Hageman, Arie (Jaarboek 39 2016 pg 29-31)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2:¬†Castricum in oorlogstijd¬†–¬†Dagboek kapelaans¬†– De dood van Arie Hageman –¬†Duin en Bosch, evacuatie¬†–¬†Duinkant, een verdwenen dorpje¬†– Oorlogsherinneringen Nardus Bos –¬†Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot¬†–¬†verzetsstrijders¬†–¬†Leenaers, dokter¬†–¬†tante Sientje

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gr√© – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 39, pagina 29

De dood van Arie Hageman

Precies een jaar voor de bevrijding op 5 mei 1944 werd Arie Hageman in het duingebied gedood door een kogel van een Duitse soldaat. De toedracht en de gevolgen zijn beschreven door zijn zoon Jan. Bevrijdingsdag is voor het gezin nooit een feestdag geworden. Het overlijden van vader Arie liet diepe sporen na.

Het gezin van Arie Hageman omstreeks 1943.
Het gezin van Arie Hageman omstreeks 1943; Arie en zijn echtgenote Griet
Groentjes met hun kinderen Tiny en Jan.

Mijn naam is Johannes Pancratius Hageman. Jan, geboren 11 november 1934, zoon van Adrianus Cornelis (Arie) Hageman, geboren in Bakkum op 29 mei 1905 en van Margaretha (Griet) Groentjes, geboren in Castricum op 26 februari 1908. Hun trouwdag was 12 juni 1930. Op 2 oktober 1941 werd dochter Catharina Wilhelmina (Tiny) geboren.

Mijn vader was eerst vele jaren tuinder en had een depot voor zaaizaden van de firma Zaadnoordijk, gevestigd aan de Kaasmarkt in Alkmaar. De lokale boeren en tuinders konden bij hem het benodigde zaaizaad bestellen. Hij zorgde voor distributie van het bestelde.
Kort voor de mobilisatie in oktober 1939 werd mijn vader aangenomen bij de PWN in de bosbouw en als controleur van waterputten in het duinterrein. Hij volgde in die tijd een cursus bosbouw. Ik heb nog steeds een studieboek van hem.

Op 30 januari 1943 moesten we evacueren naar Heiloo. We werden ingekwartierd bij bewoners, een oudere man en vrouw, die plaats in hun woning hadden moeten maken. Dat bleken achteraf mensen van Joodse afkomst te zijn, want op een dag kwam ik uit school en was het huis leeg op één afgesloten kamer na. Mijn ouders wilden er naar mij toe niet veel over kwijt, maar later is het mij wel duidelijk geworden. Gedeporteerd!
Mijn vader kreeg in Heiloo bericht dat hij naar Duitsland moest om daar te werken, zoals zo velen met hem. De leiding van de PWN heeft hem toen als onmisbaar verklaard en hij hoefde zich niet te melden. Mijn moeder heeft later heel vaak gezegd: ‚ÄúWas hij maar gegaan dan had hij misschien nog geleefd.‚ÄĚ Op grond van die verklaring mochten we op 19 juni 1943 weer terug naar Castricum. Niet naar Bakkum, maar naar de Geelvinckstraat 96, met als buurman dokter Van Nievelt. Het was van korte duur, want op 21 december moesten we weer evacueren, nu naar een hoekwoning in Uitgeest, Nieuwstraat 11.

Door al die evacuaties in zo’n korte tijd liep ik een achterstand met leren op en mijn ouders besloten dat ik weer naar de Augustinus jongensschool in Castricum moest. Samen met mijn vader reisde ik met de trein van 10 over 7 naar Castricum. Ik was dan keurig op tijd voor de H. Mis en kon daarna naar school. (Het misdienaarschap heb ik aan me voorbij laten gaan.) ’s Middags ging ik alleen met de trein terug naar Uitgeest. Tweemaal heb ik een beschieting van de trein meegemaakt en eenmaal een bombardement, waarbij we halverwege uit de trein moesten. Paniek natuurlijk.

Dat ging zo door tot die fatale 5 mei 1944. Mijn zusje Tiny was heel erg ziek van de mazelen en mijn vader twijfelde nog of hij wel naar zijn werk zou gaan. Maar helaas ging hij toch! ’s Morgens vroeg, samen met mijn vader, naar de trein. Afscheid als gewoonlijk. Dag pappa, dag Jan goed je best doen hè. Een kus en ik naar de kerk en hij op de fiets naar het pompstation. En daarna de bossen in. Dat was de laatste keer dat ik hem levend heb gezien.


Jaarboek 39, pagina 30

Ik bleef natuurlijk over tijdens de middagpauze. Enkele jongens die wel naar huis waren gegaan, kwamen weer terug op school en vertelden mij: ‚ÄĚJe vader is dood‚ÄĚ. Ik geloofde daar natuurlijk helemaal niets van, want ik had hem een paar uur daarvoor nog gezien. Dat moest mijn opa zijn, die nog op Bakkum aan de Heereweg woonde en als tuinder niet ge√ęvacueerd was. Want je moest oud zijn om dood te gaan.
Ik zat in de 4e klas bij meester Louwe. De lessen waren net begonnen toen de hoofdonderwijzer, meester Van Westen, samen met mijn ondergedoken neef Kees Bakker, de klas binnen kwamen en mij vroegen mee de gang op te gaan. Je bent 9,5 jaar oud, maar je begrijpt heel goed wat er verteld gaat worden. Het was dus toch waar wat ze me gezegd hadden!
Het was een moment om nooit te vergeten. Alles draaide om me heen. Neef Kees moest me vasthouden. Je kunt en je wilt het niet geloven. Je wereld stort in.
Het stuk weg van school naar de Nuhout van der Veenstraat, het huis van mijn oom Piet Bakker, waar mijn vader naar toe was gebracht, duurde een eeuwigheid. Het erge was dat oom Piet net een week daarvoor zijn vrouw (tante Anne, de zus van mijn moeder) verloren had. Voor zijn kinderen was het heel erg om nu al weer een dode in huis te hebben.
Het naar binnen gaan om daar mijn dode vader te zien liggen was verschrikkelijk. Ik weet nog dat moeder zei: ‚ÄúO, Jan wat zijn we ongelukkig. Hoe moet dat nou verder met ons.‚ÄĚ Hij lag daar alsof hij sliep, een beetje bloed was uit zijn linker oor gelopen, verder zag je niets. Ik snapte niet hoe het had kunnen gebeuren. Later is het stukje bij beetje duidelijk geworden.

Terwijl de PWN-mensen een koffiepauze hielden in hun schaftkeet rond 09.30 uur, waren een paar Duitse militairen met te veel schnaps op uit verveling gaan schijfschieten op die houten schaftkeet. Juist op het moment dat mijn vader een slok koffie uit de beker van zijn thermosfles nam met zijn hoofd achterover, vloog die noodlottige kogel door de houten wand zijn linker oor in en bleef in zijn hoofd steken. Hij was op slag dood en viel heel langzaam voorover. Verbijsterde collega’s dachten eerst nog dat hij een grap maakte, wat hij wel vaker deed. En er werd wel meer geschoten in het bos en duingebied. Maar dan op konijnen en fazanten. Ze zagen al heel snel dat het fout was. Mijn vader werd in paniek op een handkar naar het pompstation gebracht. Arie de Nijs is zo snel hij kon naar de pastorie gefietst, waarna heel snel door kapelaan Holthuizen nog de laatste sacramenten zijn toegediend. Daarna is hij met een gemeenteauto naar de pastorie gebracht. Kapelaan Van der Zalm is daarna op de fiets naar Uitgeest gereden. Hij moest dat verschrikkelijke bericht bij mijn moeder brengen. Daar ben ik niet bij geweest, maar kan me daar heel veel bij voorstellen. Ze heeft mijn zieke zusje goed ingepakt en is met lood in haar schoenen naar de pastorie gefietst. Daar wilden ze wel weten wat te doen. In overleg met mijn oom Piet is toen besloten om mijn vader in zijn huis op te baren.

Bij de PWN zat de schrik er ook goed in. Het is in de oorlogsjaren de enige keer dat de PWN ‚Äės middags al het personeel dat niet direct nodig was voor het drinkwater, als protest naar huis stuurde. Er was door het Duitse commando veiligheid gegarandeerd voor de mensen in de bossen. En nu dit! De afspraak was duidelijk: als er oefeningen waren, dan werden Bloemendaal en Fochteloo gewaarschuwd en werden er klusjes in het pompstation of op Fochteloo gedaan.
Daarbij was het natuurlijk een blamage voor het Duitse aanzien: twee dronken Duitsers die een PWN’er zinloos vermoorden. Het duurde dan ook niet lang of twee hoge Duitse officieren kwamen zich bij ons melden vergezeld door een tolk. De Ortskommandantur zat aan de Overtoom, in het huis van de dominee.
Via de tolk lieten ze mijn moeder weten dat beide schuldige militairen waren vastgezet en vroegen mijn moeder wat te doen: fusilleren of naar het Oostfront. (Ik was daarbij en er getuige van; sommige dingen vergeet je nooit.) Mijn moeder vroeg toen of ze daarmee haar man terugkreeg. Toen ze nogmaals spijt betuigden, heeft mijn moeder gezegd dat ze dat zelf maar moesten uitzoeken; ze had op dat moment zorgen genoeg.

De werkelijke reden van hun snelle bezoek was dat ze een afspraak met mijn moeder wilden maken. Of mijn moeder er akkoord mee wilde gaan dat de dood van mijn vader een ongeluk was tijdens oefeningen en dat het zo in de offici√ęle stukken zou komen. Als tegenprestatie zouden ze zorgen dat we in de kortste keren weer in Castricum konden wonen. Mijn moeder was op dat moment volkomen apathisch en heeft dat goed gevonden. Iets waarvan we later veel spijt hebben gehad. Ze hebben woord gehouden, want op 31 mei 1944 verhuisden we naar een keurig schoongemaakte en gestoffeerde woning in de Nuhout van der Veenstraat (toen nummer 46). Wie er daar voor ons heeft plaats moeten maken, heb ik nooit geweten. Wilde ik ook niet weten.
Ook hebben de Duitsers de verhuizing vanuit Uitgeest geregeld en ze hebben via de toenmalige burgemeester Masdorp ervoor gezorgd dat mijn moeder voorzien werd van inkomen. Vader was in tijdelijke dienst bij de PWN en van pensioen of iets dergelijks was geen sprake. Merkwaardigerwijs was het inkomen tijdens dat laatste oorlogsjaar hoger dan de naoorlogse uitkering van de Stichting Oorlogsslachtoffers, later sociale zaken.

Eind augustus, begin september (ik weet het niet precies meer) ontstond een nieuw probleem. Mijn moeder was nog volop in het rouwproces (hartpati√ęnt), toen geheel onverwachts zonder waarschuwing vooraf familie van ons, twee gezinnen uit Velsen-Noord, bij ons voor de deur stonden. Ze waren met spoed uit Velsen ge√ęvacueerd zonder enig adres waar ze naar toe konden. Ze wisten van ons redelijk ruime huis. Mijn moeder kon ze natuurlijk niet wegsturen.
Oom Cor (broer van mijn vader), zijn vrouw tante Nettie en hun kinderen Jan, Willie en Martien. Dan oom Hendrik (jongste broer van mijn vader) en zijn vrouw tante Corrie. Ze kwamen met een motorbakfiets vol met spullen. Toen nogmaals naar Velzen om ledikanten en matrassen op te halen. Een huis vol met ellende.
Dat ging een poosje goed, maar de ooms hadden geen inkomen, voedsel was schaars en drie kapiteins op een schip dat moest fout gaan. En dat ging het ook. Ik weet


Jaarboek 39, pagina 31

nog van de bijna slaande ruzie tussen mijn moeder en tante Corrie. Wij allemaal huilen. Dat ging zo niet langer en toen zijn oom Hendrik en tante Corrie met hun spullen en de motorbakfiets naar haar familie in Heerhugowaard gegaan. Tante Nettie geloofde het wel, zij liet het aan mijn moeder over.

Hoe het precies gegaan is weet ik niet, maar begin november 1944 kwam er een officier met tolk namens de Ortskommandant vragen of ze nog iets voor mijn moeder konden betekenen, want hij werd teruggeroepen naar Duitsland. Nou dat had mijn moeder wel. Buiten mijn man terug, wil ik naar mijn eigen huis in Bakkum. Dat is wat ik graag wil. Met die vraag zijn ze weggegaan. En o wonder het werd goed gevonden. De namen werden opgenomen, ook de namen van oom Cor en zijn gezin. Ausweisen werden verstrekt (Bakkum was ‚ÄėSperrgebiet‚Äô) en op 13 november 1944 verhuisden we terug naar ons eigen huis aan de Heereweg.

Oom Cor ging bij zijn vader, mijn opa, in de tuin werken. Hij en zijn gezin zijn tot het einde van de oorlog bij ons blijven wonen. Een paar weken na het einde van de oorlog zijn ze weer naar Velsen-Noord vertrokken.
Oom Hendrik en tante Corrie zijn na de oorlog in Bakkum komen wonen in een verbouwde schuur van mijn opa, dus ook aan de Heereweg. Huize Willie stond op de gevel.

Conclusie: opgroeien zonder man en vader (hij was nog maar 38 jaar bij zijn overlijden, mijn moeder 37 jaar en mijn zusje 2,5) is vreselijk. De wetenschap dat het moord respectievelijk dood door schuld was. Dus GEEN ongeluk tijdens oefeningen!! Dat maakt het voor ons onverteerbaar. De armoede waarin mijn moeder jarenlang moest zien rond te komen! Pas op 65-jarige leeftijd kon ze met haar AOW en los van de bevoogding van allerlei instanties wat royaler leven. Ze overleed op 16 april 1978.

En nu je dan zelf je twee kinderen hebt zien opgroeien en je drie kleinkinderen volwassen ziet worden, besef je eens te meer wat mijn vader op zo’n jonge leeftijd door twee dronken idioten is ontnomen. En dat je nooit zult weten wat met die twee kerels is gebeurd. Mogelijk zelfs niets.

Ik weet niet precies meer in welk jaar, maar ik zal 12 of 13 zijn geweest, toen we een verzorgde vakantieweek hebben gekregen van de Stichting Het Vierde Prinsenkind. Samen met nog heel veel andere kinderen van oorlogsslachtoffers, waaronder Ko Beentjes, zoon van ook een Castricums oorlogsslachtoffer, mochten we een week in de barakken van deportatie kamp Westerbork verblijven! Een paar jaar later is mijn zusje daar ook een week geweest. Toen wisten we het niet. Het is nu een herdenkingsplaats en zoeken ze stukken van barakken ter restauratie. Eind jaren 1940, begin 1950, werd daar kinderen van oorlogsslachtoffers een vakantie aangeboden. Hoe kon het bestaan?

Ik denk dat ik redelijk compleet ben met mijn verslag. Het is niet iets om vrolijk van te worden. Heel raar, maar hoe ouder je wordt, hoe meer het aan je gaat knagen. Je kunt nog steeds geen vrede hebben met de toen gedane verdraaiing van de feiten.

Jan Hageman:‚ÄĚDe 5e mei is voor ons nooit een feestdag geweest.‚ÄĚ
Jan Hageman:‚ÄĚDe 5e mei is voor ons nooit een feestdag geweest.‚ÄĚ

Ten slotte mag het duidelijk zijn dat de 5e mei voor ons nooit een feestdag is geweest of zal worden. Ik ben wel blij dat op 4 mei de oorlogsslachtoffers nog steeds herdacht worden. Ook bij de herdenkingsplaat achter in de Pancratiuskerk, waarop ook zijn naam – naar ik hoop in blijvende herinnering – geschreven staat.

Jan Hageman

Eerste Wereldoorlog (Jaarboek 37 2014 pg 39-45)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog 
Verschenen artikelen over WO2:¬†Castricum in oorlogstijd¬†–¬†Dagboek kapelaans¬†– De dood van Arie Hageman –¬†Duin en Bosch, evacuatie¬†–¬†Duinkant, een verdwenen dorpje¬†– Oorlogsherinneringen Nardus Bos –¬†Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot¬†–¬†verzetsstrijders¬†–¬†Leenaers, dokter¬†–¬†tante Sientje


Jaarboek 37, pagina 39

Castricum en de Eerste Wereldoorlog

Buiten onze landsgrenzen woedde tussen 1914 en 1918 een gruwelijke oorlog die miljoenen slachtoffers eiste. Duitsland, Oostenrijk en Turkije stonden tegenover de geallieerden Frankrijk, Groot-Brittanni√ę en Rusland. Toen de Verenigde Staten in 1917 de kant van de geallieerden kozen, raakten die aan de winnende hand.
Nederland was neutraal, maar het leger was wel gemobiliseerd om die neutraliteit te handhaven. Tienduizenden vluchtelingen stroomden ons land binnen. We kregen te maken met schaarste aan voedsel en groeiende werkloosheid door het teruglopen van de internationale handel, maar het was niets vergeleken bij de ellende op de slagvelden. Wat maakten de Castricummers en Bakkummers 100 jaar geleden mee tijdens de ‚ÄėGrote Oorlog‚Äô? Veel is er in de archieven niet van terug te vinden, maar de oorlog is toch zeker niet ongemerkt voorbij gegaan.

Castricum in 1914

De gemeente telde nog geen 3500 inwoners. De bebouwing was hoofdzakelijk te vinden langs de eeuwenoude wegen. Veeteelt en tuinbouw waren de voornaamste bronnen van bestaan met het provinciaal ziekenhuis als grootste werkgever.

Ten tijde van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, werd in Castricum na een jarenlange voorbereiding de gemeentelijke gasfabriek in bedrijf gesteld. Voor verlichting hadden de mensen nog alleen een petroleumlamp of kaarsen en om te koken werden hout, turf of steenkolen gebruikt. Er was geen waterleiding, elektriciteit, riolering of zelfs maar een vuilnisophaaldienst. Alleen de Rijksstraatweg/Dorpsstraat was bestraat en de andere wegen (waren) hooguit gedeeltelijk (bestraat).
Veel gezinnen telden zes of meer kinderen. Er waren twee openbare lagere scholen, een aan de Schoolstraat en een aan de Van Oldenbarneveldweg. Het bijzonder onderwijs zou pas zes jaar later zijn intrede doen. Dat was het dorp in 1914.

Jan Zonneveld links vooraan met zijn kameraden.
Jan Zonneveld links vooraan met zijn kameraden. Jan (1895-1976) was gehuwd met Cornelia Louter en een zoon van Aldert Zonneveld en Geertje Tromp.

Mobilisatie

Iedereen tot 40 jaar die in militaire dienst was geweest, werd op 31 juli 1914 onder de wapenen geroepen. Om 15.00 uur werden de mobilisatie oproepen op de gemeentehuizen aangeplakt en onder het luiden van de kerkklokken onder de aandacht van de bevolking gebracht. Zo’n 180.000 mannen spoedden zich de volgende dag naar hun mobilisatie bestemming. De treinen waren tjokvol met militairen. Op de stations heerste grote drukte. Van een dienstregeling was geen sprake meer. Overal was de spanning voelbaar. Iedereen leefde in grote onzekerheid, want het was toch nog lang niet zeker dat Nederland buiten de oorlog zou blijven. In de militieregisters komen we honderden namen tegen van


Jaarboek 37, pagina 40

dienstplichtige Castricummers. Niet iedereen heeft ook dienst gedaan, maar de familie Zonneveld is met liefst 70 man vertegenwoordigd, Brakenhoff en Kuijs ieder met 45, Lute 34, Stuifbergen 32 en Res 24. Dat deze families hun aandeel in ruime mate hebben geleverd, is wel duidelijk.

Van het personeel van het provinciaal ziekenhuis werden 28 mannen opgeroepen. Het vertrek van de verplegers maakte de ontruiming van twee afdelingen noodzakelijk. Eén van de ontruimde afdelingen werd op verzoek van het Rode Kruis ingericht voor het zo nodig opnemen van 50 zieken of gewonden. Ook de tweede afdeling zou snel als hospitaal kunnen worden ingericht.

Henk Twisk (1897-1979) woonde op de boerderij Johanna‚Äôs Hof in 1914. Hij vertelde: ‚ÄúDe eerste kampeerders kwamen in 1913 en 1914. Ze waren rond de 20 jaar oud en dus waren er veel dienstplichtigen bij. Al die lui moesten vertrekken. Op 1 augustus 1914 was het terrein leeg en werd het gesloten.‚ÄĚ

Albert Rommel (rechts) bereikte de rang van kapitein-luitenant ter zee.
Albert Rommel (rechts) bereikte de rang van kapitein-luitenant ter zee.

Op 4 augustus kon de mobilisatie als voltooid beschouwd worden. Samen met de militairen die al in actieve dienst waren, was het leger op een sterkte van 200.000 man gekomen. Op strategisch belangrijke punten als havens, sluizen, bruggen, langs de grens en de kust werden de militairen geposteerd. Plaatsgenoot kapitein Rommel moest zijn opleiding tot 1e stuurman afbreken en werd ingelijfd bij de militaire Kustwacht in Vlissingen. Later werd hij havencommandant op West-Terschelling, commandant van een fregat en tenslotte havencommandant in Willemstad. Hij eindigde zijn loopbaan als reserve-officier in de rang van kaptein-luitenant ter zee.

Gerrit Veldt, geboren in 1883 op de boerderij ‚ÄėDe Plaats‚Äô in Noordend, was er trots op dat hij het als jongen van het platteland met alleen lagere school tot sergeant had gebracht.
Gerrit Veldt, geboren in 1883 op de boerderij ‚ÄėDe Plaats‚Äô in Noordend, was er trots op dat hij het als jongen van het platteland met alleen lagere school tot sergeant had gebracht.

Gerrit Veldt (1883-1955), geboren op de boerderij ‚ÄėDe Plaats‚Äô op het Noordend, was ook een van de gemobiliseerden. Na het overlijden van zijn vader op 25 december 1914 moest hij gedurende zijn diensttijd de boerderij verhuren. Hij stuurde ansichtkaarten eerst aan zijn ouders


Jaarboek 37, pagina 41

en later aan zijn meisje, dat hij op de Bakkummer kermis in oktober 1916 had ontmoet. Uit de bewaard gebleven kaarten blijkt waar hij zoal gelegerd was: Chass√©kazerne in Breda, Budel, Soerendonk en Eindhoven. Hij bracht het als jongen van het platteland met alleen lagere school tot sergeant. Jan Veldt, schrijft in zijn boek ‚ÄėKroniek van Veldt verhalen‚Äô:
‚ÄúHoe trots hij daarop is, zien we op sommige kaarten. Over zijn diensttijd praat hij graag en enthousiast, over de veldoefeningen waarin zijn praktisch inzicht blijkt, over de spanning die hij ondergaat bij grenscontroles van binnenstromende vluchtelingen uit Belgi√ę en deserteurs, zo uit de loopgraven gevlucht, met de munitie nog in hun zak en over de collegialiteit die hij ervaart.‚ÄĚ

Klaas Veldt, broer van Gerrit, werd in mei 1905 opgeroepen voor de militaire dienst en ingedeeld bij het Regiment Vesting Artillerie. In 1913 wordt hij overgeschreven naar de Landweer en vervolgens was hij gemobiliseerd tot 31 december 1918.
Klaas Veldt, broer van Gerrit, werd in mei 1905 opgeroepen voor de militaire dienst en ingedeeld bij het Regiment Vesting Artillerie. In 1913 wordt hij overgeschreven naar de Landweer en vervolgens was hij gemobiliseerd tot 31 december 1918.

Ook Klaas (1885-1970), een jongere broer van Gerrit, is gemobiliseerd en ingedeeld bij het Regiment Vesting Artillerie. Hij wordt gestationeerd in Amsterdam, maar toen zijn commandant hoorde dat hij een vrouw en kind heeft, wordt hij overgeplaatst naar het fort aan Den Ham bij Uitgeest. Hij kan nu lopend naar huis, waar zijn vrouw Trijntje met zoon Jaap op de arm hem in de verte al ziet aankomen.

Engel Twisk (1925), zoon van smid Floris Twisk (1893- 1974), herinnerde zich dat zijn vader eerst te werk werd gesteld in Bergen waar hij Duitse ge√Įnterneerden moest bewaken. Die waren vanuit Belgi√ę naar Nederland gevlucht. Omdat Nederland neutraal was, moesten soldaten van beide strijdende partijen (Belgi√ę en Duitsland) gevangen genomen worden. Maar het had niet veel van een gevangenis. De mannen prijsden zich gelukkig dat ze in Bergen zaten en niet in de loopgraven. Na korte tijd werd vader Floris overgeplaatst naar de Kustwacht in Den Helder. Hij verveelde zich net als veel andere collega‚Äôs en was blij dat hij daar de kanonnen mocht onderhouden. In de weekenden kon hij vaak naar huis en reisde dan samen met zijn buurjongen Wub van Weenen, die bekend werd als samensteller van vele revues die in het dorp werden opgevoerd en 49 jaar Sinterklaas vertegenwoordigde.

Meer dan vier jaar zouden de dienstplichtigen onder de wapenen blijven. Nadat de spanning van de eerste weken was verdwenen, werd de militaire taak voor velen een behoorlijke last. Ook voor de familieleden was het moeilijk. Vaak moesten zij de kostwinner van het gezin missen. Zij werden daarvoor schadeloos gesteld met een vergoeding van 0,90 tot 1,50 gulden bij drie kinderen of meer wat het gemis aan inkomsten in vele gezinnen niet compenseerde. Het regende verzoeken om aanvullende vergoedingen.

De IJmuider stoomtrawler Texel die in 1915 met tien opvarenden, waaronder matroos Arie Zwart uit Castricum, is vergaan.
De IJmuider stoomtrawler Texel die in 1915 met tien opvarenden, waaronder matroos Arie Zwart uit Castricum, is vergaan.

Op zee kwamen velen om. In de Alkmaarsche Courant verscheen in 1915 het bericht dat de lijken van de Engelse opvarenden, van de in de grond geboorde oorlogsschepen, in gemeenschappelijke graven in de zeeduinen ter aarde werden besteld. Voor het kustvak tussen Egmond en IJmuiden zou dat in Castricum plaatsvinden. De IJmuider stoomtrawler ‚ÄėTexel‚Äô kwam in 1915 niet terug van een reis. Een van de tien opvarenden was matroos Arie Zwart uit Castricum. In 1917 verging de stoomtrawler ‚ÄėBertha Elisabeth‚Äô. Schipper Dirk Groen en zijn broer Thijs en scheepskok Anton de Graaf, 43 jaar, van de Kramersweg, behoorden tot de elf slachtoffers.
Er waren verder nog twee voormalige inwoners die het leven hebben gelaten.

Anthoon Stuifbergen die in 1917 sneuvelde in dienst van het
Australische leger.
Anthoon Stuifbergen die in 1917 sneuvelde in dienst van het
Australische leger. Foto: Ton Stuifbergen – Noordwijk.

Anthoon Stuifbergen geboren op 16 april 1881, zoon van schoenmaker Piet Stuifbergen uit de Kerkbuurt, had in 1911 het geluk gezocht in Australi√ę en was er een plantage voor suikerriet begonnen. Hij werd in september 1915 ingelijfd en in januari 1916 met zijn eenheid op een troepentransportschip via het Suezkanaal naar Europa vervoerd. In januari 1917 sneuvelde hij in Frankrijk bij het dorpje Corbie in de buurt van de Somme. Zijn graf is te vinden op het Australisch oorlogskerkhof bij Mericourt-L‚ÄôAbbe.

De grafsteen van Anthoon Stuifbergen op het Australische oorlogskerkhof bij Mericourt-L’Abbe. Foto: Ton Stuifbergen - Noordwijk.
De grafsteen van Anthoon Stuifbergen op het Australische oorlogskerkhof bij Mericourt-L’Abbe. Foto: Ton Stuifbergen РNoordwijk.

Cornelis Kuijs, geboren in Bakkum op 1 november 1889,


Jaarboek 37, pagina 42

Voor Cornelis Kuijs is er een gedenksteen op de Amerikaanse begraafplaats van Meuse-Argonne. Zijn stoffelijke resten zijn niet teruggevonden.
Voor Cornelis Kuijs is er een gedenksteen op de Amerikaanse begraafplaats van Meuse-Argonne. Zijn stoffelijke resten zijn niet teruggevonden.

vertrok in 1912 naar Iowa in Amerika om daar te werken als landbouwersknecht. Ook hij moest in militaire dienst. Enkele dagen voor de offici√ęle wapenstilstand, op 24 oktober 1918, is hij bij Verdun om het leven gekomen. Voor hem is er een ereteken op de Amerikaanse begraafplaats van Meuse-Argonne in Romagne.

Voor Cornelis Kuijs is er een gedenksteen op de Amerikaanse begraafplaats van Meuse-Argonne. Zijn stoffelijke resten zijn niet teruggevonden.
Voor Cornelis Kuijs is er een gedenksteen op de Amerikaanse begraafplaats van Meuse-Argonne. Zijn stoffelijke resten zijn niet teruggevonden.

Diep onder de indruk van de gebeurtenissen besloot de gemeenteraad in 1914 om de kermissen in Castricum en Bakkum af te gelasten. In juli 1915 hield raadslid Gerrit Louter (opnieuw) een pleidooi om de kermissen niet door te laten gaan vanwege de verschrikkingen van de oorlog. Het nog eens overslaan van de kermissen leek de gemeenteraad toen niet zo’n goed idee. Iedereen keek er zo enorm naar uit! In de daarop volgende jaren werden toch weer geen echte kermissen georganiseerd. De stemming was er niet naar.

Op demobilisatiedagen, als militairen met klein of groot verlof gingen, was er wel vaak sprake van uitbundige vreugde. De afdeling Castricum van de Nederlandse Vereniging tot afschaffing van alcoholhoudende dranken verzocht de gemeenteraad om op demobilisatiedagen alle cafés te sluiten. De gemeenteraad stelde in oktober 1916, ter voorkoming van drankmisbruik, inderdaad zo’n verordening vast.

Distributie

In het begin van de oorlog werd er flink gehamsterd. Minister Treub zorgde in augustus 1914 voor een wet tegen de prijsopdrijving van levensmiddelen en brandstoffen en stelde maximumprijzen in. Alle groenten en fruit mochten ook alleen via de veiling worden verkocht. Veilingen waren eerst gewoon in de openlucht op de zogenaamde Veelading bij de spoorwegovergang naar de Kramersweg. Pas in 1917 kocht de Tuinbouwvereniging het gebouwtje naast café Van Benthem dat nu een Italiaans restaurant (La Trattoria) is.

Het ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel bood aan om levensmiddelen beschikbaar te stellen voor on- en minvermogenden voor prijzen die in augustus 1914 als normale prijzen golden. De gemeenteraad achtte de regeling moeilijk uitvoerbaar en in ieder geval voorlopig niet nodig, omdat er in een agrarische gemeente als Castricum nog wel voldoende levensmiddelen voorradig waren. Een grote groep inwoners drong er in februari 1916 bij de gemeente op aan om wel gebruik te maken van de mogelijkheden om bruine bonen, groene erwten, grauwe erwten en kapucijners te distribueren. Dit naar aanleiding van de steeds maar stijgende prijzen in de winkels. Of de gemeente hierop is ingegaan is niet duidelijk, maar een paar maanden later kwam het gemeentebestuur de inwoners tegemoet door de bestelling van een grote hoeveelheid Zuiderzee haring en bokking. De vis werd tegen kostprijs plus bezorgkosten onder de inwoners verdeeld.


Jaarboek 37, pagina 43

De Distributiewet werd in 1916 aangenomen en aansluitend werden ook in Castricum verdere distributie- en rantsoenering maatregelen getroffen. De gemeenteraad richtte een distributiedienst op die het ‚ÄėLevensmiddelenbedrijf‚Äô werd genoemd. Ondanks alle overheidsmaatregelen ging het met de voedsel- en brandstofvoorziening steeds slechter. De aanvoer van met name aardappelen stagneerde.

De prijzen van het belangrijkste voedsel, aardappelen, waren voor sommigen niet meer op te brengen. Begin juli 1917 was sprake van een regelrechte oproer in de hoofdstad (Amsterdam), die de ‚Äėaardappeloproer‚Äô werd genoemd.
De winter van 1917-1918 was tot overmaat van ramp bijzonder streng. In verband met de schaarste aan brandstoffen besloot de gemeenteraad de schoolkinderen geen vrijaf te geven op woensdagmiddag en in plaats daarvan op zaterdagochtend de scholen te sluiten. Gas werd in 1918 nog maar enkele uren per dag, gedurende de etenstijden, geleverd.

In het hele land protesteerden steeds meer mensen tegen het distributiebeleid. Bij de al bestaande problemen kwam voor de mensen ook nog het gebrek aan vlees. De overheid ging omstreeks Pasen 1918 over tot het in beslag nemen van vee dat op de markten en bij slachthuizen werd aangeboden. Vlees werd gerantsoeneerd en de regering stelde twee vleesloze dagen per week in. Het vleesrantsoen werd alleen in de vorm van eenheidsworst, een mengsel van 10% varkensvlees en 90% rundvlees, verstrekt. Door de samenstelling leverde 85 kg (rund)vlees 100 kg worst op. Grote Jan Brakenhoff, die zijn boerderij aan het Slingerpad had in de buurt Duinkant, slachtte af en toe een schaap en verschafte de Castricummers tegen een redelijke prijs toch nog een stukje echt vlees, al was dat niet helemaal volgens de regels. Zo zullen er vast wel meer adresjes geweest zijn. Om de voedselvoorziening te verbeteren riep de regering op om grasland te scheuren tot akkers. De overheid besloot de graanoogst van 1917 op te kopen. Het leger werd ingeschakeld om achtergehouden oogsten op te sporen. Schapenhouders kregen de verplichting om wol aan het rijk te verkopen met name voor legerkleding. In Castricum werd bij 11 schapenhouders zo’n 300 kg wol ingezameld. De nood was hoog en de winkels verkochten steeds meer surrogaatproducten zoals cichorei (red: koffie surrogaat van een inheemse plant) in plaats van koffie en kunstsigaren gemaakt van kersenblad of aardappelloof.

Petroleum voor de olielampen was ontzettend duur. De gemeenteraad stelde kaarsen beschikbaar voor mensen die geen gas en licht hadden. Die werden in ambtelijke stukken ‚Äėlichtloze‚Äô gezinnen genoemd. In 1918 waren er in de gemeente nog 116 niet op het gasnet aangesloten woningen.

Bekendmaking van de uitreiking van de broodkaarten.
Bekendmaking van de uitreiking van de broodkaarten.

De gemeente plaatste aan de Schoolstraat een houten gebouwtje voor het Levensmiddelenbedrijf, omdat er onvoldoende ruimte was in het raadhuis. Twee ambtenaren regelden de geldelijke toeslagen en de verdeling van schaarse goederen. Veldwachter Bleijendaal werd belast met de controle van de regelingen. Het Levensmiddelenbedrijf begrootte in 1919 de uitgaven op 10.000 gulden. Blijkens een rapportage van de directeur ontvingen gezinnen vier keer per negen dagen bonnen, waarmee brood gekocht kon worden. Het door de bakkers ingeleverde aantal bonnen werd nauwgezet bijgehouden. De verdeling van meel onder de bakkers vond plaats naar evenredigheid van de omzet. Ook rijst, suiker, koffie, thee en boter gingen op de bon. Voor zieken, zwakken en kinderen beneden 6 jaar bestond de mogelijkheid melk te kopen tegen een verlaagde prijs.

De kostbare broodbonnen.
De kostbare broodbonnen.

Een straatlied uit de oorlog gaf op ironische wijze een indruk van de problemen waar de bevolking mee kampte.

Alles op de bon:
Een bon voor thee, een bon voor koffie,

Een bon voor karnemelkse pap.

Een bon voor vet, een bon voor grutten,
Een bonnetje bij elke hap,
Een bon ook voor een lief klein kindje,

Wat de ooievaar ons biedt,
Maar als je hem geen bon kunt geven,
Krijg je het kindje lekker niet.

Een bon voor zeep, een bon voor uien,
Aardappelen en verse vis,
Steenkolen en bruine bonen,

Voorzover … voorradig is.
Spoedig krijg je ook nog bonnen
Voor cigaretten en voor bier.
En je moet een bon meebrengen

Bij de meisjes van plezier.

Tot grote opluchting van iedereen kwam er in november 1918 een einde aan de verschrikkelijke oorlog. De schaarste aan bepaalde producten, zoals leer en steenkool, was nog niet voorbij; voor deze goederen bleef de distributie gehandhaafd. Pas in 1921 zou de rantsoenering van kolen worden opgeheven.


Jaarboek 37, pagina 44

In de laatste jaren van de oorlog had de ellende in Nederland verder toegeslagen: bedrijven gingen dicht en duizenden kwamen op straat te staan. Castricum stelde een ‚ÄėWerklozencommissie‚Äô in. In 1919 ontvingen 26 mannen een uitkering, waarvan de helft door het rijk werd betaald. De oorlogsmoeheid, de schaarste en de rantsoenering drukten de stemming en verhoogden de onvrede. De Spaanse griep maakte duizenden slachtoffers. Het sterftecijfer in Castricum (54) zonder Duin en Bosch was ongeveer 20 hoger dan in de jaren voor en na de griepgolf. Ook in het ziekenhuis zelf waren er veel slachtoffers. In 1919 werden 78 mensen op de begraafplaats van de inrichting begraven.

Een nieuwe tijd

De heersende Spaanse griep was voor de regering een reden temeer om na de wapenstilstand van 11 november 1918 zo snel mogelijk te demobiliseren. De Duitse keizer Wilhelm trad af en vestigde zich in Doorn. Het eiland Wieringen werd het verbanningsoord voor zijn zoon, kroonprins Wilhelm. De geallieerden legden Duitsland zware vredesvoorwaarden op. De verontwaardiging in Duitsland was enorm en de kiem voor de Tweede Wereldoorlog was alweer gelegd.

De gemeenteraadsverkiezingen van 1919 werden de eerste met algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen. Castricum met voor het overgrote deel een rooms-katholieke bevolking stemde massaal op de R.-K. Staatspartij die vijf zetels haalde. Een zetel was er voor de combinatie CHU+ARP en eveneens een voor de SDAP.
Al eerder ging burgemeester Mooij na 30 dienstjaren met pensioen. Hij heeft in de laatste jaren van zijn loopbaan niet gemakkelijk gehad, al kreeg zijn gemeente niet te maken met grote aantallen vluchtelingen en met interneringskampen. Op 1 augustus 1918 trad de jonge en ambitieuze burgemeester Lommen aan. De gemeente bouwde een ambtswoning voor hem aan de Stationsweg. Het is de eerste woning die op het elektriciteitsnet werd aangesloten. In zijn periode veranderde er veel in het dorp. De woningbouw kwam op gang, er werden scholen gebouwd, nieuwe wegen aangelegd, waterleiding verving de welputten, de VVV Castricum Vooruit werd opgericht en het inwoneraantal steeg. Er ontstonden nieuwe kansen voor het dorp.

Niek Kaan

Opvang van kinderen na de Eerste Wereldoorlog

Er heerste nog jaren na de oorlog hongersnood in Oostenrijk en Hongarije. Vanaf 1919 werden duizenden kinderen naar Nederland gehaald om aan te sterken. Het plaatselijk r.-k. huisvestingscomit√© onder voorzitterschap van mevrouw Lommen – Maury zette zich daarvoor in. Weense kinderen, ‚ÄėWienerferienkinder‚Äô werden ze genoemd, vonden hier een goed onthaal. Vanaf 1920 verschenen er regelmatig berichtjes in het Weekblad voor Castricum over groepen die aankwamen of vertrokken. In 1920 waren er volgens pastorale notities tachtig kinderen uit Wenen gearriveerd. Er was een collecte gehouden om het reisgeld bij elkaar te krijgen. Op woensdagmiddag werden in het Duits aparte godsdienstlessen gegeven aan deze kinderen.

Edmund Travnicek (1914-2000).
Edmund Travnicek (1914-2000).

Onder hen ook Edmund Travnicek (1914- 2000) en zijn halfbroer Leopold Leitner (1911- 1962) Ze zijn nooit meer terug gegaan naar Oostenrijk en groot gebracht bij hun pleegouders. Hun ouders waren te arm om voor hen te zorgen. Travnicek en Leitner werden bekende namen in het dorp. Als dank aan de Castricumse gemeenschap voor de geboden hulp ontvingen burgemeester Lommen en zijn vrouw beiden een onderscheiding van het Oostenrijkse Rode Kruis.

Leopold Leitner (1911-1962).
Leopold Leitner (1911-1962).

Jaarboek 37, pagina 45

In 1924 en 1925 werden honderd Hongaarse kinderen opgenomen. Een van de kinderen was zo verzwakt dat het kort na aankomst overleed. Het kindje werd opgebaard in het Zusterhuis en onder grote belangstelling op het kerkhof achter de r.-k. kerk begraven. Ook deze kinderen behoefden de godsdienstlessen niet te ontberen. Tweemaal in de week werden de lessen in het Hongaars gegeven.

Edmund en Leo (op de voorste rij met strikken) kwamen in 1920 op de Augustinusschool.
Edmund en Leo (op de voorste rij met strikken) kwamen in 1920 op de Augustinusschool.

Bronnen:

  • De grote oorlog, kroniek 1914-1918, Martin Ros, Perry Pierik, Hans Andriessen;
  • Kroniek van Veldt Verhalen, Jan Veldt, Limmen, september 2013;
  • Buiten Schot, Paul Moeyes, Utrecht, maart 2014;
  • Archief Werkgroep Oud-Castricum;
  • Overzicht van de familie Kuijs, A. van Egmond – van Rookhuizen;
  • Overzicht van de familie Stuifbergen, 9 Jaarboek Oud-Castricum, 1986;
  • ‚ÄėOp zee gebleven‚Äô uitgave Egmond Reeks;
  • ‚ÄėPastorale notities‚Äô uit archief R.-K. Kerk van pastoorVoets, 1971;
  • Regionaal Archief Alkmaar, archief gemeente Castricum.

Met dank aan: Hans Andriessen, Frits Scheffer, Freda Schilp – Metselaar, Ton Stuifbergen, Peter Travnicek, Engel Twisk, Jan Veldt en Patrick Wulp.

Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot (Jaarboek 30 2007 pg 29-30)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2:¬†Castricum in oorlogstijd¬†–¬†Dagboek kapelaans¬†– De dood van Arie Hageman –¬†Duin en Bosch, evacuatie¬†–¬†Duinkant, een verdwenen dorpje¬†– Oorlogsherinneringen Nardus Bos –¬†Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot¬†–¬†verzetsstrijders¬†–¬†Leenaers, dokter¬†–¬†tante Sientje

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem РJacobs-Wentink, Gré РKieft, Pieter РKortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 30, pagina 29

Het oorlogsverhaal van koerierster Tiny van Vlaanderen – Boot

Er werden in de oorlog nogal wat mannen verliefd op Tiny. Daardoor kreeg ze veel voor elkaar tot groot voordeel van de verzetsbeweging.
Er werden in de oorlog nogal wat mannen verliefd op Tiny. Daardoor kreeg ze veel voor elkaar tot groot voordeel van de verzetsbeweging.

Evertina Hendrika Boot (roepnaam Tiny) werd geboren op 5 februari 1925 in Castricum. Haar ouders waren Iman Boot en Alberdina Gebke Urban, die beiden als verpleegkundige werkzaam waren op Duin en Bosch. Tiny begon op 18-jarige leeftijd te werken op het gemeentehuis van Castricum. Tijdens de oorlog was zij zeer actief in het verzetswerk en kende geen angst. Tiny vertelt haar spannende belevenissen uit die tijd in onderstaand verhaal. Zij schreef dit in Zuid-Afrika, waar zij alweer 59 jaar woont met haar echtgenoot Rinus van Vlaanderen.

“Ik begon te werken voor de gemeente Castricum in 1943 als hulp voor Piet van der Goes. Dit was maar tijdelijk bedoeld, maar er kwam steeds meer werk voor me te doen als typiste voor verschillende ambtenaren.
Zo werkte ik onder andere voor gemeentesecretaris Van Lunen. In 1944 ging ik over naar de distributiedienst, die door de staat was ingesteld om in crisistijd de verdeling van levensbehoeften te regelen. Daarnaast bleef ik echter ook werk doen voor de gemeente als dat nodig was. Ik werkte meestal voor Henk Nielen en Piet Gomes op de distributiedienst. We waren toen gehuisvest aan de overkant van het gemeentehuis. Het pand brandde in 1944 af om het verdwijnen van bonnen te camoufleren. Ik vermoedde dat er iets van dien aard zou gebeuren, want Piet van der Goes kwam mij, wetende dat ik alleen zou zijn, tussen de middag opzoeken en verkende het hele gebouw. Piet was mijn verzetshoofd, die ik veel geholpen heb. Ik stelde hem nooit vragen, maar hij liet mij na de brand weten dat hij daarvoor mede verantwoordelijk was. De administratie van de distributiedienst werd toen ondergebracht in het gemeentehuis en zodoende deelde ik mijn lessenaar met Piet Gomes. Deze hielp veel in de kluis om de distributiebonnen in en uit te boeken en te controleren aan de loketten.
Ik was een grote flirtster en zodoende werden er nogal wat mannen op me verliefd. Tot groot voordeel van de verzetsbeweging kon ik van alles en nog wat doen. Zo wond ik de NSB-ers en als het te pas kwam ook de Duitsers om mijn vinger.

Beeld van de Dorpsstraat in oorlogstijd (1942). Achrer het publiek rondom de ijscoman is het distributiekantoor zichtbaar.
Beeld van de Dorpsstraat in oorlogstijd (1942). Achrer het publiek rondom de ijscoman is het distributiekantoor zichtbaar.

Collega’s bij de gemeente waren onder anderen Jan Krom (ook een verzetswerker in Uitgeest), Admiraal, Tervoort en Koelman. Andere namen zijn me ontschoten.
Distributiecollega’s waren directeur Nielen, Verhoeven, Van Aalst, Iepenga, Ewald, Kemmink, Denneman, De Smalen, De Vries, De Boer en twee NSB-ers, waarvan ik de namen vergeten ben.
Piet Gomes, Verhoeven en Iepenga zorgden voor de bonkaarten voor de onderduikers. Toen we naar de Zaan ge√ęvacueerd werden, nam ik deze kaarten vaak mee in de trein en bezorgde ze dan bij Verhoeven thuis. Hij zat zelf in de trein, maar het was te gevaarlijk voor een man om ze bij zich te hebben. In geval de Duitsers de trein kwamen doorzoeken, was het makkelijker voor een jong meisje om er doorheen te komen. Gelukkig is er nooit iets gebeurd.
Omdat het kantoor van Piet Gomes naast de kamer van burgemeester Masdorp was, wisten we meestal wanneer deze buiten de deur was. Dan kon ik gauw een stempel met zijn handtekening of een belangrijk document wegnemen en weer terugplaatsen. De burgemeester, die NSB-er was en in mijn ogen een oude vent, werd ook verliefd op me. Ik moest hem niet, maar kon hem niet afpoeieren, omdat ik regelmatig in zijn kamer moest zijn om het nodige te stelen.
Zoals gewoonlijk vroeg ik nooit waarom iets nodig was, hoe minder te weten hoe beter. Dat gold ook voor mijn koerierswerk. Ik wist niet wat de inhoud van enveloppen of pakjes was. Het gebruikelijke herkenningsteken was altijd de klop van Beethovens 5e symfonie.
Krosschell was een heel belangrijk persoon in de verzetsbeweging, maar ik weet niet of hij het hoofd was. Hij was altijd hulpvaardig en een goed mens. Ik kende hem alleen door de bulletins van radio Oranje, die ik bij hem thuis uittikte en op stencil afdraaide. (red: Een stencil is een sjabloon gemaakt van een materiaal dat inkt doorlaat en waarmee afdrukken kunnen worden gemaakt.) Dan vouwde ik de stencils op, stopte ze onder mijn jas en bracht ze rond naar de verschillende adressen. Ik was nooit bang, want iedereen dacht dat ik maar de gek speelde.


Jaarboek 30, pagina 30

Met Piet van der Goes, die een heel voorname rol in de verzetsbeweging speelde, had ik het meeste contact. Wij waren heel goede vrienden. Gedurende zijn onderduiktijd zagen we elkaar niet zoveel, ofschoon ik wist waar hij zat; dat was in een huis aan het eind van de Geelvinckstraat.
Piet liet me een fiets gebruiken van de burgemeestersvrouw, die nooit haar fiets hoefde in te leveren. Hij nam me ook mee achter op de motorfiets naar de bunkers in de duinen om de Engelse troepen te ontmoeten, die zich daar hadden gevestigd.

Ik kwam ook in contact met vele marechaussees, want die moesten ons bewaken bij het vervoer van bonkaarten naar Limmen of Uitgeest. Het vervoer vond plaats in een auto van Dijkhuizen, die een apparaat bevatte dat met hout werd gestookt om kracht te maken voor de motor. Dit ging met horten en stoten en soms begon het apparaat te koken, waardoor de chauffeur met al zijn kracht aan het stuur moest hangen. Dikwijls vlogen we de kant in en zaten we in spanning. Soms was burgemeester Masdorp er ook bij, want die was eveneens burgemeester van Uitgeest.
In het begin van mijn verzetswerk wist mijn familie (moeder en twee broers) daar niets van, totdat ik door Piet van der Goes gewaarschuwd werd voor een razzia. Ik moest alles verbranden wat er in huis was aan blaadjes enz. Toen moest ik wel met het geheim voor de dag komen en ik zal maar niet de boze woorden herhalen, die ik toen te horen kreeg. Niemand sliep die nacht, want er was een razzia bij de buurman die opgepikt werd. We woonden toen in Koog aan de Zaan.

In het verzetsleger kende ik verscheidene namen, maar ik weet er nu nog maar een paar. Namen als Niek Bakker, Tiemstra en Koelewijn heb ik onthouden. Ik had foto’s van het verzetsleger, maar heb die helaas al jaren geleden weggedaan, denkende dat die tijd voorbij is en niemand daarin meer is ge√Įnteresseerd, vooral niet in Zuid-Afrika. De mannen droegen blauwe overalls en hadden geweren over de schouder. De foto’s waren gemaakt door fotograaf De Smalen.
De gaarkeuken was tegenover het station naast de bakkerij op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat. De kok was Jacobs, die in dezelfde straat woonde. Het voedsel was gewoonlijk kool, biet en raap.
Lekker was het niet, maar het was eten, ook al vonden we er soms spinnen of andere insecten in.

Direct na de bevrijding haalden de mannen van het verzetsleger de NSB-ers met hun vrouwen en grote kinderen uit hun huizen en zij werden op Duin en Bosch in een paviljoen achter tralies opgesloten. Daar gingen Van der Goes en ik dan naar toe om ze te registreren. Ik denk wel dat ik een grote grijns op m’n gezicht had. Er waren ook meiden bij die altijd lagen te vrijen met de Duitsers. Ze waren doodsbenauwd dat hun hoofden kaalgeschoren zouden worden, wat veel gebeurde in die tijd.

De medewerkers van de distributiedienst in 1946 in de tuin achter hel kantoor. V.l.n.r.: slaand: Mar Quatfass, Tiny Gorter; Riek de Groot en Mien Schermer; zittend: Kemming, Janny Roemer; De Nooy, Trees de Nooy, Hein Zonjee, Tiny Boot en Van Zweden.
De medewerkers van de distributiedienst in 1946 in de tuin achter hel kantoor. V.l.n.r.: slaand: Mar Quatfass, Tiny Gorter; Riek de Groot en Mien Schermer; zittend: Kemming, Janny Roemer; De Nooy, Trees de Nooy, Hein Zonjee, Tiny Boot en Van Zweden.

Ik wil ook nog een gebeurtenis vertellen, die niets te maken heeft met het verzet.
Het was zaterdag en een prachtige zomerdag. Alle distributiecollega’s gingen per trein naar huis, want we waren ge√ęvacueerd. We waren allemaal vrolijk gestemd en zaten bij elkaar in de eerste wagon te lachen en te praten. Opeens doken er twee Engelse vliegtuigen uit de lucht en begonnen de trein te beschieten. De bestuurder wist de trein te stoppen net voordat hij stierf. Het zusje van collega De Vries, dat tegenover mij zat, viel dood neer. Collega Ewald kreeg een kogel in zijn been en overleed hieraan een paar maanden later. Ik had alleen maar scherven in mijn billen, die er wel uitgehaald moesten worden door een dokter. Het was een afschuwelijke gewaarwording, temeer omdat het Engelse vliegtuigen waren. Er werd toen wel op ze gevloekt, want ze zagen duidelijk dat het een passagierstrein was, vooral toen we er verwilderd uitsprongen. Desondanks bleven ze schieten.

De grootste herinnering aan die periode is tot slot de dag na de 5e mei, toen het Castricumse verzetslegertje marcheerde voor het gemeentehuis en ik naast de gauw gekozen ‘burgemeester’ Nielen (het hoofd van de distributiedienst) stond. Dat was voor mij een hele eer, ofschoon het eigenlijk niets betekende. Ik zag mij namelijk nooit als heldin en deed alleen maar wat nodig was. Er zijn veel grotere daden verricht, ik was maar een kleine schakel.”

Tiny van Vlaanderen – Boot

Toepoel, Hoberg en van Ginhoven (Jaarboek 28 2005 pg 60-70)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2:¬†Castricum in oorlogstijd¬†–¬†Dagboek kapelaans¬†– De dood van Arie Hageman –¬†Duin en Bosch, evacuatie¬†–¬†Duinkant, een verdwenen dorpje¬†– Oorlogsherinneringen Nardus Bos –¬†Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot¬†–¬†verzetsstrijders¬†–¬†Leenaers, dokter¬†–¬†tante Sientje

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem РJacobs-Wentink, Gré РKieft, Pieter РKortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 28, pagina 60

Wie waren … Leo Toepoel, Jan Hoberg en Huibert van Ginhoven

Drie Castricummers, die ieder op hun eigen wijze deelnamen aan het verzet in de Tweede Wereldoorlog, hebben de bevrijding niet mogen beleven. Leo Toepoel, Jan Hoberg en Huibert van Ginhoven waren respectievelijk 23, 18 en 45 jaar toen vuurpelotons op verschillende plaatsen in het land een einde maakten aan hun leven. Jan Hoberg werd opgepakt wegens een overval op het stadhuis van Alkmaar en Leo Toepoel toen hij wilde overlopen naar het bevrijde zuiden. Huibert van Ginhoven werd gearresteerd wegens spionage en als organisator van pogingen tot Engelandvaart. Ze kregen alle drie terecht een straatnaam in de eerste na-oorlogse nieuwbouwwijk in Castricum. Nu, 60 jaar na het einde van de oorlog, willen we via de persoonlijke geschiedenissen van deze mannen het leed dat zovelen is aangedaan in herinnering roepen.

Vrijdagochtend 10 mei 1940, om acht uur, kwam de radionieuwsdienst met het volgende bericht:
“Goedemorgen dames en heren. Hier is Hilversum, Nederlandse Omroep algemeen programma. Wij vragen uw aandacht voor het ANP. Het Algemeen Hoofdkwartier deelde ons hedenmorgen om kwart over vijf het volgende mede: Van drie uur af hebben Duitse troepen de grens overschreden. Vliegaanvallen zijn geprobeerd op enkele vliegvelden. Weermacht en afweer zijn paraat bevonden. Inundaties voltrekken zich volgens plan. Voorzover bekend zijn tenminste zes Duitse vliegtuigen neergehaald.”
Alom verbijstering en ontzetting: Nederland was in oorlog. In de nacht van 9 op 10 mei hadden de Duitsers het vliegveld Bergen al gebombardeerd, wat in Castricum goed te horen was. Van de 13 daar gestationeerde jachtvliegtuigen werden er 12 buiten gevecht gesteld.

Ook op die 10e mei werd een leegstaand paviljoen van het ziekenhuis Duin en Bosch ingericht voor de verpleging van herstellende en lichtgewonde militairen.
Castricum was door de regering als vluchtoord aangewezen voor de gemeenten Ankeveen en Kortenhoef, die in het gebied lagen dat in verband met de verdediging mogelijk onder water gezet zou worden. De gemeente richtte in de R.-K. Bewaarschool naast de pastorie een noodziekenhuis in. Vrijwilligers vulden dagenlang strozakken voor de 4706 mensen die verwacht werden. De eerste treinen met ge√ęvacueerden kwamen op 2e Pinksterdag 13 mei ‘s morgens om zes uur aan. Gemeenteambtenaren, politie, Luchtbeschermingsdienst en het Rode Kruis, afdeling Castricum-Limmen hadden de handenvol aan de inkwartiering. Een paar dagen na de capitulatie op 15 mei 1940 werden de mensen weer naar hun woonplaatsen teruggebracht.

In het dorp verschenen steeds meer Duitse soldaten. De bezetter vorderde huizen en gebouwen. De pastorie van de Hervormde kerk kreeg een nieuwe bewoner, in de persoon van de Ortskommandant, bijgenaamd ‘de bommenwerper’. De consternatie rond zijn gedwongen vertrek uit de pastorie greep dominee Seulijn zo aan, dat hij plotseling overleed.

Eind 1940 werd het persoonsbewijs verplicht gesteld. Personen van Joodse afkomst kregen in de zomer van 1941 een grote ‘J’ in hun persoonsbewijs gestempeld. De burgemeester verordonneerde dat met ingang van 1 september 1941 Joodse kinderen niet meer op de scholen mochten worden toegelaten. Gelukkig bleken er uiteindelijk geen kinderen te zijn die als Joodse leerlingen werden aangemerkt. In juni 1942 moesten alle pati√ęnten Duin en Bosch verlaten. Zij vertrokken met een deel van het personeel naar andere psychiatrische inrichtingen. Joodse pati√ęnten onder hen, die in Den Dolder en Rosmalen waren ge√ęvacueerd, zijn het slachtoffer van de terreur geworden.

In november 1942 volgde het bericht dat alle bewoners van Bakkum moeten evacueren. Alleen degenen wier verblijf noodzakelijk was, konden blijven. De bezetter liet een groot aantal huizen en boerderijen afbreken voor verruiming van het schootsveld. Bakkum was alleen nog toegankelijk met een speciale pas. De hele gemeente Castricum werd uiteindelijk tot ‘Sperr-gebiet’ verklaard, waar uitsluitend nog bezitters van een speciale vergunning mochten komen. Op grote schaal begon de bouw van honderden bunkers, een tankmuur en een tankgracht om zo een eventuele geallieerde aanval te kunnen afweren. Ruim 5000 inwoners werden uiteindelijk gedwongen naar een andere woonplaats te vertrekken.

Leo Toepoel omstreeks zijn 17e jaar.
Leo Toepoel omstreeks zijn 17e jaar.

Leo Toepoel

De familie Toepoel, vader, moeder en drie kinderen, had zich in 1934 vanuit Amsterdam in Bakkum gevestigd. Ze hadden vier kinderen, maar de oudste zoon Theo bleef in Amsterdam wonen. Vader Toepoel was een heel goede kleermaker en zette hier zijn bedrijf voort. Gedwongen door de evacuatie koos het gezin in januari 1943 opnieuw Amsterdam als tijdelijke woonplaats. Ze betrokken een woning aan de Tweede Jan van der Heijdenstraat, vlak bij het Sarphatipark.

Leo was de jongste van de vier kinderen. Hij was geboren op 14 maart 1922. Zijn levensverhaal kan worden verteld aan de hand


Jaarboek 28, pagina 61

van gegevens die zijn ouders hebben verstrekt bij de aanmelding van hun zoon voor de Erelijst van gevallenen. Een belangrijke bron vormt ook een in 1977 verschenen boek over de slachtoffers van de fusillade bij Rozendaal (Gld). Informatie van nog in Castricum wonende familieleden en andere (oud-)inwoners completeren de dramatische geschiedenis.

Op een filmpje uit 1942 van de kermis in Castricum herkennen we Leo Toepoel (rechts) en zijn broer Twan tijdens het verorberen van een paling.
Op een filmpje uit 1942 van de kermis in Castricum herkennen we Leo Toepoel (rechts) en zijn broer Twan tijdens het verorberen van een paling.

Religieus zuster Matthea Bakker heeft herinneringen aan de kinderjaren van Leo. Zij vertelt:
“Het was in het begin van de jaren (negentien)dertig dat de familie Toepoel uit Amsterdam een huis kocht aan de Eerste Groenelaan, bestemd voor vakantiehuis. Het was een ruim huis met drie kamers en een uitbouw voor keuken, berging e.d. en voor en achter een stukje grond. De zomer bracht de familie in het huis door. Mijn zuster was getrouwd met Co Jenstra, een timmerman, die in dienst was van mijn oom aannemer Arie Buur in Alkmaar. Die ging de huizen aan de Pern√©straat bouwen. Co Jenstra en zijn gezin zochten daarom woonruimte in Castricum. Zij mochten tijdelijk in het huis van de familie Toepoel wonen. Toen Co Jenstra plotseling overleed bleef mijn zuster achter in het huis. In de zomer had ze er een kleinere kamer en (zo) kon de familie Toepoel er toch de vakanties doorbrengen. Omdat wij ook in de Eerste Groenelaan woonden kwam ik er dikwijls om met Leo te spelen. Hij was een tengere jongen met een fijn besneden gezicht, van mijn leeftijd omstreeks 10 jaar. In de tuin stonden een rekstok en een schommel en we konden het goed met elkaar vinden. Hij las veel boeken vooral over indianen en het wilde westen. Dat speelden wij dan ook. Hij wilde later een dappere cowboy worden. Hij was ook bij de padvinderij, een goede voorbereiding op de toekomst, zijn verdere leven. Het was een dappere jongen dat zat er toen al in.
Helaas zijn we elkaar in de oorlogsjaren uit het oog verloren. Hij in het verzet en ik als religieus in de opleiding voor verpleegkundige en later als missiezuster in Borneo.”

Leo had de lagere school in Amsterdam al doorlopen, toen de familie definitief in het huis aan de Eerste Groenelaan ging wonen. Hij bezocht vanuit zijn nieuwe woonplaats de R.-K. Mulo in Beverwijk. Mevrouw Annie Lute-Borst vertelde: “Een grote groep jongelui, onder wie Leo Toepoel, trok dagelijks op de fiets naar Beverwijk. Leo maakte zijn huiswerk dikwijls samen met Bertus Borst. Ze zaten dan op kamer 4 van Hotel Borst. Als het even kon waren ze natuurlijk ook bij de biljarttafel in het caf√© te vinden.”
Zowel Tinie Wulp – Vergouw als Trudy Vos – Baltus herinneren zich Leo als een uitstekende danspartner. Trudy en Leo moesten vaak de tango voordansen op de soirees van de dansschool van Jack en Tinie Smit aan de Van Egmondstraat.

Na de Mulo bezocht Leo de MTS (vanaf de zestiger jaren HTS genoemd) in Haarlem. Hij slaagde in augustus 1942 op 20-jarige leeftijd voor het eindexamen, studierichting vliegtuigbouw. Twee dagen daarna moest hij zich al melden op het Arbeidsbureau in Beverwijk om te werken in Duitsland. Zijn ouders regelden een onderduikadres voor hem. Kennissen, de familie Hopman aan de Vinkebaan, werden bereid gevonden hem in huis te nemen. Tinus Hopman: “Leo gedroeg zich meer als kostganger dan als onderduiker, want hij ging gewoon zoveel mogelijk op stap met zijn vrienden. Hij zag de ernst van de oorlog nog niet in.”

Arbeidsinzet

De eerste twee jaar van de bezetting was er nog sprake van een zekere ‘vrijwillige’ tewerkstelling in Duitsland. Zij het dat werklozen weinig keus hadden, omdat werkweigering intrekking van de uitkering ten gevolge had. Naast werklozen vertrokken ook duizenden mannen vrijwillig. Zij lieten zich verleiden door de propaganda-acties waarin de aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden en hoge inkomens aanlokkelijk werden gepresenteerd. Vanaf 1942 maakte ‘vrijwilligheid’ plaats voor dwang. Iedere Nederlander van 18 tot 40 jaar kon in Duitsland tewerk worden gesteld. Mannen die geen gehoor gaven aan een oproep, konden rekenen op strafvervolging.

Leo heeft zijn vertrek naar Duitsland weten te rekken tot oktober 1942. De zucht naar avontuur en de uitdaging zullen bij hem misschien ook een rol hebben gespeeld om zijn onderduiktijd te be√ęindigen. Hij kreeg werk in het Scheikundig Laboratorium van¬†Leichtmetall Werke in Hannover.

Voor de Erelijst van gevallenen heeft de moeder van Leo een verslag opgesteld dat wij hierna laten volgen:
“Op 15 januari 1943 werd Leo in Hannover gevangen genomen wegens sabotage, verspreiding van valsche geruchten en verraden van fabrieksgeheimen, zoals de beschuldiging luidde.
Op 15 maart werd de doodstraf ge√ęischt. Een maand later werd de beschuldiging wegens gebrek aan bewijs vervallen verklaard. Wel veroordeelde de rechtbank hem tot 4 maanden cel met aftrek van voorarrest. Op 15 mei kwam hij uit de gevangenis met in zijn paspoort de aantekening ‘Staatsgevaarlijk’. Terugkeer naar het bedrijf was natuurlijk onmogelijk. Hij vroeg toen om terug te mogen keren naar Holland. Dat werd geweigerd. Toch wist hij met behulp van een onbekend gebleven Nederlands meisje, dat daar aan een of ander kantoor werkzaam was en hem papieren en stempels bezorgde, de grens over te komen.
Op 17 mei kwam hij weer thuis in Amsterdam. Hij woog geen 100 pond meer. Zijn benen waren tot op het bot veretterd door de wonden die hem bij zijn verhoor in de eerste maand van zijn gevangenschap waren toegebracht. In zijn cel kreeg hij slechts 1 boterham, 1 liter waterige soep en een liter water per dag om zich te waschen, zijn kleren te waschen en om te drinken. Zijn benen had hij verbonden met een natte zakdoek die hij in die liter water waste en nat verbond. Hij is in Amsterdam nog twee maanden onder doktersbehandeling geweest.”

Op voorspraak van een klant van vader Toepoel vond Leo een baan als tekenaar op het constructiebureau van Fokker. Hij wilde zelfstandig wonen en huurde een kamer aan de Amstellaan (later Vrijheidslaan genoemd), niet ver van zijn ouderlijk huis. Tijdens de oorlog viel er weinig te doen bij Fokker. De voornaamste bezigheid was dan ook zorgen niet uitgezonden te worden naar Duitsland. Maar al na enkele maanden kamde de bezetter het bedrijf uit, zodat Leo moest onderduiken. In die periode gaf hij ook les in jiu-jitsu bij een sportschool. Waarschijnlijk had hij daar deze toen populaire zelfverdedigingssport zelf ook geleerd.

In 1943 nam Wim de Bode, een vriend en mede-kamerbewoner, hem mee naar zijn ouders in Nijmegen. Daar leerde hij Connie kennen, een meisje uit Elst dat bij de familie De Bode een nieuw thuis had gevonden.


Jaarboek 28, pagina 62

Hij werd tot over zijn oren verliefd op haar. Met de kunstzinnige onderwijzer Reyer van de Haar raakte hij bevriend.
Reyer volgde hem naar Amsterdam en huurde een kamer in het kosthuis van Leo aan de Amstellaan.

Eind november 1943 heeft de Sicherheitspolizei Leo weer gearresteerd, waarna hij tot begin februari 1944 in Amersfoort gevangen werd gehouden. Vervolgens werd hij op transport gesteld naar Gevelsberg (Nordrhein-Westfalen). Hij wist daar te ontsnappen en drie weken later stond hij weer bij zijn ouders voor de deur. Hij had zo’n 175 km aan √©√©n stuk gelopen en zijn voeten waren helemaal stuk. Ook al omdat hij met zijn kaalgeschoren hoofd te veel opviel, is hij toen twee maanden ondergedoken in Spanbroek. Met een persoonsbewijs ten name van Veldman keerde hij daarna terug naar Amsterdam om opnieuw les te gaan geven bij de sportschool.

In die periode kwam hij in contact met de Amsterdamse illegaliteit. Vader Louis Toepoel leefde in de veronderstelling dat het illegaal werk van zijn zoon bestond uit bonkaarten rondbrengen en krantjes bezorgen. Pas later krijgt hij te horen, dat Leo in contact stond met leden van een groep die ook munitie en wapens transporteerde. Welke rol hij bij de groep vervulde is onduidelijk.

Gevangenschap

Op 6 juni 1944, D-day, landden geallieerde troepen op de kust van Normandi√ę. Het zuiden van Nederland kreeg vanaf 17 september haar vrijheid terug. De troepen konden Arnhem echter niet bereiken. Het duurde Leo allemaal te lang en hij besloot om begin oktober 1944 samen met zijn vriend Reyer van de Haar op een of andere manier te proberen naar Nijmegen te komen. Het is niet de enige reden voor Leo voor deze onderneming. Connie, het evacu√©-meisje uit Elst, dat hij bij de familie De Bode had ontmoet, wilde hij ook graag terugzien. Hun vriend Wim de Bode gaf het tweetal geografische kaarten mee voor de tocht naar het zuiden, daarbij adviserend via de Biesbosch door de linies te gaan. Het was na Dolle Dinsdag en het moest volgens hem dan ook mogelijk zijn langs die route het bevrijde zuiden te bereiken.

Helaas hebben de twee dat advies niet opgevolgd. Ergens tussen Opheusden en IJzendoorn langs de rivier de Waal werden ze onder een regen van kogels door de Engelsen teruggestuurd, waarna ze in de armen liepen van de Duitsers. Die troffen bij de twee de gedetailleerde kaarten aan die ze van Wim de Bode hadden gekregen, waardoor ze voor spionnen werden aangezien. Leo en Reyer werden op 22 oktober 1944 opgesloten in de politiecellen van Bureau Woudoord in Velp. Daar werd niet zachtzinnig met gevangenen omgesprongen. Wegens de vermeende spionageactiviteiten en de verdenking over te willen lopen naar de geallieerde troepen werd Leo 14 uur lang aan een stevig verhoor onderworpen.

Uit de getuigenis van een mede-gevangene Piet Spek is er ook over de laatste maanden van Leo Toepoel veel bekend. Met zes lotgenoten zat Leo in cel 2 van het politiebureau en Reyer in cel 3. Gemiddeld waren er telkens zo’n 26 gevangenen verdeeld over twee kleine en een grotere celruimte. Soms was het zo vol dat ze ‘s nachts kop-staart op de zij sliepen. Naast het gevangenisrantsoen kregen ze door bemiddeling van een kinderarts, die ook gevangen zat, nog wel eens extra broodbeleg en vlees vanuit het ziekenhuis in Velp.
Om de moed er in te houden werd er veel gezongen. Vooral Leo en Reyer konden heel mooi zingen. Het was cel 2, die altijd de grootste en beste bijdrage leverde tijdens zanguitvoeringen, aldus Piet Spek. Hij herinnerde zich nog het volgende tekstfragment:

“Daar in die droge sloot
daar lag de F√ľhrer dood,
een eindje verderop
lag Von Ribbentrop”

In november 1944 beraamde een van de gevangenen een ontsnappingspoging. De poging mislukte waarbij Piet Spek een kogel dwars door zijn lichaam kreeg. Er volgde geen behandeling in het ziekenhuis, maar hij werd provisorisch verzorgd door een huisarts. Vrijwel onmiddellijk na de mislukte ontsnappingspoging werden de gevangenen overgebracht naar een gebouw van de Rotterdamse Bank aan de Hoofdstraat in Velp, dat als gevangenis dienst deed. Hier was een strenge Duitse bewaking waardoor ontsnappen onmogelijk was. Obersturmf√ľhrer Huhn kreeg de leiding over de nieuwe gevangenis.

Tekening gemaakt door Reyer van de Haar van Leo Toepoel, gemaakt op de muur van zijn cel op 10 december 1944, drie dagen voor zijn dood.
Tekening gemaakt door Reyer van de Haar van Leo Toepoel, gemaakt op de muur van zijn cel op 10 december 1944, drie dagen voor zijn dood.

Op de muren van de kluisruimte waar ze waren opgesloten, maakte Reyer een tekening van Leo. Van die tekening is na de oorlog een foto gemaakt. De handtekening van Reyer staat er onder en de datum 10 december 1944. Naar later zou blijken is de tekening drie dagen voor hun beider dood gemaakt.

Zwarte dag

De divisiecommandant van de 6e Divisie Fallschirmjager, gelegerd in Velp, verlangt strenge maatregelen tegen de burgerbevolking, omdat posten van de Fallschirmjager zijn beschoten. Acht mannen zullen standrechtelijk worden doodgeschoten. Verder worden de huizen in brand gestoken waar overvallen hebben plaatsgevonden. Obergruppenf√ľhrer Rauter wijst acht mannen aan die ervan zijn beschuldigd, dat zij naar de vijand willen overlopen. In de namiddag van de 12e december worden de acht arrestanten weggevoerd onder wie Leo Toepoel en Reyer van de Haar. Volgens mededeling van achtergebleven gevangenen heeft Leo Toepoel, die weet dat hij gefusilleerd zal worden, zijn colbertjasje nog mee willen nemen, maar de Duitsers vertellen hem dat dat niet nodig is.
De acht mannen worden opgehaald door de Gr√ľne Polizei; waarheen kunnen de achtergebleven gevangenen niet vertellen.

Emmapyramide

De plaats waar de executies hebben plaatsgevonden en de plaats waar de acht mannen begraven zijn, bleef lang een raadsel. Op een


Jaarboek 28, pagina 63

schriftelijk verzoek in augustus 1945 van Leo’s moeder, die ook nog hoopte op de mogelijkheid dat haar zoon ergens in Duitsland verbleef, stelde de rijkspolitie een nader onderzoek in. Wachtmeester Van Beusekom had uit informatie wel kunnen afleiden dat de gevangenen gefusilleerd moesten zijn, maar de plaats kon hij niet ontdekken. Eind oktober 1946 woonde hij een lezing bij van de helderziende Gerard Croiset. De politieman vroeg hem te helpen bij het zoeken naar de plaats waar de slachtoffers begraven zouden zijn. Op grond van de aanwijzingen van Croiset is vervolgens gezocht in de omgeving van een houten uitkijktoren in de omgeving van Rozendaal, bekend onder de naam Emmapyramide. Het onderzoek op het uitgebreide terrein leidde niet onmiddellijk tot succes en de zoektocht werd afgebroken.

Uiteindelijk wees de, inmiddels zelf gevangen genomen, voormalige gevangeniscommandant Huhn, in maart 1947 de exacte plaats aan waar op 13 december 1944 in de ochtenduren de acht jonge mannen waren omgebracht en begraven. Het was inderdaad in de buurt van de Emmapyramide, de plaats die Croiset had aangewezen. Leo en zijn vriend Reyer werden beiden ge√Įdentificeerd.

Herbegrafenis

Op 17 mei 1947 is Leo Toepoel opnieuw begraven op de R.-K. begraafplaats bij de Pancratius kerk. De plechtigheid werd volgens een verslag in het Nieuwsblad voor Castricum bijgewoond door familie en vrienden, burgemeester Smeets, een afvaardiging van de Vereniging van Oud-Illegale Werkers en een deputatie van de Hubertus-Zeeverkennersgroep uit Amsterdam, waarvan Leo lid was geweest. Vier zeeverkenners droegen de baar met bloemen.

Gedenkteken voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in de hal van de HTS te Haarlem.
Gedenkteken voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in de hal van de HTS te Haarlem.

In november 1947 besloot de gemeenteraad op voorstel van de Vereniging van Oud-Illegale Werkers een straat naar Leo Toepoel te noemen en ook Jan Hoberg en Huibert van Ginhoven op die manier te eren.
In de hal van Leo’s vroegere Technische School in Haarlem, is in 1948 een gedenkteken onthuld met de namen van 31 omgekomen leraren en leerlingen, waaronder Leo Toepoel.

Het onthulde monument op de plaats van de fusillade, bij de Emmapyramide in Rozendaal.
Het onthulde monument op de plaats van de fusillade, bij de Emmapyramide in Rozendaal.

In Rozendaal leek de geschiedenis van de acht jongens, die aan de voet van de Emmapyramide op 13 december 1944 hun leven hadden verloren, te zijn vergeten. Een oud-verzetsman stelde het gemeentebestuur in 1996 voor om een gedenkteken op te richten. Nadat eerst nog een gedegen onderzoek naar alle achtergronden was uitgevoerd door de amateurstreekhistoricus Jan van der Wal, werd definitief tot de oprichting besloten.
Nabestaanden, schoolvrienden en oud-medearrestanten kwamen precies 53 jaar na de executie, op 13 december 1997, samen bij de Rozendaalse Emmapyramide, voor de onthulling van een monument met de namen van de gefusilleerden.

Het gezin Hoberg achter hun woning in de Pernéstraat.
Het gezin Hoberg achter hun woning in de Pernéstraat. V.l.n.r. Hen(nie), vader Johannes, Jan, Ans, moeder Hoberg РKuilboer en de jongste zoon Dirk in het begin van de oorlog. Twee dochters Lenie en Atie staan niet op de foto.

Jan Hoberg

Net als de familie Toepoel koos de familie Hoberg Castricum in de jaren dertig als woonplaats. Ze kwamen uit Ouder-Amstel. Het gezin bestond uit 6 kinderen: drie meisjes Anna (geboren in 1929) en een tweeling Lenie en Atie (1926) en drie jongens, Hennie (1924), Jan (1925) en Dirk (1936).
Alleen de jongste zoon Dirk werd in Castricum geboren. Ze waren in september 1934 de eerste bewonders van de nieuwe gebouwde woningen aan de Pern√©straat, aangetrokken door het aanbod van gratis huur gedurende de eerste maanden. Vader Johannes Hoberg was commissionair in effecten en hij behoorde tot een groepje van zo’n 10 forensen dat dagelijks naar Amsterdam reisde.

In 1934 telde Castricum omstreeks 6000 inwoners. Het dorpje groeide gestaag met zo’n 200 a 300 inwoners per jaar. Behalve wat lintbebouwing aan eeuwenoude dorpswegen is er in de (negentien)dertiger jaren gebouwd aan enkele nieuw aangelegde straten, zoals genoemde Pern√©straat en ook de Geelvinckstraat, de Jacob Catsstraat, de Prinses Julianastraat, de Prins Bernhardstraat en een deel van de Koningin Wilhelminalaan. Nieuwe uitbreidingsplannen waren in voorbereiding. Een snelle uitgroei tot een flink forensendorp lag in het verschiet, maar voorlopig lagen Castricum en Bakkum nog vredig temidden van natuurgebied, uitgestrekte weilanden en tuinbouwgrond.


Jaarboek 28, pagina 64

Jan en zijn een jaar oudere broer Hennie Hoberg schoven in 1934 aan op de R.-K. Jongensschool Sint-Augustinus aan de Dorpsstraat. Vader Hoberg was niet katholiek (Evangelisch Luthers) en zijn vrouw Alida Kuilboer wel. Ze hadden bij hun huwelijk moeten beloven kinderen een katholieke opvoeding te geven en daar hielden zij zich trouw aan; vader Hoberg was daar misschien nog wel nauwgezetter in dan zijn vrouw. Na de lagere school bezochten beide jongens een R.-K. Muloschool in Alkmaar, waar ze vervolgens ook lid werden van de padvinderij.

De verkenners op excursie in de duinen kort voor de opheffing van de padvinderij op 12 april 1941. In het midden met de lichte overhemden Hopman Herman Wagenaar en links van hem Jan Hoberg.
De verkenners op excursie in de duinen kort voor de opheffing van de padvinderij op 12 april 1941. In het midden met de lichte overhemden Hopman Herman Wagenaar en links van hem Jan Hoberg.

Verkennersgroep ‘Don Bosco’

In 1938 werd in Alkmaar de R.-K. Verkennersgroep ‘Don Bosco’ opgericht. In oktober 1938 kwam Herman Wagenaar, die een belangrijke rol zou spelen in de verkennerij, met groot verlof uit militaire dienst. Samen met zijn broer, Emile Wagenaar, zorgden zij voor de eerste aanwas van de groep. Volgens een verslag van een van de bijeenkomsten heeft Herman Wagenaar op 5 november 1938 aan vader en moeder Hoberg toestemming gevraagd voor de deelname van Hennie en Jan. Op 9 november werd de eerste troepavond georganiseerd op het zolderkamertje van hopman Herman aan de Stationsweg in Alkmaar. Op 22 februari 1939 kwam het nieuwe houten clubhuis aan de Zandersloot achter het huidige AZ-terrein gereed en was het zolderkamertje niet meer nodig.
De verkenners hebben niet lang van hun nieuwe hoofdkwartier kunnen genieten. Op 2 april 1941 verboden de Duitse bezetters de padvinderij. NSB-jongeren namen het clubgebouw van de groep onmiddellijk in gebruik.

De verkennersgroep bleef toch doordraaien, alleen het uniform bleef in de kast. Een troep van 24 verkenners ging ook nog op zomerkamp. De verschillende patrouilles waren ondergebracht op locaties onder schuilnamen als: Knor Knor, Tok Tok en Boe Boe. In de loop van 1942 en 1943 kwam aan de meeste activiteiten een einde, behoudens enkele geheime patrouille-bijeenkomsten. Tijdens deze bijeenkomsten werden plannen gesmeed om het de NSB’ers en Jeugdstormers zo lastig mogelijk te maken.

Jan Hoberg op 17-jarige leeftijd.
Jan Hoberg op 17-jarige leeftijd.

De broers Hennie en Jan Hoberg, inmiddels 18 jaar geweest, kwamen beiden in aanmerking voor tewerkstelling in Duitsland. Hennie volgde een opleiding tot machinist en Jan had een administratieve baan bij het Hoge Huys in Alkmaar. ‘Das ganze Hohe Haus ist eine Oranienbande’ volgens de Alkmaarse Ortskommandant, toen drie personeelsleden gearresteerd waren wegens het doorgeven van illegale lectuur.

Hennie en Jan hadden hun houding tegenover de bezetter niet van een vreemde. Vader Hoberg stak zijn gevoelens bepaald niet onder stoelen of banken. Als het NSB-blad ‘Volk en Vaderland’ werd rondgebracht, stond hij al bij het hek in de voortuin om duidelijk te maken dat de bezorgers geen poot op zijn grond mochten zetten. Ook na de verplichte evacuatie in februari 1943, waarbij het gezin in een woning aan de Zuideramstellaan 126H in Amsterdam terechtkwam, liet hij zijn afkeer van het nieuwe bewind dikwijls blijken. Hij ging zelfs in discussie met de Sicherheitspolizei, die enkele malen langs kwam op zoek naar Hennie en Jan. Toen die met betrekking tot de jodenvervolging naar de bijbel verwezen, vroeg hij hatelijk of er ook bij stond dat zij daar een rol in hadden. De familie had zelf onderduikers in huis, waaronder Sal en Flip, twee Joodse jongens van omstreeks 16 jaar. Er werden in huize Hoberg oefeningen gehouden waarbij de onderduikers zo snel mogelijk onder de vloer verdwenen en anderen in hun warme bedden kropen.


Jaarboek 28, pagina 65

De anti-Duitse gevoelens die ze van hun vader hadden meekregen, maakten voor Hennie en Jan de beslissing vanzelfsprekend om onder te duiken en de oproep voor arbeidsinzet te negeren. Hennie verdween in Amsterdam en Jan vond onderdak bij de broer van de hopman, Emile Wagenaar, waar hij ook op kantoor werkte. Later had hij een onderduikadres in Amsterdam. Vanuit Amsterdam schreef Jan in 1943 een brief aan Hennie. Een zin daaruit: “We zullen met zijn allen knokken om de heeren eruit te trappen, op onfatsoenlijke manier.”

De ondergrondse acties met de verkenners in Alkmaar gingen intussen gewoon door. Een van de leden van de groep, Andr√© van Elburg, heeft de verschillende escapades mooi beschreven. Ze stalen strozakken en een kachel uit hun oude clubgebouw. Zelfs pikten ze een schrijfmachine uit het kantoor van een Duitse instantie en ze ontvoerden een geitje van een NSB’er. Na elke geslaagde actie stuurden ze een pesterig briefje ondertekend met ‘Cupido’ aan de slachtoffers of aan de politie.

Overval

In 1944 veranderde de toon van Andr√©s memoires. Onder leiding van hopman Herman Wagenaar beraamden hij en enkele andere verkenners een overval op het bevolkingsregister in hun stad. Wekenlang had Andr√© gespioneerd op het stadhuis en hij had – met¬†hulp van een ambtenaar- een gedetailleerde plattegrond van het stadhuis gemaakt. Het doel was om de kluis open te breken, het bevolkingsregister te vernielen en formulieren, zegels en stempels voor persoonsbewijzen mee te nemen. Het padvindersmes werd opeens vervangen door een pistool en handgranaten. Op 15 februari 1944 was het zover. De groep opereerde bij nacht en was gemaskerd. Hopman Wagenaar droeg zijn marine-uniform om daarmee ‘als vertegenwoordiger van de wettige regering in Londen’ indruk te maken op de gemeentesecretaris, die ze in zijn woonhuis wilden gijzelen en van wie ze de sleutels van het stadhuis zouden eisen.

De actie loopt aanvankelijk volgens plan. De secretaris, een ‘goede’ Nederlander, geeft de sleutels af. Tijdens de eerste minuten van de overval heeft de man het licht in de vestibule laten branden. Dat kan iemand in de verduisterde stad zijn opgevallen – bijvoorbeeld de ‘overbuurman’, een door de Duitsers gevorderd garagebedrijf. Hennie Hoberg blijft bij de secretaris achter met een op scherp gezette handgranaat. De anderen fietsen naar de volgende ambtenaar in de Emmastraat. Ook hier bemachtigen zij een sleutel en Jan Hoberg blijft bij deze ambtenaar achter, ook met een handgranaat in zijn hand. Bij het verlaten van het huis kunnen zij door twee voorbijgangers zijn gezien, maar helemaal zeker is Andr√© van Elburg er niet van. Nadat hij ze even heeft gevolgd, laat hij ze verder gaan.

In het stadhuis wordt de kluisdeur geopend. Blikken trommels en waardevolle papieren zetten de overvallers klaar om mee te nemen. Als alles is verzameld, zal het bevolkingsregister met benzine worden overgoten en in brand worden gestoken. Dan blijkt er nog een sleutel te ontbreken van een brandvrije kist, waarin zich de nieuwe persoonsbewijzen bevinden. De hopman besluit de ontbrekende sleutel in de Emmastraat te gaan halen.
Plotseling komt de hopman weer buiten adem binnenstormen: ‘Alarm, alarm’. Haastig vertelt hij dat de jongens alles zo snel mogelijk mee moeten nemen en het gebouw moeten verlaten. Vlug wordt alles ingepakt. De een na de ander komen de jongens op de afgesproken plaats, het kantoor van Emilie Wagenaar, aan. Ze


Jaarboek 28, pagina 66

zijn er allemaal op een na. Jan Hoberg, die bij de ambtenaar in de Emmastraat op post is gezet, is er nog niet. Hij zal ook niet meer komen, nooit meer.

De hopman vertelt wat hij heeft meegemaakt. Als hij de sleutel gaat halen ziet hij dat het huis aan de Emmastraat omsingeld is door politie en nadat hij Hennie op de Kennemerstraatweg heeft gewaarschuwd, is hij zo vlug mogelijk teruggegaan naar het stadhuis. Het verband tussen het brandende ganglicht, de late voorbijgangers en wat volgt zal nooit te bewijzen zijn, maar op een of andere manier is de politie gewaarschuwd, die vermoedelijk meent met een gewone inbraak te maken te hebben.

Tot zover is het verslag gevolgd van André van Elburg. Hij worstelde de rest van zijn korte leven met de vraag of hij de dood van zijn broeder-verkenner had kunnen voorkomen, als hij de onbekenden niet had laten passeren. Op 1 juli 1946 sneuvelde hij als militair op Java. Herman Wagenaar stierf in 1995, zijn leven verziekt door een schuldgevoel over het verlies van een van zijn jongens.

Ik breek mijn woord nooit.
Ik breek mijn woord nooit.

Tekst bidprentje.
Tekst bidprentje.

Ter dood veroordeeld

Na zijn arrestatie zou Jan zijn mishandeld in Alkmaar. Zijn ouders hadden daar geen zekerheid over, zoals blijkt uit de mededelingen van zijn vader bij de opgave voor de Erelijst van gevallenen. Van Alkmaar werd Jan overgebracht naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. Zijn ouders hebben nog eens een briefje van hem gekregen waarin met een nagelrand de boodschap was geprikt: “Ik breek mijn woord nooit”, zoals op zijn bidprentje is vermeld.

Op 12 april 1944 werd hij overgeplaatst naar de gevangenis in Scheveningen. Op 13 april 1944 sprak na een zitting van een half uur het Polizeistandgericht drie doodvonnissen uit. Op 14 april 1944 werd hij Р18 jaar oud Рsamen met de twee anderen gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte. De laatste nacht bracht hij met zijn lotgenoten door op één strozak en 4 dekens, zoals een van hen schreef.

Offici√ęle bekendmaking van de voltrekking van het doodvonnis aan Jan Hoberg en twee lotgenoten.
Offici√ęle bekendmaking van de voltrekking van het doodvonnis aan Jan Hoberg en twee lotgenoten.

Indrukwekkend is de afscheidsbrief van Jan aan zijn ouders, broers en zusters, geschreven nadat hij op 13 april zijn doodvonnis had gehoord. Deze brief ontvingen zijn ouders pas na de executie. Toen zijn vader op de ochtend van de 14e april de krant uit de brievenbus haalde, las hij daarin de offici√ęle bekendmaking van de voltrekking van het vonnis.


Afscheidsbrief van Jan Hoberg aan zijn ouders, broers en zusters

Lieve Pa, Moe, Hen, Aat, Leen, Ans en Dick,

Tot mijn grote verwondering werd ik gisteren 12 April overgeplaatst naar. Scheveningen. Vandaag 13-4-1944 wend ik uit mijn cel gehaald en moest ik mijn vonnis aanhoren.
Ik had niet gedacht dat het zo zwaar zou zijn, altijd heb ik nog gedacht dat ik er met gevangenisstraf vanaf zou komen, het heeft echter niet zo mogen zijn en met nog twee andere goeie Nederlanders heb ik mijn doodvonnis aangehoord.
Het vaderland eist zware offers. Ik hoop dat U het moedig zal dragen. Het ergste is zoo ‘n straf voor de achterblijvers en de familiededen.
Moeder, ik heb me voorbereid voor deze laatste reis en vertrouw dat ik U allemaal in het hiernamaals mag ontmoeten. Wilt U alle bekenden mijn laatste groet overbrengen. Mijn laatste gedachten zijn bij jullie allemaal. Ook tijdens mijn gevangenschap heb ik vaak aan jullie gedacht.
Wilt U ook een speciale groet overbrengen aan Tiny, die ik nooit heb kunnen vergeten. Ik zit nu in een cel met nog 2 veroordeelden. Pa en Moe ik wil U bedanken voor alles en alle moeite die U altijd voor me gedaan hebt. Als ik ook terug had gekomen, had ik me voorgenomen dat ik alles zoveel mogelijk had vergoed wat betreft hartelijkheid. Daar heb ik nooit in uitgeblonken, dat weet ik. Nu voor allen een zoen en een stevige hand voor ‘t laatst. Houdt U goed. Ik heb het ook moedig gedragen.

Leve de Koningin en Vaderland.
Jan


Lenie, een van de zusters van Jan, weet dat haar moeder op 13 april plotseling ernstig ziek was geworden. Zo ernstig dat de huisarts er een specialist bijhaalde, maar ook die kon geen oorzaak vinden. Op de ochtend van de 14e april was de kritieke toestand weer voorbij. Het moest haast wel dat ze de laatste uren van haar zoon zo heeft meebeleefd. Zijn dood heeft ze nooit goed kunnen verwerken. Ze had het gevoel het verdriet alleen te dragen.
Hennie Hoberg zette zijn illegale werk voort. Hij heeft er na de oorlog niet of nauwelijks over willen praten. Hij heeft een keer aan zijn vrouw verteld dat hij met hulp van illegale werkers in een lijkkist uit een politiebureau heeft kunnen ontsnappen. Angstdromen heeft hij zijn hele leven gehad. Met o.a. Joodse kinderen was hij in 1944 ondergedoken op een groot bovenhuis boven de Rotterdamse bank in Zutphen. Ondanks het feit dat hij vanwege de overval op het stadhuis in Alkmaar werd gezocht, bleef hij toch actief in het verzet. Vanaf het voorjaar van 1944 tot de bevrijding heeft hij samen met andere onderduikers een illegaal blad gemaakt, genaamd ‘De Frontloupe’, waarin berichten van de dagelijks beluisterde BBC over het verloop van de oorlog werden opgenomen en o.a. activiteiten van de Sicherheitsdienst en de Gestapo werden vermeld.

Vader Hoberg heeft na de oorlog de stoffelijke resten van zijn zoon Jan kunnen identificeren aan de hand van zijn boordje. De herbegrafenis vond plaats met militaire eer. Lenie weet nog dat ze met familie de stoet uit Den Haag hebben opgewacht bij de grens met Limmen en dat een heilige mis werd opgedragen in de St.-Pancratiuskerk. Padvindersgroepen in Alkmaar en Castricum namen als eerbetoon de naam van Jan Hoberg aan.

De Oorlogsgravenstichting verzorgde het graf en wilde het in 1986 met toestemming van de familie overbrengen naar de erebegraafplaats


Jaarboek 28, pagina 67

in Loenen. Helaas bleek bij de opgraving dat de stoffelijke resten waren geruimd. De grafsteen, die er nog wel stond, werd op verzoek van de stichting verwijderd. Enkele jaren later ontdekte de oud- hopman Herman Wagenaar, inmiddels in Valkenburg wonend, deze situatie. De verdwijning van het graf was voor hem onacceptabel en overeenkomstig zijn wens werd door het kerkbestuur een gedenksteen bij de ingang van de begraafplaats aangebracht.

Gedenkplaat voor Jan Hoberg bij de ingang van de R.-K. begraafplaats.
Gedenkplaat voor Jan Hoberg bij de ingang van de R.-K. begraafplaats.

Links op de foto Huibert van Ginhoven met zijn vader en moeder, broers en zusters. Vader J.A.J. van Ginhoven was achtereenvolgens hoofd van de christelijke lagere school in Marken, Oude Wetering en Barendrecht. De foto is genomen ter gelegenheid van zijn 25-jarig huwelijksfeest en zijn 25-jarig jubileum als schoolhoofd.
Links op de foto Huibert van Ginhoven met zijn vader en moeder, broers en zusters. Vader J.A.J. van Ginhoven was achtereenvolgens hoofd van de christelijke lagere school in Marken, Oude Wetering en Barendrecht. De foto is genomen ter gelegenheid van zijn 25-jarig huwelijksfeest en zijn 25-jarig jubileum als schoolhoofd.

Huibert van Ginhoven

Ook Huibert van Ginhoven wilde zijn aandeel leveren in de strijd tegen de vijand. Hij was er zich van bewust dat dat grote risico’s meebracht. Ondanks het feit dat hij een gezin had met zes kinderen, zag hij het als zijn plicht alles te doen wat in zijn vermogen lag. Zoals in het vonnis van het ‘Feldgericht’, de Krijgsraad, staat, heeft hij zich planmatig en intensief tegen Duitsland verzet. Hij deed alles wat in zijn vermogen lag om jonge mannen die naar Engeland wilden uitwijken te helpen en hij verzamelde zoveel mogelijk informatie over alles wat met het Duitse leger verband hield.

Zijn inzet kwam waarschijnlijk voor een groot deel voort uit zijn geloof. Hij was van huis uit lid van de Gereformeerde Kerk. De kerk verwierp de totalitaire staat en de beginselen van de NSB werden onverenigbaar verklaard met de geloofsbelijdenis.
Het Castricumse kerkgebouw stond aan de Beverwijkerstraatweg. In het voormalige kerkgebouw is nu (in 2005) een Body Slen-centrum gevestigd. Van Ginhoven bespeelde er van 1936 tot 1941 tijdens de kerkdiensten het bescheiden Liebig orgel. Hij was sinds 1931 lid van de Anti-revolutionaire partij en bestuurslid van de plaatselijke kiesvereniging.

Sociale zaken

Huibert van Ginhoven werd geboren op 26 december 1896 op het eiland Marken, waar zijn vader hoofd was van de christelijke lagere school. Daarna vervulde vader Van Ginhoven deze functie ook in Oude Wetering en Barendrecht.
In Barendrecht volgde Huib voortgezet onderwijs en vervolgens bezocht hij de kweekschool om net als zijn vader onderwijzer te worden. Korte tijd stond hij voor de klas, waarna hij van 1915 tot 1918 zijn dienstplicht vervulde. Daarna ging hij opnieuw lesgeven. Blijkbaar was dat toch niet wat hij zocht, want in Amsterdam ging hij op een boekhoudkantoor werken. Weer later vestigde hij zich als zelfstandig boekhouder en in 1932 ging hij aan het werk bij de dienst sociale zaken van de gemeente Amsterdam.

In 1922 trouwde hij met Carolina Cornelia Feij. In 1936 verhuisden ze van Amsterdam naar Castricum. Eerst woonde het gezin aan de Ruiterweg en in november 1938 betrokken ze een groter huis op het adres Torenstraat 69. Het echtpaar had toen zes kinderen, vijf zoons en een dochter. Het oudste kind was geboren in 1922 en de jongste in januari 1938 in Castricum.

Door zijn kerkelijke activiteiten en zijn politieke contacten raakte Van Ginhoven snel ingeburgerd. Afkomstig uit Amsterdam ervoer hij in Castricum toch wat conservatieve opvattingen en hij stak zijn mening dan niet onder stoelen of banken. Met kennissen Adrianus Eikelenboom, lid van de Kerkenraad van de Gereformeerde kerk en met Co Baart, die een wasserij had aan de Ruiterweg, ging hij graag in discussie over allerlei onderwerpen. Hij liet zich duidelijk gelden.


Jaarboek 28, pagina 68

Huibert van Ginhoven omstreeks 35 jaar.
Huibert van Ginhoven omstreeks 35 jaar.

Engelandvaart

Alles in hem verzette zich tegen het Duitse regiem. De maatregelen tegen de Joodse medeburgers wakkerden zijn weerzin nog meer aan. Al in het eerste oorlogsjaar zette Van Ginhoven zich in voor het vinden van onderduikadressen. Hij zou zelf ook mensen van Joodse afkomst in huis hebben gehad. Als vanzelfsprekend ontwikkelden zich zijn verzetsactiviteiten, waarbij hij vaak de hulp in riep van mensen uit zijn eigen kring van gereformeerden of leden van de Anti-revolutionaire partij. Hij verzamelde zoveel mogelijk informatie die van belang zou kunnen zijn voor de Nederlandse regering in Engeland. Ook riep hij daarbij de hulp in van anderen die bijvoorbeeld door hun werk van bepaalde bewegingen op de hoogte waren.

De Bakkummer Simon Belgraver op 60-jarige leeftijd in Australi√ę. Als laborant leverde hij de stoffen die nodig waren voor het maken van vliegtuigbenzine.
De Bakkummer Simon Belgraver op 60-jarige leeftijd in Australi√ę. Als laborant leverde hij de stoffen die nodig waren voor het maken van vliegtuigbenzine.

Een van de mensen die zich in 1940 bij zijn groep aansloot, was Simon Belgraver die aan de Stetweg in Bakkum woonde. Belgraver kwam in contact met G.J. Krösschell, woonachtig aan de Torenstraat, die weer in contact stond met de uitvoerder van de werkzaamheden voor de ombouw van het vliegveld Bergen. Op die manier kon Belgraver een tekening maken, die hij, volgens zijn eigen verklaring aan een contactpersoon van Van Ginhoven, bij een van de uitgangen van het Centraal Station in Amsterdam overhandigde. Die zou dan weer voor het verdere transport zorgen. Ook maakte Belgraver voor Van Ginhoven een schets van de werf in Haarlem waar Duitse onderzeeboten werden gerepareerd.

In het vonnis van de Krijgsraad van 4 oktober 1941 zijn veel details opgenomen van de bewezen geachte illegale activiteiten van Huibert van Ginhoven.
Hij stond kennelijk al in wijdere kring bekend als een tegenstander van de nieuwe machthebbers, want via een tussenpersoon werd in december 1940 de toen 22-jarige chemicus Lambertus Ligtvoet uit Amstelveen in zijn huis ondergebracht. Deze Lambertus, een vaandrig uit het Nederlandse leger, wilde hoe dan ook proberen in Engeland te komen om zich daar bij de krijgsmacht te voegen. Van Ginhoven wilde er alles aan doen om de overtocht mogelijk te maken, waarbij dan ook zijn verzamelde materiaal naar Engeland kon worden overgebracht. Ligtvoet verbleef bij hem van midden december 1940 tot begin maart 1941.

Van Ginhoven steunde nog twee andere mannen die naar Engeland wilden: elektrotechnicus Andreas Kop-Jansen uit Haarlem, die Van Ginhoven nog uit zijn jeugd kende en de vrachtwagenchauffeur Christian van ‘t Schip. Door bemiddeling en op zijn kosten zorgde hij steeds voor onderdak en levensonderhoud. Van Ginhoven riep met succes ook verschillende andere mensen op om de goede zaak met geld te steunen.

Begin februari 1941 hoorde Van Ginhoven van plannen om een vliegtuig naar Engeland te laten vertrekken. Er was vertraging omdat er niet genoeg benzine was. Ligtvoet zag als chemicus wel kans om gewone benzine te verbeteren tot vliegtuigbenzine. Van Ginhoven vroeg Simon Belgraver, die op het laboratorium van de Bataafse Petroleum Maatschappij (later Shell) werkte, om hulp. Die wist het benodigde materiaal uit het laboratorium te smokkelen en leverde het bij Van Ginhoven af. Nu het probleem van de brandstof was opgelost, konden de voorbereidingen worden vervolgd. De vlucht werd op het laatste moment vertraagd door de weersomstandigheden en tot overmaat van ramp verscheen in de hangar een onbekend gebleven man, die waarschuwde dat de Duitsers achter de plannen waren gekomen. Besloten werd de onderneming voorlopig af te blazen. Het door Van Ginhoven verstrekte pakket informatie dat meegenomen zou worden, werd weer bij hem teruggebracht.

V-Männer

Ligtvoet zag nu bij Van Ginhoven geen mogelijkheid meer om met diens hulp in Engeland te komen en nam in Amsterdam andere hulp in de arm. Tijdens deze escapade verscheen er een jonge man ten tonele, die zich voorstelde als Stellbrink. Die maakte Ligtvoet wijs dat er elke twee weken een vliegtuig tussen Engeland en Holland vloog. Maar hij moest wel spionagemateriaal meenemen en overdragen aan de offici√ęle instanties in Engeland. Het betrof een


Jaarboek 28, pagina 69

gedetailleerde plattegrond van de Fokkerfabriek in Amsterdam. Tot 27 maart verbleef Ligtvoet in de woning van Stellbrink in Leiden en op die dag werd hij door een auto afgehaald voor zijn zogenaamde tocht naar Engeland. Het bleek een valstrik. In Wassenaar werd hij aangehouden en gearresteerd.

In deel 5 van het boek ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ onthult dr. L. de Jong dat Stellbrink lid was van de Abwehr, een dienst die zich bezig hield met contraspionage. Vier NSB’ers, waaronder Stellbrink, bekend onder de naam V-M√§nner, vormden het groepje Nederlandse verraders, dat de opdracht had steeds dieper in te dringen in de illegale groepen waarmee zij in contact kwamen.

Ligtvoet werd in de gevangenis van Scheveningen onder druk gezet om alle details van de plannen voor de Engelandvaart te onthullen. Van Ginhoven zette zich, onwetend van dit alles, nog steeds in voor de overtocht van Kop-Jansen en Van ‘t Schip. Op 8 mei 1941 ontmoette Van Ginhoven de twee in caf√© Central in Amsterdam. Vandaar vertrokken ze in een vrachtwagen naar Den Haag. In de buurt van Haarlem werden ook zij gearresteerd. Op de 8e mei zijn alle anderen die hulp hadden verleend of onderdak hadden geboden, ook opgepakt. In totaal 18 mannen werden in afwachting van hun vonnis in Scheveningen gevangen gezet.

Bij huiszoekingen werd bij de buurvrouw van Van Ginhoven een pakketje gevonden met de tekening die Belgraver had gemaakt van de veranderingen op het vliegveld Bergen en berichten bestemd voor Engeland. Dat pakketje was in de pedaalkast van de piano verstopt. Een zoon van Van Ginhoven had haar gevraagd er goed op te passen. In het gerechtelijk vonnis worden voorbeelden gegeven van de inhoud van de berichten zoals:

  • Marinetroepen uit Noord-Holland op zondagmiddag om 05.00 uur vertrokken volgens informatie van een luitenant op weg naar Spanje.
  • In een confectiefabriek in Noord-Brabant worden Turkse uniformen gemaakt.
  • Van de U88 staan 16 stukken in de duinen bij Bergen.
  • Langs de weg tussen Chaussee en Bio zijn betonnen startbanen gebouwd.
  • De oude werf van Conrad aan de Paul Krugerkade wordt vermoedelijk een basis voor torpedoboten.
  • Het Russenduin wordt een meteorologische post voor het leger.

De aanklager had het niet moeilijk om het bewijs te leveren dat Van Ginhoven geheime informatie verzamelde.

Van Ginhoven in de luchtvel van het huis van bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. De foto is gemaakt door een gevangenisbewaarder.
Van Ginhoven in de luchtvel van het huis van bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. De foto is gemaakt door een gevangenisbewaarder.

Doodvonnis

Op 29 september werden alle 18 mannen van de groep Van Ginhoven van het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen overgebracht naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. Het proces vond plaats op 2, 3 en 4 oktober 1941. Het ontkennen van de feiten was vanwege alle bewijsmateriaal zinloos.
Van Ginhoven en Ligtvoet kregen de doodstraf wegens begunstiging van de vijand in combinatie met verraad van staatsgeheimen. Uit het vonnis: “Derartige verantwortungslose Personen m√ľssen nach der √úberzeugung des Gerichtes erbarmungslos ausgerottet werden.” De andere aangeklaagden werden veroordeeld van levenslange tuchthuisstraf tot tenminste drie jaren. Simon Belgraver, die componenten voor de verrijking van de benzine had geleverd en ook hulp had verleend bij het onder dak brengen van Ligtvoet en Van ‘t Schip, kreeg vier jaar tuchthuisstraf die hij in Duitsland onder verschrikkelijke omstandigheden doorbracht. In 1951 emigreerde Belgraver naar Australi√ę, waar hij opnieuw werk vond op een laboratorium. Hij heeft zijn hele verdere leven geleden onder zijn oorlogservaringen.
Krösschell werd vrijgesproken omdat zijn spionageactiviteiten verborgen bleven en hij volhield helemaal niets van de intenties van Van Ginhoven af te weten.

De uitvoering van de doodvonnissen van Van Ginhoven en Ligtvoet zou op 17 november 1941 plaatsvinden, maar deze werd uitgesteld omdat Ligtvoet een revisieproces zou krijgen. Bij dat proces moest Van Ginhoven als getuige optreden. Ligtvoet werd op de dag van het revisieproces, 11 februari 1942, opnieuw ter dood veroordeeld, maar op 16 maart kreeg hij gratie en werd zijn straf veranderd in levenslange gevangenisstraf, waarvoor ook hij naar Duitsland werd overgebracht.
Op 17 maart 1942 werd Van Ginhoven om twee minuten over vier ter dood gebracht op de schietbaan van Laren. Aan zijn vrouw en aan ieder kind persoonlijk heeft hij een afscheidsbrief geschreven.

Kees van Ginhoven: “Ik zat op de school met de Bijbel en werd door mijn zusje opgehaald en naar Amsterdam gebracht, waar wij op de Lekstraat op 1-hoog in aanwezigheid van familie, mijn moeder, broertje en zusje het tijdstip van vaders executie meemaakten.”

Johan van Ginhoven: “Mijn vader heeft er zeer onder geleden dat hij vijf maanden als ter dood veroordeelde in de gevangenis zat zonder dat er verandering in de toestand kwam, maar aan de andere kant was hij er God dankbaar voor dat hij een zo lange tijd kreeg om zich voor te bereiden, in tegenstelling tot vele anderen.”

Herinneringen

Kees van Ginhoven: “Ge√ęxecuteerden werden gecremeerd, de urn werd door een militair (die kreeg daarvoor een paar dagen extra verlof) naar Duitsland gebracht. In mijn vaders geval naar een begraafplaats ten oosten van Berlijn (de zogenaamde Franse begraafplaats). Na de oorlog werden de urnen opgespoord door de Oorlogsgravenstichting en overgebracht naar Erebegraafplaatsen. Het graf van mijn vader is op het Kriegsfriedhof in Osnabr√ľck.


Jaarboek 28, pagina 70

Een paar weken na onze vaders dood moesten wij wegens de grootscheepse evacuatie onze woning aan de Torenstraat verlaten. Met een vrachtwagentje werd ons huisraad naar Friesland gereden; mijn zusje en ik zaten in de cabine naast de chauffeur. Mijn oudste broer (ook 6 maanden in de gevangenis opgesloten geweest) dook onder in Surhuisterveen; de op een na oudste dook onder op een boerderij in Ellecom de derde broer trok in bij een oom (tevens voogd) in de De Steeg (Gelderland).

Moeder, dochter en de jongste werden opgenomen door een boer Reinder de Vries in Opeinde (Smallingerland) en ik kwam op een kleine boerderij ook in Opeinde. Op de zolder van de school werden onze bezittingen opgeslagen. Die zolder is in 1944 in brand geraakt en daarbij verloren wij alle privé-spullen. Medio mei 1944 vond mijn moeder het te gevaarlijk worden op de boerderij en vertrok met de kinderen naar een ander adres. Zij kreeg op een verschrikkelijke manier gelijk; de boerderij van De Vries was het onderkomen van de leden van de knokploeg Smallingerland en het opvangcentrum voor neergeschoten geallieerde vliegers. Die familie De Vries bestond louter uit helden. Op 21 november 1944 vond er een overval plaats door Duitse militairen. Er volgde een schietpartij, waarbij ook twee zoons Jan en Marten de Vries het leven lieten. De boerderij ging in vlammen op. Er is veel gebeurd in Friesland.

Kees van Ginhoven en zijn moeder Cornelia Feij (1902-1990) bij het graf van Huibert in Osnabr√ľck.
Kees van Ginhoven en zijn moeder Cornelia Feij (1902-1990) bij het graf van Huibert in Osnabr√ľck.

In 1947 keerden moeder en de drie jongst en terug naar Castricum, om kort daarna te verhuizen naar Amsterdam in verband met de studie van de kinderen. Moeder kon het heen en weer gereis niet betalen.
Na de oorlog zijn alle kinderen ge√ęmigreerd naar Canada. Ik ben teruggekeerd; emigratie had alles te maken met de treurige naoorlogse situatie in Nederland en veronachtzaming (door de gemeenschap, ook de kerk) van het leed dat ons gezin is overkomen.

Ligtvoet was in mei 1940 bij ons gezin ingekwartierd, evenals Jan, de later omgekomen oudste zoon van Pake de Vries. Ligtvoet is na de oorlog (tijdens de oorlog in de gevangenis in Duitsland) teruggekeerd naar Amsterdam, werd arts en heeft nog enkele jaren bij ons ingewoond in Amsterdam. Hij leed zeer onder zijn schuldgevoel (hij had het gevoel ten onrechte overleefd te hebben). Een aantal Van Ginhoven’s heeft de Yad Vashem-onderscheiding gekregen. Een aangetrouwde oom (Wijntje uit Vlaardingen die deze onderscheiding ook kreeg) heeft mijn oom Dick van Ginhoven (de dominee, broer van mijn vader) gewapenderhand uit de gevangenis bevrijd (zou anders ook ge√ęxecuteerd zijn). Mijn hele familie heeft in het verzet gezeten en Joden ondergebracht en gered.
De meesten van ons gezin en ikzelf ook hebben de nare ervaringen een eigen intieme plaats gegeven. Er werd niet over gepraat, het gezin was uit elkaar gespat. Emotioneel (het was allemaal te erg) is het contact tussen broers en zus nooit meer hersteld. Ook mijn moeder is overgegaan tot de orde van de dag; zij heeft tot op hoge leeftijd voor haar dagelijks brood moeten knokken en heeft het beste (resterende) deel van haar leven aan de opvoeding van haar thuiswonende kinderen gewijd (zij verdient de Militaire Willemsorde); zij heeft argwaan, jaloezie, kerkelijke bemoeizucht en gebrek aan steun van de Stichting 40-45 (ook uit trots) weerstaan.”

In 1946 werd bij de gemeentelijke sociale dienst in Amsterdam een gebrandschilderd gedenkraam geplaatst ter nagedachtenis aan Joodse ambtenaren en verzetsmensen van deze dienst, die in de oorlog omkwamen. Oud-collega’s brachten het geld daarvoor bij elkaar. Op dat raam staat ook de naam van Huibert van Ginhoven en de datum van zijn executie.

In Castricum zijn er de straatnamen die aan hem en aan zijn lotgenoten Jan Hoberg en Leo Toepoel herinneren. Bij de Hervormde kerk vinden we 36 oorlogsgraven van bemanningsleden van geallieerde vliegtuigen. In het park Noordend staat het herdenkingsmonument voor de gevallenen, vlak bij de plaatsen waar bij wijze van represaille 20 mannen werden doodgeschoten.
Zij mogen niet worden vergeten !

Niek Kaan

Bronnen:

  • Jong, L. de: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog o.a. delen 3 en 5.
  • Wal, J.Q. van der: Slachtoffers van de Rozendaalse Emma- pyramide.
  • Baarda S. en Valk G: Alkmaar in oorlogstijd 1940-1945.
  • Don Bosco Groep Alkmaar: Wat een tijd … gedenkboek 50 jaar Don Boscogroep 1991.
    Elburg, A. van: V erslag activiteiten Don Boscogroep in de oorlogsjaren.
  • Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie: uitspraak Feld- gericht inzake Van Ginhoven en 17 anderen d.d. 4-10-1941.
  • Opgaven Erelijst voor gevallenen.
  • Streekarchief Alkmaar: archief gemeente Castricum.
  • Gemeentearchief Amsterdam: gezinskaarten.
  • Informatie van: de heer en mevr. C L . Toepoel, Zr. Matthea Bakker, M. Hopman, mevr. A. Lute-Borst, mevr. T. Vos-Baltus, mevr. T. Wulp-Vergouw, D.J. Hoberg, mevr. H.C. Hoberg, mevr. M. Hoberg-van der Ven, H.R. Hoberg, mr. C.H. van Ginhoven, G. Eikelenboom, C.J. Baart, Th. S. Belgraver en mevr. S. Winter- Belgraver (Australi√ę).

Duin en Bosch, evacuatie (Jaarboek 18 1995 pg 27-30)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Duin en Bosch in Bakkum:
Duin en Boschbegraafplaatsevacuatiepati√ęntenzorgtrammetje
Extra: JacobiJacobi gezin en grafmonument –¬†Broeder Krist vertelt …

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2:¬†Castricum in oorlogstijd¬†–¬†Dagboek kapelaans¬†– De dood van Arie Hageman –¬†Duin en Bosch, evacuatie¬†–¬†Duinkant, een verdwenen dorpje¬†– Oorlogsherinneringen Nardus Bos –¬†Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot¬†–¬†verzetsstrijders¬†–¬†Leenaers, dokter¬†–¬†tante Sientje


Jaarboek 18, pagina 27

Een ziekenhuis op drift

De evacuatie van Duin en Bosch

Juni 1942

Door velen werd het reeds gevreesd, door anderen mogelijk ver­wacht: maar in juni 1942 werd de directie van Duin en Bosch geconfronteerd met een aan duidelijkheid niets te wensen overla­tend bevel van de Duitse Wehrmacht tot ontruiming van het grote ziekenhuiscomplex met uitzondering van een paar bedrijfsgebou­wen, zoals ketelhuis, centrale, wasserij en keuken. Het bericht kwam voor de directie als een donderslag bij heldere hemel en betekende voor bewoners en personeel zonder meer op zeer korte termijn evacuatie naar oorden elders in het land. Ik sprak erover met personen, die er nauw bij betrokken waren en zich er alles van konden herinneren, al is het 53 jaar geleden. Zij wisten er dikwijls kleurig en boeiend over te vertellen. Dat sommigen van hen al niet meer onder ons zijn, is een onontkoombaar gegeven.

Limmen

De directie en de centrale boekhouding en administratie werden voorlopig ondergebracht in een van de dokterswoningen, maar ver­huisden evenwel spoedig naar een niet meer in gebruik zijnd schoolgebouw in Limmen. Van hieruit trachtten geneesheer-directeur dr. Teenstra en hoofdadministrateur Van Keeken plus een aan­tal medewerkers, contact te houden met de vier evacuatiebestemmingen in Warnsveld, Medemblik, Rosmalen en Den Dolder. Het onderhouden van deze contacten bleek later zeer moeilijk te zijn.

Warnsveld

“Ik werd met vele anderen aangewezen als begeleider van een groep van 195 mannelijke en vrouwelijke pati√ęnten voor evacuatie naar de psychiatrische inrichting ‘Groot-Graffel’ in Warnsveld”, vertelde me oud hoofd-verpleegkundige Arie Kossen, toen nog jong verpleger. De groep werd ondergebracht in twee paviljoens waarover dokter Ten Raa de leiding had. “De huisvesting kon nooit optimaal zijn, want Groot-Graffel kon normaal 700 mensen herbergen. Na ons arriveerde nog een groep vrouwen uit Santpoort, zodat er een overbezetting van 400 mensen was. De voedselvoorziening was aanvankelijk uitstekend, maar werd snel minder en er werd tenslotte bijna honger geleden. Een ‘zwaar’ onderhoud met de rentmeester van de stichting, een belangrijke figuur, leidde tot duidelijke verbetering, er kwam meer eten. De verstandhouding met het personeel van Groot-Graffel was zonder meer prima, er werd met elkaar gezongen, zelfs toneel gespeeld, kortom we werden gastvrij ontvangen door onze collega’s in het dorp, die huisvesting aanboden aan het gehuwde personeel van Duin en Bosch. Ik en mijn vrouw met wie ik in het gemeentehuis van Warnsveld trouwde, woonden op kamers bij een collega.”

Toen de voedselsituatie minder werd kon men bij boeren in de omgeving naast melk, ook nog lang rogge en tarwe bemachtigen. “Ik kocht bij een heel goede boer zelfs een big tegen de geldende prijs per kilo. Niks geen ‘zwart’. Ik bracht hem in een zak achter op de fiets naar huis”, lacht Arie Kossen bij de gedachte eraan. Het leven werd eind 1944, begin 1945 echt moeilijk toen Warnsveld in de frontlinie kwam te liggen. Het echtpaar Kossen bracht nog een dag of vier door in de kelder bij de buren, terwijl de granaten van de Duitsers en Canadezen en de gevreesde V1‚Äôs van de Duitsers over het dorp gierden. “Begin 1945 werd ik met andere collega ‘s bij toerbeurt tewerkgesteld bij het aanleggen van versterkingen en geschutsopstellingen voor de Duitsers. Ik zat midden in de winter aan de IJssel te kappen en te zagen voor 35 gulden in de week met zaterdags een worst en een brood mee naar huis.” Arie Kossen kan er boeiend en met zin voor humor einde¬≠ loos over vertellen.

Over het wel en het wee van de pati√ęnten schrijft dokter Ten Raa in zijn sober bijgehouden, maar veelzeggende dagboek over de laatste angstige maanden in Warnsveld:

  • 23 januari 1945 Vandaag veel onrust in de lucht, bommen en schieten.
  • 26 januari 945 Moordende koude, 15 graden beneden nul. Brand¬≠stoffen slinken onrustbarend.
  • 6 februari 1945 De hele dag bombardementen. Veel pati√ęnten van¬≠nacht onrustig. Huilen en schreeuwen.
  • 13 februari 1945 Rantsoenen vet en boter zeer sterk beperkt. Voor ongeveer 1500 pati√ęnten is nog zo’n 12 kg boter per week beschikbaar. Het middageten van de pati√ęn¬≠ten is ongeveer de helft van gewoonlijk. Kolen zijn op en er moet met hout worden gestookt.
  • 10 maart 1945 Door gebrek aan hout, stopt heden de centrale ver¬≠warming. Koude noordenwind, koud op alle zalen.
  • 28 maart 1945 Met opgewektheid gevierd het 25-jarig dienstjubileum van zuster Fekkes, vooral nu de gebeurtenis¬≠sen wijzen op een snel naderend einde van de oor¬≠log.
  • 31 maart 1945 Vanmiddag is alles op en om het terrein in oorlogsopstelling. De pati√ęnten van de zolders zullen beneden op de grond slapen. Alle mobiele pati√ęn¬≠ten blijven ‘s nachts in de kleren.
  • 4 april 1945 Om half twee ‘s middags begint een beschieting met granaten, die met korte onderbrekingen duurt tot 10 uur ‘s avonds. Na talloze granaatinslagen, die een mannelijke pati√ęnt doodden, kwam om 10 uur ‚Äės avonds nog mitrailleurvuur op ons mannen¬≠ paviljoen, waardoor 2 pati√ęnten op slag gedood werden. Toen kort na 1 uur vier voltreffers op ons vrouwenpaviljoen. Het was een hel toen de Canadezen door de gangdeuren naar binnen scho¬≠ten. Begeleid door broeder Nonnekes, die een branden¬≠de lantaarn omhooghield, kon ik de Canadese offi¬≠cier overtuigen, dat dit een ziekenhuis was en geen militaire vesting, zoals hij op zijn kaart had staan. Het was zijn opdracht het gesticht volkomen te vernietigen. Even na ons gesprek hield het artille¬≠rievuur op ons gesticht op.
  • 5 april 1945 Een helse nacht om nooit te vergeten. Alle pati√ęn¬≠ten tezamen gepakt met het personeel in de bene¬≠den gangen. Niemand sliep. Alle personeel hielp voortreffelijk in de allerzwaarste omstandigheden.

Tot zover het dagboek van dokter Ten Raa. De volgende dag was Groot-Graffel bevrijd. Vier pati√ęnten lieten het leven en in de loop van de evacuatie werden de enkele Joodse pati√ęnten, die van Duin en Bosch waren meegekomen, weggevoerd naar de vernietigings¬≠kampen in het oosten.


Jaarboek 18, pagina 28

“Het was een benauwde en angstige tijd, die je nooit meer ver¬≠geet,” aldus Arie Kossen. Zijn groep keerde het eerst terug op Duin en Bosch op 30 oktober 1945.

Medemblik

Met als einddoel het zusterziekenhuis in Medemblik kroop in die bewogen juni maand in 1942 een lange karavaan autobussen, vracht- en verhuiswagens richting IJsselmeer, waar 162 mannelij¬≠ke pati√ęnten en 40 personeelsleden zouden worden ondergebracht. De algemene leiding berustte bij dokter Kruytbosch; de dagelijkse leiding was in handen van zuster Frikkee.
Oud-verpleegster Jeanne Kriekaard (in 1994 overleden) was er bij en vertelde me haar ervaringen: “De ontvangst was uitermate har¬≠telijk en warm, het laatste niet in het minst door de grote ketels met stevige, smakelijke soep, die de keuken in Medemblik voor ons had bereid.” Die ontvangst was haast symbolisch voor de fijne verstandhouding, die er in die lange evacuatietijd was ontstaan. Het ziekenhuis kende niet als Duin en Bosch paviljoens, maar het ‘bloksysteem’, waarbij de bevolking eigenlijk onder √©√©n dak woont, dat wil zeggen in twee grote vleugels en een hoofdgebouw. De Duin en Bosch-bewoners werden in een aantal door de Medemblikker pati√ęnten ontruimde zalen ondergebracht, terwijl een grote werkzaal als ziekenzaal werd ingericht. Het ongehuwde personeel van Duin en Bosch werd in slaapkamertjes gehuisvest op de bovenverdieping, terwijl de gehuwden al redelijk snel onderdak vonden in het stille stadje.

Hoofdgebouw te Medemblik.
Hoofdgebouw te Medemblik.

“In het ziekenhuis mengden onze mannen zich al gauw onder de Medemblikkers, omdat sommige zalen eigenlijk gewoon in elkaar overliepen. Het ging wederkerig en ‘s avonds was het vaak √©√©n grote familie en een en al gezelligheid. Tussen de personeelsleden waren de relaties eveneens prima, wat later zou blijken uit een handvol huwelijken, die er werden gesloten. Het eten was er heel lang goed en voldoende, maar in de laatste winter werd het steeds meer mondjesmaat net als overal. Licht en verwarming waren er de laatste maanden nauwelijks meer. Grote met hout gestookte en soms bar rokende en stinkende kachels zorgden nog voor wat behaaglijkheid. Het water werd tenslotte tot een minimum gerant¬≠soeneerd”, aldus Jeanne Kriekaard, die een trieste herinnering had aan die dag in maart 1944 toen de Duitsers 9 Joodse pati√ęnten van Medemblik en Duin en Bosch wegvoerden naar Auschwitz, waar ze het leven lieten. “We waren machteloos en verslagen”, besloot ze haar verhaal.

Aanvankelijk als huishoudelijke hulp, later in de grote keuken werkzaam heeft Gr√© Froma – Zonneveld aan die jaren in Medemblik – ondanks alles – veel goede herinneringen. “De verstandhouding tussen het interne perso¬≠neel van Medemblik en ons was prima en er ontston¬≠den van lieverlede hechte relaties tussen de broeders van Medemblik en de zusters en dienstmeisjes van Duin en Bosch. Op Duin en Bosch vond men in die jaren de omgang van broeders met dienstmeisjes maar zo zo”, wil ze even kwijt. Een sterke, angstige herinnering heeft ze aan 15 januari 1945 toen zo’n 100 man Gr√ľne Polizei en Wehrmacht een grote razzia hielden in het ziekenhuis, dat – overigens niet ten onrechte – door de Duitsers werd beschouwd als een broeinest van verzet en een verblijfplaats voor onderduikers. “Ik werd uit de keuken gehaald en door de beruchte Fischer, commandant van de Gr√ľne Polizei, gesommeerd hem de weg te wijzen boven in het hoofdgebouw, waar hij kennelijk niet vond wat hij zocht. Ik ging trillend op mijn benen weer met hem naar beneden. Veel later hoorde ik dat zich op zolder een bekende Medemblikker ver¬≠zetsman schuilhield. In de vroege ochtend van die dag werd een aantal uitwonende personeelsleden – op weg naar hun werk- op een hoop gedreven en voor verhoor meegenomen naar het hoofdkwartier van de Gr√ľne Polizei. De meesten werden vrij snel weer losgelaten, een paar moesten voor een verder verhoor naar Alkmaar, maar ook zij keerden gauw terug, behalve een paar broeders van Medemblik, die naar Duitsland werden getransporteerd. Een aantal jonge Medemblikker verplegers – bevreesd voor de Arbeitseinsatz in Duitsland – bracht de dag door in de verwarmingskelders, die zich onder het gehele complex uitstrekten. Ze kwamen na vertrek van de Duitsers weer te voorschijn, al hadden ze wel angstige ogenblikken gekend.”

Pati√ęnten en personeel ge√ęvacueerd in Medemblik.
Pati√ęnten en personeel ge√ęvacueerd in Medemblik.

Wat haar het meest is bijgebleven, was de beschie­ting van een kleine Nederlandse vrachtboot door een Engelse Typhon op het IJsselmeer vlak onder de haven van Medemblik een paar weken vóór de bevrijding. Met een aantal doden en gewonden aan boord meerde de boot af langs het ziekenhuisterrein aan de Westerhaven, waar al snel de nodige en nog mogelijke hulp werd geboden. Een paar oudere Duin


Jaarboek 18, pagina 29

en Bosch-zusters begeleidden de gewonden op een met stro en strobalen bedekte boerenwagen met een witte vlag naar het zie¬≠kenhuis in Enkhuizen: een gevaarlijke onderneming met die vlieg¬≠tuigen in de lucht. Toen de Bevrijdingsdag eindelijk kwam, werd de etensbel aan de muur van het hoofdgebouw uitbundig geluid (hij prijkt nu naast het Duin en Bosch-museum in een klokkenstoel). “Ja, je was blij, maar toch timide en triest om wat er gebeurd was, het fusilleren van drie Medemblikker personeelsleden. Je kende ze allemaal zo goed”, besloot Gr√© Froma haar verhaal.

De aankomst in juni 1942De aankomst in juni 1942 op 'Coudewater' te Rosmalen.
De aankomst in juni 1942 op ‘Coudewater’ te Rosmalen.

Rosmalen

“Die evacuatie kwam als een donderslag bij heldere hemel. De nacht v√≥√≥r het vertrek sliepen we met de vrouwen in het stro, omdat ledikanten en bedden al in de vrachtauto’s waren geladen”, vertelde hoofdverpleegster Chris Commandeur mij’ toen ik twee jaar geleden met haar sprak over de evacuatie naar het R.K. Gesticht ‘Coudewater’ in het Brabantse Rosmalen. Met haar colle¬≠ga en huisgenote Jeanne Holtrop vergezelde ze een groep van 159 vrouwen, die onder supervisie van mevrouw dokter Aukes moes¬≠ten verhuizen naar het zuiden des lands. De pati√ęnten werden ondergebracht in een tweetal ontruimde paviljoens, het personeel in het zogeheten ‘Sanatorium’. Toen er later nog 200 mensen uit ‘Oud-Roosenburg’ bij Loosduinen en 150 uit Noordwijkerhout bij kwamen, moest het personeel zich in de dorpen Berlicum en Rosmalen vestigen. Hoe was het contact met het personeel van Coudewater? “Er was heel weinig contact, de omgang was bijna gereserveerd. Mogelijk speelde daarbij de katholieke signatuur van het gesticht wel een rol; we leefden eigenlijk helemaal apart en dat was onder de gegeven omstandigheden toch wel vreemd”, aldus de zusters. “De voedselvoorziening was bepaald goed te noemen. Dank zij een eigen boerderij, waarvan de verbouwde tarwe, rogge en peulvruchten nooit werden ingeleverd bij de Duitsers, was er haast geen gebrek, terwijl de keuken in 1944 toch voor zo‚Äôn 1500 mensen moest zorgen”, weet Chris Comman¬≠deur. “Er werd ook regelmatig clandestien geslacht. Nee, honger hebben we nooit geleden zoals de mensen in Den Dolder, al kon¬≠ den wij het moeilijk begrijpen dat de pati√ęnten van hun klasse-afdeling ondanks de schaarste altijd betere en ruimere voeding kregen, terwijl iedereen toch dezelfde bonkaarten had.”

De zusters willen het zo veel jaren later nog wel even kwijt. Ontspanning was er vrijwel niet en daarvoor was ook geen gele¬≠genheid toen van medio tot eind 1944 de Engelsen en Canadezen gestaag oprukten in het zuiden en Coudewater in de frontlinie kwam te liggen. “Een angstige tijd door de schietpartijen en bombardementen over en weer. De pati√ęnten werden in de kelders van de paviljoens ondergebracht waar ze beschermd waren tegen bomscherven. Het was gewoon een hel als de granaten over Coudewater gierden en de bommen insloegen, terwijl je ‘s nachts de vrouwen in de kelders moest verzorgen en verschonen. Velen waren incontinent. We konden er amper rechtop staan”, herinne¬≠ren de zusters zich nog maar al te goed. Overigens vielen er geen slachtoffers, behalve een zuster uit Oud-Roosenburg, die door een granaatscherf werd getroffen en gewond werd. Op 24 oktober werd Coudewater door de Engelse troepen bevrijd. “Ik was die dag jarig en had me geen mooier verjaardagscadeau kunnen wensen”, aldus Jeanne Holtrop.
Toch zou het nog ruim een jaar duren – om precies te zijn op 20 november 1945 – dat de groep ‘Rosmalen’ weer op haar oude paviljoens Vrouwen I en Vrouwen II van Duin en Bosch terug¬≠ kwam en aan een bange tijd een einde kwam.
De zusters Holtrop en Commandeur zijn in 1993 en 1994 overle­den.

Den Dolder

Ook al eiste direct oorlogsgeweld geen slachtoffers onder pati√ęnten en personeel, de evacuatieperiode in Den Dolder zou de meest rampzalige, de zwartste bladzijde in de oorlogsgeschiedenis van het zieken¬≠huis worden. Van de 254 mannen en vrouwen, die juni 1942 een ander onderkomen vonden in een tweetal paviljoens van de Willem Arntzhoeve, stierf van juni 1942 tot december 1946 ongeveer 25%. Een schrikbarend sterftecijfer, dat zijn oorsprong vond in het vanaf 1942 stijgend voedselgebrek, in de kou op de tenslotte onverwarmde zalen en in de onmoge¬≠lijkheid hen – ondanks alle zorg en inzet van het per¬≠ soneel – de verzorging en behandeling te geven, die zij nodig hadden.
Evenals de evacu√©s van Rosmalen sliepen de pati√ęnten van Vrouwen II en Vrouwen III de laatste nacht in het stro, omdat de ledikanten en bedden al de dag ervoor naar Den Dolder waren vervoerd, waar een paar personeelsleden de slaapgelegenheid zo goed mogelijk hadden verzorgd.

Een van hen was oud-verpleegster Hilde Nienhuis. Zij wist er nog heel veel van te vertellen. “Het verkeer langs de route door Amsterdam was voor de Duin en Bosch karavaan speciaal omge¬≠leid. Dokter Graafland (later werd hij vervangen door dokter Elderson) en hoofdzuster Ruisaart hadden de leiding. We werden vriendelijk ontvangen en de relatie met onze collega’s van de Willem Arntzhoeve was en bleef ook heel prettig. Ja, alles liet zich in het begin goed aanzien, maar dat zou in de loop van de tijd ver¬≠anderen. De voedselrantsoenen werden steeds kleiner en de opge¬≠slagen voorraden in de centrale vestiging in Limmen waren al gauw als een druppel op een gloeiende plaat. Kwam er eens wat extra’s, dan belandde dat vaak op de klasse-afdeling van de W.A. hoeve in plaats van bij ons. Het verbaasde ons nauwelijks sinds de leiding van het ziekenhuis door een N.S.B.-directeur was vervan¬≠gen. Hoewel het nabijgelegen vliegveld Soesterberg regelmatig door de geallieerde luchtmacht werd gebombardeerd en twee paviljoens van de inrichting werden getroffen, vielen onder onze mensen geen slachtoffers.


Jaarboek 18, pagina 30

De Jodenvervolging, die zich in 1943 ook tot ziekenhuizen en psy¬≠chiatrische inrichtingen uitstrekte, was een andere bedreiging. Het personeel had al direct de namen van de vijf of zes Joodse mensen uit hun kleding gehaald en bij een razzia week een zuster via een achteruitgang met hen uit naar een blokhut in het bos, die een vei¬≠lige haven bleek. In 1944 was er geen verwarming meer, moest het water uit twee bronnen op het terrein worden gehaald en lag de wasserij stil. We wasten vuil lijf- en beddengoed met ‘luchtzeep’ in koud water in de badkuipen, ook besmet goed, want er was een dysenterie-epidemie onder de pati√ęnten uitgebroken, die steeds meer slachtoffers maakte. Daarbij kwam tot overmaat van ramp de schurft, die we haast niet meer konden behandelen, omdat er geen desinfectiemiddelen waren. Het werd een ware ramp. Veel mensen stierven door de kou, door gebrek aan voedsel en geringe weerstand. Voor de doden waren geen kisten meer; ze werden in een papieren zak gewikkeld en op een grote kar naar het kerkhof vervoerd. Heel luguber allemaal”, aldus Hilde Nienhuis, die de Joodse pati√ęnten van de Willem Arntzhoeve staande in vrachtau¬≠to’s zag wegvoeren. “Het was afschuwelijk en we konden niets voor hen doen, we waren machteloos”, verzucht ze nu nog zoveel jaren later.
In december 1946 arriveerde haar groep na vier verschrikkelijke jaren weer op Duin en Bosch. Velen van hen, in 1942 vertrokken, hadden het niet overleefd.

Terug naar Bakkum

Wat was er sinds juni 1942 met het leegstaande Duin en Bosch gebeurd? De verlaten paviljoens boden al gauw huisvesting aan Duitse militairen en manschappen van de ‘Organisation Todt’, de bouwafdeling van de Duitse Wehrmacht. Zij werden ingezet bij de aanleg en het bouwen van versterkingen en fortificaties, zoals de bunkers in de duinen en aan de kust en de voor een deel nooit opgeruimde ‘Tankwal’ bij de Geversweg. Ook bouwden zij de bunkers op het ziekenhuisterrein aan de Sifriedstraat, twee kleine en √©√©n grote, die later volgestort met beton en overdekt met zand, aan het gezicht onttrokken zijn, √©n ook de nog zichtbare bunker achter het PWN-gebouw.

Dankzij de bezetting – men had ze immers nodig – bleven elektrische centrale, ketelhuis en wasserij gewoon functioneren met het daar werkzame personeel, zo goed en zo kwaad als dat onder de oorlogsomstandigheden mogelijk was. Aan de directie was eind 1942 de toegang tot het ziekenhuis ontzegd.
Men zou verwachten dat na de bevrijding de evacuatiegroepen spoedig op Duin en Bosch zouden terugkeren, maar niets bleek minder waar. Na de capitulatie van de Duitse troepen hadden de Binnenlandse Strijdkrachten hun oog laten vallen op de leegstaan¬≠ de gebouwen. Van de zes paviljoens, voor zover bruikbaar, werden er vier ingericht tot bewaringskamp voor ‘politieke delinquenten’ en twee tot verblijf van de manschappen. In het A-gebouw werden wapenkamers en militaire bureaus gevestigd.

Half juli 1945 werd een deel van het A-gebouw vrij gegeven en kon men het bewoonbaar maken om van daaruit de langzamerhand weer ter beschikking gestelde paviljoens leeg te ruimen en schoon te maken. Het daarvoor aangetrokken personeel moet het gevoel gehad hebben ‘sisyfusarbeid’ te verrichten. De gebouwen waren volkomen uitgewoond, niet alleen door de Duitsers, maar ook door de paarden die er gestald waren. Langzaam maar zeker werden de paviljoens enigermate geschikt om hun eigenlijke bewoners weer te ontvangen, al zou het nog wel behelpen worden voorlopig. Er was nog aan alles gebrek. Een direct na de bevrijding inzettende stroom van nieuwe pati√ęnten en een groot tekort aan verpleegkun¬≠digen en medische staf, maakten het alleen nog maar erger.

De 130 pati√ęnten uit Warnsveld, die op 30 oktober 1945 als eer¬≠sten met hun begeleiders terugkeerden, vonden misschien letterlijk een ‘opgemaakt bedje’, maar meer ook vrijwel niet. Op 20 novem¬≠ber van dat jaar volgden 129 vrouwen uit Rosmalen.
Omdat de schoonmaak en herinrichting van de gebouwen veel tijd vergde, werden alle teruggekeerden voorlopig op Mannen II (de tegenwoordige Loet) ondergebracht, wat in dit nu meer dan over­bevolkte paviljoen uiteraard ook problemen met zich mee bracht. Men kon de problemen echter de baas! Had men zich nog maar zo kort geleden, onder slechtere omstandigheden niet moeten behel­pen? De terugkomst van de groepen uit Medemblik en Den Dolder zou nog meer dan een jaar duren. Pas op 19 december 1946 keerden de laatste evacués terug op Duin en Bosch. Aan meer dan vier jaar van ontberingen, droefenis, angst en ellende was toen een eind gekomen.

Jaap Glastra

Het 'thuisfront' in Limmen op 9 mei 1945.
Het ‘thuisfront’ in Limmen op 9 mei 1945.

Leenaers, dokter (Jaarboek 13 1990 pg 25-31)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2Castricum in oorlogstijd – Dagboek kapelaans – De dood van Arie Hageman – Duin en Bosch, evacuatie – Duinkant, een verdwenen dorpje – Oorlogsherinneringen Nardus Bos – Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot – verzetsstrijders – Leenaers, dokter – tante Sientje

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gr√© – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus

Extra artikel over dokter Leenarts: Plaquette van dokter Leenarts.


Jaarboek 13, pagina 25

Wie was … dokter Leenaers

“Collega Leenaers bezat alle gaven om een belangrijke rol te spe¬≠len in het artsenverzet en hij heeft deze gaven met brandend en¬≠thousiasme in dienst van het verzet gesteld. Tegen zijn overredingskracht waren slechts weinigen bestand, marchanderen ken¬≠ de hij niet, elk offer wilde hij ten alle tijde brengen voor een tri¬≠omf van het Medisch Contact, dat hij er zijn leven voor over zou hebben was bij hem geen holle frase, verlies van huis en praktijk telde hij gering in verhouding tot het grote doel: de ide√ęle en feite¬≠lijke overwinning op het Nazidom‚ÄĚ.
Met deze gloedvolle woorden werd dokter Leenaers herdacht tij­dens de eerste in vrijheid gehouden vergadering van het Medisch Contact, dat van 1941 tot 1945 het artsenver2et leidde.

Wie was dokter Leenaers …

Henri Maria Joseph Michel Leenaers werd op 11 december 1901 in Maastricht geboren. Hij was het derde kind van Alphonse Lee­naers, bierbrouwer en Emma Marres. Henri werd al spoedig Harry genoemd. Vier kinderen telde het gezin, dat woonde in de Sta­tionsstraat vlakbij het station.
Hij bezocht in Maastricht de lagere school en daarna het gymnasium.
Een grote gave van hem was zijn uitstekende geheugen. Hij hoef­ de maar één keer iets te lezen en dan was het in zijn geheugen ge­grift. In het begin van het laatste jaar op het gymnasium trof hem een ramp. Hij kreeg een hersentumor en dreigde blind te worden. De genezingskansen waren heel gering. De destijds zeer bekende chirurg prof. Winkelman opereerde hem in Utrecht. Het werd op dit gebied de tweede geslaagde operatie in Nederland. Een stukje van zijn schedel moest worden verwijderd en dat is nu nog in be­zit van de familie, omdat Harry er op stond dat hij dat mee zou krijgen. Zijn belangstelling voor de medicijnenstudie was toen al duidelijk aanwezig.

Enkele maanden was hij door zijn ziekte niet op school en de rec­tor van het gymnasium achtte het dan ook niet verantwoord dat hij examen deed. Op eigen risico nam hij er toch aan deel en tot ieders verbazing slaagde hij met uitstekende cijfers.

Student

In het jaar 1919 begon Harry Leenaers zijn artsenstudie aan de universiteit van Amsterdam. Hij werd lid van de Katholieke Stu­denten vereniging Thomas van Aquino en werd gevraagd zich aan te sluiten bij het dispuut Noctua.
Noctua was in 1917 opgericht en telde enkele tientallen leden die allen medicijnen studeerden. Een jaar na zijn inauguratie op 6 november 1920 werd Harry Leenaers voorzitter. Daarna was hij nog een jaar secretaris. Tot de uiterlijke tekenen van het lidmaat­schap behoorde een soort Schotse baret en een wandelstok.
Het dispuut betekende heel veel voor de leden, die vrienden voor het leven werden. Leenaers had niet kunnen denken dat zijn jongste zoon Walter in 1958 tijdens diens artsenstudie van het­ zelfde dispuut lid zou worden. Ook in ander opzicht zou Walter in de voetsporen van zijn vader treden zoals later blijkt.
Bij dat dispuut ontmoette Leenaers zijn latere opvolger A.P.W.A.M. de Jongh, “Dikkie” voor vrienden, wiens vader in het hartje van Amsterdam in de Oude Hoogstraat een apotheek had. Met het zusje van zijn vriend, Hendrica (Riek), ontstond een nog inniger band, hetgeen tot een verloving leidde. Op 9 sep¬≠tember 1926 werd in Amsterdam hun huwelijk gesloten.

Riek de Jongh en Harry Leenaers trouwen op 9 september 1926 in Amsterdam.
afb. 1 Riek de Jongh en Harry Leenaers trouwen op 9 september 1926 in Amsterdam.

Op ‘t Sant

Inmiddels was Harry op 17 februari 1926 afgestudeerd. Hij nam per 1 april 1926 in Castricum de praktijk over van dokter Schoonhoff, die ongeveer 20 jaar huisarts in Castricum was ge­weest. De praktijk van dokter Schoonhoff was gevestigd in diens woning; het oude Hermana State, dat stond in de Dorpsstraat op de plaats waar nu de Amrobank staat.

Tekening van Sijf Portegies van Huize Maja. Het huis werd in 1919 gebouwd in opdracht van de heer J.P. Kraak. In 1929 werd het voor de eerste keer gedeeltelijk aangepast tot café en pension. Nu ken­nen we het als hotel-rest. Komman.
Afb. 2 Tekening van Sijf Portegies van Huize Maja. Het huis werd in 1919 gebouwd in opdracht van de heer J.P. Kraak. In 1929 werd het voor de eerste keer gedeeltelijk aangepast tot café en pension. Nu ken­nen we het als hotel-rest. Komman.


Jaarboek 13, pagina 26

Dokter Leenaers betrok eerst Huize Maja, het tegenwoordige Hotel-Restaurant Komman, (afb 2). Hij huurde het van de heer Claasen die in het toenmalige Ned. Indi√ę verbleef. Hij liet er een tijdelijke houten garage naast zetten. Door aannemer Jan Houtenbosch werd een nieuwe praktijkwoning gebouwd aan de Mient die de naam “Op ‘t Sant” kreeg, (afb 3 en 4). Iets ten noorden van deze plaats zou later het naar hem genoemde wijkgebouw verrijzen.

afb. 3 Eerste steenlegging van de praktijkwoning “Op ‘t Sant”. Van links naar rechts: Theo v.d. Himst (opperman), Floris de Groot, Cor de Groot, Gijs v.d. Himst, Cees de Groot (aannemer), Jan Houtenbos (aannemer), Mevr. Leenaers, Burgemeester Lommen, dokter Leenaers met zoon Gerard op zijn arm en mevr. Lommen (moeder van de burgemeester).

Huize "Op 't Sant".
afb. 4 Huize “Op ‘t Sant”.

In korte tijd wist dokter Leenaers het vertrouwen van velen te winnen. Hij voelde de mensen goed aan, was bijzonder kundig en stond bekend om zijn goede diagnoses. Hij kreeg een heel drukke praktijk, die zich uitstrekte tot Egmond-Binnen. Ook had hij de zorg voor gasten op het kampeerterrein en voor de kinderen in de toenmalige vakantiekolonies St. Antonius en De Eenheid.

De gezondheidstoestand van de bevolking liet heel wat te wensen over. Er waren veel grote gezinnen die klein behuisd waren en in de helft van de woningen werd nog in bedsteden geslapen zonder frisse lucht. Besmettelijke ziekten konden zich makkelijk verspreiden.

Er waren veel gezinnen waar T.B.C. heerste en bij die woningen stond dan een soort tuinhuisje dat naar de zon kon worden ge¬≠draaid, waar de pati√ęnt overdag in lag.

Er moest hard worden gewerkt. De dokter had een apotheek aan huis en trok zo nodig ook tanden en kiezen (tarief per stuk ∆í1,-) en oefende dus naast het beroep van huisarts ook dat van apotheker en zo af en toe tandarts uit. Ook bevallingen werden door hem veel gedaan (tarief ∆í 15,-). Voor bevallingen werd door de dokter ook wel verwezen naar de verloskundige. Mevr. Scholten – Kloes herinnert zich dat √©√©n van de moeders na de zoveelste be¬≠valling steeds maar informeerde of de dokter het al wist. Toen zij dat aan de dokter vertelde zei hij: “Dat begrijp ik wel. Ze kreeg bij elke gezinsuitbreiding een grote taart van me. Die krijgt ze nu ook weer hoor!”

De dokter eiste van zijn pati√ęnten dat ze zijn voorschriften pre¬≠cies opvolgden anders kregen ze de wind van voren.

Kort na zijn komst in Castricum nam de dokter het initiatief tot oprichting van de EHBO (afb 5). Hij gaf zelf les in een zaaltje achter het toenmalige café Van Benthem op de hoek van de Dorpsstraat en de Burg. Mooijstraat. Eén van zijn leerlingen her­innert zich dat hij heel goed les gaf, maar dat het zo snel ging dat sommigen het moeilijk bij konden houden.
Leenaers wordt ook genoemd als een van de oprichters van het Witte Kruis in Castricum en hij was een van de voorvechters van een nauwe samenwerking met het Wit Gele Kruis om op die ma­ nier een groter dienstenpakket te kunnen aanbieden. In oktober 1941 werd tussen de twee organisaties voor dat doel een overeen­komst gesloten.

Dokter Leenaers, 2e van links, bij de strandpost van de EHBO in 1933.
afb. 5 Dokter Leenaers, 2e van links, bij de strandpost van de EHBO in 1933.

Het gezin Leenaers telde drie zoons en twee dochters. Op 10 juni 1941 kwam daar nog een tweeling bij, waarvan het jongetje ech­ter overleed. Het was een druk gezin, maar mevrouw Leenaers, een knappe en charmante vrouw op wie de dokter heel trots was, stond er niet alleen voor.
Bij √©√©n van zijn grootste vrienden de chirurg dokter Kerssemakers van het St. Elisabeth-ziekenhuis te Alkmaar, was een dienst¬≠ bode in huis uit ‘t Zand in Noord-Holland. Aan haar vroeg Lee¬≠naers of zij niet nog iemand kende die bij hem in dienst kon ko¬≠men. Dat bleek het geval te zijn. Op deze manier kwam het contact tot stand tussen Regien Baltus eveneens uit ‘t Zand en de fa¬≠milie Leenaers. Tussen haar en de familie ontstond een band die nog tot de dag van vandaag (red: in de jaren negentien negentig) voortduurt.
De dokter zette zich volledig in voor zijn pati√ęnten en niet alleen in medisch opzicht. Als hij wist dat mensen armoede leden dan


Jaarboek 13, pagina 27

volgde er geen nota. Daarentegen bleef er soms na zijn vertrek een geldbedrag op tafel achter.

Voor de oprichting van de ziekenfondsen hadden veel artsen een eigen fonds, de zgn. doktersbus. Tegen betaling van een geringe premie had men een beperkt recht op hulp. Ook dokter Leenaers had een dergelijke regeling. Verschillende personen heeft dokter Leenaers in dienst gehad om het geld voor dit fondsje op te halen. In 1941 betaalde men 62 cent per week.
Het was in de crisisjaren dat Leenaers Joop Zentveld aantrok die juist zonder werk was en een groot gezin moest onderhouden. Later zou de heer Zentveld in dienst treden bij het ziekenfonds Alkmaar.
De grote receptie ter gelegenheid van zijn 12,5 jarig ambtsjubi­leum in 1938 werd een demonstratie van aanhankelijkheid jegens de dokter. Als cadeau werd de dokter een nieuwe onderzoektafel aangeboden. Op zijn oudste zoon Gerard maakte de serenade die de fanfares avonds voor hun huis ten gehore bracht diepe in­ druk. Misschien wel vooral omdat die bij het licht van vele fak­kels plaats vond.

Bezetting

Het bombardement op het vliegveld Bergen in de vroege ochtend van de 10e mei 1940 was de eerste kennismaking van onze streek met de oorlog. Al spoedig arriveerden de eerste Duitsers in Castricum. De Ortskommandantur werd gevestigd in de pastorie van de Hervormde kerk. Burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo liet zich kennen als aanhanger van de NSB. Spoe¬≠dig maakte hij promotie en werd benoemd tot burgemeester van ‘s-Hertogenbosch. Op 29 augustus 1942 werd zijn opvolger NSB burgemeester Masdorp ge√Įnstalleerd door de commissaris der provincie A.J. Backer. In de avonduren werd het groepshuis van de NSB in de Torenstraat geopend. De plaatselijke leider van de partij verklaarde bij die gelegenheid dat de geestelijken en de doktoren in Castricum aanstokers van het verzet zijn.

Burgemeester Masdorp heeft dat zeker ervaren. Op 19 oktober 1942 liep hij dokter Leenaers tegen het lijf in het gemeentehuis en ontspon zich de volgende dialoog:
“Bent u niet dokter Leenaers?”
“Wat zou dat”
“Bent u niet de gemeente-arts?”
“Wat zou dat”
“Behoort u uw burgemeester dan niet te groeten?”
“Ik groet alleen burgemeesters die door de Koningin zijn aangesteld”
“Hier zult u meer van horen!”
“Ik ben voor u en uw terreur niet bang”

Later op die dag ontmoette juffrouw Van Nievelt, zuster van collega-arts Van Nievelt, dokter Leenaers en hoorde het verhaal. Zij waarschuwde hem en zei: “Wees toch wat voorzichtiger, denk aan je vrouw en kinderen”.
Dokter Leenaers antwoordde echter: “Ze zullen zich nooit hoe¬≠ven te schamen, omdat ik mijn mond heb gehouden”.

De burgemeester liet het er niet bij zitten, nog dezelfde dag ont­ving Leenaers schriftelijk bericht van zijn voorgenomen ontslag. Hem werd verweten dat hij zich niet gedroeg zoals van een gemeente-arts verwacht mocht worden, vanwege zijn:
1. bij herhaling uiting geven aan anti-Duitse en anti nationaal so­cialistische inzichten
2. onbeleefd en onbehoorlijk gedrag tegen de burgemeester
3. verwekken van onrust en onenigheid in de gemeente
Kapelaan Verheul noteerde op 19 oktober 1942 in het dagboek van de kapelaans van de Pancratiusparochie: “Onverschrokken en onverdroten getuigt onze dokter voor het vaderland. Tot voor¬≠ beeld voor ons nageslacht willen we even wijzen op de grote naastenliefde die door de dokter wordt beoefend. Honderden zakken aardappelen en graan zijn door hem opgekocht voor ar¬≠me arbeiders”.
De dokter verleende in de oorlogsjaren op grote schaal hulp. Ar¬≠moede en honger kon hij niet aanzien zonder zijn best te doen iets van die nood te lenigen. De thans 79-jarige kapelaan Verheul herinnert zich de contacten met dokter Leenaers nog goed. De dokter had een duidelijke visie op de maatschappij zoals die er na de oorlog uit zou moeten zien. Hij was van mening dat er dan voor iedereen een gelijk recht op medische hulp zou moeten ko¬≠men, onafhankelijk van iemands financi√ęle positie. Goede wo¬≠ningen en sociale voorzieningen waren zaken waarvoor hij wilde strijden.

Hoe fel Leenaers gekant was tegen de Duitsers bleek al op 10 juni 1941 toen zijn jongste dochter werd geboren en zij de namen ont­ving Madeleine Beatrix Irene.
Vaders houding ontging ook de toen 4-jarige Walter niet. In het dorp achter op de fiets bij de huishoudster Regien Baltus kraaide hij tot haar grote schrik: “Rotmoffen h√® Regien, rotmoffen”.

Dokter Leenaers heeft vanuit Castricum op bijzondere wijze spionage verricht. Door de Engelsen werden kooitjes met duiven gedropt. Daarin zat naast voer voor de duif een papiertje met vragen over de positie van de vijand, versterkingen etc.

Dankbetuiging van de Engelse regering aan dokter Leenaers voor zijn berichtgeving via een postduif.
afb. 6 Dankbetuiging van de Engelse regering aan dokter Leenaers voor zijn berichtgeving via een postduif.


Jaarboek 13, pagina 28

Jan Veldt trof begin 1943 een kooitje met een duif aan hangend in het prikkeldraad, vlakbij de gesloopte boerderij van de familie aan de Brakersweg. Hij bracht het papier met het verzoek om in¬≠formatie naar dokter Leenaers. Welke gegevens de dokter heeft verstrekt heeft Jan Veldt nooit geweten, maar die heeft het dunne papiertje weer in het kokertje gestopt dat aan de poot van de duif was bevestigd en het diertje weer vrijgelaten. Het enige wat hij er¬≠ van wist was dat het bericht was ondertekend met de schuilnaam “Spijker”.
Na de oorlog werd in de kranten een oproep geplaatst met de vraag wie aan deze vorm van spionage hadden meegewerkt. De zuster van Jan Veldt, Marie, heeft toen haar broer en dokter Lee¬≠naers voorgedragen, met het gevolg dat aan beiden een offici√ęle dankbetuiging van de Engelse regering werd aangeboden, (afb 6).

Medisch Contact

Zoals de meeste artsen was Leenaers aangesloten bij de Neder­landse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. Handha­ving van de medische ethiek en de waardigheid van de medische stand was een belangrijke doelstelling van de organisatie. Het be­sef van rechten en plichten heeft tijdens de oorlog onder de art­sen sterk geleefd en schiep de bereidheid zich te verzetten tegen ie­dere macht, die het de arts zou willen beletten zijn beroep over­eenkomstig de beginselen van de organisatie uit te oefenen.
Het hoofdbestuur van de maatschappij accepteerde in mei 1941 de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de NSB, tevens lid van de Nederlandse SS in haar midden.
Een offici√ęle mededeling van het hoofdbestuur in het Neder¬≠lands Tijdschrift voor geneeskunde van 14 juni 1941 maakte een einde aan alle twijfel die over de bedoelingen van de Duitsers nog kon bestaan. Eisen waren: joden uit de maatschappij, benoemin¬≠gen onder controle, beperking van het beroepsgeheim, uitvoe¬≠ring van sterilisatie wetten enz.
De Nederlandse artsen protesteerden fel en daarmee begon de ge­schiedenis van het georganiseerde medisch verzet in Nederland. Acties werden gestart om collectief als lid van de maatschappij te bedanken.
Op 24 augustus 1941 kwamen drie artsen in het stationskoffiehuis te Zutphen bijeen en maakten een schema van de organisatie van het artsenverzet, dat zij meteen doopten met de naam Me¬≠disch Contact, afgekort “Het M.C.”.
Uitgetreden leden van afdelingen van de Maatschappij vormden een groep. De groepen van elke provincie vormden samen een dis­trict. De districten werden in landelijke conferenties vertegenwoordigd door districtsvertrouwensmannen.
Door middel van groepsvertrouwensmannen, districtsvertrou­wensmannen en koeriers (de z.g. estafettes) stond het leidend Centrum in vast contact met ruim zesduizend huisartsen en specialisten. Voor Noordholland waren tot districtsvertrou­wensmannen benoemd dokter Leenaers en dokter Roorda.
In een later stadium, toen het landelijk contact van zoveel perso­nen te moeilijk en te gevaarlijk werd, formeerde zich een vrijwel permanent college van verzetsleiders onder de naam Centrum. Dit Centrum bestond voor een belangrijk deel uit de deelnemers van de Noordhollandse districtsbijeenkomsten. Naast dokter Leenaers worden met ere genoemd Noordhoek Hegt, Roorda, Wamsteker en de professoren Heringa en Borst. Nadat dokter Roorda gevangen werd genomen leidde dokter Leenaers de bijeenkomsten.
Normaal kwam het Centrum elke zondag bijeen teneinde zich over de situatie te beraden. Vele malen vergaderde men bij dokter Leenaers thuis. Zijn kinderen herinneren zich de vele omes, die in de woning Op ‘t Sant werden ontvangen. Om het bezoek te ver¬≠ klaren werd dan maar iets gezegd over een verjaardag die gevierd werd.
Het gastvrije onthaal en de bevlogenheid van dokter Leenaers voor zijn idealen maakten deze bijeenkomsten voor de deelne­mers onvergetelijk.

Dokter Leenaers voor de deur van de abdij van Egmond.
afb. 7 Dokter Leenaers voor de deur van de abdij van Egmond.

Vanaf het begin werd strijd gevoerd tegen de door de Duitsers in­ gestelde Artsenkamer, waarvan medici verplicht lid moesten zijn. Verordeningen van de kamer werden genegeerd en opdrach­ten niet opgevolgd.
In een brief van 5 december 1941 werd aan Rijkscommissaris Seys Inquart een brief gericht waarin de artsenverordening werd afgewezen. De brief eindigde met de zin: “Gebonden als wij ons weten aan den eed, of plechtige belofte, waarmede wij ons ambt hebben aanvaard, gevoelen wij ons verplicht u te verklaren, dat wij trouw zullen blijven aan de hooge normen, waarop sinds mensenheugenis ons beroep heeft gerust en dat wij in de uitoefe¬≠ning van ons beroep nimmer andere overwegingen zullen kun¬≠nen laten gelden dan zulke, welke gerechtvaardigd zijn door ons geweten, ons plichtsbesef en onze wetenschap”.
De brief met de handtekeningen van ruim 4000 artsen werd heel moedig, op het kantoor van de Rijkscommissaris overhandigd door de doktoren Leenaers, Heringa en Noordhoek. Men kreeg de Rijkscommissaris niet te spreken maar de heren lieten hun visitekaartjes voor hem achter!

In september 1942 weigerden de artsen zich door middel van een toegezonden formulier bij de Artsenkamer aan te melden.


Jaarboek 13, pagina 29

Grote druk werd uitgeoefend om toch tot aanmelding over te gaan. Dokter Leenaers en dokter Van Nievelt werden tegelijkertijd op­ geroepen voor een verhoor in Amsterdam. Dokter Leenaers weigerde zich de rol van verdachte te laten opdringen en las degene die hem wilde verhoren op felle toon de les.

Een hoogtepunt in de door het Centrum geco√∂rdineerde acties was toen in maart 1943 vele duizenden artsen aan de president van de Artsenkamer de NSB‚Äôer dr. Cro√Įn mededeelden afstand te doen van hun bevoegdheid tot uitoefening van het beroep als arts. Op de naambordjes op de gevel en op de recepten werd de aanduiding “arts” doorgehaald, (afb 8).
Dr. L. de Jong noemt deze daad van de Nederlandse artsen een imposante publieke protestactie, die de definitieve mislukking van de Artsenkamer inluidde.

Naambordje van dokter Leenaers.
afb. 8 Naambordje van dokter Leenaers.

Arrestatie

Inmiddels was dokter Leenaers op 20 februari 1943 definitief ontslagen als gemeente-arts en onmiddellijk moest de familie het huis aan de Mient verlaten.
Zijn vrouw en 5 van zijn kinderen vertrokken naar Son in Bra­bant, waar zijn zwager dokter A.P.W.A.M. de Jongh een praktijk uitoefende en waar een bescheiden huisje beschikbaar was.
Na eerst nog even de praktijk te hebben uitgeoefend in huize Hermana State vertrok de dokter, met zijn oudste zoon Gerard die aan het lyceum in Alkmaar studeerde, naar Heiloo. Vandaaruit probeerde hij de praktijk voort te zetten.

Het Reichscommissariat werd in verband met de artsenstaking aanbevolen een aantal artsen te arresteren, die ervan werden ver¬≠dacht deel uit te maken van het Centrum. Hierbij was ook dokter Leenaers. Op 29 maart 1943 werd hij ‘s nachts in Heiloo opge¬≠pakt en naar de Weteringschans-gevangenis in Amsterdam gebracht.

In het dagboek van de kapelaans van de Pancratiusparochie tref¬≠fen we op 3 april de aantekening aan: “Leenaers heeft tanden¬≠borstel, scheergerei en vitaminen gevraagd”.
Mevrouw Leenaers mocht haar man in de gevangenis één keer per week bezoeken. Hij zat in de cel met 2 Engelse piloten aan wie hij geprobeerd heeft Frans te leren.

Het bewijs van lidmaatschap van het Centrum werd niet gevon­den, maar verdacht bleef hij.
Op 22 mei 1943 werd dokter Leenaers naar het concentratiekamp Vught overgebracht.

Vught

Het kamp Vught was omgeven met betonnen palen waartussen een hoge prikkeldraadversperring aangebracht was; achter die prikkeldraadversperring lag een gracht waarvan de taluds ook met prikkeldraad bespannen waren en daarop volgde nog een tweede hoge prikkeldraadversperring. Om de 50 meter was er een wachttoren met daarop een SS’er met een zoeklicht en een mi­trailleur. Om het kamp patrouilleerden SS’ers met waakhonden.

In het kamp waren 36 woon- en slaap- en 23 werkbarakken, magazijngebouw, wasserij, crematorium en een gevangeniscel (bun­ker). Elke woon- slaapbarak kon 240 gevangenen herbergen.

Het kamp was in januari 1943 in gebruik genomen. Vooral de eerste maanden zijn vele honderden mensen gestorven door hon­ger en ontbering.
Vanaf april/mei 1943 werd geen honger meer geleden. Er was een campagne opgezet onder de dekmantel van Het Rode Kruis, waardoor gevangenen elke week een voedselpakket konden ont­vangen. Bovendien konden familie en vrienden levensmiddelen en andere zaken naar de gevangenen sturen. Dokter Leenaers heeft veel pakketten gekregen uit Castricum en omgeving.
In Castricum coördineerde bakker Gerard Hemmer deze actie. De dokter kreeg zowat iedere dag een pakje en deelde veel uit aan minder goed bedeelden. Via de pakketten zijn ook medicamen­ten voor Leenaers het kamp binnengesmokkeld. Mevr. Leenaers stopte b.v. buisjes met morfine in de boter.
Het bestaan van de gevangenen was heel moeilijk door de om­standigheden, angst voor de toekomst, lange werkdagen, appèls enz.

Dokter Leenaers gevangenisarts in het concentratie kamp Vught (tekening van Reinhart Dozy).
afb. 9 Dokter Leenaers gevangenisarts in het concentratie kamp Vught (tekening van Reinhart Dozy).


Jaarboek 13, pagina 30

Er waren verschillende werkplaatsen, waaronder het Philips-Kommando, waar reparatiewerk werd verricht en o.a. knijpkat­ ten en radiotoestellen werden geassembleerd. Dat Philips-Kommando was voor de gevangenen van grote positieve betekenis.
In de zomer van 1943 kwam de Krankenbau gereed: een klein echt ziekenhuis dat mede door de medewerking van Philips goed ingericht was. De lagerkommandant stemde er mee in dat er een equipe kwam van Nederlandse gevangenen: huisartsen, specia­listen (ongeveer twaalf) en geschoolde verplegers. Van dat team heeft dokter Leenaers ook deel uit gemaakt en hij heeft zich er volledig voor ingezet.
Hij maakte veel vrienden in het kamp, waaronder de Drentse kunstschilder Reinhart Dozy, die hem in zijn zebra-pak heeft ge­tekend. (afb 9). De driehoek op het pak was het kenteken van de politieke gevangenen. De tekening is opgevouwen in een porte­feuille uit het kamp gesmokkeld.
De omstandigheden waaronder Dozy en Leenaers elkaar leerden kennen en waaronder de tekening is gemaakt, blijken uit een brief die dokter Leenaers na zijn vrijlating schreef aan de vrouw van Dozy vanuit Son:

Geachte Mevrouw Dozy,

Het is mij een groot genoegen U de hartelijke groeten van Uw man te mogen overbrengen. Hij kwam bij mij in het ziekenhuis, omdat hij een beetje dikke beenen had van het klompen dragen, hetgeen daar veel voor komt. Na een paar dogen was hij weer be¬≠ter, maar omdat er een tweetal gevallen van vlektyphus waren moesten alle pati√ęnten in het ziekenhuis blijven. Wij hebben daarvan geprofiteerd, want ziek was toen eigenlijk niemand meer en het was meer een vacantie. Uw man heeft toen heel wat portretten getekend, onder anderen het mijne, dat buitengewoon geslaagd is.
Hij ziet er uitstekend uit en zijn humeur is voortreffelijk. Wij hebben het samen erg genoegelijk gehad en zijn wederzijds op de hoogte van eikaars familie en woonplaatsen. Zoo heb ik Uw huis op de foto bewonderd, zooals het daar ligt te midden der Drentsche hei.
Tot mijn spijt mag ik niet in Elp komen, anders was ik U zeker persoonlijk komen opzoeken. Zijn pakketten komen regelmatig aan en die waren dan ook zeer welkom, want het gewone eten is daar niet overdreven schitterend. Naar ik van harte hoop zal hij ook spoedig vrijkomen. Sinds bijna 2 maanden behoeft hij niet meer de appèls bij te wonen, die eigenlijk het ergste deel van
Vught vormen. Hij is nu in het z.g. Schonungsblok en gaat bij Philips werken, dat is in een barak en heeft dus in het najaar vele voordeelen.. U kunt dus volkomen gerust over hem zijn.
Zelf probeer ik weer aan de vrije maatschappij te wennen!

Met de meeste hoogachting.

H.M.J.M. Leenaers

Vrijlating

Dokter Leenaers werd weer vrijgelaten op 19 september 1943. Hierbij hebben acties, die collega’s uit het artsenverzet en met name dokter Hoeneveld voor hem hebben gevoerd, een belang­rijke rol gespeeld.
Hij vervoegde zich bij zijn gezin in Son. In de tweede week van september was zijn woning aan de Mient gesloopt.

Huishoudster Regien Baltus was met de familie meegekomen naar Brabant. Zij herinnert zich deze periode als een verschrik­kelijke tijd, vooral toen in Brabant de gevechten rond de bevrijding van ons land losbarstten en de kogels door het dakraam vlogen.

Dokter Leenaers pakte onmiddellijk zijn werk voor het Centrum van het Medisch Contact weer op. Hij kwam als arts in dienst van Philips in Eindhoven en nam waar voor andere artsen.
In Castricum nam zijn vriend Van Nievelt onder moeilijke om­ tandigheden vanuit Limmen de praktijk van Leenaers waar. Door enkele oud-patienten werd in Castricum gecollecteerd om nieuwe instrumenten voor Leenaers te kunnen kopen. Deze collecte werd door burgemeester Masdorp ontdekt en verboden. De ingezamelde gelden nam hij in beslag en stortte die in de kas van Winterhulp.

Dat men hem in Castricum niet was vergeten blijkt ook uit een brief die hij op 13 december 1943 stuurde aan mevrouw De Vries, echtgenote van Piet de Vries die voor de evacuatie aan het Dokterspad, tegenwoordig Dr. Leenaersstraat, woonde:

Beste Juffrouw de Vries

Je aardige brief heeft mij erg veel plezier gedaan en nog hartelijk bedankt voor je bonnen, waar ik de kinderen mee verrassen kan. Je zult wel gehoord hebben, dat ik geheel de oude gebleven ben, dus nog flink mopperen als ik een kwaje bui heb!! Het kan in een paar jaar tijd aardig veranderen. Eerst een flink bloeiend dorp en nu zitten we allemaal verspreid en kunnen elkaar bijna niet meer terug vinden.
Hier in het Brabantsche land is het stil en eenzaam. Je ligt 9 km. van de trein en vrijwel geen bussen, die bovendien meestal een à twee uur te laat zijn. Het is niet zoo erg prettig om met dit weer uren buiten te staan wachten. Ik ga zelf nogal eens hier en daar waarnemen voor een dokter, die ziek is, dan blijf je tenminste aan het werk.
In het kamp is het nu in den winter niet zoo prettig. Het zal er wel erg koud zijn en dan met dat slechte eten wordt het er niet beter op. Is Piet gelukkig nog aan het werk in het land? Dat werken in Duitschland valt ook niet mee, want daar gebeurd nog al eens wat.
Ons kleinste kindje groeit erg goed. Het is erg stout, maar praat nog heel weinig. De andere kinderen maken het allemaal goed. Jammer, dat je nog steeds zooveel last van je rug hebt en ook dat vloeien moest eigenlijk ophouden. Die twee staan wel met elkaar in verband. Heb je nog een goed corset? Hulp is overal moeilijk te krijgen.
Als je veel kinderen hebt komen ze heelemaal niet meer.
Nu, beste Marie, hou je goed, doe de groeten aan je man en kin­ deren en alle verdere bekenden, die in je omgeving wonen.

tot ziens

H.M.J.M. Leenaers

Dokter Leenaers is nog enkele keren in Castricum terug geweest. Kapelaan Van der Zalm noteerde op 15 april 1944 in het eerder ge¬≠noemde dagboek van de Pancratius-parochie: “Vanmiddag om 12.30 uur is de held van Castricum dokter Leenaers even aan ge¬≠weest. Hij ziet er goed uit en is nog even strijdvaardig”.

Afscheid

Juni 1944: de invasie is begonnen. Bayeux is veroverd. Dan komt het bericht dat dokter Leenaers ernstig ziek in Tilburg in een zie­kenhuis is opgenomen. In de trein was hij onwel geworden. Colle­ga’s uit het verzet, de professoren Borst en Biemondt uit Amster­dam hebben hem nog in het ziekenhuis opgezocht om te zien of zij nog iets konden doen, maar zijn toestand was hopeloos.
Op 22 juli overlijdt dokter Leenaers op 42-jarige leeftijd.
Op 27 juli vindt de begrafenis in Castricum plaats. Een deputatie van de bevolking en verschillende verenigingen willen het stoffe­lijk overschot aan het station afhalen. Op last van de burge-


Jaarboek 13, pagina 30

meester worden ze door de politie weggestuurd, uit angst voor demonstratie en verstoring van de openbare orde.
In het illegale blad Strijd stond in een In Memoriam o.a. het vol¬≠gende: “Zo werd Leenaers op zijn laatste gang door het dorp nog tegengewerkt, omdat men bang was voor zijn invloed! Welke kracht moet van deze man zijn uitgegaan, dat men zelfs zijn stof¬≠felijk overschot vreesde”.

Meer dan 2000 mensen woonden de begrafenis van de geliefde dokter bij.
afb. 10 Meer dan 2000 mensen woonden de begrafenis van de geliefde dokter bij.

Bij de indrukwekkende uitvaartdienst en op het kerkhof van de St. Pancratiuskerk waren ongeveer 2000 diep geroerde mensen bijeen, (afb 10). De kerktoren was beroofd van zijn klokken, zo­ dat er tijdens zijn laatste gang slechts stilte heerste.
Er was een krans van vrienden uit kamp Vught met de tekst: “Uit dankbaarheid van hen wier lijden gij in het kamp hielp verlichten”.
Door zijn dispuut Noctua is de grafsteen geschonken. Op 24 no­vember 1946 werd deze steen plechtig onthuld.

Er kwamen acties op gang om een monument voor hem op te richten. Uiteindelijk is er een passend eerbetoon gevonden in de naamgeving van het wijkgebouw van het vroegere Wit-Gele Kruis; het dokter Leenaershuis.

Plaquette met de beeltenis van dokter Leenaers.
afb red.: Plaquette met de beeltenis van dokter Leenaers.

In de hal van het wijkgebouw is een plaquette aangebracht met de beeltenis van dokter Leenaers. Mevr. Leenaers – de Jongh heeft op 14 oktober 1959 deze plaquette onthuld.
Haar broer dokter A.P.W.A.M. de Jongh heeft de praktijk van Leenaers overgenomen. In zijn spreekkamer stonden het bureau, de stoel en de onderzoektafel die eens in gebruik waren bij zijn voorganger.

Gedenkpenning artsenverzet.
afb 11 Gedenkpenning artsenverzet.

Van de Kon. Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst heeft dokter Leenaers postuum de gedenkpenning (afb 11) ont¬≠vangen van het artsenverzet. De penning toont aan de voorzijde een hakenkruis dat door een slang wordt gebroken en het rand¬≠ schrift luidt: “Alleen een vrij man kan een goed geneesheer zijn”.

N.A.Kaan

Bronnen:

Familie Leenaers
Mevr. H.v.d.Klei
Mevr. J.H. Scholten – Kloes
Mevr. G.M. Schram – Glorie
Mevr. I.D.E. Van Nievelt
Mevr. J. Zentveld – Schermer
De heer J. Houtenbos
De heer J. Stet
Familie Veldt
Kapelaan J. Verheul

Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog de­ len 6, 7 en 8 door dr. L. de Jong
Geschiedenis van het verzet der artsen in Nederland door Ph. de Vries, Haarlem 1949
Concentratiekampen systeem en praktijk in Nederland Fibula- Van Dishoeck, Bussum 1970
Dagboek kapelaans Pancratiusparochie 1942 – 1945
Archiefstukken Medisch Contact; Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie
Informatie van de Kon.Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst
Brieven van de heer V.A. Dozy te Elp
Streekarchief Alkmaar
Archief gemeente Castricum
Oudheidkamer Vught de heer Scharf