Boreel van Hogelanden – burgemeester (Jaarboek 12 1989 pg 44)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 12, pagina 44

Burgemeester Boreel van Hogelanden

De vertrekkende burgemeester jonkheer Mr. Jacob Willem Gustaaf Boreel van Hogelanden was burgemeester en secretaris van Castricum van 1 december 1877 tot 1 mei 1888.

Burgemeester Boreel van Hogelanden.
Burgemeester Boreel van Hogelanden.

Jacob Boreel stamde af van het rijke patriciërsgeslacht der Boreels, dat meerdere beroemde diplomaten voor zijn tijd had voortge­bracht. Hij was geboren op 10 sept. 1852 op het landgoed Waterland te Velsen; hier heeft Jacob ook zijn jeugd doorgebracht. Zijn vader was jonkheer Mr. Willem Boreel van Hogelanden, toen Commissa­ris des Konings van Noord Holland, later voorzitter van de Tweede Kamer en Minister van Staat en zijn moeder was jonkvrouwe Margaretha J.M.P. Boreel.
Na voltooiing van zijn studies in de rechten te Leiden was Jacob Bo­reel enige tijd als attachee te Londen werkzaam. Om ervaring in het gemeentebestuur op te doen zegde hij de diplomatieke dienst vaar­ wel en werd reeds op 25-jarige leeftijd burgemeester van Castricum; daarnaast kon hij zich nu wijden aan het beheer van zijn landgoede­ren, die grensden aan de duinen. In dat kader maakte hij als een van de eersten een studie van de verschillende soorten dennen, die voor duinbeplanting het meest geschikt waren.

Burgemeester van Castricum

In Castricum volgt hij burgemeester Carel Hendrik Moens op. Enkele maanden na zijn ambtsaanvaarding trouwt hij op 14 mrt. 1878 te ’s-Gravenhage met barones Maria Cornelia Schimmelpenninck van der Oye. Jacob heeft van de minister van Binnenlandse Zaken toestem­ming om gedurende ruim twee maanden een huwelijksreis te maken naar het buitenland. Na terugkeer wordt hij op 11 juni 1878 in Castri­cum feestelijk binnengehaald; straten en huizen zijn versierd, er staan erepoorten op de Rijksstraatweg.

Jacob Boreel gaat met zijn vrouw wonen op het landgoed Meervliet. Bij koninklijk besluit is hij vrijgesteld van de verplichting om in Castricum te wonen, mits hij in Velsen gevestigd blijft. Wel moet de burgemeester voor de ingezetenen van Castricum op elke woens­dagmorgen vanaf 11 uur in Castricum te spreken zijn. Burgemeester Boreel is dus over een periode van tien jaar en vijf maanden burge­meester van Castricum geweest. Deze periode kenmerkt zich als een betrekkelijk rustige periode in de Castricumse geschiedenis. Er zijn geen bijzondere bouwwerken verrezen, wegen aangelegd of an­dere nu nog aanwijsbare elementen uit die periode bewaard geble­ven. Alleen de Openbare School (de enige school in Castricum) wordt met 3 lokalen uitgebreid. De financiële toestand van de ge­meente blijft onveranderd slecht. Het aantal inwoners schommelt tussen de 1460 en 1715.

In 1881 maakt Jacob Boreel van Hogelanden deel uit van het buiten­ gewone gezantschap, dat de Koning der Nederlanden vertegenwoor­digde bij de kroning van Alexander III tot tsaar der Russen.

Op 3 juni 1884 wordt Jacob Boreel ook benoemd tot burgemeester van Heemskerk; hij volgt aldaar de geliefde en plotseling overleden burgemeester Zaalberg op, die in 1868 en 1869 ook burgemeester van Castricum was geweest. Ook Jacob Rendorp had daarvoor gedu­rende een lange reeks van jaren beide gemeenten bestuurd. Over de burgemeesters Zaalberg en Rendorp zijn uitvoerige artikelen ver­ schenen in resp. het 5e en het 10e jaarboekje.

Burgemeester van Haarlem

Op 1 mei 1888 neemt burgemeester Boreel van Hogelanden op eigen verzoek ontslag als burgemeester van Castricum en Heems­kerk om zich volledig te wijden aan zijn lidmaatschap van de Twee­de Kamer, waarvoor hij als liberaal door het district Beverwijk was gekozen. Met grote ambitie vervult hij zijn Kamerlidmaatschap tot 1893 toen hij benoemd werd tot burgemeester van Haarlem en hij zijn Kamerlidmaatschap niet verenigbaar achtte met zijn nieuwe ambt.

Gedurende zijn 19-jarig burgemeesterschap van Haarlem komen mede dank zij zijn initiatief een groot aantal zaken tot stand. In 1894 schenkt hij de stad Haarlem een bijzonder fraaie zilveren ambtske­ten, die nog steeds door de burgemeester van Haarlem wordt gedra­gen. Na 19 jaar burgemeesterschap van Haarlem vindt Jacob Boreel het welletjes en wordt in 1912 lid van de Gedeputeerde Staten van Noord Holland, in welke functie hij zeer actief deel neemt aan de financiële commissie en aan het beheer van het Provinciaal Zieken­ huis te Santpoort.

Eigenaar van het landgoed Meervliet, Waterland en Beeckestein

In 1877 koopt Jacob Boreel het landgoed Meervliet te Velsen, hier worden zijn vijf kinderen geboren, waarvan er drie bij de geboorte en ook zijn eerste vrouw zullen overlijden. Het wordt stil op Meer­ vliet, Jacob woont er met zijn twee nog zeer jonge dochtertjes. Als zijn moeder in 1892 overlijdt, gaat hij op het eraan grenzende land­ goed Waterland wonen, de plaats waar hij was geboren. Zes jaar la­ter hertrouwt hij met Jonkvrouwe Cornelia Maria van Weede. In 1926 verkoopt hij het landgoed Meervliet, dat kort daarna wordt gesloopt. Jacob Boreel is ook eigenaar van het landgoed Beec­kestein; Dit landgoed en ook Waterland waren reeds vanaf resp. 1742 en 1799 in het bezit van de familie Boreel.

Op bijna 85-jarige leeftijd is Jacob W.G. Boreel van Hogelanden op 16 juli 1937 te Bloemendaal overleden; de landgoederen Beec­kestein en Waterland worden onder zijn beide dochters mevr. Baronesse van Tuyll van Serooskerken en mevr. Cremers verdeeld, waarmee een einde kwam aan het bewind der familie Boreel.

S.P.A. Zuurbier

Heideman, Henk (Jaarboek 39 2016 pg 44-46)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 39, pagina 44

Een praatje met verzamelaar Henk Heideman

In de (negentien)vijftiger jaren viel het oog van Henk Heideman op oude foto’s van Castricum die regelmatig in een regionale krant verschenen. Hij ging ze uitknippen en van lieverlee groeide zijn belangstelling voor het verleden van het dorp waar hij geboren en getogen was. Hij begon met ansichtkaarten en de volgende stap was het verzamelen van oude foto’s. Miste hij er een dan maakte hij hem zelf. Henk ontwikkelde zijn foto’s en drukte ze af. Inmiddels bezit hij duizenden beelden van het dorp en zijn inwoners.
Het hielp dat hij veel mensen kende. Zijn vader had een manufacturenzaak gehad in de Dorpsstraat. Zijn schooltijd bracht hij door op enkele honderden meters van zijn huis. Henk heeft vier prachtige fotoboeken uitgegeven en daar laat hij het verder bij. Zijn zoon John, die een studie maakt van de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog, neemt het stokje van zijn vader over.

Henk Heideman op zijn praatstoel.
Henk Heideman op zijn praatstoel.

De eerste twee fotoboeken gaan over de periode 1900- 1950. In 1986 volgde een boek over de buurt De Duinkant. Het laatste fotoboek ‘School- en jeugdherinneringen van Bakkum en Castricum (1940-1959)’ is tot stand gekomen na een reünie van de eerste en tweede klas van zijn lagere school, de Sint-Augustinusschool. Voor die gelegenheid had Henk een klaslokaal vol gehangen met foto’s. Dat bracht hem op het idee om er zijn vierde fotoboek van te maken. Hij heeft er wel vijf jaar over gedaan om alle namen te achterhalen, maar het is hem gelukt.

Manufacturenwinkel ‘De Zon’ van Hendrik Jan Heideman, gebouwd in 1909 op de hoek van de Dorpsstraat en de Schoolstraat.
Manufacturenwinkel ‘De Zon’ van Hendrik Jan Heideman, gebouwd in 1909 op de hoek van de Dorpsstraat en de Schoolstraat.

Henk werd geboren op 28 februari 1937 in de woning bij de manufacturenzaak ‘De Zon’ op de hoek van de Dorpsstraat en de Schoolstraat, waar nu de nieuwe meubelzaak van Huitinga staat. De meningen over dat gebouw zijn sterk verdeeld. Zijn grootvader Hendrik Jan Heideman, die uit Landsmeer kwam, heeft de eerste winkel in 1909 laten bouwen. Hij woonde er ook tot 1927. Daarna woonde hij aan de overkant van de Dorpsstraat in Hermana State, de voormalige praktijkwoning van dokter Schoonhoff, die hij in 1926 had gekocht. In de oorlogsjaren vertrok hij naar Bussum. Hermana State kwam in 1943 in handen van notaris Van Cranenburgh.

Henk’s vader Jan Hendrik trouwde in 1935 met Annie Twisk en nam de zaak toen van grootvader Hendrik Jan over. Jan heeft samen met zijn broer Gé een kajuitboot gebouwd, waar ze regelmatig mee gingen varen op het Uitgeestermeer. Ook Henk heeft nog veel plezier van de zeilboot gehad.
Midden in de oorlog moest de manufacturenwinkel plaats maken voor de viswinkel van Frans van der Ouw. Vader Heideman heeft toen nog een poosje vanuit de winkel van


Jaarboek 39, pagina 45

Peijs in Bakkum gewerkt. In 1946 keerde de familie in de Dorpsstraat terug en in 1955 werd de zaak verkocht. In Egmond aan Zee is Jan enkele jaren als woninginrichter actief geweest in samenwerking met Kees Apeldoorn uit Egmond-Binnen. Hij legde veel colovinyl, waarbij Henk hem heeft geholpen. Hij had het vak al op jonge leeftijd geleerd. In Heemskerk werd volop gebouwd en er was veel vraag naar moderne vloerbedekking. Pas later werd bekend dat er in het materiaal zelf en in de gebruikte lijm asbest zat.

Je hebt na het overlijden van je vader in 1957 bij je grootvader gewoond. Hoe kwam dat zo?

Na het overlijden van mijn vader vroeg mijn grootvader Twisk, aannemer van beroep, aan de Beverwijkerstraatweg, of zijn dochter, mijn moeder, bij hem de huishouding wilde doen. Mijn moeder vond dat goed, maar alleen als ik mee mocht komen. Ik was toen een jaar of twintig en behoorlijk eigenwijs. Opa: “Die boef wil ik niet in huis hebben”. “Dan kom ik niet”, zei mijn moederToen heeft opa toch maar eieren voor zijn geld gekozen.

Wat weet je nog van je jeugdjaren in de Dorpsstraat?

In 1941 ging ik naar de kleuterschool en in 1943 naar de lagere school. Het was midden in de oorlog. Er waren vriendjes zat om mee te spelen. We hadden een grote Duitse herder die achter het huis in een kennel verbleef. Mijn zuster heette Lida. Ze trouwde met Kees van Engel Zonneveld. Ze zijn naar Zuid-Afrika geëmigreerd en beiden zijn inmiddels overleden.
Ons kleine gezin was een uitzondering in Castricum, want de meeste gezinnen telden zes kinderen en meer. Er was dus een grote kleuterschool met vijf kleuterklassen met 30 tot 40 kinderen. Ik zie mezelf nog zitten in kleuterklas nummer 2. Ik ken nog heel wat plaatsgenoten uit mijn schooltijd.

Het duingebied was natuurlijk een prachtig terrein, waar we na de oorlog weer heerlijk konden spelen. Op een keer werden Theo en Sam de Rooij, Cor Beentjes en ik door een boswachter betrapt toen we in de duinen op een mijn stonden te springen. Wij dachten dat het een kistje met munitie was. Het bleek een anti-tankmijn te zijn die gelukkig niet ontplofte. In het gymnastieklokaal van de school werden we de volgende dag in aanwezigheid van alle leerlingen behoorlijk aangepakt.
In de vijfde klas van de lagere school las meester Vermeulen elke dag voor uit de boeken van Arendsoog, onder voorwaarde dat wij ‘s ochtends de kerk bezochten. We waren gek op die verhalen, zodat we vrij trouwe kerkbezoekers werden. Meester Vermeulen was er bijzonder trots op dat hij dat voor elkaar had gekregen.

Wat ging je na de lagere school doen?

Al in mijn schooljaren werd ik er door mijn vader op uitgestuurd om rekeningen te lopen. Vroeger werd er veel meer op de pof gekocht en dan moest je er achteraan om aan je geld te komen.
Op zondagochtend ging ik vaak met een stel vrienden biljarten bij Roozendaal. Het kerkbezoek, waar onze ouders vanuit gingen, schoot er dan bij in. Hans Beentjes, die op de Breedeweg woonde, werd nog eens door zijn vader betrapt. Dat pakte niet goed uit.
We hadden ook de gewoonte om na het stappen even langs te gaan bij de automatiek van Jacobs in de Dorpsstraat voor een karbonaadje. Nooit lekkerder karbonade gegeten.
Net als veel andere jongens heb ik ook nog een poosje bij Vitesse gevoetbald. Gerard Veldt, nu (in 2016) penningmeester van Oud-Castricum, was een geweldige keeper voor het elftal waarvan ik leider werd.. Plotseling had hij er geen zin meer in en wilde stoppen. Toen stelde ik voor dat hij als spil ging spelen. Dat heeft hij nog jaren heel goed gedaan. Zo heb ik veel leuke herinneringen aan mijn jonge jaren in het dorp.

De jongste zus van mijn moeder Alie Twisk was getrouwd met Cor Beentjes, bijgenaamd Zwarte Cor. Toen hij in 1954 Funadama heropende, heb ik daar ook meegeholpen. Ik had keukendienst en zorgde voor de kroketten en de bitterballen. Ik was toen toevallig thuis, want ik was koksmaat aan boord van de coaster Willem Barendsz. Het was een vrachtschip en niet de bekende walvisjager. We voeren meestal tussen Engeland en Nederland en vervoerden vooral kolen, die hier toen nog niet werden gedolven.

Henk in New York aan boord van de coaster ‘Stientje Mensinga’.
Henk in New York aan boord van de coaster ‘Stientje Mensinga’.

Hoe kwam het dat je zeeman bent geworden?

Na de lagere school heb ik een tijdje gewerkt bij groenteboer en tuinder Bertus Beentjes aan de Beverwijkerstraatweg. Ik heb ook bij twee bakkers in Amsterdam in de Kinkerstraat en aan het Damrak gewerkt en bij bakker Piet Res, de zoon van Gerrit Res, in de Dorpsstraat. Ik denk dat ik een jaar of 16 was toen ik naar de Maatschappij Nederland ben gestapt. Op grond van mijn ervaring in de bakkerij wilde ik wel graag als koksmaat werken. Mijn oom Gé Heideman was kapitein op een coaster van dezelfde maatschappij en het zeemansleven leek mij ook wel wat. Kapelaan Heemskerk, een vriend van mijn vader, heeft me geholpen. Hij was een beetje mijn kruiwagen. Ik heb ook


Jaarboek 39, pagina 46

nog geprobeerd op de koksschool te komen, net zoals een vriend Piet Portegies, maar dat ging niet door. Daarvoor moest je 18 jaar zijn.
Ik heb een paar jaar gevaren. Ik begon op het grote passagiersschip ‘Oranje’ en daarna heb ik op verschillende coasters gewerkt, onder andere op de ‘Stientje Mensinga’. Het zal eind jaren (negentien)vijftig zijn geweest dat ik met Pasen afmonsterde en voor mijn vader ging werken. Met mijn laatste schip is het niet goed afgelopen. In december 1961 liep het vast op de Ierse kust. Van de bemanningsleden zijn er 6 gered. De kapitein, de stuurman en twee machinisten kwamen om.
Na het overlijden van mijn vader in 1957 heeft mijn moeder het bedrijf zo’n beetje voortgezet. Ik heb nog de vloeren gelegd in het klooster Lioba in Egmond en kreeg een paar tientjes zakgeld in de week. Ik ben ook bij aannemer Apeldoorn gaan werken.
Toen de bouw wat inzakte, stapte ik over naar een tegelzetterij in Bergen. Dat heb ik heel wat jaren gedaan en tegelzetter was ook mijn laatste beroep. Het was geen gezond werk, want ik heb er problemen met mijn longen aan overgehouden.

Het gezin van Henk Heideman.
Het gezin van Henk Heideman. Henk en zijn echtgenote Meta Verhulst met hun kinderen v.l.n.r. John, Richard en Wilma.

Woon je sinds je huwelijk met Meta Verhulst al aan de Heereweg?

Ja, het is mijn eerste woning. Mijn moeder heeft het met financiële steun van mijn grootvader gekocht van Jan Zonneveld, vroeger bewoner van het Commissarishuis. Heel vroeger was het een bollenschuur. Daar is een woning van gemaakt en ik heb het zelf verder uitgebouwd en opgeknapt.
Ik ontmoette Meta op een van de zondagen toen we uitgingen in de Dorpsstraat. Zij woonde op de Beverwijkerstraatweg. Ze ging in Bakkum naar de School met de Bijbel. We trouwden op 11 september 1962. Dat we van huis uit een verschillend geloof hadden, speelde bij ons geen rol. Onze kinderen zijn niet katholiek opgevoed.

Hoe heb je die prachtige verzameling ansichtkaarten en foto’s opgebouwd?

Ik had contact met een verzamelaar in Amsterdam. Hij bewaarde alles voor mij wat hij over Castricum en Bakkum tegenkwam. Om de 14 dagen ging ik naar hem toe en zo ben ik aan veel spullen gekomen. Het hielp ook dat ik veel mensen kende. De mensen vonden het gezellig als ik langs kwam. De albums kwamen op tafel en ze wilden me graag helpen. Eerst had ik alleen belangstelling voor gebouwen en plaatsen, maar later interesseerde ik me ook voor familiefoto’s.
Iemand liet me eens een foto zien van een huis dat in de Duinkant gestaan had, de in de oorlogsjaren gesloopte buurt. Hij vertelde waar het precies stond en ik kreeg de foto zo maar mee. Langzamerhand bouwde ik een verzameling op van de panden in dat buurtje, waardoor ik er een heel fotoboek van heb kunnen maken.

Soms kwam je bij toeval iets tegen. Bij een achternicht in Egmond-Binnen zag ik aan de wand in de keuken een foto van een boerderij. Ik bekeek hem eens goed en zag dat het een boerderij aan de Bleumerweg in Bakkum moest zijn. Een prachtig mooie foto. “Neem maar mee”, zei ze. “Ik zal hem niet missen”.
Laatst kreeg ik nog een mooie foto van de Schoolstraat. Zo komt er heel af en toe nog iets bij. Ik heb ook wel eens foto’s gevonden in een container bij het bejaardencentrum. Als opa of oma is overleden, gooien sommigen alles weg.
Sinds kort heb ik een scootmobiel en nu kan ik er zelf weer eens op uit gaan.

Oud-Castricum waardeert het bijzonder dat je altijd bereid bent foto’s uit te lenen. Ben je niet bang dat we in elkaars vaarwater zitten?

Ik heb er geen problemen mee om mee te helpen aan de illustratie van verhalen in jullie mooie jaarboek. Het schrijven van verhalen is nu eenmaal niet mijn sterkste kant.

Je hebt nog genoeg materiaal. Is er kans op een vijfde fotoboek?

Ik denk niet dat er een nieuw fotoboek uitkomt. Mijn generatie en die van de nog ouderen neemt langzamerhand af. Er zijn er maar weinig over. Jongeren hebben hooguit belangstelling voor hun jeugdjaren en verder spelen ze met hun digitale wondertjes. Met muziek is het ook zo. De grootheden uit onze tijd worden vergeten. Ik was gek op Fats Domino, The Platters, Little Richard en Louis Armstrong. Net als mijn vader ben ik ook erg van Sinatra gaan houden. Meta en ik hebben een paar keer optredens van hem en ook samen met Sammy Davis jr. in Amerika meegemaakt. De tegenwoordige muziek spreekt mij niet meer aan. Tijden veranderen. Frank Sinatra zingt het zo mooi: “That’s Life”.

Niek Kaan

Hageman, Arie (Jaarboek 39 2016 pg 29-31)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2Castricum in oorlogstijd – Dagboek kapelaans – De dood van Arie Hageman – Duin en Bosch, evacuatie – Duinkant, een verdwenen dorpje – Oorlogsherinneringen Nardus Bos – Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot – verzetsstrijders – Leenaers, dokter – tante Sientje

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 39, pagina 29

De dood van Arie Hageman

Precies een jaar voor de bevrijding op 5 mei 1944 werd Arie Hageman in het duingebied gedood door een kogel van een Duitse soldaat. De toedracht en de gevolgen zijn beschreven door zijn zoon Jan. Bevrijdingsdag is voor het gezin nooit een feestdag geworden. Het overlijden van vader Arie liet diepe sporen na.

Het gezin van Arie Hageman omstreeks 1943.
Het gezin van Arie Hageman omstreeks 1943; Arie en zijn echtgenote Griet
Groentjes met hun kinderen Tiny en Jan.

Mijn naam is Johannes Pancratius Hageman. Jan, geboren 11 november 1934, zoon van Adrianus Cornelis (Arie) Hageman, geboren in Bakkum op 29 mei 1905 en van Margaretha (Griet) Groentjes, geboren in Castricum op 26 februari 1908. Hun trouwdag was 12 juni 1930. Op 2 oktober 1941 werd dochter Catharina Wilhelmina (Tiny) geboren.

Mijn vader was eerst vele jaren tuinder en had een depot voor zaaizaden van de firma Zaadnoordijk, gevestigd aan de Kaasmarkt in Alkmaar. De lokale boeren en tuinders konden bij hem het benodigde zaaizaad bestellen. Hij zorgde voor distributie van het bestelde.
Kort voor de mobilisatie in oktober 1939 werd mijn vader aangenomen bij de PWN in de bosbouw en als controleur van waterputten in het duinterrein. Hij volgde in die tijd een cursus bosbouw. Ik heb nog steeds een studieboek van hem.

Op 30 januari 1943 moesten we evacueren naar Heiloo. We werden ingekwartierd bij bewoners, een oudere man en vrouw, die plaats in hun woning hadden moeten maken. Dat bleken achteraf mensen van Joodse afkomst te zijn, want op een dag kwam ik uit school en was het huis leeg op één afgesloten kamer na. Mijn ouders wilden er naar mij toe niet veel over kwijt, maar later is het mij wel duidelijk geworden. Gedeporteerd!
Mijn vader kreeg in Heiloo bericht dat hij naar Duitsland moest om daar te werken, zoals zo velen met hem. De leiding van de PWN heeft hem toen als onmisbaar verklaard en hij hoefde zich niet te melden. Mijn moeder heeft later heel vaak gezegd: “Was hij maar gegaan dan had hij misschien nog geleefd.” Op grond van die verklaring mochten we op 19 juni 1943 weer terug naar Castricum. Niet naar Bakkum, maar naar de Geelvinckstraat 96, met als buurman dokter Van Nievelt. Het was van korte duur, want op 21 december moesten we weer evacueren, nu naar een hoekwoning in Uitgeest, Nieuwstraat 11.

Door al die evacuaties in zo’n korte tijd liep ik een achterstand met leren op en mijn ouders besloten dat ik weer naar de Augustinus jongensschool in Castricum moest. Samen met mijn vader reisde ik met de trein van 10 over 7 naar Castricum. Ik was dan keurig op tijd voor de H. Mis en kon daarna naar school. (Het misdienaarschap heb ik aan me voorbij laten gaan.) ’s Middags ging ik alleen met de trein terug naar Uitgeest. Tweemaal heb ik een beschieting van de trein meegemaakt en eenmaal een bombardement, waarbij we halverwege uit de trein moesten. Paniek natuurlijk.

Dat ging zo door tot die fatale 5 mei 1944. Mijn zusje Tiny was heel erg ziek van de mazelen en mijn vader twijfelde nog of hij wel naar zijn werk zou gaan. Maar helaas ging hij toch! ’s Morgens vroeg, samen met mijn vader, naar de trein. Afscheid als gewoonlijk. Dag pappa, dag Jan goed je best doen hè. Een kus en ik naar de kerk en hij op de fiets naar het pompstation. En daarna de bossen in. Dat was de laatste keer dat ik hem levend heb gezien.


Jaarboek 39, pagina 30

Ik bleef natuurlijk over tijdens de middagpauze. Enkele jongens die wel naar huis waren gegaan, kwamen weer terug op school en vertelden mij: ”Je vader is dood”. Ik geloofde daar natuurlijk helemaal niets van, want ik had hem een paar uur daarvoor nog gezien. Dat moest mijn opa zijn, die nog op Bakkum aan de Heereweg woonde en als tuinder niet geëvacueerd was. Want je moest oud zijn om dood te gaan.
Ik zat in de 4e klas bij meester Louwe. De lessen waren net begonnen toen de hoofdonderwijzer, meester Van Westen, samen met mijn ondergedoken neef Kees Bakker, de klas binnen kwamen en mij vroegen mee de gang op te gaan. Je bent 9,5 jaar oud, maar je begrijpt heel goed wat er verteld gaat worden. Het was dus toch waar wat ze me gezegd hadden!
Het was een moment om nooit te vergeten. Alles draaide om me heen. Neef Kees moest me vasthouden. Je kunt en je wilt het niet geloven. Je wereld stort in.
Het stuk weg van school naar de Nuhout van der Veenstraat, het huis van mijn oom Piet Bakker, waar mijn vader naar toe was gebracht, duurde een eeuwigheid. Het erge was dat oom Piet net een week daarvoor zijn vrouw (tante Anne, de zus van mijn moeder) verloren had. Voor zijn kinderen was het heel erg om nu al weer een dode in huis te hebben.
Het naar binnen gaan om daar mijn dode vader te zien liggen was verschrikkelijk. Ik weet nog dat moeder zei: “O, Jan wat zijn we ongelukkig. Hoe moet dat nou verder met ons.” Hij lag daar alsof hij sliep, een beetje bloed was uit zijn linker oor gelopen, verder zag je niets. Ik snapte niet hoe het had kunnen gebeuren. Later is het stukje bij beetje duidelijk geworden.

Terwijl de PWN-mensen een koffiepauze hielden in hun schaftkeet rond 09.30 uur, waren een paar Duitse militairen met te veel schnaps op uit verveling gaan schijfschieten op die houten schaftkeet. Juist op het moment dat mijn vader een slok koffie uit de beker van zijn thermosfles nam met zijn hoofd achterover, vloog die noodlottige kogel door de houten wand zijn linker oor in en bleef in zijn hoofd steken. Hij was op slag dood en viel heel langzaam voorover. Verbijsterde collega’s dachten eerst nog dat hij een grap maakte, wat hij wel vaker deed. En er werd wel meer geschoten in het bos en duingebied. Maar dan op konijnen en fazanten. Ze zagen al heel snel dat het fout was. Mijn vader werd in paniek op een handkar naar het pompstation gebracht. Arie de Nijs is zo snel hij kon naar de pastorie gefietst, waarna heel snel door kapelaan Holthuizen nog de laatste sacramenten zijn toegediend. Daarna is hij met een gemeenteauto naar de pastorie gebracht. Kapelaan Van der Zalm is daarna op de fiets naar Uitgeest gereden. Hij moest dat verschrikkelijke bericht bij mijn moeder brengen. Daar ben ik niet bij geweest, maar kan me daar heel veel bij voorstellen. Ze heeft mijn zieke zusje goed ingepakt en is met lood in haar schoenen naar de pastorie gefietst. Daar wilden ze wel weten wat te doen. In overleg met mijn oom Piet is toen besloten om mijn vader in zijn huis op te baren.

Bij de PWN zat de schrik er ook goed in. Het is in de oorlogsjaren de enige keer dat de PWN ‘s middags al het personeel dat niet direct nodig was voor het drinkwater, als protest naar huis stuurde. Er was door het Duitse commando veiligheid gegarandeerd voor de mensen in de bossen. En nu dit! De afspraak was duidelijk: als er oefeningen waren, dan werden Bloemendaal en Fochteloo gewaarschuwd en werden er klusjes in het pompstation of op Fochteloo gedaan.
Daarbij was het natuurlijk een blamage voor het Duitse aanzien: twee dronken Duitsers die een PWN’er zinloos vermoorden. Het duurde dan ook niet lang of twee hoge Duitse officieren kwamen zich bij ons melden vergezeld door een tolk. De Ortskommandantur zat aan de Overtoom, in het huis van de dominee.
Via de tolk lieten ze mijn moeder weten dat beide schuldige militairen waren vastgezet en vroegen mijn moeder wat te doen: fusilleren of naar het Oostfront. (Ik was daarbij en er getuige van; sommige dingen vergeet je nooit.) Mijn moeder vroeg toen of ze daarmee haar man terugkreeg. Toen ze nogmaals spijt betuigden, heeft mijn moeder gezegd dat ze dat zelf maar moesten uitzoeken; ze had op dat moment zorgen genoeg.

De werkelijke reden van hun snelle bezoek was dat ze een afspraak met mijn moeder wilden maken. Of mijn moeder er akkoord mee wilde gaan dat de dood van mijn vader een ongeluk was tijdens oefeningen en dat het zo in de officiële stukken zou komen. Als tegenprestatie zouden ze zorgen dat we in de kortste keren weer in Castricum konden wonen. Mijn moeder was op dat moment volkomen apathisch en heeft dat goed gevonden. Iets waarvan we later veel spijt hebben gehad. Ze hebben woord gehouden, want op 31 mei 1944 verhuisden we naar een keurig schoongemaakte en gestoffeerde woning in de Nuhout van der Veenstraat (toen nummer 46). Wie er daar voor ons heeft plaats moeten maken, heb ik nooit geweten. Wilde ik ook niet weten.
Ook hebben de Duitsers de verhuizing vanuit Uitgeest geregeld en ze hebben via de toenmalige burgemeester Masdorp ervoor gezorgd dat mijn moeder voorzien werd van inkomen. Vader was in tijdelijke dienst bij de PWN en van pensioen of iets dergelijks was geen sprake. Merkwaardigerwijs was het inkomen tijdens dat laatste oorlogsjaar hoger dan de naoorlogse uitkering van de Stichting Oorlogsslachtoffers, later sociale zaken.

Eind augustus, begin september (ik weet het niet precies meer) ontstond een nieuw probleem. Mijn moeder was nog volop in het rouwproces (hartpatiënt), toen geheel onverwachts zonder waarschuwing vooraf familie van ons, twee gezinnen uit Velsen-Noord, bij ons voor de deur stonden. Ze waren met spoed uit Velsen geëvacueerd zonder enig adres waar ze naar toe konden. Ze wisten van ons redelijk ruime huis. Mijn moeder kon ze natuurlijk niet wegsturen.
Oom Cor (broer van mijn vader), zijn vrouw tante Nettie en hun kinderen Jan, Willie en Martien. Dan oom Hendrik (jongste broer van mijn vader) en zijn vrouw tante Corrie. Ze kwamen met een motorbakfiets vol met spullen. Toen nogmaals naar Velzen om ledikanten en matrassen op te halen. Een huis vol met ellende.
Dat ging een poosje goed, maar de ooms hadden geen inkomen, voedsel was schaars en drie kapiteins op een schip dat moest fout gaan. En dat ging het ook. Ik weet


Jaarboek 39, pagina 31

nog van de bijna slaande ruzie tussen mijn moeder en tante Corrie. Wij allemaal huilen. Dat ging zo niet langer en toen zijn oom Hendrik en tante Corrie met hun spullen en de motorbakfiets naar haar familie in Heerhugowaard gegaan. Tante Nettie geloofde het wel, zij liet het aan mijn moeder over.

Hoe het precies gegaan is weet ik niet, maar begin november 1944 kwam er een officier met tolk namens de Ortskommandant vragen of ze nog iets voor mijn moeder konden betekenen, want hij werd teruggeroepen naar Duitsland. Nou dat had mijn moeder wel. Buiten mijn man terug, wil ik naar mijn eigen huis in Bakkum. Dat is wat ik graag wil. Met die vraag zijn ze weggegaan. En o wonder het werd goed gevonden. De namen werden opgenomen, ook de namen van oom Cor en zijn gezin. Ausweisen werden verstrekt (Bakkum was ‘Sperrgebiet’) en op 13 november 1944 verhuisden we terug naar ons eigen huis aan de Heereweg.

Oom Cor ging bij zijn vader, mijn opa, in de tuin werken. Hij en zijn gezin zijn tot het einde van de oorlog bij ons blijven wonen. Een paar weken na het einde van de oorlog zijn ze weer naar Velsen-Noord vertrokken.
Oom Hendrik en tante Corrie zijn na de oorlog in Bakkum komen wonen in een verbouwde schuur van mijn opa, dus ook aan de Heereweg. Huize Willie stond op de gevel.

Conclusie: opgroeien zonder man en vader (hij was nog maar 38 jaar bij zijn overlijden, mijn moeder 37 jaar en mijn zusje 2,5) is vreselijk. De wetenschap dat het moord respectievelijk dood door schuld was. Dus GEEN ongeluk tijdens oefeningen!! Dat maakt het voor ons onverteerbaar. De armoede waarin mijn moeder jarenlang moest zien rond te komen! Pas op 65-jarige leeftijd kon ze met haar AOW en los van de bevoogding van allerlei instanties wat royaler leven. Ze overleed op 16 april 1978.

En nu je dan zelf je twee kinderen hebt zien opgroeien en je drie kleinkinderen volwassen ziet worden, besef je eens te meer wat mijn vader op zo’n jonge leeftijd door twee dronken idioten is ontnomen. En dat je nooit zult weten wat met die twee kerels is gebeurd. Mogelijk zelfs niets.

Ik weet niet precies meer in welk jaar, maar ik zal 12 of 13 zijn geweest, toen we een verzorgde vakantieweek hebben gekregen van de Stichting Het Vierde Prinsenkind. Samen met nog heel veel andere kinderen van oorlogsslachtoffers, waaronder Ko Beentjes, zoon van ook een Castricums oorlogsslachtoffer, mochten we een week in de barakken van deportatie kamp Westerbork verblijven! Een paar jaar later is mijn zusje daar ook een week geweest. Toen wisten we het niet. Het is nu een herdenkingsplaats en zoeken ze stukken van barakken ter restauratie. Eind jaren 1940, begin 1950, werd daar kinderen van oorlogsslachtoffers een vakantie aangeboden. Hoe kon het bestaan?

Ik denk dat ik redelijk compleet ben met mijn verslag. Het is niet iets om vrolijk van te worden. Heel raar, maar hoe ouder je wordt, hoe meer het aan je gaat knagen. Je kunt nog steeds geen vrede hebben met de toen gedane verdraaiing van de feiten.

Jan Hageman:”De 5e mei is voor ons nooit een feestdag geweest.”
Jan Hageman:”De 5e mei is voor ons nooit een feestdag geweest.”

Ten slotte mag het duidelijk zijn dat de 5e mei voor ons nooit een feestdag is geweest of zal worden. Ik ben wel blij dat op 4 mei de oorlogsslachtoffers nog steeds herdacht worden. Ook bij de herdenkingsplaat achter in de Pancratiuskerk, waarop ook zijn naam – naar ik hoop in blijvende herinnering – geschreven staat.

Jan Hageman

Mooij, Cor, boswachter (Jaarboek 39 2016 pg 23-28)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 39, pagina 23

Herinneringen van oud-boswachter Cor Mooij

Veel wandelaars en fietsers die via de Haagscheweg het duinreservaat bezoeken, groeten Cor Mooij en hij zwaait vanaf zijn vaste plekje bij het raam vriendelijk terug.
Veel wandelaars en fietsers die via de Haagscheweg het duinreservaat bezoeken, groeten Cor Mooij en hij zwaait vanaf zijn vaste plekje bij het raam vriendelijk terug.

Na ruim vijftig jaar, een dag voor hij vijfenzestig werd, nam boswachter Cor Mooij afscheid. Zijn werkgever, het PWN, heeft er op 21 juni 1985 een mooi feest van gemaakt. Een van zijn collega’s haalde hem af bij zijn huis aan de Haagscheweg. Tot zijn verrassing kwam er een paard en wagen voorrijden. Na een tochtje door zijn vertrouwde werkterrein kwamen ze aan bij Johanna’s Hof, waar een volle zaal gevuld met collega’s en andere genodigden het echtpaar Mooij opwachtte. Sprekers haalden herinneringen op en Cor denkt er met genoegen aan terug. Jammer alleen dat er geen foto’s van zijn. Ze zouden mislukt zijn, maar Cor verdenkt de fotograaf ervan dat hij was vergeten om een rolletje in zijn toestel te stoppen.
Het duinreservaat, waar hij een halve eeuw heeft gewerkt, kent hij als zijn broekzak. Over het veranderende beheer van de duinen heeft de inmiddels 96-jarige markante man zo zijn eigen opvattingen.

Voor zijn afscheidsreceptie in Johanna’s Hof werden Cor Mooij met zijn echtgenote Lien Ooms en dochter Adri per paard en wagen afgehaald.
Voor zijn afscheidsreceptie in Johanna’s Hof werden Cor Mooij met zijn echtgenote Lien Ooms en dochter Adri per paard en wagen afgehaald.

Cor Mooij was al eerder in het zonnetje gezet. In verband met zijn 25-jarig dienstverband werd hij op 17 september 1963 met zijn vrouw en dochter ontvangen op het kantoor Fochteloo en toegesproken door het toenmalige hoofd van de afdeling terreinen de heer Duinker en zijn directe chef Van Elven. Toen al werd hij geprezen om zijn grote kennis en zijn bijdragen, dikwijls in zijn vrije tijd, aan excursies en tentoonstellingen. In l968 werd hij bevorderd tot opzichter en bij zijn afscheid in 1985 kwam tot uiting dat hij zijn veelzijdige inzet onverminderd gecontinueerd heeft tot aan zijn laatste werkdag.
“Als er iets uitspringt in de persoonlijkheid van Cor Mooijis het wel dat hij absoluut niet tegen onrecht kan en het maakt dan niet uit of het over hemzelf of iemand anders gaat. We hebben hem moeten tegenhouden, anders was hij de groep te lijf gegaan die in 1984 de boerderij Zeeveld gekraakt had en ramen ingooide van het kantoor Fochteloo”, aldus zijn vroegere chef Hidde Posthuma. Dat hij niet over zich heen liet lopen, blijkt ook uit een couplet in het lied dat bij zijn afscheid werd gezongen:

En Cor nu nog een ding,
Op elke vergadering,
Als ’t je niet aanstond,
dan hield je nooit je mond.

Posthuma herinnert zich ook dat Cor jaarlijks voor alle collega’s een dagje vissen op het wad organiseerde en dat ze na afloop bij hem thuis erwtensoep aten, opgediend door zijn in 1997 overleden lieve vrouw Lien, die op de achtergrond een plaatje draaide van ‘de Havenzangers.’ De deelnemers denken er met weemoed aan terug.

Het meest interessante onderdeel van zijn werk vond Mooij de bosbouw. Na het planten is het uitdunnen een belangrijke fase. Bomen die moesten verdwijnen, werden gemerkt door middel van een kerf wat ‘blessen’ genoemd werd. Daarvoor had je een goed oog nodig voor soorten en toekomstige omvang van bomen. Die taak werd daarom meestal aan Cor toevertrouwd. Hij had er ook een speciale opleiding voor gevolgd.


Jaarboek 39, pagina 24

Tuinderij

Cor Mooij werd in 1920 geboren in Bakkum. Zijn geboortehuis aan de Bakkummerstraat, vlakbij hotel Borst, staat er nog. Zijn vader had een tuinderij, waar nu een woonwijk is gebouwd. Grootvader Mooij heeft de grond rechtstreeks van de prinses Von Wied, eigenares van het duingebied, gekocht. Het terrein waarop de in 1904 gebouwde openbare lagere school stond, had ze aan de gemeente geschonken.

“Grote bedrijven waren er nog niet”, zegt Cor. ”Je moest alles nog met de hand doen. De tuinderij van mijn vader besloeg ongeveer 2 hectare. We teelden aardbeien, bonen, peulen en doperwten en we hadden ook bessenstruiken. Het hele gezin moest meehelpen. Ik dus ook van jongs af aan.
De groente ging naar de veiling in de Dorpsstraat. Je ging er vanaf de Burgemeester Mooijstraat in en kwam er aan de Dorpsstraat weer uit.
In de crisisjaren was het moeilijk om rond te komen. Je bracht een bakfiets groenten en dan werden die soms doorgedraaid. Aan de overkant op het kermisterrein stonden een paar vrachtauto’s en daar kon je het spul opgooien voor veevoer. Daar had je dan de hele week voor gewerkt. In de winter konden de tuinders wat steun krijgen van de gemeente. Je moest er wel wat voor doen. Er bestond een zogenaamde spitregeling. Dat betekende dat je kon gaan diepspitten bij een tuinder. Een ander kwam dan weer bij jou spitten. Er werd ook gecontroleerd of het werk wel gedaan was. Jan Duijn was de controleur van de gemeente.

In de duinen huurden veel tuinders ook grond. Vooral de mensen die zelf niet genoeg grond hadden. Er werden aardappelen en bonen geteeld. Voor bemesting werden in Alkmaar de tonnen bij de mensen opgehaald. Dat werd in grote putten gestort en daar werd dan huisvuil doorheen gemengd. Het werd op het Schulpstet per schip aangevoerd door de gebroeders Hollenberg. Vandaar werd het met paard en wagen de duinen ingebracht. Mijn vader heeft me nog wel eens verteld over de feestelijke ontvangst van de 1000e kar. Dat zal in het begin van de vorige eeuw geweest zijn.

Zo’n beetje de helft van de tuinders had land in het duin. Het raakte over toen het PWN in 1920 water ging oppompen. Toen verdroogde de grond. Dat de duinen uitdroogden door de wateronttrekking werd door de provincie eerst ontkend. Toen de pompen begonnen te werken zag je het water zo weg zakken. Binnen twee jaar was het gedaan met de tuinders. Herinneringen aan die tijd zijn er nog genoeg. Er was een landje dat ‘het Hoekie van Kale Gerrit’ werd genoemd. Iets voorbij Johannes Hof had je ‘het Leppie van Klaas Veldt’. De officiële naam is het Grote Leb. Daar werd later het parkeerterrein van de camping aangelegd.
Alleen in de oorlog werd er nog wat geteeld op het Wolfsveld bij Vogelwater. Het Vogelwater zelf was al voor de oorlog bebost. Arie Kaandorp, Willem Schermer en Jan Nijman hadden daar land. Ze teelden van alles. Niet alleen aardappelen, maar ook erwten, tuinbonen en sperziebonen.”

Schooltijd

“Ik ging vlakbij mijn ouderlijk huis naar de openbare school aan de Van Oldenbarneveldweg en kreeg les van meester Nijsen, Philipoom en juffrouw Bakker. Er waren in het begin maar drie lokalen en twee klassen per lokaal. De  katholieke kinderen uit Bakkum vertrokken ‘s morgens naar hun school in het dorp.
Die staken schuin over door de weilanden en tuinderijen via landpaden naar de school in het dorp. Ze passeerden het Schulpstet en de spoorwegovergang aan de Eerste Groenelaan. Na schooltijd werkten de tuinderskinderen natuurlijk ook altijd nog even mee op de bedrijven van hun vaders.”

Schaapherderswoning. Vanaf 1888 woonde de familie Mooij in het duingebied. Eerst in de niet meer bestaande schaapherderswoning en later op de boerderij Zeeveld (tekening van Cor de Groot).
Schaapherderswoning. Vanaf 1888 woonde de familie Mooij in het duingebied. Eerst in de niet meer bestaande schaapherderswoning en later op de boerderij Zeeveld (tekening van Cor de Groot).

Familie Mooij geworteld in de duinen

“Mijn grootvader Pieter Mooij kwam van Egmond-Binnen. Hij woonde in de Schaapherderswoning, een kleine boerderij die achter Zeeveld heeftgestaan. Hij trouwde met Aafje van der Schinkel.

Een hoofdrol was er voor Cor Mooij bij de presentatie van de gerestaureerde grafmonumenten bij de dorpskerk, waaronder het grafmonument van zijn jong overleden grootmoeder Aafje van der Schinkel.
Een hoofdrol was er voor Cor Mooij bij de presentatie van de gerestaureerde grafmonumenten bij de dorpskerk, waaronder het grafmonument van zijn jong overleden grootmoeder Aafje van der Schinkel.

Niet lang na de geboorte van mijn vader overleed Aafje en zij werd bij de dorpskerk begraven. Oud-Castricum heeft met medewerking van aannemer Ton Borst en schilder Jan Breetveld de bijzondere houten gedenktekens van haar en haar familie een paar jaar geleden laten opknappen.

Cor Mooij en zijn neefje Piet Mooij bij Zeeveld in de jaren (negentien)twintig.
Cor Mooij en zijn neefje Piet Mooij bij Zeeveld in de jaren (negentien)twintig.

Jaarboek 39, pagina 25

Mijn grootvader is opnieuw getrouwd en wel met de zuster van Aafje, Maartje van der Schinkel. Het gezin verhuisde van de Schaapherderswoning naar de boerderij Zeeveld en vervolgens heeft de familie Mooij de Van Tienhovenhoeve overgenomen. Op Zeeveld heb ik nog melken geleerd. Na mijn werktijd ging ik daar graag nog even langs.”

De familie Mooij bij Zeeveld.
De familie Mooij bij Zeeveld. V.l.n.r. staand: Pieter jr. (1900), Cornelis (1902), Aafje (1893), Dieuwertje (1890), Jan (1886, vader van Cor Mooij), Johan (1896), Leentje (1894), Trijntje (1891); zittend Pieter Mooij (1857), Maartje van der Schinkel (1865). Jan Mooij is een zoon van Pieter Mooij en Aafje van der Schinkel (overleden op de leeftijd van 26 jaar).

In 1958 trouwde Cor Mooij met Lien Ooms. Zij kregen twee kinderen: Adri en Jan. Cor vertelt:
Vanaf mijn trouwen woon ik dicht bij het duinmeertje aan de Haagscheweg, het huis van de ouders van mijn vrouw, Teun Ooms en Wilhelmina Jacobs. De grootvader van mijn vrouw, Hannes Hacobs, woonde in het boerderijtje op het ziekenhuisterrein dat later museum en vervolgens theehuis is geworden. Hij werkte nog voor de prinses Von Wied. De prinses heeft het vrijstaande huis Zeeweg 23 voor hem laten bouwen, nadat ze de grond aan de provincie had verkocht. De Van Tienhovenhoeve is in haar opdracht gebouwd ter vervanging van de boerderij Zeeduin dieachter de directeurswoning van Duin en Bosch, later het PWN-kantoor, heeft gestaan.

Tuinieren is altijd mijn hobby gebleven. Ik heb een grote tuin bij mijn huis waar ik alle soorten groenten en aardappelen teelde. In verband met de aardappelziekte heb ik ook nog een paar jaar een veldje aardappelen gehad in het duin in de buurt van de camping Geversduin. Het wordt door oudgedienden nog altijd ‘het landje van Cor Mooij’ genoemd, al is er tegenwoordig op die plaats een duinmeertje. Daar heb ik ook asperges geteeld. De grond was er best geschikt voor.”

PWN

“In 1934 kon ik op veertienjarige leeftijd bij het PWN aan de slag als plantjongen. De tuindersbedrijven draaiden slecht en werk bij de provincie gaf tenminste een beetje financiële zekerheid. Nu gaan jongeren allemaal naar het voortgezet onderwijs, maar in die tijd ging je als boerenjongen meteen aan het werk. Dat was heel gewoon. In de winter was er op het bedrijf minder te doen en in het duin was volop werk. Dennenbossen werden op grote schaal aangeplant. Er waren twee ploegen: een zomer- en een winterploeg, waardoor er zoveel mogelijk mensen werk hadden. Op 30 juni kreeg je ontslag en dan kon je op 1 januari weer terug komen. De bebossing was zuiver bedoeld voor de werkgelegenheid in die crisisjaren.
In die tijd is het veld achter Zeeveld en het Commissarisveld een meter afgezand. Het bos erachter ligt een stuk hoger zoals je goed kunt zien. Het afzanden werd ook gedaan omdat het land te droog werd. Het zand werd er achter gestort en daar hebben wij weer bomen geplant. Het afzanden is gebeurd door Zaandammers. De weg achterom heet daarom de Zaandammerlaan. Het Commissarisveld isgedaan door mensen uit Haarlem en de weg erlangs heet


Jaarboek 39, pagina 26

dus de Haarlemmerlaan. Het zand daarvandaan werd op het later ter plaatse uitgebreide kampeerterrein gestort. Hoe de Haagscheweg, waar ik woon, aan zijn naam komt, weet ik niet. De naam zou al tweehonderd jaar geleden in oude akten voorkomen.

Ik begon met 7 gulden in de week en toen ik 18 jaar was, had ik nog die 7 gulden. Op 22 juni ben ik jarig en dan zou ik een kwartje meer krijgen. In dat half jaar dat ik weg was, kwam er loonsverlaging en toen ik terug kwam had ik dus nog steeds die 7 gulden.
Ik zei tegen mezelf: Cor daar moet je toch wat aan doen. Ik maakte gebruik van de mogelijkheid om naar een boswachtersopleiding te gaan. Je had vroeger de Landbouw-winterschool. Dat was voor de jongens die in de zomer geen tijd hadden. Zo ging ik dus twee winters naar de Boswachterscursus. Die werd in de Augustinusschool in het dorp gegeven.”

Duinmeer

“Het zand waarmee de provinciale weg en het viaduct in 1933 gemaakt zijn, komt uit het duinmeer. Het werd allemaal met het schoppie gedaan. Er waren treintjes met stoomlocomotiefjes voor het vervoer. Achter het jachthuis Fochteloo stond de locomotievenloods. Later hadden we er een werkplaats.
Het lijntje liep dwars over het weiland over het kruispunt op het Schulpstet af. Op het Schulpstet was een aanlegsteiger gemaakt. Daar reden ze de lorries op en die werden leeggekiept in de vletten die klaar lagen in de vaart. De vletten voeren onder het spoor door richting de Grote Bocht. Daar was weer een steiger en werden de vletten geleegd in karren, waarmee het zand voor het oostelijk deel van het viaduct vervoerd werd.

Het duinmeertje wordt ook wel het ‘Meertje van Vogelenzang’ genoemd. Rentmeester Vogelenzang wilde zand winnen door de aanleg van het meertje op de plaats van een duintje dat Jan Klaas Berg genoemd werd. Er heeft onderaan dat duin vroeger een huisje gestaan, waarschijnlijk van ene Jan Klaas, waarnaar dat duintje is genoemd. We hadden een commissie van toezicht met onder anderen Jac.P. Thijsse. Ik heb hem hier wel gezien. Hij was het eerst niet eens met het graven van een duinmeertje. Dat vond hij een aanfluiting, kunstmatig en onnatuurlijk. Rentmeester Vogelenzang wist toch zijn zin door te drijven. Er was weinig water en het leek hem juist goed voor de natuur. Toen het werk klaar was, kwam Thijsse weer kijken. Toen complimenteerde hij Vogelenzang met het resultaat. Hij zei: “Het valt me toch mee. Je zou niet zeggen dat het kunstmatig is.”

Oorlogsjaren

Voor de Atlantikwall hebben de Duitsers honderden bunkers laten bouwen. De oude tramlijn van het station naar de kolencentrale van het ziekenhuis werd doorgetrokken naar het voetbalveld van CSV aan de Zeeweg. Daar werd bouwmateriaal opgeslagen.

De boswachters kregen deels andere taken. Cor weet nog dat hij met een stel collega’s brandhout verzamelde voor een dependance van Duin en Bosch in Heiloo. Op dat moment was er een eenheid van de Kriegsmarine in Bakkum gelegerd. De commandant was het niet eens met die activiteiten. Ze werden opgebracht naar zijn hoofdkwartier in de voormalige woning van de directeur van het ziekenhuis, later kantoor Fochteloo. Cor kneep hem behoorlijk, want in zijn binnenzak had hij illegale bladen die hij nog moest verspreiden. Als ze die zouden vinden, was het met hem gedaan. Hij overwoog om te vluchten, maar veel kans om dat te overleven, was er niet. Tot zijn grote opluchting werden ze weggestuurd na langdurig te zijn uitgescholden.
Een dieptepunt was het in 1944 toen een van zijn collega’s, Arie Hageman, bij de Johannasweg in een schaftkeet werd doodgeschoten door een halfdronken Duitse soldaat.

In de duinen waren mijnenvelden aangelegd. Onder andere het Commissarisveld en het duingebied ten oosten van de Heereweg lagen er vol mee. De bezetters hadden wel in kaart gebracht waar mijnen lagen, maar toch gebeurden er nog wel eens ongelukken. Manschappen van het verslagen Duitse leger werden na de oorlog gedwongen om mee te helpen bij het opruimen van de mijnen en na de ruiming werden ze in de looppas over het terrein gejaagd. In de zomer van 1945 zouden er vier Duitsers bij zijn omgekomen. Toezicht was er van de Geallieerden en Cor Mooij herinnert zich dat ook de Joodse Brigade erbij betrokken was. Dat was een onafhankelijke, nationale Joodse eenheid in het Britse leger, voornamelijk bestaande uit Palestijnse joden.

Cor Mooij op een van de driehoekige stenen uit de oorlogstijd, die voor de bewegwijzering in het duin gebruikt worden (foto Kees Blokker).
Cor Mooij op een van de driehoekige stenen uit de oorlogstijd, die voor de bewegwijzering in het duin gebruikt worden (foto Kees Blokker).

Voor de kust, ter hoogte van de laagwaterlijn, lagen betonblokken waarop mijnen waren bevestigd. Ze versprongen, een paar vooruit en een paar terug met enkele meters tussenruimte, waardoor landingsvaartuigen er onherroepelijk op zouden varen. Na de oorlog lagen die blokken op het strandplateau. Cor kwam op het idee om ze in het duingebied te gebruiken als wegwijzers en naamborden. Voor de oorlog gebruikte het PWN houten paaltjes met naambordjes erop, maar die gingen snel stuk en het beton is onverwoestbaar.


Jaarboek 39, pagina 27

Het begin van het bezoekerscentrum

Cor Mooij vertelt verder: Kortenoever werd wel de eerste bioloog van het PWN genoemd. Hij was aangesteld als recreatieambtenaar op het kampeerterrein. Ik heb veel met hem samengewerkt. Hij was zelf een grote vlinder- en schelpenverzamelaar en had veel opgezette vogels. Hij begon met een soort museum op het kampeerterrein in loods 5. Die loods werd in de oorlog gebruikt als paardenstal. Duitse soldaten sliepen er ook en dat was natuurlijk niet zo lekker. Daarom hebben ze er een muurtje in gebouwd. Dat was na de oorlog nog zo en in dat afgescheiden deel stelde Kortenoever zijn verzamelingen ten toon.
Op een keer kwam rentmeester Vogelenzang een kijkje nemen. Toen nam ik het toevallig een weekje over van Kortenoever, omdat hij met vakantie was. Hij zei: “We waren er niet voor, maar ik vind het toch wel leuk. Komen er nog wat mensen?”
Ik vertelde hem dat de mensen al om zeven uur ‘s avonds voor de deur stonden en dat er om acht uur niemand meer in kon. Het is ongelofelijk wat de mensen allemaal vragen. Ik weet er ook niet altijd een antwoord op. De rentmeester had dat kennelijk niet verwacht. “Dan heeft het toch wel zin”, concludeerde hij.

In het oude ‘Wegwijsmuseum’ De Hoep heeft Cor Mooij vaak dienst gedaan.
In het oude ‘Wegwijsmuseum’ De Hoep heeft Cor Mooij vaak dienst gedaan.

We hebben ook wel tentoonstellingen en diorama’s ingericht, onder andere bij de bloemententoonstelling in Bovenkarspel. Daar kwamen dan vragen voor lezingen uit voort en regelmatig trokken we er op uit met de diaprojector. Zo hebben we voor veel publiciteit gezorgd. Verder organiseerden we een keer per jaar op wisselende plaatsen een grote tentoonstelling met allerlei soorten paddenstoelen onder de naam ‘Herfsttooi.’
In 1957 vond de tentoonstelling in ‘Duinvermaak’ in Bergen plaats. Het Noordhollands Dagblad schreef:
Met deze expositie geeft het PWN haar visitekaartje af. Men ziet de PWN-employees nu eens niet als nors uitziende groene veldwachters, die er toujours op uit zijn om ongewenste indringers uit het duin te verjagen, maar als beschermers van de natuur.”

Het initiatief van Kortenoever kreeg een vervolg met het in 1959 geopende Wegwijsmuseum in een houten noodgebouw tegenover het kampeerterrein. Dat is in 1994 vervangen door het fraaie bezoekerscentrum De Hoep. De opening van dat gebouw heeft ook Kortenoever nog mee kunnen maken.
Cor Mooij verzucht: “Vroeger kon er niks en moet je nou eens zien.”

Beheer duingebied

Natuurbeheer speelde in de jaren (negentien)twintig en dertig van de vorige eeuw nog geen grote rol. Door bebossing en helmbeplanting werd verstuiving zoveel mogelijk tegengegaan. De aanplant van dennen, als werkgelegenheidsproject, vond ook plaats met het idee dat in de toekomst mijnhout geleverd kon worden.
Jac. P. Thijsse was in 1910 nog groot voorstander van duinbebossing. In zijn laatste boek ‘Onze duinen’, verschenen in 1943, was hij heel wat genuanceerder:
“Oostenrijkse en Corsicaanse dennen werden bij duizenden aangeplant, dikwijls genoeg zonder acht te slaan op gunstige of ongunstige hellingen. Prachtige duinvormen werden verborgen, mooie duinroosjeshellingen bedekt en vernietigd.”

Cor heeft meegemaakt dat tegen de aanplant van dennenbossen in de (negentien)vijftiger jaren steeds meer weerstand ontstond. Velen verzetten zich tegen de werkzaamheden die rond de Verbrande Pan in Bergen werden uitgevoerd. Bergense kunstenaars en een collectief onder de naam Heemwacht waren van mening dat door het verwijderen van stuivende gedeelten, bebossing en egalisering van duinvalleien, een onnatuurlijk en kunstmatig landschap zou ontstaan. De discussie waar zelfs minister Mansholt nog aan te pas gekomen is, eindigde ten slotte met een compromis. Bebossing zou worden beperkt en stuivende gedeelten zullen waar mogelijk gehandhaafd worden. Na de oorlog is er met herstelbetalingen alleen nog aangeplant op terreinen waar bomen vanwege een schootsveld waren gekapt.
Nu staat er in de beheernota van het PWN dat het duinlandschap dicht groeit en een monotoon heuvellandschap


Jaarboek 39, pagina 28

wordt als we het aan zijn lot overlaten. Natuurlijke processen moeten worden hersteld en met grote Europese subsidies worden tal van maatregelen uitgevoerd. Op drie plaatsen zijn inmiddels weer verstuivingen gerealiseerd.

Cor Mooij heeft zo zijn bedenkingen over de nieuwe aanpak:
“Het beheer van het duingebied is totaal veranderd. Het verdwijnen van de konijnen heeft natuurlijk grote gevolgen gehad en begrazing is een goede oplossing. Nu wordt ook geprobeerd om verstuivingen weer mogelijk te maken. Het heeft weinig zin omdat de begroeiing het meestal toch weer wint. Naaldbossen worden gekapt en ook daar is niet iedereen blij mee. Ze waren vroeger als de dood als er iemand buiten het pad liep. Wie dat toch deed, kon een bekeuring krijgen. Als er ergens een takje werd afgebroken, konden ze je al een bekeuring geven. Nu rotzooien ze alles ondersteboven. De inzichten wijzigen voortdurend. Met mijn groep hadden we in ons rayon de Amerikaanse vogelkers zo goed als uitgeroeid, maar zoveel aandacht wordt er volgens mij niet meer aan besteed.
Er groeien duindoorns. Die breiden zichzelf uit. Ze horen in het duin. Nu hakken ze er stukken af, omdat er zogenaamd te veel duindoorns komen. Het is toch een natuurlijk proces. Daar moet je volgens mij niet op ingrijpen. Het is te gek om los te lopen. Ze gaan tegen de natuur in. Dat vind ik tenminste.”

Niek Kaan

Weergave van gesprekken met Cor Mooij in 2015 en 2016.

Bronnen:

  • Jelles, ir. J.G.G., Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands Duinreservaat (1968);
  • PWN, Beheernota 2015-2025;
  • Roos, Rolf, Duinen en mensen Kennemerland, Amsterdam, 2009;
  • Ruijter, Q. de, Over duinboerderijen en haar bewoners, 4e Jaarboekje Oud-Castricum (1981).

Heimans Eli, wandeling (Jaarboek 38 2015 pg 71-76)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 38, pagina 71

Een wandeling met Eli Heimans

Als ik, in den voorzomer eens heerlijk en op mijn gemak langs en door mooie duinen wil zwerven, spoor ik naar Castricum.”

Rondje Papenberg, een eeuw geleden.
Rondje Papenberg, een eeuw geleden.

Ruim een eeuw geleden, rond 1906, maakte Eli Heimans, vriend en tijdgenoot van Jac.P. Thijsse, een wandeling die onder Castricummers wel bekend staat als ‘een rondje Papenberg’. Heimans (1861-1914) was evenals Thijsse onderwijzer in de hoofdstad en een groot pleitbezorger van goed natuuronderwijs. Hij schreef onder andere in het tijdschrift De Levende Natuur; zijn wandelingen inspireerden hem ook tot verhalen die onder andere in het weekblad de Groene Amsterdammer en in het boek ‘Met kijker en bus’ verschenen.

Links Eli Heimans, rechts Jac. P. Thijsse, ca 1905.
Links Eli Heimans, rechts Jac. P. Thijsse, ca 1905.

Het verhaal van Heimans toont een andere natuur en ook andere machtsverhoudingen in het duin. Want in die jaren was het nog grotendeels verboden gebied en particulier bezit. Er stonden jachthuizen en de boswachter was een hele of halve jachtopziener, een man die je wegstuurde of op de bon slingerde. Stropers hoorden erbij en zo af en toe kwam er een lid van het Koninklijk Huis om te jagen. Er was nog geen sprake van waterwinning. Zonder persoonlijke toestemming mocht je het gebied niet in. Geen wonder dat Eli als plantenverzamelaar gewend was gebodsbordjes te negeren. ‘Vrije duinen’, is dan ook de licht spottende titel van zijn verhaal. We volgen zijn verhaal en ontrafelen zijn spoor.

Een rake openingszin: “Er is geen wetsartikel, dat meer overtreden wordt dan artikel 461 Wetboek van Strafrecht.” Artikel 461 is in 100 jaar niet van naam of nummer veranderd, maar hij wandelde wel in een andere wereld. Aan het begin van zijn verhaal meteen een verzuchting dat een duinwandeling “dubbel te waardeeren is als wij, ook zonder permissie, en zelfs in den fazantentijd, niet steeds herinnerd worden aan ‘t feit dat wij op verboden terrein zijn.”

De fazantentijd was de tijd dat opgefokte fazanten voor de jacht werden uitgezet en tijdens jachtpartijen werden geschoten. Dat was in de nazomer en het najaar. Een voerhuis stond bij boerderij – thans Gasterij – de Kruisberg. Een van de jachtopzieners woonde in Kijk Uit waar ook een fazantenhouderij was. De plek noemt Eli niet, want hij zal deze locatie vermeden hebben. Hij nam de duinen ‘onderlangs’ dat wil zeggen aan de meestal windstille oostzijde van het hoge duin, buiten het blikveld van jachtopzieners en bosbazen.

Het pad van Eli Heimans

Sla voorbij het station dadelijk links om, neem den eersten overweg den besten aan den Alkmaarschen kant en houdt voortdurend links. Dan komt ge van zelf op een alleraardigst voetpad, dat eerst een paar minuten gaans tusschen tuinland doorloopt en u brengt tot vlak aan den voet van de hooge mooi belijnde duinengroep, die u uit


Jaarboek 38, pagina 72

den trein al zoo verleidelijk tot beklimmen lokte.
Dit is navolgbaar. Hij nam de spoorovergang die nog steeds spoorovergang is en die we dun belijnd ook op de topografische kaart uit begin 20e eeuw tegenkomen. En wat is nog meer duidelijk: de duinen waren in die tijd goed zichtbaar vanuit de trein. Niet verscholen achter bomen en bebouwing als villa’s en een archeologisch centrum. Er lag ‘tuinland’: kleine kaveltjes met boerenhuisjes, deels omzoomd door elzensingels tegen de wind. Pal achter het duin was de waterspiegel hoog. De tuinderij, grotendeels voor de lokale markt, gedijde in de luwte van het hoge en deels stuivende duin. Hier lag de Duinderbuurt of zoals het werd genoemd de Duinkant. Een buurtje dat in de oorlog in 1943 verloren ging.
In het begin van de 19e eeuw stonden er nog maar een paar huisjes. Het buurtje breidde zich uit door de economische impuls van de kolossale zandafgraving voor de 19e-eeuwse spooraanleg. Dat ging met de hand en met gebruikmaking van een smalspoor.

Het Prikkelvlak was een nog niet afgegraven strook langs de Geversweg.
Het Prikkelvlak was een nog niet afgegraven strook langs de Geversweg.

Een vergelijking met de kaart van de ‘Hoepbeeksche afwatering’ gemaakt in 1823 in opdracht van door D.T. Gevers en de topografische kaart uit de tijd van Eli laat zien dat in het massieve duin ten westen van het dorp Castricum een enorm groot gat is gegraven: de vroegere Goudsbergen. De Zanderij resteerde en werd met sloten ontwaterde tuingrond. Niet alles was zo strak afgegraven als nu. De kaart toont nog een lob met duinterrein langs de huidige Geversweg. Er is nog een foto van: ‘Geiten op het Prikkelvlak.’
Verkoop van zand was voor de grondeigenaren al vanaf de 17e eeuw een van de mogelijkheden om wat opbrengst van zijn bezittingen te hebben. In veel zanderijen kwamen later duinboerderijen of landhuizen (bijvoorbeeld Elswout bij Haarlem).

Afgraving op de Zanderij in 1862. Het smalspoor op de voorgrond diende voor de afvoer van zand richting station.
Afgraving op de Zanderij in 1862. Het smalspoor op de voorgrond diende voor de afvoer van zand richting station.

Waarschijnlijk liep Eli trouwens niet links af, zoals hij beschrijft, maar rechtsaf. Het Slingerpad uit het volgende citaat namelijk lag ter hoogte van de kaasopslag Kaptein BV anno 2015, halverwege de spoorwegovergang en het onderkomen van de Werkgroep Oud-Castricum aan het begin van de Geversweg, die vanaf hier het voormalige duinland insteekt. Eerst rechts af en dan meteen links. Hij volgt dit bijzondere laantje.

Uitzicht vanaf de Papenberg

En dan het uitzicht.
Naar alle zijden vrij en eindeloos ver. Ge kijkt opeens over heel Noord-Holland heen, over Alkmaar in ’t noorden tot aan de echte witte Blinkerts achter Schoorl; boven de torentjes van Castricum en Limmen zeilt een beurtschipper met volle zeilen, er stoomt een bootje op ‘t Alkmaardermeer. Door een dunne fabrieksrook heen draaien de molenwieken van de Zaanstreek, die nog lang niet alle door de stoom op non-activiteit zijn gesteld; en met wat goeden wil en een besten kijker ziet ge uw eigen Haarlem of Amsterdam, of althans St. Bavo en den Westertoren. Naar ‘t westen zijn IJmuiden en Wijk aan Zee heel goed


Jaarboek 38, pagina 73

zichtbaar en een tipje van de Noordzee glinstert tusschen twee lage toppen door. De verre zeeduinen zelf zijn grootendeels verborgen achter een dicht gordijn van groen, dat zijn de bosschen achter de ‘Brabantsche Landbouw.

Man op Papenberg. Het had Eli kunnen zijn, maar de foto dateert van circa 1930. Links een nauwelijks zichtbaar groepje kinderen. “Zijt ge nog ‘jong en vlug ter been’ dan zult ge het bloemrijke slingerpad wel niet ten einde loopen; de jongelui onder de veertig zie ik al met handen en voeten opklauteren tegen de steile helling van de Papenberg, zoo heet dat geduinte bij de Castricummers”.
Man op Papenberg. Het had Eli kunnen zijn, maar de foto dateert van circa 1930. Links een nauwelijks zichtbaar groepje kinderen. “Zijt ge nog ‘jong en vlug ter been’ dan zult ge het bloemrijke slingerpad wel niet ten einde loopen; de jongelui onder de veertig zie ik al met handen en voeten opklauteren tegen de steile helling van de Papenberg, zoo heet dat geduinte bij de Castricummers”.

Het uitzicht op de Papenberg, vergeleken met Eli’s uitzicht, heeft een drievoudig gezicht. Naar het oosten op de voorgrond op de hellingen hoog opgaand geboomte, dat het uitzicht deels ontneemt en daar achter het grotendeels verstedelijkte landschap van Castricum tot Uitgeest. Van open polders met kronkelende sloten, late restanten van het Oer-IJ met haar wadkreken van 2000 jaar terug, naar boomrijk land met huisjes, spoorwegen, rijks- en provinciale wegen, bedrijven en musea. De geschiedenis zichtbaar in het landschap zelf is vervangen door de vertelde geschiedenis van educatieve programma’s en films.

Het begin van het Slingerpad vanaf de Kramersweg.
Het begin van het Slingerpad vanaf de Kramersweg.

En zuidwaarts: heel goed zoeken levert de oude Wijkertoren van Beverwijk op, verscholen in een verder industriële horizon van Hoogovens en pijpen; rumoer en stank en lichtjes in de nacht.
Maar naar het westen strekt zich nog steeds alleen maar duin uit. Met veel meer bos dan een eeuw geleden. Ook hier is Eli wat losjes uit de pols met zijn plaatsaanduiding. Hij spreekt van bos achter de boederij de Brabantse landbouw, maar elke, ook 19e-eeuwse kaart laat zien dat vrijwel al het bos er voor en ten oosten van lag.

Waterloop waar nu archeologisch centrum staat.
Waterloop waar nu archeologisch centrum staat.

Na het overzicht gaat de natuurliefhebber in Eli uitpakken. We krijgen zicht op de plantenwereld van een eeuw geleden, bovenop het duin.
De Papenberg zelf is niet sterk bewassen; wel groeien er verscheidene zeldzame planten, onder andere de mooie, kleine pyramiden-orchis, maar daar kijkt alleen een plantenkenner naar.“
Vele bijzondere planten kenmerken dit landschapstype dat ‘zeedorpenlandschap’ wordt genoemd. Een mede door lokale begrazing met wat vee en het beperken van de konijnenstand (want dat was het vlees dat op tafel kwam) uniek landschapstype. Veel aanwezig bij Egmond en Wijk aan Zee, maar een mooie snipper ook vlakbij Castricum, boven de Duinkant van Castricum.

In de Duinkant woonden al vanaf de 17e eeuw vele telgen van het geslacht Stuifbergen (de naam spreekt boekde-


Jaarboek 38, pagina 74

len). In het 33e Jaarboek van Oud-Castricum (2010) is de vooroorlogse ervaring van Piet Stuifbergen opgetekend: “Mijn ome Klaas Stuifbergen had op de oude boerderij de Papenberg altijd zijn dubbelloops jachtgeweer in het stookhokkie voor de was. Dan zei ie: jongens vlieg effe die berg op. Dan klonken er een paar schoten en riep ie, ik heb er genoeg hoor! Dan kregen we een stuiver. Hij maakte de konijnen direct schoon.”

We volgen Eli weer verder. “De noordelijke helling evenwel (die naar ‘t station is gekeerd) is onderaan geheel verscholen in een dichten kring van hooggeboomte en struikgewas. Wordt het u daar boven te warm of te zonnig, rol dan of duikel, hol of schuifel, al naar leeftijd en massa, de helling halverwege af, daar is het lekker koel; het ziet er rood en wit van nachtegaalskruid en koekoeksbloemen en het wemelt er van allerlei vogels, die u de ooren doof zingen.”

De boerderij Papenberg stond op de tegenwoordige begraafplaats Onderlangs.
De boerderij Papenberg stond op de tegenwoordige begraafplaats Onderlangs.

Heimans – ondanks zijn achtergrond als onderwijzer wederom niet erg nauwgezet in zijn topografie, want het is een helling op het oosten en niet op het noorden – vertelt van bomen die onderaan de helling stonden en niet, zoals nu, tot helemaal bovenaan. De kaart uit circa 1905 laat een smalle strook zien en de foto’s uit die tijd tonen nog minder: hier en daar een bossage aan de duinvoet.
Er zijn niet veel paden op de Papenberg in die tijd, dus adviseert hij bovenaan te blijven of weer terug af te dalen langs wat ook nu nog Onderlangs heet en waar aan het begin de huidige, gelijknamige begraafplaats ligt, die dateert van na de Tweede Wereldoorlog.

Schilderijtje van het boshuisje van de familie Winkelman aan het Onderlangs.
Schilderijtje van het boshuisje van de familie Winkelman aan het Onderlangs.

Zorg maar dat de straatweg naar Beverwijk in zicht blijft, dan kunt ge niet dwalen. Maar wie ‘t minder vermoeiend blieft aan te leggen, moet weer beneden komen en ‘t pad verder volgen onder langs den Papenberg. Dat is inderdaad een van de mooiste wegjes, die ge in heel Holland bewandelen kunt nu hoog dan laag, breed of smal, met de begroeide duinen voortdurend aan de rechterhand; links, vlak land of heerlijke boschjes, van elzen, esschen, eiken en lijsterbes, alles door elkaar en vol met bloemen.”
“Links aan den zoom van het weiland, waar het afstroomend hemelwater den grond vochtig houdt, bloeit de heele zomerflora van den vochtigen zandgrond; prachtige wilgeroosjes en fijn getint leverkruid geven er den toon aan.”
Dit moet in de buurt zijn van de laatste kleine tuinderij in dit gebied, sinds de Tweede Wereldoorlog aan de oostzijde begrensd door een tankmuur van circa 1,80 m hoog. Het was er veel natter dan nu. Leverkruid is de wat oudere naam voor het hoogopgaande koninginnekruid. Een ruigte plant van natte bodem, waar vele vlinders op afkomen.

Een enkel huisje dat hier in het duin stond (en op de kaart, zie detail) vermeldt hij niet. Het ‘boshuisje’, zo genoemd door Trien Winkelman, die er in 1930 werd geboren. Het is waarschijnlijk eind 19e eeuw gebouwd. Het had een oude waterput waaruit helder duinwater werd gehaald. De put is mogelijk nog in het terrein terug te vinden.


Jaarboek 38, pagina 75

Rijkstraatweg nu.
Rijkstraatweg nu.

“Opeens staat ge op den straatweg, nu moet ge rechts om. De weg ligt hier geheel in de schaduw van het hooge duinbosch, zodat de wandeling van een kwartiertje een genot is.”
Eli is bij de Rijkstraatweg aangekomen, nu voorzien van rotonde, fietspad en paddentunnels op de overgang van duin en cultuurland.
“Loop door tot even voor Paal 18.“
Dat is een flink stuk langs het pad. De locatie is met de kaart van 1905 (en de huidige) te traceren. Paal 18 staat tegenover de middeleeuwse ‘oergrens’ tussen Castricum en Heemskerk: de Maer- of Korendijk. En bij het nalopen van de route troffen we twee oude paaltjes aan net naast de paal met gemeentegrens, met de letters R.P. Eli moet ze gezien hebben of zijn veters erop hebben gestrikt. Dan wordt het lastiger hem te volgen.
“Daar is toegang tot het duin langs een kleine zanderij. Een vijftig pas verder is ook een heel mooie weg, die het duin ingaat, maar daar staat weer zoo’n vervelend bordje. Wel niet met verboden toegang en het onmisbaar art. 461, alleen maar het verbod de paden te verlaten.“

Schotse hooglanders.
Schotse hooglanders.

Zandafgraving

Tegenwoordig geen spoor meer van een zanderij. Hier kiest Eli waarschijnlijk niet voor het hoofdpad bij paal 18, maar voor een sluippaadje dat ook rond 1900 op de topografische kaart stond met een klein stippellijntje. Na dit sluippaadje speculeren we erop dat hij de ook nu nog bestaande de Diaconieweg en de Koekoekslaan volgde om op de Helmweg uit te komen. Op de oude kaart is dit nog onbebost nollenterrein met in de laagtes veel mooie planten.

Het hele gebied was rond 1910 onderdeel van het uitgestrekte particuliere duinbezit van de kasteeleigenaren van Marquette, Paulina Johanna Rendorp van Marquette en haar echtgenoot Jan Hugo Gevers. Pas later, op 8 september 1933, werden deze eigendommen door hun erven verkocht aan de provincie Noord-Holland voor een bedrag van 625.000 gulden. In de tijd van Eli was er sprake van lokale duinbenutting door zandafgraving ter hoogte van de huidige camping Geversduin.

“De weg langs de zandgraverij is bijna even mooi; en zeker komt ge na een uurtje weer bij het station uit, als ge maar niet ver links af gaat toeren; rechts is geen enkel zijpad zelfs, dat u op een dwaalspoor kan brengen.”

We moeten Eli nu zien te volgen in een ander, bosrijk landschap. En gaf hij eerst nog nauwkeurig zijn route aan, nu moeten we die maar zien te raden. De route op de kaart die we aangeven, is vanaf hier een vermoeden, een ‘best guess’. Hij liep door open duinen met op de natste plekken hier en daar een bosje en soms met een landje van een duinboer.
“In dat eene uurtje langzaam wandelen, krijgt ge een afwisseling van duinlandschap dat ge niet licht ergens anders sterker, mooier en gemakkelijker genieten kunt. Eerst, dicht bij den weg nog, de gewone droge duinen van Zandvoort en Scheveningen, in den voorzomer veel mooier dan later in ‘t badseizoen. Binnen een kwartier merkt ge wel, als ge maar een heel klein beetje verstand van bloemen hebt, dat de duinen daar laag liggen en ‘t grondwater hoog staat. Daar groeien die mooie gevlekte en de effen handekenskruiden, de lichtpaarse orchideeën van onze veenen en moerassen. Ronde blaadjes als van Oost-Indische kers, maar veel kleiner, dekken er den bodem met groene loovertjes; het nieuwe schittergroene leerblad van ‘t Wintergroen zweeft hier en daar er boven.

Jaarboek 38, pagina 76


Eli liep door een duin natter dan wij kennen, een deels niet meer bestaand landschap, al duiken de rietorchis en het wintergroen wel elders in het duin op. Volgens duinkenner Rienk Slings (tot 2014 duinbeheerder bij PWN) wandelde Eli toen door het nog niet beboste deel van het Sappenbos: “Qua reliëf een nollenterrein, ontstaan in de loopduinvlakte van de Papenberg. Tegenwoordig kunnen we ons daar, weliswaar in verdroogde vorm, nog een voorstelling van maken als we de ten westen aangrenzende zanderij bezoeken; pal ten noorden van camping Geversduin.”
Sappenbos is de officiële ‘vaknaam’ die vermoedelijk wel in een oud toponiem zijn oorsprong vindt. Volgens Frits David Zeiler (historicus uit Bergen) is het mogelijk afkomstig van ‘Sape’, wat mager en onvruchtbaar land betekent. Zie ook breeSAAP en Sappeland, namen van duinvalleien en natte ontginningen.

Ergens op de route langs de Helmweg komen we anno 2015 weer duinlandjes tegen met oude meidoorn en resten van elzenhagen. Eens kleine akkertjes, nu recreatieweidjes en voorzien van watertjes voor poelkikkers, libellen en de Schotse hooglanders van nu. In Eli’s tijd waren koeien schaars (en lokaal) in het duin, in tegenstelling tot konijnen.

Verdwenen dieren

“De weg ligt nu verder geheel in de schaduw van sappige berkenboschjes, waar de zangvogels van heel de buurt bijeen zijn om te broeden en te zingen; van tijd tot tijd kort een fasantenhaan, wulpen schreien hoog in de lucht en een kievit verjaagt met moed en groot misbaar twee Vlaamsche Gaaien uit de buurt van zijn nest.”
In de periode rond 1990-2000 verdwenen de wulpen na de komst van de vos. Rienk Slings: “Vermoedelijk ook als gevolg van degradatie van het open duin, waardoor de voedselsituatie voor de jongen sterk achteruit ging.”

Ik herinner ze me nog wel broedend op de Papenberg. Ook het geluid van de fazantenhaan is vrijwel verstomd en kieviten in het duin zijn pas echt schaars, al duikelen ze wel weer boven de nieuw afgegraven valleien die de laatste tien jaar er bij zijn gekomen in middenduin en in het zeeduin. Vlaamse gaaien zijn tegenwoordig zeer algemeen. Als eters en begravers van eikels spelen ze een niet onbelangrijke rol in de uitbreiding van het eikenbos. Havik, sperwer en buizerd noemt Eli niet; die waren toen te sterk vervolgd om tot broeden te komen.

“Misschien valt langs den weg uw oog op een hier weinig in ‘t oog vallende plant, die twee ronde bladeren heeft en een trosje groene bloemen, waarin een goudgeel stipje blinkt. Dat is een orchidee, de keverorchis, die hier in ontzaglijke hoeveelheid en in reusachtige exemplaren voorkomt.’

Volgen we zijn oude spoor, dan komen we fraaie restanten van berkenbosjes tegen. Meteen achter de camping bij de Helmweg ligt een dichtgegroeid en nog steeds vochtig stuk met duinriet en braam.

Dan volgt de uitsmijter van Eli:
“En stellig, tenminste als ge tegen den avond deze wandeling doet, hoort ge uit de boschjes aan uw linkerhand een zonderling geluid komen, een vreemd geratel of gesnor als van een groot spinnewiel, of van een tandrad dat langs een veer glijdt. Dat doet de geheimzinnige geitenmelker, een groote nachtvogel, half zwaluw, half valk, met heel vreemde gewoonten, waarvan ik nog wel eens iets vertellen zal.”

De Nachtzwaluw.
De Nachtzwaluw.

Het dier zou het er nog een halve eeuw minstens volhouden. Tot rond 1960 broedde de nachtzwaluw jaarlijks in de eikenhakhoutbosjes. In plaats van een nachtegalentocht hield de vogelwerkgroep toen een nachtzwaluw excursie.

Rolf Roos

Bronnen:

  • Heimans, Eli, Vrije duinen. Uit: Met kijker en bus. Amsterdam, 1906;
  • Heimans, Eli, Zeldzame planten in de duinen. De Levende Natuur, 13 (1908);
  • Kaan, Niek, De Duinkant, een verdwenen dorpje, 33e Jaarboek Oud-Castricum (2010);
  • Kaan, Niek, Wie was … jonkheer Frits Gevers, 26e Jaarboek Oud-Castricum (2003);
  • Roos e.a., Rolf, Duinen en mensen Kennemerland, Amsterdam, 2009;
  • Zeiler, Frits David, Nollen krochten blinken. Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin, PWN, Castricum, 1995.

De reconstructie van de wandeling van Eli Heimans is in een uitgebreide versie ook te vinden op de website www.duinenenmensen.nl

Met dank aan:
Anneke Brouwer, Niek Kaan, Peter Levi, Rienk Slings, Thea Spruijt en Joost Veer.

Twisk Engel, smid – levensverhaal (Jaarboek 38 2015 pg 59-66)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 38, pagina 59

In gesprek met Engel Twisk

Ik heb het aambeeld van De Salamander nog in mijn werkplaats gehad …

Engel Twisk op zijn praatstoel.
Engel Twisk op zijn praatstoel.

Engel Twisk werd op 19 januari 1925 in Bakkum geboren en vierde dit jaar zijn 90e verjaardag. Hij kijkt terug op zijn leven en dat van zijn ouders en grootouders. Vader Floris startte rond 1918 met een smederij op de hoek van de Bakkummerstraat en de Vinkebaan. Engel wilde net als zijn vader smid worden. Geen ander beroep sprak hem zo aan. Zijn eerste opleiding kreeg hij op de Ambachtsschool in Alkmaar. Het was een zware slag toen in 1943 de woning en de werkplaats in opdracht van de Duitsers werden gesloopt, net als honderden andere panden. In 1948 kon vader Floris in zijn oude buurtje een nieuwe woning met smederij in gebruik nemen. Intussen was Engel zelf als dienstplichtige naar Nederlands-Indië vertrokken. In oktober 1949 kwam hij terug op het troepentransportschip Kota Inten en pakte zijn geliefde vak weer op. Nu is de voormalige smederij zijn woning. Daar hoopt hij met steun van de kinderen tot zijn laatste dag te blijven.

De oude smederij heeft Engel in 1983 grotendeels eigenhandig verbouwd tot woning.
De oude smederij heeft Engel in 1983 grotendeels eigenhandig verbouwd tot woning.

Engel Twisk is een geboren verteller en bovendien beschikt hij over een goed geheugen. Het leven van zijn ouders en grootouders staat hem nog helder voor de geest; alleen mogen we hem af en toe een beetje helpen met jaartallen. Hij woont sinds 1983 comfortabel in de vroegere smederij, die hij bijna eigenhandig heeft verbouwd. Zijn stoel staat op de plaats waar ooit een aambeeld stond. Voor het raam het model van een oude molen, uiteraard gemaakt van metaal. Klaas Molenaar van de vroegere Wastora heeft hem willen kopen: “Zeg maar wat je er voor wilt hebben.”
Engel had al meer molens gemaakt en hij had er geen zin in om dat nog eens te doen. Voor geld is niet alles te koop. Molenaar had er begrip voor.

We maken eerst kennis met de familie Twisk.
“Mijn grootvader Willem Twisk en grootmoeder Catharina Haaker hadden een kleermakerij, zoals verschillende generaties voor hem. Eerst in Heiloo en later in Velsen. In 1899 gingen ze in de Burgemeester Mooijstraat wonen en daarna verhuisden ze naar de Alkmaarderstraatweg 24, tegenwoordig Dorpsstraat 128, tegenover de r.-k. kerk. Zijn zoons Jaap en Jan waren ook kleermakers. De oudste zoon was mijn vader Floris, die smid is geworden. Hij trouwde met Catharina Zonneveld.
Zelf ben ik in 1952 getrouwd met Ank Buur uit Akersloot. Zij is in 2000 overleden. Omdat er geen huis was te krijgen, woonden we eerst op de verdieping van het nieuwe huis van mijn ouders. In 1956 verhuisden we naar de Breedeweg en in 1966 ruilden mijn vader en ik weer van woning en nam ik de smederij over.


Jaarboek 38, pagina 60

Het gezin van kleermaker Willem Twisk. Het vak werd door vier generaties uitgeoefend. Floris Twisk staande rechts op de foto werd smid en zoon Engel volgde hem op.
Het gezin van kleermaker Willem Twisk. Het vak werd door vier generaties uitgeoefend. Floris Twisk staande rechts op de foto werd smid en zoon Engel volgde hem op.

De familie Twisk

In het 10e jaarboek van Oud-Castricum (1987) is de familie Twisk beschreven. Deze familie en veel aangetrouwde familieleden zijn diep geworteld in Bakkum en Castricum.
Engel Twisk stamt af van Jan Twisk die in 1766 werd genoemd als schepen van Bakkum. Zijn boerderij stond op de (zuid)hoek van de Haagscheweg-Heereweg. Floris, een zoon van Jan, had een boerderij op ‘t Noordend aan de Kooiweg.
Diens zoon Willem (1799-1863) werd kleermaker in de Oosterbuurt en zoon Floris (1840-1923) volgde zijn vader op. Hij vestigde zich op de hoek Overtoom-Schoutenbosch. Het vak werd voortgezet door zoon Willem (1868-1932) die met Catharina Haaker trouwde. De oudste zoon kreeg weer de naam Floris (1893-1974), maar die werd geen kleermaker maar smid en Engel trad in zijn voetsporen.

De Salamander die bij laag water nog altijd te zien is.
De Salamander die bij laag water nog altijd te zien is.

De Salamander

De grootvader van mijn moederskant was Engel Zonneveld (1865-1937). Hij was schelpenvisser, tuinder en van 1917 tot zijn dood ook strandvonder. Met zijn vrouw Grietje Limmen (1864-1945) woonde hij op de duinboerderij Van Lennepsoord. Het was een heel ‘slachtige’ vent hoor. Slachtig betekent handig. Hij maakte zelf schelpenkarren voor die jongens van hem. Hij kocht een tweedehands onderstel en de rest maakte hij van juttershout.

In 1910 strandde De Salamander. Het was een kanonneerboot en een ramschip, 46 meter lang en 10 meter breed, gebouwd in Bremen rond 1880. Het was één bonk ijzer en na iedere storm zakte het weer een halve meter dieper in het zand. Hij zou naar Hendrik-Ido-Ambacht gesleept worden voor de sloop.

De runners kwamen bij mijn grootvader in huis. Die mannen waren daar een tijdje in de kost. Ze kregen in de gaten dat ze het schip niet konden bergen en tenslotte gaven ze het op. De baas vroeg mijn grootvader hoeveel kostgeld hij kreeg. In plaats daarvan kwamen ze overeen dat hij voor een rijksdaalder het wrak mocht overnemen. Bewijzen heb ik er nooit van gezien. Zo ging het vroeger niet, maar Engel Zonneveld werd dus de nieuwe eigenaar.
Het aambeeld van de Salamander heb ik nog in mijn werkplaats gehad. Het schip had een kanon dat 180 graden kon draaien. Twee torpedokamers zijn er later ingebouwd. Het was natuurlijk een schip met een stoommachine. Ik ben er zelf nooit op geweest, maar heb er genoeg over horen vertellen.

De boeg van het schip was 20 centimeter dik. De Duitse keizer heeft dat ding laten bouwen. Het was er een van een serie. Later bleek het een mislukking te wezen. Het was de bedoeling om met die schepen op de Duitse wadden te patrouilleren en bij eb te gaan liggen. Als er vijandelijke schepen vanuit de Oostzee de wadden opvoeren, dan konden ze er snel naar toe varen en dan ramden ze die of schoten er torpedo’s op af.

De smederij van Jan Hoebe

Opa Zonneveld woonde in het duin, tot zijn land door de waterwinning zo verdroogde, dat er niets meer te telen viel. Toen kocht hij van Bertus Hageman aan de Heereweg 18 een boerderijtje. Er stond een grote kapberg achter. De achterkant was helemaal open en die kant heeft hij dicht gemaakt met planken van het strand. Al die rotzooi uit het duin vandaan heeft hij daar naar toe gesleept. Hij heeft nog een tijdje geschulpt, maar kreeg maagkanker en overleed op 12 juni 1937. In die oude schuur heeft mijn vader in de oorlog nog een smederij gehad. Er was geen smidsvuur, maar hij maakte er wel kachels en zo.

Vader is in 1893 in Heiloo geboren. Als 11-jarige jongen werkte hij al bij Bertus Stuifbergen, die een boter en kaaszaak had op de hoek van de Ruiterweg en de Mient. De


Jaarboek 38, pagina 61

vrouw van Stuifbergen was een Van den Berg uit Egmond aan Zee. Door de aanleg van het Noordzeekanaal werd IJmuiden belangrijk als vissershaven en de Egmonders trokken daar naar toe. Bertus had een wagen met een ket (red: klein paard) waar mijn vader in IJmuiden de bestellingen mee rondbracht. Bertus liet zijn paard beslaan in Heemskerk bij smederij Eeltink. Mijn vader stond er altijd bij te kijken. Het smidsvak trok hem erg aan. Bij die smid kreeg hij toen zijn eerste opleiding. Later werkte hij in Bakkum bij de smederij van Jan Hoebe.
Bij een verbouwing van de broodfabriek moesten er gaten in stalen balken geboord werden. Hoebe had alleen een handboor en het duurde heel lang voordat zo’n boor door de balk heen was. Bertus de Groot in IJmuiden had moderner gereedschap. Mijn vader ging daar een spiraalboor lenen.
Bertus stelde hem voor: “Je ken wel bij main komme werken.” Vader zei: “Ik werk nog bij Jan Hoebe. Ik kan niet zo maar weglopen.” Hij praatte er wel over met ouwe Jan Hoebe. Die vond het eigenlijk wel een goed idee dat hij eens een paar maanden bij Bertus ging werken om ervaring op te doen. Dat heb ie gedaan en daarna is hij weer terug gegaan naar Bakkum.

Meester-hoefsmid

Mijn vader was klein van stuk. In het keuringsrapport voor het leger staat 1 meter 60. Hij moest in 1913 opkomen en had bij de marine gewild als stoker. Dat is hem niet gelukt. De Eerste Wereldoorlog brak uit en in Den Helder werd de Kustwacht ingesteld. Daar heeft hij zes jaar gezeten. Daarvoor was hij nog een tijdje bewaker op het interneringskamp in Bergen.

Floris Twisk met kleinzoon Floris op weg naar de kermis in Bakkum. Achter hem loopt Engel.
Floris Twisk met kleinzoon Floris op weg naar de kermis in Bakkum. Achter hem loopt Engel.

Er was veel geouwehoer en geteut onder de soldaten en mijn vader ging liever aan het werk. Om wat te doen te hebben onderhield hij in Den Helder de kanonnen. Er was een kapitein die Sijpestein heette. Die zag mijn vader daar altijd scharrelen. Mijn vader vertelde hem dat hij graag hoefsmid wilde worden, maar dat hij daarvoor een cursus moest volgen die op zaterdagochtend in Haarlem werd gegeven. De kapitein heeft hem toen toestemming gegeven om op vrijdagavond naar huis te gaan, zodat hij op zaterdag die cursus kon volgen. Dan ging hij ‘s ochtends eerst naar paardenslager Jan Huiberts op de Vinkebaan voor een paar afgezaagde poten en die gingen achterop de fiets mee naar Haarlem voor de cursus. Daar kregen ze les. Een hoef is een ingewikkeld mechanisme hoor. Er zitten veel zenuwen in zo’n hoef. Door die dikke rand er omheen moeten zo’n zes hoefnagels geslagen worden. Aan die hoefnagels zit een smal kantje, waardoor die automatisch naar buiten lopen. Ze hadden in Haarlem graag dat hij een rijkserkend diploma zou halen. Toen volgde hij in Utrecht de opleiding meester-hoefsmid en slaagde met lof. Die rijkserkenning bestaat tegenwoordig niet meer. Nu kan iedereen zich hoefsmid noemen.

Wagenmakerij en smederij

Na zijn diensttijd ging mijn vader weer aan het werk bij Jan Hoebe. Rond 1920 was de Bakkummerstraat nog steeds niet meer dan een paardenpadje. Alleen in het midden was er bestrating. Toen hij naar huis fietste, kwam hij hier op de hoek Jan de Groot tegen. Die had zijn smederij in de Schoolstraat verkocht aan Dorus de Groot (een broer van Kees de Groot van de kalkovens). Jan was ‘een man van het veld’, dat betekende dat zijn vader niet bekend was. Hij droeg de achternaam van zijn moeder. Ze liepen samen op naar het dorp. “Wil je geen smederij beginnen?”, vroeg hij. “Daar heb ik geen centen voor,” zei mijn vader, maar Jan zag wel een oplossing.

Wat ben je laat,” zei z’n moeder toen hij thuis kwam. Ze woonden toen al in de Burgemeester Mooijstraat. Hij vertelde dat hij met Jan de Groot was meegelopen en dat ze het over een smederij hadden gehad. Voor mij niet te betalen, maar hij had gezegd dat het wel goed zat. Mijn moeder trok de stoute schoenen aan en zei: “Wij gaan vanavond naar hem toe.” Diezelfde avond werden ze het al eens.

Timmerman Jan Vlaar uit de Noord had op de hoek van de Bakkummerstraat en de Vinkebaan een werkplaats. Hij was met een dochter van Jan getrouwd. Bij de verkoop van de smederij in de Schoolstraat was overeen gekomen dat hij geen smederij meer mocht beginnen. Een wagenhandel of een wagenmakerij kon natuurlijk wel. Daarvoor werd aan de werkplaats van Vlaar een stuk aangebouwd. Bertus Nootebos nam het later van hem over.

Via Jan de Groot is mijn vader dus aan de Vinkebaan terechtgekomen. De wagenmakerij werd steeds meer een


Jaarboek 38, pagina 62

smederij. Een wagenmaker en een smid hadden elkaar toch nodig. Om de wielen van een schelpenkar moest bijvoorbeeld een ijzeren band worden gelegd en ook bij andere onderdelen kwam de smid er aan te pas. Ik kan me nog goed herinneren dat er boven het smidsvuur een enorme blaasbalg zat.

De in de Tweede Wereldoorlog gesloopte wagenmakerij annex smederij op de hoek
van de Vinkebaan en de Bakkummerstraat.
De in de Tweede Wereldoorlog gesloopte wagenmakerij annex smederij op de hoek
van de Vinkebaan en de Bakkummerstraat. V.l.n.r.: Bertus Nootebos, Jan Vlaar en echtgenote.

Vakman

Rond de tijd dat mijn vader in 1921 met Catharina Zonneveld trouwde, heeft hij samen met zijn buurvrouw Geessie Kaag een dubbel woonhuis Bakkummerstraat 1 en 3 laten bouwen. Ze had met haar inmiddels overleden man een melkzaak gehad in Amsterdam. Nu woonde ze hier aan het Duinpad. Geessie Kaag begon op Bakkummerstraat 3 een kruidenierszaakje en mijn vader had behalve de smederij ook een winkeltje waar hij fietsen, onderdelen van kachels en potten en pannen verkocht. Ik ben in 1925 op het adres Bakkummerstraat 1 geboren. Ik heb twee broers, een oudere broer Willem (1922) en een jongere broer Theo (1929).

Engel Twisk voor het bord met orthopedische hoefijzers die zijn vader Floris heeft gemaakt.
Engel Twisk voor het bord met orthopedische hoefijzers die zijn vader Floris heeft gemaakt.

Ik heb nog een heel stel hoefijzers die mijn vader gemaakt heeft. Het zijn allemaal orthopedische hoefijzers. Die waren bijvoorbeeld voor een paard met een doorgezakte hoef. Je moest als hoefsmid heel goed op de hoogte zijn van de stand en de gang van de paarden. De paarden werden bij de smederij ‘warm’ beslagen. Tegenwoordig hebben de hoefsmeden verschillende maten hoefijzers in voorraad, zodat zij ‘koud’ kunnen beslaan. Mijn vader kon heel goed smeden. Voor mij zijn die hoefijzers echte kunstwerkjes!

Toen ik in de (negentien)zestiger jaren de smederij overnam, hadden we nog maar elf klanten met een paard. Ik herinner me nog Karel, het prachtige paard van Gerrit Veldt, dat een schitterende draf had. Als er een paard moest worden beslagen, ging dat altijd voor en werd het andere werk direct stil gelegd. Op een gegeven moment zijn we er mee gestopt.

De smeden van Castricum, Peperkamp, De Groot, Hoebe en ook smeden uit Akersloot en Limmen, kochten gezamenlijk in. Zo af en toe hadden ze vergadering bij ons thuis en daar werd heel wat afgelachen, maar intussen was de onderlinge concurrentie groot. Bij offertes gingen ze rustig een paar centen onder de prijs van een collega zitten, als ze die aan de weet kwamen.
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog kwam er een vertegenwoordiger van een grote gereedschapsfabriek uit Duitsland naar mijn vader. Hij verkocht gereedschapsstaal. Voor een schoffel of een bijl smeedde je twee stukken ijzer aan elkaar en een stuk staal er tussen. Die werktuigen hoefde je zowat nooit te scherpen. Als je ging hakken, vooral in ijs, dan sleet het ijzer weg, maar het staal bleef intact.
Mijn vader zou de rekening van dat gereedschapsstaal betalen, maar die vertegenwoordiger had op de rekening overal een nul achter gezet. Had je 6 kg, dan werd het 60 kg. We kregen veel te veel. Het werd een moeilijke kwestie. Mijn vader betaalde niet. Toen heeft hij contact gezocht met de boekhouder van Duin en Bosch. Die woonde net over de spoorbomen aan de Beverwij-


Jaarboek 38, pagina 63

kerstraatweg. Zijn schoonzoon was kunstschilder Middelveld. Die stelde brieven op en maakte duidelijk hoe de vork in de steel stak. Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit en heeft hij er niets meer van gehoord.
Op winterdag werd het soms om drie uur al donker en dan zei hij: “Maak het vuur maar an.” Dan ging hij bakken. Een ijzeren ton werd op het vuur gezet en daar werden de oude hoefijzers in gegooid. Hij smeedde er nieuwe hoefijzers van of gereedschap. Het fascineerde me dat je van oud materiaal nieuwe dingen kon maken.
Het eerste wat ik van mijn vader leerde, was het maken van Hollandse klinkstellen of deurbeslag. Had ik er een gemaakt, zei hij: “Het rooit erop, maak er nog maar eens ien.” Zo heb ik er heel wat gemaakt. Ik vond het een heel interessant vak. Het bestond uit drie onderdelen: grof, hoef- en kachelsmid.
Door de komst van de forensen in het dorp veranderde ons werk. We kregen nieuwe klanten en bovendien hadden forensen geen kachels maar haarden. Ons assortiment werd uitgebreid.

Net voor de oorlog had ik op de Ambachtsschool in Alkmaar de opleiding voor smid en bankwerker gevolgd. Toen was ik een jaar of 13. We kregen in de oorlogsjaren aanvullend les van een Vereniging ter bevordering van Vakonderwijs. Eerst in de school met de Bijbel en later in café De Vriendschap in de Dorpsstraat. Meneer Kaper van Duin en Bosch was zo’n beetje de hotemetoot. Werkstukken maakte je in verschillende andere smederijen. Ik heb hier nog oorkondes van prijzen die ik heb gewonnen. Mijn zoon heeft ze laten inlijsten en opgehangen.
Ik had altijd ruzie met een leermeester die bij de gemeente werkte. Ik dacht dat het Van Diepen was. Een timmerman gebruikt geen millimeters maar centimeters en ik heb dus altijd geleerd met millimeters te werken. Toen heb ik gezegd dat geen les meer van hem wilde hebben. Daarna heeft ene Groot, die bij de Technische Dienst van Duin en Bosch zat, ons les gegeven. Ik kon goed leren, maar ik had alleen belangstelling voor onderwerpen die me interesseerden en de rest zag ik als tijdverlies.

Evacuatie en sloop in de oorlog

Ik weet nog dat mijn vader ons ‘s morgens vroeg riep: “Kom je bed uit, het is oorlog.” Al na een paar weken werden er Duitsers in Bakkum ondergebracht. Op het duin hier tegenover kwam een kazemat; er werden bunkers gebouwd en de tankval werd gegraven. De eerste tijd had je nog niet veel last van de bezetting. Je kon nog in het duin komen en op het strand. Daar spoelden lijken aan die bij de dorpskerk werden begraven.
In 1943, midden in de oorlog, moesten we binnen een week evacueren. De smederij en de woningen werden gesloopt. Het was verschrikkelijk voor mijn ouders. Mijn vader is in een paar dagen grijs geworden. We kregen een evacuatie-adres in Wildervank en dat zagen we helemaal niet zitten. Eerst werden we opgevangen bij Jaap Twisk, een broer van mijn vader. Die had een kleermakerij op de hoek van de Korte Cieweg en de Dorpsstraat. Later zat Stevens daar. Tenslotte kregen mijn ouders woonruimte in Krommenie.

Ik heb eerst geprobeerd onder te duiken, maar moest toch voor de Arbeidsdienst naar Duitsland. Daar kwam ik bij een smid terecht. Ik heb nog een beetje gescharreld met zijn dochter. Sindsdien had ik meer begrip voor de contacten van Hollandse meisjes en Duitse soldaten.
Ik kreeg wel een steeds grotere hekel aan de mentaliteit daar en het gesnauw. Tenslotte ben ik teruggekomen en ondergedoken bij een tuinder in Venhuizen. Bij droppings ben ik nog door het verzet ingeschakeld. Met zaklantaarns moesten we het terrein afbakenen. Vaak lukte dat niet door de mist en het hielp niet mee dat ik ook niet lang ben. Werken op het land was niets voor mij. Ik ging terug naar Bakkum en kon bij smid Hoebe aan het werk en daar was ik ook in de kost. Ik kon heel wat ervaring opdoen, niet alleen met het beslaan van paarden, maar ook allerlei ander werk; ik was ook slotenmaker. Natuurlijk werkte ik in het hol van de leeuw, maar het voordeel was dat er in ons dorp geen razzia’s zijn gehouden en ik voelde me wel veilig. Iedereen werkte voor de Duitsers, want er moest brood op de plank komen. Ik had een vals Ausweisz en haalde eten bij de gaarkeuken tegenover het station. Als er vrijbankvlees was, werd dat door dorpsomroeper Dorus Kuijs bekend gemaakt. Onder andere in de werkplaats van Duinenbosch stonden paarden van de Duitsers. Dode paarden gingen naar de krengenslager Castricum aan de Breedeweg.

Naar Indië

Een foto van Engel en zijn verloofde Ank Buur gemaakt in 1946 kort voor zijn vertrek als dienstplichtige naar Indië.
Een foto van Engel en zijn verloofde Ank Buur gemaakt in 1946 kort voor zijn vertrek als dienstplichtige naar Indië.

In 1946 moest ik, 21 jaar oud, met de eerste lichting dienstplichtigen naar Indië en werd ingedeeld bij de ‘Zeven December Divisie’. Ik was dan wel opgeleid als


Jaarboek 38, pagina 64

smid, maar daar werd ik ingezet als automonteur en reparateur van van alles. Op een keer kreeg ik een aanvaring met een sergeant en die slingerde me op rapport. Ik moest bij de commandant komen en die begon met de vraag of ik als kwartiermaker naar Buitenzorg wilde, een plaats op West-Java waar de Gouverneur-Generaal zijn kantoor had. Nu heet het Bogor. Dat wilde ik wel. Daarmee was het gesprek afgelopen. Later zat ik nog als monteur in Soekaboemi.

Engel maakt een ritje op zijn motor in Soekaboemi op Java.
Engel maakt een ritje op zijn motor in Soekaboemi op Java.

Poncke (Jan) Princen (1925-2002), activist voor mensenrechten, lag daar op een kamer onder anderen samen met Martin Duijn, een andere Castricummer. Zo kwam ik in contact met Princen.
Poncke Princen is daar gedeserteerd. De hele groep had hem eigenlijk moeten volgen. Dan schieten de tranen in zijn ogen: “Voor mij was het een held en geen landverrader. Hij had een standbeeld verdiend. Ik heb me vaak afgevraagd wat we daar eigenlijk deden. Wij Nederlanders wilden toch ook graag bevrijd worden van de Duitsers. Ik had een hekel aan die dienstplicht. We zijn gewoon besodemieterd. Anderhalf jaar zouden we gaan, maar we hebben er drie jaar gezeten.”

Plaatsgenoten zochten elkaar op.
Plaatsgenoten zochten elkaar op. V.l.n.r. Floor Schermer, Martin Duin en Engel Twisk.

In 1949 kwam Engel met het transportschip Kota Inten terug, tegelijk met de dorpsgenoten Harm Vermeulen en Hans van Deelen. Toen was het nieuwe dubbele woonhuis, dat vader Floris samen met Nootebos had laten zetten, net klaar. Bakkummerstraat 5 en 7; achter nummer 5 kwam een timmerwerkplaats en achter nummer 7 de smederij met een travalje (red: hoefstal) voor het beslaan van paarden. Die travalje had Floris zelf gemaakt.

Loopbaan

Zwager Frans Zonneveld werkte ook bij mijn vader. Hij was een beetje invalide. Toen brak er een slechte tijd aan en het werk zakte als een pudding in mekaar. “Wat moet dat nu”, zei mijn vader. “Zal ik ome Frans naar huis sturen?” “Ik ga wel weg”, zei ik. Ik ben toen begonnen bij Jan Spiering in Beverwijk en werd onder andere ingezet bij de Hoogovens. Het tijdelijk personeel kreeg de rottigste klussen. Toen vroeg Beijnes, de spoortreinfabriek, nieuw personeel. Ik solliciteerde en werd aangenomen met een proeftijd van drie weken. Na die drie weken, op een zaterdag, werd ik uitbetaald. Ik kreeg 1 gulden en 2 cent per uur. De anderen kregen vier cent meer. Toen ik de volgende week terugkwam, heb ik gezegd dat ik een volwaardige vakman ben en dat ik hetzelfde betaald wilde worden als de andere mensen die niet in Indië hebben gezeten. Ik kreeg mijn zin niet, leverde mijn werkkist in en ging terug naar Jan Spiering. Op het station kwam ik later de personeelschef van Beijnes tegen. Die stelde me voor om weer terug te komen. Hij zei: ”Ik zal zorgen dat je 1 gulden 6 krijgt.”
Ik ben bij Beijnes teruggekomen en kreeg volgens afspraak toch die 1 gulden en 6 cent. Door bemiddeling van prins Bernhard hebben we voor Argentinië zelfs roestvrijstalen treinen gemaakt. Voor onze begrippen heel modern.

Bij Beijnes ging het op den duur slecht en na acht jaar solliciteerde ik bij de Linoleumfabriek Forbo in Krommenie. Daar heb ik ook acht jaar gewerkt. Ze vonden me wel een goede smid in Krommenie. Ze vroegen waar ik het vak geleerd had. Bij m’n vader. “Heeft je vader een smederij?” Ik zei ja. “We hebben eigenlijk ander werk voor je, maar we willen je niet uit die ploeg vandaan halen.” Zodoende heeft mijn vader toen ook nog opdrachten van Forbo gekregen.

Logo smederij.
Logo smederij.

Jaarboek 38, pagina 65

De fabriek werkte ook voor Armstrong in Amerika. Armstrong was de grootste linoleumfabriek van de wereld. Als Armstrong een order kreeg die te klein was, dan hevelden ze die over naar Krommenie. Er moesten linoleumtegels gestanst worden. Ze kregen ze niet op de juiste maat. De baas vroeg of ik had verstand had van materialen. “Natuurlijk”, zei ik. Ook de ouderwetse maten nog, want vroeger was alles in inches. Ik moest die stans op de juiste maat brengen. Dat was een leuke klus.
De baas bood me een sigaar aan. Ik zeg: “Waar zijn die andere negen?” Hij had er een hele doos aan overgehouden. Toen heb ik op het kantoor die ene sigaar teruggegeven. Ik zei: “Dan kunnen jullie die ook op roken.” Tenslotte kreeg ik die doos sigaren toch nog.

Ik heb ook nog twee jaar bij de Hoogovens gewerkt, maar ben toen afgekeurd vanwege mijn rechterarm. Toen het weer iets beter leek te gaan met mijn arm, ben ik in de smederij in Bakkum begonnen. Daar heb ik eigenlijk weer te lang en te veel gewerkt. Het begon zo. Ik ging bij mijn vader op bezoek en toen vertrok net ouwe Cor Lute, een poelier van de Bakkummerstraat. Mijn vader vertelde: “Hij wil het hele spulletje kopen. Hij had er een redelijke prijs voor over.”
Ik zei dat ik er zelf belangstelling voor had. “Ben jij bedonderd riep mijn vader. Jij moet helemaal niet voor je eigen beginnen.”
Ik heb hem uitgelegd dat het me helemaal niet ging om een hoop werk of om rijk te worden, maar dat ik eigen baas wilde worden. Ook mijn vrouw was er eerst niet erg voor. Mijn vader kreeg er zowat de zenuwen van. Toen ben ik met die banenpijpen (rollen waar het 25 meter brede linoleum overheen liep) voor de linoleumfabriek begonnen. Daar had mijn vader ook al aan gewerkt. Het werk werd goed betaald. Beter dan in de fabriek zelf.

De in neo-gotische trant uitgevoerde smeedijzeren fontein op het Binnenhof die door Engel Twisk is gerestaureerd.
De in neo-gotische trant uitgevoerde smeedijzeren fontein op het Binnenhof die door Engel Twisk is gerestaureerd.

De fontein op het Binnenhof

Hier hangt ook een foto van de fontein op het Binnenhof. Die fontein heb ik gerenoveerd. Dat kwam zo. Op een gegeven moment kwam er een smid uit Egmond-Binnen bij me langs. Die was bezig met een kunstwerk voor Beatrix in verband met haar huwelijk in 1966. Hij was ook leraar op de ambachtsschool en had er te weinig tijd voor. Hij liet het me zien en vroeg of ik het wilde doen. Toen heb ik het afgemaakt. Het was een symbool of logo voor Beatrix. Het was goed geslaagd. Ik heb me ook altijd wel siersmid gevoeld. Hij vertelde me dat hij contact had met iemand van Monumentenzorg uit Amsterdam die veel smeedwerk uitbesteedde. Die man vroeg of ik iets voor hem wilde maken. “Dan weet ik wat u kan.”
Toen hebben we een segment van een hekkie gemaakt. Nadat hij het had bekeken zei hij: ”Ik wou dat ik je eerder gekend had. Iemand heeft het hek van ons gebouw gerestaureerd, maar ik vond het niet zo kunstig als wat jij hebt gemaakt.”

Zo kwam het dat ik opdracht kreeg om de fontein, die op het Binnenhof had gestaan, te herstellen. Die fontein was helemaal verrot en verroest en die hadden ze gesloopt. De restanten lagen in een boerderij bij de Egmondse abdij. Er was ook een kolom bij van gietijzer en die kieperden ze zo van de wagen, waardoor die kolom brak. Hij dateert uit 1883, de tijd van Koning Willem III. Het ontwerp is van de beroemde architect Pierre Cuypers en gemaakt ter nagedachtenis aan Willem II (1227-1256) koning van het Rooms-Duitse rijk die bij Hoogwoud door de West-Friezen is vermoord.
De vele onderdelen van de fontein waren wel gemerkt, maar niet erg zorgvuldig, dus dat heb ik opnieuw moeten doen.
Ik heb nog gezegd dat ze alles moesten laten galvaniseren. Maar wat was het geval? Dat ding was gemaakt van puddelijzer en daar zit vaak veel koolstof in. Dat smeedde vroeger veel makkelijker en het laste veel beter. Om het te galvaniseren moet ijzer in het zoutzuur gelegd worden om te ontroesten. Die koolstof lost allemaal op en dan kijk je er dwars doorheen. Dat vonden ze te rigoureus.


Jaarboek 38, pagina 66

Bij een fabriek in Purmerend is het metaal gecoat, maar dat was geen afdoende oplossing. De fontein is later nog wel een paar keer onder handen genomen.”

Terugblik

“Ik had voor de Forbo wel naar Zweden of Zuid-Afrika kunnen gaan. Overal hadden ze fabrieken, maar daar liet ik me niet heen sturen. Ik wou helemaal niet naar het buitenland. In Bakkum was ik thuis. Mijn vrouw en ik waren aan dit gebied gehecht.
Toen ik dat nog kon, ging ik hier altijd naar de kerk. Ik heb nog steeds sympathie voor het katholiek geloof, maar het instituut ging me tegenstaan. Dat de huidige paus kritisch is op de kardinalen en de bisschoppen vind ik hoopgevend, maar ik hou vast aan mijn eigen manier van geloven. Ik heb in mijn leven geleerd dat iedereen er recht op heeft om zichzelf te zijn.”

Niek Kaan

Weergave van gesprekken met Engel Twisk in het jaar 2014

Op het graf van het echtpaar Twisk staat een prachtig door Engel zelf gesmeed kruis.
Op het graf van het echtpaar Twisk staat een prachtig door Engel zelf gesmeed kruis.

Naschrift:

Na een ziekbed van enkele maanden overleed Engel Twisk op 5 april 2015. Zoals hij wilde, is hij gestorven in zijn tot woning omgebouwde smederij aan de Bakkummerstraat. ‘Onze verhalenverteller is uitgesproken …’ staat er boven zijn overlijdensbericht. Inderdaad, wat kon hij geweldig vertellen met oog voor de kleinste details. Vaak kwam in zijn verhalen zijn gevoel voor recht en onrecht naar voren en de stempel die zijn diensttijd in Indonesië op zijn leven heeft gedrukt.
Pastor Bertus Stuifbergen, die de uitvaart leidde, roemde zijn wijze, filosofische inslag. Ze hadden elkaar wel aangevoeld. De overgrootvader van de pastor woonde op de boerderij de Papenberg en de pastor kon het niet laten om op te merken dat het graf van Engel en zijn echtgenote gelokaliseerd kan worden op het bijbehorende ‘Kippenlandje’, nu deel van de begraafplaats Onderlangs.
Engel zou het prachtig hebben gevonden. Hij was sterk verbonden met het dorp dat hij voor geen goud wilde verlaten.