Holle Laan.

Fragment van de kaart 'De Heerlykheid van Castricum' uit 1737, waarop is afgebeeld het door Castricum lopende gedeelte van de weg van Beverwijk naar Alkmaar.
Fragment van de kaart ‘De Heerlykheid van Castricum’ uit 1737, waarop is afgebeeld het door Castricum lopende gedeelte van de weg van Beverwijk naar Alkmaar.

Ook de in onze ogen primitieve weg was dienstbaar aan het verkeer en er moest dus onderhoud worden gepleegd. Dat behoorde tot de taken van de gemeente, waarop overigens een scherp toezicht werd uitgeoefend. Zo kreeg het Castricumse gemeentebestuur bijvoorbeeld in 1751 een ernstige vermaning van de Gecommitteerde Raden in het Noorderkwartier wegens het ‘niet passabel’ houden van de doorgaande weg; de duinbeplanting was verwaarloosd, waardoor de Holle Laan werd bedolven onder stuifzand.

De eerste planmatige aanzet om het landelijk wegennet te verbeteren dateert uit de Frans-Bataafse tijd. In 1798 werd het College van Rijkswaterstaat opgericht, dat onder leiding stond van de minister van Binnenlandse Zaken. Deze instantie hield zich niet alleen, zoals de naam suggereert, bezig met de waterhuishouding in ons land, maar strekte haar activiteiten ook al dadelijk uit naar het met de waterwegen samenhangende wegennet. Wat betreft de weg tussen Beverwijk en Alkmaar duurde het niettemin tot 1820 voordat in het kader van een Rijkswegenplan het tot een essentiële verbetering van de weg kwam. Er werd bestraat met klinkers, lange tijd de methode in ons land om de belangrijke wegen te verharden, terwijl het tracé op een aantal punten werd aangepast. Zo kwam men niet meer via de Holle Laan het dorp binnen, maar volgens de huidige, meer westelijk gelegen weg, die door de weilanden liep.

Als bijdrage in de kosten van de nieuwe Rijkswegen werd een systeem van tolheffing ingevoerd, dat tot 1899 dienst heeft gedaan. Ook in Castricum stond een tolhuis, ongeveer ter plekke van de huidige (in 2003) snackbar ‘De Eetsaloon’, Dorpsstraat 35, dat in 1903 na beëindiging van de tolheffing werd verplaatst naar de Kramersweg en later werd gesloopt.

Tolhuis, Dorpsstraat 35 in Castricum in 1890
Tolhuis, Dorpsstraat 35 in Castricum in 1890. Getekend door Sijf Portegies. Toegevoegd.

Ter bestrijding van de wateroverlast trof men vroeger langs de wegen veelal zogenaamde bermsloten aan, een situatie die hier en daar nog steeds bestaat. Dat was ook het geval met de Rijksstraatweg tussen Beverwijk en Alkmaar. De sloten liepen door tot in ons dorp en op sommige oude foto’s zijn ze nog te herkennen, bijvoorbeeld aan een bruggetje tussen een huis en de weg.

Al spoedig na het verdwijnen van de stoomtram uit ons dorp in 1923 werd een aanvang gemaakt met de aanpassing van de doorgaande weg aan het toenemende verkeer, waaronder het dempen van de bermsloten. Vanaf 1925 gaf de gemeente aan bewoners van huizen langs de Rijksstraatweg vergunning tot het verbeteren van hun uitweg en meestal kregen ze dan tevens toestemming tot het dempen van een gedeelte van de aanliggende bermsloot. De bermsloten verdwenen ook meer grootschalig, wat gepaard ging met de aanleg van riolering en trottoirs. Zo kreeg de gemeente Castricum van Rijkswaterstaat in 1926 toestemming tot demping van de binnen het dorp gelegen noord-westelijke bermsloot in de Rijksweg Velsen-Alkmaar, waarbij een aantal voorwaarden werd gesteld, waaronder het doortrekken van het in aanleg zijnde riool en het aanbrengen van een verhoogd voetpad met een open goot.

Omstreeks 1928 werd ook een begin gemaakt met de asfaltering van delen van de Rijksstraatweg. Voor dit doel stond een asfaltmenginstallatie op het Stationsplein opgesteld, die zoveel stank verspreidde, dat er destijds door omwonenden nog een rechtszaak werd aangespannen, een vroege vorm van milieuactivisme. De asfaltering vond uiteindelijk toch doorgang.

Doorkijk Dorpsstraat in 1907.
Doorkijk Dorpsstraat in 1907. Met rechts de oudste herberg van Castricum De Rustende Jager. De herberg was hier al een bondshotel van de ANWB. En links de tramrails. In het midden op straat een groepje jongelui.De foto toont een voorganger van het latere gebouw met de karakteristieke trapgevel, dat dateert uit 1910-1911. Op de gevel is leesbaar ‘ Station Stoomtram’. Voor het gebouw een aantal personen en een kapwagen met paard. Links de tramrails en rechts de doorrijstal. In de doorrijstal was een stalhouderij gevestigd. Later was hier de brandweer gevestigd. Nog later was de stal in gebruik als Vrije Veiling. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het vroege verkeer door Castricum

Iedereen kent nog wel het beeld van het vervoer per paard en wagen uit de tijd dat het gemotoriseerde verkeer nog niet bestond. Uit berekeningen van de historicus Schmal, die oude gegevens over toltarieven en tolopbrengsten analyseerde, valt af te leiden dat in 1840 de jaaropbrengst van de tol in Castricum (1.900 gulden) neerkwam op een passage per dag van ongeveer 40 paard-en-wagens in de relatief drukke zomermaanden. Ook als we rekening houden met de vrijstelling van tol voor onder meer de brievenpost en oogstende boeren, kunnen we vanuit ons huidig perspectief bepaald niet spreken van een intensief verkeer door het dorp. De directeur-generaal van Waterstaat, Repelaer van Driel, dacht daar echter in 1815 reeds anders over en kwam met een ‘Reglement voor de passagie over het


Jaarboek 26, pagina 37

bestrate gedeelte des grooten wegs No. 8, begrepen tusschen Haarlem en de Helder’. Hij toonde zich bezorgd over de verkeersveiligheid en formuleerde onder andere regels over het uitwijken van rijtuigen bij het elkaar tegenkomen of bij het inhalen.

De postkoets van Haarlem naar Alkmaar.
De postkoets van Haarlem naar Alkmaar. Vervoer over de weg met een postkoets of diligence was kostbaar en niet erg comfortabel, maar tussen Haarlem en Alkmaar stonden er weinig andere vervoersmogelijkheden open. Omdat enige vering bij de koetsen ontbrak, werden de reizigers in de meer dan vijf uur durende rit van Haarlem naar Alkmaar dan ook goed door elkaar geschud. De postkoetsen hadden een vaste dienstregeling en vertrokken vanaf een vast vertrekpunt tegelijkertijd iedere ochtend om half negen precies, zowel uit Haarlem als uit Alkmaar. Onderweg stopte de koetsier bij verschillende haltes of posten, vandaar dat het rijtuig ‘postkoets’ heette. Halverwege de route lag een post bij Noorddorp onder Heemskerk. Het huis op deze plaats aan de Rijksstraatweg heet nu nog ‘ Halfweg’ . Hier werden de paarden gewisseld en wachtte de Haarlemse postkoets op die uit Alkmaar of omgekeerd. Als de andere koets was gearriveerd, stapten de passagiers over. Daarna reden de beide koetsiers ieder naar hun eigen stad terug om, als het volgens schema verliep, om kwart voor twee weer bij het vertrekpunt terug te keren. In de postkoets stonden twee bankjes tegenover elkaar. Het vervoer met de postkoets was een dure aangelegenheid. Passagiers die met hun rug naar de koetsier zaten en dus achteruit reden, moesten 1 gulden en 16 stuivers voor een rit betalen; zij die vooruit reden, moesten zes stuivers meer betalen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Uit het gemeentelijk jaarverslag van Castricum over 1852 blijkt, dat er toen nog geen ander middel van openbaar vervoer bestond dan een diligencediens tussen Haarlem en Alkmaar, die de gemeente viermaal per dag aandeed. Ook het openbaar vervoer leverde dus bepaald geen bijdrage aan de verkeersdrukte, maar in het verslag wordt nog wel opgemerkt dat de meeste inwoners voor streekvervoer over eigen rijtuigen konden beschikken, terwijl men ook paarden en rijtuigen kon huren.

Het vervoer per paard en wagen was destijds niet altijd een lolletje, zoals blijkt uit ontboezemingen van Hildebrand uit 1837. Hij prijst de wagens van toen reeds bestaande vervoersondernemingen als Van Gend en Loos, maar hekelt dat men in een land als het onze, waar de straatwegen zo uitmuntend zijn (hij doelt op de verharding van een aantal wegen in een periode na 1820): “zulke slechte diligences maakt en gedoogt.”

Niet alleen lieten de rijeigenschappen van de diligences te wensen over, ze boden ook weinig ruimte en de kans dat men elkaar hinderde was dus groot. Hildebrand noemt ergernissen die ons ook nu nog bekend voorkomen, zoals snurkende slapers, onbeschaafde rokers, die zonder enige toestemming te vragen maar zitten te dampen en ons ziek maken (!) en praters, die zich geoefend hebben om de “stotendste wielen, de rammelendste portieren te overschreeuwen”. Over het concurrerende vervoer per trekschuit was Hildebrand overigens ook niet lovend en hij verheugde zich op een toekomst met comfortabel reizen per spoor.

Dorpsstraat, de Rustende Jager.
De oude herberg, of de eerste Rustende Jager die er tot 1910 heeft gestaan. Daarna is op de zelfde plaats de nieuwe gebouwd die in 1973 is afgebroken. Dorpsstraat in Castricum, 1898. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

De route Haarlem-Alkmaar was lange tijd ook van groot belang voor het vervoer van post van en naar de aanliggende dorpen, een rit die met een speciale paard-en-wagencombinatie over Santpoort, Beverwijk, Noorddorp, Castricum, Limmen en Heiloo onder normale omstandigheden ongeveer 3,5 uur in beslag nam. De post werd in Castricum afgegeven bij de oude bierstal tegenover de oude Pancratiuskerk. Omdat men voor het wegvervoer lange tijd was aangewezen op paarden, waren er op regelmatige afstanden pleisterplaatsen, meestal een herberg waar wat kon worden uitgerust en een doorrijstal, waar de paarden werden verzorgd en eventueel konden worden gewisseld. In Castricum had ‘De Rustende Jager‘ een dergelijke voorziening.

De stoomtram in 1915 aan het begin van de Dorpsstraat (toen Rijksstraatweg). Van rechts naar links de panden nr 3, 5, een open plek waar in 1917 nr 7 werd gebouwd en pand nr. 9, door de tram gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Op de voorgrond het bruggetje over de bermsloot naar villa nr 1.
De stoomtram in 1915 aan het begin van de Dorpsstraat (toen Rijksstraatweg). Van rechts naar links de panden nummerrs 3, 5, een open plek waar in 1917 nummer 7 werd gebouwd en pand nummer. 9, door de tram gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Op de voorgrond het bruggetje over de bermsloot naar villa nummer 1.

Een stoomtram door het dorp

De opening van de eerste spoorweg tussen Haarlem en Amsterdam in 1839 was het begin van de aanleg van een netwerk van spoorwegen in ons land. Ook Castricum ging hiervan deel uitmaken, in 1867 toen de spoorlijn Haarlem-Alkmaar in bedrijf werd genomen. Hoewel er nu soms anders over wordt gedacht, onderging men de komst van de trein indertijd als een enorme verbetering in het reizigers- en goederenvervoer ten opzichte van de oncomfortabele koetsen en de langzame trekschuit.

De stoomtram passeert hier het huidige pand van het Eethuysje.
De stoomtram passeert hier het huidige pand van het Eethuysje. Dorpsstraat53 in Castricum, 1907. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Niettemin was er behoefte aan een meer fijnmazig lokaal vervoer, wat aan het einde van de 19e eeuw resulteerde in de aanleg van een railnet voor stoomtrams. Dit was een particuliere aangelegenheid en er schijnen wat dit betreft wel zestien maatschappijen in het spel te zijn geweest. De eerste tramlijn in onze regio werd in 1882 geopend tussen Beverwijk en Wijk aan Zee. Omstreeks 1895 werd een begin gemaakt met de aanleg van een trambaan, met een railbreedte van één meter, langs de Rijksstraatweg tussen Haarlem en Alkmaar. In februari 1897 werd het baanvak Beverwijk-Alkmaar geopend en sindsdien reed de stoomtram dus ook door Castricum. De straatweg door het dorp kreeg hiermee een geheel ander aanzien.

De tram passeerde aan het begin van het dorp de spoorbaan, wat speciale voorzieningen nodig maakte en liep vervolgens aan de oostkant van de weg dicht langs de voortuinen van de huizen, die overigens merendeels na de komst van de tram werden gebouwd, zodat de bewoners wisten wat hen te wachten stond.

Hotel café restaurant Sportrust (Van Benthem). Dorpsstraat 42 in Castricum, 1923. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hier waren de rails op enkele plaatsen bovendien nog verdubbeld, om de trams gelegenheid te geven elkaar te passeren en ook goederenwagons te parkeren. De halteplaats in het dorpscentrum was gelegen nabij het toenmalige Café Sportlust (nu – in 2003 – ‘Brasserie bij Beentjes’) op de hoek Dorpsstraat-Burgemeester Mooijstraat.

Dorpsstraat in 1901, logement de Rustende Jager en een stoomtram.
Dorpsstraat in 1901, logement de Rustende Jager en een stoomtram.

Volgens een dienstregeling uit 1899 stopte er de tram, uit beide richtingen, acht maal per dag. De tram deed twee uur over het gehele traject. Enkele jaren later noemt volgens oude foto’s het iets verderop in de Dorpsstraat gelegen café ‘De Rustende Jager’, dat vanaf 1901 werd beheerd door de ambitieuze zakenman Johannes Koopman, zich eveneens een halteplaats, wat kan worden opgemaakt uit de tekst ‘station stoomtram’ op de gevel. Waarschijnlijk had dit niet te maken met een verplaatsing van de halteplaats, maar hadden meerdere horecabedrijven in de Dorpsstraat die dicht bij de plaats waar de stoomtram stopte waren gelegen, er belang bij om zich als halteplaats te afficheren.

Hoewel de gemeente bij het verlenen van de vergunning voor de trambaan wel degelijk veiligheidseisen had gesteld, waaronder het stapvoets rijden door het dorp, betekende de komst van de stoomtram niettemin een stuk onveiligheid. Er vonden, ook binnen de dorpskom, aanrijdingen en ongelukken plaats, soms met dodelijke afloop. Verschillende malen kwam de onveiligheid van de tram in de gemeenteraad ter sprake, zoals in 1900 toen raadslid Schuijt zich beklaagde over het te hard rijden van de tram door het dorp.

De tram was niet alleen van betekenis voor het lokale reizigersvervoer, maar ook voor het transport van allerhande goederen, waaronder uiteenlopende zaken, zoals levensmiddelen en grof vuil. Er werd zelfs vee vervoerd, waarbij volgens de overlevering het uitladen van de beesten aan de conducteurs werd overgelaten, wat soms aanleiding gaf tot wilde taferelen. De tram was ook een dankbaar mikpunt van kattenkwaad, vandalisme zouden we nu zeggen, zoals het loskoppelen van wagons als het spoorpersoneel even in het café verpoosde en, wat incidenteel ook schijnt te zijn voorgekomen, het leggen van voorwerpen op de rails “van onbekende makelij”, die bij het passeren van de tram ontploften en veel schrik veroorzaakten. Het noopte de trammaatschappij zelfs om op politieonderzoek aan te dringen.

De eerste officiële busdienst met een 'Berliet' van Thijs Olgers.
De eerste officiële busdienst met een ‘Berliet’ van Thijs Olgers. Strand van Castricum aan Zee, 1929. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Door de komst van het vervoer per auto en autobus was de stoomtram op den duur niet meer rendabel en zo werd de dienst Alkmaar-Velsen in 1923 opgeheven en kwam er dus ook voor Castricum een einde aan ‘de moordenaar’, zoals de tram hier en ook elders in het land wel werd genoemd.


Jaarboek 26, pagina 38

Onstuimige groei van het verkeer

Omstreeks 1865 deed de fiets in ons land zijn intrede, zelfs koning Willem II schafte er één aan. De fiets werd aanvankelijk nog uitsluitend voor sportieve doeleinden gebruikt en als bevorderlijk voor de gezondheid aanbevolen. Met de komst van het ons bekende type rijwiel nam de belangstelling voor het fietsen zo snel toe, dat in 1883 de Algemene Nederlandsche Wielrijders Bond (ANWB) werd opgericht om de belangen van de fietsers te behartigen, speciaal het verbeteren van de wegen door de aanleg van fietspaden.

Oude fiets in de Juliana van Stolbergschool.
Oude fiets in de Juliana van Stolbergschool. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het zal niet lang meer hebben geduurd of de fiets werd, ook in de Dorpsstraat, een normale verschijning. Op oude foto’s, die een doorkijk geven van de belangrijke straten in het dorpscentrum van Castricum, ziet men dan ook altijd wel een paar personen met een fiets, die de indruk wekken klaar te staan voor een of ander transport.

Oude auto met anti-plofbanden in Castricum.
Oude auto met anti-plofbanden in Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Al spoedig na het verschijnen van de eerste auto’s op de Nederlandse wegen, omstreeks 1895, werd een vergunningenstelsel ingevoerd, waarbij de autobezitters werden geregistreerd. Op gepubliceerde lijsten van honderden vergunninghouders over de periode tot 1905 treft men nog geen inwoners van Castricum aan, wel inwoners van enkele omringende gemeenten, die wellicht met veel lawaai en onder veel belangstelling, af en toe door Castricum toerden.

Hermana State aan de Dorpsstraat met wellicht dokter Schoonhoff.
Hermana State aan de Dorpsstraat met wellicht dokter Schoonhoff. Dorpsstraat 76 in Castricum, circa 1925. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Tot de inwoners van ons dorp die wat later een auto kochten en daarmee het dorp onveilig maakten, behoorden dokter Schoonhoff, sinds 1905 arts in ons dorp, met een driewieler van het merk Hanomag, dominee Van Poelgeest, vanaf 1900 werkzaam in Castricum, met een auto van het Nederlandse merk Spijker en Cornelis Stolk, een technicus, met een driewieler van het merk Cyclonette.

Bij de eerste verkeerstelling van Rijkswaterstaat in 1908 telde men op de drukste Rijksweg, nabij Den Haag, op 5 zondagen gemiddeld 116 auto’s, 69 motorrijwielen en 2.262 fietsen. De Rijksweg door Castricum was in die periode dus minder druk en kan men wat verkeersdichtheid betreft, in vergelijking met nu, een verademing noemen.

De toenmalige inwoners hadden van de gigantische verkeerstoename nog geen weet en de diversiteit van het verkeer door het benauwde dorpscentrum, zoals voetgangers, fietsen, motorfietsen, auto’s en tram, zal ook toen zeker wel eens zorgen hebben gebaard. Door de onstuimige groei van het verkeer werd de situatie al snel nog veel zorgelijker. In 1915 reden er op de Nederlandse wegen nog slechts vijfduizend auto’s, nu zijn het er zes miljoen. In 1900 bezat slechts één op de 38 inwoners van ons land een fiets. In 1995 werd het aantal fietsen in ons land geschat op ongeveer dertien miljoen, dus vrijwel elke inwoner van ons land bezat een fiets.

Het drukke verkeer op de smalle Dorpsstraat in Castricum.
Het drukke verkeer op de smalle Dorpsstraat in Castricum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

De enorme groei van het verkeer kon door de aanleg van nieuwe wegen en de verbreding van bestaande wegen buiten de bebouwde kom nog wel redelijk worden op gevangen, maar aan de nauwe doorgaande routes door de oude dorpskernen viel weinig te sleutelen. Dus zien we tegenwoordig dat in veel dorpen het dorpshart overbelast wordt met verkeer, omdat de doorgaande wegen nog steeds door het oude centrum lopen. Ook de Castricumse Dorpsstraat is hiervan een voorbeeld en in de loop der jaren heeft het verbeteren van de verkeerssituatie in deze straat dan ook al heel wat aandacht gekregen. Over de resultaten lopen de meningen uiteen.

Gereformeerde kerk van Castricum en de directe omgeving.
Deze tekening geeft een indruk van de kerk van Castricum en zijn directe omgeving zoals gezien in noordelijke richting vanaf een plek bezuiden de kerk in 1737. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De bewoningsgeschiedenis van de Dorpsstraat

Zoals we op de tekening (aquarel) tekening van Cresent zagen, was het langs de toenmalige weg die vanuit het zuiden aanliep op Castricum, de Holle Laan, maar een kale boel. Langs de weg valt geen enkel huis, overigens ook geen enkel teken van leven, te bekennen. De prent toont wel bewoning nabij de kerk. Dat klopt met het beeld van de kaart uit 1737, opgedragen aan Geelvinck, de ambachtsheer van Castricum, waarop langs de Holle Laan ook geen huizen zijn ingetekend, in tegenstelling tot het door het dorp langs de kerk lopende weggedeelte, waaraan volgens de kaart een tiental huizen was gelegen. Dit zullen merendeels boerderijen zijn geweest die de tijd niet hebben doorstaan. Een substantiële bebouwing, waarvan vrij veel is overgebleven en die nog mede het beeld van de huidige Dorpsstraat bepaalt, kwam pas goed op gang in het begin van de 20e eeuw.

Burgemeester Mooij op zijn werkkamer in het raadhuis.
Burgemeester Mooij op zijn werkkamer in het raadhuis. Dorpsstraat 65 in Castricum, 1905. Collectie Oud-Castricum. Toegevvoegd.

Wanneer we, wat betreft het afgebeelde gedeelte van de Dorpsstraat, teruggaan in de tijd, blijkt dat het omliggende land in een periode voordat de bebouwing plaatsvond, voor een groot deel in gebruik was voor de teelt van bloembollen. Aan de even kant van de Dorpsstraat was, voordat de bouw op gang kwam, vrij veel grond in handen van Cornelis Jansz. Mooij en later van diens zoon Jan Mooij, burgemeester van Castricum.

Veel grond aan de oneven kant was eigendom van de bollentelers Petrus Valkering en Adriaan van Lith. Zij splitsten hun land voor de latere huizenbouw. Een naam die men in verband met de bouw van huizen van het te bespreken gedeelte van de Dorpsstraat ook veelvuldig tegenkomt, is die van Gerrit Kabel, timmerman en aannemer. Hij was wat we tegenwoordig een typische projectontwikkelaar zouden noemen. Hij kocht land aan van de landeigenaren, verdeelde dat in kleine kavels en bouwde daarop, al of niet in opdracht, een woonhuis, dat hij dan verkocht.

Een andere naam, die men in verband met de bebouwing van vooral het eerste deel van de Dorpsstraat regelmatig tegenkomt, is die van Jan Koopman, vanaf 1901 eigenaar van De Rustende Jager, die zich ontpopte als een huizenspeculant, door grond en panden voor korte tijd aan te kopen, om ze vervolgens met winst door te verkopen aan de latere bewoners.

Luchtfoto uit 1923 met zicht op de achterzijde van een aantal huizen aan de noordkant (even kant) van de Dorpsstraat. (Red: zie links bovenin het rijtje huizen voor de bomen). Geheel rechts, door de bomen vrijwel aan het zicht onttrokken, nummer 2, Funadama. Na een nog onbebouwd stuk land, vervolgens van rechts naar links de nummers 12, 14-16, 18, 20, 22 (op het achterterrein een garagebedrijf), 24, 26 (op het achterterrein een nog bestaand prominent pand, aanvankelijk werkplaats van de bouwfirma Kabel), 28, 30,32, 36 en 40. Nummer 34 was nog niet gebouwd. Nummer 38, een PEN-huisje, is niet zichtbaar. Wel op het achterterrein tussen de nummers 36 en 40 een grote schuur, behorend bij 36.

Bij de navolgende bespreking van de huizen beginnen we aan de noordzijde (oneven kant) van de Dorpsstraat. Een luchtfoto uit 1923 toont aan dat de meeste huizen die we thans aan deze kant van de Dorpsstraat aantreffen, er reeds stonden, met achter de huizen grote tuinen, waaronder de tuin die later naar kapitein Rommel werd vernoemd.


Jaarboek 26, pagina 39

Van villa Funadama tot Chinees Restaurant (nummer 2)

Chinees restaurant Jasmin Garden. Dorpsstraat 1 in Castricum.
Chinees restaurant Jasmin Garden. Dorpsstraat 2 in Castricum, 1987. Foto Henk Honing. Toegevoegd.

Wanneer we vanaf de spoorovergang de Dorpsstraat oog in oog staan met twee geweldige leeuwen aan de ingang van een Chinees restaurant, kunnen we ons moeilijk voorstellen hoe dit gebouw er oorspronkelijk heeft uitgezien. Diverse bewonersgroepen en organisaties in Castricum hebben in de loop der tijd bezwaar gemaakt tegen bouwkundige veranderingen in de Dorpsstraat en zo was ook niet iedereen enthousiast over de gevel van restaurant Jasmin Garden, dat in 1987 zijn poorten opende. De in Chinese stijl opgetrokken voorgevel vormde het sluitstuk van een serie veranderingen, die van het uiterlijk van het oorspronkelijke pand op deze plaats niets herkenbaars hebben overgelaten.

Theodorus Lodewijk Arnold (1872-1919), scheepsgezagvoerder bij de KPM en stichter van Funadama, Dorpsstraat 2.
Theodorus Lodewijk Arnold (1872-1919), scheepsgezagvoerder bij de KPM en stichter van Funadama, Dorpsstraat 2.

Aanvankelijk was Dorpsstraat 2 een villa, gebouwd in 1906 in opdracht van Theodoor Arnold, die in het dorp bekend stond als ‘oom Tom’. Tom Arnold, geboren in 1872 in Rotterdam, was kapitein bij de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM), een maatschappij die zich voornamelijk bezig hield met de scheepvaart tussen de eilanden van het toenmalige Nederlands-Indië. De hoofdvestiging van de maatschappij was in Batavia en dat wordt ook genoemd als de woonplaats van Tom Arnold vóór hij zich definitief in Castricum vestigde.

De voormalige villa Funadama van Tom Arnold, Dorpsstraat 2, omstreeks 1920, na een gedeeltelijke verbouwing tot café. Het uiterlijk van de oorspronkelijke villa is hier nog grotendeels intact.
De voormalige villa Funadama van Tom Arnold, Dorpsstraat 2, omstreeks 1920, na een gedeeltelijke verbouwing tot café. Het uiterlijk van de oorspronkelijke villa is hier nog grotendeels intact.

Hij noemde zijn villa Funadama (vrouwe van de zee), naar een godin die vroeger in Japan werd vereerd als beschermvrouwe van vissers en zeelui. Volgens de legende boorde de scheepstimmerman aan de voet van de mast een gat, waarin een offer aan de godin werd gestopt, in de vorm van bijvoorbeeld graankorrels of munten. Tom Arnold was niet getrouwd, maar hij zal niet tot de eenzame vrijgezellen hebben behoord, omringd als hij was door familieleden, die in de directe omgeving woonden. We zullen diverse leden van de familie Arnold in het vervolg van dit verhaal nog tegenkomen. Volgens de overlevering was Tom Arnold een gezellige man, die de nogal saai genoemde familiebijeenkomsten wist op te vrolijken met vermaak, spelletjes en goochelacts.

Zijn loopbaan was van betrekkelijk korte duur, want hij wordt rond zijn 45e jaar al betiteld als oud-gezagvoerder. Hij stierf jong, in december 1919 op 47-jarige leeftijd, naar verluidt aan bloedvergiftiging. Zijn graf is nog aanwezig op de begraafplaats bij de hervormde kerk.

Hotel Cafe Restaurant Funadama.
Hotel café restaurant Funadama met prachtig zijterras aan het water. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Huis en tuin liet hij na aan zijn halfzuster Jacoba Arnold, die slechts twee huizen verder woonde. Zij had het huis niet nodig en verkocht het reeds in 1920 aan een zekere Hendrik Kerkhoff, die nog in mei van hetzelfde jaar vergunning kreeg om het woonhuis te verbouwen tot café. Dat was dus het begin van een nieuwe bestemming van Funadama als cafébedrijf, waar men volgens de toenmalige menukaart ‘café à la Arnold’ kon bestellen, als herinnering aan de vroegere kapitein.

Foto’s laten zien dat na de verbouwing tot café het uiterlijk van de oorspronkelijke villa nog goed bewaard is gebleven. Om onbekende redenen hield Kerkhoff het na korte tijd al weer voor gezien. Zijn tapvergunning werd in 1922 ingetrokken en het inmiddels café geworden pand, dat volgens sommige bronnen zelfs enige tijd leeg zou hebben gestaan en verwaarloosd was, kwam in datzelfde jaar in handen van de in 1885 in Castricum geboren Jan Twisk, die de naam Funadama handhaafde.

Jan Twisk was in 1908 getrouwd met Alida Lute. Zij kregen negen kinderen. De jongste dochter, Alida Twisk, trad in 1944 in het huwelijk met Cornelis Beentjes, waarna het echtpaar introk op Funadama. Vader Jan Twisk, inmiddels weduwnaar, bleef er nog tot 1950 wonen en betrok zijn schoonzoon in toenemende mate bij het wel en wee van het café.

Cornelis Beentjes, die bekend stond als ‘Zwarte Cor’, werd in 1953 eigenaar van de zaak, wat het begin betekende van een periode van verbouwingen die het pand van binnen en van buiten ingrijpend zouden wijzigen. Nog in hetzelfde jaar kreeg Beentjes toestemming tot het bouwen van acht hotelkamers op de bovenverdieping. In 1957 werd het hotel uitgebreid met een serre, die aan de linkerkant werd aangebouwd.

Funadama omstreeks 1960, na het houwen van hotelkamers op de bovenverdieping en aanbouw van een serre aan de linkerkant.
Funadama omstreeks 1960, na het houwen van hotelkamers op de bovenverdieping en aanbouw van een serre aan de linkerkant.

In 1962 kreeg Beentjes toestemming voor de aanbouw van een vleugel aan de rechterkant van het pand en aanpassing van het interieur. Kort daarna, in 1966, werd de hotelruimte vergroot door de bouw van een bovenverdieping met achttien hotelkamers. Van het oorspronkelijke woonhuis viel aan de buitenkant nu niets meer te onderkennen.


Jaarboek 26, pagina 40

Funadama na ingrijpende verbouwingen in 1963 en 1966.
Funadama na ingrijpende verbouwingen in 1963 en 1966.

In 1974 nam Jan Beentjes, een zoon van Cor, de zaak over. Onder zijn bewind werd het hotel-café-restaurant, dat nog steeds Funadama werd genoemd, verder uitgebreid, hoewel dat op het vooraanzicht van het gebouw aan de Dorpsstraat weinig invloed had.

Café restaurant Funadama.
Café restaurant Funadama, circa 1985. Foto Ger van Geenhuizen. Toegevoegd.

Een grote uitbreiding vond plaats in 1982 door de aanbouw aan de achterkant van wat in het Nieuwsblad voor Castricum een feestzaal werd genoemd, die alleen zichtbaar was vanaf de Stationsweg en bereikbaar via de verplaatste voetbrug over de stationsvijver. Hieruit kwam in 1985 discotheek Joy voort.

In 1986 kwam een einde aan Funadama en werd het een Chinees restaurant, waartoe in 1987 aan de heer Wu uit Almere toestemming voor de opvallende gevel verandering werd gegeven, waarop we hiervoor reeds zijn ingegaan.
Jan Beentjes hernam zijn culinaire activiteiten als eigenaar van Restaurant ’t Eethuysje’ aan de Dorpsstraat. Recent (red: wat 2003 betreft) is hij overleden.

Met het verdwijnen van Funadama kwam een einde aan een periode waarin deze gelegenheid een belangrijke functie in het sociale leven van Castricum had vervuld. In wat in de krant vaak de ‘Zaal Beentjes’ werd genoemd, bloeide het verenigingsleven. Er vonden bruiloften, dansavonden, vergaderingen en concerten plaats en er werden grote recepties gehouden, zoals bijvoorbeeld ter gelegenheid van de installatie van burgemeester Van Boxtel in 1969.
De dynastie Beentjes in de Castricumse horeca zet zich voort in ‘De Brasserie bij Beentjes’ op de hoek Dorpsstraat-Burgemeester Mooijstraat.

* noot van de redactie: in dit artikel worden veel horeca, winkels, enzovoorts genoemd, die inmiddels verdwenen zijn of hebben plaats gemaakt voor andere.

Dorpsstraat 6.
Dorpsstraat 6 in 1985. Bouwjaar 1962. Vóór 1962 lag hier een open vlak. Collectie Makelaarsbriefje. Toegevoegd.

Rijtjeshuizen (nummers 4 tot en met 10)

Vervolgen we onze weg aan de even kant van de Dorpsstraat, dan komen we aan een rijtje van vier eenvormige woningen. Op de plattegrond uit 1935 zien we tussen de nummers 2 en 12 een open plek, en dat klopt, want de woningen 4 tot en met 10 werden pas in 1956 gebouwd. Architectonisch valt aan deze huizen weinig te beleven.

Het ontruimingsbevel waarmee veel inwoners van Castricum de laatste maanden van 1942 werden geconfronteerd.
Het ontruimingsbevel waarmee veel inwoners van Castricum de laatste maanden van 1942 werden geconfronteerd.

Evacuatie en reëvacuatie in de Tweede Wereldoorlog

Op last van de bezetter werden tijdens de Tweede Wereldoorlog in Castricum niet alleen huizen gesloopt, maar inwoners werden ook gedwongen hun huizen te verlaten, meestal ter inkwartiering van Duitse militairen. Bewonerskaarten aanwezig in het gemeentearchief van Castricum, hoewel slechts over een beperkte periode bijgehouden, geven een beeld van het vertrek van Castricummers uit en de terugkomst in hun behuizing als gevolg van de oorlog en bovendien van het aantal Duitse militairen dat tijdens hun afwezigheid in hun huis was ingekwartierd. De bevelen tot evacuatie kwamen in de laatste maanden van 1942. De bewonerskaarten tonen dat inderdaad vrijwel alle toenmalige bewoners van het gedeelte van de Dorpsstraat waarmee we ons in dit artikel bezighouden, eind 1942 en begin 1943 hun biezen moesten pakken en dat in al deze huizen Duitse militairen werden ingekwartierd.

Veel voor de bewoners van kustplaatsen onaangename maatregelen die door de bezetter werden genomen, zoals het slopen van huizen en vorderen van woningen, hadden te maken met de verdediging van de kust tegen een mogelijk invasie van de geallieerden. Toen de invasie eenmaal een feit was en in Frankrijk had plaatsgevonden, werd de verdediging van onze kust minder actueel en werden Duitse legereenheden teruggetrokken en elders ingezet. Dat is waarschijnlijk de reden dat nog vóór het einde van de oorlog, in november 1944, in kustgemeenten als Castricum aan geëvacueerden door de burgemeester toestemming kon worden verleend om weer terug te keren. Voorwaarde was wel dat men hier werk had. Groot probleem was dat van een aantal betrokkenen die wilden terugkeren, de woning was gesloopt of om een andere reden niet beschikbaar was. In dat geval kon tijdelijk een leegstaande woning, waaruit de bezetter vertrokken was, worden toegewezen, een systeem dat ook na afloop van de oorlog, toen de reëvacuatie pas goed op gang kwam, voor veel chaos heeft gezorgd.


Jaarboek 26, pagina 41

De historie van de panden is ook te recent om interessant te zijn, waarbij we echter een uitzondering maken voor een affaire met betrekking tot nummer 4, waar zich in 1960 een zekere Johann Vollers vestigde. Vollers was om gezondheidsredenen vanuit Amsterdam naar Castricum gekomen en kreeg in 1966 te maken met de hiervoor besproken uitbreiding van Funadama met een bovenverdieping voor hotelkamers. Hij voelde zich hierdoor in zijn woongenot aangetast, omdat hij zich, naar hij meende beloerd door hotelgasten, niet meer vrij in zijn tuin zou kunnen bewegen. In een schrijven aan de gemeente verzocht hij daarom de ramen van de hotel verdieping, die uitzicht op zijn tuin boden, van matglas te voorzien. De heer Beentjes voelde er uiteraard niets voor zijn hotelgasten kamers te bieden met matglas ramen. De gemeente was het hiermee eens en stelde dat aan alle eisen van de hinderwet was voldaan. Vollers kreeg dus ongelijk en verhuisde in 1974 naar Heiloo.

Jan Beentjes was overigens nog in de gelegenheid zelf de bezwaren van Vollers tegen zijn hotel te toetsen, want hij woonde vanaf eind 1979 enkele jaren met zijn gezin op Dorpsstraat 4.

Het woonhuis Dorpsstraat 12, ca. 1930. Voor de woning van links naar rechts: Johannes de Nijs, Gerardus de Nijs, Petrus de Nijs, Maria de Nijs - Delis en Alida de Nijs - Brakenhojf.
Het woonhuis Dorpsstraat 12, circa 1930. Voor de woning van links naar rechts Johannes de Nijs, Gerardus de Nijs, Petrus de Nijs, Maria de Nijs-Delis en Alida de Nijs-Brakenhoff.

Van woonhuis tot winkel (nummer 12)

Veel Castricummers kennen Dorpsstraat 12 van oudsher als een dierenwinkel, maar toch was ook dit pand aanvankelijk een woonhuis, zoals oude foto’s laten zien. Het huis werd in 1908 gebouwd door de firma Kabel. Voor zover bekend waren de eerste bewoners Matthias de Nijs, geboren in 1867 in Limmen, van beroep landbouwer, zijn vrouw Maria de Nijs-Delis en hun vijf kinderen.

Matthias de Nijs overleed in 1922, waarna zijn weduwe nog tot haar overlijden in 1939 in de woning bleef wonen, die daarna een korte periode in handen kwam van Jan Koopman, eigenaar van De Rustende Jager en zeer actief op de markt van onroerend goed. Deze liet het pand verbouwen tot een winkel, die hij eerst verhuurde aan Arend Spiering en in 1941 aan Jan Lust, geboren in 1908 in Oostzaan, die het pand later kocht. Een kleinzoon van Jan Lust vertelde hierover: “Mijn grootvader werkte aanvankelijk in het pluimveebedrijf van zijn vader in Oostzaan, maar daar kwam bij het uitbreken van de oorlog de klad in. Hij zocht ander emplooi, wat hij vond door het eerst huren en later kopen van de winkel op de Dorpsstraat nummer 12. Aanvankelijk zat daar een zekere Spiering in met een ijzerwinkel. Mijn grootvader nam de zogenaamde goodwill over. Spiering zat er maar kort, vanaf 1939, toen Koopman de winkel had laten bouwen.”

Jan Lust was ook aannemer en bouwde huizen, onder andere over de spoorbaan aan de Beverwijkerstraatweg. Een aangebouwde schuur aan de achterzijde van zijn pand was ingericht als timmermanswerkplaats. Hij exploiteerde ook enige tijd een timmerfabriekje in een gedeelte van de voormalige melkfabriek aan de Overtoom. Lust was een lange, sportieve man, door zijn kleinzoon gekenschetst als een ‘Lunsachtig type’, wat fysiek het geval mag zijn geweest, maar zeker niet geldt voor zijn politieke interesse, want hij voelde zich aangetrokken tot de toenmalige liberalen, die in Castricum niet sterk in getal waren. Hij zou volgens de overlevering nog hoge ogen hebben gegooid naar een wethoudersfunctie, maar de politieke constellatie in Castricum zat hem wat dit betreft niet mee.

Bram Lust, een zoon van Jan lust, had aan zijn jeugd in de Dorpsstraat de indruk overgehouden dat het gezin in een wat geïsoleerde positie verkeerde, door de politieke opvattingen van zijn vader en bovendien vanwege het geloof, ze waren niet katholiek. “Mijn buurjongens Wim Kraakman en Ko Portegies mochten niet met mij spelen, maar dat deden ze natuurlijk toch.” Naast zijn werk was Jan Lust ook een enthousiast duivenmelker en een liefhebber van de watersport. Gezien de vele activiteiten van Jan Lust verbaast het niet dat zijn winkel in gereedschap en huishoudelijke artikelen aan de Dorpsstraat voornamelijk door zijn vrouw werd gedreven.

De winkel was aanvankelijk gehuisvest in het linkergedeelte van de woning (onder het puntdak), terwijl het rechtergedeelte en de bovenverdieping in gebruik waren als woning. In 1955 voerde Lust een drastische, maar merkwaardige verbouwing door, waarbij de winkel werd verplaatst naar het rechtergedeelte van het pand en de werkplaats aan de achterkant werd uitgebreid.

Doorkijk Dorpsstraat, ca. 1950. Aan de linkerzijde, van links naar rechts nr 12 (winkel van Jan Lust) en de woonhuizen nrs 14, 16, 18 (later café'), 20 (later café), 22 (later bowlingbar) en 24.
Doorkijk Dorpsstraat, circa 1950. Aan de linkerzijde, van links naar rechts nummer 12 (winkel van Jan Lust) en de woonhuizen nummers 14, 16, 18 (later café’), 20 (later café), 22 (later bowlingbar) en 24.

In 1962 trouwde de uit Limmen afkomstige Hendrik Nuijens in Castricum met Maria Steeman, waarna het echtpaar de bovenwoning van Dorpsstraat 12 betrok en de winkel inrichtte tot de alom bekende ‘dierenspeciaalzaak’. Lust schijnt overigens nog enige tijd van de achterliggende schuur gebruik te hebben gemaakt. Onder Nuijens voltrokken zich


Jaarboek 26, pagina 42

verdere veranderingen aan het pand, zoals in 1972 een grote verbouwing, waarbij de gehele begane grond tot winkel werd ingericht en in 1983 het wijzigen van de voorgevel en het plaatsen van een luifel, waardoor de huidige situatie ontstond. Nuijens kocht destijds ook nog het pand van Vendel aan de overkant als opslagruimte, om het later te verkopen aan Frank Boske. De familie Nuijens bleef niet in de Dorpsstraat wonen, het gezin telde inmiddels 3 kinderen, en verhuisde naar elders, waarna de bovenwoning, op een enkele uitzondering na, werd verhuurd aan personen die niet direct met de winkel te maken hadden.

Dorpsstraat 12, dierenwinkel van Leeuwen.
Dorpsstraat 12. Voorheen de dierenwinkel van Henk Nuijens. Op deze foto is van Leeuwen de eigenaar. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na meer dan 30 jaar hield Nuijens het in 1993 voor gezien en nam Ed de Kegt de dierenwinkel over, wat overigens van korte duur bleek, want in 1994 kwam de zaak in handen van de huidige (in 2003) eigenaar Ton van Leeuwen.

De 'tweelingpanden' Dorpsstraat 14/16 omstreeks 1970.
De ’tweelingpanden’ Dorpsstraat 14 en 16 omstreeks 1970.

Identiek van uiterlijk (nummers 14 en 16)

De huisjes Dorpsstraat 14 en 16 vormen nu samen een kantoor, maar oorspronkelijk waren het twee identieke woningen ‘onder één kap’. Ze werden omstreeks 1910 gebouwd door het bedrijf van Gerrit Kabel op grond afkomstig uit het bezit van de familie Rommel.

Eerste bewoner van nummer 14 was Geert Middelveld, die zich met zijn vrouw Antje Tijs in 1910 vanuit Emmen in Castricum vestigde, om als administrateur te gaan werken bij de sinds kort bestaande psychiatrische inrichting ‘Duin en Bosch‘. Geert Middelveld huurde de woning enkele jaren van Kabel, om in 1914 te verhuizen naar een villa die hij aan de overkant had laten bouwen.

Dorpsstraat 14 werd daarop door Kabel eerst verhuurd en later verkocht aan twee halfzusters van Tom Arnold, stichter en toen nog bewoner van het naastgelegen Funadama, te weten de 50-jarige Jacoba en de 56-jarige Louise Arnold. De beide zusters, geen Castricummers van geboorte, hadden zich omstreeks 1890, na als huishoudsters in verschillende betrekkingen werkzaam te zijn geweest, in Castricum gevestigd en vormden toen samen met hun oom Herman Affourtit, een bloemkweker afkomstig uit Lisse, en diens zuster Louize Affourtit, een huishouding van vrijgezellen in een niet meer bestaand woonhuis aan de Burgemeester Mooijstraat. Herman Affourtit zou ook nog bij de zusters Arnold in de Dorpsstraat zijn ingetrokken, maar dat moet van heel korte duur zijn geweest, want hij overleed in 1914 op 70-jarige leeftijd.

Louise overleed in 1926 en Jacoba Arnold bleef toen alleen in het huis aan de Dorpsstraat achter. Ze kocht in 1926 het buurhuis nummer 16, dat sinds de bouw was bewoond door de weduwe Maria van Doorn-Rommel, een tante van de bekende kapitein Rommel, en ging deze woning verhuren. De eerste huurder was een zekere Gijsbertus Bontan, die met zijn familie, waaronder zijn moeder, vanuit Amsterdam in Castricum kwam wonen. Hij was adjunct-commies bij de belastingen in Alkmaar en dus feitelijk een forens. De reden om in Castricum te gaan wonen was de ziekte van zijn moeder, voor het herstel waarvan ‘de zandstreek’ was aanbevolen. Auke Bontan, een zoon van Gijsbertus en pas zes jaar toen zijn familie zich in Castricum vestigde, had aan zijn Castricumse periode nog maar weinig, maar wel idyllische herinneringen: “een overkapping van het huis met zwaluwnesten en een slootje aan de overkant, waar ik speelde.”

In 1931 vertrok het gezin Bontan naar Alkmaar en huurder van de woning werd nu de uit Haarlem afkomstige koopman Jan Koudstaal, die er met zijn vrouw Elisabeth van Aken en een vijfjarige zoon Jacob zijn intrek nam. In januari 1943 moesten de familie Koudstaal en ook buurvrouw Jacoba Arnold, zoals veel inwoners van Castricum, hun huis ontruimen om plaats te maken voor de Duitse bezetter. Van de mogelijkheid die in november 1944 werd geboden om terug te keren, wist Jacoba kennelijk geen gebruik te maken, want het huis werd nu toegewezen aan de vanuit Beverwijk in Castricum teruggekeerde Jaap Korsman en zijn vrouw. Korsman verkreeg toestemming om naar Castricum terug te keren, omdat hij kon aantonen in Castricum werk te hebben bij aannemer Res.

De tuin achter het huis grensde aan de tuin van mevrouw Rommel en de familie Korsman mocht van die tuin gebruik maken om groente en aardappelen te telen, heel welkom in die oorlogsjaren. Jaap Korsman heeft bij de bevrijding nog de vlag gehesen op de toren van de oude Pancratiuskerk, want dat was ook vóór de oorlog altijd bij feestelijke gebeurtenissen zijn werk.

In januari 1946 keerde Jacoba Arnold vanuit Graft naar Castricum terug en nam haar woning weer in gebruik. De familie Koudstaal keerde niet in Castricum terug en pas in juni 1946 meldde zich een nieuwe huurder voor Dorpsstraat 16 in de persoon van Siebrand de Vries, van beroep hovenier, wiens woning annex bloemenwinkel in de Burgemeester Mooijstraat in 1938 plaats had moeten maken voor nieuwbouw.

In 1952 verkocht Jacoba Arnold haar beide panden aan respectievelijk Willem Costerus, griffier in Amsterdam en zijn broer Pieter Costerus, zakenman in Aardenhout. Het is zeker dat zij niet in Castricum hebben gewoond en de aankoop van de huizen moet dus gezien worden als een zakelijke transactie. Zij bleven de huizen voorlopig verhuren. Jacoba Arnold woonde nog tot aan haar dood op 90-jarige leeftijd in 1955 op nummer 14.

Nummer 16 werd tot 1968 bewoond door Siebrand de Vries, die in september van dat jaar overleed. Dit laatste pand werd, na nog enkele malen van eigenaar te zijn veranderd, in 1976 eigendom van een architectenbureau dat er ook thans (in 2003) nog gevestigd is, onder de naam Nootebos-Baltes-Min BV. Deze firma kocht voor de uitbreiding van het kantoor in 1979 ook nummer 16 van de toenmalige eigenaar en architect Jacob Spaargaren, nadat het enige jaren had leeggestaan.

Een doorverbinding van de panden, gepaard aan wijziging van de voorgevel, vond plaats in 1985. De oorspronkelijke panden toonden volgens oude foto’s vrij karakteristieke voorgevels van gemetselde stenen. De huidige situatie met de witgepleisterde muren is weinig fraai, maar mogelijk waren bepaalde ingrepen aan de gevel in verband met de ouderdom van de panden noodzakelijk.

Dorpsstraat 18, Café Bar 't Gemeentehuys
Dorpsstraat 18, Café Bar ’t Gemeentehuys in 1998. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Van woonhuis tot café (nummer 18)

De huidige (in 2003) café-bar ’t Gemeentehuys’ kreeg die status pas in 1973 en was daarvoor een woonhuis. De bouw vond plaats circa 1913 door de firma Gerrit Kabel in opdracht van aannemer Dirk de Jong, die in die periode betrokken was bij verschillende bouwprojecten in Castricum en er met zijn familie ging wonen.

Het oorspronkelijke vooraanzicht van het pand Dorpsstraat 18.
Het oorspronkelijke vooraanzicht van het pand Dorpsstraat 18.

In 1928 werd het huis gekocht door Maartje Roemer-ter Hofstede, weduwe van Bernard Roemer, die zich vanuit Akersloot in Castricum had gevestigd en hier bekendheid genoot als reparateur van fietsen


Jaarboek 26, pagina 43

en auto’s. Maartje, die met twee kinderen nu een vrij ruime woning ter beschikking kreeg, verwierf zich inkomsten door woonruimte te verhuren, want zij wordt in archiefstukken pensionhoudster genoemd. In 1944 en 1945 – het huis was nog steeds bezit van de familie Roemer die ook slachtoffer was van de evacuatie – woonde er tijdelijk het gezin van de bekende Castricummer Tjeerd van Eik, die vanaf 1941 directeur was van stoomzuivelfabriek ‘De Holland’. De familie kwam daar terecht door een dramatische gebeurtenis. Als vergelding voor sabotage aan de spoorlijn werden op 3 oktober 1944 door de Grüne Polizei drie huizen in de Pernéstraat in brand gestoken, waaronder het huis van Tjeerd van Eik.

Doorkijk Dorpsstraat in 1952 met achtereenvolgens links de woonhuizen nr 16,18 (later café), 20 (later café), 22 (op achterterrein garagebedrijf, later bowlingbar), 24 en een bakkerswinkel op 26. Rechts de woonhuizen nr 23 (later kantoor), 25 en een pakhuis op 27.
Doorkijk Dorpsstraat in 1952 met achtereenvolgens links de woonhuizen nummers 16,18 (later café), 20 (later café), 22 (op achterterrein garagebedrijf, later bowlingbar), 24 en een bakkerswinkel op 26. Rechts de woonhuizen nummer 23 (later kantoor), 25 en een pakhuis op 27.

In 1947 werd het huis van de familie Roemer gekocht door Johan Boersen, van beroep kelner. Na diens overlijden in 1952 bleef zijn weduwe Anna Boersen – Heijen er wonen. Zij ging in 1955 een nieuw huwelijk aan met de uit Heemskerk afkomstige Theodorus Beentjes. Anna kwam al in 1959 te overlijden. Theo Beentjes vertrok daarop naar de Overtoom en het huis werd door de niet meer in Castricum woonachtige erfgenamen, vier kinderen uit het eerste huwelijk van Anna, verkocht aan Theodorus Twisk, een veehouder uit Bakkum. Deze wilde het na een werkzaam leven wat rustiger aan doen en liet zijn boerenbedrijf over aan enkele van zijn kinderen. Zijn echtgenote Trijntje Borst was bovendien wat uitgekeken op de stilte aan de Heereweg en wilde graag terug naar het dorpscentrum, waar ze was opgegroeid. Het echtpaar vestigde zich met hun nog thuis wonende zoon Jan Twisk in de woning Dorpsstraat 18. Het geluk lijkt niet erg op de hand van de bewoners op dit adres te zijn geweest, want in 1967 kwam Theo Twisk te overlijden en bleef er opnieuw een weduwe in het pand achter.

Het wonen in het drukke Dorpscentrum met de nabij gelegen cafés was Trijntje toch wat tegengevallen en in 1972 werd het pand door haar zoon, de reeds genoemde Jan Twisk, die inmiddels eigenaar was geworden, verkocht aan Lammert Stiensma. Deze Lammert Stiensma, een student, woonde destijds verderop in de Dorpsstraat, op nummer 81c en kreeg volgens eigen zeggen in een soort opwelling het idee om op Dorpsstraat 18 een café te gaan exploiteren.

Bouwplannen werden ingediend, waarna toestemming werd verleend tot de inrichting van de begane grond van het woonhuis tot een bar. De bovenverdieping bleef dienen als woonruimte. Omdat er nog geen bestemmingsplan was dat dit kon verhinderen, kreeg hij gemakkelijk toestemming tot verbouw, waarover de thans in Friesland woonachtige Stiensma desgevraagd vertelde dat hij het starten van een café in de Dorpsstraat als een, weliswaar mislukt, experiment had gezien. Mislukt, omdat hij er na een betrekkelijk korte periode geen zin meer in had en zijn café ‘Het Kneipje’ verkocht om naar Amsterdam te verhuizen en daar zijn studie voort te zetten. Zijn vertrek uit Castricum had overigens niets te maken met problemen rond het café, want het was, zoals hij opmerkte, een bruin café met een rustige klandizie.

Koper van het café was in 1977 Jan Endstra, de laatste eigenaar van de in 1976 gesloopte ‘De Rustende Jager’. Endstra gaf het café in beheer aan zijn zoon Eduard, maar dat duurde ongeveer een jaar, omdat hij volgens zijn vader “te jong was voor dat rotberoep”.

Recente foto van de cafébedrijven 't Gemeentehuys' (Dorpsstraat 18) en 'Buona Sera' (Dorpsstraat 20).
Recente (van 3 mei 2000) foto van de cafébedrijven ’t Gemeentehuys’ (Dorpsstraat 18) en ‘Buona Sera’ (Dorpsstraat 20).

Het cafébedrijf veranderde in zijn nog korte bestaan opnieuw van eigenaar en kwam in 1979 in handen van Cor Beentjes, telg uit een horeca-familie. Zijn vader, Cornelis Beentjes en broer Johannes Beentjes, kwamen we hiervoor reeds tegen als de opeenvolgende exploitanten van Funadama. In 1980 vond aan de achterkant van het café een aanbouw plaats.
Het café veranderde sindsdien nog verschillende malen van eigenaar, wat ook blijkt uit de namen die in de loop der tijd de gevel sierden: ‘Kick Down’, ‘Rue du Village’, ‘Het Museum Kafee’ en nu (in 2003) dan “t Gemeentehuys’.


Jaarboek 26, pagina 44

Doorkijk Dorpsstraat in 1910. Aan de linkerkant van de Rijksstraatweg zien we tussen de bomen het pand waarin thans 'Buona Sera' is gevestigd. Een handkar, gestapelde planken tegen de gevel en een aantal personen voor het huis geven een indruk van bouwactiviteiten, al is niet duidelijk waar.
Doorkijk Dorpsstraat in 1910. Aan de linkerkant van de Rijksstraatweg zien we tussen de bomen het pand waarin thans ‘Buona Sera’ is gevestigd. Een handkar, gestapelde planken tegen de gevel en een aantal personen voor het huis geven een indruk van bouwactiviteiten, al is niet duidelijk waar.
Tekening door Sijf Portegies van zijn woning, Dorpsstraat 20.
Tekening door Sijf Portegies van zijn woning, Dorpsstraat 20.

Opnieuw een woonhuis tot café (nummer 20)

De tegen ’t Gemeentehuys’ aangeplakte bar-dancing ‘Buona Sera’ was vroeger eveneens een woonhuis, gebouwd rond 1906 door de firma Kabel.

De eerste bewoner was Kabel zelf met zijn vrouw Aafje Duijn. Later verhuisde de familie Kabel naar Dorpsstraat 24. Daarna waren volgens kadastergegevens eigenaren van de woning de dorpssmid Jan de Groot en enkele van zijn familieleden. Jan de Groot had destijds een smederij aan de Schoolstraat en in hoeverre hij of familieleden in de woning aan de Dorpsstraat, toen Rijksstraatweg, hebben gewoond, is niet duidelijk.

De eerste eigenaar na Kabel, waarvan we zeker zijn dat hij er ook met zijn familie woonde, was de veelzijdige Sijf Portegies, onder andere bekend als huisschilder, kunstschilder en ook verzekeringsagent, die het pand in 1923 kocht van de huizenspeculanten Bank Kazenbrood en Jacob de Nijs, die het drie maanden eerder op een openbare veiling hadden gekocht.

Sijf Portegies, die zich eerder in een winkel in de Burgemeester Mooijstraat had gevestigd, bouwde in 1927 een werkplaats achter het huis. Het uiterlijk van het pand bleef lange tijd vrijwel ongewijzigd, behalve de vervanging van de vrij smalle dakkapel door de verbrede uitvoering zoals we die thans kennen. Sijf Portegies was een markante Castricumse persoonlijkheid, over wie uitvoerig is geschreven in het 14e jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum (1991). Hij overleed in 1959, waarna zijn familie het pand nog tot 1972 bleef bewonen. In dat jaar vroeg een zekere W. Kitsz uit Assendelft vergunning voor de verbouw van het woonhuis Dorpsstraat 20 tot een café. Dit plan was volgens Kitsz afkomstig van twee medewerkers van de naastliggende bowlingbar en moest aanvankelijk voor de werkgever van de twee geheim worden gehouden. Kitsz, een binnenhuis-architect, werd niet alleen ingeschakeld om de bar te ontwerpen, maar ook om als tussenpersoon te dienen voor het aanvragen van de vergunning. Met de exploitatie van de bar had hij verder geen enkele bemoeienis.

In 1978 werd het pand gekocht door Peter Beerman, die de exploitatie van de bar voortzette onder de naam ‘Tap Inn’ en zelf met zijn echtgenote de bovenverdieping ging bewonen. In 1985 kwam Beerman op tragische wijze te overlijden. Het huis werd in een openbare verkoop in 1987 gekocht door Matthijs van Randeraat, die het café, aan de achterkant waarvan inmiddels een danszaal was aangebouwd, ruim 9 jaar exploiteerde om het daarna te verkopen aan Theo Kaandorp. Van Randeraat had aan zijn Castricumse periode beslist geen negatieve indruk overgehouden, maar hij was ook niet overdreven enthousiast. Hij had het in Castricum “allemaal wat kleinschalig” gevonden en het wekt dus geen verbazing dat hij inmiddels een aanzienlijk groter cafébedrijf beheert in Alkmaar.

Open plek op de plaats van de in 1970 afgebrande bowlingbar tussen de panden Dorpsstraat nrs 20 en 24.
Open plek op de plaats van de in 1970 afgebrande bowlingbar tussen de panden Dorpsstraat nummers 20 en 24.

Een bewogen geschiedenis (nummer 22)

In juni 1970 werd het pand Dorpsstraat 22, waarin een bowlingbar was gevestigd, door een brand geheel verwoest. Het Nieuwsblad voor Castricum en Omstreken van dinsdag 2 juli 1970 bracht het nieuws kort maar krachtig:
“Vannacht is het bowlingcentrum ‘Boemerang’ aan de Dorpsstraat door brand verwoest. Over de oorzaak van de brand tast men in het duister. De brand is waarschijnlijk om ongeveer 2 uur in de ochtend bij de bar ontstaan. Ondanks de snelle komst van de brandweer brandde het pand geheel uit. De belendende percelen (een gezin met twee kinderen sliep vlak naast de Boemerang) konden behouden blijven. Eén van de twee eigenaars, de heer Van den Tweel spreekt van een ramp nu de brand vlak voor het zomerseizoen is uitgebroken. Gelukkig zijn de eigenaars voor alle risico’s, waaronder bedrijfsschade, verzekerd. De families Scholten en Kaandorp maakten zich bijzonder verdienstelijk met het schenken van koffie tijdens het bluswerk. De bowlingbar ging geheel verloren. Op dezelfde plaats zal een nieuwe zaak worden gebouwd.”
Nog in dezelfde maand werd namens het college van B&W opdracht gegeven tot het slopen van de restanten van het afgebrande perceel met het oog op dreigend instortingsgevaar.

De herbouwplannen vormden aanleiding voor een groep omwonenden om hun al langer bestaande grieven tegen toestanden rond de uitgebrande bowlingbar aan het Gemeentebestuur in niet mis te verstane bewoordingen kenbaar te maken. Hun schrijven werd openbaar door publicatie in enkele streekbladen. Gesproken werd van: “Een voor de buurtbewoners bijna ondraaglijke wantoestand, die vooral tijdens de weekeinden tot een hoogtepunt kwam. De merendeels zeer jeugdige bezoekers van deze bowlingbar, voor het grootste deel afkomstig van buiten de gemeente, plachten zich tot diep in de nacht op ergerlijke wijze op straat te vermaken. Hierbij werd middels bromfietsen, geschreeuw en gelal een ondraaglijk lawaai veroorzaakt, dat


Jaarboek 26, pagina 45

de bewoners van alle huizen in de omgeving tot ’s nachts drie uur uit de slaap hield. Dit lawaai ging gepaard met wangedrag van andere aard, zoals het bevuilen van trottoirs, muren en vensters middels braaksel, urine en faecaliën. Sexueel verkeer van minderjarigen werd in de stegen in deze omgeving schaamteloos uitgevoerd, terwijl uiterst obscene kreten op straat werden geslaakt. Sterke aanwijzingen zijn voorhanden dat jeugdige personen in dit vermaakspand gebruik maakten van hasjies en andere zogenaamde softdrugs. Meermalen werden minderjarigen in laveloze toestand naar buiten gedragen. Het zal U duidelijk zijn dat wij dergelijke toestanden in onze woonomgeving niet meer terug wensen te zien. Reeds nu gaan geruchten dat het betreffende pand binnen zeer korte tijd in vergrote vorm zal worden herbouwd, zodat de wantoestanden op nog uitgebreider schaal kunnen worden herhaald.”

De burgemeester van Castricum legde het schrijven van de buurtbewoners voor aan de Rijkspolitie, die de meeste klachten afdeed als incidenten, inherent aan het horecabedrijf. De enige klacht die in feite serieus werd genomen, betrof het parkeren van de bromfietsen op de trottoirs wegens gebrek aan stalling in de omgeving en het nachtelijk lawaai dat daaruit voortkwam.

Impressie van het garagebedrijf Lute (gerealiseerd in 1959), hier nog Austin dealer later Opel.
Impressie van het garagebedrijf Lute (gerealiseerd in 1959), hier nog Austin dealer later Opel.

Het oorspronkelijke pand, waarin de afgebrande bowlingbar was gevestigd, was een betrekkelijk klein woonhuis van een traditioneel type met een puntdak en houten daklijst, zoals we dat vandaag de dag nog veelvuldig in Castricum aantreffen en zoals ook op enkele voorgaande afbeeldingen valt te onderkennen.

Het huis werd omstreeks 1904 gebouwd door de firma Kabel in opdracht van de in 1881 in Castricum geboren Jacob Lute, die in 1905 trouwde met Marijtje Brakenhoff. Nog hetzelfde jaar betrok het echtpaar de woning. Jacob Lute overleed in 1945, zijn vrouw Marijtje in 1965. Zij lieten veertien kinderen achter, waarvan de in 1917 geboren Kees Lute over zijn jeugd nog veel herinneringen wist op te halen. Hij vertelde hoe zijn vader Jacob Lute aanvankelijk aan de kost kwam met een rijwielhandel in een grote schuur achter het huis. Hij was tussen de bedrijven door telegrambesteller en begaf zich ook in het goederenvervoer door het ombouwen van een Engels Fordje tot een vrachtwagentje dat als ‘Het Snuifje’ bekend stond. Het grote gezin sliep op de bovenverdieping, die geheel was ingericht als een slaapzaal, met aparte gedeelten voor de jongens en voor de meisjes. Kees Lute sliep naast de schoorsteen, wat in de winter behaaglijk was, maar toch lag er bij een strenge winter wel eens sneeuw in zijn bed. Rond 1926 vond een verbouwing plaats, waarbij het huis doelmatiger werd ingericht en de werkplaats werd vervangen door een grotere loods met een oppervlak van meer dan 100 vierkante meter. Jacob Lute stortte zich met succes in de opkomende autobranche. Hij werd de eerste autodealer in Castricum en exploiteerde al spoedig ook een taxibedrijf. Er verscheen een benzinepomp voor het huis, zoals we op foto’s uit die tijd kunnen zien. Kees Lute herinnerde zich nog dat zijn vader de eerste luxe auto’s van het merk Chandler verkocht aan de pastoor en aan Gerrit en Bernard Res.

Kees Lute werkte aanvankelijk bij zijn vader in het bedrijf en verzorgde als tussenpersoon de activiteiten van Van Gend en Loos. De garage achter de woning was bereikbaar via de steeg tussen de panden nummer 22 en 24, waardoor je met wat handigheid zelfs een vrachtwagen kon manoeuvreren.
Het garagebedrijf werd voortgezet door Baltus Lute, een broer van Kees, die zich later verderop met een garagebedrijf in de Dorpsstraat vestigde. Het pand was daarna nog korte tijd in handen van timmerman Johannes Res, die het in 1963 verkocht aan Adriaan van den Tweel, die er aanvankelijk een modeatelier (‘Riat’) in vestigde, waarvan zijn vrouw Hendrika Weeda de touwtjes in handen had.

Gedeelte van een bouwtekening uit 1970 met een plattegrond van de nieuw te bouwen bowlingbar, Dorpsstraat 22. Ten opzichte van de situatie vóór de brand is het oppervlak aanzienlijk groter, met een zwaartepunt aan de achterzijde. Achter nummer 26 zien we het kaaspakhuis. De garage van Lute was inmiddels gesloopt.
Gedeelte van een bouwtekening uit 1970 met een plattegrond van de nieuw te bouwen bowlingbar, Dorpsstraat 22. Ten opzichte van de situatie vóór de brand is het oppervlak aanzienlijk groter, met een zwaartepunt aan de achterzijde. Achter nummer 26 zien we het kaaspakhuis. De garage van Lute was inmiddels gesloopt.

In april 1968 opende Van den Tweel zijn eerste bowlingbar, waarvan we de bewogen geschiedenis hiervoor hebben geschetst.
Na de brand werd van de kant van de gemeente gesteld: “dat herbouw van welk pand dan ook, dat door een calamiteit verloren is ge-


Jaarboek 26, pagina 46

gaan, niet kan worden tegengehouden.” Wel werden de bezwaren van de omwonenden (nogmaals) onder de aandacht van de eigenaar gebracht en er zou worden getracht de situatie, onder verscherpt toezicht, verder te verbeteren.
Nog binnen een jaar na de brand, op 25 juni 1971, werd de nieuwe bowlingbar ‘De Boemerang’ feestelijk geopend, met naast Adriaan van den Tweel nu ook zijn zwager Simon Weeda als eigenaar. Zoals de buren hadden gevreesd, bleek inderdaad een gebouw te zijn ontstaan van een geheel andere allure dan het oorspronkelijke pand, aanzienlijk groter en met meer horeca. Op de benedenverdieping bevonden zich een bar met daarachter een bar-dancing. De bovenverdieping huisvestte een koffiebar en het bowlingcentrum.

Van den Tweel en Weeda hebben het in het nieuwe pand overigens niet lang uitgehouden, waarbij mevrouw Weeda als een van de redenen om er mee op te houden de overlast veroorzaakt door groepen Molukkers uit de Zaanstreek noemde, die om een of andere reden de bowlingbar in Castricum als een favoriet centrum van samenkomst hadden uitgekozen. Van den Tweel vertrok naar Spanje en verkocht het pand in 1974 aan Theo Besteman, die in die periode bekend was als exploitant van snackbar Veronica aan de overkant. Ook hij kreeg te maken met overlast. Volgens hem gaven de aanvankelijk uit Wormerveer afkomstige Molukkers geen enkele aanleiding tot problemen, maar na de treinkaping in Wijster in 1975 werd de bowlingbar een soort trefpunt van opgefokte Molukkers uit het gehele land. Op een gegeven moment namen zij de bar, volgens zijn zeggen, min of meer over en werden bezoekers met een andere afkomst er uitgezet. Besteman sprak van een grimmige sfeer, een soort gijzeling van de bowlingbar, waaraan zelfs de politie te pas moest komen. Hij wist de zaak te sussen door contact op te nemen met een voorman van de Molukkers, die gezag had onder de jongeren. Besteman maakte overigens een einde aan de bowlingbar, waarvan hij de activiteiten karakteriseerde als miniatuur-bowling, wat niets te maken had met echte bowling, omdat het pand daarvoor te klein was. Hij begon er een discotheek, annex café.

Volgens zijn herinnering verkocht hij het pand omstreeks 1986 aan de horecaondernemers Bernard de Graaf en Reginus Lute, wat in overeenstemming is met gegevens uit het kadaster. De geschiedenis daarna is vrij ingewikkeld. Het pand werd opgedeeld, waarna een klontering van horeca-bedrijven ontstond met restaurant Memphis op de begane grond, op de bovenverdieping een café City Pool en aan de achterzijde café De Slok, nu (in 2003) danscafé ‘Dubbel 2’. De eigenaar van Memphis, Hamada Reda, is inmiddels naar Amsterdam vertrokken en er is in het vrijkomende deel van het pand opnieuw een bar gevestigd met de naam ‘Bij de buren’.

Foto van het pand Dorpsstraat 24, dat sinds de bouw nauwelijks is veranderd.
Foto van het pand Dorpsstraat 24, dat sinds de bouw nauwelijks is veranderd.

Woonhuis gebleven ( nummer 24)

Het woonhuis Dorpsstraat nummer 24, dat omstreeks 1912 is gebouwd door de firma Kabel, heeft sindsdien weten te ontsnappen aan het lot te worden omgebouwd tot café. Hoewel men niet alle gebouwen in de Dorpsstraat even mooi behoeft te vinden, is de charme van de straat, zeker van het gedeelte waarmee we ons in dit artikel bezighouden, de afwisseling in architectuur. Zo heeft ook dit pand een eigen karakter, dat door de huidige eigenaar Rieke wordt omschreven als een ‘Oostenrijkse uitstraling’, waarmee hij onder andere doelt op het vele houtwerk rond de dakconstructie. Dat komt volgens hem omdat Kabel bij de bouw samenwerkte met een Oostenrijkse opzichter, die ook bij de bouw van de rooms-katholieke kerk aan de Dorpsstraat betrokken was. Gerrit Kabel ging na de bouw zelf met zijn familieleden in het huis wonen, na eerder op het adres Dorpsstraat 20 te hebben gewoond, een huis dat hij ook had gebouwd.

Timmerman/aannemer Gerrit Kabel op ca. 25-jarige leeftijd.
Timmerman-aannemer Gerrit Kabel op circa 25-jarige leeftijd.

Achter het huis van zijn buurman op nummer 26 bezat Gerrit Kabel, grenzend aan zijn tuin, een stuk grond, waarop hij reeds in 1906 een ruime werkplaats had opgetrokken voor zijn bouwbedrijf.
Gerrit Kabel speelde in de eerste decennia van de vorige eeuw een belangrijke rol in de Castricumse huizenbouw aan de Dorpsstraat, waarvan we reeds voorbeelden hebben gezien. Maar ook elders in Castricum, zoals aan de Stationsweg en de Mient en zelfs in omliggende plaatsen was hij actief. Hij schijnt een nauwgezet bouwer te zijn geweest, want de kwaliteit van sommige van zijn constructies wordt tot op de dag van vandaag nog door kenners geprezen. Hij gold ook als een weinig zakelijke bouwer, die zijn klanten niet het vel over de oren haalde en die op de bouw zelfs wel eens geld moest toeleggen.

Gerrit Kabel zal een aantal van zijn plannen niet hebben kunnen verwezenlijken, want hij kwam al op 55-jarige leeftijd in 1933 te overlijden. Als geziene Castricummer, die als zeer hulpvaardig bekend stond, trok zijn begrafenis veel belangstelling.

Na zijn dood kwamen huis en werkplaats korte tijd in het bezit van enkele speculanten, die het geheel nog hetzelfde jaar doorverkochten aan Adriaan Vermeulen, die in archiefstukken, evenals zijn voorganger Gerrit Kabel, timmerman en aannemer wordt genoemd. Vermeulen hield het om onbekende redenen reeds in 1937 voor gezien. Woonhuis en werkplaats kwamen daarop in handen van een hypotheekbank, die het geheel doorverkocht aan de gebroeders Johan en Willem Kaandorp. Zij begonnen er in 1939 een groothandel in kaas, waarbij de voormalige werkplaats van Kabel ging dienen als loods voor de opslag. Willem Kaandorp betrok met zijn familie het woonhuis. Deze Willem Kaandorp had zich reeds, toen hij nog bij zijn ouders woonde, in de kaashandel begeven. Hij kocht kazen in Opmeer en bezorgde die met een bakfiets bij klanten in de wijde omgeving van Castricum. Johan Kaandorp had vóór hij met zijn broer de kaasgroothandel begon, ervaring opgedaan bij kaashandel Dijkman. In 1971 werd de Firma Gebroeders Kaandorp, zoals het bedrijf officieel te boek stond, voortgezet door twee neven, namelijk Jan Kaandorp, zoon van Willem en Mats Kaandorp, zoon van Johan. De situering van de zich uitbreidende kaashandel in de Dorpsstraat


Jaarboek 26, pagina 47

werd in toenemende mate problematisch, onder andere door het gemanoeuvreer met de vrachtwagens door de nauwe toegang naar het op het achterterrein liggende kaaspakhuis. Daarom werd de kaashandel naar Limmen verplaatst. Woning en opslagloods bleven na de verhuizing nog enige tijd in handen van de familie Kaandorp. Van het woonhuis werden gedeelten verhuurd. In de loods was enige tijd een autospuiterij gevestigd, terwijl ook de carnavalsvereniging er tijdelijk onderdak vond.

Omstreeks 1980 werden woonhuis en loods aangekocht door de reeds genoemde Roel Rieke. Toen Rieke het woonhuis overnam, trof hij een verwaarloosde toestand aan. Hij herstelde het pand en deelde het op in kleine appartementen, die werden verhuurd. Deze situatie bestaat tot de dag van vandaag (in 2003). Rieke en zijn vrouw houden zich ook bezig met vakantieverhuur (‘Roba Studio’s’), waartoe een kantoor is ingericht in de voormalige loods en die verder onder meer in gebruik is als expositieruimte.

Gedeelte van het pand Dorpsstraat 26, waarin bakkerij Kraakman is gevestigd, ca. 1950.
Gedeelte van het pand Dorpsstraat 26, waarin bakkerij Kraakman is gevestigd, circa 1950.

Een opeenvolging van bakkers (nummer 26)

In het pand Dorpsstraat 26 zijn van oudsher broodbakkers gevestigd geweest. Het pand werd omstreeks 1905 gebouwd door wie anders dan Gerrit Kabel. Het is waarschijnlijk dat het pand door Kabel als winkel werd opgeleverd, want als eerste bewoner staat te boek broodbakker Antonius Lobbert. Onder een zeer beperkt aantal personen met deze vrij uitzonderlijke familienaam, woonachtig rond Deventer, troffen we iemand aan met genealogische belangstelling, die kon bevestigen dat ene Antonius Johannes Lobbert, geboren in 1882 in Deventer, via Haarlem in Castricum terecht was gekomen en daar gezien zijn beroep toepasselijk in het huwelijk trad met de in 1881 in Castricum geboren Maria Bakker. Het verblijf van Lobbert in Castricum was niet van lange duur, want hij vertrok in 1909 naar Alkmaar, waar hij in 1961 is overleden.

Het pand werd in 1909 gekocht door enkele huizenspeculanten, die het kort daarop verkochten aan Willem Klinkhamer, ook een bakker. Zijn verblijf was eveneens van korte duur, want enkele jaren later verkocht hij het pand aan de uit Heiloo afkomstige Johannes Kuilboer, een broodbakker, die er zich in 1912 met zijn zuster Grietje Kuilboer vestigde. Grietje zal ongetwijfeld geholpen hebben in de winkel, evenals Maria Kardinaal, met wie Johannes in 1918 in het huwelijk trad. Grietje trouwde in 1916 met Johannes Twisk en vertrok toen naar Egmond-Binnen, waar Twisk een tuinderij bezat. Bakkerij Kuilboer heeft in Castricum tot 1928 bestaan, in welk jaar het pand werd opgekocht door de 22-jarige Jan Kraakman, afkomstig uit Harenkarspel, die de bakkerij voortzette.

In 1981 plaatste Het Nieuwsblad voor Castricum korte herinneringen van mevrouw A. Eggers (bekend van ‘De Rustende Jager‘) aan de Dorpsstraat in de periode 1945-1950. Over Dorpsstraat 26 merkte zij op: “Bakker Kraakman met zijn diverse soorten brood en krentenbollen, god nog aan toe, wat maakte hij ze goed.” Kraakman was niet alleen een goede bakker, maar heeft ook in andere opzichten betekenis gehad voor Castricum. Direct na de oorlog, in 1946, werd hij door de KVP kandidaat gesteld voor de gemeenteraad. Dat was het begin van een politieke carrière, die een bekroning vond in zijn verkiezing tot wethouder voor Sociale Zaken en Huisvesting in 1967.

Begin 1971 ontving Jan Kraakman tijdens een jaarvergadering van de Katholieke Middenstandsbond uit handen van pastoor Voets een hoge kerkelijke onderscheiding. Burgemeester Van Boxtel greep de gelegenheid aan om Kraakman, inmiddels oud-wethouder, toe te spreken. Hij roemde de formidabele toewijding waarmee Kraakman zijn wethouderschap, een moeilijke portefeuille vol menselijk leed en ellende, had vervuld. Ook na zijn politieke loopbaan bleef Jan Kraakman tot zijn overlijden in 1973 actief op sociaal gebied. Men kan zich afvragen hoe Jan Kraakman naast zijn bakkersbestaan de tijd kon vinden voor al zijn nevenactiviteiten.

Bakkerij Kraakman aan de Dorpsstraat 26.
Bakkerij Kraakman aan de Dorpsstraat 26, 10 maart 1993. Martien Veen met zijn vriendin Karin Nolten die de bakkerij hadden overgenomen. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Het geheim was dat hij in toenemende mate zijn zoon Willem Kraakman, die reeds op 18-jarige leeftijd als koksmaat en bakker op schepen werkzaam was, in zijn zaak betrok. In 1960 namen Willem Kraakman en zijn vrouw Geertruida van der Ven het bakkersbedrijf over en vestigden zich in de woning boven het bakkerij- en winkelgedeelte. Jan Kraakman, die overigens nog bij het bakkersbedrijf betrokken bleef, verhuisde naar Dorpsstraat 39. Vele Castricummers zullen zich de bakkerij van Willem Kraakman en zijn vakmanschap nog herinneren. Na ruim 25 jaar vond Willem het niettemin tijd om afscheid te nemen. Hij vertrok in 1986 met zijn echtgenote naar Egmond, om het bakkersbedrijf aan de Dorpsstraat over te laten aan een derde generatie Kraakman, zijn zonen Jan en Eric.

Foto van het pand Dorpsstraat 26, waarin bakkerij Beerse is gevestigd.
Foto van het pand Dorpsstraat 26 in 1996, waarin bakkerij Beerse was gevestigd.

Aan de periode Kraakman kwam een algeheel einde in 1993. Nieuwe eigenaar van de bakkerij werd de uit Beverwijk afkomstige Martien van Veen. Hoewel aan het eenjarig bestaan van dit bedrijf in de lokale pers vrij uitvoerig aandacht werd besteed, waarbij een vrij grondige verbouwing wordt genoemd, krijgt men de indruk, dat om het bedrijf overeind te houden naar nieuwe formules werd gezocht. Zo is er enige tijd sprake van de vestiging op dit adres van ‘Baker en Carter’, een soort cateringsbedrijf. Dit was van korte duur, want in 1996 maakt, zoals uitgedrukt in de lokale pers, bakker Beerse een grote stap door op Dorpsstraat 26 een tweede zaak te vestigen, naast die in Bakkum.


Jaarboek 26, pagina 48

Het pand Dorpsstraat 28-30, omstreeks 1937, met onder de bogen een terras.
Het pand Dorpsstraat 28-30, omstreeks 1937, met onder de bogen een terras.

Een fotogeniek pand (nummers 28 en 30)

Het reeds besproken pand Dorpsstraat 24 heeft volgens de huidige eigenaar Rieke een ‘Oostenrijkse uitstraling’, maar deze kwalificatie lijkt nog meer van toepassing op het pand dat de nummers 28 en 30 draagt. De architectuur doet inderdaad ‘buitenlands’ aan, met aan de voorkant een opvallende galerij. Dit bijzondere bouwwerk werd in 1911 gebouwd door de firma Tromp, waarbij als opdrachtgever wordt genoemd Dirk Bakker, een man van vele beroepen: teler van bloembollen, beroepsvisser in de polder, jachtopziener in de duinen en exploitant van een strandpaviljoen.

Café de Landbouw, de Dorpsstraat 30 in 1930.
Café de Landbouw, de Dorpsstraat 30 in 1930. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De benedenverdieping van het pand was in bedrijf als een café, dat lange tijd bekend stond als ‘Café de Landbouw’. Hoewel er nu (in 2003) een andere naam op de voorgevel prijkt, is de oorspronkelijke naam, ondanks de overschildering, nog zichtbaar. Oude foto’s tonen dat in de galerij een terras was uitgezet. De bovenverdieping bestond uit twee gescheiden woonruimten met elk een eigen opgang, één buitenom en één via het café, vandaar de twee huisnummers.
Het bedrijf schijnt aanvankelijk niet goed te hebben gelopen en Dirk Bakker hield het in 1918 voor gezien en verhuisde naar de Oude Haarlemmerweg.

Na de periode Bakker kwam het pand in handen van Cornelis Stuifbergen, die we kennen als winkelier in tabaksartikelen op het adres Burgemeester Mooijstraat 20. In 1925 verkocht hij het gehele pand aan Rimmer Couperus. Deze woonde met zijn vrouw Hiltje de Wit volgens diverse bronnen overigens al in 1915 op nummer 30 en wordt caféhouder genoemd. De situatie is waarschijnlijk zo, dat Couperus tien jaar voordat hij het café kocht, dus nog in de periode Bakker, als uitbater van het café is begonnen en dat is gebleven in de periode dat Cornelis Stuifbergen de eigenaar was. Stuifbergen was volgens het kadaster ‘koffiehuishouder’, maar hij heeft de exploitatie waarschijnlijk overgelaten aan Couperus en alleen zijn tabaksartikelen ingebracht.

Couperus was een Fries, geboren in 1882 in Oosthem bij Sneek, maar hij was nogal aan het zwerven geraakt, want hij vestigde zich in 1915 in Castricum vanuit Heerlen, waar hij het beroep van mijnwerker had uitgeoefend. De familie Couperus had één zoon, Lorenz Couperus, die in 1925 mede-eigenaar van het pand werd. In 1957 verkochten de weduwe Couperus-Rimmer Couperus was inmiddels overleden – en haar zoon het pand aan de in 1909 geboren Gerardus  Jacobus Schellevis, zoon van Christiaan Schellevis en Dorothea Helena Antonia Kuijl (red: rectificatie 26 december 2018 door Patrick Schelvis). Deze Gerard Schellevis was evenals de hiervoor genoemde Couperus reeds lang uitbater van het café voordat hij eigenaar werd. Hij wordt als exploitant genoemd vanaf 1949, in welk jaar het café kon worden heropend.

Foto van het pand Dorpsstraat 28-30 genomen na 1962, in welk jaar eigenaar Gerard Schellevis besloot om het 'terras onder de bogen' bij het café te betrekken.
Foto van het pand Dorpsstraat 28-30 genomen na 1962, in welk jaar eigenaar Gerard Schellevis besloot om het ’terras onder de bogen’ bij het café te betrekken.

De familie Couperus bleef dus voorlopig eigenaar van het pand en bewoonde een bovenverdieping tot de verkoop in 1957. Schellevis bewoonde vanaf 1949 de andere bovenverdieping. De naam Schellevis is lang aan het café verbonden geweest.

Tot 1969, toen Theo van der Eng met zijn gezin vanuit Uitgeest naar Castricum kwam om café ‘De Landbouw’ te gaan exploiteren. Het gezin Van der Eng telde negen kinderen, dus dat was krap wonen boven het café, maar die krapte was men in Uitgeest al gewend. Bovendien kwam de grote woonkeuken van het café goed van pas. Van der Eng kreeg te kampen met lichamelijk ongemak, kinderen die meehielpen in het cafébedrijf trouwden en verlieten het gezin en zo kwam hij voor de keus te staan om personeel in te huren of te stoppen. Hij deed het laatste en ruilde van woning met een zekere Louis Ligthart uit Warmenhuizen, die in het café aan de slag ging. Deze hield het niet lang vol en in 1978 kwam het bedrijf in handen van Gerard Knijn, die de exploitatie van het café in handen gaf van zijn zoon Jan. De naam ‘De Landbouw’ maakte nu plaats voor ’t Knijnehol’.

Het pand Dorpsstraat 28-30 in 1995. Ten opzichte van de oorspronkelijke situatie is het uiterlijk drastisch gewijzigd. De galerij is verdwenen en de ruimte tussen de pilaren is dichtgemaakt.
Het pand Dorpsstraat 28-30 in 1995. Ten opzichte van de oorspronkelijke situatie is het uiterlijk drastisch gewijzigd. De galerij is verdwenen en de ruimte tussen de pilaren is dichtgemaakt.

Het café is tegenwoordig (in 2003) bekend als ‘Café Me Tante’. Het uiterlijk van het pand werd herhaaldelijk veranderd, waarbij vooral de gale-


Jaarboek 26, pagina 49

rij het moest ontgelden. De ruimte tussen de pilaren werd dichtgemaakt, maar is momenteel weer open, hoewel een aan de linkerkant gebouwde toegang tot het café niet bepaald fraai kan worden genoemd.

Het pand van Weel & Mol assurantiën aan de Dorpsstraat 32 in 2005.
Het pand van Weel & Mol assurantiën aan de Dorpsstraat 32 in 2005. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Van woonhuis tot kantoor (nummer 32)

Het pand Dorpsstraat 32, nu een kantoor, was evenals de omliggende cafés oorspronkelijk een woonhuis, gebouwd in 1913. De eerste eigenaar was Bernard Wempe, destijds ook bekend als eigenaar van het café Sportlust op de hoek Rijksstraatweg-Kramersweg (nu Dorpsstraat – Burgemeester Mooijstraat). Hoe het precies zat met de bewoning door Wempe van zijn verschillende panden – hij kon waarschijnlijk kiezen – is niet duidelijk, maar in 1920 verkocht hij het pand aan de 65-jarige Jacob de Nijs, van beroep metselaar en weduwnaar van Geertje Brakenhoff.

Nog in hetzelfde jaar werd de Pancratiuskerk eigenaar van het pand. De bestemming van de woning in de kerkelijke periode is niet bekend. Het pand werd in 1928 door de kerk verkocht aan Johannes Kuilboer, die we hiervoor hebben leren kennen als bakker in de periode 1912 tot 1928, gevestigd op het nabij gelegen adres Dorpsstraat 26. Kuilboer was 55 jaar toen hij in 1928 van Dorpsstraat 26 naar Dorpsstraat 32 verhuisde en wilde het wellicht wat kalmer aan doen. Maar hij woonde toch nog dicht genoeg bij zijn oude bakkerij om betrokken te blijven bij het bedrijf dat hij aan de nog pas 22-jarige Jan Kraakman had verkocht.

In 1934 verkocht Kuilboer het woonhuis aan Hendrik van der Woude, een slager, wiens slagerij was gevestigd op het adres Dorpsstraat 79, waar we tegenwoordig (in 2003) nog steeds een slagerswinkel aantreffen (Schipper). Hendrik van der Woude woonde met zijn familie boven de slagerswinkel, tot zijn zoon de zaak overnam, waarop hij naar Dorpsstraat 32 verhuisde.
Hier woonde hij tot zijn overlijden in 1959, waarna het pand werd verkocht aan de 21-jarige Jacob Liefting, van beroep timmerman en zoon van ‘Braampie’, de bijnaam van de destijds bekende Castricumse melkrijder Johannes Liefting. Jacob Liefting was de laatste echte bewoner van het gehele pand.

In 1963 kocht makelaar Nicolaas van Amsterdam het woonhuis en liet de benedenverdieping verbouwen tot een kantoor. Tot 1970 bewoonde hij met zijn familie de bovenverdieping, die later nog een grote reeks huurders heeft gekend; deze huurders hadden meestal niets met het benedenliggende kantoor van doen. In 1975 verhuurde Van Amsterdam het kantoorpand aan Cor Weel, die er zijn assurantiekantoor vestigde, nadat hij eerst enkele jaren in de Jan Hobergstraat kantoor aan huis had gehouden. Cor Weel kocht het pand van Van Amsterdam in 1978. In 1990 vond hij het welletjes na 50 jaar in de verzekeringsbranche werkzaam te zijn geweest en nam zijn zoon Gert-Jan Weel, die zijn vader reeds geruime tijd assisteerde, het verzekeringsbedrijf over. Het is (in 2003) nog steeds op het adres Dorpsstraat 32 gevestigd.

Bertus Stuifbergen en echtgenote in de deuropening van hun kruidenierswinkel, Dorpsstraat 34.
Bertus Stuifbergen en echtgenote in de deuropening van hun kruidenierswinkel, Dorpsstraat 34.

Reeds lang een vishandel (nummer 34)

Een stratenlijst uit 1930 noemt de grond tussen de huizen Dorpsstraat 32 en 36 nog onbebouwd. Het pand op nummer 34, waar reeds lang een viswinkel is gevestigd, kwam dan ook veel later tot stand dan de meeste omliggende panden. Het werd in 1931 gebouwd door de fima Kabel, met als bouwopzichter Jan de Zeeuw. Het pand is waarschijnlijk direct als winkelpand opgeleverd, want de eerste eigenaar was de in 1906 geboren Lambertus (Bertus) Stuifbergen, die er een kruidenierswinkel begon.

Voor de bouw was een kavel grond beschikbaar in bezit van de vader van Lambertus Stuifbergen, ook een Lambertus, die de kruidenierszaak ‘De Kleine Winkel’ in de Burgemeester Mooijstraat op nr 8 exploiteerde. Achter dit pand bezat Lambertus senior een groot stuk grond, dat doorliep tot aan de Dorpsstraat en dus een ideale mogelijkheid bood aan zijn zoon om er een winkelpand te bouwen en ook een kruidenierszaak te beginnen. Een zoon van Bertus Stuifbergen herinnert zich nog goed hoe hij als kind via de tuinen achter de huizen naar zijn oma en opa kon komen. Het was vooral zijn moeder Aagje Scholten die de winkel runde, terwijl zijn vader met een auto langs de klanten ging. Achter de winkel waren een kamer en een keuken. Op de bovenverdieping waren de slaapkamers van het gezin, dat een groot aantal kinderen telde.
Omdat het met de winkel tijdens de bezetting steeds minder ging, besloot Bert Stuifbergen bij de Hoogovens te gaan werken en hij verkocht het pand in 1942 aan Cornelis Dam, een kandidaat-notaris.

Deze verhuurde het woongedeelte in hetzelfde jaar aan aardappel-handelaar Pancratius Beentjes, die elders in de Dorpsstraat zijn handel dreef. Het winkelgedeelte werd verhuurd aan de gebroeders Jaap en Klaas Sier, die er ‘De Vollendammer Vishandel’ vestigden. De stank van de viswinkel was dusdanig, dat de familie Beentjes de bovenverdieping, waarvoor ze 9 gulden huur per week betaalden, afplakte. De gebroeders Sier voerden hun vis elke ochtend vroeg per auto aan en dat was zelfs in een periode met nog relatief weinig wegverkeer niet zonder risico’s. Zo haalden ze in 1948 de krant wegens betrokkenheid bij een gecompliceerde aanrijding. Jan Welboren, een veehouder, had op 13 november van dat jaar ’s ochtends koeien gemolken. Het was tien over half acht toen hij met zijn wagen, die geen licht voerde, op de Provinciale Weg, ter hoogte van de toen nog bestaande afslag naar de Brakersweg, in botsing kwam met de auto van de gebroeders Sier, die met vis op weg waren naar hun winkel aan de Dorpsstraat. Bij het ongeluk was ook een auto met vijf inzitten-


Jaarboek 26, pagina 50

den betrokken, die bij het ongeluk gewond raakten. Het paard van Welboren brak een been en moest worden afgemaakt. Het kwam terecht bij paardenslager Dirk Castricum.

Vishandel Klepper.
Vishandel Klepper in 2005. Foto M.Sneijder. Collectie Oud-Castricum. Toeegvoegd.

In 1953 verkocht Cornelis Dam zijn pand aan de uit Monnickendam afkomstige Theo Klepper, die daar een visrokerij had en in Castricum de viswinkel voortzette. Enkele generaties Klepper hebben sindsdien de viswinkel in stand gehouden, tot op de dag van vandaag.

Het pand Dorpsstraat 36 in 1989, nadat Anton de Rooij het in 1977 weer zoveel mogelijk in zijn oorspronkelijk staat had terug laten brengen.
Het pand Dorpsstraat 36 in 1989, nadat Anton de Rooij het in 1977 weer zoveel mogelijk in zijn oorspronkelijk staat had terug laten brengen.

Woning van een burgemeester (nummer 36)

Hoewel er reeds lang een loodgieters- en sanitairbedrijf is gevestigd op het adres Dorpsstraat 36, werd het pand door oudere Castricummers nog lang het burgemeestershuis genoemd, omdat het indertijd heeft gediend als huisvesting voor de familie van Johannes (Jan) Mooij, die in de periode 1888 tot 1918 burgemeester van Castricum was. Jan Mooij was van alle burgemeesters die Castricum heeft gekend, de enige echte Castricummer, hier in 1848 geboren. Hij bracht een groot deel van zijn jeugd door op een fraaie boerderij aan de Breedeweg, die zijn vader Cornelis Mooij omstreeks 1850 had gekocht. Deze Cornelis Mooij bezat veel grond, onder andere aan de Dorpsstraat, waarop hij, voor zover we hebben kunnen nagaan, in 1878, het jaar waarin zijn zoon in het huwelijk trad, het huis liet bouwen dat later bekendheid kreeg als burgemeestershuis.

Jan Mooij, van 1888 tot 1918 burgemeester van Castricum.
Jan Mooij, van 1888 tot 1918 burgemeester van Castricum.

Het is dus van veel oudere datum dan de panden die wij tot dusver bespraken en moet vrij eenzaam in een nog landelijke omgeving hebben gestaan. Het boek ‘Herinneringen aan de familie Mooij’, van de hand van een kleinzoon van de burgemeester, spreekt van een fraai gelegen burgemeestershuis “met zijn voortuin, waarin enkele kastanjebomen niet alleen schaduw maar ook cachet gaven; met zijn romantische, en toen nog enorm grote tuin achter en opzij van het huis tot aan het water tegenover het station. Die uitgestrekte tuin hebben wij, kleinkinderen, niet gekend, maar nog wel een groot stuk grond met moes- en bloementuin, perenboom en een goed onderhouden grasveld opzij en achter het huis”.

Jan Mooij trouwde in 1878 met Neeltje Kuijs. Zij kenden elkaar al vanaf hun jeugd, want Neeltje was geboren en opgegroeid op een boerderij aan de Breedeweg, niet ver gelegen van de boerderij van de vader van Jan Mooij. Het is dus niet verwonderlijk dat het huwelijk tot een legendarische boerenbruiloft in de Oosterbuurt aanleiding heeft gegeven.

Jan Mooij wordt gekarakteriseerd als een goede burgemeester met veel sociaal gevoel. In 1918 werd hij 70 jaar, welke leeftijd hem wettelijk noopte als burgemeester af te treden, maar hij bleef voorlopig met zijn vrouw in het burgemeestershuis wonen. Hun twee kinderen waren inmiddels getrouwd en woonden niet meer thuis.
Pas in 1929, kort na zijn 50-jarig huwelijksfeest, verkocht Jan Mooij het pand aan Gerard de Rooij, om zelf met zijn vrouw bij zijn dochter in Amsterdam te gaan wonen.
De Rooij vestigde in het pand een loodgietersbedrijf, waartoe hij ging verbouwen. Dit betekende niet alleen een ingreep in het interieur van de benedenverdieping, ook het uiterlijk van het pand veranderde aanzienlijk.

Het pand Dorpsstraat 36 na een verbouwing door loodgieter Gerard de Rooij.
Het pand Dorpsstraat 36 na een verbouwing door loodgieter Gerard de Rooij.

In het linkergedeelte werden de beide oorspronkelijke ramen vervangen door één grote etalageruit. Gerard de Rooij emigreerde in 1951 naar Australië, waarop het loodgietersbedrijf werd voortgezet door zijn oudste zoon Anton de Rooij. Deze bracht het pand bij een verbouwing in 1977 weer zoveel mogelijk terug in de oude staat, waarvoor hij onder meer in de plaatselijke pers veel lof oogstte. Een citaat uit de krant: “Heel veel Castricummers zijn nu al laaiend enthousiast over de restauratie die het pand aan de buitenkant heeft ondergaan. Het blijkt dus toch mogelijk een winkelpand te restaureren en te verbouwen in een stijl die wij graag in de hele dorpskern gezien zouden hebben.”

Ook de Werkgroep Oud-Castricum liet bij monde van de toenmalige voorzitter Van Geenhuizen in de krant weten grote waardering voor de restauratie te hebben. “Heel zorgvuldig en met groot vakmanschap is het pand, dat eens de ambtswoning was van de zo geliefde burgemeester Mooij in oude luister hersteld” en “De restauratie van het ook voor de historie van Castricum interessante pand is een belangrijke bijdrage aan het behoud van de schaal en het karakter van de oude Dorpsstraat.”


Jaarboek 26, pagina 51

Tegels en sanitair van De Graaf.
Tegels en sanitair van De Graaf. Dorpsstraat 36 in 2010. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Dit laatste moet ook de huidige ijveraars voor het behoud van schaal en karakter van de Dorpsstraat als muziek in de oren klinken, maar het lijkt erop dat het initiatief van Anton de Rooij om een pand weer zoveel mogelijk in de oude staat te restaureren, toch tot de uitzonderingen blijft behoren.
Na het overlijden van Anton de Rooij in 1991 zette zijn zoon Ton de Rooij het bedrijf nog enkele jaren voort, waarna het werd verkocht. Het pand waarin thans de firma De Graaf Tegels & Sanitair is gevestigd, is sindsdien van buiten nog steeds in dezelfde staat.

PEN-huisje (nummer 38)

Dorpsstraat 38 is een klein, wat naar achteren gelegen, stenen gebouwtje. Waarom het een afzonderlijk huisnummer kreeg toebedeeld, is niet duidelijk. We noemen dit gebouwtje voor de volledigheid, maar hebben over de geschiedenis verder geen informatie. In 1930 wordt het in een stratenlijst het PEN-huisje genoemd. Later wordt het ook wel als transformatorhuisje aangeduid en dat is het nog steeds.

Drukte voor het veilinggebouw van 'Ons Belang' aan de Dorpsstraat.
Drukte voor het veilinggebouw van ‘Ons Belang’ aan de Dorpsstraat.

Van veiling tot Italiaans restaurant (nummers 40 en 40a)

Hoewel van binnen een geheel, blijkt het pand Dorpsstraat 40, waarin het Italiaanse restaurant ‘La Trattoria’ is gevestigd, bij nadere beschouwing twee panden te omvatten, het grootste links en direct er tegenaan een kleiner pand, dat wel als 40A werd aangeduid. Het linker gedeelte kreeg in 1917 zijn eerste bestemming als veilinggebouw van de rooms-katholieke tuinbouwvereniging ‘Ons Belang’. Het werd gekocht van Antoon van Benthem, toen de eigenaar van het naastliggende café, die het kort daarvoor had laten bouwen. Of het rechtergedeelte (40A) ooit bij de veiling betrokken is geweest, is niet duidelijk. Uit de latere geschiedenis krijgt men de indruk dat het lange tijd een zelfstandig pand is gebleven. Volgens de overlevering zou het door Van Benthem en zijn opvolgers als opslagruimte zijn gebruikt.

Presentatie van de aardbeien voor veilinggebouw Ons Belang.
Presentatie van de aardbeien voor veilinggebouw Ons Belang in 1925. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De oprichting van de veiling was het gevolg van een regeringsmaatregel uit 1914, die bepaalde dat alle groente en fruit aan de veilingen moesten worden aangevoerd. De geschiedenis is in 1996 uitvoerig beschreven in het artikel ‘Castricum en zijn groenteveilingen‘ (19e jaarboekje). De veiling functioneerde een aantal jaren uitstekend. Ook tijdens de bezetting bleef de veiling bestaan. In deze periode, onder het oog van de bezetter die in vrijwel alle omliggende panden was gehuisvest, fungeerde de veiling nog al eens als nachtelijke verblijfplaats voor onderduikers, die niet het slachtoffer wilden worden van razzia’s voor tewerkstelling in Duitsland. Zij doken weg onder de banken, waarop gewoonlijk de groentekopers zaten. Ondanks een beperkte plaatsruimte verbleven ook in het naastliggende elektriciteitsgebouwtje (nummer 38) wel onderduikers.

Foto genomen ca. 1960 van het voormalige veilinggebouw Dorpsstraat 40, hier in gebruik als magazijn voor het Rode Kruis en de BB. Het nevenpand op 40A toont op de deur de letters NP (Niet Parkeren) en was waarschijnlijk in gebruik als garage.
Foto genomen circa 1960 van het voormalige veilinggebouw Dorpsstraat 40, hier in gebruik als magazijn voor het Rode Kruis en de Burger Bescherming (BB). Het nevenpand op 40a toont op de deur de letters NP (Niet Parkeren) en was waarschijnlijk in gebruik als garage.

Het zich uitbreidende veilingbedrijf – illustratief is een verviervoudiging van de omzet in de periode 1939 tot 1951 – veroorzaakte op veilingdagen in toenemende mate overlast in de drukke Dorpsstraat.

Daarom kwam het veilingbestuur in 1951 met plannen om een nieuw veilinggebouw te stichten, waartoe aan de gemeente een ruil werd voorgesteld van het gebouw aan de Dorpsstraat tegen grond voor nieuwbouw aan de Kramersweg.

Foto genomen ca. 1980 met links het voormalige veilinggebouw Dorpsstraat 40, hier in gebruik als café-biljart, met daarnaast op 40A winkel 'De Kijkdoos' en tenslotte het hoekpand Dorpsstraat - Mooijstraat, waarin toen was gevestigd bloemenhandel 'De Kruyff'.
Foto genomen circa 1980 met links het voormalige veilinggebouw Dorpsstraat 40, hier in gebruik als café-biljart, met daarnaast op 40A winkel ‘De Kijkdoos’ en tenslotte het hoekpand Dorpsstraat – Mooijstraat, waarin toen was gevestigd bloemenhandel ‘De Kruyff’.

Jaarboek 26, pagina 52

Rechts van het midden de nieuwe veiling 'Ons Belang'.
Rechts van het midden de veiling ‘Ons Belang’, geopend in 1952, in functie tot circa 1970.

Hoewel het gemeentebestuur niet over een nacht ijs ging, kwam de ruil tot stand en vond de opening van de nieuwe veiling plaats in 1952.
Het oude veilinggebouw aan de Dorpsstraat was nu dus eigendom van de gemeente. Die zag er wel brood in, want hoewel er nog geen bestemming was, werd er niet aan getwijfeld dat een zo mooi in het centrum gelegen gebouw met uitgangen aan twee wegen een verantwoorde belegging zou zijn.

Het oude heeft nog verschillende bestemmingen gekend. Het deed enige tijd dienst als magazijn voor het Rode Kruis, tevens als opslagplaats voor materialen van de organisatie Bescherming Burgerbevolking (BB) Op het nevenpand was in die periode met grote letters NP geschilderd, wat suggereert dat het als garage in gebruik was.

Restaurant 'La Trattoria', Dorpsstraat 40, kort na de opening. Rechts 'De Kijkdoos', Dorpsstraat 40A.
Restaurant ‘La Trattoria’, Dorpsstraat 40, kort na de opening. Rechts ‘De Kijkdoos’, Dorpsstraat 40a.

In 1980 werd begonnen met een verbouwing en restauratie van het pandencomplex op de hoek Burgemeester Mooijstraat-Dorpsstraat en verplaatste de toenmalige eigenaar Lefering het daar gevestigde biljartpaleis, reeds 45 jaar onderkomen van biljartvereniging ‘Onder Ons’, naar de voormalige veilinghal, waar een zaaltje kwam met twee biljarts. De foto toont in het naastgelegen pand een winkel, ‘De Kijkdoos’.

Omstreeks 1987 vestigde zich het Italiaanse restaurant ‘La Trattoria’ zich in het voormalige veilinggebouw. Pand 40A, nog steeds (in 2003) onderkomen van ‘De Kijkdoos’, werd later bij het restaurant getrokken, terwijl er ook een luifel werd aangebouwd, geheel in de stijl van het naastliggende pand nummer 42.

Brasserie bij Beentjes. Daarachter het Italiaans restaurant la Trattoria.
Brasserie bij Beentjes. Daarachter het Italiaans restaurant la Trattoria.

Van oudsher horeca (nummer 42)

Het tegenwoordige pand op de hoek van Burgemeester Mooijstraat en Dorpsstraat vormt onderdak voor verschillende activiteiten. Aan de kant van de Dorpsstraat is er tegenwoordig (in 2003) de ‘Brasserie bij Beentjes’ gevestigd. Gesitueerd in de Burgemeester Mooijstraat zijn Pizzeria Miamo en een aantal kleine bovenwoningen. Over de geschiedenis van het pand is reeds uitvoerig geschreven in het 24e jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum, onder de titel ‘Van landweg tot winkelstraat: de Burgemeester Mooijstraat‘.

Inkijk vanaf Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat) in de Kramersweg met links op de hoek café van Benthem, circa 1920.
Inkijk vanaf Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat) in de Kramersweg met links op de hoek café van Benthem, circa 1920.

Het complexe pand kwam voort uit een herberg, die daar al omstreeks 1830 heeft gestaan en is daarmee de oudste van de panden aan de Dorpsstraat die wij in dit artikel bespreken. Na lange tijd een cafébedrijf te zijn geweest, werd het bouwvallige pand door de eigenaar Theo Bleijendaal in 1980-1981 gerestaureerd en verbouwd en vestigden er zich winkelbedrijven. Toch betekende dit niet het definitieve einde van de horeca-activiteiten, want er kwamen nieuwe eetgelegenheden, waartoe deze plek eigenlijk voorbestemd lijkt.

Dorpstraat 42 in 2005.
Brasserie van Gogh. Dorpstraat 42 in 2005. Foto M.Sneijder,. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Wim Hespe
Lien Steeman

Bronnen:

  • Archief Gemeente Castricum
  • Bos, A., Het paardloze voertuig: de auto in Nederland een eeuw ge- leden, Deventer 1996.
  • Bosch, A., Twee eeuwen Rijkswaterstaat, 1798-1998, Zaltbommel 1998.
  • Fotoarchief Werkgroep Oud-Castricum.
  • Heideman, H., De oude generatie van Bakkum en Castricum (1900-1940), Castricum 1982.
  • Kadastrale gegevens Castricum, Kadaster te Alkmaar.
  • Kamp, P. van der, De stoomtram door Castricum, in: Op zoek naar Castricum’s verleden, Schoorl 1992.
  • Kok, J., Stoomtrams rond Alkmaar, Schoorl 1981.
  • Mooij, J.G.W., Herinneringen aan de familie Mooij, 1848-1945, Haarlem 1984.
  • Nieuwsblad voor Castricum, beschikbare nummers uit de periode 1925-heden.
  • Regionaal Archief Alkmaar, Archief van het Gemeentebestuur Castricum, 1812-1936.
  • Regionaal Archief Alkmaar, Bevolkingsregister Castricum. Ruijter, Q.W.Jzn. de, Schippers van het Stet, 1974.
  • Schmal, H., Verkeer en Vervoer, in: 150 jaar Noord-Holland en Zuid- Holland, ‘s-Gravenhage 1990.
  • Zuurbier, S.P.A., De ‘Nieuwe Weg’ aangelegd in 1820, 16e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1993.

Veel informatie werd verkregen van de huidige en vroegere bewoners van de besproken panden of hun familieleden, waarvoor we hen zeer erkentelijk zijn.

6 september 2021

Bakkum na 1930, de huizen en hun bewoners (Jaarboek 25 2002 pg 37-54)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 25, pagina 37

De huizen en hun bewoners in Bakkum na 1930

Foto genomen vanaf het Koningsduin.
Foto genomen vanaf het Koningsduin: Bakkummerstraat; Sifriedstraat; Vinkebaan. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In de afgelopen jaren is in het jaarboekje telkens een artikel gewijd aan een of meerdere straten, hun geschiedenis en de huizen en hun bewoners van kort voor de Tweede Wereldoorlog. In het kader van het thema Bakkum wordt in dit artikel aandacht besteed aan de inwoners in het oorspronkelijke Bakkum en met name die in Zuid-Bakkum aan de Heereweg, Haagscheweg, Achterlaan en Bleumerweg, en die in Noord-Bakkum aan de Heereweg, Duinweg, Madeweg, Hoogeweg, Groenelaantje en Limmerweg. Hieraan voorafgaande wordt ook iets verteld over de voorgeschiedenis van deze straten.

Begin Zeeweg bij kruising met Heereweg in Bakkum.
Begin Zeeweg bij kruising met Heereweg in Bakkum. De N513 is in de eerste helft van de jaren (negentien) dertig aangelegd. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Heereweg

De Heereweg loopt door Bakkum, de Egmonden, Bergen en Schoorl. Deze weg is al heel oud. De naam Heereweg geeft aan dat de weg een speciale legerweg (heirweg) was van de Heeren (Graven), die waarschijnlijk ook zelf een rol hebben gespeeld bij de aanleg van of de verbeteringen aan de weg.

Met de toestand van deze verbindingsweg van Castricum met de Egmonden was het in het verleden heel slecht gesteld. Honderd jaar geleden was deze weg niet veel meer dan een smalle verharde zandweg die slecht werd onderhouden, veel kuilen en gaten had en in de duinen van Noord-Bakkum last had van overstuivingen. Voor het dorp Castricum was toentertijd de hoofdweg naar het noorden de vanaf 1820 als rijksweg geldende weg, die onder andere liep van Beverwijk over Castricum (de Dorpsstraat) naar Limmen. Verbeteringen van deze weg werden bekostigd door het heffen van tol.

Uit bronnen in het gemeentearchief zien we in een reeks van jaren de klachten van de inwoners over de slechte toestand van de Heereweg, de plannen tot verbeteringen, de beperkte uitvoering hiervan ten gevolge van de slechte financiële situatie enzovoorts, telkens terugkomen. Tachtig jaar geleden (red: gerekend vanaf 2002) was de Heereweg nog een zogeheten paardenpad met alleen een smalle strook klinkers in het midden van de weg.

De belangrijkste weg verbeteringen speelden in de jaren (negentien) twintig van de vorige eeuw. Er werden plannen ontwikkeld ter verbetering van de weg tussen Castricum, Egmond en Bergen, die deel uitmaakten van een groter plan tot verbetering van de weg langs de duinvoet tussen Castricum en Den Helder. Voor het traject Castricum – Bergen werden begrotingen opgesteld die voor de weggedeelten in de gemeenten Castricum, Egmond en Bergen respectievelijk 145.000, 177.000 en 78.000 gulden bedroegen.

Bij de ontwikkeling van de plannen speelde de Castricumse burgemeester Lommen een grote rol. Als voorzitter van het wegencomité van het gehele traject ontplooide hij allerlei initiatieven. Zo ging hij op excursie naar Brussel om een weg te bezichtigen die met een nieuw soort materiaal was bedekt (asfalt). Dit wegmateriaal zou leiden tot een sterke vermindering van het onderhoud. Lommen nam als enige burgemeester in een gezelschap van directeuren van publieke werken van de hoofdsteden en hoofdingenieurs deel aan deze excursie.

De Zeeweg in 1932.
De Zeeweg in 1932. Aan de linkerkant het fietspad. Rechts de commissariswoning van de familie Zonneveld. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De weg naar de Egmonden – toen ook wel geheten de Bakkummerweg – werd in 1925 vernieuwd en verbreed. De aanpassingen liepen vanaf de woning van Dirk Wokke in de later zo genoemde Bakkummerstraat tot aan de grens met Egmond-Binnen. Het eerste gedeelte tot de Zeeweg kreeg een breedte van vijf meter, het tweede gedeelte naar Egmond een breedte van vier meter. Bij het tweede gedeelte werd aan weerszijden een berm van drie meter aangehouden voor toekomstige verbredingen (en rijwielpaden). De voor de wegverbreding benodigde stukken grond werden door de gemeente Castricum aangekocht.

In deze boerderij woonde Kees Twisk.
In deze boerderij woonde Kees Twisk. Heereweg 87 in Bakkum, 195o. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het weggedeelte vanaf de boerderij van Kees Twisk (ongeveer tegenover jeugdherberg Koningsbosch) tot aan de afslag met de Duinweg, moest volledig nieuw worden aangelegd en werd beschouwd als het doortrekken van de Bakkummerweg. Tot die tijd maakte de Bakkummerweg vanaf kort voor de boerderij van Kees Twisk een bocht naar links, liep langs boerderij Zeeveld (nu – in 2002 – is hier Stichting Jan 17 gevestigd) om vervolgens, na een bocht naar rechts, nabij de splitsing van de Duinweg uit te komen.

Splitsing Bakkummerweg - Cieweg.
Splitsing Bakkummerweg – Cieweg in 1907. Zichtbaar is het beboste deel van de tuinen welke bij de herenhuizen, zoals Kerkzicht, aan de Dorpsstraat behoorden. Nu Torenstraat op de hoek met de Korte Cieweg. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

Deze omleiding was bij een eerdere wegverharding en aanleg omstreeks 1875 tot stand gekomen door een financiële bijdrage van Marie, prinses von Wied, prinses der Nederlanden. Zij was de eigenares van het duingebied onder Bakkum. Tot haar eigendommen behoorde ook boerderij Zeeveld en zij had belang bij een goede wegverbinding naar de boerderij.

De Bakkummerweg in Bakkum, circa 1920.
De Bakkummerweg in Bakkum, circa 1920. De naam Bakkummerweg
is nu gewijzigd in Van Oldenbarneveldweg. Links een van de Duin en Bosch woningen aan de rechterzijde de onderwijzerswoning de school en daar achter de woning van Rijksveldwachter P. Koelewijn. Op het uithangbord staat mogelijk brood- en banketbakkerij A. Bolten. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Bij het doortrekken van de Bakkummerweg in 1925 ontstaat er onenigheid met de provincie Noord-Holland. De provincie is van mening dat het onderhoud van de weg langs ‘het Zeeveld’ ten laste komt van de gemeente Castricum en vindt dat dit weggedeelte openbaar moet blijven. Castricum is het daarmee niet eens, maar moet uiteindelijk na een langdurige briefwisseling met Gedeputeerde Staten zich hierbij neerleggen. Nu blijkt de praktijk toch anders geworden te zijn: een groot deel van het tracé van het voormalige weggedeelte is nauwelijks nog in het landschap waar te nemen.

Bakkummerweg in 1931.
Bakkummerweg (nu Bakkummerstraat) in Bakkum, 1931. Van links naar rechts,de woning van Herman Twisk, met erker Willem Jacobs, melkhandel Jan Tervoort, groenteboer Bertus Buter, Klaas Dekker, drogisterij ‘t Jagertje van Keetbaas. Rechts het uithangbord van Hotel-pension-restaurant Duin en Bosch van Metzer. Het restaurant is in 1929 verbrand.

In 1935 wordt tussen Bakkum en Egmond de wegbreedte van 4 op 5 meter gebracht en worden aan weerskanten van de weg vrij liggende fietspaden aangelegd (breed 1,25 meter).

De bewoners in 1930

De bewoning van de huizen in Noord- en Zuid-Bakkum in 1930 is vrij nauwkeurig te reconstrueren. In de hiernavolgende overzichten wordt een beeld geschetst van de huizen en hun bewoners van omstreeks 1930.

Na de jaren (negentien) dertig zijn onze gegevens over huizen en bewoners onvolledig. Waar mogelijk wordt aanvullende informatie gegeven over huizen die relatief kort na 1930 zijn gebouwd en ook over de bewoners van na die tijd.

Op de kaarten 1 en 2 zijn respectievelijk voor Zuid- en Noord-Bakkum de volgnummers vermeld van de huizen die in 1930 bestonden en onder dat nummer in de tekst worden beschreven.

Voor de na 1930 gebouwde huizen worden de actuele huisnummers in de tekst genoemd. De aangegeven leeftijden van de bewoners betreffen de situatie in 1930.


Jaarboek 25, pagina 38

Kaart 1 Zuid-Bakkum: de huizen die genummerd zijn, bestaan in 1930; onder de volgnummers 1 t/m 50 worden de bijbehorende huizen en bewoners in de tekst beschreven (tekening Jort Boot).
Kaart 1 Zuid-Bakkum: de huizen die genummerd zijn, bestaan in 1930; onder de volgnummers 1 tot en met 50 worden de bijbehorende huizen en bewoners in de tekst beschreven. Tekening Jort Boot.

Zuid-Bakkum

Op de Van Tienhovenhoeve (zie 1) woonde de familie Beentjes. In 1968 kwam Simon Mooij op de boerderij.
Op de Van Tienhovenhoeve (zie 1) woonde de familie Beentjes. In 1968 kwam Simon Mooij op de boerderij.

De oostzijde van de Heereweg

We volgen de Heereweg komende vanuit Castricum en beschrijven eerst de bewoning aan de oostzijde en beginnen bij de Van Tienhovenhoeve.

Kaart 1 volgnummer 1
Op de Van Tienhovenhoeve woonde Piet Beentjes, 60 jaar, veehouder en gehuwd met Anna Bruin. Zij kregen 14 kinderen. Vanaf 1945 werd de boerderij bewoond door zoon Klaas Beentjes. Vanaf 1968 woonde hier Simon Mooij.
Deze boerderij is gebouwd in 1904 op het terrein dat door de Provincie was aangekocht onder andere voor de bouw van provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch. De boerderij werd genoemd naar de persoon die in die periode Commissaris van der Koningin was in Noord-Holland: mr. Gijsbert van Tienhoven.

Voorbij de boerderij zijn er tot aan de hoek met de Achterlaan in verschillende jaren huizen gebouwd.

  • Achtereenvolgens nummer 3 in 1939 met als bewoonster Cornelia van Keulen, verpleegster, (vanaf 1980 woont hier Dirk Nab, kunstschilder);
  • nummer 5 in 1949 (hier woonde vanaf 1961 Piet Mooij van boerderij Zeeveld);
  • nummer 7 en nummer 7a in 1957, nummer 7b in 1970 en
  • nummer 9 (‘de Stuifhoek’) in 1950.
  • Vanaf de hoek Achterlaan richting Bleumerweg vinden we aan de Heereweg eerst een dubbel woonhuis (nummer 9a en 9b, gebouwd circa 1958);

Jaarboek 25, pagina 39

Foto genomen in de vijftiger jaren van de Heereweg in noordelijke richting vanaf even voorbij de Achterlaan.
Foto genomen in de jaren (negentien) vijftig van de Heereweg in noordelijke richting vanaf even voorbij de Achterlaan.
  • dan drie huizen uit de jaren (negentien) dertig met als bewoners Cornelis Roosenschoon, journalist op nummer 11 (vanaf 1948 Kees Meijne),
  • Martinus Wilbrink, stukadoor op nummer 13 (vanaf 1965 Piet Beentjes en Ali Zomerdijk);
  • Wander Harms, arbeider, op nummer 15 (vanaf 1959 Simon Castricum en Ans Swart).
  • In het volgende, wat naar achteren gebouwde, witte huisje (nummer 17a) woonde vanaf 1945 Hendrik Hageman, gehuwd met Corrie Sijs. Dit pand was oorspronkelijk een schuur bij het huisje nummer 17 (zie 2).
  • In dit lage, witte huisje kort langs de weg (nummer 17) woonde de 52-jarige Jan Hageman, tuinder en gehuwd met Willemijntje Meijne. Zij hadden vier kinderen. Vanaf 1965 woont hier nu Wil van Wonderen.
  • Voorbij dit huis zijn eveneens in de jaren (negentien) dertig jaren twee huizen gebouwd met als bewoners, bakker Jo Krimp op nummer 19 en
  • Bank Groentjes, tuindersknecht bij Frits Res en gehuwd met Afra Hageman (nummer 21); nu woont hier hun dochter Wil Groentjes.
Voor de bakkerswinkel van Jo Krimp, die zelf in de deuropening staat.
Voor de bakkerswinkel van Jo Krimp, die zelf in de deuropening staat.
  • Dit is het woonhuis (nummer 23) van Aad Hageman, 25 jaar, tuinder, en zoon van de hiervoor genoemde Jan Hageman. Aad is in de oorlog door een ongelukkig toeval doodgeschoten; zijn vrouw Griet Groentjes woonde hier tot haar overlijden in 1978. Vanaf 1963 woont hier Jan van Campen, gehuwd met Tiny Hageman.
  • Hier (nummer 25) woont Cor de Winter, kruidenier en melkslijter, gehuwd met Maria Schouten. In dit jaarboekje komt in het artikel over de familie De Winter onder nummer 27 dit gezin uitvoerig aan bod.
  • Petrus Meijne, 48 jaar, landbouwer en gehuwd met Mien Liefting. Zij woonden hier (nummer 27) met hun vijf kinderen. In 1978 is op dezelfde plaats een nieuw huis gebouwd voor Jan Groentjes.
  • Dit huis (nummer 29) stond voor aan de weg; daarachter stond de boerderij. In het huis woonde de 75-jarige Trijntje Stet, weduwe van Pieter Duijn, veehouder, landbouwer. Na het overlijden van Trijntje in 1932 woonden hier haar ongehuwde kinderen Wub, Jan en Doortje Duijn. Vanaf 1951 woonden er Gerard Duijn en Truus Poel en vanaf 1978 Kees Duijn, gehuwd met Gitta van Diepen. In 1990 zijn huis en boerderij afgebroken en is hier de fraaie boerderij ‘Duijnhoeve’ van Gerard de Zeeuw gebouwd.
  • Tot aan de hoek met de Bleumerweg zijn hier in de jaren (negentien) dertig enkele huizen gebouwd met als eerste bewoners Theodorus de Jong (nummer 31), kantoorbediende,
  • Johannes Schreuder (nummer 33), en
  • Wolter Hemmes (nummer 35). Vanaf 1954 tot 1987 woonden hier Theo Verdwaald en Annie Onderwater.
Het woonhuis van de familie Duijn in 1913 (zie 6). Links nog juist zichtbaar de achter de woning aanwezige boerderij. In 1990 is op deze plaats boerderij 'Duijnhoeve' van Gerard de Zeeuw verschenen. Op de foto V.l.n.r.: Trijntje Stet (wed. van Pieter Duijn), Door, Jan en Wub Duijn, en Joop Orij.
Het woonhuis van de familie Duijn in 1913 (zie 6). Links nog juist zichtbaar de achter de woning aanwezige boerderij. In 1990 is op deze plaats boerderij ‘Duijnhoeve’ van Gerard de Zeeuw verschenen. Op de foto van links naar rechts Trijntje Stet (weduwe van Pieter Duijn), Door, Jan en Wub Duijn, en Joop Orij.

Kaart 1 volgnummer 7

  • Op de hoek voorbij de Bleumerweg in de boerderij (nummer 37) woonde Dirk Twisk, 64 jaar, landbouwer, gehuwd met Maria Nagel. Zij kregen zes kinderen.
  • Het eerstvolgende huis (nummer 41) werd als eerste bewoond in 1955 door Jacobus van Dijk.
  • Daaropvolgend zijn er in de jaren (negentien) dertig drie dubbele woonhuizen gebouwd, waarvan de bewoners achtereenvolgens waren: Jannetje Kat, pensionhoudster (kort nadien Gerben Wouters – nummer 43)
  • Theodorus Wouters, kantoorbediende (daarna Maarten Tuijn – nummer 45),
  • Johannes Nijkamp, schilder (nummer 47),
  • de weduwe Antje Kleiboer- Jager (nummer 49),
  • Hermanus de Jong, jachtopziener (vanaf 1952 Gerrit de Rooy – nummer 51),
  • Jacob de Vries, verpleger (vanaf 1945 Jan Duinmeijer met Marie Zonneveld – nummer 53) en
  • Jacobus Sinnige (vanaf 1943 Cornelis Twisk en vanaf 1947 Anthoon Castricum – nummer 55).

Jaarboek 25, pagina 40

  • Hier (nummer 57) woonde Jan Zonneveld, 55 jaar, tuinder, later onder andere tuinman bij Duin en Bosch, gehuwd met Grietje Admiraal. Zij hadden zeven kinderen. Vanaf 1946 woonde hier zijn zoon Willem Zonneveld met Geertje Stet.
De Heereweg in de veertiger jaren in de omgeving van de driesprong met de Bleumerweg met de boerderij van Dirk Twisk (zie 7).
De Heereweg in de jaren (negentien) veertig in de omgeving van de driesprong met de Bleumerweg met de boerderij van Dirk Twisk (zie 7).
Uiterst links op de foto het huis van Lou Zonneveld (zie 9), daarnaast het huls van Willem Zonneveld (zie 8) en vervolgens de drie dubbele woonhuizen.
Uiterst links op de foto het huis van Lou Zonneveld (zie 9), daarnaast het huls van Willem Zonneveld (zie 8) en vervolgens de drie dubbele woonhuizen.
Nogmaals het huis van Lou Zonneveld (zie 9) met rechts dochter Marie Zonneveld.
Nogmaals het huis van Lou Zonneveld (zie 9) met rechts dochter Marie Zonneveld.

Kaart 1 volgnummer 9

  • Dit huis (nummer 59) was van Lou Zonneveld, 56 jaar, tuinder, broer van buurman Jan, gehuwd met Maria Delis. Zij hadden 9 kinderen. Tot voor enkele jaren woonde hier nog de ongehuwde dochter Cornelia. Inmiddels is dit huisje gesloopt en is hier nu (in 2002) een fraai huis in aanbouw.

Kaart 1 volgnummer 10

  • Hier (nummer 61) woonde Albert Jacobs, 65 jaar, jachtopziener. Na zijn overlijden woonde hier zijn echtgenote Paulina Vasseur, die in 1939 is overleden. Het huis werd tot 1951 bewoond door Arie Zonneveld (Arie van Lou) en Marie Lute; daarna door Jan Zonneveld, gehuwd met Grietje Admiraal, die eerder woonde op nummer 8. Sinds 1963 woont hier Henk Heideman met zijn gezin.

Kaart 1 volgnummer 11

  • Het huis (nummer 63) was van Jan Duinmeijer, 57 jaar, schelpenvisser en tuinder, gehuwd met Aaltje Zonneveld. Zij kregen 16 kinderen. Vanaf 1953 woonden hier Gerrit Duinmeijer en Agatha Verver.

Kaart 1 volgnummer 12

  • Hier (nummer 65) woonde Martinus Rozemuller, 26 jaar, landbouwer. Hij kwam in 1929 van Hellendoorn, was gehuwd met Sophia Peters en had drie kinderen. Vanaf 1937 woonde hier Jaap Zonneveld (Jaap van Kees), los arbeider, gehuwd met Cornelia Bakker. Vanaf 1951 woonde hier de eerder genoemde Arie Zonneveld, bloembollenkweker en gemeenteraadslid, gehuwd met Marie Lute. In 1985 is op deze plaats een dubbel woonhuis gebouwd.
  • In de drie volgende huizen, gebouwd omstreeks 1955, woonden achtereenvolgens op nummer 67 Cornelis Hageman,
  • op nummer 69 ir. Willem Stam, gemeenteraadslid boerenpartij en ook landelijk politiek actief (sinds 1975 Gerrit Tenty) en
  • op nummer 71 Wilhelmina Wooning. Het huis daarnaast is gebouwd in 1937 voor Bertus Hageman, tuinder (nr 73).
Op de foto zijn nog net zichtbaar de drie gelijksoortige huisjes in de bocht en aan de oostzijde van de Heereweg met v.l.n.r, het huis van Arie Zonneveld (zie 12), van Jan Duinmeijer (zie 11) en van Lou Zonneveld (zie 9). Op de voorgrond v.l.n.r. Geert Stet (gehuwd met Willem Zonneveld), Marie en Cornelia Zonneveld (dochters van Lou Zonneveld en Maria Delis).
Op de foto zijn nog net zichtbaar de drie gelijksoortige huisjes in de bocht en aan de oostzijde van de Heereweg met van links naar rechts het huis van Arie Zonneveld (zie 12), van Jan Duinmeijer (zie 11) en van Lou Zonneveld (zie 9). Op de voorgrond van links naar rechts Geert Stet (gehuwd met Willem Zonneveld), Marie en Cornelia Zonneveld (dochters van Lou Zonneveld en Maria Delis).
Woonhuis en boerderij van Jan Brasser. In 1995 is dit pand gesloopt (zie 13).
Woonhuis en boerderij van Jan Brasser. In 1995 is dit pand gesloopt (zie 13).

Jaarboek 25, pagina 41

Kaart 1 volgnummer 13

  • Hier stond het woonhuis (nummer 75) met stal van de 26-jarige Jan Brasser, tuinder, veehouder en gehuwd met Regina Heere. Zij hadden 6 kinderen. Dit huis heeft in 1995 plaats gemaakt voor een fraai woonhuis.

Kaart 1 volgnummer 14

  • Dit was de boerderij (nummer 77) van Doris Twisk, 30 jaar, veehouder en gehuwd met Trijntje Borst. Zij hadden 8 kinderen. Momenteel (in 2002) woont hier hun zoon Gerard Twisk.

Kaart 1 volgnummer 15

  • Op deze boerderij (nummer 87) woonde Kees Twisk, 54 jaar, veehouder en gehuwd met Johanna Dekker. Zij hadden vijf kinderen. Vanaf 1945 woonde hier hun zoon Jan Twisk, gehuwd met Annie Wassenaar. In 1968 is de boerderij gesloopt en is in de nabijheid voor laatstgenoemde en haar zoon een woonhuis gebouwd.
  • Aannemer Thijs de Nijs bouwde het volgende landhuis (nummer 89) in 1975 voor zichzelf. Inmiddels woont hier reeds een aantal jaren de tv-presentator Henny Huisman. Daarnaast staat in een zijpad van de Heereweg het in 1995 gebouwde woonhuis van bloembollenkweker Piet Zomerdijk junior.
De boerderij van Dorus Twisk (zie 14). Foto uit 1920 met Trijntje en Dirk Twisk en Jan Meijer (echtgenoot van Trijntje).
De boerderij van Dorus Twisk (zie 14). Foto uit 1920 met Trijntje en Dirk Twisk en Jan Meijer (echtgenoot van Trijntje).
De boerderij van Kees Twisk, vanaf 1945 woonde hier zijn zoon Jan (zie 15).
De boerderij van Kees Twisk, vanaf 1945 woonde hier zijn zoon Jan (zie 15).
  • De boerderij van Kees Twisk was in Zuid-Bakkum in 1930 het laatste huis aan de oostzijde van de Heereweg.
  • Iets noordelijker, aan de westzijde van de Heereweg, vinden we boerderij Zeeveld. We volgen nu de Heereweg vanaf de splitsing met de Noorderstraat in zuidelijke richting.

De westzijde van de Heereweg

 Het kindervakantieoord 'De Eenheid', gebouwd aan de Heereweg op de hoek van de Noorderstraat, werd in 1944 gesloopt.
Het kindervakantieoord ‘De Eenheid’, gebouwd aan de Heereweg op de hoek van de Noorderstraat, werd in 1944 gesloopt.

In 1932 werd langs de Heereweg op de noordhoek van de Noorderstraat kindervakantieoord ‘De Eenheid’ (nummer 162) gebouwd. In augustus 1944 werd het gebouw op last van de bezetter afgebroken, omdat het schootsveld belemmerd werd; in de lage duintjes aan de oostkant van de Heereweg werden meerdere bunkers gebouwd, waarvan er nu nog meerdere onder het zand zijn verborgen.

In 1934 verscheen het kinderhuis St.-Antonius (nummer 114) en daarnaast in 1932 jeugdherberg Koningsbosch (nummer 84). De eerste herbergvader was Jan Reinders, tevens kunstschilder, opgevolgd in 1945 door Leo Rommerts, die deze functie 15 jaren bekleedde en vervolgens zanger van beroep werd. In 2002 werd het 70-jarig jubileum van Koningsbosch gevierd.

Duinboerderij Zeeveld, tot 1968 nog als boerderij in gebruik door de familie Mooij (zie 16).
Duinboerderij Zeeveld, tot 1968 nog als boerderij in gebruik door de familie Mooij (zie 16).

Kaart 1 volgnummer 16

Op boerderij Zeeveld, die gelegen is aan de Noorderstraat nummer 2, woonde Piet Mooij, 30 jaar, veehouder, gehuwd met Dirkje van den Berg. Zij kregen 4 kinderen. Vanaf 1968 is de boerderij niet meer als zodanig in gebruik. Momenteel (in 2002) is Stichting Jan 17 hier gevestigd (zie kaart nummer 2).

Foto omstreeks 1918 genomen voor de boerderij van de wed. Maartje Zonneveld - Levering. V.l.n.r. Hein Zonneveld, Maartje Levering, Kees Zonneveld, de buren Na (Anna) Gaarthuis en Gert Levering, en Engel Zonneveld (zie 17).
Foto omstreeks 1918 genomen voor de boerderij van de weduwe Maartje Zonneveld-Levering. Van links naar rechts Hein Zonneveld, Maartje Levering, Kees Zonneveld, de buren Na (Anna) Gaarthuis en Gert Levering, en Engel Zonneveld (zie 17).
De boerderij van de Piet Zomerdijk (zie 17).
De boerderij van de Piet Zomerdijk (zie 17).

Kaart 1 volgnummer 17

In deze boerderij (nummer 74) woonde de 79-jarige Maartje Levering, weduwe van Pieter Zonneveld, met haar ongetrouwde zoon Engel. Na haar overlijden ging hier in 1937 haar kleindochter Marie Borst wonen, gehuwd met Piet Zomerdijk, bloembollenkweker.


Jaarboek 25, pagina 42

De timmerwerkplaats van Jan Borst (zie 18). V.l.n.r. Aagje (nu Jo) Borst, het kind Ali Zomerdijk, Arie van Lou (Zonneveld) en Gerrit Borst (zoon van Piet); in het bovenraam: Gerrit Borst (zoon van Gerrit) en Jan Borst (zoon van Piet).
De timmerwerkplaats van Jan Borst (zie 18). Van links naar rehts Aagje (nu Jo) Borst, het kind Ali Zomerdijk, Arie van Lou (Zonneveld) en Gerrit Borst (zoon van Piet); in het bovenraam: Gerrit Borst (zoon van Gerrit) en Jan Borst (zoon van Piet).

Kaart 1 volgnummer 18

Hier (nummer 72) woonde de 72-jarige Anna Gaarthuis, weduwe van Gerrit Levering. Vanaf 1936 woonde er Jan Kors, huisknecht op de kinderkolonie en vanaf 1941 de toen 61-jarige Piet Borst, gehuwd met Marijtje Zonneveld. Na zijn overlijden in 1962 woonde hier zijn jongste zoon Gerrit Borst, die in 1986 een ten westen van dit huis gebouwde bungalow betrok. Voor aan de weg stond een schuur die lange tijd in gebruik is geweest als timmerwerkplaats van diens broer Jan Borst; nu is dit een woonhuis.

Verder langs de Heereweg vinden we na een parkeerplaats een vijftal woonhuizen, gebouwd in 1976 (numers 54 tot en met 62).

Het huis van de familie Meijne (zie 19). V.l.n.r.: Mijntje Liefting (gehuwd met Pieter Meijne) met de dochters Aafje Meijne en Anna Meijne.
Het huis van de familie Meijne (zie 19). Van links naar rechts Mijntje Liefting (gehuwd met Pieter Meijne) met de dochters Aafje Meijne en Anna Meijne.

Kaart 1 volgnummer 19

  • Het huis (nummer 52) behoorde toe aan de 48-jarige Pieter Meijne, landbouwer, gehuwd met Mijntje Liefting. Zij hadden vijf kinderen. Vanaf 1945 woonden er hun zoon Jan Meijne en Marie Nijman.
  • In het volgende huis (nummer 48) woonde vanaf 1959 Piet Slump.
Het huis van hakker Arie Kaandorp (zie 20). Hier Arie Kaandorp en Maartje Brink met hun oudste kinderen.
Het huis van hakker Arie Kaandorp (zie 20). Hier Arie Kaandorp en Maartje Brink met hun oudste kinderen.

Kaart 1 volgnummer 20

  • Hier (nummer 46) woonde Arie Kaandorp, bakker, tuinder en veehouder, gehuwd met Maartje Brink. Zij hadden 14 kinderen. Vanaf 1951 woonden er Ber Scheerman en Door Castricum. Sinds 1991 woont hier Bal Molenaar, strandpaviljoenhouder, gehuwd met Hanny Castricum.
Het huis van Willem Schermer (zie 21). Voor het huis v.l.n.r. Theo, Dieuwertje, Johanna, Wilhelmina en Geertruida Schermer. Hiervan waren Dieuwertje en Johanna kinderen van Dirk en de overigen van broer Willem Schermer.
Het huis van Willem Schermer (zie 21). Voor het huis an links naar rechts Theo, Dieuwertje, Johanna, Wilhelmina en Geertruida Schermer. Hiervan waren Dieuwertje en Johanna kinderen van Dirk en de overigen van broer Willem Schermer.

Kaart 1 volgnummer 21

  • In dit huis (nummer 44) woonde Willem Schermer, 55 jaar, tuinder en kruidenier, gehuwd met Maartje van Velzen. Zij kregen 12 kinderen; hun zoon Bertus Schermer, ongehuwd, werd in 1952 eigenaar en woonde hier met zijn zus Dievera Schermer, weduwe van Gerrit Bult, tot haar overlijden in 1994. Vanaf 1995 woont hier nu haar kleinzoon Hans Bult, komiek en mimespeler.

Jaarboek 25, pagina 43

Kaart 1 volgnummer 22

  • Op nummer 42 woonde de 71-jarige Dirk de Winter, tuinder, gehuwd met Maartje Lute. Zij kregen zeven kinderen. Vanaf 1935 woonde hier hun zoon Balthazar, die in 1937 naar Medemblik vertrok (zie artikel over familie De Winter gezin nummer 16 en 26). Daarna woonde er van 1946 tot 1992 Jan Zonneveld, vletschipper, grondwerker, gehuwd met Maria Burger.

Hierop volgt het benzinepompstation, voorheen garage Fakkeldij.

Café 'De Goede Verwachting' (zie 23). Naast het café was er nog een open terras en een speeltuin. Tijdens de Bakkummer kermis werd hier het zogeheten 'kat knuppelen' gehouden.
Café ‘De Goede Verwachting’ (zie 23). Naast het café was er nog een open terras en een speeltuin. Tijdens de Bakkummer kermis werd hier het zogeheten ‘kat knuppelen’ gehouden.
Café 'De Goede Verwachting' omstreeks 1915 (zie 23). Voor het café de familie Castricum: Dieuwertje Stroomer omgeven door haar kinderen en enkele aangetrouwden. Dieuwertje is getrouwd met Cees Castricum, schelpenvisser en vrachtrijder. Zij wonen vanaf 1895 aan de Heereweg en sindsdien runt Dieuwertje hier het café. V.l.n.r.: staand: Anne Castricum (gehuwd met Matthias de Nijs), Corrie Castricum, moeder Dieuwertje Stroomer, Aafje Castricum en haar man Simon Koper, onder: Piet Castricum (gehuwd met Maria Steeman), Johannes Roemer (echtgenoot van Corrie Castricum) en Doris Castricum (gehuwd met Afra Buur). Van het gezin staan niet op de foto: vader Cees Castricum en de oudste zoon Willem (gehuwd met Mien Mors).
Café ‘De Goede Verwachting’ omstreeks 1915 (zie 23). Voor het café de familie Castricum: Dieuwertje Stroomer omgeven door haar kinderen en enkele aangetrouwden. Dieuwertje is getrouwd met Cees Castricum, schelpenvisser en vrachtrijder. Zij wonen vanaf 1895 aan de Heereweg en sindsdien runt Dieuwertje hier het café. Van links naar rechts staand: Anne Castricum (gehuwd met Matthias de Nijs), Corrie Castricum, moeder Dieuwertje Stroomer, Aafje Castricum en haar man Simon Koper, onder: Piet Castricum (gehuwd met Maria Steeman), Johannes Roemer (echtgenoot van Corrie Castricum) en Doris Castricum (gehuwd met Afra Buur). Van het gezin staan niet op de foto: vader Cees Castricum en de oudste zoon Willem (gehuwd met Mien Mors).

Kaart 1 volgnummer 23

  • In dit pand (nummer 36) had Willem Castricum een transportbedrijf en het café ‘De Goede Verwachting’. Hij was gehuwd met Mien Mors. Zij kregen 11 kinderen. Hun zoon Simon Castricum, gehuwd met Ans Swart, had van 1948 tot 1960 het café. Daarna werd het overgenomen door de familie Tuin die het in 1973 overdeed aan Henk Snabilie. Deze liet het café verpauperen en gebruikte het om er speelautomaten in op te slaan. Enkele jaren geleden is er op deze plaats een nieuw pand gebouwd met daarin onder andere een barbecue-restaurant ‘Gonzales’ dat sinds 2000 in gebruik is.
  • De drie huizen die dan komen, tot aan de Haagscheweg, zijn in 1961 gebouwd (nummers 34, 34a, 34b).

Jaarboek 25, pagina 44

Op de hoek van de Haagscheweg stond het huisje van Piet Kuijs en Marie de Zeeuw (zie 24).
Op de hoek van de Haagscheweg stond het huisje van Piet Kuijs en Marie de Zeeuw (zie 24).

Kaart 1 volgnummer 24

  • In dit huisje (nummer 32) op de hoek van de Haagscheweg woonde eerst de 64-jarige Antje Kuijs, weduwe van Dirk Visbeen, met haar zoon Jan Visbeen. Na haar overlijden in 1930 woonden hier Piet Kuijs, 36 jaar, tuinder, gehuwd met Marie de Zeeuw, en hun 9 kinderen. Als het gezin ’s avonds naar bed ging, moesten ze buitenom en dan met de ladder door het luik naar boven. Dit huis is afgebroken en er is in 1963 op deze plaats een dubbel woonhuis gebouwd, waarin de families Willemse en Van de Sandt gingen wonen.

Kaart 1 volgnummer 25

  • Hier (nummer 30) woonden de 61-jarige Jacobus van der Woude en zijn vrouw Dirkje van den Oever. Na Jacobs overlijden in 1930 vertrok Dirkje naar Amsterdam en kwam hier Piet Sap wonen, chauffeur bij de firma Castricum en gehuwd met Jo, een dochter van Willem Castricum. Vanaf 1942 woonde hier Piet Castricum (broer van Jo) met zijn vrouw Maria van Velzen. Nu woont hier vanaf 1974 hun zoon Jan Castricum, gehuwd met Marry Tuin.
  • In het naastliggende huis (nummer 28) woonde vanaf 1935 Jacobi Schmidt, straatmaker. Vanaf 1958 tot 1970 woonde hier Kobus Swart, daarna Bertus Boots en vanaf 1979 Hans Welp, gehuwd met Marian Ory.

Kaart 1 volgnummer 26

  • Dit huis (nummer 26) was samen met nummer 24 (zie bij 27) een van de weinige dubbele woonhuizen in 1930. Hier woonden toen Cornelis de Rooij, 56 jaar, arbeider, met zijn vrouw Maria Grooteboer en hun zes kinderen. Zij waren hier in 1929 komen wonen. Eind jaren (negentien)dertig woonde hier tot 1958 Johannes Delsasso, arbeider. Nadien hebben hier verschillende mensen gewoond, waaronder vanaf 1988 de als schrijver van jongensboeken bekend geworden Sjoerd Knijper, die enkele jaren geleden naar Bergen is verhuisd.

Kaart 1 volgnummer 27

  • Hier (nummer 24) woonde Piet Verduin, 34 jaar, arbeider en gasfitter, gehuwd met Anna Berkhout met hun drie kinderen. Vanaf 1967 woont hier Pé Zonneveld, gehuwd met Truus Kuijs.

Kaart 1 volgnummer 28

  • In dit huis (nummer 22) woonde de 61-jarige Aagje Dekker, weduwe van Jacob de Zeeuw. Na haar overlijden in 1937, woonde hier haar zoon Ab de Zeeuw. Dan wordt het oude huis in de jaren (negentien) vijftig gesloopt en wordt hier enkele jaren later een nieuw huis gebouwd. Vanaf 1976 woonde hier de inmiddels overleden Paul Brave. Zijn echtgenote Aafke Faber woont hier nog.
Vooraan ooit het woonhuis van Jan Kuijs en Neeltje Rijs (zie 29). In de loop der jaren heeft het vele uitbreidingen en aanpassingen meegemaakt.
Vooraan ooit het woonhuis van Jan Kuijs en Neeltje Rijs (zie 29). In de loop der jaren heeft het vele uitbreidingen en aanpassingen meegemaakt.

Kaart 1 volgnummer 29

  • Hier (nummer 20) woonde de 81-jarige Jan Kuijs, landbouwer, weduwnaar van Neeltje Rijs. Zij kregen 11 kinderen. Na zijn overlijden woonde hier vanaf 1936 de pikeur en paardenhandelaar Jan van Leeuwen. Vanaf 1955 woonde hier AH Groot, weduwe van Wilhelmus Noort. Zij trouwde daarna met Jaap Gaarthuis. Delen van de oude boerderij en hooibarg (hooiberg) werden ingericht ’s zomers voor badgasten en ’s winters voor de opslag van tenthuisjes; later alleen voor bewoning. In 1983 werd het woonhuis voor aan de weg afgebroken en een nieuw woonhuis neergezet. Hier woont zoon Jos Gaarthuis, aannemer, gehuwd met Corina Beentjes. De zomerverblijven zijn in later jaren afgebroken.

Kaart 1 volgnummer 30

  • Het huis (nummer 18) behoort toe aan Engel Zonneveld, 66-jaar, schelpenvisser, tuinder en strandvonder, gehuwd met Grietje Limmen. In 1972 is op deze plaats een modern woonhuis gekomen voor Jan Wenderhold.

Kaart 1 volgnummer 31

  • In dit huis (nummer 16) woonde ook ene Engel Zonneveld, veelal ter onderscheiding van zijn buurman ‘Dikke Engel’ genoemd. Engel was 57 jaar, landbouwer en gehuwd met Jansje Opperveld. Vervolgens woonde hier tot zijn overlijden in 2002 hun zoon Jan Zonneveld, tuinder, gehuwd met Jans Scheerman.
  • Het naastgelegen huis (nummer 14) is gebouwd omstreeks 1935 en werd bewoond door Piet Zonneveld, melkboer, kruidenier en gehuwd met Maria Admiraal.
Café 'De Onderneming' omstreeks 1906 (zie 32). In dit pand was vooraan een kruidenier gevestigd en achteraan was café 'De Onderneming'. In dit laatste gedeelte woonde vanaf 1930 achtereenvolgens de bakkers: Jan Wester, Toon Huisman en Harry Matze. In het eerste gedeelte (zie 33) woonde vanaf 1930 Gerrit Ruijter en vanaf 1963 Cor Liefting.
Café ‘De Onderneming’ omstreeks 1906 (zie 32). In dit pand was vooraan een kruidenier gevestigd en achteraan was café ‘De Onderneming’. In dit laatste gedeelte woonde vanaf 1930 achtereenvolgens de bakkers: Jan Wester, Toon Huisman en Harry Matze. In het eerste gedeelte (zie 33) woonde vanaf 1930 Gerrit Ruijter en vanaf 1963 Cor Liefting.

Kaart 1 volgnummer 32

  • Hier (nummer 12) was in het begin van de vorige eeuw café ‘De Onderneming’ gevestigd. In 1930 woonde er bakker Jan Wester, 36 jaar, in 1918 uit Oterleek gekomen, gehuwd met Cornelia Neelissen. Zij kregen acht kinderen. Als bakker werd Jan Wester opgevolgd in 1953 door Toon Huisman; vanaf 1959 had Harry Matze hier een bakkerij. Sinds 1977 woont hier Willem van Zanten en Anke de Graaf.

Jaarboek 25, pagina 45

Kaart 1 volgnummer 33

  • Dit huis (nummer 10) maakte deel uit van het voornoemde pand en was in het begin van de vorige eeuw een (kruideniers)winkel met een handel in koloniale waren. In 1930 woonde hier Gerrit Ruijter, 40 jaar, bloemist, afkomstig uit Uitgeest, gehuwd met Grietje Bot. Zij hadden twee kinderen. Vanaf 1963 ging hier Cor Liefting met zijn vrouw Jo Scheerman wonen.
Het begin van de Heereweg met vooraan links het huis van Jan de Ruijter (zie 34).
Het begin van de Heereweg met vooraan links het huis van Jan de Ruijter (zie 34).
Nu vanaf de rotonde komende links het huis met rieten kap gebouwd in 1951 en iets verder links van de Heereweg het huis van Jan de Ruijter (zie 34).
Nu vanaf de rotonde komende links het huis met rieten kap gebouwd in 1951 en iets verder links van de Heereweg het huis van Jan de Ruijter (zie 34).

Kaart 1 volgnummer 34

  • In dit huis (nummer 8) werd in de oorlog van 1799 Neeltje Groentjes doodgeschoten. Het is later ook café geweest. In 1930 woonde hier Hein Zonneveld, 51 jaar, tuinder, los arbeider, gehuwd met Jansje Veldt. Zij hadden geen kinderen. Na het overlijden van Jansje in 1941 woonde hier Jan de Ruijter, tuinder, gehuwd met Beth Huijg en zoon van Willem de Ruijter en Neeltje Stet van de Achterlaan (zie 41). Het huis is in 1993 afgebroken. Hieraan voorafgaande is aan de westzijde een nieuw woonhuis gebouwd van Gerard de Ruijter.
  • Dan resteren nog twee huizen aan de Heereweg: het in 1951 gebouwde witte huis met rieten kap (hier woonde onder andere Pieter Boudewijns, directeur gemeentewerken) en het in 1957 gebouwde huis ‘De Kampen’ voor het echtpaar Hans Witkamp en Truus Lankamp.

De Haagscheweg

Deze foto van de Haagsche weg werd genomen vanaf de duinkant in de richting van de huizen aan de Heereweg.
Deze foto van de Haagsche weg werd genomen vanaf de duinkant in de richting van de huizen aan de Heereweg.

De Haagscheweg loopt vanaf de Heereweg in westelijke richting tot aan de duinrand. De naam van dit weggetje werd tweehonderd jaar geleden al in oude akten genoemd. De foto laat nog een zandpad zien.

Kaart 1 volgnummer 35

  • Hier (nummer 1) woonde de 58-jarige Bertus Hageman, landarbeider en gehuwd met Alida Sprenkeling. Zij hadden 9 kinderen. Bertus ging in 1937 op de Heereweg wonen (zie 12). In dit huis woonde nadien Joop Hageman, bouwvakker, tuinder en vele jaren actief lid van de fanfare. In 1984 is hier een nieuw huis gebouwd van Jaap Rumping, expediteur, gehuwd met Bernardien Vrouwe.

Kaart 1 volgnummer 36

  • Dit huis (nummer 3) werd bewoond door Teun Ooms, 36 jaar, terreinwerker, voorman bij PWN, zijn vrouw Wilhelmina Jacobs en hun twee kinderen. Vanaf 1958 woont hier nu Cor Mooij, boswachter, gehuwd met de inmiddels overleden Lien, dochter van Teun Ooms.
De Achterlaan met hier nog geen bebouwing aan de zuidzijde. Tussen de bomen in nog juist zichtbaar de boerderij van Willem de Ruijter (zie 41).
De Achterlaan met hier nog geen bebouwing aan de zuidzijde. Tussen de bomen in nog juist zichtbaar de boerderij van Willem de Ruijter (zie 41).

De Achterlaan

Zo’n honderdvijftig jaar geleden liep ‘de Agterlaan’ vanaf de Bleumerweg (toen ‘de Laan in Bakkum’ genoemd) naar het zuiden en liep dood in het weiland. Het verbindingsstuk vanaf de Heereweg naar de Agterlaan werd toen ‘het Laantje’ genoemd. Het Laantje kende toentertijd nog een scherpe knik. In 1874 is deze knik aanzienlijk verminderd door de aansluiting op de Heereweg te verplaatsen van het noorden naar het zuiden van de voormalige woning van Lourens Zonneveld. (Dit huis was eerder het raadhuis van Bakkum en daarvoor nog de Cunerakapel.)
In 1930 was boerderij Blauwhoef de enige bebouwing aan de zuidzijde van de Achterlaan.

Boerderij 'De Blauwhoef' aan de Achterlaan (zie 37).
Boerderij ‘De Blauwhoef’ aan de Achterlaan (zie 37).

Kaart 1 volgnummer 37

Op boerderij Blauwhoef (nummer 5) woonde de 56-jarige Klaas Stuifbergen, veehouder, gehuwd met Wilhelmina Duijn. Zij hadden 8 kinderen. Later woonden hier tot 1980 hun zoon Co Stuifbergen en Truus Poel.


Jaarboek 25, pagina 46

  • Tussen de Heereweg en de Blauwhoef zijn twee woningen gekomen: in 1964 voor André Korsman (nummer 3) en
  • in 1970 voor Fred Meijer (nummer 1).

Voorbij de Blauwhoef zijn aan de zuidzijde van de Achterlaan aan het einde van de jaren (negentien) zeventig vijf bungalows gebouwd. Destijds was hier veel oppositie tegen vanwege het verloren gaan van het open landelijke karakter van dit deel van de Achterlaan.

Eva 's Hof aan de Achterlaan (zie 38).
Eva ’s Hof aan de Achterlaan (zie 38).

Kaart 1 volgnummer 38

  • In dit huis ‘Eva’s hof’ geheten (nummer 6), woonden tot 1931 Jan Hogenstijn, 44 jaar, tuinder, gehuwd met Johanna Goedmaat, en hun zes kinderen. Tot 1940 woonde hier Bart Moes en vanaf 1947 Jaap Zonneveld, los werkman, gehuwd met Cornelia Bakker (zie ook bij 12). Na 1972 werd het huis niet meer bewoond en is het gesloopt.
  • Op deze plaats verscheen in 1980 de fraaie woning van Jaap Vervoort. gehuwd met Mia Kaandorp (nummer 2).
Naast Eva 's Hof de huizen van Jan Stroomer (zie 39) en Jan Meijne.
Naast Eva ’s Hof de huizen van Jan Stroomer (zie 39) en Jan Meijne.

Kaart 1 volgnummer 39

  • Hier woonde (nummer 8) in 1930 Jan Meijne, 37 jaar, postbode. In de jaren (negentien) dertig ging hij met zijn gezin wonen in het huis van zijn moeder op nummer 10. Van 1947 tot 1953 woonde in huis nummer 8 Lammert de Winter (zie artikel familie De Winter onder nummer 34) en vanaf 1954 Jan Stroomer, metselaar, gehuwd met Anna Verver.
Nogmaals het huisje van Jan Meijne (zie 40).
Nogmaals het huisje van Jan Meijne (zie 40).

Kaart 1 volgnummer 40

  • In dit huis (nummer 10) woonde in 1930 de 78-jarige Aafje van der Eng, weduwe van Cornelis Meijne. In de jaren (negentien) dertig komt hier haar zoon Jan Meijne wonen, gehuwd met Riek de Winter. Zij kregen zes kinderen. Na Jans overlijden woonde Riek hier nog een jaar; vervolgens is het huis gesloopt en werd een nieuw woonhuis gebouwd door Henk van Gelderen. Vanaf 1982 woont hier Arie de Vrij, gehuwd met Betty Roele.

Kaart 1 volgnummer 41

In deze boerderij (nr 16) woonde Willem de Ruijter, 61-jaar, veehouder, landbouwer en gehuwd met Neeltje Stet. Zij kregen 11 kinderen. Na het overlijden van Willem in 1949 bleven hier hun kinderen Wub, Han en Griet wonen. Vanaf 1974 woont hier hun oomzegger Jan de Ruijter met echtgenote Tine Zaal.

Kaart 1 volgnummer 42

  • In dit huis (nummer 24) woonde Dirk Schermer, 52 jaar, tuinder en strandvonder, gehuwd met Jannetje van Velzen. Zij kregen 11 kinderen. Vervolgens woonde hier zoon Doris Schermer met zijn vrouw Cornelia Stuifbergen met hun kinderen.

Kaart 1 volgnummer 43

  • Hier (nummer 17) woonde Pieter de Winter, 61 jaar, tuinder en gehuwd met Dieuwertje de Zeeuw. Zij kregen 17 kinderen in het kleine huisje aan de Achterlaan. (Zie het gezin nr 19 in het artikel over familie De Winter.)
Bleumerweg in Bakkum.
Bleumerweg in Bakkum, 2020. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Bleumerweg

Zo’n honderdvijftig jaar geleden heette het eerste gedeelte van de Bleumerweg ‘De Laan in Bakkum’; deze liep vanaf de Heereweg tot het Jan Miessenlaantje. Het vervolg van de Bleumerweg, dat tussen de weilanden naar het oosten doodliep, heette toen Veldweg, soms al Bleumersche weg. In de 18e eeuw liep deze weg – in die tijd waarschijnlijk niet meer dan een zandpad – door naar Limmen en werd de ‘Zuydt Baccummer Dyck’ genoemd.


Jaarboek 25, pagina 47

Volgen we de Bleumerweg vanaf de Heereweg aan de zuidzijde, dan treffen we hier eerst een viertal nieuwe huizen aan – waarvan twee dubbele woonhuizen – omstreeks 1935 gebouwd voor van Amsterdam afkomstige bewoners:

  • Benjamin Leuw, kruidenier (vanaf 1957 woont hier nu Cornelis Bijman – nummer 1),
  • Pieter Helmich (hier woonde vanaf 1968 Nicolaas Scheerman – nummer 3),
  • Johannes Bruno, kantoorbediende (vanaf 1958 Johannes Opdam – nummer 5),
  • Johannes van Putten (vanaf 1958 Nicolaas Schermer – nummer 7),
  • Pieter Cortel, vertegenwoordiger, (vanaf 1954 Hendrik Schipper – nummer 9) en
  • Pieter van der Linden, boekbinder (vanaf 1948 Johannes van Ekeren – nummer 11).
  • Hierop aansluitend is in 1978 een bungalow gebouwd (nr 13) voor Gerard Duijn, gehuwd met Truus Poel.
Boerderij Starrenburg aan de Bleumerweg (zie 44).
Boerderij Starrenburg aan de Bleumerweg (zie 44).

In 1930 begon de bebouwing aan de zuidzijde van de Bleumerweg met boerderij Starrenburg.

Kaart 1 volgnummer 44

  • Op boerderij Starrenburg (nr 33) woonde de 38-jarige Willem de Zeeuw, veehouder en gehuwd met Gré van der Meij. Zij hadden 8 kinderen. Vanaf 1970 woonde hier Arnold Bruijnjé.
De boerderij van Reinier Duijn. Na de brand in 1930 is deze boerderij afgebroken (zie 45).
De boerderij van Reinier Duijn. Na de brand in 1930 is deze boerderij afgebroken (zie 45).

Kaart 1 volgnummer 45

  • Op deze boerderij (nummer 49) woonden Reinier Duijn, 45 jaar, veehouder, met zijn vrouw Jansje Bakker en hun vijf kinderen. In 1930 is de boerderij afgebrand en heeft plaats gemaakt voor de huidige boerderij die inmiddels al vanaf ca. 1970 wordt bewoond door hun zoon Joh. Duijn en echtgenote Gré Gijzen.

Kaart 1 volgnummer 46

  • Aan het einde van de Bleumerweg voorbij de spoorlijn woonden in het spoorhuis de 39-jarige spoorbeambte Tjidre Scheltinga met zijn vrouw Arnolda van Dinter en zes kinderen. Het spoorhuis is inmiddels vele jaren geleden gesloopt.
  • Nog voor de spoorlijn stond in 1930 aan de zuidzijde van de Bleumerweg een huisje dat niet meer werd bewoond en als schuur in gebruik was. Hier woonde tot aan het einde van de jaren (negentien) twintig Gert Kuijs, tuinder en gemeenteraadslid, gehuwd met Aagje Admiraal. Nadien is op deze plaats een nieuw huis gekomen, dat ook nu (in 2002) nog niet is aangesloten op het gas-, waterleiding- en elektriciteitsnet.
Huisje aan het eind van de Bleumerweg bij de spoorwegovergang.
Huisje aan het eind van de Bleumerweg bij de spoorwegovergang. Bleumerweg 51 in Bakkum. Nadien is op deze plaats een nieuw huis gekomen, dat ook nu nog niet
is aangesloten op het gas-, waterleiding- en elektriciteitsnet. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Jaarboek 25, pagina 48

Op deze foto uit ca. 1924 staan alle bewoners van de Bleumerweg.
Op deze foto uit circa 1924 staan alle bewoners van de Bleumerweg.
De nummers vermelden de volgende personen: 1 Dirk Baltus, 2 Anna Borst (moeder van - voormalig - voorzitter Simon Zuurbier), 3 Maria de Waard (echtgenote van Bertus Schermer), 4 Willem de Zeeuw, 5 Reinier Duijn, 6 Henk Twisk, 7 Piet Borst, 8 Willem Twisk, 9 Dieuwer Schouten (echtgenote van Henk Twisk), 10 Gré van der Meij (echtgenote van Willem de Zeeuw), 11 Jansje Bakker (echtgenote van Reinier Duijn), 12 Marijtje Zonneveld (echtgenote van Piet Borst), 13 Marie Zonneveld, 14 Truus Duijn, 15 Piet Duijn, 16 Marie Borst, 17 Agie Borst, 18 Jo Nijman (echtgenote van Dirk Baltus), 19 Corrie Borst, 20 Antoon Baltus, 21 Joh. Duijn, 22 Gerard Duijn, 23 logeetje (Henk van der Zon), 24 Jan Twisk, 25 Jaap Duijn, 26 Wim Twisk, 27 Kees Twisk, 28 Jan Borst en 29 Gerrit Borst.
De nummers vermelden de volgende personen: 1 Dirk Baltus, 2 Anna Borst (moeder van – voormalig – Oud-Castricum voorzitter Simon Zuurbier), 3 Maria de Waard (echtgenote van Bertus Schermer), 4 Willem de Zeeuw, 5 Reinier Duijn, 6 Henk Twisk, 7 Piet Borst, 8 Willem Twisk, 9 Dieuwer Schouten (echtgenote van Henk Twisk), 10 Gré van der Meij (echtgenote van Willem de Zeeuw), 11 Jansje Bakker (echtgenote van Reinier Duijn), 12 Marijtje Zonneveld (echtgenote van Piet Borst), 13 Marie Zonneveld, 14 Truus Duijn, 15 Piet Duijn, 16 Marie Borst, 17 Agie Borst, 18 Jo Nijman (echtgenote van Dirk Baltus), 19 Corrie Borst, 20 Antoon Baltus, 21 Joh. Duijn, 22 Gerard Duijn, 23 logeetje (Henk van der Zon), 24 Jan Twisk, 25 Jaap Duijn, 26 Wim Twisk, 27 Kees Twisk, 28 Jan Borst en 29 Gerrit Borst.

Kaart 1 volgnummer 47

  • In dit primitieve huisje (nummer 22) woonde Hein Zonneveld, 41 jaar, tuinder, los arbeider, gehuwd met Klasina Oud. Zij kregen 7 kinderen. In 1956 is dit huisje gesloopt en is hier in 1958 een bungalow gebouwd waarin Albertus Scheen woonde.
De boerderij van Piet Borst (zie 48).
De boerderij van Piet Borst (zie 48).

Kaart 1 volgnummer 48

  • Op deze boerderij (nummer 20) woonden de 50-jarige Piet Borst, tuinder, veehouder en gemeenteraadslid, met zijn vrouw Marijtje Zonneveld en hun acht kinderen. In 1941 zijn Piet en Marijtje aan de Heereweg gaan wonen (zie 18) en op de boerderij woonden nadien zoon Cor Borst en echtgenote Nel van Niekerk.

Kaart 1 volgnummer 49

Hier (nummer 18) woonde tot 1930 Dirk Baltus, melkrijder, gehuwd met Jo Nijman. Daarna woonde hier Hendrik Sanders, 30 jaar, afkomstig uit Drenthe, arbeider, bloemist en gehuwd met Frauke Harms. Zij hadden vier kinderen. Kort daarop ging hier vanaf 1931 Gerrit Borst, melkrijder, met zijn vrouw Maria Liefting wonen. Hij had later ook een mest- en strohandel.

Kaart 1 volgnummer 50

  • In dit huis (nummer 12) woonde Henk Twisk, 33 jaar, tuinder, veehouder en gemeenteraadslid, gehuwd met Dieuwertje Schouten. Zij hadden 9 kinderen.
  • Vanaf 1960 is hij in het ernaast gelegen nieuw gebouwde huis (nummer 10) gaan wonen en werd zijn zoon Piet hier de hoofdbewoner. Tegenwoordig (in 2002) is hier camping en kampeerboerderij ‘De Hooiberg’ gevestigd.
Boerderij aan de Bleumerweg 12 in Bakkum.
Boerderij aan de Bleumerweg 12 in Bakkum. Na aanpassing van de schuren ontstond de vakantieboerderij “de Hooiberg” aan de Bleumerweg met groepen in de stolp, appartementen in de stallen en huisjes in de nieuwe stal aan de oostkant. De camping op het terrein telde vijftien plaatsen. Kortom een behoorlijk vakantiebedrijf met veel gezelligheid. In 2007 is de boerderij door Willem Twisk weer verbouwd. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Aan de noordzijde van de Bleumerweg heeft een aantal jaren de rooms-katholieke jeugdherberg ‘De Mantelmeeuw’ gestaan die werd beheerd door Cornelis Twisk. Deze jeugdherberg is in 1975 afgebroken. Kort daarna is tussen huis 7 en de boerderij op de hoek van de Heereweg een vijftal huizen gebouwd.

Boerderij aan de Heereweg 37 in Bakkum.
Boerderij aan de Heereweg 37 in Bakkum. Is een tijdlang jeugdherg ‘De Mantelmeeuw’ geweest. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Jaarboek 25, pagina 49

Noord Bakkum

(zie kaart 2 op pagina 50)

Kaart (1745) met de Bacummer Ban.
Fragment van de kaart (1745) met de Bacummer Ban van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland. Getekend door Johannes Dou. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De huidige wegen in Noord-Bakkum kunnen we al op de oudst gedetailleerde kaarten van Johannes Dou vinden. Het wegenpatroon is al vele eeuwen onveranderd. Ook het aantal bewoners is relatief gering gebleven. Stonden er in 1830 slechts drie huizen, in 1930 is dat aantal toegenomen tot 19. Tegenwoordig (in 2002) staan er 47 huizen in Noord-Bakkum, is het een eigen woongemeenschap, waarvan de kinderen in Egmond-Binnen naar de basisschool gaan en de telefoonnummers onder Limmen vallen.

De toestand van de wegen in Noord-Bakkum is vóór 1930 heel slecht, getuige de meerdere verzoekschriften die de bewoners van Noord-Bakkum hebben gericht aan het gemeentebestuur van Castricum. Onderstaand een letterlijke weergave van een dergelijk verzoekschrift dat vooral zo aardig is, omdat de handtekening van meerdere bewoners in onderstaand overzicht voorkomen:

Noord Bakkum December 1917

Edelachtbare Heer Burgemeester Heeren raadsleden,

Verleden jaar hebben wij bewoners van Noord Bakkum tot de raad het beleefd verzoek gericht om tot beharding van de zandijk over te gaan we hebben als antwoord daar op de toezegging mogen ontvangen dat de weg met sintels zou aan gevuld en bij gehouden zou worden.

Tot onze teleurstelling is het bij toezegging gebleven want de paar wagens sintels die er zijn aangebracht kunnen toch moeilijk als verbetering gelden. Daarom vragen wij opnieuw om verbetering.

Mocht door de tijdsch omstandigheden het nu niet mogelijk zijn tot beharding over te gaan dan verzoeken wij met de meeste ernst ons uit onze nood toestand te helpen en de wegen in behoorlijk begaanbare toestand te brengen en te houden want zoo het thans gaat is het het spijt ons het te moeten schrijven een ongehoorde toestand.

Sinds 1914 is er aan de zandijk nog de Limmerweg vanaf de zandijk tot de scheiding van Egmond-Binnen geen schop zand verwerkt we worden verplicht de gaten en kuilen zelf te dichten om ongelukken te voorkomen is dit geen ongehoorde toestand.

Als belasting betaalende worden wij als burgers erkend en niet ontzien en rekenen wij daarom dat onze noode erkend en verholpen zullen worden en teekenen wij.

Handtekeningen van de inwoners van Noord-Bakkum in 1917.
Handtekeningen van de inwoners van Noord-Bakkum in 1917.

De Heereweg

In 1930 stonden er aan de Heereweg nog nabij de grens met Egmond-Binnen vier huizen; hiervan zijn de twee huizen aan de westzijde al jaren geleden gesloopt. In de jaren (negentien)zestig en zeventiger was er aan de westzijde van de weg tegen de grens met Egmond-Binnen, nog langs de weg, een klein woonwagenpark dat plaats bood aan enkele woonwagens. Dit smalle strookje grond, dat nog hoorde bij de gemeente Castricum, was voor de woonwagenbewoners letterlijk zover mogelijk weg uit het Castricumse woongebied.


Jaarboek 25, pagina 50

Kaart 2: Noord-Bakkum: de huizen die genummerd zijn, bestaan in 1930; onder de volgnummers 1 t/m 17 worden de bijbehorende huizen en bewoners in de tekst beschreven. (tekening Jort Boot)
Kaart 2 Noord-Bakkum: de huizen die genummerd zijn, bestaan in 1930; onder de volgnummers 1 tot en met 17 worden de bijbehorende huizen en bewoners in de tekst beschreven. (tekening Jort Boot)

Jaarboek 25, pagina 51

Het huisje van Jan Stet in de Bakkummer duinen (zie 1).
Het huisje van Jan Stet in de Bakkummer duinen (zie 1).

Kaart 2 volgnummer 1

  • In dit kleine huisje (nummer 178), op ruim honderd meter ten westen van de Heereweg in het duingebied, woonde in 1930 in zijn ouderlijk huis Jan Stet, 35 jaar, tuinder, los werkman, gehuwd met Geertje Groot. Zij hadden geen kinderen. In de oorlog is dit huisje gesloopt.

Kaart 2 volgnummer 2

  • Hier (nummer 180) woonden in een klein huisje direct langs de weg Bertus Dirkson, 71 jaar, landbouwer en Antje van Velzen. Na zijn overlijden in 1937 woonde Antje daar nog tot 1940. Het huis werd nadien bewoond tot 1950 door Jan Renckens. Als laatste woonde hier vanaf 1954 Toos Maternum, gehuwd met Johannes Rumping, eerder met Ab de Winter. (Zie in het artikel over familie De Winter onder nummer 32.) Het huisje is in 1962 afgebroken.
  • Dit huis werd in 1930 bewoond door de 48-jarige Willem Roozen en zijn vrouw Aukjen Nagelhout met hun vijf kinderen. Willem kwam uit de omgeving van Haarlem en vertrok in 1934 naar Beverwijk. Het huis (nummer. 103) werd vervolgens bewoond door Freek Wulp, bloembollenkweker en zijn vrouw Annie Zonneveld. Vanaf 1980 woont hier Arie Apeldoorn die een handel in ‘open haard’-hout heeft.
  • In het laatste huis voor Egmond-Binnen (nummer 105) woonden Aagje en Jacob Leuring, respectievelijk 52 en 49 jaar oud, beiden ongehuwd. Na hun vertrek in 1939 naar Beverwijk ging hier Jan Zonneveld, bloembollenkweker, wonen met zijn echtgenote Jo Burgmeijer. Zij kregen hier 10 kinderen. Momenteel woont hier hun zoon Jan.

De Duinweg

Bij de verbreding van de Heereweg werd in 1926 ook de Duinweg aangepakt en werd de aansluiting van de Duinweg op de Heereweg circa 250 meter naar het noorden verplaatst.

Ook werd aan de Duinweg door de firma Kiess-Dieter een fijn-lederfabriek gebouwd. De fabriek bestond uit een groot gebouw met looierij en ververij voorzien van hete luchtovens, droogkamers en kleedkamers en uit een apart gebouwtje met een looierij en een droogkamer. Nadien is het bedrijf een groentedrogerij geworden en is het in 1925 overgenomen door het bloembollenbedrijf ‘Rijnveld’ uit Hillegom. Van het pand werd een woonhuis gemaakt en van de drogerij een bollenschuur; de droogtoren bleef intact.

Het bedrijf van 'Rijnveld' aan de Duinweg, eerder was hier een fijn-lederfabriek en een groentedrogerij gevestigd. De bollenschuur met 'toren' linksvoor is hier nog een overblijfsel van (zie 5).
Het bedrijf van ‘Rijnveld’ aan de Duinweg, eerder was hier een fijn-lederfabriek en een groentedrogerij gevestigd. De bollenschuur met ’toren’ linksvoor is hier nog een overblijfsel van (zie 5).

Grote oppervlakten van de aan de duinen grenzende landerijen zijn afgezand en geëgaliseerd. Het bedrijf Rijnveld had veel personeel in dienst; baasknecht was Jaap van der Meij. Op verschillende tijden ging hier de sirene om het begin en einde van de werk- en schafttijden aan te geven. Dit geluid was in de wijde omtrek te horen en werd plaatselijk ‘de Jood’ genoemd. “Is de Jood al gegaan?”, hoorde je vragen. Het was voor vele tuinders het sein om het werk neer te leggen.

Kaart 2 volgnummer 5

Hier woonde van 1926 tot 1961 Jaap van der Meij, 36 jaar, afkomstig uit Hillegom en was baasknecht op het bloembollenbedrijf ‘Rijnveld’. Jaap was gehuwd met Jaantje Diemel. Zij kregen 9 kinderen. Jaap werd als bedrijfsleider in 1961 opgevolgd door Nicolaas Lieverse. Vanaf 1968 is het bedrijf overgenomen door de firma De Waard uit Egmond aan den Hoef. De bollenschuur is in de jaren (negentien) zeventig gesloopt. Nu woont hier Sjaak de Waard.

In 1930 waren de bollenschuur en de bovengenoemde woning de enige bebouwing aan de Duinweg.

  • Aan dezelfde noordzijde van de weg is in chronologische volgorde gebouwd in 1954 het woonhuis van Hermanus van Dijk (nummer 9),
  • in 1963 het woonhuis (nummer 11) met bollenbedrijf van Piet Neelissen en Grietje Veldt,
  • in 1965 kippenlegbatterijen van Gerrit Ronk met bijbehorende bedrijfswoning (nummer 7),
  • in 1967 het huis van Gerrit Ronk op de hoek van de Duinweg en Hoogeweg (nummer 5),
  • in hetzelfde jaar het huis van Piet Neelissen junior (nummer 15) en tenslotte
  • in de jaren (negentien) tachtig jaren het huis van Huub de Waard (nummer 3a) en
  • het hoveniersbedrijf van Cor Berkhout (nummer 11).

Jaarboek 25, pagina 52

Villa Doornduyn van Kraakman aan de Duinweg 2.
Villa Doornduyn van Kraakman aan de Duinweg 2 in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
  • Aan de zuidzijde was er in 1930 nog geen enkele bebouwing aan de Duinweg. Als eerste werd kort voor de oorlog het landhuis ‘De Doornduin’ van grootgrondbezitter Jacobus Kraakman gebouwd (nummer 2), waar hij een groot deel van zijn leven heeft gewoond. (Zie hierover het  artikel Wie was … meneer Kraakman.)
  • Achtereenvolgens zijn aan de zuidzijde van de Duinweg in 1950 gebouwd het woonhuis voor Kees Hes met zijn vrouw Maria Ruiter (nummer 4),
  • in 1967 het huis van Joost Hes en Lent Tervoort (nummer 6),
  • in 1970 het huis van Coob van der Voort (nummer 2a) en
  • in 1977 tenslotte het huis van Kees Hes junior (nummer 2b).
Boerderijen aan de Madeweg.
Boerderijen aan de Madeweg in Bakkum, circa 1990. De boerderij rechts is “Johanna Hoeve” (vroeger “De Duindoorn”), gebouwd in 1905 en herbouwd in 1981. De boerderij links is “Op Hoop van Zegen”, gebouwd in 1896. Foto G. van Geenhuizen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Madeweg

De Madeweg is een zijweg van de Duinweg, loopt in zuidelijke richting en is een doodlopende weg met een lengte van circa 1.000 meter, eindigend in het Zuid-Bakkummer veld. In 1930 stonden hier twee huizen:

Kaart 2 volgnummer 6

  • In deze boerderij (nummer 1) woonde in 1930 Kees Hes, 44 jaar, gehuwd met Maria Ruiter. Zij kregen 12 kinderen. In 1950 gingen zij op de Duinweg wonen. Daarna ging zoon Piet Hes, gehuwd met Catharina Swart, op de boerderij wonen.
  • Vanaf 1982 woonden hier ook van laatstgenoemden dochter Maria Hes met Hendrikus Scheerman (nummer 3) en
  • hun zoon Johannes Hes en Johanna Dekker (nummer 5).

Kaart 2 volgnummer 7

  • Op deze boerderij van voordien Jan Meijne (nummer 2) woonde Piet van Diepen, 51 jaar, veehouder, met zijn tweede echtgenote Betje Tol. Piet had uit twee huwelijken 25 kinderen. Achtereenvolgens woonden hier vanaf 1936 Nicolaas Noort en echtgenote Cornelia Bos. vanaf 1944 hun zoon Wilhelmus Noort, gehuwd met Ali Groot en vanaf 1953 Piet van der Voort.
  • In 1960 is naast de boerderij een houten bungalow gekomen (nummer 2a) waarin het door brand getroffen gezin van Pé Hes werd ondergebracht.
De Zanddijk met links de woning van Adriaan Liefting.
De Zanddijk met links de woning van Adriaan Liefting.

De Zanddijk

De Zanddijk is het verlengde van de Duinweg en sluit aan op de Westerweg in Limmen. De Zanddijk wordt beschouwd als een van de eerste dijken in Midden-Kennemerland die diende ter beperking van de wateroverlast. De Zanddijk vormde een afdamming van de lage gronden tussen de binnenduinrand en de strandwal Alkmaar-Limmen. Het initiatief tot de aanleg in de 11e of 12e eeuw wordt toegeschreven aan de monniken van de Egmondse abdij.

  • In 1930 stonden er geen huizen aan de Zanddijk. In 1961 is hier het veehoudersbedrijf van Adriaan Liefting gekomen (nummer 2).
De splitsing van de Duinweg en de Hoogeweg.
De splitsing van de Duinweg en de Hoogeweg in Bakkum. Foto Wim Schermer. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Hoogeweg

De Hoogeweg is een zijweg van de Duinweg en loopt in noordelijke richting tot voorbij de grens van Egmond-Binnen. In 1930 woonden hier aan de oostzijde achtereenvolgens:

Kaart 2 volgnummer 8

  • In dit witte huis (nummer 1) woonde vanaf 1928 Bart Moes, 25 jaar, baasknecht bij het bloembollenbedrijf van Gert Hermans. Bart was gehuwd met Trijntje Pol. Zij gingen na enkele jaren aan de Achterlaan wonen. Vanaf 1934 woonde hier Kees van der Lans, bloemistknecht. Verder woonde hier onder andere vanaf 1962 bloemkweker Co Berkhout.

Kaart 2 volgnummer 9

  • In dit huisje (nummer 3) woonde van 1926 tot 1972 Klaas Leuring, 47 jaar, tuinder, gehuwd met Trijntje Hollander. Zij woonden hier met 3 kinderen.

Kaart 2 volgnummer 10

  • Hier (nummer 5) woonde Aad Duijcker, 37 jaar, bloemist-knecht en gehuwd met Maria Lempers. Vanaf 1933 woonde hier Cor Baltus; hij was in datzelfde jaar gehuwd met Jacoba van der Molen die in 1935 overleed. Vanaf 1940 woonde in dit huis Engel van der Molen en vanaf 1972 Simon Baltus, gehuwd met Christien van Uden.

De overige huizen aan de oostzijde, gebouwd na 1930, zijn in chronologische volgorde:

  • in 1958 het huis van Co Res, gehuwd met Lida de Nijs (nummer 9),
  • in 1961 het huis van Arie Liefting en Ria Duinmeijer (nummer 11),
  • in 1974 de bungalow van Jan Berkhout (nummer la) en
  • het huis van Cor Brakenhoff (nummer 7) en in 1976 van Jan Holshuijsen, nu Henk van Stigt (nummer 7a).

In 1930 stond aan de westzijde van de Hoogeweg:

Kaart 2 volgnummer 11

  • Op deze boerderij (nummer 2) woonde van 1926 tot 1932 Theodorus Kabel, 36 jaar, veekoopman, gehuwd met Anna Wolff; vervolgens woonde hier tot 1938 Albertus Schermer, gehuwd met Maria de Waard en tot 1942 Piet Borst, gehuwd met Griet Hes en daarna gedurende vele jaren veehouder Pé Hes, gehuwd met Catharina Liefting. Bij een ernstige brand op 12 november 1959 werd deze boerderij verwoest en later door een nieuw woonhuis vervangen. Voor zijn heldhaftige rol tijdens de brand werd zoon Kees geëerd met de medaille van het Carnegie fonds. Pé Hes ging in 1972 op het Zuiderdijkje wonen, zijn zoon Jan bleef in dit huis wonen.
De boerderij 'Noord-Bakkum' aan de Hoogeweg: dit was de grootste boerderij van Bakkum. Hier woonden meerdere gezinnen. Voor het huis baasknecht bij 'Rijnveld' Kees Weijers met echtgenote Maria Veldt (zie 12).
De boerderij ‘Noord-Bakkum’ aan de Hoogeweg: dit was de grootste boerderij van Bakkum. Hier woonden meerdere gezinnen. Voor het huis baasknecht bij ‘Rijnveld’ Kees Weijers met echtgenote Maria Veldt (zie 12).

Kaart 2 volgnummer 12

  • In deze boerderij, ooit ‘Noord-Bakkum’ geheten en meerdere eeuwen oud, woonden in 1930 meerdere afzonderlijke families. Aan de voorkant-zuidzijde (nummer 6) woonde vanaf 1926 Jan Harms, 31 jaar, arbeider. Vanaf 1935 woonde hier Pé Levering, baasknecht bij Rijnveld en gehuwd met Eduarda Klaver.
  • Aan de voorkant-noordzijde (nummer 8) woonde vanaf 1930 Albertus Huisman uit Hillegom, 36 jaar, arbeider; kort daarop woonde hier Reinder Moes, boerenknecht uit Borger, daarna vanaf 1945 Henk de Graaf en van 1961 tot 1970 Henk Levering.
  • Aan de achterzijde woonde op nummer 10 Wander Harms, 52 jaar, familie van voornoemde Jan, arbeider, hij kwam in 1926 uit Wildervank en ging in de jaren (negentien) dertig aan de Heereweg wonen. De boerderij is in 1989 gesloopt. (Zie ook afbeelding bij het artikel Bakkum omstreeks 1830.)

Jaarboek 25, pagina 53

De boerderij van Ab van Duin. Op de foto links met paard Dirk Koning en rechts zijn vrouw Geertje Burger met kind op de arm (zie 13).
De boerderij van Ab van Duin. Op de foto links met paard Dirk Koning en rechts zijn vrouw Geertje Burger met kind op de arm (zie 13).

Kaart 2 volgnummer 13

  • Op deze boerderij (nummer 12) woonde Ab van Duin, 54 jaar, landbouwer, gehuwd met Henderica van Til. Zij kwamen in 1925 van Egmond-Binnen en hadden zes kinderen. Tot 1971 woonde hier hun zoon Jaap van Duin, daarna kende de boerderij vele bewoners.

Kaart 2 volgnummer 14

  • Dirk Koppes woonde vanaf 1921 op nummer 14. Hij was 42 jaar, tuinder en gehuwd met Maria Baltus en had 7 dochters. Vanaf 1967 woont hier Ber Zonneveld, gehuwd met Bets Wijker.

De bewoners van de huizen gebouwd na 1930 aan de westzijde zijn in chronologische volgorde:

  • in 1962 Han van der Molen en Clara van der Meij (nummer 16),
  • in 1975 Joop Sprenkeling (nummer 10),
  • in 1979 Kees Hes, aannemer grondwerken (nummer 4),
  • in 1989 Rex Kramer (nummer 8) en
  • in 1995 de inmiddels overleden Peter van der Molen (nummer 18).
Groenelaantje.
Groenelaantje in Bakkum, 2006. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het Groenelaantje

Het Groenelaantje is een kort verbindingsweggetje van circa 270 m lengte tussen de Hoogeweg en de Limmerweg, evenwijdig aan en kort bij de grens met Egmond-Binnen. In 1930 stonden er drie huizen. Op de eerste kadasterkaarten van 1830 is op eenderde van het Groenelaantje een bosje te zien waar de weg aan weerskanten omheen loopt. (Zie kaart bij het artikel Bakkum omstreeks 1830.) Dit is heel bijzonder en geeft aan dat daar vóór 1830 iets geweest moet zijn. waarnaar we nu alleen nog kunnen gissen.

Aan het Groenelaantje stonden in 1930 drie huizen:

Kaart 2 volgnummer 15

  • Het huis (nummer 1) van Dirk Koning, 54 jaar, landbouwer, gehuwd met Geertje Burger. Zij hadden vier kinderen. Na zijn overlijden woonde zij hier nog tot 1951, daarna is het huisje afgebroken. Het stond op de plaats van de garages tussen de huidige percelen 7 en 7a.

Jaarboek 25, pagina 54

Kaart 2 volgnummer 16

  • Hier (nummer 3) woonde vanaf 1921 Johannes Kramer, 63 jaar, landbouwer, gehuwd met Anna Brakenhoff. Zij kregen acht kinderen waaronder Han Kramer en ook de op de Limmerweg woonachtige Wub en Gerard Kramer. Han heeft dit huis vanaf 1952 tot zijn overlijden in 1969 bewoond. Op dit moment (in 2002) woont hier nog zijn zoon Simon Kramer.
Het huis van de familie Liefting aan het Groenelaantje (zie 17).
Het huis van de familie Liefting aan het Groenelaantje (zie 17).

Kaart 2 volgnummer 17

  • In dit huis (nummer 2) woonde Jan Liefting, 32 jaar, landbouwer, gehuwd met Johanna Levering. Zij kregen zes kinderen. Na zijn overlijden in 1932 hertrouwde Johanna Levering in 1933 met zijn broer Bernard Liefting die vanaf dat moment in dit huis kwam wonen. Beide broers waren zoons van de op de Limmerweg woonachtige Arie Liefting. Na het overlijden van Bernard in 1966 woonde hier Piet, zoon van Jan Liefting. Op dezelfde plaats liet Piet Liefting in 1969 een nieuw huis bouwen. Hier woont nu Ad Baltus.

Na 1930 is aan het Groenelaantje nog bijgebouwd:

  • in 1969 huis nummer 5 voor Theo Vermeulen, schoonzoon van Han Kramer (zie 16),
  • in 1970 huis nummer 7 voor Jaap Koning en
  • in 1993 huis nummer 7a voor diens schoonzoon Cor de Graaf.
Zuiderdijkje.
Het Zuiderdijkje in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het Zuiderdijkje

Dit middeleeuwse dijkje, vroeger ook wel het Noord-Bakkummerdijkje genoemd, omsluit een gering aantal percelen land die afwateren op de Vennewaterspolder. In 1930 stonden er geen huizen aan het Zuiderdijkje.

  • Pas in 1972 ging Pé Hes hier wonen (nummer 1).
  • De overige twee huizen aan het Zuiderdijkje werden gebouwd in 1974 (nummer 3, nu bewoond door Hans Hes) en
  • in 1976 (nummer 5, bewoond door Jan de Graaf).
Kaart met Hoogeweg, Limmerweg en Zuiderdijkje.
Hoogeweg, Limmerweg, Zuiderdijkje. Detailkaart uit 1821. De noordgrens van de Heereweg tot de grens met Heiloo. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Limmerweg

De Limmerweg komt uit het centrum van Egmond-Binnen en loopt in zuidelijke richting naar het punt waar de Duinweg overgaat in Zanddijk. In 1930 was alleen de westzijde van de Limmerweg binnen onze gemeente bebouwd. Hier woonden achtereenvolgens:

Kaart 2 volgnummer 18

  • In dit huis (nummer 4) woonde Huub de Winter van 1911 tot 1937. Huub was 66 jaar, landbouwer, gehuwd met Catharina Koning. (Zie gezin nummer 11 in het artikel over familie De Winter.) Zij hadden geen kinderen. Vanaf 1938 tot 1952 woonde hier Lau Duinmeijer. In 1959 was de boerderij onbewoonbaar verklaard, gekocht door Gerard Hanraads die haar verbouwde en er in 1960 de naam ‘de Luif’ aan gaf. Nu woont hier sinds 1986 Jan Kaptein.
De boerderij van Arie Liefting aan de Limmerweg (zie 19).
De boerderij van Arie Liefting aan de Limmerweg (zie 19).

Kaart 2 volgnummer 19

  • In deze boerderij, vroeger ‘Pannenhuis’ geheten (nummer 2), woonde vanaf 1916 Arie Liefting; in 1930 was hij 62 jaar oud, tuinder, veehouder, gehuwd met Adriana Apeldoorn. Zij kregen 11 kinderen. De boerderij werd overgenomen door het Burger Weeshuis in Haarlem, dat in 1972 een woning voor de beheerder Anne Merkuur liet bouwen en in 1974 op de plaats van de afgebroken boerderij een nieuwe boerderij ‘De Coenhoeve’. Deze dient als tijdelijk onderdak voor weeskinderen.
  • Na 1930 zijn aan dezelfde westzijde nog de huizen gekomen van Jan Nijman (nummer 2a in 1967) en
  • van Koos van der Molen (nummer 2b in 1970).
  • Aan de oostzijde woonde vanaf 1953 tot 1990 Simon Gaarthuis, bloembollenkweker, gehuwd met Jeanne Liefting, nu Wiebe de Jong (op nummer 7).
  • Op nummer 9 woonde vanaf 1931 tot 1971 Wub Kramer, landbouwer, gehuwd met Gré Wesselingh; na 1971 woonde hier Petrus Laan, gehuwd met Antonetta van Soest.
  • Op nummer 11 woonde vanaf 1958 Gerard Kramer, gehuwd met Theodora Burgmeijer; sinds 1991 woont nu (in 2002) hier Hans Kramer.

Verantwoording

Dit artikel geeft heel veel informatie over huizen en bewoners van Bakkum vanaf het jaar 1930 en in enkele gevallen zelfs over de huidige bewoners. Dit is een zodanige hoeveelheid informatie dat er ongetwijfeld onjuistheden in geslopen kunnen zijn. Hiervoor excuses hoewel dit onontkoombaar is. Deze informatie is vooral voor die mensen interessant die in Bakkum wonen, gewoond hebben of daarmee sterk verbonden zijn. Voor anderen kan het overkomen als een saaie opsomming van namen, beroepen, jaartallen etc. Wij hopen dat onze inspanning in ieder geval voor de Bakkummers de moeite waard is geweest.

Loek Zonneveld
Simon Zuurbier

Bronnen:

  • Bevolkingsregister Castricum, 1920- 1939.
  • Archief Gemeente Castricum.
  • Archief Werkgroep Oud-Castricum.
  • Interviews met Pé Hes, mevrouw A. de Zeeuw-Borst, Jan Brasser, Jan Zonneveld (in 2002 overleden) en Piet Beentjes.