27 juni 2022

Deelen, Derk van (Jaarboek 30 2007 pg 61-65)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 30, pagina 61

Wie was … Derk van Deelen

Derk van Deelen
Derk van Deelen

De Bunt was de naam van zijn woning aan de Tetburgstraat in Bakkum. Het was ook de naam van een kleine inmiddels verdwenen buurtschap bij Hoenderlo. Daar werd Derk van Deelen op 25 september 1900 geboren. Er stonden 11 simpele huisjes, van hout, steen en plaggen in een oeroud landschap dat tegenwoordig valt binnen het Nationale park De Hoge Veluwe. Zijn liefde voor de natuur en grote belangstelling voor bewoningssporen uit lang vervlogen tijden werd daar gewekt en hij zou die zijn hele leven niet meer kwijt raken. Zijn naam is verbonden met de Werkgroep Oud-Castricum, die dankzij zijn pionierswerk in 1967 kon worden opgericht.

De Bunt, het  huis van de familie Van Deelen.
De Bunt, het huis van de familie Van Deelen. Tetburgstraat 3 in Castricum, 1929.

De Bunt is genoemd naar een kleine grijsgroene grassoort, ofwel het buntgras. De Bunt, een ruim 15 hectare groot perceel, werd rond 1850 van het Otterlose veld afgescheiden en in negen smalle kavels verdeeld onder bewoners van Otterlo. Dagloners en heidemaaiers bouwden hier toen plaggenhutten en huisjes. In 1913 is De Bunt opgekocht en met alle bewoners gevoegd bij het landgoed De Hoge Veluwe. De bewoners vertrokken. Het is nog te zien waar de huisjes stonden. De grote solitaire bomen en groepjes sierheesters zijn overblijfsels van vroegere erfbeplanting. Van de huisjes zelf resteren slechts ondiepe kuilen. In 1913 stonden er 11 huisjes op De Bunt.

Het ouderlijk gezin Van Deelen in de buurtschap De Bunt omstreeks 1910.
Derk staat rechts op de foto.
Het ouderlijk gezin Van Deelen in de buurtschap De Bunt omstreeks 1910.
Derk staat rechts op de foto.

Derk was het vierde kind van Jan van Deelen en zijn vrouw Johanna Onderstal. Derk had drie broers en twee zusters. Vader Jan was bosarbeider. Derk volgde de lagere school in Hoenderlo. Hij ging er vanuit De Bunt lopend naar toe: anderhalf uur heen en anderhalf uur terug. Na de lagere school werkte Derk mee bij de aanleg van het park ‘De Hoge Veluwe’.

Uit die tijd dateert zijn liefde voor de natuur, voor alles wat leeft en groeit en voor de archeologie en de vuurstenen werktuigen uit de steentijd. Regelmatig ging hij met zijn vader naar bewerkt vuursteen zoeken. In de jaren (negentien) vijftig schreef hij eens een verhaal over de omgeving waarin zijn jeugd zich afspeelde: “Zwervende in het gebied zullen we leeren denken over het primitieve leven van onze vroegste voorouders en dwalende langs de oude wegen zal het verlangen in ons slerker worden om  toch maar iets te weten van de nooit doorvorste historie die we hier mogen vermoeden.”

Nadat moeder Johanna in 1918 was overleden, verhuisde de familie Van Deelen naar Ugchelen. Derk ging daar werken bij de ‘Geldersche Stoom Wasch- en strijkinrichting De Nieuwe Olifant’. Bij die wasserij leerde hij Anthonia Klopman kennen en ze kregen verkering. Na enige tijd ging Anthonia als dienstmeisje werken in Den Haag. Met een mooi getuigschrift op zak solliciteerde Derk, bij de wasserij van ‘Duin en Bosch‘ in Bakkum. Hij werd er per 1 juli 1919 aangenomen.

Zo vaak als hij maar kon, ging hij met de trein naar Den Haag om zijn meisje op te zoeken. Als het regende, stonden ze onder een brug, want in het huis waar ze werkte, mocht Antonia geen bezoek ontvangen. Hij moest dan weer terug naar Duin en Bosch. Als de trein niet verder ging dan Uitgeest, liep hij naar Bakkum. Anthonia vond tenslotte dichterbij werk in Alkmaar. Ze werkt daar ook in de huishouding en hielp ’s avonds in het café van haar werkgever. Dat stond Derk helemaal niet aan. Er moest een oplossing worden gevonden.

Tetburgstraat

Derk en Antonia konden een bovenwoning bemachtigen aan de Dr. Jacobilaan en trouwden op 24 augustus 1922 in Apeldoorn. Na genoeg gespaard te hebben, lieten ze aan de Tetburgstraat een huis bouwen en in 1929 konden ze hun nieuwe woning betrekken. Het huis kreeg de naam ‘De Bunt’ om hun binding met de Veluwe nog maar eens te benadrukken. Het echtpaar kreeg vier kinderen: Hans in 1927, Hannie in 1928, Tonnie in 1931 en Ali in 1941.

De familie van Deelen.
De familie van Deelen. Tetburgstraat 3 in Castricum, 1960. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na de wasserij heeft Derk in de tuin met patiënten gewerkt en is hij parkwachter geweest en hulpportier. Het grootste deel van zijn werkzame leven was hij administratief medewerker in het magazijn van het provinciaal ziekenhuis. In het magazijn was een kantoor afgescheiden van waaruit, door veel glazen ramen, alles goed in de gaten gehouden kon worden. Hij werkte daar twintig jaar samen met zijn chef, de nu 91-jarige heer Hauser. Die herinnert zich Van Deelen als een zeer serieuze en heel aardige, bescheiden en loyale collega met een grote belangstelling voor de natuur en historie. Meneer Van Deelen zoals hij automatisch genoemd werd, probeerde hem daar ook enthousiast voor


Jaarboek 30, pagina 62

te maken. Het terrein van Duin en Bosch kende hij als zijn broekzak en hij wist precies waar bosanemonen te zien waren of waar wilde aardbeien of pirola groeiden. Ook over zijn oudheidkundige ontdekkingen mocht Van Deelen graag vertellen. Omgekeerd probeerde de heer Hauser zijn collega te interesseren voor de sportvisserij, maar die pogingen sloegen niet aan.

Het kerkje van Duin en Bosch.
Het kerkje van Duin en Bosch in Bakkum, 1999. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Het personeel was ook buiten werktijd sterk verbonden met het ziekenhuis. De kerkdiensten in het witte kerkje werden bezocht en de kinderen werden daar gedoopt. Eenmaal per jaar was er een muziekuitvoering in de muziektent die aan de Beukenlaan stond en was er zelfs een soort kermis, met het rad van fortuin. Het personeel werkte hier verkleed aan mee. De directie was streng en machtig. Toen de kinderen eens een hinkelbaan tekenden op de Dr. Jacobilaan, kwam de parkwachter zeggen dat er geschrobd moest worden, want dat mocht absoluut niet en vader Van Deelen moest daarvoor vervolgens ook nog op het matje komen!

De band in het gezin was heel hecht. Men behandelde elkaar met eerbied en respect. Ook nu wordt dat nog vaak gememoreerd. Er werd veel samen gedaan. De vakanties werden steevast doorgebracht bij de familie, ooms en tantes op de Veluwe. Vooral in deze vakanties werd de liefde voor alles in de natuur uit het heden en verleden door vader Derk op zijn kinderen overgebracht. Hij leerde ze bewerkte vuurstenen van onbewerkte te onderscheiden en Romeins glas van nieuw glas. Ook werd veel aandacht, en niet alleen in de vakanties, besteed aan het overbrengen van kennis over antiek.

Ze gingen dan ook vaak nog even naar de plaats waar de oude buurtschap De Bunt eens was. Zoals Van Deelen het beschreef: “Het huis en de schuren en de vruchtboomen zijn nu allemaal verdwenen. Kortom alles wat er toen stond is nu weg. Alleen is daar nu nog de lindeboom die eertijds voor het huis stond. Toch gaan we ieder jaar nog even kijken, want wat altijd is gebleven is de herinnering.”

Informatiebord over de buurtschap De Bunt in het Nationale park De Hoge Veluwe.
Informatiebord over de buurtschap De Bunt in het Nationale park De Hoge Veluwe.

Zoon Hans merkte in 1987 op dat op het informatiebordje over ‘De Bunt’ in het nationale park bij de namen van de vroegere bewoners de naam ‘Deelen’ staat en vroeg dat te corrigeren in ‘Van Deelen’. De directeur van de stichting meldde dat er rekening mee zou worden gehouden bij een volgende editie van de borden en voegde er fijntjes aan toe: “Er is met een zwarte stift al een voorlopige correctie (door u?) toegepast.”

Het bord is nu, twintig jaar later, nog steeds niet aangepast, maar alle letters beginnen te vervagen en een verbeterde uitvoering is misschien wel aanstaande.

De kinderen van het echtpaar Van Deelen.
De kinderen van het echtpaar Van Deelen, van links naar rechts Hannie, Hans, Ali en Tonnie.

Dochter Tonnie vertelt:

“Als ik aan mijn vader denk, dan zie ik hem als een rustige, liefdevolle wijze man waar ik een hechte band mee had. Hij was een rots in de branding voor zijn gezin. Mijn moeder en kinderen waren hem dierbaar: Als kind gingen wij zaterdag in de tobbe, want een douche was er niet. Moeder waste ons en vader kamt onze haren (de scheiding netjes in het midden) en dan snel de pyjama’s aan, ’s winters voorverwarmd bij de kachel. Op zondag wandelden we wel naar zee. De kat liep vaak mee en als het stormde mocht die bij het strand onder zijn jas. Bij slecht weer deden we spelletjes en Pa speelde vaak op het orgel. Alles uit zijn hoofd. Hij was altijd bezig en erg handig. Hij repareerde dingen die stuk waren, zelfs onze schoenen. Achter het huis hadden we een grote tuin en waarschijnlijk uit noodzaak, een volkstuin aan de Van Oldenbarneveldweg.

We hebben allerlei dieren in huis gehad, zoals een hond, kat, kippen, konijnen, eekhoorn, kauwtjes, duif, muizen en hamsters. Ook een wild konijntje dat hij gered had onder een brandstapel vandaan op Duin en Bosch. Mensen brachten ook in het voorjaar eendenpulletjes als de moeder opgevlogen was. Oh, zei mijn vader dan, geef maar hier, want de moeder komt ze wel weer halen. ’s Avonds als het schemerde mochten we dan mee naar het duin achter de Tetburgstraat, doodstil wachten tot de moeder de jongen kwam zoeken en roepen, dan piepten de kleintjes en liet mijn vader ze los. Ook kwam hij een keer met een moedereend onder zijn arm aanzetten, wij wisten dan dat in zijn zakken de pulletjes zaten. De moeder was in een sprenkel (vogelvang klem) gelopen en miste een poot. Vader timmerde een hok en zette er een teil water in en wij hadden weer wat te verzorgen. Toen de wond genezen was, werd het hele spul bij het duinmeertje losgelaten.”


Jaarboek 30, pagina 63

Derk van Deelen met collega-parkwachters en portiers.
Derk van Deelen met collega-parkwachters en portiers. Van links naar rechts staand: J. Koper, P.G. Kappers, D. van Deelen en J. Kwadijk; zittend: J.W.F. de Jong, E.C.J. Sprengens en W. Castricum; op de voorgrond zittend: G. van den Akker.

Oorlogsjaren

Ook voor het gezin Van Deelen veranderde er veel bij het uitbreken van de oorlog. In 1942 evacueerde de familie naar Limmen, waar ze woonruimte hadden kunnen vinden. Het huisraad werd met paard en wagen vervoerd. Het gezin ging op de fiets. Vader Van Deelen had de transportfiets van Duin en Bosch geleend, zette daar de waston op, deed er een paar kussens in en zette daar zijn eenjarige dochter Ali in.

Er brak een moeilijke tijd aan. Derk van Deelen was een van de velen die in de Wieringermeer naar tarwe aren gingen zoeken. De aren werden gedorst, gemalen en vermengd met krokusbollenmeel en bietenpulp en clan werd er brood van gebakken.

Hij hield een soort kroniek bij van wat hij in de oorlogsjaren waarnam.
Een paar gebeurtenissen daaruit:

  • April 1943 In Castricum begint de grote afbraak
  • Augustus 1943 Etenhalers trekken door het dorp
  • 23 oktober 1943 Zware bom bij de spoorlijn en veel brandbommen
  • 22 april 1944 Bijna dagelijks vliegen 800 tot 1.000 bommenwerpers over ons dorp
  • 5 augustus 1944 Jagers schieten op trein tussen Castricum en Uitgeest 2 doden en een aantal gewonden.

Op 6 april 1945 hoorde Van Deelen samen met zijn vrouw bij de ooggetuigen van de executie van 10 gevangenen langs de provinciale weg. Ze wandelden in de richting van het kruispunt met de Alkmaarderstraatweg, toen er een vrachtauto, met Duitsers en 10 gevangenen aan kwam. De jonge mannen moesten uit de wagen komen en werden één voor één doodgeschoten. Zij moesten blijven staan en werden gedwongen om de afschuwelijke gebeurtenis aan te zien.

Na de oorlog keerde het gezin weer terug naar hun huis in Bakkum. Er hadden Duitsers in gezeten en alles zag er vreselijk uit. Voor het gezin waren de spanningen nog niet voorbij. De oudste zoon Hans werd opgeroepen om zijn dienstplicht te vervullen bij de mariniers in Nederlands-Indië. Toen hij in 1948 terug kwam was hij broodmager en woog nog maar 45 kilogram.

Actief leven

In de jaren die volgden, vloog de een na de ander uit. Dochter Tonnie bleef nog tot 1958 thuis wonen en Ali tot 1969. Het werd een stuk stiller in huis en al behoorden de hersengymnastiek, de quiz en het houden van een voordracht tot het verleden, toch was er nog veel aandacht voor elkaar. Vader Van Deelen zorgde altijd voor het wekken van de kinderen, tafel dekken en het klaarzetten van de fietsen. Dochter Tonnie: “In de zomer was hij al op de volkstuin als wij op de fiets naar Alkmaar vertrokken. We zeiden hem dan gedag en boven op de Dijk stapten we nog even af en zwaaiden naar hem en hij zwaaide dan terug met zijn schoffel.”

Van de ontvangst van de uitwonende kinderen en later de kleinkinderen maakten Derk en Antonia een feest. Nooit was hen iets te veel. Discussies ging hij liever uit de weg. Een typische uitspraak van hem was: “Dat kan jij nu wel zeggen, maar ik weel het niet.”

Buiten zijn gezin en zijn werk had Derk van Deelen ook aandacht voor zijn medemens. Daar waar hij kon leverde hij een bijdrage aan het kerkelijk en maatschappelijk leven. Zo was hij diaken en ook ouderling van de Nederlands hervormde kerk in soms roerige tijden. Hij ging voor de kerk op ziekenbezoek thuis en in ziekenhuizen. Ook nam hij kerkdiensten op met de bandrecorder en ging er mee rond bij de mensen die niet in staat waren geweest naar de kerk te gaan.

Lange tijd was hij bestuurslid van het bejaardencentrum, thans zorgcentrum ‘de Santmark’. De naam is op zijn voorstel gekozen en is afkomstig uit één van de ‘Kennemer Balladen’ van W.J. Hofdijk, uitgegeven rond 1850.

Derk van Deelen in zijn prieel met kauwen.
Derk van Deelen in zijn prieel met kauwen.

In 1958 was hij betrokken bij de oprichting van de Vogelwerkgroep Castricum. Heel wat jaren wandelde hij samen met werkgroeplid Scherjon op zaterdagen met patiënten langs de nestkastjes op het terrein van het ziekenhuis. Ze konden boeiend vertellen over alle bijzonderheden van de verschillende nesten en vogelsoorten.

Verder leverde Van Deelen zijn bijdrage in het bestuur van de afdeling Castricum van het Witte Kruis. Hij had wel een eigen vergaderdiscipline. Zodra het officiële gedeelte van een vergadering was afgehandeld en de gezelligheid begon, nam hij afscheid en ging naar huis.


Jaarboek 30, pagina 64

Een hoogtepunt in zijn leven was in 1959 de toekenning van de zilveren eremedaille verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau, voor zijn werk bij Duin en Bosch, maar vooral ook voor zijn belangeloze inzet bij verschillende maatschappelijke instellingen.

De heer Van Deelen tijdens een van zijn lezingen.
De heer Van Deelen tijdens een van zijn lezingen.

Momenten van niets doen waren Derk onbekend. Na zijn pensionering in 1960, na een 41-jarig dienstverband bij Duin en Bosch, kon hij nog meer tijd besteden aan zijn twee grote hobby’s, natuur en geschiedenis. Hij hield zich graag bezig met het bestuderen van oude geschriften in de gemeentelijke en kerkelijke archieven en met het doorgronden van het verleden. Hij schreef artikelen voor het tijdschrift ‘de Speelwagen’, bijvoorbeeld over de schelpenvisserij. In de plaatselijke krant verschenen stukjes over diverse onderwerpen. Hij gaf ook lezingen met vertoning van dia’s.
Hij was correspondent voor de ‘Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek’. Een correspondentschap hield in dat archeologische waarnemingen werden beschreven en doorgegeven.

Met bewoningssporen uit de steentijd was hij opgegroeid en hij bleef altijd speuren naar vuurstenen voorwerpen. Hij vond in totaal zeven voorwerpjes, een primitief pijl puntje, een klein drietandig zaagje en vijf huidenkrabbers, maar tot zijn spijt waren deze vondsten onvoldoende om te kunnen spreken van bewoning uit de steentijd in onze streek.

De heer en mevrouw Van Deelen ontdekken de eerste bewoningssporen in Molendijk-Zuid.
De heer en mevrouw Van Deelen ontdekken de eerste bewoningssporen in Molendijk-Zuid.

Molendijk

In het voorjaar van 1950 vond hij samen met zijn zoon Hans, bij graafwerk in de duinen bij ‘De Brabantse Landbouw’ scherven van aardewerk van ver voor de jaartelling en uit de 9e, 10e en 12e eeuw en ook ploegsporen uit de middeleeuwen. Deze sporen van de vroegste bewoners van het duingebied, waren toch wel heel bijzonder en Van Deelen was er dan ook geweldig blij mee. Hij was een van de eerste leden van de vereniging voor amateurarcheologen, de Archeologische Werkgemeenschap Nederland. Aan het tijdschrift Westerheem, dat vanaf februari 1952 eerst in gestencilde vorm werd uitgegeven, leverde hij meerdere bijdragen.

Toen in 1966 met de grondwerkzaamheden, nodig voor de woningbouw in het bouwplan Molendijk-Zuid, aan de Cieweg werd begonnen, kwamen er op verschillende plaatsen enorme hoeveelheden potscherven uit de eerste en tweede eeuw voor de dag. Samen met zijn vrouw, die hem vaak hielp, probeerde hij zoveel mogelijk te redden. Het aardewerk bestond uit scherven van inheemse makelij in allerlei afmetingen en vormen. Thuis waste hij de scherven en probeerde passende scherven bij elkaar te voegen. Soms lukt het hem uit een berg scherven een bijna complete kom of pot samen te stellen. De schuur achter huize De Bunt raakte intussen voller en voller.

Werkgroep Oud-Castricum

De resultaten van de naspeuringen van Van Deelen op historisch gebied en zijn vele archeologische vondsten maakten duidelijk dat met meer mankracht nog meer bereikt zou kunnen worden. Eenmaal zou hij de fakkel toch moeten overgeven en nu zou hij zijn kennis nog aan meer mensen kunnen overdragen. Van Deelen was bereid om zich daarvoor in te zetten en daardoor werd het mogelijk de Werkgroep Oud-Castricum op te richten.

Op 16 mei 1967 kwam een aantal Castricummers in het oude raadhuis van Castricum voor het eerst bij elkaar. Van Deelen installeerde de werkgroep, waarbij hij de wens uitsprak dat in Castricum ooit nog eens een oudheidkamer of een klein museum zou worden opgericht. Voor dat doel stelde hij graag al zijn bodemvondsten aan de werkgroep ter beschikking.

Aan verschillende archeologische verkenningen, tentoonstellingen en lezingen van de werkgroep heeft Van Deelen volop meegewerkt. Uit de eerste zin van een brochure voor een tentoonstelling blijken de warme gevoelens die hij voor het dorp koesterde: ” Van welke kant we Castricum ook benaderen, het moet ons steeds opvallen op


Jaarboek 30, pagina 65

welk uniek plekje grond ons dorp van een onbetekenend gehucht is uitgegroeid tot het welvarende forensendorp zoals wij het nu kennen.”

‘Historie van Castricum en Bakkum’

Zijn naspeuringen in diverse archieven zette hij voort. Zelfs na een staaroperatie bleef hij met behulp van een borduurlens nog werken aan het ontcijferen van moeilijke handschriften. De aantekeningen die hij maakte, waren bestemd voor een ooit nog eens uit te geven boek ‘Historie van Castricum en Bakkum’. Hij typte het manuscript uit op een ouderwetse schrijfmachine.

Tenslotte ging hij op zoek naar een uitgever. Na enkele teleurstellende ervaringen – eenmaal raakte het concept zelfs zoek en is het nooit meer boven water gekomen – kwam hij in contact met de startende uitgeverij Pirola van Henk Jellema en Alphons Leysen uit Schoorl, die ook betrokken waren geweest bij de totstandkoming van het boekje ‘Oude ansichten van Castricum’. Jellema en Leysen zagen de waarde in van het verzamelde materiaal en hebben zich ervoor ingezet om het levenswerk van de heer Van Deelen uit te geven.

Intussen werd hij ziek en kampte met afnemende krachten. De uitgevers deden hun uiterste best en het was Van Deelen nog vergund om een proefdruk van zijn boek in handen te kunnen houden. De Werkgroep Oud-Castricum had intussen de beschikking gekregen over een eigen onderkomen aan de Geversweg dat overeenkomstig zijn wens de naam De Duynkant kreeg. Ook dit gebouwtje, waarin veel van zijn vondsten werden geëxposeerd, heeft hij nog kunnen bezoeken, maar de officiële opening heeft hij niet meer mee kunnen maken.

De familie van Deelen bij het 50-jarig huwelijksfeest.
De familie van Deelen bij het 50-jarig huwelijksfeest. Tetburgstraat 3 in Bakkum op 24 augustus 1972. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op 24 augustus 1973, op zijn 51e trouwdag, overleed Derk van Deelen. Hij was bijna een jaar ernstig ziek geweest en thuis liefdevol verzorgd door zijn vrouw.

Dominee Bijl sprak bij de uitvaartdienst: “Mijnheer Van Deelen heeft heel intensief, heel bewust geleefd. Alles wat hij zei en alles wat hij deed, was goed doordacht, goed overwogen. Door zijn begaafdheid en zijn beschaafdheid heeft hij voor velen werkelijk iets betekend.”

Mevrouw Van Deelen werd nog door de werkgroep gehuldigd bij het bereiken van haar tachtigste verjaardag. Zij overleed op 25 januari 1986.

Het echtpaar Van Deelen in hun mooie tuin.
Het echtpaar Van Deelen in hun mooie tuin.

Wie nu op zoek gaat naar het intieme huis van de familie Van Deelen aan de Tetburgstraat zal het er niet meer vinden. ‘De Bunt’ heeft ook daar zijn plaats moeten afstaan.

Niek Kaan

Samengesteld met hulp van Ali, Tonnie en Hans van Deelen.

27 juni 2022

Breedeweg, bezittingen Zijtje Rechtop (Jaarboek 30 2017 pg 61-63)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 40, pagina 61

Zijtje Rechtops bezittingen aan de Breedeweg bij haar overlijden in 1798

De stalkant van de boerderij van Spaansen aan de Breedeweg 72. Let op de stalramen en de twee grotere ramen rechts.
De stalkant van de boerderij vanSpaansen aan de Breedeweg 72. Let op de stalramen en de twee grotere ramen rechts.

Hoe het huis van onze opa en oma (of werd ze, zoals de mijne, nog ‘opoe’ genoemd?) er vroeger uitzag, herinneren de ouderen onder ons zich misschien nog vaag. Mogelijk hebben ze er zelfs een duidelijk beeld van dankzij het verplichte zondagse bezoek. De kolenkachel, de leunstoelen links en rechts, allebei met een mooi gehaakt wit kleedje boven op de rug van de stoel; bij die van opa een groenteblik (de woorden antimakassar en kwispedoor kenden we niet, maar we bewonderden de precisie waarmee hij de uitgekauwde pruimtabak erin wist te spugen); een pendule, tafel met stoelen. Soms aan de muur een kruis met een palmtakje en misschien een schilderij van de Goede Herder. De keuken zie je misschien ook nog voor je: de geëmailleerde pannen, het petroleumstel, de pollepel waaruit je water dronk. Zo zag een eenvoudig huis er dus voor 1950 zo’n beetje uit.

Hoe was dat 200 jaar geleden of meer? Met een beetje geluk kom je bij het zoeken in het archief of tussen je familiepapieren een inventaris tegen van het bezit van een voorvader of ‘voormoeder’. Het gaat dan in de meeste gevallen wel om een redelijk gegoed iemand. In zo’n inventaris, meestal na de dood van een langstlevende echtgenoot opgemaakt, vind je vaak per kamer opgetekend wat er werd aangetroffen. Later voegden ze er zelfs de geschatte waarde van alle spullen of van de belangrijkste stukken aan toe. Het is alsof je zo’n huis binnenloopt en alles zelf ziet. En heb je heel veel geluk, dan weet je waar dat huis stond en is het zelfs bewaard.

In het Regionaal Archief in Alkmaar bevinden zich de akten van de Castricumse schout en notaris Joachim Nuhout van der Veen uit de jaren 1778-1811. Daarin is ook de inventaris bewaard van de boedel van wijlen Zijtje Willemsdochter Rechtop, weduwe van veehouder Cornelis de Graaf. Hij is de stamvader van de Castricumse familie van die naam (zie 13e Jaarboek, 1990). Zijtje was in 1773 met hem getrouwd. Het was zijn tweede huwelijk. Bij zijn overlijden waren er vier minderjarige kinderen. Een jaar na zijn dood is Zijtje in 1790 opnieuw getrouwd met bakker Jan Schavemaker. Diens tweede vrouw was waarschijnlijk zojuist in het kraambed overleden. Hij had nog jonge kinderen. Na zijn dood in 1796 moet Zijtje zijn verhuisd naar de nog steeds bestaande boerderij aan de Breedeweg, met het huidige nummer 72, die naast de katholieke schuilkerk stond. Cornelis de Graaf had die boerderij in 1767 gekocht.

Boerderij aan de Breedeweg 72 in Casticum.
Boerderij aan de Breedeweg 72 in Casticum.

Ruim een jaar na haar overlijden (ze is op 1 februari 1798 begraven) is op 9 mei 1799 – op verzoek van de voogden van de minderjarige kinderen van wijlen Cornelis en Zijtje Willemsdochter Rechtop – door henzelf een inventaris opgemaakt. Deze twee, Jan Glorie en Pieter de Graaf, de oudste nog levende zoon van Cornelis, hebben die samen met de notaris en twee getuigen ondertekend.

De notariële akte met de titel ‘Staat en inventaris van alle zodanige goederen, effecten en schulden’ van Zijtje bestond uit drie onderdelen.
Eerst werd een overzicht gegeven van alle grondbezit. Zij bezat in Castricum 15 percelen land, die allemaal met hun


Jaarboek 40, pagina 62

van ouds bekende veldnaam werden aangeduid. Ze hadden een oppervlak van in totaal 15 morgen en ruim 380 roedensamen zo ongeveer 15 hectare. Het totale bezit bevond zich voor een deel aan de duinkant en een deel in de Oosterbuurt. Van de meeste percelen zijn de datum en de akte van aankoop door Cornelis de Graaf bekend.

Dan volgt een paginalange lijst, per kamer uitgesplitst, van alle spullen die in elk vertrek apart aangetroffen werden. Achtereenvolgens worden genoemd: het voorhuis, het vertrek aan de muur, de binnenwoning, de zomerwoning, het kamertje, de bovenkamer, de koeienstal en de zolder van de stal.

Het voorhuis moet de mooie kamer geweest zijn. Er stonden vier kasten in en een latafel met Zijtjes spullen.
Een gladde kast met dameskleding (boezelaars, strooien hoeden, boven- en onderrokken) en voornamelijk sieraden: een gouden oorijzer, een ketting van bloedkoraal met gouden haak en kruis, drie gouden haarnaalden, zes gouden ringen en nog meer gouden en vooral zilveren (gebruiks)voorwerpen.

Een rijglijf.
Een rijglijf.

Een kast met dekens, dameskleding (waaronder een rijglijf, wanten, boven- en ondermutsen, mouwen, halsdoeken en gazen kappen), 18 grote en 10 kleine Delftse tafelborden en zes stalen vorken.
Verder een latafel met diverse stoffen en kleden, beddengoed, tafellakens, glasgordijntjes en onderkleding en nog een hangkast met dameskleding, waaronder twee hoepelrokken, vier gestreepte rokken en een goede baaien rok, twee jakken, een schoudermantel en een keurslijf.
Tenslotte stond er nog een glazen kast met beddengoed, onderkleding, kleden, stoffen, bestek en eetgerei.

Een keurslijf.
Een keurslijf.

Het vertrek naast het voorhuis grenzend aan de buitenmuur was de enige ruimte waar tafels staan en veel Delftse en porseleinen borden en bestek aanwezig is.

De binnenwoning was een grote ruimte, waarin werd gestookt en gekookt. Hier was de haard, de provisiekast, een ‘rechtbankje’, een soort aanrecht, weer met vele tientallen borden. In de schoorsteen bleken in mei nog vier zijden spek te hangen en zes stukken rookvlees. In dit vertrek was het warm en dus werd er ook gewoond zolang het koud was en vochtig. Er was een spiegel, een grote slaande Friese klok met een hekje eromheen. Om dezelfde reden sliepen Zijtje en haar vier kinderen er ook. Naar het aantal matrassen, peluwen en dekens te oordelen waren er drie bedsteden.

De zomerwoning was of een gedeelte van de stal, waar men in de zomer woonde als het vee naar buiten was, of een apart vertrek, waar gekookt en in ieder geval gegeten werd. Er was weer veel bestek, tientallen borden, maar ook ketels. Stoelen worden in geen enkel vertrek genoemd. Er zullen vaste banken geweest zijn.
Het kamertje was een voorraadkamer met een kuip pekelvlees en een met spek en diverse potten en pannen.
De bovenkamer diende als opslagruimte voor minder bederfelijke waar (koren, erwten) en allerlei gebruiksvoorwerpen, waaronder een spinnewiel met toebehoren.


Jaarboek 40, pagina 63

Of de koeien, kalveren, kalfvaarzen en pinken (in totaal 14 stuks), het paard, twee schapen en vijf varkens in mei werkelijk op de ‘koeienstal’ stonden, valt te betwijfelen. Voor de rest liepen er zes kippen en een haan rond en waren er diverse soorten werktuigen en wagens aanwezig.
Op de zolder van de stal lagen hooi, turf en pronkbonen en ook sliep waarschijnlijk hier de meid.

Als derde onderdeel werden het contante geld (18 gulden en tien stuivers), de schulden aan en van Zijtje (respectievelijk 488 en 1.086 gulden) vermeld.

Zo moet ongeveer de plattegrond geweest zijn van de boerderij in 1799.
Zo moet ongeveer de plattegrond geweest zijn van de boerderij in 1799.

De stolpboerderij aan de Breedeweg 72 staat nog steeds op dezelfde plek. Terwijl de boerderij zelf bewaard is gebleven, is het van binnen, vooral na de laatste verbouwing in 2000, radicaal veranderd. De oude indeling is nog wel in grote lijnen herkenbaar. De plattegrond zal ongeveer overeengekomen zijn met die van een regelmatige stolpboerderij als afgebeeld op de bijgevoegde tekening. Als je voor het huis staat, liep de stal links over bijna de hele diepte van het huis.

Boerderij Breedweg 72 in Castricum.
Boerderij Breedweg 72 in Castricum.

Het voorste gedeelte, herkenbaar aan de grotere ramen, was misschien de zomerwoning. Het voorhuis, de ruimte aan de voorkant, was, aan de inhoud van de kasten te zien, ook Zijtjes kamer. In het vertrek aan de muur rechts daarvan moet gegeten zijn. De binnenwoning is het grote vierkant van de boerderij, waar de haard was, waar gekookt, gewoond en geslapen werd (in bedsteden voor Zijtje en de vier kinderen De Graaf).

Als het vee in het voorjaar naar buiten kon, werd voor de dagelijkse behoeften de zomerwoning gebruikt. De bovenkamer en de zolder waren de voorraadruimtes. De dieren en het gereedschap in de stal laten het gemengde karakter van het boerenbedrijf zien: het vee voor melk, boter, kaas en vlees, de ploeg en het zaad voor de land- en tuinbouw, de zagen, wiggen en bijlen voor het hout uit de eigen percelen bosgrond en de sjees voor de sociale contacten en andere verplichtingen.

Arnold van Gemert

Bronnen en literatuur:

  • Boedelbank van het Meertensinstituut van de KNAW; hierin zijn gegevens uit meer dan 3.000 boedelinventarissen integraal opgenomen;
  • Regionaal Archief Alkmaar, Notarieel Archief Castricum, notaris Joachim Nuhout van der Veen, inv. 3015 (1799);
  • Schuurman, A.J., J. de Vries en A.M. van der Woude (redactie), Aards Geluk : de Nederlanders en hun spullen van 1550 tot 1850, Amsterdam 1997;
  • Klep, P.M.M. en andere (redactie), Wonen in het verleden, 17e-20e eeuw: economie, politiek, volkshuisvesting, cultuur en bibliografie, Amsterdam 1987.

2 juni 2022

Peperkamp, Cor – smid (Jaarboek 15 1992 pg 33-44)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 15, pagina 33

Wie was … Cor Peperkamp

Cor Peperkamp zoals velen hem gekend hebben.
afb. 1 Cor Peperkamp zoals velen hem gekend hebben.

Onder veel Castricummers is de naam Cor Peperkamp legendarisch, omdat bij als hoefsmid en als persoonlijkheid in het dorp Castricum een speciale plaats innam.

De deuren van de smederij, gelegen in het hartje van het dorp, stonden altijd open. En altijd was de smid erop uit je ertussen te nemen, de mensen aan het lachen te krijgen of gewoon gezellig in cafe De Rustende Jager een borreltje te drinken met andere bekende Castricummers.

Zijn gave des woords was zo spreekwoordelijk dat hij het tot officieuze locoburgemeester bracht. Op vele geboorte-akten staat zijn handtekening, omdat het vanzelfsprekend was Cor Peperkamp als getuige uit te nodigen bij de aangifte van een nieuwe boreling.

Het is nu veertig jaar geleden dat hij overleed, na een periode van 53 jaar dat hij als smid de paarden besloeg en de wagens van nieuwe wielijzers voorzag. Hij nam niet alleen door de uitoefening van zijn beroep een centrale plaats in, maar vooral door zijn goedlachse, innemende persoonlijkheid. En zo herinneren de meeste mens en zich hem. Een markant mens, Cor Peperkamp.

Uitgeester van geboorte

Cornelis Johannes Peperkamp werd geboren op 1 augustus 1880 op het Bonkenburg te Uitgeest. Hij was de tweede zoon van Cornelis (Kees) Peperkamp en Anna Clasina Cornelia Stadegaard. Hun eerste zoon Jan werd geboren op 1 december 1874 aan de Hogeweg te Uitgeest. Naast een aantal jong overleden kinderen behielden zij drie kinderen in leven. Hun jongste kind Maria werd geboren op 31 december 1883, eveneens aan het Bonkenburg.

Kees Peperkamp kwam van Bergen, alwaar zijn vader Jan Peperkamp een smederij had tegenover de Ruïnekerk. Begin 1871 kwam hij nog ongehuwd als smid naar Uitgeest en betrok een smederij aan de Hogeweg in Uitgeest. In 1878 kocht hij de smederij aan het Bonkenburg, die thans (Red: in 1992) nog steeds als zodanig dienstdoet en beheerd wordt door Jan Peperkamp, een kleinzoon van de oudste zoon van Kees.

Door zijn wat kroezige haar kreeg Kees Peperkamp de bijnaam’ does’, een naam die zijn zoon Cor mee zou nemen naar Castricum; Het was duidelijk dat de beide zoons van Kees en Anna het vak van hun vader zouden leren. Hun dochter Maria zou later gedurende vele jaren op het Scharloo te Alkmaar een banketbakkerij leiden.

Vermoedelijk heeft er op het Bonkenburg eeuwenlang een smederij gestaan; rond de eeuwwisseling werd een vliesdun hoefijzer gevonden. Een onderzoek aan de Leidse universiteit wees uit dat het hoefijzer afkomstig moest zijn uit de zeventiende eeuw. Zoals het gebruikelijk was werd het vak geleerd van vader op zoon; kinderen leerden het op een welhaast vanzelfsprekende manier, niet alleen door af en toe mee te helpen, maar vooral door te kijken. Zo nam de oudste zoon Jan het bedrijf van zijn vader over en voerde tientallen.jaren het smidswerk uit voor de bevolking van Uitgeest.

Knecht bij de dorpssmid Klaas Smit

De tweede zoon Cor kwam op 17 juli 1900 als knecht in de leer bij Klaas Smit. Klaas was grof- en hoefsmid en had een smederij in de dorpskern van Castricum. Klaas Smit was toen reeds 67 jaar en al sinds 1862 dorpssmid in Castricum. Uit zijn huwelijk met Maartje Brakenhoff werden acht kinderen geboren, waaronder vier zoons. Twee zoons, Simon en Gerrit, werkten bij hun vader in de smederij.

Als beide zoons op 8 en 10 oktober 1898, nog ongehuwd, aan de heersende Spaanse griep overlijden op respectievelijk 34- en 27-jarige leeftijd, staat Klaas er alleen voor; ruim een jaar later komt dus Cor Peperkamp op twintigjarige leeftijd bij hem werken. In deze beginjaren in Castricum volgt Cor Peperkamp een opleiding tot (hoef)smid aan een technische school in Haarlem; het vakdiploma behaalt hij in Utrecht.

Cor Peperkamp bij de Overtoom.
Zicht op de Overtoom met op de achtergrond de hervormde kerk. Links Cor Peperkamp met in het midden collega smid Dorus de Groot. Dan met het kind Toon van Benthem. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In het jaar 1906 vindt Klaas Smit het welletjes, hij is dan 73 jaar; met zijn vrouw Maartje gaat hij in Haarlem wonen. De smederij doet hij eind juni van dat jaar over aan Cor Peperkamp, die enkele maanden eerder op 17 mei 1906 te Uitgeest is gehuwd met Catharina Maria Rodegonda Berkhout. eveneens geboren te Uitgeest op 14 augustus 1882.

Zij was de dochter van Mattheus Berkhout en Alida Petronella Tijburg. Mattheus was broodbakker en later bloemkweker; hij was niet onbemiddeld. Voor hun dochter en schoonzoon kochten zij de smederij in Castricum, met haar unieke locatie: pal in het hart van een lieflijk klein agrarisch dorp met ongeveer 2500 inwoners. Op de plek waar in vroeger tijden de smederij vele jaren


Jaarboek 15, pagina 34

In het begin van deze eeuw: met de fiets Cor Peperkamp, rechts Klaas Smit, Maartje Brakenhoff en dochter Agatha Smit.
afb. 2 In het begin van deze eeuw: met de fiets Cor Peperkamp, rechts Klaas Smit, Maartje Brakenhoff en dochter Agatha Smit.

dienst heeft gedaan staat nu een groter complex, namelijk een doe-het-zelf-zaak aan de Dorpsstraat 58.

Het pas gehuwde paar vestigde zich in de woning naast de smederij. Een huis met een bedstee in de woonkamer, een in de gang en twee bedsteden boven in het huis. Achter de woning was een tuin met een waterput. De smederij had een behoorlijke oppervlakte; erachter stond een grote loods waar de ijzeropslagplaats was.

In het midden van de smederij bevond zich de smidse, de centrale plek, waar op het aambeeld het ijzer als het heet was gesmeed werd.
In de loop der jaren werd de smederij verschillende keren verbouwd en voorzien van nieuwe gevels. Nadat Cor Peperkamp zijn diploma als hoefsmid behaald had, werd dat ook vermeld op de ramen van de smederij. Men mocht, gezien de moeilijkheidsgraad van het werk, alleen opgeleid en gediplomeerd het vak van smid uitoefenen.

Humorist en grappenmaker

Cor Peperkamp bouwde al snel een reputatie op als een ruimdenkende, welsprekende en humoristische man, die met zijn vrolijke humeur, toneeltalent en overtuigingskracht heel vaak grappen uit kon halen met mensen die de smederij bezochten. Je wist nooit zeker of hij je ertussen nam. In die hechte kleine dorpsgemeenschap waar iedereen elkaar kende, was hij zeer graag gezien. Hij was sfeerbepalend.

In een tijd waarin hard werken van maandag tot en met zaterdag aan de orde van de dag was en het woord ‘vakantie’ niet eens bestond, voorzag hij in een behoefte, want met de smid Cor Peperkamp in je omgeving viel er altijd wel wat te lachen. In zo’n dorp gebeurde er niet zoveel en een beetje lachen in de strijd om het dagelijkse bestaan was meer dan welkom. De anekdotes zijn dan ook in de loop van de 53 jaar, dat Cor Peperkamp dorpssmid in Castricum was, zeer talrijk geworden.

Zo kwam er wekelijks een redacteur van het Uitgeesterkrantje, de heer Kaagman, naar Castricum met de vraag of er nog nieuws was. Hij bezocht altijd even de smederij en stelde de vraag ook aan de smid. Peperkamp placht wat terughoudend te reageren en wilde het dan laten voorkomen dat het niet belangrijk was wat hij te vertellen had: “nou nieuws nee, ach laat maar. ” Die opmerking maakte Kaagman, een opvallende man met een lange grijze baard, altijd behoorlijk nieuwsgierig en hij drong steevast aan om het verhaal toch maar te vertellen.

“Wat zal ik zeggen”, begon Peperkamp een keer, “elke middag, zo tegen een uur of vier, zit er een ooievaar voor één van de ramen van De Rustende Jager naar binnen te kijken. Hij blijft er een uurtje zitten en vliegt dan weer weg. Het is net alsof hij iemand zoekt”. De redacteur, die dat weleens met eigen ogen wilde aanschouwen, heeft een paar dagen, zo rond een uur of vier, lang gewacht of de ooievaar langs kwam. Of dit verhaal ooit de krant gehaald heeft, vermeldt de geschiedenis niet …

Op de voorgrond een groep kinderen, schoenmaker Imming (met mand) en daarnaast smid
Peperkamp.
Op de voorgrond een groep kinderen, schoenmaker Imming (met mand) en daarnaast smid Peperkamp. Dorpsstraat 64, 66, 68 in Castricum, 1911. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De smederij

In de smederij bevond zich de smidse, de plaats waar het smidsvuur was, met daarboven een taps toelopende schoorsteen; ernaast hing de blaasbalg om het vuur mee aan te wakkeren. Naast het smidsvuur bevond zich ook de koelbak, een stenen bak gevuld met water om het ijzer snel af te laten koelen ofwel te laten krimpen. Dit was de meest centrale plaats van de smederij, waar al het ijzerwerk met de hand gemaakt werd. Van het ijzer werden niet alleen de hoefijzers gemaakt, maar in feite alles wat voor tuin- en landbouw gebruikt werd: fabrieksproducten kwamen nog nauwelijks voor.

Dus de smid vervaardigde ook veel gereedschap zoals spaden, schoffels, harken, hooigraven etc. (de hooigraaf werd door de boer gebruikt om zijn hooi in verband met het optreden van hooibroei te controleren; aan de hooigraaf zat een’ steppie’ waarmee het hooi omgewoeld werd).

Elk stuk gereedschap werd gesigneerd met de initialen CP. Het met de hand gemaakte gereedschap ging ontzettend lang mee en ging er uiteindelijk toch iets stuk, dan kon dat vaak nog door de smid worden verholpen.

Iemand kwam een keer bij Cor Peperkamp verhaal halen over een schoffel die niet goed uitgevallen was. Peperkamp repliceerde: “Het lijkt me sterk dat ik deze schoffel gemaakt zou hebben,


Jaarboek 15, pagina 35

Cor Peperkamp.
afb. 3a Cor Peperkamp.
en zijn vrouw Trijntje Berkhout.
afb. 3b en zijn vrouw Trijntje Berkhout.

want ik zet er altijd CP op.” Die letters waren inderdaad nergens te vinden.

Hij maakte eens een proefschoffel voor de Noord-Zuidhollandse Tramwegmaatschappij. Hij had daar zo’n succes mee, dat ze later ieder jaar wel twintig stuks bestelde.

Wat hij ook veel deed was de messen slijpen van de maaimessen. Dat zijn driehoekige messen die op een natte slijpsteen werden aangescherpt: een jaarlijks terugkerend karwei.

Hij maakte niet alleen gereedschap, maar alles wat gesmeed werd, zoals muurankers, beugels van goten, uithangborden rijk van krullen voorzien, sierhekken (waaronder het hekwerk rond het terrein van het psychiatrisch ziekenhuis Duin & Bosch) en het gewone siersmeedwerk.

Bekend is dat veel mensen op klompen liepen en die klompen braken nog weleens, vooral als de jongens er mee voetbalden. Peperkamp zaagde dan een gleufje in de klomp, legde de gloeidraad in het gleufje en nagelde hem vast. Tenslotte was de houtlijm nog niet uitgevonden. Veel later kwamen de bandjes, waar haakjes aan vast zaten.

Het smeedijzeren kruis met haantje van de Nederlands Hervormde Kerk was een eervolle opdracht aan Cor Peperkamp. Ook deze kunst had hij van zijn vader geleerd, die in Uitgeest in 1886 een nieuw kruis had vervaardigd voor de Nederlands hervormde kerk aldaar. Hoe moeilijk dat was, bleek wel uit het feit dat het kruis uit 1886 veel te zwaar was voor ‘den koningsstijl’ en in 1915 door Jan, de andere zoon van de maker en broer van Cor, moest worden vervangen. Ook de hekken rond de Nederlands hervormde kerk werden door Peperkamp gesmeed.

De smederij van Cor Peperkamp.
De smederij van Cor Peperkamp aan de Rijksstraatweg nu Dorpsstraat 56 in Castricum, 1910. Cor staat bij de boom. Op de winkelruit staat: Gediplomeerd Hoefsmid C.J. Peperkamp. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Gezinsuitbreiding

Al snel nadat Catharina (Trijntje) Berkhout en Cor Peperkamp zich in Castricum gevestigd hadden, kondigde de eerste geboorte zich aan: in maart 1907 kwam Anna Cornelia, gevolgd door een tweede dochter Alida Maria in oktober 1908. De zoon die later de smederij over zou nemen, Cornelis Josephus, werd in april 1910 geboren.
Daarop volgden nog vier kinderen, waarvan een kind negen maanden na de geboorte (in 1913) is overleden aan een longontsteking. Ze heette Maria Catharina. Franciscus Josephus werd geboren in november 1914 en de jongste dochtertjes Maria Catharina en Catharina Maria respectievelijk in december 1916 en in april 1918. Voor de beide zoons was het heel gebruikelijk hun vader bij het werk te helpen, zowel in de smidse (het trekken aan de blaasbalg die steeds met lucht gevuld moest warden), als buiten bij het beslaan van de paarden.

Hoefsmid

Cor Peperkamp had twee knechts in dienst, Piet Dam en Klaas Wezel (maar ook de boeren hielpen af en toe een handje). Met name de eerste is op veel foto’s samen met de smid te zien. Als een paard vier nieuwe hoefijzers kreeg en dus rondom beslagen moest worden, werd het soms in de travalje geplaatst, een houten box bestaande uit latten en balken. De travalje werd gebruikt bij onrustige en lastige paarden, maar ook bij jonge paarden die nog geen kennis hadden gemaakt met het beslaan van hun hoeven. Het paard kon dan geen onverwachte bewegingen maken, want een trap van een paard is niet zo prettig. Als een paard toch onrustig bleef, klemde de smid wel eens een tang op de neus om het paard af te leiden. Zo kon de smid toch rustig zijn werk doen. De travalje stond binnen in de smederij opgesteld, maar de meeste paarden die de smid kenden, werden zonder hulp van de travalje buiten beslagen. Dit gaf altijd veel bekijks van dorpsgenoten en kinderen die in de buurt speelden of op weg waren naar school. Het kwam een enkele keer voor dat tien paarden stonden te wachten om beslagen te worden.

Zoals elke zelfstandige ondernemer had ook Cor Peperkamp een vaste klantenkring, niet alleen onder de boeren en tuinders, maar vooral onder zijn directe klanten: de paarden zelf. De beesten wenden aan de smid, hij vertroetelde ze vaak en als Cor Peperkamp het niet deed, dan deden zijn dochters het wel. In die tijd, zo na de eeuwwisseling, werd er op menig dubbeltje gekeken en het kon dan ook gebeuren dat de boer met zijn paard naar een andere, goedkopere smederij in het dorp ging. De boeren waren soms wat op de penning en dat merkte Cor Peperkamp natuurlijk ook.

Voor de smederij de smid Cor Peperkamp.
Voor de smederij de smid Cor Peperkamp met zijn hand in de broekzak en een aantal andere personen. Het wiel wordt vastgehouden door smidsknecht Piet Dam. Aan Cors hand zijn zonen Frans en Cor. Dorpsstraat 56 in Castricum, 1911. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het gebeurde wel eens dat het paard met de boer langs de smederij van Peperkamp kwam terwijl de smid voor zijn smederij stond. Het paard trok dan naar de smederij in de richting van de smid, omdat het wist dat daar wel een suikerklontje te halen viel en een hartelijk woord. Cor Peperkamp keek dan naar de hoeven en zei: “Boer, wat heb je toch een paar slechte hoeven onder dat beest laten zetten, hij loopt heel slecht, je moet hem weer snel laten brengen”. En dat deden die boeren dan ook weer, vooral omdat de voorkeur van het paard ook een woordje meesprak.


Jaarboek 15, pagina 36

Schraperige boeren

Als de smid zag dat de hoefijzers aan een kant waren afgesleten, kon hij ook aan de stand van het been zien dat er iets niet in orde was. Als dat het geval was werden de ijzers verlegd. Het linker hoefijzer ging dan bijvoorbeeld onder de rechtervoet, of de ijzers werden van voor naar achter en vice versa verlegd. Dat was goedkoper dan het rondom beslaan van het paard.

Als Cor Peperkamp het echt noodzakelijk vond dat het paard rondom beslagen werd, dan speelde de zuinigheid van veel boeren hem wel eens parten en werden de ijzers alsnog verlegd, om maar geld uit te sparen. Het verleggen kostte 70 cent en het rondom beslaan, waarbij het paard vier nieuwe hoefijzers kreeg, kostte 1,40 gulden, oplopend in de loop der jaren tot 2,60 gulden. Benauwdheid en zuinigheid speelden in die zoveel minder welvarende tijd een grote rol. Als een boer bekend stond om zijn schraperigheid, dan werd hij wel aangeduid met de term ‘karhengst’.

Rond de eeuwwisseling en ook later hadden de boeren duidelijk een monopolie-positie ten opzichte van middenstanders. Voor de laatsten was dat niet altijd even gunstig, hoewel Cor Peperkamp met zijn diplomatieke gaven de boeren wel aan zich wist te binden.

De anekdotes over boeren waren daarom niet altijd positief. Zo gaat het verhaal van een smid die bezoek kreeg van een boer met een mestvork. Aan de mestvork moest een reparatie plaatsvinden. De boer sommeerde de smid zijn werk aan de smidse te onderbreken, om eerst de mestvork onder handen te nemen. De smid weigerde, moest wel weigeren, want het ijzer dat in het smidsvuur lag, duldde geen uitstel.

De boer werd kwaad en de smid vertelde de boer een verhaal dat hij had gehoord. Hij, de smid, had vernomen dat er in Amerika (dat toen veel verder weg was) een machine was uitgevonden. Een machine waar je vijf boeren in kon stoppen en waarbij aan het andere einde een mens te voorschijn kwam.

Ja, en zo ging dat toen: als ‘schraperige’ boeren ter kerke gingen dan werden er onderweg naar de kerk nog wel eens dikke sigaren gerookt. De peuken daarvan werden pas weer verder opgerookt als de kerk uit was. Het was de gewoonte om zo’n peuk op de rand van de wijwaterbak achter in de kerk te leggen. Kwajongens die de boeren een poets wilden bakken namen die peuken mee tijdens de kerkdienst en doopten die in de paardenvijgen die altijd in ruime hoeveelheden de straten sierden. Als de kerk dan uitging keek men gespannen wat voor gezicht de boer zou opzetten als hij zijn sigaar weer in zijn mond stak.

Anna, Alida, Cor en Frans Peperkamp omstreeks 1916, nadien worden nog Maria en Catharina geboren.
afb. 4 Anna, Alida, Cor en Frans Peperkamp omstreeks 1916, nadien worden nog Maria en Catharina geboren.

Het was in die tijd een grote eer om je rekening zo laat mogelijk in te dienen, al had je bij wijze van spreken geen stuiver meer in je portemonnee. Tegenwoordig is dat wel even anders. Met het zeer laat indienen van de rekening suggereerden de ondernemers dat ze het geld niet direct nodig hadden en dat was een teken van welstand. Als Cor Peperkamp soms ’te vroeg’ met de rekening kwam vroegen de klanten: “Heb je het geld nodig?” Als er veel rekeningen uitstonden zeiden de kinderen altijd: “Pa is rijk in de boeken”.

De oudste kinderen moesten vaak met de ‘briefjes’, de rekeningen dus, langs de deur en niet zelden hoorden ze dan: “Nou kind, kom maar terug als de aardbeien verkocht zijn!”. Vooral bij lagere rekeningen werd er slordig betaald, zo onder de 5 gulden, wat voor die tijd toch een hoop geld was. Zo’n rekening werd dan per dubbeltje of kwartje geïnd, de kinderen noemden dat een ‘kwatje’. Daar moest je dan als kind na schooltijd een paar klompjes voor verlopen voordat je het geld binnen had.

Op een keer zag dochter Marie dat de man die nog een rekening moest betalen wel het petje voor het aannemingsfeest van zijn zoontje kocht. “Daar hebben jullie wel geld voor hè, en pa betalen jullie niet.” Ze vertelde het niet thuis, want ze wist dat haar vader deze opmerking nooit goed gevonden zou hebben. Maar wat wil het geval: op zondagmorgen is er hoogmis en daar komt de bewuste man aan met het geld. Hij zegt: “Cor, ik kom je effe betalen”. Peperkamp zeer verbaasd: “Op zondag? Nee, dat doen we niet”. De klant legt uit wat er voorgevallen is: “Je dochter zei er gisteren wat van, dat we wel de pet konden betalen maar niet de rekening”. Nou, dat heeft ze wel even moeten horen van haar vader: dit kon absoluut niet. Dit was zijn eer te na.

Zelf had Peperkamp een betere oplossing gevonden voor dit pettenprobleem. De zaterdag voor het aannemingsfeest bestelde hij bij Bervoets in Alkmaar een paar petten op zicht. Op maandag liet hij ze terugbezorgen met de mededeling dat ze te klein waren, of te groot, of dat er anderszins iets mis mee was …

Zigeuners, zwervers en ander aanloop

De smid had met zijn uitstekende locatie in de dorpskern van Castricum erg veel aanloop. Dagelijks werd de smederij bezocht door marskramers, handelaren in ijzer, vertegenwoordigers, bedelaars, paters die barrevoets liepen, zwervers, dorpsgenoten, kleine kinderen en zigeuners. Er kwamen dus ook regelmatig woonwagens langs die door paarden werden getrokken. Soms zag Cor Peperkamp dat zo’n paard allang beslagen had moeten worden, maar omdat de eigenaars vaak geen geld hadden, deed hij het dan gratis. Het staat niet vast of hij dat deed uit liefde voor het paard, dan wel voor het baasje.

De smederij van Cor Peperkamp.
De smederij van Cor Peperkamp aan de Dorpsstraat in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Een verhaal dat zijn sporen wel verdiend heeft en vele malen is verteld door Castricummers die Cor Peperkamp hebben gekend, is dat over de bedelaar Kees van Poepies. Het zal niet zijn echte naam geweest zijn en het is niet duidelijk of hij zijn naam te danken heeft aan het navolgende.

Kees van Poepies was in die tijd een heel bekende bedelaar, die periodiek langs de smederij kwam, soms in gezelschap van een collega-bedelaar, wiens naam onbekend is. Ze hadden zo hun vaste adressen om wat te halen: eten of wat geld, kleding etc. Nu was het zo, dat als je vroeger een ijzeren koekenpan had (en alles was van smeedijzer in die tijd), dan werd die wel eens uitgebakken met paardenvijgen, die zoals we inmiddels weten voor het oprapen lagen (na afloop, en gezien de huidige hygiënische normen moet dat wel even vermeld worden, werd de koekenpan grondig schoongemaakt met soda). Paardenvijgen waren een probaat middel tegen het aanbakken van koekenpannen gebleken; de pan zou na behandeling nooit meer aanbakken.

Op een bepaald moment, toen smid Peperkamp bezig was dit werkje uit te voeren boven het smidsvuur, werd hij bezocht door


Jaarboek 15, pagina 37

de twee bedelaars. Ze betraden de smederij en begroetten de smid. “Nou jongens, jullie treffen het, ik heb nog een lekker lessie boerenkool”, zei Peperkamp. Zijn vrouw Trijntje, druk bezig in de keuken, werd erbij geroepen. “Vrouw, dek de tafel, we hebben gasten!”

“Nou smid”, zeiden de bedelaars, “dat is zeker een tref”. De tafel werd gedekt en borden neergezet, maar voordat het geheel werd opgediend verzocht Cor Peperkamp om eerst nog even te bidden, waarop de bedelaars twee grote kruisen sloegen en hongerig aanvielen.

Nu gaan er over dit verhaal twee versies. De eerste is dat er een stukje boter door de vijgen ging en ze hun bordje schoon leeg aten, maar dit lijkt toch een beetje onwaarschijnlijk. De tweede versie is dat de smid ter plekke afwachtte totdat de bedelaars uitriepen: “Peperkamp … !”

Zo sterk als een beer

Er werd vaak gezegd: een smid moet alles kunnen! Voor het vaak zware werk in de smederij was het wel handig als de smid over veel spierkracht beschikte. Iedereen die hem heeft gekend schildert hem als een grote, stevige, gespierde en zwaar gebouwde man. Zijn gewicht werd geschat op 250 pond. Reden waarom hij altijd maatpakken droeg die hij bij de ons inmiddels bekende Bervoets in Alkmaar liet maken. Men beschrijft hem als ‘zo sterk als een beer’. Dat was wel noodzakelijk bij het beslaan van de paarden; mocht een paard toch onrustig zijn tijdens het beslaan, dan was een duwtje van de smid met zijn lijf soms voldoende om het te corrigeren.

Tot het dagelijkse werk van Cor Peperkamp behoorde ook het met de hand vervaardigen van de hoefijzers. Omdat hij een eigen klantenkring had wist hij om welke paarden het ging. Elk paard had zijn eigen ijzers. Het maken van die hoefijzers was dus letterlijk maatwerk. Daarom konden de ijzers soms lang voordat de boer of tuinder met zijn paard kwam, al gemaakt worden: altijd na ‘broodeterstijd’, zoals dat heette. Ze hingen in de smederij aan balken.

Het al zoveel mogelijk op maat gemaakte hoefijzer werd na aankomst van de klant precies vergeleken met de maat van de hoef. De hoef werd vlak gevijld, het overtollige hoorn werd weggesneden, het hoefijzer werd in het vuur gezet en gedeeltelijk afgekoeld in de koelbak om het daarna weer aan de hoef te passen. Dat gaf altijd een hoop gesis en gerook. De lip werd aan de voorzijde tegen de hoef aangeslagen voor de steun en als het helemaal correct zat gingen de nagels door de gaten van de hoefijzers. De hoeven werden als afwerking afgeteerd. Volgens sommige zegslieden kon je er tegen bijbetaling ook nog een kleurtje op krijgen; volgens andere was, net als bij de T-Ford, elke kleur verkrijgbaar als het maar zwart was. Oude hoefijzers werden vaak weer hergebruikt voor het maken van landbouwgereedschap.

Paarden die veel over de straat liepen bezochten natuurlijk vaker de smederij dan de paarden voor land- en tuinbouw. ’s Winters werden er wel schroeven in de hoef gedraaid tegen het uitglijden: “Op winterdag stonden de hoeven op scherp”.

Als Cor Peperkamp het ijzer smeedde en enkele geïnteresseerden niets vermoedend naast hem stonden, spuugde hij soms een ‘kwat’ (hij pruimde erg veel) op het aambeeld en gaf er dan met zijn hamer een klap op. Dat.veroorzaakte een gigantische klap, alsof er een kanon werd afgevuurd.

Dorpssmid Cor Peperkamp staat voor café Broksma.
Dorpssmid Cor Peperkamp staat voor café Broksma. Dorpsstraat 42 in Castricum, 1918. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Cor Peperkamp mocht de mensen er dus graag tussen nemen. Dat ging vaak wel verder dan alleen de schrik om een luide knal, en soms was het misschien op het randje van wat vandaag de dag als goede smaak geldt. Toen lag dat geheel anders.

Je hebt niet aIleen ’s lands wijs, ’s lands eer, maar ook ‘des tijdgeests wijs, des tijdgeests eer’. Veel wat tegenwoordig kan, werd vroeger als onbehoorlijk beschouwd, maar ook omgekeerd kon vroeger veel, dat juist nu als min of meer ongepast wordt gezien. Hoe dat ook zij: de ‘practical joke’ stond, misschien wel bij gebrek aan andere verzetjes, in hoog aanzien. Wie er goed in was – en Cor Peperkamp was er onomstreden kampioen in – werd daarvoor beloond met grote populariteit.

Hij had er een handje van om, als er iemand bij hem in de smederij was, denkbeeldige voorbijgangers uitbundig te groeten. De mensen wisten dat ze er tussen genomen werden en ze wilden dus perse niet kijken wie er langs kwam, maar hij hield dat zo serieus

Omstreeks her jaar 1916: Cor Peperkamp met zoon Frans, in de deuropening vrouw Trijntje in verwachting van Marie en knecht Piet Dam met de fiets.
afb. 5 Omstreeks het jaar 1916: Cor Peperkamp met zoon Frans, in de deuropening vrouw Trijntje in verwachting van Marie en knecht Piet Dam met de fiets.

Jaarboek 15, pagina 38

Zo zag de kop van de rekening van de smid eruit.
afb. 6 Zo zag de kop van de rekening van de smid eruit.

en consequent vol, dat de meesten er vroeg of laat toch intrapten. Sommigen vlogen zelfs achteraf nog naar de deur om te zien of er werkelijk iemand voorbij gekomen was.

Veearts en tandarts

Als de paarden ziek waren of een bepaald letsel hadden ging men altijd eerst naar de smid. Hij keek dan wat hij kon doen. Ook bij het paard werd aderlaten toen regelmatig toegepast. Als de boer klachten had over de werklust van het paard en het paard lui en sloom vond, tapte Peperkamp meestal bloed af.

Voor het aderlaten gebruikte de smid een hartvormig mesje met een hamertje. Hij bond eerst een touw om de nek van het paard om stuwing te verkrijgen, waardoor de halsaderen zichtbaar werden. Hij smeerde de plek waar de incisie gemaakt zou worden in met een speciaal zalfje en tikte dan met het hamertje op het mesje waardoor de incisie gemaakt werd. Het bloed werd vervolgens in een emmer opgevangen. Men zegt dat het paard er vaak enorm van opknapte, zodat het weer lekker op het Castricumse land kon werken.

Tijdens het aderlaten kwam er eens een handelaar langs en Cor Peperkamp, die pas begonnen was, zei: “Ga maar alvast naar de vrouw toe, een koppie halen, ik kom zo”. Hij had tijdens het aderlaten bloed op zijn schort gemorst en met dat schort nog om kwam hij nerveus binnen. “Wat mij nou is overkomen”, riep hij opgewonden, “het is verschrikkelijk”.

“Nou, wat is er dan, Peperkamp?”, vroeg de handelaar bezorgd.
En Peperkamp kon dramatiseren: “Oh, mijn allerbeste vriend loopt aan de overkant van de straat, hij roept mijn naam en wil naar mij toekomen. Op datzelfde moment komt de tram eraan en hij komt toch met zijn hoofd onder de tram. Het hoofd rolt naar mij toe, hij geeft nog een knipoog en sluit zijn ogen. Ik heb het hoofd maar even onder de kaasstolp gelegd en onder het bed gezet; dan kan de familie er nog even afscheid van nemen”. Of de handelaar dit verhaal geloofde?

De dorpssmid in volle actie aan een wagenonderstel.
afb. 7 De dorpssmid in volle actie aan een wagenonderstel.

Zweren aan de paardenvoeten werden schoongemaakt en behandeld met bruine teer in de holte van de zool. Met het wegsnijden van knobbels was extra voorzichtigheid geboden, omdat er een zweer onder kon zitten. Als er een ‘straar’ (kier) aan de voetzool ontstond ten gevolge van verzwering dan werd dat opgevuld met henneptouw en weer afgeteerd. Het henneptouw was nodig om de kieren te dichten en zo verontreiniging van de wond te voorkomen; het paard zou anders kans lopen om rotkanker te krijgen en in die tijd betekende dat een wisse dood.

Cor Peperkamp ried ook wel aan om het paard in de zee te laten lopen: zeewater heeft, zoals bekend, een reinigende en genezende werking op ontstekingen.

Zelfs kwam het voor dat Peperkamp geraadpleegd werd als het ging om reumatische klachten bij mensen. De man of vrouw werd in zo’n geval naar de doodgraver gestuurd om daar een doodkistenschroef te halen, die minstens twintig jaar in de grond gezeten moest hebben. Bij de doodgraver lagen die schroeven in voorraad. Cor Peperkamp smeedde van die oude schroef een ring en vijlde die glad. Door zo’n ring te dragen zou men de reumatische klachten kwijtraken.

De smid controleerde ook het gebit van de paarden en dankzij die kunde kreeg hij nog eens bezoek van een man met een ontzettende kiespijn. “Oh”, zei Cor, “ik ben overal goed in; ik heb vroeger ook nog voor tandarts geleerd, neem maar even plaats”. Hij heeft toen met een grote roestige tang in de smederij die kies getrokken. Het liet hem echter kennelijk niet los, want hij kon ’s avonds niet in slaap komen, omdat hij zich ook wel realiseerde dat die tang wel eens voor een flinke infectie zou kunnen zorgen. Zijn kinderen zeiden: “Ja Pa, had je het maar niet moeten doen, het is je eigen schuld.” Gelukkig is de patiënt pas vele jaren later en aan iets heel anders overleden.

Links van de Boerenleenbank de smederij van Cor P
Links van de Boerenleenbank de smederij van Cor Peperkamp. Dorpsstraat 56, 58 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het gebit van oma

Zo gaat er nog een ander verhaal in de tandheelkundige sfeer. Er kwam eens een deftig meisje uit een ander dorp kijken naar de smid tijdens het beslaan van de paarden.

– ”Nou opa, wat bent u aan het doen hier met die paarden?”
– “Ja kind, ik ben die paarden aan het beslaan”.
– “Doet dat geen pijn?”
– “Neen kind, dat doet helemaal geen pijn, opa zal het paard echt geen pijn doen hoor”.
Plotseling zegt het meisje:
– “Oma is vorige week overleden.”
– “Oh, wat vind ik dat erg voor je, dat je oma dood is. Zou ik je eens wat mogen vragen?”, vervolgt Cor Peperkamp verder: “Opa moet volgende week voor de pastoor invallen bij het preken, maar opa zijn gebit is stuk. Zou opa dan jouw oma’s gebit even mogen lenen? Dan krijg jij een dubbeltje van opa”.

Dus dat meisje kwam later met een doosje met watten en een geel gebit naar hem toe. Hij nam het aan, boog zich een beetje van haar weg, zogenaamd het gebit passend, en zei: ” sorry hoor, kind, het past opa helemaal niet, neem het maar weer mee. Zeg moe maar


Jaarboek 15, pagina 39

dat het hartelijk bedankt is voor de moeite. Het kind kreeg het dubbeltje en ging weer weg.

Nog één keer het gebit (driemaal is scheepsrecht).
Cor Peperkamp kwam eens bij een vrouw om een kachel te plaatsen. Tijdens een bakje koffie maakte zij complimenten over het mooie gebit van de smid. Hij had altijd direct zijn verhaaltje klaar en zei: “Mevrouw, daar ben ik met mazzel aan gekomen.

Een jaar geleden kwam ik bij Jan de Slager in de Oosterbuurt en die was juist bezig een geit te slachten. Dat beest had een mooi gaaf gebit en die geitekop kon ik voor twee kwartjes van hem kopen. Thuis hebben we die kop gekookt en afgekloven en toen bleef er een gaaf stel tanden en kiezen over. Daarmee ben ik naar een tandarts gegaan en die heeft er dit fraaie gebit van gemaakt”. “Maar”, zei de smid met een stalen gezicht: “ik zou het niemand aanraden hoor, het heeft een groot bezwaar, ik kan geen toeter (toeter- of pijpkruid) of brandnetel voorbij lopen of ik moet er effe in bijten”.

Pater Peperkamp

Hij was een keer in een kloosterschool in Velsen om er met zijn knecht kachels te plaatsen en pijpen te poetsen voor de winter. Terwijl de knecht ergens anders bezig was, zag hij op een gegeven moment een aantal bruine pijen hangen onder een afdakje. Zonder een moment te aarzelen trok hij zo’n pij aan, bedekte zijn hoofd met de ruim uitgevallen kap en liep door de lokalen naar zijn knecht toe die op zijn knieën druk bezig was een kachel te plaatsen.

– “Gaat het wel vaderke? ” vroeg hij op zijn steenkolen-brabants.
– “Jawel eerwaarde” was het enigszins timide antwoord.
– “Heeft u ook kinderen?”
– “Jawel eerwaarde.”
– “Hoeveel kinderen heeft u?”
– “Ik heb wel acht kinderen. “
– “Acht kinderen zo, dan heeft u ook niet stil gezeten!”
– “Nee, nee eerwaarde, U weet hoe dat gaat “
– “Zal ik uw gezin de zegen geven?”
– “Dat is goed eerwaarde”.
Prevelend: “In nomine patris et filii et spiritus sancti” …
(een stuk luider)
– “En nou godverdee aan je werk …”
– “Barst Peperkamp, ben jij het?”

Wagenmaker

Een werk waarbij niemand hem mocht storen en dat altijd met de knechts werd uitgevoerd was het leggen van ijzeren banden om wagenwielen, de zogenaamde wielijzers. Het was werken op de millimeter, want als het ijzer rond het wiel niet goed strak zat rolde het er al snel vanaf.

Die wielijzers lagen in voorraad in de loods achter de smederij. Het was werk dat een flink deel van het smidswerk uitmaakte, omdat er in die tijd vrijwel uitsluitend karren rond reden in het dorp; voordat de auto het straatbeeld kwam sieren werd immers vrijwel alles nog met paard en wagen gedaan.

Karretjes had je in alle soorten en (wiel)maten: kiepkarren, schulpkarren met zeer hoge wielen, boerenwagens, bakwagens, tilbury’s, dresseerkarretjes, bokkenwagens enzovoorts.

De maat van het wiel werd genomen met een instrument waarmee men de omtrek van het wiel uitrekende. Dan werd van staal de breedte van het wiel gewalst op een wals, die in de smederij stond, en dan werd die band iets korter dan de werkelijke maat in het vuur verhit tot bijna smelttemperatuur. Omdat er nog niet gelast werd maakte de smid gebruik van welijzer om de ijzeren band aan elkaar te smeden. Het wielijzer ging in het smidsvuur en werd iedere keer een stukje gedraaid; het moest zo heet mogelijk zijn.

Zo zag smederij Peperkamp in Uirgeest eruit; de smederij in Castricum, waarvan geen foto's gemaakt zijn, zag er hetzelfde uit.
afb. 8 Zo zag smederij Peperkamp in Uirgeest eruit; de smederij in Castricum, waarvan geen foto’s gemaakt zijn, zag er hetzelfde uit.

Vooral grote ijzeren banden vergden van de smid veel handigheid. omdat het beginpunt soms al was afgekoeld als het eindpunt in het smidsvuur lag.

Pas als het ijzer zeer heet was kon het om het houten wiel gelegd worden. een werkje dat zeer snel moest gebeuren. Het houten wiel mocht immers niet verbranden door de hitte van het ijzer. Als het ijzer om het wiel gelegd werd. moest het snel worden afgekoeld in een speciaal daarvoor vervaardigde stenen bak van ongeveer 1,5 meter lengte, gevuld met water. Het wiel werd daarin rondgedraaid. dat ging met veel rook en gesis gepaard.

Dit werk kon de smid niet in zijn eentje, hij werd hierbij altijd geassisteerd door zijn knecht of zelfs door de opdrachtgevers.

Getuige bij geboorteaangiften

Cor Peperkamp had graag mensen om zich heen, en dat gevoelen was wederzijds. Zo werd hij regelmatig gevraagd om als getuige op te treden als een geboorte moest worden aangegeven. Het is niet bekend bij hoeveel aangiften hij getuige is geweest, maar verondersteld wordt dat het om honderden nieuwgeborenen is gegaan.

De vader kwam dan even langs de smederij en samen met een andere getuige werd in het gemeentehuis de geboorteakte getekend. Als die formaliteiten hadden plaatsgevonden, dan ging de gelukkige vader in gezelschap van de getuigen naar café De Rustende lager aan de Dorpsstraat en daar bracht men dan een toost uit op een lang en gelukkig leven van de pasgeborene. Dat was traditie.

Voor de sigaar, die Peperkamp dan altijd aangeboden kreeg nam


Jaarboek 15, pagina 40

Bij vele geboorte-aangiften trad Cor Peperkamp op als getuige; op vele akten is zijn handtekening te vinden.
afb. 9 Bij vele geboorte-aangiften trad Cor Peperkamp op als getuige; op vele akten is zijn handtekening te vinden.

hij een sigarenschaartje mee, hij knipte de sigaar af en rookte een haaltje. Omdat hij normaliter niet rookte, maakte hij de sigaar meteen weer uit en bewaarde hem voor zijn zoon.

Soms bleef hij wel eens te lang weg en dan zei zijn vrouw tegen een van haar kinderen: “Waar blijft je vader nou? Da, (hun tweede dochter) ga jij eens even je vader halen, hij blijft zo lang weg. Zeg maar dat ik zit te wachten met eten”. Met de deur van De Rustende Jager half geopend zei ze dan: “Pa, komt u, want u moet eten”. “Kind, ik kom direct” zei hij dan. En dat deed hij altijd. Dorpse gezelligheid.

Toen Trijntje, de vrouw van de smid, zelf hoogzwanger was en elk moment kon bevallen, moest Cor Peperkamp ook nog eens een kind aangeven.

Terwijl de burgemeester de akte opstelde en naar de naam van de pasgeborene vroeg zie Peperkamp gekscherend: “Oh, noem het maar Cor Peperkamp”. Dat gebeurde. Terwijl de akte werd ingevuld en de formaliteiten werden afgehandeld, constateerde de burgemeester dat het niet het kind van Peperkamp kon zijn. Dat was wel even een pijnlijke geschiedenis, want zo’n akte duldde geen fouten en verbeteringen. Het kostte de desbetreffende ambtenaar dan ook nog heel wat werk om het een en ander te verbeteren. Die akten werden naar Haarlem gezonden en doorhalingen e.d. werden niet geaccepteerd.

In de raadszaal van het oude stadhuis bevond zich een schoorsteenpijp met een schoorsteendop erop. Cor Peperkamp was weer eens aanwezig om als getuige op te treden. Burgemeester Mooij zat aan de lange vergadertafel dichtbij de schoorsteendop. De smid zag dat de schoorsteendop niet goed sloot op de pijp en tikte daar even met zijn duimstok tegenaan om hem vast te slaan. Maar in plaats dat de schoorsteendop steviger kwam te zitten, raakte hij los en vlogen tegelijkertijd naar schatting twee volle emmers roet uit de pijp, dat voor een flink deel over de tafel en de burgemeester en diens akten vloog.

“Peperkamp …”, jammerde de burgemeester Mooij boos, “… jij bent ook altijd bezig met je streken”. Dit soort verhalen heeft nog vele jaren lachsalvo’s opgeroepen bij de Castricumse bevolking.
Burgemeester Mooij en Cor Peperkamp waren goede vrienden van elkaar, ze kwamen regelmatig bij elkaar over de vloer.

In de twintiger jaren was het gebruikelijk dat de burgemeester de fanfare begeleidde, als die ergens buiten Castricum een optreden gaf. Op een keer was de burgervader verhinderd om deel te nemen aan het bezoek ergens in de Noord. De smid vond dit geen probleem en stelde voor dat hij die dag als de Castricumse burgemeester zou optreden. In dat dorp merkte niemand dat de eerste burger in werkelijkheid de hoefsmid van het dorp Castricum was.

Redevoeringen houden was hem op het lijf geschreven en het diner met de drankjes heeft hij zich goed laten smaken. Later is daar nog hartelijk om gelachen.

De werkplaats van Cor Peperkamp.
De werkplaats van Cor Peperkamp. Boven het wagenwiel het opschrift ‘RIJTUIGMAKERIJ’. Dorpsstraat in Castricum, 1915. Links op foto Cor Peperkamp. Verder op de foto: Jan Duin (alias Flast), een marinier van de kustwacht, Piet Schotvanger met de baret van de marinier op en Willem van Weenen (met verlof uit Den Helder).

Vriend van pastoor Engering

Pastoor Engering was een persoonlijke vriend van smid Peperkamp. De pastoor kwam regelmatig langs om samen met hem een spelletje schaak te spelen. In de woonkamer van de familie Peperkamp stond een aantal boeken, waaronder ook boeken die op de index stonden, die voor de rooms-katholieken dus verboden waren om te lezen.

Boeken van Emile Zola bijvoorbeeld of van Victor Hugo, die in die tijd felle reacties opriep. Elke keer zuchtte Pastoor Engering als hij die boeken zag staan, en elke keer zei hij er iets van: “Die boeken mag je niet lezen, Peperkamp!”. Reden voor de smid om het spelletje schaak eigenlijk liever op de pastorie te spelen.

Als de kersen rijp waren, die in de tuin van de pastorie groeiden, dan deelden zij die samen elk jaar uit aan de kinderen van de Augustinusschool.

Als Cor Peperkamp een enkele keer in de Pancratiuskerk kwam terwijl de dienst al begonnen was, dan onderbrak Pastoor Engering zijn dienst en wachtte demonstratief met zijn armen over elkaar, totdat Peperkamp had plaatsgenomen in de mannenbeuk. Cor Peperkamp ging elke zondag keurig in zijn maatpak en netjes met hoed op ter kerke, maar hij was niet, om het maar zo te zeggen, streng in de leer. Waarschijnlijk kon hij zich dat als kleine zelfstandige ook niet permitteren. Hij had zijn klanten onder de rooms katholieken en onder de protestanten.

Het hoeft geen betoog dat halverwege de twintigste eeuw een vrij stringente scheiding bestond tussen beide denominaties. Het gebeurde niet zo gauw dat kinderen van verschillend geloof met elkaar speelden en iets wat men al helemaal niet deed – of wat toch zeker niet zo hoorde – was verkering krijgen met iemand van een ander geloof. Kapelaan de Boer meende een keer – Cor Peperkamps vriend pastoor Engering was toen al dood – op huisbezoek te moeten gaan, toen één van de dochters van de smid verkering kreeg met een niet-katholieke jongen.


Jaarboek 15, pagina 41

Op een gegeven moment heeft Peperkamp toen uitgeroepen: “Moet u eens goed horen, ik moet van iedereen leven, want als ik het alleen van de katholieken moet hebben, dan heb ik geen brood op de plank”.

Het geloof speelde in zo’n dorp inderdaad een rol bij de vraag wie we1 of niet als klant bij je kwam en het werd in de dorpse gemeenschap als een soort verraad gezien als je niet principieel in de leer was. Daardoor is hij vermoedelijk wel wat werkopdrachten kwijtgeraakt, zoals het plaatsen van de kachels in de rooms-katholieke scholen en het maken van hekwerken voor de kerk.

Over de keuze van zijn dochters heeft hij gezegd: “Wat zij doen moeten ze zelf weten; wij hebben geprobeerd ze groot te brengen en die niet-katholieke jongens, die ze hebben gekozen zijn keurige jongemannen”. En met die uitspraak was de discussie gesloten, hoewel de jongere kinderen daardoor nog regelmatig geplaagd werden op school.

Het laat zich wel raden dat kapelaan de Boer zich in huize Peperkamp niet in de populariteit van wijlen pastoor Engering mocht verheugen.

Het is zelfs zo dat Trijntje, als zijn komst was aangekondigd, altijd het zeil onder het deurmatje in de woonkamer extra in de was zette, in de stille hoop dat het matje het op een welgekozen moment op een glijden zou zetten …

Hotel De Rustende Jager met links de Boerenleenbank. Links naast de bank de smederij van Cor Peperkamp.
Hotel De Rustende Jager met links de Boerenleenbank. Links naast de bank de smederij van Cor Peperkamp. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Als Kapitein Rommel terug kwam van één van zijn verre reizen, dan was het gewoonte om bij te praten in café De Rustende lager onder het genot van een jonge borrel. Rommel kwam regelmatig in de smederij en de kinderen vonden het altijd een feest als Kapitein Rommel over was.

Eenmaal bestond hij het om direct na aankomst in de kleine uurtjes nog naar de smederij te komen. Toen waren de kinderen al naar bed.
Samen met Piet Schotvanger en Ab Rommel ging Cor Peperkamp jagen in de duinen met een oud jachtgeweer. Het kostte de kapitein geen moeite om een jachtvergunning te krijgen. Rommel vroeg wel eens aan de kinderen: “Zingen jullie een liedje?”

Leden van de toneelvereniging, v.l.n.r.: Cor Peperkamp, een matroos van de kustwacht, Jan Duijn, Piet Schotvanger en Wub van Weenen.
afb. 10 Leden van de toneelvereniging, van links naar rechts Cor Peperkamp, een matroos van de kustwacht, Jan Duijn, Piet Schotvanger en Wub van Weenen.

“op de klompjes, trip, trip, trap,
komen Trientje en Marietje
deftig uit de school gestapt … “

Piet Schotvanger, die erbij stond, zei dan: “Kom, hou mijn hand eens vast!” en dan stopte hij een tabakspruim in de kinderhand en kneep er hard in, zodat de bruine drab langs de kindervingertjes sijpelde. Zo’n plagerijtje werd in die tijd heel gewoon gevonden.

Het verenigingsleven

Cor Peperkamp hield graag voordrachten en was dan ook zeer gewild als ceremoniemeester bij allerhande festiviteiten en plechtigheden.

afb. 11 De damvereniging omstreeks 1930 bijeen in cafe Van Bentem (hoek Dorpsstraat-Burg. Mooystraat); Cor Peperkamp, de voorzitter, achter het tafeltje met Cees Brakenhoff (links) en Wiebe Buimer (met pijp). Staand v.l.n.r. 1e en 1e onbekend, Gerrit Sprenkeling, Henk de Haan, Piet Ruiter, Pieter Schenk, Willem Baars, Gerard Essing, Gerrit de Nijs, Sjaak Cools, Cor Orij en Ab de Zeeuw.
afb. 11 De damvereniging omstreeks 1930 bijeen in cafe Van Bentem (hoek Dorpsstraat-Burgemeester Mooystraat); Cor Peperkamp, de voorzitter, achter het tafeltje met Cees Brakenhoff (links) en Wiebe Buimer (met pijp). Staand van links naar rechts 1e en 1e onbekend, Gerrit Sprenkeling, Henk de Haan, Piet Ruiter, Pieter Schenk, Willem Baars, Gerard Essing, Gerrit de Nijs, Sjaak Cools, Cor Orij en Ab de Zeeuw.

Jaarboek 15, pagina 42

Samen met Piet Schotvanger, Wub van Weenen en Jan Duijn vormde hij een toneelvereniging die regelmatig een uitvoering gaf in café De Rustende lager. Plaatselijke verenigingen hebben altijd in de belangstelling gestaan bij Peperkamp.

Hij had ook enkele bestuurlijke functies. In een brief van 13 april 1932 schrijft hij aan zijn schoonzoon:
“(…) Gisteravond 11 april hebben we nog vergadering gehad van de Harddraverij Vereeniging wegens aftreding door vertrek uit de Gemeente van de Heer Mulder als Voorzitter. Met algemeene stemmen is toen ondergetekende tot dezen gewichtigen functie gekozen. Nu, dat heb ik maar aangenomen, alhoewel ik liever gehad had dat ze een ander hadden gekozen (…)”.
De Castricumse Harddraverij-Vereniging hield de draverijen in de Oosterbuurt.

Daarnaast was hij voorzitter van de damclub en sinds de oprichting in 1911 ook van de voetbalclub Castricumse Sport Vereniging (C.S.V .), toen nog voor alle gezindten. Deze club had een voetbalterrein aan het einde van de Haagseweg. Toen in 1922 de Rooms Katholieke voetbalvereniging Vitesse werd opgericht, gingen de meeste leden over naar de nieuwe club.

Ook bij de oprichting van de Vrijwillige Brandweer in 1920 door burgemeester Lommen had Cor Peperkamp zich met nog dertien anderen aangesloten.

Verder placht Cor Peperkamp nog wel eens een kaartje te leggen bij de klaverjasclub. Eén van zijn klaverjasvrienden was Piet Deen, ook een bekende Castricummer en dito duivenmelker. Hij schepte graag op over zijn duiven. Op een dag ontving Piet Deen een officieel ogende brief met de mededeling, dat hoge heren van de duivensportbond bij hem op bezoek zouden komen. Ze hadden gehoord dat Piet zulke verschrikkelijk mooie duiven had en wilden graag langskomen. Apetrots zei hij op de klaverjasavond: “Cor, wat ik nou gekregen heb, je wilt het niet geloven: ik krijg hoge pieten op bezoek van de duivenbond!”

Piet nam vrij, Jansie, zijn vrouw, was gepermanent, de kinderen kregen vrij van school, de hokken waren gewit en de gordijnen gewassen. De kinderen en hun ouders togen plechtig op hun paasbest naar de trein, maar al wat er kwam: geen mensen van de duivenbond. En zij maar wachten. Op de volgende klaverjasavond vroeg Cor Peperkamp belangstellend aan Piet hoe het geweest was. Piet liet zich natuurlijk niet kennen: de hoge heren hadden hun ogen uitgekeken. Later bekende Peperkamp dat hij de brief geschreven had. Typerend voor die tijd, maar toch ook voor de plaats die Cor Peperkamp zich tussen zijn dorpsgenoten had weten te verwerven, was dat ook deze streek van hem gepikt werd, zelfs door het slachtoffer.

Kermis een belangrijk dorpsgebeuren

Als er kermis in Castricum of Uitgeest was bezochten de families Peperkamp elkaar. Het was dan groot feest; drie dagen feesten met familie en dorpsbewoners was eigenlijk een kleine vakantie waar iedereen een heel jaar naar toe leefde. Een belangrijk dorpsgebeuren, waar de hele gemeenschap actief aan meedeed. Was er kermis in Uitgeest, dan ging dus de hele familie op bezoek in Uitgeest en de kinderen kregen dan van elk familielid een kwartje voor de kermis en konden voor dat geld aardig carrousellen. Als men dan in de loop van de ochtend aankwam stonden de tafels gedekt met heerlijke broden, tulband, vlees, enzovoorts. In café De Ooievaar gingen de mannen een borreltje drinken en kwamen tegen lunchtijd weer terug; de hele dag werd er gefeest.

Terwijl er circus in Bakkum was en het volk vermaakte, kreeg Cor Peperkamp eens bezoek van een marskramer te voet. De reiziger in garen en band vertelde hem dat hij ook nog langs Egmond moest. Dat had hij maar heter niet kunnen zeggen, want Peperkamp maakte meteen van de gelegenheid gebruik om de marskramer te zeggen dat bij op zijn tocht naar Egmond voorzichtig moest zijn. “Maar weet je dat dan niet? Er is een witte olifant uit het circus losgebroken en de hele Bakkumse bevolking is in rep en roer. Het dier is enorm groot en vooral die witte olifanten zijn vreselijk woest. Het is levensgevaarlijk om je op straat te begeven.” Die marskramer is toen over Limmen en Heiloo naar Egmond gelopen. Eindelijk in Egmond aangekomen, vroeg bij aan de volgende klant of de witte olifant al gevangen was. “Och heden,” was het antwoord, “ben je soms langs Peperkamp gekomen? Nou, dan ben je mooi beetgenomen!”

Petroleum gevonden

Cor Peperkamp schreef onder verschillende pseudoniemen regelmatig stukjes in het Castricummertje. Die cursiefjes waren uit het leven gegrepen en af en toe probeerde hij ook door middel van die cursiefjes mensen ertussen te nemen.

De datum 1 april naderde en (het was ergens in de jaren dertig) er werden palen geslagen voor woningen aan de Puikman. In een kort bericht maakte hij melding van het feit dat tijdens het heien van de palen op de Puikman petroleum gevonden was en dat elke inwoner van Castricum en Bakkum gratis een liter petroleum kon krijgen op vertoon van het trouwboekje.

Hij zag de mensen op de bewuste dag en tijd langs de smederij lopen met een petroleumbus in de hand. Peperkamp vroeg kwansuis: “Nou mensen, wat is er aan de hand?”
– “Cor weet je dat dan niet? Op de Puikman is petroleum in de grond gevonden tijdens het heien en nou krijgen we allemaal een liter petroleum voor niks.”
De smid wachtte rustig af totdat de mensen van de Puikman terug kwamen. De mensen vonden het achteraf een goede grap; op zo’n dorp werd hartelijk om zoiets gelachen.

Er kwamen weer eens een paar zwervers langs de smederij, hartje zomer, het was erg warm. “Peperkamp, heb je een glaasje water voor ons? Het is zo warm!”
– “Ja, ga maar even langs moeder de vrouw, zij haalt wel even wat water uit het putje”. Dan werd het emmertje in de put neergelaten en de glazen werden volgeschonken.
De smid dronk trouwens zeer regelmatig water, omdat hij door zijn werk veel transpireerde.
Ze zitten bij elkaar in de tuin achter de smederij, de smid komt erbij zitten, proeft van het water en zegt: “nou vrouw, volgens mij is het drinkwater niet goed hoor, verdulleme, dat gedonder met de gemeente ook. ‘k Heb het nog zo gezegd!”
En hij wendt zich tot de zwervers en zegt: “Er ligt hier verderop een mestvaalt en nou schijnt die gier door te sijpelen in de put. Ik heb al aan de gemeente gevraagd om die mestvaalt weg te halen. Ja vrouw, volgens mij zit er weer gier in het water”. De zwervers kijken elkaar eens aan … hun glazen zijn al leeg.

Als er mensen in de smederij kwamen en vroegen of ze even van het closet gebruik mochten maken, vroeg Cor Peperkamp altijd: “is het een grote of een kleine?” Als men antwoordde dat het om een grote ging, dan kwam de smid terug met een heel klein potje.

Het haantje van de Nederlands Hervormde Kerk was in revisie. In diezelfde tijd kwam er een handelaar in oud ijzer langs de smederij en vroeg wat er met de haan was gebeurd.
“Ja, de haan is bij een boer op de Kramersweg, ga daar maar eens kijken of je hem mee kan krijgen”, zei Cor Peperkamp.
Maar de boer had die haan natuurlijk niet; wel een levende haan, waar hij erg trots op was, in zijn tuin. Toen de handelaar bij de boer kwam en naar de haan vroeg zei de boer: “Kerel, hoe kom je daar nou toch bij? Pak je weg, die haan loopt in het hok!”
Na dit kortstondige intermezzo kwam de handelaar weer terug bij


Jaarboek 15, pagina 43

De smederij na een ingrijpende verbouwing in 1935; er werden nu ook rijwielen verkocht en gerepareerd.
afb 12 De smederij na een ingrijpende verbouwing in 1935; er werden nu ook rijwielen verkocht en gerepareerd.

Cor Peperkamp, die meteen naar de haan vroeg, waarop de handelaar ter snede repliceerde: “Ach, zolang ik loop, schimmelt mijn kont niet”.

De kinderen vermaakten zich in en rondom de smederij; op vrije dagen ging men graag naar de Papenberg om te spelen, of ze liepen door de duinen naar het strand om daar naar bijzondere schelpen te zoeken. In de jaren dertig kregen ze een cent zondagsgeld en als ze wel eens zeurden om wat meer geld, zei hun moeder: “poep maar in je hutte, dan kan je glissen (poep maar in je klompen, dan kan je glijden)”.

Het gezin van Cor en Trijntje was voor die tijd vrijgevochten en je kon er altijd binnenlopen.

De kinderen hadden een dobermann pincher, genaamd Cas, die jaren de ‘huisvriend’ van de familie is geweest. Cas was helemaal getraind om eenvoudige boodschappen te doen; zo haalde hij brood bij de bakker en vlees bij de slager. Door de familie wordt nog steeds de loftrompet gestoken over de slimheid van hun allang overleden hond.
De kinderen haalden ook regelmatig de paarden op die beslagen moesten worden. Ze mochten dan op de knol zit ten – heerlijk vonden ze dat – en als het werk klaar was mochten ze het dier weer terug brengen langs de Castricumse weilanden. Ze hadden vaak een speciale band met ‘hun’ paarden. Als zo’n paard dood ging, bracht dat veel verdriet bij de kinderen.

De dood van de smid

Op een dag is er toch een einde gekomen aan het leven van de hoefsmid, wiens aanwezigheid in het centrum van de dorpsgemeenschap zo’n vanzelfsprekendheid was geworden. Hij had zich al geruime tijd niet goed gevoeld, maar wel doorgewerkt.

Uiteindelijk is hij toch naar een dokter gegaan, die hem verwees naar een specialist in Alkmaar. Hoewel het voor die tijd – begin jaren (negentien) vijftig – zeer ongebruikelijk was om aan een patiënt diens prognose te vertellen, heeft de behandelend geneesheer op de nadrukkelijke vraag van Cor Peperkamp gezegd dat er aan diens ziekte niets meer te doen was en dat hij nog maar zes weken te leven had. Dit bleek helaas waar te zijn. Toen hij na dat bezoek op de stoep van het ziekenhuis stond zei hij triest voor zich uit starend: “Peperkamp zal nooit meer grappen maken”. De smid had slokdarmkanker gekregen, waarschijnlijk mede veroorzaakt door de hete vuren van de smidse. Zijn ziekbed duurde kort.

Toen hij ten tijde van zijn ziekte nog eens een pater, die barrevoets de smederij bezocht, uitliet (en die twee hadden al heel wat afgelachen) en tegelijkertijd bezoek kreeg van een vrouw met vier kleine kinderen, zei hij: “Ja, dat heb je hè, als je met een jonge vrouw trouwt”. De pater verliet stikkend van de lach de smederij. Nadat hij het bericht van de arts vernomen had is hij vrijwel onmiddellijk gestopt met zijn werk. Toen Cor Peperkamp in de woonkamer op zijn sterfbed lag, kwam een keer zijn oudste zoon Cor binnen met een pas geslepen zeis. Hij vroeg zijn vader of de zeis nu scherp genoeg was. Peperkamp nam de zeis over, betastte hem met zijn duim en zei: “Hij moet nog scherper jongen”.

De mensen in het dorp merkten wel dat de smid ziek geworden was. Zijn krachten namen af en door de ziekte vermagerde hij, hij zag er slecht uit. Toen iemand hem daarop aansprak zei hij: “Er komt eenmaal een eind aan de menselijke machine, maar als ik bij Petrus kom, kan hij nooit zeggen dat ik de mensen verdriet heb gedaan: bij mij hebben ze altijd gelachen”.

Op 19 juli 1952 stierf hij, op bijna 72 jarige leeftijd, thuis in de woonkamer in een bed bij het raam, ’s morgens vroeg, terwijl zijn dochter Marie bij hem waakte. Er was een einde gekomen aan zijn leven en Castricum rouwde bij het overlijden van zijn smid Cor Peperkamp.

Onder veel belangstelling werd hem de laatste eer bewezen en zelfs de militaire eer: Kapitein Rommel salueerde soldatesk en in vol officiersornaat op het kerkhof van de Heilige Pancratius, alwaar zijn graf nog steeds te vinden is.

Voor de smederij Cor Peperkamp en een andere smid bezig met het beslaan van een paard.
Voor de smederij Cor Peperkamp en een andere smid bezig met het beslaan van een paard. Links de Groentewinkel van Ab Hogenstijn later Molenaar, Paul Dekker, Eric Kippersluis. De persoon die gebukt staat is Cor Peperkamp, zoon van Frans Peperkamp en kleinzoon van de hier beschreven smid Cor Peperkamp. Dorpsstraat 54, 56 in Castricum, 1959.

Dankwoord

Een woord van dank ben ik verschuldigd aan mijn familieleden, die de eigenlijke auteurs van dit voorbeeld van ‘oral history’ zijn. Mijn vader Frans Peperkamp, die ondanks zijn ziekte en zeer verzwakte stem toch de sfeer van die tijd met zijn anekdotes wist op te roepen; tijdens de voltooiing van dit artikel is hij op 6 juli 1992 overleden.
Mijn moeder Corrie Peperkamp-Nijssen uit Castricum.
Mijn tante Marie, mevrouw M. Dol-Peperkamp uit Alkmaar.
Mijn tante Da, mevrouw A. Dekker-Peperkamp uit Beverwijk.
Mijn tante Fem, mevrouw F. Peperkamp-Bruinenberg uit Castricum.
Mijn neef Piet Dol uit Edam en mijn neef Henk Benkemper uit Hillegom, zoon van mijn onlangs overleden tante Annie, mevrouw A. Benkemper-Peperkamp.


Jaarboek 15, pagina 44

Mijn achterneef Jan Peperkamp, smid te Uitgeest en kleinzoon van een broer van mijn grootvader.
Mijn broer Wim Peperkamp voor fotomateriaal.
Mijn echtgenoot Aart Waterman voor zijn correcties en stilistische adviezen.

Catharina Q. Peperkamp,
kleindochter van Cor Peperkamp.

De winkel van Cor Peperkamp, smid.
De winkel van Cor Peperkamp, smid. Dorpsstraat 58 in Castricum, 1967. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Genealogie

Cornelis Johannes Peperkamp, geboren te Uitgeest op 1 augustus 1880, smid, overleden te Castricum op 19 juli 1952, zoon van Cornelis Peperkamp, smid en Anna Clasina Cornelia Stadegaard. Hij trouwt te Uitgeest op 17 mei 1907 met Catharina Maria Rodegonda Berkhout, geboren in Uitgeest op 14 augustus 1882 en overl. te Beverwijk op 24 oktober 1967, dochter van Mattheus Berkhout, broodbakker, bloemkweker en van Alida Petronella Tijburg.

Kinderen uit hun huwelijk worden allen geboren te Castricum:

  1. Anna Cornelia geboren op 7 maart 1907, woonde in Hillegom, aldaar overleden op 26 april 1992, gehuwd met Pieter H. Benkemper, commissionair in bloembollen.
  2. Alida Maria geboren op 26 oktober 1908, woonde eerst in Hillegom, nu in Beverwijk, gehuwd met: 1e Dirk van der Schans, directeur van een bloembollenbedrijf; 2e met Adriaan Dekker, muzikant.
  3. Cornelis Josephus geboren op 18 april 1910, smid, woonde eerst in de Dorpsstraat in Castricum, later in Heemskerk, aldaar overleden op 31 juli 1987, gehuwd met: 1e Femmetje Bruinenberg; 2e met Josje M. Hoogewerff.
  4. Maria Catharina geboren op 31 december 1912, overleden te Castricum op 18 juni 1913.
  5. Franciscus Josephus geboren op 23 november 1914, smid, woonde in de J. Hobergstraat te Castricum, overleden te Heemskerk op 6 juli 1992, gehuwd met Cornelia M. Nijssen.
  6. Maria Catharina geboren op 31 december 1916, woont aan de Omval te Alkmaar, weduwe van Simon Dol, chauffeur.
  7. Catharina Maria geboren op 30 april 1918, woonde in Purmerend, aldaar overleden op 15 oktober 1976, gehuwd met Simon Rem, belastingambtenaar.

Hoe het met de smederij verder ging

In de loop der jaren veranderde de aard van de smidswerkzaambeden. Hoewel er tot in de jaren vijftig nog regelmatig paarden beslagen werden en wielijzers omgelegd, zijn door de opkomst van de auto deze werkzaamheden geleidelijk aan uit het straatbeeld verdwenen. Ook de fiets mocht zich verheugen in een grotere populariteit en zo kwam het dat, onder andere tijdens de tweede wereldoorlog, ook fietsen gerepareerd werden, hoewel dat werk nooit door de smid zelf werd gedaan, maar door zijn beide zoons.

Na het overlijden van Cor Peperkamp nam zijn jongste zoon Frans Peperkamp het smidswerk over en omdat dit, zoals gezegd, terugliep werd de smederij een haarden- en kachelzaak, gedreven door de oudste zoon Cor. Pas in 1964 kreeg die historische plek een geheel andere bestemming. Elf jaar lang is er een stomerij gevestigd geweest die onder leiding stond van mevrouw F. Peperkamp-Bruinenberg.

In 1975 is het pand verkocht en werd er een gedeelte van de Raiffeisenbank in gevestigd, waarna het omstreeks 1980 werd gesloopt om plaats te maken voor de meergenoemde doe-het-zelf-winkel.

Smid Peperkamp

De ganse Dorpsstraat gaat in rouw,
Want och, een mensenleven trouw
Stond immers daar smid Peperkamp.
Voor d’oude garde lijkt ’t een ramp,
Want wie schenkt thans z’n gulle lach
En blijde ziel aan iedre dag?

Een prima smid in ’t harnas gaat.
Een Dorpsfiguur van groot formaat,
Het aanbeeld nevens ’t kloeke lijf,
De noeste knuisten tot bedrijf,
Het vuur, door d’oude balg gevoed,
Bracht jaren gloed in ’t smidse-bloed.

We missen ’t magistraal portret,
De smidse-deur blijft onbezet,
Het vuur wordt nu niet opgevoerd,
De moker blijft onaangeroerd,
De smidse rust … de baas ging heen
En op ’t trottoir staat er nu geen …

Het blauwe boezeroen is vort,
Het leutig dorpse leven schort …
Er is, na koddig smidse-praats,
Nog slechts een gapend lege plaats,
Want Peperkamp is reeds niet meer
En met hem d’echte dorpse steer.

Het dorp nu treurt bij ’t stervensuur
Van deze grote smids-figuur,
Hem wordt, door iedereen geacht,
Een warm en laatst saluut gebracht …
De hemel straalt, de zonne lacht …,
Vaarwel … vriend Peperkamp …rust zacht

Door A. van Kluijve
(uit het Nieuwsblad voor Castricum van 23 juli 1952).

1 juni 2022

Twisk Engel, smid – levensverhaal (Jaarboek 38 2015 pg 59-66)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 38, pagina 59

In gesprek met Engel Twisk

Engel Twisk op zijn praatstoel.
Engel Twisk op zijn praatstoel.

Ik heb het aambeeld van De Salamander nog in mijn werkplaats gehad …

Engel Twisk werd op 19 januari 1925 in Bakkum geboren en vierde dit jaar zijn 90e verjaardag. Hij kijkt terug op zijn leven en dat van zijn ouders en grootouders. Vader Floris startte rond 1918 met een smederij op de hoek van de Bakkummerstraat en de Vinkebaan. Engel wilde net als zijn vader smid worden. Geen ander beroep sprak hem zo aan.

Zijn eerste opleiding kreeg hij op de Ambachtsschool in Alkmaar. Het was een zware slag toen in 1943 de woning en de werkplaats in opdracht van de Duitsers werden gesloopt, net als honderden andere panden. In 1948 kon vader Floris in zijn oude buurtje een nieuwe woning met smederij in gebruik nemen.

Intussen was Engel zelf als dienstplichtige naar Nederlands-Indië vertrokken. In oktober 1949 kwam hij terug op het troepentransportschip Kota Inten en pakte zijn geliefde vak weer op. Nu is de voormalige smederij zijn woning. Daar hoopt hij met steun van de kinderen tot zijn laatste dag te blijven.

De oude smederij heeft Engel in 1983 grotendeels eigenhandig verbouwd tot woning.
De oude smederij heeft Engel in 1983 grotendeels eigenhandig verbouwd tot woning.

Engel Twisk is een geboren verteller en bovendien beschikt hij over een goed geheugen. Het leven van zijn ouders en grootouders staat hem nog helder voor de geest; alleen mogen we hem af en toe een beetje helpen met jaartallen. Hij woont sinds 1983 comfortabel in de vroegere smederij, die hij bijna eigenhandig heeft verbouwd. Zijn stoel staat op de plaats waar ooit een aambeeld stond. Voor het raam het model van een oude molen, uiteraard gemaakt van metaal. Klaas Molenaar van de vroegere Wastora heeft hem willen kopen: “Zeg maar wat je er voor wilt hebben.”

Engel had al meer molens gemaakt en hij had er geen zin in om dat nog eens te doen. Voor geld is niet alles te koop. Molenaar had er begrip voor.

We maken eerst kennis met de familie Twisk.
“Mijn grootvader Willem Twisk en grootmoeder Catharina Haaker hadden een kleermakerij, zoals verschillende generaties voor hem. Eerst in Heiloo en later in Velsen. In 1899 gingen ze in de Burgemeester Mooijstraat wonen en daarna verhuisden ze naar de Alkmaarderstraatweg 24, tegenwoordig Dorpsstraat 128, tegenover de rooms-katholieke kerk. Zijn zoons Jaap en Jan waren ook kleermakers. De oudste zoon was mijn vader Floris, die smid is geworden. Hij trouwde met Catharina Zonneveld.

Zelf ben ik in 1952 getrouwd met Ank Buur uit Akersloot. Zij is in 2000 overleden. Omdat er geen huis was te krijgen, woonden we eerst op de verdieping van het nieuwe huis van mijn ouders. In 1956 verhuisden we naar de Breedeweg en in 1966 ruilden mijn vader en ik weer van woning en nam ik de smederij over.


Jaarboek 38, pagina 60

Het gezin van kleermaker Willem Twisk. Het vak werd door vier generaties uitgeoefend. Floris Twisk staande rechts op de foto werd smid en zoon Engel volgde hem op.
Het gezin van kleermaker Willem Twisk. Het vak werd door vier generaties uitgeoefend. Floris Twisk staande rechts op de foto werd smid en zoon Engel volgde hem op.

De familie Twisk

In het 10e jaarboek van Oud-Castricum (1987) is de familie Twisk beschreven. Deze familie en veel aangetrouwde familieleden zijn diep geworteld in Bakkum en Castricum.

Engel Twisk stamt af van Jan Twisk die in 1766 werd genoemd als schepen van Bakkum. Zijn boerderij stond op de (zuid)hoek van de Haagscheweg-Heereweg. Floris, een zoon van Jan, had een boerderij op ‘t Noordend aan de Kooiweg.

Diens zoon Willem (1799-1863) werd kleermaker in de Oosterbuurt en zoon Floris (1840-1923) volgde zijn vader op. Hij vestigde zich op de hoek Overtoom-Schoutenbosch. Het vak werd voortgezet door zoon Willem (1868-1932) die met Catharina Haaker trouwde. De oudste zoon kreeg weer de naam Floris (1893-1974), maar die werd geen kleermaker maar smid en Engel trad in zijn voetsporen.

De Salamander die bij laag water nog altijd te zien is.
De Salamander die bij laag water nog altijd te zien is.

De Salamander

De grootvader van mijn moederskant was Engel Zonneveld (1865-1937). Hij was schelpenvisser, tuinder en van 1917 tot zijn dood ook strandvonder. Met zijn vrouw Grietje Limmen (1864-1945) woonde hij op de duinboerderij Van Lennepsoord. Het was een heel ‘slachtige’ vent hoor. Slachtig betekent handig. Hij maakte zelf schelpenkarren voor die jongens van hem. Hij kocht een tweedehands onderstel en de rest maakte hij van juttershout.

In 1910 strandde De Salamander. Het was een kanonneerboot en een ramschip, 46 meter lang en 10 meter breed, gebouwd in Bremen rond 1880. Het was één bonk ijzer en na iedere storm zakte het weer een halve meter dieper in het zand. Hij zou naar Hendrik-Ido-Ambacht gesleept worden voor de sloop.

De runners kwamen bij mijn grootvader in huis. Die mannen waren daar een tijdje in de kost. Ze kregen in de gaten dat ze het schip niet konden bergen en tenslotte gaven ze het op. De baas vroeg mijn grootvader hoeveel kostgeld hij kreeg. In plaats daarvan kwamen ze overeen dat hij voor een rijksdaalder het wrak mocht overnemen. Bewijzen heb ik er nooit van gezien. Zo ging het vroeger niet, maar Engel Zonneveld werd dus de nieuwe eigenaar.

Het aambeeld van de Salamander heb ik nog in mijn werkplaats gehad. Het schip had een kanon dat 180 graden kon draaien. Twee torpedokamers zijn er later ingebouwd. Het was natuurlijk een schip met een stoommachine. Ik ben er zelf nooit op geweest, maar heb er genoeg over horen vertellen.

De boeg van het schip was 20 centimeter dik. De Duitse keizer heeft dat ding laten bouwen. Het was er een van een serie. Later bleek het een mislukking te wezen. Het was de bedoeling om met die schepen op de Duitse wadden te patrouilleren en bij eb te gaan liggen. Als er vijandelijke schepen vanuit de Oostzee de wadden opvoeren, dan konden ze er snel naar toe varen en dan ramden ze die of schoten er torpedo’s op af.

De smederij van Jan Hoebe

Opa Zonneveld woonde in het duin, tot zijn land door de waterwinning zo verdroogde, dat er niets meer te telen viel. Toen kocht hij van Bertus Hageman aan de Heereweg 18 een boerderijtje. Er stond een grote kapberg achter. De achterkant was helemaal open en die kant heeft hij dicht gemaakt met planken van het strand. Al die rotzooi uit het duin vandaan heeft hij daar naar toe gesleept. Hij heeft nog een tijdje geschulpt, maar kreeg maagkanker en overleed op 12 juni 1937. In die oude schuur heeft mijn vader in de oorlog nog een smederij gehad. Er was geen smidsvuur, maar hij maakte er wel kachels en zo.

Vader is in 1893 in Heiloo geboren. Als 11-jarige jongen werkte hij al bij Bertus Stuifbergen, die een boter en kaaszaak had op de hoek van de Ruiterweg en de Mient.


Jaarboek 38, pagina 61

De vrouw van Stuifbergen was een Van den Berg uit Egmond aan Zee. Door de aanleg van het Noordzeekanaal werd IJmuiden belangrijk als vissershaven en de Egmonders trokken daar naar toe. Bertus had een wagen met een ket (red: klein paard) waar mijn vader in IJmuiden de bestellingen mee rondbracht. Bertus liet zijn paard beslaan in Heemskerk bij smederij Eeltink. Mijn vader stond er altijd bij te kijken. Het smidsvak trok hem erg aan. Bij die smid kreeg hij toen zijn eerste opleiding. Later werkte hij in Bakkum bij de smederij van Jan Hoebe.

Bij een verbouwing van de broodfabriek moesten er gaten in stalen balken geboord werden. Hoebe had alleen een handboor en het duurde heel lang voordat zo’n boor door de balk heen was. Bertus de Groot in IJmuiden had moderner gereedschap. Mijn vader ging daar een spiraalboor lenen.

Bertus stelde hem voor: “Je ken wel bij main komme werken.” Vader zei: “Ik werk nog bij Jan Hoebe. Ik kan niet zo maar weglopen.” Hij praatte er wel over met ouwe Jan Hoebe. Die vond het eigenlijk wel een goed idee dat hij eens een paar maanden bij Bertus ging werken om ervaring op te doen. Dat heb ie gedaan en daarna is hij weer terug gegaan naar Bakkum.

Meester-hoefsmid

Mijn vader was klein van stuk. In het keuringsrapport voor het leger staat 1 meter 60. Hij moest in 1913 opkomen en had bij de marine gewild als stoker. Dat is hem niet gelukt. De Eerste Wereldoorlog brak uit en in Den Helder werd de Kustwacht ingesteld. Daar heeft hij zes jaar gezeten. Daarvoor was hij nog een tijdje bewaker op het interneringskamp in Bergen.

Floris Twisk met kleinzoon Floris op weg naar de kermis in Bakkum. Achter hem loopt Engel.
Floris Twisk met kleinzoon Floris op weg naar de kermis in Bakkum. Achter hem loopt Engel.

Er was veel geouwehoer en geteut onder de soldaten en mijn vader ging liever aan het werk. Om wat te doen te hebben onderhield hij in Den Helder de kanonnen. Er was een kapitein die Sijpestein heette. Die zag mijn vader daar altijd scharrelen. Mijn vader vertelde hem dat hij graag hoefsmid wilde worden, maar dat hij daarvoor een cursus moest volgen die op zaterdagochtend in Haarlem werd gegeven. De kapitein heeft hem toen toestemming gegeven om op vrijdagavond naar huis te gaan, zodat hij op zaterdag die cursus kon volgen. Dan ging hij ‘s ochtends eerst naar paardenslager Jan Huiberts op de Vinkebaan voor een paar afgezaagde poten en die gingen achterop de fiets mee naar Haarlem voor de cursus. Daar kregen ze les. Een hoef is een ingewikkeld mechanisme hoor. Er zitten veel zenuwen in zo’n hoef. Door die dikke rand er omheen moeten zo’n zes hoefnagels geslagen worden. Aan die hoefnagels zit een smal kantje, waardoor die automatisch naar buiten lopen. Ze hadden in Haarlem graag dat hij een rijkserkend diploma zou halen. Toen volgde hij in Utrecht de opleiding meester-hoefsmid en slaagde met lof. Die rijkserkenning bestaat tegenwoordig niet meer. Nu kan iedereen zich hoefsmid noemen.

Wagenmakerij en smederij

Na zijn diensttijd ging mijn vader weer aan het werk bij Jan Hoebe. Rond 1920 was de Bakkummerstraat nog steeds niet meer dan een paardenpadje. Alleen in het midden was er bestrating. Toen hij naar huis fietste, kwam hij hier op de hoek Jan de Groot tegen. Die had zijn smederij in de Schoolstraat verkocht aan Dorus de Groot (een broer van Kees de Groot van de kalkovens). Jan was ‘een man van het veld’, dat betekende dat zijn vader niet bekend was. Hij droeg de achternaam van zijn moeder. Ze liepen samen op naar het dorp. “Wil je geen smederij beginnen?”, vroeg hij. “Daar heb ik geen centen voor,” zei mijn vader, maar Jan zag wel een oplossing.

Wat ben je laat,” zei z’n moeder toen hij thuis kwam. Ze woonden toen al in de Burgemeester Mooijstraat. Hij vertelde dat hij met Jan de Groot was meegelopen en dat ze het over een smederij hadden gehad. Voor mij niet te betalen, maar hij had gezegd dat het wel goed zat. Mijn moeder trok de stoute schoenen aan en zei: “Wij gaan vanavond naar hem toe.” Diezelfde avond werden ze het al eens.

Timmerman Jan Vlaar uit de Noord had op de hoek van de Bakkummerstraat en de Vinkebaan een werkplaats. Hij was met een dochter van Jan getrouwd. Bij de verkoop van de smederij in de Schoolstraat was overeen gekomen dat hij geen smederij meer mocht beginnen. Een wagenhandel of een wagenmakerij kon natuurlijk wel. Daarvoor werd aan de werkplaats van Vlaar een stuk aangebouwd. Bertus Nootebos nam het later van hem over.

Via Jan de Groot is mijn vader dus aan de Vinkebaan terechtgekomen. De wagenmakerij werd steeds meer een


Jaarboek 38, pagina 62

smederij. Een wagenmaker en een smid hadden elkaar toch nodig. Om de wielen van een schelpenkar moest bijvoorbeeld een ijzeren band worden gelegd en ook bij andere onderdelen kwam de smid er aan te pas. Ik kan me nog goed herinneren dat er boven het smidsvuur een enorme blaasbalg zat.

De in de Tweede Wereldoorlog gesloopte wagenmakerij annex smederij op de hoek
van de Vinkebaan en de Bakkummerstraat.
De in de Tweede Wereldoorlog gesloopte wagenmakerij annex smederij op de hoek
van de Vinkebaan en de Bakkummerstraat. V.l.n.r.: Bertus Nootebos, Jan Vlaar en echtgenote.

Vakman

Rond de tijd dat mijn vader in 1921 met Catharina Zonneveld trouwde, heeft hij samen met zijn buurvrouw Geessie Kaag een dubbel woonhuis Bakkummerstraat 1 en 3 laten bouwen. Ze had met haar inmiddels overleden man een melkzaak gehad in Amsterdam. Nu woonde ze hier aan het Duinpad. Geessie Kaag begon op Bakkummerstraat 3 een kruidenierszaakje en mijn vader had behalve de smederij ook een winkeltje waar hij fietsen, onderdelen van kachels en potten en pannen verkocht. Ik ben in 1925 op het adres Bakkummerstraat 1 geboren. Ik heb twee broers, een oudere broer Willem (1922) en een jongere broer Theo (1929).

Engel Twisk voor het bord met orthopedische hoefijzers die zijn vader Floris heeft gemaakt.
Engel Twisk voor het bord met orthopedische hoefijzers die zijn vader Floris heeft gemaakt.

Ik heb nog een heel stel hoefijzers die mijn vader gemaakt heeft. Het zijn allemaal orthopedische hoefijzers. Die waren bijvoorbeeld voor een paard met een doorgezakte hoef. Je moest als hoefsmid heel goed op de hoogte zijn van de stand en de gang van de paarden. De paarden werden bij de smederij ‘warm’ beslagen. Tegenwoordig hebben de hoefsmeden verschillende maten hoefijzers in voorraad, zodat zij ‘koud’ kunnen beslaan. Mijn vader kon heel goed smeden. Voor mij zijn die hoefijzers echte kunstwerkjes!

Toen ik in de jaren (negentien) zestig de smederij overnam, hadden we nog maar elf klanten met een paard. Ik herinner me nog Karel, het prachtige paard van Gerrit Veldt, dat een schitterende draf had. Als er een paard moest worden beslagen, ging dat altijd voor en werd het andere werk direct stil gelegd. Op een gegeven moment zijn we er mee gestopt.

De smeden van Castricum, Peperkamp, De Groot, Hoebe en ook smeden uit Akersloot en Limmen, kochten gezamenlijk in. Zo af en toe hadden ze vergadering bij ons thuis en daar werd heel wat afgelachen, maar intussen was de onderlinge concurrentie groot. Bij offertes gingen ze rustig een paar centen onder de prijs van een collega zitten, als ze die aan de weet kwamen.

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog kwam er een vertegenwoordiger van een grote gereedschapsfabriek uit Duitsland naar mijn vader. Hij verkocht gereedschapsstaal. Voor een schoffel of een bijl smeedde je twee stukken ijzer aan elkaar en een stuk staal er tussen. Die werktuigen hoefde je zowat nooit te scherpen. Als je ging hakken, vooral in ijs, dan sleet het ijzer weg, maar het staal bleef intact.
Mijn vader zou de rekening van dat gereedschapsstaal betalen, maar die vertegenwoordiger had op de rekening overal een nul achter gezet. Had je 6 kilogram, dan werd het 60 kilogam. We kregen veel te veel. Het werd een moeilijke kwestie. Mijn vader betaalde niet. Toen heeft hij contact gezocht met de boekhouder van Duin en Bosch. Die woonde net over de spoorbomen aan de Beverwij-


Jaarboek 38, pagina 63

kerstraatweg. Zijn schoonzoon was kunstschilder Middelveld. Die stelde brieven op en maakte duidelijk hoe de vork in de steel stak. Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit en heeft hij er niets meer van gehoord.

Op winterdag werd het soms om drie uur al donker en dan zei hij: “Maak het vuur maar an.” Dan ging hij bakken. Een ijzeren ton werd op het vuur gezet en daar werden de oude hoefijzers in gegooid. Hij smeedde er nieuwe hoefijzers van of gereedschap. Het fascineerde me dat je van oud materiaal nieuwe dingen kon maken.
Het eerste wat ik van mijn vader leerde, was het maken van Hollandse klinkstellen of deurbeslag. Had ik er een gemaakt, zei hij: “Het rooit erop, maak er nog maar eens ien.” Zo heb ik er heel wat gemaakt. Ik vond het een heel interessant vak. Het bestond uit drie onderdelen: grof, hoef- en kachelsmid.

Door de komst van de forensen in het dorp veranderde ons werk. We kregen nieuwe klanten en bovendien hadden forensen geen kachels maar haarden. Ons assortiment werd uitgebreid.

Net voor de oorlog had ik op de Ambachtsschool in Alkmaar de opleiding voor smid en bankwerker gevolgd. Toen was ik een jaar of 13. We kregen in de oorlogsjaren aanvullend les van een Vereniging ter bevordering van Vakonderwijs. Eerst in de school met de Bijbel en later in café De Vriendschap in de Dorpsstraat. Meneer Kaper van Duin en Bosch was zo’n beetje de hotemetoot. Werkstukken maakte je in verschillende andere smederijen. Ik heb hier nog oorkondes van prijzen die ik heb gewonnen. Mijn zoon heeft ze laten inlijsten en opgehangen.

Ik had altijd ruzie met een leermeester die bij de gemeente werkte. Ik dacht dat het Van Diepen was. Een timmerman gebruikt geen millimeters maar centimeters en ik heb dus altijd geleerd met millimeters te werken. Toen heb ik gezegd dat geen les meer van hem wilde hebben. Daarna heeft ene Groot, die bij de Technische Dienst van Duin en Bosch zat, ons les gegeven. Ik kon goed leren, maar ik had alleen belangstelling voor onderwerpen die me interesseerden en de rest zag ik als tijdverlies.

Evacuatie en sloop in de oorlog

Ik weet nog dat mijn vader ons ‘s morgens vroeg riep: “Kom je bed uit, het is oorlog.” Al na een paar weken werden er Duitsers in Bakkum ondergebracht. Op het duin hier tegenover kwam een kazemat; er werden bunkers gebouwd en de tankval werd gegraven. De eerste tijd had je nog niet veel last van de bezetting. Je kon nog in het duin komen en op het strand. Daar spoelden lijken aan die bij de dorpskerk werden begraven.

In 1943, midden in de oorlog, moesten we binnen een week evacueren. De smederij en de woningen werden gesloopt. Het was verschrikkelijk voor mijn ouders. Mijn vader is in een paar dagen grijs geworden. We kregen een evacuatie-adres in Wildervank en dat zagen we helemaal niet zitten. Eerst werden we opgevangen bij Jaap Twisk, een broer van mijn vader. Die had een kleermakerij op de hoek van de Korte Cieweg en de Dorpsstraat. Later zat Stevens daar. Tenslotte kregen mijn ouders woonruimte in Krommenie.

Ik heb eerst geprobeerd onder te duiken, maar moest toch voor de Arbeidsdienst naar Duitsland. Daar kwam ik bij een smid terecht. Ik heb nog een beetje gescharreld met zijn dochter. Sindsdien had ik meer begrip voor de contacten van Hollandse meisjes en Duitse soldaten.

Ik kreeg wel een steeds grotere hekel aan de mentaliteit daar en het gesnauw. Tenslotte ben ik teruggekomen en ondergedoken bij een tuinder in Venhuizen. Bij droppings ben ik nog door het verzet ingeschakeld. Met zaklantaarns moesten we het terrein afbakenen. Vaak lukte dat niet door de mist en het hielp niet mee dat ik ook niet lang ben. Werken op het land was niets voor mij. Ik ging terug naar Bakkum en kon bij smid Hoebe aan het werk en daar was ik ook in de kost. Ik kon heel wat ervaring opdoen, niet alleen met het beslaan van paarden, maar ook allerlei ander werk; ik was ook slotenmaker. Natuurlijk werkte ik in het hol van de leeuw, maar het voordeel was dat er in ons dorp geen razzia’s zijn gehouden en ik voelde me wel veilig. Iedereen werkte voor de Duitsers, want er moest brood op de plank komen. Ik had een vals Ausweisz en haalde eten bij de gaarkeuken tegenover het station. Als er vrijbankvlees was, werd dat door dorpsomroeper Dorus Kuijs bekend gemaakt. Onder andere in de werkplaats van Duinenbosch stonden paarden van de Duitsers. Dode paarden gingen naar de krengenslager Castricum aan de Breedeweg.

Naar Indië

Een foto van Engel en zijn verloofde Ank Buur gemaakt in 1946 kort voor zijn vertrek als dienstplichtige naar Indië.
Een foto van Engel en zijn verloofde Ank Buur gemaakt in 1946 kort voor zijn vertrek als dienstplichtige naar Indië.

In 1946 moest ik, 21 jaar oud, met de eerste lichting dienstplichtigen naar Indië en werd ingedeeld bij de ‘Zeven December Divisie’. Ik was dan wel opgeleid als


Jaarboek 38, pagina 64

smid, maar daar werd ik ingezet als automonteur en reparateur van van alles. Op een keer kreeg ik een aanvaring met een sergeant en die slingerde me op rapport. Ik moest bij de commandant komen en die begon met de vraag of ik als kwartiermaker naar Buitenzorg wilde, een plaats op West-Java waar de Gouverneur-Generaal zijn kantoor had. Nu heet het Bogor. Dat wilde ik wel. Daarmee was het gesprek afgelopen. Later zat ik nog als monteur in Soekaboemi.

Engel maakt een ritje op zijn motor in Soekaboemi op Java.
Engel maakt een ritje op zijn motor in Soekaboemi op Java.

Poncke (Jan) Princen (1925-2002), activist voor mensenrechten, lag daar op een kamer onder anderen samen met Martin Duijn, een andere Castricummer. Zo kwam ik in contact met Princen.
Poncke Princen is daar gedeserteerd. De hele groep had hem eigenlijk moeten volgen. Dan schieten de tranen in zijn ogen: “Voor mij was het een held en geen landverrader. Hij had een standbeeld verdiend. Ik heb me vaak afgevraagd wat we daar eigenlijk deden. Wij Nederlanders wilden toch ook graag bevrijd worden van de Duitsers. Ik had een hekel aan die dienstplicht. We zijn gewoon besodemieterd. Anderhalf jaar zouden we gaan, maar we hebben er drie jaar gezeten.”

Plaatsgenoten zochten elkaar op.
Plaatsgenoten zochten elkaar op. V.l.n.r. Floor Schermer, Martin Duin en Engel Twisk.

In 1949 kwam Engel met het transportschip Kota Inten terug, tegelijk met de dorpsgenoten Harm Vermeulen en Hans van Deelen. Toen was het nieuwe dubbele woonhuis, dat vader Floris samen met Nootebos had laten zetten, net klaar. Bakkummerstraat 5 en 7; achter nummer 5 kwam een timmerwerkplaats en achter nummer 7 de smederij met een travalje (red: hoefstal) voor het beslaan van paarden. Die travalje had Floris zelf gemaakt.

Loopbaan

Zwager Frans Zonneveld werkte ook bij mijn vader. Hij was een beetje invalide. Toen brak er een slechte tijd aan en het werk zakte als een pudding in mekaar. “Wat moet dat nu”, zei mijn vader. “Zal ik ome Frans naar huis sturen?” “Ik ga wel weg”, zei ik.

Ik ben toen begonnen bij Jan Spiering in Beverwijk en werd onder andere ingezet bij de Hoogovens. Het tijdelijk personeel kreeg de rottigste klussen. Toen vroeg Beijnes, de spoortreinfabriek, nieuw personeel. Ik solliciteerde en werd aangenomen met een proeftijd van drie weken. Na die drie weken, op een zaterdag, werd ik uitbetaald. Ik kreeg 1 gulden en 2 cent per uur. De anderen kregen vier cent meer. Toen ik de volgende week terugkwam, heb ik gezegd dat ik een volwaardige vakman ben en dat ik hetzelfde betaald wilde worden als de andere mensen die niet in Indië hebben gezeten. Ik kreeg mijn zin niet, leverde mijn werkkist in en ging terug naar Jan Spiering. Op het station kwam ik later de personeelschef van Beijnes tegen. Die stelde me voor om weer terug te komen. Hij zei: ”Ik zal zorgen dat je 1 gulden 6 krijgt.”

Ik ben bij Beijnes teruggekomen en kreeg volgens afspraak toch die 1 gulden en 6 cent. Door bemiddeling van prins Bernhard hebben we voor Argentinië zelfs roestvrijstalen treinen gemaakt. Voor onze begrippen heel modern.

Bij Beijnes ging het op den duur slecht en na acht jaar solliciteerde ik bij de Linoleumfabriek Forbo in Krommenie. Daar heb ik ook acht jaar gewerkt. Ze vonden me wel een goede smid in Krommenie. Ze vroegen waar ik het vak geleerd had. Bij m’n vader. “Heeft je vader een smederij?” Ik zei ja. “We hebben eigenlijk ander werk voor je, maar we willen je niet uit die ploeg vandaan halen.” Zodoende heeft mijn vader toen ook nog opdrachten van Forbo gekregen.

Logo smederij.
Logo smederij.

Jaarboek 38, pagina 65

De fabriek werkte ook voor Armstrong in Amerika. Armstrong was de grootste linoleumfabriek van de wereld. Als Armstrong een order kreeg die te klein was, dan hevelden ze die over naar Krommenie. Er moesten linoleumtegels gestanst worden. Ze kregen ze niet op de juiste maat. De baas vroeg of ik had verstand had van materialen. “Natuurlijk”, zei ik. Ook de ouderwetse maten nog, want vroeger was alles in inches. Ik moest die stans op de juiste maat brengen. Dat was een leuke klus.

De baas bood me een sigaar aan. Ik zeg: “Waar zijn die andere negen?” Hij had er een hele doos aan overgehouden. Toen heb ik op het kantoor die ene sigaar teruggegeven. Ik zei: “Dan kunnen jullie die ook op roken.” Tenslotte kreeg ik die doos sigaren toch nog.

Ik heb ook nog twee jaar bij de Hoogovens gewerkt, maar ben toen afgekeurd vanwege mijn rechterarm. Toen het weer iets beter leek te gaan met mijn arm, ben ik in de smederij in Bakkum begonnen. Daar heb ik eigenlijk weer te lang en te veel gewerkt. Het begon zo. Ik ging bij mijn vader op bezoek en toen vertrok net ouwe Cor Lute, een poelier van de Bakkummerstraat. Mijn vader vertelde: “Hij wil het hele spulletje kopen. Hij had er een redelijke prijs voor over.”
Ik zei dat ik er zelf belangstelling voor had. “Ben jij bedonderd riep mijn vader. Jij moet helemaal niet voor je eigen beginnen.”

Ik heb hem uitgelegd dat het me helemaal niet ging om een hoop werk of om rijk te worden, maar dat ik eigen baas wilde worden. Ook mijn vrouw was er eerst niet erg voor. Mijn vader kreeg er zowat de zenuwen van. Toen ben ik met die banenpijpen (rollen waar het 25 meter brede linoleum overheen liep) voor de linoleumfabriek begonnen. Daar had mijn vader ook al aan gewerkt. Het werk werd goed betaald. Beter dan in de fabriek zelf.

De in neo-gotische trant uitgevoerde smeedijzeren fontein op het Binnenhof die door Engel Twisk is gerestaureerd.
De in neo-gotische trant uitgevoerde smeedijzeren fontein op het Binnenhof die door Engel Twisk is gerestaureerd.

De fontein op het Binnenhof

Hier hangt ook een foto van de fontein op het Binnenhof. Die fontein heb ik gerenoveerd. Dat kwam zo. Op een gegeven moment kwam er een smid uit Egmond-Binnen bij me langs. Die was bezig met een kunstwerk voor Beatrix in verband met haar huwelijk in 1966. Hij was ook leraar op de ambachtsschool en had er te weinig tijd voor. Hij liet het me zien en vroeg of ik het wilde doen. Toen heb ik het afgemaakt. Het was een symbool of logo voor Beatrix. Het was goed geslaagd. Ik heb me ook altijd wel siersmid gevoeld. Hij vertelde me dat hij contact had met iemand van Monumentenzorg uit Amsterdam die veel smeedwerk uitbesteedde. Die man vroeg of ik iets voor hem wilde maken. “Dan weet ik wat u kan.”

Toen hebben we een segment van een hekkie gemaakt. Nadat hij het had bekeken zei hij: ”Ik wou dat ik je eerder gekend had. Iemand heeft het hek van ons gebouw gerestaureerd, maar ik vond het niet zo kunstig als wat jij hebt gemaakt.”

Zo kwam het dat ik opdracht kreeg om de fontein, die op het Binnenhof had gestaan, te herstellen. Die fontein was helemaal verrot en verroest en die hadden ze gesloopt. De restanten lagen in een boerderij bij de Egmondse abdij. Er was ook een kolom bij van gietijzer en die kieperden ze zo van de wagen, waardoor die kolom brak. Hij dateert uit 1883, de tijd van Koning Willem III. Het ontwerp is van de beroemde architect Pierre Cuypers en gemaakt ter nagedachtenis aan Willem II (1227-1256) koning van het Rooms-Duitse rijk die bij Hoogwoud door de West-Friezen is vermoord.
De vele onderdelen van de fontein waren wel gemerkt, maar niet erg zorgvuldig, dus dat heb ik opnieuw moeten doen.

Ik heb nog gezegd dat ze alles moesten laten galvaniseren. Maar wat was het geval? Dat ding was gemaakt van puddelijzer en daar zit vaak veel koolstof in. Dat smeedde vroeger veel makkelijker en het laste veel beter. Om het te galvaniseren moet ijzer in het zoutzuur gelegd worden om te ontroesten. Die koolstof lost allemaal op en dan kijk je er dwars doorheen. Dat vonden ze te rigoureus.


Jaarboek 38, pagina 66

Bij een fabriek in Purmerend is het metaal gecoat, maar dat was geen afdoende oplossing. De fontein is later nog wel een paar keer onder handen genomen.”

Terugblik

“Ik had voor de Forbo wel naar Zweden of Zuid-Afrika kunnen gaan. Overal hadden ze fabrieken, maar daar liet ik me niet heen sturen. Ik wou helemaal niet naar het buitenland. In Bakkum was ik thuis. Mijn vrouw en ik waren aan dit gebied gehecht.

Toen ik dat nog kon, ging ik hier altijd naar de kerk. Ik heb nog steeds sympathie voor het katholiek geloof, maar het instituut ging me tegenstaan. Dat de huidige paus kritisch is op de kardinalen en de bisschoppen vind ik hoopgevend, maar ik hou vast aan mijn eigen manier van geloven. Ik heb in mijn leven geleerd dat iedereen er recht op heeft om zichzelf te zijn.”

Niek Kaan

Weergave van gesprekken met Engel Twisk in het jaar 2014

Op het graf van het echtpaar Twisk staat een prachtig door Engel zelf gesmeed kruis.
Op het graf van het echtpaar Twisk staat een prachtig door Engel zelf gesmeed kruis.

Naschrift:

Na een ziekbed van enkele maanden overleed Engel Twisk op 5 april 2015. Zoals hij wilde, is hij gestorven in zijn tot woning omgebouwde smederij aan de Bakkummerstraat. ‘Onze verhalenverteller is uitgesproken …’ staat er boven zijn overlijdensbericht. Inderdaad, wat kon hij geweldig vertellen met oog voor de kleinste details. Vaak kwam in zijn verhalen zijn gevoel voor recht en onrecht naar voren en de stempel die zijn diensttijd in Indonesië op zijn leven heeft gedrukt.
Pastor Bertus Stuifbergen, die de uitvaart leidde, roemde zijn wijze, filosofische inslag. Ze hadden elkaar wel aangevoeld. De overgrootvader van de pastor woonde op de boerderij de Papenberg en de pastor kon het niet laten om op te merken dat het graf van Engel en zijn echtgenote gelokaliseerd kan worden op het bijbehorende ‘Kippenlandje’, nu deel van de begraafplaats Onderlangs.

Engel zou het prachtig hebben gevonden. Hij was sterk verbonden met het dorp dat hij voor geen goud wilde verlaten.

7 februari 2022

Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot (Jaarboek 30 2007 pg 29-30)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 30, pagina 29

Het oorlogsverhaal van koerierster Tiny van Vlaanderen-Boot

Er werden in de oorlog nogal wat mannen verliefd op Tiny. Daardoor kreeg ze veel voor elkaar tot groot voordeel van de verzetsbeweging.
Er werden in de oorlog nogal wat mannen verliefd op Tiny. Daardoor kreeg ze veel voor elkaar tot groot voordeel van de verzetsbeweging.

Evertina Hendrika Boot (roepnaam Tiny) werd geboren op 5 februari 1925 in Castricum. Haar ouders waren Iman Boot en Alberdina Gebke Urban, die beiden als verpleegkundige werkzaam waren op Duin en Bosch. Tiny begon op 18-jarige leeftijd te werken op het gemeentehuis van Castricum. Tijdens de oorlog was zij zeer actief in het verzetswerk en kende geen angst. Tiny vertelt haar spannende belevenissen uit die tijd in onderstaand verhaal. Zij schreef dit in Zuid-Afrika, waar zij alweer 59 jaar woont met haar echtgenoot Rinus van Vlaanderen.

Het gemeentehuis en plantsoen aan de Dorpsstraat 65 in Castricum circa 1940.
Het gemeentehuis en plantsoen aan de Dorpsstraat 65 in Castricum circa 1940. Aan de zijgevel van het gemeentehuis een mededelingenbord. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

“Ik begon te werken voor de gemeente Castricum in 1943 als hulp voor Piet van der Goes. Dit was maar tijdelijk bedoeld, maar er kwam steeds meer werk voor me te doen als typiste voor verschillende ambtenaren.

Zo werkte ik onder andere voor gemeentesecretaris Van Lunen. In 1944 ging ik over naar de distributiedienst, die door de staat was ingesteld om in crisistijd de verdeling van levensbehoeften te regelen. Daarnaast bleef ik echter ook werk doen voor de gemeente als dat nodig was. Ik werkte meestal voor Henk Nielen en Piet Gomes op de distributiedienst.

 Het distributiekantoor in Castricum.
Achter deze (onbekende) jongens het distributiekantoor, voorheen was het de bloemenwinkel van J. Kehl. Dorpsstraat 70 in Castricum, circa 1943. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

We waren toen gehuisvest aan de overkant van het gemeentehuis. Het pand brandde in 1944 af om het verdwijnen van bonnen te camoufleren. Ik vermoedde dat er iets van dien aard zou gebeuren, want Piet van der Goes kwam mij, wetende dat ik alleen zou zijn, tussen de middag opzoeken en verkende het hele gebouw. Piet was mijn verzetshoofd, die ik veel geholpen heb. Ik stelde hem nooit vragen, maar hij liet mij na de brand weten dat hij daarvoor mede verantwoordelijk was.

De administratie van de distributiedienst werd toen ondergebracht in het gemeentehuis en zodoende deelde ik mijn lessenaar met Piet Gomes. Deze hielp veel in de kluis om de distributiebonnen in en uit te boeken en te controleren aan de loketten.

Ik was een grote flirtster en zodoende werden er nogal wat mannen op me verliefd. Tot groot voordeel van de verzetsbeweging kon ik van alles en nog wat doen. Zo wond ik de NSB-ers en als het te pas kwam ook de Duitsers om mijn vinger.

Beeld van de Dorpsstraat in oorlogstijd (1942). Achrer het publiek rondom de ijscoman is het distributiekantoor zichtbaar.
Beeld van de Dorpsstraat in oorlogstijd (1942). Achrer het publiek rondom de ijscoman is het distributiekantoor zichtbaar.

Collega’s bij de gemeente waren onder anderen Jan Krom (ook een verzetswerker in Uitgeest), Admiraal, Tervoort en Koelman. Andere namen zijn me ontschoten.

Distributiecollega’s waren directeur Nielen, Verhoeven, Van Aalst, Iepenga, Ewald, Kemmink, Denneman, De Smalen, De Vries, De Boer en twee NSB-ers, waarvan ik de namen vergeten ben.

Piet Gomes, Verhoeven en Iepenga zorgden voor de bonkaarten voor de onderduikers. Toen we naar de Zaan geëvacueerd werden, nam ik deze kaarten vaak mee in de trein en bezorgde ze dan bij Verhoeven thuis. Hij zat zelf in de trein, maar het was te gevaarlijk voor een man om ze bij zich te hebben. In geval de Duitsers de trein kwamen doorzoeken, was het makkelijker voor een jong meisje om er doorheen te komen. Gelukkig is er nooit iets gebeurd.

Burgemeester Masdorp neemt de door de geallieerden gedropte voedselpakketten in ontvangst.
Burgemeester Masdorp neemt de door de geallieerden gedropte voedselpakketten in ontvangst. Castricum, 3 mei 1945. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Omdat het kantoor van Piet Gomes naast de kamer van burgemeester Masdorp was, wisten we meestal wanneer deze buiten de deur was. Dan kon ik gauw een stempel met zijn handtekening of een belangrijk document wegnemen en weer terugplaatsen. De burgemeester, die NSB-er was en in mijn ogen een oude vent, werd ook verliefd op me. Ik moest hem niet, maar kon hem niet afpoeieren, omdat ik regelmatig in zijn kamer moest zijn om het nodige te stelen.

Zoals gewoonlijk vroeg ik nooit waarom iets nodig was, hoe minder te weten hoe beter. Dat gold ook voor mijn koerierswerk. Ik wist niet wat de inhoud van enveloppen of pakjes was. Het gebruikelijke herkenningsteken was altijd de klop van Beethovens 5e symfonie.

Stencilmachine gebruikt voor het illegale blaadje De Strijd in de Tweede wereldoorlog.
Stencilmachine gebruikt voor het illegale blaadje De Strijd in de Tweede wereldoorlog. Een stencil is een sjabloon gemaakt van een materiaal dat inkt doorlaat en waarmee afdrukken kunnen worden gemaakt. Tentoonstelling Tweede Wereldoorlog Werkgroep oud Castricum. Toegevoegd.

Krosschell was een heel belangrijk persoon in de verzetsbeweging, maar ik weet niet of hij het hoofd was. Hij was altijd hulpvaardig en een goed mens. Ik kende hem alleen door de bulletins van radio Oranje, die ik bij hem thuis uittikte en op stencil afdraaide. Dan vouwde ik de stencils op, stopte ze onder mijn jas en bracht ze rond naar de verschillende adressen. Ik was nooit bang, want iedereen dacht dat ik maar de gek speelde.


Jaarboek 30, pagina 30

Met Piet van der Goes, die een heel voorname rol in de verzetsbeweging speelde, had ik het meeste contact. Wij waren heel goede vrienden. Gedurende zijn onderduiktijd zagen we elkaar niet zoveel, ofschoon ik wist waar hij zat; dat was in een huis aan het eind van de Geelvinckstraat.

Piet liet me een fiets gebruiken van de burgemeestersvrouw, die nooit haar fiets hoefde in te leveren. Hij nam me ook mee achter op de motorfiets naar de bunkers in de duinen om de Engelse troepen te ontmoeten, die zich daar hadden gevestigd.

Links de marechaussee E.H. Surksum.
Deze foto is genomen vlak na de bevrijding. Links de marechaussee E.H. Surksum en rechts een lid van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Dorpsstraat in Castricum, 1945. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Ik kwam ook in contact met vele marechaussees, want die moesten ons bewaken bij het vervoer van bonkaarten naar Limmen of Uitgeest. Het vervoer vond plaats in een auto van Dijkhuizen, die een apparaat bevatte dat met hout werd gestookt om kracht te maken voor de motor. Dit ging met horten en stoten en soms begon het apparaat te koken, waardoor de chauffeur met al zijn kracht aan het stuur moest hangen. Dikwijls vlogen we de kant in en zaten we in spanning. Soms was burgemeester Masdorp er ook bij, want die was eveneens burgemeester van Uitgeest.

Taxi's en trouwauto's van garage Dijkhuizen.
Taxi’s en trouwauto’s van garage Dijkhuizen. Van der Mijleweg 1 in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In het begin van mijn verzetswerk wist mijn familie (moeder en twee broers) daar niets van, totdat ik door Piet van der Goes gewaarschuwd werd voor een razzia. Ik moest alles verbranden wat er in huis was aan blaadjes enzovoorts. Toen moest ik wel met het geheim voor de dag komen en ik zal maar niet de boze woorden herhalen, die ik toen te horen kreeg. Niemand sliep die nacht, want er was een razzia bij de buurman die opgepikt werd. We woonden toen in Koog aan de Zaan.

In het verzetsleger kende ik verscheidene namen, maar ik weet er nu nog maar een paar. Namen als Niek Bakker, Tiemstra en Koelewijn heb ik onthouden. Ik had foto’s van het verzetsleger, maar heb die helaas al jaren geleden weggedaan, denkende dat die tijd voorbij is en niemand daarin meer is geïnteresseerd, vooral niet in Zuid-Afrika. De mannen droegen blauwe overalls en hadden geweren over de schouder. De foto’s waren gemaakt door fotograaf De Smalen.

Achter bakkerij Brakenhoff het huis van Jacobs.
Achter bakkerij Brakenhoff het huis van Jacobs. Burgemeester Mooijstaat in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De gaarkeuken was tegenover het station naast de bakkerij op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat. De kok was Jacobs, die in dezelfde straat woonde. Het voedsel was gewoonlijk kool, biet en raap.
Lekker was het niet, maar het was eten, ook al vonden we er soms spinnen of andere insecten in.

Direct na de bevrijding haalden de mannen van het verzetsleger de NSB-ers met hun vrouwen en grote kinderen uit hun huizen en zij werden op Duin en Bosch in een paviljoen achter tralies opgesloten. Daar gingen Van der Goes en ik dan naar toe om ze te registreren. Ik denk wel dat ik een grote grijns op m’n gezicht had. Er waren ook meiden bij die altijd lagen te vrijen met de Duitsers. Ze waren doodsbenauwd dat hun hoofden kaalgeschoren zouden worden, wat veel gebeurde in die tijd.

De medewerkers van de distributiedienst in 1946 in de tuin achter hel kantoor. V.l.n.r.: slaand: Mar Quatfass, Tiny Gorter; Riek de Groot en Mien Schermer; zittend: Kemming, Janny Roemer; De Nooy, Trees de Nooy, Hein Zonjee, Tiny Boot en Van Zweden.
De medewerkers van de distributiedienst in 1946 in de tuin achter het kantoor. Van links naar rechts staand: Mar Quatfass, Tiny Gorter; Riek de Groot en Mien Schermer; zittend: Kemming, Janny Roemer; De Nooy, Trees de Nooy, Hein Zonjee, Tiny Boot en Van Zweden.

Ik wil ook nog een gebeurtenis vertellen, die niets te maken heeft met het verzet.

Locomotief met camouflage kleuren.
De locomotief is in camouflage kleuren geschilderd. Zeeweg in Castricum, 1942. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het was zaterdag en een prachtige zomerdag. Alle distributiecollega’s gingen per trein naar huis, want we waren geëvacueerd. We waren allemaal vrolijk gestemd en zaten bij elkaar in de eerste wagon te lachen en te praten. Opeens doken er twee Engelse vliegtuigen uit de lucht en begonnen de trein te beschieten. De bestuurder wist de trein te stoppen net voordat hij stierf.

Het zusje van collega De Vries, dat tegenover mij zat, viel dood neer. Collega Ewald kreeg een kogel in zijn been en overleed hieraan een paar maanden later. Ik had alleen maar scherven in mijn billen, die er wel uitgehaald moesten worden door een dokter. Het was een afschuwelijke gewaarwording, temeer omdat het Engelse vliegtuigen waren. Er werd toen wel op ze gevloekt, want ze zagen duidelijk dat het een passagierstrein was, vooral toen we er verwilderd uitsprongen. Desondanks bleven ze schieten.

Theo Weda in uniform van de Binnenlandse Strijdkrachten op wacht voor het gemeentehuis.
Theo Weda in uniform van de Binnenlandse Strijdkrachten op wacht voor het gemeentehuis. Dorpsstraat 65 in Castricum, 15 mei 1945. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De grootste herinnering aan die periode is tot slot de dag na de 5e mei, toen het Castricumse verzetslegertje marcheerde voor het gemeentehuis en ik naast de gauw gekozen ‘burgemeester’ Nielen (het hoofd van de distributiedienst) stond. Dat was voor mij een hele eer, ofschoon het eigenlijk niets betekende. Ik zag mij namelijk nooit als heldin en deed alleen maar wat nodig was. Er zijn veel grotere daden verricht, ik was maar een kleine schakel.”

Tiny van Vlaanderen-Boot

Bevrijdingsfeest bij het gemeentehuis.
Bevrijdingsfeest bij het gemeentehuis. Het bordes is versierd met bloemen en de vlag. Dorpsstraat 65 in Castricum. 15 mei 1945. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

17 januari 2022

Kortenoever, Eldert (Jaarboek 29 2006 pg 53-60)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 29, pagina 53

Wie was … Eldert Kortenoever

De naam Kortenoever zal bij veel Castricummers herinneringen oproepen. Misschien aan kinderspelen op het kampeerterrein, volksdansen, het Wegwijsmuseum, een excursie in het duingebied of de jaarlijkse paddestoelententoonstelling.

Eldert Kortenoever woonde in een kleine idyllische woning bij de Kruisberg in Heemskerk, maar zijn arbeidzame leven speelde zich vooral in Castricum af. In zijn jonge jaren leverde hij verrassend grote sportieve prestaties. Hij nam het initiatief voor de oprichting van de Vogelwerkgroep Castricum en was vanaf het eerste uur lid van de werkgroep Oud-Castricum.

Hij had een fabelachtige kennis van de natuur en hield ervan die wetenschap uit te dragen en ook anderen enthousiast te maken. Voor zijn werk ontving hij de ere-medaille van de provincie en werd hem de Heimans- & Thijsse-prijs toegekend.

Een nog jonge Eldert leidt een excursie in het duingebied.
Een nog jonge Eldert leidt een excursie in het duingebied.

Eldert Kortenoever werd op 30 november 1913 in Naarden geboren. Hij was de zoon van Johannes Kortenoever en Annie Appels. Vader Kortenoever had het gymnasium doorlopen en studeerde enige jaren medicijnen. Door een val in een zwembad venninderde zijn concentratievermogen zodanig dat hij zijn studie niet meer kon vervolgen. Zijn ouders, leden van een vooraanstaande familie uit Gouda, kochten in Naarden een kwekerij voor hem.

Zij zorgden er ook voor dat Johannes een huishoudster kreeg. Dat werd Annie Appels. Er groeide een relatie tussen hen en in 1913 trouwden ze. Nog in hetzelfde jaar werd Eldert geboren en in de jaren daarna kreeg hij nog drie broers, Jan, Kees en Nico. Eldert logeerde regelmatig bij zijn Goudse familie. Hij heeft altijd met plezier ternggekeken op die periode uit zijn leven. De familie kenmerkte zich door een beschouwende, filosofische en religieuze instelling, eigenschappen die bij Eldert terug te vinden waren in zijn manier van enthousiasmeren van anderen waar het om natuurbeleven en natuurschouwen ging.

In 1923 moest de kwekerij van zijn ouders plaatsmaken voor een snelweg. Het gezin week uit naar ‘s-Graveland. De nieuwe kwekerij lag op een prachtige plek, het was een terrein dat omsloten werd door landgoederen als het Corversbosch en Gooilust. De omgeving was en is nog steeds bijzonder vogelrijk. Als jongetje van 12 jaar ging Eldert in elk gat of elke spleet op zoek naar vogelnesten.

Hij volgde een opleiding aan de tuinbouwschool in Boskoop. Opnieuw werd de familie uit Gouda belangrijk, want vanuit deze plaats ging Eldert naar school. Na zijn opleiding ging hij in de boomkwekerij van zijn vader aan het werk.
De mooie omgeving van de boomkwekerij, met in de maand mei rondom zingende nachtegalen, is als bakermat te zien voor de jaarlijkse nachtegalen excursies die Kortenoever later in het duingebied van Castricum organiseerde.

Jaap Taapken, publicist en fotograaf, een vriend van Kortenoever uit hun NJN-tijd (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie), vertelde daarover het volgende: “Voor de oorlog werd ’s nachts met zware ingewikkelde apparatuur door radiomensen de zang van nachtegalen opgenomen. Deze nachtegalen zang kon men later bij veel radiohoorspelen beluisleren. Het fragment was herkenbaar aan het geluid van een tijdens de opname met grote snelheid passerende oude Ford.”

‘s-Graveland heeft een waterrijke omgeving. Een omgeving vol sportieve uitdagingen. De gebroeders Kortenoever namen uitbundig deel aan diverse sporten. Zomers veel zeilen en zwemmen en in de winter schaatsen. Broer Jan werd in de jaren (negentien) vijftig schaatstrainer en was betrokken bij de oprichting van de internationale sportbond voor rodelen. Kees, architect van beroep, werd een bekende ijs- en strandzeiler, waarover later meer.

Eldert specialiseerde zich in schoonspringen, de schoolslag en pop-duiken. Hij nam zowel deel aan plaatselijke, regionale als landelijke wedstrijden. Een blikje vol ouderwets mooi uitgevoerde medailles vormen een herinnering aan zijn prestaties. Hij was lid van zwemvereniging ‘de Zuwe’ in Kortenhoef. Later toen hij in Heemskerk woonde, heeft hij zich nog ingezet voor de realisering van een zwembad; een buitenbad in het water rond Fort Veldhuis en in zijn vrije tijd heeft hij nog als badmeester gewerkt.

Natuurstudie bleef zijn voornaamste hobby. In 1931 richtte hij met de bioloog Herman van Genderen en de scheikundige, tevens vogelwaarnemer Be Wolff, in Hilversum een afdeling op van de NJN. Eldert Kortenoever viel toen al op door zijn enthousiasme, organisatievermogen en vogelkennis. In 1936 maakte hij plannen voor een natuurhistorische tentoonstelling voor de afdeling Hilversum van de NJN. Het werd een enorm succes. De tentoonstelling trok een voor die tijd opvallend groot aantal bezoekers. Er was een prachtige catalogus uitgebracht, waarin behalve een bijdrage van Eldert, bijdragen van de bioloog Victor Westhoff en de eerder genoemde Be Wolff en Herman van Genderen waren opgenomen. Het werd voor hem een start van een leven dat in het teken stond van natuureducatie en waarin hij vele tentoonstellingen op dat gebied zou vormgeven.

In 1938 begon Kortenoever met het ringen van vogels. Hij heeft dat meer dan 50 jaar volgehouden. Het is mogelijk dat er nu nog koolmezen rond de Kruisberg vliegen die door hem geringd zijn.
Ook in het jaar 1938 ging hij met ornitholoog Luuk Tinbergen, jongere broer van de latere Nobelprijswinnaars Jan en Nikolaas Tinbergen, op Schouwen de daar broedende Grote Sterns ringen.


Jaarboek 29, pagina 54

Er kwamen bijzondere terugmeldingen. Deze terugmeldingen vormden de sleutel voor de onthulling van geheimen over de plaatsen waar de vogels overwinteren. Zo kwamen er berichten uit. West-Afrikaanse kustzeeën: Dakar, Senegal, Kreta, Ghana, Port Etienne (Mauritanië).

PWN

In de moeilijke jaren voor de Tweede Wereldoorlog, de crisistijd, vond Kortenoever op de Volkshogeschool Allardsoog te Bakkeveen als leider van praktische werkzaamheden voor jongeren, een zeer veelzijdige werksituatie. De taken die hij moest uitvoeren waren vormend. De sfeer in Bakkeveen werd gekenmerkt door een grote mate van inspirerende saamhorigheid. Werken en vorming gingen hand in hand. Er ontstond een voedingsbodem voor samenwerking en communicatie. Kortenoever heeft in latere uitdagingen die hij aanging veel gehad aan zijn in Bakkeveen opgedane ervaringen.

Per 1 april 1940 werd Kortenoever aangesteld bij de afdeling terreinen van het Provinciaal Waterleiding Bedrijf van Noord-Holland (PWN) en aanvankelijk belast met toezicht op de werkzaamheden in het Heemskerkse duinterrein. Vervolgens werd hij ingezet op de kwekerij aan de Zeeweg, werk waarvoor hij een opleiding had genoten en waarin hij de nodige ervaring had opgedaan.

Op 7 mei 1942 trouwde Kortenoever met Betty Frapon. Betty werkte als verpleegster in een kinderziekenhuis in Baarn. Tijdens een volksdansfeest in Hilversum heeft Kortenoever Betty leren kennen. Slechts kort verbleef het jong paar in het Gooi.

Het Voerhuis bij de Kruisberg in Heemskerk, waar de Kortenoevers ruim zestig jaar hebben gewoond.
Het Voerhuis bij de Kruisberg in Heemskerk, waar de Kortenoevers ruim zestig jaar hebben gewoond.

Het PWN bood woonruimte aan in het duingebied bij de Kruisberg in Heemskerk. Dit huis droeg de naam ‘Voerhok’, omdat baron Van Tuyll van Serooskerken, de voormalige eigenaar van het duingebied, het huis gebruikte om voer op te slaan voor de fazanten, die voor de jacht waren gekweekt. Kortenoever verbouwde de schuur tot een woning, waardoor het ‘voerhok’ kon worden omgedoopt tot ‘voerhuis’. Tot vandaag de dag draagt het huis die naam.

Het huis was aanvankelijk nauwelijks geschikt als woning. Een stenen vloer, een pomp, geen elektriciteit, het was niet eenvoudig om te starten. Het gemis aan comfort werd ruimschoots gecompenseerd door de prachtige natuur rondom het huis. Vlakbij stonden nog enige woningen, waaronder het jachthuis van baron Van Tuyll van Serooskerken, dat door het echtpaar Baltus werd bewoond. De baron kwam er regelmatig logeren en nam dan deel aan jachtpartijen. Verder woonden er nog drie gezinnen, onder andere het gezin van Bruinekool, een jachtopziener die nog in dienst was geweest van de baron en daarna in dienst trad van het PWN.

Oorlog

De leden van deze kleine gemeenschap konden gedurende de oorlogsjaren in het duingebied blijven wonen. Als tegenprestatie voor dit woonrecht moesten de mannen wachtlopen om zo te voorkomen dat de bossen gekapt werden. Dit ging soms met een knipoog naar de naar hout op zoek zijnde dorpsbewoners. Het was spannend, maar op de een of andere manier waren alle partijen tevreden. Het wachtlopen bij het pompstation van het PWN was extra moeilijk, omdat rondom de brandbommen naar beneden kwamen. Alle bewoners van de Kruisberg hebben deze moeilijke situaties overleefd. Ook werden er dennen geplant bij de Weierij aan de Bredeweg in het Bakkumse duingebied. Een deel van deze dennen is op dit moment als volgroeid bos, rijp voor de kap, terug te vinden.

Op 28 juni 1943 werden de huizen aan de Kruisberg getroffen door granaten afkomstig van zwaar geschut dat voor de jeugdherberg Koningsbosch stond. Daar vandaan werd er geoefend met als doel een vlot dat in zee lag. Er was duidelijk sprake van afzwaaiers. De bewoners van de Kruisberg ontkwamen ternauwernood.

Kortenoever vertelde over dit incident dat ze voor het huis een Duitse wacht heen en weer zagen lopen. Ineens zagen Betty en hijzelf die wacht hard wegrennen. Een onbekend geluid drong het huis binnen. Na een korte discussie besloten ze het huis te verlaten, in strijd met de geldende richtlijn om bij onraad een schuilplaats binnenshuis te zoeken. Het is maar goed geweest dat ze dat advies niet opgevolgd hebben. Samen zijn ze zijn het duin uitgerend en achter hen sloegen granaten kraters in de grond. De achterkant van het Voerhuis werd eraf geschoten. Een stuk muur bungelde alleen nog aan een kraan.

Na deze ‘miniramp’ kregen de Kruisbergbewoners enkele uren de tijd om zich tijdelijk te vestigen op het Duinerwalletje, een gedeelte van het dorp Heemskerk dat vlak bij het duingebied ligt. Toch konden de bewoners hier niet blijven. De gezinnen kregen een evacuatie adres toegewezen op de Oosterweg, totdat hun woning bij de Kruisberg weer hersteld was.

In december 1943 kwam er een Lancaster bommenwerper neer boven de Kruisberg. Het vliegtuig spatte gewoon uit elkaar. Jan Zonneveld, buurman van de familie Kortenoever, vertelt erover: “De dennen rond de Kruisberg achter de boerderij waren in één klap zonder top.” Zonneveld herinnerde zich dat hij samen met Kortenoever de massieve banden van het staartwiel van de Lancaster heeft kunnen bemachtigen. Uit dit wiel sneden ze rubberen stroken die ze als banden voor fietsen konden gebruiken. Toen de Duitsers lucht kregen van deze onderneming, hebben Zonneveld en Kortenoever de resten van het rubber begraven in de kippenren bij het Voerhuis. Na de oorlog is Jan Zonneveld nog op zoek gegaan naar het rubber; het was onvindbaar.

Heel veel jaren later, na de dood van de heer Kortenoever, brak diens zoon Dirkjan de volière af in diezelfde kippenren. Bij het uitgraven van de palen kwamen resten rubber te voorschijn. Voor Dirkjan was de hoeveelheid rubber niet te verklaren. Nu anno 2006, door het relaas van Jan Zonneveld, valt het kwartje. Het rubber maakte ooit deel uit van het staartwiel van een neergestorte Lancaster.

Dat het duingebied ook een schuilplaats kon zijn voor onderduikers is moeilijk voor te stellen. Op de zolder van het Voerhuis logeerden regelmatig mannen die een onderduikadres nodig hadden. Het waren oud-NJN’ers, die de naam ‘oude sokken’ kregen, nadat ze 23 jaar geworden waren en de NJN verlieten. De ‘oude sokken’ kregen in het Voerhuis een tijdelijk onderkomen.

Een van hen, Pieter Groot uit Westzaan, vertelt over deze tijd: “De Moffen hielden voor in het duin iedereen tegen. Maar ondanks de oorlogstijd was de omgang met de Duitsers soms soepel. Het gedrag was onvoorspelbaar en wie toch het duin in wilde gaan, nam een groot risico.”

Jaap Kaal, een andere oud-NJN’er, en Pieter Groot reden langs de versperring van de Duitsers. Ze werden niet aangehouden en konden


Jaarboek 29, pagina 55

doorgaan naar de Kruisberg. Eenmaal in het duin bleef het mogelijk vanuit het duin de polder in te gaan om bij boeren voedsel te vragen. Het hebben van genoeg voedsel is het grootste probleem naast de vomtdurende angst voor het onvoorspelbare gedrag van de Duitsers.

Pieter Groot vertelde ook de volgende geschiedenis:
“Kortenoever voerde een handeling uit die in oorlogstijd voorstelbaar was, maar die helemaal niet paste bij een natuurliefhebber. In het duingebied, het voormalige jachtgebied van baron Van Tuyll van Serooskerken, leefden naar verhouding veel fazanten. Vlees was heel schaars en het vangen van fazanten werd heel aanlokkelijk. Kortenoever zag een groot en een klein exemplaar. Hij sprong van zijn fiets en gooide zijn jas over de beide fazanten, draaide de nekken om en nam de fazanten mee naar huis.
De dikste werd door de familie Kortenoever en de gasten opgegeten en met de kleine fazant reisde de heer Kortenoever naar zijn schoonmoeder in Utrecht. Nog voor Kortenoever kon aanbellen bij zijn schoonmoeder, werd de deur opengedaan. “Ik weet wat je bij je hebt, in de tas zit een fazant, maar het is wel de kleinste.” Schoonmoeder heeft ’s nachts gedroomd hoe haar schoonzoon de fazanten ving. Het was wel heel frappant dat ook de informatie over de kleinste fazant in de droom terugkwam.”
Dit verhaal is waarschijnlijk aan heel veel vrienden verteld, want in veel gesprekken kwam dit bijzondere voorval naar voren.

Gezinsuitbreiding

In 1946 werd dochter Hanneke geboren en drie jaar later zoon Dirkjan. De drukke werkzaamheden: de zorg voor het museum, lezingen, excursies, activiteiten voor het kampeerterrein Bakkum, maakten dat Kortenoever niet veel aanwezig was in het gezin. De kinderen kregen op een andere manier zijn aandacht. Zo maakte hij bijvoorbeeld een boorinstallatie van blikken, je kon de boorinstallatie echt in werking stellen. Ook zorgde hij voor veel speelhuisjes en hutten, een juk waaraan je echt emmers kon hangen, enzovoort; attributen waaraan ze veel plezier beleefden.

Tijdens de volksfeesten in Heemskerk maakte Kortenoever versierde wagens, waarin alle kinderen van de Kruisberg een plaats konden vinden.

Er was in het dorp Heemskerk geen openbare school. De maatschappij tot Nut van het algemeen heeft ervoor gezorgd dat er in 1954 een school gesticht kon worden. Kortenoever zette zich ook daarvoor in en werd in 1954 de eerste voorzitter van de oudercommissie.

Vele jaren werd in de herfst de grote paddestoelen tentoonstelling gehouden, waarvoor bij Johanna's Hof een tent werd neergezet.
Vele jaren werd in de herfst de grote paddestoelen tentoonstelling gehouden, waarvoor bij Johanna’s Hof een tent werd neergezet.

Kindercircus

Na de oorlog kreeg Kortenoever een andere taak. Hij werd aangesteld om de recreatieve activiteiten op het PWN-kampeerterrein Bakkum te organiseren. De activiteiten waren heel divers: kinderspelen, volksdansen enzovoort. Op het terrein was een duinpan die ingericht werd als theaterkuil.

Er werd ook een kindercircus opgericht. Kortenoever speelde de rol van circusdirecteur, gekleed in jacquet met een hoge hoed kondigde hij onder andere het circusorkest van ‘groenpetters’ (boswachters) aan. De kinderen traden op als clowns, acrobaten, leeuwen, dansers enzovoorts. Een keer toen de leeuwen gevoerd werden met stukken kantkoek, gaf een klein leeuwtje in plaats van de gebruikelijke grauw in plat Amsterdams het antwoord: “Ik ben al geweest, mijnheer.”

Het paard Arabel, gemaakt van jute zakken, maakte zo’n echte indruk dat kleine kinderen op de voorste rij dachten dat het paard echt was. Later gingen ook de kinderen van de kinderkolonie St. Antonius meedoen met het kindercircus; het werd een grote organisatie. Een van de kleine danseresjes, toen negen jaar, heeft een professionele carrière als danseres gemaakt en werd later directeur en artistiek leider van het Nederlands Danstheater. Haar naam: Marianne Sarstadt.

De act met de 'vallende' blikken in het kindercircus op kamp Bakkum.
De act met de ‘vallende’ blikken in het kindercircus op kamp Bakkum.

Peter de Heer vertelde: “Samen met Dirkjan Kortenoever vormden wij in onze lagere schooltijd een clownsduo voor het kindercircus. We traden op in een grote tent, die later als kerk dienst deed. Onze zeer succesvolle hoofdact was niet eenvoudig en vereiste de nodige training. Kortenoever had een constructie gemaakt, bestaande uit een stok met een plateau, waarop conservenblikken waren opgestapeld. Met die stok moesten we dan balanceren boven de hoofden van de kinderen, die begonnen te schreeuwen als iedereen verwachtte dat de blikken zouden vallen. Dat gebeurde natuurlijk niet, want Kortenoever had een dusdanig mechanisme ontworpen dat de blikken niet naar beneden kwamen. Ook werd ik wel geschminkt om als tijger mee te doen.”


Jaarboek 29, pagina 56

Loods 5

Op het kampeerterrein stonden grote loodsen die in de winter gebruikt werden als opslagplaats voor kampeerhuisjes. ledere loods had een nummer. Kortenoever richtte in een gedeelte van de nog bestaande loods 5 een kleine natuurhistorische tentoonstelling in. De loods had een grote open ruimte met een klein zijkamertje, dat in de oorlog de slaapkamer was geweest van de Duitse oppasser van paarden die in de loods gestald waren. In dat zijkamertje werd eerst de vlinderverzameling van Kortenoever tentoongesteld.

Zijn toenmalige assistent, Klaas Zwart, herinnert zich de kasten met laden, waarin de verschillende verzamelingen getoond konden worden. Er kwamen naast vlinders, laden met eieren en schelpen en andere strandvondsten. In de grote open ruimte was een klein diorama te zien met door Kortenoever zelf geprepareerde vogels. Die techniek hadden zowel Klaas Zwart als Kortenoever geleerd van een preparateur van Artis.

Het museum was ’s avonds tot 22.30 uur open, omdat de meest kampeerders overdag op het strand waren. Dat betekende dat Kortenoever vele avonden moest opofferen. Cor Mooij en Klaas Zwart vielen nog wel eens voor hem in. De activiteiten voor het museum werden door het PWN formeel niet erkend. Die werkzaamheden werden min of meer gedoogd, zodat de uren dat er toezicht werd gehouden niet ‘geschreven’ (niet uitbetaald) mochten worden.

Klaas Zwart was niet alleen betrokken bij de activiteiten in loods 5, maar deed allerlei taken die seizoensgebonden waren. In de winter maakte hij nestkasten met de heer Wentink, de timmerman van het PWN, die op Fochteloo woonde. Die nestkasten werden binnen het PWN-terrein opgehangen, wat gezien de grootte van het terrein een flinke klus was.

Jachtopzienershuis Klein Fochteloo.
Jachtopzienershuis Klein Fochteloo. Zeeweg 1 in Castricum, 1954. Naast Fochteloo staat het houten noodkantoor van PWN. In 1959 werd dit het wegwijsmuseum achter Johanna’s Hof onder leiding van Eldert Kortenoever. De voorkamer in huize Fochteloo  was van de rentmeester een andere kamer voor de refrendaris. Daarachter woonde meneer en mevrouw H.J. Wentink. Zij waren conciërge en timmerman bij het PWN. Collectie PWN – Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op een keer fietsten Kortenoever en Klaas Zwart nog voor zonsopkomst naar de Verbrande Pan in Bergen om daar kasten te gaan plaatsen. Het werk liep flink uit en om 13.30 uur besloten de mannen te gaan lunchen in een door het PWN geplaatste directiekeet. Ze zaten nog nauwelijks of Kortenoever vloog weer overeind, pakte de nestkasten en riep naar Klaas Zwart: “De baas … kom op aan het werk.”

De heer Duinker en ir. Vogelenzang kwamen eens kijken hoe het werk er voor stond. Kortenoever, zich bewust van de niet gebruikelijke lunchtijd, wilde geen verkeerde induk maken en koos ervoor om dan maar weer door te werken.

De persoon van heer Duinker, hoofd van de PWN-terreinen, was een begrip in Castricum. Zijn wil was wet. Om aan materiaal uit zee te komen, voeren Klaas Zwart en Kortenoever ook wel mee met visser Leen Blok uit IJmuiden met de stoomtrawler IJmuiden 9. Grote zeesterren, zeemuizen, inktvissen en allerlei materiaal werd aan boord verzameld. Later kwamen deze dieren in potten met formaline en werden in loods 5 tentoongesteld.

Loods 5 werd ook bezocht door collega-natuurkenners. Er werden materialen uitgewisseld. Zo had Kortenoever contact met Gerrit Jan de Haan van Texel, de grondlegger van het latere ECO Mare en met Cees Sipkes, een plantenkenner van Oostvoorne. Van Sipkes is bekend dat hij op Voorne allerlei planten invoerde die daar niet-inheems waren. Van Kortenoever kreeg hij onder andere zaad van het slangenkruid.

Met Kortenoever op excursie.
Met Kortenoever op excursie.

Vanaf Loods 5 werden zeer regelmatig excursies georganiseerd met verschillende bestemmingen: de visafslag in IJmuiden, de Hoogovens, de abdij in Egmond en natuurlijk tochten in het duingebied rondom het kampeerterrein. Aan de excursies naar de Hoogovens en naar de abdij mochten alleen mannen deelnemen. Hoogovens vond het onverantwoord om vrouwen toe te laten en ook de monniken in de abdij hadden er kennelijk moeite mee.

Als bestuurder van de jeugdherberg Koningsbosch had Kortenoever volksdans cursusleider Chris de Vries uit de Zaanstreek leren kennen. Enthousiast gemaakt door Chris de Vries begon Kortenoever ook op het kampeerterrein met het aanbieden van voornamelijk Hollandse en Engelse dansen.

De functie van Kortenoever veranderde later opnieuw. Hij werd door het PWN aangesteld als voorlichtingsambtenaar. Zijn taak werd breder, er vonden meer excursies voor scholen en meer lezingen plaats en er werden tentoonstellingen in allerlei dorpen in Noord-Holland georganiseerd. Ook Cor Mooij zette zich voor de tentoonstellingen in. Hij herinnert zich wel dat het voor Kortenoever moeilijk was om zijn werk goed te plannen en alles op tijd klaar te hebben, maar met collegiale steun kwam het toch altijd weer in orde.

In de loop van de jaren (negentien) vijftig zag het PWN de permanente tentoonstelling toch ook als een belangrijk element van het voorlichtingsprogramma. Een noodgebouw, dat overbodig was geworden door de ingebruikneming van het kantoor in de villa Fochteloo,
werd verplaatst naar een terrein tegenover het kampeertenein Bakkum. In dat gebouw kon Kortenoever een nieuw natuurhistorisch museum inrichten, dat de naam ‘Wegwijsmuseum’ kreeg. Rond het gebouw werd een tuin aangelegd met typische duinplanten en allerlei voorwerpen die op het strand gevonden waren. Zelfs een mijn kreeg een plaats in de tuin, maar ook allerlei soorten drijvers van visnetten.

Vlak bij het gebouw werd een duinpan gegraven. In de duinpan bloeiden duinroosjes, parnassia, brunel en verschillende soorten orchideeën.
De inrichting deed denken aan de inrichting van loods 5. Voor een diorama was minder ruimte, maar de verzamelingen werden uitgebreid met nieuwe onderdelen. Zo kreeg heemkunde een plaats in het museum. Informatie over de ruïne in Egmond, over de slag bij Castricum en over de vroegste bewoning van de duinstreek was er ook te vinden.


Jaarboek 29, pagina 57

 Wekelijks overleg medewerkers van het PWN in kantoor Fochteloo.
Wekelijks overleg medewerkers van het PWN in kantoor Fochteloo. Van links naar rechts ir. H. Veenendaal (directie PWN terrein), J A.C. Klok (beheerder terrein Castricum), J. Joosse (administrateur), E.J. Kortenoever (Wegwijsmuseum), D. van der Zee (chef jachtopziener), W. van Hiele (hoofd terreinen), H. Donker (camping Geversduin), H. Hartman (camping Bakkum), JB. Verink (beheerder terrein Bergen, Egmond, Bakkum-Noord), H.J. van Elven (beheerder duingebied Heemskerk), C. Klaassen (administratie).

Vrienden voor het leven

Voor niet-katholieken was ‘het Nut’een belangrijke vereniging (red: Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, een Nederlandse vereniging ter bevordering van het welzijn van individu en samenleving). Het Nut had een bibliotheek en organiseerde daarnaast veel activiteiten voor de leden.

en van die activiteiten was de duinexcursie, die twee keer per jaar plaatsvond. Aan die excursies namen ook heel jonge deelnemers van 12 jaar deel. Eén van die jonge deelnemers of misschien zelfs de jongste, Jan Huisman, vertelde over die tijd: “Samen met een vriend Piet Honig ging ik vooraf aan de excursie op zoek naar nesten die tijdens de excursie getoond kunnen worden. Het ging om nesten van de nachtegaal en staartmees.”

Kortenoever nodigde de jongens uit om mee te gaan met een excursie naar het Zwanenwater. De excursie was bestemd voor leden van de Vereniging voor Vogelbeschenning. Op de fiets naar het Zwanenwater, een flinke afstand. De jongens bleken de enige jongeren en argwanend werd aan Kortenoever gevraagd of de jongens wel lid waren van Vogelbescherming. Kortenoever gaf als antwoord dat het jeugdleden waren. Waarschijnlijk zijn Huisman en Honig in naam de eerste jeugdleden geweest. De vriendschap tussen Kortenoever, Huisman en Honig bleef gedurende hun hele leven bestaan. Tot aan de dood van Kortenoever bleven ze samen genieten van staartmezen die vlak voor het raam van de verpleeginstelling kwamen.

Piet Honig heeft lange tijd in Canada gewoond. Kortenoever en Huisman zijn samen nog naar Vancouver gereisd om daar samen met Piet Honig te genieten van de rijke natuur. Vol verhalen over vogels die ze nooit hadden gezien, maar waarvan ze de namen wel kenden. Kortenoever had een uitgebreide postzegelverzameling met als thema flora en fauna.

Jaarlijks bezoekt Honig nu (in 2006) nog steeds het duingebied, meest in de tijd dat de nachtegalen zingen. Wie in de maand juli gaat wandelen bij de Kruisberg, kan op de hoogte van het Voerhuis een geel bloeiende plant vinden; een plant die veel lijkt op het zonneroosje dat in sommige tuinen staat. Het is een door Kortenoever meegenomen plant uit Canada, die zich in de ruige, kalkarme grond van de duinen goed thuis voelt.

Het ringen van een jonge vogel.
Het ringen van een jonge vogel.

De laatste ‘griel’

Naast de diverse taken die bij zijn baan hoorden, had Eldert ook als vrijwilliger een taak op zich genomen die dicht bij zijn werk lag. In 1945 slaagde hij voor het examen controleur vogelwet. De taak werd beschreven als ‘onbezoldigd rijksveldwachter’ van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk. Na het examen volgde een beëdiging. Optreden kon deze bijzondere ambtenaar pas als de overtreder na diverse gesprekken niet wilde luisteren. In het bijzijn van de plaatselijke politie werd dan een proces-verbaal opgemaakt.

Kortenoever is actief geweest om de laatste ‘griel’, een bijzondere vogel, in Nederland van de ondergang te redden, wat helaas niet gelukt is. De griel komt nu alleen nog in Afrika voor. In het PWN-terrein werd deze vogel nog tot 1950 waargenomen. De vogel werd extra in de gaten gehouden en de eieren werden in het nest regelmatig geteld. Er werden steeds eieren gemist en Kortenoever kreeg in de gaten dat een man de eieren roofde voor een privé-verzameling. Samen met de plaatselijke politie werd een huiszoeking gedaan, waarbij ze maar liefst twintig eieren vonden. Het opmaken van een proces-verbaal en inbeslagname van de eieren volgde.

Elfstedentocht

Kortenoever bleef naast zijn drukke werkzaamheden tijd vrijmaken voor een van zijn sportieve hobby’s. In Bakkum, bij de Vereniging Kennemer IJsbaan, trainde hij samen met een groep mannen het hele jaar voor deelname aan een eventuele Elfstedentocht, maar ook voor de dorpentochten in Noord-Holland zoals de Molen-Merentocht. In de winter, als er voldoende ijs was, reden ze vele wedstrijden op de ijsbaan in Bakkum.

Om sterke benen te krijgen renden ze, gekleed in een voor die tijd opvallend strakke schaatsbroek, duin op duin af. In 1956 was het zover, de groep stond ingeschreven voor de Elfstedentocht en ondanks het slechte ijs en de strenge vorst wisten ze de tocht te volbrengen.


Jaarboek 29, pagina 58

Ook trainde hij wel alleen in het Heemskerkse duingebied. Tegenwoordig is het duinterrein vol mensen die voor de een of andere sport trainen en zijn er speciale parcoursen. In 1956 bleef een wandelaar nog staan om naar de ‘sportieveling’ te kijken.

Met de zelfgebouwde strandzeiler in actie op het strand tussen Castricum en Heemskerk.
Met de zelfgebouwde strandzeiler in actie op het strand tussen Castricum en Heemskerk.

Strandzeilen

Toen Eldert en zijn broer Kees in hun jeugd een ijszeiler bouwden met behulp van een oude strijkplank, hadden ze nog geen flauw idee dat dit de grondslag vormde voor de latere kleine ijs- en strandzeilers in Nederland en daarbuiten. Het is onduidelijk wie van de twee begonnen is met een vast zeil aan een draaiende mast, want beide broers vertelden hetzelfde verhaal over die eerste experimenten. Kees was gek op zeilen en hij specialiseerde zich ook in het ijszeilen. Hij maakte een ijszeiler op basis van tekeningen die hij uit Amerika had meegenomen. Het was van de zogenaamde DN, een ijszeiler die via een ontwerp-wedstrijd van de ‘Detroit News’ ontstaan was. In 1962 werd Kees de eerste Nederlands kampioen ijszeilen en in 1966 zelfs Europees kampioen. Hij richtte in 1963 de DN-ijszeilvereniging Nederland op.

Dirkjan, de zoon van Eldert, bouwde een karretje voor op het strand. Het karretje had een vierkant zeil en kon alleen met de wind in de rug een stukje rijden. Een DN-ijszeiler kon scherp aan de wind zeilen en Eldert besloot op basis van de tekeningen van broer Kees een DN te bouwen voor gebruik op het strand. Gebruik werd gemaakt van bekistingmateriaal van Hoogovens en oude bouten en ijzeren platen van het PWN. De wielen en de stuurinrichting werden bij de sloop gevonden. Broer Kees kwam met een mast en een zeil van een DN-ijszeiler langs, zodat eindelijk gekeken kon worden of een ijszeiler op wielen mogelijk was. Ze gaven het voertuig de naam ‘Akka’, vermoedelijk naar de leidster van de groep wilde ganzen uit het boek ‘Nils Holgerssons wonderbare reis’ van Selma Lagerlöf.

Ze sleepten de eerste Akka naar de strandopgang van Bakkum en tot hun groot genoegen bleek de nieuwe strandzeiler heel scherp tegen de wind te kunnen zeilen, zodat tochten naar Bergen of de Noordpier mogelijk waren.
Kees Kortenoever verbouwde intussen in ‘s-Graveland nog twee ijszeilers tot strandzeilers, zodat hij samen met Eldert aan wedstrijden kon deelnemen.

Bij de Europese kampioenschappen in Denemarken in 1963 wisten de deelnemers niet wat ze zagen. Tussen de wagens met gigantische zeilen reed ineens een wagentje met een zeiloppervlak van 6 vierkante meter. De start was een sensatie. De Akka stoof na het startschot weg, zelfs voordat de eerste grote strandwagens op gang waren gekomen. Op de lange stranden lag de topsnelheid van de reuzen veel hoger, zodat de DN toch als laatste binnenkwam. Dat ritueel herhaalde zich elke wedstrijd. Toch was men internationaal onder de indruk.

Vooral het scherp aan de wind kunnen zeilen en de lage bouwkosten speelden hierbij een rol. Toen ze in 1966 in Engeland meededen aan de Europese kampioenschappen was er al een aantal DN-strandzeilers gebouwd en bij de Europese kampioenschappen in Frankrijk was er een speciale klasse voor kleine strandzeilers. Wat ooit begon met een paar plankjes en onderdelen van de sloop, was tot een heuse sport uitgegroeid.

Vogelwerkgroep

In 1958 nam Kortenoever het initiatief voor de oprichting van de Vogelwerkgroep Castricum, samen met Koos Borstlap en Gerard Klaasse. Bij de oprichtingsvergadering op 10 april 1958 waren behalve de eerstgenoemden, P. Brakenhoff, D. van Deelen, J. Mulder en W. Verkerk aanwezig.

Nu heeft de werkgroep 210 leden. Inventarisatie van de vogelstand was de eerste activiteit van de werkgroep. Volgens de methode Tinbergen werd de zang van de mannetjes in kaart gebracht en werd er vervolgens gezocht naar nesten. In 1963 komt er na veel voorbereidende werkzaamheden in het duingebied een vinkenbaan voor het vangen en ringen van vogels.

In de jaren (negentien) zestig heeft Kortenoever contact onderhouden met veel ‘vogelvrienden’, zoals blijkt uit bewaard gebleven brieven. Men wisselde niet alleen informatie uit over vogels. Zo filosofeerde de bekende publicist Jan P. Strijbos met hem over het proces van ouder worden en meldde dat hij op zijn vijfenzestigste niet met pensioen zou gaan. Dat heeft Strijbos inderdaad waargemaakt; tot ver in de tachtig heeft hij artikelen geschreven. Cynisch merkte hij in een van zijn brieven op: “Oud worden vraagt een zekere bekwaamheid en talent in het oversteken van straten.”
Het was bijzonder dat een publicist van boeken over verre streken als IJsland of de Galapagos eilanden en die lange tijd ver van huis verbleef, in een brief zo dichtbij kon blijven.

Heimans- & Thijsse-prijs

Op 13 september 1969 werd Kortenoever onderscheiden met de Heimans- & Thijsse-prijs. De prijs werd uitgereikt door zijn oud NJN-vriend professor Victor Westhoff.

Het was dezelfde Westhoff waarmee hij in de jaren (negentien) dertig zijn eerste natuurhistorische tentoonstelling inrichtte. Westhoff benadrukte dat Kortenoever de prijs niet in de eerste plaats ontving om zijn grote deskundigheid op het gebied van natuurstudie. De prijs werd vooral aan hem toegekend op grond van een andere professionaliteit, namelijk de wijze waarop Kortenoever het publiek dat het Noord-Hollands duingebied bezoekt, voorlichtte over alles wat met natuur en natuurbehoud te maken heeft.

Prof. Westhoff: “ik kan daardoor uit eigen ervaring verklaren dat je niet alleen van jongs af aan met hart en ziel natuurliefhebber en in de eerste plaats vogelman bent geweest, maar dat je ook altijd de roeping hebt gevoeld en de bijzondere gave hebt gehad, je medemensen belangstelling en bewogenheid voor onze medeschepselen bij te brengen.”

Oud-Castricum

In 1967 heeft Derk van Deelen aan Kortenoever gevraagd of hij deel wilde uit maken van de op te richten werkgroep Oud-Castricum. Zijn belangstelling voor archeologie was al gebleken uit de plaats die hij in het duinmuseum had ingeruimd voor bodemvondsten. Ook bij archeologisch onderzoek in de duinen was Kortenoever steeds te vinden. Tot op hoge leeftijd nam hij deel aan de activiteiten van de werkgroep. Hij kon heel goed kalligraferen en bij de eerste door de werkgroep verzorgde tentoonstellingen werd daar dankbaar gebruik


Jaarboek 29, pagina 59

van gemaakt. Veel door hem verzamelde bodemvondsten en gereedschappen, onder andere van schelpenvissers en het boerenbedrijf, schonk hij aan de werkgroep.

Interieur van het Wegwijs museum.
Interieur van het Wegwijs museum.

Bezoekerscentrum

In 1967 werkte Kortenoever mee aan een 1 aprilgrap. In het Nieuwsblad voor Castricum werd aangekondigd dat er in het Wegwijsmuseum een belangrijke aanwinst te zien zou zijn. Het was een op het strand gevonden zeldzame Kurkkuifstrandloper. Dit bijzondere dier was werkelijk te bewonderen in het museum. De vogel maakte Kortenoever van materialen die van het strand afkomstig waren. Een kop was van een drijver van een visnet en ook het lichaam was van kurk. De kuif was gemaakt van een boender. Velen kwamen voor de bijzondere vogel naar het museum.

Kortenoever en Klaassen in gesprek over het natuurpad bij het inmiddels al in bezoekerscentrum De Hoep omgedoopte Wegwijs museum.
Kortenoever en Klaassen in gesprek over het natuurpad bij het inmiddels al in bezoekerscentrum De Hoep omgedoopte Wegwijs museum.

In 1973 begon de ontwikkeling van natuurhistorisch museum tot bezoekerscentrum. De verzamelingen in natura werden geleidelijk vervangen door foto’s. De heer Rein Westra, de tekenaar van de prachtige boeken over diverse landschappen, ontwierp een nieuwe vitrine met tal van foto’s. Het nieuwe jasje van het museum trok inderdaad meer bezoekers. In 1973 waren dat er 22.850.

De familie Westra bleef bevriend met Kortenoever. Voor het boek over de duinen heeft Kortenoever planten verzameld, die zoon Chiel Westra fotografeerde en waar Rein Westra prachtige aquarellen van maakte. De familie Westra woonde in ‘s-Graveland, de plaats waar het ouderlijk huis van Kortenoever stond. Misschien mede door de extra binding met het prachtige bosgebied, het Spanderswoud, waar zowel de familie Westra als de familie van Kortenoever woonden, groeide er tussen Eldert en de familie Westra een hechte vriendschap.

Met deskundig advies van de heer Kortenoever stelde de gemeenteraad in 1974 straatnamen in de wijk Noordend vast, die gebaseerd waren op de in polder- en duingebied voorkomende planten, bloemen en vogels.

In 1978 kwam koningin Juliana naar het PWN-duingebied. Het was de bedoeling dat Kortenoever, vanuit het Voerhuis, een prachtige boeket van allerlei bessen die in het duin groeiden, zou aanbieden. De kinderen Dirkjan en Hanneke kregen het verzoek hun ouders die dag niet te bezoeken. Uiteindelijk werd het boeket aangeboden tijdens het bezoek aan het pompstation ‘Wim Mensink’; de koningin reed slechts langs het Voerhuis.

In november 1978 nam Kortenoever afscheid van zijn werkzaamheden wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Uit handen van de commissaris van de Koningin De Wit ontving hij de bronzen penning van de provincie voor het jarenlang uitdragen van de natuurbeschermingsgedachte. Bijzonder was dat de commissaris Kortenoever nog kende uit de NJN-tijd in Hilversum, de tijd waarin zij zich beiden inzetten voor de natuur.

Na zijn pensionering kon Kortenoever blijven wonen in het Voerhuis in zijn geliefde duingebied. Hierdoor kon hij zijn hobby, het ringen van vogels, voortzetten. Rond het huis plaatste hij diverse mistnetten, waarin kleine zangvogels gevangen werden. Ook het verzorgen van vogels die gewond waren geraakt, bleef doorgaan. In plaats van naar het museum brachten de mensen de vogels nu naar de Kruisberg. Als de vogels te groot waren voor de kleine kooien en de volière bij het Voerhuis, bracht hij de vogels naar het Vogelopvangcentrum in Bergen.

Door middel van de grote tuin bij het Voerhuis bleef Kortenoever contact houden met bezoekers van het duingebied. Wandelaars kregen tijdens hun tocht zomaar nestkasten met jonge vogels te zien. Als het ‘klikte’, nam hij de wandelaars mee naar een zanderig stuk land. In dit land zaten vaak wentels (red: holen) met jonge konijnen. Zo bleef Kortenoever nog lang zijn oude werkzaamheden beoefenen.

Kortenoever, begeleid door PWN-medewerker Posthuma, bij de opening van het nieuwe bezoekerscentrum in 1994.
Kortenoever, begeleid door PWN-medewerker Posthuma, bij de opening van het nieuwe bezoekerscentrum in 1994.

In 1994 werd het grote nieuwe bezoekerscentrum ‘De Hoep’ geopend. Het is een opvallend gebouw. Het dak is bedekt met mossen en planten. Kortenoever werd uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de opening van deze nieuwe expositieruimte. Om in het gebouw te


Jaarboek 29, pagina 60

komen, wandelde je door grote buizen van de vroegere WRK-leiding (red: Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland). Kortenoever herkende de buizen, maar in de expositieruimte zag hij weinig bekende dingen meer. Toch was hij blij dat hij de opening had meegemaakt.

Eldert op zijn geliefde plekje bij het zijraam van het Voerhuis met zijn echtgenote Betty.
Eldert op zijn geliefde plekje bij het zijraam van het Voerhuis met zijn echtgenote Betty.

Zijn leven werd door toenemende lichamelijke gebreken steeds moeilijker. Uiteindelijk was het voor hem niet langer mogelijk om op de Kruisberg te blijven wonen. Kortenoever ging naar het verpleeghuis in het Heemskerk. Zelfs daar was het mogelijk iets van de natuureducatie door te geven. Zoon Dirkjan plaatste bij het huis een vogelvoederplank. Vanafzijn stoel kon Kortenoever naar de vogels blijven kijken. Er kwamen staartmezen, groenlingen, vinken, diverse mezensoorten en wat extra leuk was, een winterkoninkje.

Het winterkoninkje was en is het logo van de vogelwerkgroep Castricum, een vogel met een bijzondere betekenis. Kortenoever droeg dit teken als dasspeld. De winterkoning was uitgezaagd uit een Engelse munt, de farthing (1/4 penny). Tot aan zijn dood heeft Kortenoever de bewoners van het verpleeghuis uitleg gegeven over de vogels die rond het huis waren te horen of op de voederplank waren te zien.

Op 12 juni 1996 overleed Eldert Kortenoever op 82-jarige leeftijd. Zijn laatste levensdag werd opnieuw een dag waarin de winterkoning een bijzondere rol kreeg. Op de dag dat hij per ambulance naar het Rode Kruis ziekenhuis gebracht werd, was het daar erg druk. Er was geen plaats en Kortenoever werd gedwongen te wachten in de kelder van het ziekenhuis. Dochter Hanneke was bij hem. Ineens hoorde ze de schelle klanken van de zang van een winterkoning. Via een klein raampje kon je een met klimop begroeide wand zien. In de klimop zat het nest van een winterkoning. Het lange wachten werd een beetje minder erg doordat Kortenoever het in- en uitvliegen kon volgen vanaf zijn brancard. Een laatste groet van de vogel die voor Kortenoever vanaf zijn vroegste jeugd zoveel betekenis had.

De tekening van de winterkoning die gebruikt is voor het bronzen beeldje op het graf van Eldert Kortenoever op de begraafplaats Onderlangs.
De tekening van de winterkoning die gebruikt is voor het bronzen beeldje op het graf van Eldert Kortenoever op de begraafplaats Onderlangs.

Kortenoever werd volgens zijn eigen wens begraven op Onderlangs, de begraafplaats in Castricum aan de voet van de duinen, dichtbij het gebied dat in zijn leven zo’n grote plaats had ingenomen. Op het graf bloeien typische duinplanten als slangekruid en teunisbloem. Vlinders bezoeken de bloemen. Dochter Hanneke vroeg een kunstenaar uit Rotterdam een winterkoning in brons te maken om op de steen te plaatsen. De winterkoning, gemaakt naar een tekening van een vriend uit zijn NJN-tijd, staat in een vechthouding. Het is goed gelukt, want regelmatig komen levende exemplaren in gevecht met hun bronzen broeder.

Het graf van de Eldert Kortenoever op Onderlangs in Castricum.
Het graf van de Eldert Kortenoever op Onderlangs in Castricum.

In 2001 werd een vogelhut geopend bij het voormalig pompstation Castricum niet ver van het nieuwe bezoekerscentrum. De hut is gebouwd ter nagedachtenis aan Eldert Kortenoever. De naam van de hut: ‘De Winterkoning.’

Hanneke Kortenoever

Met dank aan: Dirkjan Kortenoever, Pieter Groot, Peter de Heer, Cor Mooij, Jan Zonneveld, Klaas Zwart en Niek Kaan.