25 juli 2022

R.K. Pancratiuskerk, vorige (Jaarboek 32 2009 pg 15-22)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 32, pagina 15

De vorige Sint-Pancratiuskerk te Castricum

De oude Pancratiuskerk.
De oude Pancratiuskerk. Dorpsstraat in Castricum, 1903. Zes jaar later werd de oude Pancratiuskerk vervangen. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

Een zeer uitvoerig geannoteerde versie van dit artikel is gedeponeerd in het Streekarchief in Alkmaar.

De dorpskern van Castricum wordt gedomineerd door twee torens: die van de gotische hervormde kerk uit de vijftiende eeuw en die van de neogotische katholieke kerk uit de aanvang van de twintigste eeuw. De kerken liggen ruim 300 meter van elkaar aan de oude straatweg van Haarlem naar Alkmaar, de hervormde in het hart van het dorp, de katholieke een stukje meer naar het oosten.

De schuilkerk rond 1850.
De schuilkerk (bedehuis) rond 1850. Breedeweg 72 in Castricum. De schuilkerk is in 1858 gesloopt. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De huidige St.-Pancratiuskerk, in 1910-1911 naar ontwerp van de bekende architect Jan Stuyt gebouwd, is de opvolger van een veel kleiner bedehuis, dat maar een halve eeuw heeft bestaan. Dit kerkje, gebouwd in 1858 in een ‘Rundbogenstil’achtige neoromaanse trant, bezat geen volwaardige kerktoren, maar moest het met slechts een bescheiden dakruiter (torentje) boven de voorgevel doen. Het ontwerp was van de hand van de vrijwel geheel in vergetelheid geraakte katholieke Amsterdamse bouwmeester Robertus van Zoelen.

Deze kerk bleek na de dood van bouwpastoor Henricus J. Meuwsen in 1876 door vergaande verwaarlozing al weer zo bouwvallig, dat zijn opvolger, Hermanus Ruscheblatt, vrijwel direct de Amsterdamse architect A.C. Bleijs in de arm nam voor een grondige opknapbeurt.

Naar diens ontwerp werd het bestaande bedehuis al in 1877 ingrijpend verbouwd. Na afbraak van het koor werd het schip verlengd, verhoogd en van spitsboogvensters voorzien. Ook werd aan de voorzijde in plaats van de vierkante dakruiter alsnog een kloeke toren neergezet. In 1883 was de vergroting gereed, maar het gebouw bleef in zo’n slechte staat, dat het een kwart eeuw later ten behoeve van Stuyts nieuwbouw werd gesloopt.

Over de bouw van Van Zoelens verdwenen kerk gaat het onderstaande artikel.

Ligging van de Schuilkerk aan de Breedeweg omstreeks 1830. In blauw de Schuilkerk met direct daaraan grenzend de pastorie.
Ligging van de Schuilkerk aan de Breedeweg omstreeks 1830. In blauw de Schuilkerk met direct daaraan grenzend de pastorie.
De Schuilkerk aan de Breedeweg naar een aquarel van Sijf Portegies.
De Schuilkerk aan de Breedeweg naar een aquarel van Sijf Portegies.

De Schuilkerk aan de Breedeweg

Ondanks het verlies van de oude dorpskerk aan de protestanten bij de Reformatie omstreeks 1567 was de Castricumse bevolking in overgrote meerderheid rooms (katholiek) gebleven.

De katholieken gingen daarna een lange periode op zondag in het geheim ter kerke in boerenwoningen in Uitgeest, dan wel in de huiskapellen van de onder Heemskerk gelegen kastelen Assumburg en Marquette.

De huidige parochie Castricum gaat terug op een statie (standplaats) die in 1663 werd gesticht. In dat jaar werd buiten de dorpskern aan de noordzijde van de Breedeweg in de Oosterbuurt in een boerderij een schuilkerk ingericht; deze stond pal tegenover de monding van een veldweg die de Breedeweg met de Doodweg verbond.

In 1728 werd de schuilkerk aanzienlijk verbeterd en bij die gelegenheid zelfs van ‘kerkelijke’ rondboogramen voorzien. Over het uiterlijk van dit uiterst primitieve onderkomen, dat aan ongeveer 150 kerkgangers plaats bood, is weinig bekend. Volgens een summiere beschrijving uit 1826 was de houten vloer met zand bedekt.

Evenmin veel inzicht bieden twee visitatieverslagen (verslagen van een bezoek) uit de eerste helft van de negentiende eeuw, afkomstig van twee


Jaarboek 32, pagina 16

aartspriesters van Holland en Zeeland, die tot het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 over dit deel van de Hollandse Missie de kerkelijke supervisie hadden.

De eerste, H.F. ten Hulscher, noteerde in het zijne in 1807 slechts: “De kerk deser plaats is oud, en heeft vertimmering noodig, dog de gemeente is […] zoo verarmt, dat zij de kosten daartoe noodig, nog niet heeft kunnen dragen.”

De tweede, B. Gerving, beperkte zich in 1842 tot de opmerking dat de dienstdoende pastoor het godshuis inwendig optimaal had verfraaid, maar de pastorie een oud bouwsel gebleven was.

In 1820 was het kerkje inderdaad grondig vernieuwd en vergroot.

Het perceel weiland waarop de Schuilkerk heeft gestaan (situatie in 2009).
Het perceel weiland waarop de Schuilkerk heeft gestaan (situatie in 2009).

Plannen voor een nieuwe kerk

Desondanks voldeed het kerkgebouw, dat uitwendig nauwelijks als zodanig herkenbaar was, gaandeweg niet meer. Na het aantreden van kapelaan Meuwsen als pastoor in 1844 en de oprichting van het bisdom Haarlem negen jaar later, wordt al snel het initiatief genomen om het bestaande bedehuis te vervangen.

De nieuwe bisschop van Haarlem, Jacobus Fr. van Vree, laat al in de nazomer van 1855 aan Gedeputeerde Staten weten dat er spoedig om die reden een aanvraag om provinciale subsidie te verwachten valt. De kerk, zo heet het in een statistisch overzicht bij het bisdom dat jaar, “verkeerd in zeer bouwvallige toestand, zoodat er dringend een nieuwe wordt vereischt”. Ook zal het bedehuis, gezien het aantal gelovigen, inmiddels voor alle kerkgangers onvoldoende plaats hebben geboden.

Toch duurt het dan nog een klein halfjaar, voordat de overheid – in dit geval eerst Den Haag – officieel iets vanuit Castricum te horen krijgt. Pas op 11 januari 1856 stuurt het kerkbestuur onder leiding van pastoor Meuwsen een rekest (verzoekschrift) aan koning Willem III, waarin men verzoekt om toestemming voor de bouw van een nieuwe kerk en pastorie volgens het meegestuurde bouwplan en begroting van de reeds genoemde Amsterdamse bouwmeester Robertus van Zoelen. Hoe de pastoor bij hem terecht is gekomen, is onbekend. Zijn eigen priesterloopbaan heeft zich altijd ruim benoorden het IJ afgespeeld en dat van de bouwmeester steeds ten zuiden daarvan.

Robertus van Zoelen (1812-1869)

De in 1857 in Castricum gebouwde kerk was zijn laatste kerk en vermoedelijk ook een van zijn laatste bouwwerken als zodanig. In deze jaren in Amsterdam hoofdzakelijk als makelaar actief, verhuisde hij een paar jaar later naar Vught, waar hij al spoedig zou komen te overlijden. Van zijn toch al beperkte oeuvre is voor zover bekend niets bewaard gebleven.

In de nadagen van Napoleon (1800-1820) als timmermanszoon in Amsterdam geboren, was hij in de jaren (achttien) dertig als zovele andere timmermanszonen in de hoofdstad opgeleid aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, waar hij bij diverse interne architectuurprijsvragen als winnaar uit de bus kwam.

Nadat hij vergeefs in 1835 had gesolliciteerd naar de post van bouwmeester van het nieuwe Gerechtshof in Arnhem, in 1837 naar de ‘Grand Prix de Rome’, en in 1836 respectievelijk 1838 naar het stadsbouwmeesterschap van Harderwijk en Utrecht, vestigde hij zich als architect in Amsterdam.

In die hoedanigheid bouwde hij in 1840 de nieuwe, uiterst simpele St.-Urbanuskerk in Duivendrecht, voorzag in 1845 bij een grootscheepse verbouwing de St.-Dominicuskerk in de Spuistraat (in Amsterdam) van een nieuwe classicistische voorgevel en verving in 1851 de kleine huiskerk van St.-Thomas van Aquino aan het Singel (in Amsterdam) door een bedehuis in rondboogstijl. Ook deze drie kerken bestaan niet meer.


Jaarboek 32, pagina 17

Bijna tweehonderd jaar, zo stelt men in dat rekest, heeft de gemeente inmiddels dienst gedaan: “In een gebouw het welk ongetwijfeld onder het getal der kerken geen plaats verdient, trouwens hetzelve van ouds als ook de Pastorie van een boerenwoonhuis tot dat einde ingerigt, nu zeer bouwvallig en veel te klein is, om het groot getal der kerkpligtigen op eene geregelde wijze te kunnen bevatten. Het kerkbestuur, de noodzakelykheid van nieuwenbouw voorziende, heeft dan ook sinds jaren met kracht zich toegelegd, om door bezuinigingen en bijdragen uit de Gemeente, een fonds tot stand te brengen, waaruit de te maken kosten grootendeels kunnen bestreden worden.

Het zo bijeengegaarde bedrag beloopt inmiddels de aanzienlijke som van 28.000 gulden, waarvan 16.000 gulden in kas en 12.000 gulden via lening. “Op meer hulpmiddelen kan dezer zijds niet gerekend worden, te meer daar sedert onheugelijke jaren collecten voor de armen in de kerk geschieden, welke niet welvoegelijk voor kerkelijke behoefte nadeelig kunnen gemaakt worden, aangezien dit te veel drukken zoude op de behoeftige volksklasse.

Voor het resterende tekort wordt dan ook tevens om een rijkssubsidie verzocht. Uit de bijgevoegde uitvoerige begroting van Van Zoelen, die op dat moment zo’n 35.850 gulden beloopt, blijkt dat dit tekort relatief bescheiden is: nog geen kwart van de totale bouwsom, namelijk 7.850 gulden.

Vooraanzicht en plattegrond uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Vooraanzicht en plattegrond uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Lengte doorsnede en zij-aanzicht uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Lengte doorsnede en zij-aanzicht uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Diverse dwarsdoorsneden en achteraanzicht uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Diverse dwarsdoorsneden en achteraanzicht uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.

Het ontwerp van de kerk

De bij het rekest bewaarde tekeningen beslaan vijf bladen, te weten: een plattegrond van de kerk; een plattegrond van de pastorie over twee verdiepingen; een voorgevel van de kerk en aanpalende pastorie; een zijaanzicht van de kerk; een lengtedoorsnede van de kerk.

Zij verschillen slechts weinig met het uiteindelijke ontwerp, zoals dat kort na de voltooiing in 1860 met bouwtekening en al in de ‘Bouwkundige Bijdragen’ is gepubliceerd, de onregelmatig verschijnende periodiek van de ‘Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst’.

Het voornaamste onderscheid: de kerk is een beetje rijziger geworden. Ook is de indeling van de pastorie licht gewijzigd. Een en ander blijkt enkele maanden later te hebben geleid tot een verhoging van de kosten, die uiteindelijk op 42.694 gulden zullen worden begroot.

Van Zoelens ontwerp toont ons een uiterst simpel kerkje in een soort neoromaanse trant. Op een éénbeukig schip van drie door gestucte kruisgewelven overdekte traveeën onder zadeldak volgt een veel smallere halfronde absis, die net tot de dakgoot reikt en tussen twee veel lagere vierkante nevenruimtes is geplaatst: de biechtkamer en de sacristie. Het schip heeft een lengte van 29,3 meter en een breedte van 11,9 meter; de zijmuurhoogte is 12,9 meter.


Jaarboek 32, pagina 18

Aansluitend aan de sacristie volgt de rechthoekige pastorie van twee bouwlagen onder schilddak, met de lengte-as parallel aan de kerk, maar veel verder naar achteren geplaatst, zodat daarvoor een pleintje vrij blijft. De sacristie ligt op dezelfde hoogte als het spreekvertrek en een woonkamer aan de voorzijde van de pastorie.

De zijwanden van de kerk tellen drie door simpele steunberen gescheiden rondboogvensters; onder de middelste is in beide zijgevels een klein en laag rondboogportaal aangebracht.

De voorgevel aan de straatzijde bevat het met driehoekig timpaan afgesloten hoofdportaal en daarboven een drie-licht van gekoppelde rondboogvensters, waarvan het middelste iets hoger is. De voorgevel is bovendien uitgerust met een vierkante houten dakruiter: een torentje dat over de nok van het dak is gebouwd.

Behandeling van het rekest aan koning Willem III

Als gangbaar belandt het rekest met bijlagen via minister J.A. Mutsaers van rooms-katholieke eredienst en de commissaris des konings, jonkheer mr. Willem Boreel, op het bureau van Etienne de Kruijff, sinds 1842 hoofdingenieur van Rijkswaterstaat in Noord-Holland te Haarlem. Deze stelt de stukken voor een onderzoek ‘voor zoo veel het technische gedeelte betreft’ in handen van zijn ondergeschikte Philip J.H. Haijward, die van 1849 tot 1859 arrondissementsingenieur is te Alkmaar. Haijward rapporteert op 2 februari 1856 onder terugzending van de stukken dat hij, afgezien van een paar foutjes, onduidelijkheden en enige iets te laag gestelde begrotingsposten, geen bezwaren tegen het bouwplan zou weten en dus goedkeuring ervan adviseert.

Zowel de hoofdingenieur als de commissaris des konings neemt diens rapport letterlijk over. Laatstgenoemde heeft ook de bisschop van Haarlem, Van Vree, geraadpleegd, die het verzoek van het kerkbestuur van harte aanbeveelt, “aangezien de groote behoefte, die voor gemelde gemeente bestaat aan eene nieuwe kerk en pastorij”.

Het gemeentebestuur wordt vervolgens verzocht om de beoogde bouwlocatie te toetsen aan een in 1853 uitgevaardigde wet, die een minimum afstand van 200 meter ten opzichte van al bestaande kerken voorschrijft. Wethouder P. Schotvanger bericht daarop dat het gemeentebestuur niet alleen “ten volle overtuigd […][is] van de noodzakelijkheid dat de R.C. Gemeente alhier eindelijk eens van een voegzamer kerkgebouw en pastorie, kunne worden voorzien”, maar ook dat wat de plaatsing aangaat, de kerk “in geenen deele aan een ander Kerkgenootschap hinderlyk kan zijn”, er althans van uitgaande dat deze in de Oosterbuurt pal naast het bestaande bedehuis zal worden gebouwd, waarvan echter noch in het rekest, noch in de bouwkundige stukken enige melding wordt gemaakt. De aanvraag voor een rijkssubsidie ondersteunt men van harte.

Geen provinciale of landelijke subsidie beschikbaar

Voor Boreel bestaat er zodoende alle reden om op 22 februari 1856 toestemming voor de bouw te verlenen op voorwaarde dat aan het commentaar van Rijkswaterstaat tegemoet gekomen wordt en daarvoor tevens een rijkssubsidie toe te kennen: “Tot dit laatste vind ik mij te meer gedrongen, dewijl er geen vooruitzigt bestaat om, aan die Gemeente, wanneer zij zich daartoe aan Heeren Gedeputeerde Staten mogt adresseren, eene tegemoetkoming uit Provinciale fondsen toe te kennen […] aangezien de toekenning van de volle 3000 gulden aan andere Gemeenten op de begrooting van 1856 toegestaan, niets meer beschikbaar is.”

Alvorens daartoe over te gaan, wil de minister echter eerst van het kerkbestuur zekerheid hebben over de bouwlocatie, in de vorm van een stellige verklaring met vermelding van de grootte en waarde van het perceel, “en of het aan de Gemeente reeds in eigendom behoort, of nog verkregen moet worden, en in dat geval, tegen welken prijs,” omdat dan ook machtiging voor aankoop moet worden verstrekt. Met het bouwplan gaat hij akkoord, mits het bij de uitvoering conform het commentaar van Rijkswaterstaat wordt aangepast.

Maar een hoofdprobleem, zo laat hij de belanghebbenden meteen weten, blijft wel de betaalbaarheid. Afgaande op hun rekest zou immers op een totaal van 35.850 gulden (de begroting was op dat moment immers nog niet bijgesteld) een tekort van 7.850 gulden bestaan.

Hoe gaarne ik, om de erkende behoefte aan een nieuwe kerk en pastory, den bouw daarvan zou wenschen te bevorderen, kan daartoe echter van Rijkswege geen Rijkssubsidie, ten bedrage van voorschreven te kort, worden verleend, omdat de op het zevende hoofdstuk voor dat onderwerp beschikbare fondsen, in verband met de vele behoeften van andere gemeenten, daartoe in geenen deele toereikend zijn.

Wil men derhalve,” zo vervolgt de minister, “den voorgenomen bouw tot stand zien komen, dan behooren geene pogingen onbeproefd te worden gelaten, om dat te kort tot een lager bedrag te doen afdalen.

Als mogelijkheid wordt genoemd om de waarde van verkoop of afbraak van de oude kerk en pastorie, waarvoor in de begroting niets uitgetrokken was, te verdisconteren. Ook een provinciale subsidie zou aangevraagd kunnen worden; weliswaar zijn de fondsen voor dit jaar al vergeven, maar voor de toekomst bestaan misschien mogelijkheden.

De minister dringt erop aan om hem het resultaat van zo’n poging te laten weten. Mocht die succesvol zijn, al dan niet vermeerderd met de gelden door verhoging van de eigen bijdrage, dan wel met de extra opbrengsten van de voorgenomen geldlening, dan is de minister bereid om een bijdrage in overweging te nemen van maximaal duizend gulden per jaar voor een periode van drie jaar, onder voorbehoud dat de Staatsbegroting dat mogelijk maakt.

Als het kerkbestuur vervolgens bij commissaris Boreel aanklopt voor een provinciale subsidie van 3000 gulden, “zoo niet in het loopend dan toch in de twee volgende dienstjaren”, laten Gedeputeerde Staten van hun kant 13 maart het kerkbestuur weten dat op de provinciale fondsen voor het lopend jaar helemaal geen geld meer voor katholieke kerken en pastorieën beschikbaar is. Het staat echter het kerkbestuur vrij om zich, als het daarvoor in komende jaren alsnog in aanmerking wil komen, te zijner tijd opnieuw op het provinciehuis te vervoegen.


Jaarboek 32, pagina 19

Herziening van het bouwplan

Pastoor Meuwsen gaat vervolgens begin april met Van Zoelen bij De Kruijff langs, wat kennelijk tot een herziening van het bouwplan leidt. Althans, het kerkbestuur schrijft 13 april de minister “met leedwezen [te] verklaren, dat het aan hetzelve bij nadere inzage is gebleken, dat het primitieve plan der nieuw te bouwen kerk, voor de behoefte dezer Gemeente onvoldoende is, en als te bekrompen, eene noodzakelijke wijziging heeft gevordert”, een gewijzigd plan voor een grotere kerk dat nu met voorkennis en instemming van zowel de hoofdingenieur als de bisschop aan het departement ter goedkeuring wordt aangeboden. Meuwsen schijnt er voor naar Den Haag te zijn gereisd, om het de bewindsman in persoon aan te bieden.

Bidprentje pastoor Meuwsen (1802-1876).
Bidprentje pastoor Meuwsen (1802-1876).

Succesvol is het kerkbestuur in die drie maanden ook met de financiering geweest. Voor de 42.694 gulden die het nieuwe plan zal vergen, heeft men inmiddels 19.200 gulden in kas en zal men 16.000 gulden lenen, terwijl men het vooruitzicht bezit op een rijkssubsidie van 3.000 gulden en – wat een wel heel vrije interpretatie van de mededeling van Gedeputeerde Staten is! – een dito provinciale subsidie, waarvoor men (de onzekerheid van die bijdrage erkennende) om de welwillende interventie van het ministerie verzoekt, zodat ook die benodigde 3.000 gulden uit de provinciekas er inderdaad komt.

Waar de afbraak van de oude kerk 1.500 gulden zal opbrengen, heeft men zo op papier 42.700 gulden bijeen en dus de zaak rond. De beoogde bouwlocatie, het al in 1828 voor 300 gulden aangekochte perceel in de Oosterbuurt, bijna 3.500 vierkante meter groot, grenst aan dat van de bestaande kerk, zodat de nieuwe daarmee op meer dan tweehonderd meter van de protestantse kerk verwijderd zal blijven.

Omdat de minister geheel zeker wil weten dat het nieuweplan daadwerkelijk het fiat van hoofdingenieur en bisschop heeft, treedt nog enige vertraging op, maar als beide heren dit beamen, doet de minister op 25 april 1856 aan de koning verslag en adviseert hem de gevraagde toestemming en subsidie te verlenen:

De kerk en pastory der R.K.Gemeente te Castricum, zijn in zoodanigen bouwvalligen toestand, dat zij eene vernieuwing ten allerdringendste vereischen. Alvorens daartoe over te gaan, heeft men, sedert vele jaren, middelen bijeengespaard en eerst toen het bedrag tot eene belangrijke hoogte was geklommen, heeft men een plan voor den bouw eener nieuwe Kerk en pastory doen ontwerpen, hetwelk bij het nevens vermelde rekest is overgelegd. Dat plan, hetwelk volgens het daarop ingewonnen berigt van den Hoofdingenieur van den Waterstaat, tot geene belangrijke bouwkundige aanmerkingen aanleiding gaf, is echter later gebleken, op eene te bekrompene schaal ontworpen en voor de behoefte onvoldoende te zijn en daarom gewijzigd moeten worden. Tegen de uitvoering daarvan bestaan thans geene verdere bedenkingen, terwijl ook de standplaats dier nieuwe gebouwen, in den zin der wet van den 10 September 1853 naar het gevoelen van het Gemeentebestuur, tot geen bezwaar aanleiding geeft.

Zijn advies is geheel conform wat hij al eerder aan het kerkbestuur berichtte: “Deze, door alle geraadpleegde autoriteiten erkende behoefte, even als de inderdaad onbekrompene medewerking dezer niet zeer vermogende gemeente” brengen hem tot het voorstel om nu 1.000 gulden te verlenen, en de gemeente vrij te laten om, als er de beide volgende jaren weer fondsen voor subsidie op de rijksbegroting worden geplaatst, zich in ieder van die jaren voor een gelijke som van 1.000 gulden tot de koning te wenden. Samen met een nog te verlenen provinciale subsidie, waartoe Gedeputeerde Staten voor volgend jaar niet ongenegen zijn, moet dan in de behoeften kunnen worden voorzien.

Willem III beslist vervolgens in een door de minister opgesteld Koninklijk Besluit van 28 april 1856, nummer 58 geheel in deze geest, onder de geijkte bepaling dat de werken in het openbaar aanbesteed en uitgevoerd zullen worden onder toezicht van een door de commissaris aan te wijzen beambte van Rijkswaterstaat, terwijl de subsidie zal worden betaald wanneer de bouwwerkzaamheden begonnen zijn en het kerkbestuur zich schriftelijk verbonden heeft om in eventuele naderhand bijkomende kosten geheel buiten bezwaar van het rijk te voorzien.

Commissaris Boreel, hoofdingenieur De Kruijff, bisschop Van Vree het kerkbestuur worden op de hoogte gesteld. Dat laatste krijgt te horen dat het zich voor het verkrijgen van toestemming voor het aangaan van een lening tot Gedeputeerde Staten moet wenden, tevens in de verwachting dat dit college “op het eventueel nader verzoek des kerkbestuurs, om onderstand uit de provinciale fondsen, eene gunstige beschikking zal gelieven te nemen”.

Inzake die lening onderneemt het kerkbestuur meteen actie. Na raadpleging van de burgemeester van Castricum, Jacob Rendorp van Marquette, geeft Boreel op 29 mei toestemming voor het gevraagde bedrag van 16.000 gulden over 32 aandelen van 500 gulden elk uit te splitsen. Voor het door het kerkbestuur daarbij herhaalde verzoek om een provinciale subsidie van 3.000 gulden wordt verwezen naar het al door GS op 13 maart meegedeelde. Daarop kan tot aanbesteding worden overgegaan. Boreel bepaalt de datum op 26 juni 1856 en laat op 12 en 13 juni daartoe een advertentie in de Haarlemsche Courant


Jaarboek 32, pagina 20

Aankondiging van de aanbesteding in de Haarlemsche Courant van 13 september 1856.
Aankondiging van de aanbesteding in de Haarlemsche Courant van 13 september 1856.

plaatsen. Een uitleg op de toekomstige bouwlocatie door bouwmeester Van Zoelen ten behoeve van potentiële gegadigden vindt op 21 juni plaats. Het bestek bepaalt de opleveringsdatum op 30 september 1857. De aanbesteding ten kantore van de commissaris des konings wordt echter twee dagen nadat aannemer Hendrik Handgraaf uit Castricum voor een bedrag van 47.412 gulden de gelukkige was geworden op verzoek van het kerkbestuur door Boreel afgekeurd, omdat die som de begroting verre te boven gaat.

Bouwlocatie van de Breedeweg naar de Rijksstraatweg

Er zit daarmee niets anders op dan enige bezuinigingen op het ontwerp door te voeren, waarvoor Van Zoelen twee weken later zorgt. In totaal weet hij – ‘zonder de hechtheid des gebouws te benadeelen’ – op materialen een bedrag van 4.761 gulden te besparen, waarvan meer dan de helft door voor een goedkoper soort bakstenen voor de buitenmuren te kiezen. Tegelijk met de indiening van dit nieuwe plan bij het ministerie deelt het kerkbestuur tevens mee de kerk op een nieuwe locatie te willen gaan bouwen, namelijk op een zich reeds in zijn bezit bevindend perceel dat bekend staat als ‘Jan Evertsven’ (kadaster sectie C, nummer 7), omdat die plek voor de parochianen handiger zal zijn en de aanvoer van de bouwmaterialen nu gemakkelijker zal kunnen geschieden.

Daarmee heeft men zeker geen ongelijk, want de nieuwe locatie bevindt zich veel dichter bij de dorpskern en wel ten noorden daarvan aan de doorgaande weg naar Alkmaar. Bovendien is ook deze plek op voldoende afstand, dat wil zeggen meer dan 200 meter, van de hervormde kerk gelegen.

Zo is er nieuw werk aan de winkel voor Rijkswaterstaat, en ook bisschop Van Vree wordt weer geraadpleegd. Noch de een noch de ander ziet bewaren tegen bouwplan of bouwlocatie, en ook het gemeentebestuur, als eerste om een oordeel gevraagd, beveelt bij monde van burgemeester Rendorp die laatste aan: “Als zijnde gelegen aan het einde der Kom van het dorp, en uitgang hebbende aan den grooten Straatweg, en circa 350 ellen van het kerkgebouw der Hervormde Gemeente verwijderd, welker bestuur daarenboven mede door ons van het voornemen der R.C. Gemeente is mededeeling gedaan en verklaart heeft daartegen geenerlei bezwaren te hebben.”

Dit was een gevoelig punt, want juist het risico van interkerkelijke conflicten die een mogelijke te grote nabijheid van twee bedehuizen van verschillende denominaties als gevolg van wederzijdse hinder voor, tijdens en na de dienst zou kunnen veroorzaken, was indertijd de reden geweest voor de genoemde wet uit 1853, die de bewuste minimumafstand van 200 meter voorschreef.

Ingenieur Haijward had de nieuwe hoofdingenieur Johan G. van Gendt, opvolger van De Kruijff, weliswaar meegedeeld dat Van Zoelen als architect zijn bezuinigingen wat al te gunstig had ingeschat, en overigens ook nog een paar aanmerkingen op het werk had gemaakt, maar zijn chef oordeelde die kennelijk van te weinig belang om de zaak om die reden nog langer op te houden, temeer daar met de vordering van het bouwseizoen een zekere haast langzamerhand wel geboden was.

Noch voor commissaris Boreel, noch voor de nieuwe minister J.W. van Romunde, die Mutsaers was opgevolgd, is er dan reden om hun fiat aan het bijgewerkte ontwerp en de verhuizing te onthouden. Na machtiging door de Koning beslist de minister op 3 september 1856 in deze zin.
Ditmaal loopt de aanbesteding, die door Boreel op 25 september 1856 is bepaald en in de Haalemsche Courant van 13 en 15 september is aangekondigd, op rolletjes.

Het gedrukte bestek wordt op het kantoor van de commissaris voor 46.500 gulden bij Johannes C. van Berkum uit Utrecht aanbesteed. Dit bedrag lag dus maar weinig onder de vorige aanbesteding. De algehele voltooiing van het werk was nu op medio juli 1858 vastgelegd; de vertraging met de aanbesteding van drie maanden bracht door het verloren zomerseizoen zo een uiteindelijke vertraging van negen maanden van de bouw met zich mee.

Desondanks wordt een paar dagen later een en ander ditmaal wel goedgekeurd in het vertrouwen dat GS de gevraagde 3.000 gulden in 1857 of 1858 zullen geven. Voor het tekort wordt door het kerkbestuur de beoogde lening verhoogd van 16.000 tot 20.000 gulden, waarvoor Boreel na raadpleging van het gemeentebestuur zonder mankeren op 30 oktober toestemming verleent.


Jaarboek 32, pagina 21

Voorwaarden en bestek van de te bouwen kerk te Castricum.
Voorwaarden en bestek van de te bouwen kerk te Castricum.

De bouw van de kerk

De bouw zelf, die van start mag zodra het kerkbestuur zich schriftelijk verbonden heeft alle eventuele extra kosten voor eigen rekening te zullen nemen, verloopt daarop voorspoedig. Al op 21 november kan ingenieur Haijward verklaren dat het werk begonnen is, zodat de bij Koninklijk Besluit verleende subsidie ook daadwerkelijk beschikbaar kan worden gesteld.

In elk van de twee volgende jaren wordt ook moeiteloos na het desbetreffende rekest van het kerkbestuur de daarbij reeds in het vooruitzicht gestelde extra subsidie van 1.000 gulden toegekend en uitbetaald.

Minder succesvol is het kerkbestuur bij de provincie. In Haarlem krijgt het slechts de helft van het verlangde bedrag, namelijk 1.000 in 1857 en 500 gulden in 1858. Het lijkt erop dat dit enigszins aan de nalatigheid van de parochie zelf te wijten is.

In 1857 moeten Gedeputeerde Staten, omdat zij maar niets vanuit Castricum horen, bij de bisschop informeren of er ginds nog steeds behoefte aan subsidie bestaat, wat de aangeschrevene dan bevestigt.

In 1858 is de helft van de jaarlijks beschikbare 3.000 gulden al toegekend, als voor de resterende 1.500 gulden zich liefst drie plattelandsparochies melden: Castricum, Schoten en Zwaag. Deze drie mogen nog dat jaar op voorspraak van Van Vree dat restant gelijkelijk verdelen.

Een ramp blijkt dit tegenvallen van de provinciale bijdrage voor Castricum overigens niet; de opbrengst van de afbraak van de schuilkerk en de verkoop op 17 november 1858 van het bijbehorende erf, bosje, boomgaard en tuin (kadaster sectie B, nummers 427 tot en met 430) is uiteindelijk namelijk boven verwachting groot; zij bedraagt in plaats van de geraamde 1.500 liefst 3.050 gulden en daarmee is de lagere provinciale subsidie weer gecompenseerd. Wel moet het benodigde bedrag van de lening tenslotte nog eens met 6.000 tot 26.000 gulden worden opgehoogd, waarbij uiteindelijk de katholieke wijnhandelaar Hendrik P. Ibink Melenbrink uit Alkmaar voor liefst 20.000 gulden als geldschieter optreedt.

De kerk, waarvoor op 7 april 1857 de eerste steen is gelegd, wordt dan ook zonder echte problemen en zonder veel vertraging opgeleverd; alleen komt er aan extra kosten uiteindelijk nog  4.224 gulden bovenop de aannemingssom en moet ook nog 2.697 gulden aan de architect betaald worden, wat de uitgaven voor de bouw op een bedrag brengt van niet minder dan 53.421 gulden.

Hoe dan ook, op het laatst van augustus 1858, dus maar weinig over tijd, kan ingenieur Alexander B. Mentz, die het toezicht van Haijward heeft overgenomen, zijn chef berichten dat het werk op enige details en kleine mankementen na compleet is voltooid.

De kerk omstreeks 1900. Bij de grondige verbouwing van 1877-1883 was de vierkante dakruiter vervangen door een toren.
De kerk omstreeks 1900. Bij de grondige verbouwing van 1877-1883 was de vierkante dakruiter vervangen door een toren.

De statie van St.-Pancratius heeft dan net  in zijn diocees de status van volwaardige parochie gekregen, een paar weken eerder, dankzij een besluit van bisschop Van Vree, als uitvloeisel van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie vijf jaar tevoren, samen met veertig andere kerken, res- sorterend onder het dekenaat Beverwijk.

Daarop wordt de nieuwe kerk, die zeshonderd zitplaatsen telt, op 30 september (1858) door de bisschop ingewijd. Al een jaar eerder had men van het gemeentebestuur toestemming gekregen bij de kerk ook een eigen begraafplaats aan te leggen.

Thomas H. von der Dunk

De eerste rooms-katholieke Pancratius kerk.
De eerste rooms-katholieke Pancratius kerk. Het huis rechts met puntdak is bakkerij van Zilt. Daarnaast de duiker van de Ciebeek en vervolgens het postkantoor. Te zien zijn ook de tramrails van de lijn Alkmaar-Haarlem. Dorpsstraat 85 in Castricum, 1905. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

Jaarboek 32, pagina 22

Bronnen:

Archieven:

  • Bisschoppelijk Archief, in Noord-Hollands Archief te Haarlem.
  • Gemeentebestuur, in Regionaal Archief te Alkmaar.
  • Ministerie van R.K. Eredienst, in Nationaal Archief te DenHaag.
  • Parochie Archief, in Regionaal Archief te Alkmaar.
  • Provinciaal Bestuur van Noord-Holland, in Noord-Hollands Archief te Haarlem.
  • Rijkswaterstaat, in Noord-Hollands Archief te Haarlem.

Publicaties:

  • Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl 1973.
  • Baars, F. en E.A. Steeman – Borst, Historie van de R.K. Pancratiusparochie, 6e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1983, pagina’s 3-12.
  • Dunk, T.H. von der, Zes katholieke kerken in Amsterdam uit de dageraad der emancipatie, Jaarboek Amstelodamum, XCI (2004), pagina’s 43-76.
  • Dunk, T.H. von der, De vorige katholieke kerk van Duivendrecht, Maandblad Amstelodamum, XCIII (2006) nummer 5, pagina’s 13-30.
  • Dunk, T.H. von der, De statie ‘Het Torentje’ aan het Singel, Maandblad Amstelodamum, XCV (2008) nummer 2, pagina’s 13-25.
  • Kalf, J., De katholieke kerken van Nederland: dat is de tegenwoordige staat dier kerken met hunne meubeling en versiering beschreven en afgebeeld, Amsterdam 1906.
  • Loos, J.C. van der, Missieverslag van den Aartspriester Geving: 1842, Bijdragen tot de Geschiedenis van het Bisdom van Haarlem, XL (1921), pagina’s 370-437.
  • Loos, J.C. van der, Een missieverslag van den Aartspriester Ten Hulscher in 1807, Bijdragen tot de Geschiedenis van het Bisdom van Haarlem, XLI (1923), pagina’s 256-309.
  • Rosenberg, H.P.T., De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland, ‘s-Gravenhage 1972.
  • Zoelen, R.van, De nieuwe Roomsch-Katholieke Kerk en Pastorie te Castricum, provincie Noord-Holland, Bouwkundige Bijdragen, XI (1860), kol(ommen?) 237-242.

1567 Rooms-katholieke Pancratius kerk wordt protestantse kerk.

1663 Statie Castricum wordt gesticht; aan de Breedeweg wordt een schuilkerk ingericht.

1728 Schuilkerk wordt voorzien van rondboogramen.

1820 Schuilkerk wordt vernieuwd en vergroot.

1858 Bouw nieuwe kerk volgens ontwerp R. van Zoelen aan de Rijksstraatweg en sloop schuilkerk.

1883 Vergroting kerk en bouw toren volgens ontwerp A.C. Bleijs gereed.

1911 Bouw nieuwe kerk volgens ontwerp Jan Stuyt gereed en sloop kerk Van Zoelen/Bleijs.

15 november 2018

Religiegeschiedenis Noord-Kennemerland

Jurjen Vis

De Stichting Religiegeschiedenis Noord-Kennemerland (2016) heeft op 3 oktober 2018 een contract gesloten met de bekende Amsterdams -Alkmaarse historicus dr. Jurjen Vis.

In de religiegeschiedenis (van prehistorie tot heden) van genoemd gebied staan de plaatsen Velsen, Heemskerk, Uitgeest, Limmen, Heiloo, Egmond, Bergen en Alkmaar centraal.

5 november 2018

Gereformeerde Kerk (Jaarboek 36 2013 pg 18-27)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 36, pagina 18

De Gereformeerde Kerk van Castricum (1931-2005)

Het ‘lokaal’ aan de Beverwijkerstraatweg in september 1920 met de heer Cornelis Baart, zijn echtgenote Helena Nuis en dochter Trijntje tussen hen in.
Het ‘lokaal’ aan de Beverwijkerstraatweg in september 1920 met de heer Cornelis Baart, zijn echtgenote Helena Nuis en dochter Trijntje tussen hen in.

Castricum telde ongeveer 11.000 inwoners toen in 1955 aan de rand van de toenmalige bebouwing op de hoek van de Prinses Beatrixstraat en de Kleibroek de Maranathakerk werd gebouwd. Tot 2006 was het gebouw van de Gereformeerde Kerk en nu (in 2013) behoort het tot de Protestantse Gemeente Castricum. Achthoekig van vorm, omringd door bijgebouwen en met in top het hugenotenkruis, ook wel het kruis van de calvinisten genoemd. De ombouw dateert uit 1978. Het achthoekig centrum werd in 1955 gebouwd ter vervanging van de kerk aan de Beverwijkerstraatweg 32, nu een zakenpand.

Het lokaal

Vroeg in de vorige eeuw had zich een klein aantal gereformeerden in Castricum gevestigd. Zij hadden hun werk veelal op Duin en Bosch en behoorden tot de kerk van Beverwijk. Sinds december 1918 hielden zij hun kerkdiensten bij een van hen thuis.
Twee jaar later bouwt de kerk van Beverwijk aan de Beverwijkerstraatweg in Castricum een ‘lokaal’ ten behoeve van haar Castricumse leden. Vanaf september 1920 houden zij daar hun zondagse diensten.

Ruim tien jaar later, op 18 januari 1931, wordt ‘het lokaal’ door dominee F. Kramer van de kerk in Beverwijk geïnstitueerd tot de Gereformeerde Kerk van Castricum. Dat heeft tot gevolg dat per die datum 89 leden worden overgeschreven van de kerk van Beverwijk naar die van Castricum. De familienamen van die leden zijn: Baart, Bakker, Bokelman, Bontan, Brandsen, Brug, Van Dalfzen, Doekes, Eikelenboom, Eilander, Fey, Hellinga, Hendrikse, Ineke, De Jong, Van Kerkhof, Krösschell, Kuperus, Van der Meulen, Moes, Oortgijsen, Procee, Rozemuller, Visser, Wessels, Witbaard en Woudenberg.

De kerkenraad gaat bestaan uit de ouderlingen Cornelis Baart en Age Kuperus en diaken Jan Hendrikse. Al gauw ontstaat behoefte aan een eigen voorganger. Die wordt gevonden in theologisch kandidaat D.B. Lengkeek uit Rotterdam, die vanaf februari 1932 als hulpprediker wordt aangesteld. Per 1 november van dat jaar vertrekt hij naar Rotterdam-Delfshaven. Een jaar later neemt dominee Johannes Krüger uit Elburg het beroep aan dat op hem was uitgebracht.

Het interieur van de Gereformeerde kerk aan de Beverwijkerstraatweg in 1934.
Het interieur van de Gereformeerde kerk aan de Beverwijkerstraatweg in 1934.

Binnen de landelijke organisatie van de Gereformeerde Kerken behoort die van Castricum tot de ‘hulpbehoevende kerken’. Met dat stempel ondernemen de Castricummers acties tot geldwerving voor uitbreiding van de kerkruimte. Die is niet alleen nodig vanwege de groei van het aantal leden, maar ook voor de opvang van zomerse vakantiegangers.
In mei wordt begonnen met het vergroten van de zaal en wordt in De Standaard (een landelijk gereformeerd dagblad) een advertentie geplaatst voor het verkrijgen vaneen lening. Aldus wordt de verbouw gefinancierd. Op22 juli 1934 volgt de intrede dienst van dominee Krüger in het zojuist van 50 tot 140 zitplaatsen vergrote kerkgebouw. Inmiddels heeft dominee Krüger een aannemer opdracht gegeven tot de bouw van zijn huis aan de Beverwijkerstraatweg 140 dat de naam ‘Nieuw Silvold’ (zie noot 1) krijgt, een verwijzing naar Silvolde-Gendringen waar Johannes Krüger, 28 jaar oud, op 9 januari 1910 predikant werd. Tegen het einde van 1934 betrekt hij de pastorie.

Dominee Krüger komt in een kleine kerkgemeenschap vol activiteiten. De kerkenraad was al eerder ingegaan op het verzoek van het gemeentebestuur mee te helpen


Jaarboek 36, pagina 19

in het gemeentelijk crisiscomité. Alle hens aan dek was nodig om hulpbehoevende burgers bij te staan. Dat was een zorg die de diaconie in haar kerkenwerk al volop kende, ‘stille hulp’ aan leden die het financieel niet meer konden bolwerken.
Bij de Nederlandse Zuivelcentrale wordt een aanvraag ingediend voor het beschikbaar krijgen van vet, reuzel en margarine als kerstgift aan degenen die die hulp hard nodig hebben. De meisjes- en jongelingsverenigingen zijn volop actief, de evangelisatiecommissie verspreidt wekelijks het blad de ‘Goede Tijding’ en intern wordt veel tijd besteed aan huisbezoek, dat toeneemt met de groei van het aantal leden.Eind december 1934 is dat aantal op 125 gekomen en zal in 1939 tot 210 stijgen.

In 1937 behandelt de kerkenraad het synodale rapport over de NSB en de CDU (Christen Democratische Unie; pacifistisch). De synode spreekt daarin uit: “Dat er geen plaats is voor leden onzer Gereformeerde Kerken in organisaties die uitgaan van het leidersbeginsel, van de nationalistische totalitaire machtstaat en van de antimilitaristische verwerping van de oorlog.” Dit rapport zal van invloed geweest zijn op de houding van veel gereformeerde Castricummers.
Op 29 september 1938 wordt een dienst van gebed gehouden vanwege de kritieke internationale situatie. Duitsland dreigt verder te gaan dan de bezetting van Oostenrijk: het is bezig troepen samen te trekken bij Sudetenland.

Dominee Johannes Krüger.
Dominee Johannes Krüger.

De oorlogsjaren

Op 10 mei 1940 vallen Duitse legers Nederland binnen.Tijdens de kerkenraadsvergadering op 3 juni van dat jaar zegt voorzitter Krüger:
“Er is reden om de adem in te houden van schrik, maar dat Gods Woord nog gebracht mag worden, daarvoor is dankbaarheid en wij bidden dat wij het getrouw mogen blijven doen.” Er wordt een collecte gehouden ten behoeve van de ‘zwaar geteisterde gereformeerde kerken in Rotterdam’.

Regelmatig ontvangt de kerkenraad een circulaire van de Generale Synode. Deze dragen vaak het stempel ‘Niet voor publicatie bestemd’. In een eerste brief roept de Synode op ‘uw inzicht te laten bepalen door Gods Woord en dat u waakt tegen elke machtsuitoefening van de Staat’. Samenwerking met de door de Duitsers ingestelde ‘Winterhulp’ wordt de kerkenraad afgeraden in een circulaire van de Centrale Diaconie: de actie Winterhulp houdt geen rekening met de aard en de bedoeling van de kerkelijke armenzorg en bevestigt de vrees van inmenging in onze aangelegenheden.

In juni 1941 wordt dominee Krüger door de Duitse politie van huis gehaald. De kerken- raad spreekt er zijn vreugde over uit dat hij nog dezelfde dag vrij komt. Ook gemeentelid Krösschell wordt gearresteerd, zit een tijd gevangen en komt 5 oktober in dat jaar de kerkenraad begroeten.

Organist van de kerk is Van Ginhoven. Al langere tijd wordt hij wegens afwezigheid vervangen door de reserve-organisten Doekes, Kuperus jr. en Van de Vliet. Op 8 mei 1941 wordt Van Ginhoven (zie noot 2) in Amsterdam door de bezetter gearresteerd wegens spionage en sabotage. Bijna twee maanden later, op 30 juni, wordt Age Kuperus in Schoorl gevangen gezet en later naar Buchenwald overgebracht (zie noot 3). Ook Belgraver wordt gevangen genomen. Op 18 december 1942 komt Kuperus weer thuis. Belgraver zou pas kort voor de bevrijding vrij komen. Naast Huibert van Ginhoven hebben ook Gerrit Krösschell, Simon Belgraver en Age Kuperus, leden van de Gereformeerde kerk, zich actief afwerend tegenover de bezetter opgesteld.

Huibert van Ginhoven

Op 4 oktober 1941 hoorde Huibert van Ginhovenin het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam het doodvonnis tegen zich uitspreken. Na de uitspraak hief mevrouw Van Ginhoven, bijgevallen door anderen, het Wilhelmus aan.
Op 11 november 1941 schrijft Huibert van Ginhoven vanuit zijn gevangenis in Amsterdam aan de leden van de Gereformeerde Kerk in Castricum (zie noot 4) : “Ruim vijf jaar (zie noot 5) mocht ik onder u verkeren. Mijn werk als organist was mij lief. Ik zou dit allen wel willen inhameren. Besef toch welke zegeningen gij wekelijks ontvangt in de Bediening des Woords, in Catechisatie en Vereniging.


Jaarboek 36, pagina 20

Bij mij was ook veel sleur, gewoonte. Hoeveel Psalmen speelde ik niet voor u, zonder recht de woorden te verstaan. Zeker, ik las ze steeds na voordat ik ze speelde, maar o zo vaak alleen uit muzikaal oogpunt. Hoe moet ik ze spelen. Nu weet ik beter. Nu zou ik zo graag elke Psalm goed doordacht willen spelen, wat er gezongen wordt.
In dit gehele halve jaar hoorde ik tweemaal een preek. Deze tijd heeft mij veel geleerd, vooral na 4 oktober. Geen uwer weet, Goddank, wat een doodvonnis betekent en ik zal niet proberen u dit duidelijk te maken. Ik wil alleen u schrijven, wat ik voel, hoe alles in mij stukgeslagen werd, alle trots en eigen waan geknakt, tot er niets meer overbleef. Of niets, nee veel. Een totaal gebroken mens met een volkomen gebroken geest. Na veel worstelen en gebed werd mij duidelijk dat ik voor grote zegeningen danken kon; nee, moest. God gaf mij rust en vertrouwen in Zijn Leiding met mij en de mijnen. Hij gaf mij vrede met de mensen. Hij leerde mij bidden ook voor hen, die mij verraden hebben. Hij nam alle haat en wrevel uit mij weg. Hij gaf mij de lust Hem mijn zonden, verkeerde daden en gedachten te belijden. Hij gaf mij troost mij vast te klampen aan Christus’ verlossingswerk. Het is heel moeilijk geweest om zover te komen. Bedenk hoeveel ik achter moet laten als het vonnis voltrokken moet worden, wat Hij genadiglijk verhoede. Vrees en benauwdheid zijn in ruime mate mijn deel geweest en nog slaan ze soms als een vloedgolf over mij heen. Dan moeten we God danken een Rots te hebben waar we tegen kunnen leunen.
Deze week zong een andere gevangene op één der luchtplaatsen: ‘Veilig in Jezus armen’. Zo is het. Maar wij beseffen het vaak niet, vooral als ons leven gewoon verloopt. Laten wij allen het ons bewust worden, dat wij in zijn armen veilig zijn, maar ook alleen daar en nergens anders. Nog weet ik niet wat God over mij besloten heeft, maar ik kan nu rustig afwachten. Gemeente van Castricum, blijf mij en de mijnen in uw gebeden gedenken. We hebben het nodig. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, maar Zijn Bedoeling is goed, hoe dan ook en Zijn Doen is Majesteit.
Ik neem geen afscheid van u en wij zullen elkaar eens weer zien. God weet alleen of dat hier beneden of hierboven zal zijn. Mocht het Zijn Wil zijn mij op te nemen, dan bid ik de genade te mogen ontvangen, om de woorden van psalm 43-4 tot de mijne te maken. God zegene u. Tot weerziens, uw broeder Ginhoven.“ (zie noot 6)
Op 17 maart 1942 wordt Huibert van Ginhoven op de schietbaan van Laren gefusilleerd (zie noot 7).

In augustus wordt dominee Krüger uitgenodigd aanwezig te zijn bij de ambtsaanvaarding van de NSB-burgemeester. Hij gaat daar niet op in.

De Synode schrijft in een circulaire dat zij heeft moeten constateren, dat pogingen aangewend worden om haar laatste besluiten niet als wettig te erkennen. In juni 1942 heeft de Synode met overgrote meerderheid een besluit genomen over de betekenis van de doop. Een minderheid kan zich daar niet bij neerleggen en blijft de kerken oproepen tot het niet erkennen van het genomen Synodebesluit. Twee weken later spreekt de Synode over de bezwaren van die minderheid, verwoord door de professoren Schilder en Greijdanus. Deze bezwaren zouden in 1944 tot een scheuring in de Gereformeerde Kerken leiden. Tot april1947 zouden 13 leden van de Gereformeerde Kerk Castricum overgaan naar de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk.

Verspreiding gemeente

In december 1942 eist de Duitse bezetter evacuatie van een groot deel van de bevolking van Castricum en Bakkum. Dominee Krüger wijst erop dat de evacuatie de gemeente sterk zal verspreiden. Velen zullen gedwongen moeten verhuizen naar plaatsen buiten Castricum. Hij spoort iedereen aan de nieuwe adressen zo veel mogelijk door te geven en er ook voor te zorgen dat de kerkelijke bijdrage gehandhaafd blijft. Voor de geestelijke verzorging van de Castricummers mogen een pastoor, een kapelaan en de hervormde dominee blijven. Pogingen van dominee Krüger om ook te blijven, hebben geen resultaat. Hij vertrekt met zijn gezin naar Beverwijk.
In mei 1943 wordt de kerk in beslag genomen. De kerkenraad vergadert in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam. Eind augustus komt een deel van de kerk weer voor de gemeente beschikbaar, inclusief de bovenwoning.

Heroriëntatie en groei

Vanaf voorjaar 1944 worden geen kerkenraadsvergaderingen meer gehouden. In de eerste vergadering van na de oorlog op 15 september 1945 herdenkt voorzitter Krüger dat ons land door Gods hand weer bevrijd is. Tijdens de evacuatie zitten drie kerkenraadsleden in Amsterdam, een in Medemblik en de vijfde (C.J. Baart) wordt als noodouderling voor Castricum benoemd.
Per januari 1946 wordt een nieuwe kerkenraad bevestigd: Simon Belgraver en Jelle van der Meulen als ouderling, Klaas Bakker en Leendert Vaalburg als diaken.

In de eerste gemeentevergadering van na de oorlog (mei 1946) geeft dominee Krüger een terugblik op de afgelopen vier jaren. In het verslag daarvan is nieuw dat de kerk voor wapenopslag wordt gebruikt en dat op kamp Bakkum samenkomsten met OT-werkers (zie noot 8) worden georganiseerd. Opvallend is dat geen melding wordt gemaakt van de fusillade van Huibert van Ginhoven en van de gevangenneming van dominee Krüger’s zoon Theodoor bij de razzia op 1 oktober 1944 in Putten (zie noot 9). Theodoor Krüger, geboren in mei 1914 in Silvolde, was een van de vele honderden die vanuit Putten werden afgevoerd naar Neuengamme; hij overleed daar op 12 maart 1945. Zijn naam staat geschreven in de muur van de Gedachtenisruimte ‘Oktober44’ in Putten.

Op 26 februari 1950 neemt dominee Krüger afscheid van Castricum wegens emeritaat. Theologisch kandidaat A.G. Kornet volgt hem op vanaf 5 maart 1950; Torenstraat 24 wordt de pastorie.


Jaarboek 36, pagina 21

In 1951 wordt een bouwcommissie ingesteld die alle Gereformeerde Kerken in Nederland een circulaire toestuurt met het verzoek eenmalig een collecte te houden ten behoeve van de kerkbouw in Castricum. Aan dat verzoek gaat vooraf: “In ons dorp vindt men, behalve twee grote R.-K. kerken en een oude Ned. Hervormde kerk nog een klein, onaanzienlijk gebouwtje, dat niet als kerk kenbaar zou zijn, indien dit niet op een naambord was vermeld. Hier vergadert, nu ongeveer 30 jaar (Nota Bene!), de Gereformeerde kerk. Dit gebouwtje verkeert in staat van bouwvalligheid. Noodgedwongen zullen wij op vrij korte termijn tot nieuwbouw moeten overgaan.

Er worden allerlei geldwervingsacties ondernomen, zoals orgelconcerten in omliggende steden. Als dominee Kornet elders gaat preken, gaat er een brief naar die gemeente met een verzoek tot geldelijke steun, zoals op 8 juni 1952: “Wij wonen in een omgeving, waarin de macht van Rome steeds meer toeneemt. Er staan twee prachtige roomse kerken in Castricum. De hervormde kerk heeft een vrijzinnige predikant. Onze kerk is klein; wij behoren tot de hulpbehoevende kerken. Het kerkje is bouwvallig. Zoudt u in ernstige overweging willen nemen een collecte te houden ten bate van kerkbouw in Castricum?”

In diezelfde maand richt een gemeentelid zich tot de classis Haarlem:
De kerk van Rome bouwt ook, en hoe? In het bisdom Haarlem moeten binnen afzienbare tijd 30 kerken worden gebouwd, en die komen er, want het gehele bisdom offert elke zondag in de eerste collecte voor nieuwe kerken. In Castricum is de 7e van de 30 kerken in 1951 gereed gekomen. Daar kan het Calvinisme iets van leren. Diep doordrongen van de noodzaak, dat in het door en door Roomse Castricum ook het Calvinisme de mogelijkheid moet worden geboden zich te ontplooien, vertrouw ik dat u allen, hoofd voor hoofd, met deze zaak ernst zult maken, zodat in 1953 in Castricum geen hagenpreken maar kerkdiensten kunnen worden gehouden in een kerkgebouw, dat geen aanfluiting is voor de wereld en het papisme.
Eind 1952 zeggen de kerken in de classis (red: regionale vergadering) Haarlem aan Castricum elk een jaarlijkse collecte toe gedurende vijf jaar.

Bijzondere hoorcommissie

In 1953 heeft de kerk geen predikant. Het jaar daarvoor is dominee Kornet naar Sint-Annaparochie vertrokken. Een nieuwe predikant is nog niet in zicht, hoewel de hoorcommissie, die als eerste in Nederland ook vrouwen telt, uit alle streken preken hoort.

Vanaf begin 1954 komen brieven binnen, waarin dominee A. A. Leenhouts uit Soest wordt aanbevolen. De kerkenraad doet daar onderzoek naar en belegt een gemeentevergadering, waarna de raad hem per 1 april van dat jaar met algemene stemmen benoemt tot hulppredikant. Hij gaat wonen op Koningin Julianastraat 18. Op zondag 19 december 1954 vindt de bevestiging plaats van dominee Leenhouts als predikant van de Gereformeerde Kerk van Castricum en komt er een einde aan zijn korte periode van hulppredikantschap.

Omdat meer dan in voorafgaande jaren de kerk aan de Beverwijkerstraatweg in de zomermaanden overbezet is, worden de morgendiensten in zaal Roozendaal (zie noot 10) gehouden. De twee ochtenddiensten kunnen zo beperkt worden tot een. Dat heeft tot gevolg dat de kerk dan ’s morgens niet wordt gebruikt. Als de Doopsgezinde Kring vraagt de kerk voor haar zondagse dienst te mogen gebruiken, weigert de kerkenraad dat, ‘omdat op grond van verkregen inlichtingen moet worden gevreesd dat de prediking niet de Christus der Schriften tot inhoud zou hebben.’ Dit besluit heeft afkeurende reacties van gemeenteleden tot gevolg en krijgt vermelding in het Nieuwsblad voor Castricum, in het Doopsgezind Weekblad en in het Centraal Weekblad.

Kerkenraad en bouwcommissie december 1955.
Kerkenraad en bouwcommissie december 1955. V.l.n.r. zittend K.Bakker, A. Kuperus, ds. A. A. Leenhouts, H. Knol en J. C. Baart. Staand v.l.n.r. B. Moes, A. Eikelenboom, J. A. van der Meulen, D.Sixma, S. van Weeren en G. A. Sneep.

Jaarboek 36, pagina 22

Een nieuwe kerk

In oktober 1953 zoekt de bouwcommissie contact met architecten. Dat leidt tot de keuze voor het architectenbureau Hink Eldering uit Leeuwarden, ontwerper van verschillende na de oorlog gebouwde kerken.

Eind januari 1954 komt de commissie in gesprek met het gemeentebestuur over een stuk grond in het uitbreidingsplan ‘Noord-Oost’. Het perceel (sectie B, nummer 5459 )is driehoekig van vorm en 5650 vierkante meter groot. Een kleine 3000 vierkante meter daarvan wil de gemeente verkopen ten behoeve van kerkbouw.
Verschillende ontwerpen passeren de revue, inclusief die waarbij naast de kerk een kosterswoning en een pastorie staan getekend. In oktober 1954 komt het definitieve ontwerp gereed op 715 vierkante meter gekochte grond en geeft de gemeente de bouwvergunning af. De bouw van de kerk wordt opgedragen aan de Friese aannemer Van der Woude uit Twijzel, die daarmee in maart 1955 begint.

Toespraak van burgemeester C.F. Smeets op vrijdag 23 december 1955 bij de ingebruikname van de kerk.
Toespraak van burgemeester C.F. Smeets op vrijdag 23 december 1955 bij de ingebruikname van de kerk.

Op 23 december 1955 wordt de nieuwe kerk in gebruik genomen. De kerk krijgt de naam ‘Maranatha’, een Aramees woord dat de roep om de terugkomst van Jezus aanduidt.
Ruim vijfendertig jaar heeft ‘het lokaal’ aan de Beverwijkerstraatweg dienst gedaan. Het wordt verkocht voor tienduizend gulden. De nieuwe kerk staat niet meer afzijdig, maar aan de noordrand van het dorp, waar plannen tot bouw van nieuwe wijken in ontwikkeling zijn.

De Maranathakerk.
De Maranathakerk.

Door de nieuwe plaats is de kerk komen te liggen aan het parcours van de ‘Ronde van Castricum’, die in 1956 op zondagmiddag 29 juli verreden zou worden. Zonder medewerking van de kerk kan de burgemeester op grond van de Zondagswet geen toestemming voor de Ronde geven. Hij vraagt daarom of de kerkdienst van vijf uur naar de avond kan worden verplaatst. De kerkenraad antwoordt daarop dat dat om principiële redenen niet kan: “De kerkenraad is van oordeel, dat de zondag als de dag des Heren moet worden gevierd; dat daarom alle sport op deze dag in strijd is met de Bijbelse opvatting van de zondagsheiliging; dat op grond hiervan de kerkenraad niet in het minst kan meewerken aan hetgeen naar zijn inzicht ontheiliging van de van Godswege ingestelde rustdag is.
Al eerder was de Zondagswet actueel geweest.In 1938 vraagt de burgemeester of er bezwaar is om de avonddienst op kermiszondag te laten vervallen. De kerkenraad schrijft terug: “Het zal u niet bevreemden, dat het onmogelijk is, om ter wille van de kermis de gewone avonddienst te doen vervallen. Afgezien dat dit zou strijden met de onder ons bestaande zeer ernstige bezwaren tegen de kermis in het algemeen en in het houden daarvan op zondag in het bijzonder, zou dit ook een afwijking zijn van de roeping tot prediking, die naar onze belijdenis de Kerk des Heren heeft op Zijn dag.

Dominee Leenhouts legt zijn ambt neer

In april 1957 meldt dominee Leenhouts de kerkenraad dat de kerk van Heerlen een beroep op hem heeft uitgebracht en dat hij dat beroep wil aannemen. Briefschrijvers willen graag dat Leenhouts blijft. Eind september besluit een gemeentevergadering dat Leenhouts nog tot september 1958 de kerkdiensten blijft leiden. Opnieuw nemen gemeenteleden de pen om hun diepe teleurstelling uit te spreken over het vertrek van dominee Leenhouts. Er ontstaat een sfeer die de gemeente verdeelt. Ook binnen de kerkenraad is verschil van mening. Allerlei pogingen om de verstandhouding met de dominee te verbeteren hebben geen resultaat.


Jaarboek 36, pagina 23

Een briefschrijver zegt dat de kwestie tussen dominee Leenhouts en de kerkenraad niet te benoemen is. Van ‘zondige wandel’ of van dwaalleer is geen sprake. Het is meer een kwestie van geloofsgevoelen. Hij ziet de oplossing in het vervangen van de hele kerkenraad. Er vormt zich een groep die kerkscheuring vreest en zich tot de classis richt met het verzoek de kerkenraad te bewegen af te treden.

De pastores Leenhouts, Papineau Salm (hervormd) en Heemskerk (rooms-katholiek) konden het blijkbaar goed met elkaar vinden, want in de zomer organiseren zij bij Johanna’s Hof een openluchtspel rond de vraag, wat God en godsdienst betekenen in de realiteit van het dagelijks leven.

In januari 1958 deelt ds. Leenhouts de kerkenraad mee dat hij zijn ambt neerlegt en stuurt hij elk gemeentelid persoonlijk een herderlijk schrijven ten afscheid:
Er moet mij nog iets van het hart: blijf om Christus wil trouw aan de Gereformeerde Kerk. Ga niet weg, ik doe het ook niet. Nergens zullen we een volmaakte kerk aantreffen, nergens volmaakte leden, nergens volmaakte predikanten. Wat mijn toekomstige arbeid betreft, neem dit van mij aan: ik blijf bij dezelfde BAAS, bij dezelfde PATROON. Ik blijf mijn leven lang dienaar van het goddelijk Woord.”

Als eind februari een geheel nieuwe kerkenraad wordt gekozen, laat ds. Leenhouts weten het daar absoluut niet mee eens te zijn. De tegenstellingen tussen de medestanders van de predikant en die van de kerkenraad verscherpen zich.
Op 20 augustus 1958 verschijnt in de Friese Koerier een artikel onder de kop ‘Schisma in Gereformeerde Kerk Castricum’. Ook in andere bladen waaronder Trouw verschijnen dergelijke berichten.
Op diezelfde dag neemt Leenhouts in hotel Borst afscheid van vrienden en bekenden, onder wie veel leden van de Gereformeerde Kerk. Omdat persberichten de indruk wekken dat het om een officieel afscheid van de Gereformeerde Kerk gaat, laat de kerk de kranten weten dat daarvan geen sprake is.
Al maandenlang was Leenhouts voorgegaan in diensten buiten de Gereformeerde Kerken, zoals in bioscoop Corso en in de Vrije Evangelische Gemeente Beverwijk. Eind augustus vertrekt hij met zijn gezin naar Amsterdam. Hij had zich, zoals hij bij zijn afscheid in hotel Borst had meegedeeld, onttrokken aan de Gereformeerde Kerken in Nederland.
Een tientallen jaren later gemaakte analyse van de kwesties uit de tijd van Leenhouts zegt:
‘Uiterlijk werden deze toegespitst op de onwilligheid van Leenhouts om kerkleden, die regelmatig de middagdiensten verzuimden, onder kerkelijke tucht te plaatsen.’
Eerder, in 1965, had Leenhouts de kerkenraad geschreven:
Doorslaggevend om het ambt neer te leggen was dat er geen openheid was voor het fungeren van de bijzondere gaven des Geestes.” (zie noot 11) Leenhouts was ervan overtuigd dat hij de bijzondere gave had om rechtstreeks boodschappen van God(s Geest) te ontvangen. Hij meende dat de kerkenraad hem te weinig ruimte gaf om vanuit die geloofservaring als predikant werkzaam te zijn.

Eind 1958 stuurt de kerkenraad brieven naar leden die in verband met de gemeentelijke onenigheid de laatste tijd de kerkdiensten niet hebben bijgewoond: “… wil de kerkenraad u ernstig vermanen om in de kerkelijke weg der gehoorzaamheid terug te keren”. Dat geeft tegen reacties:
Ik weiger mij aan ambtsdragers te onderwerpen die de eenheid der Kerk stuk voor stuk in de weg staan!” en “Ons verstand staat er bij stil, hoe durft u ons te vermanen.” Na een uitspraak van de Generale Synode keert de kerkelijke rust langzaam terug.

Oecumenische ontwikkelingen

In 1966 vinden de rooms-katholieke en de protestantse kerken elkaar in de oprichting van de Interkerkelijke Commissie Kerk-Recreatie ten behoeve van het evangelisatiewerk op kamp Bakkum. Tien jaar later blijkt uit een enquête dat de vakantiegangers de daar gehouden kerkdiensten op prijs stellen, vooral vanwege het oecumenisch karakter.

In november 1967, precies een jaar na de oprichting van het IKV (Interkerkelijk Vredesberaad), vindt er in de kerkenraad een discussie plaats over kernbewapening. Na overleg met de andere Castricumse kerken leidt dat tot invoering van de Vredesweek.
Bij de kerkenraad komen in die periode kritische brieven binnen over allerlei ontwikkelingen in de kerk (samenwerking met de hervormde kerk, vrouw in ambt, liturgische vernieuwingen, veranderde gezangmelodieën). Ook de sterke groei van de kerk levert bedenkingen op: het bezwaar tegen toetreding tot de kerkenraad van mensen die onbekend zijn voor de hier al lang wonende kerkleden. “Moeten we leden in de raad kiezen die wij niet kennen?”

Passend bij de bestaande interkerkelijke activiteiten als evangelisatie en vredesberaad (gereformeerd, hervormd, rooms-katholiek), vinden de drie kerken elkaar in 1967 in de werkgroep Oecumene Castricum (zie noot 12), waaraan aanvankelijk ook kerken uit de IJmond meedoen. Deze samenwerking krijgt in 1976 de naam ‘Voorlopige Raad van Kerken’, totdat eind 1986 de toevoeging ‘Voorlopig‘ vervalt en de Raad van Kerken Castricum ontstaat (formeel per 1 januari 1987).

Nieuw elan

Ds. Y. Stienstra is in februari 1963 als predikant bevestigd in de Maranathakerk. In augustus 1967 is hij vertrokken naar Zuidland. De commissie, die een opvolger zoekt voor dominee Stienstra, komt in april 1969 de naam van drs. B. Boelens, predikant bij de Christian Reformed Church in de VS, ter ore. Al snel begint correspondentie, waarin de kerkenraad hem informeert over Castricum, over de kerkelijke situatie en over de samenwerking met andere kerken die vrij gering is:
Niet uit onwil, noch van deze, noch van andere zijde, maar meer door gebrek aan stimulansen.”
Op 31 augustus van dat jaar wordt B. Boelens bevestigd als predikant van de Gereformeerde Kerk van Castricum. Dat gebeurt in de R.-K. kerk in Bakkum. De Maranathakerk biedt daarvoor te weinig ruimte. Koningin Wilhelminalaan 3 wordt de pastorie.


Jaarboek 36, pagina 24

Omdat de Maranathakerk regelmatig overbezet is, wordt onderzoek gedaan naar de toekomstige behoefte aan kerkruimte. Dat onderzoek concludeert dat forse uitbreiding nodig is als gevolg van de sterke groei van het aantal inwoners, het relatief hoge percentage gereformeerden daarin en de wens de kerk ook als ontmoetingscentrum te gebruiken. Het idee om samen met de R.-K. Bethlehemparochie een kerkelijk centrum (Geesterhage) te bouwen, strandt eind 1974, omdat de kosten voor de kerk te hoog worden geacht.

Intussen hadden enkele kerkleden zich gegroepeerd in ‘De Club van Zes’ (zie noot 13) rond de vraag of de huidige organisatie van de kerk in staat is slagvaardig te reageren op de snelle veranderingen in de maatschappij. Daarover wordt met een groot aantal gemeenteleden gediscussieerd met als resultaat dat in februari 1973 een nieuwe organisatiestructuur wordt gepresenteerd. Die houdt in dat de kerkelijke activiteiten worden ondergebracht in een twaalftal werkgroepen, zoals pastoraat, diaconie en interkerkelijke samenwerking.

Geconstateerd wordt dat het jeugdwerk ‘de gebouwen uitgroeit.’ Bij de diverse clubs zijn vele tientallen jongeren aangesloten. Daarnaast bereikt de oecumenische werkgroep Kerk en Recreatie met kinderkerkdiensten op kamp Bakkum tientallen binnen- en randkerkelijke kinderen. Maar waar de evangelisatiesamenwerking van de kerken op kamp Bakkum hecht is, is die tussen beide gemeenten nog maar weinig aanwezig. Totdat de vraag opkomt of alles samen gedaan wordt wat samen gedaan kán worden. Die vraag blijft niet zonder resultaat, want eind 1972 ligt er een beginnend stuk op tafel over samenwerking tussen gereformeerd en hervormd Castricum. Dat document schuift de tot dan toe stroeve samenwerkingspogingen opzij en opent elkaars zicht op de ander.

Het interieur van de Maranathakerk gezien vanuit het liturgisch centrum.
Het interieur van de Maranathakerk gezien vanuit het liturgisch centrum.

Eind 1975 gaat een gemeentevergadering enthousiast akkoord met een schetsplan voor de uitbreiding van de Maranathakerk. Het kostenniveau is de helft van het vorige plan (deelname in bouw Geesterhage). Aan architect H. Blansjaar uit Leiderdorp wordt de opdracht verstrekt tot het maken van een schetsontwerp met begroting. Er worden allerlei doe-het-zelfacties op touw gezet die tienduizenden guldens opbrengen. Nadat de bouwvergunning was verkregen, presenteert de architect in april 1977 het bestek met tekeningen en wordt de bouw in juni opgedragen aan het aannemersbedrijf Gebr. Terlingen in Amsterdam.
In maart 1978 wordt de met zalen uitgebouwde Marana-thakerk in gebruik genomen met naast de ingang – die nu (in 2013) aan de noordkant in plaats van aan de westkant ligt – het oudchristelijk symbool van de vis. De werkgroep Kerkbouw (zie noot 14) had na ruim twee jaar haar doel bereikt.

Het grondvlak van de kerk na de uitbreiding in 1978. Oorspronkelijk de kerkzaal met rechts (westkant) de entree en links de grote vergaderzaal met toneelpodium en daartussen een ‘sluis’ van vergaderkamer en buffet. Het overige werd aangebouwd in 1978: twee ontmoetingsruimten, de entree aan de noordkant en drie vergaderruimten aan de westkant.
Het grondvlak van de kerk na de uitbreiding in 1978. Oorspronkelijk de kerkzaal met rechts (westkant) de entree en links de grote vergaderzaal met toneelpodium en daartussen een ‘sluis’ van vergaderkamer en buffet. Het overige werd aangebouwd in 1978: twee ontmoetingsruimten, de entree aan de noordkant en drie vergaderruimten aan de westkant.

Weer klinkt de vraag: “Wat doen we nog niet gemeenschappelijk?” Dat zet tot verdere initiatieven aan. Zo wordt besloten tot gezamenlijke kerkenraadsvergaderingen in voor- en najaar en tot het ingrijpende besluit om een gezamenlijke jeugdpredikant aan te stellen. Per 1 januari 1978 wordt dat theologisch kandidaat H. J. Westmaas. Twee jaar eerder had dominee Boelens zijn boek ‘Tussen mens en onmens’ uitgegeven met als ondertitel ‘Een poging tot interpretatie van het woordje God’. De inhoud was ontleend aan onderwerpen die de afgelopen jaren in


Jaarboek 36, pagina 25

een tiental gespreksgroepen aan de orde waren geweest. Het boek had kritische reacties opgeroepen van predikanten, van de classis en van (ook Castricumse) kerkleden; er wordt een bezwaarschrift naar de Synode gestuurd en de discussies rond het boek krijgen uitgebreid aandacht in de kerkelijke pers en in ‘Trouw’. Daarin verschijnen ook ingezonden brieven van Castricummers die het opnemen voor dominee Boelens.
Eind 1978 besluit de Synode niet te voldoen aan het verzoek van dominee H. J. Hegger om Boelens het predikantschap te ontnemen en krijgt een synodecommissie opdracht het boek van Boelens ‘te beoordelen ten aanzien van de wijze waarop deze de centrale geloofsinhoud probeert te vertolken voor mensen van deze tijd.’ Die beoordeling loopt uit op wat te benoemen is als een schikking.

De uitbouw aan de westzijde van de Maranathakerk.
De uitbouw aan de westzijde van de Maranathakerk.

Veranderingen

Niet alleen het boek van Boelens, maar ook de vorm van de kerkdiensten houdt leden van de Maranathakerk bezig. De inkleding van de kerkdiensten maakt sommige kerkgangers ongerust, zoals blijkt uit binnengekomen brieven. Brieven die zich keren tegen de bijzondere diensten, tegen de steeds wijzigende liturgie en tegen het gebruik van de ouwel in plaats van brood bij het Avondmaal. Andere leden laten weten met deze veranderingen juist gelukkig te zijn. Op een gespreksavond over dit onderwerp worden de bezwaren niet weggenomen, maar wordt opgeroepen elkaars geloofsbelevingen te accepteren.

De Vredeswerkgroep heeft enkele jaren geleden een politiek avondgebed georganiseerd rond het thema ‘Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland’. In november 1980 komt de Hervormde Synode met een rapport over kernbewapening, dat enkele leden in de Hervormde Gemeente aanzet tot het leggen van contact met de Evangelische Gemeente in Erfurt. Doel ervan is iets te doen aan de spanning tussen Oost en West en mogelijk het wederzijds vijand denken te doorbreken. Die inzet vindt weerklank in Erfurt, zoals blijkt uit een brief naar de inmiddels in Castricum ontstane hervormd-gereformeerde werkgroep DDR. Vanaf dat moment gaan er jaarlijks delegaties uit beide gemeenten naar Erfurt.Na de val van de Muur komt er in mei 1990 voor het eerst een delegatie naar Castricum. Die wordt door de burgemeester ontvangen op het gemeentehuis, waar de DDR-vlag naast die van Nederland zou wapperen.
In september 1991 gaat een delegatie van de werkgroep uit Erfurt met een aantal leden van de Martini Gemeinde naar de Evangelische Gemeente in Cluj (Roemenië), waarmee Erfurt in contact stond. In Cluj zijn gemeenteleden bezig met de oprichting van wat het Medisch Kinderdagverblijf ‘Bethania’ zou worden. In1992 wordt dat geopend. Vier jaar later zou de nieuwbouw worden opgeleverd. Sindsdien ondersteunt de Castricumse werkgroep Cluj het Medisch Kinderdagverblijf ‘Bethania’.

De heer F. W. Hutter, voorzitter van de kerkenraad, drukt dominee Boelens en echtgenote de hand ter gelegenheid van zijn afscheid van Castricum op 31 oktober 1982.
De heer F. W. Hutter, voorzitter van de kerkenraad, drukt dominee Boelens en echtgenote de hand ter gelegenheid van zijn afscheid van Castricum op 31 oktober 1982.

In Trouw van 18 februari 1982 verschijnt een advertentie waarin Castricum contact zoekt met een opvolger voor dominee Boelens, voor wie aan het eind van het jaar het emeritaat wacht. Een paar maanden later wordt dominee drs. H. Appers uit Heerhugowaard beroepen. Als gastpredikant was hij meer dan eens in de Maranathakerk voorgegaan.
Op zondag 31 oktober 1982 neemt dominee Boelens afscheid van Castricum. De afscheidsdienst vindt plaats in de veel ruimte biedende R.-K. Sint-Pancratiuskerk. Enkele maanden later wordt dominee Appers bevestigd als predikant van de Maranathakerk.

Dominee Boelens heeft niet lang van zijn emeritaat kunnen genieten. Hij overlijdt op 20 augustus 1984 en wordt onder overweldigende belangstelling vanuit de Maranathakerk begraven bij de Hervormde kerk in Castricum.


Jaarboek 36, pagina 26

Samen-Op-Weg

Tijdens Pinksteren 1961 roepen achttien gereformeerde en hervormde predikanten op om tot eenheid te komen, het begin van het Samen-Op-Wegproces (SOW), dat in 2004 zou eindigen.
In aansluiting daarop overleggen beide Castricumse kerken over mogelijkheden van samenwerking. Zij besluiten tot gezamenlijke viering van de hervormingsdag en van de kerstnacht.

Die samenwerking was vroeger geheel afwezig. Toen de kerk van Beverwijk in 1924 overwoog een hulpprediker aan te trekken, verzochten de Castricummers die voor Castricum in te zetten vanwege onder meer de positie van die hervormden, ‘die in hun kerk geen bevrediging vinden voor hun geestelijke behoeften naar de begeerten van hun hart’.
Van contacten tussen gereformeerd en hervormd is in de eerste helft van de vorige eeuw geen sprake, niet in Castricum, ook elders niet (zie noot 15). Wel was er enig contact met de Hervormde Evangelisatievereniging.
Van bewuste toenadering tot elkaars gemeenten is pas sprake na het begin van de jaren zestig, toen het SOW-proces op gang kwam. Sindsdien werden de contacten tussen beide kerken steeds steviger.

Begin 1964 beoogt een gezamenlijke kerkenraadscommissie gesprekskringen en zangdiensten te organiseren. Als deze onderwerpen op een ledenvergadering aan de orde worden gesteld, wordt de vrees uitgesproken dat dit leidt tot eenwording met de Hervormde Kerk. De kerkenraad antwoordt daarop dat de besprekingen met de Hervormde Kerk alleen bedoeld zijn om elkaar beter te leren kennen en dat daarbij ‘voorop staat dat aan de waarheidsvraag niet getornd zal worden.’ Het handhaven van de ware leer was sinds haar ontstaan de eerste prioriteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Het is niet gebruikelijk dat de kerk zich over politieke kwesties uitspreekt. Dat de gezamenlijke kerkenraad dat wel doet in 1986 benadrukt haar dringend beroep op de Tweede Kamerfracties om de zorg van de zwakken in de samenleving ernstig te nemen, gezien de voorgenomen herziening van het zorgstelsel. Gezamenlijke vergaderingen zijn er ook over godsdienstonderwijs op openbare scholen, over Duin en Bosch, over het jeugdwerk van dominee Westmaas.

Op weg naar fusie

De kerkenraad constateert dat het Samen-op-Weg-proces stokt. Op het uitvoerend vlak wordt door veelwerkgroepen intensief samengewerkt, maar niet opbeleidsniveau. Tussen de kerkenraden is er soms sprake van gebrekkige communicatie die tot misverstanden en irritaties leidt. In 1992 gaan zij daarom over tot een hechtere vorm van samenwerking, aangeduid met de ‘Verenigde Kerkenraad’. De VKR komt in de plaats van ongeveer de helft van het aantal jaarlijkse vergaderingen van de kerkenraden.
De VKR bestaat intussen uit twee niet geïntegreerde helften. Er zijn verschillen in cultuur, in kerkelijke gebruiken en tussen personen onderling. Verschillendie spanningen veroorzaken en uiteindelijk uitlopen ophet opschorten van de VKR-vergaderingen.

In 1995 viert de Maranathakerk zijn veertigjarig jubileum. Daar wordt werk van gemaakt. Zo worden de banken vervangen door stoelen en werkt Wim van Doorn met anderen aan het Jubileumboek ‘40 Jaar Maranathakerk’. Het boek wordt op de feestdag van zaterdag 16 december gepresenteerd. Een orgelconcert door Bram Kuperus en een optreden van het jongerenkoor ‘Connection’ verhogen het feestgevoel.

Dominee Bert Appers.
Dominee Bert Appers.

Al vergaderen de kerkenraden dan weer apart, de dagelijkse besturen houden de gezamenlijkheid in het oog via de stevig in stand gebleven samenwerkende werkgroepen. In de zomer van 1997 verschijnt de Samen-op-Wegwijzer en brengt een gemeentevergadering nieuwe initiatieven voort: Taizé-diensten, Open Kerk en Sacred Dance.
In januari 2000 geven de pastores Bert Appers (gereformeerd), Theo Haitjema (hervormd) en Gerard Huisman (rooms-katholiek) in discussie met een volle Maranathakerk hun visie op de opgave voor de Castricumse kerken in de komende 10 jaar.

Het oudste aandachtsgebied van de diaconie is ‘stillehulp ’ aan kerkleden die het sociaal en/of financieel niet meer kunnen bolwerken. Vanaf de jaren (negentien)zeventig was tussen de beide diaconieën een steeds steviger samenwerking ontstaan en van daaruit later ook met de parochies en de burgerlijke gemeente.
Na de vorming van de nieuwe gemeente Castricum worden de per dorp uiteenlopende samenwerkingsvormen tussen de kerken en de plaatselijke gemeente op elkaar afgestemd en besluiten de protestantse diaconieën en de parochiële caritatieve instellingen in 2003 tot de oprichting van de Stichting Noodfonds Gemeente Castricum. Doel ervan is om daarmee daadwerkelijk


Jaarboek 36, pagina 27

hulp te verlenen in het kader van de ‘Arme Kant’ van Castricum. De burgerlijke gemeente Castricum ondersteunt het noodfonds administratief.

Op 21 mei 2003 gaat de (gereformeerde) gemeentevergadering akkoord met de verdere opbouw van een gezamenlijke protestantse gemeente. Beleidsplannen worden opgesteld en in het voorjaar van 2004 stelt de Protestantse-Kerk-van-Castricum-in-oprichting een gezamenlijk dagelijks bestuur aan.
De snelle ontwikkeling naar de fusie van beide gemeenten was ook al tot uiting gekomen in de samenstelling van een beroepingscommissie voor het aantrekken van een opvolger voor dominee Bert Appers, die wegens emeritaat afscheid zou nemen. Die commissie werd voor de helft samengesteld uit gereformeerden en voor de andere helft uit hervormden. In een gezamenlijke dienst op 6 juni 2004 neemt dominee Bert Appers in een overvolle Maranathakerk afscheid als predikant van de Gereformeerde Kerk.

In september gaat de kerkenraad over tot de benoeming van dr. D. van Arkel, hervormd predikant in Voorthuizen. Het is, misschien wel landelijk, een historisch besluit: de Gereformeerde Kerk trekt een hervormde predikant aan. Op 28 november 2004 vindt de bevestiging plaats door dominee M. Beitler, sinds 2002 predikant van de Hervormde Gemeente Castricum.

Predikanten van de Gereformeerde Kerk van Castricum:
1932 – 1932 Paul Bastiaan Lengkeek (kandidaat)
1934 – 1950 Johannes Krüger
1950 – 1952 Adrianus Gerardus Kornet
1954 – 1958 Abraham Adriaan Leenhouts
1958 – 1962 Ynze van der Zee
1963 – 1967 Iense Stienstra
1969 – 1982 Boelo Boelens
1982 – 2004 Hilbert Appers
2004 – 2005 Dick van Arkel

Eind 2004 besluiten de Gereformeerde Kerk en de Hervormde Gemeente zich te verenigen tot de Protestantse Gemeente Castricum. Op 10 november 2005 houdt de Gereformeerde Kerk van Castricum haar laatste vergadering. Per 1 januari 2006 verenigt zij zich met de Hervormde Gemeente tot de Protestantse Gemeente Castricum.

Meerten Ritzema

Noten:

  1. Uit Register Gemeentelijke Monumenten: Expressionistische bouw. Asymmetrisch tegen elkaar gezette volumes, elk met een eigen vorm van overkapping. De unieke waarde en de cultuurhistorische waarde zijn beide hoog. Architect R.G. Rodenburg uit Oldebroek.
  2. In het 28e Jaarboek Oud-Castricum (2005) is van Huibert van Ginhoven een levensbeschrijving opgenomen.
  3. Zie ook ‘Koninkrijk der Nederlanden’, dr. L. de Jong, deel5, blz. 130 e.v.
  4. Opgenomen met instemming van nabestaanden.
  5. In april 1936 was hij met zijn vrouw en vijf kinderen van de kerk in Watergraafsmeer overgekomen naar de kerk van Castricum.
  6. De toevoeging ‘Van’ liet hij weg. Ps. 43:4: ‘Dan ga ik optot uw altaren, tot U o bron van zaligheid’.
  7. Zie ook ‘Het Koninkrijk der Nederlanden’, dr. L. de Jong,deel 5 blz. 835.
  8. Werkers die gedwongen werden tot de aanleg van Duitse verdedigingsstellingen, vaak graafwerk.
  9. Zie ‘Het Koninkrijk der Nederlanden’ van dr. L. de Jong,deel 10b, blz. 43.
  10. Café Roozendaal stond op de plaats van het Eihof aan de Dorpsstraat.
  11. Ds. A. A. Leenhouts schreef verschillende boeken en kreeg ruime aandacht in de dissertatie van Ds. W. van Herwijnen, gereformeerd predikant in Zwijndrecht. Onder de titel ‘Profetie van Leenhouts eindelijk getoetst’ recenseert J. Greven de dissertatie ‘Rentree van de profetie’ in Trouw van 5 oktober 2010. Hij besluit zijn recensie met de opmerking dat hij sceptisch tegenover Leenhouts staat, hoe fascinerend hij zijn levensverhaal ook vindt.
  12. Aanvankelijk A.P. Schaffers (herv.), G. B. Borst (r.-k.), J.H. Beekman (geref.).
  13. J. Deuring, W. van Doorn, F. W. Hutter, L .J. de Lange, G.J. van Oostende en H. A. Leenstra als voorzitter
  14. J. Graafland, P. Blom, D. Broer, J. Hummel, S. de Jong, C. J. Krist-Brons en D. Visser.
  15. Zoals bijvoorbeeld blijkt in maart 1911 toen de Doopsgezinde Kerk in Beverwijk de Gereformeerde Kerk daar uitnodigde voor de feestelijke opening van hun nieuwe kerkgebouw aan de Meerstraat. De Gereformeerde Kerk bedankt voor de uitnodiging: “Betrof het alleen de inachtneming van een burgerlijke beleefdheid, dan zou er geen twijfel zijn of uw uitnodiging werd gaarne aanvaard. De Gereformeerden echter hebben niet de gewoonte op dergelijke wijze gemeenschap te oefenen met andere kerkelijke gezindten.”

Bronnen:

  • Archief Gereformeerde Kerk Castricum;
  • Ÿ Boelens Czn, drs. B., Tussen mens en onmens; een poging tot interpretatie van het woordje God, Kampen, 1976.
  • Ÿ Doorn, W. van e.a., Jubileumboek 40 jaar Maranathakerk, 1995;
  • Ÿ Ginhoven, M. J. van, voorjaar 2012;
  • Ÿ Heideman, J., Castricum en Bakkum tijdens de Tweede Wereldoorlog, Deel I 1939-1942, 2011;
  • Ÿ Herwijnen, ds. W. van, Recensie van J. Greven over het proefschrift ‘Rentree van de profetie’, 2010;
  • Ÿ Jong, dr. L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog;
  • Ÿ Register Gemeentelijke Monumenten (internet);
  • Ÿ Stichting Werkgroep Oud-Castricum: 8e Jaarboek (1985) en 28e Jaarboek (2005).

Dit artikel is een verkorte versie van het boek: De Gereformeerden van Castricum / Eigenzinnig en betrokken / Een geschiedenis.

29 oktober 2018

Begraven in Castricum (Jaarboek 35 2012 pg 55-62)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 55

Begraven in Castricum

In 1995 zijn bij archeologisch onderzoek in de Oosterbuurt huisplattegronden en graven gevonden uit de 2e eeuw na Chr. Ook nabij het Zorgcentrum De Boogaert zijn graven uit die tijd aangetroffen.
In 1995 zijn bij archeologisch onderzoek in de Oosterbuurt huisplattegronden en graven gevonden uit de 2e eeuw na Chr. Ook nabij het Zorgcentrum De Boogaert zijn graven uit die tijd aangetroffen.

Een begrafenis is een bijzondere gebeurtenis vol emotie, waar veel familie, buren, vrienden en kennissen van de overledene bij betrokken zijn. Voor de rouwverwerking is het afscheid van grote betekenis.
Begrafenisgebruiken zijn in de loop van eeuwen ontstaan en hebben soms een heidense oorsprong. Het christelijk geloof kwam aan het eind van de 7e eeuw naar onze kuststreken. De overgang van heidendom naar christendom verliep geleidelijk en sommige heidense gewoonten werden overgenomen.

De oudste begraafplaats in Castricum bij de dorpskerk, gedeeltelijk omringd door een dubbele rij bomen, is al sinds de middeleeuwen in gebruik. De oude ‘Dingstal’, de plaats waar recht werd gesproken en waar de bewoners ter ‘buurspraak’ kwamen, grenst aan het kerkhof.
In de kerk, die uit de eerste helft van de 11e eeuw dateert, werden mensen begraven die zich dat konden veroorloven. Vermoedelijk is aan de stenen kapel, nu het zogenaamde schip van de kerk, een nog veel ouder houten gebouw vooraf gegaan. Deze plaats met omgeving vormt het middelpunt van Castricums historie.

Voordat in onze streken het christendom zijn intrede deed, werden de doden begraven op grafvelden bij woningen en boerderijen, soms in een enkel graf of grafkuil. Bij een in 1995 begonnen archeologisch onderzoek in de Oosterbuurt is een grafveld uit de 3e eeuw aangetroffen met acht skeletten. Op enige afstand daarvan kwam een compleet skelet tevoorschijn van een jonge vrouw, bekend geworden onder de naam Hilde (zie 23e Jaarboek). Ook bij een opgraving bij De Boogaert in 2010 werden menselijke skeletten uit de eerste eeuwen gevonden.
Het heeft nog honderden jaren geduurd, voordat het algemeen gebruikelijk was de doden bij of in de kerk te begraven.

De eerste begraafplaats

In het christelijk geloof was het voor het zielenheil van de overledenen van belang dat deze begraven werden ingewijde grond, het liefst in of bij de kerk. Ongedoopte kinderen en mensen die zelfmoord hadden gepleegd werden in ongewijde grond, in een hoekje van het kerkhof, begraven.
Begraven in de kerk was alleen weggelegd voor de gegoede burgers. Bij de kerk lag het kerkhof waar de gewone ingezetenen werden begraven. Het ‘Hof van de Kerk’ was een ruim tuinachtig terrein, omgeven veelal door een muur of een houten hek, sloot en heg, dat tevens diende als ontmoetingsplaats voor de dorpelingen.
Na de reformatie in de 16e eeuw werd het rooms-katholieke geloof officieel verboden. Langzamerhand werden de kerken ontdaan van ‘roomse opschik’. De parochiekerk van Castricum werd in 1573 overgedragen aan protestanten. De katholieken, die trouw bleven aan de oude religie, gingen ‘ondergronds’ en kerkten in boerenwoningen in Uitgeest en in huiskapellen van de Heemskerkse kastelen Marquette en Assumburg. In 1663 werd een als schuilkerk ingericht boerderij aan de Breedeweg in gebruik genomen.

De kerkhoven van de protestantse kerken bleven na de hervorming (red: van katholiek naar protestants geloof) in de praktijk als openbare begraafplaatsen in gebruik. Hier werden zowel katholieken als protestanten begraven. Dat de kerk in andere handen was gekomen, deed er niet toe. Wel werd geprobeerd een aantal ‘storende’ roomse gebruiken rond het begraven te verhinderen. In 1733 werd een verordening, een keur, uitgevaardigd door Schout en Schepenen van Castricum:
Dewyl enige menschen haer niet ontzien hebben, om op de palen by de Graven op het Kerkhof staande, groote kruycen te schilderen en te snyden, zynde tegens het bevel van de hoge Overigheyd, zo word alle ende een iegelyk bydezen geinterdiceert omme geen kruycen meer op de palen te schilderen of te snyden, ofte gesneden zynde, worden gelast binnen 3 dagen na de publicatie dezes daar af te


Jaarboek 35, pagina 56

doen, en de palen met zodanige kleuren te schilderen, datgeen kruycen konnen gezien worden, op de boete van tienstuyvers, ten behoeve van den Schout.
Aldus gekeurt en gepubliceert in praesentie van Schout enSchepenen, den 12 Maart 1733.


In kennisse van my Secretaris, Leonard Tempelaar.”

De begraafplaats in het begin van de 18e eeuw rond de Dorpskerk (tekening van Hendrik de Leth in het boek ‘Het Zegenpralent Kennemerlant’, uitgegeven in 1732).
De begraafplaats in het begin van de 18e eeuw rond de Dorpskerk (tekening van Hendrik de Leth in het boek ‘Het Zegenpralent Kennemerlant’, uitgegeven in 1732).

Grafstenen in de dorpskerk

De grafstenen in de kerk getuigen van de begrafenissen die daar plaatsvonden. De oudste steen dateert uit 1586 en bedekt het graf van Johannes Pietersz Castricum, pastoor te Castricum en Heemskerk, die ‘overging tot een andere leer’ en in 1569 verbannen werd. Hij keerde terug in 1584 te Castricum en werd tot zijn overlijden dominee bij de protestanten (zie 15e Jaarboek).
Uit de 16e eeuw is in de kerk een tweede zerk aanwezig en 56 uit de 17e eeuw een veertigtal, waaronder die van Johan Noortman: ‘Hier leyt begraven D. Heer Johan Noorman P.in Castricum, obiit den 27 May 1692’, de eerste eigen pastoor die na de reformatie in dit oude priestergraf begraven is. Een twintigtal grafzerken dateert uit de 18e en 19e eeuw. De jongste zerk heeft het opschrift: ‘Guurtje Brasser,huisvrouw van Pieter Muys, 9 juni 1822, oud 37 jaar’.

De gehele bevolking van Castricum, zo zien we aan de zerken, is vertegenwoordigd: huisvrouwen, dominees, pastoors, schoolmeesters, de schout, die ook chirurgijn was en de gemeentesecretaris.
Interessant zijn de tekens en wapens, die in de zerken zijn uitgehakt. Ze variëren van een leeuw, een zandloper, een troffel, een stok, een griep (mestvork) tot een meermin. Maar ook enkele teksten vallen op, zoals die welke het overlijden van een jonge moeder vermeldt: ‘in het kinderbedde overleden na de geboorte van haar derden zoon inden ouderdom van 23 jaren 8 maanden min 12 dagen’.


Jaarboek 35, pagina 57

De oudste grafsteen in de Dorpskerk dateert uit 1586 en is van Jan Pietersz. Castricum, pastoor en later hier bevestigd als predikant.
De oudste grafsteen in de Dorpskerk dateert uit 1586 en is van Jan Pietersz. Castricum, pastoor en later hier bevestigd als predikant.

Algemene begraafplaats

In 1825 werd bij Koninklijk Besluit het begraven in kerken verboden, omdat het als zeer onhygiënisch werd beschouwd. Bovendien moesten gemeenten met meer dan duizend inwoners begraafplaatsen buiten de bebouwde kom aanleggen. De begraafplaats bij de kerk is officieel eigendom van de protestantse kerk en bestaat uit twee delen: het gesloten kerkhof aan de noordkant, dat sedert 1969 niet meer in gebruik is en het deel aan de zuidkant, dat nog steeds wordt gebruikt. De begraafplaats werd in 2008 aangewezen als gemeentelijk monument.
Het kerkhof was reeds lang de algemene begraafplaats. “De grond rondom de kerk, is reeds sedert onheugelijke jaren en thans nog dienende geweest tot eene algemeene begraafplaats,” zo wordt in 1837 vermeld. In dat jaar werd tussen de kerkvoogden en de burgemeester van Castricum vastgelegd dat voor een periode van 10 jaar 35 gulden per jaar betaald zou worden voor het gebruik van het kerkhof en de huur van een deel van de kerk voor gebruik als school. Later werd de huurprijs voor het kerkhof  20 gulden per jaar en werd de huurperiode op 5 jaar bepaald.
In 1875 werd het zuidelijk deel gebruikt door de Hervormde Gemeente en het noordelijk deel door de gemeente Castricum. Aan de gemeente Castricum werd een recht van opstal verleend dat werd herbevestigd in 1895 en in 1939. Dit deel werd dus ook door de gemeente onderhouden.


Eind 1863 werd gerapporteerd door de ‘substituut’ strandvonder J.B. Vasseur en een proces-verbaal opgemaakt door plaatsvervangend burgemeester C. Schermer:
“Hedenmorgen 18 december 1863, omstreeks vier ure op het strand bij mijlpaal nummer 43 is aangespoeld een drenkeldode, zijnde manspersoon, oud naar gis dertig jaren, hebbende lang zwart haar, kleine baard onder de kin door, en kleine knevel, lang 1 el, 6 palm 5 duim, aanhebbende rood baaye hemd, gestreept wollen onderbroek, twee paar wollen kousen, lange vetlederen laarzen, grijswollen bovenbroek, blaauwollen borstrok, witte wollen overborstrok, oly kiel en broek, alles ongemerkt, verder niets aan of bij zich hebbende, heeft het lijk doen vervoeren naar Castricum en na behoorlijk te zijn gekist, aldaar op de algemeene begraafplaats heeft doen begraven.”
Bijna jaarlijks werd een drenkeldode (red: dode door verdrinking) op het strand van Castricum gevonden en in de maand juli 1881 zelfs drie. Tussen 1883 en 1893 bedroeg het aantal drenkeldoden zeven (in dezelfde periode werden 46 inwoners van Castricum op het kerkhof begraven, 15 mannen en 31 vrouwen).


De gesloten begraafplaats aan de noordkant van de dorpskerk. In 2007 zijn de drie houten graftekens gerestaureerd.
De gesloten begraafplaats aan de noordkant van de dorpskerk. In 2007 zijn de drie houten graftekens gerestaureerd.

Het noordelijk deel bevat oude graven met grafmonumenten die meestal zijn uitgevoerd in natuursteen, dikwijls aangetast door de tand des tijds. Ze dateren uit de 19e eeuw. Enkele grafmonumenten zijn in hout uitgevoerd, waarvan de oudste uit 1887 in 2007 zijn gerestaureerd (zie 31e Jaarboek).

Ook het graf van juffrouw Vahl, vele jaren vroedvrouw in Castricum, bevindt zich hier. Op het graf staat een gebroken zuil met het opschrift: “J.J. Vahl, geb. 1882, verongelukt en overleden op 31 juli 1931.” Zij kwam met haar fiets met motor (en carbidlantaarn) onder de tram van het Provinciaal Ziekenhuis bij haar woning aan de Sifriedstraat.


Jaarboek 35, pagina 58

Een deel van het kerkhof is bestemd voor de 34 oorlogsgraven uit de Tweede Wereldoorlog; de meeste zijn als ‘drenkeldode’ op het strand aangetroffen. De leeftijden van de slachtoffers liggen rond de 23 jaar en de jongste is nog maar 19 jaar. Het toezicht op het beheer van de graven is in handen van een door de Oorlogsgravenstichting aangestelde consul.
Het kerkhof aan de zuidzijde is als begraafplaats beschikbaar voor diegenen die voorkomen in het register van de Protestantse Gemeente Castricum. Dat deel kan ongeveer 100 graven bevatten.
In de zuidoost hoek is het graf te vinden van Albert Asjes, bekend als weldoener van de kerk, die in 1939 op 75-jarige leeftijd is overleden. In het graf zijn in 1952 ook zijn ouders bijgezet.
De oude dorpskerk met het omringende kerkhof is een bijzondere historische plek in het centrum van ons dorp.

Tradities en rituelen

Onze voorouders kenden veel rituelen rond het sterven en begraven om mede uiting te geven aan gevoelens van verdriet. In het huis van de overledene werden vroeger de gordijnen gesloten, de klok stil gezet en de spiegels afgedekt, ook in het huis van de buren. De buren verzorgden de overledene, wat betreft het ontkleden, wassen en aankleden, soms in een doodskleed, en het kisten. Verdere voorbereidingen en de uitvoering van de uitvaart van de overledene werden door de buurtgenoten ook als taak gezien: de ‘burenplicht’. De buren brachten de kist met de overledene naar de kerk, veelal op een boerenwagen en droegen de overledene op een waardige manier naar het graf.

De Doodweg in het nog landelijke oostelijk deel van Castricum.
De Doodweg in het nog landelijke oostelijk deel van Castricum.

In ons dorp kennen we de Doodweg tussen de Pieter Kieftstraat en de Oosterbuurt. De naam wijst op de functie van de weg, die naar de begraafplaats leidde. Als iemand stierf, werd de kist over die weg naar de kerk of het kerkhof gebracht. De naam kan al uit de middeleeuwen dateren toen het wettelijk verplicht was om een dode in een rechte lijn naar de laatste rustplaats te brengen. Het verhaal gaat dat doodwegen dateren uit de tijd van Karel de Grote om het volk af te houden van heidense begraafplaatsen.

Doodgraver

In 1806 werd door Schout en Gemeentebestuur van Castricum aangekondigd dat Pieter Kieft tot doodgraver was benoemd ”welke het toezicht zal hebben dat geene lijken zonder permissie worden begraven en die zich stiptelijk naar art. 24 van de ordonnantie der Belasting op het Regt van Successie van den 4e October 1805 zal moeten gedragen. Dat dus hiermede ophoudt en niet meer plaats mag hebben de gewoonte of gebruik, om de graven, door de naaste buuren of bekenden te laten aanmaken en weder aanvullen.”
Voor de doodgraver Pieter Kieft was een werkinstructie opgesteld, waarin was aangegeven op welke wijze het begraafregister moest worden bijgehouden en ook was de afmeting van elk graf vastgelegd. Voorts werden de kosten voor de verschillende werkzaamheden aangegeven, die ten laste kwamen van het sterfhuis:
– voor een extract uit het begraafregister: 6 stuivers;
– voor het maken van een graf voor een lijk boven 8 jaren: 30 stuivers;
– voor een lijk beneden de 8 jaren: 15 stuivers;
– voor een van buiten komend lijk, hier begraven wordende, alsmede voor het begraven in de kerk, dubbel geld.

In 1825 was Cornelis Schut, de schoolmeester van de ‘openbare school’ naast de dorpskerk, ook belast met neventaken. Hij was onder meer de doodgraver, klokluider, opwinder van het uurwerk en hield “nauwkeurig aantekening van personen, welke komen te overlijden, en van de dag van het overlijden en begraven, waar toe aan hem de quitantien (red: betaling) van den betaalden impost (red: belasting) op het begraven zullen worden vertoond, alvorens een lijk ter aarde besteld wordt.”

De begraafregisters, die als kerkelijk register werden bijgehouden door de doodgraver, vermelden in het algemeen de begraafdatum van een overledene. De overlijdensregisters, die vanaf 1811 door de gemeente worden bijgehouden, vermelden de plaats van overlijden en het tijdstip.
In 1830 had Castricum 791 inwoners, waarvan 700 katholiek en 91 gereformeerd waren. De gemiddelde leeftijd rond 1840 was voor mannen 30 jaar (in 1985: 73) en voor vrouwen 35 jaar (in 1985: 80). Van de kinderen stierf 32 procent voor het 8e jaar ten gevolge van ongezonde voeding, slecht drinkwater, gebrekkige hygiëne en malaria.

Het parochiekerkhof St.-Pancratius

De rooms-katholieke begraafplaats achter de St.-Pancratiuskerk aan de Dorpsstraat dateert uit 1858, toen de parochianen een eigen kerkgebouw kregen op een perceel weiland aan de (toenmalige) Rijksstraatweg, bekend als het Jan Evertsven.
Op 9 februari 1858 werd door pastoor H.J. Meuwsen namens de R.-K. Gemeente bij de burgemeester van Castri-


Jaarboek 35, pagina 59

cum, jhr. Rendorp van Marquette, een verzoek ingediend om “in de nabijheid der nieuwe kerk een eigen kerkhof te bezitten en op het zuidelijk gedeelte van Jan Evertsven hetzelve aan te leggen.”

De ingang van het parochiekerkhof achter de Pancratiuskerk.
De ingang van het parochiekerkhof achter de Pancratiuskerk.

De eerste steenlegging voor de eerste St.-Pancratiuskerk vond plaats in april 1857, de inwijding van het kerkhof en van de kerk respectievelijk op 19 juli en 30 september 1858. Kort daarna diende de pastoor bij dezelfde burgemeester een verzoek in om de klok te mogen luiden bij kerkelijke plechtigheden: ‘zoals in Heemskerk in de Roomsch Katholieke Gemeente de gewoonte is’. De klok zal gehangen hebben in een dakruiter, het vierkante houten torentje dat over de nok van het toenmalige kerkje was gebouwd. Na de inwijding van de kerk werd de schuilkerk aan de Breedeweg gesloopt.

Bij de grondige verbouwing in de periode 1877-1883 werd genoemde dakruiter vervangen door een toren (zie 32e Jaarboek), waarnaar de klok werd overgebracht.
Ook in de ‘nieuwe’ kerk, die in 2011 honderd jaar oud is geworden, is de klok in gebruik geweest. Deze klok werd echter in 1943 in beslag genomen door de Duitsers. Na 1948 heeft een andere klok zich weer luid en duidelijk laten horen. In de jaren 1980 werden drie klokken geschonken die de klok uit 1948 vervingen. Een van deze drie klokken doet de overledene uitgeleide.
De oude klok is sedert januari 2011 opgenomen in een monument voor het ongedoopte kind dat in de tuin achter de pastorie is geplaatst. Met dit monument heeft de kerkhaar mededogen kenbaar willen maken.

Het oudste graf op het kerkhof is dat van pastoor Henricus Johannes Meuwsen, geboren in 1810, overleden op 26 augustus 1876. In maart 2011 werden zijn resten overgebracht naar het nieuwe priestergraf, waarin nu 14 priesters en kapelaans zijn begraven.
Graven van Castricummers, bekend uit het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, vinden we hier ook, zoals dat van Leo Toepoel, die in december 1944 op 23-jarige leef-tijd werd gefusilleerd. Als herinnering aan de verzetsman Jan Hoberg is bij de ingang van de begraafplaats een herdenkingsplaquette aangebracht. Ook treffen we hier het graf aan van de gerespecteerde dokter Leenaers (zie13e Jaarboek) en zijn echtgenote. Het oorspronkelijke graf had een zerk. Toen mevrouw Leenaers – de Jongh in 1976 werd begraven, is de zerk vervangen door een liggende steen. Het graf van burgemeester Lommen en zijn echtgenote werd in 1983 overgebracht naar de begraafplaats Onderlangs (zie 34e Jaarboek).

Het priestergraf waar 14 priesters en kapelaans hun laatste rustplaats hebben.
Het priestergraf waar 14 priesters en kapelaans hun laatste rustplaats hebben.

Het r.-k. kerkhof is bestemd voor parochianen die bij de parochie zijn ingeschreven, met een parochiaan gehuwd waren of een huishouden vormden, alsmede voor oud-parochianen. Het kerkhof telt ruim 600 graven, waarvan er circa 450 bezet zijn. Het is hoofdzakelijk in gebruik voor parochianen uit Castricum, omdat Bakkummers veelal kiezen voor de begraafplaats Onderlangs.

De begraafplaats ‘Duin en Bosch’

Het psychiatrisch ziekenhuis Duin en Bosch werd in 1909 in gebruik genomen en had als een min of meer zelfstandig dorp een eigen begraafplaats met een algemeen en een rooms-katholiek gedeelte, gelegen aan de oostzijde van het terrein (zie 22e Jaarboek). Uit een opgave van het ziekenhuis blijkt dat hier in het jaar 1919 maar liefst 78


Jaarboek 35, pagina 60

personen werden begraven. Het hoge aantal kan gelegen hebben aan de Spaanse griep die toen heerste.

Het vervallen graf van Dr. J.W. Jacobi op de gesloten begraafplaats van Duin en Bosch. De Werkgroep Oud-Castricum voert actie om tot herstel van dit grafmonument te komen.
Het vervallen graf van Dr. J.W. Jacobi op de gesloten begraafplaats van Duin en Bosch. De Werkgroep Oud-Castricum voert actie om tot herstel van dit grafmonument te komen.

Op de begraafplaats, die tot 1960 in gebruik is geweest, liggen enkele opmerkelijke graven: het graf met obelisk van Dr. J.W. Jacobi, de eerste directeur van het ziekenhuis en het graf van W.E. van Keeken, hoofd economische dienst van het ziekenhuis en bekend van de beoefening van de tennissport in Bakkum.
In 2001 werd het landgoed Duin en Bosch met de begraafplaats tot rijksmonument aangewezen. Het onderhoud van de graven schiet ernstig tekort, maar nog steeds is de plek bijzonder en sfeervol.

Aan de voet van de duinen ligt de fraai aangelegde gemeentelijke begraafplaats Onderlangs.
Aan de voet van de duinen ligt de fraai aangelegde gemeentelijke begraafplaats Onderlangs.

De begraafplaats Onderlangs.

De begraafplaats Onderlangs is door de gemeente na 1953 aangelegd naar een ontwerp van de landschapsarchitect ir. Hein Otto. Van het ongeveer 1 hectare grote terrein is 2/3 bestemd als algemene begraafplaats. Voor rooms-katholieken werd destijds 1/3 gedeelte afgezonderd. Het bestuur van de R.-K. parochie in Bakkum wenste in principe gebruik te maken van dat deel. In de huidige tijd (2012) wordt de begraafplaats algemeen gebruikt en is er geen onderscheid meer. De begraafplaats zou ruimte kunnen bieden aan ruim 1800 graven.

De begraafplaats ligt fraai tegen de duinrand aan. Recent (rond 2012) is deze geselecteerd om mogelijk in aanmerking te komen voor de status van beschermd rijksmonument.

Sinds 1953 is de begraafplaats al enkele keren uitgebreid. In1967 is toen het 11 jaar oude tennispark daarvoor verplaatst naar de Vinkebaan. Er werd door de gemeente een aula gebouwd met bijbehorende ruimten, die in de jaren 1980 werd overgenomen door de uitvaartverzorger P.Q. van Daalen. De aula is thans in gebruik bij Uitvaartverzorging IJmond.

In 2002 bleek vergroting van de begraafplaats opnieuw noodzakelijk. Nu werd de begraafplaats in oostelijke richting uitgebreid. Op 15 november 2006 kon dit deel officieel in gebruik worden genomen. Een herinneringsplaquette van deze gebeurtenis is ingemetseld in de gevel van de werkruimte.

Begrafenisverenigingen

Toen de burenplicht in de dorpsgemeenschap eind 19e eeuw uit gebruik geraakte, ontstonden de begrafenisverenigingen.
In Castricum werd in 1920 De Eerste Onderlinge Begrafenis Vereniging De Laatste Eer opgericht en in 1927, op initiatief van wethouder Hemmer en de raadsleden Louter en De Vries, de R.K. Begrafenis Vereniging Sint Barbara. Aanvankelijk werd het rondzeggen door de bode (het aanspreken) en het beschikbaar stellen van een achttal dragers in passende kleding tot de taak van de verenigingen gerekend. De bode kon ook een lijkkoets, later een auto, regelen. Hij verzorgde tevens alle werkzaamheden voor de teraardebestelling.


Jaarboek 35, pagina 61

Schilderij van St. Barbara gemaakt door Lucas Cranach (1472-1553).

Sint Barbara

De Heilige Barbara is een christelijke heilige, die geldt als beschermster tegen brand en bliksem en tegen een plotselinge dood.
Zij zou gewoond hebben in Klein-Azië, in het plaatsje Nicomedië, waar haar vader, die heiden was, zijn mooie dochter opsloot in een toren met daarbij een gebouwd badhuis. Dit badhuis had twee ramen. Op haar verzoek werden het drie ramen om zo de Heilige Drievuldigheid te eren.
Toen haar vader de bekering tot het Christendom bemerkte, ontstak hij in woede, onthoofdde haar en werd daarna zelf door de bliksem getroffen. Dit gebeurde omstreeks het jaar 306.


De rouwkoets met eigenaar Jan Twisk op de bok voor Onderlangs (1965).
De rouwkoets met eigenaar Jan Twisk op de bok voor Onderlangs (1965).

De lijkkoets of rouwkoets, die vaak werd ingezet, was van Jan Twisk van het Schoutenbosch. De koets werd bespannen met twee zwarte Friese paarden. Toen hij zelf in 1991 kwam te overlijden, werd hij overeenkomstig zijn wens ook in een rouwkoets, zelfs met vier paarden ervoor, naar het kerkhof gebracht. Het was niet zijn eigen koets, want die was eind jaren 1960 al gesloopt. Theo Twisk: “Van de achteras is een wip gemaakt voor de kinderen.
Beide Castricumse verenigingen hadden een eigen bode en eigen dragers, die hiervoor een kleine vergoeding kregen. Na vele jaren van overleg tussen de twee verenigingen werd in 2004 besloten tot fusie en ontstond de ‘Castricumse Uitvaartvereniging’.
Als uitvaartverzorgers treden op De Jongh Uitvaartverzorging B.V. en Uitvaartverzorging IJmond.

Uitvaartverzorger De Jongh beschikt over een uitvaartcentrum bij de St.-Pancratiuskerk en Uitvaartverzorging IJmond over de aula op de begraafplaats Onderlangs. De voorgangers van laatstgenoemde organisatie waren de heren Van Balgooi, De Boer en tenslotte P.Q. van Daalen.
De Castricumse Uitvaartvereniging stelt zich ten doel de belangen van de nabestaanden in de moeilijke periode van rouw en rouwverwerking te behartigen en te bemiddelen tussen de nabestaanden en het toegenomen aantal begrafenisondernemers met hun meer commerciële aanpak. Zowel de bestuursleden als voorheen de dragers zien hun werk in de eerste plaats als een opdracht die ongetwijfeld voortkomt uit het gevoel voor de burenplicht, zoals vroeger in Castricum gebruikelijk was.

Piet Blom

Bronnen:

  • Deelen van, D., Historie van Castricum en Bakkum, 1973;
  • Dekkers, C., Dorren, G., Eerden van, R., Het land van Hilde, Archeologie in het Noord-Hollandse kustgebied, 2006;
  • Dunk, Th.H. von der, De vorige Sint-Pancratiuskerk te Castricum, 32e Jaarboek Oud-Castricum (2009);
  • Genealogie, uitgave van het CBG te Den Haag, jaargang 11, nr. 2;
  • Kol, ir. J., De parochiekerk Sint Pancratius tot aan de reformatie, 15e Jaarboek Oud-Castricum (1992);
  • Koning, drs. J. de, Evaluatie-rapport opgraving Castricum – De Boogaert Fase I, 2010;
  • Monument, uitgave van de Stichting ‘Castricums Monument ons een zorg’, 2003;
  • Numan, A.M., Noord-Hollandse Kerken en kapellen in de Middeleeuwen, 2005;
  • Regionaal Archief Alkmaar, archief gemeente Castricum, archief burgemeester, strandvonder;
  • Roos, R. (red), Duinen en mensen, Kennemerland, Stichting NatuurMedia, Amsterdam 2009;
  • Ruijter de, Q. , Schippers van het Stet, 1975;
  • St. Pancratiuskerk Castricum 100 jaar, 1911-2011, uitgave van R.-K. Parochie De Goede Herder.
Siem Mooij
Siem Mooij

Gesprek met Simon Mooij

Mijn grootvader was al actief bij het dragen van overledenen naar het graf, toen burenplicht nog normaal was. Ook mijn vader Piet Mooij was, als bestuurslid van de vereniging, betrokken bij het waardig ten graven dragen van overledenen. Mijn grootvader Piet is een van de oprichters in 1924 van de Eerste Onderlinge Begrafenis Vereniging ’de Laatste Eer’ in Castricum, waar inwoners van Castricum/ Bakkum lid van konden worden en jaarlijks voor het lidmaatschap betaalden.
Er was een reglement opgesteld, waarin de tarieven voor begrafenissen in drie klassen, 1e, 2e en 3e klasse. De laatste was de goedkoopste. Leden kregen een korting op de gemaakte kosten en dat is nog zo.


Jaarboek 35, pagina 62

Al heel jong ben ik, naar het voorbeeld van mijn vader Piet Mooij en zijn broer Jan van de Klompenbuurt, betrokken geweest bij de uitvaart van overledenen in Castricum, ook als drager, voornamelijk voor protestanten en niet-katholieken. Dat was in de begintijd strikt gescheiden. De begrafenisvereniging ‘De Laatste Eer’ deed aanvankelijk uitvaarten voor leden in Castricum en Bakkum, later ook in Limmen, en bleef betrekkelijk klein van omvang. De kist werd door timmerman Veenstra geleverd. Als ‘nabuurplicht’ werd het dragen van het stoffelijk overschot gedaan, ieder in zijn eigen zwarte kleding, pak, hoed, handschoenen, het moest wel een eenheid zijn. Met 8 mannen waren we en kregen een kleine vergoeding, zoals in het reglement is opgenomen.
Naast de dragers was er een voorman, die alles organiseerde en de leiding had. Voor De Laatste Eer was dat Beintema en bij onze collega’s van St. Barbara, de vereniging die in 1927 is opgericht, was dat Schut. Inmiddels was ik voorzitter geworden van De Laatste Eer en werd belast met het te voeren beleid.

In de tegenwoordige tijd is het animo om als vrijwilliger drager te zijn beperkt, vandaar dat het toch tot een uitwisseling kwam met St. Barbara. We hielpen elkaar zo veel mogelijk om tot 8 dragers te komen met een vaste uitvoerder.
Maar ook de commercie kwam om de hoek kijken. Narold uit Alkmaar kwam als uitvoerder naar Castricum, later Van Balgooi en ook P.Q. van Daalen is wel bekend.
Het uitgangspunt van de verenigingen bleef natuurlijk de belangen van de nabestaanden van de overledenen zo goed mogelijk te behartigen. De naleving van de gemaakte afspraken met de begrafenisondernemer en de controle erop, is hierin een belangrijk aspect.
In de loop van de jaren is toch de wens ontstaan om een fusie tot stand te brengen tussen onze kleinere vereniging (140 leden) en het grotere St. Barbara (1200 leden).
Uiteindelijk zijn na langdurig overleg de twee Castricumse uitvaartverenigingen in 2004 gefuseerd tot de Castricumse Uitvaart Vereniging.

Piet Veldt
Piet Veldt

Gesprek met Piet Veldt

Op 31 mei 1933 ben ik in Castricum geboren als zoon van Piet Veldt en Hendrika Schuit (zie 5e Jaarboek). Ja, ik ben naast mijn beroep van land- en tuinbouwer (bollen), 50 jaar drager geweest. Mijn herinnering gaat terug naar de kleuterschool, toen ik door het raam een begrafenisstoet langs zag komen, in het zwart, voorzangers erbij, misdienaars en voorop liep een man in het zwart met een steek op. Dat heeft toen grote indruk gemaakt. Wij kinderen noemden zo’n begrafenisstoet een dodenpaard en wagen.
Mijn vader was ook drager en toen hij op een dag ziek was, vroeg hij: Piet,wil jij niet voor mij invallen? In het pak van pa, lange jas er overheen, de voorman legde alles uit, we werden gesorteerd op grootte en hij zei: Denk erom, in de pas lopen!
Zo is het gekomen, je kon er in die twee uur iets mee verdienen, toen heel belangrijk, want vader had een eigen bedrijfje en 12 kinderen, waarvan ik de oudste ben. Het is ook een sociale taak die je te vervullen hebt. Altijd heb ik voor St. Barbara gelopen, de r.-k. uitvaartvereniging, opgericht in 1927, alleen bestemd voor rooms-katholieke leden en uitgegroeid tot een hele grote vereniging, wel met 1400 leden.
Als ik nodig was voor een uitvaart dan kon ik snel bij het kerkhof zijn: naar Onderlangs of naar de kerk vanaf de tuin was met de fiets 13 minuten, omkleden 6 minuten, de uitvaart met de mis 75 minuten, nazorg 30 minuten, omkleden 5 minuten en terug naar de tuin in 13 minuten.
Als voorman heb ik Frans Schut meegemaakt en van Baal, de koster van de r.-k. kerk. P.Q. van Daalen was de uitvaartleider, ook voor de overledenen van Duin & Bosch. Nadat hij ging uitbreiden, ging het bedrijf over naar IJmond, waar De Jong ook al werkte als uitvaartleider.
Zo’n 20 jaar heb ik als drager gelopen bij IJmond, die een groot rayon had, in veel plaatsen in Noord-Holland en Amsterdam.
We werkten in de loop van de tijd ook samen met De Laatste Eer om voldoende dragers te hebben; we ‘leenden’ wel bij elkaar. Het is tegenwoordig niet zo gemakkelijk om naast je baan dit werk te doen. De noodzaak om iets erbij te verdienen, lijkt ook te zijn afgenomen.
In 2009 ben ik gestopt als drager en terugkijkend is het een mooie taak geweest met soms ‘prachtige’ uitvaarten, bijvoorbeeld een Surinaamse uitvaart met muziek en zang, of een rondje om de kerk! Zo’n 6000 keer was ik drager en heb daarbij zeker wel 600 kilometer gelopen.
Na de fusiebesprekingen ben ik bestuurslid geworden van de in 2004 gevormde vereniging C.U.V.

2 maart 2018

Nederlands Hervormde Gemeente (Jaarboek 15 1992 pg 17-29)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 15, pagina 17

De Nederlands Hervormde Gemeente

Verbod op de katholieke eredienst

De stichting van de Nederlands Hervormde Kerk in Nederland valt samen met het vertrek van de Spanjaarden. Aan het vertrek van de gehate Spaanse overheersers gaat een algemene opstand vooraf, die in mei 1572 in Holland en Zeeland uitbreekt, nadat de stad Enkhuizen zich voor de prins van Oranje heeft verklaard. De Spanjaarden zetten snel de tegenaanval in, veroveren in juli 1573 Haarlem en trekken vervolgens op naar Alkmaar. Het als aanvoerhaven gebruikte Beverwijk krijgt een garnizoen. Het kastee1 Assumburg wordt bezet en als flankdekking worden ook in het dorp Assendelft soldaten gelegerd. De belegering van Alkmaar wordt, vooral door de inundaties, geen succes. Tijdens de terugtocht van het Spaanse leger zijn vermoedelijk de grootste verwoestingen in onze streek aangericht.

Drie jaar lang vormt de omgeving van Castricum en Uitgeest een deel van de frontlinie tussen het bevrijde Noorderkwartier en het door Spaanse troepen bezette gebied van ‘Holland op zijn smalst’ en Haarlem, terwijl Amsterdam Spaansgezind is gebleven. Tegen de avond van 15 oktober 1576 verlaten de Spanjaarden uiteindelijk het slot Assumburg en Beverwijk en ook de bezetting van Haarlem wordt opgeheven. Amsterdam gaat in 1578 over in handen van het nieuwe bewind, dat het vroegere stadsbestuur en vele geestelijken de stad uit jaagt. In Haarlem overvallen staatse troepen de St. Bavo en wordt ondanks een eerder gemaakte afspraak de katholieke eredienst verboden.

De parochiekerk St. Pancratius aan de gereformeerden

Alle kerkelijke goederen en bezittingen worden door de nieuwe overheid in beslag genomen en de kerkgebouwen aan de gereformeerden toegewezen. De kerk heet aanvankelijk ‘Gereformeerde Kerk’. In 1816 wordt de naam officieel gewijzigd in ‘Nederlandsch Hervormde Kerk’. Er is weinig bekend over het verloop van de overname in de dorpen van Midden-Kennemerland, maar zeker is, dat deze pas later heeft plaatsgevonden. In Akersloot, onder de rook en onder invloed van Alkmaar, wordt de St. ]acobskerk eerst in 1578 van haar beelden en altaren ontdaan. In de rooms gebleven dorpen Heemskerk en Castricum zal de ontruiming vermoedelijk omstreeks 1580 hebben plaatsgevonden.
In 1582 richt de ambachtsheer, Cornelis van Assendelft, zich met een rekwest tot de Staten van Holland “voor hem zelven en uyten naeme van de gemeene buyren van Heemskerck omme in de kercke te hebbe een bequaem persoon tot een predicant omme Godts Woordt te horen tot stichting van hem ende heurluyder kinderen, opdat dezelve in goede instructie souden moghen opwasschen”. Of de buren van Heemskerk het hiermee eens zijn geweest, mag worden betwijfeld. Over Castricum wordt niet gerept, maar daar meent de ambachtsheer het collatierecht zelf te bezitten. Door het grote gebrek aan goed opgeleide, bekwame predikanten in de begintijd van de gereformeerde kerken, moet het platteland het voorlopig doen met een allegaartje van gewezen priesters, schoolmeesters en andere lekenpredikers.

 De Pancratiuskerk, waar in 1584 de eerste predikant Jan Pietersz. zijn intrede deed.
afb. 1 De Pancratiuskerk, waar in 1584 de eerste predikant Jan Pietersz. zijn intrede deed.

De eerste predikant

Cornelis van Assendelft, als enige uit zijn geslacht overtuigd calvinist en trouw aanhanger van de Prins van Oranje, was als zo velen bij de komst van Alva gevlucht, maar in 1572 teruggekomen om deel te nemen aan de opstand. Als ambachtsheer heeft hij gedaan weten te krijgen, dat een goede bekende van hem, de vroegere pastoor van Castricum, Jan Pietersz., in 1584 de eerste predikant van Castricum en Heemskerk wordt. Jan Pietersz., die van 1577 tot 1583 predikant te Den Haag is geweest, ‘maar van de dienst was afgestaan’, keert op zijn oude standplaats terug, waar hij twee jaar later op 21 november 1586 overlijdt.

Twist om de opvolging

Van de vroegste geschiedenis van de gemeente en van de eerste opvolgers van Johannes (Ian) Pietersz. is niet veel bekend. De eerste is Arnoldus Nicolai, die de beide gemeenten Castricum en Heemskerk van 1587 tot 1595 heeft bediend. Franciscus Stockius alias Scipio volgt hem op in 1596 en zal de kerken 35 jaar bedienen. Het kerkgebouw van Heemskerk is na de verwoesting nog steeds een puinhoop. De kerkdiensten worden in een herbouwd schooltje in de nabijheid van de kerkruïne gehouden. Eerst in 1628 is op de fundering van de verwoeste kerk een kleinere gebouwd tegen de nog intact gebleven toren. Scipio en zijn vrouw zijn in de kerk van Heemskerk begraven. Na zijn dood blijven de gezamenlijke kerken zes jaar lang verstoken van een leraar. De reden is het tussen verschillende partijen betwiste collatierecht.

Het Hof van Holland had het patronaatsrecht toegewezen aan de heer van Assumburg, de rooms katholieke Nicolaas van Renesse. Dit werd bestreden door zowel de classis van Haarlem als het stadsbestuur van Haarlem. De laatste partij was in de rechten getreden van de oude commanderij van St Jan. Teneinde raad zijn de predikanten van Uitgeest en Assendelft namens de classis


Jaarboek 15, pagina 18

samen met een gedeputeerde van de synode in 1635 naar de ambachtsheer gestapt. De verre reis naar Ter Aa bij Utrecht heeft kennelijk niets opgeleverd. In 1637 heeft men de knoop doorgehakt en is Michael Middelhovius door de beide kerkenraden buiten de ambachtsheer om als predikant bevestigd.

Predikanten in de 17e eeuw

Johannes Polanus uit Schagen heeft van 1639 tot 1648 de beide gemeenten bediend. De kosten met betrekking tot zijn beroeping zijn door de gemeenten van Castricum en Heemskerk broederlijk gedeeld. “De kerkenraden van beide dorpen bij elkander gecomens sijnde is de rekening overgelevert van de oncosten gemaakt op het examen van Johannes Polanus sijnde een somme van twee en tagtig gulden en agt stuyvers en heeft yder dorp de helfte uyt der kerkmeesters buydel betaelt”. Over de opvolgers Lambert Cupenius (1649 -1653) en Rutgerius Hattingius (1653 -1674) is niets bekend. Bij het beroep van Johannes Menzo (1675- 1681) wordt inzake het collatierecht een politieke op1ossing gevonden. De ambachtsbeer van Castricum Comelis Geelvinck verleende aan de predikant commissie (opdracht) tot het bedienen van beide gemeenten. Sinds 1669 was de rooms katholieke koopman Johannes Wuytiers heer van Assumburg en Heemskerk geworden. Deze stelde zich in dezen nogal soepel op en ging met het compromis akkoord. Op zijn beurt heeft de heer van Assumburg in 1681 Gulielmus (Wilhelmus) Aelstius voorgedragen, hetgeen door Geelvinck is goedgekeurd. De uit Brabant afkomstige Aelstius heeft eerst in Asten en Ommel gestaan en vervolgens in Son en Breugel. Gulielmus Aelstius is na zijn dood op 13 februari 1700 in de Castricumse kerk begraven.

Henricus Aelstius

Henricus is vermoedelijk de zoon van Gulielmus en wordt in 1700 bevestigd. Zijn zusters Rebecca en Anna Maria wonen ook in Castricum. Op 25 oktober 1727 maakt hij ‘zieke1ijk te bedde 1eggende’ met zijn zusters een testament. Begunstigers zijn de zusters Chatarina, Hadewich en Johanna voor de ene helft en de gezamenlijke kinderen van Anthonetta Aelstius en Abraham Tempelaar voor de andere helft. Hiermede is verklaard hoe de uit het Brabantse Mierlo afkomstige schout en secretaris Leonard Tempelaar in 1730 in Castricum terecht is gekomen. Hij heeft ruim vijftig jaar als ouderling de kleine hervormde gemeente gediend. De zusters van de predikant Rebecca en Anna Maria overlijden kort na elkaar op 21 en 24 november 1727.

Hendricus vraagt in 1733 de classis van Haarlem om met emeritaat te mogen gaan:
“Myne bedoeningen in Christi Kercke van Castricum en Heemskerk is begonnen in den Jaare 1700, die nu 33 jaaren geduurd heeft. 1k heb mynen dienst met blijdschap en veel gewilligheyd volgens gebruikenisse van de leeden der beyde gemeentens getrouwelijk waargenomen en vervult. De omstandigheden in myn dienst voorgevallen hebben myn lighaam niet weinig gequelt, somers door de hitte, swinters door de coude, die in so verre afgelegene combinatie myn lighaam grootelijk hebben verswackt, soo dat ik tegenwoordig in een pynelyke toestand ben, die mij dag nog nagt geen ruste laat en mijn lighaam so verswackt heeft dat ik niet in staat ben de H. Dienst langer te vervullen, tot myn groote droefheyd, terwijl claagen en kermen my verder afmad, waarom ik genoodsaakt ben nolens volens my tot de Hoogeerw. broederen in ‘s-Heeren werck te keeren en vriendelijke te verzoeken van mijnen dienst soude mogen ontslagen worden. Uyt aanmerkinge van mynen elendigen gants erbarmelyken toestand in welke God de Heere my heeft gelieven te stellen, sodanig selfs volgens het getuygenis des docters en alle die my sien, soo hooge als lagere standen”. Hij besluit zijn brief aan de hoogeerwaarde heren, dat zij “nog lange jaaren in gezondheid gespaard moge zyn”. Door de Staten van Holland en West-Vriesland wordt hem ontslag verleend.
Hij overlijdt in 1736 te Limmen en wordt in het familiegraf in zijn kerk te Castricum begraven.

Het coIlatierecht

De oudste aantekeningen in de notulenboeken van de kerkenraad dateren van 21 oktober 1733 en hebben betrekking op de beroeping van een nieuwe predikant, Ds. De Lange. In de gecombineerde kerkenraadsvergadering van Castricum en Heemskerk wordt hij met algemene stemmen beroepen. De Heer van Castricum maakt gebruik van zijn collatierecht, waarvan de acte van 3 januari 1734 in het boek is opgenomen:
“Ik Lieve Geelvinck Heere van Castrichem Kronenburg Burgemeester en Raad der Stadt Amsteldam & Successeur Feodaal van myn Hoogedele voorsaten Heeren ende Vrouwen van Castrichem als Jus Patronatus hebbende en ook wesende Collateur en gifter der Kerke Pastorye en Scholasteryen in de Carspelkerke tot Castrichem en zyne Dependantien doe kond (…) en my niet liever wesende dan dat myne ondersaaten van Castrichem in oefening en exercitie der Christelyke Religie gesterkt en onder- houden werden, ik de plaatze niet gaarne leedig soude laten, maar goedvindende deselve met een bequaam persoon wederomme te voorsien. Soo ist dat ik daartoe gecommitteerd hebbe, gelyk ik commiteere by dese de Eerwaarden Heer Johannes de Lange der H. Theologie Candidatus ten eynde onze ondersaten voorsz door denselven met de woorden Gods geinstitueert met den H. Sacramenten geadministreert en met de Christelyke discipline van het quade moge getogen werden. Bevelende daaromme alle Wethouderen Regenten en Ingezetenen van den voorsz dorpe dat zy denselven alle Christelyke reverentie Vrientschap en Obediantie bewysen gedurende deze onze Commissie tot onzen kennelik wederzeggen toe mits den anderen een vierendeels jaars te voren opzeggende. T’oirconde van desen hebben wy onze signature en gewoonlike zegel hierop gestelt en aangehangen. Gegeven in Amsteldam op den 22 sten October des Jaars onzes Heeren Jezus Christus Seventienhondert Drieendertig: Was getekend Lieve Geelvinck”.

De Vrijheer van Assendelft en Heemskerk Jean Deutz van Assendelft verleent zijn toestemming door middel van zijn verklaring van approbatie.

Het orgel, dat in 1893 door de echtgenote van dominee Reede werd geschonken.
afb. 2 Het orgel, dat in 1893 door de echtgenote van dominee Reede werd geschonken.

Jaarboek 15, pagina 19

Een kleine gemeente

De meesten van de in Castricum werkende predikanten beginnen in de kleine gemeente hun loopbaan en vertrekken in het algemeen weer snel naar een grotere gemeente. Slechts een enkele predikant en enkele predikantsvrouwen zijn in Castricum overleden en begraven. Dominee Johannes de Lange vangt zijn werk in Castricum aan met elf lidmaten. Op de lijst komen o.a. voor: Leonard Tempelaar, ouderling, schout en secretaris en Adriaan de Boer, schoolmeester. De Lange blijft niet lang en vertrekt al in 1735 naar Jisp. Zijn opvolger Cornelis Rogaar doet zijn intrede in de gemeente op 29 apri11735. In het jaar 1736 houdt hij twee keer de Avondmaalsdienst, doopt een maal een kind en verbindt een paar in de ‘H. Egtenstaat’. In 1743 wordt hij te Oosthuizen beroepen.

De beroeping van Henricus Hondius

Over de beroeping van zijn opvolger Hondius is onder het kopje ‘het Instrument van Beroepinge’ genotuleerd:
“Alsoo het de almagtige God behaagt heeft de gemeenten van Castricums en Heemskerks kerk te ontbloten van haaren getrouwen Leeraar De Eerw. en Godlievende en welgeb. Heer Cornelis Rogaar vertrokke na de gemeente van Oosthuysen en het nodig is dat deselve wedrom met een stigtelik zielesorger versien worde, soo ist dat wij ouderlingen en diaconen representerende de gemeentens van Jesu Christi tot Castricum en Heemskerk op de vertoonde collatie van de Wel Edele Gestrenge Heer Mr. Nicolaas Geelvinck heer van Castricum en Cronenburg etc, na aanroepinge van Gods naam en rijpe deliberatie in de vrese Gods hebben beroepen gelijk zij beroepen mits desen onderde gunstige approb tie van de Wel Edele Heere hiertoe geregtigt des Eerw. Classis van Haarlem den Eerw. Godsl. en Welgeleerde Heer Ds. Henricus Hondius tot eenen wettige ordinaris Herder en Leeraar onzer gemeentens van Gods Heilig woord in alle nijverheid te prediken. De sacramenten volgens J.C. instellinge te Bedienen. De kerkelijke discipline te oefenen in getrouwigheid en verder te vervullen alle andere pligten die tot den Heilige kerkdienst behooren: versoekende seer vriendelik aan de gemelde Henr. Hondius dat zijn Eerw. gelieve dese onze beroepinge in de naam des Heeren aan te neemen belovende van onse sijde sijn Eerw. met alle behoorlik respect, eere en lievde te bejeegenen. Voorts bidden wij den Heere des Oogsten dat het sijne grote majestijd believe dit werk genadelik te segenen dat het moge strekke tot grootmakinge zijns Heiligen naams, stigtinge deser gemeentens en veeler sielen zaaligheid. Amen”.

De beroepbrief is ondertekend door de ouderlingen Leonard Tempelaar voor Castricum en Jan van Santen voor Heemskerk, alsmede de diaconen Comelis Vennik voor Castricum en Jan Rijndert Hofland voor Heemskerk. De consulent Johannes van der Sluys, Predikant te Velsen gaat vervolgens naar Haarlem met de ouderling en diaken van Heemskerk om approbatie van de Burgemeester van Haarlem als Heeren van St Jan voor de gemeente van Heemskerk te verkrijgen. De volgende stap is de ambachtsvrouwe van Heemskerk: “Op 9 maart 1744 naar Amsterdam gereisd om op gelijke wijze bij de Wel Edel Welgeboren vrouwe van Heemskerk approbatie te verkrijgen”. Zij stemt ‘na rijpe berade’ toe met haar brief van 10 maart:
“Wij ondergescrevene Cornelia Maria Bors van Waveren, vrijvrouwe van Assendelft en Assumburg,
vrouwe van Heemskerk, Hoogdorp, Nootdorp en Reeuwijk, gesien hebbende het beroep gedaan door den kerkenraad representeerende de gemeente van onsen dorpe Heemskerk in concurrentie met de kerkenraad van Castricum op den Godsl. Heer Henricus Hondius approbere het gedane beroep voor soveel als onse dorpe van Heemskerk aangaat”.

De consulent moet vervolgens weer naar Haarlem reizen: “Waarop ik met voorsz gecomitteerden dienselven dag des voormiddags, niet eerder als met de schuyt van 10 uuren van Amsterdam na Haarlem ben vertrokken om bij het Eerw. Classis van Haarlem op gelijke wijze approbatie te versoeken, die deselve gunstelik hebben gegeven”.
De verklaring is ondertekend door de Scriba van Haarlem Gerardus Twiske. Hondius wordt op 10 mei 1744 in de kerk van Castricum door Ds. Wilhelmus van Asperen bevestigd.

Blijvende twist om het beroepingsrecht

Henricus Hondius, begonnen in 1744, verdwijnt drie jaar later al weer naar Broek in Waterland. De nu twaalf lidmaten tellende gemeente blijft enige jaren – tot 1752 – verstoken van een eigen leraar. Zij wordt bediend door predikanten uit de classis van Haarlem. Genoemd worden die van Wijk op Zee, Spaarnwoude, Velsen, Heemstede en Beverwijk. De kerkenraden van Castricum en Heemskerk aangespoord door de heren van Assumburg en Castricum en de burgemeesters van Haarlem kunnen het niet eens worden over hun keuze. Oorzaak is nog steeds het fel betwiste collatierecht. Op 26 september 1747 is er een vergadering ’ten huys van den officier Leonard Tempelaar’ met de consulent Johannes van der Sluys en de kerkenraden van Castricum en Heemskerk en notaris Casteleyn. De kerkenraad van Heemskerk laat weten niet akkoord te gaan met het voorstel van de Heer van Castricum tot het kerkelijk maken van het collatierecht: “wijl sij luydende te saamen daartegen protesteerden en verklaarde deselve te sullen houden van nul en van geene waarde”.

De strijd zal nog tientallen jaren uitgevochten worden. Als men na eindeloos geharrewar besluit om het lot over twee kandidaten te laten beslissen, wordt de beroeping door Nicolaas Geelvinck afgewezen. Gebruikmakend van zijn collatierecht beroept hij iemand die hem meer aanstaat: Jan Jacob Oijers. De kerkenraad van Heemskerk protesteert andermaal heftig. De Hoge Raad van de Hove van Holland wordt om een uitspraak gevraagd. Zij beveelt de Heemskerkers uiteindelijk aan om het collatierecht van de Heer van Castricum te respecteren en zich daarnaar te gedragen.

Jan Jacob Oijers

Uiteindelijk wordt Ds. Oijers op 6 augustus 1752 bevestigd door de consulent Ds. J. van der Sluys uit Velsen. Hij trouwt op 10 juni 1755 met Geertruy Pijl, de weduwe van Pieter Hondius, uit Amsterdam. Bij zijn eerste huisbezoeken treft hij elf lidmaten aan: ouderling Leonardus Tempelaar, diaken Cornelis Vennik, de schoolmeester Willem Amze, Adriaan de Wolff, Johanna Clara Kerkhoven, huisvrouw van L. Tempelaar, Anna Twat, weduwe van Willem Amze, Cornelia Amze, weduwe van Jan Bos, Aafje Geerts, huisvrouw van Jan de Boer, Trijntje Jacobse Peetoom, huisvrouw van Caspar Jansen, Aafje Dirks, huisvrouw van Jan Sijs en Geertje Knuister, wonende als dienstmaagd bij Tempelaar. In de jaren 1752 tot 1761 worden negen kinderen gedoopt en drie huwelijken ingezegend. De kerkenraad houdt zich voornamelijk bezig met de avondmaalsvieringen en benoemingen van ouderlingen en diakenen. Er doet zich een probleem voor over een gemengd huwelijk tussen ‘eene Protestantsche en eene Paapsche persoon’. Advies wordt aan de Staten van Holland en West-Vriesland gevraagd bij het huwelijk van de weduwnaar van Aafje Hendriks, ene Jan Hendriksz Zijs met Helena Jans. De dominee blijkt als altijd te moeten handelen “dat denselven geboden van 6 tot 6 weken moeten gaan en na 6 weken na het laaste eerst in den Egt bevestigd worden”. Jan trouwt met zijn Helena op 20 maart 1757.


Jaarboek 15, pagina 20

Jacobus de Visscher

Op 18 juli 1769 overlijdt Ds. Oijers, waarop Jacobus de Visscher beroepen wordt. Hij vestigt zich in Castricum met zijn vrouw Geertruy Hondius, met wie hij op 28 augustus 1770 in het huwelijk is getreden. Binnen het jaar komt zij te overlijden: ‘De Heer Jacobus de Visscher Pred. alhier geeft aan ’t Lijk van Juffr. Geertruyd Hondius zijn vrouw op 12 July 1771 ‘. Op 4 januari 1772 wordt de aangifte gemeld van een ‘gemengd’ huwelijk; ‘Pieter Enke Rooms Bruydegom en Juffr. Catharina Hondius Gereformeerd Bruyd te Rijp’. De kerk lijkt gegroeid: er zijn veertig lidmaten, althans volgens de aantekeningen, maar bij de intrede van zijn opvolger b1ijken er slechts zesentwintig te worden geteld. Als hij in 1772 naar Buiksloot vertrekt heeft hij zeven dopelingen gehad en zijn er drie huwelijken ingezegend, waaronder dat van hemzelf.

Johannes van Doorne

Ds. Van Doorne wordt op 16 augustus 1772 bevestigd. Tijdens zijn predikantschap tot 1778 komen er zevenendertig lidmaten bij, waaronder op 30 oktober 1777 Joachim Nuhout van der Veen. De kerk groeit, want er zijn nu vijfentwintig dopelingen en vijf huwelijken. Van Doome trouwt zelf op 10 juli 1773 met de Amsterdamse Petronella Maria Caudri in de Waalse kerk aldaar. Zij overlijdt op 5 mei 1777 ‘in den kinderbedde’ bij de geboorte van hun derde kind David, dat het ook niet overleeft. Beiden worden in de dorpskerk begraven, alsmede de enkele maanden later ook overleden zoon Jacobus.

In de kerkenraad worden diverse geldzaken besproken, zoals de “lievde gaave aan de Weduwe van de Weled. Heere Ds. Elinga te Krommeni, die zig beneffens haar ses behoeftige kinderen in eene seer kommerlyke omstandigheid bevond”.
Men besluit haar – zolang de kas daartoe in staat is – iets te geven. Voor de opbouw van ‘kerke, pastorye en scholasterye’ te Castricum worden drie guldens uitgetrokken. In 1776 wordt aan Geelvinck advies gevraagd over vergoedingen uit de diaconie kas. Ouderling Teunis Smit krijgt te horen dat de Diaconie niets geven moet “tenzij de Roomschgezinden seffens tot alimentatie van hunne armen contribueerden. dog dat zijn Weled. verzogt dat de diaconie onderdenhandt aan Arie de Bie ten goede gedenken zoude”.

Van Doome houdt kennelijk van lange preken, hetgeen de gemeente niet zo goed uitkomt. De kerkeraad stelt dan ook vast dat “de kerktijds voor en na de middag niet langer dan precys twee uuren duuren moet, zodat de predikant wanneer de kerk voor den middag na elf en na den middag na halve vier uuren uitgaat, verbeuren sal vier stuyvers en wanneer het meer dan een quart uur boven den tijdt is, ses stuyvers”. Ook de kerkeraadsleden krijgen boete, “twee stuyvers als zij eene kerktijdt verzuimen”. In 1778 vertrekt Van Doorne naar Elburg.

Rechts op de foto is de oude pastorie te zien. Het stond aan de Overtoom op de plaats. waar zich nu het hervormd centrum 'De Schakel' bevindt.
afb. 3 Rechts op de foto is de oude pastorie te zien. Het stond aan de Overtoom op de plaats. waar zich nu het hervormd centrum ‘De Schakel’ bevindt.

Een kerk zonder leraar

Over zijn opvolger Jacobus van Pellecom is niet meer bekend dan dat bij op 6 december l778 wordt bevestigd en op 10 april 1780 in ondertrouw ging met Petronelle Elisabeth du Rieux uit Leiden. Kort daarop is Van Pellecom al weer uit Castricum vertrokken. Volgens het notulenboek gebeurt er niet veel. De vergadering wordt met gebed geopend, de notulen voorgelezen en “niets te melden hebbende wordt de vergadering met een dankgebed weer gesloten”. In de volgende vergadering worden de notulen niet meer voorgelezen en volstaat men met het openings- en het dankgebed. Opvolger Arnoud W. Schrader start op 27 juli 1780 met vierendertig lidmaten. Hij mag tot zijn vertrek, twee jaar later, elf dopelingen registreren. Ook de volgende dominee, Carolus G. van Achter, heeft het gauw gezien; bij vertrekt weer op 9 oktober 1785. Zijn opvolger Jacobus H. de Wolff blijft tot 1790.

Vlak voor de komst van zijn opvolger ontbiedt ouderling Jan Coersel ene Lijsje Kunst bij zich aan huis. “Den 23 Februari zijn de Broederen des Eerwaarde Kerkeraads aan het huys van den president ouderling Jan Coersel bijeengekomen. alwaar zij bij zich ontboden hebben Lijsje Kunst, aan wien zij haar schandelijk gedrag tot groote ergernis der gemeente ernstig hebben voorgesteld, haar vermaant tegen diergelijke zonden als waaraan zij zig had schuldig gemaakt en hoe zij zig desweegens voor God had te verootmoedigen en door opregte schuldbelijdenis vergeving van hare misdaad afsmeeken. haar verders aanzeggende zig van de tafel des Heeren te onthouden. zolang zij van betoonde betering des levens als een boetvaardige in den schoot der kerke weder wilde aangenomen worden”.
Op 5 maart trouwt ‘jongedochter’ Lijsje met haar ‘jongman’ C. Balder.

Ernst W. Fabritius

In 1791 wordt Ds. Fabritius beroepen. Over de jaren tot 1805 is weinig bekend, notulen over de tussenliggende jaren ontbreken. De eerste aantekening is van 18 Juni 1805, de dag dat door de predikant en de ouderling Wouter de Bie de jaarlijkse huisbezoeking is gehouden, waaraan vooraf door de kerkenraad ‘censura morum’ is gehouden (hieronder wordt verstaan de onderlinge censuur, die de leden van de kerkeraad uitoefenen met het oog op de aanstaande avondmaalsviering).

Er is niets van enig belang voorgevallen, net zo min als op 17 december 1805 als de voorzitter vraagt of men “van eenige onorde of ongeregeldheid in deze gemeente plaats hebbende eenige bewustheid hadde”. Het antwoord is “dat men te deezen opzigte geene reden tot klagen heeft”. Aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken worden in 1807 achtennegentig zielen opgegeven, waaronder drieendertig lidmaten. Het inkomen is niet toereikend om het onderhoud van de zeer oude gebouwen – de kerk en de pastorie – te bekostigen. Dit wordt veroorzaakt door het ontbreken van ‘octrooy’, waarvan de gemeente sedert de omwenteling in 1795 beroofd is.

Op donderdag 13 januari 1806 wordt “op order van den Souverein der Verenigde Nederlanden een blijden dankdag gehouden van Nederlandsch aanvankelijke verlossing uit het geweld van de Fransche overheersching”. De gemeente wordt opgedragen om


Jaarboek 15, pagina 21

om achterstallig tractement aan de predikant te betalen. “De leeden der gemeente doen er alles aan om hunne bijdragen te leveren, maar zij moeten in hun sobere bestaan vele opofferingen getroosten”. De kerkeraad wil het probleem oplossen door het opnemen uit ‘byzondere fondsen’ en door vrijwillige bijdragen. Het jaar 1807 wordt geopend: “Op den 1sten January is alhier eenen plegtigen aanvang gemaakt met het zingen der liederen uit het Evangelisch Gezangboek, welken door den leeraar dezes gemeente op Zondag den 2 November des voorigen jaar in eene aanspraak op eene bondige prachtige en overredende wijze de Gemeente waren aanbevolen”.

Gezicht op de voorgevel van de pastorie aan de Overtoom. Na her vertrek van Ds. Cannegieter in 1955 is de pastorie niet meer gebruikt en is vervolgens het karakteristieke pand gesloopt.
afb. 4 Gezicht op de voorgevel van de pastorie aan de Overtoom. Na her vertrek van Ds. Cannegieter in 1955 is de pastorie niet meer gebruikt en is vervolgens het karakteristieke pand gesloopt.

Een kerkvisitatie

Op 7 juni 1817 wordt de jaarlijkse kerkvisitatie gehouden: “Onderzocht zijnde of alle leden des gecombineerden kerkeraads bijeen waren, bleek het dat de broeder Pieter Muijs, diaken te Castricum afwesend was, welke dus in de boete van een gulden verwezen is. De Predikant, buitenstaande, wierden de in het reglement bepaalde vragen gedaan omtrent zijne Eerwaarde.
Weder binnen verzocht, bleek dat men niets op zjjn Eerwaarde had aan te merken weshalve hij door den Eerw. Praeses met een liefderijke aanspraak en harteijjke zegenbede begroet wierd. Ook de Ouderijngen werden verzocht zich te absenteeren. Gevraagd aan den Predikant bleek, dat broeders Ouderlingen zich alleszins behoorlijk van hunnen pligt kweten. De Heeren verlieten de vergadering, ujtgeleid wordende gelijk zij in deszelve waren ontvangen”.
De gemeente is tevreden over dominee Fabritius. zo verklaart men in een rapport aan het classicale bestuur te Haarlem:
“De predikant is onberispelijk in leer en wandel, die op Zon- en Feestdagen de gewone predikatien en catechismus waarneemt, geregeld het H. Avondmaal bedient en die bediening laat voorafgaan door eene leerrede ter voorbereiding en laat opvolgen door eene nabetrachting. Hij houdt geregelde catechisatie ter onderwijzing van Ouden en Jongen in den Bijbelsche Geschiedenis en in de geloofs- en zedenleer. Hij maakt zijn werk van het herderlijk bezoeken der Gemeente en byzonder der kranken”.

Dominee Canne

Het is vredig in het dorp in 1826: “In de Gemeente van Castricum zijn geene Gereformeerden tot den Roomschen Godsdienst en geene Roomsche gezinden tot den hervormden, gelijk ook geene hervormden tot andere Protestantsche gezindheden overgegaan. Wij leven hier met onze Roomsche gezinde mede Christenen in vrede en eensgezindheid”, antwoordt men in een brief aan de Classicale Commissie op 11 mei. Men heeft overigens tien maanden nodig gehad om dat antwoord te vinden, want de vraag van de Classis dateert van 29 juli 1825. Fabritius, die 31 jaar aan het hoofd van de kerk in Castricum heeft gestaan neemt in de dienst van 30 december 1827 afscheid van zijn gemeente. Hem wordt een pensioen van f 800,- per jaar toegekend. Hij zal enige jaren later nog ter sprake komen.
Bij zijn beroeping schrijft Ds. Coert D. Canne, dat hij op zaterdag 9 februari 1828 vanuit Nederhorst den Berg naar Castricum zal reizen ‘om de plaatse te bezien’. Het bevalt hem wel, want hij wordt in de dienst van 11 mei 1828 bevestigd. In 1829 wordt het verzoek behandeld van de heren Rendorp en Gevers als commissarissen van de koning om een stuk land genaamd het Wouterland dat aan de Diaconie behoort te verkopen. Voor een bedrag van twaalfhonderd gulden verwisselt het land van eigenaar. Dat geld is hard nodig voor het onderhoud van het kerkgebouw, dat in een slechte staat verkeerd. De diaconie geeft een bedrag als voorschot aan het noodlijdende kerkenfonds. Bovendien worden de gelden uit de collecten tijdens de diensten ook voor het fonds aangewend in plaats van aan de diaconie kas. Tijdens het censura morum op 19 augustus 1832 “worden bezwaren geuit omtrent het levensgedrag van eene zuster F.H. De predikant nam op zich om haar over hare omstandigheden te onderhouden en haar te verzoeken zich van het Avondmaal te onthouden en haar op te wekken tot een gedrag waardig eener belijdenis van het Evangelie van Jezus Christus”.

Beroering om Fabritius

Op 14 januari 1833 ontstaat enige beroering in de vergadering als de heer Bartholomeus N. Rommel, logementhouder van De Rustende Jager, binnentreedt met ernstige klachten “over de voormalige leeraar der gemeente E. W. Fabritius, die zich aanhoudend schuldig maakt aan grove dronkenschap, welke gewoonlijk vergezeld gaat met de hevigste vervloekingen en godslasteringen. Ja, somtijds met openbare straatschenderijen en met verstoring in de huizen, terwijl hij zich niet ontziet eenen vader, wie het ook zij, op de schandelijkste wijze te belasten en te onteeren”.
Rommel stelt zijn beschuldigingen op schrift. De kerkenraad zal Fabritius ‘berouw betonen’ als hij bij Rommel openlijk spijt betuigt. Dat doet hij, waarop Rommel de klacht intrekt en de kerkenraad ook van verdere actie afziet.

In 1842 is er een affaire over het klokkeluiden. Dorpsonderwijzer Cornelis Schut heeft naar de mening van het gemeentebestuur en de ‘Roomsche gezinden’ de klok te lang geluid, terwijl men al begonnen was met het luiden van de klok voor de ‘Roomsche eeredienst’ .Het antwoord van Gedeputeerde Staten is onbekend, maar in ieder geval ‘naar wensch uitgevallen’. De gemeente krijgt in 1844 een schenking van de overleden Francina Habert, de weduwe van het voormalige lidmaat Dirk Wijnands. Zij woonden in huize Zorgvlied aan de Dorpsstraat, het latere Hermana State. Bij het avondmaal in maart 1844 worden drie nieuwe zilveren schotels, twee bekers en een kan dankbaar in gebruik genomen. Twee jaar later gaat Canne ‘Salvo honore’ met emeritaat. Hij overlijdt op 19 januari 1847.

Heemskerk en Castricum zelfstandige gemeenten

De Heer van Castricum, Albertus J. Schuyt, beroept in zijn akte van col1atie in 1846 Ds. Pieter A. van der Laan tot de nieuwe


Jaarboek 15, pagina 22

predikant van de gecombineerde gemeente van Castricum en Heemskerk. Boven het predikantstraktement krijgt bij een toelage van honderd gulden per jaar ‘met vrijdom van landsbelastingen tot de viereerste grondslagen’. Van der Laan stelt meteen, dat bij er niets voor voelt om elke zondag ‘achternamiddags’ naar Heemskerk te reizen om de kinderen daar te catechiseren. Met toestemming van de Heemskerkse kerkenraad wordt de zaak opgelost door het door ‘een daartoe geschikt persoon’ te laten doen.

Na zijn intrede op zondag 5 juli 1846 wordt hij spoedig geconfronteerd met de wens van Heemskerk om een zelfstandige gemeente te worden met een eigen predikant. De kerkenraad van Castricum gaat akkoord mits het traktement van de predikant er niet onder zal lijden. Maar als de classis waarschuwt, dat het gevolg zal kunnen zijn dat Castricum met 150 zielen zonder herder za1 komen, komt men schielijk op dit besluit terug. Na herhaalde verzoeken wordt bij Koninklijk Besluit van 23 april 1861 echter toch aan de wens gehoor gegeven en gaan de gemeenten na zo’n 300 jaar hun eigen weg.

Verhuur landerijen

Door schenking heeft de diaconie enige stukken land in bezit gekregen, welke jaarlijks bij opbod worden verhuurd. Op 23 oktober 1850 wordt besloten om de landerijen in navolging van de rooms katbolieken uitsluitend onder de leden der gemeente te verhuren. Er worden zeven stukken land genoemd: een stuk weiland ‘Jan Evertsven’ voor de prijs van zestig gulden gehuurd door Jan A. van Soll. Arie de Hie huurt ‘de Schapenven’, Jan J. de Wilde ‘het Spronsland’. Vervolgens een akker zaadland aan de Hereweg ook verhuurt aan Jan J. de Wilde, een akker zaadland op de Hoogevoort aan Johannes F. Rommel en eenzelfde akker bezuiden de Hereweg aan Pieter Schotvanger. Tenslotte wordt vermeld ‘een Schulpstet’, dat door Jan A. van Soll wordt gehuurd.

Viering der diensten

Op last van de Synode besluit men de Goede Vrijdag ‘meer godsdienstig te vieren’, Op vrijdag 16 april 1854 namen 102 leden deel aan het H. Avondmaal: “Den dag geheel aan de godsdienstige viering van Jezus dood gewijd, stonden schier alle werkzaamheden stil en getuigen alzoo van algemeene deelneming en belangstelling van de zijde der gemeente”.
In de vergadering van 21 februari 1861 wordt broeder Albert Asjes “met weemoed herinnert, die in het afgelopen jaar uit ons midden is genomen”. Zijn kleinzoon, ook Albert geheten, laat de kerk zijn bezittingen na. Die eigendommen worden in het ‘Albert Asjesfonds’ ondergebracht.

Nu de predikant nog maar een kerk heeft te bedienen, worden de diensten uitgebreid. Elke zondag een morgendienst en in de ‘Wintermaanden van October tot Maart tweemalen per maand bij lichten maan’. Vanwege de hoge kosten van kaarslicht en het salaris van de voorzanger trekt men het besluit na enige maanden weer in. Reden is ook de ‘uitgebreidbeid’ van de gemeente en de vraag of men wel in staat zal zijn om tweemaal per dag ter kerke te gaan. De Avondmaalsvieringen worden nu drie keer per jaar gehouden.

Armoede

Om op de uitgaven van de diaconie te korten krijgen in 1868 de armlastige weduwen De Wilde en Van Diepen vijftig cent per week minder bedeeld. Burgemeester H. Zaalberg deelt een jaar later mede, dat hij zal stoppen met de ondersteuning van de diaconie-armen uit het Algemeen Armenfonds. De kerkeraad berust erin en beraadt zich hoe het verlies van f 148,20 te compenseren. De armen zijn de dupe: hun ondersteuning van 50 tot 150 cent wordt gestaakt. Op deze wijze wordt f 6,50 per week uitgespaard. Er zal nu wekelijks voor de armen gecollecteerd worden door de leden van de kerkenraad, die met een collectebus door het dorp zullen gaan.

De burgemeester uit daarover zijn misnoegen in ‘een missive’, welke de kerkeraad ’ter notificatie’ aanneemt. De eerste collecte is bevredigend, een bedrag van f 7,61 is het resultaat, waarvan f 6,50 direct onder de armen wordt uitgedeeld. In verband met de heersende armoede wordt in 1871 een buitengewone bedeling gehouden, waarvoor 50 gulden wordt uitgetrokken; daarnaast vindt de gewone bedeling plaats van 44 zakken aardappelen ’22 groote en 22 planters’.

Een bijzondere foto uit 1940 bij de huwelijks-inzegening van het echtpaar Reinier Pletting en Adriana van der Touw op 20 maart. Het was nog niet toegestaan om foto's van huwelijksplechtigheden in de kerk te nemen. Bij hoge uitzondering vanwege de uitzending van de bruidegom naar Duitsland werd van de regel afgeweken. Dominee J.N. Seulijn staat achter de bruid.
afb. 5 Een bijzondere foto uit 1940 bij de huwelijks-inzegening van het echtpaar Reinier Pletting en Adriana van der Touw op 20 maart. Het was nog niet toegestaan om foto’s van huwelijksplechtigheden in de kerk te nemen. Bij hoge uitzondering vanwege de uitzending van de bruidegom naar Duitsland werd van de regel afgeweken. Dominee J.N. Seulijn staat achter de bruid.

Twee weeskinderen

In 1872 komt de weduwe A. Grapendaal – Beusman te overlijden die twee meisjes, Geertje en Aafje, nalaat. Dominee Van der Laan heeft hierover op 30 mei een onderhoud gehad met de burgemeester. Het algemeen armenbestuur kan niets bijdragen aan het onderhoud van de kinderen. Hij is ‘desgevorderd’ bereid de weesmeisjes in het ‘armengesticht der gemeente’ op te nemen. De kerkenraad vindt dat zij niet kan toestaan dat de kinderen in het ‘gesticht’ worden geplaatst, waardoor een protestants kind aan de zorgen van de roomsch katholieken moet worden overgelaten. Op grond ‘van de gunstige staat van de diaconie fondsen’ wordt besloten om gelden beschikbaar te stellen. Men wil als gemeente de zorg van de wezen op zich nemen.

De predikant heeft ondertussen al een onderhoud gehad met F. Beusman, de broer van de weduwe. Hij wil zich – tot de oudste veertien wordt – wel over de wezen ontfermen, mits er een goede vergoeding tegenover staat. Hij krijgt 40 gulden per jaar voor elk kind. Geertje zal als zij veertien wordt de verzorging van Aafje op zich nemen voor zestig gulden. Om geld ter beschikking te stellen voor de aankoop van ‘onderkleederen’ gaat de kerkeraad wel wat ver: “de Diakonie heeft al zoveel kosten gemaakt gedurende de ziekte van de overledene”. Op 12 februari 1875 stelt de predikant om de diaconiegelden alleen te besteden bij neringdoende ‘gereformeerde’ lidmaten der gemeente.


Jaarboek 15, pagina 23

Nog eens het collatierecht

De Heer van Castricum, Henri C. Schuyt, schrijft op 23 januari 1877, hij is dan burgemeester van Lisse, dat hij het collatierecht uitsluitend met recht van sanctie ‘als formaliteit’ zal gebruiken. Hij acht de kerkenraad bekwaam genoeg om zelf de beroeping te doen “als zijnde het compas het best in staat den geest der gemeente te kennen en zijne belangen te behartigen”.

De Minister van Financiën vraagt in verband met het traktement naar het recht. De raad antwoordt dat het recht toebehoort aan de zich noemende Schuyt van Castricum, als ambachtsheer van Castricum, waaraan geen uitkeringen aan gemeente of predikant verbonden zijn. Het landstractement is dan 800 gulden, waarboven de predikant uit kerkelijke fondsen nog eens 70 gulden ontvangt.
In 1886 wordt door de Algemene Synode der Nederlandsch Hervormde Kerk in Den Haag een subsidie van 80 gulden verleend uit het ‘Fonds tot verbetering der schraalste predikantstraktementen’. Het landstractement wordt verhoogd naar f 950,-.

Afscheid Van der Laan

Bij het naderen van zijn emeritaat krijgt de dominee nog te maken met een vervelende kwestie. Er wordt op 18 april 1887 een buitengewone vergadering belegd met de dominee, de ouderlingen R.H. Pen en J. Hogenstijn en de diaken J.J. Rommel, de vader van kapitein Rommel. “Nog voor de aanvang der vergadering neemt Rommel het woord bewerende naar hetgeen hem van zijn medediaken het slecht beheer was ter ore gekomen, dat hij volgens hedenmorgen ingewonnen advies van eenen rechtsgeleerde niet verantwoordelijk was voor handeling van zijnen medediaken B. en alzoo ook niet aansprakelijk voor een deficit in de Diakoniekas en deelt tegelijk de vergadering mede dat hij van dezen dag af zijn ontslag neemt als diaken. De voorzitter wijst hem op zijn verantwoordelijkheid door zijn mede-ondertekening op de Rekening der Diaconie over de jaren 1885, 1886 en 1887, waarvan het bewijs in het op tafel liggende aantekenboek van ontvangsten en uitgaven der Diakoniefondsen. Rommel laat Van der Laan niet eens uitspreken en verlaat als een gejaagde de consistoriekamer”.

Wat was er aan de hand? De predikant had bij geruchte vernomen van ‘mistrouwen’ van leden der gemeente omtrent de persoon van diaken B. in betrekking tot zijn beheer als administrateur der diakoniegelden. Van der Laan had daarop een gesprek met de diaken gehad, die vervolgens opening van zaken had gegeven. Op grond daarvan heeft de predikant de buitengewone vergadering bijeen geroepen ter voldoening aan Artikel 26 van het reglement op de Diakonieën. Te half zes verschijnt de ontboden diaken om zich te verantwoorden. Van de f 777,92 is nog maar 25 gulden over. De predikant wijst hem ten overstaan van de vergadering op het laakbare van zijn handelwijze. “Diepbewogen en met tranen in zijne ogen bekent hij slecht gehandeld te hebben en voert ter zijner echter niets beteekenden verschoning aan, dat hij tot die oneerlijke handelwijze is gekomen door de mislukking van zijn oogst die zo velen in de laatste jaren ten val heeft gebracht. Hij belooft echter alles te willen en te zullen doen om de schuld aan te zuiveren en stelt alles wat hij bezit of verkrijgen zal ter dispositie van den kerkenraad, als men hem slechts zijn paard en kar laat, want bij gebreke van deze, is hij zoals hij beweert broodeloos”.

De diaken wordt in afwachting van het oordeel van de Classis geschorst. Als eerste aanzuivering verkoopt bij voor 25 gulden een koe aan ouderling Pen. Van der Laan heeft op 11 februari 1890 gedwongen door gezondheidsredenen en ‘zijne hooge jaaren’ na 51 jaren zijn emeritaat aangevraagd. De kerkeraad verleent hem een bewijs van onberispelijke wandel. Hij is zo verzwakt dat hij niet meer in staat is om zijn afscheidsrede te houden. Op 15 maart 1890 brengt ‘eene Broeder van den Ring op waardige wijze de laatste groeten namens de emeritus predikant met 2 Cor. 13:13’: “De genade des Heeren Jezus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen”.

Schuyt komt terug op zijn belofte

Schuyt van Castricum komt in een brief van 30 mei 1890 terug op zijn eerder gestuurde brief van 22 januari 1877. Toen had hij Van der Laan laten weten, “dat de benoeming dient te geschieden door de kerkenraad als zijnde het corps dat het beste in staat is den geest van de gemeente te kennen”. Hij meende destijds dat Castricum de orthodoxe richting was toegedaan. Maar nu hij ontdekt dat “de moderne richting te Castricum de bovendrijvende is”, wenst hij zijn recht te behouden. In de kerkenraad blijkt dat “de broederen allen iemand van den vrijzinnigen geest begeeren”. Schuyt gaat niet akkoord met de voorgedragen Albert G. Reede, “daar bedoelde persoon niet zijn godsdienstige overtuiging is toegedaan”. De kerkenraad berust echter niet in Schuyt’s mening en neemt zich voor “het eens dankbaar aanvaard voorrecht niet zo terstond prijs te geven”. De kerkeraad vindt dat Schuyt de zaak vertraagt en stuurt hem een brief, waarin zijn toestemming binnen dertig dagen gevraagd wordt. Als hij zijn positieve antwoord niet verleend, za1 men ‘langs wettigen weg’ de zaak trachten te beëindigen.

Schuyt antwoordt dat de kerkeraad de zaak zelf heeft vertraagd, doordat geen tegenkandidaat is genoemd. Het classicaal bestuur vraagt aan collator Schuyt om de kerkeraad niet langer te bemoeilijken. Hij antwoordt daarop dat zijn recht als collator door de kerkeraad voldoende is gehandhaafd en eist daarvoor zijn brief van 22 januari 1877 ter vernietiging terug. Het bestuur adviseert de Castricummers hierin te berusten “daar de missive niet behelst afstand van collatierecht en met verklaring van genoeg op de rechten van derden gelet te hebben, kan de goedkeuring ap de beroeping worden verleend'”. De kerkeraad besluit hiertoe en vindt goed, voordat zij tot de beroeping overgaat, de gewenste verklaring van de collator te vragen. Als enkele dagen later de verklaring wordt ontvangen, wordt terstond tot beroeping van de uitverkorene overgegaan.

Dominee Reede

Direct na zijn aantreden op zondagmorgen 23 november 1890 stelt Ds. Reede voor om de benoeming van predikant en kerkenraad te wijzigen. In het vervolg zal de benoeming door stemming bepaald moeten worden. De kerkenraad stemt op 19 april 1891 over dit voorstel, hierbij zijn dertien leden voor, zeven daarentegen willen de machtiging bij de kerkenraad laten. Door de uitslag van de stemming is er een reglement nodig. Men vraagt eerst aan de Classis van Haarlem om advies om duidelijkheid te krijgen over de rechten van de heer Schuyt van Castricum. De Classis verleent in 1892 goedkeuring aan het reglement. Uit gevoerde correspondentie met Schuyt blijkt dat hij het recht van unicus collator bezit, maar enig zichtbaar bewijs daarvoor kan hij niet tonen. Men besluit dan ook maar de zaak verder te laten rusten.

Naamswijziging

Op 19 oktober 1892 vindt de naamswijziging van de kerk plaats.


Jaarboek 15, pagina 24

De fondsen der Diaconie staan nog ingeschreven als ‘Gereformeerde Gemeente te Castricum’. De Synode vindt, nu de Afgescheidenen en de Dolerenden zich verenigd bebben en de naam
Gereformeerde Kerk hebben aangenomen, het nodig de benaming te wijzigen in Nederduitsch Hervormde Gemeente te Castricum.
In maart 1892 is de zaak besproken van de weduwe J. Schoen, die zo juist haar man verloren heeft en met vier kinderen en zwanger is achtergebleven. Van verschillende kanten wordt steun aangeboden. Mevrouw Gevers van Endegeest, geb. Deutz van Assendelft, zegt, als ex-werkgeefster drie gulden wekelijks toe, het algemeen armbestuur een gulden, terwijl de diaconie ook een gulden geeft en vrij van huisbuur. Zodoende kan zij voorlopig op de oude voet met haar kinderen voortleven, aldus de verklaring.
De echtgenote van de dominee, mevrouw J.C. Reede – Molster, schenkt de gemeente een orgel. Zij heeft de gaven daarvoor grotendeels bij vrienden en bekenden verzameld. Op de eerste pinksterdag, 21 mei 1893, wordt de zang in de kerk voor het eerst begeleid door orgelspel. De gemeente wil niet achterblijven en schenkt veertig nieuwe stoelen door giften van leden. Daar het Oudejaar op zondag valt en bovendien bij donkere maan, wordt besloten om de godsdienstige jaarafsluiting naar de morgen te verschuiven.

Vanwege de slechte financiële toestand van de gemeente wordt het salaris van voorzanger D. Rozenbroek verlaagd van f 45,- naar f 25 Hij weigert voor dat geld verder te werken. In zijn plaats wordt G.J. van der Ploeg. die tijdelijk de hetrekking van organist had waargenomen, benoemd. Vanaf 1 januari 1894 zal Mejuffrouw J. Wever voor een jaarwedde van f 25,- organiste worden. Maar dat zal niet lang duren, want zij verlaat drie maanden later de gemeente. Van der Ploeg wordt weer organist. in de vacature van voorzanger kan voorlopig niet voorzien worden. Ook de kosteres, de weduwe van E. Winkelman, neemt ontslag. Door de kerkvoogden wordt het echtpaar Jacobs – Vasseur voorgedragen. Reede vindt echter dat de weduwe Schoen in aanmerking moet komen. Als kerkvoogd J. Koopstra heeft toegelicht waarom het echtpaar de voorkeur heeft, worden zij aangenomen. Maar de kerkvoogdij keert al enkele maanden om niet vermelde redenen op dit besluit terug. In mei 1896 wordt de weduwe Schoen alsnog aangesteld.

Een ongewone plechtigheid

Acht december 1896: “Heden had in de gemeente een ongewone plechtigheid plaats. Een vriend van onze leeraar M.M.L. de Man te Nijmegen, wiens vader protestants, maar moeder rooms katholiek was, was als RK ingeschreven. Na hun beider overlijden, was het zijn liefste wens om tot de kerk van zijn vader toe te treden. Om tal van redenen bestond bij hem bezwaar om dat in Nijmegen te doen. Reede heeft hem onderricht. Er waren gewichtige bezwaren om de bevestiging in een openbare gods- dienstoefening te doen plaats hebben. Daarom werd besloten om hem op deze Dinsdag in de pastorie aan te nemen en te bevestigen. Aanwezigen waren twee ouderlingen, de diaken, de aanstaande bruid van De Man, de echtgenote van de predikant en de organist onder wiens begele ding werd gezongen. Hoe klein de kring en hoe eenvoudig de plechtigheid was, toch waren kennelijk allen en niet het minst de heer De Man onder den indruk van het gewichtig werk, dat werd verricht”.

Reede vertrekt

Op 19 januari 1898 houdt de predikant een rede ter opwekking van het aanstaande feest ter herdenking van de Vrede van Munster gesloten op 30 januari 1648. Hij wenst op de gedenkdag een feest van dankbaarheid. Reede wordt herhaaldelijk in andere gemeenten beroepen, waarvoor hij steeds bedankt: eerst in Spijkenisse in de classis van Brielle, vervolgens te Dinther, te Oude Schild op Texel en te Serooskerke. Als ook Vlijmen hem wil hebben, neemt hij die beroeping aan. Hij neemt op 14 april 1898 afscheid van zijn gemeente, waarna hem door de kerkenraad op die zondag ‘op vereerende wijze’ ontslag wordt verleend.

Het collatierecht wordt vervangen

De kerkenraad spreekt uit, dat in de vacature voorzien moet worden door “mannen van vrijzinnigen, maar tevens verdraagzamen geest”. Met 12 tegen 10 stemmen van de kiesgerechtigden is aldus besloten. Men zal een advertentie in de kerkelijke bladen laten opnemen. Maar de gemeente za1 door het vertrek van Os. Reede enige tijd verstoken blijven van een nieuwe herder. Het steeds weer terugkerend geschil tussen de Gemeente en de ambachtsheer over het collatierecht is de oorzaak. Jhr. Mr. E1ias, schoonzoon van de ambachtsheer Schuyt van Castricum, weigert bij herhaling kandidaten. Tussen 6 mei 1898 en 4 mei 1899 bedanken diverse kandidaten voor de eer, “men is beducht voor moeilijkheden voortspruitende uit het beweerde collatierecht van H.C. Schuyt”, aldus consulent Ds. Duyven. Uiteindelijk wordt door bemiddeling van het classicale bestuur een oplossing gevonden. Mr. Elias doet op 7 augustus 1899 afstand van zijn recht. Hem zullen in het vervolg twee kandidaten ’ter electie’ worden voorgedragen. De eerstberoepene, Ds. J.P. de Hie, vertrouwt het echter niet en bedankt alsnog voor de eer. Aan de vacature komt een eind als Ds. Abraham van Poelgeest zijn beroeping aanneemt.

Een foto uit 1939 ten tijde van de mobilisatie. Het gezin Seulijn verleende onderdak aan twee vaandrigs van het Nederlandse leger. Rechts de dominee en aan het hoofd van de tafel mevrouw Seulijn.
afb. 6 Een foto uit 1939 ten tijde van de mobilisatie. Het gezin Seulijn verleende onderdak aan twee vaandrigs van het Nederlandse leger. Rechts de dominee en aan het hoofd van de tafel mevrouw Seulijn.

Dominee Van Poelgeest

Aan het begin van de twintigste eeuw, waarin de maatschappij drastisch zal veranderen, doet Van Poelgeest zijn intrede. Een van de eerste noviteiten, waarmee hij te maken krijgt, is een lidmaat die bij deurwaardersexploit zijn lidmaatschap opzegt. Bij de eerste persoonlijke kerkvisitatie zegt Ds. J.C. Faassen uit Bloemendaal dat “wat het uitwendige betreft alles in orde is, maar dat de kerkenraad voor het inwendige weinig belangstelling betoont”. De classis bericht in 1910 over een afscheiding van ‘het krankzinnigengesticht Duin & Bosch’ met de Hervormde Gemeente Castricum. De gevraagde schetskaart om de grenzen af te bakenen kan men de classis niet verstrekken, “daar we geen gemeentekaarten hebben”.

De gecombineerde vergadering van kerkenraad en het college van


Jaarboek 15, pagina 25

notabelen en kerkvoogden besluiten op 15 augustus 1917 tot de aanleg van elektrisch licht. Electricien Nieuwenhuis kan voor f 210,– de verlichting in de kerkenraadskamer, de kerk en de consistoriekamer aanleggen. De kerkvoogden vinden dat wel wat duur, maar als de Diaconie aanbiedt om voor de helft in de kosten te delen, kan het werk beginnen. In 1930 klaagt de Vereniging voor Christelijk Nationaal Onderwijs te Castricum over weinig medewerking bij het stichten van een christelijke school. De kerkeraad neemt de brief voor kennisgeving aan.

Financiële problemen

Vanwege de grote armoede in het dorp worden de huren van bouwland met 20% en van weiland met 10% verlaagd. In de vergadering van 31 maart 1933 wordt een kwestie aanhangig gemaakt, die de gemoederen in de gemeente enige jaren bezig zal houden. Er ontbreekt een bedrag van 500 gulden in de kas van de diaconie. De dienstdoende diaken zegt dit geld aan de kerkvoogdij geleend te hebben. In de volgende bijeenkomst, zonder de geschorste diaken, worden twee kwitanties overhandigd van twee andere leningen aan de kerkvoogdij, voor de toelage aan de predikant en voor onderhoud van de kerk. Voor de leningen is niet de vereiste toe stemming aan het Provinciale College van Toezicht gevraagd. Van Poelgeest maakt in de vergadering enige bittere en geëmotioneerde opmerkingen over de bewuste diaken. De raad erkent de uitgaven niet, omdat er geen toestemming voor is gegeven.

De predikant wordt in zijn hoedanigheid van voorzitter van de kerkenraad in een brief van 12 januari 1934 ernstig door het classicaa1 bestuur berispt. Kennelijk heeft de dominee niet zulke aardige dingen gezegd, want de diaken heeft ondertussen een klacht wegens belediging bij de officier van justitie ingediend tegen Van Poelgeest. Door de raad wordt de diaken een recalcitrante houding verweten. Het classicaal bestuur zit ook met het probleem in de maag en stelt de kerkenraad voor om een verzoek tot royement van het zoekgeraakte bedrag in te dienen. Maar de raad weigert uit principe. Men acht dit een zaak van de vorige kerkvoogd W. en van de diaken W., “door wier wanbeheer het geld was zoekgeraakt”. Met algemene stemmen wordt aangenomen om het verzoek niet te doen. “Diaken W. verklaart later dat hij er wel voor is. Het was hem totaal onverschillig dat de diaconie schade leed”.
“Inderdaad een fraaie houding voor een diaken”, aldus de aantekening. De classis besluit vervolgens om de kerkenraad – inclusief haar voorzitter, de predikant – te schorsen.

 Dominee Papineau Salm zegent op 5 juni 1958 het huwelijk in van het echtpaar S. Mooy en H.A. Snel.
afb. 7 Dominee Papineau Salm zegent op 5 juni 1958 het huwelijk in van het echtpaar S. Mooy en H.A. Snel.

Op 18 oktober 1934 komen vertegenwoordigers van het classicaa1 bestuur ‘doende des kerkenraads’ in Castricum bijeen. Van Poelgeest heeft verklaard niet bij ‘de plechtigheid’ aanwezig te willen zijn. De eerder opgestelde kiezerslijst wordt onwettig verklaard. De diaken die in plaats van zijn geschorste collega de kas bijhoudt heeft verzocht om enige dagen respijt met het overdragen van de kas en de administratie aan de classis. Hij moet om half twaalf verschijnen. Als hij dan niet verschijnt, wordt Van Poelgeest ontboden en als voorzitter van de geschorste kerkenraad aansprakelijk gesteld voor de afwikkeling. Enige heren onder aanvoering van de predikant gaan naar het huis van de diaken en keren enige tijd later terug met de kas en de bescheiden die overgedragen worden. De consulent krijgt machtiging tot beheer van de financiën. Zolang de schorsing duurt, worden de diensten door andere predikanten geleid. Nadat het plaatsvervangende bestuur alles op orde heeft gebracht, wordt de schorsing eind 1934 opgeheven. Maar de kwestie is voorlopig nog niet uit de wereld.

Een verstoorde kerkenraad

De kerkenraad laat het er niet bij zitten. Als op de eerste vergadering na de schorsing blijkt dat het verschil van 500 gulden alsnog geroyeerd is, tekent de raad bezwaar aan bij de classis. De kas wordt weer aan de diaken overhandigd, maar hij weigert, vanwege de wijze waarop hij op 18 oktober behandeld is. Noodgedwongen neemt de predikant als voorzitter de kas over. De geschorste diaken laat het er ook niet bij zitten. Hij acht zich nog steeds diaken en wenst pas per zijn verkiezingsdatum af te treden. Daarnaast loopt zijn zaak tegen Van Poelgeest nog. De officier doet op 12 april 1935 uitspraak: de dominee wordt schuldig bevonden aan belediging en krijgt een boete opgelegd. De sfeer in de kerkenraad is totaal verstoord; er worden bittere opmerkingen over en weer gemaakt, ook in de richting van de Classis. “Men heeft groot ontzag voor de grenzeloze macht van dat college, dat ten duidelijkste heeft getoond niet tegen halve maatregelen op te zien”.

De Evangelisatievereniging

Een kwestie over geloofsvraagstukken komt ook in deze periode boven water. De kerkvoogdij vraagt aan de kerkenraad om enige diensten die door anderen ‘speciaal vrijzinnigen’ geleid kunnen worden. De kerkenraad vindt, dat het optreden van de predikant onder haar eigen bevoegdheid ressorteert en vraagt aan de kerkvoogdij naar haar uitleg van het begrip ‘vrijzinnig’. Intussen de Evangelisatievereniging opgericht. De ex-leider van de zondagschool wordt verweten ten tijde van de schorsing van de kerkenraad de school stiekem buiten haar om aan de Evangelisatie te hebben verkwanseld. De kerkenraad weigert vrijzinnige predikantsbeurten te hetalen. “Die gaan uit van de kerkvoogdij, die moeten ook maar betalen”. Het bestuur van de evangelisatie-vereniging wil in 1936 de zondagschool overbrengen naar het gehouw voor christelijke belangen. De evangelisatie zou volgens de kerkeraad tegen de kinderen gezegd hebben geleende boeken naar de nieuwe locatie te brengen. De koster wordt opgedragen geen spullen uit de kerk af te geven “opdat niemand met de eigendommen van de zomdagschool kan verdwijnen'”.
De kerkenraad laat een advertentie in het plaatselijke blaadje opnemen om tegen die praktijken te waarschuwen. De koster moet hij alle leden een circulaire over de affaire hezorgen. Men laat het bestuur van de evangelisatie weten dat van een overdracht van de zondagschool niets bekend is. “Het zal wel een privekwestie tussen een paar heren zijn geweest”, zo is de cynische aantekening in het notulenboek. Een onderhoud met het bestuur van de evangelisatie wordt afgewezen en brieven worden terzijde gelegd: “Waaraan ontlenen zij hun pretenties?”. Snerende opmerkingen over de ouderling W. en de diaken W. zijn in de vergadering aan de orde van de dag. Zoals hij de aanvraag voor een collecte


Jaarboek 15, pagina 26

van het Nederlands Bijbelgenootschap. Diaken W. blijkt ook nog penningmeester van de afdeling Castricum voor het genootschap te zijn. Aan het genootschap wordt melding gemaakt van het zoekraken van de bewuste 500 gulden uit de kas van de kerkvoogdij. Men zal de jaarlijkse bijdrage stopzetten tot een andere penningmeester is benoemd. In oktober 1938 willen ‘enkele belangstellende leden’ een onderhoud ‘over een belangrijke zaak’. De raad vindt dat zij eerst maar eens moeten laten weten waarover het gaat.

Andere zaken

Naast dit geharrewar zijn er ook nog andere zaken aan de orde. Een wanbetaler die zijn pacht niet kan opbrengen, beroept zich op onmacht, omdat de schelpen zo weinig opbrengen. Hij krijgt de raad zijn paard aan de begrafenisvereniging te verhuren. Ook de pachter van de Halve Appel aan de Papenberg kan zijn schuld niet hetalen. Hij klaagt over de slechte afwatering en overlast van koeien. Het polderbestuur zal in de wateroverlast voorzien. Er zijn belangstellenden voor de Halve Appel eerst makelaar Kuenen en later timmerman Res willen het als bouwterrein kopen. Res mag het in 1938 hebben voor de prijs van f 1,60 per m2, mits hij ook de pachter schadeloos stelt.

De armoede in de gemeente is groot. Menig pachter kan de pachtsom niet opbrengen, zodat men noodgedwongen vrijstellingen moet verlenen. Het onderhoud aan de kerk laat dan ook te wensen over. Zo moet men in 1937 besluiten om de klok niet meer te luiden. De architect heeft gewaarschuwd dat de toren op instorten staat. Aan de noodlijdenden worden giften in natura gegeven. Er is enige verbazing over een aanvraag om klompen, dekens en kinderkleding, waar de aanvrager niet eens getrouwd is. Verbazing ook dat de ontvangers van kerst- en paasbedeling zo weinig waardering tonen. Voor men nu tot bedeling overgaat, zal men een brief sturen of men het wel nodig heeft, en tenminste een bericht van ontvangst te sturen.

De oorlogsjaren

In een verdeelde Gemeente neemt Van Poelgeest op 29 januari 1939 afscheid in een overvolle kerk.
Hij de afscheidsbijeenkomst in het verenigingslokaal wordt hem de akte van ontslag overhandigd en volgt de teruggave van de sleutels van het archief. Hij overlijdt op 28 april 1944 te Wageningen en wordt in Bennekom begraven.
Over zijn opvolging is men het snel eens. Reeds op 16 februari wordt Ds. Johannes N. Seulijn uit Boxum beroepen. Zijn intrede volgt op Zondag 21 mei 1939. De dreiging van een oorlog is dan al duidelijk aanwezig. Hij wijst op de droeve tijdsomstandigheden; vooral in deze tijd heeft de kerk een taak die niet uit het oog mag worden verloren. En natuurlijk is het meningsverschil tussen de twee groepen er nog. De evangelisatie wil een morgendienst in het kerkgebouw houden om doopdiensten te houden en het avondmaal te vieren. Maar Ds. Seulijn heeft nog niet eens de tijd gehad om het dorp te leren kennen. Hij wil met het bestuur gaan praten. In het gesprek met de evangelisatie blijkt van het wantrouwen tussen het orthodoxe en het vrijzinnige kamp. Van enige toenadering is geen sprake.

De lokale strijd zinkt in het niet bij de catastrofe van wereldomvang. De Tweede Wereldoorlog is uitgebroken en Nederland is door de Duitsers bezet.
In verband met de aanleg van de versterkingen langs de kust worden grote delen van Castricum ontruimd; huizen worden afgebroken en bewoners geëvacueerd, of elders in de gemeente ondergebracht. De pastorie van de Nederlands Hervormde Kerk aan de Overtoom wordt door de Ortskommandant gevorderd en de dominee wordt gesommeerd te verhuizen naar een woning aan de Koningin Wilhelminalaan, inmiddels omgedoopt tot Piet Heinlaan. Op 26 november 1942 verhuist hij. Nog dezelfde dag krijgt hij bevel om zijn hele inboedel terug te brengen naar de pastorie; ook zijn meubilair is gevorderd. De volgende dag overlijdt de predikant plotseling: “De emotie verbonden met de zeer straffe evacuatiemaatregelen waaronder zijn gemeente zozeer moest lijden alsmede het predikantsgezin heeft hij met zijn zeer zwakke constitutie niet kunnen dragen”.

Aangezien er geen geld is, ‘de meest draagkrachtigen zijn vertrokken’ en er nog maar weinig lidmaten zijn, besluit men om voorlopig geen nieuwe dominee te zoeken. Vanwege de moeilijke reis is het niet eenvoudig om plaatsvervangende predikanten in de ring Haarlem te vinden. Men moet eerst de reis naar Haarlem ondernemen om een Ausweis aan te vragen. De spanningen vanwege geruchten over een op handen zijnde invasie op de Hollandse kust vereisen op 10 februari 1944 een spoedvergadering. Als gast is aanwezig de heer Pfundt; hem wordt advies gevraagd wat te doen bij bominslag in de kerk of bij luchtalarm. Bij luchtalarm geeft hij het advies: “dat men het samenzijn onder orgelmuziek verlengt. Jongeren moeten er zijn om bij brand bijstand te verlenen. Zand, schoppen en harken zullen achter in de kerk aanwezig moeten zijn. De kostbaarheden worden uit de kerk verwijderd en krijgen een veilige plaats ergens in de gemeente. De adviseur weet wel aan verbandmateriaal te komen”.

Men heeft een vervangende predikant gevonden in de persoon van Ds. J. Buyker uit Ouwerkerk, “wiens hele gemeente is geëvacueerd”. Hij wordt tijdelijk beroepen totdat hij naar zijn woonplaats kan terugkeren. De benoeming is nooit doorgegaan, want NSB-burgemeester Masdorp weigert om voor hem een vestigingsvergunning uit te schrijven.

Ds. Cannegieter

Uit de notulen van de eerste na-oorlogse vergadering van 16 augustus 1945 blijkt, dat de diensten tijdens de predikantloze periode zijn waargenomen door de consulent Ds. J. IJzerman, met behulp van collega’s uit Beverwijk en Wijk aan Zee. “De diensten waren goed bezocht en de offervaardigheid overtrof alle verwachtingen”. Lambertus Cannegieter wordt de opvo1ger van Ds. Seulijn en doet zijn intrede op zondag 1 september 1945. Hij wil “tot een zuivere verbouding met de orthodoxe evangelisatie komen”. Hij denkt dit te kunnen bereiken door het opzetten van o.a. jeugdclubs en het oprichten van een jeugdraad voor alle groeperingen. Het kiescollege moet ook door alle groeperingen gevormd en gesteund worden. De kerkenraad is de vete van voor de oorlog nog niet vergeten en enigen laten zich nogal laatdunkend uit over enkele personen. Een bestuurslid is het geharrewar kennelijk zat en laat zich bij de gereformeerde kerk inschrijven.

Zoeken naar een oplossing in het geschil

Dominee Cannegieter lijkt vastbesloten om de geschillen bij te leggen. Hij betrekt er Ds. Voet uit Schoten als bemiddelaar bij. Die onderscheidt vier groeperingen: de oorspronkelijke bewoners, die gehecht zijn aan kerkgebouw en kerkhof; dan de zwaar calvinistische stijl de evangelisatie; vervolgens zij die gehecht zijn aan de hervormde kerk zonder richting of stijl; tenslotte zij die los van alle gehechtheden bevrediging zoeken voor hun individuele behoeften in de kerk.
De problemen doen zich alleen voor bij de eerste twee groepen. Ds. Voet verwijt de Gemeente, dat zij meer aandacht schenkt aan de stembus dan aan de eredienst. Een resultaat is dat op 30 maart


Jaarboek 15, pagina 27

1947 een ouderling uit de orthodoxe groep wordt bevestigd. Cannegieter kan echter geen genade vinden in de ogen van het evangelisatiebestuur. Hij verklaart zowel de vrijzinnige als de orthodoxe leer in zich op te nemen, maar de evangelisatie mist “de geloofsbelijdenis in de vorm van de twaalf artikelen” in zijn predikaties. Georganiseerde gesprekken mislukken door gebrek aan belangstelling van de vrijzinnigen, die in het algemeen vertegenwoordigd worden door de oorspronkelijke dorpsbewoners. Het jeugdwerk trekt ook niet veel belangstelling. Er komt voor korte tijd toch enige vorm van samenwerking, maar het geschil is nog allerminst opgelost.

 Bij het afscheid van burgemeester Smeets in 1968 is een dienst met de gezamelijke kerken gehouden in de oude Pancratiuskerk. Met zijn echtgenote zit hij hier in het midden van de foto.
afb. 8 Bij het afscheid van burgemeester Smeets in 1968 is een dienst met de gezamelijke kerken gehouden in de oude Pancratiuskerk. Met zijn echtgenote zit hij hier in het midden van de foto.

Scheuring in de kerkenraad

In december 1948 zegt Ds. Cannegieter dat hij bij gerucht vernomen heeft van herleving van de evangelisatie. “Er is een groep die de diensten op Duin & Bosch of in Beverwijk bijwoont, of naar de radio luistert”. Een vergadering met de Heren Hessel en Joor bevestigt dit. Zij voelen zich in de eigen kerk niet meer thuis en wensen contact met predikant en kerk te verbreken. Het gaat om een tachtigtal personen, die onvrede heeft over de prediking van Cannegieter, die zij noch vrijzinnig noch orthodox vinden. Zij vragen om een aantal diensten onder leiding van een orthodoxe predikant. Cannegieter antwoordt, dat hij tot de oecumenische theologie behoort, die beide richtingen in zich verenigt. Hij stelt een vergadering met de 80 leden voor, maar Hessel zegt dat het geen zin heeft. “Men wil een orthodoxe dominee en afzonderlijke cathechesatie, zondagschool en clubwerk”. Tegen de uitdrukkelijke wil van Ds. Cannegieter in, gaat de kerkeraad akkoord. “Maar moet Jacobs of Joor het orgel dan bespelen?” De commissie voor geestelijke kerkvisitatie wordt geraadpleegd, die zegt, dat inwilliging van het verzoek zou neerkomen op afscheiding. Het broeit in de kerkenraad. En het komt tot een uitbarsting als in april 1949 de ouderlingen Van Gulik en De Mol het ambt neerleggen. Zij doen dit uit onvrede over de gang van zaken in de kerkenraad. Ook andere leden doen nu hun mond open en zeggen dat er het één en ander schort aan het overleg tussen predikant en de raad. President kerkvoogd Pfundt meent dat de dominee niet de juiste kijk heeft gehad op de mentaliteit van de Castricummer. Ds. Mudde van Duin en Bosch biedt aan om de ‘rechtzinnigen’ bij hem ter kerke te laten gaan.

Afscheiding in de kerk

De evangelisatie vindt dat de predikant zich te veel met haar werk bemoeit. Hij woont hun avonddiensten bij. Ds. Cannegieter mag dat van de kerkenraad niet meer. Daarnaast mag de dominee in het vervolg de predikanten van de evangelisatie niet meer uitzoeken. De stemming is dermate verziekt, dat er weer een bemiddelaar uit Heemskerk wordt bijgehaald. Een compromisvoorstel vindt geen genade bij het evangelisatiebestuur, dat zich in een circulaire tot haar leden wendt. In juli 1949 bereikt het conflict een dieptepunt als de evangelisatie besluit alle besprekingen stop te zetten en zich af te scheiden van de kerk. Kerkvoogd Tiggelaar zegt prompt zijn vertrouwen in Cannegieter op en vertrekt. De Noodraad voor Kerk en Evangelisatie wordt te hulp geroepen. Zij vaardigt Ds. Dijkstra naar Castricum af. Op 12 december 1949 zegt dominee Cannegieter toe te willen geven aan alle wensen van de evangelisatie. De kerkenraad zal de sprong in het duister maken. Joor: “Financieel in het duister, maar geestelijk in het licht”. Er wordt voor een jaar een hulpprediker benoemd. Voor alle zekerheid besluit het evangelisatiebestuur om haar eigen gebouw aan te houden voor het geval die hulp weer wordt ontslagen. Temidden van alle gekrakeel zijn er nog andere zaken, die de aandacht vragen. In november 1949 wordt het grote aantallen aanvragen om steun genoteerd. Zaken over rusthuizen voor huisvrouwen, het werk van ‘De Open Deur’, emigratie en het ‘Protestants Interkerkelijk Thuisfront’ passeren de revue.

Aanhoudende problemen

De beoogde toenadering blijft vooralsnog een vrome wens, want in april 1950 houdt de evangelisatie weer een avondmaaldienst in het eigen gebouw. De ‘Jonge Kerk’ floreert niet, de jongensclub en de commissie van bijstand voor het jeugdwerk leiden een kwijnend bestaan. “Waarom houdt de jeugd zich afzijdig?”, vraagt de dominee zich vertwijfeld af. Ook het kerkkoor laat het afweten, het is zodanig verzwakt dat hij zich afvraagt hoe het naderende kerstfeest te vieren. Het koor heft zichzelf in november 1951 op. Maart 1951 verzoekt de Evangelisatie om een afgevaardigde uit de kerkenraad bij haar Avondmaal op Goede Vrijdag. Een spreker vreest echter “dat de dominee niet alle haat en nijd van harte zou hebben afgelegd, wanneer hij zou uitnodigen tot de tafel des Heeren te komen”.
De emotionele bijeenkomst van de kerkenraad met het evangelisatiebestuur wordt besloten met een dramatische dankzegging aan God: “dat hij Christus had laten sterven, beladen met onze zonden en de bede, of ook deze nederlaag van het niet tot overeenstemming te zijn gekomen als broeders in Christus, met hem aan het kruis mee opgedragen mocht zijn”.

Restauratie van het kerkgebouw

De deprimerende stemming in de Gemeente wordt nog eens versterkt door de toestand waarin het kerkgebouw zich bevindt. Het dak lekt en de verwarming is ‘voor de naderende winter’ onvoldoende, zodat het gebouw niet meer geschikt is. De architect zegt, dat de restauratie – voor het te laat is – spoedig uitgevoerd moet worden. Men besluit om daartoe land te verkopen. Biesterbos is de koper van een stuk land aan de Groenelaan. Er zijn ook andere ideeën om aan geld voor het restauratiefonds te komen, zoals de verkoop van bouwstenen, Hugenootkruisen, foto’s van de kerk, voorts het vertonen van films met verloting en een expositie van kindertekeningen van de zondagschool. Door de restauratie kan het gebouw enige tijd niet gebruikt worden. Men stelt voor om de evangelisatiekapel als noodvoorziening te gebruiken. “Of zullen we in de Bioscoop gaan kerken?”

Kerkvoogd Pfundt en notabele With willen hun ambt neerleggen, als er geschikte opvolgers zijn gevonden. Pfundt wijst nog eens op de verwijdering tussen voogdij en predikant. De door de


Jaarboek 15, pagina 28

Algemene Synode voorgestelde kerstontmoeting ‘Kerk en Wereld’ is hier onuitvoerbaar wegens gebrek aan hulp door de leden. Ook de zendingscollecte gaat om die reden niet door. In 1951 wordt de kerk bij de Classis van Alkmaar ingedeeld, hetgeen wordt betreurd.

Van Deelen zal ‘een bekwaam monteur’ sturen om de schrijfmachine te laten repareren, die is niet meer geschikt om stencilwerk voor het gemeenteblaadje te maken. Niemand is overigens nog bereid om dat blaadje rond te brengen. Op 3 januari 1952 zegt Van Deelen geen ouderling te willen worden. Hij vindt dat er twee kandidaten uit de Evangelisatie moeten komen. Joor en Heringa worden gekozen, maar de Evangelisatie reageert er niet eens op, zodat de benoeming niet doorgaat. Triest wordt in november gememoreerd, dat de noodzakelijke lakens voor de avondmaalstafel ontbreken en voor de Kerst van 1952 nog eens geleend moeten worden. Cantor Witbaard doet een voorstel om een tweede orgel aan te schaffen. Het vindt geen genade, in het orgelfonds zit maar 1.000 gulden en men wil geen lening aangaan voor de resterende f 3.500,-. Er wordt voorgesteld om de grote pastorie voor andere doeleinden te gebruiken, zoals een dependance voor ‘huize Westerlicht’ in Alkmaar. In juli 1955 vraagt wethouder Veldt ‘slechts informatief’ of in de pastorie enige schoollokalen ingericht zouden kunnen worden.
In verband met de stormramp van 1 februari 1953 wordt 1.000 gulden aan het Rampenfonds geschonken, de collecte heeft het bedrag van f 438,32 opgebracht. De collecte van de Evangelisatie levert f 152,67 op. De kerkeraad wil dit als een bedrag uit de gemeente Castricum schenken.

Dominee Cannegieter vertrekt

De dominee wakkert de gemoederen nog eens aan door zich te verzetten tegen de wijze van heffing van de hoofdelijke omslag. Het College van Toezicht van Alkmaar heeft gezegd dat de kerkelijke bijdrage van een half procent tenminste een procent zou moeten zijn. Cannegieter moedigt ook anderen aan zich te verzetten. De kerkenraad kan zijn houding allerminst waarderen, maar hij volhardt in zijn mening. Als gevolg van de heffing komen vele opzeggingen binnen. De kerkenraad weet niet meer uit de moeilijkheden te komen en in de vergadering van 14 maart 1953 leggen vier personen met onmiddellijke ingang hun ambt neer. Drie daarvan zeggen zelfs zich van alle kerkenwerk te zullen onthouden. Diaken D. van Deelen zegt eigenlijk ook zijn ambt neer te willen leggen. Hij stelt voor om een geheel nieuw bestuur te kiezen om uit de problemen te komen. Het College van Toezicht zegt dat er maar een oplossing mogelijk is: Cannegieter zal een andere standplaats of functie moeten krijgen. Ds. Cannegieter houdt de eer aan zichzelf en vertrekt naar het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Hem wordt per 1 oktober 1955 door de classis van Haarlem eervol ontslag verleend “wegens overgang tot een andere staat des levens”.

De oplossing

Op 20 september 1955 komt de gehalveerde kerkenraad, die reglementair wordt gecompleteerd door vertegenwoordigers uit de kring Haarlem nog eens met Ds. Cannegieter bijeen.
Cannegieter spreekt de hoop uit dat de gemeente onder zijn opvolger tot groter bloei mag komen. Consulent Ds. Maessens uit Heemskerk gaat eerst met alle groeperingen praten alvorens zich over de vacature te buigen. Op 21 december 1955 wordt daartoe een informatieavond voor de gehele Gemeente gehouden. Zijn voorstel tot aanstelling van een predikant voor een Gemeente in herstel vindt men niet nodig. De profielschets bepaalt dat de nieuwe leraar iemand moet zijn die de “Bijbel als richtsnoer heeft met een confessionele zienswijze, boven de richtingsstrijd staat, Christelijk Onderwijs bevordert, huisbezoek aflegt en vertrooster is voor de zieken’, ‘De predikantsvrouw in de gemeente moet in de eerste plaats de predikant een goed tehuis bezorgen, evenwichtig zijn en rust geven in het gezin”.
Men heeft anderhalf jaar nodig om de beroeping van een nieuwe predikant voor te bereiden. Uit drie kandidaten wordt Ds. Jean Papineau Salm uit Colmschate gekozen: “omdat hij Holland kent”. Hij heeft o.a. eerder in Julianadorp en op Texel gestaan.

Deze foto is gemaakt bij het afscheid van Ds. Papineau Salm en op 28 april 1973 gepubliceerd in het orgaan van de gemeente ’Hervormd Castricum'. In de begeleidende tekst wordt het echtpaar lof toegezwaaid voor hun grote verdienste voor de gemeente.
afb. 9 Deze foto is gemaakt bij het afscheid van Ds. Papineau Salm en op 28 april 1973 gepubliceerd in het orgaan van de gemeente ’Hervormd Castricum’. In de begeleidende tekst wordt het echtpaar lof toegezwaaid voor hun grote verdienste voor de gemeente.

Oecumene

Jean Papineau Salm doet zijn intrede op zondag 22 september l957. Hij vraagt de gemeente om medewerking en “geduld met mijn ongeduld”, kritiek en openhartigheid. Hij wordt geconfron-
teerd met oecumenische activiteiten in het dorp, Kapelaan Heemskerk wil een gemeenschappelijke kerstwijdingsdienst vieren in cafe’de Vriendschap’ van de heer Roozendaal. De dominee stelt een wijdingsavond voor met de rooms-katholieken en de gereformeerden in de Stille Week van 1958. Op de eerste paasdag wordt een openluchtgetuigenis gehouden met de rooms-katholieken, waarbij burgemeester Smeets ‘een kapittel’ uit de bijbel voorleest. Bovendien stelt hij voor om – bij toerbeurt door de hervormden en de gereformeerden – om de week een dienst te houden in de kerktent bij ‘het tentenkamp’ in Bakkum. Met groot succes wordt op 24 juli l958 in samenwerking met kapelaan Heemskerk een lekenspel opgevoerd op het Geitenweidje bij Johanneshof. Het wordt uitgevoerd door de Horstspelers bij wijze van manifestatie ‘Eenheid in de kerk’. De oud-katholieken mogen eens in de zes maanden in de kerk een dienst houden. De jaarlijkse Lutherherdenking wil hij gezamenlijk in de gereformeerde kerk houden. Ben ouderling van de Gereformeerde kerk vraagt om als gast de avondmaalsviering te mogen bijwonen. Men zal met hem gaan praten en bij de Synode informeren.

Er is ook een gesprek over ‘de vrouw in het ambt’. In januari 1959 wordt kapelaan Van der We1 gevraagd om het roomse stand punt toe te lichten in de catechesatie over ‘het verschil tussen Rome en ons’. Aan Ds. Van der Zee wordt hierover de mening van de gereformeerden gevraagd. Al spoedig blijkt Papineau Salm twee dagen op Duin en Bosch te moeten werken. Per 1 januari 1957 was de ‘gestichtsgemeente’ opgeheven, waardoor men onder Castricum is komen te vallen. Er heerst een geprikkelde stemming over deze tegenvaller.


Jaarboek 15, pagina 29

Als enige maanden later zal blijken dat er nog meer patiënten naar Duin en Bosch komen door de sluiting van het psychiatrisch ziekenhuis in Medemblik. vraagt hij om een hulpprediker, aangezien dat werk niet meer vol te houden is. Op 3 mei 1957 neemt men afscheid van ouderling Hessel, die naar Canada emigreert.

Een nieuwe tijd

De evangelisatie is intussen opgeheven en heeft haar bezittingen verkocht of weggeschonken. Van de opbrengst schenkt men aan de gemeente een avondmaalstafel “als teken van eenheid in de kerk”. Als teken van nieuw elan wordt het kerkkoor weer opgericht, het staat onder leiding van de Heer Teer. Fotograferen in de kerk vindt men op 9 mei 1958 nog taboe, maar na protest – er zijn drie huwelijken kort na elkaar aangekondigd – wordt in een spoedoverleg besloten, dat men wat overhaast heeft besloten en het ‘onder strenge voorwaarden’ zal toestaan. Een ander nijpend probleem komt van de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Gemeenschap (VCJG): “mag men bij éeen gezellige vergadering in het vergaderlokaal een dansje houden bij een pick up?”. De ouderen vinden het niks. Bij gebrek aan een jeugdhuis moet het dan maar. De dominee wil wel eens weten hoe men over zijn diensten denkt: “Ik word weliswaar temidden van de Gemeente bedankt voor mijn prediking, maar ik wil nu wel iets concreters horen”. Hij krijgt naar zijn mening weinig respons, want enkele maanden later herhaalt hij zijn vraag. Men wil dan wel een discussie, maar dan ‘in een rustige ruimte, waar geen geld geteld wordt’. De predikant komt met nieuwe plannen: bijeenkomsten met zangkoor en muziek op drie zomeravonden in 1959 voor de ‘badgasten’ in de oude kerk. Hij regelt ook een gesprek op 2 oktober 1959 over de NVSH: “Er is teveel valse schaamte, de kerk mag het probleem van geboortebeperking niet uit de weg gaan. Het vormt een bedreiging van het huwelijksgeluk”, aldus de ouderling die het onderwerp aansnijdt.

Ontkerkelijking

Tegen een markt op Goede Vrijdag heeft men geen bezwaar, zo wordt aan burgemeester Smeets medegedeeld.
Ondanks het goede en verfrissende werk van Papineau Salm ontkomt de kerk niet aan de geest des tijds. Ook in de hervormde kerk neemt de ontkerkelijking snel toe. Vele opzeggingen komen binnen. Er zijn in 1960 zo’n 400 gezinnen ingeschreven, die doorgaans bij huisbezoek weinig respons geven en onwennig reageren. In oktober wordt besproken hoe de jeugd te benaderen. Ouderling Lodder laat een bandje op de geschonken bandrecorder horen met muziek ‘op Calypso- en Jazzrythme’ volgens de experimenten van Ds. De Bruine en Ds. Julius. De ouderen vinden het ‘zo vreemd’, ouderling Bosch echter wil er alles aan doen om de jeugd te pakken. En de dominee wil de Gemeente meer in de liturgie betrekken. Het vierde notulenboek van de hervormde kerkenraad sluit in 1961. Op de voorlaatste vergadering merkt ouderling Cretier op, dat het kerkkoor “bloedarmoede lijdt, vooral door gebrek aan mannelijke donors”.

Besluit

Het boek sluit in december 1961 met een verslag van de gezamenlijke vergadering van de kerkenraad met het College van Notabelen en Kerkvoogden. Men memoreert nog eens de status van het college. Het is na de Franse revolutie in het leven geroepen toen godsdienst geen staatszaak meer was. Men trad in de plaats van de overheid. Het is van afkomst geen kerkelijk college. Men heeft het beheer over de kerkelijke goederen; de fondsen en het onderhoud van de gebouwen. De kerkvoogdij moet in de kerkeraad opgenomen worden. De leiding van de kerk berust nu bij de kerkenraad.
Met de vermelding van deze notulen uit 1961 wordt de beschrijving van ruim vier eeuwen geschiedenis van de Nederlands Hervormde kerk afges1oten.
De gemeente heeft zichzelf na de komst van Ds. Papineau Salm weer snel hervonden en zich hersteld van de onverkwikkelijke twisten, die zo vele jaren de kerk verscheurd hebben. Ondanks de ontkerkelijking die zich vanaf de vijftiger jaren landelijk heeft voltrokken, is de kerk tot bloei gekomen.

In de afgelopen jaren zijn plannen gemaakt om noodzakelijke restauraties aan het kerkgebouw mogelijk te maken. De Castricumse bevolking heeft in 1991 massaal gereageerd op verzoeken om geldelijke steun. Daaruit blijkt de centrale plaats, die de kerk in het dorp heeft. Het fraaie gebouw is inmiddels in 1992 gerestaureerd en in voIle glorie herrezen. Het zal hopelijk tot in lengte van dagen voor Castricum behouden blijven.

F. Baars

Verantwoording:

Dank is verschuldigd aan mevrouw E.A. Steeman – Borst voor haar onderzoek van het oudste gedeelte van het archief van de Nederlands Hervormde Kerk en aan de oud-archivaris van de kerk de heer J.H. Hoffman voor zijn adviezen.

Bronnen:

  • Archief van de Nederlands Hervormde Kerk.
  • Hoffman, J.H., De oude Pancratiuskerk, uitg. van de kerkvoogdij, 1988.
  • Kol, ir. J., In Parochialis Ecclesia de Castringhem, Castricum 1992.
Lijst van predikanten 1584 - 1992.
afb. 10 Lijst van predikanten 1584 – 1992.

1 maart 2018

Pancratiuskerk tot reformatie (Jaarboek 15 1992 pg 4-16)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 15, pagina 4

De parochiekerk Sint Pancratius tot aan de reformatie

Castringhem, dorp in Kennemerland

De hier gebruikte naam Castringhem is ontleend aan de oudste geschiedbronnen van de abdij van Egmond. Hoewel archeologische vondsten dateren uit de eerste eeuwen na Chr. en nog vroeger, is uit deze oude plaatsnaam met de uitgang -inghem of -heem af te leiden, dat bij stamt uit de vroege middeleeuwen, de 6e – 9e eeuw (4). De eerste verklaring van deze naam is, dat hij komt uit het kustgermaans van na de volksverhuizing, en samengesteld is uit een persoonsnaam en de uitgang – inghem, duidend op een nederzetting aan water, hetgeen in die tijd ook het geval was. Een andere gaat er van uit, dat de omgeving van Velsen, waarin een koningsgoed lag – een schenking van Karel Martel aan Willibrord -, reeds vroeg een Frankische invloed onderging. De namen Scupilddem (Schepelenberg) en Castringhem zouden dan kunnen zijn afgeleid van een gallo-romeinse naam.

De andere helft van het dorp

De banne van Castricum bestond uit vijf buurtschappen. In het oosten, op geestgrond gelegen, de buurten Noordend, Oosterbuurt en Heemstede, in het westen Kleibroek (aan Duin) en Kerkbuurt.
Op oude topografische kaarten van Castricum uit de 17e en 18e eeuw lijkt het westelijke deel van het dorp te ontbreken, of beter gezegd onder het duingebied te zijn verdwenen. De kerk lag nu niet bepaald in het midden, maar in het westen van het dorp. De Kerkbuurt werd toen slechts van de duinrand gescheiden door een smalle strook, die bij de Kleibroek behoorde. De in de 8e – 10e eeuw voortdurend in kracht toenemende zandverstuivingen deden eerst de ‘oude duinen’ ontstaan, die plaats moesten maken voor de ‘jonge duinen’. Bij de vorming van de hoge duinheuvels, eerst in de 12e of 13e eeuw, schoof een steile duinwand steeds verder naar het oosten op. In Castricum is deze later door zandafgravingen nogal aangetast. Wij menen dat, evenals in Heemskerk het geval is, ook in Castricum aanvankelijk een ‘Duinbuurt’ heeft bestaan. Dit zou verklaren, dat de Kleibroek soms Kleibroek aan Duin wordt genoemd. Voor 1200 zou er een ‘Duinbuurt’ geweest kunnen zijn, waartoe omgekeerd de Kleibroek (broek is drassig stuk land) behoorde. Hierbij wordt aangenomen dat met de Kerkbuurt mee er altijd vijf buurten hebben bestaan. Er moet dan een migratie naar de oostelijk gelegen buurten hebben plaats gevonden (5).

Het dorp krijgt een kerk

De buurtschappen op de geestgronden kwamen spoedig in aanraking met het christendom door Angelsaksische zendelingen, waaronder Willibrord en ook Bonifatius. Zij brachten hun missie vanuit het oude Romeinse steunpunt Velsen. Later de eerste hoofdkerk van het decanaat Kennemerland. Omdat alleen de kuststrook nog maar was bewoond. werden hier de eerste, houten kapellen gebouwd in S. Agathenkirica (Beverwijk), Hemezenkirc, Castringhem, Limbon, Thorengest (Dorregeest). Heiligheloo en Scoirle. In sommige van deze dorpen zijn bij opgravingen in en rond de oude kerken resten van houten gebouwtjes aangetroffen. De traditie wil dat in het dorp Castricum omstreeks 900 al een kapel heeft gestaan, gebouwd tegen een uitkijktoren (6).

Het kerkgebouw gezien vanuit het noordoosten.
af. 1 Het kerkgebouw gezien vanuit het noordoosten. Tekening Nico Lute.

Hoe de parochie van Castricum is ontstaan, en in welk jaar zij zelfstandig werd, kan men hoogstens vermoeden. Castricum is de plaats waar de oeroude weg vanaf Velsen naar het noorden zich splitst in de richting van Limmen en Heiloo op de oude strandwal en de richting Bakkum en Egmond door het jongere duin. Een dochterkerk van de abdij van Egmond was ze niet. Zij komt niet voor op de kerkenlijst uit het Liber Sancti Adalberti (ca 1150) en gezien de strijd van de Castricummers tegen de monniken en buren van Egmond omstreeks 1100 ligt het ook niet voor de hand. De meest zuidelijke kapel, die de abdij stichtte was in 1351 in Bakkum. Maar lang voor die tijd moet Castricum al een parochie in volle rechten zijn geworden, hoewel pas in 1351 de eerste pastoor bij name wordt genoemd: Dirck Gerritsz. van Nortich (Noordwijk), die door de graaf van Holland het huis Cronenburg als woning kreeg toegewezen.

Dat Castricum een dochter van Limmen zou zijn geweest is zeer onwaarschijnlijk. Zij zou dan ongetwijfeld met de moederkerk Limmen en dochterkapellen Akersloot en Uitgeest in 1108 aan


Jaarboek 15, pagina 5

het kapittel van St. Marie in Utrecht zijn overdragen (7). Ook is er geen indicatie, dat Velsen de moederkerk zou zijn. Als zodanig komt Heemskerk wel en Castricum niet voor op de lijsten in een sacramentarium van het klooster Echternach uit de 11e eeuw. De strijd om het bezit van de ‘Echternachse kerken’, waartoe de kapel ‘Hemezenkirica, of ’Emecekirca’ behoorde, gevoerd door de abdij van Echternach (waar Willibrord stierf als abt), de bisschop van Utrecht (waarvan hij de eerste bisschop was) en de Hollandse graven werd ten gunste van de laatsten beslist. Of de Heemskerkse kapel werkelijk een dochter van Velsen was is niet zeker; de bisschop van Utrecht beschouwde haar als een aan het bisdom behorend soort wildgroei (8).

Nu was in de 12e en 13e eeuw het collatierecht van de parochies van Heemskerk en Castricum in handen van de Heren van Haerlem, ambachtsheren van beide dorpen. Zij bezaten reeds in 1100 landgoederen in Heemskerk en onderhielden een nauwe relatie met de abdij van Egmond. Allard van Haerlem is daar abt geweest (1105-1120) en minstens vier familieleden monnik. Allard van Haerlem, die van zijn voorganger Steven moest trachten een gevecht met de buren van Castricum in der minne te schikken, slaagde daar niet erg in. Als abt heeft hij later nog veel last van hen ondervonden bij pogingen de abdijgronden tegen overstromingen te beveiligen (l0).

Na het uitsterven in mannelijke lijn, vervielen de rechten van het geslacht van Haerlem aan de grafelijkheid. Graaf Willem III droeg op 2 april 1319 ‘de ghifte van die kercke van Heemskerck’ over aan de Commandeur van St. Jan te Haarlem. De Heren van Assendelft werden beleend met de heerlijkheden Heemskerk en Castricum en met het collatierecht van de kerk van Castricum.

De van Haerlems zijn mogelijk de opvolgers geweest van een geslacht, waartoe Emece  – een in die tijd meer voorkomende naam – behoorde, de stichter van Emecekirica. Hij zou ook de kerk Castricum gesticht kunnen hebben (8,40). Opvallend daarbij is de overeenkomst tussen de namen Heemskerk en de op geestgrond gelegen buurtschap Heemstede, ‘woonplaats van Emece’. Heemstede behoorde tot de banne Castricum, maar welgestelde ‘buren’ konden zeker land in andere dorpen bezitten. Daarentegen kan de kaarsrechte banscheiding een aanwijzing zijn, dat de grens eerst later definitief werd vastgesteld bij de aanleg van de Korendijk in de 12e eeuw.

Sint Pancras

De schutspatroon van de parochie, St. Pancratius, behoort tot de groep martelaren uit de christelijke oudheid, die in de middeleeuwen opnieuw zeer populair werden. Op het martelaarsgraf van Pancratius, volgens de overlevering in het jaar 304 op 14-jarige leeftijd onder keizer Diocletianus met het zwaard onthoofd, liet paus Symmachus omstreeks 500 een basiliek bouwen. Vanaf dat tijdstip nam de verering van St. Pancratius sterk toe, ook buiten Rome.

In de Frankische tijd werden bepaalde heiligen in het bijzonder door adellijke geslachten vereerd. Tot deze ridderheiligen behoorden St. Joris, St. Catharina (Van Assendelft) en St. Pancras. De verering van de laatste is sterk gestimuleerd door de oost-Frankische koningen. Vanuit de door hen gestichte kapellen raakte St. Pancras in het noordwesten van Duitsland en in het bisdom Utrecht bekend (9). Van de talloze kerken en kapellen in het bisdom van omstreeks 1100 – 1400, zijn er 24 bekend als gewijd aan St. Pancras. Hiervan is minstens de helft, waaronder vier slotkapellen, door de adel gesticht of in bezit gehouden.

De patroonheilige van de parochiekerk van Castricum wordt ten onrechte wel eens in verband gebracht met de abdij van Egmond. In een nogal onduidelijke beschrijving van een gebrandschilderd raam in de (nieuwe) Pancratiuskerk, waarop de schutspatroon is afgebeeld lezen we: ‘Pancratius werd in Nederland vooral bekend door de abdijen van Egmond en Utrecht(?), Castricum kreeg van de abdij Pancratius als patroon toegewezen’.

Nu werd in het bisdom de feestdag van St. Pancras (12 mei) vanaf de 12e eeuw tot 1525 als een zondag gevierd, een festum fori. Op de kalender van het kerkelijk jaar in de abdij van Egmond, komen naast de algemene feesten van de kerk en van de lokale heiligen Adelbert en Jeroen, ook de feesten van het bisdom Utrecht voor, waarbij echter Pancratius, Remigius en Lebuinus ontbreken (10).

Het koor aan de zuidzijde voor 1953.
afb. 2 Het koor aan de zuidzijde voor 1953, archief Architectenbureau Rappange B.V.
Zuidgevel westzijde voor 1953.
afb. 3 Zuidgevel westzijde voor 1953, archief Architectenbureau Rappange B.V.

Beschouwen we het gebied, dat geografisch omschreven kan worden als het stroomgebied van de vroegere veenrivieren de Schermer en de Wogmer, waar dochterkerken van Heiloo ontstonden: Alkmaar, Oudorp, Vronen, Schermer, Mijsen en Wognum. De abdij van Egmond, die van de graven van Holland de oude Echternachse mater Heiloo met deze dochterkerken had verkregen, breidde in dit gebied het aantal parochies uit en stichtte in haar eigen omgeving ook een aantal kerken en kapellen. Als patroonheilige komt St. Pancras hier niet voor, behalve dan bij de kapel ‘Sinte Pancraes’, in 1487 tot parochiekerk verheven. Maar Sint Pancras ligt bij het in 1297 verwoeste dorp Vronen. Vronen duidt op een ‘heerlijk’ domein, zodat de kapel zijn patrocinium (red: beschermheilige) vermoedelijk te danken heeft aan de adellijke bezitter al voordat de abdij er zeggenschap kreeg. Zo ondersteunt ook de naam van de patroonheilige van Castricum de opvatting, dat we te maken hebben met een heel oude en mogelijk door een adellijk heer gestichte parochie.


Jaarboek 15, pagina 6

Onderzoek in 1953 van de zuidgevel; achter een los staande bakstenen muur komt de oude muur van tufsteen te voorschijn met een romaanse vensteropening.
afb. 4 Onderzoek in 1953 van de zuidgevel; achter een los staande bakstenen muur komt de oude muur van tufsteen te voorschijn met een romaanse vensteropening.

Het romaanse kerkgebouw

Gelukkig kan de oude dorpskerk, het enige monument dat Castricum bezit en in onze provincie ook een uniek monument is, ons veel vertellen. Bij onderzoekingen tijdens een voorgaande restauratie in de jaren 1953-55 zijn veel gegevens over de bouwgeschiedenis bekend geworden. Het kerkgebouw, zoals wij dat kennen, is ontstaan door vergroting en uitbouw van een romaans kerkje zonder toren, dat in de 11e eeuw moet zijn gebouwd. Er zullen in Noordholland zeker meer romaanse kerkjes geweest zijn. Zij zijn echter in de late middeleeuwen door de behoefte aan meer ruimte en luister vervangen of zo grondig verbouwd in gotische stijl dat er weinig romaans van over is gebleven.

Nadat de bisschopszetel 70 jaar lang naar elders was verplaatst als gevolg van de invasies van de Vikingen, vestigde bisschop Balderik zich omstreeks 920 opnieuw in Utrecht en kon het centrale gezag van de kerk worden hersteld (12). In de 11e eeuw werd het bisdom strakker georganiseerd; diverse taken van de bisschop werden gedelegeerd. Bestuurlijk werd het bisdom opgedeeld in aartsdiaconaten, die een of meer reeds bestaande decanaten omvatten. Naarmate macht en bezit aan goederen van het bisdom toenamen, werden op veel plaatsen de vernielde, vervallen of geheel verlaten houten kerkjes vervangen door stenen gebouwen.

Ook het romaanse kerkje van Castricum stamt uit die tijd. Dit blijkt uit de zeer eenvoudige fundering, aangelegd op het zandbed van de geestgrond slechts 80 cm onder het maaiveld. Verder uit het bouwmateriaal van de muren, bestaand uit trachiet, een tot omstreeks 1200 toegepaste tufsteensoort uit Duitsland. Tenslotte de manier van bewerken, waarbij de tufsteenblokken voor het schone werk werden vlakgehakt, kantrecht gemaakt en voor de rest ruw gelaten. Deze blokken werden vervolgens gesorteerd in lagen van ongelijke hoogte, waarmee tegelijk een buiten- en een binnenmuur werden opgetrokken. Er werd gemetseld met een mortel van duinzand en kalk van primitief gebrande schelpen, die in overvloed langs de kust voor handen waren. De slecht verwerkte mortel was toch vrij hard en taai. De ruimte, die bij een geveldikte van ca. 90 cm tussen de beide muren overbleef werd opgevuld met het afgekapte puin. Door deze manier van bouwen was de samenhang tussen de kern en de buitenkanten van de gevels vaak weinig stabiel, hetgeen veel onderhoud vergde (13).

De eerste stenen kerk van Castricum is een typisch voorbeeld van de eenvoudige tufstenen zaalkerkjes uit de romaanse bouwperiode. Zonder toren, met vlakke muren, waarin hoog boven de vloer kleine rondboogvensters waren gemaakt en een smaller vierkant koor met een halfronde sluiting. Het kerkschip, inwendig 21.7 m lang en 9,4 m breed, was verdeeld in 6 traveeën, waarvan de 4 middelste l0 Rijnlandse voet (ruim 3 m), en de buitenste 14,6 voet (ruim 4,5 m) maten.

In de zijgevels werden, op een na, in alle traveeën kleine rondboogvensters in romaanse stijl gemaakt. Uit het onderzoek van de muren en hierin gevonden steenmateriaal konden de plaats, de vorm en de afmetingen van de vroegere romaanse vensters worden achterhaald. Gerekend vanaf de westzijde werden de eerste twee vensters in de noordgevel en het tweede aan de zuidzijde weer aangebracht. Van de vensters van het voormalige 4e travee werd de buitenkant herbouwd en de lichtopening dichtgezet met baksteen. De reconstructie van deze romaanse vensters is door Reder (11) uitvoerig beschreven.

De vroegere ingangen in de zijgevels konden aan de hand van nog aanwezige fragmenten geheel worden gereconstrueerd. De huidige zuidingang is iets meer naar het oosten opgeschoven en dateert blijkens het aangebrachte jaartal uit 1634. De plaats van de westelijke muur van het kerkje, een sluitgevel met hoofdingang, kon worden bepaald doordat bij de opgravingen in de jaren rond 1950 het hoekverband in de fundering van de noordgevel te voorschijn kwam. In de zuidgevel is deze door latere verbouwingen verloren gegaan.

Ook werden de fundamenten van de 80 cm dikke zijmuren en een aanzet van de oostgevel van het romaanse koor ontdekt. Het koor bleek inwendig 6 x 6 m te meten. Het moet de symbolische vorm van de kubus hebben gehad. Als onderdeel van de restauratie in 1992 werd, ter bestrijding van het vochtprobleem van de muren, rondom aan de binnenzijde van de muurfundamenten van de gehele kerk een drainagesysteem aangelegd. Hiervoor werd een sleuf gegraven tot aan de grondslag van de muren. Dit schiep de mogelijkheid de fundaties nog eens te bestuderen. In het koor kwamen de ondergrondse delen van de zijmuren van het oude koor weer te voorschijn (13). De gemeten lengte van deze zijmuren tot aan de triomfboog was buitenwerks 6,80 m. Bij het maken van de sleuf langs de muren is thans het grootste deel van de restanten van het vroegere koor weggegraven.

Op grond van een vergelijking met andere uit de romaanse stijlperiode stammende kapellen in zuidelijker streken kwam Reder tot de conclusie dat het kerkje van Castricum in de eerste helft van de 11e eeuw moet zijn gebouwd. Nu was Noordholland in de vroege middeleeuwen in veel opzichten een uitboek van West-Europa, zodat de romaanse en later ook de gotische bouwstijl hier wat later werden toegepast. Toch lijkt de datering van de bouw van de romaanse kerk in de 11e eeuw, op zijn laatst omstreeks 1100, op grond van het voorgaande zeer aannemelijk.


Jaarboek 15, pagina 7

Uit de vrij grote afmetingen van een zo vroeg stenen kerkgebouw mag worden afgeleid, dat we in Castricum te maken hebben met een zeer oude parochiekerk. De aanduiding ‘St. Pancratiuskapel’ van Reder is enigermate misleidend. Reeds eeuwen voordat de kerk rond het jaar 1500 werd vergroot, was zij een parochiekerk met volle rechten. De parochiale indeling berustte op de samenvoeging van buurtschappen tot kerspelen (red: kerkgemeenschap, parochie). De buurtschappen op de geestgronden, die reeds bestonden bij de komst van de christelijke kerk, werden samengevoegd tot parochies, waarvan de grenzen ruwweg samenvielen met die van de ambachten of bannen. Zij kregen al vroeg het doop- en begrafenisrecht en konden als zelfstandige kerken worden beschouwd. De overige kerken zonder volle rechten werden ‘capellae parochiales’ genoemd. ‘Kapelle’ is nog terug te vinden in sommige dorpsnamen. De naam capella wordt later alleen nog gebruikt voor een gewijd gebouw met altaren, ressorterende onder een parochiekerk (12).

De parochie van Castricum heeft vermoedelijk dezelfde hoge ouderdom als die van Limmen, Heiloo en Schoorl. Zij vielen in de Frankische tijd onder de plebaan van de hoofdkerk Velsen. Het is niet onwaarschijnlijk dat de parochie van Castricum zelfstandig werd in de 11e eeuw omstreeks de tijd dat de eerste stenen kerk werd gebouwd. De stelling van Cordfunke (15), die de moederparochie van deze streek Heiloo was, van waaruit alsmede vanuit de iets later gestichte parochies Limmen en Schoorl het christendom zich in Kennemerland heeft verspreid is naar ons gevoel onvoldoende op feiten gebaseerd.

De reconstructie van de romaanse tufstenen kerk van Castricum maakt het mogelijk zich een beeld te vormen hoe de eerste stenen kerken in deze streek eruit hebben gezien. Bovendien is zij een aanwijzing, dat de parochie van Castricum veel ouder is, dan vaak wordt aangenomen.

De verbouwingen rond het jaar 1500

Veel kerken in de omgeving van Castricum zijn verwoest in het jaar 1573 bij de Spaanse aanval op Alkmaar. Uitzonderingen waren, behalve Castricum zelf, de kerken van Uitgeest en Assendelft. De prachtige laat-gotische kruiskerk van Assendelft, bekend door de afbeeldingen van Pieter Saenredam, werd helaas in 1852 afgebroken. De latere verbouwingen van het romaanse kerkje uit de 11e eeuw hebben de kerk van Castricum het aanzien gegeven, zoals die zich nu aan ons voordoet.

In Uitgeest is de huidige dorpskerk ontstaan door vergroting van een kruiskerkje. Met de bouw daarvan werd eerst begonnen omstreeks het jaar 1300 op een plaats, waar voordien zeker geen kerk heeft gestaan (7).

Omdat beide kerken gespaard zijn gebleven, lenen zij zich uitstekend voor een onderlinge vergelijking wat betreft de grote verbouwingen en uitbreidingen in laat-gotische stijl, zoals die in ons gewest bij veel dorpskerken rond het jaar 1500 werden uitgevoerd. De economische vooruitgang in het laatste kwart van de 15e eeuw en de steeds grotere macht van de kerk, zich uitend in liturgische overdaad, waren hiervan de oorzaak. En het ene dorp kon uiteraard niet bij het andere achterblijven. Om de liturgievieringen ongestoord te kunnen voortzetten, bouwde men vaak een grotere kerk om de bestaande heen. Een bouwwijze die, zoals uit de archieven blijkt, ook bij de Grote of St. Bavokerk te Haarlem is toegepast.

In Uitgeest werden de drie westelijke traveeën verbreed met afbraakmateriaal, waardoor de kruisvorm wegviel. De aansluitingen aan de zijgevels van het vroegere dwarsschip zijn nog zichtbaar. Hierop werd boven de bestaande kerk werd een hoger dak gebouwd en aansluitend een groot priesterkoor. Dit koor, drie traveeën lang en gesloten met een driezijdige absis, werd omstreeks 1500 voltooid (7).

In Castricum werd de omgekeerde weg gevolgd. Maar eerst nadat in de 2e helft van de 15e eeuw een vlakke, drie geledingen hoge gotische toren was opgetrokken op een travee afstand van de westelijke muur van de kerk (16). Van elke zijde heeft de tweede geleding twee blindnissen en de bovenste geleding drie, waarvan de middelste galmgaten heeft. Deze toren, mooi in zijn eenvoud, is heel functioneel als luidtoren en was dat voorheen ongetwijfeld ook als uitkijktoren.

Vrij kort daarna werd begonnen met het bouwen van een 10 meter lang, fraai gotisch koor om het oude vierkante romaanse koor heen. De muren werden opgetrokken van baksteen afgewisseld met ‘speklagen’ natuursteen ongeveer een meter hoger dan die van het romaanse koor. De daknok was zelfs 3 meter hoger dan de oude.

Bij de vorige restauratie van 1953-55 konden uit de aanzetten de plaats en afmetingen van de triomfboog tussen het romaanse koor en het kerkschip worden bepaald. Deze triomfboog werd daarop in zijn oude gedaante herbouwd, waarvoor Reder (13) een aantal redenen noemt. Men kan hier uit een oogpunt van historische architectuur en wat praktisch gebruik betreft wel een aantal kanttekeningen bij plaatsen.

Vermoedelijk is het nieuwe gotische koor omstreeks 1510 gereed gekomen, waarna aan de laatste fase van de uitbreiding werd begonnen: de wijziging van de kap van het kerkschip en de verlenging tot aan de toren. Bij de kapwijziging zullen toen al wel trekbalken zijn aangebracht, rustend op sleutelstukken, korbeels (red: steunbalken) en muurstijlen. De kerk is namelijk niet, zoals in Uitgeest verbreed, zodat de oude romaanse, weinig stabiele, muren de nieuwe kap moesten dragen.

De architect H.F. Rappange (r.) en W.J. Reder (l.) inspecteren de zuidgevel. De heer Reder heeft in belangrijke mate bijgedragen de bouwgeschiedenis van de kerk te achterhalen en te beschrijven.
afb. 5 De architect H.F. Rappange (r.) en W.J. Reder (l.) inspecteren de zuidgevel. De heer Reder heeft in belangrijke mate bijgedragen de bouwgeschiedenis van de kerk te achterhalen en te beschrijven.

Jaarboek 15, pagina 8

Tenslotte werd het kerkschip met een kort travee van 9 voet (= circa 2,8 meter) lang verlengd tot aan de toren met het afkomende tufsteen van het koor en de oude westgevel.
Als nieuwe westgevel diende de oostmuur van de toren. Aan weerszijden werden er eenvoudig twee sluitstukken koud tegenaan gezet. Dit had door optredende afschuifkrachten onvermijdelijk scheuren en lekkage ten gevolge. Bij de restauratie in de jaren rond 1950 is dit euvel door bouwtechnische maatregelen verholpen. Ter plaatse van de vroegere westgevel werden aan de buitenkant twee steunberen gezet, evenals op de hoeken van de nieuwe westmuren. In de noordgevel werd tussen de beide steunberen een smal gotisch venster gemaakt, hetgeen in de zuidmuur ook het geval geweest zal zijn.

De kleine hoog geplaatste romaanse vensters van het oude schip bleven tot in de 18e eeuw bestaan. Toen werd de kerk vanaf het koor in drie traveeën van 4,5 m verdeeld met ramen in gotische stijl. De romaanse vensters werden dichtgemetseld. Ter versterking van de uitbuigende gevels werden onder de trekbalken nieuwe eiken muurstijlen met hulpstukken aangebracht. Het westelijke deel van de kerk werd met een houten schot afgescheiden en ingericht voor een paar schoollokalen. Op een dorpel van een binnenkozijn is het jaartal 1724 geschilderd.

Reder schrijft, dat op een tufsteenblok in de noordwestelijke steunbeer het jaartal 1520 nog te zien is, maar zeer verweerd (11, origineel). Wij hebben dit tufsteenblok (60x30x8) teruggevonden. Van het jaartal is aIleen nog ..* XV * .. duidelijk te zien. Uit het volgende zal blijken, dat hier ‘ANNO * XVc * XIX’ heeft gestaan en Reder het jaartal niet goed heeft kunnen ontcijferen, maar inmiddels wel vaak is geciteerd. Het juiste jaartal 1519 komt ook voor op het laat-gotische doopvont, dat lange tijd, zoals op zoveel andere plaatsen, tot 1953, omgekeerd werd gebruikt als voet voor de preekstoel.

Het jaartal XVcXIX

In verband met de restauratie van het interieur werd op maandag 16 maart 1992 het kerkgebouw geheel ontruimd. Hoewel nog in diezelfde week met de sloopwerkzaamheden zou worden begonnen, was dit een zeldzame gelegenheid om de gehele zerkenvloer te onderzoeken. Deze inventarisatie van de nog aanwezige inscripties en afbeeldingen werd uitgevoerd met als vertrekpunt de beschrijving van mr. J. Belonje en mr. P.C. Blois van Treslong Prins ( 17), gepubliceerd in 1928. De inventarisatie van Belonje en Prins begint met de vermelding:

In den Noordermuur bij den toren leest men: XVcXIX.’ (1519).

Wijkend muurgedeelte aan de zuidzijde, gezien naar het oosten, zoals in 1953 werd aangetroffen.
afb. 6 Wijkend muurgedeelte aan de zuidzijde, gezien naar het oosten, zoals in 1953 werd aangetroffen.

Met deze mededeling kan een stukje overlevering in het juiste daglicht van bouwgeschiedenis van de kerk worden geplaatst.
Elk eeuwenoud kerkgebouw heeft zo zijn eigen legende, die de charme ervan bepaalt. Het wetenschappelijk historisch onderzoek, dat naoorlogse restauraties vaak begeleidde, heeft veel van deze traditionele verhalen achterhaald. Nochtans leiden ze een taai bestaan en wordt bij het schrijven van lokale geschiedenis dikwijls gebruik gemaakt van bestaande bronnen, zonder dat deze worden gecontroleerd door eigen studie of waarneming.

Zo wordt van de oude dorpskerk van Castricum verhaald, dat in oude geschriften wordt gesproken van een jaartal 1219, gebeiteld in een niet meer aanwezige steen. Op grond daarvan wordt aangenomen, dat de kerk vermoedelijk rond het jaar 1200 zou zijn gebouwd (6). Van Deelen (20) vermeldt, dat door schrijvers uit de 19e eeuw als bouwjaar wel 1219 wordt genoemd, omdat dit jaartal in een steunbeer zou hebben gestaan.

Gaan we de beschikbare bronnen na, dan komen in de 18e eeuwse bronnen: ‘Oudheden en Gestichten van Kennemerland, etc., 1721 (21) en ‘Kerkelijke Historie en Outheden etc.’, 1726, (22) geen gegevens van deze aard voor. Bruins, 1732, (23), vermeldt:
‘Het midden gedeelte der Kerk, tusschen het Choor en de Tooren, is heel oud en geheel van Duifsteen. Van buiten op een steen staat het jaartal 1219, waarschijnlijk dat der bouwtijd. Het Choor is na alle aanzien wel 200 jaaren jonger, en de Tooren wederom nog jonger’.

Van Ollefen, 1796, (24), neemt dit over en schrijft over de kerk van Castricum:
‘De Gereformeerde kerk alhier is klein, dewijl er van ouds maar weinige Gereformeerde ingezetenen waren; voor dezelve staat het jaargetal 1219, waarschijnlijk dat van de bouwtijd; doch het choor en den toren zijn op verre na zo oud niet, men denkt dat het eerstgemelde wel 200, en de toren nog meer jaren jonger is ‘
Het Aardrijkskundig Woordenboek, A.J. van der Aa, 1841, (25) neemt de tekst van van Ollefen weer bijna ongewijzigd over. De schrijvers van beide compilaties hebben zich wel niet ter plekke begeven en hebben dus oudere bronnen gebruikt.

Van meer betekenis is de beschrijving van Van Arkel en Weissman in ‘Noord-Hollandsche Oudheden’, (26),1894:
‘De KERK is, wat het schip betreft, nog uit de 13eeeuw afkomstig. Dit deel van het gebouw bestaat uit tufsteen; op een der steenen, aan den noordwesthoek, staat: ANNO. XIIc.XIX. Van de oorspronkelijke steunberen zijn slechts twee aan de noordzijde over. Ook ziet men daar nog een der oorspronkelijke vensters, thans dichtgemetseld. Het is zeer klein en door een halve cirkel afgedekt. Het koor der kerk is van later dagtekening dan het schip, en wellicht omstreeks 1400 ontstaan. Het gewelf der kerk is van hout. Het koor en het westelijk deel van de kerk worden niet meer voor de godsdienstoefeningen gebruikt en zij zijn door schotten van het middendeel gescheiden.’

Behalve, dat de volledige tekst ons een inzicht verschaft over de situatie van het interieur omstreeks 1900, geeft deze ook een beeld van de toenmalige opvattingen over de ouderdom van de onderdelen van het gebouw. En aangezien werd aangenomen dat het schip in de 13e eeuw werd gebouwd, bestaande uit tufsteen, is het niet zo vreemd, dat men het bewuste jaartal in laat-gotisch schrift, als 1219 in plaats van 1519 heeft gelezen.

Het jaartal 1519 in de noordwestelijke steunbeer.
afb. 9 Het jaartal 1519 in de noordwestelijke steunbeer. Thans is alleen nog het middelste deel .. * XV * ..op het zwaar geërodeerde blok tufsteen telezen. Tekening J.Kol.

Uit de precieze plaatsaanduiding en de volledige notatie met scheidingspunten blijkt echter, dat hetzelfde jaartal wordt bedoeld als Belonje en later Reder hebben gezien. Het nu nog zichtbare deel van het laat-gotische jaartal moet rond l500 zijn ingebeiteld, hetgeen overeenstemt met de hiervoor beschreven bouwgeschiedenis. Belonje begint zijn inventarisatie in het begin


Jaarboek 15, pagina 9

van de jaren ’20 (17) dan ook zonder verder commentaar met het door hem waargenomen jaartal: XVcXIX = 1519. De voorlopige lijst der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst (27) uit 1921 vermeld: ‘Aan de N. W.-zijde twee steunberen, in een waarvan: 1519’.

Hiermee lijkt de discussie gesloten, en moeten wij aannemen, dat de kerk in zijn huidige omvang in 1519 werd afgebouwd en opnieuw zal zijn gewijd.

Berichten in steen

Na de ontruiming in maart 1992 bleek de vloer voor minder dan de helft uit grafstenen te bestaan, met of zonder inscriptie. Voor het overige waren overwegend gekapte tegels van ongeveer 35 cm vierkant gebruikt. De vloer is opnieuw gelegd bij de restauratie van 1953-55. Een aantal zerken met inscriptie is toen verdwenen, terwijl de meeste andere van plaats veranderden en in het algemeen de oriëntatie verloren is gegaan.

Anderzijds waren, vergeleken bij de inventarisatie van Belonje en Prins, ook een aantal inscripties weer zichtbaar geworden, mede als gevolg van het verdwijnen van wat door hen werd genoemd: ‘een getimmerte onder het orgel’ (17). Destijds was het koor van de kerkruimte afgescheiden door een houten wand met een klein orgelbalkon, dat aan de voorzijde met drie kolommen steunde op een ‘herenbank’. Aan de achterzijde van het schot was houten constructie gemaakt met een trap die toegang tot het orgel gaf (28).

Bij de in 1992 uitgevoerde inventarisatie bleken acht inscripties uit de inventarisatie van Belonje en Prins niet meer aanwezig. Van een tiental kon de tekst in belangrijke mate worden aangevuld of gecompleteerd, terwijl er acht werden genoteerd, die niet in de inventarisatie van de jaren ’20 voorkomen. Slechts acht volle dekstenen (lengte ca 200 cm) werden aangetroffen, die merkwaardigerwijze allen verschillen van dikte (10 tot 27 cm). Hieronder bevindt zich ook de jongste zerk (17, nr.23) met het inschrift:
‘Guurtje Brasser, huisvrouw van Pieter Muys, 9 juni 1822, oud 37 jaar’. Pieter Jansz. Muys en Guurtje Brasser trouwden op 27 april 1806.

De algemene toestand van de zerken is slecht, hetgeen mede veroorzaakt wordt doordat veelvuldig gebruik is gemaakt van een losgelaagde leisteensoort. Daardoor is sterke slijtage door afschilfering en veel breuk ontstaan. Van de 60 stenen met inschrift bleek een derde nog min of meer ‘heel’.

De nieuwe inventarisatie bleek van nut te zijn bij het maken van een nieuw vloerenplan in het kerkschip en in het koor. Alle zerken met inscriptie werden naar oud-christelijke traditie ‘georienteerd’. Tevens was zij aanleiding tot een studie van het overgeleverde bestand met betrekking tot de historische en genealogische betekenis (29-33). De resultaten zijn voor een deel in dit artikel verwerkt.

In sommige streken werd eertijds als teken van eigendom een huismerk gebruikt. In oude kerken vindt men op grafzerken, naast naam en sterfdatum vaak een huismerk met of zonder initialen. Bij welgestelden werden zij dikwijls aangebracht op een schild dat soms in een medaillon is gevat. In de 17e en 18e eeuw gingen zij ook wel over in familiewapens. In tegenstelling tot de zerkenvloer in Akersloot (35), werden in de kerk van Castricum slechts enkele van deze huismerken en schilden aangetroffen, waaruit nogmaals het verschil in welstand in de 17e eeuw zichtbaar wordt. In afbeelding 10 zijn de nu nog aanwezige schilden en merken getekend. Een troffel met merk (17, nr.27) is niet meer te vinden. Ook het merk op de steen van de schout van Hoockerken (17, nr. 39) is verdwenen; het werd gereconstrueerd uit de resten van het ovaal.

Met schild en wimpel

Onze bijzondere interesse gaat uit naar een zwart-grijze zerk van het formaat 200 x 116 cm, gelegen midden voor in het koor en door Belonje en Prins beschreven onder nr.38: ‘Een dubbele zerk, gedeeltelijk bedekt door een getimmerte onder het orgel’. De steen ligt nu geheel vrij. Afbeeldingen en inscripties zijn op het eerste gezicht praktisch verdwenen. Uit een vergelijking met de beschrijving van Belonje en Prins blijkt, dat zij inderdaad het bovenste gedeelte van de steen niet hebben kunnen waarnemen en tevens dat de zerk, nadat de koorvloer in 1953-55 is verhoogd, nog ongeveer op de oorspronkelijke plaats ligt.

Om verwarring te voorkomen zullen de aanduidingen links en rechts consistent in de heraldische betekenis worden gebruikt. In het midden: het medaillon, met een vierpas versiering daarin en een miskelk met hostie, omgeven door de woorden ‘Disce Mori’ kon worden gereconstrueerd. Het gotische randschrift rondom het medaillon lezen we als: Hier leyt begravê Heer Wille. .ansz . P.. .vâ .Castercô .. [starf ..] A… [XX] ……

Aan het medaillon met een ovale ring, dus niet zoals B. en P. vermelden een draagband: een schuin hangend wapenschild. Onderaan goed leesbaar en van latere datum: ‘Hier leyt begraven D. Heer/ Johan Noorman P. in/ Castricum obiit den 27 May l692’ (niet 1699 zoals B. en P. opgeven). Hieruit kan worden geconcludeerd, dat de eerste eigen pastoor van de rooms-katholieke statie na de reformatie in dit oude priestergraf is begraven.

Gereconstrueerde romaanse vensters in de noordgevel.
afb. 7 Gereconstrueerde romaanse vensters in de noordgevel. Tekening Nico Lute, 1992.

Uit de rand van het medaillon steekt rechts boven een vlaggenstok met een naar links waaiende vaan of wimpel. De wimpel is beschreven met gotische karakters. Helaas is het niet gelukt hieruit een zinnige tekst samen te stellen. Van het wapen is het blazoen even sterk weggesleten als de andere delen van de afbeelding. Er zijn geen sporen van wegkappen aangetroffen. Het wapenschild is enigszins verdiept en kan niet een gekwartileerd (red: in vieren gedeeld) wapen zijn geweest. Het is vermoedelijk beladen geweest met een figuur, waarin we op grond van de hogere plekken met alle


Jaarboek 15, pagina 10

voorbehoud een ‘gewone’ naar rechts gewende klimmende leeuw menen waar te nemen.

Deze oude priesterzerk, op een zeer centrale plaats in de kerk gelegen, stelt ons voor de volgende vragen: Voor welke pastoor heeft dit priestergraf het eerst gediend?; wat is de betekenis van het aangehangen wapenschild en welke symboliek schuilt er in de waaiende wimpel? Op grond van de ouderdom van de steen, eerste helft 16e eeuw, en van de naam en de genoemde attributen kan worden vastgesteld, dat hier werd begraven pastoor Willem Jansz. van Assendelft.

WilIem Jansz. van Assendelft (1479-1516/7)

Op 20 november 1479 werd aangesteld ‘Magister Wilhelmi filii Johannis de Assendelf ad eccl. de Castricum, vac. per mortem Domini Gerardi de Liesvelt filii Gerardi’ (36).
Willem Jansz. van Assendelft was bij de Informacie van 1494, pastoor van Castricum, ‘oudt 40 jaer’. Bij de hierna gehouden Informatie in het jaar 1514 wordt de naam van de pastoor niet genoemd, maar uit het volgende blijkt dat Willem Jansz. toen nog pastoor van Castricum was. Er waren in dat jaar 258 communicanten. In 1516/17 werd vervolgens aangesteld ‘Domini Sebastiani Wilhelmi ad par. eccl. de Castricum, vac. per obitum quondam Domini Wilhelmi Johannis’ (36).

Hieruit valt af te leiden dat Willem Jansz. geboren werd in 1453/54 en bij zijn aanstelling als pastoor van Castricum 25 of 26 jaar oud was, voor die tijd de normale leeftijd. Hij stierf dus in l516/17, tussen 62 en 64 jaar oud en werd begraven in zijn parochiekerk. Als we mogen aannemen, dat het nieuwe gotische koor inmiddels gereed was, is dit in overeenstemming met het vermoeden, dat eerst het nieuwe priesterkoor werd gebouwd en daarna de verhoging van het dak en het westtravee tot stand kwam.

Tevens wordt de betekenis van de attributen op de zerk ons nu meer duidelijk: de woorden in het hart ter weerzijden van de miskelk: ‘Disce Morti’, te vertalen als ‘Spreekt (nog) na de dood’, of ‘Hij spreekt ondanks de dood’, kunnen duiden op de activiteiten van de kerkbouw, tijdens het pastoorschap van Willem Jansz. De wimpel als teken van triomf past ook goed in dit beeld, terwijl uit het wapen de adellijke afkomst van Willem Jansz van Assendelft blijkt. Wanneer het juist is dat we te maken hebben met een ongedeeld veld, beladen met een leeuw, dan zal dit de ‘Heemskerkse leeuw’ zijn en niet het wapen van de ambachtsheer.

De Heren Van Assendelft

De ontdekking van de priesterzerk van pastoor Willem Jansz. van Assendelft roept nog meer vragen op. Welke verwantschap bestond er met het adellijke geslacht Van Assendelft (37), dat omstreeks 1500 in het bezit kwam van de ambachtsheerlijkheden Castricum en Heemskerk? En welke positie namen zij in ten opzichte van de parochiekerk van Castricum en het collatierecht van pastorie, kosterij en scholasterij?

Om deze vragen te kunnen beantwoorden was het noodzakelijk zich te verdiepen in de middeleeuwse generaties van de Van Assendelfts en hun rol in het publieke en kerkelijke leven. Om niet te verdwalen in het doolhof van namen en data is achter de persoonsnaam tussen haakjes met een Romeins cijfer de generatie aangegeven, waartoe de betrokkene behoorde.

Nagegaan moest worden of de geestelijken met de naam Van Assendelft verwant zijn aan dit adellijke geslacht. Hoewel de kans hierop klein is, zouden ze gewoon afkomstig kunnen zijn geweest uit het dorp Assendelft of van een hoeve van een adellijke naamgenoot.
Het intreden in de geestelijke stand was geen garantie dat deze familieleden geen nageslacht zouden krijgen. Sommigen, eens aangewezen of geprest om geestelijke te worden, traden uit met of zonder toestemming van het kerkelijk gezag. Dit kon zijn om hun aardse, door erfenis verkregen, goederen te kunnen gaan besturen. Maar anderen bleven, gaven hun bezit aan de armen of transporteerden hun erfgoed op hun naaste familieleden (40).

Bovendien waren de heren Van Assendelft nog al ‘scheutig’ in het verwekken van ‘natuurlijke’ kinderen bij andere vrouwen dan hun wettige echtgenotes. Deze bastaarden moeten dan echter weer worden onderscheiden in hen, die met consent van de graaf of de landvoogd werden gewettigd en degenen, die de geslachtsnaam en het wapen van moederszijde voerden. Weer anderen namen eenvoudigweg de naam en het wapen van hun vader over, zonder een teken van bastaardij terwijl geen sprake was van een ‘wettige’ verwantschap. Ongewenste bastaarden werden nog wel eens voorbestemd om geestelijke te worden.

Onder de namen van reguliere en seculiere geestelijken, die voorkomen in de Rekeningen van de officiaal van de aartsdiaken van de Dom te Utrecht (36) treffen we een groot aantal leden aan van de onderling verwante Kennemer adellijke families. Deze landadel begaf al of niet rechtmatig namens de graaf pastoraten en vicariaten in de kerken en kapellen in hun gebieden. En als een niet te versmaden bron van inkomsten meestal aan familieleden of gunstelingen. Onder hen zijn velen met de naam Van Assendelft. Zij zijn praktisch allen terug te voeren op twee takken, die zijn voortgekomen uit Gerrit (IV) en Stevina van Haerlem (38). De hoofdlijn, die wordt voortgezet in Dirk (V) en Christina van Cralingen, noemen we de Heemskerkse tak. Daarnaast is er een ‘zijtak’, voortkomende uit Willem (V) en Anna van Vennip, die ter onderscheiding de Haarlemse tak wordt genoemd.

Het ligt voor de hand een connectie te zoeken tussen de pastoor van Castricum Willem Jansz van Assendelft (1454-1517) en de 16e eeuwse ambachtsheren van Castricum en Heemskerk, de vrijheren van Assendelft. Toch is deze niet zo vanzelfsprekend. De beide ambachtsheerlijkheden, die eerst in leen aan het geslacht van Haerlem waren gegeven, vervielen bij gebrek aan mannelijke nakomelingen in 1321 aan de grafelijkheid. Graaf Willem III verkocht in 1327 ‘onse huys tot Heemskerck met land, molen en erven’ en de ambachten Castricum en Heemskerk aan de zeer vermogende en invloedrijke Jan van Polanen. Deze lenen bleven zes generaties lang in de familie, inmiddels van Polanen van der Lecke. Wij zijn dan bij Adriaan van Polanen van der Lecke, ambachtsheer van 1472 -1482. In deze tijd werd Willem Jansz. van Assendelft benoemd tot pastoor van Castricum.

Intussen waren de families Van Polanen en Van Assendelft aan elkaar vermaagschapt (red: familie van elkaar) door een huwelijk van Adriaan van Polanen van der Lecke met Catharina
VII), zuster van Nicolaas van Assendelft overleed na een kort huwelijk in 1482, kinderloos. Hij liet zijn goederen na aan zijn zuster Gillisje. En Gillisje liet uit haar huwelijk met Floris van Kijfhoek een schatrijke erfdochter na, Alijd, geboren 1470, die de bezittingen van haar vader erfde. Bovendien gaf haar moeder, toen ze hertrouwde, ook haar eigen goederen over aan haar dochter. Om de familiebelangen veilig te stellen was Alijd bestemd voor Jan van Assendelft, broer van Catharina (VII) en van Claas (VII).

Jan (VII), geboren omstreeks 1450, kastelein van Schoonhoven en rentmeester van West-Friesland werd in 1476 bij contract verloofd met de zesjarige Alijd van Kijfhoek. Hij overleed echter nog bij het leven van zijn vader Gerrit (VI) in 1480 en voordat hij in het huwelijk had kunnen treden. Zijn bezittingen gingen over op zijn broer Claas, inclusief verlovingscontract en bruid.


Jaarboek 15, pagina 11

Bouwfasen van de parachiekerk St. Pancratius.
afb. 8 Bouwfasen van de parachiekerk St. Pancratius. Tekening J. Kol, 1992.

De echtverbintenis tussen Claas van Assendelft en Alijd van Kijfhoek werd gesloten in de vroege zomer van 1485, de bruid nog geen 15 jaar oud, haar man 20 jaar ouder. Het schijnt naar zeggen een gelukkig huwelijk te zijn geweest.

Eerst door het huwelijk werd Claas (VII) mede bezitter van Alijd’s omvangrijke erfgoederen, waaronder de ambachtsheerlijkheden Castricum en Heemskerk. Bij het in 1480 gesloten contract was uitdrukkelijk geregeld, dat hij, noch zijn vader Gerrit, zonder toestemming van haar voogden en magen haar goederen mocht vervreemden of te verminderen, zolang Alijd minderjarig was en alvorens het huwelijk was ‘geconsumeerd’.

De beide ambachtsheerlijkheden bleven ook nu weer een anderhalve eeuw in het bezit van een familie. De laatste telg, die er mee werd beleend was Anna van Assendelft, weduwe van Gerrit van Renesse van der Aa. Zij erfde deze bezittingen van haar ongehuwd overleden broer Gerrit en stierf in het jaar 1626.

Het bezit van parochiekerk en collatierecht

Werden de ambachtsheerlijkheden van Castricum en Heemskerk altijd als een pakket in leen gegeven, bij de goederen en inkomsten van de parochiekerken en het collatierecht van de pastorieën, kosterijen en scholastenrijen lag dat anders. Heemskerk in 1200 al een parochiekerk, werd bij testament uit 1311 van Vrouwe Elisaheth, vrouw van Gerard van Heemskerk, bedacht. Als testamentairs waren aangewezen: ‘Jacob van Deynemarken, Gherarde van Heemskerke, minen here ende mine manne, Dideric van Huysen. Ridders ende Jan Lecker, schildknaap'(8).

De datering van het testament valt ongeveer samen met de stichting van de Commanderij van Sint Jan te Haarlem in 1310. Jacob van Deynemarken, adellijk heer uit Utrecht, generaal vicaris van de bisschop en vriend van graaf Willem III, die het nieuwe klooster welgezind was, wist de graaf te bewegen de kerk van Heemskerk met het recht van pastoorsbenoeming af te staan aan de Commandeur van St. Jan. De toenmalige pastoor van Heemskerk deed al of niet vrijwillig afstand van zijn beneficie. Zo schonk graaf Willem III op 2 april 1318 de kerk van Heemskerk met het jus patronatus (red: recht om een geestelijke, een pastoor of een dominee voor te dragen ter benoeming) aan Sint Jan te Haarlem, waarbij zij in 1529 werd geïncorporeerd. Hetzelfde gebeurde met de parochie van Beverwijk, die vanaf 1448 aan de Commanderij beboorde en in 1501 werd geïncorporeerd.

De kerk van Castricum met haar goederen en rechten werd in erfelijk leen gegeven aan Gerrit (IV) van Assendelft. Zijn zoon Dirk (V) was de eerste Van Assendelft met een hoge functie in het landsbestuur. Reeds baljuw van Medemblik en van Kennemerland en Friesland werd ‘Dirc Gheret Baertous soens soene’ in 1387 door hertog Albrecht begiftigd met het schoutambacht van Nieuwe en Oude Niedorp en Winkel. In 1418, vermeld als baljuw op het Muiderslot, benoemde Jacoba van Beieren hem tevens tot baljuw en rentmeester van ‘Aemsterland, Waterlant ende Zeevanc’ met het aanstellingsrecht van alle schouten, schepenen, raden en dienstluiden. Kort gezegd was hij belast met het bestuur van de huidige provincie Noordholland (39).

In het vermoedelijke sterfjaar 1447 van Dirk (V) schonk Philips de Goede zijn oudste zoon Gerrit (VI) een halve hoet gerst uit ‘de tienden van Castricum, die zijn vader Dirk 23 jaar had bezeten’. Gerrit (VI) was niet de rijkste maar wel de belangrijkste telg uit het geslacht van Assendelft. President van de Raad van Holland onder Philips de Goede, wiens opvolger, Karel de Stoute, hij huldigde in 1467, samen met zijn broer Jan en zijn zoon Jan. Sommige bestuurstaken delegeerde hij aan zijn zoon Jan, die voorbestemd was om Alijd van Kijfhoek te huwen. Jan (VII) was voor zijn vader kastelein van Schoonhoven en ook rentmeester van West Friesland.

Gerrit (VI) kocht nu in 1449 van zijn broer Willem, die in 1467 bij een volksoproer in Haarlem zou worden doodgeslagen, 4 hoet gerst uit de tienden van Castricum. En in 1452 van zijn jongste broer Jan, de vermoedelijke vader van pastoor Willems Jansz. van Castricum 5 hoet gerst uit de inkomsten van de kerk van Castricum.

Een belangrijke bron van inkomsten voor de middeleeuwse grootgrondbezitter waren de tienden. Het tiendrecht gaf de bevoegdheid een deel van de opbrengst van landbouw en veeteelt te heffen van de grond, waarop dit recht was gevestigd. De tienden zijn van oorsprong een kerkelijke heffing voor het onderhoud van de geestelijkheid. Aanvankelijk een tiende deel van het inkomen


Jaarboek 15, pagina 12

van iedere gelovige, maar al spoedig een tiende, althans formeel, van de opbrengst van grondbezit. De tienden werden eerst geheven door de bisschop, om de parochie-geestelijkheid te kunnen onderhouden. Al gauw werden domkapittels en kloosters de ontvangers en ook leken, meest van adel, die dit recht door belening, aankoop of het bezit van een eigen kerk, hadden verworven of zich hadden aangematigd (10).

Wapen en huismerken, in 1992 nog aanwezig in de oude dorpskerk.
afb. 10 Wapen en huismerken, in 1992 nog aanwezig in de oude dorpskerk (29). Van Klaas en Carnelis Adryaense Schoorel: in een ovaal hangend aan een balk een gedeeld wapen, rechts een leeuw, links een ankerkruis. Het ankerkruis is het wapen van Johan van Oldenbarnevelt, de 10e ambachtsheer van Bakkum (1613-1619).
Midden voor in het koor de zerk van pastoor Willem Jansz. van Assendelft.
afb. 11 Midden voor in het koor de zerk van pastoor Willem Jansz. van Assendelft (29). Rondschrift: Hier leyt begrave Heer Wille. .ansz P[ast] va Casterco..[sterf] A [XX]… Medaillon met miskelk en hostie. waaraan een schuin hangend schild. Boven een stok met wimpel of vaan, waarop een spreuk.

In het testament van Dirk (V), waarvan de akte kort voor zijn ‘overlijden werd gepasseerd (40), staat dat Gerrit ‘mynen oudsten zoon’, Willem ‘mynen anderen zoon’ en Jan ‘mynen jongsten zoon’ zich verbonden hadden zijn nalatenschap, leen en onleen, ‘rusteliken te delen’ naar zijn aanwijzingen op verbeurte van duizend gouden leeuwen. Bij de verdeling zou Gerrit (VI) de lenen krijgen, maar bepaalde tienden en land weer in leen moeten geven aan Willem. Jan, de jongste, kreeg ook zekere renten en gelden, waarmee een landgoed gekocht moest worden dat hij en zijn nakomelingen als erfleen van Gerrit zou ontvangen. Na betaling van de schulden en de lasten van de uitvaart moesten de broers de onroerende goederen, die geen leen waren, en de roerende goederen kavelen en bij loting delen.

Dat de kerk van Castricum en het collatierecht (red: erfelijke recht om een geestelijke, een pastoor of een dominee voor te dragen ter benoeming) ‘in de familie’ bleef, in leen bij Gerrit (VI), kan worden afgeleid uit het testament van zijn zoon Claes (VII), echtgenoot van Alyd van Kijfhoek, verleden op de Assumburg 8 October 1500. Daarin benoemt Claas van Assendelft zijn vrouw tot erfgename van al zijn goederen gelegen binnen de heerlijkheden Heemskerk en Castricum, en van die heerlijkheden, welke hem en zijn vrouw door aankoop of van beide ouders aanbestorven zijn. Zijn oudste zoon Gerrit zal de vrije heerlijkheid Assendelft ontvangen en na de dood van zijn moeder ook alle in haar bezit zijnde leen en eigen goederen, gelegen binnen Heemskerk en Castricum alsmede de heerlijkheden zelf.

Naar de wens van de testateur, die overleed op 5 september 1501 werd hij bij zijn ouders in de ‘van Assendelft kapel’ van de kerk van Den Haag begraven. In het testament worden de kanunniken


Jaarboek 15, pagina 13

van de hofkapel bedacht met een dubbele toelage, terwijl ook de pastoor en de kapelaans van de parochiekerk, het klooster en de zusterhuizen te Den Haag een zeker bedrag ontvingen;
‘Item nach soe is syn uuterste dat die pastoer van heemskerck hebben sall twee pont groot vlaems ende syn cappellanen een halve pont groot vlaems ende die caster aldaer een rynsche gulden elsx vaer eens’.

Met geen woord wordt gerept van Castricum, waar Willem Jansz. van Assendelft toen pastoor was. Dit is begrijpelijk, omdat de kerk van Heemskerk behoorde aan de Sint Jansheren te Haarlem, terwijl de kapel op Assumburg en ook de parochiekerk van Castricum een eigen kerk in leen was.

Het wapen van de Heren van Assendelft, gekwartileerd, I en IV in rood een zilveren stappend paard (stamwapen van Assendelft), II en III in rood een zilveren kruis, in elk kanton drie zilveren merletten, 2 en 1, (het stamwapen van Van Haerlem). Oudst bekende vorm dateert van 1429, gevoerd door de zonen van Gerrit van Assendelft en Stevina van Haerlem.
afb. 12 Het wapen van de Heren van Assendelft, gekwartileerd, I en IV in rood een zilveren stappend paard (stamwapen van Assendelft), II en III in rood een zilveren kruis, in elk kanton drie zilveren merletten, 2 en 1, (het stamwapen van Van Haerlem). Oudst bekende vorm dateert van 1429, gevoerd door de zonen van Gerrit van Assendelft en Stevina van Haerlem.

De vader van Willem Jansz. van Assendelft

Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de pastoor Willem Jansz. van Assendelft een zoon van Jan (VI) moet zijn geweest. Dat hij verwant was aan de Haarlemse of de Heemskerkse tak van de Van Assendelfts is uit de analyse van de in het Register op de Parochiën (36) genoemde geestelijken met die naam duidelijk gebleken. Dit wordt bevestigd door het aan het medaillon gehangen wapen op zijn grafzerk. In de beide takken is in en rond de generatie, waartoe de vader van Willem Jansz. behoorde, geen andere Johannes te vinden dan Jan (VI), broer van Gerrit, de stamhouder van het Heemskerkse geslacht.

Het is bovendien hoogst onwaarschijnlijk dat, waar de kerk van Castricum leenbezit was van Gerrit (VI), een ver familielid uit de Haarlemse tak in Castricum als pastoor zou zijn aangesteld. De geestelijken van die tak vindt men vooral in Haarlem en omgeving. Het feit dat Willem Jansz. niet wordt bedacht in het testament van Claas (VII) geeft aan, dat hij tot de eigen familie behoorde en dus een zoon geweest moet zijn van Jan VI.

De reden van de voorafgaande, nogal uitvoerige, uiteenzetting is het feit dat van Jan (VI) geen huwelijk bekend is en aangenomen wordt, dat hij nimmer getrouwd is geweest. Jan van Assendelft was van 1462 of 1469 tot 1476 Raad en Rentmeester van Noordholland (Rijnland). In 1470 werd hij oppergasthuis meester van het Sint Nicolaasgasthuis in Den Haag.

Dat Jan (VI) niet wettig getrouwd was, weerhield hem er niet van nakroost te verwekken. Een bastaarddochter, Christina, bezat een huis in Charlois, dat later weer aan de familie verviel en bezit werd van Claas (IX). Christina moet dus een (half)zuster van Willem Jansz. geweest zijn (40).

Jan (VI) van Assendelft hield gewoonlijk verblijf op het Huis te Heemskerk (Marquette), dat hij in l467 officieel huurde voor de tijd van 110 jaar van Meyne van Heemskerk, de weduwe van Gijsbert van Vianen, waarvoor zijn broer Gerrit borg stond. Meyne van Heemskerck had, na het overlijden van haar man omstreeks 1458, Marquette verlaten en zich te Noordeloos gevestigd.

De verhuur van het slot aan Jan van Assendelft geschiedde onder het beding, dat zij enkele weken per jaar mocht beschikken over een aantal kamers, de keuken en de paardestal. In de huur waren begrepen de voorburcht en ‘die grote koernscuijr bij die voerste poert en alle die boomgaerden’. Op de huurder rustte de verplichting het huis ‘dackdicht’ te houden (42).

Het Huis te Heemskerk, nu Marquette, moet dus het vaderlijk huis van Willem Jansz. zijn geweest, waar hij zelf vermoedelijk zijn jeugd – in 1467 was hij ongeveer 13 jaar oud – heeft doorgebracht. Het is heel goed mogelijk dat hij, toen hij in 1479 pastoor van Castricum werd, op Marquette is blijven wonen en nooit de pastorie in Castricum heeft betrokken. Dit geldt overigens ook voor zijn opvolger Sebastiaan Willemsz Schouten. Eerst na diens vertrek werd in 1536 de sterk vervallen pastorie weer hersteld. De veronderstelling, dat op zijn grafsteen een schild met de Heemskerkse leeuw voorkomt, is daarom niet zo vreemd. Willem Jansz. kan dit als substituut wapen hebben gebruikt in plaats van het familiewapen met een bastaardkenmerk.

De opvolgers van Willem Jansz.

Sebastiaan Willems Schouten (1516 – 1536?)

In de plaats van Willem Jansz. werd in 1516-1517 aangesteld Sebastiaan Willems Schouten. Van hem is bekend dat hij uit ‘de Papenlijke proeve van Castricum 1 hoed garst’ ontving (de inkomsten van de pastoor in natura, ongeveer l5 mud), ter waarde van l2 Carolische guldens van 40 groten Vlaams, die hij overdroeg aan de ambachtsheer Gerrit (VIII) van Assendelft, waarvoor hij enkele stukken land in Heemskerk terugkreeg.

Sebastiaan Willems Schouten werd in 1540 verbonden aan het dubbel-vicariaat S. Crucis en S. Johannis Evangelista in de St. Laurenskerk van Alkmaar, ‘sed contemplatione Domini de Assendelft Rev, Dns Praepositus fecit personaliter sibi gratiam et remisit omnes leges’. (doch in aanmerking nemende, dat zijn meerdere, de heer van Assendelft, hem deze gunst verleent en de legis zal betalen).

In Castricum was inmiddels, in het jaar 1537 als onderpastoor of plaatsvervanger ene Joannus Gagwijn werkzaam (20). Vermoedelijk was Sebastiaan Willems Schouten toen reeds vervangen door Mr. Johannes Hieronimus en werd de pastorie hersteld ten behoeve van de vice-cureit of onderpastoor.

Sebastiaan Willems Schouten moet gedurende lange tijd ook huiskapelaan op het slot Assumburg geweest zijn. Hij overleed in 1567 en werd in zijn bediening van het vicariaat te Alkmaar


Jaarboek 15, pagina 14

opgevolgd door Judocus van Zoelen, terwijl aan het altaar van St. Anna in de huiskapel van Assumburg als zodanig werd voorgesteld Hugo Jansz.

Johannes Hieronimus (1537? – 1563/4)

Van deze Castricumse pastoor is ons niet veel bekend. Toch moet ook hij een belangrijke ondergeschikte geweest zijn van de adellijke heren. In het jaar 1537 lezen we over aanstelling van een priester in de bediening van het vicariaat in de St. Laurentiuskapel van het kasteel te Heemskerk (Marquette):
‘Voorgesteld en aangesteld Heer Adriaan van Egmond, presbiter in het diocees Utrecht, het vicariaat waarnemend of liever altijd aanwezig op het altaar van de H. Maagd Catharina in de voorname kapel, gesticht door de Heer van Bergen, heden in bezit van de Heer van Sevenbergen, van de parochiale kerk van het nabij gelegen Heemskerk, (welk vicariaat is) vrijgemaakt door de Heer Dirk van Egmond op plechtige gelofte, gedaan aan de Heer Johannis Hierosolomitani’ .

In de Rekeningen van de Officiaal van de Aartsdiaken van het bisdom Utrecht wordt daar nog wel even aan toegevoegd, dat deze benoeming geschiedde, ‘ex gratia et intuitu dni Landcommendatoris Trajo’, zonder toe stemming en eerbiediging van de Landscommandeur (van de Johanniters) te Utrecht. Johannes Hieronimus bleef tot zijn dood in 1563/4 pastoor van de parochie van Castricum en werd als zodanig opgevolgd door de ons meer bekende Heer Johannes Petri (36).

Reformatie in Holland

In het begin van de 16e eeuw, toen de vergroting van de parochiekerk van Castricum werd voltooid, kwam in heel Europa een enorme culturele, politiek-sociale en kerkelijke omwenteling op gang. In het humanistische klimaat van die tijd ontworstelden de mensen zich aan het oude gezag in leer en leven (44). De kerkhervorming laten we meestal beginnen in 1517, toen Maarten Luther zijn befaamde 95 stellingen bekend maakte. Maar behalve in steden, waar veel Duitsers woonden, Antwerpen en Brugge, bleef zijn invloed in de Nederlanden beperkt.

Meer typerend voor ons land zijn de sacramentariërs, een grote en diverse groepering, die de sacramenten van de H. Kerk, en vooral het misoffer, niet meer konden aanvaarden (45). De scheuren, die het monolithische gebouw van de moederkerk opliep door de ‘lutherije’, waarmee de ketterij in de gerechtelijke stukken uit die tijd werd aangeduid, zouden niet meer worden geheeld. In vaak geheime samenkomsten van de sacramentariërs gingen rondreizende predikers voor, die een diepe indruk maakten. Veel lagere geestelijken voelden zich tot de ‘nieuwe leer’ aangetrokken.

Deze stroming was een uitstekende voedingsbodem voor de doperse beweging, die omstreeks 1530 als een storm over Europa raasde. De dopersen, onderling sterk verdeeld, kregen onder de arme, lagere standen een grote aanhang. De meest gematigden onder hen, de Waterlanders, woonden in het Noorderkwartier, hoofdzakelijk in de Zaanstreek en op het Schermereiland, met name in de Rijp. Hevig vervolgd, vonden zij een toevluchtsoord in de afgelegen, drassige veengebieden van de westelijke Zaanoever en het met rietvelden omzoomde Schermereiland. Vanuit deze plaatsen beïnvloedden zij de naburige dorpen. Uitgeest kende reeds in de 16e eeuw een grote doopsgezinde
gemeente, die de gereformeerden verre overtrof. In Limmen werd in de roerige tijd van omstreeks 1534 gepreekt door de vermaners Jan Pompemaker en Gerrit met den Baard en hield ene Aeffgen Listincx, dochter uit een rijke Amsterdamse familie, huis samenkomsten.

In het midden van de 16e eeuw kwam in de Nederlanden een reformatorische stroming op met een milde signatuur, waarin naast veel gewone priesters vooral de humanistische rectoren van de latijnse scholen een rol speelden. Dan dringt al gauw het calvinisme hier door en komt een radikale geest over de vervolgde en gemartelde protestanten. In die jaren werden de gereformeerde belijdenisgeschriften geformuleerd en kwam een organisatie van de groeiende ‘kerk onder het kruis’ tot stand.

De onvermijdelijke botsing kwam in 1566. Een verbond van edelen bood de landvoogdes nog een smeekschrift aan, waarin op verzachting van de plakkaten werd aangedrongen. Op 14 juli hield de Alkmaarse mandenmaker Jan Arentsz. de eerste hagenpreek in de noordelijke Nederlanden in de buurt van Hoorn. En dan op 10 augustus begint in Vlaanderen de beeldenstorm, die zich als een lopend vuur verspreidde over het land.

Bedoeld om de kerken voor de protestantse eredienst in te richten, maar snel verlopend in plundering en vernielingen, kwam het tot volksopstand, die zich richtte tegen de sociale wantoestanden, werkeloosheid, armoede en honger van de massa.

Pastoor Johannes Pietersz.

In de langs de duinrand gelegen arme, feodale ambachten Castricum en Heemskerk vinden we van dit alles niets terug. Men moet aannemen, dat met uitzondering van enkele protestant geworden adellijke heren en hun directe omgeving en sommige geestelijken de nieuwe ‘religie’ weinig of niet tot de plaatselijke bevolking was doorgedrongen.

De nieuwe pastoor van Castricum, Johannes Pietersz, in 1563 aangesteld als opvolger van Johannes Yeronimus, bleek ook de ‘nieuwe leer’ te zijn toegedaan. Jan Pietersz. was de zoon van de koster uit Heemskerk. Scholtens noemt hem ‘de zoon van de dorpskoster’ (uit Castricum). Wij moeten echter niet denken aan een soort kerkelijke concierge, maar aan het ambt van koster, dat evenals het pastoorsambt, als inkomstenbron van bezittingen werd vergeven door en aan welgestelde personen. Dat de vader toch uit het kostersambt werd ontzet wegens de afwijkende opvattingen van de zoon, moet worden geweten aan het feit, dat kerkelijk Heemskerk onder de St. Jansheren van Haarlem viel.

Pastoor Jan Pietersz. had onder zijn, weinig talrijk, gehoor twee edelen, Frederik en Albrecht van Egmond van Merestein. In het jaar 1567 moesten alle pastoors aan de agenten van de hertog van Alva verslag doen van het gedrag van hun parochianen. De pastoor van Heemskerk haastte zich te verklaren, dat jhr. Frits van Egmond, wonende op Merestein, geen goed christen was ’tot grote schandale van diversche simpele lieden’, en er ook toe gekomen was ‘gedurende den turbulenten tijd te frequenteren de predicatie van eenen Heer Jan Petri, pastoor van Castricum, wezende sectaris en apostaat’. Zijn broer Albrecht had, aldus de pastoor wel altijd op Meerestein gewoond, maar was nu verdwenen zonder dat de pastoor wist waarheen (42, 43).

Het slot Merestein te Heemskerk werd vermoedelijk gebouwd rond het jaar 1300 door Floris van Egmond, de stamvader van de tak Van Egmond van Merestein. Een van zijn nazaten Jan van Egmond liet bij zijn overlijden in 1546 drie kinderen na, Frederik, Albrecht en Anna. Hun moeder, Amelia van Grombach, trouwde opnieuw met jhr. Raes van Vernou, die ook voogd over haar kinderen werd.

In een uiterst tendentieus stukje geschiedschrijving vermeldt Scholtens (41), dat deze kinderen de nieuwe leer waren toegedaan, en bezorgd over hun toekomst in 1560 losrenten en brieven overdroegen aan hun stiefvader. In werkelijkheid beheerde deze als voogd de inkomsten van zijn stiefkinderen om hen een


Jaarboek 15, pagina 15

passende opvoeding te geven. Het al of niet ‘de nieuwe leer’ zijn toegedaan had hiermee niets van doen (42). Op 29 mei 1566 verklaarden de kinderen, dat zij als meerderjarigen nu wel hun eigen goederen konden beheren.

Frederik en Albert gedroegen zich mogelijk als militairen van hun tijd, maar waren zeker niet ’twee berooide jonkers, losbollige fortuinzoekers zonder roerend of onroerend goed en zonder talenten’, waarvoor ze door Scholtens werden uitgemaakt (39). Frederik van Egmond was reeds in 1547 beleend met de goederen van zijn vader, maar legde eerst in 1565 de leeneed af. Zijn bezittingen werden echter door Philips II verbeurd verklaard. Het slot Merestein, in 1570 nog bewoond, is al gauw daarna, vermoedelijk in 1573, verwoest. Frederik van Egmond stierf in 1576.

Zijn broer Albrecht had zich in 1566 aangesloten bij het Compromis der Edelen. Bij het beleg van Haarlem in 1572 werd hij door de Spanjaarden gevangen genomen en naar het Huis ter Kleef gevoerd om te worden geexecuteerd. Hij wist, vermoedelijk door omkoping van zijn bewakers, te ontsnappen. De Prins van Oranje maakte jhr. Albrecht ‘krijgscommissaris’. Hij was later kapitein in Staatse dienst en van 1584-1586 baljuw en schout van Den Haag.

Van de situatie in Castricum gedurende deze onrustige tijd is ons bijna niets overgeleverd dan de mededeling, dat Duitse buurtroepen van de fanatieke geuzenleider Hendrik van Brederode in 1567, op weg om de abdij van Egmond te plunderen, het Heilige Sacramentshuisje in de parochiekerk vernielden (43).

Nadat echter in maart van dat jaar het protestantse leger bij Antwerpen was verslagen, wachtten velen de komst van de hertog van Alva niet af. De Prins van Oranje, Hendrik van Brederode en met hen vele duizenden vluchtten naar het veilige Embden, waar zij zich aansloten bij de ‘kerken onder het kruis’. Onder hen waren Jan Pietersz en de uit Castricum afkomstige pastoor van Enkhuizen Andries Dirckz.

Andries Dirckz. van Castricom

Over Andries Dirckz. van Castricom, pastoor van de Sint Pancratiuskerk (Zuiderkerk) te Enkhuizen wordt het volgende verhaald:
‘In de zomer van 1561 werd Andries Dirksz. van Castricom Pastoor van de St. Pancras Kerke, die sich in sijne predikaties, of, soo anderen seggen in eenige heimelijke nacht vergaderingen, tegens het Pausdom begost te kanten, door Rudolf Strakmans, Deeken van West-Vrieslandt tot Room, de woon- plaats van den Deeken in persoon gedagvaert, en aldaer, als hij verscheen, in een besloote kamer in gevangenisse geleidt, met meening om verders tegen hem te pleiten, doch eenige ingesetenen van Enkhuisen waeren daer voor, want deze toogen gesamentlijk naer Room, daer sij middel vonden om den gevangen behendiglijk uit de hechtenisse te ontsluiten, en op malkanders schouderen klimmende, voorts te verlossen en weg te helpen. Dit geschiedde ontrent den lesten Julij. Sedert nam de Pastoor de vlucht, en onthieldt sich buiten het rechtsgebiedt van den Deeken’.

Deze daad had voor de bevrijders van Andries van Castricom, zoals hij verder meestal genoemd wordt, nog een staartje. Zij werden ieder tot betaling van l7 ponden en de kosten van het rechtsgeding veroordeeld (46).

De omwenteling was echter niet meer te keren. In het jaar 1566 waarin de vrijheidsstrijd losbarstte, keerde Andries van Castricum uit Embden terug naar zijn oude standplaats Enkhuizen. De vroegere pastoor van de St. Pancratius (de Zuiderkerk) bediende nu enige tijd als predikant de gereformeerd geworden parochianen in die plaats. Van hem wordt vermeld, dat hij het pausdom veel afbreuk deed door zijn stichtelijke predikaties en vrome levenswandel. Andries van Castricum is nooit pastoor van Castricum geweest, of voorganger van Jan Pietersz., zoals wordt beweerd door Scholtens (4l), en in navolging van hem door Van Deelen (20) en anderen. Ter onderscheiding van naamgenoten werden in die tijd velen aangeduid met de plaats, waar zij geboren waren of vandaan kwamen.

De terugkeer van Johannes Pietersz. Castricum

Ook Jan Pietersz. Castricum ging terug naar Holland maar langs een omweg. In het jaar 1568 vinden we hem als predikant werkzaam in Wezel. Nadat het verzet spaanse overheersing tot een algemene opstand had geleid keerde Jan Pietersz. terug naar zijn land, waar hij werd in 1577 beroepen in Den Haag. Na zes jaar ging hij op 10 october 1583, mogelijk wegens ouderdom of slechte gezondheid, met emeritaat.

In het volgende jaar 1584 keerde hij naar zijn oude standplaats Castricum terug, waar hij opnieuw maar nu als predikant werd bevestigd. Dit geschiedde vermoedelijk op instigatie van de ambachtsheer Cornelis van Assendelft, die reeds in 1582 pogingen had gedaan om in zijn ambachtsheerlijkheden Castricum en Heemskerk een predikant beroepen te krijgen. Voor Heemskerk had dit nog al wat voeten in de aarde, omdat hij van mening was, dat de predikant wel uit de ‘smaltienden’ kon worden betaald, zoals voordien de pastoor.

Nu berustte het collatierecht van de pastorie van Heemskerk nog altijd bij de commanderij van St. Jan in Haarlem, zodat de commandeur, Timan van Wou, bezwaar aantekende. Volgens hem konden trouwens de Heemskerkers, ‘die enich ijver hadden om predicatie te horen’, daarvoor gemakkelijk naar Beverwijk gaan, terwijl die van Castricum en Heiloo beter samen met Limmen een predikant konden beroepen.

Zerk van Jan Pietersz. Castricum, pastoor van Castricum, die tijdens de opstand tegen Spanje naar Embden vluchtte. Na zijn terugkeer eerst predikant te Den Haag en later (1584 - 1586) te Castricum en Heemskerk.
afb. 13 Zerk van Jan Pietersz. Castricum, pastoor van Castricum, die tijdens de opstand tegen Spanje naar Embden vluchtte. Na zijn terugkeer eerst predikant te Den Haag en later (1584 – 1586) te Castricum en Heemskerk.

Jaarboek 15, pagina 16

De ambachtsheer kreeg echter zijn zin. Jan Pietersz. werd ook in Heemskerk beroepen, hoewel dat wel tegen de nieuwe Kerkenordening inging, die onder meer de beroeping van predikanten regelde. De classis Haarlem, waaronder Heemskerk viel, verlangde daarom een verklaring, waarin deze fout werd toegegeven, maar was overigens met de persoon van Jan Pietersz. zeer tevreden.
Zijn ambtsperiode in zeer kleine gecombineerde gemeente van Castricum en Heemskerk zou spoedig ten einde zijn. Jan Pietersz. stierf op 21 november 1586 en werd begraven in de kerk van Castricum. Op een kleine zerk ( 17, nr. 6), is in gotisch schrift te lezen:

‘JOHANNES CASTRI
COMI’ PREDICANT
STARF Ao 1586
DEN 21 NOVÉBRIS’.

Onder de tekst, hangend aan een knoestige stok een wapenschildje met een naar rechts gewende springende haas.

Na de stichting van de oude dorpskerk waren ongeveer 500 jaren verlopen toen zij in handen van de gereformeerden kwam. In deze lange periode deed zij dienst als de parochiekerk van Castricum, gewijd aan Sint Pancratius. Van dit verleden, waarvan wij niet zoveel weten, is het kerkgebouw zelf de belangrijkste getuige. Een monument om zuinig op te zijn.

ir. J. Kol

Geraadpleegde literatuur:

  1. Vos, P.C., De relatie tussen de geologische ontwikkeling en de bewoningsgeschiedenis in de Assendelver polders vanaf 1000 v. Chr., Westerheem, jaargang 32, nummers 2/3, mei 1983.
  2. Groen, A., De terp te Dorregeest, Westerheem, jaargang 30, nummer 5, 1981.
  3. Besteman, J.C. en A.J. Guiran, De middeleeuwse bewoningsgeschiedenis van Noordholland boven het IJ, enzovoorts, Rotterdam Papers V, Rotterdam, 1986.
  4. Gysseling M., en D.P. Blok, Studies over de oudste plaatsnamen van Holland en Utrecht, Amsterdam, 1959.
  5. St. Werkgroep Oud-Castricum, 6e, 9e, 12e Jaarboekje, 1983, 1986, 1989.
  6. Hoffman, J.H., De oude Pancratiuskerk, kerkvoogdij Hervormde Gemeente Castricum, 1988.
  7. Kol, J., ‘Tot best ende repareringe’, Geschiedenis van de Uitgeester dorpskerk, Uitgeest, 1984.
  8. Groesbeek, J.W., Heemskerk onderweg van verleden naar heden, Gemeente Heemskerk, 1978.
  9. Kok, H.J., Onderzoek van de patrocinia in het middeleeuwse bisdom Utrecht, Assen, 1958.
  10. Hof, J. monnik van Egmond, De abdij van Egmond van de aanvang tot 1973, Den Haag, Haarlem, 1973.
  11. Oppermann, 0., Fontes Egmundensis, Utrecht, 1933.
  12. Post, dr .R.R., Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, Utrecht, Antwerpen, 1957.
  13. Reder, W.J., De St. Pancratiuskerk te Castricum, documentatie van de restauratie 1953-56, St. Oud- Castricum, 1e Jaarboekje, 1978.
  14. Joosting, mr.J.G.C. en mr. S. Muller, Bronnen voor de geschiedenis van de kerkelijke rechtspraak in het Bisdom Utrecht, Den Haag, 1914-1924.
  15. Cordfunke, E.H.P. en anderen, Kennemer Contouren, Zutphen, 1979.
  16. Janse, H., Stads- en Dorpskerken in Noordholland, Zaltbommel, 1969.
  17. Bloys van Treslong Prins, mr. P.C. en mr. J. Belonje, Genealogische en Heraldische Gedenkwaardigheden in en uit de KERKEN DER PROVINCIE NOORD-HOLLAND, Deel 1-5, Utrecht, 1928.
  18. Loos, Pastoor J.C. van der, Geschiedenis van Uitgeest, 1925.
  19. Krom, J.C., Het Molenrijk Uitgeest, Uitgeest, 1980.
  20. Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl, 1973.
  21. Oudheden en Gestichten van Kennemerland, Amstelland, Noordholland en West-Vriesland, 1e deel (H.v.R.), Leiden , 1721.
  22. Heussen, H. van, Kerkelijke Historie en Outheden der Zeven Verenigde Provincien, 4e deel, Leiden, 1726.
  23. Bruins, Cl., Noordhollandsche Arkadia, Amsterdam, 1732.
  24. Ollefen, L. van, Stad- en Dorpbeschrijver van Kennemerland, Amsterdam, 1796.
  25. Aa, A.J. van der, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, 3e deel, Gorinchem, 1841.
  26. Arkel, G. van en A.W. Weissman, NOORD-HOLLANDSCHE OUDHEDEN, 2e stuk, 1e gedeelte, Amsterdam, 1894.
  27. Voorlopige Lijst der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst, deel 5, Utrecht, 1921.
  28. St. Werkgroep Oud-Castricum, Op zoek naar Castricum’s verleden, Castricum, 1992.
  29. Kol, J., ‘In patriochalis esslesia de Castringhem’, Historische en genealogische studie bij een nieuwe inventarisatie van de grafzerken, 1992, (Streekarchief Noord-Kennemerland, Alkmaar).
  30. Lams, W. Gerritsz, het groote Previlegie ende Hantvest Boek van Kennemerlandt en Kennemer-Gevolgh, Amsterdam, 1664.
  31. Register wegens de Ontfangsten opt Trouwen en Begraven te Castricum (Streekarchief. Noord- Kennemerland, Alkmaar).
  32. Belonje, mr. J., ‘Tempelaar’, De Brabantsche Leeuw, 29e jaargang, 1980.
  33. Archief Hervormde Gemeente, Kerkboek nummer 1, 1733-1796.
  34. St. Werkgroep Oud-Castricum, 3e Jaarboekje, 1980.
  35. Kol, J., ‘Kleine Monumenten in steen’, Onderzoek van de vloer van grafzerken in de Nederlands Hervormde kerk van Akersloot, 1991, (Streekarchief Noord-kennemerland). Alkmaar).
  36. Grijpink, P.M., Roltkamp, C.P.M., Register op de Parochien, altaren, vicarieën en de bedienaars, 3e deel, Kennemaria, 1930.
  37. Randvesten en Privilegien mitsgaders Keuren en Ordonnantien van Assendelft, Amsterdam, 1768.
  38. Archief ir. J. Kol, Genealogie van het geslacht van Assendelft.
  39. Molhuysen, P.C., P.J. Blok en anderen, Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, 1911-1937.
  40. Rolleman, mr. F.A., Dirk van Assendelft, Schout van Breda en de zijnen, Zutphen, 1953.
  41. Scholtens, R.J.J., Uit het verleden van Midden Kennemerland, Arnhem, 1968.
  42. Groesbeek, J.W., Middeleeuwse kastelen van Noord-Holland, Haarlem, 1981.
  43. Bijdragen tot de Geschiedenis van het Bisdom Haarlem, (jaargang 1-4 , vm-x, 17, 21 en andere vanaf 1873).
  44. Ghaunu P. (redacteur), L’ Aventure de la Reforme, Parijs, 1986.
  45. Berkhof, R., Geschiedenis der Kerk, Nijkerk, 1935.
  46. Brandt, Geeraardt, Historie der vermaarde Zee- en Koopstadt Enkhuisen, Room, 1746.