20 december 2021

Toepoel, Hoberg en van Ginhoven (Jaarboek 28 2005 pg 60-70)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 28, pagina 60

Wie waren … Leo Toepoel, Jan Hoberg en Huibert van Ginhoven

Verzetsmonument.
Het verzetsmonument. Pad van de mensenrechten in Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Drie Castricummers, die ieder op hun eigen wijze deelnamen aan het verzet in de Tweede Wereldoorlog, hebben de bevrijding niet mogen beleven. Leo Toepoel, Jan Hoberg en Huibert van Ginhoven waren respectievelijk 23, 18 en 45 jaar toen vuurpelotons op verschillende plaatsen in het land een einde maakten aan hun leven. Jan Hoberg werd opgepakt wegens een overval op het stadhuis van Alkmaar en Leo Toepoel toen hij wilde overlopen naar het bevrijde zuiden. Huibert van Ginhoven werd gearresteerd wegens spionage en als organisator van pogingen tot Engelandvaart. Ze kregen alle drie terecht een straatnaam in de eerste na-oorlogse nieuwbouwwijk in Castricum. Nu, 60 jaar na het einde van de oorlog, willen we via de persoonlijke geschiedenissen van deze mannen het leed dat zovelen is aangedaan in herinnering roepen.

Vrijdagochtend 10 mei 1940, om acht uur, kwam de radionieuwsdienst met het volgende bericht:
“Goedemorgen dames en heren. Hier is Hilversum, Nederlandse Omroep algemeen programma. Wij vragen uw aandacht voor het ANP. Het Algemeen Hoofdkwartier deelde ons hedenmorgen om kwart over vijf het volgende mede: Van drie uur af hebben Duitse troepen de grens overschreden. Vliegaanvallen zijn geprobeerd op enkele vliegvelden. Weermacht en afweer zijn paraat bevonden. Inundaties voltrekken zich volgens plan. Voorzover bekend zijn tenminste zes Duitse vliegtuigen neergehaald.”

Alom verbijstering en ontzetting: Nederland was in oorlog. In de nacht van 9 op 10 mei hadden de Duitsers het vliegveld Bergen al gebombardeerd, wat in Castricum goed te horen was. Van de 13 daar gestationeerde jachtvliegtuigen werden er 12 buiten gevecht gesteld.

Paviljoen Van der Scheer op Duin en Bosch. In de tweede wereldoorlog ook gebruikt als commandopost.
Paviljoen Van der Scheer op Duin en Bosch. In de tweede wereldoorlog ook gebruikt als commandopost. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Ook op die 10e mei werd een leegstaand paviljoen van het ziekenhuis Duin en Bosch ingericht voor de verpleging van herstellende en lichtgewonde militairen.
Castricum was door de regering als vluchtoord aangewezen voor de gemeenten Ankeveen en Kortenhoef, die in het gebied lagen dat in verband met de verdediging mogelijk onder water gezet zou worden. De gemeente richtte in de rooms-katholieke Bewaarschool naast de pastorie een noodziekenhuis in. Vrijwilligers vulden dagenlang strozakken voor de 4.706 mensen die verwacht werden. De eerste treinen met geëvacueerden kwamen op 2e Pinksterdag 13 mei ’s morgens om zes uur aan. Gemeenteambtenaren, politie, Luchtbeschermingsdienst en het Rode Kruis, afdeling Castricum-Limmen hadden de handenvol aan de inkwartiering. Een paar dagen na de capitulatie op 15 mei 1940 werden de mensen weer naar hun woonplaatsen teruggebracht.

Duitse soldaat bij de bioscoop.
Deze soldaat is zeer waarschijnlijk Phillip Kersebaum. Hij was administrateur op de Ortskommandatur in Castricum. De soldaat staat voor het Corso theater en achter hem nog het distributiekantoor. Dorpsstraat 70 in Castricum, 1943. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In het dorp verschenen steeds meer Duitse soldaten. De bezetter vorderde huizen en gebouwen. De pastorie van de Hervormde kerk kreeg een nieuwe bewoner, in de persoon van de Ortskommandant, bijgenaamd ‘de bommenwerper’. De consternatie rond zijn gedwongen vertrek uit de pastorie greep dominee Seulijn zo aan, dat hij plotseling overleed.

Eind 1940 werd het persoonsbewijs verplicht gesteld. Personen van Joodse afkomst kregen in de zomer van 1941 een grote ‘J’ in hun persoonsbewijs gestempeld. De burgemeester verordonneerde dat met ingang van 1 september 1941 Joodse kinderen niet meer op de scholen mochten worden toegelaten. Gelukkig bleken er uiteindelijk geen kinderen te zijn die als Joodse leerlingen werden aangemerkt.

Evacuatie Van Duin en Bosch in de Tweede Wereldoorlog.
In 1942 begon de evacuatie van Duin en Bosch. In recordtijd moest het terrein verlaten zijn en iedereen moest helpen. Patiënten liepen met een deel van de inboedel naar buiten. Het meeste werd opgehaald door vrachtauto’s en bussen en werd naar onder andere Warnsveld gebracht. Collectie NHA. Toegevoegd.

In juni 1942 moesten alle patiënten Duin en Bosch verlaten. Zij vertrokken met een deel van het personeel naar andere psychiatrische inrichtingen. Joodse patiënten onder hen, die in Den Dolder en Rosmalen waren geëvacueerd, zijn het slachtoffer van de terreur geworden.

De boerderij van P. Veldt, gesloopt in de tweede wereldoorlog.
De boerderij van P. Veldt, gesloopt in de tweede wereldoorlog. Het stro wordt van het dak gehaald. Brakersweg in Castricum, 1943. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

In november 1942 volgde het bericht dat alle bewoners van Bakkum moeten evacueren. Alleen degenen wier verblijf noodzakelijk was, konden blijven. De bezetter liet een groot aantal huizen en boerderijen afbreken voor verruiming van het schootsveld. Bakkum was alleen nog toegankelijk met een speciale pas. De hele gemeente Castricum werd uiteindelijk tot ‘Sperr-gebiet’ verklaard, waar uitsluitend nog bezitters van een speciale vergunning mochten komen.

Tankmuur.
De weg links is de Duinenboschweg met de rails tussen het station en Duin en Bosch net zichtbaar. De weg richting heuvels Papenberg is de huidige Oude Schulpweg. Bij de Geversweg is de tankmuur na oorlogstijd doorbroken. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op grote schaal begon de bouw van honderden bunkers, een tankmuur en een tankgracht om zo een eventuele geallieerde aanval te kunnen afweren. Ruim 5.000 inwoners werden uiteindelijk gedwongen naar een andere woonplaats te vertrekken.

Leo Toepoel omstreeks zijn 17e jaar.
Leo Toepoel omstreeks zijn 17e jaar.

Leo Toepoel

De familie Toepoel, vader, moeder en drie kinderen, had zich in 1934 vanuit Amsterdam in Bakkum gevestigd. Ze hadden vier kinderen, maar de oudste zoon Theo bleef in Amsterdam wonen. Vader Toepoel was een heel goede kleermaker en zette hier zijn bedrijf voort. Gedwongen door de evacuatie koos het gezin in januari 1943 opnieuw Amsterdam als tijdelijke woonplaats. Ze betrokken een woning aan de Tweede Jan van der Heijdenstraat, vlak bij het Sarphatipark.

Leo was de jongste van de vier kinderen. Hij was geboren op 14 maart 1922. Zijn levensverhaal kan worden verteld aan de hand


Jaarboek 28, pagina 61

van gegevens die zijn ouders hebben verstrekt bij de aanmelding van hun zoon voor de Erelijst van gevallenen. Een belangrijke bron vormt ook een in 1977 verschenen boek over de slachtoffers van de fusillade bij Rozendaal (Gld). Informatie van nog in Castricum wonende familieleden en andere (oud-)inwoners completeren de dramatische geschiedenis.

Op een filmpje uit 1942 van de kermis in Castricum herkennen we Leo Toepoel (rechts) en zijn broer Twan tijdens het verorberen van een paling.
Op een filmpje uit 1942 van de kermis in Castricum herkennen we Leo Toepoel (rechts) en zijn broer Twan tijdens het verorberen van een paling.

Religieus zuster Matthea Bakker heeft herinneringen aan de kinderjaren van Leo. Zij vertelt:
“Het was in het begin van de jaren (negentien) dertig dat de familie Toepoel uit Amsterdam een huis kocht aan de Eerste Groenelaan, bestemd voor vakantiehuis. Het was een ruim huis met drie kamers en een uitbouw voor keuken, berging en dergelijke en voor en achter een stukje grond. De zomer bracht de familie in het huis door. Mijn zuster was getrouwd met Co Jenstra, een timmerman, die in dienst was van mijn oom aannemer Arie Buur in Alkmaar. Die ging de huizen aan de Pernéstraat bouwen. Co Jenstra en zijn gezin zochten daarom woonruimte in Castricum. Zij mochten tijdelijk in het huis van de familie Toepoel wonen. Toen Co Jenstra plotseling overleed bleef mijn zuster achter in het huis. In de zomer had ze er een kleinere kamer en (zo) kon de familie Toepoel er toch de vakanties doorbrengen. Omdat wij ook in de Eerste Groenelaan woonden kwam ik er dikwijls om met Leo te spelen. Hij was een tengere jongen met een fijn besneden gezicht, van mijn leeftijd omstreeks 10 jaar. In de tuin stonden een rekstok en een schommel en we konden het goed met elkaar vinden. Hij las veel boeken vooral over indianen en het wilde westen. Dat speelden wij dan ook. Hij wilde later een dappere cowboy worden. Hij was ook bij de padvinderij, een goede voorbereiding op de toekomst, zijn verdere leven. Het was een dappere jongen dat zat er toen al in.
Helaas zijn we elkaar in de oorlogsjaren uit het oog verloren. Hij in het verzet en ik als religieus in de opleiding voor verpleegkundige en later als missiezuster in Borneo.”

Leo had de lagere school in Amsterdam al doorlopen, toen de familie definitief in het huis aan de Eerste Groenelaan ging wonen. Hij bezocht vanuit zijn nieuwe woonplaats de rooms-katholieke Mulo in Beverwijk. Mevrouw Annie Lute-Borst vertelde: “Een grote groep jongelui, onder wie Leo Toepoel, trok dagelijks op de fiets naar Beverwijk. Leo maakte zijn huiswerk dikwijls samen met Bertus Borst. Ze zaten dan op kamer 4 van Hotel Borst. Als het even kon waren ze natuurlijk ook bij de biljarttafel in het café te vinden.”
Zowel Tinie Wulp-Vergouw als Trudy Vos-Baltus herinneren zich Leo als een uitstekende danspartner. Trudy en Leo moesten vaak de tango voordansen op de soirees van de dansschool van Jack en Tinie Smit aan de Van Egmondstraat.

Dansschool Jack en Tinie Smit.
In 1939 is Jack Smit begonnen met een dansschool. Van Egmondstraat 5 in Castricum, 1939. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na de Mulo bezocht Leo de MTS (vanaf de jaren negentien zestig HTS genoemd) in Haarlem. Hij slaagde in augustus 1942 op 20-jarige leeftijd voor het eindexamen, studierichting vliegtuigbouw. Twee dagen daarna moest hij zich al melden op het Arbeidsbureau in Beverwijk om te werken in Duitsland. Zijn ouders regelden een onderduikadres voor hem. Kennissen, de familie Hopman aan de Vinkebaan, werden bereid gevonden hem in huis te nemen. Tinus Hopman: “Leo gedroeg zich meer als kostganger dan als onderduiker, want hij ging gewoon zoveel mogelijk op stap met zijn vrienden. Hij zag de ernst van de oorlog nog niet in.”

Arbeidsinzet

De eerste twee jaar van de bezetting was er nog sprake van een zekere ‘vrijwillige’ tewerkstelling in Duitsland. Zij het dat werklozen weinig keus hadden, omdat werkweigering intrekking van de uitkering ten gevolge had. Naast werklozen vertrokken ook duizenden mannen vrijwillig. Zij lieten zich verleiden door de propaganda-acties waarin de aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden en hoge inkomens aanlokkelijk werden gepresenteerd. Vanaf 1942 maakte ‘vrijwilligheid’ plaats voor dwang. Iedere Nederlander van 18 tot 40 jaar kon in Duitsland tewerk worden gesteld. Mannen die geen gehoor gaven aan een oproep, konden rekenen op strafvervolging.

Leo heeft zijn vertrek naar Duitsland weten te rekken tot oktober 1942. De zucht naar avontuur en de uitdaging zullen bij hem misschien ook een rol hebben gespeeld om zijn onderduiktijd te beëindigen. Hij kreeg werk in het Scheikundig Laboratorium van Leichtmetall Werke in Hannover.

Voor de Erelijst van gevallenen heeft de moeder van Leo een verslag opgesteld dat wij hierna laten volgen:
“Op 15 januari 1943 werd Leo in Hannover gevangen genomen wegens sabotage, verspreiding van valsche geruchten en verraden van fabrieksgeheimen, zoals de beschuldiging luidde.
Op 15 maart werd de doodstraf geëischt. Een maand later werd de beschuldiging wegens gebrek aan bewijs vervallen verklaard. Wel veroordeelde de rechtbank hem tot 4 maanden cel met aftrek van voorarrest. Op 15 mei kwam hij uit de gevangenis met in zijn paspoort de aantekening ‘Staatsgevaarlijk’. Terugkeer naar het bedrijf was natuurlijk onmogelijk. Hij vroeg toen om terug te mogen keren naar Holland. Dat werd geweigerd. Toch wist hij met behulp van een onbekend gebleven Nederlands meisje, dat daar aan een of ander kantoor werkzaam was en hem papieren en stempels bezorgde, de grens over te komen.
Op 17 mei kwam hij weer thuis in Amsterdam. Hij woog geen 100 pond meer. Zijn benen waren tot op het bot veretterd door de wonden die hem bij zijn verhoor in de eerste maand van zijn gevangenschap waren toegebracht. In zijn cel kreeg hij slechts 1 boterham, 1 liter waterige soep en een liter water per dag om zich te waschen, zijn kleren te waschen en om te drinken. Zijn benen had hij verbonden met een natte zakdoek die hij in die liter water waste en nat verbond. Hij is in Amsterdam nog twee maanden onder doktersbehandeling geweest.”

Op voorspraak van een klant van vader Toepoel vond Leo een baan als tekenaar op het constructiebureau van Fokker. Hij wilde zelfstandig wonen en huurde een kamer aan de Amstellaan (later Vrijheidslaan genoemd), niet ver van zijn ouderlijk huis. Tijdens de oorlog viel er weinig te doen bij Fokker. De voornaamste bezigheid was dan ook zorgen niet uitgezonden te worden naar Duitsland. Maar al na enkele maanden kamde de bezetter het bedrijf uit, zodat Leo moest onderduiken. In die periode gaf hij ook les in jiu-jitsu bij een sportschool. Waarschijnlijk had hij daar deze toen populaire zelfverdedigingssport zelf ook geleerd.

In 1943 nam Wim de Bode, een vriend en mede-kamerbewoner, hem mee naar zijn ouders in Nijmegen. Daar leerde hij Connie kennen, een meisje uit Elst dat bij de familie De Bode een nieuw thuis had gevonden.


Jaarboek 28, pagina 62

Hij werd tot over zijn oren verliefd op haar. Met de kunstzinnige onderwijzer Reyer van de Haar raakte hij bevriend.
Reyer volgde hem naar Amsterdam en huurde een kamer in het kosthuis van Leo aan de Amstellaan.

Eind november 1943 heeft de Sicherheitspolizei Leo weer gearresteerd, waarna hij tot begin februari 1944 in Amersfoort gevangen werd gehouden. Vervolgens werd hij op transport gesteld naar Gevelsberg (Nordrhein-Westfalen). Hij wist daar te ontsnappen en drie weken later stond hij weer bij zijn ouders voor de deur. Hij had zo’n 175 km aan één stuk gelopen en zijn voeten waren helemaal stuk. Ook al omdat hij met zijn kaalgeschoren hoofd te veel opviel, is hij toen twee maanden ondergedoken in Spanbroek. Met een persoonsbewijs ten name van Veldman keerde hij daarna terug naar Amsterdam om opnieuw les te gaan geven bij de sportschool.

In die periode kwam hij in contact met de Amsterdamse illegaliteit. Vader Louis Toepoel leefde in de veronderstelling dat het illegaal werk van zijn zoon bestond uit bonkaarten rondbrengen en krantjes bezorgen. Pas later krijgt hij te horen, dat Leo in contact stond met leden van een groep die ook munitie en wapens transporteerde. Welke rol hij bij de groep vervulde is onduidelijk.

Gevangenschap

Op 6 juni 1944, D-day, landden geallieerde troepen op de kust van Normandië. Het zuiden van Nederland kreeg vanaf 17 september haar vrijheid terug. De troepen konden Arnhem echter niet bereiken. Het duurde Leo allemaal te lang en hij besloot om begin oktober 1944 samen met zijn vriend Reyer van de Haar op een of andere manier te proberen naar Nijmegen te komen. Het is niet de enige reden voor Leo voor deze onderneming. Connie, het evacué-meisje uit Elst, dat hij bij de familie De Bode had ontmoet, wilde hij ook graag terugzien. Hun vriend Wim de Bode gaf het tweetal geografische kaarten mee voor de tocht naar het zuiden, daarbij adviserend via de Biesbosch door de linies te gaan. Het was na Dolle Dinsdag en het moest volgens hem dan ook mogelijk zijn langs die route het bevrijde zuiden te bereiken.

Helaas hebben de twee dat advies niet opgevolgd. Ergens tussen Opheusden en IJzendoorn langs de rivier de Waal werden ze onder een regen van kogels door de Engelsen teruggestuurd, waarna ze in de armen liepen van de Duitsers. Die troffen bij de twee de gedetailleerde kaarten aan die ze van Wim de Bode hadden gekregen, waardoor ze voor spionnen werden aangezien. Leo en Reyer werden op 22 oktober 1944 opgesloten in de politiecellen van Bureau Woudoord in Velp. Daar werd niet zachtzinnig met gevangenen omgesprongen. Wegens de vermeende spionageactiviteiten en de verdenking over te willen lopen naar de geallieerde troepen werd Leo 14 uur lang aan een stevig verhoor onderworpen.

Uit de getuigenis van een mede-gevangene Piet Spek is er ook over de laatste maanden van Leo Toepoel veel bekend. Met zes lotgenoten zat Leo in cel 2 van het politiebureau en Reyer in cel 3. Gemiddeld waren er telkens zo’n 26 gevangenen verdeeld over twee kleine en een grotere celruimte. Soms was het zo vol dat ze ’s nachts kop-staart op de zij sliepen. Naast het gevangenisrantsoen kregen ze door bemiddeling van een kinderarts, die ook gevangen zat, nog wel eens extra broodbeleg en vlees vanuit het ziekenhuis in Velp.
Om de moed er in te houden werd er veel gezongen. Vooral Leo en Reyer konden heel mooi zingen. Het was cel 2, die altijd de grootste en beste bijdrage leverde tijdens zanguitvoeringen, aldus Piet Spek. Hij herinnerde zich nog het volgende tekstfragment:

“Daar in die droge sloot
daar lag de Führer dood,
een eindje verderop
lag Von Ribbentrop”

In november 1944 beraamde een van de gevangenen een ontsnappingspoging. De poging mislukte waarbij Piet Spek een kogel dwars door zijn lichaam kreeg. Er volgde geen behandeling in het ziekenhuis, maar hij werd provisorisch verzorgd door een huisarts. Vrijwel onmiddellijk na de mislukte ontsnappingspoging werden de gevangenen overgebracht naar een gebouw van de Rotterdamse Bank aan de Hoofdstraat in Velp, dat als gevangenis dienst deed. Hier was een strenge Duitse bewaking waardoor ontsnappen onmogelijk was. Obersturmführer Huhn kreeg de leiding over de nieuwe gevangenis.

Tekening gemaakt door Reyer van de Haar van Leo Toepoel, gemaakt op de muur van zijn cel op 10 december 1944, drie dagen voor zijn dood.
Tekening gemaakt door Reyer van de Haar van Leo Toepoel, gemaakt op de muur van zijn cel op 10 december 1944, drie dagen voor zijn dood.

Op de muren van de kluisruimte waar ze waren opgesloten, maakte Reyer een tekening van Leo. Van die tekening is na de oorlog een foto gemaakt. De handtekening van Reyer staat er onder en de datum 10 december 1944. Naar later zou blijken is de tekening drie dagen voor hun beider dood gemaakt.

Zwarte dag

De divisiecommandant van de 6e Divisie Fallschirmjager, gelegerd in Velp, verlangt strenge maatregelen tegen de burgerbevolking, omdat posten van de Fallschirmjager zijn beschoten. Acht mannen zullen standrechtelijk worden doodgeschoten. Verder worden de huizen in brand gestoken waar overvallen hebben plaatsgevonden. Obergruppenführer Rauter wijst acht mannen aan die ervan zijn beschuldigd, dat zij naar de vijand willen overlopen. In de namiddag van de 12e december worden de acht arrestanten weggevoerd onder wie Leo Toepoel en Reyer van de Haar. Volgens mededeling van achtergebleven gevangenen heeft Leo Toepoel, die weet dat hij gefusilleerd zal worden, zijn colbertjasje nog mee willen nemen, maar de Duitsers vertellen hem dat dat niet nodig is.
De acht mannen worden opgehaald door de Grüne Polizei; waarheen kunnen de achtergebleven gevangenen niet vertellen.

Emmapyramide

De plaats waar de executies hebben plaatsgevonden en de plaats waar de acht mannen begraven zijn, bleef lang een raadsel. Op een


Jaarboek 28, pagina 63

schriftelijk verzoek in augustus 1945 van Leo’s moeder, die ook nog hoopte op de mogelijkheid dat haar zoon ergens in Duitsland verbleef, stelde de rijkspolitie een nader onderzoek in. Wachtmeester Van Beusekom had uit informatie wel kunnen afleiden dat de gevangenen gefusilleerd moesten zijn, maar de plaats kon hij niet ontdekken. Eind oktober 1946 woonde hij een lezing bij van de helderziende Gerard Croiset. De politieman vroeg hem te helpen bij het zoeken naar de plaats waar de slachtoffers begraven zouden zijn. Op grond van de aanwijzingen van Croiset is vervolgens gezocht in de omgeving van een houten uitkijktoren in de omgeving van Rozendaal, bekend onder de naam Emmapyramide. Het onderzoek op het uitgebreide terrein leidde niet onmiddellijk tot succes en de zoektocht werd afgebroken.

Uiteindelijk wees de, inmiddels zelf gevangen genomen, voormalige gevangeniscommandant Huhn, in maart 1947 de exacte plaats aan waar op 13 december 1944 in de ochtenduren de acht jonge mannen waren omgebracht en begraven. Het was inderdaad in de buurt van de Emmapyramide, de plaats die Croiset had aangewezen. Leo en zijn vriend Reyer werden beiden geïdentificeerd.

Herbegrafenis

Op 17 mei 1947 is Leo Toepoel opnieuw begraven op de rooms-katholieke begraafplaats bij de Pancratius kerk. De plechtigheid werd volgens een verslag in het Nieuwsblad voor Castricum bijgewoond door familie en vrienden, burgemeester Smeets, een afvaardiging van de Vereniging van Oud-illegale Werkers en een deputatie van de Hubertus-Zeeverkennersgroep uit Amsterdam, waarvan Leo lid was geweest. Vier zeeverkenners droegen de baar met bloemen.

Gedenkteken voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in de hal van de HTS te Haarlem.
Gedenkteken voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in de hal van de HTS te Haarlem.

In november 1947 besloot de gemeenteraad op voorstel van de Vereniging van Oud-illegale Werkers een straat naar Leo Toepoel te noemen en ook Jan Hoberg en Huibert van Ginhoven op die manier te eren.
In de hal van Leo’s vroegere Technische School in Haarlem, is in 1948 een gedenkteken onthuld met de namen van 31 omgekomen leraren en leerlingen, waaronder Leo Toepoel.

Het onthulde monument op de plaats van de fusillade, bij de Emmapyramide in Rozendaal.
Het onthulde monument op de plaats van de fusillade, bij de Emmapyramide in Rozendaal.

In Rozendaal leek de geschiedenis van de acht jongens, die aan de voet van de Emmapyramide op 13 december 1944 hun leven hadden verloren, te zijn vergeten. Een oud-verzetsman stelde het gemeentebestuur in 1996 voor om een gedenkteken op te richten. Nadat eerst nog een gedegen onderzoek naar alle achtergronden was uitgevoerd door de amateurstreekhistoricus Jan van der Wal, werd definitief tot de oprichting besloten.
Nabestaanden, schoolvrienden en oud-medearrestanten kwamen precies 53 jaar na de executie, op 13 december 1997, samen bij de Rozendaalse Emmapyramide, voor de onthulling van een monument met de namen van de gefusilleerden.

Het gezin Hoberg achter hun woning in de Pernéstraat.
Het gezin Hoberg achter hun woning in de Pernéstraat. Van links naar rechts Hen(nie), vader Johannes, Jan, Ans, moeder Hoberg-Kuilboer en de jongste zoon Dirk in het begin van de oorlog. Twee dochters Lenie en Atie staan niet op de foto.

Jan Hoberg

Net als de familie Toepoel koos de familie Hoberg Castricum in de jaren (negentien) dertig als woonplaats. Ze kwamen uit Ouder-Amstel. Het gezin bestond uit 6 kinderen: drie meisjes Anna (geboren in 1929) en een tweeling Lenie en Atie (1926) en drie jongens, Hennie (1924), Jan (1925) en Dirk (1936).
Alleen de jongste zoon Dirk werd in Castricum geboren. Ze waren in september 1934 de eerste bewoners van de nieuwe gebouwde woningen aan de Pernéstraat, aangetrokken door het aanbod van gratis huur gedurende de eerste maanden. Vader Johannes Hoberg was commissionair in effecten en hij behoorde tot een groepje van zo’n 10 forensen dat dagelijks naar Amsterdam reisde.

Optocht in de Pernéstraat, Castricum 1939.
Optocht in de Pernéstraat, Castricum 1939. Er wordt gevierd dat Wilhelmina 40 jaar op de troon zit. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1934 telde Castricum omstreeks 6.000 inwoners. Het dorpje groeide gestaag met zo’n 200 à 300 inwoners per jaar. Behalve wat lintbebouwing aan eeuwenoude dorpswegen is er in de jaren (negentien) dertig gebouwd aan enkele nieuw aangelegde straten, zoals genoemde Pernéstraat en ook de Geelvinckstraat, de Jacob Catsstraat, de Prinses Julianastraat, de Prins Bernhardstraat en een deel van de Koningin Wilhelminalaan. Nieuwe uitbreidingsplannen waren in voorbereiding. Een snelle uitgroei tot een flink forensendorp lag in het verschiet, maar voorlopig lagen Castricum en Bakkum nog vredig temidden van natuurgebied, uitgestrekte weilanden en tuinbouwgrond.


Jaarboek 28, pagina 64

Jan en zijn een jaar oudere broer Hennie Hoberg schoven in 1934 aan op de rooms-katholieke Jongensschool Sint-Augustinus aan de Dorpsstraat. Vader Hoberg was niet katholiek (Evangelisch Luthers) en zijn vrouw Alida Kuilboer wel. Ze hadden bij hun huwelijk moeten beloven kinderen een katholieke opvoeding te geven en daar hielden zij zich trouw aan; vader Hoberg was daar misschien nog wel nauwgezetter in dan zijn vrouw. Na de lagere school bezochten beide jongens een rooms-katholieke Muloschool in Alkmaar, waar ze vervolgens ook lid werden van de padvinderij.

De verkenners op excursie in de duinen kort voor de opheffing van de padvinderij op 12 april 1941. In het midden met de lichte overhemden Hopman Herman Wagenaar en links van hem Jan Hoberg.
De verkenners op excursie in de duinen kort voor de opheffing van de padvinderij op 12 april 1941. In het midden met de lichte overhemden Hopman Herman Wagenaar en links van hem Jan Hoberg.

Verkennersgroep ‘Don Bosco’

In 1938 werd in Alkmaar de rooms-katholieke Verkennersgroep ‘Don Bosco’ opgericht. In oktober 1938 kwam Herman Wagenaar, die een belangrijke rol zou spelen in de verkennerij, met groot verlof uit militaire dienst. Samen met zijn broer, Emile Wagenaar, zorgden zij voor de eerste aanwas van de groep. Volgens een verslag van een van de bijeenkomsten heeft Herman Wagenaar op 5 november 1938 aan vader en moeder Hoberg toestemming gevraagd voor de deelname van Hennie en Jan. Op 9 november werd de eerste troepavond georganiseerd op het zolderkamertje van hopman Herman aan de Stationsweg in Alkmaar. Op 22 februari 1939 kwam het nieuwe houten clubhuis aan de Zandersloot achter het huidige AZ-terrein gereed en was het zolderkamertje niet meer nodig.
De verkenners hebben niet lang van hun nieuwe hoofdkwartier kunnen genieten. Op 2 april 1941 verboden de Duitse bezetters de padvinderij. NSB-jongeren namen het clubgebouw van de groep onmiddellijk in gebruik.

De verkennersgroep bleef toch doordraaien, alleen het uniform bleef in de kast. Een troep van 24 verkenners ging ook nog op zomerkamp. De verschillende patrouilles waren ondergebracht op locaties onder schuilnamen als: Knor Knor, Tok Tok en Boe Boe. In de loop van 1942 en 1943 kwam aan de meeste activiteiten een einde, behoudens enkele geheime patrouille-bijeenkomsten. Tijdens deze bijeenkomsten werden plannen gesmeed om het de NSB’ers en Jeugdstormers zo lastig mogelijk te maken.

Jan Hoberg op 17-jarige leeftijd.
Jan Hoberg op 17-jarige leeftijd.

De broers Hennie en Jan Hoberg, inmiddels 18 jaar geweest, kwamen beiden in aanmerking voor tewerkstelling in Duitsland. Hennie volgde een opleiding tot machinist en Jan had een administratieve baan bij het Hoge Huys in Alkmaar. ‘Das ganze Hohe Haus ist eine Oranienbande’ volgens de Alkmaarse Ortskommandant, toen drie personeelsleden gearresteerd waren wegens het doorgeven van illegale lectuur.

Hennie en Jan hadden hun houding tegenover de bezetter niet van een vreemde. Vader Hoberg stak zijn gevoelens bepaald niet onder stoelen of banken. Als het NSB-blad ‘Volk en Vaderland’ werd rondgebracht, stond hij al bij het hek in de voortuin om duidelijk te maken dat de bezorgers geen poot op zijn grond mochten zetten. Ook na de verplichte evacuatie in februari 1943, waarbij het gezin in een woning aan de Zuideramstellaan 126H in Amsterdam terechtkwam, liet hij zijn afkeer van het nieuwe bewind dikwijls blijken. Hij ging zelfs in discussie met de Sicherheitspolizei, die enkele malen langs kwam op zoek naar Hennie en Jan. Toen die met betrekking tot de jodenvervolging naar de bijbel verwezen, vroeg hij hatelijk of er ook bij stond dat zij daar een rol in hadden. De familie had zelf onderduikers in huis, waaronder Sal en Flip, twee Joodse jongens van omstreeks 16 jaar. Er werden in huize Hoberg oefeningen gehouden waarbij de onderduikers zo snel mogelijk onder de vloer verdwenen en anderen in hun warme bedden kropen.


Jaarboek 28, pagina 65

De anti-Duitse gevoelens die ze van hun vader hadden meekregen, maakten voor Hennie en Jan de beslissing vanzelfsprekend om onder te duiken en de oproep voor arbeidsinzet te negeren. Hennie verdween in Amsterdam en Jan vond onderdak bij de broer van de hopman, Emile Wagenaar, waar hij ook op kantoor werkte. Later had hij een onderduikadres in Amsterdam. Vanuit Amsterdam schreef Jan in 1943 een brief aan Hennie. Een zin daaruit: “We zullen met zijn allen knokken om de heeren eruit te trappen, op onfatsoenlijke manier.”

De ondergrondse acties met de verkenners in Alkmaar gingen intussen gewoon door. Een van de leden van de groep, André van Elburg, heeft de verschillende escapades mooi beschreven. Ze stalen strozakken en een kachel uit hun oude clubgebouw. Zelfs pikten ze een schrijfmachine uit het kantoor van een Duitse instantie en ze ontvoerden een geitje van een NSB’er. Na elke geslaagde actie stuurden ze een pesterig briefje ondertekend met ‘Cupido’ aan de slachtoffers of aan de politie.

Overval

In 1944 veranderde de toon van Andrés memoires. Onder leiding van hopman Herman Wagenaar beraamden hij en enkele andere verkenners een overval op het bevolkingsregister in hun stad. Wekenlang had André gespioneerd op het stadhuis en hij had – met hulp van een ambtenaar – een gedetailleerde plattegrond van het stadhuis gemaakt. Het doel was om de kluis open te breken, het bevolkingsregister te vernielen en formulieren, zegels en stempels voor persoonsbewijzen mee te nemen. Het padvindersmes werd opeens vervangen door een pistool en handgranaten. Op 15 februari 1944 was het zover. De groep opereerde bij nacht en was gemaskerd. Hopman Wagenaar droeg zijn marine-uniform om daarmee ‘als vertegenwoordiger van de wettige regering in Londen’ indruk te maken op de gemeentesecretaris, die ze in zijn woonhuis wilden gijzelen en van wie ze de sleutels van het stadhuis zouden eisen.

De actie loopt aanvankelijk volgens plan. De secretaris, een ‘goede’ Nederlander, geeft de sleutels af. Tijdens de eerste minuten van de overval heeft de man het licht in de vestibule laten branden. Dat kan iemand in de verduisterde stad zijn opgevallen – bijvoorbeeld de ‘overbuurman’, een door de Duitsers gevorderd garagebedrijf. Hennie Hoberg blijft bij de secretaris achter met een op scherp gezette handgranaat. De anderen fietsen naar de volgende ambtenaar in de Emmastraat. Ook hier bemachtigen zij een sleutel en Jan Hoberg blijft bij deze ambtenaar achter, ook met een handgranaat in zijn hand. Bij het verlaten van het huis kunnen zij door twee voorbijgangers zijn gezien, maar helemaal zeker is André van Elburg er niet van. Nadat hij ze even heeft gevolgd, laat hij ze verder gaan.

In het stadhuis wordt de kluisdeur geopend. Blikken trommels en waardevolle papieren zetten de overvallers klaar om mee te nemen. Als alles is verzameld, zal het bevolkingsregister met benzine worden overgoten en in brand worden gestoken. Dan blijkt er nog een sleutel te ontbreken van een brandvrije kist, waarin zich de nieuwe persoonsbewijzen bevinden. De hopman besluit de ontbrekende sleutel in de Emmastraat te gaan halen.
Plotseling komt de hopman weer buiten adem binnenstormen: ‘Alarm, alarm’. Haastig vertelt hij dat de jongens alles zo snel mogelijk mee moeten nemen en het gebouw moeten verlaten. Vlug wordt alles ingepakt. De een na de ander komen de jongens op de afgesproken plaats, het kantoor van Emilie Wagenaar, aan.


Jaarboek 28, pagina 66

Ze zijn er allemaal op één na. Jan Hoberg, die bij de ambtenaar in de Emmastraat op post is gezet, is er nog niet. Hij zal ook niet meer komen, nooit meer.

De hopman vertelt wat hij heeft meegemaakt. Als hij de sleutel gaat halen ziet hij dat het huis aan de Emmastraat omsingeld is door politie en nadat hij Hennie op de Kennemerstraatweg heeft gewaarschuwd, is hij zo vlug mogelijk teruggegaan naar het stadhuis. Het verband tussen het brandende ganglicht, de late voorbijgangers en wat volgt zal nooit te bewijzen zijn, maar op een of andere manier is de politie gewaarschuwd, die vermoedelijk meent met een gewone inbraak te maken te hebben.

Tot zover is het verslag gevolgd van André van Elburg. Hij worstelde de rest van zijn korte leven met de vraag of hij de dood van zijn broeder-verkenner had kunnen voorkomen, als hij de onbekenden niet had laten passeren. Op 1 juli 1946 sneuvelde hij als militair op Java. Herman Wagenaar stierf in 1995, zijn leven verziekt door een schuldgevoel over het verlies van een van zijn jongens.

Tekst bidprentje.
Tekst bidprentje.

Ter dood veroordeeld

Na zijn arrestatie zou Jan zijn mishandeld in Alkmaar. Zijn ouders hadden daar geen zekerheid over, zoals blijkt uit de mededelingen van zijn vader bij de opgave voor de Erelijst van gevallenen. Van Alkmaar werd Jan overgebracht naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. Zijn ouders hebben nog eens een briefje van hem gekregen waarin met een nagelrand de boodschap was geprikt: “Ik breek mijn woord nooit”, zoals op zijn bidprentje is vermeld.

Ik breek mijn woord nooit.
Ik breek mijn woord nooit.

Op 12 april 1944 werd hij overgeplaatst naar de gevangenis in Scheveningen. Op 13 april 1944 sprak na een zitting van een half uur het Polizeistandgericht drie doodvonnissen uit. Op 14 april 1944 werd hij – 18 jaar oud – samen met de twee anderen gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte. De laatste nacht bracht hij met zijn lotgenoten door op één strozak en 4 dekens, zoals een van hen schreef.

Officiële bekendmaking van de voltrekking van het doodvonnis aan Jan Hoberg en twee lotgenoten.
Officiële bekendmaking van de voltrekking van het doodvonnis aan Jan Hoberg en twee lotgenoten.

Indrukwekkend is de afscheidsbrief van Jan aan zijn ouders, broers en zusters, geschreven nadat hij op 13 april zijn doodvonnis had gehoord. Deze brief ontvingen zijn ouders pas na de executie. Toen zijn vader op de ochtend van de 14e april de krant uit de brievenbus haalde, las hij daarin de officiële bekendmaking van de voltrekking van het vonnis.


Afscheidsbrief van Jan Hoberg aan zijn ouders, broers en zusters

Lieve Pa, Moe, Hen, Aat, Leen, Ans en Dick,

Tot mijn grote verwondering werd ik gisteren 12 April overgeplaatst naar. Scheveningen. Vandaag 13 april 1944 wend ik uit mijn cel gehaald en moest ik mijn vonnis aanhoren.
Ik had niet gedacht dat het zo zwaar zou zijn, altijd heb ik nog gedacht dat ik er met gevangenisstraf vanaf zou komen, het heeft echter niet zo mogen zijn en met nog twee andere goeie Nederlanders heb ik mijn doodvonnis aangehoord.
Het vaderland eist zware offers. Ik hoop dat U het moedig zal dragen. Het ergste is zoo ’n straf voor de achterblijvers en de familiededen.
Moeder, ik heb me voorbereid voor deze laatste reis en vertrouw dat ik U allemaal in het hiernamaals mag ontmoeten. Wilt U alle bekenden mijn laatste groet overbrengen. Mijn laatste gedachten zijn bij jullie allemaal. Ook tijdens mijn gevangenschap heb ik vaak aan jullie gedacht.
Wilt U ook een speciale groet overbrengen aan Tiny, die ik nooit heb kunnen vergeten. Ik zit nu in een cel met nog 2 veroordeelden. Pa en Moe ik wil U bedanken voor alles en alle moeite die U altijd voor me gedaan hebt. Als ik ook terug had gekomen, had ik me voorgenomen dat ik alles zoveel mogelijk had vergoed wat betreft hartelijkheid. Daar heb ik nooit in uitgeblonken, dat weet ik. Nu voor allen een zoen en een stevige hand voor ’t laatst. Houdt U goed. Ik heb het ook moedig gedragen.

Leve de Koningin en Vaderland.
Jan


Lenie, een van de zusters van Jan, weet dat haar moeder op 13 april plotseling ernstig ziek was geworden. Zo ernstig dat de huisarts er een specialist bijhaalde, maar ook die kon geen oorzaak vinden. Op de ochtend van de 14e april was de kritieke toestand weer voorbij. Het moest haast wel dat ze de laatste uren van haar zoon zo heeft meebeleefd. Zijn dood heeft ze nooit goed kunnen verwerken. Ze had het gevoel het verdriet alleen te dragen.

Hennie Hoberg zette zijn illegale werk voort. Hij heeft er na de oorlog niet of nauwelijks over willen praten. Hij heeft een keer aan zijn vrouw verteld dat hij met hulp van illegale werkers in een lijkkist uit een politiebureau heeft kunnen ontsnappen. Angstdromen heeft hij zijn hele leven gehad. Met onder andere Joodse kinderen was hij in 1944 ondergedoken op een groot bovenhuis boven de Rotterdamse bank in Zutphen. Ondanks het feit dat hij vanwege de overval op het stadhuis in Alkmaar werd gezocht, bleef hij toch actief in het verzet.

Vanaf het voorjaar van 1944 tot de bevrijding heeft hij samen met andere onderduikers een illegaal blad gemaakt, genaamd ‘De Frontloupe’, waarin berichten van de dagelijks beluisterde BBC over het verloop van de oorlog werden opgenomen en onder andere activiteiten van de Sicherheitsdienst en de Gestapo werden vermeld.

Vader Hoberg heeft na de oorlog de stoffelijke resten van zijn zoon Jan kunnen identificeren aan de hand van zijn boordje. De herbegrafenis vond plaats met militaire eer. Lenie weet nog dat ze met familie de stoet uit Den Haag hebben opgewacht bij de grens met Limmen en dat een heilige mis werd opgedragen in de St.-Pancratiuskerk. Padvindersgroepen in Alkmaar en Castricum namen als eerbetoon de naam van Jan Hoberg aan.

De Oorlogsgravenstichting verzorgde het graf en wilde het in 1986 met toestemming van de familie overbrengen naar de erebegraafplaats in Loenen.


Jaarboek 28, pagina 67

Helaas bleek bij de opgraving dat de stoffelijke resten waren geruimd. De grafsteen, die er nog wel stond, werd op verzoek van de stichting verwijderd. Enkele jaren later ontdekte de oud-hopman Herman Wagenaar, inmiddels in Valkenburg wonend, deze situatie. De verdwijning van het graf was voor hem onacceptabel en overeenkomstig zijn wens werd door het kerkbestuur een gedenksteen bij de ingang van de begraafplaats aangebracht.

Gedenkplaat voor Jan Hoberg bij de ingang van de R.-K. begraafplaats.
Gedenkplaat voor Jan Hoberg bij de ingang van de rooms-katholieke begraafplaats.
Links op de foto Huibert van Ginhoven met zijn vader en moeder, broers en zusters. Vader J.A.J. van Ginhoven was achtereenvolgens hoofd van de christelijke lagere school in Marken, Oude Wetering en Barendrecht. De foto is genomen ter gelegenheid van zijn 25-jarig huwelijksfeest en zijn 25-jarig jubileum als schoolhoofd.
Links op de foto Huibert van Ginhoven met zijn vader en moeder, broers en zusters. Vader J.A.J. van Ginhoven was achtereenvolgens hoofd van de christelijke lagere school in Marken, Oude Wetering en Barendrecht. De foto is genomen ter gelegenheid van zijn 25-jarig huwelijksfeest en zijn 25-jarig jubileum als schoolhoofd.

Huibert van Ginhoven

Ook Huibert van Ginhoven wilde zijn aandeel leveren in de strijd tegen de vijand. Hij was er zich van bewust dat dat grote risico’s meebracht. Ondanks het feit dat hij een gezin had met zes kinderen, zag hij het als zijn plicht alles te doen wat in zijn vermogen lag. Zoals in het vonnis van het ‘Feldgericht’, de Krijgsraad, staat, heeft hij zich planmatig en intensief tegen Duitsland verzet. Hij deed alles wat in zijn vermogen lag om jonge mannen die naar Engeland wilden uitwijken te helpen en hij verzamelde zoveel mogelijk informatie over alles wat met het Duitse leger verband hield.

Zijn inzet kwam waarschijnlijk voor een groot deel voort uit zijn geloof. Hij was van huis uit lid van de Gereformeerde Kerk. De kerk verwierp de totalitaire staat en de beginselen van de NSB werden onverenigbaar verklaard met de geloofsbelijdenis.

Het Castricumse kerkgebouw stond aan de Beverwijkerstraatweg. In het voormalige kerkgebouw is nu (in 2005) een Body Slen-centrum gevestigd. Van Ginhoven bespeelde er van 1936 tot 1941 tijdens de kerkdiensten het bescheiden Liebig orgel. Hij was sinds 1931 lid van de Anti-revolutionaire partij en bestuurslid van de plaatselijke kiesvereniging.

Sociale zaken

Huibert van Ginhoven werd geboren op 26 december 1896 op het eiland Marken, waar zijn vader hoofd was van de christelijke lagere school. Daarna vervulde vader Van Ginhoven deze functie ook in Oude Wetering en Barendrecht.

In Barendrecht volgde Huib voortgezet onderwijs en vervolgens bezocht hij de kweekschool om net als zijn vader onderwijzer te worden. Korte tijd stond hij voor de klas, waarna hij van 1915 tot 1918 zijn dienstplicht vervulde. Daarna ging hij opnieuw lesgeven. Blijkbaar was dat toch niet wat hij zocht, want in Amsterdam ging hij op een boekhoudkantoor werken. Weer later vestigde hij zich als zelfstandig boekhouder en in 1932 ging hij aan het werk bij de dienst sociale zaken van de gemeente Amsterdam.

In 1922 trouwde hij met Carolina Cornelia Feij. In 1936 verhuisden ze van Amsterdam naar Castricum. Eerst woonde het gezin aan de Ruiterweg en in november 1938 betrokken ze een groter huis op het adres Torenstraat 69. Het echtpaar had toen zes kinderen, vijf zoons en een dochter. Het oudste kind was geboren in 1922 en de jongste in januari 1938 in Castricum.

Door zijn kerkelijke activiteiten en zijn politieke contacten raakte Van Ginhoven snel ingeburgerd. Afkomstig uit Amsterdam ervoer hij in Castricum toch wat conservatieve opvattingen en hij stak zijn mening dan niet onder stoelen of banken. Met kennissen Adrianus Eikelenboom, lid van de Kerkenraad van de Gereformeerde kerk en met Co Baart, die een wasserij had aan de Ruiterweg, ging hij graag in discussie over allerlei onderwerpen. Hij liet zich duidelijk gelden.


Jaarboek 28, pagina 68

Huibert van Ginhoven omstreeks 35 jaar.
Huibert van Ginhoven omstreeks 35 jaar.

Engelandvaart

Alles in hem verzette zich tegen het Duitse regiem. De maatregelen tegen de Joodse medeburgers wakkerden zijn weerzin nog meer aan. Al in het eerste oorlogsjaar zette Van Ginhoven zich in voor het vinden van onderduikadressen. Hij zou zelf ook mensen van Joodse afkomst in huis hebben gehad. Als vanzelfsprekend ontwikkelden zich zijn verzetsactiviteiten, waarbij hij vaak de hulp in riep van mensen uit zijn eigen kring van gereformeerden of leden van de Anti-revolutionaire partij. Hij verzamelde zoveel mogelijk informatie die van belang zou kunnen zijn voor de Nederlandse regering in Engeland. Ook riep hij daarbij de hulp in van anderen die bijvoorbeeld door hun werk van bepaalde bewegingen op de hoogte waren.

De Bakkummer Simon Belgraver op 60-jarige leeftijd in Australië. Als laborant leverde hij de stoffen die nodig waren voor het maken van vliegtuigbenzine.
De Bakkummer Simon Belgraver op 60-jarige leeftijd in Australië. Als laborant leverde hij de stoffen die nodig waren voor het maken van vliegtuigbenzine.

Een van de mensen die zich in 1940 bij zijn groep aansloot, was Simon Belgraver die aan de Stetweg in Bakkum woonde. Belgraver kwam in contact met G.J. Krösschell, woonachtig aan de Torenstraat, die weer in contact stond met de uitvoerder van de werkzaamheden voor de ombouw van het vliegveld Bergen. Op die manier kon Belgraver een tekening maken, die hij, volgens zijn eigen verklaring aan een contactpersoon van Van Ginhoven, bij een van de uitgangen van het Centraal Station in Amsterdam overhandigde. Die zou dan weer voor het verdere transport zorgen. Ook maakte Belgraver voor Van Ginhoven een schets van de werf in Haarlem waar Duitse onderzeeboten werden gerepareerd.

In het vonnis van de Krijgsraad van 4 oktober 1941 zijn veel details opgenomen van de bewezen geachte illegale activiteiten van Huibert van Ginhoven.
Hij stond kennelijk al in wijdere kring bekend als een tegenstander van de nieuwe machthebbers, want via een tussenpersoon werd in december 1940 de toen 22-jarige chemicus Lambertus Ligtvoet uit Amstelveen in zijn huis ondergebracht. Deze Lambertus, een vaandrig uit het Nederlandse leger, wilde hoe dan ook proberen in Engeland te komen om zich daar bij de krijgsmacht te voegen. Van Ginhoven wilde er alles aan doen om de overtocht mogelijk te maken, waarbij dan ook zijn verzamelde materiaal naar Engeland kon worden overgebracht. Ligtvoet verbleef bij hem van midden december 1940 tot begin maart 1941.

Van Ginhoven steunde nog twee andere mannen die naar Engeland wilden: elektrotechnicus Andreas Kop-Jansen uit Haarlem, die Van Ginhoven nog uit zijn jeugd kende en de vrachtwagenchauffeur Christian van ’t Schip. Door bemiddeling en op zijn kosten zorgde hij steeds voor onderdak en levensonderhoud. Van Ginhoven riep met succes ook verschillende andere mensen op om de goede zaak met geld te steunen.

Begin februari 1941 hoorde Van Ginhoven van plannen om een vliegtuig naar Engeland te laten vertrekken. Er was vertraging omdat er niet genoeg benzine was. Ligtvoet zag als chemicus wel kans om gewone benzine te verbeteren tot vliegtuigbenzine. Van Ginhoven vroeg Simon Belgraver, die op het laboratorium van de Bataafse Petroleum Maatschappij (later Shell) werkte, om hulp. Die wist het benodigde materiaal uit het laboratorium te smokkelen en leverde het bij Van Ginhoven af. Nu het probleem van de brandstof was opgelost, konden de voorbereidingen worden vervolgd. De vlucht werd op het laatste moment vertraagd door de weersomstandigheden en tot overmaat van ramp verscheen in de hangar een onbekend gebleven man, die waarschuwde dat de Duitsers achter de plannen waren gekomen. Besloten werd de onderneming voorlopig af te blazen. Het door Van Ginhoven verstrekte pakket informatie dat meegenomen zou worden, werd weer bij hem teruggebracht.

V-Männer

Ligtvoet zag nu bij Van Ginhoven geen mogelijkheid meer om met diens hulp in Engeland te komen en nam in Amsterdam andere hulp in de arm. Tijdens deze escapade verscheen er een jonge man ten tonele, die zich voorstelde als Stellbrink. Die maakte Ligtvoet wijs dat er elke twee weken een vliegtuig tussen Engeland en Holland vloog. Maar hij moest wel spionagemateriaal meenemen en overdragen aan de officiële instanties in Engeland. Het betrof een


Jaarboek 28, pagina 69

gedetailleerde plattegrond van de Fokkerfabriek in Amsterdam. Tot 27 maart verbleef Ligtvoet in de woning van Stellbrink in Leiden en op die dag werd hij door een auto afgehaald voor zijn zogenaamde tocht naar Engeland. Het bleek een valstrik. In Wassenaar werd hij aangehouden en gearresteerd.

In deel 5 van het boek ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ onthult dr. L. de Jong dat Stellbrink lid was van de Abwehr, een dienst die zich bezig hield met contraspionage. Vier NSB’ers, waaronder Stellbrink, bekend onder de naam V-Männer, vormden het groepje Nederlandse verraders, dat de opdracht had steeds dieper in te dringen in de illegale groepen waarmee zij in contact kwamen.

Ligtvoet werd in de gevangenis van Scheveningen onder druk gezet om alle details van de plannen voor de Engelandvaart te onthullen. Van Ginhoven zette zich, onwetend van dit alles, nog steeds in voor de overtocht van Kop-Jansen en Van ’t Schip. Op 8 mei 1941 ontmoette Van Ginhoven de twee in café Central in Amsterdam. Vandaar vertrokken ze in een vrachtwagen naar Den Haag. In de buurt van Haarlem werden ook zij gearresteerd. Op de 8e mei zijn alle anderen die hulp hadden verleend of onderdak hadden geboden, ook opgepakt. In totaal 18 mannen werden in afwachting van hun vonnis in Scheveningen gevangen gezet.

Bij huiszoekingen werd bij de buurvrouw van Van Ginhoven een pakketje gevonden met de tekening die Belgraver had gemaakt van de veranderingen op het vliegveld Bergen en berichten bestemd voor Engeland. Dat pakketje was in de pedaalkast van de piano verstopt. Een zoon van Van Ginhoven had haar gevraagd er goed op te passen. In het gerechtelijk vonnis worden voorbeelden gegeven van de inhoud van de berichten zoals:

  • Marinetroepen uit Noord-Holland op zondagmiddag om 05.00 uur vertrokken volgens informatie van een luitenant op weg naar Spanje.
  • In een confectiefabriek in Noord-Brabant worden Turkse uniformen gemaakt.
  • Van de U88 staan 16 stukken in de duinen bij Bergen.
  • Langs de weg tussen Chaussee en Bio zijn betonnen startbanen gebouwd.
  • De oude werf van Conrad aan de Paul Krugerkade wordt vermoedelijk een basis voor torpedoboten.
  • Het Russenduin wordt een meteorologische post voor het leger.

De aanklager had het niet moeilijk om het bewijs te leveren dat Van Ginhoven geheime informatie verzamelde.

Van Ginhoven in de luchtvel van het huis van bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. De foto is gemaakt door een gevangenisbewaarder.
Van Ginhoven in de luchtvel van het huis van bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. De foto is gemaakt door een gevangenisbewaarder.

Doodvonnis

Op 29 september werden alle 18 mannen van de groep Van Ginhoven van het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen overgebracht naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. Het proces vond plaats op 2, 3 en 4 oktober 1941. Het ontkennen van de feiten was vanwege alle bewijsmateriaal zinloos.
Van Ginhoven en Ligtvoet kregen de doodstraf wegens begunstiging van de vijand in combinatie met verraad van staatsgeheimen. Uit het vonnis: “Derartige verantwortungslose Personen müssen nach der Überzeugung des Gerichtes erbarmungslos ausgerottet werden.” De andere aangeklaagden werden veroordeeld van levenslange tuchthuisstraf tot tenminste drie jaren.

Simon Belgraver, die componenten voor de verrijking van de benzine had geleverd en ook hulp had verleend bij het onder dak brengen van Ligtvoet en Van ’t Schip, kreeg vier jaar tuchthuisstraf die hij in Duitsland onder verschrikkelijke omstandigheden doorbracht. In 1951 emigreerde Belgraver naar Australië, waar hij opnieuw werk vond op een laboratorium. Hij heeft zijn hele verdere leven geleden onder zijn oorlogservaringen.

Krösschell werd vrijgesproken omdat zijn spionageactiviteiten verborgen bleven en hij volhield helemaal niets van de intenties van Van Ginhoven af te weten.

De uitvoering van de doodvonnissen van Van Ginhoven en Ligtvoet zou op 17 november 1941 plaatsvinden, maar deze werd uitgesteld omdat Ligtvoet een revisieproces zou krijgen. Bij dat proces moest Van Ginhoven als getuige optreden. Ligtvoet werd op de dag van het revisieproces, 11 februari 1942, opnieuw ter dood veroordeeld, maar op 16 maart kreeg hij gratie en werd zijn straf veranderd in levenslange gevangenisstraf, waarvoor ook hij naar Duitsland werd overgebracht.

Op 17 maart 1942 werd Van Ginhoven om twee minuten over vier ter dood gebracht op de schietbaan van Laren. Aan zijn vrouw en aan ieder kind persoonlijk heeft hij een afscheidsbrief geschreven.

Kees van Ginhoven: “Ik zat op de school met de Bijbel en werd door mijn zusje opgehaald en naar Amsterdam gebracht, waar wij op de Lekstraat op 1-hoog in aanwezigheid van familie, mijn moeder, broertje en zusje het tijdstip van vaders executie meemaakten.”

Johan van Ginhoven: “Mijn vader heeft er zeer onder geleden dat hij vijf maanden als ter dood veroordeelde in de gevangenis zat zonder dat er verandering in de toestand kwam, maar aan de andere kant was hij er God dankbaar voor dat hij een zo lange tijd kreeg om zich voor te bereiden, in tegenstelling tot vele anderen.”

Herinneringen

Kees van Ginhoven: “Geëxecuteerden werden gecremeerd, de urn werd door een militair (die kreeg daarvoor een paar dagen extra verlof) naar Duitsland gebracht. In mijn vaders geval naar een begraafplaats ten oosten van Berlijn (de zogenaamde Franse begraafplaats). Na de oorlog werden de urnen opgespoord door de Oorlogsgravenstichting en overgebracht naar Erebegraafplaatsen. Het graf van mijn vader is op het Kriegsfriedhof in Osnabrück.


Jaarboek 28, pagina 70

Een paar weken na onze vaders dood moesten wij wegens de grootscheepse evacuatie onze woning aan de Torenstraat verlaten. Met een vrachtwagentje werd ons huisraad naar Friesland gereden; mijn zusje en ik zaten in de cabine naast de chauffeur. Mijn oudste broer (ook 6 maanden in de gevangenis opgesloten geweest) dook onder in Surhuisterveen; de op een na oudste dook onder op een boerderij in Ellecom de derde broer trok in bij een oom (tevens voogd) in de De Steeg (Gelderland).

Moeder, dochter en de jongste werden opgenomen door een boer Reinder de Vries in Opeinde (Smallingerland) en ik kwam op een kleine boerderij ook in Opeinde. Op de zolder van de school werden onze bezittingen opgeslagen. Die zolder is in 1944 in brand geraakt en daarbij verloren wij alle privé-spullen. Medio mei 1944 vond mijn moeder het te gevaarlijk worden op de boerderij en vertrok met de kinderen naar een ander adres. Zij kreeg op een verschrikkelijke manier gelijk; de boerderij van De Vries was het onderkomen van de leden van de knokploeg Smallingerland en het opvangcentrum voor neergeschoten geallieerde vliegers. Die familie De Vries bestond louter uit helden. Op 21 november 1944 vond er een overval plaats door Duitse militairen. Er volgde een schietpartij, waarbij ook twee zoons Jan en Marten de Vries het leven lieten. De boerderij ging in vlammen op. Er is veel gebeurd in Friesland.

Kees van Ginhoven en zijn moeder Cornelia Feij (1902-1990) bij het graf van Huibert in Osnabrück.
Kees van Ginhoven en zijn moeder Cornelia Feij (1902-1990) bij het graf van Huibert in Osnabrück.

In 1947 keerden moeder en de drie jongst en terug naar Castricum, om kort daarna te verhuizen naar Amsterdam in verband met de studie van de kinderen. Moeder kon het heen en weer gereis niet betalen.

Na de oorlog zijn alle kinderen geëmigreerd naar Canada. Ik ben teruggekeerd; emigratie had alles te maken met de treurige naoorlogse situatie in Nederland en veronachtzaming (door de gemeenschap, ook de kerk) van het leed dat ons gezin is overkomen.

Ligtvoet was in mei 1940 bij ons gezin ingekwartierd, evenals Jan, de later omgekomen oudste zoon van Pake de Vries. Ligtvoet is na de oorlog (tijdens de oorlog in de gevangenis in Duitsland) teruggekeerd naar Amsterdam, werd arts en heeft nog enkele jaren bij ons ingewoond in Amsterdam. Hij leed zeer onder zijn schuldgevoel (hij had het gevoel ten onrechte overleefd te hebben). Een aantal Van Ginhoven’s heeft de Yad Vashem-onderscheiding gekregen. Een aangetrouwde oom (Wijntje uit Vlaardingen die deze onderscheiding ook kreeg) heeft mijn oom Dick van Ginhoven (de dominee, broer van mijn vader) gewapenderhand uit de gevangenis bevrijd (zou anders ook geëxecuteerd zijn).

Mijn hele familie heeft in het verzet gezeten en Joden ondergebracht en gered.
De meesten van ons gezin en ikzelf ook hebben de nare ervaringen een eigen intieme plaats gegeven. Er werd niet over gepraat, het gezin was uit elkaar gespat. Emotioneel (het was allemaal te erg) is het contact tussen broers en zus nooit meer hersteld. Ook mijn moeder is overgegaan tot de orde van de dag; zij heeft tot op hoge leeftijd voor haar dagelijks brood moeten knokken en heeft het beste (resterende) deel van haar leven aan de opvoeding van haar thuiswonende kinderen gewijd (zij verdient de Militaire Willemsorde); zij heeft argwaan, jaloezie, kerkelijke bemoeizucht en gebrek aan steun van de Stichting 40-45 (ook uit trots) weerstaan.”

In 1946 werd bij de gemeentelijke sociale dienst in Amsterdam een gebrandschilderd gedenkraam geplaatst ter nagedachtenis aan Joodse ambtenaren en verzetsmensen van deze dienst, die in de oorlog omkwamen. Oud-collega’s brachten het geld daarvoor bij elkaar. Op dat raam staat ook de naam van Huibert van Ginhoven en de datum van zijn executie.

De oorlogsgraven op de begraafplaats van de Hervormde kerk.
De oorlogsgraven op de begraafplaats van de Hervormde kerk. Kerkpad in Castricum, 1970. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In Castricum zijn er de straatnamen die aan hem en aan zijn lotgenoten Jan Hoberg en Leo Toepoel herinneren. Bij de Hervormde kerk vinden we 36 oorlogsgraven van bemanningsleden van geallieerde vliegtuigen. In het park Noordend staat het herdenkingsmonument voor de gevallenen, vlak bij de plaatsen waar bij wijze van represaille 20 mannen werden doodgeschoten.
Zij mogen niet worden vergeten!

Niek Kaan

Bronnen:

  • Jong, L. de: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog onder andere delen 3 en 5.
  • Wal, J.Q. van der: Slachtoffers van de Rozendaalse Emma-pyramide.
  • Baarda S. en Valk G: Alkmaar in oorlogstijd 1940-1945.
  • Don Bosco Groep Alkmaar: Wat een tijd … gedenkboek 50 jaar Don Boscogroep 1991.
  • Elburg, A. van: Verslag activiteiten Don Boscogroep in de oorlogsjaren.
  • Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie: uitspraak Feld-gericht inzake Van Ginhoven en 17 anderen van 4 oktober 1941.
  • Opgaven Erelijst voor gevallenen.
  • Streekarchief Alkmaar: archief gemeente Castricum.
  • Gemeentearchief Amsterdam: gezinskaarten.
  • Informatie van: de heer en mevrouw C L . Toepoel, Zuster Matthea Bakker, M. Hopman, mevrouw A. Lute-Borst, mevrouw T. Vos-Baltus, mevrouw T. Wulp-Vergouw, D.J. Hoberg, mevrouw H.C. Hoberg, mevrouw M. Hoberg-van der Ven, H.R. Hoberg, mr. C.H. van Ginhoven, G. Eikelenboom, C.J. Baart, Th. S. Belgraver en mevrouw S. Winter-Belgraver (Australië).

18 december 2021

Vrouwen in het verzet

Tiny Boot (tweede van links) op de ijsbaan aan de Zeeweg te Bakkum

In De Castricummer van 15 december wordt op pagina 14 melding gemaakt van de tentoonstelling in het Noord-Hollands archief in Haarlem: ‘Vrouwen in het verzet’. In de expositie is ook het verhaal van Tiny (van Vlaanderen)-Boot opgenomen: een Castricumse die ten tijde van de oorlog werkzaam was als secretaresse op het gemeentehuis en met name veel koerierswerk heeft gedaan.

In de tentoonstelling zijn op de twee portretmuren de namen en portretten te zien van 135 verzetsvrouwen uit Noord-Holland. Daarnaast worden in de vitrines in zes thema’s de verschillende aspecten van verzet genoemd: ‘vervalsingen’, ‘illegale pers’, ‘koerierswerk’, ‘gewapend verzet’, ‘onderduikers’ en ‘kampleven’. Bij elke vitrine kan je luisteren naar het verhaal van de vrouw(en) die in de vitrine genoemd worden.

30 december 2020

Bruno van Castricum trok op tegen de West-Friezen

Door: Eric Bor

Het Biographisch Woordenboek der Nederlanden van A.J. van der Aa uit 1858 vermeldt Bruin van Castricum, een edelman die in 1168 met de Hollandse graaf Floris III optrok tegen de West-Friezen en na de overmoedige plundering van Schagen met een groep lotgenoten in een hinderlaag liep. Een verslag van deze strijd is te vinden in de Annalen van Egmond, het oudste handschrift waarin gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis zijn opgetekend. Hieronder volgt de vertaling van dit in het Latijn geschreven verslag.

29 juli 2020

Castricum en Bakkum 1918, de gebeurtenissen (Jaarboek 42 2019 pg 110-112)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 42, pagina 110

Castricum en Bakkum 1918, de gebeurtenissen

Burgemeester Mooij (1848) is dertig jaar burgemeester van Castricum geweest: van 1888 tot 1 juni 1918.
Burgemeester Mooij (1848) is dertig jaar burgemeester van Castricum geweest: van 1888 tot 1 juni 1918.

In het jaar 1918 loopt de Eerste Wereldoorlog ten einde. Er heerst nog schaarste aan voedsel, benzine en materialen. Burgemeester Mooij wordt op zijn verzoek eervol ontslagen en wordt in augustus opgevolgd door burgemeester Lommen. Het katholieke onderwijs gaat komen; naast de R.-K. kerk is een zesklassige meisjesschool in aanbouw.

De gebeurtenissen in Castricum van honderd jaar geleden zijn vooral ontleend aan de gemeenteraadsnotulen, de inkomende en uitgaande stukken van de gemeente Castricum, dossiers in het gemeentearchief, de provinciale bladen, de registers van de burgerlijke stand etc.

1 januari 1918

Het gemeentebestuur bestaat uit burgemeester Johannes Mooij en de wethouders Cornelis Spaansen en Petrus Valkering. De raadsleden zijn: Gerrit Kuijs, Petrus Kuijs, Pieter Twisk, Gerard Louter en Jacob Schuijt. Hendrikus Oostveen is de gemeentesecretaris en Bernardus Res is de gemeenteontvanger.

Op 1 januari 1918 telt Castricum 4.225 inwoners. Dit aantal is op 31 december afgenomen tot 4.185. In het jaar 1918 vestigen zich in onze gemeente 617 personen, terwijl er 641 naar elders vertrekken. Er worden in dit jaar 107 kinderen geboren, er overlijden 123 inwoners en er worden 30 huwelijken gesloten.
Aantal kiezers voor de gemeenteraad: 726.
Vanuit de gemeenteraad zijn verschillende commissies actief: commissie tot wering van het schoolverzuim, commissie van toezicht op het lager onderwijs en de gascommissie voor het toezicht op de gemeentelijke gasfabriek.

Opgave dat ‘De Onderneming’ met eigenaar Matthijs Olgers aan de Kramersweg met twee boten een vrachtdienst onderhoudt van Limmen-Wormerveer-Zaandam-Amsterdam. De boten met een lengte van 10,8 meter, een breedte van 3 meter en diepgang 1 meter hebben een laadvermogen van 12,5 ton.
De dienst is in de laatste maanden van dit jaar gestaakt bij gebrek aan benzine.

5 maart 1918

Van verschillende ingezetenen is het verzoek binnengekomen om betere controle op de woonwagenbewoners en zo mogelijk aanwijzing van een plaats waar de wagens moeten blijven staan. De heer Valkering zou de wagens gebracht willen zien tot de scheipaal (gemeentegrens); ze staan dan ver van de woningen. De voorzitter wil proberen om van jonkheer Gevers toestemming te krijgen een plaats te mogen bestemmen voor woonwagens.

De heer Pepping wordt eervol ontslag verleend als directeur van het levensmiddelenbedrijf. Als zijn opvolger wordt J.C. van Gijzen uit Alkmaar. Omdat de directeur een zware financiële verantwoordelijkheid heeft, wordt het jaarsalaris verhoogd van 800 naar 1.000 gulden.

J. Verdwaald wordt benoemd tot de gemeentewerkman. De toestand van de wegen in Noord-Bakkum is slecht. De kosten van de verbetering van de Duinweg, Hoogeweg, Limmerweg en Zanddijk worden geraamd.

16 april 1918

De nieuwe onderwijzer D. Sixma heeft per 1 mei ontslag aangevraagd en gekregen. Besloten wordt om bij de oproep voor sollicitanten te vragen naar het bezit van een tuinbouw-akte, omdat onze gemeente voor een groot deel een ‘tuinbouwende’ bevolking heeft. Het geven van dit onderwijs zou van veel waarde zijn, vooral als dat ’s avonds wordt gegeven.

Voorzitter Johannes Mooij deelt mee dat door hem ontslag is aangevraagd als burgemeester van deze gemeente.


Jaarboek 42, pagina 111

30 mei 1918

Opgave van het aantal kiezers in de gemeente. Het aantal mannen die de leeftijd van 25 jaar op 2 januari 1918 hebben bereikt is 1034. Daaronder zijn 270 patiënten van Duin en Bosch.
Aantal kiezers voor de Tweede Kamer: 764, voor de Provinciale Staten: 756 en voor de Gemeenteraad: 726.

31 mei 1918

Bij Koninklijk Besluit van 10 mei 1918 is aan de heer J. Mooij met ingang van 1 juni 1918 eervol ontslag verleend als burgemeester van onze gemeente met dankbetuiging voor de langdurige diensten door hem in zijn betrekking bewezen. Als oudste wethouder richt de heer Spaansen het woord tot de burgemeester en bedankt voor de diensten in de dertig jaren. Spreker wijst op de vele werkzaamheden van de burgemeester, die jarenlang tevens het secretariaat waarnam. Het jongste raadslid, de heer Schuijt, stelt voor dat de burgerij de aftredende burgemeester in dankbare herinnering zal gedenken en zou willen voorstellen aan een van de hoofdwegen in de gemeente de naam Burgemeester Mooijstraat te willen geven.
Op 25 juni volgt het voorstel om de Kramersweg de naam Burgemeester Mooijstraat te geven.

23 juli 1918

Opmerkingen dat het publiek dikwijls lang moet wachten voor zaken die de posterijen betreffen, omdat J. Res de telefoon bedient. Gevraagd wordt of het niet mogelijk is dat de dochter de telefoonhoudster en de vader plaatsvervanger wordt.
Het kantoor der posterijen is geopend van 8 tot 1 uur en van 2 tot 7.30 uur. Besluit tot salarisverhoging van de kantoorhouder en zijn plaatsvervangster.

Intocht van burgemeester Lommen op 1 augustus 1918.
Intocht van burgemeester Lommen op 1 augustus 1918. Naast de burgemeester zijn stiefmoeder, mevr. C.M.M. Lommen-Sauveur. Zij staan hier op het bordes van het raadhuis.

1 augustus 1918

De per 1-8-1918 benoemde burgemeester de heer P.H.L.J. Lommen wordt door de secretaris de vergadering binnengeleid. Welkomstwoorden worden uitgesproken.

14 augustus 1918

Opgave van de bedeling van de armen:

  • door het Rooms-Katholiek Parochiaal Armbestuur 12 personen, waarvan 4 boven de 70 jaar;
  • door de Diaconie der Nederlands Hervormde Gemeente 6 personen;
  • door het Burgerlijk Armbestuur 20 personen, waarvan 5 boven de 70 jaar;

In het Burgerlijk Armenhuis worden zes mensen verpleegd.

16 augustus 1918

Bezwaren zijn ingekomen tegen het verzoek om het voetpad over het Wouterland op te heffen (voetpad van Schulpstet tot Zeeweg). Dit omdat het pad veel wordt gebruikt en er bij afsluiting een grote omweg moet worden gemaakt. Er wordt besloten om het voetpad niet op te heffen, maar een verbod in te stellen voor rijwielen, hand- en kinderwagens.

Het wordt verboden om te zwemmen in sloten of wateren gelegen binnen een afstand van 200 meter van een bewoond perceel.

Gedeputeerde Staten van de Provincie dringt er op aan om wegens het heersen van de Spaanse griep dit jaar de kermissen zoveel mogelijk niet te laten doorgaan. Het besluit wordt genomen dat de kermis op 1, 2 en 3 september en 13 en 14 oktober voor het jaar 1918 niet doorgaan.

In het dorp Castricum zijn er al feesten gehouden, maar in Bakkum nog niet. De burgemeester verklaart zich in het algemeen een voorstander van volksvermaken. Hij ziet er geen bezwaar in om in Bakkum een klein volksfeestje te geven om de neringdoenden aldaar enigszins tegemoet te komen.

De Gezondheidscommissie vraagt verbetering van de toestand van de sloot langs de Cieweg. Er zijn klachten over vervuiling. Het is nu geen geschikte tijd om riolering aan te leggen, omdat de materialen moeilijk te krijgen zijn en vanwege de hoge kosten. Nu de kaasfabriek aan de Cieweg niet meer werkt, is de stank wel afgenomen. Het polderbestuur wordt aangeschreven om verbetering aan te brengen.

31 augustus 1918

Het bestuur van de R.-K. kerk krijgt vergunning een zesklassige school voor R.-K. onderwijs aan meisjes te bouwen aan de Rijksstraatweg ten noorden van de R.-K. kerk.

6 september 1918

Meerdere ingezetenen hebben de gemeente verzocht om voor de komende winter in hun lichtbehoefte te voorzien. Er zijn ongeveer 116 lichtloze gezinnen; zij hebben geen aansluiting op de gasfabriek. Er gaat een demonstratie gehouden worden met carbidverlichting.

18 september 1918

Door B&W is in januari een voorwaardelijke vergunning verleend aan de Directie der Hollandsche Industrie en Handelsmaatschappij te Rotterdam tot het oprichten van


Jaarboek 42, pagina 112

een groentendrooginrichting aan de Duinweg te Noord- Bakkum. Hiertegen heeft Gedeputeerde Staten bezwaar gemaakt.
Uitspraak van de Raad van State met verlening van de vergunning onder strikte voorwaarden, zoals alleen groe ten, geen verwerking van vis of vlees, strenge regels met betrekking tot de afvoer van rookgassen en afvalwater en kwalijk riekende dampen die worden ontwikkeld bij het drogen van uien, prei of andere groenten.

4 oktober 1918

Vanwege beperkte plaatsruimte wordt het wenselijk geacht om de administratie van het Distributiebedrijf bij het raadhuis weg te halen. Er wordt een nieuw gebouw geplaatst.
Door de raad wordt besloten om een ambtswoning te bouwen voor de burgemeester.

31 oktober 1918

Wegens de voortdurende uitbreiding van de werkzaamheden ter secretarie stellen B&W voor het personeel met een ambtenaar uit te breiden. Discussie of het een vaste of tijdelijke aanstelling moet worden. Omdat binnenkort een einde aan de oorlog kan worden verwacht en daardoor de werkzaamheden ter secretarie worden verminderd, is de meerderheid voor een tijdelijke aanstelling op een jaarsalaris van 800 gulden.
Raadslid Valkering wenst dat de verschillende straatnamen worden kenbaar gemaakt door middel van bordjes. Het college komt met een voorstel.

8 november 1918

De kosten van uitbreiding van het gasnet om een groot aantal gezinnen te kunnen aansluiten zijn hoog en er wordt daarvoor dus niet gekozen. Voorstel om alleen aan lichtloze gezinnen kaarsen te verstrekken.

Bij het begin van de bouw van de meisjesschool, het eerste deel van de Augustinusschool.
Bij het begin van de bouw van de meisjesschool, het eerste deel van de Augustinusschool.

4 december. 1918

Door uitbreiding van het aantal kinderen aan de Openbare Lagere School en door het splitsen van het Uitgebreid Lager Onderwijs in twee klassen is de plaatsruimte aan de O.L.S. (Openbare Lagere School) te klein geworden. Met de bouw van een R.-K. Lagere School aan de Alkmaarse straatweg is begonnen, zodat binnen enkele maanden de O.L.S. voor een gedeelte zal worden ontvolkt. Besluit om niet over te gaan tot uitbreiding van die school, maar daarvan één klas voor de tijd van zes maanden onder te brengen in een van de lokalen van de R.-K. Bewaarschool.

31 december 1918

De gemeenterekening over het jaar 1918 telt aan ontvangsten 124.279 gulden en aan uitgaven 135.840 gulden. Er is een nadelig saldo van 11.561 gulden.

Simon Zuurbier

15 juni 2019

Salamander weer zichtbaar op strand Castricum

Bron: Koen van Eijk – Noordhollands dagblad, 14 juni 2019

Op de Facebookgroep ‘Je bent Castricummer als’ werd er al druk over gepraat: wat was dat stuk steen of muur of metaal dat nu op het strand te zien is bij paal 45? Koen van Eijk schreef er in het Noordhollands Dagblad van 14 juni een artikel over.

Maar ook in het jaarboeken van Oud-Castricum van 2001 is geschreven over deze 46 meter lange ‘Panzerkanonenboot’. Lees over de Salamander en andere gestrande schepen èn zeezoogdieren in het artikel ‘Spectaculaire strandingen aan de Castricumse kust’ uit jaarboek 2001 van Oud-Castricum, geschreven door Cor Smit.

21 november 2018

Eerste Wereldoorlog (Jaarboek 37 2014 pg 39-45)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 37, pagina 39

Castricum en de Eerste Wereldoorlog

Jan Zonneveld links vooraan met zijn kameraden.
Jan Zonneveld links vooraan met zijn kameraden. Jan (1895-1976) was gehuwd met Cornelia Louter en een zoon van Aldert Zonneveld en Geertje Tromp.

Buiten onze landsgrenzen woedde tussen 1914 en 1918 een gruwelijke oorlog die miljoenen slachtoffers eiste. Duitsland, Oostenrijk en Turkije stonden tegenover de geallieerden Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland. Toen de Verenigde Staten in 1917 de kant van de geallieerden kozen, raakten die aan de winnende hand.
Nederland was neutraal, maar het leger was wel gemobiliseerd om die neutraliteit te handhaven.

Tienduizenden vluchtelingen stroomden ons land binnen. We kregen te maken met schaarste aan voedsel en groeiende werkloosheid door het teruglopen van de internationale handel, maar het was niets vergeleken bij de ellende op de slagvelden. Wat maakten de Castricummers en Bakkummers 100 jaar geleden mee tijdens de ‘Grote Oorlog’? Veel is er in de archieven niet van terug te vinden, maar de oorlog is toch zeker niet ongemerkt voorbij gegaan.

Castricum in 1914

De gemeente telde nog geen 3500 inwoners. De bebouwing was hoofdzakelijk te vinden langs de eeuwenoude wegen. Veeteelt en tuinbouw waren de voornaamste bronnen van bestaan met het provinciaal ziekenhuis als grootste werkgever.

Ten tijde van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, werd in Castricum na een jarenlange voorbereiding de gemeentelijke gasfabriek in bedrijf gesteld. Voor verlichting hadden de mensen nog alleen een petroleumlamp of kaarsen en om te koken werden hout, turf of steenkolen gebruikt. Er was geen waterleiding, elektriciteit, riolering of zelfs maar een vuilnisophaaldienst. Alleen de Rijksstraatweg/Dorpsstraat was bestraat en de andere wegen (waren) hooguit gedeeltelijk (bestraat).
Veel gezinnen telden zes of meer kinderen. Er waren twee openbare lagere scholen, een aan de Schoolstraat en een aan de Van Oldenbarneveldweg. Het bijzonder onderwijs zou pas zes jaar later zijn intrede doen. Dat was het dorp in 1914.

Mobilisatie

Iedereen tot 40 jaar die in militaire dienst was geweest, werd op 31 juli 1914 onder de wapenen geroepen. Om 15.00 uur werden de mobilisatie oproepen op de gemeentehuizen aangeplakt en onder het luiden van de kerkklokken onder de aandacht van de bevolking gebracht. Zo’n 180.000 mannen spoedden zich de volgende dag naar hun mobilisatie bestemming. De treinen waren tjokvol met militairen. Op de stations heerste grote drukte. Van een dienstregeling was geen sprake meer. Overal was de spanning voelbaar. Iedereen leefde in grote onzekerheid, want het was toch nog lang niet zeker dat Nederland buiten de oorlog zou blijven. In de militieregisters komen we honderden namen tegen van


Jaarboek 37, pagina 40

dienstplichtige Castricummers. Niet iedereen heeft ook dienst gedaan, maar de familie Zonneveld is met liefst 70 man vertegenwoordigd, Brakenhoff en Kuijs ieder met 45, Lute 34, Stuifbergen 32 en Res 24. Dat deze families hun aandeel in ruime mate hebben geleverd, is wel duidelijk.

Van het personeel van het provinciaal ziekenhuis werden 28 mannen opgeroepen. Het vertrek van de verplegers maakte de ontruiming van twee afdelingen noodzakelijk. Eén van de ontruimde afdelingen werd op verzoek van het Rode Kruis ingericht voor het zo nodig opnemen van 50 zieken of gewonden. Ook de tweede afdeling zou snel als hospitaal kunnen worden ingericht.

Henk Twisk (1897-1979) woonde op de boerderij Johanna’s Hof in 1914. Hij vertelde: “De eerste kampeerders kwamen in 1913 en 1914. Ze waren rond de 20 jaar oud en dus waren er veel dienstplichtigen bij. Al die lui moesten vertrekken. Op 1 augustus 1914 was het terrein leeg en werd het gesloten.”

Albert Rommel (rechts) bereikte de rang van kapitein-luitenant ter zee.
Albert Rommel (rechts) bereikte de rang van kapitein-luitenant ter zee.

Op 4 augustus kon de mobilisatie als voltooid beschouwd worden. Samen met de militairen die al in actieve dienst waren, was het leger op een sterkte van 200.000 man gekomen. Op strategisch belangrijke punten als havens, sluizen, bruggen, langs de grens en de kust werden de militairen geposteerd. Plaatsgenoot kapitein Rommel moest zijn opleiding tot 1e stuurman afbreken en werd ingelijfd bij de militaire Kustwacht in Vlissingen. Later werd hij havencommandant op West-Terschelling, commandant van een fregat en tenslotte havencommandant in Willemstad. Hij eindigde zijn loopbaan als reserve-officier in de rang van kaptein-luitenant ter zee.

Gerrit Veldt, geboren in 1883 op de boerderij ‘De Plaats’ in Noordend, was er trots op dat hij het als jongen van het platteland met alleen lagere school tot sergeant had gebracht.
Gerrit Veldt, geboren in 1883 op de boerderij ‘De Plaats’ in Noordend, was er trots op dat hij het als jongen van het platteland met alleen lagere school tot sergeant had gebracht.

Gerrit Veldt (1883-1955), geboren op de boerderij ‘De Plaats’ op het Noordend, was ook een van de gemobiliseerden. Na het overlijden van zijn vader op 25 december 1914 moest hij gedurende zijn diensttijd de boerderij verhuren. Hij stuurde ansichtkaarten eerst aan zijn ouders


Jaarboek 37, pagina 41

en later aan zijn meisje, dat hij op de Bakkummer kermis in oktober 1916 had ontmoet. Uit de bewaard gebleven kaarten blijkt waar hij zoal gelegerd was: Chassékazerne in Breda, Budel, Soerendonk en Eindhoven. Hij bracht het als jongen van het platteland met alleen lagere school tot sergeant. Jan Veldt, schrijft in zijn boek ‘Kroniek van Veldt verhalen’:
“Hoe trots hij daarop is, zien we op sommige kaarten. Over zijn diensttijd praat hij graag en enthousiast, over de veldoefeningen waarin zijn praktisch inzicht blijkt, over de spanning die hij ondergaat bij grenscontroles van binnenstromende vluchtelingen uit België en deserteurs, zo uit de loopgraven gevlucht, met de munitie nog in hun zak en over de collegialiteit die hij ervaart.”

Klaas Veldt, broer van Gerrit, werd in mei 1905 opgeroepen voor de militaire dienst en ingedeeld bij het Regiment Vesting Artillerie. In 1913 wordt hij overgeschreven naar de Landweer en vervolgens was hij gemobiliseerd tot 31 december 1918.
Klaas Veldt, broer van Gerrit, werd in mei 1905 opgeroepen voor de militaire dienst en ingedeeld bij het Regiment Vesting Artillerie. In 1913 wordt hij overgeschreven naar de Landweer en vervolgens was hij gemobiliseerd tot 31 december 1918.

Ook Klaas (1885-1970), een jongere broer van Gerrit, is gemobiliseerd en ingedeeld bij het Regiment Vesting Artillerie. Hij wordt gestationeerd in Amsterdam, maar toen zijn commandant hoorde dat hij een vrouw en kind heeft, wordt hij overgeplaatst naar het fort aan Den Ham bij Uitgeest. Hij kan nu lopend naar huis, waar zijn vrouw Trijntje met zoon Jaap op de arm hem in de verte al ziet aankomen.

Engel Twisk (1925), zoon van smid Floris Twisk (1893- 1974), herinnerde zich dat zijn vader eerst te werk werd gesteld in Bergen waar hij Duitse geïnterneerden moest bewaken. Die waren vanuit België naar Nederland gevlucht. Omdat Nederland neutraal was, moesten soldaten van beide strijdende partijen (België en Duitsland) gevangen genomen worden. Maar het had niet veel van een gevangenis. De mannen prijsden zich gelukkig dat ze in Bergen zaten en niet in de loopgraven. Na korte tijd werd vader Floris overgeplaatst naar de Kustwacht in Den Helder. Hij verveelde zich net als veel andere collega’s en was blij dat hij daar de kanonnen mocht onderhouden. In de weekenden kon hij vaak naar huis en reisde dan samen met zijn buurjongen Wub van Weenen, die bekend werd als samensteller van vele revues die in het dorp werden opgevoerd en 49 jaar Sinterklaas vertegenwoordigde.

Meer dan vier jaar zouden de dienstplichtigen onder de wapenen blijven. Nadat de spanning van de eerste weken was verdwenen, werd de militaire taak voor velen een behoorlijke last. Ook voor de familieleden was het moeilijk. Vaak moesten zij de kostwinner van het gezin missen. Zij werden daarvoor schadeloos gesteld met een vergoeding van 0,90 tot 1,50 gulden bij drie kinderen of meer wat het gemis aan inkomsten in vele gezinnen niet compenseerde. Het regende verzoeken om aanvullende vergoedingen.

De IJmuider stoomtrawler Texel die in 1915 met tien opvarenden, waaronder matroos Arie Zwart uit Castricum, is vergaan.
De IJmuider stoomtrawler Texel die in 1915 met tien opvarenden, waaronder matroos Arie Zwart uit Castricum, is vergaan.

Op zee kwamen velen om. In de Alkmaarsche Courant verscheen in 1915 het bericht dat de lijken van de Engelse opvarenden, van de in de grond geboorde oorlogsschepen, in gemeenschappelijke graven in de zeeduinen ter aarde werden besteld. Voor het kustvak tussen Egmond en IJmuiden zou dat in Castricum plaatsvinden. De IJmuider stoomtrawler ‘Texel’ kwam in 1915 niet terug van een reis. Een van de tien opvarenden was matroos Arie Zwart uit Castricum. In 1917 verging de stoomtrawler ‘Bertha Elisabeth’. Schipper Dirk Groen en zijn broer Thijs en scheepskok Anton de Graaf, 43 jaar, van de Kramersweg, behoorden tot de elf slachtoffers.
Er waren verder nog twee voormalige inwoners die het leven hebben gelaten.

Anthoon Stuifbergen die in 1917 sneuvelde in dienst van het
Australische leger.
Anthoon Stuifbergen die in 1917 sneuvelde in dienst van het
Australische leger. Foto: Ton Stuifbergen – Noordwijk.

Anthoon Stuifbergen geboren op 16 april 1881, zoon van schoenmaker Piet Stuifbergen uit de Kerkbuurt, had in 1911 het geluk gezocht in Australië en was er een plantage voor suikerriet begonnen. Hij werd in september 1915 ingelijfd en in januari 1916 met zijn eenheid op een troepentransportschip via het Suezkanaal naar Europa vervoerd. In januari 1917 sneuvelde hij in Frankrijk bij het dorpje Corbie in de buurt van de Somme. Zijn graf is te vinden op het Australisch oorlogskerkhof bij Mericourt-L’Abbe.

De grafsteen van Anthoon Stuifbergen op het Australische oorlogskerkhof bij Mericourt-L’Abbe. Foto: Ton Stuifbergen - Noordwijk.
De grafsteen van Anthoon Stuifbergen op het Australische oorlogskerkhof bij Mericourt-L’Abbe. Foto: Ton Stuifbergen – Noordwijk.

Cornelis Kuijs, geboren in Bakkum op 1 november 1889,


Jaarboek 37, pagina 42

Voor Cornelis Kuijs is er een gedenksteen op de Amerikaanse begraafplaats van Meuse-Argonne. Zijn stoffelijke resten zijn niet teruggevonden.
Voor Cornelis Kuijs is er een gedenksteen op de Amerikaanse begraafplaats van Meuse-Argonne. Zijn stoffelijke resten zijn niet teruggevonden.

vertrok in 1912 naar Iowa in Amerika om daar te werken als landbouwersknecht. Ook hij moest in militaire dienst. Enkele dagen voor de officiële wapenstilstand, op 24 oktober 1918, is hij bij Verdun om het leven gekomen. Voor hem is er een ereteken op de Amerikaanse begraafplaats van Meuse-Argonne in Romagne.

Voor Cornelis Kuijs is er een gedenksteen op de Amerikaanse begraafplaats van Meuse-Argonne. Zijn stoffelijke resten zijn niet teruggevonden.
Voor Cornelis Kuijs is er een gedenksteen op de Amerikaanse begraafplaats van Meuse-Argonne. Zijn stoffelijke resten zijn niet teruggevonden.

Diep onder de indruk van de gebeurtenissen besloot de gemeenteraad in 1914 om de kermissen in Castricum en Bakkum af te gelasten. In juli 1915 hield raadslid Gerrit Louter (opnieuw) een pleidooi om de kermissen niet door te laten gaan vanwege de verschrikkingen van de oorlog. Het nog eens overslaan van de kermissen leek de gemeenteraad toen niet zo’n goed idee. Iedereen keek er zo enorm naar uit! In de daarop volgende jaren werden toch weer geen echte kermissen georganiseerd. De stemming was er niet naar.

Op demobilisatiedagen, als militairen met klein of groot verlof gingen, was er wel vaak sprake van uitbundige vreugde. De afdeling Castricum van de Nederlandse Vereniging tot afschaffing van alcoholhoudende dranken verzocht de gemeenteraad om op demobilisatiedagen alle cafés te sluiten. De gemeenteraad stelde in oktober 1916, ter voorkoming van drankmisbruik, inderdaad zo’n verordening vast.

Distributie

In het begin van de oorlog werd er flink gehamsterd. Minister Treub zorgde in augustus 1914 voor een wet tegen de prijsopdrijving van levensmiddelen en brandstoffen en stelde maximumprijzen in. Alle groenten en fruit mochten ook alleen via de veiling worden verkocht. Veilingen waren eerst gewoon in de openlucht op de zogenaamde Veelading bij de spoorwegovergang naar de Kramersweg. Pas in 1917 kocht de Tuinbouwvereniging het gebouwtje naast café Van Benthem dat nu een Italiaans restaurant (La Trattoria) is.

Het ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel bood aan om levensmiddelen beschikbaar te stellen voor on- en minvermogenden voor prijzen die in augustus 1914 als normale prijzen golden. De gemeenteraad achtte de regeling moeilijk uitvoerbaar en in ieder geval voorlopig niet nodig, omdat er in een agrarische gemeente als Castricum nog wel voldoende levensmiddelen voorradig waren. Een grote groep inwoners drong er in februari 1916 bij de gemeente op aan om wel gebruik te maken van de mogelijkheden om bruine bonen, groene erwten, grauwe erwten en kapucijners te distribueren. Dit naar aanleiding van de steeds maar stijgende prijzen in de winkels. Of de gemeente hierop is ingegaan is niet duidelijk, maar een paar maanden later kwam het gemeentebestuur de inwoners tegemoet door de bestelling van een grote hoeveelheid Zuiderzee haring en bokking. De vis werd tegen kostprijs plus bezorgkosten onder de inwoners verdeeld.


Jaarboek 37, pagina 43

De Distributiewet werd in 1916 aangenomen en aansluitend werden ook in Castricum verdere distributie- en rantsoenering maatregelen getroffen. De gemeenteraad richtte een distributiedienst op die het ‘Levensmiddelenbedrijf’ werd genoemd. Ondanks alle overheidsmaatregelen ging het met de voedsel- en brandstofvoorziening steeds slechter. De aanvoer van met name aardappelen stagneerde.

De prijzen van het belangrijkste voedsel, aardappelen, waren voor sommigen niet meer op te brengen. Begin juli 1917 was sprake van een regelrechte oproer in de hoofdstad (Amsterdam), die de ‘aardappeloproer’ werd genoemd.
De winter van 1917-1918 was tot overmaat van ramp bijzonder streng. In verband met de schaarste aan brandstoffen besloot de gemeenteraad de schoolkinderen geen vrijaf te geven op woensdagmiddag en in plaats daarvan op zaterdagochtend de scholen te sluiten. Gas werd in 1918 nog maar enkele uren per dag, gedurende de etenstijden, geleverd.

In het hele land protesteerden steeds meer mensen tegen het distributiebeleid. Bij de al bestaande problemen kwam voor de mensen ook nog het gebrek aan vlees. De overheid ging omstreeks Pasen 1918 over tot het in beslag nemen van vee dat op de markten en bij slachthuizen werd aangeboden. Vlees werd gerantsoeneerd en de regering stelde twee vleesloze dagen per week in. Het vleesrantsoen werd alleen in de vorm van eenheidsworst, een mengsel van 10% varkensvlees en 90% rundvlees, verstrekt. Door de samenstelling leverde 85 kg (rund)vlees 100 kg worst op. Grote Jan Brakenhoff, die zijn boerderij aan het Slingerpad had in de buurt Duinkant, slachtte af en toe een schaap en verschafte de Castricummers tegen een redelijke prijs toch nog een stukje echt vlees, al was dat niet helemaal volgens de regels. Zo zullen er vast wel meer adresjes geweest zijn. Om de voedselvoorziening te verbeteren riep de regering op om grasland te scheuren tot akkers. De overheid besloot de graanoogst van 1917 op te kopen. Het leger werd ingeschakeld om achtergehouden oogsten op te sporen. Schapenhouders kregen de verplichting om wol aan het rijk te verkopen met name voor legerkleding. In Castricum werd bij 11 schapenhouders zo’n 300 kg wol ingezameld. De nood was hoog en de winkels verkochten steeds meer surrogaatproducten zoals cichorei (red: koffie surrogaat van een inheemse plant) in plaats van koffie en kunstsigaren gemaakt van kersenblad of aardappelloof.

Petroleum voor de olielampen was ontzettend duur. De gemeenteraad stelde kaarsen beschikbaar voor mensen die geen gas en licht hadden. Die werden in ambtelijke stukken ‘lichtloze’ gezinnen genoemd. In 1918 waren er in de gemeente nog 116 niet op het gasnet aangesloten woningen.

Bekendmaking van de uitreiking van de broodkaarten.
Bekendmaking van de uitreiking van de broodkaarten.

De gemeente plaatste aan de Schoolstraat een houten gebouwtje voor het Levensmiddelenbedrijf, omdat er onvoldoende ruimte was in het raadhuis. Twee ambtenaren regelden de geldelijke toeslagen en de verdeling van schaarse goederen. Veldwachter Bleijendaal werd belast met de controle van de regelingen. Het Levensmiddelenbedrijf begrootte in 1919 de uitgaven op 10.000 gulden. Blijkens een rapportage van de directeur ontvingen gezinnen vier keer per negen dagen bonnen, waarmee brood gekocht kon worden. Het door de bakkers ingeleverde aantal bonnen werd nauwgezet bijgehouden. De verdeling van meel onder de bakkers vond plaats naar evenredigheid van de omzet. Ook rijst, suiker, koffie, thee en boter gingen op de bon. Voor zieken, zwakken en kinderen beneden 6 jaar bestond de mogelijkheid melk te kopen tegen een verlaagde prijs.

De kostbare broodbonnen.
De kostbare broodbonnen.

Een straatlied uit de oorlog gaf op ironische wijze een indruk van de problemen waar de bevolking mee kampte.

Alles op de bon:
Een bon voor thee, een bon voor koffie,

Een bon voor karnemelkse pap.

Een bon voor vet, een bon voor grutten,
Een bonnetje bij elke hap,
Een bon ook voor een lief klein kindje,

Wat de ooievaar ons biedt,
Maar als je hem geen bon kunt geven,
Krijg je het kindje lekker niet.

Een bon voor zeep, een bon voor uien,
Aardappelen en verse vis,
Steenkolen en bruine bonen,

Voorzover … voorradig is.
Spoedig krijg je ook nog bonnen
Voor cigaretten en voor bier.
En je moet een bon meebrengen

Bij de meisjes van plezier.

Tot grote opluchting van iedereen kwam er in november 1918 een einde aan de verschrikkelijke oorlog. De schaarste aan bepaalde producten, zoals leer en steenkool, was nog niet voorbij; voor deze goederen bleef de distributie gehandhaafd. Pas in 1921 zou de rantsoenering van kolen worden opgeheven.


Jaarboek 37, pagina 44

In de laatste jaren van de oorlog had de ellende in Nederland verder toegeslagen: bedrijven gingen dicht en duizenden kwamen op straat te staan. Castricum stelde een ‘Werklozencommissie’ in. In 1919 ontvingen 26 mannen een uitkering, waarvan de helft door het rijk werd betaald. De oorlogsmoeheid, de schaarste en de rantsoenering drukten de stemming en verhoogden de onvrede. De Spaanse griep maakte duizenden slachtoffers. Het sterftecijfer in Castricum (54) zonder Duin en Bosch was ongeveer 20 hoger dan in de jaren voor en na de griepgolf. Ook in het ziekenhuis zelf waren er veel slachtoffers. In 1919 werden 78 mensen op de begraafplaats van de inrichting begraven.

Een nieuwe tijd

De heersende Spaanse griep was voor de regering een reden temeer om na de wapenstilstand van 11 november 1918 zo snel mogelijk te demobiliseren. De Duitse keizer Wilhelm trad af en vestigde zich in Doorn. Het eiland Wieringen werd het verbanningsoord voor zijn zoon, kroonprins Wilhelm. De geallieerden legden Duitsland zware vredesvoorwaarden op. De verontwaardiging in Duitsland was enorm en de kiem voor de Tweede Wereldoorlog was alweer gelegd.

De gemeenteraadsverkiezingen van 1919 werden de eerste met algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen. Castricum met voor het overgrote deel een rooms-katholieke bevolking stemde massaal op de R.-K. Staatspartij die vijf zetels haalde. Een zetel was er voor de combinatie CHU+ARP en eveneens een voor de SDAP.
Al eerder ging burgemeester Mooij na 30 dienstjaren met pensioen. Hij heeft in de laatste jaren van zijn loopbaan niet gemakkelijk gehad, al kreeg zijn gemeente niet te maken met grote aantallen vluchtelingen en met interneringskampen. Op 1 augustus 1918 trad de jonge en ambitieuze burgemeester Lommen aan. De gemeente bouwde een ambtswoning voor hem aan de Stationsweg. Het is de eerste woning die op het elektriciteitsnet werd aangesloten. In zijn periode veranderde er veel in het dorp. De woningbouw kwam op gang, er werden scholen gebouwd, nieuwe wegen aangelegd, waterleiding verving de welputten, de VVV Castricum Vooruit werd opgericht en het inwoneraantal steeg. Er ontstonden nieuwe kansen voor het dorp.

Niek Kaan

Opvang van kinderen na de Eerste Wereldoorlog

Er heerste nog jaren na de oorlog hongersnood in Oostenrijk en Hongarije. Vanaf 1919 werden duizenden kinderen naar Nederland gehaald om aan te sterken. Het plaatselijk r.-k. huisvestingscomité onder voorzitterschap van mevrouw Lommen – Maury zette zich daarvoor in. Weense kinderen, ‘Wienerferienkinder’ werden ze genoemd, vonden hier een goed onthaal. Vanaf 1920 verschenen er regelmatig berichtjes in het Weekblad voor Castricum over groepen die aankwamen of vertrokken. In 1920 waren er volgens pastorale notities tachtig kinderen uit Wenen gearriveerd. Er was een collecte gehouden om het reisgeld bij elkaar te krijgen. Op woensdagmiddag werden in het Duits aparte godsdienstlessen gegeven aan deze kinderen.

Edmund Travnicek (1914-2000).
Edmund Travnicek (1914-2000).

Onder hen ook Edmund Travnicek (1914- 2000) en zijn halfbroer Leopold Leitner (1911- 1962) Ze zijn nooit meer terug gegaan naar Oostenrijk en groot gebracht bij hun pleegouders. Hun ouders waren te arm om voor hen te zorgen. Travnicek en Leitner werden bekende namen in het dorp. Als dank aan de Castricumse gemeenschap voor de geboden hulp ontvingen burgemeester Lommen en zijn vrouw beiden een onderscheiding van het Oostenrijkse Rode Kruis.

Leopold Leitner (1911-1962).
Leopold Leitner (1911-1962).

Jaarboek 37, pagina 45

In 1924 en 1925 werden honderd Hongaarse kinderen opgenomen. Een van de kinderen was zo verzwakt dat het kort na aankomst overleed. Het kindje werd opgebaard in het Zusterhuis en onder grote belangstelling op het kerkhof achter de r.-k. kerk begraven. Ook deze kinderen behoefden de godsdienstlessen niet te ontberen. Tweemaal in de week werden de lessen in het Hongaars gegeven.

Edmund en Leo (op de voorste rij met strikken) kwamen in 1920 op de Augustinusschool.
Edmund en Leo (op de voorste rij met strikken) kwamen in 1920 op de Augustinusschool.

Bronnen:

  • De grote oorlog, kroniek 1914-1918, Martin Ros, Perry Pierik, Hans Andriessen;
  • Kroniek van Veldt Verhalen, Jan Veldt, Limmen, september 2013;
  • Buiten Schot, Paul Moeyes, Utrecht, maart 2014;
  • Archief Werkgroep Oud-Castricum;
  • Overzicht van de familie Kuijs, A. van Egmond – van Rookhuizen;
  • Overzicht van de familie Stuifbergen, 9 Jaarboek Oud-Castricum, 1986;
  • ‘Op zee gebleven’ uitgave Egmond Reeks;
  • ‘Pastorale notities’ uit archief rooms-katholieke kerk van pastoor Voets, 1971;
  • Regionaal Archief Alkmaar, archief gemeente Castricum.

Met dank aan: Hans Andriessen, Frits Scheffer, Freda Schilp – Metselaar, Ton Stuifbergen, Peter Travnicek, Engel Twisk, Jan Veldt en Patrick Wulp.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Jaarboeken Getagged