Portegies, Sijf – schilder (Jaarboek 14 1991 pg 24-28)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architectbakkersbioscoopbouwbedrijfcaf√© / hotelcaf√©s en kasteleins in Bakkum –  drukkersexpeditiegasfabriekgroenteboerengroenteveilingkruideniersmelkboerenmelkfabriekmolenaarrestaurantschelpenvissersschilderschildersbedrijfslagerssmidsmederijstoomwasserijstrandvonderveldwachtersvrachtrijderijwereldwinkel

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans, EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan WillemJacobs-Wentink, GréKieft, PieterKortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 14, pagina 24

Wie was … Sijf Portegies

Links de wederopstanding van Sijf Portegies.
Links de wederopstanding van¬†Sijf¬†Portegies¬†en rechts Rino Zonneveld. Een van de activiteiten van het jubileum was een tentoonstelling van werken van Castricumse kunstenaars. Initiatiefnemer Rino Zonneveld heeft samen met enkele anderen ge√Įnventariseerd welke schilderijen, prenten, aquarellen enzovoorts van dorpsgezichten van Castricum en Bakkum nog ergens aan muren hingen of op zolders lagen. Uiteindelijk werden er 450 werken uitgekozen en daarvan werden 225 schilderijen en tekeningen tentoongesteld in de Galerie Streetscape aan de Dorpsstraat 7 in Castricum. De niet ge√éxposeerde werken konden toch gezien worden in een slideshow met foto’s van Jacques Schermer. De tentoonstelling was van half mei tot half juli 2017 te bezichtigen en trok eveneens meer dan 1.200 bezoekers. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Er zijn heel wat huiskamers in Castricum waar een tekening of een schilderstukje hangt van een vroegere woning of boerderij. Het zijn unieke werkjes die een bijzondere plaats innemen, omdat het vaak de enige afbeeldingen zijn van een geliefd voorouderlijk bezit. Het is de verdienste van een sympathieke Castricumse huisschilder, dat er zoveel is vastgelegd uit een periode dat fotograferen nog niet zo ingeburgerd was als tegenwoordig het geval is.

Laantje op landgoed Duin en Bosch. Aquarel van Sijf Portegies. Foto Jacques Schermer. Toegevoegd.

Sijf Portegies zei wel eens gekscherend dat z’n werk pas na zijn dood echt gewaardeerd zou worden. Dat die woorden nog eens bewaarheid zouden worden, heeft hij nooit durven vermoeden. Zeker is wel dat het schilderen voor hem, naast zijn vele andere maatschappelijke activiteiten, een heel belangrijke hobby was en dat zijn beroep daarbij vergeleken voor hem niet meer was dan een broodwinning.

Pieter Portegies die zich in 1877 als huis- en rijtuigschilder in Castricum vestigde.
afb. 1 Pieter Portegies die zich in 1877 als huis- en rijtuigschilder in Castricum vestigde.

Sijfert Theodorus Portegies werd geboren op 22 april 1881. Hij was het derde kind en oudste zoon van de in totaal tien kinderen van Pieter Portegies en Maartje van der Velden. Pieter Portegies was in 1842 in Wognum geborens (afb. 1). Hij vestigde zich als huis- en rijtuigschilder in 1877 in Castricum. Op 7 februari 1878 trouwde hij met Maartje van der Velden dochter van bakker Dirk van der Velden.

Pieter Portegies had zijn woonhuis en werkplaats in de Burgemeester Mooystraat waar nu de drogisterij Portegies gevestigd is (afb. 2).

De binnenplaats van de lagere school bij het raadhuis in 1897. Links meester C.J. Bussen, hoofd der school.
De binnenplaats van de lagere school bij het raadhuis in 1897. Links meester C.J. Bussen, hoofd der school. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Sijf volgde de lagere school in de Dorpsstraat, waarvan meester Bussen het hoofd was. Het leren ging hem makkelijk af en hij had er veel plezier in. Toen hij zes klassen had doorlopen moest hij bij zijn vader in de zaak. Het kostte hem moeite om zich daarin te schikken. Graag had hij willen doorleren. Zijn liefste wens was onderwijzer te worden, maar die kans kreeg hij niet. Werken voor de kost was de boodschap, ook al, omdat hij nu eenmaal de oudste zoon was en zijn vader in het bedrijf diende op te volgen. Hij was nog te jong om op de avondopleiding voor schilders te worden toegelaten. In de eerste twee winters na zijn schooljaren, wanneer in het schildersbedrijf meestal niet veel meer te doen is, mocht hij terug naar de school van meester Bussen om toch nog wat extra’s op te steken.
In 1896 begon hij met een avondcursus voor huisschilders in Alkmaar en daarmee was zijn schoolopleiding voltooid.

Sijf bleef lang vrijgezel. Hij was al een eind in de dertig toen hem op de schoorsteenmantel bij Piet Liefting in de Dorpsstraat een foto opviel van een meisje. Piet en zijn vrouw Bet waren zo vriendelijk deze dochter van kennissen uit Haarlem eens een weekendje uit te nodigen. Zo kwam het contact tot stand tussen Sijf en zijn toekomstige echtgenote. Op 5 juli 1917 trouwde hij in Haarlem met de toen 27-jarige Cornelia Maria Rustman. Zij kochten een woning die bijna naast het bedrijf stond, op de plaats waar tegenwoordig de Henri Schuytstraat op de Burgemeester Mooystraat uitmondt.

Woning en werkplaats van Pieter Portegies in de Burg. Mooystraat, toen nog Kramersweg geheten.
afb. 2 Woning en werkplaats van Pieter Portegies in de Burgemeester Mooystraat, toen nog Kramersweg geheten.

De ouders van Cornelia Rustman hadden een caf√© in Haarlem en ze was dus veel drukte gewend. Ze vond het dan ook best prettig om iets om handen te hebben. Het jonge echtpaar besloot daarom het woonhuis gedeeltelijk tot winkel te verbouwen en met de verkoop van galanterie√ęn te starten.


Jaarboek 14, pagina 25

Links het winkel-woonhuis van Sijf Portegies, dat later aan Piet Vader werd verkocht. Het pand moest plaats maken voor de aansluiting van de Henri Schuytstraat op de Burg. Mooystraat.
afb. 3 Links het winkel-woonhuis van Sijf Portegies, dat later aan Piet Vader werd verkocht. Het pand moest plaats maken voor de aansluiting van de Henri Schuytstraat op de Burgemeester Mooystraat.

Op de winkelpui stond met keurige letters geschilderd “Handel in klompen, porselein, glas en aardewerk” (afb.3).
Cornelia stond in de winkel en Sijf werkte samen met zijn broers Piet en Cor in het schildersbedrijf, dat zij langzamerhand van hun vader overnamen. In 1922 overleed op 79-jarige leeftijd vader Pieter Portegies.

Drogisterij Portegies aan de Burgemeester Mooijstraat 7 te Castricum in 1988. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De samenwerking tussen de broers verliep bepaald niet vlekkeloos. Piet maakte zich los van het familiebedrijf en begon in een deel van de grote schildersloods een drogisterij. Hij legde daarmee de grondslag voor wat nu zelfs een drogisterijketen genoemd kan worden.

De winkel in galanterie√ęn leverde niet het resultaat op dat ervan verwacht werd. Cornelia had moeite met het Castricumse taaltje. Als een klant haar bijvoorbeeld vroeg om een stikkebordje durfde ze niet te vragen wat daarmee bedoeld werd. Ze holde dan achterom naar haar schoonmoeder die voor de vertaling zorgde. Niet-Castricummers noemen een stikkebordje een ontbijtbordje.

De woning Dorpsstraat 20 waar het gezin Portegies zich in 1923 vestigde. Nu is het een café.
afb. 4 De woning Dorpsstraat 20 waar het gezin Portegies zich in 1923 vestigde. Nu is het een café.

Bovendien waren de inkoopprijzen, als gevolg van de 1e wereldoorlog vrij hoog, zodat de winkel niet rendabel was. Dit en de problemen tussen de broers waren voor Sijf en zijn echtgenote de aanleiding om de winkel aan de kant te doen en een eigen schildersbedrijf op te richten. Het pand in de Burgemeester Mooystraat werd verkocht aan Piet Vader, die er een winkel in kruidenierswaren begon. Sijf kocht de woning Dorpsstraat 20 en startte daar in juni 1923 als zelfstandige. In een houten schuur achter de woning werd de schilderswerkplaats ingericht (afb.4).

In augustus 1920 was inmiddels hun eerste kind geboren, dochter Maria Christina en in 1921 was daar, ook nog in de Burgemeester Mooystraat, zoon Cees bijgekomen. Daarop volgden in de Dorpsstraat nog één dochter en vier zoons. Sijf was een zachtaardige en goedmoedige vader. Zijn vrouw had in het huisgezin heel duidelijk de touwtjes in handen en gaf de kinderen een strenge opvoeding.

De schilderswerkplaats van Portegies, op deze plaats kwam de winkel van Portegies, een drogisterij.
De schilderswerkplaats van Portegies, op deze plaats kwam de winkel van Portegies, een drogisterij. Burgemeester Mooijstraat 7 en 9 te Castricum in 1911. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De werkweek liep van maandag tot en met zaterdag. De zaterdagmiddag werd besteed aan het opruimen van de werkplaats, waarbij een van de kinderen meestal assisteerde. Voor Sijf was het ook de middag waarop hij zich aan een van zijn bestuursfuncties kon wijden. De zondagochtend was voor de kerkgang. Op zondagmiddagen trok Sijf er vaak op uit om te tekenen of te schilderen. Hij fietste dan met een schilderskist, een ezel en een krukje naar omliggende plaatsen, zoals Akersloot, Uitgeest of Wijk aan Zee. Zijn kinderen vonden het prachtig om met hem mee te gaan. Zoals Co Portegies het uitdrukte: “Zo kwam je nog eens ergens”. Sijf Portegies, bepakt en bezakt met schildersbenodigdheden en ook nog een kind voorop de fiets, een achterop en een kind op een eigen fiets ernaast, was dan ook een vertrouwd beeld in die dagen.
Hoogtepunten in het gezin waren verder de uitstapjes naar het strand. Voor die bijzondere gelegenheden kwam dan de grote taxi van Piet Eikel voor. Er ging een “tent” mee bestaande uit 4 stokken waar een laken aan werd gehangen. Op een afgesproken tijdstip stond Piet Eikel na afloop van de stranddag weer bovenaan de kluft om de familie op te halen. Op vakantie gaan was er verder niet bij. Alleen herinneren de kinderen zich nog dat vader en moeder soms wel eens een paar dagen logeerden bij kennissen in Sneek. Dat was nadat de bouwvakvakantie was ingevoerd. Ook dan vergat hij zijn schildersspullen niet mee te nemen.

De woning van Sijf Portegies aan Dorpsstraat 20 te Castricum in 1923. Het uiterlijk van het pand bleef lange tijd vrijwel ongewijzigd, behalve de vervanging van de vrij smalle dakkapel door een verbrede uitvoering. Pentekening van Sijf Portegies. Toegevoegd.

Oorlogsjaren

De oorlogsjaren zijn niet ongemerkt aan het gezin Portegies voorbij gegaan. In februari 1943 werd het gezin gesommeerd Castricum te verlaten. Waarheen was de vraag. De familie in Haarlem bood uitkomst. Zij zorgden ervoor dat Sijf daar een huisje kon bemachtigen en hielpen hem aan werk.
Bij het huisje hoorde een klein schuurtje waar Sijf lang niet al zijn materiaal in kwijt kon. Bij een zwager in Haarlem-Noord werd de rest ondergebracht. Eind 1944 slaagde Sijf erin toestemming te krijgen om weer naar Castricum terug te keren. Zoals hij vertrokken was, zo keerde hij ook weer terug met al zijn spullen op een gehuurde wagen met een paard ervoor.
De oudste zoon Cees werd tewerkgesteld in Duitsland. Hij stierf in Russisische krijgsgevangenschap in februari of maart 1945. Pas na een jaar onzekerheid, kwam via Het Rode Kruis


Jaarboek 14, pagina 26

het bericht van zijn dood. Zijn lot heeft het gezin zeer aangegrepen. Sijf zag Cees als zijn opvolger in het bedrijf.

Schildersbedrijf

Sijf Portegies bezig met het schilderwerk van de voorgevel van café De Harmonie thans een chinees restaurant aan de Stationsweg.
afb. 5 Sijf Portegies bezig met het schilderwerk van de voorgevel van café De Harmonie thans een chinees restaurant aan de Stationsweg.

Onder de andere zoons bestond weinig belangstelling voor het schildersvak. Dat was misschien verklaarbaar vanwege het feit dat hij dit beroep ook zelf nauwelijks ambieerde. Dat nam niet weg dat het zijn eer te na was om slecht werk af te leveren. Een groot bedrijf heeft Sijf niet willen opbouwen. Meer dan één of twee knechten heeft hij nooit in dienst gehad.
Grote werken nam hij niet aan. Vrijwel tot het eind van zijn leven bleef Sijf werken (afb.5). Hij maakte in 1958 ongeveer een jaar voor zijn overlijden de invoering van de AOW nog mee. Dat een dergelijk voorrecht een blijvend karakter zou hebben kon hij absoluut niet geloven.

Toen hij op leeftijd was gekomen en zijn tempo natuurlijk wat lager kwam te liggen, sprak hij met zijn opdrachtgevers een vast bedrag af. Men moest er dan maar niet op letten hoe lang hij over een karwei deed.
Sijf was al ver in de zeventig toen hij van de woningbouwvereniging St. Joseph opdracht kreeg om de woningen in de verzetsheldenbuurt een opknapbeurt te geven.
Het feit dat hij ook bestuurslid was van de woningbouwvereniging heeft daar ongetwijfeld iets mee te maken gehad.

Het laantje van Kijk uit.
Het laantje van Kijk uit. Er staan totaal 11 van die mooie beuken. Schilderij van Sijf Portegies. Toegevoegd.

Hij zag het als een eer, dat hij jonkheer Gevers als klant had. Hij mocht het schilderwerk van diens huis in de duinen verzorgen. Eens werd hij daarbij geassisteerd door zoon Cees, die per ongeluk een pot verf omstootte.
De pot kwam door het open raam terecht op het bed van de jonker. Zeker is dat die het voorval lichter opnam dan Sijf zelf.

Een andere keer was jonkheer Gevers minder gemakkelijk. Vanaf zijn terrein merkte hij op, dat een knecht van Sijf, die zich onbespied waande, uitgebreid het interieur van de woning door de ramen bekeek. Daar stoorde de jonkheer zich zo aan dat hij Sijf te verstaan gaf dat deze knecht zich maar niet meer moest vertonen.

In de wintermaanden lag het werk van de huisschilders grotendeels stil. Er werd dan verf aangemaakt en ook stopverf, ladders werden onderhouden enzovoorts. Het onderhoud van kapwagens van de boeren was dan een gewilde opdracht.
Ook werd wel eens een lijkkist geschilderd, die om het snel drogen te bevorderen in de huiskamer voor de kachel werd gezet. In de werkplaats van Sijf was geen verwarming.

Hervormde kerk gezien vanuit de Overtoom in 1935.
Hervormde kerk gezien vanuit de Overtoom in 1935. Aquarel van Sijf Portegies. Toegevoegd.

Hij is ook een aantal winters onder de pannen geweest met het schilderen van de binnenkant van de Pancratiuskerk. Bij deze grote klus werd hij geassisteerd door Gerrit Dekker, zoon van een schilder uit Limmen. Die herinnert zich nog dat er planken over de banken werden gelegd, die vervolgens aangesjord werden. Daarop werden dan de grote schuifladders geplaatst, waarmee de schilders angstwekkende hoogten konden bereiken.

Nederlands hervormde kerk, gezien vanuit het zuid-oosten.
Nederlands hervormde kerk, gezien vanuit het zuid-oosten. Kerkpad 1 in Castricum. Aquarel van Sijf Portegies. Toegevoegd.

Bij bruiloften, begrafenissen of andere kerkelijke plechtigheden werd het materiaal opgeruimd en trokken de schilders zich terug op het koor. Daar zagen ze de legendarische organist en koorleider Piet Kuys aan het werk. “Die kon ook erg mooi zingen”, vertelt Gerrit Dekker, “maar bij een hoge noot in het Av√© Maria wilde zijn gebit nog wel eens losschieten, iets waar de man zelf ook veel schik om had.” Co Portegies weet nog dat als er met pastoor Goes was afgerekend, vader thuiskwam met een sigarendoos met rijksdaalders.
Door Sijf Portegies zijn in de kerk ook muurschilderingen aangebracht, die in de loop der tijd weer zijn verdwenen.

Verenigingsleven

Sijf Portegies had grote belangstelling voor heel veel zaken buiten zijn werk om. Hij was actief in verschillende organisaties. Om te beginnen was hij met Jac Metselaar uit Limmen en Johan Weda uit Castricum oprichter van een zelfstandige afdeling Castricum – Limmen – Uitgeest van de Nederlandse rooms-katholieke bond van schilderspatroons Sint. Lucas. In de oprichtingsvergadering op 11 december 1935 werd Portegies tot secretaris gekozen. Samen met Johan Weda en later met diens zoon Ab bezocht hij trouw de vergaderingen uitgeschreven door het hoofdbestuur in Utrecht.
Traditie was dat alle leden van de afdeling met echtgenotes op 18 oktober, de geboortedag van Sint Lucas, een uitstapje maakten. Het programma begon met een Heilige Mis.
Men kwam dan bijeen in de kapel van het zusterhuis naast de pastorie. Daarna werd een broodmaaltijd genoten. Gedurende vele jaren gebeurde dit in huize Portegies, omdat het dicht bij het station lag en mevrouw Portegies kon er haar ervaring uit het cafébedrijf van haar ouders in kwijt. Vervolgens vertrok het

Schilderwerkje uit 1944 van Sijf Portegies van een gedeelte van de boerderij Doodweg 10.
Schilderwerkje uit 1944 van Sijf Portegies van een gedeelte van de boerderij Doodweg 10. Een gedeelte van de oude boerderij van Melker is later bewoond door familie Van der Hulst. De boerderij is door brand verwoest. Tekening van Sijf Portegies. Toegevoegd.

Jaarboek 14, pagina 27

Excursie van de schildersvereniging St. Lucas naar de behangfabriek Goudsmitt-Hoff in Amsterdam op 18 oktober 1950.
afb. 6 Excursie van de schildersvereniging St. Lucas naar de behangfabriek Goudsmitt-Hoff in Amsterdam op 18 oktober 1950. Op de voorste rij staan S. Th. Portegies, mevr. C. Portegies- Rustman, H. Schram (Dorpsstraat), mevr. A. Weda-Res, A.J. Weda, mevr. G. Meyer-Zuurbier, mevr, N. Goedhard-Bakker, mevr. A . Schram-V.d. Eng, G. Schram en Th.A. Weda. Op de achterste rij staan van links naar rechts: C. Emmanuel (vertegenwoordiger), G.J. Krimp, J. Goedhard, mevr. G. Schram- Glorie, H. Schram, A. Meyer, 1 Schram, mevr. A. Schram-de Bruin, mevr. A. Tromp-Groen en W.J. Tromp.

gezelschap per trein of bus naar een jaarlijks te bepalen bestemming. Vaak was dat een behang- of een verffabriek, die de groep na afloop van de excursie onthaalde op een uitgebreid diner (afb. 6). In de avonduren werd dan nog een theatervoorstelling in Amsterdam bezocht, waarbij de Snip & Snap revue hoog scoorde. Sijf was een groot voorstander van deze uitstapjes, die hij, behalve leuk en gezellig, van groot belang vond voor de saamhorigheid binnen de afdeling. De leden maakten afspraken over de aanneming van werk en zorgden er onder andere voor dat niet onder de prijs werd gewerkt. Men kon elkaar ter verantwoording roepen.
Ook op ander gebied zette Sijf Portegies zich in. In 1904 was in Castricum op initiatief van onder andere burgemeester Mooy de vereniging “Onderlinge Hulp” opgericht. Tegen betaling van een lage contributie verzekerden de leden zich van een uitkering van 0,60, later 1.25 gulden per dag, indien men ten gevolge van ziekte of een ongeval niet kon werken. Sijf was ruim 40 jaar penningmeester van deze organisatie. Ook het secretariaat nam hij er in 1949 nog bij. Zijn zoon J.P.C. (Co) Portegies werd zijn opvolger als penningmeester. Aan het eind van de vijftiger jaren heeft Co samen met de toenmalige voorzitter Dirk de Winter de liquidatie van de instelling geregeld.

Het zal eind 1908 zijn geweest toen burgemeester Mooy Sijf Portegies benaderde met de vraag of hij soms de verzekeringsportefeuille van “De Nederlanden van 1845” wilde overnemen. Deze bijbaan werd de burgemeester kennelijk wat teveel. Sijf had er wel oren naar en de offici√ęle overname werd op 22 januari 1909 een feit. Meer dan 40 jaar is hij vervolgens de vertegenwoordiger van deze bekende verzekeringsmaatschappij geweest.
Verder is Sijf penningmeester van de VVV geweest. Zoon Co herinnert zich dat iedereen zo af en toe aan het werk werd gezet om lidmaatschapsbewijzen uit te schrijven.
Tenslotte was Sijf een actief lid van de patroonvereniging en zoals eerder al genoemd bestuurslid van de woningbouwvereniging St. Joseph.

Artistieke kwaliteiten

Het gezin Portegies op 5 juli 1942; de dag van het 25-jarig huwelijksfeest van Sijf en Cornelia.
afb. 7 Het gezin Portegies op 5 juli 1942; de dag van het 25-jarig huwelijksfeest van Sijf en Cornelia.

Waar Sijf Portegies de tijd vandaan haalde voor al zijn activiteiten blijft een raadsel, maar hij speelde ook nog viool. Hij had daarvoor les gehad van Klaas de Graaf grondlegger van de huidige elektronicazaak in de Torenstraat. Voor zijn gezin klonken de repetities van Sijf in zijn schaarse vrije uurtjes heel vertrouwd. Met Klaas, zijn eigen zoon Theo en nog een kennis werd soms een kwartet gevormd. Zij maakten ook deel uit van de Castricumse orkestvereniging die korte tijd heeft bestaan. Van zijn kinderen was Theo de enige die ook belangstelling had voor de viool. Vader Sijf bracht hem de eerste beginselen bij. Deze zoon is na zijn huwelijk in 1955 naar Australi√ę ge√ęmigreerd. Dochter Corrie en haar man besloten Theo in de haven van IJmuiden uit te zwaaien.
Daar troffen zij ook Sijf aan die het afscheid van zijn zoon bijzonder zwaar viel. In Australi√ę speelt deze Theo nu 1e viool in een klein orkest. Daarnaast bouwt en repareert hij deze instrumenten.
Overigens hebben ook de andere kinderen wel een of meer van de talenten van hun vader meegekregen en er hun beroep of hobby van gemaakt (afb.7).


Jaarboek 14, pagina 28

Sijfert Theodorus Portegies overleed op 7 oktober 1959. Zijn vrouw was een half jaar daarvoor in een inrichting opgenomen, wat voor hem een enorme klap heeft betekend.
We mogen Sijf dankbaar zijn voor zijn bijdragen aan de gemeenschap van Castricum en voor zijn nalatenschap in de vorm van heel veel schilderstukjes en tekeningen van al lang verdwenen panden.

Sijf was een bijzonder veelzijdig mens, die altijd wel ergens mee bezig was. Het tekenen en schilderen bleef echter het belangrijkste voor hem. Hij probeerde zijn hobby zo goed mogelijk uit te oefenen.
Van een bevriende kunstschilder uit Uitgeest, Joop Mul, kreeg hij les. Later maakte hij deel uit van een clubje rond de bekende plaatselijke kunstschilder Cor Heeck. Eerst oefende hij zich in het portretschilderen en later verlegde hij zijn aandacht naar het landschapschilderen.

Hoeve Nooitgedacht aan de Kramersweg te Castricum in 1957.
Hoeve¬†Nooitgedacht aan de Kramersweg te Castricum in 1957. Benaming op schuurdeur: Hoeve Nooit gedacht. De hoeve dankt zijn naam aan een bijzonder feit: gedurende de oorlog was door de Duitse bezetter in 1943 op een plattegrond van Castricum, ‘de Verwoestingkaart’, aangegeven welke panden gesloopt dienden te worden ter verkrijging van schootsveld voor de verdediging van het dorp. Uiteindelijk kwam er toch een bericht dat de familie en de hoeve daar mochten blijven.
Gebouwd in 1916 door veehouder Jan Beentjes. Later overgenomen door zijn zoon Kees in de jaren (negentien) vijftig. Halverwege de jaren (negentien) negentig is deze boerderij verkocht aan Harry Montanus.¬† De boerderij aan de Kramersweg nabij het station is een voorbeeld van een onvolledige stolp met gemetselde gevels en een vrijstaande woning aan de wegzijde. Vroeger was het bedrijf via een damhek over de voor de woning liggende beek toegankelijk.¬† In oktober 2014 is de boerderij gesloopt in verband met het aangrenzende woningbouwplan ‘Duynkant’. Olieverf op hout. Schilder Sijf Portgies. Foto van Jacques Schermer. Toegevoegd.

Kleine werkjes verkocht hij wel voor zo’n 25 en later 50 gulden per stuk. Erg trots was hij toen voor de oorlog een kunsthandel uit Haarlem twee grote werken van hem kocht. Ook werkte hij wel in opdracht. Beentjes van de boerderij Nooitgedacht vroeg hem eens zijn boerderij te schilderen. Sijf werd echter ziek en kon er niet op uit. Aan de hand van een foto wist hij het schilderij op zijn ziekbed toch nog af te maken.

Sijf Portegies achter zijn schildersezel.
afb. 8 Sijf Portegies achter zijn schildersezel. (Foto van de heer N.J. de Graaf).

De schrijver van dit artikel betuigt zijn dank in de eerste plaats aan de familie Portegies voor de medewerking aan interviews en beschikbaarstelling van foto’s, tekeningen enz. Voorts ook veel dank aan de heren G. Dekker, N.J. de Graaf en A.J. Weda.

Een van de vijf insteekhaventjes van het Schulpstet in Bakkum met een Hillegommer vlet. Het schuurtje was van Jo Duin, achter dit schuurtje zie je nog een mast van een ander schip in het volgende insteekhaventje. 
Voordat De Groot de kalkovens bouwde, werden de schelpen per schuit afgevoerd naar kalkovens elders. Tekening van Sijf Portegies. Toegevoegd.

De werkgroep Oud-Castricum is de familie Portegies bijzonder dankbaar voor de schenking van een groot aantal van deze werken, die zorgvuldig voor het nageslacht bewaard zullen blijven.

N.A. Kaan

Leenaers, dokter (Jaarboek 13 1990 pg 25-31)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2:¬†Castricum in oorlogstijd¬†–¬†Dagboek kapelaans¬†– De dood van Arie Hageman –¬†Duin en Bosch, evacuatie¬†–¬†Duinkant, een verdwenen dorpje¬†– Oorlogsherinneringen Nardus Bos –¬†Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot¬†– verdedigingswerken –¬†verzetsstrijders¬†–¬†Leenaers, dokter¬†–¬†tante Sientje

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans, EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan WillemJacobs-Wentink, GréKieft, PieterKortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus

Extra artikel over dokter Leenarts: Plaquette van dokter Leenarts.


Jaarboek 13, pagina 25

Wie was … dokter Leenaers

“Collega Leenaers bezat alle gaven om een belangrijke rol te spe¬≠len in het artsenverzet en hij heeft deze gaven met brandend en¬≠thousiasme in dienst van het verzet gesteld. Tegen zijn overredingskracht waren slechts weinigen bestand, marchanderen ken¬≠ de hij niet, elk offer wilde hij ten alle tijde brengen voor een tri¬≠omf van het Medisch Contact, dat hij er zijn leven voor over zou hebben was bij hem geen holle frase, verlies van huis en praktijk telde hij gering in verhouding tot het grote doel: de ide√ęle en feite¬≠lijke overwinning op het Nazidom.‚ÄĚ
Met deze gloedvolle woorden werd dokter Leenaers herdacht tij­dens de eerste in vrijheid gehouden vergadering van het Medisch Contact, dat van 1941 tot 1945 het artsenver2et leidde.

Wie was dokter Leenaers …

Henri Maria Joseph Michel Leenaers werd op 11 december 1901 in Maastricht geboren. Hij was het derde kind van Alphonse Lee­naers, bierbrouwer en Emma Marres. Henri werd al spoedig Harry genoemd. Vier kinderen telde het gezin, dat woonde in de Sta­tionsstraat vlakbij het station.
Hij bezocht in Maastricht de lagere school en daarna het gymnasium.
Een grote gave van hem was zijn uitstekende geheugen. Hij hoef­ de maar één keer iets te lezen en dan was het in zijn geheugen ge­grift. In het begin van het laatste jaar op het gymnasium trof hem een ramp. Hij kreeg een hersentumor en dreigde blind te worden. De genezingskansen waren heel gering. De destijds zeer bekende chirurg professor Winkelman opereerde hem in Utrecht. Het werd op dit gebied de tweede geslaagde operatie in Nederland. Een stukje van zijn schedel moest worden verwijderd en dat is nu nog in be­zit van de familie, omdat Harry er op stond dat hij dat mee zou krijgen. Zijn belangstelling voor de medicijnenstudie was toen al duidelijk aanwezig.

Enkele maanden was hij door zijn ziekte niet op school en de rec­tor van het gymnasium achtte het dan ook niet verantwoord dat hij examen deed. Op eigen risico nam hij er toch aan deel en tot ieders verbazing slaagde hij met uitstekende cijfers.

Student

In het jaar 1919 begon Harry Leenaers zijn artsenstudie aan de universiteit van Amsterdam. Hij werd lid van de Katholieke Stu­denten vereniging Thomas van Aquino en werd gevraagd zich aan te sluiten bij het dispuut Noctua.
Noctua was in 1917 opgericht en telde enkele tientallen leden die allen medicijnen studeerden. Een jaar na zijn inauguratie op 6 november 1920 werd Harry Leenaers voorzitter. Daarna was hij nog een jaar secretaris. Tot de uiterlijke tekenen van het lidmaat­schap behoorde een soort Schotse baret en een wandelstok.
Het dispuut betekende heel veel voor de leden, die vrienden voor het leven werden. Leenaers had niet kunnen denken dat zijn jongste zoon Walter in 1958 tijdens diens artsenstudie van het­ zelfde dispuut lid zou worden. Ook in ander opzicht zou Walter in de voetsporen van zijn vader treden zoals later blijkt.
Bij dat dispuut ontmoette Leenaers zijn latere opvolger A.P.W.A.M. de Jongh, “Dikkie” voor vrienden, wiens vader in het hartje van Amsterdam in de Oude Hoogstraat een apotheek had. Met het zusje van zijn vriend, Hendrica (Riek), ontstond een nog inniger band, hetgeen tot een verloving leidde. Op 9 sep¬≠tember 1926 werd in Amsterdam hun huwelijk gesloten.

Riek de Jongh en Harry Leenaers trouwen op 9 september 1926 in Amsterdam.
afb. 1 Riek de Jongh en Harry Leenaers trouwen op 9 september 1926 in Amsterdam.

Op ‘t Sant

Inmiddels was Harry op 17 februari 1926 afgestudeerd. Hij nam per 1 april 1926 in Castricum de praktijk over van dokter Schoonhoff, die ongeveer 20 jaar huisarts in Castricum was ge­weest. De praktijk van dokter Schoonhoff was gevestigd in diens woning; het oude Hermana State, dat stond in de Dorpsstraat op de plaats waar nu de Amrobank staat.


Jaarboek 13, pagina 26

Tekening van Sijf Portegies van Huize Maja.
Afb. 2 Tekening van Sijf Portegies van Huize Maja. Het huis werd in 1919 gebouwd in opdracht van de heer J.P. Kraak. In 1929 werd het voor de eerste keer gedeeltelijk aangepast tot café en pension. In 1990 kennen we het als hotel-restaurant Komman.

Dokter Leenaers betrok eerst Huize Maja, het tegenwoordige Hotel-Restaurant Komman, (afb 2). Hij huurde het van de heer Claasen die in het toenmalige Nederlands-Indi√ę verbleef. Hij liet er een tijdelijke houten garage naast zetten. Door aannemer Jan Houtenbosch werd een nieuwe praktijkwoning gebouwd aan de Mient die de naam “Op ‘t Sant” kreeg, (afb 3 en 4). Iets ten noorden van deze plaats zou later het naar hem genoemde wijkgebouw verrijzen.

afb. 3 Eerste steenlegging van de praktijkwoning “Op ‘t Sant”. Van links naar rechts Theo v.d. Himst (opperman), Floris de Groot, Cor de Groot, Gijs v.d. Himst, Cees de Groot (aannemer), Jan Houtenbos (aannemer), Mevr. Leenaers, Burgemeester Lommen, dokter Leenaers met zoon Gerard op zijn arm en mevr. Lommen (moeder van de burgemeester).
Huize "Op 't Sant".
afb. 4 Huize “Op ‘t Sant”.

In korte tijd wist dokter Leenaers het vertrouwen van velen te winnen. Hij voelde de mensen goed aan, was bijzonder kundig en stond bekend om zijn goede diagnoses. Hij kreeg een heel drukke praktijk, die zich uitstrekte tot Egmond-Binnen. Ook had hij de zorg voor gasten op het kampeerterrein en voor de kinderen in de toenmalige vakantiekolonies Sint Antonius en De Eenheid.

De gezondheidstoestand van de bevolking liet heel wat te wensen over. Er waren veel grote gezinnen die klein behuisd waren en in de helft van de woningen werd nog in bedsteden geslapen zonder frisse lucht. Besmettelijke ziekten konden zich makkelijk verspreiden.

Er waren veel gezinnen waar tuberculose (T.B.C.) heerste en bij die woningen stond dan een soort tuinhuisje dat naar de zon kon worden ge¬≠draaid, waar de pati√ęnt overdag in lag.

Er moest hard worden gewerkt. De dokter had een apotheek aan huis en trok zo nodig ook tanden en kiezen (tarief per stuk 1 gulden) en oefende dus naast het beroep van huisarts ook dat van apotheker en zo af en toe tandarts uit. Ook bevallingen werden door hem veel gedaan (tarief 15 gulden). Voor bevallingen werd door de dokter ook wel verwezen naar de verloskundige. Mevrouw Scholten-Kloes herinnert zich dat √©√©n van de moeders na de zoveelste be¬≠valling steeds maar informeerde of de dokter het al wist. Toen zij dat aan de dokter vertelde zei hij: “Dat begrijp ik wel. Ze kreeg bij elke gezinsuitbreiding een grote taart van me. Die krijgt ze nu ook weer hoor!”

De dokter eiste van zijn pati√ęnten dat ze zijn voorschriften pre¬≠cies opvolgden anders kregen ze de wind van voren.

Dokter Leenaers, 2e van links, bij de strandpost van de EHBO in 1933.
afb. 5 Dokter Leenaers, 2e van links, bij de strandpost van de EHBO in 1933.

Kort na zijn komst in Castricum nam de dokter het initiatief tot oprichting van de EHBO (afb 5). Hij gaf zelf les in een zaaltje achter het toenmalige café Van Benthem op de hoek van de Dorpsstraat en de Burgemeester Mooijstraat. Eén van zijn leerlingen her­innert zich dat hij heel goed les gaf, maar dat het zo snel ging dat sommigen het moeilijk bij konden houden.
Leenaers wordt ook genoemd als een van de oprichters van het Witte Kruis in Castricum en hij was een van de voorvechters van een nauwe samenwerking met het Wit Gele Kruis om op die ma­ nier een groter dienstenpakket te kunnen aanbieden. In oktober 1941 werd tussen de twee organisaties voor dat doel een overeen­komst gesloten.

Het gezin Leenaers telde drie zoons en twee dochters. Op 10 juni 1941 kwam daar nog een tweeling bij, waarvan het jongetje ech­ter overleed. Het was een druk gezin, maar mevrouw Leenaers, een knappe en charmante vrouw op wie de dokter heel trots was, stond er niet alleen voor.
Bij √©√©n van zijn grootste vrienden de chirurg dokter Kerssemakers van het Sint Elisabeth-ziekenhuis te Alkmaar, was een dienst¬≠ bode in huis uit ‘t Zand in Noord-Holland. Aan haar vroeg Lee¬≠naers of zij niet nog iemand kende die bij hem in dienst kon ko¬≠men. Dat bleek het geval te zijn. Op deze manier kwam het contact tot stand tussen Regien Baltus eveneens uit ‘t Zand en de fa¬≠milie Leenaers. Tussen haar en de familie ontstond een band die nog tot de dag van vandaag (red: in de jaren negentien negentig) voortduurt.
De dokter zette zich volledig in voor zijn pati√ęnten en niet alleen in medisch opzicht. Als hij wist dat mensen armoede leden dan


Jaarboek 13, pagina 27

volgde er geen nota. Daarentegen bleef er soms na zijn vertrek een geldbedrag op tafel achter.

Voor de oprichting van de ziekenfondsen hadden veel artsen een eigen fonds, de zogenaamde doktersbus. Tegen betaling van een geringe premie had men een beperkt recht op hulp. Ook dokter Leenaers had een dergelijke regeling. Verschillende personen heeft dokter Leenaers in dienst gehad om het geld voor dit fondsje op te halen. In 1941 betaalde men 62 cent per week.
Het was in de crisisjaren dat Leenaers Joop Zentveld aantrok die juist zonder werk was en een groot gezin moest onderhouden. Later zou de heer Zentveld in dienst treden bij het ziekenfonds Alkmaar.
De grote receptie ter gelegenheid van zijn 12,5 jarig ambtsjubi­leum in 1938 werd een demonstratie van aanhankelijkheid jegens de dokter. Als cadeau werd de dokter een nieuwe onderzoektafel aangeboden. Op zijn oudste zoon Gerard maakte de serenade die de fanfares avonds voor hun huis ten gehore bracht diepe in­ druk. Misschien wel vooral omdat die bij het licht van vele fak­kels plaats vond.

Bezetting

Het bombardement op het vliegveld Bergen in de vroege ochtend van de 10e mei 1940 was de eerste kennismaking van onze streek met de oorlog. Al spoedig arriveerden de eerste Duitsers in Castricum. De Ortskommandantur werd gevestigd in de pastorie van de hervormde kerk. Burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo liet zich kennen als aanhanger van de NSB. Spoe¬≠dig maakte hij promotie en werd benoemd tot burgemeester van ‘s-Hertogenbosch. Op 29 augustus 1942 werd zijn opvolger NSB burgemeester Masdorp ge√Įnstalleerd door de commissaris der provincie A.J. Backer. In de avonduren werd het groepshuis van de NSB in de Torenstraat geopend. De plaatselijke leider van de partij verklaarde bij die gelegenheid dat de geestelijken en de doktoren in Castricum aanstokers van het verzet zijn.

Burgemeester Masdorp heeft dat zeker ervaren. Op 19 oktober 1942 liep hij dokter Leenaers tegen het lijf in het gemeentehuis en ontspon zich de volgende dialoog:
“Bent u niet dokter Leenaers?”
“Wat zou dat”
“Bent u niet de gemeente-arts?”
“Wat zou dat”
“Behoort u uw burgemeester dan niet te groeten?”
“Ik groet alleen burgemeesters die door de Koningin zijn aangesteld”
“Hier zult u meer van horen!”
“Ik ben voor u en uw terreur niet bang”

Later op die dag ontmoette juffrouw Van Nievelt, zuster van collega-arts Van Nievelt, dokter Leenaers en hoorde het verhaal. Zij waarschuwde hem en zei: “Wees toch wat voorzichtiger, denk aan je vrouw en kinderen.”
Dokter Leenaers antwoordde echter: “Ze zullen zich nooit hoe¬≠ven te schamen, omdat ik mijn mond heb gehouden.”

De burgemeester liet het er niet bij zitten, nog dezelfde dag ont­ving Leenaers schriftelijk bericht van zijn voorgenomen ontslag. Hem werd verweten dat hij zich niet gedroeg zoals van een gemeente-arts verwacht mocht worden, vanwege zijn:
1. bij herhaling uiting geven aan anti-Duitse en anti nationaal so­cialistische inzichten
2. onbeleefd en onbehoorlijk gedrag tegen de burgemeester
3. verwekken van onrust en onenigheid in de gemeente

Kapelaan Verheul noteerde op 19 oktober 1942 in het dagboek van de kapelaans van de Pancratiusparochie: “Onverschrokken en onverdroten getuigt onze dokter voor het vaderland. Tot voor¬≠ beeld voor ons nageslacht willen we even wijzen op de grote naastenliefde die door de dokter wordt beoefend. Honderden zakken aardappelen en graan zijn door hem opgekocht voor ar¬≠me arbeiders.”
De dokter verleende in de oorlogsjaren op grote schaal hulp. Ar¬≠moede en honger kon hij niet aanzien zonder zijn best te doen iets van die nood te lenigen. De thans 79-jarige kapelaan Verheul herinnert zich de contacten met dokter Leenaers nog goed. De dokter had een duidelijke visie op de maatschappij zoals die er na de oorlog uit zou moeten zien. Hij was van mening dat er dan voor iedereen een gelijk recht op medische hulp zou moeten ko¬≠men, onafhankelijk van iemands financi√ęle positie. Goede wo¬≠ningen en sociale voorzieningen waren zaken waarvoor hij wilde strijden.

Hoe fel Leenaers gekant was tegen de Duitsers bleek al op 10 juni 1941 toen zijn jongste dochter werd geboren en zij de namen ont­ving Madeleine Beatrix Irene.
Vaders houding ontging ook de toen 4-jarige Walter niet. In het dorp achter op de fiets bij de huishoudster Regien Baltus kraaide hij tot haar grote schrik: “Rotmoffen h√® Regien, rotmoffen.”

Dokter Leenaers heeft vanuit Castricum op bijzondere wijze spionage verricht. Door de Engelsen werden kooitjes met duiven gedropt. Daarin zat naast voer voor de duif een papiertje met vragen over de positie van de vijand, versterkingen enzovoorts.


Jaarboek 13, pagina 28

Jan Veldt trof begin 1943 een kooitje met een duif aan hangend in het prikkeldraad, vlakbij de gesloopte boerderij van de familie aan de Brakersweg. Hij bracht het papier met het verzoek om in¬≠formatie naar dokter Leenaers. Welke gegevens de dokter heeft verstrekt heeft Jan Veldt nooit geweten, maar die heeft het dunne papiertje weer in het kokertje gestopt dat aan de poot van de duif was bevestigd en het diertje weer vrijgelaten. Het enige wat hij er¬≠ van wist was dat het bericht was ondertekend met de schuilnaam “Spijker”.
Na de oorlog werd in de kranten een oproep geplaatst met de vraag wie aan deze vorm van spionage hadden meegewerkt. De zuster van Jan Veldt, Marie, heeft toen haar broer en dokter Lee¬≠naers voorgedragen, met het gevolg dat aan beiden een offici√ęle dankbetuiging van de Engelse regering werd aangeboden, (afb 6).

Dankbetuiging van de Engelse regering aan dokter Leenaers voor zijn berichtgeving via een postduif.
afb. 6 Dankbetuiging van de Engelse regering aan dokter Leenaers voor zijn berichtgeving via een postduif.

Medisch Contact

Zoals de meeste artsen was Leenaers aangesloten bij de Neder­landse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. Handha­ving van de medische ethiek en de waardigheid van de medische stand was een belangrijke doelstelling van de organisatie. Het be­sef van rechten en plichten heeft tijdens de oorlog onder de art­sen sterk geleefd en schiep de bereidheid zich te verzetten tegen ie­dere macht, die het de arts zou willen beletten zijn beroep overeenkomstig de beginselen van de organisatie uit te oefenen.
Het hoofdbestuur van de maatschappij accepteerde in mei 1941 de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de NSB, tevens lid van de Nederlandse SS in haar midden.
Een offici√ęle mededeling van het hoofdbestuur in het Neder¬≠lands Tijdschrift voor geneeskunde van 14 juni 1941 maakte een einde aan alle twijfel die over de bedoelingen van de Duitsers nog kon bestaan. Eisen waren: joden uit de maatschappij, benoemin¬≠gen onder controle, beperking van het beroepsgeheim, uitvoe¬≠ring van sterilisatie wetten enzovoorts.

De Nederlandse artsen protesteerden fel en daarmee begon de ge­schiedenis van het georganiseerde medisch verzet in Nederland. Acties werden gestart om collectief als lid van de maatschappij te bedanken.
Op 24 augustus 1941 kwamen drie artsen in het stationskoffiehuis te Zutphen bijeen en maakten een schema van de organisatie van het artsenverzet, dat zij meteen doopten met de naam Me¬≠disch Contact, afgekort “Het M.C.”.
Uitgetreden leden van afdelingen van de Maatschappij vormden een groep. De groepen van elke provincie vormden samen een dis­trict. De districten werden in landelijke conferenties vertegenwoordigd door districtsvertrouwensmannen.
Door middel van groepsvertrouwensmannen, districtsvertrou­wensmannen en koeriers (de zogenaamde estafettes) stond het leidend Centrum in vast contact met ruim zesduizend huisartsen en specialisten. Voor Noordholland waren tot districtsvertrou­wensmannen benoemd dokter Leenaers en dokter Roorda.

In een later stadium, toen het landelijk contact van zoveel perso­nen te moeilijk en te gevaarlijk werd, formeerde zich een vrijwel permanent college van verzetsleiders onder de naam Centrum. Dit Centrum bestond voor een belangrijk deel uit de deelnemers van de Noordhollandse districtsbijeenkomsten. Naast dokter Leenaers worden met ere genoemd Noordhoek Hegt, Roorda, Wamsteker en de professoren Heringa en Borst. Nadat dokter Roorda gevangen werd genomen leidde dokter Leenaers de bijeenkomsten.
Normaal kwam het Centrum elke zondag bijeen teneinde zich over de situatie te beraden. Vele malen vergaderde men bij dokter Leenaers thuis. Zijn kinderen herinneren zich de vele omes, die in de woning Op ‘t Sant werden ontvangen. Om het bezoek te ver¬≠ klaren werd dan maar iets gezegd over een verjaardag die gevierd werd.
Het gastvrije onthaal en de bevlogenheid van dokter Leenaers voor zijn idealen maakten deze bijeenkomsten voor de deelne­mers onvergetelijk.

Dokter Leenaers voor de deur van de abdij van Egmond.
afb. 7 Dokter Leenaers voor de deur van de abdij van Egmond.

Vanaf het begin werd strijd gevoerd tegen de door de Duitsers in­ gestelde Artsenkamer, waarvan medici verplicht lid moesten zijn. Verordeningen van de kamer werden genegeerd en opdrach­ten niet opgevolgd.
In een brief van 5 december 1941 werd aan Rijkscommissaris Seys Inquart een brief gericht waarin de artsenverordening werd afgewezen. De brief eindigde met de zin: “Gebonden als wij ons weten aan den eed, of plechtige belofte, waarmede wij ons ambt hebben aanvaard, gevoelen wij ons verplicht u te verklaren, dat wij trouw zullen blijven aan de hooge normen, waarop sinds mensenheugenis ons beroep heeft gerust en dat wij in de uitoefe¬≠ning van ons beroep nimmer andere overwegingen zullen kun¬≠nen laten gelden dan zulke, welke gerechtvaardigd zijn door ons geweten, ons plichtsbesef en onze wetenschap.”
De brief met de handtekeningen van ruim 4.000 artsen werd heel moedig, op het kantoor van de Rijkscommissaris overhandigd door de doktoren Leenaers, Heringa en Noordhoek. Men kreeg de Rijkscommissaris niet te spreken maar de heren lieten hun visitekaartjes voor hem achter!

In september 1942 weigerden de artsen zich door middel van een toegezonden formulier bij de Artsenkamer aan te melden.


Jaarboek 13, pagina 29

Grote druk werd uitgeoefend om toch tot aanmelding over te gaan. Dokter Leenaers en dokter Van Nievelt werden tegelijkertijd op­ geroepen voor een verhoor in Amsterdam. Dokter Leenaers weigerde zich de rol van verdachte te laten opdringen en las degene die hem wilde verhoren op felle toon de les.

Een hoogtepunt in de door het Centrum geco√∂rdineerde acties was toen in maart 1943 vele duizenden artsen aan de president van de Artsenkamer de NSB‚Äôer dr. Cro√Įn mededeelden afstand te doen van hun bevoegdheid tot uitoefening van het beroep als arts. Op de naambordjes op de gevel en op de recepten werd de aanduiding “arts” doorgehaald, (afb 8).
Dr. L. de Jong noemt deze daad van de Nederlandse artsen een imposante publieke protestactie, die de definitieve mislukking van de Artsenkamer inluidde.

Naambordje van dokter Leenaers.
afb. 8 Naambordje van dokter Leenaers.

Arrestatie

Inmiddels was dokter Leenaers op 20 februari 1943 definitief ontslagen als gemeente-arts en onmiddellijk moest de familie het huis aan de Mient verlaten.
Zijn vrouw en 5 van zijn kinderen vertrokken naar Son in Bra­bant, waar zijn zwager dokter A.P.W.A.M. de Jongh een praktijk uitoefende en waar een bescheiden huisje beschikbaar was.
Na eerst nog even de praktijk te hebben uitgeoefend in huize Hermana State vertrok de dokter, met zijn oudste zoon Gerard die aan het lyceum in Alkmaar studeerde, naar Heiloo. Vandaaruit probeerde hij de praktijk voort te zetten.

Het Reichscommissariat werd in verband met de artsenstaking aanbevolen een aantal artsen te arresteren, die ervan werden ver¬≠dacht deel uit te maken van het Centrum. Hierbij was ook dokter Leenaers. Op 29 maart 1943 werd hij ‘s nachts in Heiloo opge¬≠pakt en naar de Weteringschans-gevangenis in Amsterdam gebracht.

In het dagboek van de kapelaans van de Pancratiusparochie tref¬≠fen we op 3 april de aantekening aan: “Leenaers heeft tanden¬≠borstel, scheergerei en vitaminen gevraagd.”
Mevrouw Leenaers mocht haar man in de gevangenis één keer per week bezoeken. Hij zat in de cel met 2 Engelse piloten aan wie hij geprobeerd heeft Frans te leren.

Het bewijs van lidmaatschap van het Centrum werd niet gevon­den, maar verdacht bleef hij.
Op 22 mei 1943 werd dokter Leenaers naar het concentratiekamp Vught overgebracht.

Vught

Het kamp Vught was omgeven met betonnen palen waartussen een hoge prikkeldraadversperring aangebracht was; achter die prikkeldraadversperring lag een gracht waarvan de taluds ook met prikkeldraad bespannen waren en daarop volgde nog een tweede hoge prikkeldraadversperring. Om de 50 meter was er een wachttoren met daarop een SS’er met een zoeklicht en een mi­trailleur. Om het kamp patrouilleerden SS’ers met waakhonden.

In het kamp waren 36 woon- en slaap- en 23 werkbarakken, magazijngebouw, wasserij, crematorium en een gevangeniscel (bun­ker). Elke woon- slaapbarak kon 240 gevangenen herbergen.

Het kamp was in januari 1943 in gebruik genomen. Vooral de eerste maanden zijn vele honderden mensen gestorven door hon­ger en ontbering.
Vanaf april/mei 1943 werd geen honger meer geleden. Er was een campagne opgezet onder de dekmantel van Het Rode Kruis, waardoor gevangenen elke week een voedselpakket konden ont­vangen. Bovendien konden familie en vrienden levensmiddelen en andere zaken naar de gevangenen sturen. Dokter Leenaers heeft veel pakketten gekregen uit Castricum en omgeving.
In Castricum coördineerde bakker Gerard Hemmer deze actie. De dokter kreeg zowat iedere dag een pakje en deelde veel uit aan minder goed bedeelden. Via de pakketten zijn ook medicamen­ten voor Leenaers het kamp binnengesmokkeld. Mevr. Leenaers stopte b.v. buisjes met morfine in de boter.
Het bestaan van de gevangenen was heel moeilijk door de om­standigheden, angst voor de toekomst, lange werkdagen, appèls enz.


Jaarboek 13, pagina 30

Er waren verschillende werkplaatsen, waaronder het Philips-Kommando, waar reparatiewerk werd verricht en onder andere knijpkat­ ten en radiotoestellen werden geassembleerd. Dat Philips-Kommando was voor de gevangenen van grote positieve betekenis.
In de zomer van 1943 kwam de Krankenbau gereed: een klein echt ziekenhuis dat mede door de medewerking van Philips goed ingericht was. De lagerkommandant stemde er mee in dat er een equipe kwam van Nederlandse gevangenen: huisartsen, specia­listen (ongeveer twaalf) en geschoolde verplegers. Van dat team heeft dokter Leenaers ook deel uit gemaakt en hij heeft zich er volledig voor ingezet.

Dokter Leenaers gevangenisarts in het concentratie kamp Vught (tekening van Reinhart Dozy).
afb. 9 Dokter Leenaers gevangenisarts in het concentratie kamp Vught. Tekening van Reinhart Dozy.

Hij maakte veel vrienden in het kamp, waaronder de Drentse kunstschilder Reinhart Dozy, die hem in zijn zebra-pak heeft ge­tekend. (afb 9). De driehoek op het pak was het kenteken van de politieke gevangenen. De tekening is opgevouwen in een porte­feuille uit het kamp gesmokkeld.
De omstandigheden waaronder Dozy en Leenaers elkaar leerden kennen en waaronder de tekening is gemaakt, blijken uit een brief die dokter Leenaers na zijn vrijlating schreef aan de vrouw van Dozy vanuit Son:

Geachte Mevrouw Dozy,

Het is mij een groot genoegen U de hartelijke groeten van Uw man te mogen overbrengen. Hij kwam bij mij in het ziekenhuis, omdat hij een beetje dikke beenen had van het klompen dragen, hetgeen daar veel voor komt. Na een paar dogen was hij weer be¬≠ter, maar omdat er een tweetal gevallen van vlektyphus waren moesten alle pati√ęnten in het ziekenhuis blijven. Wij hebben daarvan geprofiteerd, want ziek was toen eigenlijk niemand meer en het was meer een vacantie. Uw man heeft toen heel wat portretten getekend, onder anderen het mijne, dat buitengewoon geslaagd is.
Hij ziet er uitstekend uit en zijn humeur is voortreffelijk. Wij hebben het samen erg genoegelijk gehad en zijn wederzijds op de hoogte van eikaars familie en woonplaatsen. Zoo heb ik Uw huis op de foto bewonderd, zooals het daar ligt te midden der Drentsche hei.
Tot mijn spijt mag ik niet in Elp komen, anders was ik U zeker persoonlijk komen opzoeken. Zijn pakketten komen regelmatig aan en die waren dan ook zeer welkom, want het gewone eten is daar niet overdreven schitterend. Naar ik van harte hoop zal hij ook spoedig vrijkomen. Sinds bijna 2 maanden behoeft hij niet meer de appèls bij te wonen, die eigenlijk het ergste deel van
Vught vormen. Hij is nu in het zogenaamde Schonungsblok en gaat bij Philips werken, dat is in een barak en heeft dus in het najaar vele voordeelen.. U kunt dus volkomen gerust over hem zijn.
Zelf probeer ik weer aan de vrije maatschappij te wennen!

Met de meeste hoogachting,

H.M.J.M. Leenaers

Vrijlating

Dokter Leenaers werd weer vrijgelaten op 19 september 1943. Hierbij hebben acties, die collega’s uit het artsenverzet en met name dokter Hoeneveld voor hem hebben gevoerd, een belang­rijke rol gespeeld.
Hij vervoegde zich bij zijn gezin in Son. In de tweede week van september was zijn woning aan de Mient gesloopt.

Huishoudster Regien Baltus was met de familie meegekomen naar Brabant. Zij herinnert zich deze periode als een verschrik­kelijke tijd, vooral toen in Brabant de gevechten rond de bevrijding van ons land losbarstten en de kogels door het dakraam vlogen.

Dokter Leenaers pakte onmiddellijk zijn werk voor het Centrum van het Medisch Contact weer op. Hij kwam als arts in dienst van Philips in Eindhoven en nam waar voor andere artsen.
In Castricum nam zijn vriend Van Nievelt onder moeilijke om­ tandigheden vanuit Limmen de praktijk van Leenaers waar. Door enkele oud-patienten werd in Castricum gecollecteerd om nieuwe instrumenten voor Leenaers te kunnen kopen. Deze collecte werd door burgemeester Masdorp ontdekt en verboden. De ingezamelde gelden nam hij in beslag en stortte die in de kas van Winterhulp.

Dat men hem in Castricum niet was vergeten blijkt ook uit een brief die hij op 13 december 1943 stuurde aan mevrouw De Vries, echtgenote van Piet de Vries die voor de evacuatie aan het Dokterspad, tegenwoordig Dr. Leenaersstraat, woonde:

Beste Juffrouw de Vries

Je aardige brief heeft mij erg veel plezier gedaan en nog hartelijk bedankt voor je bonnen, waar ik de kinderen mee verrassen kan. Je zult wel gehoord hebben, dat ik geheel de oude gebleven ben, dus nog flink mopperen als ik een kwaje bui heb!! Het kan in een paar jaar tijd aardig veranderen. Eerst een flink bloeiend dorp en nu zitten we allemaal verspreid en kunnen elkaar bijna niet meer terug vinden.
Hier in het Brabantsche land is het stil en eenzaam. Je ligt 9 km. van de trein en vrijwel geen bussen, die bovendien meestal een à twee uur te laat zijn. Het is niet zoo erg prettig om met dit weer uren buiten te staan wachten. Ik ga zelf nogal eens hier en daar waarnemen voor een dokter, die ziek is, dan blijf je tenminste aan het werk.
In het kamp is het nu in den winter niet zoo prettig. Het zal er wel erg koud zijn en dan met dat slechte eten wordt het er niet beter op. Is Piet gelukkig nog aan het werk in het land? Dat werken in Duitschland valt ook niet mee, want daar gebeurd nog al eens wat.
Ons kleinste kindje groeit erg goed. Het is erg stout, maar praat nog heel weinig. De andere kinderen maken het allemaal goed. Jammer, dat je nog steeds zooveel last van je rug hebt en ook dat vloeien moest eigenlijk ophouden. Die twee staan wel met elkaar in verband. Heb je nog een goed corset? Hulp is overal moeilijk te krijgen.
Als je veel kinderen hebt komen ze heelemaal niet meer.
Nu, beste Marie, hou je goed, doe de groeten aan je man en kin­ deren en alle verdere bekenden, die in je omgeving wonen.

Tot ziens,

H.M.J.M. Leenaers

Dokter Leenaers is nog enkele keren in Castricum terug geweest. Kapelaan Van der Zalm noteerde op 15 april 1944 in het eerder ge¬≠noemde dagboek van de Pancratius-parochie: “Vanmiddag om 12.30 uur is de held van Castricum dokter Leenaers even aan ge¬≠weest. Hij ziet er goed uit en is nog even strijdvaardig.”

Afscheid

Juni 1944: de invasie is begonnen. Bayeux is veroverd. Dan komt het bericht dat dokter Leenaers ernstig ziek in Tilburg in een zie­kenhuis is opgenomen. In de trein was hij onwel geworden. Colle­ga’s uit het verzet, de professoren Borst en Biemondt uit Amster­dam hebben hem nog in het ziekenhuis opgezocht om te zien of zij nog iets konden doen, maar zijn toestand was hopeloos.

Meer dan 2000 mensen woonden de begrafenis van de geliefde dokter bij.
afb. 10 Meer dan 2000 mensen woonden de begrafenis van de geliefde dokter bij.

Op 22 juli overlijdt dokter Leenaers op 42-jarige leeftijd.
Op 27 juli vindt de begrafenis in Castricum plaats. Een deputatie van de bevolking en verschillende verenigingen willen het stoffe­lijk overschot aan het station afhalen. Op last van de burge-


Jaarboek 13, pagina 30

meester worden ze door de politie weggestuurd, uit angst voor demonstratie en verstoring van de openbare orde.
In het illegale blad Strijd stond in een In Memoriam onder andere het vol¬≠gende: “Zo werd Leenaers op zijn laatste gang door het dorp nog tegengewerkt, omdat men bang was voor zijn invloed! Welke kracht moet van deze man zijn uitgegaan, dat men zelfs zijn stof¬≠felijk overschot vreesde.”

Bij de indrukwekkende uitvaartdienst en op het kerkhof van de St. Pancratiuskerk waren ongeveer 2000 diep geroerde mensen bijeen, (afb 10). De kerktoren was beroofd van zijn klokken, zo­ dat er tijdens zijn laatste gang slechts stilte heerste.
Er was een krans van vrienden uit kamp Vught met de tekst: “Uit dankbaarheid van hen wier lijden gij in het kamp hielp verlichten.”
Door zijn dispuut Noctua is de grafsteen geschonken. Op 24 no­vember 1946 werd deze steen plechtig onthuld.

Er kwamen acties op gang om een monument voor hem op te richten. Uiteindelijk is er een passend eerbetoon gevonden in de naamgeving van het wijkgebouw van het vroegere Wit-Gele Kruis; het dokter Leenaershuis.

Plaquette met de beeltenis van dokter Leenaers.
afb red.: Plaquette met de beeltenis van dokter Leenaers.

In de hal van het wijkgebouw is een plaquette aangebracht met de beeltenis van dokter Leenaers. Mevrouw Leenaers-de Jongh heeft op 14 oktober 1959 deze plaquette onthuld.
Haar broer dokter A.P.W.A.M. de Jongh heeft de praktijk van Leenaers overgenomen. In zijn spreekkamer stonden het bureau, de stoel en de onderzoektafel die eens in gebruik waren bij zijn voorganger.

Gedenkpenning artsenverzet.
afb 11 Gedenkpenning artsenverzet.

Van de Koninklijke Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst heeft dokter Leenaers postuum de gedenkpenning (afb. 11) ont¬≠vangen van het artsenverzet. De penning toont aan de voorzijde een hakenkruis dat door een slang wordt gebroken en het rand¬≠ schrift luidt: “Alleen een vrij man kan een goed geneesheer zijn.”

N.A. Kaan

Bronnen:

Familie Leenaers
Mevrouw H.v.d.Klei
Mevrouw J.H. Scholten-Kloes
Mevrouw G.M. Schram-Glorie
Mevrouw I.D.E. Van Nievelt
Mevrouw J. Zentveld-Schermer
De heer J. Houtenbos
De heer J. Stet
Familie Veldt
Kapelaan J. Verheul

  • Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog de¬≠len 6, 7 en 8 door dr. L. de Jong
  • Geschiedenis van het verzet der artsen in Nederland door Ph. de Vries, Haarlem 1949
  • Concentratiekampen systeem en praktijk in Nederland Fibula-Van Dishoeck, Bussum 1970
  • Dagboek kapelaans Pancratiusparochie 1942 – 1945
  • Archiefstukken Medisch Contact; Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie
  • Informatie van de Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst
  • Brieven van de heer V.A. Dozy te Elp
  • Streekarchief Alkmaar
  • Archief gemeente Castricum
  • Oudheidkamer Vught de heer Scharf

Boreel van Hogelanden ‚Äď burgemeester (Jaarboek 12 1989 pg 44)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans, EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan WillemJacobs-Wentink, GréKieft, PieterKortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 12, pagina 44*

Burgemeester Boreel van Hogelanden

De vertrekkende burgemeester jonkheer Mr. Jacob Willem Gustaaf Boreel van Hogelanden was burgemeester en secretaris van Castricum van 1 december 1877 tot 1 mei 1888.

Burgemeester Boreel van Hogelanden.
Burgemeester Boreel van Hogelanden.

Jacob Boreel stamde af van het rijke patrici√ęrsgeslacht der Boreels, dat meerdere beroemde diplomaten voor zijn tijd had voortge¬≠bracht. Hij was geboren op 10 september 1852 op het landgoed Waterland te Velsen; hier heeft Jacob ook zijn jeugd doorgebracht. Zijn vader was jonkheer mr Willem Boreel van Hogelanden, toen Commissa¬≠ris des Konings van Noord-Holland, later voorzitter van de Tweede Kamer en Minister van Staat en zijn moeder was jonkvrouwe Margaretha J.M.P. Boreel.
Na voltooiing van zijn studies in de rechten te Leiden was Jacob Bo­reel enige tijd als attachee te Londen werkzaam. Om ervaring in het gemeentebestuur op te doen zegde hij de diplomatieke dienst vaar­ wel en werd reeds op 25-jarige leeftijd burgemeester van Castricum; daarnaast kon hij zich nu wijden aan het beheer van zijn landgoede­ren, die grensden aan de duinen. In dat kader maakte hij als een van de eersten een studie van de verschillende soorten dennen, die voor duinbeplanting het meest geschikt waren.

Jacob Boreel van Hogelanden, burgemeester van Castricum van 1877 tot 1888.
Jacob Boreel van Hogelanden, burgemeester van Castricum van 1877 tot 1888. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Burgemeester van Castricum

In Castricum volgt hij burgemeester Carel Hendrik Moens op. Enkele maanden na zijn ambtsaanvaarding trouwt hij op 14 maart 1878 te ’s-Gravenhage met barones Maria Cornelia Schimmelpenninck van der Oye. Jacob heeft van de minister van Binnenlandse Zaken toestem­ming om gedurende ruim twee maanden een huwelijksreis te maken naar het buitenland. Na terugkeer wordt hij op 11 juni 1878 in Castri­cum feestelijk binnengehaald; straten en huizen zijn versierd, er staan erepoorten op de Rijksstraatweg.

Jacob Boreel gaat met zijn vrouw wonen op het landgoed Meervliet. Bij koninklijk besluit is hij vrijgesteld van de verplichting om in Castricum te wonen, mits hij in Velsen gevestigd blijft. Wel moet de burgemeester voor de ingezetenen van Castricum op elke woens­dagmorgen vanaf 11 uur in Castricum te spreken zijn.

Burgemeester Boreel is dus over een periode van tien jaar en vijf maanden burge­meester van Castricum geweest. Deze periode kenmerkt zich als een betrekkelijk rustige periode in de Castricumse geschiedenis. Er zijn geen bijzondere bouwwerken verrezen, wegen aangelegd of an­dere nu nog aanwijsbare elementen uit die periode bewaard geble­ven.

Het oude Raadhuis met daarachter de Openbare Lagere school, Dorpsstraat 63, 65, 67 in Castricum
Het oude Raadhuis met daarachter de Openbare Lagere school, Dorpsstraat 63, 65, 67 in Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Alleen de Openbare School (de enige school in Castricum) wordt met 3 lokalen uitgebreid. De financi√ęle toestand van de ge¬≠meente blijft onveranderd slecht. Het aantal inwoners schommelt tussen de 1460 en 1715.

In 1881 maakt Jacob Boreel van Hogelanden deel uit van het buiten­ gewone gezantschap, dat de Koning der Nederlanden vertegenwoor­digde bij de kroning van Alexander III tot tsaar der Russen.

Op 3 juni 1884 wordt Jacob Boreel ook benoemd tot burgemeester van Heemskerk; hij volgt aldaar de geliefde en plotseling overleden burgemeester Zaalberg op, die in 1868 en 1869 ook burgemeester van Castricum was geweest. Ook Jacob Rendorp had daarvoor gedu­rende een lange reeks van jaren beide gemeenten bestuurd. Over de burgemeesters Zaalberg en Rendorp zijn uitvoerige artikelen ver­ schenen in respectievelijk het 5e en het 10e jaarboekje.

Burgemeester van Haarlem

Op 1 mei 1888 neemt burgemeester Boreel van Hogelanden op eigen verzoek ontslag als burgemeester van Castricum en Heems­kerk om zich volledig te wijden aan zijn lidmaatschap van de Twee­de Kamer, waarvoor hij als liberaal door het district Beverwijk was gekozen. Met grote ambitie vervult hij zijn Kamerlidmaatschap tot 1893, toen hij benoemd werd tot burgemeester van Haarlem en hij zijn Kamerlidmaatschap niet verenigbaar achtte met zijn nieuwe ambt.

Gedurende zijn 19-jarig burgemeesterschap van Haarlem komen mede dank zij zijn initiatief een groot aantal zaken tot stand. In 1894 schenkt hij de stad Haarlem een bijzonder fraaie zilveren ambtske¬≠ten, die nog steeds door de burgemeester van Haarlem wordt gedra¬≠gen. Na 19 jaar burgemeesterschap van Haarlem vindt Jacob Boreel het welletjes en wordt in 1912 lid van de Gedeputeerde Staten van Noord Holland, in welke functie hij zeer actief deel neemt aan de financi√ęle commissie en aan het beheer van het Provinciaal Zieken¬≠ huis te Santpoort.

Eigenaar van het landgoed Meervliet, Waterland en Beeckestein

In 1877 koopt Jacob Boreel het landgoed Meervliet te Velsen, hier worden zijn vijf kinderen geboren, waarvan er drie bij de geboorte en ook zijn eerste vrouw zullen overlijden. Het wordt stil op Meer­vliet, Jacob woont er met zijn twee nog zeer jonge dochtertjes. Als zijn moeder in 1892 overlijdt, gaat hij op het eraan grenzende land­ goed Waterland wonen, de plaats waar hij was geboren. Zes jaar la­ter hertrouwt hij met Jonkvrouwe Cornelia Maria van Weede. In 1926 verkoopt hij het landgoed Meervliet, dat kort daarna wordt gesloopt. Jacob Boreel is ook eigenaar van het landgoed Beec­kestein; Dit landgoed en ook Waterland waren reeds vanaf respectievelijk 1742 en 1799 in het bezit van de familie Boreel.

Op bijna 85-jarige leeftijd is Jacob W.G. Boreel van Hogelanden op 16 juli 1937 te Bloemendaal overleden; de landgoederen Beec­kestein en Waterland worden onder zijn beide dochters mevrouw Baronesse van Tuyll van Serooskerken en mevrouw Cremers verdeeld, waarmee een einde kwam aan het bewind der familie Boreel.

S.P.A. Zuurbier

* Dit artikel is een apart onderdeel van Castricum honderd jaar geleden 1888, pagina 44.

Rommel, kapitein (Jaarboek 12 1989 pg 23-30)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans, EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan WillemJacobs-Wentink, GréKieft, PieterKortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 12, pagina 23

Wie was … Kapitein Rommel

De tuin van Kapitein Rommel aan de Stationsweg in Castricum.
De tuin van Kapitein Rommel aan de Stationsweg in Castricum. Aquarel Ruud ter Laare. Fotograaf Jacques Schermer. Toegevoegd.

Veel Castricummers hebben wel eens gehoord van de tuin van kapitein Rommel, die ligt op het binnenterrein dat wordt omslo­ten door de Dorpsstraat, Stationsweg en de Burgemeester Mooijstraat. Ook kapitein Rommel zelf leeft nog in de herinnering van veel oudere inwoners. Hij was een van de meest markante dorpsge­noten uit de eerste helft van deze eeuw. Getracht zal worden een beeld te schetsen van de mens Albert Rommel, door een be­schrijving te geven van zijn leven en werken.

Het buurtje rond de dorpskerk, zo tussen de Stationsweg en de Schoolstraat, was vroeger een hechte dorpsgemeenschap waar een groot saamhorigheidsgevoel heerste.
Burenhulp was de normaalste zaak van de wereld, ook bij ge­boorten, huwelijk en overlijden. Men leefde intens mee met elkaars wel en wee. De kermis op de Dorpsstraat bij De Rustende Jager en later op het voetbalveld ten zuiden van de Overtoom was een jaarlijks hoogtepunt. Puffend en steunend reed het stoomtrammetje enkele malen per dag vlak langs de huizen van de Dorpsstraat.
De kinderen mochten graag steentjes of een geldstukje op de rails leggen om te zien wat er gebeurde. In de zomer stonden lange rijen handkarren met sloffen aardbeien te wachten voor het veilinggebouwtje.
In het jaar 1919 kwamen in dat buurtje wonen de 1ste stuurman Albert Rommel, zijn vrouw Anna Doeksen en hun éénjarige zoon Jan.

Kerkzicht

Albert was in Castricum geboren op 14 januari 1889. Zijn wieg stond in huis Kerkzicht (afb. 1) een groot pand dat tegenover het oude raadhuis heeft gestaan en dat later patronaatsgebouw is geworden.
Zijn ouders waren Jacobus Johannes Rommel en Antje Vis. Zij hadden zes kinderen, vier meisjes en twee jongens. Albert was de jongste van de zes.
Zijn vader noemde zich achtereenvolgens industrieel, bloem­kweker en makelaar in hout.

Het geboortehuis van Rommel, het huis Kerkzicht, dat tegenover het oude raadhuis stond. De man met de mand is schoenmaker Imming; de man ernaast is dorpssmid Peperkamp.
afb. 1 Het geboortehuis van Rommel, het huis Kerkzicht, dat tegenover het oude raadhuis stond. De man met de mand is schoenmaker Imming; de man ernaast is dorpssmid Peperkamp.

Een familielid herinnert zich dat vader Rommel ook nog een draaierij van houten kaaskoppen heeft gehad.
De familie verhuisde kort na de geboorte van Albert naar Oosterbeek. Nog voor de eeuwwisseling in april 1899 vestigde het gezin zich in Heiloo aan de Kennemerstraatweg tegenover landgoed Ter Coulster.

In die tijd werkte vader Rommel als klerk bij een notaris. In 1910 vertrokken hij en zijn vrouw naar Limmen, waar hij op 17 de­cember 1912 op 58 jarige leeftijd overleed.
Antje Vis hertrouwde op 26 november 1914 met een jongere broer van haar man, Johannes Frederik Rommel, die onder andere in Til­burg en Maastricht directeur was geweest van een postkantoor. Sinds 1910 woonde hij in de in zijn opdracht gebouwde villa Sonnevanck aan de Burgemeester Mooijstraat. Op deze plaats staat nu de schoenwinkel van Groot.

Zeevaartschool Vlissingen

Albert bezocht de lagere school in Oosterbeek en in Heiloo. In september 1904 ging hij, vijftien jaar oud, naar de voorbereiden­de klas van de Zeevaartschool De Ruijter in Vlissingen (afb. 2). Hij kwam in de kost bij het gezin van de onderwijzer Pieter Boon.

Albert Rommel als student op de Zeevaartschool te Vlissingen.
afb. 2 Albert Rommel als student op de Zeevaartschool te Vlissingen.

Het was gebruikelijk dat de jonge studenten hun studieperiode afsloten met een reis. Zo vertrok ook Albert Rommel op 1 febru­ari 1905 om te gaan varen.
Die eerste keer op zee was een heel slechte ervaring voor hem: hij werd ontzettend zeeziek. Van zijn moeder moest hij echter met de opleiding doorgaan. Haar devies was “Eenmaal zeeman altijd zeeman”.


Jaarboek 12, pagina 24

Op 13 juni 1906 keerde hij op school terug en in oktober 1907 behaalde hij het diploma 3e stuurman. Voor de Rotterdamsche Lloyd ging hij vervolgens varen als 4e en daarna als 3e stuurman.
Op 1 november 1910 keerde hij weer terug in de schoolbanken om er verder te studeren voor zijn 2e rang. Op 27 juni 1911 mocht hij dat diploma in ontvangst nemen.
Opnieuw vertrok hij naar zee, eerst als 3e, later als 2e stuurman. In januari 1914 besloot hij wederom naar school te gaan, dit­maal om de rang van le stuurman te gaan halen. Door het uit­ breken van de Eerste Wereldoorlog en de daaruit voortvloeien­ de mobilisatie, moest hij deze studie in juli 1914 echter afbreken.

Marine-officier

Albert was in 1911 vrijwillig als reserve-officier bij de Koninklij­ke Marine in dienst getreden. Eigenlijk was hij vrijgeloot voor de militaire dienst, maar hij ruilde met zijn broer Jan.
Bij de algemene mobilisatie op 31 juli 1914 werd hij opgeroepen en ingelijfd bij de militaire kustwacht te Vlissingen en later zou hij zelfs havencommandant zijn geweest in Willemstad.
Op 7 augustus 1915 monsterde hij weer aan en wel als 2e stuur¬≠ man op het stoomschip “Menado” van de Rotterdamsche Lloyd. Na het einde van de oorlog vervolgde hij zijn opleiding tot le stuurman en voltooide die in juli 1919.
Zijn carrière als reserve-officier bij de marine zette zich onder­ tussen voort. Herhaaldelijk werd hij opgeroepen om voor een periode van ongeveer 6 maanden dienst te doen.
Op 1 april 1932 werd hij ontslagen uit de zeedienst. Het register van reserve-officieren der Koninklijke Marine vermeldt dat Al­bert Rommel eindigde als kapitein-luitenant ter zee.

“Klein maar mijn”

Op 20 februari 1918 trad Rommel op Terschelling in het huwelijk met Anna Doeksen, zij kwam uit de bekende familie van eigena­ren van de rederij Doeksen. Het contact was gelegd, toen Rom­mel eens een tijdje als marine-officier op het eiland verbleef.
Om zijn studie in Vlissingen af te maken, ging Rommel met zijn vrouw in Willemstad wonen. Daar werd op 5 januari 1919 zoon Johannes Frederik, roepnaam Jan, geboren.
Korte tijd later vertrok het gezin naar Vlissingen.
Nadat Albert zijn eerste rang behaald had keerde hij met vrouw en kind in juli 1919 terug naar zijn geboorteplaats Castricum, waar hij eerst ging inwonen bij zijn moeder en stiefvader. De sterke band die hij met zijn moeder had, zal ongetwijfeld een belangrijke rol hebben gespeeld bij de keuze van zijn woonplaats.

Het huisje "Klein maar mijn" met Albert Rommel en Anna Doeksen met haar zoon Jan, omstreeks 1920.
afb. 3 Het huisje “Klein maar mijn” met Albert Rommel en Anna Doeksen met haar zoon Jan, omstreeks 1920. Dorpsstraat 47 in Castricum.

Weldra ging hij zelfstandig wonen op het adres Kerkbuurt 10, in het huisje “Klein maar mijn”, (afb. 3). Het stond aan de Dorpsstraat, ingeklemd tussen de tegenwoor¬≠dige panden van optiek Bergman (vroeger kapper Boddeke) en fotohandel Spaan (vroeger bakker Hoogland). Er tegenover la¬≠gen De Rustende Jager en de smederij van Cor Peperkamp, let¬≠terlijk en figuurlijk in het centrum van de oude dorpskern dus.

Tot omstreeks 1925 woonden de Rommels daar. Jan Rommel kreeg er nog twee zusjes bij. Op 27 maart 1920 werd Anna Albertina geboren en op 21 april 1922 Annie Gerrarda Jacoba Alberta.
Beide keren was Albert Rommel op zee. Hij voer toen als le stuurman op de stoomschepen “Marken” en “Rindjani”. De ge¬≠boorte aangifte van zijn eerste dochter werd gedaan door vroed¬≠vrouw juffrouw Vahl en van zijn tweede dochter door de beken¬≠de dokter Schoonhoff. De kinderen bezochten de dorpsschool aan de Schoolstraat.

afb. 4 De ezelwagen met Jan Rommel op de bok en zijn zusjes Anna en Anneke erin bij de villa Sonnevanck. Dit huis stond met de achterkant gekeerd naar de Burgemeester Mooijstraat.
afb. 4 De ezelwagen met Jan Rommel op de bok en zijn zusjes Anna en Anneke erin bij de villa Sonnevanck. Dit huis stond met de achterkant gekeerd naar de Burgemeester Mooijstraat.

In de kleine dorpskern heerste altijd een feestelijke stemming als Rommel van een reis terugkeerde. Hij bracht vaak bijzonde­re dieren mee, zoals chowchow-honden waarmee nog door zijn broer Jan in Limmen is gefokt, schildpadden en kameleons. Legendarisch waren de aapjes Manus en Kees. In de voortuin van zijn huis stond een lange paal, waaraan een aapje met een ring en een ketting was vastgemaakt zodat het dier omhoog kon klimmen. Dat trok natuurlijk veel bekijks.
Voor zijn kinderen bracht hij eens een fraaie kar met een paard¬≠je mee uit Indi√ę. Het paardje moest echter in Egypte op last van de havenautoriteiten van boord. Via zijn vriend Maghmoed wist Rommel in Port Said een ezeltje te bemachtigen, zodat hij toch nog met een compleet span in Rotterdam arriveerde.
De vraag was toen hoe het spul in Castricum moest komen, het wagentje kon met de trein worden vervoerd, maar met het ezel­tje was dat anders; het beestje diende verzorgd te worden en van water te worden voorzien.
Geen nood, de koffers van Rommel moesten ook naar Castri¬≠cum en daarom werd de grote taxibus van Toon Gorter besteld, waarbij het verzoek om Piet Schotvanger en Jan Duin ter as¬≠sistentie mee te nemen. Laat in de avond arriveerde de grote Buick van Toon in Castricum met behalve drie vrolijke heren, ook het ezeltje aan “boord”.
Een beschrijving van de ezelwagen is nauwelijks nodig vanwege de fraaie foto waarop deze kar is afgebeeld, met zoon Jan die de teugels vasthoudt, (afb. 4) Onder zijn voet zat een bel die natuur­lijk voortdurend werd geluid bij de tochtjes door het dorp, tot grote schrik van menig paard. Het wagentje had rubber banden zodat het verder geruisloos reed.
Eén probleem had de ezel wel: in zijn vaderland was hij gewend altijd aan de linkerkant van de weg te lopen. Die gewoonte bleek hem niet af te leren.


Jaarboek 12, pagina 25

Rommel hield enorm van de contacten met andere dorpsgeno­ten. Als hij van een lange reis in den vreemde terugkeerde in Castricum kwam hij graag in de dorpscafés om er al zijn oude kennissen weer te begroeten.
Hij leefde mee met het wel en wee van de tuinders en had con¬≠tacten met veel dorpsgenoten. Zo was dokter Leenaers een vriend van hem en ofschoon hij onkerkelijk was ging hij graag om met pastoor Engering. Veel contact had Rommel ook met de directeur van de Castricummer Courant de heer Winkler, door zijn vrienden “Barbertje” genoemd. Hierdoor zijn er in de krant ook wel artikelen verschenen over de zeereizen van kapi¬≠tein Rommel. Helaas is er voor zover ons bekend geen enkele bewaard gebleven.
Met Piet Schotvanger, eigenaar van De Harmonie ging hij vaak op jacht. Bij jachtpartijen in de duinen, trok hij op met zijn grote vriend Sillevis een bekende uit zijn Marine loopbaan, vlieger bij de marine-luchtvaartdienst en later gezagvoerder van de KLM (afb. 5).

Albert Rommel als marine-officier met zijn vriend Leendert "Boon" Sillevis, met wie hij menig vliegtochtje maakte. Sillevis werd later piloot bij de KLM onder andere voor de lijn naar het toenma¬≠lige Nederlands-Indi√ę.
afb. 5 Albert Rommel als marine-officier met zijn vriend Leendert “Boon” Sillevis, met wie hij menig vliegtochtje maakte. Sillevis werd later piloot bij de KLM onder andere voor de lijn naar het toenma¬≠lige Nederlands-Indi√ę.

Wim Kuijs en zoon Jan Rommel gingen wel mee als drijvers. De beloning daarvoor bestond uit 3 gulden en twee konijnen.
Behalve een jager was Rommel ook een liefhebber van sport schieten. Met Rijksveldwachter Koelewijn deed hij aan kleiduivenschieten, waarbij hij menige prijs in de wacht sleepte.

Door zijn contacten met de marine-luchtvaartdienst, mocht Rommel een enkele maal meevliegen. Als men dan vanuit Den Helder over Castricum vloog, ging de vlieger zo laag, dat ieder­ een hen uitbundig kon toewuiven. Uiteraard zwaaide de kapi­tein vrolijk terug.

Vier gelijke villa’s die gebouwd werden door aannemer Gerard Kabel in 1922, in opdracht van bakker Gerrit F. Res. De huizen kregen allemaal namen die op een “a” eindigden. Het waren Flora, Jacoba, Eduarda en Solana. Solana werd veranderd in Toba omdat kapitein Rommel zijn schip zo heette. Stationsweg 3, 5, 7, 9 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Huize Toba

Het huisje aan de Dorpsstraat werd met drie kinderen wat aan de krappe kant. In de loop van 1925 vertrok het gezin naar een nieuwe woning aan de Stationsweg. Dit huis staat er nu nog steeds. Het is het eerste pand naast de voormalige burgemeesterswoning en maakt deel uit van vier gelijke villa‚Äôs die ge¬≠bouwd werden door aannemer Gerard Kabel, in opdracht van bakker Gerrit F. Res. De huizen kregen allemaal namen die op een “a” eindigden. Het waren Flora, Jacoba, Eduarda en Solana. Toen Rommel in 1929 kapitein werd, werd Solana omgedoopt in Toba, de naam van het stoomschip waarop hij toen voer (afb. 6). Hij was met zijn 40 jaar de jongste stuurman die kapitein werd. De kinderen Rommel konden via de aan elkaar grenzende tui¬≠nen het huis van hun oma en “opa” die oom Jan werd genoemd bereiken.

In de loop der jaren groeiden Albert Rommel en zijn vrouw uit elkaar. De verhouding werd steeds slechter en op 24 december 1931 vertrok Anna Doeksen met haar kinderen naar Amster­dam. De dienstbode Lena Schotvanger ging mee.

Huize Toba werd verkocht en Albert verkoos het huis van zijn moeder, de villa Sonnevanck weer als zijn domicilie. Op 15 juni 1932 overleed daar zijn stiefvader en werd zijn moeder dus voor de tweede keer weduwe.

Kapitein Rommel hier in Port-Said.
Kapitein Rommel hier in Port-Said. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Scheepsjournalen

Albert Rommel heeft bij de Rotterdamsche Lloyd een snelle car¬≠ri√®re gemaakt. Hij heeft uitsluitend gevaren op vrachtschepen, die echter ook accommodatie hadden voor tien tot twintig pas¬≠sagiers, Van 1919 tot 1929 voer Rommel als 1e stuurman achter¬≠eenvolgens op de stoomschepen “Marken”, “Rindjani”, “Willis”, “Buitenzorg”, “Blitar” en “Palembang”. Van verschillende reizen zijn nog journalen bewaard gebleven.
Een scheepsjournaal, dat altijd door de 1e stuurman bijgehou­den moest worden, bestaat uit een deel waarin verslag wordt ge­daan van hetgeen in de havens passeerde en een ander deel waarin de zeereis wordt beschreven.
In het journaal van de “Buitenzorg” lezen we dat de echtgenote van kapitein Flack en mevrouw Rommel het begin van een lan¬≠ge reis naar Batavia en vervolgens New York meemaakten. Rommel noteerde op 9 augustus 1924 te Antwerpen: “Mevrouw Flack en mevrouw Rommel monsterden af.”

Voor het lossen van de lading van de “Buitenzorg” in de havens in Indi√ę kwamen koelies aan boord. Aan mankracht geen ge¬≠brek: op 17 en 18 december waren het er respectievelijk 96 en 125!
In Singapore moesten ijzeren pijpen worden gelost. Dat leverde problemen op, omdat de beschikbare prauwen voor de 12 meter lange pijpen te kort bleken te zijn. Gewacht moest worden op de komst van een grotere prauw. Toch wel erg primitief in onze ogen.

In Batavia kwamen op 20 oktober 1924 emigranten voor Para¬≠maribo aan boord. Op de “Buitenzorg” werd ruimte gemaakt voor 489 volwassenen, 24 kinderen en 9 zuigelingen. De reis ging over de Zuid-Indische en Zuid-Atlantische oceaan.
Op 8 november overleed een van de kinderen. Na ruim vijf we­ken varen kwam het schip op 27 november 1924 in Paramaribo aan.

Stuurman Rommel beschreef op 15 mei 1926 de afvaart van de “Blitar”: “Bij vertrek van Rotterdam was het stoomschip “Blitar” hecht, dicht en sterk, de lading volgens zeemansgebruik gestuwd, lui-


Jaarboek 12, pagina 26

ken geschalmd en voorzien van drie goede pressings, de equipa¬≠ge gezond en voltallig voorzien van de voor de wet vereiste di¬≠ploma‚Äôs, alles goed voorzien tegen inwateren, het schip voldoen¬≠de voorzien van proviand, drink-, ketel- en waswater, navigatie-, reddings- en brandblusmiddelen in goede staat evenals grondtakel, machines en ketels, de stoomfluit beproefd, zeekaarten bij¬≠ gewerkt, in staat de reis van Rotterdam naar Java via Port Said te aanvaarden en te volbrengen.”

afb. 6 Het eerste schip waarop Rommel gezagvoerder werd was het stoomschip Toba.
afb. 6 Het eerste schip waarop Rommel gezagvoerder werd was het stoomschip Toba. Collectie Scheepvaartmuseum.

Een reis van en naar het toenmalige Nederlands-Indi√ę nam ongeveer 4 maanden in beslag. De vaartijd naar Port Said was ruim 14 da¬≠gen. Het aantal bemanningsleden op een stoomschip was vrij groot. Op het stoomschip Toba, 6.733 bruto registerton, telde de bemanning wel 65 koppen, waarvan 23 Chinese stokers. Verder waren er de gebruikelijke functies, zoals de stuurlieden, in totaal 4, een marconist, bootsman, timmerman, lampenist, matrozen, machinisten, oliemannen, hofmeesters, en de Javaanse bedienden.
De gage van de eerste stuurman bedroeg zo’n 325 gulden per maand, de bootsman ontving omstreeks 135 gulden, een vol matroos 100 gulden en de kapiteinsbediende 30 gulden.

Rommel als kapitein op de Kota Sjandi, mei 1937.
afb. 7 Rommel als kapitein op de Kota Sjandi, mei 1937.

De lading waarmee de “Toba” onder gezagvoerder Rommel, in maart 1930 terugkeerde, werd in Hamburg gelost. Deze lading bestond uit 90.181 zakken olienoten en 311 zakken nigerzaad. In de haven werd bij vier matrozen schurft geconstateerd. Besloten werd tot het grondig ontsmetten van de verblijven. Kapitein Rommel verbood de vier matrozen te gaan passagieren in ver¬≠band met een doktersbehandeling. Zij stoorden zich daar echter niet aan en gingen in de avond toch van boord. Toen ze de vol¬≠gende ochtend om 8 uur terugkeerden werden ze op staande voet ontslagen en op de trein naar Rotterdam gezet. Met de kapitein viel niet te spotten (afb. 7).

Kapitein Rommel maakte de overgang mee van stoomschepen naar motorschepen.
In 1931 maakte hij zijn eerste reis op het vrachtmotorschip “Kedoe”. Dat schip was door de Lloyd ooit aangekocht om ervaring op te doen op het gebied van scheepsmotoren. Erg enthousiast was Rommel niet. Hij vond de motoren minder betrouwbaar dan de stoommachines. “Motoren blijven toch maar motoren.”

Paviljoen Armeria, Castricum aan Zee, 1926. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Zijn zoon Jan Rommel heeft op de “Kedoe” nog eens een reisje meegemaakt naar Hamburg. Hij herinnert zich nog dat zijn va¬≠der het schip zo dicht mogelijk langs de kust ter hoogte van Castricum liet varen. Door voortdurend te peilen lukte het op minder dan een kilometer afstand van het strand te komen. Het strandpaviljoen Armeria was vanaf het schip heel goed te zien. Het is geen wonder dat veel jonge mannen in Castricum er van droomden om net als kapitein Rommel te gaan varen. De Castri¬≠cummers Jan Duin, Jan Blom, Jan Liefting, Jaap en Dirk Schotvanger hebben deze droom waargemaakt en hebben als scheepsjongen, matroos of lampenist voor menige reis aange¬≠monsterd en door bemiddeling van Rommel op schepen van De Rotterdamsche Lloyd.
Jan Duin heeft vaak met kapitein Rommel zelf gevaren. De af¬≠ stand tussen officieren en de overige bemanningsleden was tra¬≠ditioneel erg groot. De bemanning kwam maar zelden met de kapitein of stuurman in contact. Eenmaal weer in Castricum ging Rommel echter weer vriendschappelijk met de Castricumse zeelieden om. Scheepsjongen Dirk Schotvanger ontving eens telegrafisch de speciale groeten van kapitein Rommel, toen zijn schip de “Blitar” dat van Rommel, de “Toba”, in de Rode Zee passeerde.

Pelgrim-vervoer

Een van de vijf zuilen, waarop de Islam rust, is voor de gelovige te trachten tenminste eenmaal in zijn leven een pelgrimstocht naar de heilige plaatsen in Mekka te maken. Daar Indonesi√ę het meest afgelegen gebied is waar veel Mohammedanen wonen lag een reis per schip het meest voor de hand. Steeds meer vrachtschepen werden voor dit vervoer geschikt gemaakt. De belangrijkste eis was wel enige bescherming tegen de hitte; daartoe werd elk pelgrimsschip voorzien van houten dekken.

Motorschip Kota Agoeng 7321 brt in oorlogsuitrusting met luchtafweergeschut.
afb. 8 Motorschip Kota Agoeng 7321 brt in oorlogsuitrusting met luchtafweergeschut. Collectie Scheepvaartmuseum.

De “Kota Agoeng” 7.321 brt (red: bruto register ton) was ook een dergelijk schip. Het bood plaats aan 20 eerste klas passagiers en 2.000 pelgrims!
Kapitein Rommel maakte van 1 februari tot 19 mei 1939 een reis met dat schip. Op de heenreis naar Indonesi√ę werden te Djeddah 17 eerste klas reizigers en 1303 gewone pelgrims aan boord genomen. Het schip was daarvoor natuurlijk eerst extra schoonge¬≠maakt en ingericht.
De Castricummer Dirk Schotvanger herinnert zich dat er zelfs een koeienstal aan boord was met een stuk of tien koeien, die ge­durende de reis één voor één op rituele wijze werden geslacht, ten behoeve van de vleesvoorziening van de vele passagiers.
Voor het vervoer van de pelgrims werd de bemanning uitge­breid met een dokter en een verpleger. Dat was ook wel nodig. Gedurende de reis naar Soerabaja van 19 februari tot 9 maart 1939 overleden 6 pelgrims en werden twee kinderen geboren.

Met deze grote massa mensen op het schip waren er ook wel eens ongeregeldheden. Op 28 februari 1939 stelde kapitein Rommel een offici√ęle commissie in die moest onderzoeken of er verdovende middelen en vuurwapens aan boord waren. Met de leiding werd belast de 1e stuurman A. Verhoef. Het hele schip werd overhoop gehaald. De commissie rapporteerde de kapitein tenslotte dat alles was doorzocht, onder andere de Chinese was¬≠serij en het verblijf van de Chinese wasbaas, het Javanen ver¬≠blijf, de matrozenlogies, de kettingbak, sloepen en kombuizen, maar dat er niets was gevonden.

Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog is op grote schaal gebruik ge­maakt van troepentransportschepen. Zo werden schepen van de Rotterdamsche Lloyd gecharterd door de Amerikaanse War Shipping Administration en deden dienst in de Stille Oceaan.


Jaarboek 12, pagina 27

Kapitein Rommel maakte gedurende de eerste oorlogsjaren met de “Kota Agoeng” tussen Tandjong Priok en Soerabaja enkele reizen en voer daarna in 1942 naar San Francisco. Daar werd het schip in vijf weken tijd zodanig omgebouwd dat het 1883 mi¬≠litairen kon vervoeren (afb. 8).

Op de transportreizen waren Рde vaste bemanning meegere­kend Рruim 2.000 man aan boord.
Toen de strijd tegen de Japanners zich verplaatste, veranderde ook de reisbestemming van de troepenschepen. Eerst voer men van de Amerikaanse westkust naar Honolulu. Later werd de bestemming Cook‚Äôs eilanden, Nieuw Caledoni√ę, de Samoa-eilanden, Nieuwe Hebriden, Salomons-eilanden en Nieuw Guinea.
In 1943 stapte Rommel als gezagvoerder over op de “Bantam”. In september moest hij echter opgenomen worden in het Long Island College Hospital in New York.

Het laatste schip van kapitein Rommel, motorschip Weltevreden.
afb. 9 Het laatste schip van kapitein Rommel, motorschip Weltevreden. Collectie Scheepvaartmuseum.

Nog in 1943 werd Rommel kapitein op het motorschip “Welte¬≠vreden” groot 9.245 bruto register ton (brt) het grootste schip dat hij onder zijn com¬≠mando heeft gehad (afb. 9).
De “Weltevreden” kon ongeveer 1.800 man vervoeren en had een bemanning van 150 koppen.
De tussendekken waren als verblijven voor de troepen inge­richt. Keukens, sanitaire inrichting, ventilatie, het hospitaal met operatiekamer, alles voldeed aan hoge eisen.

Het schip was zwaar bewapend en voor de bediening van het geschut voer een uitgebreide staf artilleristen mee. Het was een spannende tijd voor kapitein Rommel. Hoewel altijd al een stevige roker, rookte hij nu het enorme aantal van 100 sigaretten per dag. Zijn dokter adviseerde hem om het tot een stuk of tien te beperken. Maar daar heeft hij zich weinig van aangetrokken.

In tegenstelling tot de Atlantische Oceaan was het onderzee­boot gevaar op de Pacific verhoudingsgewijs gering; de Japan­ners hadden dat wapen minder ontwikkeld dan de Duitsers. Een des te groter gevaar leverde echter de omvangrijke Japanse luchtmacht op, vooral in de slotfase van de Amerikaanse op­ mars, toen door toepassing van kamikaze, intensieve zelfmoordaanvallen van Japanse vliegtuigen een niet gering aantal oorlogs- en troepenschepen tot zinken werd gebracht of beschadigd.
Het was in Japan de gewoonte dat de soldaten die naar het front gingen, van hun verwanten een Japanse vlag mee kregen. Op deze vlaggen werden allerlei goede wensen geschreven.

Kapitein Rommel te midden van Amerikaanse militairen die de door hen veroverde Japanse vlaggen tonen.
afb. 10 Kapitein Rommel te midden van Amerikaanse militairen die de door hen veroverde Japanse vlaggen tonen. collectie gemeentearchief Rotterdam

Kapitein Rommel van de “Weltevreden” houdt op een foto (afb. 10) die voorkomt in het boek “Varen in oorlogstijd” van S.J. Graaf van Limburg Stirum, een vlag vast die blijkbaar afkomstig is van een Japanner met een zeer grote familie. De sabel die een van de mannen op de foto laat zien, is een exemplaar van de be¬≠kende “Samoerai-zwaarden”.

De goede verzorging op het Nederlandse schip werd door de Amerikaanse soldaten zeer gewaardeerd en aan het einde van een van de reizen ontving kapitein Rommel een oorkonde, waarop iedereen zijn handtekening had gezet.
De populariteit van de kapitein blijkt ook uit het feit dat de Amerikanen een bijnaam voor hem hadden verzonnen. Zij doopten hem: Sea-fox. Deze naam hield verband met zijn Duitse naam­ genoot generaal Rommel, die wel Desert-fox genoemd werd. Albert Rommel was zo trots op zijn bijnaam, dat hij deze zelfs op zijn visitekaartje liet drukken.
De commandant van het 12e “naval district” in de Verenigde Staten, schout bij nacht C.H. Wright, reikte op 26 april 1945 te San Francisco met grote plechtigheid “The Port Directors Chartered Transports Trophy” uit aan het motorschip “Weltevreden” in de persoon van kapitein Rommel.
Bij de uitreiking was een oud studiegenoot van kapitein Rommel admiraal Helfrich, commandant der geallieerde zeestrijdkrachten in de S.W. Pacific aanwezig. Zo kwam er een fraai slot aan de lange zeemansloopbaan van kapitein Rommel.


Jaarboek 12, pagina 28

Op 30 april 1945 wordt in het scheepsjournaal van de “Weltevre¬≠den” genoteerd: Goed weer. Gedurende de nacht geen bijzon¬≠derheden. Per middernacht nam kapitein Verhoef het comman¬≠do over van kapitein A. Rommel.

Wacht als voren, gezien:

Handtekening kapitein A. Rommel
Handtekening kapitein A. Rommel

Rommel keerde terug in Nederland als passagier aan boord van het motorschip “Gerard Dou” en kwam in Rotterdam aan op 16 juli 1945.

De moeder van Albert, mevrouw Antje Rommel-Vis.
afb. 11 De moeder van Albert, mevrouw Antje Rommel-Vis.

Terug in Castricum

Albert Rommel trok weer in bij zijn moeder Antje Vis, met wie hij nog altijd een zeer bijzondere band had (afb. 11).
Bij Koninklijk Besluit van 6 mei 1947 nummer 7 werd hem het Kruis van Verdienste toegekend. De offici√ęle motivering luidde: “we¬≠gens waardevolle diensten aan de oorlogvoering bewezen door gedurende meer dan twee jaar op moedige en beleidvolle wijze het gezag op schepen te hebben uitgeoefend in gebieden waar door oorlogsomstandigheden voortdurend grote gevaren van vijandelijke handelingen werden gelopen.”
In 1947 werd hem gevraagd nog eens een troepentransportschip te willen begeleiden. Het betrof een reis op het Noorse schip “Skaugun” met Nederlandse militairen aan boord die van Indi√ę huiswaarts keerden. Rommel trad op als verbindingsofficier tus¬≠sen bemanning en passagiers.

De vrouw van kapitein Rommel, mevrouw H. Rommel-Plas, opent het tuinhuis bij het bejaardencentrum De Boogaert. Het tuinhuis heeft altijd in de tuin van haar woning gestaan. Rechts van haar staan de burgemeester Schouwenaar en zijn vrouw. Later is het tuinhuis weer teruggeplaatst in de tuin van kapitein Rommel.
De vrouw van kapitein Rommel, mevrouw H. Rommel-Plas, opent het tuinhuis bij het bejaardencentrum De Boogaert. Het tuinhuis heeft altijd in de tuin van haar woning gestaan. Rechts van haar staan de burgemeester Schouwenaar en zijn vrouw. Later is het tuinhuis weer teruggeplaatst in de tuin van kapitein Rommel.

Hij ontmoette een nieuwe levensgezellin in de persoon van He¬≠lena Christina Plas en besloot na een periode van inwoning in Sonnevanck weer op zichzelf te gaan wonen. Hij wilde toch wel in de buurt van zijn moeder blijven en vroeg en verkreeg in 1951 vergunning voor de bouw van een “pompgebouwtje met dagverblijf voor personeel” in de tuin achter Sonnevanck. Dat dagverblijf is vrij ruim uitgevallen in verhouding tot de ruimte voor de pomp.
Hij noemde zijn woning “Achter Bornholm”, naar het eiland in de Oostzee waar schepen beschutting zoeken bij zwaar weer (afb. 12).

De tuin werd steeds verder verfraaid. Het was zijn lust en zijn le­ven. In de grote vijver die hij had laten graven, mocht door ken­nissen ook gevist worden. Er was wel 3.200 pond vis onder andere karper, paling en witvis in uitgezet.
De opening van het visseizoen werd ieder jaar met vrienden en kennissen gevierd. Dan werd ook gebakken vis gegeten, maar meestal werd de vis wel gevangen maar vervolgens weer terug­ gezet.De bedoeling van de pomp was het water zo snel te laten stro­men, dat forellen in de vijver zouden kunnen gedijen. Na aanleg van de installatie werd een geweldige hoeveelheid forellen aan­ gekocht en in de vijver gedeponeerd. Helaas is er van deze vis­sen nooit meer een teruggezien.
In de tuin hadden Rommel en zijn vrouw veel dieren, zoals zwa­nen, kalkoenen, pauwen, fazanten en kippen; in totaal wel zo’n 350 stuks (afb. 13).

De tuin van Rommel in de sneeuw met links "Achter Bornholm"en rechts "Sonnevanck".
afb. 12 De tuin van Rommel in de sneeuw met links “Achter Bornholm”en rechts “Sonnevanck”.

Ook hadden zij een groententuin. Toen een grote hoeveelheid an­dijvie gereed was voor consumptie besloot Rommel dat de hele buurt maar andijvie moest eten. De tuinman werd er met een kruiwagen op uitgestuurd om huis aan huis andijvie te bezor­gen. Dat was nu weer echt iets voor Rommel. Hij deed alles in het groot. Zo liet hij bijvoorbeeld ook een schijnwerper in zijn tuin plaat­sen. Het was zo’n fel licht dat de politie kwam melden, dat het verkeer op de Beverwijkerstraatweg er door werd verblind. Rommel was een gewaardeerd lid van de Castricumse politie-schietvereniging. Een door hem gewonnen wisselbeker, is na zijn dood door de vereniging aan de familie geschonken. Men vond dat de beker niet opnieuw kon worden ingezet.
Een andere grote hobby van hem was filmen. Niet alleen op zijn schepen en in diverse havens heeft hij gefilmd, maar ook veel dorpstaferelen zijn door hem vastgelegd.
Zijn oude gewoonte om gezelligheid en vriendschap te zoeken in de plaatselijke cafés zette hij onverminderd voort. Hij was een sociaal voelend mens. Zo schonk hij eens een ongehuwde moeder uit medelijden een hele baby-uitzet. Een visverkoopster op de markt, die ziek geweest was, gaf hij zomaar 25 gulden met de woorden dat ze het er maar eens van moest nemen.


Jaarboek 12, pagina 29

Mevrouw Rommel-Vis en dochter Beis, staande voor de villa Sonnevanck en het tuinhuis, dat nu bij het bejaardencentrum De Boogaert is geplaatst.
afb. 14 Mevrouw Rommel-Vis en dochter Beis, staande voor de villa Sonnevanck en het tuinhuis, dat nu bij het bejaardencentrum De Boogaert is geplaatst. Collectie Heideman.

Dagelijks had Rommel contact met zijn moeder, een sterke persoonlijkheid, die in de familie een centrale plaats innam (afb. 14). Hij verwende haar graag met bijvoorbeeld de eerste rijpe aardbei uit zijn tuin of een van de eerste kievitseieren.
Kinderen uit de buurt kregen van “oma” vaak snoepjes.
Een keer wandelde er een schoolklas door de Burgemeester Mooijstraat. Rommel stuurde de kinderen met schooljuffrouw de tuin in en liet ze daar een wandelingetje maken om de vijver. Intussen zorgde hij ervoor dat er snel een zak snoep werd gekocht die zijn moeder aan de kinderen kon uitdelen.

Op 24 februari 1957 overleed Antje Vis op 98-jarige leeftijd. De uitvaartdienst vond plaats vanuit de hervormde kerk in Limmen, waar zijn op 18-jarige leeftijd ook getrouwd was.
Op 2 april 1957 trad Albert alsnog in het huwelijk met zijn partner Helena Plas.

Albert Rommel voert zijn zwanen.
afb. 13 Albert Rommel voert zijn zwanen.

Nog geen jaar daarna op 22 januari 1958 overleed Albert Rommel. Hij werd opgebaard in de leegstaande villa Sonnevanck en vele dorpsgenoten kwamen hem de laatste eer bewijzen.
Zijn urn is geplaatst op het graf van zijn moeder en stiefvader op het kerkhof van de Hervormde Kerk te Limmen.
De villa Sonnevanck werd verkocht en afgebroken. De tuin en “Achter Bornholm” zijn er nog altijd. De gemeente is er nu de eigenares van. Hopelijk blijft het geheel bestaan als mooie herinnering aan onze kapitein Rommel.

N.A. Kaan

Bronnen:

  • Informatie van A.G.J.A. Rommel te Den Helder en de heer J.F. Rommel te Alkmaar.
  • Voorts van mevrouw S. Rommel-Twisk te Castricum en de heren J. Rommel en W. Rommel te Limmen.
  • Gesprekken met de heer Wim Kuys, mevrouw Zus Kuys en Dirk Schotvanger te Castricum.
  • Gemeentearchief Vlissingen.
  • Gemeentearchief Rotterdam.
  • Archief Koninklijke Ned Lloyd Groep N.V. Rotterdam. Directie Personeel Koninklijke Marine te ‚Äôs-Gravenhage.
  • Directoraat Scheepvaart en Maritieme Zaken, Ministerie van Verkeer en Waterstaat te Rijswijk.
  • Maritiem Instituut De Ruyter te Vlissingen.
  • “Van barkschip tot Willem Ruys” Gedenkschrift Rotterdamsche Lloyd.
  • “Varen in oorlogstijd”, de lotgevallen van de Ned. Koopvaardij in de 2e wereldoorlog; S.J. Graaf van Limburg Stirum 1947.
  • “De Ned. Koopvaardij in de 2e wereldoorlog”; L.L. von M√ľnching 1986.
  • “De geschiedenis van de Nederlandse Koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog”; KW.L. Bezemer.

Jaarboek 12, pagina 30

Nadere gegevens:

Beroep tuinman. In familiebezit is een fraai getuigschrift, afgegeven door de markgraaf van Brandenburg, bij wie hij werkte van 1 maart 1734 tot 25 mei 1735.

Beroep tuinman. Ligt begraven in de Herv. Kerk te Uitgeest en kreeg 7 kinderen, allen geboren in Amsterdam. Liet huizen en grond na in Raveswaay, Avezaad, IJsselstein, Amsterdam en Uitgeest.

Johanna M. Telvooren erft in 1814 de inboedel van de Rustende Jager van haar man Pieter Jansz. Mos. Deze huurde de herberg van schout Nuhout van der Veen. Zij hertrouwde in 1815 met Bartholomeus Nicolaas Rommel, die de nieuwe kastelein en logementhouder werd. Hij wordt eigenaar van Kerkzicht en gaat daar in 1833 wonen. In dat jaar koopt hij De Rustende Jager (zie 7e jaarboekje). Zij hadden één zoon en één dochter.

Logementhouder en kastelein in De Rustende Jager en ook brievendistributeur en verhuurder van rijtuigen van 1836 tot 1850. Erft de Rustende Jager in 1846 en verkoopt deze in 1871.

Beroepen makelaar, bloemkweker en industrieel. Hij woonde in Kerkzicht tot 1889 en vertrok naar Oosterbeek, vervolgens naar Heiloo en Limmen, waar hij is overleden.
Zij hadden 6 kinderen, 2 jongens en 4 meisjes.
Antje Vis is hertrouwd met haar zwager Johannes Frederik, ge­boren 8 augustus 1863 en overleden 15 juni 1932.

Kinderen van Albert en Anna:
Johannes Frederik, geboren 5 januari 1919 te Willemstad; Anna Albertina, geboren 27 maart 1920 te Castricum; Annie Gerrarda Jacoba Alberta, geboren 21 april 1922 te Castricum.

Rendorp, Jacob (Jaarboek 10 1987 pg 19-25)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans, EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan WillemJacobs-Wentink, GréKieft, PieterKortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 10, pagina 19

Wie was … Jacob Rendorp

Jacob Rendorp van Kasteel Marquette op latere leeftijd. Heemskerk, 1868.
Jacob Rendorp van Kasteel Marquette op latere leeftijd. Heemskerk, 1868. Collectie Weerkgroep Oud-Castricum, Toegevoegd.

In de serie “Wie was . . . ” is dit jaar gekozen voor een Castricumse burgemeester. Jacob Rendorp van Marquette volgt in 1852 Jan de Quack op als burgemeester en wordt na het neerleggen van zijn ambt per 1 januari 1868 opgevolgd door Hermanus Zaalberg.
Zijn De Quack en Zaalberg opmerkelijke figuren, zoals ik uitvoerig heb beschreven in voorgaande jaarboekjes, Jacob Rendorp komt in de gemeentelijke politiek niet zo nadrukkelijk naar voren. Dit is dan ook de oorzaak, dat in dit artikel het accent ligt op 16 jaar Castricumse geschiedenis gedurende de ambtsperiode van Jacob Rendorp.

Jonkheer en cavalerie – officier

Jacob wordt op 3 november 1795 te Amsterdam geboren en aldaar in de Amstelkerk gedoopt. Zijn ouders zijn Mr. Willem Rendorp, heer van kasteel Marquette en Paulina Adriana Boreel. Willem Rendorp heeft in de hoofdstad vele functies, zoals die van wethouder en commissaris. Hij wordt in 1815 bij koninklijk besluit verheven in de Nederlandse adelstand, waarna zoon Jacob zich jonkheer mag noemen.

Familiewapen.
afb. 1 Familiewapen.

Jacob Rendorp neemt in 1815 als luitenant van het regiment huzaren deel aan het gevecht bij Quatre Bras, wordt daarbij gewond en daarna benoemd tot ridder in de 4e klasse der militaire Willemsorde. Hij neemt ook deel aan de Tiendaagse veldtocht in augustus 1831, die gericht is tegen de Belgische afscheiding. Na eervol uit de militaire dienst te zijn ontslagen wordt hij luitenant-kolonel der dienstdoende schutterij te Amsterdam.
In 1824 trouwt hij met jonkvrouwe Agneta Margaretha Catharina Deutz van Assendelft eigenares van kasteel Assumburg te Heemskerk. Met dit huwelijk wordt het bezit van de kastelen Assumburg en Marquette verenigd. Na het overlijden van zijn vader in 1827 kan Jacob zich ook noemen ambachtsheer van Heemskerk en van Wijk aan Zee en Duin.

Familiewapen

De offici√ęle beschrijving van zijn familiewapen luidt: “gevierendeeld met in de kwartieren 1 en 4 in rood een gevleugeld zilveren arendsbeen en in de kwartieren 2 en 3 in blauw een rood getongde en genagelde gouden leeuw.
De 1e helm is gekroond en de 2e helm met roodzilveren wrong, beide met zilver-rode dekkleden.
Helmtekens: 1e een uitkomende en omgewende zwarte adelaar met gouden bek en rode tong; 2e de klimmende leeuw uit het 2e kwartier. Wapenspreuk: Virtute duce (onder de hoede der deugd).”

Het kasteel Marquette te Heemskerk.
afb. 2 Het kasteel Marquette te Heemskerk.

Bewoner van kasteel Marquette

Na het overlijden van zijn vader in 1827 woont Jacob te Amsterdam en is kasteel Marquette een tiental jaren onbewoond. Wel Iaat hij het in 1834 en 1835 belangrijk herstellen, waarmee het zijn huidige uiterlijk verkrijgt; de linkervleugel met een gedeelte van het front, namelijk het poorthuis met de daarbij behorende fraaie hangtorentjes laat hij helaas afbreken.
Na zijn pensionering als cavalerie-officier gaat Jacob Rendorp definitief op kasteel Marquette wonen. Zijn verblijf aldaar strekt zich overigens niet over het gehele jaar uit; de wintermaanden brengt hij met zijn familie veelal te ‘s-Gravenhage door. Na het


Jaarboek 10, pagina 20

overlijden van zijn vrouw neemt hij afscheid van Marquette en vestigt zich op 3 november 1869 voorgoed in ‘s Gravenhage. Het kasteel blijft dan vele jaren onbewoond, totdat het in 1888 betrokken wordt door zijn kleinzoon Jonkheer mr. Hugo Gevers geboren uit het huwelijk van zijn dochter Paulina Johanna Rendorp en Jonkheer Jan Hugo Gevers.

Genealogie

Volledigheidshalve geef ik hierbij nog enkele familiegegevens rond Jacob Rendorp en zijn gezin.
Jacob Rendorp, geboren te Amsterdam op 3 november 1795, overleden te ‘s-Gravenhage op 30 juli 1879, zoon van Mr. Willem Rendorp en Paulina Adriana Boreel. Hij trouwt te Amsterdam op 12 mei 1824 met jonkvrouwe Agneta Margaretha Catharina Deutz van Assendelft, geboren te Amsterdam op 10 september 1799, overleden te ‘s-Gravenhage op 25 februari 1869, dochter van Andries Adolf Deutz van Assendelft en Jacoba Margaretha Maria Boreel.

Kinderen uit hun huwelijk:

  • Jacoba Margaretha Maria Rendorp, geboren te Amsterdam op 4 april 1826, volgde haar vader op als vrouwe van Wijk aan Zee en Duin, gehuwd te ‘s Gravenhage op 5 juni 1879 met Mr Willem Jan, baron d’Ablaing van Giessenburg, onder andere referendaris van de Raad van State, kamerheer van zijne majesteit.
  • Mr Willem Theodorus Rendorp, geboren te Amsterdam op 8 mei 1828, ongehuwd overleden als Oost-Indisch ambtenaar te Batavia op 31 augustus 1857.
  • Paulina Johanna Rendorp, geboren te Amsterdam op 15 juli 1829, volgde haar vader op als vrouwe van Marquette en Heemskerk, gehuwd te Heemskerk op kasteel Marquette op 7 juni 1855 met jonkheer Jan Hugo Gevers; zij woonden op huize Leeuwenhorst te Noordwijk.
  • Wilhelmina Jacoba Rendorp, geboren te Amsterdam op 7 juli 1832, gehuwd te Heemskerk op 5 april 1854 met Mr. Jan Jacobus Henricus van Reenen, ambachtsheer van Bergen (NH).
  • Joachim Adolf Nicolaas Rendorp, geboren te Amsterdam op 1 september 1837, ongehuwd overleden te ‘s-Gravenhage op 23 juni 1875.

Grootgrondbezitter

Als eigenaar van de kastelen Assumburg en Marquette en van een uitgestrekt grondgebied wordt hij voor meerdere functies gevraagd. Zo is hij onder andere van 1832 tot 1867 dijkgraaf van de polder Wijkerbroek. In 1829 wordt hij door de Koning met de heren Gevers en van Lennep benoemd in een driemanschap tot het beheer van het duinterrein ter grootte van circa 1.800 hectare, dat door Koning Willem I in 1829 is aangekocht. Het doel van dit project is het duingebied tot ontginning te brengen en voor de landbouw geschikt te maken. In de leiding van dit ontginningsproject speelt hij een belangrijke rol.
Aanvankelijk kan Jacob Rendorp als ambachtsheer nog enige invloed uitoefenen op het gemeentebestuur van Heemskerk. Deze invloed is na de ingrijpende grondswetherziening van 1848 betreffende het plattelandsbestuur volledig verdwenen. Dit kan mogelijk de belangstelling verklaren die Jacob Rendorp in die tijd voor het gemeentebestuur aan de dag legt wat uiteindelijk leidt tot zijn benoeming op 18 januari 1850 tot burgemeester van Heemskerk.

Burgemeester van Heemskerk

Op 1 februari 1850 wordt Jacob Rendorp als zodanig ge√Įnstalleerd. Hij ondersteunt in 1851 de stichting van een zelfstandige Hervormde gemeente voor Heemskerk door voor te stellen de predikant een toelage van 400 gulden uit ‘s Rijkskas toe te kennen.
Tot dan toe werden gedurende meerdere eeuwen de Hervormde gemeenten van Heemskerk en Castricum door één predikant bediend.

Het huidtoneel aan de Rijksstraatweg onder Heemskerk.
afb. 3 Het huidtoneel aan de Rijksstraatweg onder Heemskerk.

Op 5 november 1863 wordt door hem het monument onthuld op het huidtoneel, dat is opgericht door Jonkheer D.T. Gevers van Endegeest en zijn vrouw M.J. Deutz van Assendelft. Jacob is eigenaar van deze voor Kennemerland zo bijzondere plaats. Het huidtoneel was de plaats waar de graven van Holland in de middeleeuwen werden ingehuldigd. Zijn naam staat vermeld in de voeting van dit monument.
Evenals in Castricum eindigt zijn ambtsperiode als burgemeester in Heemskerk per 1 januari 1868. Wel blijft hij hier nog lid van de gemeenteraad tot zijn aftreden in 1869.

Burgemeester van Castricum

Op 13 mei 1852 heeft Jan de Quack eervol ontslag gekregen als burgemeester van Castricum. Bij koninklijk besluit van dezelfde datum wordt Jacob Rendorp als zijn opvolger benoemd. Dit strookt met de wens van de regering om waar zoiets enigszins mogelijk is, gemeenten beneden de duizend zielen toe te voegen aan het beheer van een burgemeester uit een aangrenzende gemeente.
Als secretaris wordt Jan de Quack opgevolgd door Cornelis Karshoff, die op 5 juli 1852 be√ędigd en reeds secretaris is van de gemeente Heemskerk.

Het gemeentebestuur

Naast de burgemeester bestaat het gemeentebestuur uit 2 wethouders en 5 raadsleden. Elke 2 jaar worden gemeenteraadsverkiezingen gehouden, waarbij telkens een derde gedeelte van de raad wordt gekozen en waardoor de raadsperiode van een gekozen lid 6 jaar duurt. De raadsleden kunnen zich herkiesbaar stellen.
De volgende personen zijn gedurende de ambtsperiode van Jacob Rendorp wethouder of raadslid:

  • Pieter Schotvanger, wethouder 1852-1858
  • Klaas Stet, wethouder 1852-1860
  • Cornelis Schermer (vanaf 1858 wethouder) 1852-1868
  • Albert Asjes 1852-1861
  • Jan Louter 1852-1866
  • Johannes Rommel 1852-1857, 1859-1868
  • Jacob Brakenhoff 1852-1860
  • Jan Jacobsz. Kuijs (vanaf 1860 wethouder) 1857-1862
  • Hendrik Handgraaf 1860-1863
  • Gerrit Brakenhoff 1860-1861
  • Teunis Slooten 1861-1868

Jaarboek 10, pagina 21

  • Jan Schotvanger (vanaf 1862 wethouder) 1861-1868
  • Jan Pietersz. Kuijs 1862-1868
  • Jan Cornelisz. Kuijs 1863-1868
  • Frans Glorie 1866-1868

De jaartallen geven de zittingsperiode van elk raadslid aan, alleen gedurende de ambtsperiode van Jacob Rendorp. In de meeste gevallen maakt het overlijden een einde aan de raadsperiode. In zo’n geval wordt binnen 2 maanden een nieuw raadslid gekozen. De gemeenteraad komt in de maanden februari, april, juni, augustus, oktober en december bijeen en vervolgens zo vaak als dit door Burgemeester en Wethouders (B. en W.) noodzakelijk wordt geacht. De burgemeester houdt op elke woensdag “zitdag”.

De gemeenteontvanger Arie de Bie Woutersz. krijgt wegens verregaand plichtsverzuim en nalatigheid op 30 juni 1852 ontslag. Zijn functie wordt tijdelijk waargenomen door wethouder Pieter Schotvanger. Op 6 oktober van dat jaar wordt Adrianus Dekker in deze functie benoemd.
Door het overlijden van oudburgemeester Jan de Quack is eind 1852 de betrekking van Heemraad in het St. Aagtendijksbestuur voor Bakkum vacant geworden. Wethouder Klaas Stet wordt voor deze functie verkozen. De gemeentesecretaris Cornelis Karshoff overlijdt in 1867; hij wordt opgevolgd door Adrianus Dekker.

Belastingen

De belastingheffing is vooral een plaatselijke aangelegenheid. Naast de hoofdelijke omslag (nu inkomstenbelasting) kent men de personele belasting, grondbelasting en vanaf 1850 in Castricum ook de hondenbelasting.
Bovendien is ook belasting verschuldigd ten behoeve van de Hondsbosch, de Uitwaterende Sluizen en de St. Aagtendijk. Deze belasting wordt alleen geheven op de gronden, die onder de bemaling van de molen liggen. In Castricum wordt 921 bunder en in Bakkum 373 bunder omgeslagen. In 1858 moet per bunder voor de Hondsbosch, de Uitwaterende Sluizen en de St. Aagtendijk bedragen van respectievelijk 110, 12,5 en 15 cent worden betaald.

Voor de bemaling van de Castricummerpolder wordt een afzonderlijke belasting geheven; uit de inkomsten worden het loon van de watermolenaar en de onkosten aan de molen bekostigd. De verschuldigde belasting wordt jaarlijks vastgesteld en hangt samen met de noodzakelijke reparaties aan de molen. Zo komen we in de verschillende jaren bedragen tegen van 75, 100 of 150 cent per bunder per jaar.
De administratie van deze belasting wordt gevoerd door het polderbestuur, dat gevormd wordt door 2 poldermeesters ook wel molenmeesters geheten. Zij worden voor een periode van 4 jaar benoemd; elke 2 jaar treedt een poldermeester af, die dan weer herkiesbaar is. Als voorkeur geldt bij de verkiezingen dat één poldermeester uit de Oosterbuurt of de Kerkbuurt komt en één van het Noordend. Naast de verkiezing van een poldermeester worden tegelijkertijd 2 hooistekers aangesteld tegen een traktement van 20 gulden per jaar.

Aan de hoofdelijke omslag is een maximum gesteld van 1.800 gulden per jaar, dat door de Castricumse gemeenschap moet worden opgebracht. In bijzondere omstandigheden kan dit maximum worden verhoogd. Hiervoor is echter toestemming van de Koning vereist. In 1854 wordt in verband met de bouw van een nieuwe school een buitengewone omslag geheven.
De belastingplichtigen worden in een bepaalde belastingklasse ingedeeld op grond van de uiterlijke staat die de belastingplichtige voert, hun vertering, hun zuivere inkomsten, het vermoedelijke vermogen en het aantal te verzorgen kinderen. De mogelijkheid bestaat om allereerst bij het gemeentebestuur en in tweede instantie bij G.S. hiertegen te protesteren. Van deze mogelijkheid wordt ook jaarlijks door meerdere gemeentenaren gebruik gemaakt. Zo gaat bijvoorbeeld mevrouw Von Dentzsch in 1854 tegen aan aanslag van 32 gulden in beroep bij G.S. Zij bewoont aan de Dorpsstraat huize Zorgvlied (later Hermana State geheten).
De gemeenteraadsnotulen over deze zaak laat ik hier letterlijk volgen om de sfeer te laten proeven rond de indeling in belastingklassen: “De gemeenteraad wijst haar beschuldigingen van willekeur en partijdigheid van de hand en stelt aan G.S. dat het voorts zeer te betwijfelen valt dat adressante geene andere bezittingen of inkomsten zoude hebben dan het aangegeven pensioen van 150 gulden en het buitenplaatsje door haar bewoond, het eenigste en dus ook het voornaamste perceel in de geheele gemeente dat met oostersche weelde is gemeubileerd en men alzoo om eene en andere redenen bij den aanslag in de 9e klasse ad 32 gulden blijft persisteren.”

In mei 1855 besluit de gemeenteraad om de hondenbelasting af te schaffen, omdat deze weinig oplevert en omdat de invordering met veel moeite en onaangenaamheden gepaard gaat. De afschaffing wordt echter door G.S. en de Minister van Binnenlandse zaken niet raadzaam geacht, omdat er een niet gewenste vermeerdering van het aantal honden zal ontstaan en omdat de moeilijkheden met de invordering niet blijvend zullen zijn. Het raadsbesluit der afschaffing wordt vervolgens herroepen. De belasting bedraagt 1,50 gulden per hond per jaar; voor waakhonden of trekhonden behoeft slechts 50 cent te worden betaald.

De gemeenteraad besluit in 1860 een extra belasting in te voeren op het verbruik van gedistilleerde drank en likeuren. In 1861 wordt in navolging van omliggende gemeenten besloten om ook wijn extra te belasten.

Onderwijs

Al vele jaren was het met de kwaliteit van het onderwijs in Castricum droevig gesteld. Meer dan 100 kinderen werden alleen door meester Schut onderwezen, die totaal geen orde kan houden. Door de slecht gevulde gemeentekas kan men de aanstelling van een ondermeester niet bekostigen. Na veel aandrang uitgeoefend te hebben op meester Schut gaat deze ermee akkoord dat het jaarsalaris van een ondermeester, groot 300 gulden voor de helft door hem en voor de andere helft uit de gemeentekas zal worden betaald.
Op de vacature reageren in december 1852 in totaal 13 sollicitanten. Franciscus Ludewig wordt verkozen en als ondermeester aangesteld.

Het onderwijs wordt nog steeds gegeven in een afgeschut gedeelte van de oude Pancratiuskerk (tegenwoordig de Hervormde kerk); er bestaan plannen voor de bouw van een apart schoollokaal. In februari 1853 biedt mevrouw Von Dentzsch haar huis Zorgvlied te koop aan en wijst er op dat haar huis als nieuw raadhuis zou kunnen dienen. De gemeentesecretaris meent dat dit gebouw mogelijk na kleine veranderingen geschikt gemaakt kan worden voor zowel raadhuis als school en hij stelt dat de aankoop en verbouw mogelijk minder zou behoeven te kosten dan de bouw van een geheel nieuwe school. Er wordt een onderzoek ingesteld naar zowel de geschiktheid van dit gebouw voor beide doeleinden met een begroting van de kosten als naar de kosten van de bouw van een gehele nieuwe school op de zogeheten Dingstal – een open plein naast het bestaande raadhuis. De bouw van een nieuwe school blijkt beduidend goedkoper te zijn. Bovendien ziet de meerderheid van de gemeenteraad niet de noodzaak om van raadhuis te veranderen en vindt dat het bestaande raadhuis met een kleine verandering en aanleg van een bergplaats voor het archief nog voldoende ruimte biedt voor het houden van de vergaderingen.


Jaarboek 10, pagina 22

De nieuwe school wordt begroot op 3.470 gulden en is gebaseerd op 200 schoolkinderen. Op 24 mei 1853 valt het besluit om te bouwen; de bouw wordt uiteindelijk voor 3.944 gulden gegund aan timmerman Handgraaf. Verder zal nog 100 gulden worden uitgegeven aan wat verbeteringen aan het raadhuis, waarin ook de onderwijzerswoning is ondergebracht.

De openbare school uit 1854 naast het raadhuis.
afb. 4 De openbare school uit 1854 naast het raadhuis.

De gemeente wil een geldlening aangaan van 2.250 gulden. Het resterende bedrag wordt naar men hoopt door subsidies van rijk en provincie gedekt. Op 5 januari 1854 zal de nieuwe school worden geopend; in verband met sneeuwjacht vindt de opening op 11 januari plaats.

Ondermeester Ludewig en hoofdmeester Schut kunnen het niet altijd even best met elkaar vinden. Ludewig heeft in zijn enthousiasme het plan opgevat om gedurende het winterseizoen 1853-1854 ‘s avonds wat herhalingsonderwijs te geven en vraagt aan de gemeente hieraan de nodige bekendheid te geven. Meester Schut heeft zich hierover beklaagd bij de schoolopziener; Schut wenst als hoofd der school ook als hoofd bij de avondlessen te gelden. Beide onderwijzers worden staande de raadsvergadering van 26 oktober 1853 opgeroepen om deze onenigheid tot een oplossing te brengen. Ludewig krijgt tenslotte 10 gulden per maand beloning voor het houden van avondonderwijs. Ook is er in januari 1854 onenigheid tussen beide onderwijzers over de orde handhaving in de school.

In 1856 vertrekt meester Ludewig en moet er een nieuwe ondermeester worden benoemd. Meester Schut klaagt bij het gemeentebestuur over het feit dat de veldwachter de gemeente is rond gegaan om een petitie te laten tekenen, dat er weer een rooms-katholieke ondermeester zal worden benoemd, hetgeen in strijd is met de bestaande verordening. Schut staat er bovendien op dat ook hij een stem heeft in de uiteindelijke keuze, omdat hij tenslotte 150 gulden bijdraagt in het traktement van de ondermeester. B.W.A. Waanders uit Oldenzaal wordt ingaande 1 september 1856 benoemd tot de nieuwe ondermeester. Hij neemt het bijbaantje van klokkenist en van het klok opwinden over van meester Schut; het bijbaantje van doodgraver blijft laatstgenoemde uitoefenen.

De nieuwe ondermeester verzoekt de gemeenteraad al in februari 1857 voor een afscheidingsschot in de school, omdat het moeilijk is de verschillende klassen tegelijk in hetzelfde lokaal les te geven. Door voortdurend gebrek aan financi√ęn duurt het tot 1866 eer het schot tussen de hoogste en de laagste klas wordt geplaatst.

Er is groot verschil tussen het jaarsalaris van de hoofdonderwijzer en dat van de hulponderwijzer. De hoofdonderwijzer ontvangt naast de schoolgelden (circa 135 gulden) ook de winst op de schoolbehoeften (circa 190 gulden), verder een vaste jaarwedde uit de gemeentekas van 400 gulden en een toelage uit het armenfonds voor de schoolbehoeften aan arme kinderen (circa 40 gulden), waardoor zijn jaarinkomsten circa 765 gulden bedraagt. Bovendien heeft hij het genot van een vrije woning en tuin. In 1860 is de jaarwedde vastgesteld op 700 gulden, waarbij de hoofdonderwijzer geen inkomsten meer verkrijgt uit schoolgelden en winst op schoolbehoeften. De hulponderwijzer ontvangt 350 gulden per jaar. Het schoolgeld, dat door de ouders per kwartaal moet worden betaald bedraagt 1 gulden voor één kind tot 2,60 gulden voor 4 of meer kinderen uit een gezin.

De hoofdonderwijzer mag slechts vier maal per jaar vakantie geven en wel met Kerstmis, Pasen, Pinksteren en de kermis telkens voor √©√©n volle week. De schooltijden zijn ‘s morgens van negen uur tot half twaalf en ‘s middags van half twee tot vier uur gedurende vijf werkdagen.

Per 15 maart 1859 neemt B.W.A. Waanders ontslag als ondermeester vanwege een slechte gezondheid. Veldwachter Bakker wordt voorlopig klokkenist en na de gebruikelijke sollicitatie wordt H.C. van Oers uit Ravenstein per half april benoemd tot de nieuwe hulponderwijzer. Al spoedig komen er klachten van meester Schut over de eigendunkelijke en willekeurige gedragingen van de nieuwe ondermeester. Deze heeft namelijk tegen de gewoonte in op zaterdag school gehouden. De gemeenteraad vindt het na uitvoerige beraadslaging nuttig dat er op zaterdag les wordt gegeven; hiertoe is echter alleen de ondermeester bereid.
Op eigen verzoek krijgt hoofdonderwijzer Schut per 1 oktober 1859 eervol ontslag. Ondanks alles wordt hij door het gemeentebestuur bedankt voor de vele aan de gemeente bewezen diensten in een betrekking, die hij gedurende 34 jaar met de meeste ijver heeft vervuld. Ondermeester Van Oers krijgt op zijn verzoek, nu hij alleen het beheer over de school heeft, verhoging van zijn traktement tot het bedrag dat de hoofdonderwijzer verdiende en het recht van de neveninkomsten.

Voor de vervulling van de vacature van hoofdonderwijzer wordt de gebruikelijke procedure toegepast. Op de advertenties in de Haarlemsche Courant en de Tijd komen een aantal sollicitaties binnen. Onder de sollicitanten bevindt zich ook Franciscus Ludewig, die enkele jaren eerder als ondermeester in Castricum had gewerkt. Uit het totaal aan sollicitaties worden de 5 beste kandidaten, waaronder Ludewig, uitgenodigd voor het afleggen van een test. Van de 5 kandidaten komt Franciscus helaas als vierde uit de test tevoorschijn. De wet eist een keuze te maken uit de hoogste drie. De gemeenteraad wil graag Ludewig hebben en besluit met 4 stemmen vóór en 2 tegen, dat een vrije keuze gemaakt mag worden uit de 5 kandidaten. De burgemeester gaat dit voorleggen aan het hogere bestuur. Gedeputeerde Staten stellen, dat het raadsbesluit tegen de wet is op het lager onderwijs en wil het ter vernietiging bij de Koning voordragen.

De gemeenteraad blijft echter bij zijn besluit; de wethouders die nu volgens de wet uit het eerdergenoemde drietal een hoofdonderwijzer moeten benoemen, verklaren zich met het gevallen raadsbesluit te moeten blijven verenigen en zich van de verdere medewerking tot de benoeming te moeten houden.
Het betreffende raadsbesluit wordt bij koninklijk besluit van 12 januari 1860 vernietigd. Inmiddels trekt de 2e kandidaat op de voordracht J.G.R. van den Berg zich terug, vanwege zijn benoeming tot hoofdonderwijzer te Hoogmade. Hierdoor is een nieuwe voordracht voor een keuze noodzakelijk geworden, waarbij de 3e plaats nu door F. Ludewig wordt ingenomen. De keuze valt nu uiteraard op Ludewig, die zijn betrekking per 1 april 1860 kan aanvaarden.


Jaarboek 10, pagina 23

Raadslid Rommel stelt in de raadsvergadering van 8 februari 1860 voor, dat nu de hoofdonderwijzer rooms is er bij vervangingen van de hulponderwijzer iemand wordt benoemd die niet rooms is, opdat er in geval van rooms-katholieke feestdagen de andersdenkende kinderen toch onderwijs kunnen genieten. Dit voorstel wordt aangenomen. In oktober van datzelfde jaar komen er klachten binnen dat de school op rooms-katholieke feestdagen is gesloten. Door de raad wordt na overleg met de hoofdonderwijzer goed gevonden om in de weken dat er een dergelijke feestdag is, ook op zaterdag school te houden. Het college van G.S. keurt deze verordening niet goed en stelt dat de school niet op rooms-katholieke feestdagen gesloten mag zijn. De speciale rooms-katholieke feestdagen zijn: Drie Koningen op 6 januari, Maria Boodschap op 25 maart, Sacramentsdag 10 dagen na Pinksteren, Petrus en Paulus op 29 juni, Maria Hemelvaart op 15 augustus en Allerheiligen op 1 november.
De gemeenteraad probeert nog onder de verplichting uit te komen op genoemde feestdagen les te geven, omdat het aantal protestantse kinderen zeer gering is.
Zij treedt in overleg met de schoolopziener, doch die is ook van mening dat voor de protestantse kinderen school moet worden gehouden, echter beide onderwijzers zijn rooms. De raad besluit de zaak aan het oordeel van de Koning te onderwerpen, teneinde eventuele dispensatie te verkrijgen. Zover zal het echter niet komen, de beide onderwijzers hebben onderling besloten op rooms-katholieke feestdagen school te houden voor de protestantse kinderen.

De hulponderwijzer H.C. van Oers neemt per 1 augustus 1861 ontslag in verband met het aanvaarden van een betrekking elders. Op dat moment zijn er ongeveer 150 leerlingen op school. Per 1 september 1861 is H.L.W. Albers uit Amsterdam benoemd als hulponderwijzer Albers blijft tot januari 1864. De eerstvolgende jaren blijven de hulponderwijzers maar kort; achtereenvolgens worden aangesteld: A.T. Tikkel uit Deventer (12 januari 1864), P.J. Schrijvemakers uit Oosterhout (16 november 1864), F.J. Bos uit Zwolle (19 april 1865) en B.H. Heeremans uit Roelofsarendsveen (23 januari 1867).

Armenzorg

Het verlenen van ondersteuning aan de armen is een taak, die door het armenbestuur wordt behartigd. Alleen die mensen krijgen ondersteuning en verzorging van wie is gebleken, dat zij van kerkelijke of andere charitatieve instellingen geen ondersteuning ontvangen en dat enige ondersteuning volstrekt noodzakelijk is.
Het armenbestuur bestaat uit 3 leden, die telkens voor een periode van 6 jaar worden benoemd door de gemeenteraad, meerderjarig moeten zijn en zoveel mogelijk een afspiegeling moeten zijn van de verschillende godsdienstige gezindten in het dorp.

Castricum telt vele armen en weduwen. Ondanks de minimaal denkbare uitkering, is het totale bedrag dat jaarlijks aan de armen wordt uitgekeerd hoger dan de totale gemeentelijke begroting, inclusief het onderwijs.

Het armenbestuur heeft enkele huisjes, die door armlastige gezinnen of personen, worden bewoond. Een huisje aan het Schulpstet verkeert in 1853 in zeer bouwvallige staat en is nauwelijks meer te herstellen. Het armenbestuur komt met een voorstel om het voormalige raadhuis van Bakkum in te richten voor 3 woningen en te verhuren aan de armen. Op korte termijn is er ook geen andere vervangende woonruimte te vinden. 13e timmerman Handgraaf vindt echter dat de bestaande armenhuisjes goedkoper kunnen worden opgeknapt dan het oude raadhuis te verbouwen. Bovendien kunnen de betreffende bewoners beter op het Schulpstet blijven wonen, omdat zij daar hun brood moeten verdienen.

Het jaar 1854 is een slecht jaar. Voor de armenkas is het een ramp, dat er een huis is ingestort, dat wordt bewoond door twee gezinnen, die leven van de bedeling waarvoor geen ander huis voorhanden is, zodat onmiddellijk tot herstel van dat huis moet worden besloten. In ditzelfde jaar zorgt het armenbestuur voor 17 huisgezinnen en 20 bestedelingen, totaal 105 personen. Het totaal aantal inwoners bedraagt dan circa 1.150. De armenkas vertoont een groot tekort. Met forse sommen geld moet de gemeente bijspringen, maar ook de gemeentelijke financi√ęn zijn zeer beperkt. Het armenbestuur verzoekt om tijdelijk 300 gulden te mogen lenen. Het raadslid Brakenhoff stelt voor om de helft van de verwachte belastingaanslag (personele belasting) van de raadsleden reeds in februari te storten in de gemeentekas. Het totale bedrag kan dan dienen als voorschot voor de armen. Dit voorstel wordt aangenomen.

Ook is in het jaar 1854 een nieuwe armenwet van kracht geworden. Hierin is vastgelegd dat armen, die door de kerk worden ondersteund ook uit het Algemene Armenfonds een aanvullende ondersteuning kunnen krijgen. De gemeenteraad roept voor de uitvoering van de wet een commissie in het leven met vertegenwoordigers van de gemeenteraad en van de kerkelijke armenbesturen.

Door een aanhoudend tekort in de armenkas wordt in 1856 besloten om wekelijks een der bedeelden met een collectebus het dorp rond te laten gaan en ditzelfde ééns per drie maanden te laten doen door een van de armenbestuurders en hieraan de nodige publiciteit te geven. Twee jaar later wordt de wekelijkse collecte afgeschaft, omdat de opbrengst nihil is; de collecte per kwartaal blijft.

Jacob Rendorp van Kasteel Marquette op latere leeftijd.
Jacob Rendorp van Kasteel Marquette op latere leeftijd.

Jaarboek 10, pagina 24

In datzelfde jaar 1858 stelt het armenbestuur voor om een van de huizen van de armen in te richten tot algemeen armenhuis. De kosten voor verbouw en inrichting worden geraamd op 1.600 gulden. Het gemeentebestuur besluit hiertoe over te gaan, omdat een dergelijk algemeen armenhuis uiteindelijk een flinke kostenbesparing oplevert.

Voormalig Armenhuis, Overtoom 14 in Castricum.
Voormalig Armenhuis, Overtoom 14 in Castricum. Collectie Werkgroep Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het gemeentebestuur zal een poging doen om subsidie bij provincie en rijk te krijgen. G.S. zullen noch subsidie verstrekken noch goedkeuring verlenen tot het aangaan van een lening, omdat zij het inrichten van een algemeen armenhuis in strijd achten met de bedoelingen van de armenwet. Het gemeentebestuur houdt voorlopig deze zaak in beraad. Pas in 1861 wordt door G.S. goedkeuring voor een geldlening van 1.000 gulden verleend. Hierbij werd bij het verzoek door het gemeentebestuur niet gesproken over de inrichting van een armenhuis maar ter camouflage over “een bouwvallig huis, waarin de armen wonen met enige uitbreiding te doen herstellen om door dat middel plaats te vinden om enige huisgezinnen te kunnen huisvesten, waarvoor thans huishuur moet worden betaald”.
Andere inkomsten worden in 1865 verkregen door de verkoop van diverse stukken land in eigendom van de “Algemene Armen” voor de aanleg van de spoorlijn.

Gezondheidszorg

Na het overlijden van Bernardus Res in 1845 zijn in diens plaats de nog jonge Anthonie Reijnders en Xaverius Diometrius Paulus Fornier als plattelandsheelmeesters gekomen. Beide geneesheren trouwen een Castricums meisje en dingen naar elkaars pati√ęnten. Daarom wordt door het gemeentebestuur een regeling getroffen dat elke arts om de beurt gedurende een periode van 6 maanden de zieken, die worden onderhouden door het Algemene Armenfonds, mag behandelen. Af en toe komen bij het gemeentebestuur klachten binnen dat de betreffende arts meent dat zijn collega ten onrechte armlastige zieken behandelt.

Fornier overlijdt in 1855, waarna Anthonie Reijnders als enige arts overblijft; hij zal tot zijn overlijden in 1881 de gezondheidszorg in Castricum behartigen.
In het jaar 1866 heerst er een cholera epidemie, waardoor het gemeentebestuur besluit dat jaar geen kermis te houden. De kermis wordt elk jaar gehouden vanaf de eerste zondag in september en duurt drie dagen.

Op deze plaats stond aanvankelijk een gemeentelijk schuthok voor vee, Burgemeester Mooijstraat 14 in Castricum.
Op deze plaats stond aanvankelijk een gemeentelijk schuthok voor vee, Burgemeester Mooijstraat 14 in Castricum. Collectie Makelaarsbriefje. Toegevoegd.

Veeschutten

Op 26 oktober 1853 is de veeschutter van Bakkum overleden. In zijn plaats wordt Jan Zonneveld benoemd. Van gemeentewege is zowel voor Bakkum als voor Castricum een veeschutter aangesteld. Deze functionarissen brengen het verdwaalde vee naar het schuthok en bewaken en verzorgen de beesten. De eigenaar van het vee is nadien verplicht tot betaling van het zogenaamde schutgeld en van de kosten van voeding en onderhoud. Hiervoor gelden bepaalde tarieven. Zo varieert het schutgeld van 15 cent voor een schaap tot 1 gulden voor een stier, die ouder is dan één jaar. Deze tarieven worden verdubbeld wanneer het schutten tussen zonsondergang en zonsopgang plaats heeft. Voor de kosten van voeding en onderhoud wordt 50 cent gerekend voor paard, ezel of rund en 15 cent voor varken, schaap of geit.

In Noord Bakkum staat het schuthok op de kruising van wat nu de Hogeweg en de Duinweg heet. In Castricum staat het schuthok aan de Kramersweg (nu de Burgemeester Mooijstraat).

Gemeente-indeling

In 1862 wordt een nieuwe verordening vastgesteld betreffende de verdeling van de gemeente in buurten en de nummering van de huizen.
De gemeente wordt in de volgende wijken of buurten verdeeld:

  • de Kerkbuurt zijnde de kom van het dorp en verder de huizen tussen de Doodweg, het rijkstolhuis en het noordelijke gedeelte van de Kramersweg tot aan de watering.
  • de Oosterbuurt van de Doodweg af tot de Heemstederweg en de grensscheiding van Heemskerk beoosten de straatweg.
Detail van de kaart van het kanton Beverwijk uit 1844.
afb. 6 Detail van de kaart van het kanton Beverwijk uit 1844.

Jaarboek 10, pagina 25

  • de Duinderbuurt van de grensscheiding van Heemskerk bewesten de straatweg tot aan de duiker van de Duinontginning (bij de Zeeweg).
  • de Brabantsche Landbouw en Duinontginning bevattende de gebouwen die in de duinen zijn gelegen.
  • Noord en Zuid Bakkum strekkende vanaf de grensscheiding van Egmond Binnen beoosten de duinen tot benoorden de duiker van de Duinontginning (bij de Zeeweg).
  • Het Schulpstet en Noordeinde bevattende de huizen tussen de Schulpvaart en de watering.

Wegen, tolheffing

In 1852 wordt door tolgaarder Dekker ook tolgeld ge√ęist van de belanghebbenden, die de afsluitboom op de Hollaan (nu Oud-Haarlemmerweg) passeren met eigen geteelde veldvruchten of hout, terwijl voor aanwonenden en belanghebbenden een vrij gebruik van de weg geldt. Deze vrijstelling wordt door het gemeentebestuur nog eens bevestigd. Voor de bulloper geldt deze vrijstelling ook, echter voor opkopers van veldvruchten en dergelijke weer niet.

Op de gemeenterekening vinden we de kosten van de grenspalen, die in 1855 zijn geplaatst onder andere op de gemeentegrens met Egmond-Binnen.
Van de gemeente Bergen komt in april 1863 een brief, die melding maakt van een groots plan om de gemeenten van de Duinstreek door de aanleg van een straatweg te verbinden met de rijksstraatwegen. De rijksstraatwegen vormen de hoofdwegen. De nieuwe weg moet dan te Schoorldam en te Castricum aansluiten op de rijksstraatwegen en moet dan gaan lopen van Schoorldam over Schoorl, Bergen, Egmond aan de Hoef, Egmond Binnen, Bakkum en Castricum. De brief omvat verder het voorstel om de kosten van de aanleg evenredig over de gemeenten te verdelen.
De gemeenteraad van Castricum wil niet bijdragen in de kosten van de weg; “dat alhoewel men niet wil ontkennen dat de aanleg van zoodanige weg langs de niet onbevallige duinstreek wel aanleiding zoude kunnen geven tot eenig vertier, eigenlijk in de hoofdzaak de aanleg daarvan voor deze gemeente van weinig belang kan worden geacht, daar hier weinig connectien met de daarbij betrokken gemeenten langs de duinstreek bestaan en men voor de correspondentie met de stad Alkmaar voor het grootste deel der gemeente, dat daarbij belang kan hebben, in het onmiddellijk bezit is van den rijksstraatweg, die juist het meest bebouwde gedeelte der gemeente doorsnijdt”. Hiermee is echter de zaak niet afgedaan. Na ruim 2 maanden wil een van de raadsleden op dit besluit terugkomen, omdat men nu van plan leek te zijn de nieuwe weg in Limmen op de rijksstraatweg aan te sluiten en dat zou voor Castricum wel eens nadelig kunnen zijn in de poging een station te krijgen aan de in ontwerp zijnde spoorlijn (mogelijk zou dan in Limmen een station komen). De gemeenteraad besluit daarop in contact te treden met de commissie tot de aanleg van de “duinrand” weg om te worden ge√Įnformeerd hoever de plannen zijn gevorderd met het oog op de richting, die aan de spoorlijn schijnt te zullen worden gegeven en Castricum zich niet van enige deelneming zou willen onttrekken.

Bovendien gaat de gemeente zich wenden tot de spoorwegautoriteiten om een station te verkrijgen. Ze doet daarbij het aanbod om de benodigde weg daarheen te verharden. De kosten voor de aanleg van de “duinrand” weg voor de gemeente Castricum worden nog in 1864 geschat op 21.000 gulden, waarvan voor tweederde deel nog gerekend kan worden op subsidie van rijk en provincie. Van de rest ter grootte van 7.000 gulden rekent de gemeente nog op een forse bijdrage van prins Frederik, die als eigenaar van de Duinontginning groot belang heeft bij de aanleg van de weg. Alles bij elkaar genomen lijkt de financi√ęle last voor de gemeente dus nogal mee te vallen.

Toch zal opnieuw in het voorjaar van 1866 afwijzend worden beschikt als blijkt dat de gemeente niet 7.000 maar 14.000 gulden moet bijdragen. Dit bedrag wordt een te groot offer voor de gemeente geacht, temeer daar er onzekerheid bestaat over de bijdrage van de Duinontginning. Wel is de gemeente bereid om het onderhoud van de weg, voor zover die binnen haar grenzen ligt voor haar rekening te nemen. Ondanks de bereidheid van prins Frederik tot enige bijdrage en het verzoek op het raadsbesluit terug te komen, blijft de raad bij haar besluit. Inmiddels staat het wel vast, dat in Castricum een station zal komen.

Het terrein tussen raadhuis en school wordt in maart 1867 onttrokken aan de openbare rijweg in verband met het gevaar voor spelende kinderen.

In mei 1867 bereikt een verzoek van de Staatsspoorwegen de gemeente om een postbesteller aan te stellen tegen een bepaald tarief. Zo worden de volgende tarieven vastgesteld voor pakjes of andere voorwerpen tot en met een gewicht van 5 pond:

  • naar Kerkbuurt, Oosterbuurt of duinzijde 5 cent
  • naar Noordeinde 7,5 cent
  • naar Zuid Bakkum 10 cent
  • naar de duinontginning en Noord Bakkum 20 cent

Begraafplaats

Het bestuur van de Ned. Hervormde kerk eist van de gemeente voor de huur van de begraafplaats een bedrag van 30 gulden per jaar. Het gemeentebestuur blijft bij een huur van 25 gulden, zoals het vroeger met bemiddeling van Gedeputeerde Staten (G.S.) was overeengekomen. Opnieuw wordt de tussenkomst van G.S. ingeroepen. Dit college acht het huren op lange termijn niet wenselijk en stelt voor de begraafplaats te zijner tijd te kopen of een nieuwe begraafplaats aan te leggen. De gemeente heeft hiervoor echter geen financi√ęle middelen en besluit dan toch maar het kerkhof voor een periode van 5 jaar voor het bedrag van 30 gulden per jaar te huren.

Einde van de ambtsperiode

Jacob Rendorp vraagt in november 1867 zijn ontslag als burgemeester van Castricum en Heemskerk bij de commissaris van de koning, wetende dat hij voor een herbenoeming voor een volgende periode van 6 jaar vanwege zijn hoge leeftijd (72 jaar) niet meer in aanmerking komt.
Zijn verzoek om ontslag wordt per 1 januari 1868 ingewilligd en hij wordt in beide functies opgevolgd door Hermanus Zaalberg. In 1869 gaat Jacob Rendorp definitief in ‘s-Gravenhage wonen alwaar hij in 1879 overlijdt.

S.P.A. Zuurbier

Noot:

De straatnaam, die in Castricum naar deze burgemeester is genoemd, luidt abusievelijk Jacob Rensdorpstraat.

Bronnen:

  • Raadsnotulen, correspondentie gemeente Castricum periode 1852-1868, aanwezig in het streekarchief te Alkmaar.
  • Genealogie van het geslacht Rendorp door Ch.J. Polvliet, ‘s-Gravenhage 1891.
  • Handschrift van H. van Benthem betreffende Heemskerk.
  • Heemskerk onderweg van verleden naar heden door mr. J.W. Groesbeek, Heemskerk 1978.
  • Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands Duinreservaat door Ir J.G.G. Jelles, Arnhem 1968.
  • Gegevens van G.J. van Wijk te Heemskerk.

Zaalberg, Hermanus (Jaarboek 05 1982 pg 21-26)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans, EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan WillemJacobs-Wentink, GréKieft, PieterKortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 5, pagina 21

Wie was … Hermanus Zaalberg

Hermanus Zaalberg
Hermanus Zaalberg

Vorig jaar heb ik in de rubriek “Wie was…” aandacht geschonken aan de hier weinig bekende en toch zo veelzijdige burgemeester Jan de Quack. Dit jaar is opnieuw de schijnwerper gericht op een burgemeester van Castricum. Ook in toekomstige jaarboekjes zullen burgemeesters in deze rubriek aan bod komen.
Daarbij gaat het meer om een stukje Castricumse geschiedenis, die zich uitstrekt over de betreffende ambtsperiode dan om de persoonsbeschrijving van de burgemeester.
Hermanus Zaalberg wordt in januari 1868 burgemeester van Castricum en heeft slechts anderhalf jaar dit ambt bekleed. Hij is hiermee tot nu toe de burgemeester met de kortste ambtsperiode. Hermanus, zoon van de toen reeds bekende dekenfabrikant Johannes Zaalberg, is geboren in Leiden en heeft daar 55 jaar gewoond.

Op 21 januari 1868 wordt hij benoemd tot burgemeester van Castricum en Heemskerk. Zijn voortvarendheid en beslistheid, waarmee hij bepaalde zaken, die naar zijn idee scheef gegroeid waren, wil recht zetten, brengt hem weldra in conflictsituaties, welke hem uiteindelijk tot aftreden zullen dwingen.

Dekenfabrikant in Leiden

Op 17 mei 1812 wordt Hermanus Zaalberg te Leiden geboren als zoon van Johannes Cornelis Zaalberg, fabrikant van wollen dekens. Dat jaar verkeerde ons land nog onder Franse overheersing. Van zijn jeugd is weinig bekend, hij wordt Nederlandse Hervormd opgevoed, komt uit een gezin met 9 kinderen en woont met zijn ouders in een groot pand aan de Heerengracht op nummer 114. Dit huis maakt deel uit van een aantal vorstelijk aandoende panden, welke toebehoort aan het fabriekscomplex van zijn vader.
Al betrekkelijk jong wordt hij opgenomen in de leiding van het bedrijf. Bij zijn huwelijk in 1835 wordt als beroep fabrikeur (fabrikant) opgegeven en woont in het pand naast zijn ouders. Na het overlijden van zijn vader in 1849 vormt hij samen met zijn oudere broer Jan Cornelis de directie van het bedrijf. Omstreeks 1852 heeft de fabriek 136 arbeiders in dienst en beschikt over een stoommachine en een stoomketel.
Het bedrijf werd tot enkele tientallen jaren geleden nog steeds onder de naam van zijn vader – de firma J.C. Zaalberg en zoons – gevoerd en was nog steeds gevestigd tussen de Vestestraat en de Heeregracht. Inmiddels is het bedrijf verplaatst naar Tilburg en voert momenteel de merknaam AaBe-dekens. Bij vele ouderen heeft echter de naam “Zaalberg-dekens” nog een bekende klank.

Tussen Hermanus en zijn 15 jaar oudere broer Jan Cornelis zou het niet zo goed geboterd hebben, reden waarom Hermanus in 1854 uit de onderneming werd gekocht. Zijn betere opleiding en zijn meer progressieve en sociale instelling zouden debet zijn geweest aan de slechte samenwerking. Verondersteld wordt dat Hermanus in de ogen van zijn broer al te liberaal was. Deze broer had vermoedelijk te lang aan de leiband van zijn vader gelopen om zich van diens inzichten volledig te hebben kunnen losmaken, terwijl Hermanus een grote belangstelling aan de dag legde voor sociale vraagstukken en er ten opzichte van het beleid tegenover de arbeiders geavanceerde opvattingen op na hield.

Op 17 maart 1854 koopt Hermanus Zaalberg een huis en erf aan de Rijn op de Apothekersdijk nr. 22. Hier woont hij met zijn gezin tot begin 1868 en wordt in deze periode koopman en ook grossier in manufacturen genoemd. Hiernaast heeft hij functies bij de Diaconie van Leiden, is hij regent bij het Huiszittenhuis en diaken der Nederlandsch Hervormde Gemeente. Belangrijke verdiensten heeft hij verworven bij de beperking van de kinderarbeid.

Strijder tegen de kinderarbeid

De kinderarbeid was in de vorige eeuw een normaal verschijnsel. Jonge kinderen beneden de 10 jaar werkten al lange dagen in de fabriek. Kinderarbeid onder de 10 jaar was sinds 1813 uitsluitend nog in de mijnen verboden. In het midden van de vorige eeuw komen steeds meer stemmen op om aan de kinderarbeid paal en perk te stellen. In Leiden wordt in 1859 een voor die tijd opmerkelijk initiatief genomen. Op uitnodiging der diakenen van de Nederlandse Hervormde Gemeente wordt een vergadering gehouden met vertegenwoordigers van de plaatselijke armbesturen en van de Leidse Maatschappij van Weldadigheid om te beraadslagen over het werken van kinderen in fabrieken ter plaatse, zowel op te jeugdige leeftijd als met te lange werktijden. In hetzelfde jaar neemt de Maatschappij ter bevordering van Nijverheid een besluit tot het instellen van een commissie “om middelen te beramen dat kinderen beneden de 14 jaren niet zoo vroeg naar de fabrieken worden gezonden en indien zij arbeiden, dat zulks geen 12 of 15 uren daags geschelde”.
Om het werk van deze commissie zoveel mogelijk te vergemakkelijken, worden hierin uitsluitend Leidenaars benoemd. Hermanus Zaalberg wordt tot secretaris van de commissie gekozen; een belangrijk deel van het werk van de commissie wordt door hem verricht.
In haar rapport van 1860 stelt de commissie vast, dat bij kinderen van 10 jaar en ouder schoolverzuim veelvuldig voorkomt. Verder brengt zij naar voren, dat blijkens haar onderzoek 8% der Leidse kinderen beneden 13 jaar op fabrieken en in ambachten werkt. Ook wijst zij erop, dat een arbeidstijd van 12 tot 15 uur per dag voor kinderen te langdurig is en dat de werkzaamheden, die hun worden opgedragen, dikwijls te zwaar zijn. Dat de kinderen op zo grote schaal in fabrieken worden te werk gesteld, moet echter volgens de commissie niet zozeer aan de fabrikanten, als wel aan de ouders worden geweten, die van de arbeid van hun kinderen gebruik maken om de gezinsinkomsten te doen toenemen. Aan het slot van haar rapport geeft de commissie een aantal wettelijke maatregelen in overweging.
Ongeveer in dezelfde periode had de Ingenieur van het Stoomwezen, de heer De Vries Robb√©, aan de Minister van Binnenlandse Zaken uitgewerkte voorstellen doen toekomen in zake een wettelijke regeling van de arbeid in fabrieken en werkplaatsen. Hij gaf daarbij mede in overweging te besluiten tot de aanstelling van een inspecteur, die op de naleving van de nieuwe wettelijke voorschriften zou hebben toe te zien, zonder nochtans aan de fabrikanten al te grote last te veroorzaken en “zonder zich met hun fabryksgeheimen in te laten”.
Voor de vervulling van deze nieuwe taak beval hij met klem bij de Minister aan “de heer H. Zaalberg, thans grossier in manufacturen in Leiden, welke heer sinds 13 jaren bij de


Jaarboek 5, pagina 22

Diaconie van Leiden getoond heeft allezints met het armwezen bekend te zijn, nog onlangs rapporteur van de Maatschappij van Nijverheid betrekkelijk den toestand der kinderen in de fabryken”. De heer de Vries Robb√© meent dan ook, dat “deze betrekking moeilijk aan een geschikter persoon zou kunnen worden opgedragen”.
De minister neemt voorlopig nog geen actie. De Leidse industri√ęlen zijn in meerderheid echter doordrongen, dat er iets moet gebeuren. Op 17 maart 1863 wordt op initiatief van 32 Leidse fabrikanten, waaronder de firma Zaalberg, een verzoek aan de Koning gericht om het onderwijs, de arbeidsduur en rusttijden van kinderen, die in fabrieken werken door wettelijke bepalingen te regelen.
Het zal evenwel nog tot 1874 duren, voordat op initiatief van het Tweede kamerlid Van Houten een wet tot afschaffing van de kinderarbeid wordt aangenomen.

Regent van het huiszittenhuis te Leiden

Het huiszittenhuis was een instelling, welke was bedoeld voor de uitdeling van voedsel en brandstof aan de armen. Het vele geld dat hiervoor nodig was, kwam vooral uit de in die tijd slecht gevulde gemeentekas en door kerkelijke gelden.
De beheerscommissie, die verantwoordelijk was voor de uitgaven werd voor de helft aangewezen door het gemeentebestuur en voor de andere helft door de kerkenraad. Hermanus Zaalberg wordt in 1848 in de commissie benoemd. In datzelfde jaar is hij betrokken bij de landelijk zeer geruchtmakende kwestie rond het huiszittenhuis, waarbij hij behoort tot de deputatie van de kerkenraad, die op 3 juni 1848 de burgemeester en het nieuwe bestuur van het huiszittenhuis, de toegang tot het gebouw ontzegt.
Hierop worden de vertegenwoordigers van de kerkenraad door de politie uit het gebouw verwijderd.

In 1853 wordt Hermanus Zaalberg benoemd tot regent van het huiszittenhuis, tevens tot provisioneel secretaris en in de commissies voor financi√ęn, verlichting en voeding. In de jaren 1857 en 1858 is hij voorzitter van de commissie voor financi√ęn. Bij zijn afscheid in 1859 wordt hem een aandenken in zilver overhandigd en worden zijn verdiensten herdacht. Hij blijft toch op een of andere wijze betrokken bij het huiszittenhuis, want in 1863 wordt in het openbaar een keiharde pennestrijd gevoerd tussen Hermanus Zaalberg en ene Scheltema betreffende het financi√ęle beheer van het huiszittenhuis. Diverse gedrukte boekwerkjes worden door beide heren afwisselend gepubliceerd.

Burgemeester van Castricum en Heemskerk

Per 1 januari 1868 is de ambtstermijn van 6 jaar van burgemeester Jonkheer Jacob Rendorp van Marquette verstreken. Omdat hij door zijn hoge leeftijd toch niet opnieuw zal worden benoemd, heeft hij reeds in november 1867 zijn ontslag aangevraagd. In de vacante betrekking van burgemeester van Castricum en Heemskerk wordt bij koninklijk besluit van 21 januari 1868 Hermanus Zaalberg benoemd. Op 27 januari daaraanvolgend wordt hij hier in een voltallige gemeenteraadsvergadering ge√Įnstalleerd.
Castricum telt op dat moment circa 1.380 inwoners, verdeeld over 5 woonbuurten namelijk de Kerkbuurt (huidige dorpskom), Oosterbuurt (Breedeweg, Doodweg), Duinbuurt (Mient, Kramersweg, Vinkebaan), Noordend (Brakersweg, Kooiweg) en Bakkum (ten noorden van de Zeeweg).

Castricum in 1868 en 1869

Bij zijn ambtsaanvaarding bestaat de gemeenteraad uit de wethouders Cornelis Schermer en Jan Schotvanger en uit de leden Johannes Rommel, Teunis Slooten, Frans Glorie, Jan Pieterszoon Kuijs en Jan Corneliszoon Kuijs.
In de eerste raadsvergadering van 27 januari vragen Cornelis Schermer vanwege zijn hoge leeftijd en Teunis Slooten in verband met maatschappelijke belangen hun ontslag aan. Op 5 februari 1868 brengen de 61 stemgerechtigden uit de gemeente hun stem uit voor de keuze van 2 nieuwe raadsleden. Cornelis Mooij krijgt 26 stemmen en wordt gelijk gekozen, terwijl tussen Arie van der Park en Dirk Bruin met elk respectievelijk 19 en 16 stemmen een herverkiezing plaats moet vinden. De herverkiezing wordt op 18 februari 1868 gehouden en Dirk Bruin haalt de meeste stemmen.
In de raadsvergadering van 8 april 1868 wordt vervolgens Cornelis Mooij tot wethouder gekozen. Hij had overigens eerder in een brief van 9 januari aan de koning meegedongen naar het burgemeestersambt van Castricum.

Het station

Het station is omstreeks 1866 gebouwd; op 1 mei 1867 rijdt de eerste trein door Castricum. Gedurende zijn gehele ambtsperiode zal Hermanus Zaalberg worden geconfronteerd met zaken die het station, het stationsplein of de toegangswegen naar het station betreffen. Uiteindelijk zal dit ook de aanleiding vormen tot zijn gedwongen vertrek als burgemeester.
Het begint al op 22 februari 1868. In een brief van de Minister van Binnenlandse Zaken wordt, naar aanleiding van een door hem ontvangen rapport, melding gemaakt van de slechte staat van de toegangsweg naar het station. De minister stelt dat het onderhoud en verlichting naar het station ten laste komt van de gemeente, omdat in diens belang de toegangsweg is gemaakt. Hij eist vervolgens herstelling en een blijvend onderhoud van de toegangswegen.


Jaarboek 5, pagina 23

De straatverlichting naar het station wordt zowel door wethouder Schotvanger als de burgemeester wenselijk geacht, maar zij vinden dat de kosten hiervan voor de gemeente nogal bezwaarlijk zijn. Zij besluiten deze zaak aan de gemeenteraad in overweging te geven en vragen bovendien aan de directie van de Spoorwegen om bij te dragen in de kosten van de verlichting “tussen het dorp en het station”.
Het station bevindt zich op circa 300 meter afstand van de dichtstbijzijnde bebouwing. De directie van de Spoorwegen gaat hier niet op in door te stellen dat de toegangswegen niet tot de spoorwegdienst behoren en dat de gemeente – toch al begunstigd met een station – de meest belanghebbende is.
In haar vergadering van 8 april verklaart de meerderheid van de gemeenteraad zich tegen de aanschaf van de straatverlichting. De zaak is hiermee echter niet afgedaan; in een schrijven van 28 juli 1868 van de Commissaris van de Koning in de provincie Noord-Holland wordt melding gemaakt van het feit dat de “Raad van toezigt op de Spoorwegdiensten” de aandacht van de minister opnieuw heeft gevestigd op de nog onbeheerde toestand van de toegangswegen naar het station en op het ontbreken van verlichting. Het is met name de minister niet duidelijk waarom de medewerking van het gemeentebestuur van Castricum voortdurend wordt gemist, terwijl elders de aangenomen regel, dat de verlichting van de toegangswegen ten laste komt van de gemeente in wiens belang de toegangsweg is gemaakt, tot uitvoering is gebracht.
De minister geeft tevens aan dat het bezit van een station door vele gemeenten op prijs wordt gesteld blijkens de veelvuldige verzoeken hiervoor en hij kan daarom niet aannemen, dat de belangen van onze gemeente niet door de spoorweg zouden zijn gebaat. Hij nodigt vervolgens de gemeente uit om op eigen kosten in de verlichting te voorzien en binnen een maand hem te berichten hoe aan deze zaak vervolg is gegeven.
In de raadsvergadering van 19 augustus wordt teruggekomen op het eerder genomen besluit en wordt nu besloten om de toegangsweg van het dorp naar het station te begrinden en te verlichten. Het zal nog tot in november duren, voordat er 6 lantaarnpalen zijn geplaatst vanaf het station tot aan de Rooms-Katholieke kerk.

Een andere zaak welke het spoorweg-gebeuren betreft is een aanbod van de directie der Staatsspoorwegen te Alkmaar in mei 1868 aan de gemeente Castricum om de parallelwegen en paden naast de spoorlijn (bij de eerste Groenelaan, Stationsweg, de Oude weg en de Oud-Haarlemmerweg) en de gronden, die grenzen aan het stationsgebouw, in beheer en onderhoud over te nemen. De gemeenteraad is hier wel toe bereid, mits zij ook het recht van beplanting en het vruchtgebruik verwerft. Hiertegen heeft de directie geen bezwaar.

De gemeenteontvanger

Op 20 juni 1868 wordt een extra raadsvergadering belegd in verband met gebleken tekorten in de gemeentekas. De heer A. Dekker wordt als ontvanger en secretaris der gemeente Castricum in beide functies ontslagen. Niet precies is na te gaan, wat er is gebeurd. De indruk bestaat dat er weliswaar niet is gefraudeerd, maar dat door grove nalatigheid er grote tekorten zijn ontstaan.

De borgen van de gemeenteontvanger t.w. Cornelis Schermer en de Erven van Jacob Brakenhoff worden voor een bedrag van 300 gulden aansprakelijk gesteld.
De administratie en inning van de belasting betreffende de Hondsbosse zeewering wordt onder controle en beheer gebracht van B en W.
Tot nieuwe gemeenteontvanger wordt op 1 juli Cornelis de Groot benoemd, die zelf moet zorgen voor de vereiste borgen. Hiertoe zijn bereid J.P. Kuijs en F. Glorie, beide leden der gemeenteraad, voor een bedrag van 1000 gulden.

Tot secretaris van de gemeente wordt burgemeester Zaalberg benoemd; hij wordt door Zijne Majesteit be√ędigd op 8 juli 1868. De jaarwedde voor de secretaris bedraagt 200 gulden en wordt nog vermeerderd met 50 gulden reisgeld tussen Castricum en Heemskerk.
Overigens zal op 17 februari 1869 in de raadsvergadering een verzoek van A. Dekker aan de orde zijn om te worden begunstigd met de betrekking van klerk ter secretarie. De gemeenteraad besluit hem, ondanks zijn antecedenten in het belang van A. Dekker en zijn talrijk gezin, te steunen.

Polderbestuur tegen Kerkbestuur

Het reeds jaren bestaande twistpunt over het onderhoud van de Kerkedijk wordt mede door toedoen van burgemeester Zaalberg opgelost. Als hoofd van het bestuur van de Castricummer polder neemt hij in een schrijven van 23 juni 1868 contact op met het kerkbestuur van de Nederlanse Hervormde kerk en doet een voorstel om een contract van 30 jaar aan te gaan om de schouwbepaling van de Kerkedijk onder het toezicht van het polderbestuur te doen nakomen en de kosten hieraan gelijkelijk te verdelen. Het kerkbestuur zal hiermee akkoord gaan.

Het raadhuis

Het raadhuis verkeert in bijzondere slechte staat; al in 1867 is dit aanhangig gemaakt bij de Commissaris der Koning. Voor de financiering van deze verbouwing zijn reeds gelden belegd, die zijn ontvangen door verkoop van een perceel bouwland door de gemeente Castricum aan de spoorwegmaatschappij. In de gemeenteraadsvergadering van 25 november 1868 vraagt de burgemeester aan de raad een uitspraak op welke wijze het ontbrekende bedrag voor de verbouwing moet worden gefinancierd. Hij houdt een warm pleidooi om deze verbouwing door te laten gaan. (zie voor het raadhuis elders in het jaarboekje).

De tolheffing

Al in maart 1868 wordt in het kader van de klachten over de slechte toestand van de toegangswegen verzocht vrijheid van tolgeld voor de rijtuigen, die passagiers naar het station brengen of vandaar afhalen of de tol te doen verplaatsen.
De tol is op de Dorpsstraat juist iets voorbij de ingang van de nu geheten Burgemeester Mooijstraat. Deze laatstgenoemde weg is in 1868 nog een zandweg en niet geschikt voor de rijtuigen. In verband met de tolheffing op de Dorpsstraat wordt deze zandweg echter gebruikt om deze heffing te ontduiken. De gemeenteraad wil graag de tol verplaatsen naar de noordzijde van het dorp, omdat de afstand tussen de tol van Heemskerk en die van Castricum te klein is. Verschillende keren wordt het verzoek bij de Minister herhaald.

Afsluiting van het station

Na de overname van het beheer en onderhoud van parallelwegen en het stationsplein van de spoorwegmaatschappij worden plannen gemaakt voor de inrichting en de beplanting van de omgeving van het station. Er wordt een commissie van fabricage ingesteld bestaande uit de raadsleden Rommel en Kuijs en er wordt besloten om de parallelweg (Stationsweg) met els en wilg te beplanten en een plantsoen aan te leggen en eveneens met bomen te beplanten.

Eind januari 1869 is de aanleg gereed. In de raadsvergadering van 20 januari 1869 wordt besloten op een voorstel van de heren Rommel en Kuijs om de binnenweg naar het dorp op


Jaarboek 5, pagina 24

Kaartje van Castricum in 1865.
afb. 2 Kaartje van Castricum in 1865.

eenvoudige wijze af te sluiten in afwachting van een afsluiting door de spoorwegmaatschappij. Dit dient om het verkeer te beletten van deze weg (Burgemeester Mooijstraat) gebruik te maken, hetgeen door alle voertuigen zonder uitzondering geschiedt. Dit veroorzaakt veel extra overlast aan het verkeer van en naar het station.
Begin februari komt er bij de gemeente Castricum een ernstige klacht van de Minister. De heren Rommel en Kuijs hebben tegen het raadsbesluit om de binnenweg af te sluiten een deel van het stationsplein opgebroken, waardoor de zuidelijke toegangsweg naar het stationsplein (vanaf Funadama) is afgesloten.
De minister gelast onmiddellijk het opgebroken gedeelte weer te verharden. Ook volgt een ernstige waarschuwing van de spoorwegmaatschappij, die echter in afwachting van een definitieve regeling aangaande de tolafsluiting, de bestaande situatie nog korte tijd zal accepteren. In verband met deze houding wil de Raad in afwachting van maatregelen tegen de tolontduiking het terugbrengen naar de oude staat uitstellen ook al om het respect voor de beide raadsleden ten overstaan van de burgers niet te ondergraven. Bovendien willen Rommel en Kuijs even wachten op de stenen, die vrij komen bij de afbraak van het raadhuis.

Ontslag van alle raadsleden

In de raadsvergadering van 21 april 1869 hebben enkele raadsleden moeite met de notulen van de voorgaande vergadering; zij proeven een beschuldigd van de heren Rommel en Kuijs, terwijl zij weliswaar meer harde weg hebben opgebroken dan was toegestaan, maar dit dan toch in het belang van de gemeente hebben gedaan. In de eerstvolgende raadsvergadering op 10 mei zijn opnieuw veel bezwaren rond de goedkeuring van de notulen rond de zaak van het stationsplein. Enkele raadsleden kunnen zich er opnieuw niet mee verenigen. Rommel wil een stemming of de afsluiting zoals hij is gemaakt nou wel of niet in overeenstemming is met het raadsbesluit van 20 januari 11. Burgemeester Zaalberg maakt hiertegen ernstig bezwaar, “omdat de Raad niet op de proef gesteld worden tegen een vroeger besluit te getuigen of iets anders te besluiten”; verder heeft hij vernomen dat een gerucht circuleert, waarin wordt gezegd, dat de burgemeester een onterende straf zou moeten ondergaan om het feit der afsluiting (volgens dit gerucht zou hij een boete krijgen van 300 gulden en gedurende 6 weken van zijn burgemeestersambts zijn ontheven).
De straf van de burgemeester zou te maken hebben gehad met het verzwijgen van de namen van de schuldigen en/of het goedkeuren van een raadsbesluit in januari, hetwelk een strafbaar feit zou inhouden.
De gemoederen der raadsleden zijn niet gesust; ze willen niet meer hun vertrouwen schenken aan de burgemeester. Op de eerstvolgende raadsvergadering op 19 mei komt niemand opdagen. Overeenkomstig de gemeentewet schrijft Zaalberg een nieuwe vergadering uit op 20 mei en toen op die dag ook niemand verscheen, schrijft hij voor 24 mei een derde vergadering uit. Alleen wethouder Jan Schotvanger is nu verschenen. Als toehoorder is de Commissaris van de Koning aanwezig.

Op 12 mei hadden alle raadsleden schriftelijk hun ontslag aangeboden, maar moeten volgens de gemeentewet tot na de benoeming van nieuwe raadsleden, hun functies waarnemen. De burgemeester denkt aan de uitschrijving van nieuwe


Jaarboek 5, pagina 25

gemeenteraadsverkiezingen, maar het is duidelijk een onhoudbare toestand.

Ondertekening van de afscheidsbrief.
Ondertekening van de afscheidsbrief.

Op 28 mei verzoekt Hermanus Zaalberg aan de gemeenteraad om te worden ontslagen als burgemeester en secretaris, welk verzoek in de raadsvergadering van 5 juni, waarin alle raadsleden met uitzondering van Zaalberg weer zijn verschenen, wordt ingewilligd, behoudens uiteraard de goedkeuring van Zijne Majesteit de Koning.
Per 1 juli krijgt de burgemeester eervol ontslag. Bij de gemeenteraadsverkiezing die op 8 juni wordt gehouden, worden dezelfde raadsleden, die eerder officieel hun ontslag hebben ingediend, weer herkozen.
Als opvolger van Zaalberg wordt per 1 juli tot burgemeester van Castricum benoemd Carel Hendrik Moens, geboren in Kampen en op dat moment nog ongehuwd en wonende in Brummen (Gld.). Hij neemt zijn intrek in de woning van hoofdonderwijzer Ludewig.
In zijn afscheidsbrief aan de raadsleden wenst Hermanus Zaalberg zijn opvolger een betere toekomst toe; verder schrijft hij: “Moge meerdere eerbied voor de wetten en eene hoogere achting voor het Hoofd der Gemeente U voortaan bezielen, dan eerst zult gij U Mijne heeren! over uw gehouden gedrag jegens mij vernederen. Dan eerst zult gij de belangen van de Gemeente beter behartigen, dan gij tot hiertoe deed. Ik veroordeel U niet – God oordeele tusschen U en mij. Hij behoedde verder de Gemeente van Castricum, die ik reeds lief had gekregen en die betere Raadsleden waardig is”.

Dieper liggende oorzaken

De aanleiding voor het vertrek van Hermanus Zaalberg is de gang van zaken rond het stationsplein. De oorzaak ligt echter naar mijn idee veel dieper. Zaalberg is een man die zeer veel waarde hecht aan eerlijkheid, orde, gezag en naleving van de wet. Wij komen dat niet alleen in zijn handelwijze tegen, maar ook in zijn brieven aan enkele inwoners. Zo schrijft hij onder andere: “de burgemeester van Castricum zal zooveel in zijn vermogen is waken dat de gemeentenaren zich aan wet en orde gewennen” en een andere keer “om te waarderen dat de Burgemeester de wet en de orde weet te handhaven en te handelen in de moeilijkste gevaren, al is het ook dat hij schijnbaar alleen staat. Met God in het oog, met de wet in de hand en een rein hart trotseer ik alles en allen”.
Door zijn rechtlijnigheid en scherpslijperij maakt hij zich niet bepaald geliefd. Bij meerdere inwoners heeft hij de grenzen van hun eigendommen weer naar de oorspronkelijke toestand laten brengen, waardoor de wegen en sloten verbreed konden worden. Door beheer en administratie van gemeente, armbestuur en Castricummer polder drastisch te reorganiseren heeft hij veel tegenstand moeten overwinnen. We zien zijn dalende populariteit weerspiegeld in de stemmingen in de gemeenteraad over een vergoeding van zijn reiskosten, die hij als secretaris maakt tussen zijn woonplaats Heemskerk en Castricum. Op 16 september 1868 wordt na zijn benoeming een vergoeding van 50 gulden per jaar door de raad voor 1869 goedgekeurd. Bij zijn verzoek op 17 februari 1869 om over het afgelopen jaar de vergoeding te ontvangen, staken de stemmen; bij een herstemming op 21 april wordt zijn verzoek afgestemd met 2 voor en 4 stemmen tegen.
Waarschijnlijk heeft ook wethouder Cornelis Mooij, die zelf ook begin 1868 had gesolliciteerd naar de opengevallen burgemeesterszetel, een belangrijke rol gespeeld in het vertrek van Zaalberg. De samenwerking tussen Mooij en de burgemeester is uitermate slecht. De handelingen van de wethouder worden door de burgemeester in een aantal brieven aan de wethouder, telkens afgekeurd.
In de raadsvergadering van 10 mei 1869 komt dit meer in de openbaarheid bij de behandeling van de sollicitanten voor de post van hulponderwijzer, waarbij wethouder en burgemeester over de gevolgde procedure lijnrecht tegenover elkaar staan.

Ook de verpachting van het viswater van de Castricummerpolder, welke door de wethouder wordt gepacht en die hij nu opnieuw voor de komende periode wil pachten tegen een onderhands vastgesteld bedrag, wil de burgemeester in het openbaar aan de hoogste bieder verpachten.
Mooij en Rommel moeten we als de initiatiefnemers zien om als raad collectief ontslag te nemen.

Burgemeester van Heemskerk

Hermanus Zaalberg is vanaf dezelfde datum op 21 januari 1868 ook tot burgemeester van Heemskerk benoemd. Ook hier blijkt al spoedig dat hij zijn ambt met nauwgezetheid wil vervullen en zich strikt aan de wet wenst te houden. In een plattelands-


Jaarboek 5, pagina 26

gemeente als toen ook Heemskerk was (ca. 1300 inwoners) levert het stipt naleven van de vele wetten vaak ernstige conflicten op. In het eerste jaar van zijn ambtsvervulling schrijft Zaalberg dat hij zeer veel te strijden heeft tegen de opvatting van de “eigenzinnige, onverzettelijke, stijve en baatzuchtige gemeentenaren, wier antwoord is: ” We zijn het altijd zoo gewend geweest”.
Ook hier zet hij krachtig door met het in het leven roepen van de vereiste verordeningen; hierbij komt het nog al eens tot onaangenaamheden, die aanleiding vormen van klachten door enkele ingezetenen bij de Commissaris van de Koning.
Binnen het eerste jaar worden maar liefst acht keer klachten tegen hem geuit. De oppositie tegen hem is algemeen. Zaalberg gaat echter voor niemand opzij, niet voor de gewone man, noch voor de kasteelheren. Geleidelijk aan echter gaat men Zaalberg waarderen om zijn grote inzet voor de belangen van de gemeente. Vooral op het gebied van de wegen heeft hij veel vooruitgang geboekt. Met algemene stemmen wordt hij daarom in 1878 ook voorgedragen voor zijn herbenoeming. Tijdgenoten hebben hem de baanbreker genoemd van alles wat Heemskerk tot heil en welvaart heeft gestrekt en de toenmalige pastoor zei in 1879 van hem “dat hij nog lang roemrijk genoemd worde”.

Beijerslust te Heemskerk omstreeks 1842.
Beijerslust te Heemskerk omstreeks 1842.

Beijerlust

Hermanus Zaalberg woont in Beijerlust, een mooie hofstede aan de Hoflanderweg te Heemskerk. In augustus 1868 heeft hij deze buitenplaats gekocht van de erven Deutz van Assendelft. Hij heeft hier de gemeentesecretarie van Heemskerk ondergebracht. Wegens te eenzaam verblijf (de kastelen Marquette en Assumburg waren reeds geruime tijd niet bewoond) vraagt hij in 1875 aan de Commissaris van de Koning toestemming om voortaan in Beverwijk te mogen wonen.
Na toestemming laat hij de buitenplaats in 1876 slopen en laat een nieuw dubbel herenhuis “Beijerlust” bouwen aan de Velserweg te Beverwijk. Dit pand staat hier nog en kijkt uit op het stationsplein te Beverwijk; de naam Beijerlust prijkt nog op de voorgevel – het is nu een beschermd monument.

Op 18 april 1884 overlijdt op bijna 72-jarige leeftijd Hermanus Zaalberg in zijn woonplaats Beverwijk. Tot zijn onverwachte overlijden blijft hij burgemeester van Heemskerk; hij laat bij zijn overlijden 7 dochters na. Hier volgen nog enkele familiegegevens.

Genealogie

Hermanus Zaalberg, geboren te Leiden op 17 mei 1812, overleden te Beverwijk op 18 april 1884, zoon van Johannes Cornelis Zaalberg en Maria Brouwer. Hij trouwt te Leiden op 20 mei 1835 met Elisabeth Hendrica Kiewit, geboren te Leiden op 7 maart 1811, overleden te Beverwijk op 13 juli 1886, dochter van Johannes Hendrik Kiewit en Elsje Altenhove.

Kinderen uit hun huwelijk:

  • Elsje Zaalberg, geb. te Leiden op 11 aug. 1837, gehuwd aldaar op 18 dec. 1861 met Albertus Samuel Carpentier Alting, predikant.
  • Maria Zaalberg, geb. te Leiden op 5 juni 1840, overleden te Beverwijk op 30 dec. 1917, gehuwd te Deventer op 31 aug. 1860 met Hendrik Vervoort, koopman.
  • Hendrina Hermina Zaalberg, geb. te Leiden op 1 april 1842, ongehuwd te Beverwijk overleden op 27 nov. 1915.
  • Carolina Maria Elisabeth Zaalberg, geb. te Leiden op 2 jan. 1844, gehuwd aldaar op 26 sept. 1866 met Doctor Louis Charles Levoir, hoogleraar aan de Polytechn. School te Delft nu T.H.).
  • Hermanus Zaalberg, geb. te Leiden op 18 dec. 1845 en overleden op 1 okt. 1846.
  • Elisabeth Henrica Zaalberg, geb. te Leiden op 15 juni 1847, ongehuwd te Beverwijk overleden op 9 juli 1910.
  • Gerardina Wilhelmina Zaalberg, geb. te Leiden op 24 febr. 1849, gehuwd te Heemskerk op 20 febr. 1873 met Meindert Bokma de Boer, wijnhandelaar.
  • Susanna Jacoba Zaalberg, geb. te Leiden op 9 sept. 1854, ongehuwd te Beverwijk overleden op 31 maart 1945.

 Slotwoord

Hermanus Zaalberg heeft als burgemeester van Castricum de kortste ambtstermijn gekend. Als oorspronkelijk fabrikant en stedeling is hij voor het dorpse Castricum een buitenstaander, dat nog wordt versterkt door het feit dat hij in Heemskerk woont. Zaalberg heeft zich met veel voortvarendheid gestort op de volgens hem hier heersende wantoestanden in de gemeentelijke administratie.
Hoge eisen stelt hij aan de stipte naleving van de wetten en verordeningen. Dit brengt hem weldra in conflict met de kleine Castricumse gemeenschap, die het niet zo streng gewend is. Hoewel Zaalberg het zeer goed bedoelt, een integer mens is en zich inzet voor het welzijn van de ingezetenen leidt zijn scherpslijperij tot zoveel weerstanden, dat een onenigheid rond de afsluiting van het stationsterrein reeds voldoende is voor de gemeenteraad om zonder uitzondering hun ontslag te nemen en daarmee Zaalberg tot aftreden te dwingen. Dit een voor die tijd unieke gebeurtenis mogen we zeker ook achteraf betreuren. Hermanus Zaalberg was een krachtige persoonlijkheid die in dezelfde periode als burgemeester van Heemskerk ook in het begin veel oppositie tegen zich heeft gehad, maar door zijn grote inzet zich zeer verdienstelijk voor de gemeente heeft gemaakt en tenslotte vele vrienden kende en algemeen werd gewaardeerd.

S.P.A. Zuurbier

 Bronnen:

  • Raadsnotulen, correspondentie gemeente Castricum periode 1868-1869, aanwezig in het streekarchief te Alkmaar.
  • Doop en trouwregisters, bevolkingsregisters en burgelijke stand van Leiden, aanwezig in het gemeentearchief Leiden.
  • Archief van het Huiszittenhuis – gemeente archief Leiden.
  • Leidse wevers onder Gaslicht, Leiden, juli 1952. Boek uitgegeven in opdracht van de N.V. Koninklijke Nederlandse Fabriek van Wollen Dekens v/h J.C. Zaalberg en Zoon – door Mr. A.J. Backer.
  • Het Leidsche Initiatief tot beperking van Kinderarbeid in Fabrieken, Leidsch Jaarboekje, 1939.
  • Kinderarbeid in Nederland, 1500-1874 door J.C. Vleggert, Assen 1964.
  • Thorbecke en het Leidsche huiszittenhuis, Leidsch Jaarboekje, 1932-33.
  • Handschrift van H. van Benthem betreffende Heemskerk.
  • Gegevens van J. Schoen en G.J. van Wijk te Heemskerk.