Schelpenvisserij (Jaarboek 21 1998 pg 3-12)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architectbakkersbioscoopbouwbedrijfcaf√© / hotelcaf√©s en kasteleins in Bakkum –  drukkersexpeditiegasfabriekgroenteboerengroenteveilingkruideniersmelkboerenmelkfabriekmolenaarrestaurantschelpenvissersschilderschildersbedrijfslagerssmidsmederijstoomwasserijstrandvonderveldwachtersvrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 21, pagina 3

De schelpenvisserij in Castricum

Schelpenvissers aan het werk.
Schelpenvissers aan het werk.

De schelpenvisserij in Castricum

Vele inwoners van Bakkum en Castricum hebben vooral in de voorgaande eeuwen het beroep uitgeoefend van schelpenvisser. De schelpen werden door de schelpenvisser met een beugelnet uit het water geschept en in een schelpenkar geladen. Deze kar werd door een paard voortgetrokken en als de kar eenmaal vol was, volgde een tocht via een zandpad over en door de duinen naar het Schulpstet, waar de schelpen op hopen werden gestort.

Een van de vijf insteekhaventjes van het Schulpstet
Een van de vijf insteekhaventjes van het Schulpstet. Hillegommer vlet in de Schulpvaart. Dit type vlet is gemaakt voor de smalle binnenwateren en kleine sluisjes. Op de tekening achter de schuur van Jo Duin gezien de mast van nog een insteekhaventje. Pentekening Sijf Portegies. Toegevoegd.

Het Schulpstet lag aan de Schulpvaart. Van hier werden de schelpen in schuiten geladen, die de schelpen over de Schulpvaart naar de kalkovens van Akersloot vervoerden. Gedurende relatief korte perioden hebben ook in Castricum kalkovens gestaan; in die perioden werden de meeste schelpen in deze kalkovens tot schelpkalk verwerkt.

De kalkovens langs de Schulpvaart.
De kalkovens langs de Schulpvaart. Met een transporteur werden de schelpen op een grote hoop gestort. Met behulp van een Jakobladder werden ze naar een hoger deel van de kalkoven gevoerd en in de oven gestort. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De schelpkalk werd in de vorige eeuwen veelal gebruikt als metselkalk bij de bouw van huizen, kerken of kastelen.
De schelpenvisserij, het vervoer over de Schulpvaart en de kalkovens hebben een enorme betekenis gehad in het dagelijks leven van de Castricummers. Velen waren er voor hun  bestaan van afhankelijk; het was zeer zwaar werk waar weinig voor werd betaald, velen hadden dan ook een arm bestaan. Vaak waren er strubbelingen over het naleven van de voorschriften, die plaatselijk waren ingesteld; enkelen probeerden deze te ontduiken door onder de prijs te verkopen. Ook de schout Pieter Kieft werd veelvuldig beticht van een oneerlijke handelwijze in de schelpenhandel. Kortom de schelpenvisserij en handel heeft in de loop der eeuwen zoveel gemoederen in Castricum bezig gehouden, dat dit onderwerp het hoofdthema vormt voor dit jaarboekje. In dit jaarboekje komen allerlei facetten van het schelpenvissen, het vervoeren en het verwerken van de schelpen in de kalkovens, aan de orde.

Dit eerste artikel gaat over de schelpenvisserij, waarbij verscheidene plaatselijke verwikkelingen, betreffende de schelpen nering in de afgelopen eeuwen, worden genoemd. In de hierna volgende artikelen in dit jaarboekje worden de verwerking van de schelpen in de kalkovens, de geschiedenis van de Schulpvaart en de bewoners van het Schulpstet beschreven.

Een fragment van een kaart uit 1844. Aan de onderzijde de Noordzee. Op dit kaartje zijn met streepjes de twee schelpenroutes vanaf het strand naar het Schulpstet aangegeven. De route vanaf Bakkum aan Zee liep langs het commissarishuis en vanaf Castricum aan Zee langs De Brabantse Landbouw.
Een fragment van een kaart uit 1844. Aan de onderzijde de Noordzee. Op dit kaartje zijn met streepjes de twee schelpenroutes vanaf het strand naar het Schulpstet aangegeven. De route vanaf Bakkum aan Zee liep langs het commissarishuis en vanaf Castricum aan Zee langs De Brabantse Landbouw.

Het schelpen vissen

De schelpenvissers, ook wel schulpers of schulpmenders genoemd, schepten bij een dalend getijde de schelpen langs de waterlijn of visten ze uit de branding met een beugelnet. Dit werktuig bestond uit een rechthoekige stalen beugel met een houten steel. Aan de voorzijde was de beugel voorzien van een schraapplaat, binnen de beugel was een net bevestigd. De visser sleepte het beugelnet achteruitlopend door de branding, totdat het net voldoende gevuld was. Vervolgens werd de beugel in het water op en neer bewogen om het aanwezige zand weg te spoelen en werd de beugel in de kar geleegd. Ook werden de schelpen wel in hopen op het strand gelegd. Als er voldoende schelpen waren, werden ze in de schelpenkar geschept. De karakteristieke schelpenkar stond hoog op twee wielen om de branding goed te trotseren; de wielen hadden brede velgen om niet te diep in het mulle zand weg te zakken. De kar werd door een paard getrokken.

Ansicht van schelpenvisser en schelpenkar.
Ansicht van schelpenvisser en schelpenkar. In het onderschrift wordt aangeduid ‘De Duiker’. De duiker is een buis onder de weg die er ligt ten gerieve van het Koningskanaal. De duiker is nog zichtbaar iets ten oosten van de ingang naar Dijk en Duin. De kaart is gedateerd 3 januari 1901 met bijgeschreven de naam M. van Benthem. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Om een idee te geven om welke hoeveelheden het ging: in het jaar 1821 werden er in totaal 1.602 lasten schelpen aangevoerd door ongeveer 60 schulpers. Een last is een inhoudsmaat van drie hoed en staat gelijk aan de inhoud van een schuit vol schelpen. In de opgaven aan de provinciale overheid over de periode 1851 tot 1861 varieerde de hoeveelheid schelpen, die per jaar in Castricum werden gevist, door de wisselende weersomstandigheden nogal sterk: van minimaal 3.700 tot maximaal 9.368 kubieke meter. Volgens diezelfde opgaven werden langs de Noordhollandse kust de meeste schelpen gevist op het strand van Texel, gevolgd door de Egmonden, Castricum en Wijk aan Zee.

De schelpdieren

Op het land levende weekdieren, zoals huisjesslakken, bouwen hun huis op uit koolzure kalk. In de zee levende weekdieren bouwen stevige schelpen met op de zeebodem aanwezige grondstoffen.
De sterkte en de dikte van de schelpen is afhankelijk van de omgeving waarin de schelpdieren leven. De in de branding levende schelpdieren, zoals alikruiken, maken dikke schelpen. Een brak watermilieu is minder gunstig voor de vorming van een stevige schelp. De schelpen, die langs de Noordzeekust ‘gevist’ werden, bestonden voornamelijk uit lege schalen van weekdieren die allang geleden gestorven waren.


Jaarboek 21, pagina 4

Het aanbod werd bepaald door de aanwas en het afsterven van de dieren. De aanvoer van schelpen werd ook be√Įnvloed door de wind. Bij aflandige, dus oostenwind, ontstond een onderstroom naar de kust toe. Hierdoor werden schelpen opgewoeld en naar de vloedlijn gebracht, waar ze verzameld werden door de schelpenvissers.

Frans Zonneveld met zijn schelpen op weg naar huis.
Frans Zonneveld met zijn schelpen op weg naar huis.

De schulpwegen

Het kostte het paard buitengewoon veel inspanning om de kar vanaf het strand door het mulle zand de eerste duinenrij omhoog te trekken. Daarom werden in de kar vaak kleinere hoeveelheden schelpen omhoog gebracht, die bovenop het duin door de visser op een eigen plekje voorlopig even werden neergegooid. Als er een volle karrenvracht boven was verzameld, ging de tocht op huis aan.
En die tocht liep via mulle zandwegen door het duin. In een verhandeling van mr. D.T. Gevers uit 1826 over het toegankelijk maken van de duinvalleien staat letterlijk: “Langs onze kust is er geen punt op hetwelk zoo veel schulpen van het strand werden opgehaald dan tegenover Castricum en Bakkum, vandaar dat aantal schulpwegen door de duinen.”

De duinen waren in de vorige eeuwen particulier terrein en in het bezit van meerdere adellijke families. De paden door de duinen mochten door de schelpenvissers worden gebruikt, mits ze de duinhekken niet beschadigen en niet open laten staan. Dit gebeurde niet altijd: “Alzo verscheyde klagten gedaen worden, dat de duynhekken door de Schulphaelders en andere, die door dezelve komen te passeren, zeer worden beschadigt en aan stukken gereden, om dat dezelve op de karren blyven zitten, en de paarden zo door het slaan en stoten weten te leeren de hekken met de borst open te lopen en met geweld daar door te ryden, dat de hekken blyven open staan, of zo sterk toeslaan, dat ze aan stukken raaken, waar door veele schade word veroorzaakt.” Dit wordt in 1731 opgetekend bij het instellen van een plaatselijke verordening, waarin bij overtreding een boete van 42 Kennemer Schellingen betaald moet worden.

 De schelpenkar moest door het mulle zand over de eerste duinenrij worden getrokken.
De schelpenkar moest door het mulle zand over de eerste duinenrij worden getrokken.

Van ‘Castricum aan Zee’ werden de schelpen door het duin over het pad gevoerd, dat nu nog ‘de Oude Schulpweg’ wordt genoemd. Dit pad liep verder langs Kijk Uit, de Kramersweg, de Mient, de Bakkummerstraat en de Stetweg naar het Schulpstet. Van het gebruik van dit zandpad als schulpweg weten we iets meer door een rechtszaak in 1929. Aanleiding hiertoe vormde de bekeuring, die de rijksveldwachter Gorter had opgemaakt tegen ene Nicolaas de Jonge vanwege het lopen op de Oude Schulpweg, terwijl dit duinterrein eigendom is van de ‘Hollandsche Duinmaatschappij’ en er borden ‘verboden toegang’ zijn geplaatst. Eigenlijk was dit een proefproces en Gorter was gevraagd een proces-verbaal op te maken om een rechterlijke beslissing uit te lokken over de vraag of de weg – ja dan nee – openbaar was. De vorige eigenaar van de weg, de heer Gevers, is in 1922 overleden en heeft nooit bekeuringen voor het gebruiken van de weg doen opmaken. De weg is volgens de processtukken een zandweg, met gedeeltelijk verharde stukken, terwijl de weg op sommige stukken in het geheel niet meer te zien is, hoewel de richting wel duidelijk naar zee was. Tijdens de rechtszaak komen verscheidene getuigen voor de rechter. Volgens jonkheer Gevers, zoon van de vroegere eigenaar, is de weg nooit openbaar geweest. De 76-jarige boswachter Dirk Dokter weet nog dat zestig jaar geleden (1869) die weg gebruikt werd door de schelpenvissers. Burgemeester Lommen en de gemeentesecretaris Van Lunen melden dat deze weg in de ontwerplegger van de wegen was opgenomen, maar door Gedeputeerde Staten (GS) de beslissing in 1929 was opgeschort. Ook de 87-jarige Klaas van den Berg staat voor het getuigenbankje. Hij meldt: “lk was destijds strandvonder te Castricum. Vijftig jaar geleden werd de Oude Schulpweg te Castricum door de schelpenvisschers gebruikt, evenals door mij zelf. Die visschers onderhielden den weg. Het was een zandweg. Ook andere personen mochten daar loopen zonder bijzondere vergunning en niemand maakte daar aanmerking op. Ik weet niet wanneer de borden met ‘verboden toegang’ daar gekomen zijn. Er waren destijds nog 80 schelpenvisschers te Castricum. Ook zelf was ik schelpenvisscher. Iedereen uit Castricum kwam op dien weg en men mocht ook buiten den weg in de duinen loopen, zonder dat er aanmerking op werd gemaakt.” Nog zes oudere dorpsgenoten komen aan het woord om te verklaren dat zij vroeger vrij van de weg gebruik konden maken. In het vonnis blijft de weg particulier bezit en wordt de verdachte veroordeeld tot de betaling van een symbolisch bedrag van vijftig cent.

Commissarishuis en Glopsweg. Zeeweg in Bakkum.
Commissarishuis en Glopsweg. Zeeweg in Bakkum. Schilder Meine Krist. Foto Jacques Schermer. Toegevoegd.

Ook werden de schelpen vanaf ‘Bakkum aan Zee’ over een zandpad, de Glopsweg geheten naar het Stet vervoerd. Dit zandpad is in 1924 bestraat en is toen ‘de Zeeweg’ gaan heten. De bestrating van de Zeeweg betekende een enorme verbetering voor de schelpenvissers. Op de dag van de offici√ęle opening op 19 mei 1925 reden ongeveer 50 schelpenkarren en wagens als eerste over de pas geopende weg. In deze eeuw werden de schelpen alleen nog via de Zeeweg naar het Schulpstet vervoerd. Het was een vertrouwd dagelijks beeld dat vele schelpkarren op weg waren naar het Schulpstet.

Optocht in verband met opening Zeeweg.
Optocht in verband met opening Zeeweg. Eindelijk is de Zeeweg bestraat en dat wordt gevierd met een offici√ęle toespraak door burgemeester Lommen, de fanfare is erbij en ongeveer 50 schelpenkarren en wagens reden over de pas geopende weg. Collectie Ou-Castricum. Toegevoegd.

Jaarboek 21, pagina 5

De schelpenvisserij in Castricum in vroeger tijd

Door de ligging van Castricum aan de Noordzee hebben vele inwoners van Bakkum en Castricum gedurende meerdere eeuwen hun middel van bestaan gevonden in de schelpenvisserij, vaak in combinatie met de landbouw. Uit vele oude akten blijkt de betrokkenheid van onze dorpsbewoners met de schelpenvisserij en zijn er allerlei verwikkelingen geweest, die veler gemoederen bezig hielden. Al in de eerste keuren van het dorp – nu zouden we spreken over de plaatselijke politieverordening – was een lijst met bepalingen waaraan men zich had te houden. In de keuren van 1685 lezen we onder andere dat “gene schilpers of ingezetenen zullen vermogen hunne wagens of karren op heere of andere wegen te zetten, op de boete van twaelf stuyvers”.

 De route van de schelpenvissers over de Zeeweg. Door een diep karrenspoor werd de kar voort getrokken. In de jaren 1923-1925 werd de Zeeweg bestraat. Rechts op de foto het jachthuis 'Fochteloo'.
De route van de schelpenvissers over de Zeeweg. Door een diep karrenspoor werd de kar voort getrokken. In de jaren 1923-1925 werd de Zeeweg bestraat. Rechts op de foto het jachthuis ‘Fochteloo’.

Al in de middeleeuwen was er sprake van regelingen. Zo was er een privilege uit het jaar 1394 van Hertog Albrecht van Beieren, graaf van Holland, die toen de belastingen op het ‘mennen’ (opvissen en vervoeren) van schelpen afschafte.

Doorlopend is er in Castricum strijd geweest over de rechten en plichten van de schelpenvissers en de opkopers. Zo wordt in 1703 op verzoek van Jan Doetse, Albert Bouwe en Cornelis Jansz Capteijn, die betrokken waren bij de schelpennering, voor Jacob Damdijk, notaris te Egmond aan Zee, door vijf schelpenvissers een verklaring onder ede afgelegd dat het in de Egmonden reeds lang gebruikelijk is dat het elke schelper vrij staat om zijn schelpen aan wie of waar dan ook te mogen vervoeren of verkopen, zonder dat iemand daar iets tegenin kan brengen.

Deze verklaring stond niet op zichzelf. Op dat moment diende het verzoek van de regenten en armenvoogden van Castricum en Bakkum aan de Staten van Holland en Westfriesland om het recht te hebben met uitsluiting van alle anderen om alle schelpen, die op het grondgebied van de eigen gemeente op bet strand gevist worden, te mogen inkopen, weer verkopen en afleveren.
Tegen dit verzoek zijn de schelpenvissers van Castricum en Bakkum en de Regenten van Akersloot namens hun ingezetenen, fel gekant. De schelpenvissers Jan Doetse, Aalbert Cauwe, Gerrit Jansz. Witsenburg, Claas Hermansz. Oosterman, Jacob Ariensz., Lauris Gijsbertsz. en Ary Jansz. Pronk richten zich in een uitvoerig schrijven aan de Staten. Zij beschouwen het verzoek strijdig met de algemene vrijheid van handel en het al zeer lang bestaande gebruik in de dorpen om vrij te zijn om te mogen kopen en verkopen en schelpen af te leveren. Met verschillende argumenten wordt geageerd tegen het verzoek, dat bij invoering een groot nadeel voor de schelpenvissers zou inhouden.

 De bestrating van de Zeeweg was voor de schelpenvissers een enorme vooruitgang. Massaal gaven ze hiervan blijk bij de feestelijke openstelling op 19 mei 1925 door burgemeester Lommen.
De bestrating van de Zeeweg was voor de schelpenvissers een enorme vooruitgang. Massaal gaven ze hiervan blijk bij de feestelijke openstelling op 19 mei 1925 door burgemeester Lommen.

Op 9 februari 1704 wordt er opnieuw een verklaring afgelegd, ditmaal voor notaris Aris van der Mieden in Alkmaar. Op verzoek van de Regenten van Akersloot verklaart Mies Dirksz., schelpenvisser en wonende in Bakkum en van competente ouderdom dat hij in de zomer van het jaar 1702 samen met andere schilpmenders (schelpenvissers) door Comelis de Bra, schout van Castricum en secretaris van Bakkum, was ontboden in de herberg ‘de Roskam’ te Bakkum, waarbij de Schout het voorstel deed dat de schelpenvissers hun schelpen zouden leveren aan de Regenten van Baccum met uitsluiting van de schelpvaarders van Akersloot. Hierop werd opgemerkt dat de Akersloters nog vrij veel geld tegoed hadden van de schelpenvissers en wat zij hiermee dan aan moesten. De Bra antwoordde hierop dat dit geen probleem vormde: “Dat die van Akersloot als Sij wat van Haar te eijsschen hadden tot Baccum ofte tot Kastricum te Reght moesten comen ende dat Hij het Reght ende de procedure wel ses a seven jaren langh kon slepende houden, ‘t welk ook alsoo mede gesegd en bevestight werd door Jan Laurisz ende Aalbert Jacobsz, Schepenen van Baccum.”
Jan Dirksz. Winter, 44 jaar oud, ook wonende in Bakkum verklaart: “Hoe waar is dat Hij getuijge om op een eerlijke wijse sijn Kostwinningh te soeken wel genegen was om het schulpmennen te beginnen, dogh dat hij in geen staat sijnde om de onkosten van den inkoop van paarden kar te konnen ondergaan sigh nu onlanghs geleden geadresseert heeft aan de Regenten van Baccum met versoek dat sij hem daervan gelieve te voorsien, gelijk de Akersloters sulcx gewoon waeren te doen aan personen die van haar selven daartoe onmaghtigh waren, ende dat hij getuijge dan alle sijne schulpen aan Haar soude leveren, dogh dat de Regenten het voorschreven versoek afsloegen, en van de hand wesen.”

Op 19 augustus 1706 is er een akkoord tot stand gekomen door bemiddeling van twee commissarissen van de Staten van Holland en Westfriesland tussen de Regenten van Akersloot aan de ene kant en de Regenten van Castricum en Bakkum aan de andere kant. Het akkoord behelst de levering van de schelpen aan inkopers, voor de ene helft door de Regenten van Akersloot en voor de andere helft door de Regenten van Castricum en Bakkum. Verder mag er niet meer dan 23 stuivers


Jaarboek 21, pagina 6

worden gerekend voor een schuit met schelpen, die op de stetten van Akersloot wordt afgeleverd.

Nu is nog een kasboek ‘Memory Boek van de Schilpen van den Jaare 1708’ in het archief van de gemeente Castricum bewaard gebleven. In dit boek worden allerlei inkomsten en uitgaven gespecificeerd en worden de vele namen van schelpenvissers en schelpenvaarders genoemd. Vertrouwde Castricumse namen komen erin voor, zoals Duinmeier, Kuijs, Stuifbergen en Zonneveld. Aan posten staan genoteerd onder andere de opbrengst van de afgeleverde schelpen, de vrachtlonen, de afdracht aan de ambachtsbeer van Castricum, de kosten van aanschaf van nieuwe schuiten en van gereedschappen, zoals kruiwagens en schoppen.

Allerlei zaken moeten worden geregeld en blijkbaar contractueel vastgelegd, anders ontstaat er onenigheid tussen de Regenten van de verschillende dorpen. Zo bestaat er ook een reglement voor het eerlijk en nauwkeurig meten van de hoeveelheden schelpen. In 1718 wordt er door de drie dorpen gezamenlijk een schelpenmeter aangesteld, die geen schelpenvaarder mag zijn en in Akersloot moet wonen. De schelpenmeter moet alleen dan de aangeboden schelpen meten als de grootschipper dit wil; hij ontvangt daarvoor per hoed (is circa 10 hectoliter) schelpen een stuiver als meetloon als er bij de schelpenvaarder geen ondermaat wordt gemeten. Is dit wel het geval dan moet de schelpenvaarder voor elke achteling (is circa 30 liter) aan ondermaat drie stuivers betalen. Is de totale ondermaat zes achtelingen of meer dan moet er vanaf dat tekort 18 stuivers per achteling aan boete worden betaald. De opbrengst aan boetes komt voor elk een derde aan de schout, de armen en de schelpenmeter. Deze regeling blijft vele jaren van kracht; een nieuwe schelpenmeter wordt benoemd als de drie dorpen het eens zijn met de kandidaat.

De vlet 'Door gunst verkregen' van Freek Hollenberg in de Schulpvaart.
De vlet ‘Door gunst verkregen’ van Freek Hollenberg in de Schulpvaart. Freek Hollenberg was de laatste schipper van ‘t Stet. De woning aan de linkerkant is een gedeelte van het Lange Pannenhuis. Dit was gebouwd aan de Schulpvaart voor de huisvesting van vletschippers, ook wel schelpenvaarders genoemd, die hun brood verdienden in de schelpennering. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1765 waren een aantal grootschippers uit onder andere Makkum en Zwartsluis bij de gerechtsbode van Castricum gekomen. Zij lagen met hun schelpenschepen in Akersloot en hadden bij verschillende schelpenvissers gevraagd om de schelpen voor de gebruikelijke prijs voor zes gulden per schuit te leveren. De schelpers wilden niet voor deze prijs leveren “voor Reden van Meesters te zijn van haar eygen goed”.

Het reglement van 1771

De behoefte aan een reglement, waaraan de verschillende personen die betrokken zijn bij de
schelpenhandel zich zouden moeten houden, werd steeds groter. Het was al verschillende keren voorgekomen dat door wangedrag van schelpenvissers of schelpenvaarders (het niet willen leveren voor de vastgestelde prijs, te slechte kwaliteit van de schelpen door zand en gruis) de grootschippers uit het Alkmaardermeer zijn weggevaren om op andere plaatsen schelpen te laden. Hierdoor bestond het gevaar dat de schelp nering hier in verval zou raken en er vele huisgezinnen tot armoede zouden vervallen.
De besturen van de gemeenten Akersloot, Bakkum en Castricum hebben op 18 maart 1771 een reglement in werking gesteld. Hierbij had het dorp Akersloot het recht om de helft van de schelpen van het Stet af te voeren en de dorpen Bakkum en Castricum de andere helft.

Het reglement uit 1771 gedrukt bij Jan Bosch in Haarlem.
Het reglement uit 1771 gedrukt bij Jan Bosch in Haarlem.

In het reglement, dat was gedrukt te Haarlem door Jan Bosch, boek- en papierverkoper (zie afbeelding), staan uitvoerig de rechten en plichten vermeld van de verschillende personen, die bij de schelpenhandel betrokken zijn. Dit zijn de schelpenvissers, toen nog veelal schulpmenders genoemd, de vletschippers, toen nog schulpvoerders of schuitenvoerders genoemd, de keurmeester, de schulpmeter, de opzichter, de grootschippers en de kopers van de schelpen.
In het reglement zijn 69 artikelen of bepalingen opgenomen, verdeeld over de verschillende functionarissen. Om enig idee te hebben wat er zoal omging in de schelpenhandel worden aan de hand van dit register hier de belangrijkste bepalingen vermeld.

De schelpenvisser

De schelpenvissers moeten hun schelpen brengen op de schulpstetten van Castricum. Elke schelpenvisser heeft daar een eigen stet of huurt een schulpstet. Voor deze stortplaats moet hij een wit geschilderde paal hebben staan met daarop in zwarte letters zijn naam en volgnummer. De schelpenvisser krijgt een vaste prijs voor zijn schelpen; hij mag niet onder de vastgestelde prijs verkopen. Hij mag ook niet zelf de schelpen vervoeren of laten vervoeren, tenzij hij dit al deed voor het nieuwe reglement van kracht werd. In dat geval mag hij dit voor zijn eigen schelpen blijven doen, totdat zijn schuiten versleten zijn, zonder aan die schuiten enige reparatie te mogen verrichten.
Verder mag de schelpenvisser zijn schelpen verkopen aan particulieren, die geen aandeel hebben in de handel op het Alkmaardermeer en mits hij ze niet onder de vastgestelde prijs verkoopt. Van iedere schelpenvisser moet bij de opzichter bekend zijn, diens naam, adres en met hoeveel karren hij schelpen uit zee haalt.

De schuitenvoerder

De schuitenvoerders moeten in volgorde van de paalnummers de schelpen van de schulpstetten vervoeren naar de grootschippers in het Akerslotermeer. Zij worden aangesteld door het gerecht van hun dorp, leggen daarbij de eed af en krijgen een aanstellingsakte; die zij bij de opzichter moeten laten registreren. Als de grootschippers op het meer komen laden, dan moeten afwisselend de schuitenvoerders van Akersloot of van Castricum-Bakkum hen de schelpenlading geven.

De schuitenvoerders krijgen een vast loon voor elke schuit; zij mogen niet meer ontvangen. In dat jaar 1771 werd aan de schuitenvoerders per schuit 23 stuivers aan vrachtloon betaald. De schuitenvoerders mogen geen schelpen voor eigen rekening uit zee halen of laten halen. Het laden van de schelpen in de schuiten moet gebeuren door of voor rekening van de schuitenvoerder. Hij moet 72 kruiwagens laden in zijn schuit. Bij extra hoog of laag water mag hij in overleg met de opzichter hiervan afwijken.
Alle schuitenvoerders behoren tot een en dezelfde opzichter. Zij mogen niet vertrekken zonder dat de opzichter hiervan op de hoogte is.


Jaarboek 21, pagina 7

Om het vertrek van de schuiten te kunnen regelen, wordt op kosten van de ambachtsheer van Bakkum een afsluitboom in de Bakkummervaart aangelegd. De boom wordt afgesloten met een slot, dat voor zonsopgang en na zonsondergang door de opzichter wordt geopend.
Als een schuitenvoerder wegvaart moet hij aan de opzichter opgeven zijn naam, hoeveel kruiwagens hij geladen heeft, van welke mender de schelpen geladen zijn en bij welke paal. De opzichter moet hiervan een nauwkeurige boekhouding bijhouden.
De grootschippers of de gerechten van Akersloot, Castricum of Bakkum kunnen gelasten om de schelpen, die de schuitenvoerder heeft geladen, door de be√ędigde schulpmeter te laten nameten. De schuitenvoerder neemt van de grootschipper het geld voor de geleverde schelpen in ontvangst en draagt dit geld af aan de opzichter.

De Schulpvaart langs de Zeeweg.
De Schulpvaart langs de Zeeweg. Er wordt gezegd dat het een overblijfsel is van het oerij. Hoe dan ook, het is een prachtig stukje natuur. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

De keurmeester
De schelpen moeten door de keurmeester, die in Akersloot moet wonen, worden gekeurd. De keurmeester krijgt daarvoor als meetloon 1 stuiver voor elke schuit van drie hoed, te betalen door de grootschippers. De keurmeester mag geen schulpmender of schuitenvoerder zijn, maar wel schulpmeter. Hij zal verder geen deel mogen hebben in de schelpenhandel. Hij wordt aangesteld door het gerecht van Akersloot.

De schulpmeter
De schelpen moeten door de schulpmeter, die in Akersloot moet wonen, worden gemeten. De schulpmeter zal alleen op last van de grootschippers de aangevoerde schulpen moeten meten en krijgt daarvoor als meetloon van de grootschipper 1 stuiver voor elke hoed schelpen. Als er sprake is van ondermaat dan moet het meetloon worden betaald door de schuitenvoerder. Hij ontvangt dan een deel van de boete die snel hoger wordt bij toenemende ondermaat. De schulpmeter mag geen schulpmender of schuitenvoerder zijn, maar wel keurmeester. Hij mag verder geen deel hebben in de schelpenhandel. Hij wordt aangesteld door de gezamenlijke regenten van Akersloot, Castricum en Bakkum.

De opzichter
De opzichter over de schulpmenders en schuitenvoerders mag zelf dit beroep niet uitoefenen, noch enig ander aandeel mogen hebben in de schelpenhandel. Hij moet bij het Schulpstet en de (afsluit)boom wonen. Hij wordt aangesteld door het gerecht van Bakkum en geniet als salaris voor het boekhouden en het opmaken van de rekening een bedrag van twee stuivers voor elke schuit, te betalen door de schelpenvisser, wiens schelpen worden afgevoerd. De opzichter moet regelmatig de kruiwagens van de schuitenvoerders nazien, of die geijkt en in orde zijn
Het geld dat de opzichter gedurende de gehele week van de schuitenvoerders ontvangt, wordt op maandagmiddag uitbetaald aan de schulpmenders, met aftrek van de vrachtlonen van de schuitenvoerders en het salaris van de opzichter.

De grootschippers
De grootschippers of kopers nemen de schelpen af van de schuitenvoerder voor een vastgestelde prijs. Voor elke bepaling, die niet wordt opgevolgd, is in het reglement een boete vastgesteld; de boete wordt verdeeld voor elk een derde over de aanbrenger, de schout en de armen van bet betreffende dorp.

Wapen van Geelvinck van Backum.
Wapen van Geelvinck van Backum. Mr. Nicolaas 1749-1765, Mr. Joan 1795-1802. Een ambachtsheer oefende in een plaats of dorp het gezag uit namens de graaf of na de Middeleeuwen namens de Staten van Holland. Een dorp waar de graaf het gezag erfelijk in leen had uitgegeven aan de ambachtsheer werd een (ambachts)heerlijkheid genoemd. Het gezag in Bakkum werd tot het begin van de 17e eeuw uitgeoefend door de machtige heren Van Egmond, die zetelden op het ‘Slot op den Hoef’ te Egmond aan den Hoef. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De ambachtsheer bemoeit zich met de schelpennering

Hoewel we in Castricum vaak niets merken van de rol die de ambachtsheer hier plaatselijk speelde, vormt de schelpenvisserij een uitzondering. Mr. Joan Geelvinck is ambachtsheer van Castricum en Bakkum in de periode 1764 tot 1802.
Naar aanleiding van het nieuwe reglement benoemt de ambachtsheer op 15 maart 1771 Dirk de Bruijn tot schelpenvoerder van Castricum. Dirk moet samen met de schelpenvoerders van Bakkum en Akersloot bij toerbeurt de schelpen van de schulpstetten van Castricum vervoeren voor een vrachtloon van 15 stuivers per schuit schelpen; ook wordt dan Willem van Huijgen benoemd tot opzichter over de schulpmenders. Door de schout van Akersloot worden een dag later verschillende schelpenvoerders aangesteld en Klaas Blokker als keurmeester.

Al kort na de invoering van het nieuwe reglement is er onenigheid tussen mr. Joan Geelvinck, en de Schout en Schepenen van Akersloot. Geelvinck verblijft veelal in Brussel en bekleedt van 1768 tot 1773 aldaar de functie van Minister Plenipotentiaris (red: gevolmachtigd) van Hare Hoog Mogenden aan ‘t Hof.
Zijn zaken worden hier behartigd door zijn rentmeester Willem Groepen, die woont op huize Cronenburg te Castricum (nu waarschijnlijk boerderij Kronenburg).

(Rentmeester) Groepen had in mei 1771 de schelpenvoerders van Bakkum en Castricum gelast om het keurgeld van een stuiver per schuit schelpen van drie hoed niet af te dragen, omdat het keuren niet, of niet goed gebeurt en de kans bestaat dat de grootschippers naar elders uitwijken voor een betere kwaliteit schelpen. Geelvinck had besloten om een prijsverhoging van drie stuivers per schuit voor de grootschippers op te leggen, en wel twee stuivers voor de opzichter op het Schulpstet en één stuiver, die de keurmeester te Akersloot verdient. Tegen dit besluit komen de poldermeesters van de Groot-Limmerpolder en de Heren van Alkmaar als ambachtsheren van Akersloot en als poldermeesters in het geweer, omdat deze heffing er de oorzaak van zou zijn dat de grootschippers wegbleven, hetgeen een groot nadeel betekende voor de Groot-Limmerpolder. Willem Groepen verwijst namens Geelvinck echter naar de keuren en vermeldt dat Akersloot één stuiver trekt voor de keur en de Heer van Castricum, als eigenaar, niet meer dan vijf stuivers vrachtloon trekt van zijn schuiten.

In de daaraanvolgende maanden wordt de nodige correspondentie gevoerd tussen Geelvinck, Groepen, de Schout van Akersloot en de burgemeesters van Alkmaar. Pas op 11 april 1772 wordt na onderlinge overeenstemming een bijeenkomst belegd in de Oude Schuttersdoelen te Alkmaar tussen de ambachtsheer van Castricum en de burgemeesters en regeerders der stad Alkmaar; de laatsten in hun functie als ambachtsheren van Akersloot. Geelvinck had voordien uitdrukkelijk te kennen gegeven, dat hij de heren in deze functie wilde spreken en hen daarom niet wilde ontmoeten op het raadhuis van Alkmaar.

In een ‘minnelijcke conferentie’ in de Oude Schuttersdoelen worden de problemen opgelost en lijkt Geelvinck zijn zin gekregen te hebben. Het reglement van 18 maart 1771 wordt alsnog bindend verklaard. Verder wordt nog toegevoegd dat de schulpmeter en de Opzichter gehouden zijn een behoorlijk certificaat te geven aan de inlader met daarop aangegeven nauwkeurig de hoeveelheid schelpen en de prijs van iedere hoed schelpen, opdat de kopers niet door de schippers noch de inladers kunnen worden gedupeerd.

In 1775 zijn er nog enkele aanvaringen geweest tussen Geelvinck en de Regenten van Akersloot. De opzichter Willem van Huijgen had een schip van Cornelis Klaasse van Akersloot aan de ketting gelegd, omdat daarmee schelpen buiten de nering om naar Krommenie waren vervoerd, wat door de ambachtsheer was verboden. Juriaan Colthoff, de schout van Akersloot, stelt dat Akersloot het recht heeft op de helft van de schelpen. Enkele dagen later laat Colthoff het schip van Pieter Swaaij, die de schelpen voor Bakkum en Castricum vervoert, aan de ketting leggen. Vanuit zijn buitenplaats Horstendael onder Hillegom antwoordt Geelvinck onmiddellijk: “Dog verwagte nu antwoord van Uw wat de reden is, dat gy de bovegen. Schuyt aen de ketting hebbe gelegt, en of van intentie syt om hem nog langer te houden, sal als dan ook mijne mesure nemen, Uw Ed. kunt versekert syn dat so gy lust hebbe van de saak wederom in de war te brengen, ik als dan sal maken dat de schulpen op ene andere wyse sullen wer den vervoert, opdat mijne inwoonders door caprices niet tot de bedelsak sullen komen, verwagte hierop ten spoedigste antwoord.”

Het reglement van de schelpnering bleek niet volledig te voldoen, doordat allerlei lieden niet alleen voor zich zelf gingen ‘schulpen’,


Jaarboek 21, pagina 8

maar dat ook voor anderen gingen doen, waardoor ze veel vaker aan de beurt waren om schelpen af te leveren of in de termen van die tijd om ‘aflossing te mogen genieten’. Door dit soort praktijken ontstond onrechtvaardigheid en bij de aflevering de nodige wanorde wat tot het verval van de schelpen nering zou kunnen leiden.

Het reglement uit 1781 gedrukt bij Jan Coster in Alkmaar.
Het reglement uit 1781 gedrukt bij Jan Coster in Alkmaar.

Daarom werd in 1781 een nieuw reglement ingesteld waarbij vier gecommitteerden werden aangesteld. Voor Bakkum waren dit Teunis Doetze en Jan Florisz. Twisk en voor Castricum Gerrit de Groot en Albert Knaap. De vier gecommitteerden vormden te samen met de Schout van Bakkum en Castricum de Directie over de schelpen nering. De schulpmenders moesten binnen acht dagen precies aangeven bij de gecommitteerden met hoeveel karren zij zelf schulpen of laten schulpen en/of wie zij voor zich laten schulpen. Met het nieuwe reglement werd de wildgroei van het aantal schelpenafleveringen tegengegaan. Zo kreeg alleen de schulper recht op aflossing als hij zelfstandig woonde en mocht ook niemand voor meer dan een persoon aflossing genieten.

Joachim Nuhout van der Veen.
Joachim Nuhout van der Veen werd geboren op 23 jan. 1756 te Amsterdam. Hij was schout van Castricum en Bakkum van 1780 tot 1814. Op 12 april 1833 is hij overleden in Alkmaar. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Daarna waren niet alle ongeregeldheden opgelost, want in 1790 klaagt schout Joachim Nuhout van der Veen in de gemeenteraad dat vele schulpmenders zich niet hielden aan het reglement: zij verkochten hun schelpen onder de vastgestelde prijs, lieten de schelpen met goedvinden door de schippers vervoeren, waarbij het geld niet aan de opzichter werd afgedragen. De schout gaat de naleving van het reglement strenger controleren en legt boeten op bij overtredingen.

In 1804 was ook iets gebeurd wat tegen de wil van de schout van Bakkum en Castricum was geweest. De gecommitteerden Aldert Dirksz Knaap en Comelisz. Engelsz. Schrama hadden goedgevonden om “aan personen van elders alhier met de woon komende en van eene behoorlijke acte van indemniteit (bewijs dat bij armlastigheid de inkomende nieuwe inwoner ten laste kwam van de vorige gemeente ) voorzien, eene tourbeurt in het afllossen der schulpen te verlenen. Zij riepen zelfs op eigen gezag de schulpmenders bijeen om over diergelijke zaken bij stemming te beslissen”.

Klachten tegen de schout Pieter Kieft

Gedurende de ambtsperiode van de schout Pieter Kieft zijn er eigenlijk aanhoudend problemen met de schelpenvissers en zijn er klachten over het gedrag van de schout, die tevens als particulier koopman bij de schelpenhandel betrokken is. Dit gaat meerdere keren zelfs zo ver dat de schelpenvissers hun toevlucht zoeken bij het Provinciebestuur.
In 1818 beklaagden zich enkele schulpers onder aanvoering van Jacob de Graaf junior over het willekeurig gedrag van de schout, die zich niet hield aan het bij toerbeurt afleveren van de schelpen en die bepaalde schulpers uitsloot van levering, omdat zij hun schelpen niet voor een lagere prijs aan hem zouden willen verkopen.
De Staatsraad Gouverneur van Noord-Holland, de toenmalige benaming van wat we nu de Commissaris van de Koningin noemen, neemt de klachten serieus. Hij stuurt de brief naar de Gemeenteraad van Castricum en vraagt om commentaar. Bovendien geeft hij de heer Van Foreest opdracht om de klachten te onderzoeken. Deze komt na enig onderzoek met het voorstel om het reglement aan te passen, zonder uitsluitsel te geven of de klachten tegen de schout gegrond zijn.
In datzelfde jaar wordt door de gemeenteraad een nieuw reglement vastgesteld, waarbij het kopen en afleveren van schelpen duidelijker waren geregeld.

Enkele jaren later, in 1822, beklagen Dirk Nanne en Pieter Mors, beiden schelpenvissers, zich in een brief aan Gedeputeerde Staten (GS), dat zij hun schelpen niet mogen verkopen, terwijl volgens artikel 12 van het reglement het aan een ieder vrij staat om schelpen van de schulpmenders te kopen en dat die kopers van een bepaald aantal schuiten schelpen na redelijk overleg met de gecommitteerden een lossing van schelpen zal worden toegestaan. De klacht is verder dat de gecommitteerden wel aan andere schulpmenders, die 14 tot 16 koeien melken, dit recht verlenen en dus heel partijdig te werk gaan. De briefschrijvers mogen alleen hun schelpen verkopen aan iemand die de goedkeuring van de Gecommitteerden geniet. Zij vragen een snel besluit van GS, omdat het nu de tijd is dat de meeste schelpen door de kalkbranders worden weggehaald en nu reeds hun beurt door de boekhouder van de schelpen nering is overgeslagen.

Het gemeentebestuur geeft toe dat artikel 12 het verkopen van schelpen weliswaar niet verbiedt, maar meent desondanks dat zij hieraan niet hun goedkeuring kunnen hechten en stellen daarom voor om het reglement aan te passen. Vier gemeenteraadsleden schrijven buiten medeweten van de burgemeester aan de Gouverneur, dat deze verkopen geen plaats meer mogen hebben. In een privé-schrijven van de schout aan de Gouverneur stelt deze voor om in het artikel een passage op te nemen, waarin het kopen van schelpen van de schulpmenders alleen is toegestaan in de winterperiode van 1 november tot 1 februari. Kieft geeft daarbij aan dat hij van mening verschilt met de Gemeenteraad; zoals uit vele klachten blijkt, dient de schout vooral zijn eigen belang en gaat hij daarbij niet altijd eerlijk te werk. Na uitvoerige beraadslagingen van de gemeenteraad wordt in eensgezindheid voorgesteld om het kopen van schelpen toe te staan in de periode van 15 oktober tot 1 maart. Ook de ambachtsheer, de Heer Schuyt van Castricum, wordt om advies gevraagd; hij keurt deze verandering van het reglement goed.

Daarmee is de kous nog niet af; de gecommitteerden blijven weigeren om Dirk Nanne en Pieter Mors in hun erkende recht te herstellen en gelasten de boekhouder om de beurt van aflossing van beide heren over te slaan. De schout meldt dit aan de Gouverneur: “Veroorzakende daardoor zeer belangrijke schaden aan de belanghebbenden, terwijl door de willekeurigheid dier gecommitteerden, hunne met moeite in arbeid aangebragtte schulpen moeten blijven liggen, daar intusschen de schulpen van anderen, somtijds met 3 √† 4 schepen te gelijk aan de kalkbranders worden afgeleverd, waarin voor zeker eene groote hardigheid bestaat.” Ook Hermanus Beugeling, koopman in schelpen, beklaagt zich dat hij wordt geweigerd


Jaarboek 21, pagina 9

zijn schelpen op z’n beurt af te lossen. Anderen doen een oproep om nog eens te wijzen op het belang van de schelpenhandel en om alles in het werk te stellen om de reglementen te doen naleven. Daarbij wordt bovendien gevraagd om de schout zich niet meer met de schelpenhandel te laten bemoeien of wordt geklaagd over de oneerlijke handelwijze van de schout. Merkwaardigerwijze wordt op de vele signalen over de schout van hogerhand zijn functioneren niet ter discussie gesteld.

 Bij het in functie treden van de gecommitteerden moesten zij de eed afleggen. De bijgaande tekst werd dan uitgesproken. Ook anderen die een bepaalde functie hadden bij de schelpenhandel moesten veelal de eed afleggen en beloven overeenkomstig het reglement hun functie te vervullen.
Bij het in functie treden van de gecommitteerden moesten zij de eed afleggen. De bijgaande tekst werd dan uitgesproken. Ook anderen die een bepaalde functie hadden bij de schelpenhandel moesten veelal de eed afleggen en beloven overeenkomstig het reglement hun functie te vervullen.

Ook Dirk Wijnands schrijft een lange brief aan de Gouverneur, waarin hij een vurig pleidooi houdt voor de instandhouding van de schelpenhandel. Wijnands woont sinds 1818 in Castricum in het herenhuis in de Dorpsstraat, dat in onze eeuw Hermana State wordt genoemd en in de (negentien) zestiger jaren is afgebroken; hij is zelf ook nauw betrokken bij die handel, heeft 24 schulpers in dienst en is ook eigenaar van het ‘Lange Pannenhuis’ aan de Brakersweg.

Het 'Lange Pannenhuis'.
Het ‘Lange Pannenhuis’. In 1830 woont aan de noordzijde de 46-jarige vrijgezel en schelpenvisser Olof Stuifbergen. Naast hem woont Cornelis Zonneveld, oud 58 jaar en schelpenvaarder, zijn vrouw Guurtje Stet, hun zoon Engel en de 49-jarige vrijgezel Willem Duijneveld, schelpenvaarder. Aan de zuidzijde woont het gezin van Jan Baars, oud 45 jaar, schelpenvisser, zijn vrouw Guurtje Arende en hun kinderen Gerrit, Aaltje en Huijgje. Bij hen woont de 61-jarige vrijgezel en arbeider Willem Koster (die van de gemeente Limmen alimentatie ontvangt). Brakersweg 4, 6, 8 in Bakkum, 1980. Foto G. van Geenhuizen. Toegevoegd.

Wijnands wil de vaste prijzen handhaven en de handel beslist niet vrij laten, omdat dan door slechts weinig opkopers de schelpen van de menders worden gekocht tegen een lage prijs die zij ervoor willen besteden om ze vervolgens aan de grootschippers in de Meer af te leveren. In andere plaatsen kunnen de grootschippers de schelpen onmiddellijk van het Stet halen, terwijl de situatie in Castricum heel anders is, omdat de schelpen hier met kleine vaartuigen, die slechts één last kunnen vervoeren, over een afstand van 5 à 6 uur varen. De schulpers zijn niet zelf in staat om hun schelpen te verschepen. Zij kunnen vaak ook niet zo lang wachten tot ze voldoende schelpen hebben om een geheel schip te vullen, waardoor ze genoodzaakt zijn om hun schelpen aan opkopers af te zetten.

Er heerst grote vertwijfeling onder de schulpers. Op 8 mei 1822 worden Joris Hageman, Jacob Veldt en Willem Castricum door een hele grote groep schelpenvissers uit hun midden genomineerd om bij de Gouverneur diens bescherming in te roepen en het behoud van de schelpenhandel ten sterkste te bepleiten. De schelpenvissers verklaren dat de gecommitteerden tot de schelpenhandel door de schout Pieter Kieft samen met Dirk Nanne en Pieter Mors werden belasterd, alsof zij tegen hun plicht zouden handelen en slechte en oneerlijke lieden zouden zijn. De schelpenvissers willen desnoods onder ede verklaren dat de gecommitteerden allen eerlijke lieden zijn op wiens gedrag niet de minste aanmerking kan worden gemaakt. Zij hadden bovendien vernomen dat de schout bij de Gouverneur had verzocht alleen aan hem de directie over de schelpenhandel op te dragen. “Dat wij ondergeteekenden voorts nederig verzoeken, het zijn Hoog Edele Gestrenge gunstig gelieve te behagen om het voorstel van gemelden schout te eenemale te verwerpen, daar wij ons niet dan met schrik en ijzing kunnen herinneren de jammer en ellende, die wij ondervonden tijdens hij schout in dien handel betrokken was en ons allen aan hem cijnsbaar (belastbaar) maakte, waardoor dat ook veelen onzer zich tot de diepste armoede vernederd zagen en het volkomen zeker is, dat zulks weder ons ongelukkig en als dan onherstelbaar lot zou zijn, daar de meesten onzer al tot den armenkas of den bedelstal de toevlugt zouden moeten neemen, terwijl wij integendeel van harte verlangen zouden dat hij schout nimmer eenige bemoeying met dien handel zoude vermogen te hebben, hetzij direct of indirect.”

 Ondertekening door de schelpenvissers van hun verzoekschrift aan de Gouverneur van de provincie Noord-Holland in het jaar 1822. Velen konden niet schrijven en tekenden met een kruis.
Ondertekening door de schelpenvissers van hun verzoekschrift aan de Gouverneur van de provincie Noord-Holland in het jaar 1822. Velen konden niet schrijven en tekenden met een kruis.

De brief is ondertekend door 37 schulpers; 22 van hen tekenen met een kruisje, omdat zij het schrijven niet hebben geleerd.

Namens vele schulpers gaan begin juni van dat jaar 1822 twee van hen naar de ambachtsheer van Castricum, de heer Schuyt in Amsterdam om hem te vragen hun belangen te behartigen en of hij bij de Gouverneur wilde spreken “over de instandhouding der schulp neering, welke het grootste bestaan van Castricum opleverd en tegenwoordig geheel te niet gaat door de inbreuken die op het reglement gemaakt worden”.
Schuyt richt zich tot de Gouverneur en pleit er voor dat het iedere opkoper niet vrijstond de schulpen willekeurig onder de gezette prijs te kopen, waardoor de schelpenvisser voor te weinig geld de schulpen van strand moet halen. Het oude reglement van 1771 wordt


Jaarboek 21, pagina 10

door hem nog van harte onderschreven, terwijl de aanpassingen van 1818 een verslechtering hebben gegeven. Schuyt zou het plezierig vinden als de Gouverneur voor alle mogelijke informatie de heer Gerrit Tromp, opzichter van de schulpen, zou willen ontvangen. Schuyt noemt Tromp een eerlijk en geloofwaardig man, die reeds vele jaren die post heeft bekleed en trouw heeft waargenomen.

Door de aanhoudende stroom klachten besluit de Gouverneur op 6 juni 1822 om het reglement op de schelpennering tot 31 december 1823 buiten werking te stellen en de schulpbazen van hun posten te ontzetten. Op 22 november 1822 wordt er een lange brief, ondertekend door in totaal 75 schelpenvissers en schelpenvaarders uit Castricum, Bakkum en Akersloot, gestuurd naar Gedeputeerde Staten. Zij wijzen op de vele intriges van verschillende personen, waarbij de koopman P. Kieft (zij willen hem niet de schout noemen) een voorname rol speelde, waardoor de Gouverneur werd misleid, met uiteindelijk het gevolg dat de schelpenhandel voor enige tijd vrij is geworden. De schelpenvissers doen een dringend beroep op de Gouverneur om het reglement weer in werking te stellen en de gecommitteerden weer in hun functies te herstellen (dit waren Pieter Bruin, Jan Nijman, Dirk Stuifbergen en Willem Witsenburg). Tevens doen de schelpenvissers daarbij het verzoek om artikel 12 van het reglement van 1818 zodanig te wijzigen dat het aan een ieder verboden wordt schelpen te kopen, anders dan bij de schuit en per last en alleen in het winterseizoen.

De gemeenteraad is in haar advies aan de Gouverneur van mening dat het verzoek tot wijziging kan worden ingewilligd: dat de reglementen en wijzigingen “zeer nuttig voor het belang der Ingezetenen kunnen zijn”. De schout Pieter Kieft reageert in een afzonderlijk schrijven aan de Gouverneur, omdat hij zich persoonlijk in zijn goede naam voelt aangetast door de brief van de schelpenvissers. Kieft meldt onder andere dat hij, terwijl hij gebruik maakte van zijn recht, gepoogd heeft zijn schulpen kwijt te raken, door een opgeruide menigte is mishandeld. Hiervan zijn drie belhamels door de rechtbank te Alkmaar gestraft (slechts met een gevangenisstraf van 8 dagen). Pieter Kieft geeft de schuld van alle ellende aan Dirk Wijnands, die buitensporig veel geld zou verdienen aan het kopen en belenen van schelpen. Deze Dirk Wijnands hoort echter wel bij de grote groep ondertekenaren van het verzoek aan de Gouverneur en heeft dus dezelfde belangen als de schelpenvissers.

Door de Gouverneur worden er, na ingewonnen advies en een onderzoek door de heer Van Foreest, lid van GS, geen termen gevonden om enige wijziging in het reglement aan te brengen.

 Dit bewijs werd afgegeven door de opzichter Gerrit Tromp. Schelpenvaarder Jan Zonneveld heeft 6 hoed schelpen geladen van de schelpenvisser Hendrik Veldt; zij woonden allen op het Schulpstet.
Dit bewijs werd afgegeven door de opzichter Gerrit Tromp. Schelpenvaarder Jan Zonneveld heeft 6 hoed schelpen geladen van de schelpenvisser Hendrik Veldt; zij woonden allen op het Schulpstet.

Het delven van schelpen in de vorige eeuw

Het vissen van schelpen geschiedde aan het strand grotendeels met het beugelnet. In de zomermaanden konden er echter bij stille zee met het beugelnet geen schelpen worden gevist. Daarom werden er onder die omstandigheden schelpen uit het zand aan het strand gedolven; een praktijk die al sinds 1825 bestond.

Vanwege het mogelijk verzwakken van de zeewering werd het van overheidswege in 1856 verboden om kort aan de voet van de duinenrij kuilen te graven en schelpen te delven. Als regel gold een afstand van 500 ellen (345 meter) vanaf de duinvoet, waarbinnen niet mocht worden gegraven.
Het Gemeentebestuur van Castricum komt kort na de instelling van dit verbod op voor de schelpenvissers en doet een verzoek aan GS om deze afstand terug te brengen naar 30 ellen. In een brief schrijft het gemeentebestuur:
“Van tijd tot tijd en in meer bijzonder wanneer de zee door aanspoeling geen schelpen op het strand oplevert, wordt door de veele behoeftige schelpenvissers pogingen aangewend om door veele en moeyelijke ligchamelijke arbeid oude schulpbanken langs het strand op te zoeken, om door uitdelving nog een zuur gewonnen karretje schelpen te verkrijgen; door een geheel verbod van dat bedrijf zou die behoeftige menschen soms voor een geruime tijd in het jaar van hun middel van bestaan verstoken zijn.”
Verder wordt gesteld dat gewoonlijk de laagste waterstand zonder afwaaiende wind reeds 500 el van de voet der duinen bedraagt en aldus voor zodanige uitgravingen geen gelegenheid zou zijn.

Schelpenkarren op het strand van Castricum aan Zee.
Schelpenkarren op het strand van Castricum aan Zee.

Met toestemming van de Commissaris van de Koning in Noord-Holland werd deze afstand teruggebracht tot 30 ellen onder voorwaarde dat de kuilen dadelijk met het uitgegraven zand door de schulpers weer moeten worden dichtgegooid. Hieraan werd echter door de schulpers zeer slecht de hand gehouden, bij herhaling kwamen bij het provinciebestuur klachten binnen van de opzichter van Rijkswaterstaat, dat de gegraven kuilen niet of nauwelijks werden gedicht en dat zelfs binnen de verboden afstand kuilen werden gegraven. Telkens werd het gemeentebestuur van Castricum door de Gedeputeerde Staten gesommeerd om maatregelen te nemen. Uiteindelijk was voor GS de maat vol en werd op 4 november 1857 besloten om het graven van schelpen in de gemeente Castricum te verbieden.


Jaarboek 21, pagina 11

Op 17 mei 1858 schrijven 35 Castricumse schelpenvissers aan het provinciebestuur een door hen allen ondertekende zeer nette en eerbiedige brief, waarin zij stellen dat deze maatregel eigenlijk een totaal verbod inhield van het schelpen delven, wat een grote groep schelpenvissers tot diepe armoede zou brengen en zou dwingen een beroep te doen op de armenkas, terwijl zij dan ook niet de belasting op hun trekpaarden kunnen betalen. Zij vragen om het verboden gebied te beperken tot 10 ellen en beloven de reglementen goed te zullen naleven en uit hun midden enkele schelpenvissers te zullen aanwijzen, die hierop zullen toezien. Een jaar later geeft GS bij wijze van proef toestemming, mits de lijn van 10 ellen uit de voet der duinen door paaltjes wordt aangeduid, de gegraven kuilen tussen deze lijn en de vloedlijn, onmiddellijk na het uithalen der schelpen worden gedicht en dat iemand uit hun midden wordt aangewezen, die zorgt voor de handhaving der voorwaarden en hierover door de overheid kan worden aangesproken.

Hier loopt Doris Schermer naast zijn paard en kar op het strand. Doris Schermer heeft als een van de laatsten het beroep van schelpenvisser uitgeoefend.
Hier loopt Doris Schermer naast zijn paard en kar op het strand. Doris Schermer heeft als een van de laatsten het beroep van schelpenvisser uitgeoefend.

Na twee jaar, in 1861, komt er een klacht van de opzichter van Rijkswaterstaat bij de burgemeester van Castricum dat de paaltjes verloren zijn geraakt en dat de kuilen beter moeten worden gedicht.
Dit herhaalt zich ook in 1863 met de opdracht om de paaltjes opnieuw te plaatsen. Dit blijkt in 1864 niet gebeurd te zijn en GS dreigt de vergunning in te trekken in het belang van de duinverdediging. Nadien is GS tevreden over de verbeteringen en wordt niets meer over de problematiek vernomen.

Jan Mooij, burgemeester van Castricum.
Jan Mooij, burgemeester van Castricum. Jan Mooij was van alle burgemeesters die Castricum heeft gekend, de enige echte Castricummer, die hier in 1848 geboren is. Hij bracht een groot deel van zijn jeugd door op een fraaie boerderij aan de Breedeweg, die zijn vader Cornelis Mooij omstreeks 1850 had gekocht. Deze Cornelis Mooij bezat veel grond, onder andere aan de Dorpsstraat, waarop hij, voor zover we hebben kunnen nagaan, in 1878, het jaar waarin zijn zoon in het huwelijk trad, het huis liet bouwen dat later bekendheid kreeg als burgemeestershuis. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Opgave van burgemeester Mooij in 1895

Een uitvoerig wetenschappelijk onderzoek in 1895 heeft aangetoond dat er geen verband bestond tussen de schelpenvisserij en de kustafslag. In het kader van dat onderzoek doet burgemeester Mooij een opgave van de hoeveelheid schelpen, die jaarlijks worden gevist. In die periode worden 1.100 a 1.200 schuiten schelpen gevist, die vooral naar De Rijp en Dedemsvaart worden vervoerd. Een schuit is vier kubieke meter schelpen of zeven karren. De burgemeester constateert een afname van de schelpenvisserij, die in 1860 nog een omvang had van 10.000 karren. De burgemeester schrijft verder: “Een bepaald jaargetij tot schelpvisscherij schijnt hier niet te bestaan. Een hoofdbedrijf kan het niet heeten. Tegenwoordig zullen in deze gemeente ongeveer 20 lieden zijn, die de schelpvisscherij uitoefenen en daarvan gebruik maken in tijden dat het landbouwwerk weer eens is afgeloopen en dan nog in dien tusschentijd een loontje weten te verdienen met schelpenvisscherij. Is over den vangst van schelpen niet zoozeer te klagen, de zeer geringen opbrengst van prijs heeft al eens lieden doen besluiten er vanaf te zien, maar die het toch opnieuw opvatten. Wegens de verre afstand van het strand, kan iemand uitgaande om schelpen te visschen, rekenen dat hij ruim vier uren werk heeft voor aleer hij een kar schelpen op den daartoe bestemde losplaats heeft en heeft dan aan schelpen aangebracht ongeveer 0,75 gulden.” De burgemeester pleit er voor om de schelpenvisserij voor deze gemeente te behouden, omdat het weliswaar geen hoofdbestaan oplevert, maar het vormt dan toch voor de schelpenvissers een extra steun om in het geringe onderhoud te voorzien op tijden, dat ze paard en kar niet voor de landbouw nodig hebben.

Volgeladen schelpenkarren klaar voor vertrek naar het Schulpstet.
Volgeladen schelpenkarren klaar voor vertrek naar het Schulpstet.

Schelpenvissers vertellen

Voor zover bekend is momenteel geen enkele schelpenvisser meer in leven. Van een paar van hen zijn nog wel hun verhalen over hun beroep bewaard gebleven. Zo had de heer D. van Deelen in 1952 een gesprek met de toen 78-jarige Kees van den Berg, die over zijn oude beroep van schelpenvisser het volgende vertelt: “Toen ik elf jaar oud was, dat was dus in 1886, ging ik voor het eerst met m’n vader mee naar het strand, om het schelpenvissen te leren. M’n buurjongen G. van Velzen ging ook met zijn vader mee en sloot zich bij ons aan. We haalden in die tijd, toen ik nog jong was dus, alle dagen twee karren met schelpen van het strand, dat was met elkaar dus tien mud. De karren waren toen nog betrekkelijk klein en de wegen slecht. Daar er niet altijd schelpen waren, konden we vanzelf ook niet steeds op twee karren per dag rekenen. Later werden de wegen beter, met het gevolg dat de karren ook groter werden en we acht mud per kar konden laden. Toentertijd bracht een kar schelpen 0,75 gulden op, dat was voor een kar van vijf mud. Voor 1,50 gulden moesten we twee keer naar zee en waren de hele dag in touw, dat was heel erg. Dat is nu 58 jaar geleden (1894). Later werd het wat beter en in de oorlog van 1914-1918 kregen wij 0,50 gulden per mud, dat was dus 4 gulden per kar. Dat is echter maar twee jaar zo geweest, toen ging het weer omlaag; eerst tot op 0,40, toen 0,35 en later zakte het weer tot 0,25 gulden per mud. Dat kwam omdat wij niet georganiseerd waren, de kalkbranders werden rijk en wij straatarm.

Cornelis (Kees) van den Berg.
Cornelis (Kees) van den Berg en zijn vrouw Hillegonda (Daatje) van de Poll. Kees was schelpenvisser van beroep. Kees is geboren op 22 juli 1874 te Castricum. Hillegonda van de Poll geboren op 14 januari 1871 te Heiloo. Castricum, 1904. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De schelpen die wij aanvoerden gingen voor het merendeel per vlet naar de ovens in Alkmaar, Uitgeest, De Rijp en Zaandam, waar er dan kalk van gemaakt werd. Soms kwam er wel eens een schip op de Meer, om schelpen te laden voor Friesland. In mijn jonge jaren waren er te Castricum, zo ik weet, 20 schelpenvissers, maar in de oorlog van 1914 waren er 42.
M’n vader heeft mij wel eens verteld, dat toen hij jong was, er te Castricum en Bakkum met mekaar wel 95 schelpenvissers waren. Soms viste iedereen schelpen: de boeren, de knechten, zelfs de smid en de kastelein.


Jaarboek 21, pagina 12

Een voorlopige opslag van de schelpen bij het commissarishuis aan de Zeeweg.
Een voorlopige opslag van de schelpen bij het commissarishuis aan de Zeeweg.

Er zijn nu minder schelpen te vissen dan vroeger, omdat het strand verzand is. Dag en nacht komt er slib uit de haven van IJmuiden ten noorden van de pier in zee terecht. Jarenlang wordt er al gebaggerd en dat zand komt allemaal bij ons op het strand en zo raken de zwinnen dicht met het gevolg dat de zee op de zwinnen geen slag meer heeft. Het strand is nu helemaal vlak. Vroeger lagen er banken, waar we met een kar schelpen haast niet tegenop konden komen. In 1942 was er maar weinig of niets meer te vissen. Ik heb het schelpenvissen altijd graag mogen doen, vooral als er goed wat te vissen was en dan vooral met een sterke zee. Als we zo’n dag een kar of zes schelpen, soms meer, gevangen hadden, waren we goed te spreken. Maar het gebeurde ook wel, dat we een uur of zes weg waren en toch nog geen schelpje hadden gevangen. Als we dan met een lege kar naar huis toe gingen, dan stond het hoofd niet best, dat begrijpt U wel!”

Toon Lute, de laatste schelpenvisser, met zijn paard en kar op het strand.
Toon Lute, de laatste schelpenvisser, met zijn paard en kar op het strand.

Tot de laatste schelpenvisser van Castricum wordt Toon Lute gerekend. In 1967 werd hij opgezocht ter gelegenheid van zijn 55-jarige huwelijksdag. Het verhaal dat hij toen vertelde over zijn beroep is in de krant verschenen: “Een mud schelpen bracht ongeveer dertig cent op. Als je je kar stamp en stampvol maakte, kon je acht mud meenemen. Dan had je 2,40 gulden verdiend. Voor die twee gulden veertig was je uren in touw, drijfnat van het zweet was je als je met paard en wagen boven op de ‘kluft’ was. En dan volgde je maar het lange karrespoor naar de ovens; het karrenspoor, dat ‘s winters praktisch onbegaanbaar was. Het was een zware broodwinning. Vooral in de winter was het geen pretje. Dan had je hoge lieslaarzen aan en een beugelbroek. Natuurlijk werd je evengoed drijfnat en dat in de winter als het vroor dat het kraakte.
In de tijd dat ik schelpenvisser was, waren er nog ongeveer 28 schelpenvissers in Castricum. Langzaam maar zeker hield de een na de ander er mee op. Tenslotte was ik alleen nog over. Tot de oorlog heb ik schelpen gevist. In de oorlog mocht je het strand niet op; dan moet je wel wat anders zoeken om aan de kost te komen. Na de oorlog heb ik het nog wel even geprobeerd, maar het ging niet meer. Doordat de Zuiderzee was afgesloten waren er steeds minder schelpen gekomen. Doordat ze steeds de havenmonding bij IJmuiden uitbaggerden, werden de schelpen met slib bedekt. Je werd gedwongen er mee op te houden. Maar ik ben zo lang mogelijk doorgegaan. Ik vond het een hard maar fijn vak.”

Toon Lute bij zijn huis op het Schulpstet.
Toon Lute bij zijn huis op het Schulpstet.

In de vele verhalen en geschriften spreekt men van schulpen-, schilpen- of schelpenvisser; deze drie varianten komen ook voor in andere samenstellingen. Hoe dan ook, het is nu reeds lang voorbij.

De neiging bestaat om dit beroep en het bijbehorende strandleven te romantiseren. Het was echter een hard bestaan, zwaar werk onder vaak slechte weersomstandigheden tegen een minimale verdienste. Er werd veel armoede geleden, vele schelpenvissers moesten een beroep doen op de armenkas. Die goede oude tijd was voor de schelpenvisser niet zo goed. De schelpenvisserij is voorbij, er is voor velen meer welvaart voor terug gekomen.

S.P.A. Zuurbier

Bronnen:

  • Regionaal archief Alkmaar:
    -archieven van de gemeenten Castricum, Akersloot en Limmen.
    -stadsarchief Alkmaar, inv. nummer 2304
  • Rijksarchief Noord-Holland:
    -archief van het Provinciaal Bestuur.
    -archieven van Gecommitteerde Raden in West-Friesland en het Noorderkwartier.
  • Deelen van, D.: Een oude Castricummer Schelpenvisser vertelt, De Speelwagen, jaargang 7 (1952).
  • Lori√©, Dr. J.: De stormvloed van december 1894 en het vraagstuk der schelpvisscherij langs onze kust, Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap, 2e serie, deel XIV, 1897, bladzijde 492-541.
  • Vraaggesprek Toon Lute, Nieuwsblad van Castricum, 2 juni 1967.

Stoomzuivelfabriek De Holland (Jaarboek 20 1997 pg 3-15)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architectbakkersbioscoopbouwbedrijfcaf√© / hotelcaf√©s en kasteleins in Bakkum –  drukkersexpeditiegasfabriekgroenteboerengroenteveilingkruideniersmelkboerenmelkfabriekmolenaarrestaurantschelpenvissersschilderschildersbedrijfslagerssmidsmederijstoomwasserijstrandvonderveldwachtersvrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 20, pagina 3

De geschiedenis van Stoomzuivelfabriek ‘De Holland’

Monster Holca roomflesje van de melkfabriek 'De Holland'.
Monster Holca roomflesje van de melkfabriek ‘De Holland’.

Daar lag kort geleden zomaar in de modder van een sloot een klein beugelflesje. Op de sluiting leest de nieuwsgierige wandelaar de woorden N.V. “De Holland”; Holca Tel. no. 417 Castricum.
Weinig Castricummers zullen hebben beseft, hier een tastbaar bewijs in handen te hebben van het bestaan van een echte zuivelfabriek in ons dorp. Op de hoek van de Breedeweg en het Schoutenbosch aan de rand van het dorp heeft bijna zestig jaar de zuivelfabriek ‘De Holland’ gestaan. Er werd hard en lang, voor een laag loon, maar met veel plezier gewerkt. Een fabriek, nauw verbonden met het agrarisch verleden van ons dorp, die ook een regionale functie vervulde. Een van de vele bedrijven die ten ondergingen in het proces dat Nederland aan de top van de zuivel producerende landen zou brengen.

De Stoomzuivelfabriek 'De Holland' met eigenaren, personeel en leveranciers.
De Stoomzuivelfabriek ‘De Holland’ met eigenaren, personeel en leveranciers.

Kaas- en boterbereiding op de boerderij

Tot in de tweede helft van de 19e eeuw is de kaasmakerij en het maken van boter een normaal onderdeel van het boerenbedrijf. De verwerking vindt volgens eeuwenoude methodes plaats. Er wordt twee maal daags gemolken en de melk wordt ook twee maal per dag verwerkt tot volvette zoetemelkse (Edammer) kaas. Goed kaas maken op de boerderij is dikwijls meer een kwestie van geluk dan van kennis. Het steunt op ervaring en gevoel. Hildebrand schrijft over de werkzaamheden van de boerin: “De bestemming van de boerin is kazen, kazen en nog eens kazen; is bestendig zorgen dat de melk die ‘s ochtends en ‘s avonds na ‘melkerstaid’ wordt binnen gebracht, de deur niet uitgaat dan in de vorm van goede gezonde en niet barstende kazen.”

Schoolplaat van C. Jetses: De kaasbereiding op de boerderij.
Schoolplaat van C. Jetses: De kaasbereiding op de boerderij.

Op steeds meer boerderijen ging men er in de tweede helft van de negentiende eeuw toe over om alleen ‘s morgens kaas te maken: de zogenaamde dagkaas. Deze wordt bereid uit afgeroomde avondmelk en volle ochtendmelk. Op die manier wordt een steviger kaas verkregen, die sneller rijp en minder vatbaar is voor gebreken dan de zoetemelkse kaas. De boer heeft het voordeel, dat hij behalve de kaas, ook nog eens de room overhoudt, waarvan boter wordt gemaakt. Boter wordt gemaakt door de room te karnen. Dat is door de room in een vat – de zogenaamde karn of karnton – flink heen en weer te klotsen.

Vanaf de late middeleeuwen werd zowel boter als kaas al in grote hoeveelheden ge√ęxporteerd. De kaaswaag in Alkmaar werd al in de 15e eeuw gesticht. De boer was tegelijkertijd grondstoffenleverancier, fabrikant, vervoerder en handelaar. De welstand van de boeren hangt hoofdzakelijk af van de prijs die wekelijks op de kaasmarkt in Alkmaar wordt bepaald.
Gegevens over de prijzen noteert boer Arie Asjes in een exemplaar van de Noordhollandsche Almanak van 1866: voor 40 stuks graskaas 115 gulden, voor 42 stuks hooikaas 143 gulden en voor 41 kop boter 33.82 gulden.
Een boerenkaas woog ruim 10 pond, zodat de prijs op rond dertig cent per pond komt. Een kop boter van 500 gram bracht 80 cent op. Na de overgang op de boerderij van de bereiding van zoetemelkse volvette Edammers twee keer per dag, naar de bereiding van niet-volvette één keer per dag, is de volgende stap de invoering van de fabrieksmatige verwerking.

De eerste Castricumse kaasfabriek

Op de hoek van de Dorpsstraat en de Cieweg, die toen nog Zeedijkje heette, stond het postkantoor. Jacobus Res was de postkantoorhouder .

Het postkantoor aan de Dorpsstraat hoek Cieweg in Castricum, rond 1905.
Het postkantoor aan de Dorpsstraat hoek Cieweg in Castricum, rond 1905. Jacob Res, geboren op 5 augustus 1862, was brievengaarder, postkantoorhouder en woonde in het huis waar nu (2015) bar My Way is gevestigd. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Achter zijn pand ligt een flink stukje grond en op 12 oktober 1900 verkoopt hij twee derde deel voor 240 gulden aan wagenmaker Floris Twisk en kruidenier Gerrit Louter. Met zijn drie√ęn stichten ze daar de eerste kaasfabriek van Castricum die de naam ‘De Duinstreek’ krijgt. In 1904 treedt ook veehouder Cornelis Spaansen tot de onderneming toe.

De fabriek is een dagfabriek, waar net als op de boerderij van de afgeroomde avondmelk en de volle ochtendmelk Edammer kaas worden gemaakt. De melk van de veehouders wordt ‘s avonds op de boerderij neergezet en afgeroomd en ‘s morgens gaat de afgeroomde melk met de ochtendmelk naar de fabriek.
De melk wordt om beurten door de eigenaren van de fabriek van de boeren in ontvangst genomen. De wei gaat voor varkensvoer naar de boeren terug. Van het begin tot het einde is Manus Zomerdijk de kaasmaker en de feitelijke leider van ‘De Duinstreek’. Hij woont ook in het fabrieksgebouw.

Manus (Hermanus) Zomerdijk ( 1877-1956).
Manus (Hermanus) Zomerdijk ( 1877-1956). Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Castricum is niet uniek. Bijna ieder dorp in Noord-Holland heeft z’n kaasfabriek en soms wel twee. In 1909 waren er 125 fabriekjes in Noord-Holland. De productie van kaas op de boerderij nam wel af, maar was in die tijd toch nog groter dan de productie van fabriekskaas.


Jaarboek 20, pagina 4

 De Stoomzuivelfabriek De Holland gezien vanaf de Schoolstraat. De oprichters en personeel staan ook op de foto. De man met het witte voorschoot is de eerste directeur Hans Gerrits.
De Stoomzuivelfabriek De Holland gezien vanaf de Schoolstraat. De oprichters en personeel staan ook op de foto. De man met het witte voorschoot is de eerste directeur Hans Gerrits.

Stoomzuivelfabriek ‘De Holland’

De stoomzuivelfabriek kent een gelijksoortige start als het kaasfabriekje aan de Cieweg; ook hier dorpsgenoten die het initiatief nemen. Bernardus Antonius Res, Reinier Kaptein, Johannes Hogenstijn en Hendrik Duijn richten in maart 1905 een maatschap op en kopen van Wilhelmus Hendricus de Wildt, landman op Dorregeest in Uitgeest een stuk grond aan de rand van het dorp op de hoek van het Schoutenbosch en de Breedeweg. Daar laten ze voor gemeenschappelijke rekening een fabriek bouwen.

Johannes Hogenstijn, één van de oprichters van de zuivelfabriek.
Johannes Hogenstijn, één van de oprichters van de zuivelfabriek.

Bernardus Antonius Res is bloemenkweker en gemeenteontvanger. Ook is hij mede-oprichter van de Boerenleenbank en van de vereniging ‘Onderlinge Hulp’. Reinier Kaptein is veehouder net als Hendrik Duijn. Johannes Hogenstijn (1916-1961) heeft een gemengd bedrijf aan de Kramersweg, maar daarnaast is hij lantaarnopsteker, grafdelver en onbezoldigd rijksveldwachter. Als eerste directeur benoemen zij Hans Gerrits uit Brielle. Op 13 juni 1905 wordt hij in Castricum ingeschreven.
Misschien is hun polsstok toch niet lang genoeg want een jaar later, in 1906, verandert de rechtsvorm in een vennootschap onder firma: firma Th. Burger en Co. Firmanten waren Theodorus Burger, veehouder uit Wijk aan Zee en de eerder genoemde veehouders Reinier Kaptein en Hendrik Duijn. De VOF werd na bijna twee jaar weer ontbonden en de heer Burger is dan de enige eigenaar.

Gerrits vertrekt alweer in april 1906. Hij gaat naar Sassenheim, waar hij ook directeur van een melkfabriek wordt. De heer Burger benoemt Jan Pieter Baas als opvolger. Jan Baas, geboren op 6 juli 1882 in Nieuwerkerk aan de IJssel is na de lagere school in dienst gekomen van de zuivelfabriek in zijn geboorteplaats en volgt daarna cursussen voor botermaker en kaasmaker. In het begin van deze eeuw wordt hij aangesteld als afdelingschef bij de melkinrichting ‘De Sierkan’ in Den Haag en later in Leiden bij dezelfde onderneming.

Jan Baas, directeur van de Holland.
Jan Baas, directeur van de Holland.

Theodorus Burger doet de stoomzuivelfabriek in 1915 van de hand op een openbare verkoping. Jan Baas werpt zich op als de nieuwe eigenaar om een mogelijke ondergang van de fabriek of van zijn baan te voorkomen. Er wordt dan een naamloze vennootschap gevormd waaraan hij de fabriek doorverkoopt voor een bedrag van 7.500 gulden. De vijf aandeelhouders van de N.V. zijn Johannes Jacobus Stuijt, Petrus Wilhelmus Stuijt (beiden kaashandelaar in Purmerend), Gerbrand Vis Hajoszoon (koopman in Zaandijk) en Cornelis Vis Janszoon zonder beroep wonende te Limmen en Jan Pieter Baas. President-commissaris wordt Johannes Jacobus Stuijt.

Uitbreidingen

De fabriek is bij de start nog heel eenvoudig van bouw en installatie. Waarschijnlijk is alleen met de kaasmakerij gestart en was boter hooguit een bijproduct. In het begin is de fabriek – net als ‘De Duinstreek’ – een dagfabriek, waar √©√©n keer per dag de afgeroomde avondmelk en de volle ochtendmelk werd aangevoerd. Volgens de bouwtekening is er in het gebouw ook woonruimte opgenomen, identiek aan de opzet van de kaasfabriek ‘De Duinstreek’.

Het verwerken van de melk begint met het centrifugeren, dus het terugbrengen van het vetgehalte tot dat van consumptiemelk. Melk en room worden gescheiden afgevoerd. De centrifuge en de karnkneder voor de boterbereiding zijn in ‘De Holland’ aangesloten op de stoommachine door middel van leren riemen.

De melkfabriek met uitbouwen aan de voorzijde en links op de foto het kantoor dat in 1925 werd gebouwd.
De melkfabriek met uitbouwen aan de voorzijde en links op de foto het kantoor dat in 1925 werd gebouwd.

De fabriek wordt aan de voorkant ‘verrijkt’ met twee uitbouwen. De uitbouw aan de oostkant is voor de melkcontrole en de uitbouw aan de westkant is voor een kantoortje.

Onder aanvoering van de nieuwe eigenaren komt de ontwikkeling van de fabriek na 1915 pas goed op gang. Waarschijnlijk is de fabriek na dat jaar omgevormd van een dagfabriek in een zoetfabriek, waarmee wordt bedoeld dat kaas en boter wordt geproduceerd uit twee keer per dag (zowel ‘s morgens als ‘s avonds) aangevoerde melk.

De melkontvangst vond hier plaats. Geheel links Klaas Zonneveld bij de spoelmachine; rechts melkcontroleur Johan Dijkstra. De namen van de twee personen, die de melkbus legen, zijn niet bekend.
De melkontvangst vond hier plaats. Geheel links Klaas Zonneveld bij de spoelmachine; rechts melkcontroleur Johan Dijkstra. De namen van de twee personen, die de melkbus legen, zijn niet bekend.

In 1919 wordt er aan de achterkant van de fabriek een gebouwtje gezet voor de melkontvangst. In 1920 wordt een nieuwe elektrische karnkneder in gebruik genomen. Er wordt een machine aangeschaft waarmee de melk voor de kaasbereiding geroerd wordt. De wei wordt daardoor heter afgescheiden van de gestremde melk, de zogenaamde wrongel.

Oene Mol en Arie Tervoort met klont boter bij de karnkneder
Oene Mol en Arie Tervoort met klont boter bij de karnkneder

Jaarboek 20, pagina 5

De wrongel wordt in vaten overgebracht, waarna het persen kan beginnen. Dan worden de kazen in een pekelbad gelegd. De laatste fase is de rijping van de kaas. Daarvoor is de eerste verdieping van de fabriek ingericht.

In de oude fabriek staan de stoomketel en de aandrijfmachine voor de centrifuge nog in het hoofdgebouw, maar in 1923 komt er een apart stookhuis voor de Cornwall stoomketel en een grote schoorsteen gaat het silhouet van het dorp mede bepalen. De aandrijving op stoomkracht wordt geheel vervangen door elektriciteit. Stoom is alleen nog nodig voor verwarming van water voor het productieproces en voor het schoonmaken van onder andere de melkbussen. Steeds meer moderne hulpmiddelen worden aangeschaft waarvoor ruimte nodig is.

Een paar melkbussen van melkfabriek De Holland.
Een paar melkbussen van melkfabriek De Holland. De boeren leverden hun melk aan de fabriek in deze bussen die in 1950 elke morgen werden opgehaald door de vrachtwagens van Jan Brandjes, Niek Hes en Maarten Meier uit Limmen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het kantoortje in √©√©n van de uitbouwtjes aan de voorzijde wordt bedrijfsruimte en ten oosten van de fabriek wordt in 1925 een nieuw kantoor gebouwd. Ook is er in dat gebouw plaats vaar het pasteuriseren van de melk. De melk wordt verhit om schadelijke bacteri√ęn uit te schakelen. Ook het bereiden van diverse vla soorten en het vullen van flesjes met slagroom vindt in het nieuwe gebouw plaats. Deze producten worden meer en meer gevraagd na de toeneming van het toerisme en de groei van het kampeerterrein Bakkum, na de opening van de Zeeweg in 1926.

Laboratorium van de melkfabriek.
Laboratorium van de melkfabriek.

In 1930 wordt er tussen het kantoor en de machinekamer een ruimte voor het laboratorium bijgebouwd. Voortdurende controles in het laboratorium zijn noodzakelijk. Een bacterie kan immers een hele bak met kaasmelk bederven. Het kantoor en het laboratorium verhuizen na enkele jaren naar het naastgelegen woonhuis. Het voormalige kantoor en het laboratorium worden dan ingericht voor de afgifte van de melkproducten aan de slijters.

In 1932 wordt de apparatuur van de fabriek uitgebreid met koelinstallaties, onder ander voor ijs. In 1938 komt er een homogenisator. Van gehomogeniseerde melk komt de room niet meer bovendrijven. Dit wordt bereikt door de melk onder grote druk door heel kleine gaatjes te persen. In 1942 wordt het melkontvangstgebouw aangepast in verband met de installatie van een wasmachine voor melkbussen of ‘kannen’ zoals ze ook wel genoemd werden. Nadat de bus is geleegd, wordt deze doorgeschoven naar deze machine. De bus wordt er ingezet en gespoeld, daarna nog eens met een schoonmaakmiddel behandeld, dan met schoon water en tenslotte met stoom, waarna de bus, gloeiend heet, weer op de melkwagen wordt teruggezet. Er wordt veel water gebruikt en de fabriek heeft een eigen bron en ook regenwater van het dak van de fabriek wordt opgevangen en benut.

Dominee en technicus

Een zoon van de directeur, de nu 86-jarige heer Leo Baas, herinnert zich, dat eens op een zaterdag de stoomketel een mankement vertoonde. Het zou veel tijd kosten om een monteur van veraf te laten komen. Dat dit zou betekenen dat de fabriek stil kwam te liggen, wat natuurlijk een ramp was. De hervormde predikant in die dagen, dominee Van Poelgeest, was bijzonder technisch onderlegd. Het is dat zijn ouders het hem verboden hadden, maar hij zou liever technicus zijn geworden. In zijn schuurtje stond de complete apparatuur voor een machinebankwerker. Dominee Van Poelgeest werd dus naar de fabriek geroepen en inderdaad, hij slaagde erin om de reparatie uit te voeren en naar men zegt op zo’n manier dat het euvel zich nooit meer heeft voorgedaan.

Jan Baas op de kaasmarkt in Alkmaar.
Jan Baas op de kaasmarkt in Alkmaar.

Leo Baas vertelde dat zijn vader iedere week de kaas- en botermarkt in Alkmaar bezocht, waar de prijs tot stand kwam. De boter voor de detailhandel wordt in pakjes van een pond verpakt met daarop de merknaam ‘Holca’. Aan de handelaren wordt de boter in vaten vanuit de fabriek verkocht. Ook wordt geleverd aan het ziekenhuis Duin en Bosch. Die producten worden met een vrachtauto bezorgd. De wei, die is overgebleven van de kaasbereiding en die niet door de boeren als varkensvoer mee terug is genomen, wordt geregeld opgehaald door een grote ketelwagen van de Melksuikerfabriek in Uitgeest.


Jaarboek 20, pagina 6

Directeur Baas in 1931. Hij was toen 25 jaar aan de fabriek verbonden.
Directeur Baas in 1931. Hij was toen 25 jaar aan de fabriek verbonden.

Directeur Baas onderhoudt goede contacten met pastoor Engering. Zo wordt op de pastorie elk jaar voor Kerstmis gratis twee liter slagroom bezorgd. Een liter voor de pastoor en een liter voor het zusterhuis naast de pastorie. Ook wordt er altijd chocolademelk verstrekt voor het kerstfeest van de zondagsschool. Leo Baas kan zich de namen van vaste krachten in de fabriek van zijn vader nog goed herinneren, zoals botermaker Maarten Duijn, kaasmaker Pieter Keetbaas en Dirk Lute en Nars Lute, Wilbrordus Brakenhoff, melkontvanger Dorus Meijer, Meindert Kuilman centrifugist, machinist Blom en boekhouder Klaar Wijker.

Personeel van de melkfabriek De Holland.
Personeel van de melkfabriek De Holland. Van links naar rechts Jan Lute, Klaar Wijker, Tjerk van Eik, ? Lute, ?, Meindert (Bert) Kuilman, Dorus (Arie) Meijer, Maarten Duijn.
Maarten Duin heeft 42 jaar gewerkt bij de fabriek en nam 1 mei 1948 afscheid. Hij kreeg de zilveren eremedaille verbonden aan de Orde van Oranje Nassau. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Rooie Dirk

Ook voor Dook Lute, geboren in 1925, neemt de melkfabriek in zijn jeugdherinneringen een grote plaats in: “Mijn vader werd Rooie Dirk genoemd. Ze kenden mijn vader in het dorp alleen met een blauwe broek, een blauw hemd, een rooie zakdoek om en een pet op. Hij had een boerderijtje aan de Doodweg: een huisje met een grote schuur er achter. In het land had hij een groot varkenshok. Het gezin telde negen kinderen. Vanaf het begin in 1905 bracht vader zijn melk naar de fabriek en heeft hij er van negen uur tot een uur of drie gewerkt. Hij ging dan twee bakken kaas maken en dat deed hij zeven dagen in de week. Zondags moesten we als jongen zijnde de kaas uit de pers halen. Dan waren er 300 kazen gemaakt, die moesten dan gerond worden en daarna gingen ze in de pekel. Allemaal Edammers. De kaasmakerij was nog in het hoofdgebouw. Pas veel later is er een apart gebouw voor de kaasmakerij achter de fabriek gekomen.
Als jongetje van een jaar of acht ging ik al melken. Dat was bij boer Willem Melker aan de Doodweg. Thuishaalder (red: pleegzoon in het Westfries) en oomzegger Cor Kuijs was de bedrijfsleider. Alle dagen vijf koeien melken ‘s morgens en ‘s avonds en daar kreeg ik dan een knaak in de week voor.

Ik bracht die melk met de hondenkar naar de fabriek. De kar had ijzeren wielen en de hond liep ervoor. Brandjes had ook een hond en die twee honden konden mekaar niet verstaan en het was vechten als ze mekaar tegenkwamen op de smalle Doodweg. Hele rijen hondenkarren stonden soms op de Breedeweg voor de fabriek te wachten. Bij de fabriek had je Dorus Meijer de melkontvanger en die haalde de twee of drie melkbussen van je kar. Mijn vader bracht de melk zelf. Hij had een fiets met een karretje erachter.

Gezin Piet Dijkman-Antonia de Goede.
Gezin Piet Dijkman-Antonia de Goede, Dorpsstraat 97 in Castricum. Vader Piet was koopman in kaas. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Dijkman was de kaashandelaar. Die kwam dan op z’n driewieler-fiets naar de fabriek en dan moest hij naar boven, maar hij kon slecht de trap opkomen. M’n vader en ik moesten hem de trap op helpen en ook kaas voor hem boren. Op zijn smaak afgaande kocht hij een partij; dat was dan kaas van 1 bak die misschien 9 of 10 maanden oud was. Dan moest die kaas naar beneden toe. Per twee kazen werden ze door een luik naar beneden gegooid en opgevangen. Piet Zonneveld kreeg er eens twee op z’n hoofd en ging wel gestrekt.
Ik vond het prachtig om zo af en toe een speciale boodschap te mogen doen. Ik mocht bijvoorbeeld boter naar de vrouw van kapitein Rommel brengen en kreeg daar dan een cent voor. Voor die cent kon ik tegenover de melkfabriek bij Anton Liefting twee Koningsbroodjes kopen of vier gelukstoffees. Daar kon een papiertje inzitten dat recht gaf op een extra toffee!”

Jan Tervoort sr. en Jan Tervoort jr. bij de versierde hondenkar omstreeks 1931.
Jan Tervoort senior en Jan Tervoort junior bij de versierde hondenkar omstreeks 1931.

Hondenkar

Hondenkarren speelden een belangrijke rol bij de aanvoer en de distributie van melk. Er is ook toezicht op het gebruik van deze dieren. De Trekhondenwet van 1910 moet een einde maken aan misstanden en verplicht de houders tot een jaarlijkse keuring Er mogen maximaal 3 honden voor de kar en 2 onder de kar lopen. Volgens die wet wordt er een register bijgehouden van de eigenaren die een vergunning hadden. De registratie van de hondenkar van boer J. van der Park werd op 1 oktober 1932 doorgehaald omdat de hond slechts een borstbreedte had van 11,5 centimeter. Dorpsveldwachter Bleyendaal keurde kar en tuig en een veearts uit Alkmaar keurde de hond zelf. In 1932 zijn er nog 9 houders van trekhonden geregistreerd. Er is een tweede vergunning nodig om ook op de kar te mogen zitten. Vanaf 1927 is dat in principe verboden en dat is voor veel boeren de aanleiding om over te stappen op paard en wagen.


Jaarboek 20, pagina 7

Schaalvergroting

Het gebouw van de eerste Castricumse kaasfabriek, toen aannemer De Nijs daar al gevestigd was.
Het gebouw van de eerste Castricumse kaasfabriek, toen aannemer De Nijs daar al gevestigd was.

Jacobus Res, Gerrit Louter, Floris Twisk (mede-oprichter in 1904 van de Boerenleenbank) en Cornelis Spaansen verkopen op 8 mei 1918 de kaasfabriek ‘De Duinstreek’ “met alle machinerie√ęn, losse en vaste gereedschappen, koppen, volgers (dit zijn de deksels van de kaaskoppen), bakken en bussen” voor  8.000 gulden aan de Co√∂peratieve Inkoopvereniging voor Melkslijters in Amsterdam. Op 18 maart 1919 wordt de fabriek in opdracht van de eigenaar, bij opbod en afslag geveild in het koffiehuis ‘de Vriendschap’ in Castricum. De N.V. ‘Stoomzuivelfabriek De Holland’ ziet zijn kans schoon om zich van deze concurrent te verlossen. Voor een bedrag van 5.896 gulden gaat de eigendom over en daarmee is het lot van de eerste Castricumse kaasfabriek bezegeld. De fabriek wordt gesloten en in 1921 wordt het pand doorverkocht aan aannemer Gerardus de Nijs. In 1982 werd het gesloopt voor de bouw van 9 appartementen.

De melkinrichting van Bal Lute aan het Schoutenbosch in gebruik bij veehouder J.C. Twisk.
De melkinrichting van Bal Lute aan het Schoutenbosch in gebruik bij veehouder J.C. Twisk.

In 1922 heeft De Holland nog een tweede melkbedrijfje opgekocht. De melkgrossier Baltus Lute heeft zijn bedrijf aan het Schoutenbosch. Hij is in 1910 eigenaar geworden van het gebouw, door met zijn vader Pieter Lute enige andere percelen te ruilen. Hij koopt melk van de boeren op en verkoopt dat door aan de melkslijters. Melk die over is, wordt geleverd aan een melkinrichting in Wormerveer. Lute gaat in 1922 failliet, omdat hij niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen tegenover de Oscar Smitsbank. In koffiehuis Van Benthem worden ook zijn bezittingen, waaronder het fabrieksgebouw bij opbod en afslag aan ‘De Holland’ verkocht voor 11.250 gulden. Het gebouw is na aankoop door de fabriek gebruikt voor opslag van oude materialen en het woonhuisgedeelte wordt in 1923 gesplitst in twee woningen, waarin Jan Twisk en Dorus Meijer, melkontvanger van De Holland wonen. Later wordt het hele pand eigendom van veehouder J.C. Twisk.

Veehouderij

In de jaren (negentien) twintig neemt het aantal melkkoeien in Castricum toe. In 1922 zijn er nog 622 stuks en in 1933 worden er 933 geteld. ‘De Holland’ kan de productie kennelijk niet alleen aan. Er wordt ook melk met paard en wagen opgehaald voor een fabriek in Wormerveer.

Boerderij Maria Hoeve, 1926.
Boerderij Maria Hoeve, 1926. De boerderij lag voor de kruising met de Alkmaarderstraatweg aan de Brakersweg 66, nu Walstro in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Vanuit de Maria Hoeve werd melk getransporteerd voor melkinrichting Assumptio in Amsterdam. De melk werd er gekoeld door het over een soort wasbord te laten lopen. Door de ribbels liep koud water. Deze onderneming was opgezet door Jan Schermer senior, Piet de Wildt en Cees Poel van de Breedeweg en Cees Kuijs van de Heemstederweg.

Tjeerd van Eik

De omzet van ‘De Holland’ stijgt en het aantal personeelsleden wordt uitgebreid. Daarom wordt in 1929 door directeur Baas een assistent-directeur gevraagd, die in het bezit is van alle zuiveldiploma’s.

Op de voorgrond Tjeerd van Eik, voormalig directeur van de melkfabriek 'De Holland' aan de Breedeweg.
Op de voorgrond Tjeerd van Eik, voormalig directeur van de melkfabriek ‘De Holland’ aan de Breedeweg, bij de tentoonstelling van Werkgroep Oud-Castricum met thema 40 jaar Bevrijding in de Bibliotheek aan de Geesterduinweg in Castricum, mei 1985. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op aanbeveling van de zeer gerespecteerde Rijkszuivelconsulent dr. L.T .C. Schey wordt de dan twintigjarige Tjeerd van Eik benoemd. Hij heeft zijn praktische opleiding gehad bij de zuivelfabriek ‘Eureka’ in Binnenwijzend, waar hij op 15-jarige leeftijd al als botermaker werkzaam is. Ook bij de Co√∂peratieve zuivelfabriek ‘Excelsior’ in Heerhugowaard heeft hij ervaring opgedaan. Nadat directeur Baas is geveld door een hartaanval wordt in 1939 de zoon van een van de aandeelhouders, Gerbrand Vis, nog als tijdelijk directeur benoemd, maar in januari 1941 wordt Tjeerd van Eik definitief de opvolger van Jan Pieter Baas.

Advertentie van De Holland in 1936. (rechts hoven)
Advertentie van De Holland in 1936.

Van Eik: “In de beginperiode nam ik waar voor directeur Baas en liet ik alles bij het oude. Later heb ik veranderingen doorgevoerd die volgens mij nodig waren. Mijn verhouding met Baas is toen op zijn


Jaarboek 20, pagina 8

zachtst gezegd wat onder druk komen te staan. Toen ik begon brachten de boeren hun melk nog zelf en er werd per liter afgerekend. Het vetgehalte werd wel gecontroleerd. maar daar werd toen nog niet op afgerekend. Het was meer om te controleren of de melk niet met water werd aangelengd. In de loop van de jaren (negentien) dertig is er toe overgegaan om wel op vetgehalte te betalen en vervolgens kwam ook het eiwitgehalte erbij.
Het vetgehalte werd om de 14 dagen vastgesteld. Bij de weging van de melk bij de aflevering ging er steeds een klein schepje in een flesje met een conserveringsmiddel. Zo kon per 14 dagen het gemiddelde vetgehalte van de melk per boer worden bepaald. Tot in de jaren (negentien) dertig brachten de boeren de melk zelf naar de fabriek. Later werd het opgehaald. De vrachtwagens, die voor De Holland reden, waren van Maarten Meijer uit Limmen. Ook de Gebroeders Lute en Jan Brandjes zijn melkrijder geweest.

Melkrijder voor De Holland van het transportbedrijf Maarten Meijer uit Limmen.
Melkrijder voor De Holland van het transportbedrijf Maarten Meijer uit Limmen.

In de jaren (negentien) dertig kregen de boeren niet meer dan 3 cent per liter voor hun melk. De boeren, die rechtstreeks aan melkslijters leverden, kregen wat meer. In de winter hadden die melkslijters dan tekort melk en ze moesten dan voor een hogere prijs aan de fabriek bijkopen. De kwaliteit van de producten is mij altijd erg ter harte gegaan. Vooral dat we steeds betere kaas en boter konden maken heeft mij veel genoegen gedaan. De langdurige samenwerking met een groot aantal vaste krachten, zoals bijvoorbeeld Klaar Wijker en Maarten Duijn, was een voorrecht.”

Personeel en directeur op de toto. Van links naar rechts: Herman Lute (broer van Dook Lute), Dorus Meijer (melkontvanger), Guurtje Ten Wolde (melkslijtster), Meindert Kuilman (centrifugist), Leen ten Wolde, Liefting (tijdelijke hulp), directeur Tjerk Van Eik.
Personeel en directeur op de toto. Van links naar rechts: Herman Lute (broer van Dook Lute), Dorus Meijer (melkontvanger), Guurtje Ten Wolde (melkslijtster), Meindert Kuilman (centrifugist), Leen ten Wolde, Liefting (tijdelijke hulp), directeur Tjerk Van Eik.

Hinderwet

Vanaf de start van de fabriek zijn er klachten geweest. Dertien omwonenden van de fabriek, onder wie ook dominee Van Poelgeest richtten zich op 22 juni 1905 al tot de gemeenteraad met klachten over stank. Wei die overblijft, wordt gewoon in een sloot geloosd die geen afwatering heeft. In de jaren (negentien) dertig ontstaat rondom de fabriek steeds meer bebouwing en de klachten over hinder nemen dan toe.
In 1920 krijgt de melkfabriek de eerste hinderwetvergunning, maar de voorwaarden kunnen niet voorkomen dat er overlast blijft bestaan door het lawaai van bussen, aan- en afvoer, rook en roet en dat 7 dagen per week. De gemeente verbiedt het bedrijf in 1931 wei te lozen in de sloot en eist dat andere in de waterloop te lozen vloeistoffen vermengd worden met schoon water.

De bouw van de waterzuivering waar het rioolwater werd gezuiverd. Heemstederweg 3 in Castricum, 1939.
De bouw van de waterzuivering waar het rioolwater werd gezuiverd. Heemstederweg 3 in Castricum, 1939. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Maria Bleijendaal, die in de Mr. Ludwigstraat woonde, herinnert zich dat de was aan de lijn bij tijd en wijle zwart was van de roet. In 1940 richtten alle bewoners van de Mr. Ludwigstraat zich tot de gemeente met de vraag om stappen te ondernemen die verbetering in de toestand kunnen brengen. Er worden wel maatregelen genomen middels een roetvanger en een ander soort kolen, maar de klachten over roetneerslag blijven. In de jaren (negentien) vijftig wordt bij de rioolwater-zuiveringsinstallatie aan de Heemstederweg opgemerkt dat er veel wit water uit de riolering komt. Er wordt naar de fabriek gebeld en daar wordt tot ieders schrik ontdekt dat de kraan van de roomketel open staat en dat er 1.100 liter slagroom het riool in is gelopen.

Oorlogsjaren

Voor de fabriek zijn de oorlogsjaren heel moeilijk door te komen. Van Eik schaart zich bij het plaatselijk verzet. Op de zolder van de fabriek kan naar radio Oranje worden geluisterd. Men doet zijn best om boter en melkpoeder aan het normale circuit te onttrekken om onderduikers te helpen. Als vergelding voor sabotage aan de spoorlijn worden op 9 oktober 1944 door de Gr√ľne Polizei drie huizen in de Pern√©straat in brand gestoken, waaronder ook het huis van directeur Van Eik.

Op 29 oktober 1944 in brand gestoken huizen Pernéstraat 40-42-44 in Castricum.
Op 29 oktober 1944 in brand gestoken huizen Pernéstraat 40-42-44 in Castricum. De bewoners waren: links nummer 40 Nic Bakker, kapper, midden nummer 42 Tjeerd van Eijk, directeur van melkfabriek De Holland aan de Breedeweg en rechts nummer 44 Henk van den Heiligenberg(?). Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In de fabriek gaat de voorgenomen aanpassing van het centrifugelokaal door; ook een ‘vatenbordes’ voor de ontvangst van de melkbussen wordt gebouwd. De vernieuwing van de kaasmakerij moet in verband met de materiaalschaarste worden uitgesteld. De aanvoer van melk in de zomer van 1944 is praktisch gelijk aan het jaar daarvoor, maar in de wintermaanden daalt, volgens een bewaard gebleven jaarverslag, de aanvoer tot een onge√ęvenaard dieptepunt. De oorzaak is, dat de mensen door de honger gedreven veel melk rechtstreeks bij de veehouders kopen.

Een grote handicap voor de fabriek is het uitvallen van de elektriciteit. Pasteuriseren is dan niet meer mogelijk en de melk wordt rauw gedistribueerd. Verder moet elke behandeling met de hand gebeuren, zoals waterpompen, melk overscheppen met emmers en centrifugeren met een kleine handcentrifuge.

De weinige room wordt voor zieken beschikbaar gesteld of wordt in een bus verkarnd, waardoor er nog wat boter gemaakt kan worden. De productie van flessenproducten wordt door de overheid vanaf september 1944 verboden, maar de maatregel is overbodig, omdat er toch geen flessen en kroonkurken te krijgen zijn. Er wordt meer personeel in dienst gehouden dan strikt nodig is, om te voorkomen dat de mensen in Duitsland te werk gesteld worden.

Gezicht vanaf de Breedeweg omstreeks 1947. Links staan de producten voor de melkboeren klaar.
Gezicht vanaf de Breedeweg omstreeks 1947. Links staan de producten voor de melkboeren klaar.

Herinneringen van Klaas Zonneveld

“Ik heb wel 10 keer naar Duitsland gemoeten. Als ik dan geen Ausweis meer had, dan ging ik naar Ad van Delft toe op het gemeentehuis en die jongen zorgde er altijd voor dat ik Ausweisen kreeg. Dan kreeg ik weer een Ausweis van de Hoogovens dan weer van de blikfabriek. Op het laatst moesten we allemaal weg en toen hebben ze me ondergebracht bij een neef van mij, boer Klaas Veldt aan de Brakersweg. Die was ziek en had een groot bedrijf, zodoende kreeg ik weer papieren en zo ben ik de oorlog doorgekomen. Toen de oorlog was afgelopen, ben ik naar de melkfabriek gegaan. Van Eik heeft mij aangenomen.
Ik werd na een jaar of vier chef in de melkafdeling. Eerst was Oene Mol dat, maar die werd meer algemeen bedrijfsleider. Samen met een stuk of vijf collega’s kookte ik gorte- en bloempap, maakte ik yoghurt, vlaatjes en chocolademelk. Dook Lute kwam in 1951 bij de fabriek.


Jaarboek 20, pagina 9

Hij maakte veel chocolademelk. De meeste chocolademelk werd gemaakt tijdens de demobilisatie toen die jongens uit Indonesi√ę terug kwamen. Daarvandaan heette die chocolademelk ook ‘demob’.

Klaas Zonneveld.
Klaas en Catrien Zonneveld, Eerste Groenelaan 63 in Castricum. Geboren 18 mei 1922 fabrieksarbeider, melkhandelaar, werkte later bij de Rabobank, overleden 26 februari 1997, trouwt op 13 februari 1946 met Catharina M. Dijkman. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Ik was er elke nacht om drie uur uit. Dat heb ik wel tien jaar gedaan. Als ‘s avonds de melk binnen kwam van de melkrijders, werd dat opgeslagen in een tank en draaide ik die melk in de kaasbakken en onderzocht ik de melk op vetgehalte en dan riep ik de kaasmaker die effe verderop woonde en die ging dan aan het werk. Daarna liet ik de roomtanken leeglopen in de karn en liet hem draaien. Als ik door het glaasje dan een beetje boter zag, belde ik de botermaker. Ik maakte ook de melk klaar die de slijters ‘s morgens kwamen halen. Daar had je alle dagen 5.000 liter voor nodig.

Een melkauto op weg naar de melkfabriek De Holland.
Een melkauto op weg naar de melkfabriek De Holland. Schoolstraat in Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Voor Egmond en Uitgeest werd de melk door de melkrijders om een uur of vijf weggebracht. De melk moest eerst op vetgehalte worden gebracht met de melkcentrifuge. Je draaide bij wijze van spreken 2.000 liter taptemelk en 3.000 liter volle melk en dan onderzocht je het. Soms moest er vet uit vandaan, dan weer moest er room worden toegevoegd om het vetgehalte op peil te brengen. Het was verschrikkelijk hard werken. Er werd nooit gevraagd hoe je je werk klaar kreeg. Toen ik begon verdiende ik 28 gulden per week en na 1 jaar 31 gulden met een liter melk en soms een pond boter.

Er gebeurden natuurlijk wel eens ongelukken, dat er een zooi melk wegliep en dan was je ook het vet kwijt. Als je een plas melk kwijt bent, is niet zo erg, maar het vet …! Je moest altijd zorgen aan het eind van de maand dat die lijst rond zat. Als we een tekort hadden en ik had een tank van 5.000 liter en je kon er een kilo of vier vet mee verdienen, dan deed je daar gewoon water in. Dan kwam het vetgehalte ook weer goed. Maar dan moest je altijd wel uitkijken voor de keuringsdienst anders waren we de sigaar.
Ik maakte ook alle dagen yoghurt en zoals je weet van yoghurt, maak je yoghurt. Ik nam altijd een monster van de yoghurt die klaar was en dat onderzocht ik op het laboratorium. Dan had je een uitstrijkje op een glazen plaatje en bekeek je onder de microscoop. De verhouding tussen de melkzuurbacterie en de yoghurtbacterie moest zo’n beetje gelijk zijn. Altijd die verhouding in de gaten houden. Dan moest je die yoghurt wegzetten in bakken en daarmee werden zo’n 1.000 halve liter flesjes gevuld en die moesten twee uur op temperatuur blijven staan in water van 47 graden. Dat water moest je verhitten met stoom.

We hadden een liggende en een staande stoomketel, die met kolen gestookt werden. We kregen een nieuw ketelhuis en toen kwam er in onze ogen een hele grote ketel in te liggen. Die ketel had een bak, die je met kolen gevuld naar de ketel kon rijden en daar aan een ketting hangen. De bak liet je dan leeglopen in het reservoir en daar draaide een spiraal de kolen in het vuur. Voor de staande ketel moest je nog gewoon met kruiwagens kolen halen en in het vuur gooien.

Dat was ook het werk van de centrifugist. Voordat hij ‘s avonds naar huis ging, moest hij het vuur schoonmaken, sintels eruit halen enz. Je had peilglazen langs de ketel, zodat je kon zien of er genoeg water in de ketel was. Co Res was er alle avonden, die was altijd aan het melk lossen en hielp bij het zwaarste werk. Co Res maakte die avond de ketel af, een beetje kolen erop en een kar kolen erbij. Je mocht nooit weggaan zonder dat dit gebeurd was, zodat je ‘s nachts niet eerst ook nog eens kolen moest gaan halen. Wat doet Co Res nu; die draait die twee kranen van de peilglazen dicht, dus ik kom ‘s morgens aan en ik hoor die kranen open te zetten. De kranen stonden eigenlijk altijd open wat niet mag, want als een peilglas springt dan vliegt het ook alle kanten heen. Maar goed, het is jaren zo geweest.
Ik kom ‘s morgens, draai de stop om en de ketel begint te draaien en je klapt er nog eens een keer met de pook doorheen en de rest gaat dan vanzelf. Ik ben er nog wel 5 of 6 keer geweest en heb gezien dat er nog water genoeg is. Toen is het een uur of 8 en Van Eik komt kijken en we staan in de deur van het ketelhuis en toen zakt die ketel in mekaar. Het was een schril gezicht. De stoom vloog alle kanten op en we werden zowat weggeblazen. Van Eik zegt tegen me: “Klaas dat is fout.” De beveiliging had niet gewerkt. De kosten van een nieuwe ketel waren toentertijd 12.000 gulden. Het was een ramp. De fabriek stond zowat stil ook. We hebben door veel overwerk en nachtwerk evengoed gedraaid tot de nieuwe ketel kwam.

N.V. Zuivelfabriek en melkinrichting 'De Holland'.
N.V. Zuivelfabriek en melkinrichting ‘De Holland’.

Ik weet nog dat mijn vrouw en ik de eerste keer omstreeks 1950 een week met vakantie gingen. Ik heb eerst twee dagen en een nacht overgewerkt, anders kon ik niet met vakantie. Ik moest yoghurt op voor maken en vla, je moest dit en je moest dat. Ik had toen twee dagen en een nacht gewerkt en ik kreeg toen een dubbel weeksalaris.


Jaarboek 20, pagina 10

Onze vakantie ging naar Limburg. Je moest dan zondags wel terug wezen. We konden ‘s nachts meerijden met Stet en onze fietsen konden ook mee. We zaten met z’n drie√ęn in de cabine en ik heb de hele weg geslapen.”

Advertentie in het Nieuwsblad voor Castricum d.d. 29 augustus 1945.
Advertentie in het Nieuwsblad voor Castricum d.d. 29 augustus 1945.

Modernisering

Na de oorlog breekt er voor de fabriek een nieuwe tijd aan. De naam Stoomzuivelfabriek ‘De Holland’ is gewijzigd in Zuivelfabriek en Melkinrichting ‘De Holland NV’. Lang voorgenomen moderniseringen worden uitgevoerd en er wordt aan de weg getimmerd.

Presentatie van 'De Holland'.
Presentatie van ‘De Holland’.

Op een in 1948 gehouden grote land- en tuinbouwtentoonstelling, gehouden in Castricum, gaat de eerste prijs voor de presentatie naar de veiling ‘Ons Belang’ maar de 2e prijs is voor ‘De Holland’. In 1950 wordt achter de fabriek een nieuw gebouw voor de kaasproductie neergezet en wordt de oude door uitbouwen ontsierde voorgevel gemoderniseerd. Steeds nieuwe technische verbeteringen worden doorgevoerd en steeds minder hoeft met de hand te gebeuren.

Botermaker Maarten Duijn.
Botermaker Maarten Duijn.

Maarten Duijn de botermaker, neemt op 1 mei 1948 afscheid na een dienstverband van 42 jaar! Hij ontvangt uit handen van burgemeester Smeets een koninklijke onderscheiding. Zijn pensioen van de fabriek is 5 gulden en 2 liter karnemelk per week. Van Eik wordt met ingang van 1 oktober 1949 benoemd tot directeur van de Vlaardingsche Melkcentrale NV. Zijn opvolger is Matthijs Kramer uit Zaandijk over wie wat tegenstrijdige verhalen de ronde zouden gaan doen.

Melkinrichting Velsen

In 1955 neemt de melkinrichting Velsen de aandelen over van de familie Vis. Van Eik, die inmiddels directeur is geworden van de ‘Crema’ in Alkmaar en daar ook woont, wordt gevraagd met spoed bij de directie in Velsen te komen. Van Eik: “Ik stapte binnen in het kantoor en toen was het: Wij hebben ‘De Holland’ gekocht en we willen jou als directeur hebben. Direct ja of nee zeggen.” Het werd ja en Van Eik keert terug op zijn oude stek en in zijn vroegere woonplaats. Toch luidt de overname door de melkinrichting Velsen de ondergang van ‘De Holland’ in.

De Ford uit 1946 is van de NV Zuivelfabriek en Melkinrichting 'De Holland'.
De Ford uit 1946 is van de NV Zuivelfabriek en Melkinrichting ‘De Holland’. De producten werden onder de naam Holca verkocht. Links Maarten Meijer uit Limmen die chauffeur is van de auto. Breedeweg in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Opkomst en neergang

Siem Admiraal, geboren in 1929, heeft bij de fabriek gewerkt van 1944 tot 1957. Hij heeft de fabriek voor een deel nog in de oude staat gezien en heeft de periode meegemaakt van opkomst en neergang van de fabriek. Siem Admiraal: “Zowat elke vrijdag kwamen de eigenaren van de fabriek, de gebroeders Vis, met een grote Dodge aanzakken. Ze deden een rondje en verdwenen in het kantoor. Het werkvolk zagen ze niet. De kust was veilig als de heren weer vertrokken waren. Ik heb zelf eerst in de melkinrichting gezeten en daarna drie jaar op de melkwagen om de producten bij de melkboeren te bezorgen. Begin 1950 was het zo, dat je als je zondags werkte, door de week een dag vrij had. Dat betekende dat je het kaasmaken een dag overnam of de melkontvangst en zo werd je overal inzetbaar. De melkafdeling heb ik zelf zo’n jaar of zes beheerd. In de melkinrichting werden alle melkproducten, zoals gortepap, bloempap, havermout, vanillevla, chocoladevla enz. gemaakt. Bij de kaasmaker sprong je tussendoor wel eens bij. Het ging allemaal nogal vlot hoor.


Jaarboek 20, pagina 11

Dop van de Melkfabriek Holland.
Dop van de Melkfabriek Holland. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Voordat de machines kwamen moest je de flessen met de hand vullen. Je liet de kraan langzaam lopen en hield de ene fles na de andere onder de stroom. Zo vulde je in flessen 300 of 600 liter pap. De doppen werden er ook met de hand opgezet. Later kwamen de machines eraan en werden de lege flessen op een band gezet en automatisch gevuld. Dat was een mooie tijd, toen het allemaal automatisch ging. Er was een man die de flessen op de band zette en een die ze eraf haalde en ik stond in het midden de boel in de gaten te houden. De modernisering kwam na de jaren (negentien) vijftig met de bouw van een nieuwe kaasmakerij achter de oude fabriek. De botermakerij bleef door de jaren heen hetzelfde. De karn ging heel lang mee. Als het klaar was, werd de boter eruit gehaald en werden er allemaal pondspakjes of halfpondspakjes van gemaakt. De boter werd nog met de hand ingepakt. Botermaker Maarten Duin, later opgevolgd door Arie Tervoort, haalde de boter eruit en anderen pakten het met de hand in. De kaasmakerij werd moderner met grotere bakken. Ook de kaaskoppen werden anders. Eerst had je alleen Edammers en later kwamen er ook Goudse kazen van 8 en 16 pond.

 De kaasmakerij die in 1950 werd gebouwd staat er nog steeds. In 1954 is er een verdieping opgezet voor de kaasopslag. De toren in het midden is de liftkoker.
De kaasmakerij die in 1950 werd gebouwd staat er nog steeds. In 1954 is er een verdieping opgezet voor de kaasopslag. De toren in het midden is de liftkoker.

Na de nieuwbouw bleven de oude houten kaasbakken eerst nog gewoon in de fabriek staan. Daarin zetten we bijvoorbeeld 2.000 flessen yoghurt in water, dat op temperatuur werd gehouden. Zodra je dacht dat de yoghurt rijp was, ging het koude water erop. In de zomermaanden vochten de klanten erom. Vooral door de opkomst van het tentenkamp kon je de vraag niet bijhouden. De productie van de fabriek nam toe. De boeren brachten de melk allang niet meer zelf. Zes grote vrachtwagens met 90 bussen erop brachten twee keer per dag de melk binnen.

1948: Dirk Liefting, Freek de Jong en Arie Tervoort.
1948: Dirk Liefting, Freek de Jong en Arie Tervoort.

Ik heb altijd Freek de Jong als kaasmaker meegemaakt en ook Piet Res uit Heiloo. Piet kwam van een boer Franssen uit Heiloo, die ook alles zelf verwerkte. Hij kwam in de kaasmakerij dat was hij gewend. Ook Siem Stam werkte daar. Jan Lute van de Hoogevoort heb ik ook meegemaakt; ook een hele leuke kerel. Hij was melkontvanger en ook centrifugist en helper van Freek de Jong. De bedrijfsleiders waren Luwe en Kos en nog later Dijkstra. Daar hadden we een goed contact mee. De rechterhand van de bedrijfsleider was de monsternemer. Die stond bij de melkontvangst. De hoeveelheid werd onder nummer ingeboekt. De hele week ging er wat melk in het flesje van de boer en daar werd aan het eind van de week in het laboratorium het vetgehalte van bepaald. Daar werd ook naar betaald. Klaas Zonneveld en ik hebben het langste met mekaar gewerkt. Toen Klaas in de melkafdeling werkte, was ik z’n tweede man. Later ging hij weg om als melkboer te beginnen en toen stapte ik er zomaar in. Er was een goeie sfeer onder mekaar; er werd veel gezongen.

Co Res; daar kan ik wel een boek over schrijven. Hij was enorm sterk en werkte in de bouw, maar kwam alle avonden deze en gene helpen. Als de melk om kwart voor zeven binnenkwam, hielp hij bijvoorbeeld bij het lossen van de melk of het spoelen van de bussen. Hij kon enorme hoeveelheden pap en chocolademelk op.

Door de fusie met Velsen in 1955 daalde de productie. Steeds meer van wat je vroeger zelf maakte, kwam uit de melkinrichting Velsen. In Velsen stonden de grote machines en dan werden de producten daarvandaan met vrachtwagens aangevoerd en dan was je er alleen om vrachtwagens te lossen en te laden. De melkrijders Maarten Meijer en Jan Brandjes raakten ook zonder werk. De boeren moesten beginnen met koeltanks en grote tankwagens kwamen langs. Dat hebben wij bij ‘De Holland’ niet meer meegemaakt. Toen het zover was raakte Velsen ook op z ‘n oor. De tankwagens brachten het naar de grote fabrieken in Ursem en Stompetoren. De boeren kon je hier langzamerhand ook op je vingers tellen.


Jaarboek 20, pagina 12

Plattegrond van de fabriek in 1954. (Tekening van A.M.Korsman).
Plattegrond van de fabriek in 1954. (Tekening van A.M.Korsman).

Het was een leuke tijd, maar ook waren het verloren jaren achteraf. Mijn acht broers waren altijd zaterdags en zondags vrij en ik zat altijd maar te werken. Het was een sleur, je wist niet beter. Zondagochtend om half vier ging ik al naar de fabriek en dan zorgde je dat je om half zes de eerste kaasbak klaar had en dan kwamen je collega’s en dan was het stampen en dan ging ik om half twaalf naar huis toe en dan had ik mijn uren. Maar op het laatst was je meer sjouwer van bussen en kratten dan dat je iets kon maken. Financieel begon het me ook tegen te staan. ‘s Winters had je bij de melkfabriek 62 gulden en in de zomermaanden 80 tot 90 gulden voor 54 uur werken. Bij de Ballast had je meteen 119 gulden.”

Achter de fabriek respectievelijk achter de Schoolstraat lag een stuk grond waar tien personeelsleden van de fabriek konden tuinieren. Het was een kleine compensatie voor de lage lonen. Het was hard werken bij de melkfabriek. Jan Lute, over wie Siem Admiraal vertelde, kwam op zijn 25e bij de fabriek werken en haalde er in 1961 de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar. Toen had hij er, op drie maanden na, 40 dienstjaren opzitten. Een zoon van hem vertelde dat zijn vader er niet toe te bewegen was om die 40 jaar vol te maken. Voor Jan Lute was het meer dan genoeg geweest.

Melkslijters

Van Eik waarschuwt Klaas Zonneveld dat het einde van de fabriek in zicht komt. Zonneveld heeft helemaal geen zin om bij de melkinrichting Velsen of in Heiloo te gaan werken en gaat zijn middenstandsdiploma en andere vakdiploma’s halen om melkslijter te kunnen worden. De oorspronkelijke consumptiemelk-voorziening was heel eenvoudig. De boeren (melkboeren genoemd, omdat ze melk leverden ter onderscheiding van groenteboeren, kaasboeren en dergelijke) woonden tussen hun klanten. Met de uitbreiding van de dorpen en steden werd de afstand te groot om de melk bij de consument te kunnen bezorgen. Op dat moment kwam de zelfstandige melkslijter naar voren en ook de grossier als schakel tussen boer en slijter. Tot de eerste tientallen jaren na de eeuwwisseling werd er elke dag twee keer en ook zondags melk aan huis bezorgd. Er bestond tenslotte nog geen koelsysteem.

Melkventer Cor Castricum bij de spoorwegovergang naar de Kramersweg.
Melkventer Cor Castricum bij de spoorwegovergang naar de Kramersweg.

Gortepap en bloempap wordt door de fabriek los geleverd. Jan Castricum, bijgenaamd Jan Pap, vent met losse gortepap. Mejuffrouw de weduwe P. Keetbaas verkoopt alleen yoghurt. Maar als later de melkslijters hun assortiment ook gaan uitbreiden worden de specialisten gedwongen de bakens te verzetten. Er zijn maar liefst 16 melkslijters en een straat wordt soms wel door drie of meer slijters aangedaan. In 1932 was de melkslijtersvereniging ‘de Eendracht’ opgericht. De leden maken een keer per jaar een uitstapje maar verder


Jaarboek 20, pagina 13

komt de samenwerking nauwelijks. Met steun van directeur Van Eik en notaris Van Cranenburgh ontstaat er uiteindelijk overeenstemming over een wijkverdeling.

Café-restaurant Broksma op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat en de Dorpsstraat 42 in Castricum.
Café-restaurant Broksma op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat en de Dorpsstraat 42 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Er moest getekend worden, waarvoor op 11 februari 1948 in caf√© Broksma (hoek Dorpsstraat-Burgemeester Mooijstraat) een bijeenkomst was belegd. Iedereen was aanwezig behalve Geertje ten Wolde-Mooij, weduwe van Huibert ten Wolde, die gezegd zou hebben dat ze niet tekende. Wanneer iemand niet zou meewerken ging het hele plan niet door. Van Eik vertelde dat hij naar haar huis ging aan de overkant van de Burgemeester Mooijstraat en alleen zei: “Juffrouw Ten Wolde, het is zover.” Daarop trok ze haar jas aan en ging met Van Eik mee. Het saneringsplan was gered.
Op maandag 16 februari 1948 wordt een begin gemaakt met de uitvoering. Het publiek is vrij om bij de handelaar van zijn keuze melk te halen, maar voor de bezorging is men uitsluitend aangewezen op de wijkmelkboer. Een verschillende geloofsovertuiging van melkboer en klant is nog al eens aanleiding voor sommigen om melk te halen bij de slijter van hun keuze. Overigens is er de regeling, dat winst van de melk die boven de aanvangsnorm wordt verkocht, via de vereniging wordt verrekend.

De sanering heeft als direct voordeel voor de klant dat de melk nu ‘s morgens wordt bezorgd en dus niet de hele dag in de bussen blijft staan. Paul Lute en Jur Schats zijn nu zo snel klaar met hun werk dat ze er nog een baan bij nemen. Zij gaan bij de melkfabriek werken, nadat ze hun wijk gelopen hebben. Klaas Zonneveld, begonnen met een winkeltje tegenover de fabriek op de hoek van de Schoolstraat en de Breedeweg, wil ook melkboer worden, maar hij komt er niet zomaar tussen. Van Eik steunt Zonneveld in zijn streven. De spanning loopt op en de melkboeren stellen Van Eik zelfs een ultimatum. Hij zou moeten kiezen tussen leveren aan Zonneveld of aan de gevestigde melkslijters. Uiteindelijk wordt Zonneveld in 1959 toch als lid door de vereniging geaccepteerd. Hij koopt een wijk van 2.000 liter per week, waarvan 1.000 liter van Johannes Veldt van de Stetweg. Het aantal woningen in zijn wijk breidt zich snel door de bouw van de woningen in de ‘bomenbuurt’ door bouwbedrijf Biesterbos en zo wordt de klantenkring van Klaas Zonneveld snel groter. Daarnaast valt hij nog menigmaal in bij de melkfabriek, overeenkomstig de afspraak die hij met directeur Van Eik had gemaakt.

De melkventers en hun echtgenotes van Castricum maken een uitstapje naar Schiphol (omstreeks 1950).
De melkventers en hun echtgenotes van Castricum maken een uitstapje naar Schiphol (omstreeks 1950). De heren die op de trap staan van boven naar beneden zijn: Jan Bos, Nic. Groot, Piet Schilder, Piet Bakker, Cor de Winter, Jan Castricum, Gerard Kaandorp. De overige personen van links naar rechts: Jur Schats, Jan Tervoort, Agie Veldt, Jan Veldt, mevrouw J. Nijman, mevrouw J. Schats, Jan Nijman, mevrouw G. Kaandorp, mevrouw P. Schilder, mevrouw P. Bakker, mevrouw C. de Winter, mevrouw Marie Brakenhoff, Bank Beentjes, mevrouw Rie Stuifbergen, Henk de Graaf (chauffeur van de bus), mevrouw J. Castricum, mevrouw J. Tervoort.

Jaarboek 20, pagina 14

Herinneringen van Tiny Gorter

Tiny Hemstede-Gorter: “Vroeger had je hier geen voortgezet onderwijs dus ik was in Heiloo op de Mulo; ik kon aardig meekomen. Ik deed de 4-jarige Mulo in drie jaar. Toen was ik 16 en moest meteen aan het werk. Onze melkboer Paultje Lute gaf de tip aan mijn moeder dat er op het kantoor van ‘De Holland’ een vacature was. Daar werd ik in 1941 aangenomen. Mijn man leerde ik daar kennen. Hij was analist op het laboratorium. We zijn getrouwd en toen moest hij naar Indonesi√ę. Later na de oorlog heb ik op het distributiekantoor gewerkt om wat meer te verdienen.

Directeur Tjerk van Eik.
Directeur Tjerk van Eik.

Ik begon met 5 gulden in de week en dat deelde ik met mijn moeder. Daarvoor werkte je ook zaterdags nog tot 12 uur. De mensen hadden zomers drie dagen en ‘s winters drie dagen vakantie en dat was alles. Ze moesten wel gespreid op vakantie want de fabriek ging nooit dicht. Ook op het lab werd er zondags gewerkt. Van Eik vroeg mij terug in 1959. Het was erg druk bij de fabriek; er waren ziektegevallen enzovoorts. Tot de sluiting in 1963 heb ik er gewerkt. Ik vond het heel erg dat de fabriek dicht moest. Wijker was de boekhouder en Wim Liefting was ook van de administratie. Van Eik zat boven. Het huis naast de fabriek was ons kantoor. Het lab was eerst in de keuken. Later kwam het in een nieuw deel van de fabriek, dat er nog staat.

De melkfabriek na de modernisering van de voorgevel in 1950.
De melkfabriek na de modernisering van de voorgevel in 1950.

Aan de achterkant kwamen de melkrijders met hun melk. De melk kwam uit Castricum, Limmen, Egmond en Uitgeest. Het werd opgehaald door transportbedrijven van Lute, Brandjes en Maarten Meijer uit Limmen. Ik deed de hele administratie van de boeren. De melkontvanger woog de melk en schreef de hoeveelheid op per boer. Het vetgehalte werd op het lab bepaald en dan volgde de betaling. Eerst hadden we monsterflesjes, later van die matjes. Voor de melkbussen betaalden de boeren 3 cent per week huur. We hadden ongeveer 125 boeren. Per 14 dagen werd het geld in zakjes gestopt. Wim Liefting bracht het in Castricum rond en de melkrijders namen het mee voor de buitenwijken. Je had ook nog wel eens een nabetaling. Op een keer hadden we 100.000 gulden op kantoor liggen. Toen deed ik de deur maar op slot. De prijs werd bepaald door de kaasmarkt. Van Eik ging iedere week en dan belde hij de prijs door. Eerst moest ik dan naar Schut, de bank naast De Rustende lager, om geld te halen. Daar ging je gewoon mee over straat.
In de oorlog gebeurde er ook veel. Van Eik zat in de ondergrondse. E√©n keer was er zogenaamd een overval van de Duitsers en die vorderden melk en boter en gingen er mee vandoor. Dat was uiteindelijk in elkaar gezet door de ondergrondse hoorden we later. Ik deed de administratie voor de boeren en Wim Liefting voor de melkslijters. Zomers was het ontzettend druk door het kampeerterrein. Dan waren er slijters die wel 15 keer per dag hun voorraad moesten aanvullen. Ik weet veel nummers van de boeren nog uit mijn hoofd. Roele was 5, Spaansen 12 en Jaap Veldt was 19. Het huis waar ik nu woon staat op zijn land.”

Sluiting

Op 17 september 1959 wordt een nieuw fabrieksgebouw van de melkinrichting Velsen geopend. Bij de opening zijn de gemeentebesturen van Heemskerk, Uitgeest, de Egmonden en Castricum aanwezig. Directeur Fontein ziet zijn ideaal in vervulling gaan: ‘de melkfabriek van de IJmond’. Het complex omvat een melkontvangst met bussenspoelmachine van 600 bussen per uur; een roomzuur en karnemelklokaal met 19 reusachtige tanks. De botermakerij, de grote hal, het ketelhuis, de werkplaats en het laboratorium completeren het geheel. In de fabriek werken 90 personeelsleden. In 1958 verwerft de C.M.C. 40 procent van de aandelen van de melkinrichting Velsen en ook voor deze fabriek zijn er al weer donkere schaduwen op het behang.

Drukkerij Boesenkool voorheen gevestigd Geelvinckstraat 15 onder andere uitgever van De Castricummer (wekelijkse dorpskrant). Dit huidige pand is een deel van de oude melkfabriek 'De Holland'. Thans staat op deze plek een appartementen gebouw.
Drukkerij Boesenkool voorheen gevestigd Geelvinckstraat 15 onder andere uitgever van De Castricummer (wekelijkse dorpskrant). Dit huidige pand is een deel van de oude melkfabriek ‘De Holland’. Thans staat op deze plek een appartementen gebouw.

In 1960 zijn er in Noord-Holland nog 20 fabrieken over. Het is duidelijk dat ‘De Holland’ met een verouderde inrichting en te kleine capaciteit z’n tijd heeft gehad. De fabriek verwerkt dan nog 1 miljoen liter tegenover de melkinrichting Velsen 17 miljoen liter per jaar. De fabriek houdt het nog even vol maar op 31 december 1963 is de sluiting een feit. Huilend gaat Tiny Hemstede-Gorter op haar Solexje naar huis. Het is afgelopen. ‘De Holland’ is geschiedenis geworden.

N.A.Kaan


Jaarboek 20, pagina 15

Naschrift:

Na de sluiting van de fabriek heeft het gebouw nog enkele jaren gefungeerd als afgiftestation voor de melkinrichting Velsen. De producten voor de melkboeren in Castricum en de Egmonden werden vandaar gedistribueerd. Dirk Liefting, Jan Veldt, en Piet Sprenkeling waren de enige personeelsleden die er nog werkten.

In 1965 werd het fabrieksgebouw in gebruik genomen door Technisch Bureau Bedeke, in 1976 opgevolgd door Drukkerij K. Boesenkool en Zoon. In 1988 werd het gebouw gesloopt en zijn er 9 appartementen gebouwd. Het deel waar het laboratorium, het kantoor en het ketelhuis in gevestigd zijn geweest, is als woonruimte in gebruik. Het gebouw voor de kaasfabricage wordt nu als magazijn voor een woninginrichtingszaak gebruikt.

De Stoomzuivelfabriek is in 1963 gesloten.
De Stoomzuivelfabriek is in 1963 gesloten. Het pand is daarna verbouwd en in gebruik geweest bij technisch bureau Bedeke en handelsdrukkerij Boesenkool. In 1988 is het hoofdgebouw gesloopt om plaats te maken voor appartementen. Ook het laboratorium en het kantoor zijn geschikt gemaakt voor bewoning. Makelaarsbriefje. Toegevoegd.

De melkinrichting Velsen is gefuseerd met de melkfabriek in Heiloo en opgegaan in de Melkunie. Onder de naam Zuivelfabriek en melkinrichting De Holland BV heeft de Melkunie Holland nog enkele kaaspakhuizen ge√ęxploiteerd. Eind 1992 is de BV definitief ontbonden.

Bronnen:

  • Regionaal Archief Alkmaar
  • Archief gemeente Castricum
  • Kadaster Alkmaar
  • Kamer van Koophandel Alkmaar
  • Interviews met mevrouw T. Hemstede-Gorter, Tj. van Eik, S. Admiraal, Th. Lute en N. Zonneveld.
  • Informatie van de heer L.C. Baas te Apeldoorn, mevrouw M. Prins-Hoogendam te Honselersdijk, de heer en mevrouw J. Schats, mevrouw Stam, de heer P .C. Sprenkeling en de heer J. Tervoort.
  • Fotomateriaal: mevrouw P. van Breemen, werkgroep Oud-Castricum, de heren Loek Zonneveld, Jaap Stuifbergen en H. Heideman.

Groenteveilingen in Castricum (Jaarboek 19 1996 pg 3-14)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architectbakkersbioscoopbouwbedrijfcaf√© / hotelcaf√©s en kasteleins in Bakkum –  drukkersexpeditiegasfabriekgroenteboerengroenteveilingkruideniersmelkboerenmelkfabriekmolenaarrestaurantschelpenvissersschilderschildersbedrijfslagerssmidsmederijstoomwasserijstrandvonderveldwachtersvrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 19, pagina 3

Castricum en zijn groenteveilingen

Dit kaartje uit 1865 geeft een idee van het in die tijd kleinschalige karakter van Castricum.
Dit kaartje uit 1865 geeft een idee van het in die tijd kleinschalige karakter van Castricum.

Inleiding

Het is voor ons zo gewoon om naar de groenteboer te gaan om daar onze groenten en fruit te kopen. Hoe komen die producten daar eigenlijk? De tuinders brengen hun waren naar de veiling en de handelaren verzorgen de distributie naar de winkels. Dat is niet altijd zo gegaan. Het fenomeen groenteveiling, waar dit artikel over gaat, is nog maar een eeuw oud. Tot aan het einde van de vorige eeuw kochten de handelaren groenten en fruit rechtstreeks bij de tuinder. Niet iedere tuinder was bedreven in het onderhandelen over de prijs, bovendien was er de concurrentie van de buurman, die hetzelfde aanbood. De tuinders brachten hun groenten ook wel naar een schipper, die daarmee naar de stad voer om het te verkopen. Het was afwachten hoeveel dat opbracht. Het gevolg was dat men vaak niet de prijs kreeg, die het waard was. Aan deze wantoestand kwam een einde door het invoeren van een veilingsysteem.

Inladen van aardbeien bij het station.
Inladen van aardbeien bij het station. Stationsweg in Castricum, 1914. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De basis voor de groenteveilingen in ons land ligt – hoe kan het ook anders – in de Langedijk. Tuinder Dirk Jongerling wilde een goede prijs voor zijn bloemkool, maar was er niet van overtuigd dat hij die prijs zou krijgen als hij het aan schipper Jan Dirkmaat uit Wormerveer zou meegeven. “Dirk, je moet ze veilen, dan krijg je de prijs die ze waard zijn.” Dit bleek achteraf een historisch gesprek te zijn geweest, dat op 29 juli 1887 plaatsvond. In Broek op Langedijk werd kort daarna de eerste groenteveiling gehouden. Vele dorpen zouden aan het einde van de vorige en het begin van deze eeuw dat voorbeeld volgen. Een man, die veel tot de stichting van veilingen heeft bijgedragen, is de tuinbouwleraar J.G. Hazeloop uit Alkmaar, die in lezingen zijn idee√ęn over de veilingen heeft uitgedragen. Hij hield zijn toehoorders voor dat de onderlinge concurrentie door samenwerking uitgeschakeld zou worden. Hij wist hen te overtuigen, want van 1887 tot 1920 werden in Noord-Holland 37 veilingen opgericht. Sommige zijn opgeheven, samengevoegd en gefuseerd; van de 37 veilingen is er nu nog in Noord-Holland nog maar √©√©n over, de WFO te Zwaagdijk.

's Zomers was Castricum aardbeiendorp. De handkarren met aardbeien wachtten voor de veiling aan de Dorpsstraat. Tijdens het wachten werden de aardbeien keurig met wille lakens afgedekt.
‘s Zomers was Castricum aardbeiendorp. De handkarren met aardbeien wachtten voor de veiling aan de Dorpsstraat. Tijdens het wachten werden de aardbeien keurig met witte lakens afgedekt.

Het oude dorp

Bij het schrijven van dit artikel doen wij graag een beroep op uw fantasie. Stelt u zich eens voor hoe Castricum er heeft uitgezien toen het nog gewoon een agrarisch dorp was, dus tijdens de periode van vóór en ook nog kort na de Tweede Wereldoorlog. Afgezien van het uitgestrekte duingebied bestond Castricum voor de rest uit boerderijen met weilanden en tuindersbedrijven. Het dorp, doorsneden door de spoorlijn, kende toentertijd twee kerkgebouwen. de Nederlands hervormde kerk en de rooms-katholieke kerk, beide aan de Dorpsstraat. Stond eerstgenoemde kerk, ook wel de oude Pancratius-kerk genoemd, nog geheel


Jaarboek 19, pagina 4

centraal, de katholieke kerk stond toen aan de rand van het oude dorpscentrum.
Daar ongeveer ging de Dorpsstraat over in de Alkmaarderstraatweg, een weg met een heuse klinkerbestrating. Deze weg ging min of meer schuin door het land richting Limmen. Ter plaatse van het monument voor de gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog ligt nog een gedeelte van die oude Alkmaarderstraatweg.

Deze foto uit 1960 toont een niet meer bestaand gedeelte van de Alkmaarderstraatweg.
Deze foto uit 1960 toont een niet meer bestaand gedeelte van de Alkmaarderstraatweg. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De door de westenwind schuin gewaaide bomen maakten het geheel zeer karakteristiek. In de hieronder geplaatste afbeelding van het dorp vindt u de verschillende herkenningspunten als de Oosterbuurt, de Zanderij, Noord-End en Kleibroek terug. Verder de al genoemde Alkmaarderstraatweg, de Eerste en de Tweede Groenelaan, de Kooiweg en de Brakersweg.

De tuinderijen strekten zich in 1911 uit tot dicht bij de Dorpsstraat. Hier een blik vanaf de toren van de Ned. Herv. kerk over hotel 'De Rustende Jager' en doorrijstal richting Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch (collectie Ton de Groot).
De tuinderijen strekten zich in 1911 uit tot dicht bij de Dorpsstraat. Hier een blik vanaf de toren van de Nederlands hervormde kerk over hotel ‘De Rustende Jager’ en doorrijstal richting Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch. Collectie Ton de Groot.

Agrarisch karakter

In dit landelijke dorp Castricum waren de boeren dagelijks met hun vee en weilanden bezig en de tuinders met hun tuinderijen en gewassen. Rekenen wij daarbij ook nog de winkeltjes van de neringdoenden, dan heeft men zo ongeveer een totaal beeld van hoe Castricum er jarenlang heeft uitgezien. Een extra dimensie werd aan het dorp toegevoegd door de bouw van het provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch in 1909.

Melkfabriek De Holland.
Melkfabriek De Holland. Honderd jaar geleden had ieder dorp zo’n melkfabriek. Deze is in 1905 opgericht. Het werd in 1963 gesloten en de productie ging naar Velsen. In het gebouw kwam Technisch Bureau Bedeke en daarna drukkerij Boesenkool en Zoon. In 1988 werd het grotendeels gesloopt en zijn er appartementen voor in de plaats gekomen. Breedeweg 1 in Castricum, rond 1918. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Het agrarisch beeld van het dorp werd ook bepaald door de aanwezigheid van een eigen melkfabriek, ‘De Holland‘, die aan de Breedeweg stond. In het pand is later jarenlang de drukkerij van Boesenkool gevestigd geweest. Op die plek staat nu een appartementencomplex. Als agrarisch dorp had Castricum sinds 1904 een Boerenleenbank, de voorloper van de huidige Rabobank.

Gerardus Beentjes was tuinder en strohandelaar.
Gerardus Beentjes was tuinder en strohandelaar. Met paard en wagen werd het stro toen nog vervoerd. Beverwijkerstraatweg 43 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Forensen

Het karakter van het dorp is – vooral sinds de Tweede Wereldoorlog – sterk veranderd. De eerste veranderingen dienden zich al aan in de jaren (negentien) dertig. Als gevolg van de toen heersende crisis en de financi√ęle problemen van de tuinders kwam er nogal wat grond van tuinders te koop. Op die gronden werden de eerste huizen gebouwd voor degenen, die Castricum als woonplaats uitkozen. De eerste forensen woonden toentertijd nog betrekkelijk dicht bij het station, in de buurt die gevormd wordt door de Geelvinckstraat, Jacob Catsstraat, Brakenburgstraat, Dr. Leenaersstraat en de Pern√©straat.

Pernéstraat 50 in Castricum.
Pern√©straat 50 in Castricum. Bouwjaar 1938. Makelaarsbriefje. Toegevoegd.

Om het beeld van Castricum nog enigszins compleet te maken volgen hierna enige gegevens van de inwoneraantallen:

1 januari 1900: 1.869 inwoners
1 januari 1911: 3.267 inwoners
1 januari 1921: 4.503 inwoners
1 januari 1931: 5.512 inwoners
1 januari 1941: 8.412 inwoners
1 januari 1946: 6.625 inwoners
1 januari 1951: 9.287 inwoners
1 januari 1961: 12.802 inwoners
1 januari 1971: 20.184 inwoners

Zoals uit deze statistiek blijkt, is het inwonertal explosief toegenomen, met uitzondering van de oorlogsjaren toen het door de evacuatie tijdelijk sterk is verminderd. Met de grote groei in de jaren (negentien) zestig is de agrarische betekenis van het dorp sterk teruggelopen.

In 1915 ging het vervoer van de peulvruchten van de Tuinbouwvereniging 'Ons Belang ' per spoor.
In 1915 ging het vervoer van de peulvruchten van de Tuinbouwvereniging ‘Ons Belang’ per spoor.

Oprichting van de Tuinbouwvereniging

Begin deze eeuw werden in ons dorp veel erwten en bonen geteeld. Destijds waren de akkertjes in de duinen ook nog volop in cultuur. De producten werden geteeld voor de conservenfabrieken, zoals die van de ‘Gebroeders Docter’ en de ‘Bever Conserven’, beide in Beverwijk. Enige ondernemende inwoners bemiddelden tussen de


Jaarboek 19, pagina 5

groentetelers en de fabrieken. Via deze handel kwamen Piet Kuijs Pzn. en Toon van Benthem in contact met het veilingwezen. Het was waarschijnlijk Jaap Schuijt, die het initiatief nam om met zijn dorpsgenoten een veiling te starten.
Bij Koninklijk Besluit van 9 juni 1913 werden de statuten van de Castricumse Tuinbouwvereniging ‘Ons Belang’ goedgekeurd. Helaas zijn de toen opgestelde statuten en het huishoudelijk reglement niet meer beschikbaar.

Een advertentie uit 1918.
Een advertentie uit 1918.

Daardoor zijn de namen van de oprichters niet bekend. Men kan gevoeglijk aannemen dat die vereniging als een belangenvereniging is opgericht, onder andere voor de afzet van teeltproducten. Het huishoudelijk reglement zou een bepaling bevat hebben over het verplichte lidmaatschap, of hospitant-lidmaatschap van de leden van ‘Ons Belang’ van de rooms-katholieke Land- en Tuinbouwbond in het Bisdom Haarlem.

De veiling omstreeks 1916 bij de zogeheten veelading ter hoogte van de spoorwegovergang bij de Kramersweg. Hier worden bonen geveild, veelal voor export naar Duitsland. Uiterst links staat Jaap Schuijt, veilingmeester en ook voorzitter van de Tuinbouwvereniging. Daarnaast staat (Grote) Bertus Stuijfbergen, veilder of afslager, dan handelaar Blaauw, tuinder en bestuurslid Huib ten Wolde, handelaar Jan Mul uit Beverwijk ( grootvader van Jan Mul herenkleding). Verder zijn velen onbekend op enkele tuinders na, zoals Jan Res, Jaap Brakenhoff, Willem Schermer,Tinus Res, Willem Rozing, Kees de Wit en Teun Stuifbergen, de vervoerder Willem de Groot, Frans Tromp van de NS, Jan Vervoort, commies en Freek Stuifbergen.

In de beginjaren van de vereniging veilde men bij wat genoemd werd de veelading, een los- en laadplaats bij het station. Gewoon in de open lucht. Voorzitter van de Tuinbouwvereniging was Jaap Schuijt en secretaris Adrianus van Lith. Schuijt trad tevens op als veilingmeester. Huib ten Walde was betaalmeester. Verder zijn de namen bekend van de bestuursleden Tinus Res en Bernardus Wempe.

Hier een foto van de splitsing Dorpsstraat - Burg. Mooijstraat. Links naast het Bondshotel van Broksma vinden we het veilinggebouwtje van 'Ons Belang'.
Hier een foto van de splitsing Dorpsstraat-Burgemeester Mooijstraat. Links naast het Bondshotel van Broksma vinden we het veilinggebouwtje van ‘Ons Belang’.

Het veilinggebouw

Op 9 juni 1917 werd de Tuinbouwvereniging ‘Ons Belang’ eigenaresse van een gebouw met erf, gelegen aan de Dorpsstraat nummer 40 en met een perceelgrootte van 230 centiare. Dit veilinggebouw werd gekocht van caf√©houder Toon van Benthem, de exploitant van het naastgelegen caf√© op de hoek van de Dorpsstraat en de Burgemeester Mooijstraat, toen nog Kramersweg geheten. De koop werd gesloten voor een bedrag van 4.794 gulden. De notari√ęle overdracht vond plaats bij de toen in Uitgeest gevestigde notaris J.E. Heenk. Uit die akte valt af te leiden dat het veilinggebouw als zodanig op particulier initiatief door Van Benthem is gesticht. Ten gevolge van een regeringsmaatregel van 1914 moesten alle groenten en fruit aan de veilingen worden aangevoerd. ‘Ons Belang’ had dus nu ook een eigen onderkomen, dat zelfs – onder nummer veertien – op het telefoonnet aangesloten was.
Een ledenlijst uit 1918 telt 209 namen. Hiervan zijn er 195 afkomstig uit Castricum, 7 uit Limmen, 6 uit Egmond-Binnen en 1 uit Akersloot.

Van vereniging naar coöperatie

Het jaar 1919 was heel belangrijk voor de tuinbouwvereniging. De vereniging werd omgezet in een coöperatie. De oprichtingsakte werd op 30 september 1919 verleden bij de Haarlemse notaris R.Ch.A. van Cranenburgh. De nieuwe vereniging werd vertegenwoordigd door een drietal tuinders, Mathijs Dekker Szn. Willem Schermer en Pieter Groentjes. Zij waren in de oprichtingsvergadering van 11 juni 1919 tot leden van het dagelijks bestuur gekozen. De nieuwe coöperatie werd omschreven als een instelling van de Afdeling Castricum van de LTB, de rooms-katholieke Land- en Tuinbouwbond in het Bisdom Haarlem. Hel doel was om door onderlinge samenwerking en gemeenschappelijk optreden der leden een doelmatige regeling te verkrijgen van de verkoop en de aflevering van in Castricum en omgeving geteelde groenten.

Met de bakfiets op weg naar de veiling Ons Belang.
Petrus Groentjes met aardbeien en bakfiets op weg naar de veiling Ons Belang. Kramersweg 7 in Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Voor de leden van de nieuwe co√∂peratieve tuinbouwvereniging ‘Ons Belang’ gold als eis dat zij lid waren van een der afdelingen van de hiervoor genoemde Land- en Tuinbouwbond. Verder moest


Jaarboek 19, pagina 6

men bekwaam zijn om verbintenissen aan te gaan en tuinder, tuinierster of zogenaamd halfteler zijn. Een halfteler is iemand die naast telen ook ander werk doet. Cornelis Castricum bijvoorbeeld was zowel tuinder als caféhouder. De leden hadden de verplichting alle door hen in de loop van het jaar te telen groenten in goede staat aan de vereniging te leveren.

In de oude veiling.
In de oude veiling. Van links naar rechst vooraan: W. Nanne, E. Beentjes (vader van ‘groentebroers’ ), ? , F. Korsdam, J. Stengs, P. de Vries (groothandelaar uit Heemskerk), P. Steffens, G. de Boer (uit Zaandam), J. van Rijn. Links achter Cor Brakenhoff, ?, J. Rozing; uiterst rechts Piet Veldt.

De vereniging kende naast een dagelijks bestuur van drie leden een Raad van Toezicht van minstens vijf commissarissen en verder de algemene ledenvergadering. Voor de leden van het dagelijks bestuur gold tevens de eis dat zij rooms-katholiek waren.
Voorts speelde in 1919 de verwerving van een stuk grond. dat nodig was door ruimtegebrek op het veilingterrein. Voor 3.000 gulden kocht men een stuk grond dat lag tussen de percelen van Jan Brandjes en Piet Schotvanger. Laatstgenoemde exploiteerde toentertijd het café op de hoek van de Stationsweg en de Burgemeester Mooijstraat, het latere Hotel Ammeraal.

De Dorpsstraat met wachtende karren voor de aardbeienveiling.
De veiling ‘Ons Belang’ had een ingang aan de Burgemeester Mooijstraat en een uitgang aan de Dorpsstraat en had daardoor het karakter van een doorrijveiling. Op alle akkers, of dat nu op de Zanderij, de Oosterbuurt, Noord-End of in de ‘Bossen’ was (ontboste gronden nabij Noorddorp aan de grens met Heemskerk) of in Bakkum-Noord, op grote schaal werden de ‘zomerkoninkjes’ geteeld. Deze aardbeien werden in sloffen geveild. De aardbeien werden meestal met handkarren en bakfietsen naar de veiling gebracht. Vaak werden de aardbeien ter bescherming tegen de zon met een wit laken afgedekt. Het veilen van de aardbeien gebeurde apart naast de andere groenten, meestal rond het middaguur. Dorpsstraat 40 in Castricum, 1918. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De veiling van ‘Ons Belang’ had een ingang aan de Burgemeester Mooijstraat en een uitgang aan de Dorpsstraat en had daardoor het karakter van een doorrijveiling. Men kende in het veilingwezen ook de begrippen neerzetveiling en in waterrijke gebieden de vaarveiling. Van de laatstgenoemde is de vroegere veiling in Broek op Langedijk een goed voorbeeld. Deze ‘Broeker Veiling’ is nu ingericht als een museum.

Veilingklok

Op veilingen van aan bederf onderhevige waar als groenten, fruit, bloemen, vis en eieren is een snelle verkoop gewenst. Zo’n veiling gaat bij afslag. De afslager of de veilingmeester somt in hoog tempo de prijzen in een afdalende reeks op. Bij de mondelinge afslag komt de koop tot stand door het ‘mijn’ roepen van de koper. Dit geschetste beeld kan men nu historie noemen. Ook de veiltechnieken zijn met de ontwikkelingen meegegaan. Het vroegere veilinggebouw van ‘Ons Belang’ aan de Dorpsstraat kende al een elektrisch mijntoestel, ook wel veilingklok genoemd. De kopers konden hun koop bepalen door de draaiende wijzer van de klok te laten stoppen bij de prijs die men wilde bieden. Als er niet geboden werd en de wijzer niet was gestopt, dan sprak men er van dat de groente was doorgedraaid.

Een aantal kopers voor de veilingklok. Niet alle namen zijn bekend: uiterst rechts Klaas Scheerman, bij de 2e bank de kopers Pi Schoon uit Broek op Langedijk en Jan Zonneveld uit Bakkum Noord; bij de 3e bank rechts Bertus Fatels, naar achteren Reijnders en Martin Res, bij de 4e bank links Lou Fatels en helemaal achteraan links Bank Groentjes.
Een aantal kopers voor de veilingklok. Niet alle namen zijn bekend: uiterst rechts Klaas Scheerman, bij de 2e bank de kopers Pi Schoon uit Broek op Langedijk en Jan Zonneveld uit Bakkum Noord; bij de 3e bank rechts Bertus Fatels, naar achteren Reijnders en Martin Res, bij de 4e bank links Lou Fatels en helemaal achteraan links Bank Groentjes.

Zoals eerder vermeld was de veiling aan de Dorpsstraat een doorrijveiling. De meeste producten werden aangevoerd op handkarren en bakfietsen. Dat gaf een levendige drukte in het dorpsverkeer van die jaren. Vlakbij de veiling tussen de oude Overtoom en de Verlegde Overtoom lag het vroegere kermisterrein. Hier werden de op de veiling verkochte producten overgeladen op de wagens van de handelaren.

Toen de drukte aan de veiling groter werd, moesten de karren en de auto's aan de overzijde op het kermisterrein aan de Overtoom worden geparkeerd.
Toen de drukte aan de veiling groter werd, moesten de karren en de auto’s aan de overzijde op het kermisterrein aan de Overtoom worden geparkeerd. Overtoom 40 in Castricum, 1950. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

“Toen het gemotoriseerde vrachtvervoer op gang kwam, bleek het rijden door de veiling niet altijd meer mogelijk. De vrachtauto’s moesten dan het veilinggebouwtje via de Dorpsstraat achteruit inrijden. Dit vergde nogal enige stuurmanskunst”, aldus Niek Limmen. Hij was toentertijd chauffeur bij Gerrit Borst, de strohandelaar van de Bleumerweg. “Ging dat inrijden betrekkelijk vlot dan leverde dat wel eens een applausje op.”
De drukte rond de veiling zou er op den duur ook toe leiden om de veiling van de Dorpsstraat naar elders te verplaatsen.

De vrije veiling voor de doorrijstal naast De Rustende Jager. Op de foto van omstreeks 1930, links Bernard Res, verder o.a. Kees en Cor Sprenkeling.
De vrije veiling voor de doorrijstal naast De Rustende Jager. Op de foto van omstreeks 1930, links Bernard Res, verder onder andere Kees en Cor Sprenkeling.

De vrije veiling

Naast ‘Ons Belang’ bestond er nog een tweede veiling in het dorp, die bekend stond als ‘de vrije veiling’. Het was een export veiling, die opgezet was en beheerd werd door een drietal personen. Het waren gemeente-ontvanger R.A. Res, de tuinder E. Sprenkeling en W. Dekker. Men veilde in de doorrijstal van ‘De Rustende lager‘ aan de Dorpsstraat. Kapper Bertus Stuifbergen was de afslager. ‘Grote Bertus’ deed dat ‘met de mond’. In 1922 werd een poging gedaan om de twee veilingen te doen samengaan. Door ‘de vrije veiling’ werd daartoe een reglement opgesteld, dat op 3 mei in de vergadering van ‘Ons Belang’ werd behandeld. Het was zodanig opgesteld dat het volledig van tafel werd geveegd. Volgens de notulen “werd er hartelijk om gelachen”. In 1933 werd ‘de vrije veiling’ als gevolg van een regeringsmaatregel opgeheven. Om voor een steunuitkering in aanmerking te komen, moesten de tuinders namelijk kiezen uit de export veiling in Beverwijk of Castricum.


Jaarboek 19, pagina 7

Crisisjaren

De economische crisis van de jaren (negentien) dertig ging ook niet aan agrarisch Castricum voorbij. De jaaromzetten op de veiling gingen na 1929 snel bergafwaarts. De omzet van 1933 was nog maar een derde van die van het jaar 1929, waarbij wordt aangetekend dat omzetten niet alleen worden bepaald door de opbrengsten maar ook door de hoeveelheden aanvoer. Aan te nemen is dat de dalende omzetten in de crisisjaren vooral het gevolg waren van lagere prijzen.

Een handkar met aardbeien voor het veilinggebouw aan de Dorpsstraat 40 in Castricum, 1935.
Een handkar met aardbeien voor het veilinggebouw aan de Dorpsstraat 40 in Castricum, 1935. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De met zo veel zorg gekweekte gewassen, werden voor een appel en een ei verkocht, of erger nog doorgedraaid. De armoede onder de tuinders was groot. Velen moesten ondersteuning zoeken bij de gemeentelijke of kerkelijke armenkassen. Het leven voor hen was met name in deze jaren zwaar. Het hele gezin moest van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat in de tuin meewerken. De beloning daarvoor was karig. Als men de notulen van de bestuurs- en ledenvergaderingen uit de jaren (negentien) dertig doorleest, dan proeft men de zorgelijke toestand van die tijd. Als voorbeeld dient het volgende citaat uit de algemene ledenvergadering van 30 januari 1931:

“Hierna werd door Louter (betaalmeester-boekhouder), in plaats van een jaarverslag, een aanmoedigend woord gesproken, dat de leden in dezen tijd van malaise, toch vooral den moed niet moeten verliezen, en toch vooral hun producten aan onze veiling te brengen, en er niet mee naar andere veilingen te gaan.”

Kennelijk om de moed er in te houden stelde Louter in de hieraan voorafgaande bestuursvergadering voor om op de ledenvergadering de aanwezigen bij de pauze een ‘gelagje’ te geven. Daar die vergadering in het caf√© van Langedijk werd gehouden, is de aard van dat gelagje duidelijk.

Het café van Willem Borst.
Het caf√© van Willem Borst. Van Oldenbarneveldweg 25 in Bakkum, 1928. Het caf√©
kreeg een theetuin en heette tijdelijk Bondshotel Berg en Bosch. Vader Willem
 poseert hiervoor met links op de foto zijn kinderen Dirk en Annie. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De algemene ledenvergadering van 7 juni 1933 in het caf√© van Willem Borst in Bakkum wordt door de voorzitter Jan Brandjes ‘met een sober hart’ geopend. De reden hiervan is de treurige toestand in het tuinbouwbedrijf. “Onze afzetgebieden Duitsland en Engeland”, aldus de voorzitter “zijn zo slecht, dat onze vroege groenten, zelfs de kasgroenten, naar de belt worden gebracht en als het weer (nu midzomer) niet beter wordt, komt er van onze oogst ook weinig terecht”.
In de crisisjaren begon men er mee om op de ledenvergaderingen een gratis verloting van tuinbouwgereedschappen te houden om hierdoor de opkomst te vergroten.
Hoewel de crisisperiode na enige jaren wat naar de achtergrond verdween, was het nog niet direct rozengeur en maneschijn, zeker niet in de tuinbouw en zeker ook niet in Castricum.

Gerrit Louter is voor 'Ons Belang' van grote betekenis geweest. Hij stelde het belang van de veiling voorop. Toen de voorzitter hem een salarisverhoging voorstelde, was hij er zeer dankbaar voor, maar wilde het pas accepteren als hij de balans van 1936 gezien had.
Gerrit Louter is voor ‘Ons Belang’ van grote betekenis geweest. Hij stelde het belang van de veiling voorop. Toen de voorzitter hem een salarisverhoging voorstelde, was hij er zeer dankbaar voor, maar wilde het pas accepteren als hij de balans van 1936 gezien had.

Gerrit Louter

Ook al moest de buikriem aangesnoerd worden, de tijd stond niet stil. De besturen van ‘Ons Belang’ en van de Castricummer Polder sloegen de handen ineen om Gerrit Louter de zo nodige schrijfmachine te laten aanschaffen.
Louter was naast betaalmeester-boekhouder voor de veiling ook secretaris van het polderbestuur. Het polderbestuur kocht de machine en het veilingbestuur gaf daarvoor een jaarlijkse subsidie van een tientje. Vanaf 1930 kon Gerrit zijn stukken met de ‘tikmachine’ verwerken. In 1936 moest nog een greep in de portemonnee gedaan worden om het kantoortje in het veilinggebouw van boven af te dichten en in de wintermaanden een ‘peteroliekachel’ te laten branden.

Een blik binnen het veilinggebouw.
Een blik binnen het veilinggebouw.

De veiling kwam voor nog grotere zorgen te staan toen bleek dat de conservenfabriek van de Gebroeders Docter in Beverwijk in financi√ęle problemen verkeerde. Om het faillissement van de fabriek te voorkomen had men de medewerking van de schuldeisers nodig. Het veilingbestuur had een voor die tijd stevige vordering op de fabriek van meer dan 2.300 gulden.
Men accepteerde het aanbod tot afkoop van de vordering tegen betaling van vijftig procent daarvan.

Bij de opening van de bestuursvergadering op 12 juni 1939 ten huize van Louter memoreert voorzitter Brandjes dat de toekomst van de tuinbouw en de veiling er niet rooskleurig uitziet. Dit kwam door de slechte export, in het bijzonder naar Duitsland dat uit angst voor de gevreesde coloradokever de invoer over een groot gebied had stopgezet.
Deze kever is een voor de aardappelplanten zeer schadelijk insect dat zich sinds 1922 in Europa verspreid heeft. Hij richtte in geheel Europa geweldige schade aan door de vernietiging van hele oogsten. De bestrijding is in Nederland bij wet geregeld. Men was er dermate voor beducht dat in de na-oorlogse jaren klassen schoolkinderen werden ingezet om coloradokevers op het strand te vangen.

Ruimtegebrek

De veiling ‘Ons Belang’ had in die jaren een opslagprobleem. Het bij de veiling en tuinders in omloop zijnde fust (verzamelnaam voor kisten, kratten, sloffen, zakken enzovoorts) nam steeds meer in omvang toe. In 1936 moest het fust wegens plaatsgebrek bij de veiling worden opgeslagen in de doorrijstal van hotel De Rustende Jager, even verderop aan de Dorpsstraat.

Lekker een kopje thee of koffie drinken buiten bij de Rustende Jager, rechts de doorrijstal.
Lekker een kopje thee of koffie drinken buiten bij de Rustende Jager, rechts de doorrijstal. Dorpsstraat 62 in Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

In 1939 overwoog het bestuur een verplaatsbaar kistenpakhuis te bouwen op de tuin van de weduwe Ten Wolde. Zij woonde toen aan de Burgemeester Mooijstraat op de plek waar later een supermarkt is gebouwd.
De benodigde grond kon daarvoor in huur worden verkregen. Het gemeentebestuur wilde hieraan echter geen medewerking verlenen, waarop men besloot de kisten dan zomaar bij mevrouw Ten Wolde op het erf te zetten en in de winter af te dekken. Op 21 februari 1940 besloot de algemene ledenvergadering het dagelijks bestuur te machtigen om voor een bedrag van 9.600 gulden het woonhuis met bollenschuur aan de Dorpsstraat 60 van Bernardus Res aan te kopen. Dit was hoofdzakelijk om een bergplaats voor het fust te hebben. Het woonhuis zou worden verhuurd, terwijl de veilingvereniging – zo nodig – de beschikking kreeg over het kantoorgedeelte.


Jaarboek 19, pagina 8

Ook werd veel groenten in de duinen geteeld. Hier tussen de bomen bij het commissarishuis aan de Zeeweg. V.l.n.r. Klaas Zonneveld, juffrouw Blauw, Jan en Gert Zonneveld.
Ook werd veel groenten in de duinen geteeld. Hier tussen de bomen bij het commissarishuis aan de Zeeweg. Van links naar rechts Klaas Zonneveld, juffrouw Blauw, Jan en Gert Zonneveld.

Wat werd er zoal geveild?

Om een indruk te geven van wat er zoal werd geveild, zijn aan een krantenbericht over de omzetcijfers van 1939 de volgende gegevens ontleend:

Veiling omzetcijfers 1939.
Veiling omzetcijfers 1939.

Daarnaast nog kleine hoeveelheden was- en bospeen, knolselderie, postelein, spekbonen en prei.
Uit een overzicht over het jaar 1951 blijkt dat de omzet dan ten opzichte van het jaar 1939 verviervoudigd is tot ruim 508.828 gulden.

De oorlogsjaren

Opnieuw braken zorgelijke tijden aan door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Vereniging en veiling bleven bestaan. Ook het bestuurlijke werk werd voortgezet. Kennelijk kreeg het bestuur van de bezettende macht toestemming om zowel bestuurs- als ledenvergaderingen te beleggen. In de notulen daarvan uit die tijd vindt men geen enkele kritische opmerking in de richting van de bezetter. Merkwaardigerwijs moest men de leden regelmatig aansporen om het geld op te halen, dat voor de verkochte waar was gevangen. De uitbetaling vond in de regel in een der plaatselijke cafés op zaterdagavond plaats. Ter wille van een eerlijk verdeelde klandizie onder de kasteleins bestond er een rouleer systeem.

In 1941 kwam aan dit gezellige systeem een einde, toen besloten werd om de uitbetalingen in het veilingkantoor aan de Dorpsstraat 60 te doen. Kwam het daardoor, dat men zijn geld niet kwam ophalen? In 1943 maande men de leden nog eens om het tijdig te doen, “want als het thuis bezorgd moet worden, wordt er een kwartje afgetrokken”. In 1945 is de voorzitter het zat en dreigde het geld, als het binnen vier weken niet afgehaald werd, verbeurd te verklaren.

Ruilhandel

Het jaar 1942 is voor de veiling niet voordelig geweest, omdat er veel producten buiten de veiling om verkocht zijn, aldus de voorzitter in de ledenvergadering van 7 april 1943. Was hier sprake van een stille vorm van verzet om geen producten in het openbaar te leveren, of kon men onderhands ook een goede prijs maken of speelde wellicht de ruilhandel een rol?
Overigens werd er in de oorlogsjaren niet geveild maar verdeeld, wat betekende dat kooplui die voor de oorlog veel bij ‘Ons Belang’ gekocht hadden, een hogere toewijzing kregen dan degenen die destijds maar weinig kochten.

In een bestuursvergadering in 1944 memoreert de voorzitter dat door de tijdsomstandigheden de aanvoer op de veiling er niet op vooruit gaat. Hij spoort de aanwezigen evenwel aan maar niet bij de pakken neer te gaan zit ten en de moed er maar in te houden totdat er weer betere tijden aanbreken. Op 5 april 1944 zegt hij in zijn openingswoord tot de leden dat de tuinbouw een moeilijke tijd doormaakt, onder andere door gebrek aan meststoffen en arbeidskrachten. In de bestuursvergadering van 13 april 1945 stelt hij voor om in dat jaar vanwege de oorlogsomstandigheden geen ledenvergadering te houden.

In de tuin ten oosten van de Beverwijkerstraatweg in Castricum. Van links naar rechts Han, Rinus, Willem en Piet Brakenhoff.
In de tuin ten oosten van de Beverwijkerstraatweg in Castricum. Van links naar rechts Han, Rinus, Willem en Piet Brakenhoff. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In die jaren wijzigde zich bij de veiling toch zo het een en ander. Zo werd in februari 1941 besloten om het kantoorgedeelte van het woonhuis Dorpsstraat 60 voor de veiling in gebruik te nemen. Gerrit Louter kreeg per 1 april 1941 ontslag als betaalmeester-boekhouder, een functie die hij achttien jaar lang en tot op de hoge leeftijd van 75 jaar heeft uitgeoefend. Zijn opvolger werd Jaap Schut, de kassier van de Boerenleenbank.
Per l januari 1943 nam Willem ten Wolde ontslag als magazijn-emballagemeester. Hij is elf jaar in die functie werkzaam geweest. Zijn opvolger werd Willem Brakenhoff.

Het oude veilinggebouwtje in 1945. De vrachtwagen van Gerrit Borst is versierd voor de bevrijdingsfeesten.
Het oude veilinggebouwtje in 1945. De vrachtwagen van Gerrit Borst is versierd voor de bevrijdingsfeesten.

In het laatste jaar van de oorlog haalde de veiling weer een beduidend hogere omzet. In het voorjaar van 1946 heeft de tuinbouwvereniging de laatste schulden afgelost. Het veilen kwam geleidelijk weer op gang, in plaats van het verdelen zoals in de oorlogsjaren.
Na de oorlog was er weer tijd om een feestje te vieren. Op een zondag in januari 1947 werden de leden en hun gezin onthaald op


Jaarboek 19, pagina 9

een feest in hotel ‘De Ooievaar’ in Uitgeest.

Straatgezicht met kinderen op weg naar de veiling in verband met Koninginnedag.
Straatgezicht met kinderen op weg naar de veiling in verband met Koninginnedag, de juffrouw is Joke de Groot. In de veiling was poppenkast of toneel. De kinderen zaten op steigerplanken die op veilingkisten lagen. Burgemeester Mooijstraat in Castricum, 1962. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De krant vermeldt op 17 januari: ‘s middags werden de kinderen van de leden en verbruikers getrakteerd op een poppenkastvoorstelling, terwijl verschillende versnaperingen werden uitgedeeld. Des avonds kon men genieten van het Cabaretrevue-gezelschap ‘De Zevenklapper’ met de revue ‘Wij klappen’.

Een nieuw pakhuis

In oktober 1946 kreeg het bestuur van de leden toestemming voor het plan om een nieuw fust pakhuis te bouwen voor bijna 10.000 gulden. Het werd gebouwd op het erf van de veilingwoning aan de Dorpsstraat 60.

Op de Dorpsstraat nr. 60 was tot 1952 het kantoor van de veiling gevestigd. Het was tegelijkertijd het kantoor van de Boerenleenbank. Voor het gebouw staan Jaap Schut en echtgenote. Rechts ziet U nog iets van De Rustende Jager.
Op de Dorpsstraat nummer 60 was tot 1952 het kantoor van de veiling gevestigd. Het was tegelijkertijd het kantoor van de Boerenleenbank. Voor het gebouw staan Jaap Schut en echtgenote. Rechts ziet U nog iets van De Rustende Jager.

In 1950, kort na de bouw, bleek dat het al weer te klein en was men genoodzaakt om het fust weer buiten te zetten. Er werd in het bestuur heel wat over dit probleem gepraat. Men sprak ook over een nieuw veilinggebouw. Dan zou aanbouw aan het bestaande pakhuis nutteloos zijn. Men besloot dit probleem op 2 mei 1950 aan de leden voor te leggen. Die spraken zich uit voor het huren van √©√©n, zo nodig twee schuren. In de rondvraag van die vergadering besprak het lid Jan Dijkman, hij was ook bestuurslid van de LTB, de toestand in de tuinderij. Die werd volgens hem “in de hoek gedrukt. De Zanderij, aldus Dijkman, wordt villapark, het beste land wordt ons ontnomen voor de huizenbouw, waar belandt de tuinderij in Castricum? Wij mogen dit wel goed overwegen aangaande een nieuw veilinggebouw”, aldus de letterlijke tekst van de notulen.
De geschiedenis zou Dijkman, inzake de toekomst van de veiling, gelijk geven. De Zanderij is gelukkig als tuinbouwgebied behouden gebleven (red: anno 1996).

25 jarig bestaan van de veiling Ons Belang.
25 jarig bestaan van de veiling Ons Belang. Kramersweg 7 in Castricum, 1952. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Nieuwbouwplannen

Op 26 juni 1951 richtte het bestuur van de veiling zich met een brief tot de gemeenteraad met een uiteenzetting over de nieuwbouwplannen. De totaal onmogelijke situatie waarvoor het bestuur zich bij de uitoefening van het veilingbedrijf in het bestaande gebouw aan de Dorpsstraat geplaatst zag, werd in de brief uiteengezet. Men bracht ook naar voren dat het houden van veilingen in de Dorpsstraat door de verkeersdrukte ter plekke zo langzamerhand onmogelijk ging worden. Verder speelde ook mee dat het kermisterrein als parkeer- en laadterrein voor de handelaren van de veiling niet meer beschikbaar was. Bij het uitwerken van de nieuwbouwplannen zag het bestuur zich genoodzaakt de investering te beperken tot 100.000 gulden. Daarvan was 10.000 voor de grond en 90.000 gulden voor de bouwkosten. Bij deze bedragen zou een verantwoorde exploitatie mogelijk zijn. Daarvoor zou de omzet per jaar “om het half miljoen moeten gaan”, aldus veilingdirecteur Jaap Schut.

Zicht op de Kramersweg vanaf de Papenberg. Linksboven het veilinggebouw, rond 1950.
Zicht op de Kramersweg vanaf de Papenberg. Linksboven het veilinggebouw, rond 1950. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De plannen voor de nieuwbouw waren gericht op een terrein van ongeveer een hectare, dat gelegen was over het spoor aan de Kramersweg. Het veilingbestuur bleek al gauw genoodzaakt de plannen in financieel opzicht bij te stellen. In verband met snel stijgende prijzen van bouwmaterialen hield men rekening met hogere bouwkosten. Ondanks de lage grondprijs van 1,80 gulden per vierkante meter bleek de raming lang niet voldoende, er was 8.000 gulden meer nodig. Dit was voor het bestuur aanleiding de gemeente voor te stellen een ruil aan te gaan, in die zin dat het oude veilinggebouw aan de Dorpsstraat met ondergrond en erf zou worden omgeruild tegen het terrein aan de Kramersweg. Daarbij stond voor ogen een soortgelijke transactie als in de gemeente Purmerend met de groenteveiling Beemster, Purmerend en Omstreken. Als alternatief voor de voorgestelde ruil vroeg men aan de gemeente een financi√ęle bijdrage voor het waardeverschil tussen het bouwterrein aan de Kramersweg en het veilinggebouw aan de Dorpsstraat.

Luchtfoto Groenteveiling en Mient.
Luchtfoto Groenteveiling en Mient, 1970. De Zanderij op de voorgrond met de tankmuur. Dan de veiling en de spoorlijn Den Helder -Amsterdam. Woningen aan de Mient en daarachter centrum Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Argumenten

Om de medewerking van het gemeentebestuur te verkrijgen hanteerde het veilingbestuur de volgende argumenten:

  • Het is een gemeentebelang dat het veilingbedrijf zo spoedig mogelijk wordt overgeplaatst met het oog op de onhoudbare toestand welke zich op veilingdagen in de drukke Dorpsstraat voordoet.
  • Het in de gemeente Castricum gevestigd blijven van de veiling, ter wille enerzijds van de tuinders uit Castricum die op de plaatselijke veiling zijn aangewezen vanwege de korte en daardoor goedkopere aanvoerlijnen en anderzijds ter wille van de bevolking van de gemeente Castricum die door de plaatselijke veiling kan profiteren van groenten in de meest verse toestand en tegen de voordeligste prijs.
  • Het blijvend behoud van een levend veilingbedrijf in de gemeente.
  • De veiling ‘Ons Belang’ heeft reeds veertig jaren haar bedrijf uitgeoefend en is nog steeds groeiende.

Jaarboek 19, pagina 10

Het is interessant hoe het gemeentebestuur de voorstellen van het veilingbestuur heeft beoordeeld. In het voorstel aan de gemeenteraad schrijven burgemeester en wethouders dat zij zich in de eerste plaats afvragen of de veiling in de toekomst wel voldoende levenskracht zal tonen. In deze kwestie heeft men zich laten adviseren door een aantal deskundige instanties zoals de Provinciale Commissie van de Veilingen in Noord-Holland, het Centraal Bureau van de Tuinbouwveilingen in Nederland, de rijkstuinbouw consulent en de hoofdcontroleur van het Centraal Uitvoer Bureau. Zij komen allen met een positief advies. De laatstgenoemde hoofdcontroleur schreef dat de veiling in haar veertigjarig bestaan heeft bewezen over bestaansrecht te beschikken. De veiling zou voorts niet alleen voor de binnenlandse consumptie een goede naam hebben, maar ook voor de buitenlandse handel van belang zijn, speciaal voor producten als schorseneren en breekpeen. De drie eerstgenoemde instanties schreven overtuigd te zijn van de verdere bestaansmogelijkheid van de Castricumse veiling.
Het is interessant dat het bestaansrecht van de veiling voldoende aandacht heeft gekregen, temeer daar de praktijk heel anders heeft uitgewezen.

Het voormalige veilinggebouw aan de Dorpsstraat.
Het voormalige veilinggebouw aan de Dorpsstraat 40 in Castricum, 1960. Hier in gebruik als magazijn voor het Rode Kruis en de BB. Het pand ernaast op nummer 40a toont op de deur de letters NP (Niet Parkeren) en was waarschijnlijk in gebruik als garage. Hoewel van binnen een geheel, blijkt het pand Dorpsstraat 40, waarin het Italiaanse restaurant ‘La Trattoria’ is gevestigd, bij nadere beschouwing twee panden te omvatten, het grootste links en direct er tegenaan een kleiner pand, dat wel als 40a werd aangeduid. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Akkoord

Met de door het bestuur voorgestelde ruil van het veilinggebouw aan de Dorpsstraat tegen de grond aan de Kramersweg, gaan Burgemeester en wethouders (B&W) akkoord.
Daarbij gaan zij uit van een schatting van 6.000 gulden voor het oude veilinggebouw met de ondergrond. Gelet op de prijs voor de grond aan de Kramersweg van 18.000 zou de gemeente op die ruil 12.000 gulden moeten toeleggen. Burgemeester en wethouders zien in hun voorstel alle reden om dit financi√ęle offer te brengen. Zij achten de veiling van zoveel belang voor de gemeente dat het offer verantwoord zou zijn. “Voor het oude gebouw”, zo schrijven burgemeester en wethouders, “hebben wij nog geen bestemming, het ligt echter zo mooi in het centrum van de gemeente, met uitgangen aan twee wegen, dat wij er niet aan twijfelen of het zal in de toekomst een verantwoorde belegging van de geschatte waarde blijken” (dat was goed gezien, het bracht bij de verkoop in 1980 50.000 gulden op).

Het gebouw heeft jarenlang dienst gedaan als Rode Kruisgebouw en is ook nog in gebruik geweest als opslagplaats voor de materialen van de vroegere B.B. (Bescherming Bevolking). In het gebouw is nu (anno 1996) het Italiaanse restaurant ‘La Trattoria’ gevestigd. De gemeenteraad neemt het voorstel op 26 oktober 1951 over. Niet echter het toezichthoudende orgaan, het College van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland.
Het probleem voor dat college was het financi√ęle offer van 12.000 gulden dat de gemeente wilde brengen. Hiervoor werd al na enige maanden een oplossing gevonden. Het bedrag werd omgezet in een schuld, die ‘Ons Belang’ – afhankelijk van de jaarlijkse exploitatiecijfers van de veiling – zou terugbetalen. Er is nooit sprake geweest van afdrachten, het exploitatieresultaat was hiervoor niet toereikend. Het bedrag is merkwaardigerwijs nooit op de balans als schuld aan de gemeente opgenomen. Bij de uiteindelijke liquidatie van de veiling in 1971-1972 is het bedrag toch in zijn geheel aan de gemeente betaald.

Het nieuwe veilingcomplex bij de opening in 1952.
Het nieuwe veilingcomplex bij de opening in 1952.

Voorspoedige bouw

Het nieuwe veilingcomplex zou bestaan uit een klok- of doorrijveiling, neerzetveiling, koffielokaal, kantoor en emballageruimte. Het werd gebouwd door het Castricumse bouwbedrijf de firma A. Castricum voor ruim 100.000 gulden.
Het plan voor het veilinggebouw voorzag in een dubbele overkapping, met een breedte van 32 en diepte van 36 meter. In de overkappingen zouden lichtkappen worden gemaakt zodanig dat het licht alleen van de noordkant naar binnen kon komen. Doel hiervan was een beperking van de warmte in de zomermaanden. De bouw zou worden gefinancierd met een hypothecaire lening en de opbrengst van een obligatielening. De bouw is voorspoedig verlopen. Bij de aanvang van de bouw sprak men al de verwachting uit dat de aardbeiencampagne van 1952 in de nieuwe veiling zou kunnen plaatsvinden.
Bij de bouw van het nieuwe veilingcomplex besloot men om het woonhuis aan de Dorpsstraat 60 te verkopen. Hierin waren de kantoren van de veiling gevestigd. Het pand ging voor 21.000 gulden over in eigendom naar de Coöperatieve Boerenleenbank. De bij die woning staande emballageloods bleef buiten de overdracht. Het was de bedoeling geweest om de grote kistenloods aan de Dorpsstraat te verkopen.


Jaarboek 19, pagina 11

Al gauw na de ingebruikname van de nieuwe veiling bleek men die – door de steeds groter wordende voorraad fust – niet te kunnen missen. De loods werd verplaatst naar het terrein van de nieuwe veiling.

Burgemeester Smeets bij zijn openingsrede. Op de achtergrond een gedeelte van de landbouwtentoonstelling.
Burgemeester Smeets bij zijn openingsrede. Op de achtergrond een gedeelte van de landbouwtentoonstelling.

Opening

De offici√ęle opening van de nieuwe veiling vond plaats op 1 augustus 1952. Ter gelegenheid van die opening werd van 14 tot en met 17 augustus een grote landbouwtentoonstelling gehouden. Voor de feestelijkheden was een speciaal comit√© opgericht onder leiding van Dokter H. Wieringa. Dit comit√© maakte ook deel uit van de toen nog bestaande Verenigingsraad Castricum. Deze raad stelde zich onder andere het stimuleren van tentoonstellingen ten doel.

Hotel Restaurant "De Harmonie" van Ammeraal.
Hotel Restaurant “De Harmonie” van Ammeraal. Burgemeester Mooijstraat 39 rond 1965. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Voor de offici√ęle opening werden de genodigden ontvangen in het toenmalig hotel Ammeraal op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat en de Stationsweg (hierin is thans – in 1996 – het Chinees-Indisch Restaurant Wong’s Palace gevestigd). In Hotel Ammeraal werden de genodigden door dokter Wieringa verwelkomd. Hij richtte woorden van waardering tot het gemeentebestuur voor de voortreffelijke samenwerking met het bestuur van ‘Ons Belang’ met als uitvloeisel dat Castricum deze dag in het bezit komt van een prima geoutilleerd veilinggebouw. De voorzitter van ‘Ons Belang’, Jan Brandjes, verheugde zich in het bijzonder over de aanwezigheid van de 86-jarige Gerrit Louter, de oud-administrateur van de veiling.
Nadat het gezelschap zich in de nieuwe doorrijveiling had verzameld, werd de offici√ęle opening verricht door de heer M. Prins uit Naaldwijk, voorzitter van het Centraal Bureau van de Tuinbouwveilingen in Nederland. Deze sprak zijn bewondering uit over de totstandkoming van het veilingcomplex en over de ondernemingslust en de saamhorigheid van het veilingbestuur. Factoren welke ook als een waarborg mogen gelden voor een goed bestuursbeleid in de toekomst.

Het bestuur en de raad van toezicht van de veiling. V.l.n.r.: zittend: mevr. Schut, Jaap Schut, Jan Brandjes, Hendrik Wulp en Dirk Schermer; staand: Piet van de Berg, Piet Borst, Willem Res, Jan Groentjes en Henk Brakenhoff.
Het bestuur en de raad van toezicht van de veiling. Van links naar rechts zittend: mevrouw Schut, Jaap Schut, Jan Brandjes, Hendrik Wulp en Dirk Schermer; staand: Piet van de Berg, Piet Borst, Willem Res, Jan Groentjes en Henk Brakenhoff.

De landbouwtentoonstelling kreeg in de pers de volgende beschrijving Door de grote oppervlakte waarin de vele prachtige inzendingen volledig tot hun recht komen, door de smaakvolle arrangementen bindwerk en door een verzorging tot in de puntjes, kan de in de grote veilinghal ingerichte tentoonstelling tot de beste in den lande worden gerekend.
Burgemeester E.F. Smeets verrichtte de opening van de tentoonstelling en “uitte zijn bewondering voor hetgeen hier tot stand was gekomen als resultaat van een hechte samenwerking”.
Tevens stipte burgemeester Smeets aan dat de gebouwen zich ook voor andere doeleinden best zouden kunnen lenen, zoals het houden van grote bijeenkomsten. Dat kwam uit, want in het gebouw werden ook concerten gegeven. Uit een persbericht van 13 juni 1955 blijkt dat er een concert is gegeven door het Noordhollands Philharmonisch orkest. De verslaggever vond het wel goed klinken: “Waarschijnlijk ook door het decor van kisten en sloffen, al moest de dirigent wel degelijk rekening houden met de enigszins vreemde akoestiek.”
Op de avond van de opening vond in hotel Ammeraal een feestvergadering plaats. Deze werd door ongeveer driehonderd tuinders uit Castricum en omgeving bezocht. De voorzitter herhaalde bij die gelegenheid zijn dankwoorden en sprak de wens uit dat de tuinders de belangen van hun veiling steeds zouden voorstaan. Na afloop van de feestvergadering bezochten de tuinders de veilinggebouwen en de tentoonstelling.

Voorzitter van de vereniging en de directeur van de veiling met de medewerkers. V.l.n.r. : zittend: Trees Twisk - Veldt, Jaap Schut en Jan Brandjes; staand: Henk Wulp, Siem Druijven, Frans Schut (zoon van Jaap Schut), Frans Schut (broer van Jaap Schut) en Willem Brakenhoff.
Voorzitter van de vereniging en de directeur van de veiling met de medewerkers. Van links naar rechts zittend: Trees Twisk-Veldt, Jaap Schut en Jan Brandjes; staand: Henk Wulp, Siem Druijven, Frans Schut (zoon van Jaap Schut), Frans Schut (broer van Jaap Schut) en Willem Brakenhoff.

Aardbeiendorp

Alhoewel in Castricum veel soorten tuinbouwproducten werden geteeld, nam de jaarlijkse aardbeiencampagne daarbij toch een geheel eigen plaats in. In financieel opzicht waren de aardbeien heel belangrijk.

De aanvoer van aardbeien bestemd voor de veiling.
De aanvoer van aardbeien bestemd voor de veiling. De gemotoriseerde wagen, ‘torretje’ gennoemd, wordt bediend door de gebroeders Jos (links) en Bert Zonneveld. Op de achtergrond de spoorbaan en huizen aan de Mient. Kramersweg 7 in Castricum rond 1965. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op alle akkers, of dat nu op de Zanderij, de Oosterbuurt, Noord-End of in de ‘Bossen’ was (ontboste gronden nabij Noorddorp aan de grens met Heemskerk) of in Bakkum Noord, op grote schaal werden deze ‘zomerkoninkjes’ geteeld. De aardbeien werden in sloffen geveild. De aardbeien werden meestal met handkarren en bakfietsen naar de veiling gebracht. Vaak werden de aardbeien ter


Jaarboek 19, pagina 12

bescherming tegen de zon met een wit laken afgedekt. Het veilen van de aardbeien gebeurde apart naast de andere groenten, meestal rond het middaguur. De tuinders waren dan in de gelegenheid om ‘s morgens – vaak al voor dag en dauw – de aardbeien te plukken. In vergaderingen wordt er regelmatig op aangedrongen om toch vooral goede producten te leveren. In dit verband was er een uitdrukking ‘lopen met de bak’. Dit was een maatregel om de kwaliteit van de gehele slof te controleren. Daarbij moest men de slof aardbeien in een bak omkeren. De kooplieden konden zich er op die manier van overtuigen, dat ook de onderste aardbeien van een goede kwaliteit waren. Aardbeien moesten ook vooral schoon, dus vrij van zand zijn.

Aanvoer van kisten met aardbeien voor de veiling.
Aanvoer van kisten met aardbeien voor de veiling. Links op de foto is Piet van der Hulst, boer aan de Doodweg. Kramersweg 7 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De aardbeien werden geveild voor zowel de binnenlandse markt als de export naar vooral Engeland en Duitsland. Zo werd op 1 juli 1925 het feit herdacht dat 25 jaar geleden de eerste spoorwagon met aardbeien naar Berlijn vertrok. In vergaderingen kwam de concurrentie met Russische en Bulgaarse aardbeien ter sprake. Op de binnenlandse markt gingen de aardbeien ook naar de conservenindustrie, zoals de Gebroeders Docter in Beverwijk, Maatschappij De Betuwe in Tiel (u weet wel van Flipje) en Hero Conserven in Breda.
De aardbeiencampagne duurde elk jaar enige maanden. Men kende ook nog het onderscheid in vroege en late aardbeien. Om een indruk te geven van het belang van de aardbeiencampagne, volgt hiernaast een overzicht van jaaromzetten van de veiling en daarin het aandeel van de aardbeien.

Jaaromzetten van de veiling met het aandeel van de aardbeien.
Jaaromzetten van de veiling met het aandeel van de aardbeien.

Het is wellicht aardig om dit stukje over Castricum als aardbeiendorp af te sluiten met een beschrijving over de aardbeientijd van wijlen de heer Q. de Ruijter W. Jzn. in diens boek ‘Schippers van ‘t Stet, vertellingen en herinneringen uit Castricum en Bakkum’:

Dirk Stuifbergen in 1967 mei zijn aardbeien voor de nieuwe veiling. Links de keurmeester.
Dirk Stuifbergen in 1967 mei zijn aardbeien voor de nieuwe veiling. Links de keurmeester.

Aardbeientijd

Als je ‘s zomers in de aardbeientijd om twaalf uur uit school kwam dan was het in de Kramersweg en op de Dorpsstraat vreselijk druk. Heel veel wagens en handkarren stonden in lange rijen te wachten op hun beurt bij de veiling. Onder de witte lakens die tegen de zon over de sloffen waren gelegd, geurden de heerlijkste aardbeien, meestal Amazones en’ Molleroezen’ ( Moulin Rouge).
De meisjes zeurden aan de tuinders om een paar van die lekkere rijpe aardbeien en de jongens loerden altijd op een gunstig moment om een handvol onder de lakens vandaan te pikken. Dat moment was dan als de tuinders druk met elkaar stonden te praten over het weer of de prijzen. Maar o wee als ze het zagen, dan waren de jongens nog niet gelukkig.

Uiteindelijk is besloten de veiling Ons Belang op te heffen per 1 juni 1970.
Uiteindelijk is besloten de veiling Ons Belang op te heffen per 1 juni 1970. Het veilinggebouw met terrein is op 12 november 1970 voor 350.000 gulden verkocht aan Dijkman Kaas te Castricum. Later heeft Dijkman Kaas het gebouw verkocht aan Kaptein Kaas, die het gebouw verbouwde voor een kaaspakhuis. Sinds 2016 staat het gebouw leeg. Foto G. Van Geenhuizen. Toegevoegd.

De neergang

In krantenberichten van 1953 komt men de twee volgende koppen tegen: “Nieuwe veiling in Castricum bevalt uitstekend” en “Ook in Castricum mort de tuindersbevolking”. Het eerste bericht luidt verder: “Door de uitstekende accommodatie en de ruimere neerzet veiling nam de omzet dit jaar (1952) vooral van de winterproducten sterk toe en hebben de tuinders uit Castricum en omgeving getoond alle waardering te hebben voor de moderne wijze waarop de veiling thans is gehuisvest. Hetzelfde kan gezegd worden van de kopers.”

De kop van een bericht in het Dagblad Kennemerland van 17 april 1953.
De kop van een bericht in het Dagblad Kennemerland van 17 april 1953. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het tweede bericht spreekt over het feit dat een groot gedeelte van de Castricumse inwoners en vooral het agrarisch gedeelte, niet gerust is over de gang van zaken in hun gemeente. Op politieke vergaderingen en bijeenkomsten van vakorganisaties kwam dit reeds meerdere malen tot uiting. Voornaamste grief was de gemeentelijke uitbreidingsplannen in gebieden waar veel tuinderijen lagen. In 1953 was er nog sprake van 1.200 hectare cultuurgrond, waarvan bouwland 110 hectare, grasland 910 hectare en tuinderij 180 hectare. Van de tuingronden werden er 25 hectare met aardbeien beteeld, 80 hectare met bloembollen en de resterende 75 hectare met diverse andere producten. In de jaren (negentien) zestig besloten veel tuinders – al of niet gedwongen – om er mee te stoppen. Velen gingen bij de Hoogovens werken. Zij kregen zo een geregeld en minder zwaar leven en waren verzekerd van een regelmatig – en vaak hoger – inkomen. Desondanks hebben velen met pijn in het hart afscheid genomen van hun tuinderijen.
De agrarische betekenis van Castricum is sindsdien drastisch verminderd. Met alle gevolgen van dien.

Hotel Borst in de bocht van de van Oldenbarneveldweg hoek Van der Mijleweg.
Hotel Borst in de bocht van de van Oldenbarneveldweg hoek Van der Mijleweg. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Opheffing

En zo is er dan de uitnodiging aan de leden van ‘Ons Belang’ voor een buitengewone ledenvergadering op woensdag 14 juni 1967 in de zaal van hotel Borst in Bakkum. Belangrijkste punt op de agenda is het voorstel van het bestuur de vereniging te ontbinden. In zijn openingswoord wijst de voorzitter Jan Groentjes erop dat er niet meer gesproken kan worden van een goed functionerende groenteveiling. Door inkrimping van de tuinbouwgronden, welke ten offer zijn gevallen aan de woningbouw, is de aanvoer aan de veiling sterk teruggelopen.
Blijkens de notulen telde ‘Ons Belang’ toen nog 56 leden.


Jaarboek 19, pagina 13

Hiervan waren er 41 op de vergadering aanwezig, dus een ruime twee derde meerderheid. Het verslag van de vergadering is vrij zakelijk. Het bestuursvoorstel roept niet eens zoveel weerstand op. Net alsof men geen andere uitweg ziet. Wel wordt aan het adres van het bestuur nog de opmerking gemaakt dat er de laatste jaren niet meer vergaderd is en dat het bestuur onrechtmatig achter de tafel is blijven zitten. Het bestuur vindt van zichzelf dat het ook wel een standje heeft verdiend. De leden hebben evenwel ook geen gebruik gemaakt van hun recht om een algemene ledenvergadering bijeen te laten roepen, er is ook niet om gevraagd.

Veilingdirecteur Jaap Schut schetste de gang van zaken zo: “Door de regelmatige doorgaande onttrekking van de tuinbouwgronden ten behoeve van de woningbouw is de aanvoer van producten, in het bijzonder de groenten, zodanig teruggelopen dat moeilijk meer van een groenteveiling gesproken kan worden. Door de steeds minder wordende aanvoer bleven ook de kopers weg. Dit had tot gevolg dat de tuinders hun groenten elders gingen veilen, vooral het afgelopen jaar was dit best merkbaar. Slechts enkele trouwe tuinders veilden het afgelopen jaar hun spruiten nog in Castricum, maar bij handhaving van de veiling zouden er in het komende seizoen wel helemaal geen spruiten meer geveild worden om de eenvoudige reden, dat ook deze tuinders hun spruiten elders zouden gaan veilen.”

Kinderen tussen de aardbeienmanden (sloffen).
Kinderen tussen de aardbeienmanden (sloffen). Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De veiling handhaven alleen voor het veilen van aardbeien zou ook niet houdbaar zijn. “De overgebleven tuinders”, aldus de heer Schut, “zullen de consequenties moeten aanvaarden dat te veel tuinbouwgronden zijn onttrokken, hetgeen tot gevolg heeft dat tot ontbinding van de vereniging zal moeten worden overgegaan”. Het bestuursvoorstel werd uiteindelijk aangenomen met vierendertig stemmen voor en zeven tegen. En zo viel na afloop van de aardbeiencampagne op zaterdag 23 september 1967 het doek voor de veiling van ‘Ons Belang’.

In de opheffingsvergadering werd een commissie gevormd onder leiding van voorzitter Jan Groentjes om de verkoop van de bezittingen te regelen. Er werd een pensioenvoorziening getroffen voor directeur Jaap Schut en voor de emballagemeester Willem


Jaarboek 19, pagina 14

Brakenhoff. Ook werd besloten om het kennelijk te verwachten batig liquidatiesaldo onder de leden te verdelen.

Nietigverklaring van het opheffingsbesluit

Het zou echter nog bijna vijf jaar duren voordat er sprake was van het definitieve einde van de tuinbouwvereniging ‘Ons Belang’.
Eén van de zeven tegenstanders van de opheffing was Arie Zonneveld, zelf tuinder aan de Heereweg in Bakkum Noord. Hij bestreed ook de rechtsgeldigheid van het opheffingsbesluit. In deze opvattingen stond Zonneveld niet alleen. Toen pogingen bij het veilingbestuur om een nieuwe algemene ledenvergadering uit te schrijven geen succes hadden, besloten Zonneveld en een aantal medestanders de zaak bij de rechter aanhangig te maken.

Arie Zonneveld.
Arie Zonneveld heeft zijn hele leven tot zijn overlijden in 1978 gewoond in het Lange Pannenhuis aan de Brakersweg in de woning het dichtst bij de Schulpvaart. Het interieur is in zijn tijd niet veranderd: het houtwerk was in de originele ‘appelbloesem’ kleur geschilderd. Links op de foto de bedstee in de huiskamer, die hier niet meer als zodanig in gebruik is. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Maar van de Alkmaarse Rechtbank kreeg men in het voorjaar van 1968 de kous op de kop. Voor de groep Zonneveld was dit aanleiding hoger beroep aan te tekenen bij het gerechtshof in Amsterdam. Dit hof deed uitspraak op 29 januari 1970. Op juridische gronden werden de eerdere besluiten van ‘Ons Belang’ over de ontbinding van de tuinbouwvereniging nietig verklaard. De vereniging zou namelijk juridisch niet meer bestaan en dus ook geen besluiten meer kunnen nemen. Men had eind 1948 verzuimd om tijdig verlenging van de geldigheidsduur van de statuten aan te vragen. Bovendien kwam de stemmenverhouding met twee derde meerderheid op de opheffingsvergadering in het geding. Het veilingbestuur had voor die vergadering zestien voormalige leden ten onrechte niet uitgenodigd. Zij werden als lid geroyeerd omwille van hun hoge leeftijd en omdat zij geen eigen bedrijf meer hadden. Omdat echter niet de juiste wettelijke spelregels waren toegepast, achtte het gerechtshof de bedoelde royementen niet juist en werden deze personen nog gewoon als lid aangemerkt. Op de dag van de opheffingsvergadering in juni 1967 telde de vereniging ‘Ons Belang’ dus geen 56 maar 72 leden. De vereiste twee derde meerderheid van stemmen was dus 48, terwijl de vergadering maar door 41 leden bezocht werd. In het arrest van het gerechtshof werd verder bepaald dat het veilingbestuur een ledenvergadering bijeen moest roepen, om over het lot van de veiling te beslissen. Het bestuur is tegen de uitspraak van het gerechtshof niet in cassatie gegaan. Op 27 mei 1970 werd die ledenvergadering in De Rustende Jager bijeengeroepen.

De Rustende Jager aan de Dorpsstraat in Castricum rond 1970.
De Rustende Jager aan de Dorpsstraat in Castricum rond 1970. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het einde

Ondertussen werkte het tijdsverloop mee aan het lot van de veiling. Zelfs Zonneveld geloofde niet meer in een voortbestaan. Daarvoor is de veiling te lang dicht geweest, aldus deze tuinder. De tuinders zijn alle kanten opgegaan. De kern is weg. Veel tuinders veilen in Beverwijk, sommigen in Alkmaar. Of de tuinders weer naar Castricum zullen komen is onzeker, aldus Zonneveld.
Ook in de agrarische wereld was een kentering merkbaar. Jonge ondernemers in de tuinbouw waren van mening dat er gauw een einde gemaakt moest worden aan de versnippering van het aanbod van producten. Begin 1970 waren er nog vijftien veilingen in Noord-Holland in de groente en fruitsector actief. Kleine veilingen werken in verhouding duurder dan grotere. Daarom moest aan schaalvergroting worden gedaan door de kleine veilingen op te heffen. Deze ontwikkelingen zouden de gehele agrarische wereld treffen. Zij leidden ook tot fusies van tal van zuivelfabrieken.

De notulen van de ledenvergadering van 1970 zijn vrij zakelijk, alhoewel, uit de berichten in de pers valt evenwel af te leiden dat het een roerige vergadering is geweest met 58 aanwezige leden. Een krant geeft de volgende beschrijving:
Het was een bijeenkomst, zoals er de laatste jaren in Castricum zelden is geweest. De gemoederen waren soms zo verhit, dat de sprekers zich nauwelijks verstaanbaar konden maken. Herhaaldelijk moest worden onderbroken, omdat het één en ander moest worden nagezien of in klein comité moest worden besproken.

Grootste opponent in de vergadering was weer Arie Zonneveld. Naar zijn mening moest het bestuur eerst aftreden en plaats maken voor een nieuw bestuur. Dit werd weer als uitstel van executie bestempeld.
Na ruim twee uren vergaderen werd uiteindelijk unaniem besloten ‘Ons Belang’ per 1 juni 1970 op te heffen. Er werd een liquidatie-commissie samengesteld van negen personen, bestaande uit de drie bestuursleden, drie commissarissen en een drietal Zonneveld-aanhangers. De uiterste liquidatie-datum werd op 31 december 1971 gesteld.

Jan Groentjes.
Jan Groentjes en Aagje Welp. Dr. Leenaersstraat in Castricum, 1970. Jan was geboren op 9 december 1892. Hij was tuinder, bloembollenkweker en voorzitter van de veiling Ons Belang. Gehuwd te Heemskerk op 12 juni 1918 met Aagje Welp. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

En zo komen wij bij de laatste algemene ledenvergadering op 20 april 1972 in de zaal van andermaal De Rustende Jager. Deze vergadering was aldus voorzitter Jan Groentjes, nodig om aan de leden verslag uit te brengen over de verkoop van de bezittingen en over de verdeling van het liquidatiesaldo. De vergadering werd door 51 leden bezocht.

De achterkant van het voormalig veiling gebouw, gebouwd in 1952. Door inkrimping van de tuingronden werd besloten de veiling te sluiten en in 1970 kocht Dijkman Kaas dit pand aan de Kramersweg 7 in  Castricum.
De achterkant van het voormalig veiling gebouw, gebouwd in 1952. Door inkrimping van de tuingronden werd besloten de veiling te sluiten en in 1970 kocht Dijkman Kaas dit pand aan de Kramersweg 7 in Castricum. Foto G. van Geenhuizen. Toegevoegd.

Het veilinggebouw met terrein is op 12 november 1970 voor 350.000 gulden verkocht aan Dijkman Kaas te Castricum. In 1971 werd een eerste uitbetaling aan de toen 78 leden van 1.000 gulden elk gedaan. Uiteindelijk kon, nadat aan de andere financi√ęle verplichtingen was voldaan, nog een nabetaling worden gedaan van bijna 900 gulden per lid. De uitgevoerde liquidatie verkreeg aller instemming. Over en weer werden aan het einde van de vergadering de nodige dankwoorden gezegd. Zo werd gememoreerd dat Jan Groentjes meer dan 50 jaar een bestuursfunctie bij ‘Ons Belang’ had vervuld. Hij was eerst commissaris en vanaf 1959 bestuursvoorzitter van de vereniging. Ook Jaap Schut werd geprezen om wat hij in zijn functie als veilingdirecteur had gedaan.

Dit was het interieur van Uniekaas Dijkman. De machine keert regelmatig de kaas. Enkele jaren later wordt het bedrijf verkocht aan Kaptein. Sinds 2016 staat het pand leeg.
Dit was het interieur van Uniekaas Dijkman. De machine keert regelmatig de kaas. Enkele jaren later wordt het bedrijf verkocht aan Kaptein. Sinds 2016 staat het pand leeg. Foto Ronald Goedheer. Toegevoegd.

Het is wellicht aardig om dit artikel af te sluiten met de volgende alinea uit de notulen van de laatste vergadering:
De heer J.P. Dijkman brengt nog in herinnering de periode van veilen op de veelading van de Nederlandse Spoorwegen. Later het veilinggebouwtje aan de Dorpsstraat, de moeilijkheden bij de nieuwbouw in de voorbesprekingen en nu door de onttrekking van de tuingronden ten behoeve van de woningbouw de sluiting van de veiling. Brengt verder nog in herinnering de verdiensten van de heren Louter en Brandjes en hoopt dat deze vergadering bij velen in herinnering mag blijven.

W.J. Veldman

Verantwoording

Belangrijke bron van informatie bij het schrijven van dit artikel is het historisch feiten materiaal over ‘Ons Belang’. Dat is door de heer Cor de Bakker uit Alkmaar verzameld en in de vorm van een verslag is geboekstaafd. De heer Bakker was zelf inkoper op de veiling.
Daarnaast is gebruikt het boek ‘100 jaar veiling en tuinder 1887-1987’, een uitgave van de Provinciale Veilingorganisatie voor Noord-Holland.
Ook archiefstukken en notulenboeken konden worden geraadpleegd.
Verder het archief van de gemeente Castricum.
Ook zijn gesprekken gevoerd met mensen die op enigerlei wijze met de veiling van doen hebben gehad.

Portegies, Sijf – schilder (Jaarboek 14 1991 pg 24-28)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architectbakkersbioscoopbouwbedrijfcaf√© / hotelcaf√©s en kasteleins in Bakkum –  drukkersexpeditiegasfabriekgroenteboerengroenteveilingkruideniersmelkboerenmelkfabriekmolenaarrestaurantschelpenvissersschilderschildersbedrijfslagerssmidsmederijstoomwasserijstrandvonderveldwachtersvrachtrijderijwereldwinkel

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans, EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan WillemJacobs-Wentink, GréKieft, PieterKortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 14, pagina 24

Wie was … Sijf Portegies

Links de wederopstanding van Sijf Portegies.
Links de wederopstanding van Sijf Portegies en rechts Rino Zonneveld. Een van de activiteiten van het jubileum was een tentoonstelling van werken van Castricumse kunstenaars. Initiatiefnemer Rino Zonneveld heeft samen met enkele anderen ge√Įnventariseerd welke schilderijen, prenten, aquarellen enzovoorts van dorpsgezichten van Castricum en Bakkum nog ergens aan muren hingen of op zolders lagen. Uiteindelijk werden er 450 werken uitgekozen en daarvan werden 225 schilderijen en tekeningen tentoongesteld in de Galerie Streetscape aan de Dorpsstraat 7 in Castricum. De niet ge√éxposeerde werken konden toch gezien worden in een slideshow met foto’s van Jacques Schermer. De tentoonstelling was van half mei tot half juli 2017 te bezichtigen en trok eveneens meer dan 1.200 bezoekers. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Er zijn heel wat huiskamers in Castricum waar een tekening of een schilderstukje hangt van een vroegere woning of boerderij. Het zijn unieke werkjes die een bijzondere plaats innemen, omdat het vaak de enige afbeeldingen zijn van een geliefd voorouderlijk bezit. Het is de verdienste van een sympathieke Castricumse huisschilder, dat er zoveel is vastgelegd uit een periode dat fotograferen nog niet zo ingeburgerd was als tegenwoordig het geval is.

Laantje op landgoed Duin en Bosch. Aquarel van Sijf Portegies. Foto Jacques Schermer. Toegevoegd.

Sijf Portegies zei wel eens gekscherend dat z’n werk pas na zijn dood echt gewaardeerd zou worden. Dat die woorden nog eens bewaarheid zouden worden, heeft hij nooit durven vermoeden. Zeker is wel dat het schilderen voor hem, naast zijn vele andere maatschappelijke activiteiten, een heel belangrijke hobby was en dat zijn beroep daarbij vergeleken voor hem niet meer was dan een broodwinning.

Pieter Portegies die zich in 1877 als huis- en rijtuigschilder in Castricum vestigde.
afb. 1 Pieter Portegies die zich in 1877 als huis- en rijtuigschilder in Castricum vestigde.

Sijfert Theodorus Portegies werd geboren op 22 april 1881. Hij was het derde kind en oudste zoon van de in totaal tien kinderen van Pieter Portegies en Maartje van der Velden. Pieter Portegies was in 1842 in Wognum geborens (afb. 1). Hij vestigde zich als huis- en rijtuigschilder in 1877 in Castricum. Op 7 februari 1878 trouwde hij met Maartje van der Velden dochter van bakker Dirk van der Velden.

Pieter Portegies had zijn woonhuis en werkplaats in de Burgemeester Mooystraat waar nu de drogisterij Portegies gevestigd is (afb. 2).

De binnenplaats van de lagere school bij het raadhuis in 1897. Links meester C.J. Bussen, hoofd der school.
De binnenplaats van de lagere school bij het raadhuis in 1897. Links meester C.J. Bussen, hoofd der school. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Sijf volgde de lagere school in de Dorpsstraat, waarvan meester Bussen het hoofd was. Het leren ging hem makkelijk af en hij had er veel plezier in. Toen hij zes klassen had doorlopen moest hij bij zijn vader in de zaak. Het kostte hem moeite om zich daarin te schikken. Graag had hij willen doorleren. Zijn liefste wens was onderwijzer te worden, maar die kans kreeg hij niet. Werken voor de kost was de boodschap, ook al, omdat hij nu eenmaal de oudste zoon was en zijn vader in het bedrijf diende op te volgen. Hij was nog te jong om op de avondopleiding voor schilders te worden toegelaten. In de eerste twee winters na zijn schooljaren, wanneer in het schildersbedrijf meestal niet veel meer te doen is, mocht hij terug naar de school van meester Bussen om toch nog wat extra’s op te steken.
In 1896 begon hij met een avondcursus voor huisschilders in Alkmaar en daarmee was zijn schoolopleiding voltooid.

Sijf bleef lang vrijgezel. Hij was al een eind in de dertig toen hem op de schoorsteenmantel bij Piet Liefting in de Dorpsstraat een foto opviel van een meisje. Piet en zijn vrouw Bet waren zo vriendelijk deze dochter van kennissen uit Haarlem eens een weekendje uit te nodigen. Zo kwam het contact tot stand tussen Sijf en zijn toekomstige echtgenote. Op 5 juli 1917 trouwde hij in Haarlem met de toen 27-jarige Cornelia Maria Rustman. Zij kochten een woning die bijna naast het bedrijf stond, op de plaats waar tegenwoordig de Henri Schuytstraat op de Burgemeester Mooystraat uitmondt.

Woning en werkplaats van Pieter Portegies in de Burg. Mooystraat, toen nog Kramersweg geheten.
afb. 2 Woning en werkplaats van Pieter Portegies in de Burgemeester Mooystraat, toen nog Kramersweg geheten.

De ouders van Cornelia Rustman hadden een caf√© in Haarlem en ze was dus veel drukte gewend. Ze vond het dan ook best prettig om iets om handen te hebben. Het jonge echtpaar besloot daarom het woonhuis gedeeltelijk tot winkel te verbouwen en met de verkoop van galanterie√ęn te starten.


Jaarboek 14, pagina 25

Links het winkel-woonhuis van Sijf Portegies, dat later aan Piet Vader werd verkocht. Het pand moest plaats maken voor de aansluiting van de Henri Schuytstraat op de Burg. Mooystraat.
afb. 3 Links het winkel-woonhuis van Sijf Portegies, dat later aan Piet Vader werd verkocht. Het pand moest plaats maken voor de aansluiting van de Henri Schuytstraat op de Burgemeester Mooystraat.

Op de winkelpui stond met keurige letters geschilderd “Handel in klompen, porselein, glas en aardewerk” (afb.3).
Cornelia stond in de winkel en Sijf werkte samen met zijn broers Piet en Cor in het schildersbedrijf, dat zij langzamerhand van hun vader overnamen. In 1922 overleed op 79-jarige leeftijd vader Pieter Portegies.

Drogisterij Portegies aan de Burgemeester Mooijstraat 7 te Castricum in 1988. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De samenwerking tussen de broers verliep bepaald niet vlekkeloos. Piet maakte zich los van het familiebedrijf en begon in een deel van de grote schildersloods een drogisterij. Hij legde daarmee de grondslag voor wat nu zelfs een drogisterijketen genoemd kan worden.

De winkel in galanterie√ęn leverde niet het resultaat op dat ervan verwacht werd. Cornelia had moeite met het Castricumse taaltje. Als een klant haar bijvoorbeeld vroeg om een stikkebordje durfde ze niet te vragen wat daarmee bedoeld werd. Ze holde dan achterom naar haar schoonmoeder die voor de vertaling zorgde. Niet-Castricummers noemen een stikkebordje een ontbijtbordje.

De woning Dorpsstraat 20 waar het gezin Portegies zich in 1923 vestigde. Nu is het een café.
afb. 4 De woning Dorpsstraat 20 waar het gezin Portegies zich in 1923 vestigde. Nu is het een café.

Bovendien waren de inkoopprijzen, als gevolg van de 1e wereldoorlog vrij hoog, zodat de winkel niet rendabel was. Dit en de problemen tussen de broers waren voor Sijf en zijn echtgenote de aanleiding om de winkel aan de kant te doen en een eigen schildersbedrijf op te richten. Het pand in de Burgemeester Mooystraat werd verkocht aan Piet Vader, die er een winkel in kruidenierswaren begon. Sijf kocht de woning Dorpsstraat 20 en startte daar in juni 1923 als zelfstandige. In een houten schuur achter de woning werd de schilderswerkplaats ingericht (afb.4).

In augustus 1920 was inmiddels hun eerste kind geboren, dochter Maria Christina en in 1921 was daar, ook nog in de Burgemeester Mooystraat, zoon Cees bijgekomen. Daarop volgden in de Dorpsstraat nog één dochter en vier zoons. Sijf was een zachtaardige en goedmoedige vader. Zijn vrouw had in het huisgezin heel duidelijk de touwtjes in handen en gaf de kinderen een strenge opvoeding.

De schilderswerkplaats van Portegies, op deze plaats kwam de winkel van Portegies, een drogisterij.
De schilderswerkplaats van Portegies, op deze plaats kwam de winkel van Portegies, een drogisterij. Burgemeester Mooijstraat 7 en 9 te Castricum in 1911. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De werkweek liep van maandag tot en met zaterdag. De zaterdagmiddag werd besteed aan het opruimen van de werkplaats, waarbij een van de kinderen meestal assisteerde. Voor Sijf was het ook de middag waarop hij zich aan een van zijn bestuursfuncties kon wijden. De zondagochtend was voor de kerkgang. Op zondagmiddagen trok Sijf er vaak op uit om te tekenen of te schilderen. Hij fietste dan met een schilderskist, een ezel en een krukje naar omliggende plaatsen, zoals Akersloot, Uitgeest of Wijk aan Zee. Zijn kinderen vonden het prachtig om met hem mee te gaan. Zoals Co Portegies het uitdrukte: “Zo kwam je nog eens ergens”. Sijf Portegies, bepakt en bezakt met schildersbenodigdheden en ook nog een kind voorop de fiets, een achterop en een kind op een eigen fiets ernaast, was dan ook een vertrouwd beeld in die dagen.

Dit zou de Tweede Broekermolen kunnen zijn die in Uitgeest aan de Lagendijk staat.
Dit zou de Tweede Broekermolen kunnen zijn die in Uitgeest aan de Lagendijk staat. Aquarel van Sijf Portegies, 1939. Foto Jacques Schermer. Toegevoegd.

Hoogtepunten in het gezin waren verder de uitstapjes naar het strand. Voor die bijzondere gelegenheden kwam dan de grote taxi van Piet Eikel voor. Er ging een “tent” mee bestaande uit 4 stokken waar een laken aan werd gehangen. Op een afgesproken tijdstip stond Piet Eikel na afloop van de stranddag weer bovenaan de kluft om de familie op te halen. Op vakantie gaan was er verder niet bij. Alleen herinneren de kinderen zich nog dat vader en moeder soms wel eens een paar dagen logeerden bij kennissen in Sneek. Dat was nadat de bouwvakvakantie was ingevoerd. Ook dan vergat hij zijn schildersspullen niet mee te nemen.

Oorlogsjaren

De oorlogsjaren zijn niet ongemerkt aan het gezin Portegies voorbij gegaan. In februari 1943 werd het gezin gesommeerd Castricum te verlaten. Waarheen was de vraag. De familie in Haarlem bood uitkomst. Zij zorgden ervoor dat Sijf daar een huisje kon bemachtigen en hielpen hem aan werk.
Bij het huisje hoorde een klein schuurtje waar Sijf lang niet al zijn materiaal in kwijt kon. Bij een zwager in Haarlem-Noord werd de rest ondergebracht. Eind 1944 slaagde Sijf erin toestemming te krijgen om weer naar Castricum terug te keren. Zoals hij vertrokken was, zo keerde hij ook weer terug met al zijn spullen op een gehuurde wagen met een paard ervoor.
De oudste zoon Cees werd tewerkgesteld in Duitsland. Hij stierf in Russisische krijgsgevangenschap in februari of maart 1945. Pas na een jaar onzekerheid, kwam via Het Rode Kruis


Jaarboek 14, pagina 26

het bericht van zijn dood. Zijn lot heeft het gezin zeer aangegrepen. Sijf zag Cees als zijn opvolger in het bedrijf.

Schildersbedrijf

Sijf Portegies bezig met het schilderwerk van de voorgevel van café De Harmonie thans een chinees restaurant aan de Stationsweg.
afb. 5 Sijf Portegies bezig met het schilderwerk van de voorgevel van café De Harmonie thans een chinees restaurant aan de Stationsweg.

Onder de andere zoons bestond weinig belangstelling voor het schildersvak. Dat was misschien verklaarbaar vanwege het feit dat hij dit beroep ook zelf nauwelijks ambieerde. Dat nam niet weg dat het zijn eer te na was om slecht werk af te leveren. Een groot bedrijf heeft Sijf niet willen opbouwen. Meer dan één of twee knechten heeft hij nooit in dienst gehad.
Grote werken nam hij niet aan. Vrijwel tot het eind van zijn leven bleef Sijf werken (afb.5). Hij maakte in 1958 ongeveer een jaar voor zijn overlijden de invoering van de AOW nog mee. Dat een dergelijk voorrecht een blijvend karakter zou hebben kon hij absoluut niet geloven.

Toen hij op leeftijd was gekomen en zijn tempo natuurlijk wat lager kwam te liggen, sprak hij met zijn opdrachtgevers een vast bedrag af. Men moest er dan maar niet op letten hoe lang hij over een karwei deed.
Sijf was al ver in de zeventig toen hij van de woningbouwvereniging St. Joseph opdracht kreeg om de woningen in de verzetsheldenbuurt een opknapbeurt te geven.
Het feit dat hij ook bestuurslid was van de woningbouwvereniging heeft daar ongetwijfeld iets mee te maken gehad.

Het laantje van Kijk uit.
Het laantje van Kijk uit. Er staan totaal 11 van die mooie beuken. Schilderij van Sijf Portegies. Toegevoegd.

Hij zag het als een eer, dat hij jonkheer Gevers als klant had. Hij mocht het schilderwerk van diens huis in de duinen verzorgen. Eens werd hij daarbij geassisteerd door zoon Cees, die per ongeluk een pot verf omstootte.
De pot kwam door het open raam terecht op het bed van de jonker. Zeker is dat die het voorval lichter opnam dan Sijf zelf.

Een andere keer was jonkheer Gevers minder gemakkelijk. Vanaf zijn terrein merkte hij op, dat een knecht van Sijf, die zich onbespied waande, uitgebreid het interieur van de woning door de ramen bekeek. Daar stoorde de jonkheer zich zo aan dat hij Sijf te verstaan gaf dat deze knecht zich maar niet meer moest vertonen.

In de wintermaanden lag het werk van de huisschilders grotendeels stil. Er werd dan verf aangemaakt en ook stopverf, ladders werden onderhouden enzovoorts. Het onderhoud van kapwagens van de boeren was dan een gewilde opdracht.
Ook werd wel eens een lijkkist geschilderd, die om het snel drogen te bevorderen in de huiskamer voor de kachel werd gezet. In de werkplaats van Sijf was geen verwarming.

Hervormde kerk gezien vanuit de Overtoom in 1935.
Hervormde kerk gezien vanuit de Overtoom in 1935. Aquarel van Sijf Portegies. Toegevoegd.

Hij is ook een aantal winters onder de pannen geweest met het schilderen van de binnenkant van de Pancratiuskerk. Bij deze grote klus werd hij geassisteerd door Gerrit Dekker, zoon van een schilder uit Limmen. Die herinnert zich nog dat er planken over de banken werden gelegd, die vervolgens aangesjord werden. Daarop werden dan de grote schuifladders geplaatst, waarmee de schilders angstwekkende hoogten konden bereiken.

Nederlands hervormde kerk, gezien vanuit het zuid-oosten.
Nederlands hervormde kerk, gezien vanuit het zuid-oosten. Kerkpad 1 in Castricum. Aquarel van Sijf Portegies. Toegevoegd.

Bij bruiloften, begrafenissen of andere kerkelijke plechtigheden werd het materiaal opgeruimd en trokken de schilders zich terug op het koor. Daar zagen ze de legendarische organist en koorleider Piet Kuys aan het werk. “Die kon ook erg mooi zingen”, vertelt Gerrit Dekker, “maar bij een hoge noot in het Av√© Maria wilde zijn gebit nog wel eens losschieten, iets waar de man zelf ook veel schik om had.” Co Portegies weet nog dat als er met pastoor Goes was afgerekend, vader thuiskwam met een sigarendoos met rijksdaalders.
Door Sijf Portegies zijn in de kerk ook muurschilderingen aangebracht, die in de loop der tijd weer zijn verdwenen.

Verenigingsleven

Sijf Portegies had grote belangstelling voor heel veel zaken buiten zijn werk om. Hij was actief in verschillende organisaties. Om te beginnen was hij met Jac Metselaar uit Limmen en Johan Weda uit Castricum oprichter van een zelfstandige afdeling Castricum – Limmen – Uitgeest van de Nederlandse rooms-katholieke bond van schilderspatroons Sint. Lucas. In de oprichtingsvergadering op 11 december 1935 werd Portegies tot secretaris gekozen. Samen met Johan Weda en later met diens zoon Ab bezocht hij trouw de vergaderingen uitgeschreven door het hoofdbestuur in Utrecht.
Traditie was dat alle leden van de afdeling met echtgenotes op 18 oktober, de geboortedag van Sint Lucas, een uitstapje maakten. Het programma begon met een Heilige Mis.
Men kwam dan bijeen in de kapel van het zusterhuis naast de pastorie. Daarna werd een broodmaaltijd genoten. Gedurende vele jaren gebeurde dit in huize Portegies, omdat het dicht bij het station lag en mevrouw Portegies kon er haar ervaring uit het cafébedrijf van haar ouders in kwijt. Vervolgens vertrok het

Schilderwerkje uit 1944 van Sijf Portegies van een gedeelte van de boerderij Doodweg 10.
Schilderwerkje uit 1944 van Sijf Portegies van een gedeelte van de boerderij Doodweg 10. Een gedeelte van de oude boerderij van Melker is later bewoond door familie Van der Hulst. De boerderij is door brand verwoest. Tekening van Sijf Portegies. Toegevoegd.

Jaarboek 14, pagina 27

Excursie van de schildersvereniging St. Lucas naar de behangfabriek Goudsmitt-Hoff in Amsterdam op 18 oktober 1950.
afb. 6 Excursie van de schildersvereniging St. Lucas naar de behangfabriek Goudsmitt-Hoff in Amsterdam op 18 oktober 1950. Op de voorste rij staan S. Th. Portegies, mevr. C. Portegies- Rustman, H. Schram (Dorpsstraat), mevr. A. Weda-Res, A.J. Weda, mevr. G. Meyer-Zuurbier, mevr, N. Goedhard-Bakker, mevr. A . Schram-V.d. Eng, G. Schram en Th.A. Weda. Op de achterste rij staan van links naar rechts: C. Emmanuel (vertegenwoordiger), G.J. Krimp, J. Goedhard, mevr. G. Schram- Glorie, H. Schram, A. Meyer, 1 Schram, mevr. A. Schram-de Bruin, mevr. A. Tromp-Groen en W.J. Tromp.

gezelschap per trein of bus naar een jaarlijks te bepalen bestemming. Vaak was dat een behang- of een verffabriek, die de groep na afloop van de excursie onthaalde op een uitgebreid diner (afb. 6). In de avonduren werd dan nog een theatervoorstelling in Amsterdam bezocht, waarbij de Snip & Snap revue hoog scoorde. Sijf was een groot voorstander van deze uitstapjes, die hij, behalve leuk en gezellig, van groot belang vond voor de saamhorigheid binnen de afdeling. De leden maakten afspraken over de aanneming van werk en zorgden er onder andere voor dat niet onder de prijs werd gewerkt. Men kon elkaar ter verantwoording roepen.
Ook op ander gebied zette Sijf Portegies zich in. In 1904 was in Castricum op initiatief van onder andere burgemeester Mooy de vereniging “Onderlinge Hulp” opgericht. Tegen betaling van een lage contributie verzekerden de leden zich van een uitkering van 0,60, later 1.25 gulden per dag, indien men ten gevolge van ziekte of een ongeval niet kon werken. Sijf was ruim 40 jaar penningmeester van deze organisatie. Ook het secretariaat nam hij er in 1949 nog bij. Zijn zoon J.P.C. (Co) Portegies werd zijn opvolger als penningmeester. Aan het eind van de vijftiger jaren heeft Co samen met de toenmalige voorzitter Dirk de Winter de liquidatie van de instelling geregeld.

Het zal eind 1908 zijn geweest toen burgemeester Mooy Sijf Portegies benaderde met de vraag of hij soms de verzekeringsportefeuille van “De Nederlanden van 1845” wilde overnemen. Deze bijbaan werd de burgemeester kennelijk wat teveel. Sijf had er wel oren naar en de offici√ęle overname werd op 22 januari 1909 een feit. Meer dan 40 jaar is hij vervolgens de vertegenwoordiger van deze bekende verzekeringsmaatschappij geweest.
Verder is Sijf penningmeester van de VVV geweest. Zoon Co herinnert zich dat iedereen zo af en toe aan het werk werd gezet om lidmaatschapsbewijzen uit te schrijven.
Tenslotte was Sijf een actief lid van de patroonvereniging en zoals eerder al genoemd bestuurslid van de woningbouwvereniging St. Joseph.

Artistieke kwaliteiten

Het gezin Portegies op 5 juli 1942; de dag van het 25-jarig huwelijksfeest van Sijf en Cornelia.
afb. 7 Het gezin Portegies op 5 juli 1942; de dag van het 25-jarig huwelijksfeest van Sijf en Cornelia.

Waar Sijf Portegies de tijd vandaan haalde voor al zijn activiteiten blijft een raadsel, maar hij speelde ook nog viool. Hij had daarvoor les gehad van Klaas de Graaf grondlegger van de huidige elektronicazaak in de Torenstraat. Voor zijn gezin klonken de repetities van Sijf in zijn schaarse vrije uurtjes heel vertrouwd. Met Klaas, zijn eigen zoon Theo en nog een kennis werd soms een kwartet gevormd. Zij maakten ook deel uit van de Castricumse orkestvereniging die korte tijd heeft bestaan. Van zijn kinderen was Theo de enige die ook belangstelling had voor de viool. Vader Sijf bracht hem de eerste beginselen bij. Deze zoon is na zijn huwelijk in 1955 naar Australi√ę ge√ęmigreerd. Dochter Corrie en haar man besloten Theo in de haven van IJmuiden uit te zwaaien.
Daar troffen zij ook Sijf aan die het afscheid van zijn zoon bijzonder zwaar viel. In Australi√ę speelt deze Theo nu 1e viool in een klein orkest. Daarnaast bouwt en repareert hij deze instrumenten.
Overigens hebben ook de andere kinderen wel een of meer van de talenten van hun vader meegekregen en er hun beroep of hobby van gemaakt (afb.7).


Jaarboek 14, pagina 28

Sijfert Theodorus Portegies overleed op 7 oktober 1959. Zijn vrouw was een half jaar daarvoor in een inrichting opgenomen, wat voor hem een enorme klap heeft betekend.
We mogen Sijf dankbaar zijn voor zijn bijdragen aan de gemeenschap van Castricum en voor zijn nalatenschap in de vorm van heel veel schilderstukjes en tekeningen van al lang verdwenen panden.

Sijf was een bijzonder veelzijdig mens, die altijd wel ergens mee bezig was. Het tekenen en schilderen bleef echter het belangrijkste voor hem. Hij probeerde zijn hobby zo goed mogelijk uit te oefenen.
Van een bevriende kunstschilder uit Uitgeest, Joop Mul, kreeg hij les. Later maakte hij deel uit van een clubje rond de bekende plaatselijke kunstschilder Cor Heeck. Eerst oefende hij zich in het portretschilderen en later verlegde hij zijn aandacht naar het landschapschilderen.

Hoeve Nooitgedacht aan de Kramersweg te Castricum in 1957.
Hoeve Nooitgedacht aan de Kramersweg te Castricum in 1957. Benaming op schuurdeur: Hoeve Nooit gedacht. De hoeve dankt zijn naam aan een bijzonder feit: gedurende de oorlog was door de Duitse bezetter in 1943 op een plattegrond van Castricum, ‘de Verwoestingkaart’, aangegeven welke panden gesloopt dienden te worden ter verkrijging van schootsveld voor de verdediging van het dorp. Uiteindelijk kwam er toch een bericht dat de familie en de hoeve daar mochten blijven.
Gebouwd in 1916 door veehouder Jan Beentjes. Later overgenomen door zijn zoon Kees in de jaren (negentien) vijftig. Halverwege de jaren (negentien) negentig is deze boerderij verkocht aan Harry Montanus.  De boerderij aan de Kramersweg nabij het station is een voorbeeld van een onvolledige stolp met gemetselde gevels en een vrijstaande woning aan de wegzijde. Vroeger was het bedrijf via een damhek over de voor de woning liggende beek toegankelijk.  In oktober 2014 is de boerderij gesloopt in verband met het aangrenzende woningbouwplan ‘Duynkant’. Olieverf op hout. Schilder Sijf Portgies. Foto van Jacques Schermer. Toegevoegd.

Kleine werkjes verkocht hij wel voor zo’n 25 en later 50 gulden per stuk. Erg trots was hij toen voor de oorlog een kunsthandel uit Haarlem twee grote werken van hem kocht. Ook werkte hij wel in opdracht. Beentjes van de boerderij Nooitgedacht vroeg hem eens zijn boerderij te schilderen. Sijf werd echter ziek en kon er niet op uit. Aan de hand van een foto wist hij het schilderij op zijn ziekbed toch nog af te maken.

Sijf Portegies achter zijn schildersezel.
afb. 8 Sijf Portegies achter zijn schildersezel. (Foto van de heer N.J. de Graaf).

De schrijver van dit artikel betuigt zijn dank in de eerste plaats aan de familie Portegies voor de medewerking aan interviews en beschikbaarstelling van foto’s, tekeningen enz. Voorts ook veel dank aan de heren G. Dekker, N.J. de Graaf en A.J. Weda.

Een van de vijf insteekhaventjes van het Schulpstet in Bakkum met een Hillegommer vlet. Het schuurtje was van Jo Duin, achter dit schuurtje zie je nog een mast van een ander schip in het volgende insteekhaventje. 
Voordat De Groot de kalkovens bouwde, werden de schelpen per schuit afgevoerd naar kalkovens elders. Tekening van Sijf Portegies. Toegevoegd.

De werkgroep Oud-Castricum is de familie Portegies bijzonder dankbaar voor de schenking van een groot aantal van deze werken, die zorgvuldig voor het nageslacht bewaard zullen blijven.

N.A. Kaan

Gasfabriek (Jaarboek 14 1991 pg 3-23)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architectbakkersbioscoopbouwbedrijfcaf√© / hotelcaf√©s en kasteleins in Bakkum –  drukkersexpeditiegasfabriekgroenteboerengroenteveilingkruideniersmelkboerenmelkfabriekmolenaarrestaurantschelpenvissersschilderschildersbedrijfslagerssmidsmederijstoomwasserijstrandvonderveldwachtersvrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 14, pagina 3

De Gasfabriek

1. Inleiding

De gasfabriek aan het begin van de Oude Haarlemmerweg omstreeks 1933, gezien vanaf het Schoutenbosch.
afb. 1 De gasfabriek aan het begin van de Oude Haarlemmerweg omstreeks 1933, gezien vanaf het Schoutenbosch.

Op 27 februari 1914 wordt te Castricum de steenkolengasfabriek in bedrijf gesteld, die vanaf dat moment de verlichting van straten en huizen verzorgt; Castricum heeft nog geen elektriciteit. De komst van een gasfabriek is vooral voor de verlichting en voor het koken van enorme betekenis voor de plaatselijke bevolking. Voor verlichting is men voordien aangewezen op het schaarse licht van de olielamp of van kaarsen en voor het koken op hout, turf of steenkolen. De Castricumse bevolking is eigenlijk te klein voor een rendabele exploitatie van een gasfabriek.

De gasfabriek heeft in de ruim dertig jaar van haar bestaan veler gemoederen bezig gehouden. Al voor de bouw zijn er voor- en tegenstanders onder de dorpsbewoners; de voorstanders die het voor de bloei en vooruitgang van de gemeente noodzakelijk achten en de tegenstanders die het te kostbaar vinden; dan zijn er ook mensen, die pleiten voor de invoering van elektriciteit. In de dertiger jaren is er opnieuw veel tumult rond de gasfabriek. Een aantal dorpelingen wil de gasfabriek sluiten en pleiten voor aansluiting op het gasnet van Beverwijk. De meningsverschillen in de plaatselijke politiek lopen zo hoog op dat er een scheuring ontstaat in de RKSP, de rooms-katholieke staatspartij.

Aan het begin van de 2e wereldoorlog laait een conflict tussen directeur Van Hoeve en burgemeester Sloet zo hoog op dat onmiddellijk ontslag volgt voor de directeur. In 1942 wordt het gasbedrijf verkocht aan de Gemeente Beverwijk en in de loop van 1943 wordt de gasfabriek gesloten. Na enkele jaren worden de fabrieksruimten ingericht tot een ijzergieterij, die tot in de jaren (negentien) zestig in bedrijf is. In 1976 is het gebouwencomplex gesloopt en wordt op het terrein aan de Gasstraat door de eigenaar ‘Het gasbedrijf Beverwijk’ een nieuw bijkantoor met opslagruimten en werkplaats gebouwd, vooral bedoeld voor een betere bereikbaarheid van de gasverbruikers in Castricum, Limmen en Akersloot. Door betere verplaatsingsmogelijkheden en communicatiemiddelen is dit achterhaald en vooral om bedrijfseconomische redenen is het bijkantoor aan de Gasstraat op 2 april 1990 gesloten, waarmee in Castricum een einde is gekomen aan het ‘gasbedrijf’.

In dit artikel wordt de geschiedenis van de gasfabriek en zijn verwevenheid met het dagelijkse leven in Castricum geschetst.


Jaarboek 14, pagina 4

2. Wat aan de bouw van de gasfabriek vooar ging

Uit steenkool gestookt gas voor verlichting

Het was onze landgenoot Jan Pieter Minckelers, hoogleraar te Leuven, in 1784 gelukt gas te bereiden uit steenkolen. Dit gas werd gebruikt voor het vullen van luchtballons en was door Minckelers ontdekt, terwijl hij zocht naar een stof, die lichter was dan lucht. Een jaar later verlichtte hij zijn collegezaal door middel van uit steenkool verkregen “brandbare lucht”. Dit leidde aanvankelijk niet tot toepassing op grotere schaal. Dat gebeurde wel in Engeland: in 1813 werd te Londen de eerste openbare gasverlichting ingevoerd.

In Nederland werden de eerste gasfabrieken in 1826 gebouwd in Amsterdam en Rotterdam, in 1834 gevolgd door Haarlem en daarna door andere steden waaronder Alkmaar in 1853. Het duurde nog vele tientallen jaren voordat de wat kleinere plaatsen door de bouw van een gasfabriek of door aansluiting op de nabijgelegen steden van gas voor straat- en huisverlichting waren voorzien. In onze regio zien we gasfabrieken verrijzen in Krommenie (1862), De Rijp (1866), Egmond aan Zee (1908), Noord Scharwoude (1909) en in Warmenhuizen (1912). In Castricum wordt door de Gemeenteraad op 6 augustus 1913 het besluit genomen tot de bouw van een gasfabriek.

De komst van het Provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch in 1909 heeft een enorme impuls aan de kleine Castricumse gemeenschap van circa 2.500 inwoners gegeven om allerlei zaken wat groter te gaan aanpakken; zo ondergaat de dorpskom in 1911 een ware gedaanteverandering door de bouw van een nieuw raadhuis, het nieuwe hotel ‘De Rustende Jager‘ in plaats van de oorspronkelijke kleine herberg, een grote nieuwe rooms-katholieke kerk en dan tenslotte in 1913 de bouw van een gasfabriek.

Aan de Vinkebaan stonden gaslantaarns die √ęs avonds ontstoken moesten worden en de volgende ochtend weer gedoofd. Mogelijk is dit Arie Stet die op Vinkebaan 22 woonde en lantaarn opsteker was.
Aan de Vinkebaan stonden gaslantaarns die √ęs avonds ontstoken moesten worden en de volgende ochtend weer gedoofd. Mogelijk is dit Arie Stet die op Vinkebaan 22 woonde en lantaarn opsteker was. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Straatverlichting

Voor het gemeentebestuur van Castricum is straatverlichting een kostbaar probleem; meerdere lantaarnopstekers zijn in gemeentelijke dienst voor het ontsteken, bijvullen, doven en onderhoud van de olielantaarns.

De eerste straatlantaarns in Castricum zijn geplaatst in 1868 kort na de aanleg van de spoorlijn. Twee jaar daarvoor wordt er een verzoek van de veldwachter voor de plaatsing van enige lantaarns in de gemeenteraad behandeld: “dat met de vele vreemdelingen en die over en weder de herbergen in de kom der gemeente bezoeken, het bij donker weder des avonds moeijelijk eene behoorlijke surveillance op ongeregeldheden uit te oefenen.” Voorlopig wordt dit verzoek aangehouden vanwege de kosten, waarin in de begroting niet is voorzien. In 1868 ontstaat er de nodige opschudding wegens het ontbreken van straatverlichting langs de toegangsweg naar het station. De directie van de Spoorwegen en vervolgens de Minister van Binnenlandse Zaken eisen onderhoud van de toegangsweg en het aanbrengen van verlichting op kosten van de gemeente. In haar vergadering van 8 april 1868 verklaart de meerderheid van de gemeenteraad zich tegen de aanschaf van de verlichting, omdat de kosten voor de gemeente zeer bezwaarlijk zijn.

Opnieuw moeten de Commissaris van de Koning en de Minister er aan te pas komen om het raadsbesluit te vernietigen en op 19 augustus 1868 valt het raadsbesluit om de toegangsweg naar het station (Burgemeester Mooijstraat) “te begrinden en te verlichten”. Het zal nog tot in november duren, voordat er 6 lantaarnpalen zijn geplaatst vanaf het station tot aan de rooms-katholieke kerk. Hiermee heeft ook Castricum voor het eerst straatverlichting (zie hierover uitvoerig het Se jaarboekje: Wie was … Hermanus Zaalberg).

In 1905 heeft het gemeentebestuur reeds een verzoek gericht aan Gedeputeerde Staten (GS) om de elektrische centrale van het geplande Provinciaal krankzinnigengesticht Duin en Bosch beschikbaar te stellen voor de straatverlichting van de gemeente; op dit verzoek wordt pas in 1908 afwijzend beschikt. In 1907 is er een voorstel van de heer Goes door de gemeenteraad aangenomen om een proef te nemen met een nieuw soort lantaarn, die wordt verlicht door acetyleen (carbid).

Een 'olie' straatlantaarn voor café Sportrust op de hoek van de Dorpsstraat en de Kramersweg (Burg. Mooijstraat).
afb. 2 Een ‘olie’ straatlantaarn voor caf√© Sportrust op de hoek van de Dorpsstraat en de Kramersweg (Burg. Mooijstraat).

De eerste aanvraag voor een gasfabriek

Een eerste mogelijkheid voor een gasfabriek wordt gevormd door een schrijven van 7 augustus 1908 door de firma Carl Franke uit Bremen, die een aanbeveling doet voor de bouw en de installatie van een steenkolengasfabriek inclusief directeurswoning, buizennet, lantaarns en huisaansluitingen met gasmeters met een verwijzing naar opdrachten in Waddinxveen en Groenlo. De exploitatie is dan minimaal voor de eerste vijf jaar aan deze firma verpacht.

Enkele maanden later is er ook van de heer Jacobus Cornelis van Leeuwen uit Hilversum een schrijven aan de gemeenteraad, waarin hij concessie vraagt voor de bouw en de exploitatie van een gasfabriek: “dat naar hij met bescheidenheid vermeent met het oog op den vooruitgang en de uitbreiding der gemeente Castricum eene gasfabriek aldaar alleszins reden van bestaan zou hebben.” Het gemeentebestuur besluit in contact te treden met de heer Van Leeuwen en in de vergadering van 23 december 1908 besluit de Raad de conceptvoorwaarden aan te houden tot nader overweging en onderzoek en een maand later wordt vervolgens besloten deskundigen te raadplegen.

Veel voorstanders van een gasfabriek

In de maanden die volgen komt het gemeentebestuur tot de conclusie dat het toch wenselijk zal zijn om een gasfabriek te bouwen, mogelijk mede door aansporing van een aantal in hoog aanzien staande inwoners, die in comit√© bijeen zijn geweest en de voorstellen van de heer Van Leeuwen hebben besproken, waarna zij in een schrijven van 25 januari 1909 een dringend verzoek doen aan de gemeente: “het gedane aanbod in zeer ernstige overweging te willen nemen wijl zij ondergetekenden overtuigd zijn dat de bloei en ‘t belang der Gemeente ten zeerste met deze concessieaanvrage zijn verbonden.”

Het bestuur van de Castricummerpolder is wat terughoudender; in het schrijven van 16 maart daaraanvolgend wijst het op


Jaarboek 14, pagina 5

het grote gevaar: “dat afvoer van verwerkt water en andere vloeistoffen van genoemde gasfabriek afkomstig, kan opleveren voor de vischstand, uit slooten en vaarten, drinkend vee, enzovoorts.” Graag wil het polderbestuur een bepaling in de concessie dat afvoer van schadelijke vloeistoffen in polderwater ten strengste wordt verboden.

De Raad besluit de voorwaarden voor een concessie aan de heer Van Leeuwen op een aantal punten te wijzigen, om met name naast zijn aanbod om de straatlantaarns gratis te leveren ook het kosteloos verstrekken van het gas voor de straatverlichting te eisen, alsmede om bij overname het buizennet tegen sloopwaarde over te nemen.

Voor de Heer Van Leeuwen is vooral de eerste eis een onmogelijke voorwaarde: “Dit is nog nooit te voren vernomen, een dergelijk voorstel is nog nooit door een gemeenteraad gedaan.” In de brief van 22 mei 1909 schrijft hij tenslotte aan de Raad dat hij zijn concessie met genoegen intrekt: “omdat met een Raad, die de concessie aanvraag niet begrijpt, toch elke wetenschappelijke samenwerking onmogelijk zou zijn geweest.”

Nieuwe onderhandelingen

Het blijft niet lang stil rond de gasfabriek. Al drie weken later, op 14 juni, komt er een brief van de koopman Teunis Cornelis Bakker uit Den Helder, waarin hij schrijft dat hij had vernomen dat Castricum een gasfabriek wenst en vraagt of de Burgemeester (Johannes Mooij) de onderhandelingen hieromtrent zou willen openen. Hierop wordt positief gereageerd en de heer Bakker wordt gevraagd aan te tonen dat de fabriek kan bestaan. Daartoe vraagt hij aan de ingezeten van Castricum een verklaring te ondertekenen, waarmee deze ingezetene zich verbindt bij de oprichting van een gasfabriek verbruiker te zijn van naar keuze lichtgas en/of kookgas. In zijn aansporing de verklaring te ondertekenen zegt Bakker: “Natuurlijk is het nodig, dat er vele gebruikers komen, omdat ik dan bij het indienen der concessie en plannen de levensvatbaarheid der fabriek te eer kan bewijzen. Zeer hoop ik dat de burgerij zal toonen, dat het inderdaad een gasfabriek wil, door zich in groot getal te verbinden gasverbruiker te worden. Over het nut, de zindelijkheid, het genot, enz. van het gebruik van gas voor verlichting en koken behoef ik zeker niet uit te weiden, daar ik vertrouw dat men daarmede reeds voldoende bekend is, ook dat gas niet duurder is dan petroleum. Alleen dit: te Egmond, Krommenie, De Rijp, Schagen en meer gemeenten, even groot ongeveer als Castricum, bestaan gasfabrieken en de voortdurende uitbreiding van het gasdebiet aldaar bewijst wel hoe ingezetenen daar prijs op stellen en dat zoo’n fabriek in een bepaalde behoefte voorziet. Waarom zou dan Castricum dan achterblijven? Ingezetenen, toont dat ge dit niet wenscht en treedt in groeten getale toe.”

Op 28 september 1909 komt er van de Heer Bakker een officieel verzoek aan de Raad om hem concessie te verlenen voor de oprichting en exploitatie van een steenkolengasfabriek volgens de voorwaarden, die bij burgemeester en wethouders (B en W) waren ingediend. Bakker werd daarbij geholpen door zijn vriend A.C. Lafeber, directeur van het gemeentelijk waterleidingbedrijf in Den Helder.

Plaatselijk initiatief voor de levering van acetyleenlicht

Ook een eigen inwoner laat zich niet onbetuigd; op 11 november van dat jaar doet Cornelis Stolk een aanbieding tot de aanleg van acetyleenlicht voor straatverlichting en hij is bereid om een dergelijk licht als proef bij zijn werkplaats te plaatsen voor rekening van de gemeente. Nelis Stolk woont aan de Duinkant, had eerder een meelmaalderij en verzorgde samen met Piet van Duijn de radiodistributie in onze gemeente. De Raad besluit het aanbod voor kennisgeving aan te nemen en eerst het voorstel van de heer Bakker voor een concessie van een gasfabriek tot een einde te brengen. Uiteindelijk wordt de toepassing van acetyleengas afgewezen, omdat het niet voor andere doeleinden dan verlichting geschikt is. Ook bij de heer Bakker komt de gemeenteraad met dezelfde onmogelijke voorwaarden als eerder bij de heer Van Leeuwen. In de raadsvergadering van 30 maart 1910 wordt vermeld dat de heer Bakker niet wil ingaan op deze voorwaarden. Ook wordt nu een verzoek voorgelezen van het plaatselijke comit√© (de vereeniging van belanghebbenden tot het verkrijgen van beter licht in de gemeente Castricum) dat het gemeentebestuur verzoekt: “Het daarheen te leiden dat zo spoedig mogelijk de Gemeente van gas was voorzien en het beste zou zijn dat te betrekken uit Beverwijk.” Daarop wordt besloten om met de burgemeester van Beverwijk een onderhoud te hebben over de gasaangelegenheid met het gevolg dat er een kostenbegroting van de verbinding met Castricum wordt gemaakt door de directeur van de gasfabriek te Beverwijk uitkomende op circa 80.000 gulden. Dit wordt door de Raad als veel te kostbaar beschouwd.

Een andere poging wordt ondernomen in juni 1910 door de Maatschappij tot Bouw en Exploitatie van Gemeentebedrijven die met een voorstel komt om een lichtgasfabriek te bouwen; de Raad voelt hier echter niet zo veel voor, doch is niet ongenegen om met de Maatschappij tot een overeenkomst te komen als het in te stellen onderzoek zou aanwijzen dat een steenkolengasfabriek haalbaar is.

Aanstelling lantaarnopstekers

Dan blijft het bijna twee jaar stil rond de steenkolengasfabriek. Het dagelijkse leven in Castricum gaat ongestoord verder; in december 1910 worden opnieuw drie lantaarnopstekers aangesteld: voor Bakkum (3 lantaarns), Oosterbuurt (2) en de dorpskom tegen een loon van 5 gulden per (olie)lantaarn per jaar. Lute wordt aangesteld voor de leiding en het toezicht. Kennelijk gaat een en ander niet naar wens, want op 11 september 1912 wordt als enige lantaarnopsteker Jacobus Lute aangewezen voor een loon van 210 gulden per jaar; hij heeft tot taak de lantaarns te ontsteken en te laten branden tot 12 uur ‘s nachts of tot de laatste trein en verder de uitvoering van alle voorkomende reparaties en het schoonmaken.

Ook is er een verzoek geweest van de ‘Commissie van Bestuur over het Provinciaal Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen Duin en Bosch’ om enige lantaarns te plaatsen langs de stationsweg te weten het gedeelte tussen het station en de overweg naar het gesticht. Als antwoord doet B en W het voorstel om de elektrische verlichting van Duinenbosch door te trekken tot aan het station voor rekening van de gemeente: “Tenzij zulks te kostbaar mocht zijn: wij vermoeden dat op vier punten over den bedoelden afstand elektrisch licht voldoende zou zijn.”

Verder is er door de Raad besloten om een kleine acetyleengas installatie te bouwen uitsluitend voor de verlichting van het in aanbouw zijnde raadhuis met de onderwijzerswoning.

Nieuwe voorstellen voor de gasfabriek

De heer Bakker uit Den Helder heeft intussen niet stil gezeten: samen met zijn plaatsgenoot de aannemer en bouwkundige Jan Spruit heeft hij nieuwe voorwaarden opgesteld voor een concessie voor een steenkolengasfabriek te Castricum. Op 12 september 1912 heeft hij een zeer uitvoerig rapport ingediend met daarin opgenomen een gedetailleerd fabrieksontwerp, een beschrijving van de installaties en een begroting.


Jaarboek 14, pagina 6

In hun aanbiedingsbrief stellen de heren Bakker en Spruit te vertrouwen dat er geen bezwaar zal bestaan tegen hun voorstellen: “Nu Uwe gemeente op zeer aannemelijke voorwaarden, die geen geldelijk nadeel voor de gemeentekas kunnen veroorzaken, in het bezit kan komen van een onder Uw toezicht te bouwen en te exploiteren fabriek, die bovendien spoedig bij gunstig resultaat door U zelf kan worden gedreven.”

Het rapport gaat er van uit dat de steenkolengasfabriek zowel de verlichting voor Castricum als voor Limmen zal verzorgen. Ter vervanging van de petroleumverlichting beveelt het rapport steenkolengas verlichting ten sterkste aan. Elektriciteit is tweemaal zo duur en niet geschikt om te koken. Ook komen acetyleengas, aerogeengas of luchtgas, het watergas en het residugas niet in aanmerking. Verder zegt het rapport dat steenkolengas geschikt is voor krachtopwekking in motoren, voor verwarming, koken enzovoorts en dat bovendien bij de bereiding waardevolle bijproducten (cokes, ammoniakwater, teer en de afgewerkte ijzeraarde) worden verkregen en dat de Castricumse bevolking de cokes van een nabijgelegen gasfabriek voordeliger kan aanschaffen dan wanneer het van elders moet komen.

Als grondslag voor het fabrieksontwerp is het te verwachten gasverbruik van belang; uitgangspunt is dat te Castricum 2.000 en te Limmen 1.000 ingezetenen aan het buizennet zullen wonen en dat de stijging van het aantal inwoners niet groot zal zijn. Er wordt dus geen rekening gehouden met een stijgend inwonertal.

Keuze voor de levering van gas of elektriciteit

De gemeenteraad besluit op 27 september 1912 een commissie in te stellen bestaande uit de wethouder P.J. Valkering en de raadsleden P. Kuijs en G. Slop, die een onderzoek instellen naar de levering van gas of van elektriciteit voor de gemeente Castricum. In haar rapport van 18 december 1912 stelt de commissie dat in het belang van de gemeente de oprichting van een steenkolenfabriek voordeliger is en meer ten gerieve van de ingezeten dan het verschaffen van elektrische stroom, onder andere omdat de kosten van verlichting en vooral van verwarming (koken) belangrijk lager zijn. Op basis van dit resultaat wordt enkele maanden later besloten om de heer Jacob Blaauboer, directeur van de gasfabriek te Egmond aan Zee te vragen een onderzoek in te stellen naar de bestaansmogelijkheid van een gasfabriek in Castricum. Nog steeds bestaat er grote twijfel aan de winstgevendheid van een dergelijk grote onderneming.
De totale kosten van fabrieksgebouw, directeurswoning en buizennet zijn begroot op 90.000 gulden, een voor deze tijd gigantisch bedrag. De gemeente wil nu toch doorzetten en wil voor dit bedrag een geldlening aangaan; in mei 1913 maken Gedeputeerde Staten hiertegen echter bezwaar met de aantekening dat gaslicht wat de hygi√ęne en het gemak aangaat, niet de voordelen biedt van elektrisch licht.

Ook bij een groot aantal inwoners zijn bezwaren gerezen tegen de gasfabriek. In een schrijven aan de Gemeenteraad dat is ondertekend door 68 ingezetenen geven zij te kennen: “Dat het bouwen van eene Gemeente – Gasfabriek niet in het belang zal blijken te zijn der Gemeente Castricum en zulks om de navolgende redenen:

  1. Staat de rendabiliteit eener dergelijke gemeentelijke fabriek zeer zwak in verband met het groote kapitaal, dat er ingestoken zal moeten worden.
  2. Zal deze fabriek niet dan zeer onvoldoende kunnen voorzien in de behoefte aan goedkoope beweegkracht, die bij stijgende loonen eene steeds klimmende beteekenis krijgt voor eene landelijke bevolking.
  3. Biedt gaslicht hygi√ęnisch en ook wat betreft gemak niet de voordeelen van electrisch licht.
  4. Zijn het elektrisch licht en de elektrische beweegkracht te verkrijgen met een betrekkelijke kleine kapitaal behoefte.”

Vervolgens vragen de ondertekenaars om nu eens aandacht te schenken aan de gedane aanbieding van de ‘Kennemer Elektriciteit Maatschappij’. Zij vragen bovendien om advies in te winnen bij die gemeenten die reeds een contract met die maatschappij hebben afgesloten.

Besluit tot bouw van de gasfabriek

In de vergadering van 6 augustus 1913 besluit de Raad toch gas te prefereren boven elektriciteit en opdracht te geven aan de firma Spruit en Bakker tot het bouwen en volledig installeren van een steenkolengasfabriek met inbegrip van buizennet, lantaarns en alles wat voor het in exploitatie brengen benodigd mocht zijn voor de som van 61.810 gulden.

De opdracht voor de gasfabriek gaat naar firma Spruit en Bakker uit Den Helder.
De opdracht voor de gasfabriek gaat naar firma Spruit en Bakker uit Den Helder.

Deze aanbieding is aanzienlijk kleiner van opzet; de gaslevering aan Limmen is vervallen, het buizennet veel korter en de bouw van de directeurswoning is hieronder niet begrepen; op 27 augustus 1913 keurt GS dit raadsbesluit goed. Een maand eerder al had GS goedkeuring gehecht aan de aankoop van de grond, daarbij de kanttekening makend dat ze niet voldoende termen aanwezig achtten om de goedkeuring te onthouden; “We kunnen ons evenwel met het voornemen tot den bouw der gasfabriek, die zoo weinig uitzicht van rentabiliteit aanbiedt in geenen deele vereenigen en constateeren dat bij deze.”

De plaats van de gasfabriek aan het begin van de Oude Haarlemmerweg en de omliggende bebouwing bij de oprichting van de fabriek in 1913.
afb. 3 De plaats van de gasfabriek aan het begin van de Oude Haarlemmerweg en de omliggende bebouwing bij de oprichting van de fabriek in 1913.

Jaarboek 14, pagina 7

Directeurswoning

De bouw van een directeurswoning bij de gasfabriek volgens het ontwerp van de architecten Veldkamp en Wenink gaat bij openbare inschrijving; in totaal hebben 16 aannemers op maandag 6 oktober 1913 ingeschreven met aanneemsommen vari√ęrend van 4.124 tot 5.250 gulden. De Raad vindt het bedrag voor de woning te hoog en wil met een nieuw plan komen en dat dan onderhands gunnen aan de laagste inschrijver. Op 17 november 1913 wordt opnieuw ingeschreven, echter uitsluitend door de plaatselijke aannemers te weten G.Borst, G. Kabel, Jac. Res, J. Tromp, Joh. Vlaar en J.Weel. De laagste inschrijver is aannemer Johannes Tromp voor een bedrag van 3.389 gulden; aan hem wordt op 20 november 1913 de bouwopdracht gegund.

De nieuwe gasfabriek met rechts de directeurswoning.
afb. 4 De nieuwe gasfabriek met rechts de directeurswoning.

3. Bouw en exploitatie van de fabriek

De opbouw van de fabrieksinstallatie

De bereiding van steenkoolgas, ook wel stadsgas genoemd, berust op een vrij eenvoudig principe: steenkool wordt in ovens verhit zonder dat zuurstof vrij kan toetreden; daarbij komt gas vrij dat afzonderlijk wordt opgevangen. Dit gas wordt verder afgekoeld en gezuiverd van ammoniak, teer en zwavelwaterstof en kan daarna worden gebruikt voor verlichting, verwarming en andere doeleinden. Het ontwerp van de gasfabriek in Castricum is gebaseerd op een dagproductie van 1.000 kubieke meter.

Het gebouwencomplex zal bestaan uit een stokerij met daaraan grenzend een steenkolenloods, waarvan een gedeelte voor werkplaats is bestemd, een toestellenkamer, een zuiverhuis met regeneratieruimte, een meterkamer, een gashouder, een kantoor, magazijn, badruimte en schaftlokaal.

In de stokerij worden twee ovens geplaatst, een met 4 en een met 2 retorten (vaten). De 4-retortsoven zal in de drukste tijden in bedrijf zijn en de 2-retortsoven in de zomermaanden. De ovens zijn zogenaamde generatorovens met horizontale retorten. Retorten zijn circa 3 meter lange buizen gemaakt van vuurvaste steen, ze worden gevuld met steenkool; door uitwendige verhitting worden de steenkolen omgezet in kooksgas en kooks. Elke oven heeft een eigen schoorsteen boven het ovenblok, aan de achterzijde wordt ‘geslakt’ en aan de voorkant is een bedieningsgalerij.

Een plattegrond van het fabrieksgebouw met daarbij aangegeven de indeling bij de start in 1914.
afb. 5 Een plattegrond van het fabrieksgebouw met daarbij aangegeven de indeling bij de start in 1914.

Vanuit de retorten komt het gas via een verzamelbuis (de main) en door een ringvormige koeler (condensor) voor de eerste afscheiding van koolteer, ammoniak en water. Een vleugelpomp (exhauster) in de meterkamer zorgt voor het verdere transport van het gas door de teerafscheider (pelouze) en de ammoniakwasser (scrubber). In het laatste toestel werd door middel van roterende houten borden het ammoniakgas opgelost in water.

Hierna gaat het gas naar het zuiverhuis om te worden gezuiverd van zwavelwaterstof. In het zuiverhuis staan twee zuiverkisten (elk ruim 3 kubieke meter), die zijn voorzien van 3 lagen houten roosters, waarop ijzeraarde (ijzeroxyde-hydraat) wordt aangebracht, waardoor het gas stroomt. De afgewerkte ijzeraarde wordt door uitspreiding in de lucht in de regeneratieruimte weer actief gemaakt om opnieuw te worden gebruikt.

Na het zuiverhuis passeert het gas achtereenvolgens de fabrieksmeter, de gashouder met een capaciteit van 600 kubieke meter en de regulateur, die het gas op de juiste druk in het buizennet handhaaft. De fabrieksmeter en regulateur staan opgesteld in de meterkamer.

Even buiten de fabriekshal wordt een waterdichte put gebouwd van gewapend beton met een inhoud van 25 kubieke meter voor berging van teer en ammoniakwater. De opdracht aan de firma Spruit en Bakker omvat bovendien de levering van:

  • 50 complete lantaarns (met staande gloeilichtbranders, dagvlam, kousen en kraan met hevel)
  • 30 lantaarnpalen (20 bestaande palen waren nog bruikbaar) buizennet van in totaal 4.250 meter
  • muntmeters
  • gereedschap voor smederij en fitterij
Hier een voorbeeld van retortovens; hier meerdere ovens met elk 9 retorten in de grote gasfabriek te Alkmaar.
afb. 6 Hier een voorbeeld van retortovens; hier meerdere ovens met elk 9 retorten in de grote gasfabriek te Alkmaar.

Jaarboek 14, pagina 8

De kleine gashouder aan de Oude Haarlemmerweg.
afb. 7 De kleine gashouder aan de Oude Haarlemmerweg.

Het eerste gas op 27 februari 1914

De bouw van de fabriek verloopt voorspoedig. Jacob Blaauboer, directeur van de gasfabriek te Egmond aan Zee is door de gemeente Castricum aangezocht om de bouw deskundig te begeleiden, de betalingen te verrichten enzovoorts. Al op 27 februari 1914 wordt het eerste gas geleverd. Op de vooravond van de dag dat de gasfabriek ‘licht zal verschaffen’, vraagt de gemeenteraad zich af of dit met enig feestvertoon zal plaats vinden, maar de burgemeester acht het beter nog wat te wachten totdat de gehele leiding in orde is. Eerder zijn er advertenties geplaatst voor een stoker en voor een baasfitter; dit laatste is de offici√ęle benaming voor de bedrijfsleider van de gasfabriek. Als baasfitter wordt Johannes H. L. van Kortenhoff op een jaarinkomen van 750 gulden aangesteld met bovendien vrij wonen en vrij ‘vuur en licht’. De stoker wordt Mattheus Kools op een jaarinkomen van 715 gulden; hij komt net als de baasfitter van Bergen op Zoom.
Voorafgaande aan de inbedrijfstelling is in december 1913 door de gemeenteraad een verordening aangenomen, waarin de voorwaarden zijn geregeld voor de levering van gas door de gemeente; allerlei bepalingen over de aansluitkosten, gasmeterhuur enzovoorts zijn in deze verordening vastgelegd; tevens wordt de zogenoemde gascommissie ingesteld; deze commissie bestaat uit 3 gemeenteraadsleden en heeft tot taak B en W bij te staan in het beheer van de gasfabriek door regelmatig toezicht te houden op het financieel beheer en op de toestand en de werking van de gasfabriek. De samenstelling van de ‘Commissie van Bijstand in de Gemeente Gasfabriek’, zoals de gascommissie officieel heet, gaat bestaan uit wethouder P.J. Valkering als voorzitter en de raadsleden P. Kuijs en G. Louter; de baasfitter is secretaris.

In dezelfde raadsvergadering worden de voorwaarden vastgesteld waarop muntgasmeters ter beschikking worden gesteld. Hieruit blijkt dat bij muntgasverbruikers de binnenleiding, een harplamp met brander en een gaskomfoor in bruikleen kan worden aangelegd respectievelijk beschikbaar gesteld. De muntgasverbruiker verplicht zich daarbij wel om minimaal 150 kubieke meter gas per jaar af te nemen, in geval van een lager verbruik moet worden bijbetaald.

Exploitatie van de gasfabriek in de beginjaren

In mei 1915 verschijnt een gedrukt verslag ‘omtrent den toestand en de exploitatie der Gemeente-Gasfabriek te Castricum over het 1e bedrijfsjaar 1914’. Hieruit blijkt dat in dat jaar de totale gasproductie 112.543 kubieke meter is geweest en dat hiervoor 407.044 ton steenkolen is ingezet. De gasproductie schommelt in dit jaar afhankelijk van het seizoen tussen 86 en 732 kubieke meter per etmaal. De gaslevering is verdeeld over de gewone meters (71 procent), de muntmeters (16 procent), de straatverlichting (4 procent) en voor eigen gebruik van de fabriek met woonhuis (3,4 procent); voor gasmotoren wordt slechts 1,5 procent afgeleverd. De overige producten zijn 282 ton cokes, 16,3 ton koolteer en 200 hectoliter ammoniak. De cokes wordt voor ruim de helft gebruikt voor het stoken van de ovens, het overige wordt verkocht aan de Castricummers. De ammoniak wordt gedeeltelijk als eerste kennismaking gratis verstrekt aan de Castricumse landbouwers. Op 31 december 1914 is het buizennet uitgebreid tot een lengte van 9.073 meter en zijn er 291 gewone meters en 100 muntmeters geplaatst. De openbare verlichting wordt volledig door de gasfabriek verzorgd, wel zijn er nog veel problemen met de ontsteking van de lantaarns.

Het jaar 1914 wordt met een nadelig saldo van 2.589 gulden afgesloten. Het uitbreken van de eerste wereldoorlog met daardoor een stijging van de kolenprijzen heeft een ongunstig gevolg voor de exploitatie, waardoor de eerste drie jaren van de gasfabriek nog verliesgevend zijn. In 1917 en 1918 is er volgens de balans echter een redelijke winst gemaakt van rond 3.400 gulden per jaar. Dit is van korte duur, want over het jaar 1919 wordt er een verlies gemaakt van niet minder dan 7.910 gulden.

Buizennet

Het bij de bouw vastgestelde buizennet had een totale lengte van 4.250 meter ijzeren buis. Tijdens de bouw van de fabriek wordt het net reeds uitgebreid met de Kramersweg over het spoor, het Schulpstet, Noordeind en de Oosterbuurt; na de inbedrijfstelling volgen onder andere de Cieweg, Schoutenbosch, 1e en 2e Groenelaan en Peperstraat. Op 31 december 1914 heeft het net een totale lengte van 9.073 meter.

Onder de dorpsbewoners bestond grote belangstelling om aangesloten te worden op het gasnet. De bewoners van de Kramersweg over de spoorlijn en van de Duinkant richten al in een vroeg stadium een verzoek aan het gemeentebestuur om aansluiting aan de nog te bouwen gasfabriek, zowel voor verlichting maar vooral voor het kookgas. Zo schrijven ook de zeven bewoners van de Hoogevoort in 1917 een brief, waarin zij reageren op het afwijzen van hun verzoek om te mogen worden aangesloten op het gasbuizennet: “Opdat zij bewoners der Hoogevoort ook in ‘t genot konden gesteld worden, zoowel licht als kookgas te gebruiken.” Het gemeentebestuur had het verzoek afgewezen mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken; als reden werden de heersende kolenschaarste en de grote kosten opgegeven.

De bewoners van de Hoogevoort constateren echter dat er elders wel verschillende aansluitingen plaats vinden, met name


Jaarboek 14, pagina 9

worden de broederswoningen op het Gestichtsterrein van Duin en Bosch genoemd: “(…) die toch zeker niet minder kostbaar zal zijn, als een eventuele aansluiting voor de Hoogevoort, terwijl in de broederswoningen voor verlichting elektrisch licht aanwezig is en ondergetekenden zich met een olielamp of een stukje kaars moeten behelpen, verzoeken nogmaals beleefd doch dringend dat ook hunner woningen in het gasbuizennet worden opgenomen, temeer daar zij met den op handen zijnde winter totaal van alles zijn verstoken en alleen zijn aangewezen (vooral met het oog op de bereiding van spijzen en dranken) op het gebruiken van fornuis of kachel, waar geen of altijd in zeer ontoereikbare mate, brandstof voor aanwezig is.”

Vanwege de hoge kosten is het advies van de gascommissie negatief. Om dezelfde redenen werd eenzelfde verzoek reeds eerder afgewezen. Hierbij werd opgemerkt dat de prijzen van de materialen door de oorlogsomstandigheden weer zijn gestegen.

In de beginjaren van de gasfabriek werd het buizennet nog maar beperkt uitgebreid. Was het eind 1914 ruim 9 kilometer, vijftien jaar later, eind 1929, is het nog maar 11 kilometer. In de jaren (negentien) dertig komt de grote uitbreiding met aan het einde van 1939 een totale lengte van niet minder dan 27 kilometer.

De gasploeg aan het werk bij de hoek Stetweg - Van Oldenbarneveltweg in Bakkum.
af. 8 De gasploeg aan het werk bij de hoek Stetweg – Van Oldenbarneveltweg in Bakkum; van links naar rechts Jan Korsman, Jan D. Korver, Van der Himst, Jaap Beentjes, Cees van der Himst, Jan Stef en Frans Zonneveld.

Straatverlichting op gas

Bij de opzet van de gasfabriek in onze gemeente wordt in hoofdzaak gedacht aan gas voor verlichtingsdoeleinden. De straatverlichting op gas wordt dan ook ervaren als een van de eerste symptomen van de moderne tijd na eeuwen van duisternis en schaarse olielampjes. Belangrijk element in de besluitvorming voor de bouw van een gasfabriek vormt daarom ook de straatverlichting. Al tijdens de bouw van de gasfabriek wordt door Rijkswaterstaat goedkeuring verleend om langs de Rijksweg (Dorpsstraat) gasstraatverlichting aan te leggen en daarop 14 gaslantaarns aan te sluiten. Bij de bouw van de fabriek hoort ook de levering van 30 complete lantaarnpalen en 20 lantaarns, die op de bestaande (olie) lantaarnpalen kunnen worden gemonteerd.

Het gasverbruik aan de straatverlichting is voor de gemeente een aanzienlijke kostenpost. Waar dit mogelijk is wordt het aantal branduren verminderd. Zo wordt bij volle maan de straatverlichting niet ontstoken en worden de meeste straatlantaarns al om half elf ‘s avonds gedoofd.

De gasploeg voor de kapperswinkel van Bertus Stuifbergen aan de Dorpsstraat nu het tabakswinkeltje van 'Guurtje'.
afb. 9 De gasploeg voor de kapperswinkel van Bertus Stuifbergen aan de Dorpsstraat nu het tabakswinkeltje van ‘Guurtje’; van links naar rechts Nijsen, Nijman, Korsman, Korver en kantonnier Bot.

Regelmatig komen verzoeken van de Castricumse bewoners voor plaatsing van straatlantaarns. In 1924 is dit een verzoekschrift dat door 29 bewoners van de Torenstraat, Ruiterweg en Hoogevoort is ondertekend. In dat jaar staan er inmiddels 75 lantaarns in de gemeente, waarvan er 6 de gehele nacht door branden. Een jaar eerder is op verzoek van de vereniging ‘Castricum Vooruit’ voor het huis van de verloskundige in de Burgemeester Mooijstraat een lantaarn geplaatst, die de gehele nacht brandt. Met de groei van Castricum wordt de straatverlichting gestaag uitgebreid. Zo bedraagt het aantal lantaarnpalen in 1914, 1924, 1934 en bij de laatste opgave in 1940 achtereenvolgens 50, 75, 179 en 257 stuks.

Het aansteken en doven van de vele lantaarnpalen is een arbeidsintensief gebeuren. In de jaren (negentien) twintig worden de meeste gaslantaarns van een zogenaamd uurwerk voorzien. Nog later worden deze uurwerken vervangen door drukstootapparatuur; dit is een automaat die reageert op een verhoging van de gasdruk in het buizennet vanuit de gasfabriek, waardoor de gastoevoer naar de waakvlam wordt geopend of gesloten. Bij een opgave in 1933 zijn er van de 156 lantaarns nog slechts 2 op handbediening. Ook blijkt uit deze opgave dat er grote verschillen bestaan in de lichtopbrengst van de lantaarns; zo zijn er 4-, 3- of 2-vlamslantaarns in aantallen van respectievelijk 10, 67 en 79 lantaarns. Op de belangrijkste (kruis)punten worden de 4-vlamslantaarns geplaatst.

Vanaf de gasfabriek komen we over de spoorweg aan de Dorpsstraat rechts van de weg tegenover Funadama hier een op gas gestookte straatlantaarn tegen; het is omstreeks 1916, rechts van de weg liggen de tramrails van de stoomtram.
afb. 10 Vanaf de gasfabriek komen we over de spoorweg aan de Dorpsstraat rechts van de weg tegenover Funadama (Dorpsstraat 2) hier een op gas gestookte straatlantaarn tegen; het is omstreeks 1916, rechts van de weg liggen de tramrails van de stoomtram.

Jaarboek 14, pagina 10

Grote verliezen voor de gasfabriek

Naar aanleiding van de onrendabele exploitatie heeft op verzoek van het Gemeentebestuur de heer J. Adriaanse uit Harderwijk in oktober 1920 een rapport opgesteld over de exploitatie van de gemeente gasfabriek. Als belangrijkste oorzaken voor de problemen stelt hij:

  • dat door het beschikbaar komen van elektriciteit, de gasfabriek gedegradeerd is tot leverancier van uitsluitend kookgas;
  • de kleine omvang der gemeente;
  • de gemakkelijke en goedkope wijze waarop petroleum weer verkrijgbaar is;
  • de hoge kosten van de bouw der gasfabriek;
  • de onvoordelige positie, waarin vooral kleine gasfabrieken door de regelingen der Rijkskolendistributie (in verband met de 1e wereldoorlog) gebracht zijn.

Daartegenover stelt de heer Adriaanse dat de fabriek op de grens staat van het al of niet kunnen renderen en niet al te grote offers eist van gemeente of gebruikers; dat de abnormale kolentoestand met zijn verrekening van cokesprijzen niet altijddurend kan zijn en dat in een moderne gemeente gas niet meer te missen is. Verder kunnen een kleine vermeerdering der bevolking, een levering aan het naburige ziekenhuis, een betere regeling der kolenprijzen en die der bijproducten reeds bestaansmogelijkheid aan de fabriek verlenen.

Conclusies uit het onderzoek inzake alternatieven zijn:

  1. Uitbreiding van de gasproductie door aansluiting van naburige gemeenten is uit financieel oogpunt onmogelijk.
  2. Bij verkoop van de gasfabriek lijdt de gemeente zeker een verlies van 63.000 gulden.
  3. Voortzetting der exploitatie tegen behoorlijke gasprijzen is niet mogelijk tenzij de jaarproductie minstens 180.000 kubieke meter bedraagt.

Er zijn nu in Castricum 530 afnemers met een gemiddeld verbruik van 300 kubieke meter per jaar; bij de huidige productie en een gasprijs van 25 cent per kubieke meter bedraagt het jaarlijks verlies 10.000 tot 13.000 gulden.

Het gemeentebestuur besluit de gasfabriek in eigen exploitatie te houden, omdat dit financieel gunstiger is dan verhuur.

Electriciteit in Castricum

De Kennemer Elektriciteits Maatschappij (K.E.M.) heeft een centrale in IJmuiden en voorziet IJmuiden en direct aangrenzende plaatsen van elektriciteit. Op 23 mei 1911 kondigt de maatschappij plannen aan middels een schrijven aan de gemeentebesturen om een gedeelte van Noord-Holland van elektrische stroom te gaan voorzien vanuit de centrale in IJmuiden. Ook in het noorden van onze provincie zijn er plannen; een commissie tot voorbereiding van de elektrische centrale voor Westfriesland vraagt in juni 1911 aan het gemeentebestuur toe te treden tot een nog op te richten N.V.

Castricum kent nog niet het gemak van elektriciteit; ook in een groot aantal andere plaatsen is dit nog het geval. Elektriciteit staat nog in de kinderschoenen. Er moet een moeilijke keuze gemaakt worden tussen de bouw van een gasfabriek of de aansluiting op een elektriciteitscentrale, zoals ook eerder in dit artikel is gemeld.

Voor de lichtvoorziening heeft elektriciteit, hoewel het vrij duur is, toch de voorkeur; voor het koken is steenkolengas een beter alternatief dan petroleum of haardvuur. Castricum kiest dus voor de gasfabriek, met de elektriciteit als geduchte concurrent, zo spoedig zal blijken.

Op 3 december 1914 krijgt het gemeentebestuur van Gedeputeerde Staten een brief betreffende de levering van elektrisch licht aan inwoners van de gemeente. Volgens de provinciale verordening is dit niet meer tegen te houden. B. en W. stellen aan GS voor om hieraan voorwaarden te stellen en dat alleen elektrisch licht mag worden geleverd voor een bepaalde prijs en niet gratis, omdat dit oneerlijke concurrentie zou zijn. Nu de gasfabriek van de gemeente grote financi√ęle offers vraagt, wil het gemeentebestuur de elektriciteitsvoorziening zoveel mogelijk blokkeren.

Zo vraagt de K.E.M. in maart 1915 vergunning om in gemeentegrond laagspanningskabels te mogen leggen vanaf de Dorpsstraat door de Schoolstraat naar de stoomzuivelfabriek ‘De Holland‘ aan de Breedeweg en naar het huis van de heer J.F. Rommel aan de Kramersweg (nu Burgemeester Mooijstraat) gelegen circa 75 meter van de Dorpsstraat. Het gemeentebestuur wil hiervoor alleen vergunning verlenen als de K.E.M. geen gratis licht en geen gratis installaties levert. In haar reactie stelt de K.E.M. dat de tarieven in Castricum gelijk zijn aan elders, maar dat voor het eerste jaar de gebruiker de keuze heeft tussen het zelf bekostigen van de installatie met het recht op een jaar lang gratis stroom of het ontvangen van een gratis installatie met onmiddellijke ingang van de betaling van de stroom.

Ook GS laten van zich horen; zij eisen dat het gemeentebestuur deze voorwaarde intrekt, omdat het daartoe geen bevoegdheid heeft. Burgemeester Mooij deelt mee dat de voorwaarde onder protest wordt ingetrokken, erop wijzend dat de leveranties door de K.E.M. “groote concurrentie zou aandoen aan de gemeentelijke gaslevering, waar de financi√ęle toestand der gemeente niet van dien aard is, dat deze een dergelijk voordeel ook aan de ingezetenen kan bieden.”

De burgemeester geeft zich nog niet helemaal gewonnen. Hij eist van de K.E.M. voor elke kabellegging jaarlijks een recognitie (heffing) van één gulden. De K.E.M. gaat met deze voorwaarde niet akkoord, maar om toch stroom aan de kaasfabriek en de heer Rommel te kunnen leveren, besluit zij voorlopig te betalen en vervolgens rechtskundig na te gaan of de heffing wettig is.

Een half jaar later in februari 1916 neemt de gemeenteraad het besluit om de gasprijs met 2 cent per kubieke meter te verhogen van hen die aan de elektriciteitskabel zijn aangesloten; dit in verband met de toename van het aantal aansluitingen aan de kabel. De verhoging is niet van toepassing op degene die de elektriciteit uitsluitend als drijfkracht gebruikt.

Gemeentelijke Lichtbedrijven Castricum in 1920

De hierboven geschetste merkwaardige toestand waarbij de gemeente als ondernemer van de gasfabriek haar macht misbruikt om de concurrentie met elektriciteit tegen te gaan, kan geen stand houden. In de gemeenteraad gaan oktober 1917 stemmen op om het elektrisch bedrijf in eigen beheer te nemen. De raad vraagt overleg te plegen met het Provinciaal Elektrisch Bedrijf van Noord Holland (PEN), die inmiddels de zaken van de K.E.M. had overgenomen.

In deze periode levert de stroomvoorziening rechtstreeks aan de gebruiker het PEN grote verliezen op. Daarom worden er van de zijde van de Provincie herhaaldelijk pogingen in het werk gesteld om de diverse gemeenten te bewegen de stroomdistributie zelf ter hand te nemen. Hierbij wordt met name betoogd dat bij de tariefstelling de gemeente meer dan het PEN rekening kan houden met de behoeften der plaatselijke verbruikers. Tegen het eind van 1919 zwicht onze gemeente voor deze drang; het PEN verzekert bovendien dat de stroomtarieven in de toekomst niet onbelangrijk zullen


Jaarboek 14, pagina 11

worden verlaagd, waarbij de gemeente belangrijke exploitatiewinsten worden voorgespiegeld. Per 1 januari 1920 vindt de stichting van het Gemeentelijk Elektriciteits Bedrijf (G.E.B.) plaats. Het plaatselijke laagspanningsnet inclusief alle aansluitingen, meters, munten, gratis installaties, wordt overgenomen van het PEN; bij het gasbedrijf wordt een afdeling elektriciteit gevoegd, de naam Gasfabriek Castricum wordt gewijzigd in Gemeentelijke Lichtbedrijven Castricum.

Gemeentelijke Lichtbedrijven Castricum.
Gemeentelijke Lichtbedrijven Castricum.

De nieuwe afdeling maakt niet alleen gebruik van de faciliteiten die het kantoorpersoneel kan bieden, maar krijgt ook de beschikking over een kleine werkplaats, waar de elektriciteitsmeters door de heer Klesse konden worden geijkt en van waaruit de alom bekende Henk van Amersfoort zijn werkzaamheden in de gemeente kon verrichten.

Directeur Jacobus van Hoeve op latere leeftijd.
afb. 11 Directeur Jacobus van Hoeve op latere leeftijd.

De affaire Van Kortenhoff

De leiding van de gasfabriek is niet in goede handen. Al vrij snel blijkt dat de administratie niet in orde is. Al in 1916 wordt deels op kosten van de inmiddels tot directeur benoemde Van Kortenhoff een andere administratie ingevoerd, die regelmatig door de De Wit, directeur van de gasfabriek te Velsen, wordt gecontroleerd. Het financi√ęle beheer blijft slecht, de directeur moet steeds gecontroleerd worden, de administratie loopt achter en de directeur zou ten onrechte brandstoffen verstrekken. Eind 1919 valt het besluit om de directeur te ontlasten van het financi√ęle beheer en hem alleen de technische leiding te laten.

Omdat de directeur regelmatig in gebreke is, wil het gemeentebestuur hem niets van het elektrisch bedrijf in handen geven; de directeur volgt namelijk cursussen om ook als lijnwerker aan het elektrisch net een vaste aanstelling te krijgen. In augustus 1920 is de maat vol; de gascommissie heeft ontdekt dat de directeur privé-uitgaven op het bedrijf heeft geboekt; hem is de gelegenheid gegeven eervol ontslag aan te vragen. Dat heeft hij gedaan en vervolgens is hem dat op 1 december 1920 verleend.

Directeur Jacobus Van Hoeve

Op de vacature voor een nieuwe directeur komen 3 sollicitanten; de beste papieren heeft Jacobus van Hoeve, op dat moment nog werkzaam in Visby (Zweden). De 27 jarige Van Hoeve wordt aangenomen per 1 maart 1921. Hij komt met zijn vrouw Margaretha de Beurs begin maart van dat jaar in Castricum wonen; 3 maanden later wordt hier hun enige kind en dochter Maria geboren.

Directeur Van Hoeve weet het verlies van de gasfabriek aanzienlijk te verlagen, toch zal het nog wel even duren voordat er winst gemaakt wordt, mede door de voortdurende verlaging van de gasprijzen. Bij de verlaging van de gasprijs van 14 op 10 cent per kubieke meter in de raadsvergadering van 17 december 1925 spreekt raadslid Liefting nog de hoop uit dat de gasfabriek gunstiger resultaten mag hebben, daarbij verzucht hij: “Misschien wordt dit zwarte monster nog eens een blanke maagd.”

De grootste financi√ęle zorgen behoren echter tot het verleden; de verliezen van de gasfabriek worden ruimschoots gecompenseerd door de winst van het elektriciteitsbedrijf.

De gasproductie

De gasproductie blijft tijdens de periode Van Kortenhoff op ongeveer één niveau; na de komst van Van Hoeve zien we in de jaren die volgen de gasproductie aanzienlijk stijgen. Dit houdt ook verband met het einde van de eerste wereldoorlog en vooral met de voortdurende uitbreiding van Castricum. In afbeelding 12 is het verloop van de gasproductie geschetst vanaf de start in 1914 met een gasproductie van 112.543 kubieke meter tot 1.418.540 kubieke meter in 1942.

De gasproductie per jaar vanaf ruim honderdduizend in 1914 tot bijna anderhalf miljoen kubieke meters in 1942.
afb. 12 De gasproductie per jaar vanaf ruim honderdduizend in 1914 tot bijna anderhalf miljoen kubieke meters in 1942.

Terwijl de gasproductie in de periode 1914 – 1942 dus met een factor 12 is toegenomen, zijn ook de productie van cokes en koolteer respectievelijk met een factor 9 en 7 gegroeid; door een meer effici√ęnte procesvoering houdt het verbruik aan steenkolen


Jaarboek 14, pagina 12

geen gelijke tred met de gasproductie; de toename is slechts een factor 9. In het begin wordt de ammoniak verkocht aan de Centrale Ammoniakfabrieken in Weesperkarspel. Door hoge transportkosten is dit niet meer rendabel en vindt het ammoniak zijn weg in het riool en het oppervlaktewater of wordt gratis geleverd aan de Castricumse landbouwers. De geproduceerde koolteer kan in vaten regelmatig afzet vinden bij de Nedteer te Diemen.

Bedrijfsuitbreidingen

Met de stijging van de gasproductie moet ook het bedrijf worden uitgebreid. Bij de start van de fabriek is het terrein nog slechts 1.959 kubieke meter groot; in de loop der jaren is het vergroot tot 5.029 kubieke meter. De belangrijkste terreinuitbreidingen zijn:

  • in 1928 met 950 kubieke meter voor de bouw van een grote kolenloods van steen ter vervanging van de kleine houten loods;
  • in 1932 met 410 kubieke meter voor de bouw van een tweede gashouder;
  • in 1938 met 1.700 kubieke meter voor de opslag van cokes.
Het bedrijfsterrein in 1913 en na de laatste uitbreiding in 1938.
afb. 13 Het bedrijfsterrein in 1913 en na de laatste uitbreiding in 1938.

Investeringen

De belangrijkste investeringen voor het gasbedrijf betreffen de ovens, de uitbreiding van het buizennet en de bouw in 1932 van een tweede gashouder met een inhoud van 1.500 kubieke meter, waardoor de opslagcapaciteit van de fabriek wordt verhoogd van 600 naar 2.100 kubieke meter gas. Door de hoge tot zeer hoge temperaturen moeten de ovens regelmatig worden gerepareerd of vernieuwd; ook eist de stijging van de gasproductie een uitbreiding van de ovencapaciteit. Zo wordt ter vervanging van een oude oven en ter vergroting van de capaciteit zowel in 1922 als in 1925 een nieuwe oven met 6 retorten gebouwd. In 1934 wordt een zogeheten schuinkameroven in bedrijf gesteld; de twee retortovens blijven dan in reserve.
De schuinkameroven is een nieuw ontwikkeld oventype met een hoge gasproductie. Aanvankelijk bestaat de oven uit vier kamers, later zijn er nog twee kamers bijgebouwd. Een kamer is 30 cm breed, 9 meter hoog en circa 5 meter lang; in elke kamer kan 1.200 kg kolen worden geladen. De zeer smalle kamers worden door het ‘ondervuur’ aan weerszijden verhit, hierdoor wordt een hoge gasproductie bereikt van 3.300 kubieke meter per dag met vier kamers.

Al spoedig is er ook behoefte om bij de gasfabriek een toonkamer in te richten. In 1924 was reeds de winkel van J. Boon tevens ingericht als toonkamer van gasartikelen, zoals gascomforen, kachels en fornuizen; deze artikelen blijven het eigendom van de gemeente. Toch is dit niet ideaal en in 1925 valt het besluit om een directeurswoning bij te bouwen en de reeds bestaande woning in te richten voor kantoor, archief en toonkamer van de gasfabriek; het bestaande kantoor wordt dan werkplaats. In 1936 wordt de toonkamer nog eens flink uitgebreid.

Het spreekt vanzelf dat in de loop der jaren ook apparatuur in de meterkamer (koeler, ammoniakwasser, zuiverkisten enzovoorts) wordt vervangen en uitgebreid. Nieuwe installaties die in de beginjaren nog niet beschikbaar waren, zijn:

  • een gasmotor, die loopt op het eigengemaakte gas en gebruikt wordt voor de aandrijving van verschillende werktuigen in tijden dat er veel gas beschikbaar is (gashouder vol); is dit niet het geval dan worden elektromotoren ingeschakeld.
  • een stoomketel, die wordt gestookt met cokes en die stoom produceert voor verwarmingsdoeleinden om onder andere de teer te kunnen rondpompen.
  • machines voor het vullen van de ovens met kolen (laadschop met kiepinrichting), voor het transport van kolen van de spoorwagons (die opgesteld staan op een zijspoor langs de spoorlijn) naar de kolenopslag en voor het transport van cokes van de ovens naar de opslag (een kabelhellingbaan met trolley, aangedreven door een elektrische lier).

4. Het personeel en hun werk

Het gasbedrijf van alledag

Om een idee te geven van de dagelijkse gang van zaken op de gasfabriek heb ik informatie ingewonnen bij enkele ex-medewerkers, waaronder Niek de Graaf, die vele jaren tot aan de sluiting werkzaam was op het kantoor van de gasfabriek.

Het vaste personeel van de gasfabriek bestond uit een directeur, twee mensen op kantoor, drie fitters (allen in dagdienst) en dan nog vier stokers in ploegendienst. Het merendeel van de werkzaamheden op het terrein van de gasfabriek werd verricht in de stokerij, de fitterij en op het kantoor; daarnaast waren buiten de fabriek vooral de werkers aan het leidingnet en de meteropnemer werkzaam.

De stokerij

Of u nu ‘s ochtends vroeg, ‘s avonds laat, overdag of ‘s nachts, door de weeks of op zon- en feestdagen het terrein van de gasfabriek zou betreden, er zou altijd tenminste √©√©n man aanwezig zijn: de stoker. Een gasfabriek is namelijk een continu bedrijf waar dag-in-dag-uit gas wordt geproduceerd, zodat de verbruiker nooit verstoken is van gas. Onafgebroken gaslevering was dan ook de dwingende taakstelling van het bedrijf. Als door bepaalde oorzaken de gasdruk in het leidingnet √©√©n enkele seconde zou wegvallen en daardoor de gastoestellen in de woningen zouden doven, dan zouden de gevolgen ernstig kunnen zijn. In feite is hiervoor uiteraard de directeur verantwoordelijk, maar in de praktijk was het de stoker, die in zijn eentje bij nacht en ontij deze verantwoording moest dragen.

Wat hield het werk van de stoker in? Allereerst het stoken van het ondervuur met cokes voor het op temperatuur brengen en houden van de kamerovens; dan het met kolen vullen van de zes kamers: dit moest afhankelijk van de soort kolen en de gasbehoefte elke 6 à 8 uur gebeuren. Voordat de kamers werden gevuld, moest vooraf in de hitte en de rook van de geopende zijdeur de gloeiende cokesmassa worden Iosgestoken, afgevoerd en geblust, waarna de cokes via de cokesbreker naar het opslagterrein werd getransporteerd. De stoker was ook verantwoordelijk voor de kwaliteit van het geproduceerde gas, waartoe regelmatig toezicht op en registratie van de meetwaarden van de daarvoor bestemde toestellen en apparaten werd verwacht.


Jaarboek 14, pagina 13

Het werk van de stoker was heet en zwaar: het stoken van de generator, het laden van de ‘kamers’ met kolen, het los steken van de cokes. Hij werkte acht uur: om 06.00 uur, 14.00 uur of 22.00 uur werd hij afgelost. Het kwam wel voor dat hij voor 2 kwartjes per uur een extra wacht moest werken, als de stoker van de volgende wacht ziek was. Stoker Dirk de Graaf vond de zondagmiddag, als andere vaders met hun kinderen naar het duin konden gaan, de meest vervelende dienst. Waarlijk een weinig benijdenswaardig beroep, waarvan een gedeelte in de open lucht moest plaats vinden ook in duisternis en bij noodweer. Ja, de stokers waren de echte gasmannen. Als zodanig zijn in de loop der jaren werkzaam geweest: Mattheus Kools, Frans Tromp, Jan Verdwaald, Jan Korsman, Jaap Baltus, Dirk de Graaf, Gerrit, Janus en Nardus Lute.

Voor de deur naar de stokerij.
afb. 14 Voor de deur naar de stokerij; van links naar rechts Jan Korsman, Arie Stel en Jacob Baltus (als stoker en/of terreinwerker), Johanna Grobbe en Pieter Gorter (respectievelijk als werkster en boekhouder op het kantoor).

Op de gasfabriek zijn nooit zeer ernstige ongelukken gebeurd. Het bleef beperkt tot het breken van ledematen of dergelijke. Zo brak Dirk de Graaf een arm bij het lossen van kolen. Korsman had vaker een ongeluk gehad; hij was de komiek onder de stokers. Zo probeerde hij eens een drijfriem om een nog draaiende as te leggen, dit kostte hem bijna een hand. Ook had hij een keer een stroomrail vast met 220 volt, wat fataal voor hem had kunnen aflopen, als de directeur niet razendsnel de stroom had uitgeschakeld. Grote hilariteit ontstond toen Korsman in de teer was gevallen en door zijn collega’s van boven tot onder moest worden gereinigd.

Naast de fabriek met op de achtergrond de kleine gashouder.
afb. 15 Naast de fabriek met op de achtergrond de kleine gashouder; van links naar rechts directeur Van Hoeve, Van Amersfoort, onbekend (2x), Jan Verdwaald, Thomas Portegijs, Jan D. Korver, Piet Nijman en onbekend.

De stoker werd ook ingeschakeld om met behulp van het gaskastje huisdieren te vergassen. Voor twee kwartjes kon men zijn hond of kat laten vergassen. Vooral direct na de verhoging van de hondenbelasting kwamen veel Castricummers met hun zogenaamd zieke hond om het beest te laten vergassen. De stoker plaatste een kast over het huisdier en liet via een slang onder de kast gas ontsnappen. De dieren waren onmiddellijk dood. Dat het niet altijd naar wens verliep wist Dirk de Graaf te vertellen. Zo ontsnapten eens 3 katten bij het plaatsen van de kast. De katten werden weer met zeer veel moeite in de fabriek opgespoord en gevangen. Ook bleek voor een zeer grote hond de kast te klein. De hond werd agressief en beet een stuk uit de broek van Dirk; het arme dier ontkwam echt niet aan z’n lot.

Het fabrieksterrein

Voor het lossen van de per spoorwagon aangevoerde steenkolen, het afmeten en afleveren van cokes aan handelaren en particulieren, het verschonen van de zuiverkisten, de afvoer van koolteer en ammoniak, waren overdag enkele terreinwerkers aanwezig. Terreinwerkers waren vaak losse arbeidskrachten maar ook werd wel een nieuwe en vaak nog jonge werkkracht eerst aangesteld als terreinwerker/hulpstoker, voordat hij stoker kon worden. Als terreinwerker zijn onder andere Jan Verdwaald, Gijs van der Himst, Jacobus Beentjes en Janus Lute werkzaam geweest.

De fitterij

De fitterswerkplaats op het terrein vormde in feite de uitvalsbasis van deze afdeling. In deze werkplaats werden aan smidse en werkbank velerlei hulpstukken, gereedschappen en leiding onderdelen voor het bedrijf en het leidingnet gefabriceerd. Veel werk vond echter plaats langs de weg in onze gemeente: waar zag je ze niet in diepe kuilen en sleuven bij de aanleg en het onderhoud van het hoofdbuizennest en de dienstleidingen naar de woningen! Ook moesten de gasmeters worden geplaatst of indien nodig omgewisseld. De storingsdienst kon op zeven dagen van de week worden opgeroepen voor storingen (onder andere ‘muntje vast’). Voor het verwijderen van condenswater uit het buizennet moesten regelmatig de sifons worden leeggepompt.


Jaarboek 14, pagina 14

De aanleg en het onderhoud van de gasstraatlantaarns behoorde mede tot de taak van de gasfitters. Ik geef het je te doen om ‘s avonds op de fiets met een ladder op je rug door het gehele dorp onwillige lampen weer te ontsteken. Voor het plaatsen en aansluiten van gaskachels in scholen en openbare gebouwen, en het verrichten van allerlei acquisitiewerkzaamheden ter bevordering van het gasverbruik, waren onze fitters de aangewezen personen. Als fitter zijn werkzaam geweest: Jan Dirk Korver, Piet Nijman, Lou Beentjes, Arie Stet en Piet de Boer.

De meteropneming

Gesierd met een heuse ‘gas’ pet was de meteropnemer dag-in-dag-uit langs de weg. Tot zijn taak behoorde het noteren van de meterstanden, het incasseren van de gaskwitanties en het ledigen en afrekenen van de muntgasmeters. Menig huisgezin met een muntgasmeter zag die afrekening met belangstelling tegemoet. In de meeste gevallen bleven bij de afrekening enkele muntjes over, waarvoor bij voorbaat al een bestemming was bedacht; het was een klein spaarpotje in een tijd dat ieder dubbeltje er √©√©n was. Als meteropnemer en/of incasseerder waren Thomas Portegijs en Ab van der Wolff werkzaam.

Het kantoor

Het kantoor van de gasfabriek kreeg velerlei bezoekers onder andere voor:

  • het aanvragen van nieuwe aansluitingen of afsluitingen door verhuizing;
  • het betalen van gasrekeningen anders dan aan de meteropnemer;
  • het verkrijgen van gasmuntjes of dubbeltjes voor de muntgasmeters;
  • informatie over diverse gastoepassingen met een kijkje in de toonkamer, waar diverse gasverbruikstoestellen stonden opgesteld en waar tevens gasslang, kousjes en glaswerk konden worden gekocht;
  • voor bonnen en afgiftebewijzen voor cokes aan handelaren en particulieren. Op het kantoor werkten twee √† drie personen: in de loop der tijd zijn dit geweest: A.J. Kuperus, Klaas Gorter, Piet Gorter, Piet Kuijs, Niek de Graaf, Mattheus Marcker en Miep van Buren.

De directeur

De directeur was voor alles en allen verantwoordelijk; hij had zowel technisch als commercieel de leiding in handen. Tot zijn werkzaamheden behoorde:

  • de gasproductie in algemene zin en meer in het bijzonder het regelen van de temperatuur van generator en gasovens door middel van schuiven, kleppen en afsluiters in de diverse productiegas- en rookgaskanalen;
  • de aankoop van gaskolen, soms in combinatie met de gasfabrieken van Egmond aan Zee, Schagen en Krommenie;
  • de verkoop engros van cokes aan handelaren en grotere bedrijven;
  • het ontwerpen en berekenen van het gasbuizennet;
  • de propaganda en de voorlichtingsactiviteiten; bedrijfsbegrotingen en jaarrekeningen; commissievergaderingen en verslaglegging aan B en W; personeelszaken.

Propaganda ter bevordering van het gasverbruik

In de loop der jaren waren voor koken, bakken, braden, verwarming en warmwatervoorziening nieuwe en/of verbeterde gasapparaten op de markt gebracht. Door het gasbedrijf werd actieve propaganda gevoerd ter bevordering van het gasverbruik, enerzijds om het hoofd te bieden aan de concurrentie van elektriciteit en olie, anderzijds als overheidsbedrijf om de verbruikers bekend te maken met de diverse mogelijkheden van gastoepassingen. Hoewel de propaganda vooral een taak was van de directeur, was het gehele personeel daar op de een of andere wijze actief bij betrokken.

Zo werd reeds in 1926 bij de herinrichting van werkplaats, magazijn, kantoor en directeurswoning een kleine toonkamer ingericht. In 1936 kon deze ruimte aanzienlijk worden uitgebreid, zodat een complete serie gasapparaten kon worden getoond. Daarnaast konden in de gemeente bij enkele erkende gasfitters diverse gastoestellen worden aangetroffen.

In november 1926 werd door de toen zo geheten Gemeentelijke Lichtbedrijven deelgenomen aan een plaatselijke middenstandstentoonstelling met als slogans “Gas is de goedkoopste brandstof” en “Lichtreclame verhoogt Uw omzet”. Ook in 1938 nam het gasbedrijf deel aan de Algemene Handelstentoonstelling georganiseerd voor de plaatselijke middenstand.

In de gemeente werden vele malen bak- en braadcursussen gehouden, waardoor het gebruik van de gasoven, onder andere voor het bakken van in die jaren nog gebruikelijke ‘stoeten’ grote bekendheid kreeg. Mede door de op gang komende nieuwbouw kon de badgeiser en de keukengeiser, al dan niet gecombineerd met douche, meer en meer worden gepropageerd; voor de wekelijkse was kwamen gaswasketels in een bepaalde periode volop in de belangstelling te staan.

Handelstentoonstelling in cafe 'De Vrienschap' georganiseerd in 1939 voor de plaatselijke middenstand.
afb. 16 Handelstentoonstelling in cafe ‘De Vrienschap’ georganiseerd in 1939 voor de plaatselijke middenstand; op de voorgrond achter het biervat directeur Van Hoeve, zijn dochter Marie en zijn echtgenote.

Jaarboek 14, pagina 15

Gasverwarming kon zeker als bijverwarming reeds enige plaats in de samenleving verwerven, vooral door een gerichte tariefstelling (prijs van 4 cent per kubieke meter bij een minimaal verbruik van 1500 kubieke meter per jaar). Inmiddels verloren huiskamerverlichting en strijken met de gasbout meer en meer aan terrein.

Gas in de tuinbouw leek toekomst te hebben; onder deskundige leiding van J.C. Dingerdis werden op kleine schaal proeven genomen met het trekken van witlof en met koolzuurbemesting bij het opkweken van zaai gewassen.

Piet Nijman en Miep van Buren op de tentoonstelling, reclame makend voor het koken op gas.
afb. 17 Piet Nijman en Miep van Buren op de tentoonstelling, reclame makend voor het koken op gas.

5. Politieke verwikkelingen

Beschuldigingen van corruptie

De zogeheten ‘commissie van bijstand in het beheer der gemeentelijke lichtbedrijven’ heeft in 1927 een nieuwe samenstelling gekregen; de raadsleden P. de Vries, H. Schipper, Gerrit Res en Bernardus Res worden in de raadsvergadering van 25 augustus benoemd. De heren Res staan zeer kritisch ten aanzien van de gasfabriek en haar directeur Van Hoeve.

Eind 1926 had de Raad naar aanleiding van de begroting voor de straatverlichting het besluit genomen om door Van Hoeve onderzoek te laten verrichten naar de kosten van de straatverlichting in andere gemeenten en naar de mogelijkheid gas van Hoogovens te betrekken.

De levering van gas door Hoogovens komt duurder uit. De Heer G.F. Res stelt in de raadsvergadering van 30 september 1927 voor de zaak opnieuw door een andere commissie te laten onderzoeken. Hij pleit voor aansluiting op Hoogovengas en dus voor sluiting van de gasfabriek; hij stelt weinig vertrouwen in de vorige bedrijvencommissie en de directeur.

In deze raadsvergadering wordt ook een brief – die in het dorp circuleert – aan de orde gesteld met beschuldigingen van grote corruptie aan het adres van de directeur. De brief is geschreven door A. van der Stel op verzoek van B. Res en met medeweten van G.F. Res. Van Hoeve heeft inmiddels de bemiddeling van een advocaat ingeroepen. De burgemeester zegt persoonlijk met justitie in verbinding te staan “in het belang van de gemeente en van de directeur, die gedurende vele jaren bewezen heeft de belangen van deze gemeente te dienen”. Het voorstel van G.F. Res voor een nieuw onderzoek door een andere commissie wordt verworpen.

In de raadsvergadering van 11 november daaraanvolgend wordt een brief van de rechter commissaris te Utrecht behandeld, waaruit de onschuld van Van Hoeve blijkt. Burgemeester Lommen heeft weinig waardering voor de manier waarop ook door raadsleden met beschuldigingen van minder goed bekend staande lieden is omgegaan. Van Hoeve schetst hij als iemand die om zijn bekwaamheden als bedrijfsleider en om zijn levenswandel bij iedereen in de gemeente hoog staat aangeschreven. De heer G.F. Res bedankt als raadslid; in zijn plaats in de bedrijvencommissie wordt G. Kuijs benoemd.

Hoge elektriciteitstarieven

Na de overgang van de stroomdistributie in 1920 van het PEN naar de gemeente blijken de schone beloften niet veel te betekenen. Het contract met het PEN wordt elke 5 jaar verlengd; al bij de eerste verlenging in 1925 worden de voorwaarden voor levering van elektrische energie vastgesteld zonder dat de gemeente iets heeft in te brengen. In tegenstelling tot de oorspronkelijke toezeggingen, is een forse prijsverhoging vastgesteld en zit de gemeente sindsdien met buitengewone hoge inkooptarieven.

Teneinde het PEN ertoe te brengen bij een volgende verlenging een redelijke prijs vast te stellen, wordt in oktober 1929 een voorstel ingediend bij de bedrijvencommissie voor het in exploitatie brengen van een eigen elektriciteitscentrale. Deze centrale zal de gemeente een besparing van 2.400 gulden per jaar kunnen opleveren. Van de bouw is het niet gekomen, terwijl de tarieven per 1 januari 1930 wederom werden verhoogd (het PEN – monopolist bij uitstek – kan zich dit veroorloven).

Actiegroep tegen de gasfabriek

Eind 1930 ontstaat opnieuw veel tumult rond de gasfabriek. Een kleine groep ingezeten onder aanvoering van G.F. Res voert actie tot opheffing van de gemeentelijke gasfabriek en pleit voor directe levering van Hoogovengas door Beverwijk en voor levering van stroom door het PEN. In de op 19 november 1930 gehouden middenstandsvergadering heeft Res verklaard dat hij over cijfers beschikt, waaruit een groot financieel voordeel blijkt.
Hoewel deze cijfers niet boven tafel komen, wordt door deze groep beweerd dat voordelen tot 12.000 gulden per jaar zijn te bereiken met de Beverwijkse gaslevering. Deze beweringen gaan er bij een deel van de Castricumse bevolking in als zoete koek. Een reden voor Van Hoeve om nog eens in een brief van 17 december aan de bedrijvencommissie een kostenvergelijking te maken van de levering door Beverwijk en door de eigen gemeentelijke gasfabriek.

In ditzelfde schrijven vraagt hij naar de motieven voor de actie tot opheffing van de gasfabriek door een kleine groep van ingezetenen. Hij veronderstelt vervolgens aan de hand van zijn vroeger opgedane ervaringen, dat de zucht om hem persoonlijk te duperen hieraan niet vreemd is (noot: persoonlijke wraakneming van G.F. Res voor zijn gezichtsverlies in de corruptieaffaire uit 1927):
“Hoe is het anders te verklaren, dat dit groepje mensen, dat toen de bedrijfsleiding nog in andere handen was (Van Kortenhoff), nimmer enige belangstelling heeft getoond in de


Jaarboek 14, pagina 16

gang van zaken aan ons bedrijf, dat terwijl toen de gasprijzen hoger waren als ergens hier te lande en bovendien de exploitatie-uitkomsten het gemeentebestuur bijna tot wanhoop brachten, thans deze actie gaan voeren nu ons bedrijf sinds een 5-tal jaren goed renderend is, terwijl de gasprijzen langzamerhand zo zijn verlaagd, dat zij thans lager zijn dan in een groot aantal gemeenten van gelijke grootte en van eenzelfde karakter als Castricum.”
Uit zijn kostenvergelijking blijkt dat er beslist geen financieel voordeel verbonden is aan gaslevering door Beverwijk. Verder wijst Van Hoeve op het belang dat de gemeente heeft in het bezitten van een eigen zelfstandig productiebedrijf.

De nieuwe directeurswoning gebouwd in 1925 met de ingang aan de Oude Haarlemmerweg.
afb 18 De nieuwe directeurswoning gebouwd in 1925 met de ingang aan de Oude Haarlemmerweg.

De gemeenteraad staat unaniem achter de directeur; de raad vindt ook het sociale aspect van de gasfabriek van belang, met name het feit dat er in deze crisistijd werk geboden wordt aan tien personen in vaste dienst en er ook steeds werk is voor losse arbeiders. Bovendien wordt jaarlijks 7000 hectoliter cokes verkocht aan vooral de kleine man (ingezetenen van deze gemeente) voor 20 cent per hectoliter lager dan in Beverwijk.

Tegen de directe stroomlevering door PEN heeft de Raad geen principi√ęle bezwaren, doch wel tegen de manier, waarop het PEN het Castricums bedrijf in handen tracht te krijgen door zeer hoge stroomtarieven te stellen en de onwil het aflopende contract te verlengen.

Verkiezingsstrijd

Met de gaskwestie ontbranden de in die zomer te houden gemeenteraadsverkiezingen in volle hevigheid. De rooms-katholieke kiesvereniging met G.F. Res als een van de voormannen en kandidaat voor de gemeenteraad wil een nieuw en onpartijdig onderzoek naar de levering van gas en elektriciteit; de R.K. kiesvereniging stelt op 18 februari 1931 een eigen commissie van onderzoek in (de gascommissie), bestaande uit de heren G.F. Res en P. de Wildt.

Op 11 april 1931 is op verzoek van enkele raadsleden met spoed een extra raadsvergadering belegd over de toestand van het gemeentelijk gasbedrijf. Aanleiding vormt een rapport van de directeur van het gasbedrijf te Beverwijk met vernietigende kritiek over het beheer van het gasbedrijf te Castricum. Het bewuste rapport is voorgelezen op een besloten bijeenkomst van de rroms-katholieke kiesvereniging. Bovendien zijn geruchten in omloop gebracht dat er hier geknoeid wordt en ook zelfs dat Van Hoeve wegens fraude is gearresteerd. De burgemeester vraagt aan Van Hoeve om over het betreffende rapport zo mogelijk inlichtingen te verstrekken. Van Hoeve, die het bewuste rapport niet heeft mogen inzien, moet afgaan op de berichtgeving van enkele leden van de kiesvereniging, die op de bijeenkomst aanwezig zijn geweest. Met weerlegging van de belangrijkste aantijgingen en met een beroep op het Verificatiebureau der Vereeniging van Nederlandsche Gemeenten, dat elk kwartaal de bedrijfsadministratie controleert, komt Van Hoeve tot de uitspraak dat Beverwijk in zijn hunkering naar de gaslevering aan Castricum elk middel ter bereiking van dat doel oorbaar acht (Beverwijk levert sinds 1928 gas aan Wijk aan Zee en Heemskerk en sinds 1929 ook aan Uitgeest). Op aanraden van de directeur van het gasbedrijf Beverwijk heeft de commissie uit de kiesvereniging zich in verbinding gesteld met ir. Wirtz, directeur van het Rijksinstituut voor Brandstoffeneconomie te Den Haag. Vervolgens wordt door de commissie gesuggereerd, dat dit Rijksinstituut het gemeentebestuur zal gelasten het gasbedrijf stop te zetten.

Om de rust in de gemeente te herstellen hebben ook burgemeester en wethouders zich met het betreffende instituut in verbinding gesteld en ir. Wirtz verzocht een onderzoek in te stellen. Het rapport ‘van deze deskundige bij uitstek, die geen enkel belang heeft bij gaslevering door eigen fabriek dan wel door Beverwijk’, aldus de burgemeester in de betreffende raadsvergadering, komt tot de conclusie dat de gemeente er niet aan denken moet het gasbedrijf op te heffen en gas te betrekken van Beverwijk, wat voor Castricum veel duurder zal uitkomen.

Een van de pamfletten in de heftige strijd tussen voor en tegenstanders voor aansluiting bij het PEN en het gasbedrijf Beverwijk.
afb. 19 Een van de pamfletten in de heftige strijd tussen voor en tegenstanders voor aansluiting bij het PEN en het gasbedrijf Beverwijk.

Na nog veel tegensputteren van raadslid B. Res en na diens verzoek om het Beverwijkse rapport te laten onderzoeken,


Jaarboek 14, pagina 17

zet de raad voorlopig een punt achter de gaskwestie. Inmiddels is wel het nodige wantrouwen gezaaid en is het dorp verdeeld in voor- en tegenstanders. Ook de tegenstanders van opheffing van de gasfabriek zitten in de verkiezingsstrijd niet stil: huis aan huis worden pamfletten verspreid, die zijn ondertekend door enige zich onpartijdig noemende rooms-katholieke kiezers. Het pamflet geeft een opsomming van de onjuiste beweringen van Res met een toelichting van wat de werkelijkheid is. Het eindigt aan het adres van G.F. Res: “Er blijken nog steeds menschen te zijn, die het woord van Voltaire huldigen: Lieg er maar op los, er blijft altijd wat van hangen!” Nog diezelfde week circuleert een tweede pamflet door het dorp, ondertekend door G.F. Res, waarin hij oproept zich niet te laten misleiden door mensen die hun naam niet durven te noemen en waarin hij stelt dat het eerder verspreide pamflet een opeenstapeling van leugens bevat om de waarheid te verdoezelen.

Ook in een derde pamflet, nu namens: ‘Vele rooms-katholieke Kiezers, die het met het algemeen belang goed menen’ wordt een oproep gedaan aan de rooms-katholieke kiezers zich niet te laten misleiden. In dit pamflet wordt gesteld dat de zogenaamde gascommissie (G.F.Res – P.de Wildt) aan de leiband loopt van de directeur van het gasbedrijf te Beverwijk en dat ze daarmee niet het belang van Castricum behartigt maar dat van Beverwijk. Met verwijzing naar de brief van Ir. Wirtz – directeur van het Rijksbureau voor Brandstoffeneconomie te ‘s-Gravenhage – aan het gemeentebestuur van Castricum, onderstreept het pamflet het voordeel van het in bedrijf houden van de eigen gasfabriek.

De gaskwestie leidt tenslotte tot een scheuring in de rooms-katholieke staatspartij (RKSP). De groep die zich voorstander blijft tonen van levering van stroom door het PEN en gas door Beverwijk, gaat met een vrije lijst onder aanvoering van Gerrit Res de verkiezingen in.

De nieuwe gemeenteraad

De nieuwe raad, die op 1 september 1931 wordt ge√Įnstalleerd, is ingrijpend gewijzigd; van de acht zetels in de oude raad heeft de rooms-katholieke staatspartij er vier moeten afstaan aan de vrije groep ook wel de vrije lijsters genoemd. Naar de vrije groep zijn overgestapt uit de oude raad de raadsleden B. Res en P. Twisk, nieuw gekozen daarin zijn G.F. Res en P.M. Borst. Voor de rooms-katholieke staatspartij zijn gekozen de heren J. de Nijs. H. Hemmer, P. de Vries en C.P. Spaansen. De resterende drie raadszetels worden ingenomen door de heer T. Hellinga van de SDAP, door de heer F.J. Aukes van de Vrijzinnig Democraten (was 2 zetels) en door de heer P. Weenk van de eveneens nieuwe politieke partij CHU + AR.

De Vrije Groep laat geen gelegenheid onbenut om het gasbedrijf te dwarsbomen; elk verzoek om uitbreiding of verbetering van het bedrijf wordt tegengewerkt. De beide heren Res maakten vanaf 1 september 1931 ook deel uit van de commissie voor de bedrijven, waarin zij maximale tegenstand boden om de be√ęindiging van het bedrijf te bespoedigen.

De meerderheid van de raad is echter voorstander van een gemeentelijk gasbedrijf. Hierdoor worden de verzoeken tot het verlenen van kredieten voor uitbreidingen van het gasbedrijf uiteindelijk met een meerderheid van stemmen toch aangenomen. Grote uitbreidingen in 1932 zijn een extra gashouder met een inhoud van 1500 kubieke meter en een verzwaring van het buizennet; de totale kosten hiervan werden geraamd op 38.500 gulden.

Ook in 1933 staan grote investeringen op het programma. Voor de bouw van een nieuw type schuifkameroven wordt een krediet van 25.000 gulden aangevraagd. Op verzoek van B. Res, G.F. Res en C.P. Spaansen, als leden van de bedrijvencommissie, wordt, voordat een nieuwe oven wordt gebouwd, een deskundig onderzoek ingesteld naar de meest economische gasvoorziening voor Castricum.

De geschiedenis herhaalt zich: ir. J. Rutten, directeur van het Rijksinstituut voor Brandstoffeneconomie, komt opnieuw met de conclusie dat voortzetting van de gasproductie in Castricum de voorkeur verdient. Zijn rapport wordt vervolgens aangevallen door De Groot, directeur der Lichtbedrijven te Beverwijk, Rutten die op zijn beurt de berekeningen van De Groot kraakt en hem als niet objectief afschildert en de vrije groep tenslotte, die zich blijft verzetten tegen het verlenen van het krediet. Hun houding wordt er niet geloofwaardiger op wanneer op 10 oktober 1933 een brief van Hoogovens in de gemeeteraad wordt behandeld, waarin wordt erkend dat er een foutieve berekening van de calorische waarde van het gas van Castricum was uitgevoerd, waardoor gaslevering van Beverwijk voordeliger leek dan in werkelijkheid.

Om de onrust bij de plaatselijke bevolking weg te nemen verschijnt op initiatief van het Gemeentebestuur in december 1933 een uitvoerig bericht in de krant over de gaskwestie, waarin wordt toegelicht dat eigen productie sterk de voorkeur verdient.

De grote gashouder gebouwd in 1932 met een inhoud van 1500 kubieke meter.
afb. 20 De grote gashouder gebouwd in 1932 met een inhoud van 1500 kubieke meter.

Jaarboek 14, pagina 18

Maria van Hoeve op het binnenterrein bij de kleine gashouder; op de achtergrond de huizen aan de Oude Haarlemmerweg.
afb 21 Maria van Hoeve op het binnenterrein bij de kleine gashouder; op de achtergrond de huizen aan de Oude Haarlemmerweg.

Overdracht stroomlevering aan het PEN in 1936

De door het PEN gevoerde prijspolitiek staat in direct verband met het voornemen van het Provinciaal bedrijf om de leveringscontracten met de gemeenten niet meer te verlengen en de stroomlevering weer zelf ter hand te nemen; het PEN wordt in dit voornemen gesteund door de toenmalige minister van Waterstaat, die een concentratie van de stroomlevering in de gehele provincie nastreeft. Het PEN hanteert vervolgens voor rechtstreekse levering een gunstig tarief met gevolg dat er in 1931 in Castricum stemmen opgaan om de stroomlevering rechtstreeks door het PEN te laten verzorgen. De gemeenteraad draagt het college op om hierover een advies uit te brengen. Na een uitvoerige kostenvergelijking bij 10 procent van de plaatselijke bevolking, vormende een gemiddelde doorsnede, komt het college alles afwegende tot de slotsom dat, hoewel er voor een klein aantal consumenten een gering financieel voordeel is aan provinciale distributie, toch de gemeentelijke distributie een sterke voorkeur verdient.

In juli 1935 vervalt het lopende stroomleveringscontract met het PEN en wordt er grote druk vanuit Gedeputeerde Staten (GS) uitgeoefend op de laatste gemeenten, waaronder Castricum om het distributiebedrijf over te dragen aan het PEN. In begin 1934 was reeds door het PEN een offerte uitgebracht, die voor de gemeente niet acceptabel was. Inmiddels zijn er in het najaar van 1934 door GS besluiten genomen die het de gemeenten nagenoeg onmogelijk maken om de distributie voort te zetten. Het PEN heeft inmiddels gevraagd in het licht van deze veranderingen om een nieuw aanbod te mogen doen, waartegen B en W geen bezwaar maken: de stroomlevering wordt tot november op de bestaande voet gegarandeerd. De nieuwe aanbieding omvat bedragen voor de overname van leidingnet en installaties, voor derving van inkomsten en een wachtgeld voor het personeel verbonden aan de stroomdistributie. Het gemeentebestuur komt met een tegenvoorstel, waarin de financi√ęle vergoedingen aanzienlijk zijn opgeschroefd.

Het gemeentebestuur is eigenlijk machteloos; in het onderhoud dat B en W in de daaropvolgende maanden hebben met de minister van Binnenlandse Zaken, wordt nog eens vastgesteld dat de gemeente geen contract meer heeft, dus juridisch geen enkele basis en ook geen recht meer heeft op behandeling als contractant. Desondanks worden daarna de onderhandelingen door burgemeester Lommen met de PEN-directie in een goede sfeer gevoerd en ten aanzien van de financi√ęle vergoedingen een voor de gemeente gunstig compromis bereikt; bovendien worden van het vaste personeel de monteur Hendrik van Amersfoort en de klerk-boekhouder Pieter Gorter door het PEN overgenomen.

De overname door het PEN vindt plaats per 1 april 1936, daarmee wordt gelijkertijd het Gemeentelijk Energie Bedrijf opgeheven. Naast de 2 werknemers, die door het PEN worden overgenomen, behoren verder tot het gecombineerde beheer van gasbedrijf en elektriciteitsbedrijf nog de directeur Jacobus van Hoeve en de klerk-meteropnemer Petrus Kuijs; zij gaan over in dienst van het gasbedrijf; het overige personeel is hier reeds werkzaam. Op afbeelding 22 is het verloop geschetst van de hoeveelheid elektriciteit dat tijdens de periode van de eigen stroomdistributie werd geleverd aan de plaatselijke bevolking. Het nam van 1920 tot 1935 toe van 41.968 kilowatt uur tot 220.109 kilowatt uur met een piek in 1934 van 250.838 kilowatt uur.

De hoeveelheid elektriciteit welke per jaar door het Gemeentelijk Energie Bedrijf aan de Castricumse bevolking werd afgegeven gedurende de periode van de eigen elektriciteitsdistributie.
afb. 22 De hoeveelheid elektriciteit welke per jaar door het Gemeentelijk Energie Bedrijf aan de Castricumse bevolking werd afgegeven gedurende de periode van de eigen elektriciteitsdistributie.

Burgemeester Sloet contra directeur Van Hoeve

Afgezien van enkele kleine uitbreidingen van de ovencapaciteit en van het terrein van de gasfabriek voor de opslag van cokes is het in de periode 1936 tot 1940 rustig rond de gasfabriek. In november 1936 is plotseling burgemeester Lommen overleden; hij had grote waardering voor en was altijd vol lof over het werk en de capaciteiten van directeur Jacobus van Hoeve. Lommen werd in februari 1937 opgevolgd door Mr. C.A.F.H.W.B. van den Clooster, baron Sloet tot Everlo, kortweg burgemeester ‘Sloet’ genoemd.

Sloet komt met meerdere mensen uit de gemeente en met het gemeentebestuur in aanvaring. Ook kan hij met Van Hoeve niet goed over weg; er ontstaat reeds medio 1939 een conflict over een verhoging van de afschrijving van de ovens. GS verzoekt de afschrijving te verhogen van 6 procent naar 7,5 procent. Van Hoeve, samen met de gascommissie, is het hiermee niet eens; om aan het bezwaar van GS tegemoet te komen stelt de directeur voor om het onderdeel ovens te splitsen in meerdere categorie√ęn met verschillende afschrijvingspercentages. Hierover wordt uiteindelijk met GS overeenstemming bereikt.

Door de hogere afschrijving is een extra dekking gewenst van 800 gulden. Van Hoeve meent dat hiervoor mede gelet op de onzekere internationale toestand een verhoging van de gastarieven noodzakelijk is. Dit is voor de burgemeester


Jaarboek 14, pagina 19

aanleiding om te twijfelen aan de levensvatbaarheid van het bedrijf, iets wat door Van Hoeve als een persoonlijke aantijging wordt gezien.

Er ontstaat een conflict over de bevoegdheden van burgmeester en directeur; de laatste vindt dat hij het beheer heeft van de gasfabriek; de burgemeester vindt echter dat B en W het beheer hebben en de directeur de dagelijkse leiding. Om dit beheer door B en W mogelijk te maken, moeten zij volledig op de hoogte zijn van de gang van zaken en is de directeur verplicht alle verlangde inlichtingen te verstrekken. Het conflict loopt zo hoog op dat Van Hoeve zijn grieven tegen de burgemeester op papier zet en naar de raadsleden stuurt. Hierin verzoekt Van Hoeve een ereraad in te stellen, die uitspraak moet doen over het door hem gevoerde beheer op administratief, technisch, commercieel en financieel gebied.

De steenkolen werden per wagon aangevoerd (rechts).
afb. 23 De steenkolen werden per wagon aangevoerd (rechts).

Mes op de keel

De burgemeester wil een onafhankelijk accountantsonderzoek namens het college. Om hun standpunt te bepalen nodigen de wethouders De Vries en Spaansen als leden van de gascommissie de heer Elfers uit; deze is accountant van het Verificatiebureau van de Vereniging van Nederlandsche Gemeenten en zijn bureau voert voor een aantal gemeentelijke gasbedrijven, waaronder die van Castricum, jaarlijkse controles uit. De heer Elfers is bij dit onderhoud zeer lovend over de kwaliteiten van Van Hoeve.

Voor de kosten van dit onderzoek geeft de burgemeester op 16 oktober 1940 via de gemeentesecretaris aan de directeur opdracht tot het maken van een supplementaire begroting. Om 18.00 uur van dezelfde dag krijgt Van Hoeve bezoek van de burgemeester met Duitse militairen, waarop hem de opdracht is gegeven de begroting v√≥√≥r negen uur ‘s morgens in te dienen; zo niet, dan zou Van Hoeve naar Duitsland worden gebracht. Van Hoeve heeft de begroting op tijd ingediend.

In de gemeenteraadsvergadering op 18 oktober 1940 trekt de burgemeester fel van leer tegen Van Hoeve. Hij eist oneervol ontslag wegens de gang van zaken op de gasfabriek en de onbehoorlijke wijze, waarop hij iedere kritiek heeft weten te smoren: “Met deze man is niet te werken”. Ook uitte de burgemeester tal van klachten over het functioneren van Van Hoeve als hoofd van de Luchtbeschermingsdienst op grond waarvan hij Van Hoeve op 9 mei 1940 (daags voor de bezetting van ons land) uit die functie heeft ontheven. De gemeenteraad verwerpt met meerderheid van stemmen (2 stemmen voor, 7 tegen) het voorstel van de burgemeester om Van Hoeve oneervol ontslag te verlenen.

Burgemeester Sloet acht het gasbedrijf niet in staat in de naaste toekomst voor een ongestoorde gasproductie te zorgen, tenzij er hoge investeringen voor de vernieuwing van de installatie worden verricht. Op 20 september 1941 voert hij besprekingen met burgemeester Scholtens van Beverwijk over de gaslevering aan Castricum. Sloet streeft naar een gemeenschappelijke regeling, waarin Beverwijk voor een periode van 30 jaar concessie krijgt tot levering van gas in Castricum en waarbij beide voor de helft delen in de jaarlijks behaalde winsten of verliezen op de exploitatie. Beverwijk denkt uitsluitend aan overneming van het Castricumse gasbedrijf per 1 januari 1942. Daartoe wordt in de weken volgende op de bespreking door Beverwijk een uitvoerig overnemingscontract opgesteld.
Na het door de oorlogsomstandigheden buiten werking stellen van de gemeenteraden is op 11 november 1941 door Sloet met onmiddellijke ingang J. van Hoeve oneervol ontslag verleend als directeur-administrateur van de gasfabriek. Jac van Hoeve gaat hiertegen op 14 november 1941 in beroep bij het Ambtenarengerecht. Inmiddels is A.D. Faber door Sloet aangesteld als bedrijfsleider van de gasfabriek.
Enkele dagen later op 15 november 1941 wordt nog over het beheer van het gemeentelijk gasbedrijf door de directeur J. van Hoeve een rapport uitgebracht door de heren A. de Wit, P. Schotsman en ir. M. van der Horst, directeuren van de gasfabrieken respectievelijk te Velsen, Egmond aan Zee en Amsterdam en handelende in opdracht van de commissie uit de Vereeniging van Gasfabrikanten in Nederland. De opdracht was naar aanleiding van de verschillen van inzicht in de gehanteerde afschrijvingspercentages. Ook dit rapport komt tot de conclusie dat er geen enkele aanleiding is om in Castricum de percentages te verhogen. Verder maakt het rapport gewag van de grote activiteit en de uitstekende technische en commerci√ęle leiding van de directeur.

Op 4 december 1941 wordt burgemeester Sloet benoemd tot burgemeester van ‘s-Hertogenbosch; als plaatsvervangend burgemeester wordt ene Rijk de Vries aangesteld. Sloet blijft de affaire Van Hoeve vanuit zijn nieuwe woonplaats nauwlettend volgen en laat deze door zijn plaatsvervanger behartigen door hem doorlopend aan te geven hoe te handelen in de verschillende kwesties. Sloet liet daartoe verschillende stukken uit het archief van de gasfabriek naar Den Bosch sturen.

Direct na zijn aanstelling heeft Rijk de Vries, een vriend en partijgenoot van Sloet en verre van objectief, een vluchtige controle in het gasbedrijf uitgevoerd. Hij komt tot de conclusie dat van wanbeheer sprake is geweest en dat het geheel de indruk heeft van een failliete boedel.

Hangende het beroep bij het ambtenarengerecht wordt Van Hoeve geschorst. Hem wordt gelast vóór 31 december 1941 de door hem bewoonde dienstwoning te ontruimen.

Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek worden allerlei verdachtmakingen jegens Van Hoeve geuit; zo zou er onder andere een openlijke vijandigheid zijn geweest van hoofdambtenaren onder andere van de Heer Van Hoeve tegen de vroegere burgemeester Lommen. Daarop verklaart mevr. de wed. Lommen-Maury: “dat de heer J. van Hoeve steeds door burgemeester Lommen is beoordeeld als een zeer kundig, rechtschapen en zeer bezadigd man en als aangenaam mensch.”

Overname gasbedrijf op 1 nov. 1942 door gemeente Beverwijk

Het voortbestaan van de gasfabriek als zelfstandige productie-eenheid wordt met de dag onzekerder. Om ook in de toekomst te kunnen voldoen aan de toenemende vraag, zijn grote


Jaarboek 14, pagina 20

investeringen benodigd om de verouderde installatiedelen te vervangen en om de oven- en gashoudercapaciteit uit te breiden. Vanwege de slechte financi√ęle basis wordt dit niet meer als realistisch gezien. In maart 1942 worden door de heren Turkstra (wethouder voor de bedrijven) en Faber (de nieuwe bedrijfsleider) ori√ęnterende gesprekken gevoerd met Hoogovens en het gasbedrijf te Beverwijk voor de levering van hoogovengas aan Castricum.

Aan de achterkant van de fabriek de in 1933 gebouwde hal voor de schuinkamerovens.
afb. 24 Aan de achterkant van de fabriek de in 1933 gebouwde hal voor de schuinkamerovens.

De gemeente Castricum wil beslist niet zijn gasbedrijf en distributie overdragen aan de gemeente Beverwijk, maar wil zijn productiebedrijf ombouwen tot een distributiebedrijf, dat het gas als grootverbruiker inkoopt rechtstreeks van Hoogovens of van het gasbedrijf van Beverwijk of van Alkmaar.

Inmiddels heeft Castricum vanaf 30 juni 1942 een nieuwe (NSB) burgemeester: W.J. Masdorp; deze stort zich met volle energie op het probleem van het gasbedrijf. Masdorp vindt het onverantwoord met dit gasbedrijf met zijn bijna op instorten staande ovens de komende winter in te gaan. Hij is er een sterk voorstander van om als distributiebedrijf verder te gaan en niet bij een gestaag uitbreidend Castricum het bedrijf te verkopen en de zelfstandigheid te verliezen.

De opslag van kolen en/of cokes achter de fabriek.
afb. 25 De opslag van kolen en/of cokes achter de fabriek.

Het gasbedrijf Alkmaar wil gas leveren. Dit is echter duur onder andere vanwege de gasleiding die vanaf de grens van de gemeente Heiloo (8,5 kilometer) moet worden aangelegd: Hoogovens wil om technische redenen wil om technische redenen alleen via het gasbedrijf Beverwijk leveren; de laatste wil echter het Castricumse bedrijf overnemen en de distributie net als in Beverwijk, Heemskerk en Uitgeest zelf behartigen; ze wil zelfs geen offerte uitbrengen voor de gaslevering ‘en gros’. Het conflict met Beverwijk loopt hoog op. Op 17 juli 1942 wordt door Masdorp advies en bemiddeling gevraagd aan de Commissaris van de provincie, doch die neemt nog geen standpunt in. Ook wethouder Turkstra wil zich niet door Beverwijk op de kop laten zitten en overweegt om naar Utrecht te gaan en ‘het Hoofdkwartier der Beweging’ (NSB) erbij te halen. De mening heerst dat Beverwijk onaanvaardbare voorstellen doet en het Castricumse bedrijf wil naasten. Dit terwijl Castricum door materiaalschaarste steeds meer in een dwangpositie komt.

Van Hoeve, die slechts door de krant van de ontwikkelingen op de hoogte blijft, laat op 3 augustus 1942 via zijn advocaten weten, dat de capaciteit van de gasfabriek nog steeds voldoende is en er geen grote investeringen noodzakelijk zijn. Hij is bereid om na vernietiging van zijn ontslagbesluit een ongestoorde gasvoorziening te garanderen en meent blijkens lange ervaring in staat te zijn 10 à 15 duizend op de exploitatiekosten te besparen. Zijn advocaten vragen tevens medewerking om het rechtsherstel van Van Hoeve te bespoedigen.

Masdorp heeft dit ter kennisgeving aangenomen en besluit gegeven de opstelling van Beverwijk om dan toch maar de onderhandelingen te openen met het gasbedrijf van Alkmaar voor gaslevering aan Castricum. Ondertussen wordt de Vakgroep Gasbedrijven ingeschakeld om in het conflict met Beverwijk te bemiddelen. Op 25 augustus daaraanvolgend heeft Masdorp op het kantoor van dit instituut in Den Haag besprekingen, eerst zonder en daarna in aanwezigheid van de burgemeester van Beverwijk en de directeur van de gasfabriek uit die plaats, doch beide partijen blijven bij hun eerder ingenomen standpunt.

De onderhandelingen met Alkmaar verlopen zeer voorspoedig en binnen enkele dagen is er een contract, waarbij Alkmaar de persleiding van Heiloo naar Castricum bekostigt en aan Castricum voor een aanvaardbaar tarief gas wil leveren. Masdorp tekent op 28 augustus dit contract dat een looptijd heeft van 40 jaar en waarmee Castricum een minimale afname van 1 miljoen kubieke meter gas per jaar garandeert; ook verstrekt Masdorp opdrachten tot aanschaffing van de benodigde apparatuur en tot de vergroting van de 1e gashouder van 600 tot 1100 kubieke meter, totaal uitmakende een kostenpost van 37.200 gulden. Op dezelfde dag maakt Masdorp dit verstrekkende besluit aan de Castricumse bevolking bekend en liggen de stukken op de secretarie ter inzage.

Masdorp heeft daarbij niet gerekend op de Commissaris der Provincie; deze laat reeds op 29 augustus per expresbrief weten dat Castricum deel moet uitmaken van een gasvoorziening die zich uitstrekt over de gemeenten Beverwijk, Heemskerk, Uitgeest en Limmen en vindt dat de voorstellen der gemeente Beverwijk aanvaardbaar zijn; hij zal geen goedkeuring verlenen aan de gemeenschappelijke regeling met Alkmaar.

Masdorp heeft geen keus; hij moet zijn genomen besluiten terug draaien. Uiteindelijk wordt op 1 november 1942 met de gemeente Beverwijk het overnemingscontract gesloten, waarbij boven de boekwaarde nog een bedrag van 45.000 gulden aan de gemeente Castricum wordt betaald om het verschil tussen werkelijke waarde en boekwaarde te overbruggen. Met ingang van dezelfde datum komt ook het personeel in dienst van het gasbedrijf Beverwijk. De bedrijfsleider Faber werkt vanaf 1 februari 1943 als adjunct-directeur bij de gasfabriek in Zaandam.


Jaarboek 14, pagina 21

Oud-directeur Van Hoeve in het gelijk gesteld

In de rechtszaak die loopt bij het Ambtenarengerecht tussen Jac. van Hoeve en formeel de Gemeente Castricum, maar in werkelijkheid met oud-burgemeester Sloet, neemt Sloet een top-advocaat (Mr. Van der Grinten) en een gerenomeerd deskundige (Mr. Donner) in de arm op kosten van de gemeente Castricum. Burgemeester Masdorp sputtert wel wat tegen, wijzend op de hoge kosten, maar stemt tenslotte toe. Sloet treedt in het proces dat dient op 17 mei 1943 als getuige op. Het mag allemaal niet baten: in het vonnis op 7 april 1943 wordt Van Hoeve in het gelijk gesteld, het ontslag wordt nietig verklaard. Bovendien wordt hem een schadevergoeding toegewezen van 3.433 gulden.

Een week na de rechtzitting, nog voordat het vonnis is uitgesproken, stuurt Masdorp een verzoek aan de Duitse gevolmachtigde van de rijkscommissaris van Noord Holland om Van Hoeve, die anderhalf jaar niet heeft gewerkt, nog steeds zijn volle salaris geniet en over de nodige technische en administratieve vaardigheden beschikt, in de ‘Arbeitseinsatz’ in te zetten. Kennelijk had Masdorp niet veel vertrouwen in de afloop van de rechtszaak. In mei 1943 gaat de gemeente Castricum in hoger beroep, daarin gevolgd door Van Hoeve, die in hoger beroep een veel hogere schadevergoeding eist.

Onduidelijk is de afloop van deze gerechtelijke procedure; mogelijk is het hoger beroep ingetrokken, want op 1 augustus 1943 wordt Van Hoeve door de burgemeester eervol ontslag verleend en met ingang van dezelfde datum wordt hij aangesteld tot directeur van de gasfabriek in Leerdam.

Strubbelingen met de Gemeente Beverwijk

Al kort na de overname van de gasfabriek door Beverwijk ontstaan er irritaties. Zo zijn er een aantal artikelen nog juist even voor de overdracht ver beneden de balanswaarde gekocht voor eigen gebruik door de bedrijfsleider Faber. Er zou ook een tekentafel met parallelgeleiding voor een luttel bedrag zijn verkocht aan wethouder Turkstra. In februari 1943 komt de directeur van het gasbedrijf Beverwijk met nieuwe kwesties die zouden wijzen op onregelmatigheden, die in 1942 hebben plaatsgevonden. Masdorp spreekt zijn teleurstelling uit over het onaangename verloop van de transactie.

In oktober 1943, nog geen jaar na de overname, eist Beverwijk terugbetaling van het eerdergenoemde bedrag van 45.000 gulden, dat betaald was boven de boekwaarde, zich beroepend op een clausule over onvoorziene omstandigheden en wijzend op de verliezen die op het Castricumse bedrijf worden geleden mede door de massale evacuatie van de Castricumse bevolking op last van de Duitse Weermacht. Het gemeentebestuur van Castricum wenst hier met aanvoering van allerlei argumenten niet op in te gaan. Zo voert Castricum de extra kosten aan van het op verzoek van Beverwijk beschikbaar houden van de gasfabriek in Castricum voor het geval er storingen optreden in de hoogovengasvoorziening. Ook nu blijkt dat er goede banden zijn blijven bestaan tussen de heer Van Hoeve en gemeente Castricum, want in dit twistpunt wordt door de gemeente-secretaris Van Lunen op 18 nov. 1943 advies gevraagd aan Van Hoeve, dan woonachtig in Leerdam.

In mei 1944, tegen het einde van de oorlog, bestaat er grote bezorgdheid bij burgemeester Masdorp over een ongestoorde gaslevering aan Castricum. De gasfabriek kan zonder grote moeilijheden de gasproduktie hervatten in het geval dat door een bombardement bij Hoogovens de levering van gas mocht worden gestaakt. De gasfabriek zit echter zonder kolen en Masdorp pleit bij het provinciale bestuur om een voorraad kolen bij de fabriek op te slaan; door de grote schaarste aan kolen kan hieraan echter geen gevolg worden gegeven.

Definitieve regeling met Beverwijk

Betrekkelijk kort na de oorlog blijken de gemeenten Beverwijk en Castricum er behoefte aan te hebben om het in 1942 gesloten contract opnieuw ter discussie te stellen, omdat het toenmalige contract onder druk van een NSB-commissaris van de provincie en een NSB-burgemeester van Castricum tot stand is gekomen. Bovendien bestaat er nog steeds geen overeenstemming over de terugbetaling van 45.000 gulden door Castricum aan Beverwijk.

Niemand minder dan J. van Hoeve krijgt de opdracht op 9 april 1946 tot het uitbrengen van een uitvoerig advies inzake de gasvoorziening te Castricum; de nieuwe burgemeester Smeets heeft op 17 juni 1946 de opdracht nog eens mondeling toegelicht. Ondanks het feit dat er stemmen opgaan in de Castricumse gemeenteraad die pleiten voor het weer in bedrijf stellen van de eigen gasfabriek, is duidelijk dat dit niet realistisch is, ook al omdat de regering streeft naar centralisatie van de energiebedrijven.

De oude gasfabriek met kantoren, toonzaal en directeurswoning kort voor de sloop.
afb. 26 De oude gasfabriek met kantoren, toonzaal en directeurswoning kort voor de sloop.
Het wegvoeren van een van de propaantanks in 1975 vanaf het fabrieksterrein.
afb. 27 Het wegvoeren van een van de propaantanks in 1975 vanaf het fabrieksterrein.

In een zeer uitvoerig rapport van 18 februari 1947 geeft Van Hoeve verschillende mogelijke samenwerkingvormen met Beverwijk aan; hij kan het niet laten om toch nog even op te merken dat de Castricumse gasfabriek te gronde is gegaan door het feit dat


Jaarboek 14, pagina 22

de door hem voorgestelde vernieuwingen in de periode 1939 -1941 categorisch door burgemeester Sloet werden afgewezen, waardoor de outillage van de fabrieksinrichting niet meer aan alle te stellen eisen voldeed. Van Hoeve noemt dit opzettelijke verwaarlozing, wat nog gevolgd werd door de benoeming van een volkomen onvakkundig bedrijfsleider.

Op 18 februari 1949 schrijft Van Hoeve uit zijn woonplaats Leerdam dat de door hem gevoerde onderhandelingen met de directeur Vos van het gemeentelijk gasbedrijf te Beverwijk over de voorwaarden voor de gaslevering aan de inwoners van Castricum be√ęindigd zijn en tot volledige overeenstemming hebben geleid. In de voorgestelde overeenkomst is de gemeente Castricum opgenomen in het centrale bedrijf, met een aandeel in de exploitatie-uitkomsten. Op 9 augustus 1949 wordt door de burgemeesters van Beverwijk en Castricum het offici√ęle contract gesloten.

6. Het einde van de gasfabriek

Een ijzergieterij in de fabriek

Kort na de oorlog is een groot gedeelte van de inmiddels ontmantelde gasfabriek verhuurd; de kantoren, de fitterswerkplaats, het meterhuis en de gashouders bleven voor de gasdistributie in gebruik bij het gasbedrijf Beverwijk. In de oorspronkelijke ovenhal en aangrenzende opslagruimten werd door de Beverwijkse machinefabriek Motorenco een gieterij ingericht. De toenmalige directeur en eigenaar van Motorenco, de heer Feuerstein, kon in de naoorlogse jaren in de wijde omtrek geen kwaliteitsgietwerk voor zijn machinefabriek betrekken en besloot zelf een eigen gieterijafdeling op te richten onder de naam YKA (ijzer, koper en aluminium) gieterij.

De hallen van de leegstaande gasfabriek in Castricum waren voor dit doel uitstekend geschikt en hier zijn gedurende een groot aantal jaren met een vaste bezetting van max. 18 mensen allerlei soorten producten gegoten, zoals machineonderdelen, zeer grote tandwielen en contragewichten voor liften en voor het bovengrondse leidingnet van de spoorwegen. In een met cokes gestookte Bessemer koepeloven werden schrot en gietelingen (‘broodjes’ gietijzer van Hoogovens) gesmolten en in de gietvormen gegoten. Het overgrote deel werd in ijzer gegoten; in koper (brons) en aluminium werd weinig gegoten.

Het bijkantoor van het gasbedrijf Beverwijk met werkplaats, kantoor en dienstwoning op de plaats van de oude fabriek; in 1990 is dit bijkantoor opgeheven.
afb. 28 Het bijkantoor van het gasbedrijf Beverwijk met werkplaats, kantoor en dienstwoning op de plaats van de oude fabriek; in 1990 is dit bijkantoor opgeheven.

Al vrij gauw na de start van de gieterij werd de bedrijfsleiding in handen gelegd van de heer Wim Meijer. Meijer – afkomstig uit Deventer en beschikkend over gieterijervaring – heeft dit bedrijf vele jaren gerund, eerst als bedrijfsleider en na afstoting van deze bedrijfstak door de firma Motorenco vanaf 1958 samen met de heer Mol als mede-eigenaar van de hiervoor opgerichte naamloze vennootschap de N.V. Gietwerk. In 1965 moest de heer Meijer om gezondheidsredenen zijn werkzaamheden be√ęindigen; de gieterij is nog tot 1970 door zijn zoon voortgezet en daarna gestopt toen de heer Mol de gieterijactiviteiten ging voortzetten in de door hem inmiddels verworven gieterij ‘de Hofgeest’ in Santpoort.

Wim Meijer, bedrijfsleider van de ijzergieterij.
afb. 29 Wim Meijer, bedrijfsleider van de ijzergieterij.

De toen al in niet zo’n beste staat meer verkerende fabriek kwam leeg te staan en viel ten prooi aan de natuurelementen. Ruim vier jaar heeft de fabriek leeg gestaan, steeds meer een vervallen en vanuit de trein een ontsierende en een Castricum onwaardige indruk makend. Verzoeken vanuit Castricum aan de eigenaar het gasbedrijf Beverwijk en plannen van dit bedrijf om op deze plaats een nieuw complex te realiseren hebben geleid tot de afbraak van de fabriek in 1975.

Foto uit 1987 met dan nog overgebleven werknemers van de oude gasfabriek.
afb. 30 Foto uit 1987 met dan nog overgebleven werknemers van de oude gasfabriek; van links naar rechts Piet Kuijs, Dirk de Graaf (inmiddels overleden), Niek de Graaf en reeds op zeer hoge leeftijd Jacob Baltus.

Sluiting van het gasbedrijf

Na de be√ęindiging van de gasproductie in Castricum werd ons dorp van stadsgas voorzien via een noodleiding vanaf de gasleiding langs de Rijksstraatweg in Heemskerk naar de gashouders in Castricum. In 1947 werd een grote leiding dwars


Jaarboek 14, pagina 23

door de weilanden aangelegd vanaf de grote gashouder aan de Tolweg in Heemskerk naar onze gashouders.

In 1955 werd op het fabrieksterrein een propaangasstation in gebruik genomen om vooral kortstondige tekorten aan stadsgas bij piekverbruik te kunnen opvangen. Propaan (opgeslagen in zeer lange tanks) werd dan vermengd met lucht en in het gasnet ge√Įnjecteerd.
De kleine gashouder aan de Oude Haarlemmerweg werd vanwege de slechte staat in het begin van de jaren (negentien) zestig gesloopt. Met de ombouw op aardgas in 1967 kwam een einde aan het stadsgas en had ook de grote gashouder geen functie meer; deze werd kort daarna gesloopt. Vanuit de Castricumse vestiging met kantoor en fitterswerkplaats werden alle uitbreidingen en aanpassingen van het gasnet in het rayon Castricum (de gemeenten Akersloot, Castricum, Limmen en Uitgeest) uitgevoerd.

In 1975 is een start gemaakt met de bouw van een nieuwe werkplaats met kantine en kleine kantoren en ook een dienstwoning voor rayonopzichter Bruins, die voordien woonde in de directeurswoning van de gasfabriek. In 1976 zijn de nieuwe panden in gebruik genomen en zijn de restanten van de oude fabriek, de werkplaats en de woning gesloopt.

Sluiting van het bijkantoor aan de Gasstraat; hiermee kwam een einde aan het 'gasbedrijf' in Castricum.
afb. 31 Sluiting van het bijkantoor aan de Gasstraat; hiermee kwam een einde aan het ‘gasbedrijf’ in Castricum.

De Castricumse vestiging van het gasbedrijf Beverwijk werd vooral om economische redenen in april van 1990 gesloten. Hiermee kwam definitief een einde aan een nogal bewogen geschiedenis van het gasbedrijf aan de Gasstraat te Castricum.

S.P.A. Zuurbier

Verantwoording

Dit artikel is hoofdzakelijk samengesteld met gegevens uit het archief van de gasfabriek deels berustende bij de gemeente Castricum en deels bij het Gasbedrijf Beverwijk. Verder zijn veel gegevens ontleend aan de gemeenteraadsnotulen aanwezig op het Streekarchief te Alkmaar en aan intervieuws met de heren Dirk de Graaf en Piet Kuijs (betreffende gasfabriek), C. Koper en E. Bruins (betreffende gasbedrijf Beverwijk), J. Feuerstein en G. en P. Meijer (betreffende gieterij).

Met dank aan allen die hun medewerking hebben verleend door gegevens te verstrekken of foto’s ter beschikking te stellen. In het bijzonder gaat daarbij dank naar Niek de Graaf, oud medewerker van de gasfabriek, die veel informatie heeft verstrekt en een deel van het onderzoek heeft verricht; zonder zijn hulp was dit artikel niet mogelijk geweest.

Dorpssmederij (Jaarboek 13 1990 pg 22-24)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architectbakkersbioscoopbouwbedrijfcaf√© / hotelcaf√©s en kasteleins in Bakkum –  drukkersexpeditiegasfabriekgroenteboerengroenteveilingkruideniersmelkboerenmelkfabriekmolenaarrestaurantschelpenvissersschilderschildersbedrijfslagerssmidsmederijstoomwasserijstrandvonderveldwachtersvrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 13, pagina 22

De dorpssmederij

Er is een tijd geweest dat de smid een belangrijke plaats innam in de dorpsgemeenschap. Dat was in de tijd van paard en wagen; de paarden moesten worden beslagen, het ijzerwerk van de wagens gerepareerd en in de wagenmakerij werden nieuwe wagens gemaakt.

Pand van Lau Hoebe, de smid, aan de Bakkummerstraat 102 in Bakkum.
Pand van Lau Hoebe, de smid, aan de Bakkummerstraat 102 in Bakkum. Pentekening van kunstenaar: Lau Hoebe. Toegevoegd.

Drie smederijen in de gemeente

Nog niet lang geleden waren er drie smederijen in onze gemeente, in de Dorpsstraat de smederij van Peperkamp, in de Schoolstraat was de smederij van De Groot en in Bakkum was Hoebe de smid.

De laatste smederij heeft de kortste geschiedenis; in 1902 koopt Johannes Hoebe aan de Bakkummerstraat een huis met een win¬≠keltje. Het vak had Johannes geleerd in de smederij van zijn va¬≠der in Egmond aan Zee. In een kleine ruimte achter de winkel aan de Bakkummerstraat werd aanvankelijk de smederij ingericht. Dit heeft niet lang geduurd, want al in 1905 werd door Hoebe een echte smederij naast het huis gezet. Omdat hij toch smeedkolen kocht voor het smidsvuur begon hij ook gelijk maar een handel¬≠tje in turf en andere brandstoffen. Dat heeft geduurd tot er een brandstoffenhandel kwam in de Bakkummerstraat. De smederij is in de jaren (negentien) zestig be√ęindigd.

De smederij van Klaas Smit aan de Dorpsstraat die hij in 1862 kocht. Klaas was eveneens hoefsmid. In 1906 nam Cor Peperkamp, die eerst zijn knecht was, de smederij over.
De smederij van Klaas Smit aan de Dorpsstraat die hij in 1862 kocht. Klaas was eveneens hoefsmid. In 1906 nam Cor Peperkamp, die eerst zijn knecht was, de smederij over.
Met de fiets Cor Peperkamp, bij de boom van links naar rechts Klaas Smidt, moeder Maartje Smit-Brakenhoff en dochter Agatha Smit. Nu staat hier een winkel met daarboven appartementen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De smederij in de Dorpsstraat was gestart door Klaas Smit. Klaas was eerder grof- en hoefsmid in Schermerhorn; hij koopt op der¬≠tig jarige leeftijd in 1862 het huis en erf in de Dorpsstraat op en¬≠kele tientallen meters naast herberg ‘De Rustende Jager‘. Hij trouwt in 1863 met de Castricumse Maartje Brakenhoff. Vele tientallen jaren drijft Klaas deze smederij tot hij in 1906 de sme¬≠derij verkoopt aan Cornelis Peperkamp uit Uitgeest, die sinds 1900 als smidsknecht bij Klaas werkte en inwoonde. Velen zullen zich Cor Peperkamp nog wel herinneren; een echte dorpsfiguur, die voor een borreltje graag getuige wilde zijn bij de aangifte van een geboorte, aan de overkant op het gemeentehuis.

afb. 5 De woning in de Schoolstraat 6 in Castricum naar de situatie in 1990.
afb. 5 De woning in de Schoolstraat 6 in Castricum naar de situatie in 1990.
De smederij is van Kees de Groot. In de loop der jaren wordt de smederij veranderd in een winkel voor haarden, kachels en siersmeedwerk; het smidsvuur verhuist naar een schuur achter het huis. De winkel heeft dienst gedaan tot eind 1985. Kees de Groot was de laatste smid. Voordien leefden hier rond 1793 Hermanus Esseling, smid. In 1806 Klaas Mens, een meestersmid. In 1826 Pieter Smit. In 1831 Wouter Spanjaard, een tapper. In 1837 Pieter Kuyt, grof- en hoefsmid, 1883 Lange Jan de Groot en dan Dorus de Groot, zijn zonen Piet en Kees hebben de zaak overgenomen. Kees woonde later ook in het huis van nr. 6, Piet woonde Schoolstraat 26. Kees en Piet waren de laatste hoefsmeden van Castricum. Waarschijnlijk werd hier in 1706 al gesmeed.

De smederij in de Schoolstraat

Zijn de smederijen in Bakkum en in de Dorpsstraat van deze en van de vorige eeuw, de smederij in de Schoolstraat is al honder­den jaren oud.

De smederij in de Schoolstraat. De kaart geeft de toestand van de directe omgeving in 1830 weer.
afb. 1 De smederij in de Schoolstraat. De kaart geeft de toestand van de directe omgeving in 1830 weer.

In het streekarchief te Alkmaar, alwaar ook de archieven van Castricum zijn opgeborgen, vonden wij koopakten betreffende het pand. De eerste die we tegen kwamen (moeilijk leesbaar) da¬≠teerde uit 1706. Dus toen bestond deze smederij al en wie weet hoe lang reeds. In dat jaar werd er op 9 november een veiling gehouden ‘ten huyze van Willem Jansz., hospis (herbergier) tot Castricum’. Hier werd een huis, erf en schuur in de Kerkbuurt in de banne van Castricum geveild en wel door Miesje Pieters, we¬≠duwe van de smid Jan Casparus. Het gereedschap van de smede¬≠rij te weten de schroef, blaasbalg, haardijzer, aambeeld, slijpsteen, koelbak en travalje, werd niet verkocht. De smederij werd voort¬≠ gezet door de smidsknecht Caspar Jansz. Terbrincq, zoals bleek uit latere gegevens.

Hierna vinden we ruim twintig jaar niets over de smederij. Op 17 mei 1728 koopt Claas Pieters, hoefsmid te Medemblik en broer van de eigenaresse Miesje Pieters, de smederij en het huis aan de eerdergenoemde smidsknecht Caspar Jansz. Terbrincq. Caspar had de smidsgereedschappen blijkbaar al in eigendom, want die werden van de koopsom afgetrokken.

In 1758 overlijdt Caspar. Zijn bezittingen worden ge√ęrfd door zijn vrouw Trijntje Jacobs die op 6 maart 1759 het huis en de sme¬≠derij verkoopt aan Nicolaas Geelvinck, ambachtsheer van Castricum. Dit was voor die tijd niet ongewoon, want Geelvinck was heel rijk en kocht vaak grond en panden op als er iets te koop werd aangeboden. Zo kocht hij nu dus dit huis met smederij, schuur en tuin en betaalde daarvoor de weduwe met een lijfrente van 80 gulden per jaar en met nog zes tonnen turf per jaar, de eerste ton op 1 september, dan kon ze de kachel al stoken. Blijk¬≠ baar kon men in die tijd leven van 80 gulden per jaar.

Wapen van Geelvinck van Backum.
Wapen van Geelvinck van Backum. Een ambachtsheer als Nicolaas Geelvinck oefende in een plaats of dorp het gezag uit namens de graaf of na de Middeleeuwen namens de Staten van Holland. Een dorp waar de graaf het gezag erfelijk in leen had uitgegeven aan de ambachtsheer werd een (ambachts)heerlijkheid genoemd.

Nicolaas Geelvinck

De smederij was nu van Nicolaas Geelvinck, de ambachtsheer van Castricum en Bakkum. Nicolaas was in Amsterdam een zeer machtig man, bekleedde er vele functies onder ander die van burge¬≠meester, woonde in een kapitaal huis aan de Herengracht (had onder andere 7 dienstboden) en verbleef ‘s zomers vaak op zijn buitengoed Scheybeck te Beverwijk. Hij zal zich nauwelijks met de smederij hebben bezig gehouden. Bij de overname werkt Jan Jackz. er al meer dan een jaar als smidsknecht en hij mocht het blijven doen.

Maar in 1760 hoorde Jan dat de heer Geelvinck een verzoek­schrift had gehad van Maarten Kunst uit Alkmaar; deze man wil­ de graag een wagenmakerij in Castricum beginnen, concurrentie dus!
Jan Jackz. liet het kaas niet van zijn brood eten en vroeg op zijn beurt aan de Heer van Castricum een vaste aanstelling als smids­baas; hij voerde daarbij aan dat hij al twee jaar als zodanig werk­zaam was en wel tot volle tevredenheid en genoegen van zijn dorpsgenoten. Hij kreeg zijn zin en kon dus weer rustig door gaan tot genoegen en tevredenheid van iedereen.

Na het overlijden in 1764 van Nicolaas Geelvinck gaan al zijn Castricumse bezittingen over op zijn zoon Joan Geelvinck. Ook Joan was een invloedrijk man en had functies bekleed in Amster­dam en Brussel. In de roerige periode voorafgaande aan de Fran­se revolutie werd hij op 5 juli 1787 door de patriotten tot burge­meester van Amsterdam benoemd en vervolgens enkele maanden


Jaarboek 13, pagina 23

later op 27 november 1787 reeds door prins Willem V van zijn functie ontheven. Op dat moment was Joan reeds uitgeweken naar het buitenland. Al eerder op 6 mei in datzelfde jaar had hij Joachim Nuhout van der Veen, schout van Castricum, als zijn lasthebber de opdracht gegeven het huis en de smederij te verkopen.

De speerhaak van Hermanus Esseling uit 1788.
afb. 2 De speerhaak van Hermanus Esseling uit 1788. Deze speerhaak kan geplaatst worden in een gat van een aambeeld. En heeft een kleine ronde en een vierkante punt die bij het smeden gebruikt word figuren te smeden.

De speerhaak van Hermanus Esseling uit 1788

Hermanus Esseling uit De Zijpe koopt het huis en de smederij en het kleine huisje ernaast, genaamd ‘de Stalling’. Had dit mis¬≠schien iets te maken met de er tegenover liggende (oude) Pancratiuskerk en de boeren die op zondag met paard en wagen naar de kerk kwamen? De familie De Groot is in het bezit van een speerhaak – een klein soort aambeeld – met daarin het jaartal 1788; het gereedschap bleef bij elke verkoop bij de smederij dus kunnen we aannemen dat de toenmalige smid Hermanus Esseling hiermee ook al heeft gewerkt. Ook was er een grote blaasbalg, die volgens de familie De Groot zeker even oud was, maar jammer genoeg werd het leer hiervan in de tweede wereldoorlog versneden voor schoenzolen. Heel begrijpelijk voor ieder die de toestanden toen kende.

Terug naar Hermanus Esseling, op 14 januari 1793 is hij nog eige­naar en smid blijkens een akte waarin hij als buurman genoemd wordt, maar op 1 december van datzelfde jaar sterft hij. Een aantal jaren daarna op 2 april 1806 verkoopt zijn echtgenote Johanna Naus alles aan de in Alkmaar geboren Klaas Mens, meestersmid.

Op 21 december 1826 verkoopt de dan 69 jarige Klaas Mens de smede­rij voor 1.500 gulden aan Pieter Smit, een smidsknecht uit Velsen. Als in 1830 een volkstelling wordt gehouden woont Pieter Smit in het huis met de smederij aan de Schoolstraat, is dan 22 jaar, ge­boren in Purmerend. Hij woont er samen met zijn vrouw de 26 jari­ge Antje Spanjaard, geboren in Velsen, hun twee kinderen Catharina 2 jaar en Simon een half jaar oud en de 22 jarige inwonende knecht Jan Stokkers, geboren in Alkmaar. Zo weten we nu nog wie er woonde in 1830 in het huis aan de Schoolstraat.

Nog geen vijf jaar later in 1831, verkoopt Pieter Smit de smederij aan Wouter Spanjaard, waarschijnlijk een broer van Antje. Wouter was eerst tapper, dus geen smid en hij verkoopt het geheel als zijnde tolgaarder tussen Spaarndam en Santpoort en wonen¬≠ de in Schoten in 1837 aan Pieter Kuyt, dan al smid en wonende in Castricum. Pieter werkte waarschijnlijk al in de smederij, hij was geboren in 1805 te Houtrijk en Polanen en noemde zich grof- en hoefsmid. Pieter Kuyt zal vele tientallen jaren de dorpssmid zijn. In 1881 zal Pieter Kuyt op 76 jarige leeftijden al enkele jaren na het overlijden van zijn vrouw Grietje Busscher ‘het woonhuis in¬≠ gericht tot smederij en werktuigen, erf en tuingrond ter grootte van in totaal 542 vierkante meter via een boedelscheiding overdragen aan hun enige zoon Jacob Kuyt.

De oude smederij van Dorus de Groot; voor de smederij het ge­zin van Dorus samen met de knecht en dienstmeid.
afb. 3 De oude smederij van Dorus de Groot. Voor de smederij staat het ge­zin van Dorus samen met de knecht en dienstmeid.

De familie De Groot sinds 1883 eigenaar

In 1883 is er op verzoek van Jacob Kuyt een veiling van de smede¬≠rij in herberg ‘De Vriendschap’ op de Dorpsstraat. Ene Jan de Groot, later bijgenaamd ‘Lange Jan’ koopt de smederij. Als Jan na het overlijden van zijn vrouw Maria Catharina Dijkman in 1909 alleen komt te staan, gaat hij een vennootschap aan met Theodorus (Dorus) de Groot met het doel het smidsebedrijf ge¬≠meenschappelijk uit te oefenen. Jan en Dorus zijn geen familie van elkaar. De vennootschap duurt tot 1918, in dit jaar gaat Lan¬≠ ge Jan eruit en wordt het bedrijf voortgezet door Dorus. Twee van zijn zonen – Kees en Piet – groeien met het smidsebedrijf op; va¬≠der Dorus blijft er nog werken tot 1966.

afb. 4 Kees de Groot, de laatste smid van Castricum.

Jaarboek 13, pagina 24

In de loop der jaren wordt de smederij veranderd in een winkel voor haarden, kachels en siersmeedwerk; het smidsvuur verhuist naar een schuur achter het huis. De winkel heeft dienst gedaan tot eind 1985. Kees de Groot, de laatste smid, is nu ook gestopt en op de foto ziet u hem als zodanig bij het smidsvuur. Daarmee is het beroep van dorpssmid net als in zovele andere plaatsen ook in Castricum verdwenen. Met enige nostalgie denk ik aan het oude lied, het lied van de scharesliep:

‚ÄĚDe smid die moet hard werken, gestadig voor het vier
Hij durft hem niet versterken met eene kan goed bier
Terwijl ik ga op mijn gemak
Soms ook wel met een leege zak
Terlierelom terla
Van linksom rechtsom draait mijne steen door het roeren
van mijn been‚ÄĚ

E.A. Steeman-Borst

Bronnen onder andere:

  • oud rechterlijk archief van Castricum, aanwezig op het streek¬≠ archief te Alkmaar
  • hypothecaire registers op het Rijksarchief te Haarlem
  • gegevens van familie De Groot
De smederij van Cor Peperkamp aan de Rijksstraatweg nu Dorpsstraat 56 in Castricum.
De smederij van Cor Peperkamp aan de Rijksstraatweg nu Dorpsstraat 56 in Castricum. Cor staat bij de boom. Op de winkelruit staat: Gediplomeerd Hoefsmid C.J. Peperkamp