Cafés en kasteleins in Bakkum (Jaarboek 39 2016 pg 57-67)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Bakkum:
Bakkum, de Heerlijkheid en zijn ambachtsheren – Bakkum, einde gemeenteBakkum in de 18e eeuwBakkum omstreeks 1830Bakkum na 1930, de huizen en hun bewonersBakkum, vijftig jaar kerkBewoningsgeschiedenis Bakkum NoordBoenstraatje te BakkumCafés en kasteleins in BakkumKampeerterrein BakkumKermis in BakkumKlompenbuurt in BakkumKoninklijk Landgoed Bakkum (deel 1)Koninklijk Landgoed Bakkum (deel 2)Ongevallen in Bakkum

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architectbakkersbioscoopbouwbedrijfcafé / hotelcafés en kasteleins in Bakkum –  drukkersexpeditiegasfabriekgroenteboerengroenteveilingkruideniersmelkboerenmelkfabriekmolenaarrestaurantschelpenvissersschilder – schildersbedrijf – slagerssmidsmederijstoomwasserijstrandvonderveldwachtersvrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 39, pagina 57

Cafés en kasteleins in Bakkum

Net zoals de vele winkels die Bakkum heeft gekend, verdwenen er in deze dorpskern ook verschillende cafés. Alleen hotel-café-restaurant Borst wist zich 100 jaar te handhaven. Voor zover was na te gaan in archieven of via familieleden van vroegere eigenaren, passeren in dit artikel alle Bakkumse cafés de revue.

De vertrouwde kermis in de jaren 1980.
De vertrouwde kermis in de jaren 1980.

Kermis

Hoewel Bakkum ruim 100 jaar geleden een veel kleiner aantal inwoners had dan Castricum, werden er in Bakkum in verhouding meer drankvergunningen verleend. Ook de bouw van ‘Duin en Bosch’ (1904-1909) was aanleiding voor de opening van meer cafés. Een vestiging aan de Bakkummerstraat droeg zelfs enige tijd de naam van het provinciaal ziekenhuis.
Op basis van de drankwet van 15 oktober 1904, houdende bepalingen tot regeling van de kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschap, stelde de gemeenteraad van Castricum op 22 februari 1905 een verordening vast regelende het heffen van vergunningsrecht voor de uitoefening van de kleinhandel in sterke drank. Het recht bedroeg jaarlijks 12,50 gulden voor elke 50 gulden huurwaarde met een minimum van 25 gulden.

Bakkummer kermis in 1947 voor café Borst.
Bakkummer kermis in 1947 voor café Borst. V.l.n.r. Floor de Graaf, Jaap Borst, Ber van Benthem, Cees Cornelisse, Rie Strik, Cees Duijn, Han Brakenhoff en Jaap Tiebie.

Cafébezoek en kermisviering waren toen al nauw met elkaar verbonden. Een druk bezochte kermis betekende voor de kasteleins een aanzienlijke verhoging van hun inkomen. Vandaar dat de caféhouders er alles aan was gelegen om zoveel mogelijk publiek te trekken. En ondanks de bescheiden omvang van de Bakkummer kermis kon het er in die tijd, als het weer meezat, bijzonder druk zijn. De kermis was lange tijd berucht om de vechtpartijen en stond daarom bekend als ‘Bakkummer oorlog’. Het verhaal gaat ook dat er tussen de kasteleins ten noorden en ten zuiden van de Zeeweg tijdens de kermisdagen een felle concurrentiestrijd woedde. Dit was met name aan de orde toen Cees Castricum naast zijn zaak aan de Heereweg een grote feesttent liet zetten om de dansende kermisvierders wat ruimte te geven. De Zuid-kasteleins wisten burgemeester Mooij zodanig te bepraten dat de tent van Castricum werd verboden. Cees trok zich daar echter niets van aan en zette, volgens Rinus de Ruijter in zijn boek ‘Schippers van het Stet’, een nog grotere tent neer. De burgemeester is toen met de kermisdagen maar bij zijn dochter in Amsterdam gaan logeren en liet het handhaven van de openbare orde over aan veldwachter Koelewijn, die veel gezag had in Bakkum. Met veel tact wist hij de vrede te bewaren en de danstent kwam elk jaar terug …

Café De Hoop in 1905.
Café De Hoop in 1905.

Borst, Van Oldenbarneveldweg 25

De voorganger van Hotel Borst was café ‘De Hoop’, waarmee Wub Joosten in 1903 startte. Eind 1904 verkocht hij het café aan zijn broer Jacobus Joosten, die bakker was in Beverwijk. In 1911 verkocht Jacobus het geheel weer door aan zijn broer Martinus, winkelier van beroep. Enige tijd later kocht Jacobus er nog een stuk grond bij, maar in 1915 had hij een grote betalingsachterstand opgebouwd en kwam daardoor in acute geldnood. Als gevolg daarvan werd hij gedwongen om zijn gehele bezit te verkopen. Op 16 september vond er in het lokaal van Van Benthem in Castricum een openbare verkoping plaats en kocht land-


Jaarboek 39, pagina 58

bouwer Willem Borst (1887-1974) voor een bedrag van 2.215 gulden het café dat toen het adres Duinbuurt 473 had, maar later werd omgedoopt in Van Oldenbarneveldweg 25. De volledige inventaris bestond uit 16 stoelen, vier houten tafeltjes, zes kelkjes en twee kop en schotels. De caféruimte was niet groter dan zes bij acht meter, dus alles paste er net in.

Willem Borst
Willem Borst

Willem, die in 1918 met Heintje de Winter trouwde, nam de exploitatie van het café zelf ter hand. Aanvankelijk woonde het gezin in een kleine kamer met keuken achter de schuifdeuren van het café. In 1921 werd er aan de zuidkant van het café een serre gebouwd en aan de westkant een veranda. Nadat er voor de serre een gezellige theetuin was ingericht, veranderde de naam café De Hoop definitief in café W. Borst.

Café Borst kreeg rond 1928 een theetuin en heette tijdelijk ‘Bondshotel Berg en Bosch’. Vader Willem poseert hiervoor met links op de foto zijn kinderen Dirk en Annie.
Café Borst kreeg rond 1928 een theetuin en heette tijdelijk ‘Bondshotel Berg en Bosch’. Vader Willem poseert hiervoor met links op de foto zijn kinderen Dirk en Annie.

Toen de jongste zoon Dirk in 1928 was geboren, werden zowel het woonhuis als het café verbouwd. In deze periode breidde Willem het aantal logeerkamers eveneens uit en presenteerde zijn hotel en theetuin trots als ‘Bondshotel Berg en Bosch’. Twee jaar later werd ook de open veranda aan de voorkant in een serre veranderd.
Het naastgelegen woonhuis van de familie Zonneveld werd door Willem in 1931 gekocht en afgebroken voor de bouw van een toneelzaal. Langzamerhand kreeg de zaak de aanblik die vele jaren in stand werd gehouden.

Vader Willem was een inventieve en handige man. Het bier bewaarde hij koel in de kelder onder de gelagkamer. Om niet steeds het trappetje af te moeten, ontwierp hij een stok met daaraan een haak, waarmee hij de flesjes achter


Jaarboek 39, pagina 59

de kroonkurk kon aanhaken en daarna ophijsen.
Tijdens een openbare verkoping tikte Willem een orgel met echte pijpen op de kop. Dat orgel kwam naast de grote kolenkachel te staan en zou jarenlang de dansliefhebbers begeleiden.
De vijf kinderen van Willem en Hendrika hielpen van jongs af aan mee in de zaak. Dochter Trien (1920-2006) en zoon Kees (1919-1996) assisteerden moeder in de bediening en zoon Dirk (1927-2004), die aanvankelijk voor aannemer Borst werkte, ruilde op een gegeven moment zijn troffel om voor het koksmes in de keuken. Later ging hij zich met zijn vrouw Corrie (1928) meer richten op het hotelbedrijf.

Tante Trien achter de bar.
Tante Trien achter de bar.

Trien Borst, die voor heel Bakkum bekend was als Tante Trien, vertelde in het Noord-Hollands Dagblad van 31 maart 1998:
“Vanaf mijn dertiende werkte ik mee en ik heb dat vijfenzestig jaar volgehouden. Sinds kort doe ik het wat rustiger aan. Ik ben een nachtmens. Het was in de kleine uurtjes voordat ik naar huis kon, want we hadden altijd wel een paar klanten die ook na sluitingstijd bleven zitten. Dan gingen de deuren op slot en praatten we na totdat soms de politie met grote zaklampen door de ramen scheen. Hoewel we dan buiten zicht trachtten te blijven door onder het biljart te kruipen of achter de bar, werden we wel eens gesnapt. Ik werd daarom verscheidene keren bij de burgemeester op het matje geroepen. Ook gebeurde het wel dat ik mijn echtgenoot Dirk, die veehandelaar was, ’s morgens vroeg op straat tegen kwam. Hij ging dan de ene kant op naar de veemarkt en ik de andere kant, naar bed…”

In het verleden heeft het nabijgelegen psychiatrisch ziekenhuis Duin en Bosch een flinke stempel gedrukt op de exploitatie van café Borst. Als de patiënten tussen de middag moesten eten, ging de familie vaak voor de lunch naar Borst. Daar zat het iedere zondag stampvol.

Een biljartgroep bij Borst in 1994.
Een biljartgroep bij Borst in 1994. V.l.n.r. achterste rij: Jan Castricum, Wil Castricum en René Glorie; tweede rij: René Hooijschuur, Jan Reijnders, Karel Glorie, William Borst, Nol van Wandelen, Erik Zonneveld en Rick Weerstand; geknield: Hans van der Himst, Nico Mooij, Dick Zonneveld, Wil Lute, René Hoogeboom en Jan Willem Zonneveld.

Omdat de inrichting jarenlang ouderwets knus was, werd Borst vaak ‘de grootste huiskamer van Bakkum’ genoemd. Talloze vergaderingen, optredens, bruiloften en andere feesten hebben in zaal Borst plaatsgevonden en deze fungeerde soms ook als bioscoop. Artiesten als Snip en Snap, Kees Stet, De Mounties, Rudi Carell en Tom Manders hebben er in de jaren 1950 en 1960 op het podium gestaan en ook de plaatselijke toneelverenigingen hadden hier jarenlang hun domicilie. Bovendien was de Castricumse popgroep The Frogs vanaf 1964 daar acht jaar lang elke zondag van 20.00 tot 23.00 uur goed voor een enorme publieke belangstelling. Hotel Borst werd in die tijd de belangrijkste poptempel in de regio genoemd (zie ook het artikel over de popmuziek in het 31e Jaarboek, 2008).

Een andere ‘artiest’ die opviel, zoals Trien Borst in een artikel in het Noord-Hollands Dagblad van 31 maart 1998 vertelt, was pater Henri de Greve. Hij was een gedreven man en goed verteller, die zeer bekend was geworden door zijn radio-praatjes in het programma ‘Lichtbakens’ van de KRO. De Greve richtte in 1938 de ‘Bond zonder Naam’ op, een beweging gericht op naastenliefde, los van geloofsovertuiging of levensbeschouwing. Toen hij in 1949 naar Borst kwam, liep heel Bakkum uit. Zowel de grote zaal als de kleine zijzalen zaten tot aan de nok toe vol. Er waren zelfs mensen die een ladder tegen het gebouw zetten en op het platte dak klommen om via de geopende ramen van de twee glazen koepels mee te kunnen luisteren naar de wondermooie moralistische verhalen van deze pater.

De naam Borst is sinds mensenheugenis gekoppeld aan de Bakkummer kermis. Op de tweede zondag van oktober ontmoeten jong en oud elkaar voor de terrassen en kan je spreken van een heuse reünie. Weer of geen weer, elk jaar is het een gedrang van jewelste en vloeit het bier rijkelijk.


Jaarboek 39, pagina 60

Vogelschieten bij Borst

Het ouderlijk huis van Cor Mooij, waar hij in 1920 is geboren, bevond zich vlak achter Hotel Borst. Zijn vader had daar zijn tuinderij.
Cor herinnerde zich dat in de (negentien)twintiger jaren achter het hotel twee keer per jaar schietwedstrijden werden gehouden:
“Op twee palen werd dan een houten vogel geplaatst. Die had een romp met een kop, een staart en twee vleugels. Er zat een klein blikken bandje aan. Als je meedeed met schieten betaalde je per schot. Dat geld kreeg je dan weer terug als je er wat vanaf schoot. Je moest het doel in het midden raken, anders draaide de vogel gewoon een slag in de rondte. Wij jongens zochten de loden kogels op en verkochten die dan weer voor een paar centen aan de schutters. Het zorgde voor aardig wat klandizie bij Borst. De schutters kwamen overal vandaan; eentje zelfs helemaal uit de Haarlemmermeer. De inleg werd verdeeld. Voor ieder onderdeel van de vogel was een bedrag bepaald. Het meeste geld kreeg de schutter die de romp eraf schoot.”
Nog niet zolang geleden vond iemand op het land bij de Van Tienhovenhoeve een bijzondere kogel. Natuurlijk wist Cor Mooij direct waar die vandaan kwam …

Na de kermis van oktober 2015 onderging het café-restaurant een metamorfose en verdween na een verbouwing van vijf weken Borst-in-oude-stijl voorgoed. Het nieuwe restaurant kreeg een eigentijdse uitstraling met veel hout en een bruinleren interieur. De twee zalen werden samengevoegd tot één, met in totaal 80 zitplaatsen. Dat het café verleden tijd was, deed de huidige eigenaars William Borst (1960) en zoon Fabian (1989) zeer. William reageerde in het Dagblad Kennemerland van 29 oktober 2015 als volgt:
“Toen ik vijf jaar was zag alles er al uit zoals het hier tot en met de kermis was. Dus het was wel even slikken. Ik ben opgegroeid in het café. Er was altijd gekkigheid, gasten die dansten op het biljart. Een heel breed publiek kwam hier. Van clochards tot miljonairs; een doorsnee van de bevolking van Bakkum. De hotelfunctie blijft en dat geldt ook voor evenementen als de kermis, popquiz, ringsteken en Jazz in Bakkum”.

De familie- en personeelsleden van Fase Fier Eten & Drinken voor de opening in november 2015
De familie- en personeelsleden van Fase Fier Eten & Drinken voor de opening in november 2015. V.l.n.r. staand: Suzanne van de Ven, Jolanda Groot, Sharon Clarke, Thimo van der Meij, Ella Zijlstra, Connor Smith, Fabian Borst, Ranil Vergonet en William Borst; gehurkt: Tamara Molenaar, Ellen Borst, Nikki Groenheide en Saskia de Wit.

Per 23 november 2015 werd er nog een grote verandering ingevoerd. Sindsdien draagt de ruim een eeuw oude horecavestiging de naam ‘Fase Fier Eten & Drinken’. De betekenis hiervan werd op die dag door Fabian onthuld:
“Omdat het roer volledig is omgegaan, vonden we een nieuwe naam passend bij een nieuwe start. Fier staat niet alleen voor de vier generaties Borst, maar ook voor trots en zelfverzekerdheid die we graag willen uitdragen.”

Café De Duinstreek in 1937.
Café De Duinstreek in 1937.

De Duinstreek, Bakkummerstraat 75

Het pand Bakkummerstraat 75, dat tot 1930 alleen diende als brandstoffenhandel, liet Willem de Groot (1888-1959) in 1930 verbouwen tot café dat de naam ‘De Duinstreek’ kreeg. Achter het pand bleef de opslag van kolen, briketten en turf gehandhaafd.
Willem was getrouwd met Trijntje Borst (geen familie van Hotel Borst) en hun inmiddels overleden jongste dochter Agaath (1922-2016) wist nog veel over de zaak te vertellen:
“Mijn vader had een volledige vergunning. Dat hield in dat hij mocht tappen en tegelijkertijd sterke drank mocht verkopen. Wij woonden ernaast op nummer 75a. Met mijn broers en zuster heb ik altijd geholpen in de zaak. Dat begon met eenvoudige klusjes als glazen spoelen en later mocht ik ook serveren. Het café was niet groot en telde ongeveer 30 stoelen. Vooral in de winter was het er rustig. Vaak kwamen er vertegenwoordigers koffie drinken die hun eigen brood meenamen. Er werden ook veel vergaderingen gehouden van bijvoorbeeld de VVV, Vrouwenbond, Middenstandsvereniging en de Postduivenclub. We waren dagelijks open en gingen nooit op vakantie. Af en toe was er tijd voor een familiebezoekje, maar meer ook niet.


Jaarboek 39, pagina 61

Het bier, dat we inkochten bij drankenhandel Koop uit Beverwijk, werd in houten vaten geleverd en ’s zomers gekoeld met ijsblokken van de melkfabriek.
Van concurrentie met Borst was totaal geen sprake. Zij hadden een grote zaal en er kwam ook ander publiek. Het café was ook niet de grootste bron van inkomen voor ons gezin. In de eerste plaats hield vader de brandstoffenhandel aan en daarnaast vervoerde hij met paard en wagen aardbeien naar Beverwijk. Vader had trouwens wel een hekel aan schenken op de pof, want dat kostte klanten, zei hij altijd. Als iemand in het krijt stond, was hij namelijk bang dat die naar een ander café zou gaan.

In 1953 hield de VVV hield haar ledenvergadering in café W. de Groot te Bakkum.
In 1953 hield de VVV hield haar ledenvergadering in café W. de Groot te Bakkum.

We hadden veel vaste klanten die een kaartje kwamen leggen of een biljartje maakten. Ook zagen we steeds dezelfde gasten van kampeerterrein Bakkum. Dat waren rasechte Amsterdammers, waar je ontzettend mee kon lachen. Op een keer kwam eens een stel kampeerders binnen met een jongetje van een jaar of zes dat moest plassen. In die tijd legden we altijd een schijfje citroen in het urinoir voor de frissigheid. Toen het jongetje terugkwam zat hij lekker te sabbelen op het citroenschijfje …

Ik kan mij niet herinneren dat er problemen zijn geweest door dronkenschap of dat de politie erbij moest komen. Vader kon goed met mensen overweg en had bovendien handen als kolenschoppen. Vaak ging hij ’s morgens om een uur of tien met een bak koffie op de veranda zitten. Op een gegeven moment kwam er een man aanrennen die op weg was naar de kerk. Vader hield de man staande en zei tegen hem dat hij zich niet hoefde te haasten, omdat de kerk pas om 11.00 uur zou beginnen. Toen bleek dat de voorbijganger op weg was naar de gereformeerde kerk, waar vader natuurlijk nooit aan gedacht had!

Van de oorlogsjaren weet ik niet veel meer, alleen dat het café een aantal jaren werd gesloten en volgens mij was dat tijdens de evacuatieperiode. De kermistijd staat mij nog wel helder voor de geest. Dat betekende een hogere omzet, maar ook meer kosten. Zo hadden we speciaal voor die dagen twee kelners in dienst. Dat waren Ber Schermer en Joop Zentveld. Om de sfeer te verhogen hadden we ook de toen alom bekende kermisband ‘De drie musketiers’ van Cees Nat ingehuurd en dat kostte ook wel een paar centen. Nee, het was een onzeker avontuur, want de opbrengsten waren ook erg afhankelijk van het weer. Als het droog en zonnig was gingen de mensen een rondje lopen langs alle cafés en daar moest je het tenslotte van hebben.

Ook hebben we de nodige bruiloften en partijen meegemaakt. Die werden vanaf het begin in een bovenzaal gehouden, wat heel wat voeten in de aarde had. Tijdens het gebruik moest de zaal namelijk gestut worden om de vloer meer draagkracht te geven. Een nadeel was ook dat we steeds de trap op moesten met eten en drinken en dat was geen pretje. Mijn vader is na een jaar of zeven gestopt met de bovenzaal, omdat het toch praktischer was om alles beneden te houden. Maar dat had weer tot gevolg dat het loodzware biljart er elke keer uit moest om te worden opgeslagen in de schuur. Dat gebeurde dan met behulp van acht mannen.

De mensen konden overigens wel feesten in die tijd. Een bruiloft begon meestal na de kerk om een uur of elf met koffie en een broodmaaltijd. Daarna een borreltje, receptie en aan het eind van de middag een driegangendiner. De gasten leverden zelf het eten als groente, vlees, aardappelen, broodjes etc. en wij bereidden alles in onze keuken. Na het diner begon de feestavond en ging men weer vrolijk verder. We hebben zelfs op zaterdagavonden meegemaakt dat de mensen ’s nachts door wilden gaan tot de volgende morgen als het kerk- of melkerstijd was. In ieder geval werd elk feest afgesloten met koffie en broodjes. Daarna konden wij weer aan de gang om alles schoon te maken. Het afrekenen ging heel eenvoudig, want de borreltjes werden per fles betaald. De aangebroken flessen mocht men mee naar huis nemen. Het was zo’n andere tijd, je kunt je dat nu bijna niet meer voorstellen.

In 1955 koos De Groot voor de slijterij in plaats van een café.
In 1955 koos De Groot voor de slijterij in plaats van een café.

In 1955 splitste de gemeente alle drankvergunningen en moest vader kiezen waar hij mee door wilde gaan. Hij koos voor de slijterij, dus vanaf dat moment is het café opgeheven en werd het interieur verbouwd tot winkel.”

Agaath ging de slijterij samen met haar zus leiden. Zij stopten daarmee in 1970 en vanaf dat jaar verhuurden zij de zaak aan Paul Nolet, die het pand in 1980 kocht van de twee zusters. Nolet had daar zijn drankwinkel tot 1998 en verplaatste zijn slijterij toen naar de Stationsweg, waar Taxi Tervoort voorheen was gevestigd. Het pand heeft daarna nog tijdelijk een winkelfunctie gehad, maar die werd spoedig opgeheven en omgezet in een woonbestemming.

De Dukdalf, Van der Mijleweg 1

De Dukdalf is het jongste café dat Bakkum heeft gekend. Cees Lute was daarvan de eerste eigenaar. Hij kocht het


Jaarboek 39, pagina 62

pand rond 1975 van Niek Bakker, die er een kapperszaak annex sigarenwinkel runde. In de jaren 1930 en 1940 was daarnaast garage Dijkhuizen gevestigd. Lute verbouwde het pand tot cafetaria ‘De Vluchtheuvel’ en in het linkerdeel begon hij een bar onder de naam ‘De Dukdalf’.

De Dukdalf sponsorde in 1982 het B2-team van Vitesse ’22.
De Dukdalf sponsorde in 1982 het B2-team van Vitesse ’22. V.l.n.r. staand: Ron Scholten, Bob Res, reserveleider Jaap Veldt, Arend Koet, Jeroen Konijn, Dennis Lammers, Jeroen de Swart, Falco van der Miesen, Frans Schermer en trainer Peter Lambert; zittend: Marcel Zoontjes, Dave Jonker, Jeroen de Jonge, Otto Spaan, Sander van der Klei en leider Arie Glorie.

In 1977 kregen de broers Jan en Ben Castricum het beheer over de horecavoorzieningen. Jan (1947), die getrouwd is met Marry, dochter van de vroegere caféhouder Jaap Tuin aan de Heereweg, vertelde over De Dukdalf:
“In 1980 hebben we het pand overgenomen van Cees Lute. Alles bij elkaar hebben mijn broer en ik met onze echtgenotes 27 jaar in de zaak gestaan. Het café is in de loop der tijd wel van functie veranderd. In het begin deed het alleen dienst als bar en discotheek. In 1983 hebben we de zaak verbouwd en is er een zaaltje bijgekomen voor feesten en partijen.

Een advertentie uit 1983.
Een advertentie uit 1983.

In de beginperiode hadden we veel vaste gasten, zoals de leden van de reddingsbrigade en een klaverjasclub. Ook kwamen vaak dezelfde mensen langs om een biljartje te maken. Tijdens het ‘eerste deuntje’ van de Bakkummer kermis was het extra druk en huurden we een muziekduo in. In de zomer hadden we ook bezoekers van de jeugdherberg en het kampeerterrein.
Onze biervaten, geleverd door de groothandel Noord-Holland Noord uit Alkmaar, werden in de kelder onder de voorbar opgeslagen.

Cafetaria De Vluchtheuvel met links café De Dukdalf begin jaren 1990.
Cafetaria De Vluchtheuvel met links café De Dukdalf begin jaren 1990.

De laatste jaren werd het darten populair en dat trok nogal wat publiek. We organiseerden toen een aantal keren een toernooi dat ging om het kampioenschap van Castricum. Per 31 december 2004 verkochten we de zaak aan snackbarketen Family. De vroegere caféruimte werd vanaf die tijd af en toe nog gebruikt voor feesten en klaverjassen, totdat het omstreeks 2009 werd opgeheven en de ruimte bij het cafetaria werd getrokken. Family is daar trouwens nog steeds gevestigd.
Natuurlijk hebben we in al die jaren een hoop leuke en gekke dingen meegemaakt. Ik herinner mij dat er een keer een jongen in De Vluchtheuvel zat en een taxi bestelde. In de auto vroeg de chauffeur waar hij naartoe moest, waarop het antwoord luidde: naar De Dukdalf …”


Jaarboek 39, pagina 63

Menno Twisk als diskjockey.
Menno Twisk als diskjockey.

Herinneringen van Menno Twisk

Menno Twisk (1957) was diskjockey in De Dukdalf van 1976 tot 2000. Bij hem kwamen de volgende her naar boven:
“De eerste DJ was Ron Lute. Daarna draaiden Co Wiendels en Uke Rorije platen en ben ik ‘aangeschoven’. We hebben vanaf midden (negentien)zeventiger jaren samen ook tijdens kermissen gedraaid voor de nieuwe eigenaren, de gebroeders Castricum. Daarnaast ben ik ook nog een aantal jaren in de Voem Voem als diskjockey gaan werken, maar bleef dat ook altijd doen (totaal meer dan 20 jaar) bij bruiloften en partijen in De Dukdalf.

In die tijd was het nog de kunst om niet te mixen maar de muziek ‘aan elkaar te praten’ om het zo maar te noemen en op die manier de bezoekers te ‘entertainen’. Met kermissen of grote feesten moest er altijd flink geïmproviseerd worden. De stoppen sloegen geregeld door of de vinylplaten op de draaitafels moesten ‘nat’ gedraaid worden. Met verzwaring van een voorwerp op de kop van de naald in de arm van de pick-up werd het ‘overslaan’ van de muziek in het feestgedruis voorkomen. De kermissen werden toen nog gevierd met drank in glas en het kon er wel eens om spannen als er een knokpartij uitbrak tijdens ‘de ‘Bakkummer oorlog’. Meestal konden we dit soort spanningen binnen De Dukdalf met de vaste bezoekers in de kiem smoren door trucjes als het draaien van ‘verkeerde’ muziek of het aandoen van de grote lichten. In tegenstelling tot wat sommigen denken was het juist de onrustige situatie buiten de horecagelegenheden en op het kermisterrein zelf dat het afschaffen van het eerste deuntje op de maandag in de hand werkte.

Kenmerkend voor onze manier van platen draaien in De Dukdalf was, dat bijvoorbeeld een bruiloft met een (stijl)dansavond gepaard kon gaan, zonder dat er een band ingehuurd hoefde te worden. Daar werden dan gelijk (dans)ruimte en budget mee gewonnen. Hiervoor moesten we wel noodgedwongen ook wat Engelstalige en modernere hitsingles gebruiken, waar men niet zo aan gewend was om op te stijldansen. Het kwam dan ook wel eens voor dat ik samen met Marry van Jan Castricum, of met de bruid een quickstep of Engelse wals op een stukje popmuziek moest voordansen, wat vaak tot grote hilariteit leidde. In veel gevallen hebben we naast het huwelijksfeest ook het 12,5-jarige huwelijksfeest voor hetzelfde echtpaar verzorgd en in twee gevallen werd zelfs nog het zilveren huwelijk gevierd.

De fijnste herinneringen heb ik aan de belevenissen tijdens de lange samenwerking met de altijd optimistische en humoristische Dirk Heintzberger die op feestavonden als barkeeper of ober werkte. In mijn ogen een geboren entertainer die helaas in 2015 plotseling en te vroeg overleden is. Wat hebben wij met hem veel meegemaakt en enorm kunnen lachen. Daarover zouden we een boek op zichzelf kunnen schrijven. Misschien komt dat er nog een keertje van. Dirk zou dat in ieder geval verdienen.”

Café 'De Goede Verwachting' van Willem Castricum aan de Heerweg 38 te Bakkum in 1920.
Café ‘De Goede Verwachting’ van Willem Castricum aan de Heerweg 38 te Bakkum in 1920.

De Goede Verwachting, Heereweg 36

aldus een verhaal van Jan Castricum, dat is opgetekend in De Castricummer van 30 juni 1999.

Van oorsprong was het pand Heereweg 36 een boerderij, waarin Lammert Hageman een herberg annex café begon. In 1859 werd deze uitspanning, die ‘De Roskam’ heette, voortgezet door Dirk de Winter sr. (1828-1902). Volgens het boek ‘Historie van Castricum en Bakkum’ van Derk van Deelen zou de herberg op 2 juli 1860 door brand geheel verloren zijn gegaan. Na de herbouw werd Dirk de Winter jr. (1859-1937), onder andere jachtopziener en tuinder van beroep, eigenaar van de zaak van 1902 tot 1905. Het café werd vanaf 1905 gerund door Dieuwertje Stroomer, die getrouwd was met schelpenvisser en vrachtrijder Cees Castricum (1861-1925). Het echtpaar woonde vanaf dat jaar aan de Heereweg. Cees, later ook bekend als kastelein, kocht het pand in 1905 en gaf het de naam ‘De Goede Verwachting’. Na zijn overlijden verkocht Dieuwertje het in 1926 aan Johan van der Velden, een caféhouder uit Leiden. Een jaar later kwam hij in financiële problemen en kocht Dieuwertje het café alweer terug tijdens een openbare verkoping. Het pand kwam in 1928 in handen van haar zoon Willem (1887-1953), die achter het café een transportbedrijf had.

De familie Castricum met personeel voor De Goede Verwachting rond 1915.
De familie Castricum met personeel voor De Goede Verwachting rond 1915. In het midden met donkere blouse Dieuwertje Stroomer en geheel rechts haar man Cees Castricum.

De crisis trof ook de familie Castricum. ‘De kamers boven het café werden in die tijd verhuurd, waardoor de gezinsleden soms op het biljart in slaap moesten zien te raken’,


Jaarboek 39, pagina 64

Een foto uit de jaren 1930, nu met duidelijk de speeltuin in beeld en daarachter de theetuin.
Een foto uit de jaren 1930, nu met duidelijk de speeltuin in beeld en daarachter de theetuin.

Bij het café hoorden ook een open terras en een speeltuin. Op een aangrenzend landje kon men tijdens de kermis ‘katknuppelen’. Dit oude volksvermaak was toen echter al niet zo wreed meer als de naam doet vermoeden. Tussen twee palen hing een vat, waarin zich – in plaats van oorspronkelijk een kat – een stukje hout bevond dat ‘de kat’ werd genoemd. Naar dit vat werd gegooid met knuppels of staven. Winnaar werd degene die de kat losgooide van het vat. Tijdens dit spel ging de fles kwistig rond en als toeschouwer kon men maar het beste op een flinke afstand blijven. Tijdens de kermis werd er uiteraard volop gedanst. Dat gebeurde op de klanken van een bijzonder mooi elektrisch pierement. Er stond dan rechts van het café een grote tent en de kermisgangers liepen heen en weer tussen café Borst en De Goede Verwachting.

Een ploeg die tijdens de kermis meedeed aan het katknuppelen naast De Goede Verwachting.
Een ploeg die tijdens de kermis meedeed aan het katknuppelen naast De Goede Verwachting. Namen voor zover bekend: staand vierde van links Dirk Koppes en vijfde van links Cor de Winter; zittend tweede van links Piet Borst.

Jaarboek 39, pagina 65

Siem Castricum (1926-1992), een van de elf kinderen van Willem en echtgenote Mien Mors, zwaaide met echtgenote Ans Swart de scepter over het café van 1948 tot 1960. Wij spraken met hun oudste zoon Piet (1951), die zich nog een en ander wist te herinneren:
“Mijn vader werkte ook voor het transportbedrijf van de familie, totdat de zaak in 1977 failliet ging. Moeder stond er dus vaak alleen voor, maar zij werd wel met allerlei werkzaamheden geholpen door haar schoonzusters. Als het Bakkummer kermis was moest ik vanwege de drukte met mijn oudste zus Ria uit logeren naar familie in Zijdewind. Voor de muziek huurde mijn vader dan een duo in. Dat pakte elk rondje graag aan, met als gevolg dat de muzikanten aan het eind van de avond zo lam waren dat ze nog maar één nummertje konden spelen. Toen heeft vader ze voorgesteld om de jenever maar stiekem achter zich met behulp van een trechtertje in flessen te gieten. Zodoende gingen ze met een aardige voorraad naar huis toe …

Ik weet ook nog goed dat wij een van de eerste waren die televisie hadden die in het café stond. Op woensdag- en zaterdagmiddag kwamen de kinderen uit de buurt dan kijken, terwijl hun ouders gezellig aan de bar gingen zitten. Omdat ik boven het café sliep en het erg gehorig was, hoorde ik regelmatig bijzondere geluiden als de gemoederen beneden soms wat verhit werden. Er waren in die tijd al gasten die met de auto kwamen. Als die te veel hadden gedronken, eiste mijn moeder hun sleutels op en vervolgens werd taxi ‘Jan Pret’ gebeld om ze naar huis te brengen. Ook mijn ouders hadden het niet breed en daarom gingen we niet echt op vakantie, maar soms wel dagjes weg, bijvoorbeeld naar de Julianatoren in Apeldoorn.
Verder kan ik mij herinneren dat mijn vader onbreekbare glazen had gekocht. Dat was iets nieuws, maar het werd een fiasco want als er een koud biertje in de zon stond spatte het glas in duizenden stukjes uiteen.

Mijn ouders stopten met het café in 1960, aangezien mijn moeder het niet meer aankon. Toen werd de zaak overgenomen door de familie Tuin en verhuisde ons gezin naar Heereweg 15. Vanaf die tijd stond het café bekend als ‘Café Tuin’. Jaap Tuin haalde het biljart eruit en plaatste er een grote bar in.”

Een suikerzakje van café Tuin.
Een suikerzakje van café Tuin.

Henk Snabilie werd in 1973 de laatste eigenaar, die het café verwaarloosde en gebruikte voor de opslag van speelautomaten. In augustus 1998 werd het pand gesloopt om plaats te maken voor de bouw van een restaurant met bovenwoningen. In 1999 opende barbecuerestaurant Gonzales daar haar deuren. Sinds 2008 was hier restaurant ’t Mirakel van Bakkum’ gevestigd, waarvan Renato Holshuijsen de uitbater was.
Per 1 april 2016 ging de huur van het pand over op Arnold Nijen Twilhaar, die het restaurant voortzette onder de naam ‘De Heerlijkheid van Bakkum’.

Gert van Egmond voor zijn herberg annex café De Onderneming in 1920.
Gert van Egmond voor zijn herberg annex café De Onderneming in 1920.

De Onderneming, Heereweg 12

Over dit pand is aan de hand van verkoopaktes bekend dat er sinds 1905 een ‘koffiehuis’ was gevestigd, waarmee toen ook een café werd aangeduid. Uitbaters, die in vergunningen uit die periode worden genoemd, waren Johannes Kamp en Klaas Brantjes. Jo Borst, een broer van Willem Borst, werd in 1913 eigenaar van de woning met winkel en koffiehuis op dit adres. Zijn zwager Gert van Egmond, een tuinder uit Heemskerk, kocht het geheel in 1917 en runde vanaf die tijd samen met zijn vrouw de herberg annex café ‘De Onderneming’. Gert werkte op het land en hield zich vooral met de aardbeienteelt bezig.

In 1925 verkocht Van Egmond het huis aan de achterzijde aan Jan Wester, die er een bakkerij begon.
Het horecabedrijf werd beëindigd in 1928. Vanaf 1930 tot 1974 woonden hier achtereenvolgens de bakkers Jan Wester, Toon Huisman en Harry Matze.


Jaarboek 39, pagina 66

Café Duin en Bosch is nog net links achteraan zichtbaar.
Café Duin en Bosch is nog net links achteraan zichtbaar.

Duin en Bosch, Bakkummerstraat tussen 98 en 100

Aan de Bakkummerstraat, op de plaats waar nu de Van der Mijleweg begint, werd in 1905 een café gebouwd dat ‘Duin en Bosch’ heette. De eigenaar was Leonardus Burgering, die in de notariële stukken koffiehuishouder en melkverkoper werd genoemd. Leonardus kreeg al in 1906 financiële problemen, want op 28 december van dat jaar vond op verzoek van een bank de openbare verkoop van het pand plaats tengevolge van wanbetaling. Het bezit, dat bestond uit een koffiehuis, woonhuis met erf, een doorrijstal en een perceel bouwterrein, werd voor een bedrag van 4.885 gulden gekocht door Albertus Leonardus Burgering, een broer van Leonardus.
Heel veel meer is er over de periode Burgering niet bekend, behoudens dat uit vertellingen van Wim Kuijs (zie 35e Jaarboek, pag. 4) blijkt dat er in het café in 1916 de eerste filmvertoningen plaats vonden.

The Willy Jazzband die in het café van Metzer speelde.
The Willy Jazzband die in het café van Metzer speelde. V.l.n.r. Jaap Castricum, Wim Jacobs, Klaas Nobel en Cees Blei.

Het café werd eind 1925 overgenomen door Anthonius Metzer uit Arnhem. De uitspanning stond bekend door optredens van de in die tijd bekende accordeonist Kees Kranenburg, die tijdens de kermisdagen veel belangstellenden trok. Ook de eerste Bakkumse jazzband met de muzikanten Jaap Castricum, Wim Jacobs, Klaas Nobel en Cees Blei was daar te beluisteren.

Op 15 september 1928 kwam er een einde aan het hotel-café, toen het in brand vloog. In een verhaal van Derk van Deelen over de Bakkummerstraat in het Nieuwsblad voor Castricum van 21 maart 1969 staat hierover:
“De eigenaar, de heer Metzer, was alleen thuis en plotseling stond het pand in lichterlaaie. Metzer stond in zijn ondergoed voor een bovenraam te schreeuwen. De brandweer was snel ter plaatse maar ze kon niets uitvoeren, ze hadden geen water. De heer Metzer sprong uit het bovenraam op de serre en werd door de brandweer op de begane grond geholpen. De burgemeester had angst voor het ontploffen van koolzuurflessen. De kastelein kon hem echter geruststellen, want de flessen waren opgeborgen in de kelder.”

Metzer verhuisde in 1929 met zijn vrouw naar Hamburg en vanwege de aanleg van de Van der Mijleweg werd het pand niet meer herbouwd.
De restanten van het café met de grond werden in hetzelfde jaar in het openbaar verkocht op last van de schuldeisers en de brandverzekering. Een van de schuldeisers was Albertus Leonardus Burgering, die eigenaar was voor Metzer de zaak overnam. Burgering werd door de openbare verkoop opnieuw eigenaar en verkocht het geheel enkele maanden later aan de gemeente.

In dit huis aan de Heereweg 8, dat in 1993 is afgebroken, was café Het Haasje gevestigd.
In dit huis aan de Heereweg 8, dat in 1993 is afgebroken, was café Het Haasje gevestigd.

Het Haasje, Heereweg 8

Dit pand, afgebroken in 1993, stond bekend als de woning van de familie Groentjes, waar dochter Neeltje op 6 oktober 1799 tijdens de Slag bij Castricum werd doodgeschoten. Nadat het huis een paar keer was doorverkocht, werd Pieter Zonneveld eigenaar in 1870. Hij verhuurde het pand aan zijn broer Hendrik, die er een café begon. Nadat Hendrik Zonneveld overleed in 1875, werd het café door zijn vrouw Trijntje Boon voortgezet tot 1888. Toen nam Floris Twisk het van haar over en gaf daaraan de naam ‘Het Haasje’. Op de buitenmuur zou volgens het boek van Derk van Deelen te lezen zijn geweest:

‘Het Haasje geswint.
Kom binnen mijn vrind.
Wie niet met droge keel wil lopen,

Kan in ’t Haasje een borreltje kopen.’


Jaarboek 39, pagina 67

Floris Twisk overleed in 1889 en vanaf die tijd werd de zaak gerund door zijn echtgenote Bet Castricum. Het café heette toen in de volksmond ‘Café van Bet van Floor’. Ondanks de krappe ruimte werd er ook tijdens de kermis gedanst. In 1903 nam Jan Zonneveld de huur van het café van Bet over, tot de zaak in 1908 werd opgeheven. De drankvergunning werd verkocht aan Jan Kamp, die de vergunning gebruikte voor eerdergenoemd café De Onderneming aan de Heereweg 12.

Hendrik Zonneveld, zoon van de eigenaar Pieter Zonneveld, trouwde in 1908 en ging wonen in het voormalige café. Hendrik bleef er wonen tot 1936. Direct daarna werd het pand bewoond door Jan de Ruijter, die het in 1957 kocht en er tot 1974 woonde. Het pand kwam daarna nog in handen van twee leden van de familie De Ruijter.

Café Peijs in 1907.
Café Peijs in 1907.

Peijs, Van Oldenbarneveldweg 2

Klaas Peijs (1876-1939) was sigarenhandelaar, koopman, manufacturier, brievengaarder en caféhouder.
Vanaf 1905 bewoonde hij op de hoek van de Bakkummerstraat en de Van Oldenbarneveldweg (toen Bergerweg geheten) een groot wit woon- en winkelhuis, waarin Klaas een café had. Dat brandde af in 1911, waarna hij op deze plek een nieuw pand met daarin een textielzaak en een hulppostkantoor liet bouwen. Het café heeft dus maar zes jaar bestaan. In de loop der tijd waren er diverse winkels in het pand gevestigd, zoals een sigaren- en een groentezaak. Al geruime tijd wordt het volledig als woning gebruikt.

De laatste ronde

Dit artikel laat zien dat Bakkum in vroegere tijden een bloeiende cafétijd heeft gekend. Nu vinden we er alleen nog restaurants en hotels. Zelfs de bruine kroeg van Borst heeft het onderspit moeten delven. Het is alweer lang geleden dat men van café tot café kon gaan en er in De Goede Verwachting de volgende spreuk boven de bar hing:
“Toen Mozes op de rotsen klopte, gebeurde het wonder dat het water dropte. Maar een groot wonder gebeurt er hier, want als men klopt dan komt er bier.”

Hans Boot
Arend Bron

Bronnen:

  • Archief gemeente Castricum (drankvergunningen).
  • Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, 1973.
  • Edities Alkmaarsche Courant, De Castricummer, Nieuwsblad voor Castricum en Noord-Hollands Dagblad.
  • Heideman H., De oude generatie van Bakkum en Castricum (1900-1940), 1982.
  • Heideman H., De oude generatie van Bakkum en Castricum Deel 2 (1900-1950), 1994.
  • Notariële archieven.
  • Ruijter W. Jzn., Q de, Schippers van het Stet, 1974.
  • Ruyter, L. de, Hotel Borst 100 jaar, 2015.
  • Stichting Werkgroep Oud-Castricum, Castricum-Bakkum in vervlogen jaren Deel 1, 1996.

Met dank aan:
William Borst, Jan Castricum, Marry Castricum – Tuin, Piet Castricum, Agaath de Groot, Cor Mooij en Menno Twisk.

Wit, de, vrachtrijderij (Jaarboek 39 2016 pg 47-56)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architectbakkersbioscoopbouwbedrijfcafé / hotelcafés en kasteleins in Bakkum –  drukkersexpeditiegasfabriekgroenteboerengroenteveilingkruideniersmelkboerenmelkfabriekmolenaarrestaurantschelpenvissersschilder – schildersbedrijf – slagerssmidsmederijstoomwasserijstrandvonderveldwachtersvrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 39, pagina 47

De Wit in ‘vrachtrijderij’

De broers Cor en Arie de Wit vestigden zich in 1929 met hun ouders in Castricum en namen er een ‘vrachtrijderij’ over. In die tijd een opkomende bedrijfstak. Samen met ondernemende mensen als Cor Geluk en Siep Zijlstra wisten zij de bodedienst op Amsterdam uit te bouwen tot een bloeiend transportbedrijf.

In 1956 gingen deze vier ondernemers uit elkaar, waarna ieder voor zich gezonde bedrijven oprichtte in Castricum, Bakkum, Den Haag en Haarlem. In drie van de vier ondernemingen nam een nieuwe generatie de zaak over. Inmiddels is in Haarlem een derde generatie Castricumse De Wit aangetreden en is in Castricum en omgeving ‘Aad de Wit Verhuizingen’ een bekende naam geworden.

Rond 1856 werden de eerste gemotoriseerde wagens voor goederenvervoer gebouwd, aanvankelijk aangedreven door stoommachines, maar rond 1895 komen de eerste, door benzinemotoren aangedreven vrachtwagens op de markt. Rudolf Diesel kwam al snel erna met zijn dieselmotor. In het begin van de 20e eeuw verdrongen vrachtdiensten de ‘beurtvaart’ over het water. Sommige vrachtbedrijven beschikten zowel over beurtvaartschepen als vrachtwagens. Steeds meer wegen werden bestraat en er ontstond behoefte aan een groter wegennet. Het duurde nog tot 1927 voordat de overheid een Rijkswegenplan vaststelde. Inmiddels groeide het wagenpark en ook het vrachtvervoer. Er ontstond een fijnmazig netwerk van bodediensten en bodehuizen. De vele bodediensten vormden een onmisbare schakel tussen de dorpen en steden.

In bodehuizen en bestelhuizen konden goederen worden afgegeven voor bezorging in de stad. Ook dienden ze als overslagpunt om de goederen van de ene op de andere bodedienst over te brengen. Administratief werden de goederen begeleid door een ‘beurtvaartadres’, later ‘vervoeradres’ of ‘vrachtbrief’ genoemd. Voor Castricum en Bakkum was Alkmaar het dichtstbijzijnde ‘knooppunt’. Verschillende bodehuizen vestigden zich aan de Paardenmarkt. In het ‘Adresboek’ van Alkmaar uit 1919 staat slechts één vrachtrijder op Castricum vermeld, namelijk Steeman Czn. In dat van 1922: C. Steeman & Zoon en A. Veldt. In 1939 was het aantal behoorlijk uitgebreid en reden de volgende transportbedrijven op:

  • Amsterdam: Steeman’s Vrachtdienst en Gebroeders de Wit.
  • Bakkum: J. Lute, Steeman, P. Kuijper, NV Stad Alkmaar, De Winter en C. Koper.
  • Castricum: J. Lute, J. van der Molen, Steeman’s Vrachtdienst, P. Kuijper, W. v. Heerik, Teerhuis – De Rover.
  • Rotterdam: Gebrs. P. en P. Zuidam, Fa. S. Visser en Gebroeders de Wit.
Jan en Piet Beentjes met hun vrachtauto naast het pand Mient 51-53.
Jan en Piet Beentjes met hun vrachtauto naast het pand Mient 51-53.

Het begin: gebroeders Beentjes

De in Castricum geboren broers Jan Beentjes (1895-1982) en Piet Beentjes (1896-1971) starten in 1922 aan de 2e Groenelaan te Bakkum een vrachtrijderij onder de naam Firma Gebr. Beentjes en openen lijndiensten op Alkmaar en Amsterdam. Zij zijn zoons van Bank Beentjes en Marijtje Levering. In 1922 kopen ze een stuk grond aan de Mient en bouwen een dubbel woonhuis: de nummers 51 en 53 (in perceel 53 is nu – in 2016 – fietsenhandel Simon Zijlstra gevestigd). Achter woning 51 komt een schuur en in 1928 bouwen ze een garage achter perceel 53.


Jaarboek 39, pagina 48

De vrachtauto van Expeditie A. Zandbergen, die reed tussen Alkmaar, Medemblik en Enkhuizen. Het was een oude Duitse legerwagen van het merk Paesto (met massieve banden). Achter het stuur zit Arie de Wit.
De vrachtauto van Expeditie A. Zandbergen, die reed tussen Alkmaar, Medemblik en Enkhuizen. Het was een oude Duitse legerwagen van het merk Paesto (met massieve banden). Achter het stuur zit Arie de Wit.

Het is 1926 als Arie de Wit (1906–2004) bij Jan Beentjes in dienst komt als vrachtrijdersknecht. Arie is geboren in ‘t Zand, gemeente Zijpe, als jongste zoon van Kees de Wit en Neeltje Kraakman. Vader Kees is huurboer en na iedere periode moet het gezin afwachten of vader De Wit opnieuw voor land in aanmerking komt. Uiteindelijk verhuist het gezin naar Harenkarspel. Het is armoede in huize De Wit en net als zijn broers en zussen zoekt Arie na de lagere school een baas. Achtereenvolgens werkt hij als knecht bij een schuitenmaker, in een grutterij/maalderij en als vrachtrijdersknecht. Na het halen van zijn rijbewijs op 18-jarige leeftijd komt hij in dienst als buschauffeur bij de Weduwe Spaans in Kalverdijk, die een buslijn exploiteert tussen Dirkshorn en Alkmaar.

Als hij hoort dat Jan Beentjes in Castricum een vrachtrijdersknecht zoekt, solliciteert hij, wordt aangenomen en gaat ook in de kost bij de familie Beentjes. Hij werkt met plezier, maar als na een jaar Kees Zandbergen uit Limmen hem vraagt om samen met zijn zoon Tinus het transportbedrijf in Limmen voort te zetten, gaat hij een nieuw avontuur aan. Na een jaar houdt hij het daar weer voor gezien en gaat hij aan de slag bij transportbedrijf Castricum aan de Heereweg te Bakkum. ‘s Morgens en ’s avonds haalt hij bij de boeren in Bakkum en omgeving melk op en brengt die naar de melkfabriek in Wormerveer. Overdag werkt hij in de garage van het bedrijf en leert daar het nodige over autotechniek.

Van gebroeders Beentjes naar gebroeders De Wit

De ouders van Arie wonen nog in Harenkarspel met hun zoon Cor (1901–1991) en dochter Nel (1909–1959). Dochter Marie (1899-1972) is dan al, evenals zes andere kinderen van het gezin, uit huis. Ook Cor is geboren in ’t Zand en werkt als tuindersknecht. Moeder De Wit vraagt Arie of hij niets in Castricum kan vinden voor het gezin. Arie vraagt zijn oude baas Jan Beentjes om raad. Tot zijn verrassing vertelt deze hem dat zijn bedrijf te koop is, omdat hij zelf een groentezaak wil beginnen in Amsterdam. Arie en Cor besluiten het bedrijf van Beentjes samen over te nemen. In februari 1929 trekt Cor alvast als kostganger bij het gezin Beentjes in. Jan zet intussen concrete stappen. Hij koopt de bodedienst op Amsterdam uit de Firma Gebr. Beentjes, verkoopt zijn deel van het gezamenlijk onroerend goed (dubbel woonhuis en garage) aan zijn broer Piet en verhuist naar de Reestraat in Amsterdam, waar hij een groentezaak begint. De bodedienst op Amsterdam verkoopt hij in 1929 door aan Cor en Arie de Wit voor 5.000 guldern. Met moeite kunnen ze het geld lenen van de Boerenleenbank in Castricum.
Als het huis van Jan Beentjes aan de Mient 53 per april 1929 leeg komt, verhuizen Kees de Wit en zijn vrouw Neeltje met hun dochter Nel naar Castricum. Cor en Arie gaan weer bij hun ouders wonen en zijn inmiddels eigenaar van een bodedienst Castricum – Amsterdam onder de naam ‘Fa. Gebr. De Wit’. Een jaar later voegt ook dochter Marie zich weer bij het gezin. In 1933 trouwt zij met aannemer Gerrit de Nijs (1896-1972).

De vrachtauto van Gebr. De Wit in 1932 voor de smederij van Hoebe aan de Bakkummerstraat. Bovenop de auto staat Arie de Wit. In de mand zit glas- en aardewerk verpakt in stro.
De vrachtauto van Gebr. De Wit in 1932 voor de smederij van Hoebe aan de Bakkummerstraat. Bovenop de auto staat Arie de Wit. In de mand zit glas- en aardewerk verpakt in stro.

Piet Beentjes zet de bodedienst op Alkmaar voort tot 1934, wanneer hij naar Alkmaar verhuist en daar aan de Paardenmarkt het ‘Centraal Bodehuis’ opent. De bodedienst op Alkmaar verkoopt hij aan dorpsgenoot Jo Lute (1910–1968), die tevens zijn woning Mient 51 gaat huren. In 1953 verkoopt Jo de goodwill van zijn bedrijf aan collega-ondernemer Piet Kuijper (eveneens gevestigd aan de Mient) en zijn vrachtwagen aan Gebr. De Wit, waar deze onder de naam ‘Ford Lute’ nog jaren dienst deed. In 1960 koopt Jo Lute de woning Mient 51.

Het is hard werken voor de broers De Wit. Zes dagen per week heen en terug naar Amsterdam en alles met de hand laden en lossen. Ze vervoeren heen aardappelen en op de terugreis goederen van particulieren, winkeliers en fabrieken. Later komen daarbij ook kampeergoederen, koffers en fietsen voor het groeiend aantal badgasten en weten ze veel ondernemers uit Castricum, Limmen, Heiloo en Heems-


Jaarboek 39, pagina 49

kerk aan zich te binden. De zaken gaan goed en al na drie jaar kunnen ze hun eerste nieuwe auto – een Reo – kopen.

Kees en Fred de Wit herinneren zich nog het volgende voorval:
“Vader Cor moest op driehoog in Amsterdam aardappelen brengen. Een lift was er niet en om tijd te besparen besloot hij twee zakken tegelijk mee naar boven te sjouwen. Uitgeput kwam hij boven om daar tot de conclusie te komen dat hij het verkeerde portiek had genomen.”

Advertentie.
Advertentie.

Veel ontwikkelingen in 1935

Het jaar 1935 was een belangrijk jaar voor de gebroeders De Wit. Zo namen ze hun eerste medewerker in dienst in de persoon van Cor Geluk (1910-1985). Hij werd geboren in Zeeland. Omdat daar geen werk was, kwam hij naar het Noord-Hollandse Broek op Langedijk om bij een boer te werken. Cor hield van paarden en motoren. Hij kwam in contact met de Bakkumse fouragehandelaar Dorus Schermer (1897-1954), die hem overhaalde bij hem in dienst te komen. Cor raakte in Castricum bevriend met Arie de Wit. Samen speelden ze bij voetbalclub CSV, waar Dorus als keeper actief was. Cor trouwde in 1937 met Trien Groot (1914–2000), geboren in Bakkum en dochter van Jan Groot, kruidenier aan de Van Oldenbarneveldweg (Klompenbuurt).

Cor Geluk adviseerde aan Cor en Arie de Wit een lijndienst op Rotterdam te beginnen en omdat hij bereid was geld in het project te stoppen, kochten ze er een tweedehands vrachtwagen bij waarmee vanaf april 1935 zes dagen per week tussen Alkmaar en Rotterdam werd gereden. Cor Geluk werd compagnon in de firma.

Vrachtwagens voor het pand Mient 41-43 in 1937. Op de voorgrond de 4-tonner MAN-diesel voor de lijndienst op Rotterdam.
Vrachtwagens voor het pand Mient 41-43 in 1937. Op de voorgrond de 4-tonner MAN-diesel voor de lijndienst op Rotterdam.

Beide broers De Wit trouwden in 1935; Arie op 26 juni met Gré Lute (1912–1999) en Cor op 3 juli met Tonia Tervoort (1907–1996) Ook besloten ze twee woonhuizen te bouwen aan de Mient, hoek Brakenburgstraat: nummer 41 (bewoond door het gezin van Arie) en 43 (bewoond door het gezin van Cor). Tussen de woningen kwam een garage en daarboven een woning voor hun ouders. Het pand werd gebouwd door zwager Gerrit de Nijs op het stuk land dat in de volksmond ’landje van Spil’ werd genoemd, verwijzend naar timmerbedrijf Spil, Mient 49. Het bouwperceel, 22,5 meter breed en 24 meter diep, kochten ze voor een bedrag van 2.700 gulden van de ‘Gouden Ploeg’, bestaande uit Castricummers, die in onroerend goed en grond handelden. De groep was formeel een Naamloze Vennootschap, opgericht in 1927 onder de naam Grondexploitatie Maatschappij ‘Op hoop van zegen Castricum’.

De lijn Alkmaar – Rotterdam liep aanvankelijk minder goed dan gedacht. Pas bij het aantrekken van Rotterdammer Arie Bresijn ging het beter. Arie kende veel bedrijven en voerde een goede acquisitie, waarmee hij veel klanten binnenhaalde.
De zaken gingen zo goed dat een nieuwe 4-tonner MAN-diesel kon worden gekocht en in 1939 volgde een nieuwe Kromhout diesetruck met Netam trailer van 8 ton. Dat betekende meer personeel en kort voor de Tweede Wereldoorlog werkten er twaalf mensen in het bedrijf.


Jaarboek 39, pagina 50

De oorlogsjaren

De oorlog gooide roet in het eten. De binnenstad van Rotterdam werd gebombardeerd. Zodra dat mogelijk was reden Arie de Wit en medewerker Cor Beentjes (‘Zwarte Cor’, de latere eigenaar van café Funadama) naar Rotterdam om Arie Bresijn te zoeken. Er was geen andere manier om te weten te komen of Arie en zijn gezin het overleefd hadden. Ze troffen allen in goede gezondheid aan in hun aan de bombardementen ontsnapte woning. Het Centraal Bodehuis was echter door het bombardement verdwenen. Na enkele maanden werd er weer een bodehuis geopend en kon de firma Gebroeders De Wit de dienst op Rotterdam hervatten. Niet in de frequentie van voor de oorlog, want de brandstof ging op de bon en het werd steeds moeilijker de dienst uit te voeren. De Rijksverkeersinspectie probeerde (concurrerende) bedrijven te koppelen om brandstof te besparen. De Wit werd gekoppeld aan het Alkmaarse bedrijf P&P Zuidam, maar tot een vruchtbare samenwerking kwam het niet. Cor Geluk wist aanvankelijk olie op de zwarte markt te kopen, maar dat werd steeds moeilijker en uiteindelijk kocht De Wit generatoren waarmee de vrachtwagens op hout en/of turf konden rijden.

Rekening voor bakker André Groot te Bakkum.
Rekening voor bakker André Groot te Bakkum.

In 1942 kwam er een meisje op het kantoor. Dat was Hannie Zijlstra (1926). Hannie had na haar mulo-opleiding al enige administratieve ervaring opgedaan bij Steeman’s kolenhandel. Volgens Hannie bestonden haar werkzaamheden – die ze vooral in de achterkamer van Arie en Gré de Wit uitvoerde – uit het maken van en controleren van facturen. Ook de vrachtbrieven werden door haar gemaakt en als het druk was, schroomde ze niet om in stofjas te helpen bij het overladen van de vracht. Toen Hannie na een jaar meer kon verdienen op het postkantoor in Zaandam, nam ze ontslag. Dat betekende niet het einde van de relatie met de familie Zijlstra, zoals later zou blijken.

Hannie denkt nog met genoegen terug aan een wapenfeit uit die jaren:
“Een leverancier stuurde elke maand een rekening voor allerlei zaken. Ik ontdekte dat het bedrag voor een bepaalde levering aan het eind van de ene maand op de rekening was gezet en daarna aan het begin van de nieuwe rekening weer, zodat voor dezelfde levering dubbel betaald werd. Op deze manier kon ik de firma een behoorlijk bedrag besparen en mijn baas was er blij mee, want die kreeg het dubbel betaalde terug.”

In 1942 werd Bakkum en het westelijk deel van Castricum onderdeel van het ‘Landfront’, de verdedigingslinie aan de landzijde van de ‘Atlantikwall’. Ziekenhuis Duin en Bosch werd ontruimd, waarna de Duitse troepen de gebouwen in gebruik namen. De firma De Wit kreeg opdracht om goederen van Duin en Bosch te verhuizen naar Bilthoven en Medemblik. Later kwamen er opdrachten om van woningen die van de Duitsers ontruimd moesten worden, de inboedels te verhuizen naar de plaats waar de evacués werden ondergebracht. De Mient lag in de 200m-zone, het schootsveld van de verdedigingslinie. Alle woningen moesten worden ontruimd en de woningen aan de westzijde van de Mient werden gesloopt. De gezinnen van Cor en Arie verhuisden eerst naar de Geelvinckstraat en later naar de Pernéstraat. Het bedrijf werd verplaatst naar de voormalige doorrijstal van De Rustende Jager op de hoek van de Dorpsstraat en de Torenstraat. Overigens weigerde Jo Lute om van de Mient te vertrekken. Hij heeft nog een half jaar als enige op de Mient gewoond, totdat het te gevaarlijk werd.

Na Dolle Dinsdag op 5 september 1944, toen iedereen ervan overtuigd was dat het land ieder moment van de Duitsers kon worden bevrijd en er spontane feesten uitbraken, trad de bezetter nog meedogenlozer op en vorderde al het rijdend materieel. Het bedrijf kwam stil te liggen. De gebroeders hadden de banden inmiddels van hun trailer gehaald en verstopt.

Nu niet langer transportwerk kon worden verricht en er toch brood op de plank moest komen, besloten de broers ieder een route met gaarkeukenkarren te lopen. Dat betekende ’s morgens met een handkar een bepaalde wijk in om potten en pannen bij de mensen op te halen, bij de gaarkeuken te laten vullen en daarna weer gevuld terug te brengen. Daar- mee verdienden ze toch nog 22,65 gulden per week.

Na de oorlog

Na de bevrijding wisten de firmanten al snel enkele wagens rijklaar te krijgen, waarmee de eerste evacués met hun huisraad weer naar Castricum konden terugkeren. Cor Geluk wist opruimwerk te krijgen van het Militair Gezag en er volgden opdrachten om meerdere evacués terug naar Castricum en Bakkum te brengen. Iedereen was blij toen de normale bode- en lijndiensten op Amsterdam en Rotterdam weer hervat konden worden.
Voor het administratieve werk kwam de jongere zus van Hannie, Annie Zijlstra (1928) op kantoor werken.
Ter versterking van het wagenpark werden ‘Bellewagens’ aangekocht voor respectievelijk Amsterdam en Rotterdam. Dit waren kleinere bestelwagens, die in de binnenstad goed van pas kwamen.


Jaarboek 39, pagina 51

De ‘bellewagen’ van De Wit wordt gezegend door een priester in Den Haag. Achter het stuur (aan de rechterzijde) Siep Zijlstra. Zijn zoon Bob zit links van hem.
De ‘bellewagen’ van De Wit wordt gezegend door een priester in Den Haag. Achter het stuur (aan de rechterzijde) Siep Zijlstra. Zijn zoon Bob zit links van hem.

Na de bevrijding blijft veel geallieerd legermaterieel achter in Nederland en komt in de dump terecht. De Austin ‘Bellewagen’ is een Engels product, dat in de jaren 1940-1945 werd ingezet bij bestrijding van branden als gevolg van de Duitse luchtaanvallen. De wagen dankt zijn naam aan de grote koperen bel op het dak. Een aantal van deze wagens kwam in 1944-1945 met het bevrijdingsleger naar Nederland. Ook de Castricumse brandweer kreeg de beschikking over zo’n wagen.

Aankoop

In 1950 kochten Cor en Arie de Wit en Cor Geluk, de drie firmanten van ‘Firma Gebr. De Wit’, garagebedrijf ’De Toekomst’, compleet met bedrijfspand, woonhuis en bijbehorende grond aan de Van Oldenbarneveldweg 7 in Bakkum van Dorus Schermer (de man die Cor Geluk naar Castricum haalde).
Cor Geluk ging de garage beheren en wist er al snel een succes van te maken. Dit mede dankzij de inzet van monteur Jan Scholten (1916-1984), die – weliswaar ongeschoold – een goed vakman was. Als er een auto met pech stond, werd Jan Scholten van huis gehaald om deze op te lappen.
“Als een auto bij Peijs op de hoek kwam aanrijden, hoorde Jan al wat er aan mankeerde”, aldus Kees de Wit (1936). Uiteraard kwamen daar ook de vrachtwagens van de firma De Wit in onderhoud.

In 1951 werd een steunpunt voor de lijn Alkmaar – Den Haag – Rotterdam geopend aan de Lange Beestenmarkt 168 in Den Haag. Castricummer Siep Zijlstra (1915- 1980), oudste broer van de eerder genoemde Hannie en Annie Zijlstra, werd beheerder van dit bestelhuis. Siep, aanvankelijk begonnen bij Steeman’s Vrachtdiensten aan de Cieweg, kwam kort voor de Tweede Wereldoorlog in dienst bij De Wit. Daar zorgde hij voor het binnenhalen van werk, voerde administratieve zaken uit, trad op als chauffeur en hielp zo nodig bij het verladen. Om dichter bij zijn werk en klanten te komen, verhuisde hij in 1951 met zijn gezin van de Nuhout van der Veenstraat 28 naar Rijswijk.
Vracht uit Rotterdam en bestemd voor Amsterdam kwam altijd via Den Haag naar Castricum om na overladen naar Amsterdam te worden gebracht. Siep wist deze rit te bekorten door een directe lijn Den Haag – Amsterdam op te zetten. Nadat Kees, zoon van Cor de Wit, in 1954 zijn rijbewijs haalde, kwam hij als eerste van de volgende generatie in dienst van de firma. Hij ging in de kost bij het gezin van Siep Zijlstra in Rijswijk en werd chauffeur op de nieuwe lijn.

De Ford-vrachtwagen wordt geladen met fietsen, bestemd voor kampeerterrein Bakkum: Cor de Wit en op de luifel Jan Rozemeijer.
De Ford-vrachtwagen wordt geladen met fietsen, bestemd voor kampeerterrein Bakkum: Cor de Wit en op de luifel Jan Rozemeijer.

Bedrijvigheid

Er was altijd bedrijvigheid rond de panden Mient 41 en 43. In de garage, op het pleintje ervoor, op het eerste stukje van de Brakenburgstraat, overal stonden de vrachtwagens. Dagelijks vertrokken vrachtauto’s naar Alkmaar, Zaanstreek, Amsterdam, IJmond en Rotterdam. Er was een lijndienst Amsterdam (via de pont en later de Velsertunnel) en een aparte lijn Zaandam (via Uitgeest, Krommenie en Wormerveer). Alle goederen werden in de garage op bestemming gesorteerd en daarna in de betreffende


Jaarboek 39, pagina 52

vrachtauto’s geladen. De wagens met de verste bestemming of meeste adressen eerst. De volgorde van laden werd aangegeven door de chauffeur, die daarvoor zijn vervoeradressen op volgorde van aflevering had gesorteerd. In de zomermaanden moesten vooral rijen fietsen en koffers naar het kampeerterrein in Bakkum vervoerd worden. De eigenaren kwamen per trein (en met mooi weer ook wel per fiets), meestal vanuit Amsterdam. Vooral in de augustusmaand was het hectisch met het vele ‘badgoed’. De zonen van Jan Beentjes kwamen vaak vanuit Amsterdam om te helpen.

Medewerkers van De Wit in de jaren 1950.
Medewerkers van De Wit in de jaren 1950, v.l.n.r. Jan Beentjes, Ber de Wit, Eli van Rookhuizen, Jaap Fatels, Arie de Wit, Nico Stokman, Siep en Annie Zijlstra.

Het was hard werken maar de stemming onder de medewerkers bleef goed. En dat waren in die jaren na de oorlog behalve de gebroeders de Wit en Cor Geluk, de medewerkers Arie Bresijn, Siep Zijlstra, Theo van der Park, Eli van Rookhuizen, Annie Zijlstra, Wim Dekker, Jan Rozemeijer, Joop Stet, ’Japie’ Fatels, Nico de Winter, Nico Zwakman, Henk Zonneveld, Jan Spil, Jan Liefting, Jaap Rijke en Arie’s dochter Elly de Wit die hand- en spandiensten bij de administratie verrichtte.

Elly Beentjes – de Wit (1936) en Gé de Wit (1939), oudste kinderen van Arie de Wit, herinneren zich nog goed dat het plaatwerk van een trailer moest worden vernieuwd, omdat deze klem was gereden onder een viaduct in Haarlem:
Op een ochtend kwam er een telefoontje van chauffeur Nico de Winter dat zijn truck met trailer, die net was opgeknapt, door een verkeerde manoeuvre op z’n kant was komen te liggen. De combinatie was onderweg naar Den Haag en het was gebeurd bij wegrestaurant De Uiver in Sassenheim. De paniek aan de Mient was groot. In allerijl werden maatregelen genomen om de goederen zo snel mogelijk toch op hun bestemming te krijgen.”

Elly herinnert zich ook het volgende voorval:
“Terwijl ’s avonds een truck met trailer vanuit Den Haag naar Castricum kwam, werd een trailer geladen met goederen bestemd voor Den Haag en Rotterdam. ’s Nachts werd deze dan door dezelfde truck met dezelfde chauffeur weer teruggereden. Het kwam voor dat die chauffeur nog een tijdje moest wachten tot de trailer geladen was. Dan bracht deze zijn tijd door in het woonhuis van Arie en Gré de Wit. Dit ging in het volste vertrouwen, terwijl de geldkist in een bureaula voor het grijpen stond. Op een ochtend kwam het bericht dat de chauffeur die nacht door de politie uit de auto was gehaald. Hij bleek lid te zijn van een bende die met name in Drenthe talloze overvallen had gepleegd.”

Ingrijpende veranderingen in 1956

Net als het wagenpark, groeiden ook de gezinnen van Cor en Arie de Wit. Beiden kregen acht kinderen. Ook over de toekomst werd nagedacht. Zowel de verwachting dat jongens uit beide gezinnen in het bedrijf zouden willen werken, als verschil van inzicht bracht hen in 1956 tot het besluit uit elkaar te gaan. De vennootschap werd ontbonden. Arie kocht in Haarlem een stadsbestel- en afhaaldienst. De lijndienst Alkmaar – Den Haag – Rotter- dam werd verkocht aan Siep Zijlstra en zijn compagnon Nico van der Velden. Garage De Toekomst ging naar Cor Geluk. Cor de Wit behield de bodedienst op Amsterdam en zette dus in feite het expeditiebedrijf voort. Zo ontstonden er dus vier bedrijven.

Garage De Toekomst met Caltex-benzinepompen.
Garage De Toekomst met Caltex-benzinepompen.

De Toekomst in Bakkum

Garage ‘De Toekomst’ kwam toe aan ex-medefirmant Cor Geluk. Daarmee werd zijn uittreden uit de vennootschap gecompenseerd. Hard werken leverde hem genoeg op om


Jaarboek 39, pagina 53

in 1963 enkele stukken bouwland toe te voegen aan zijn grond. Daarmee wist hij het perceel bijna te verdubbelen. Het bedrijf bood Rob de Wit (1941-2014), zoon van Arie, gelegenheid na zijn LTS-opleiding de nodige monteurservaring op te doen. Naast zijn werk als garagehouder begon Cor ook een autorijschool.
Na jaren als garagehouder te hebben gewerkt hoopte hij dat zijn twee werknemers Wim Glorie en Piet de Winter de zaak wilden overnemen, maar die vonden dat een te grote stap. In 1965 verkocht hij zijn zaak aan Bal Lute (1920-1976). Bal is de jongere broer van Jo en reeds houder van de Opel-garage aan de Dorpsstraat. Cor Geluk behield zijn autorijschool, waarvoor hij nog jaren rij-instructie gaf. De interesse van de medewerkers van Cor Geluk voor het garagebedrijf is kennelijk toch gebleven, want in 1976 verkoopt Bal Lute de garage aan de ‘BV Automobielbedrijf Glorie en de Winter’. Op dit moment leidt Dick de Winter, zoon van Piet, het garagebedrijf aan de Van Oldenbarneveldweg.

Catharine (Tiny) Kuijper – Geluk (1939), oudste dochter van Cor Geluk en Trien Groot:
“Met pastoor De Wit van de r.k. parochie Maria ten Hemelopneming was afgesproken dat hij elke week een keer gratis kon tanken aan de Caltexpomp die voor ons huis stond. Meestal zorgde moeder Trien voor de klanten aan de pomp. Toen op een dag de pastoor weer voor de pomp stond, waarschuwde vader Cor haar dat de geestelijke zijn wekelijkse portie al had gehad.”

Mercedes-truck en trailer van ‘De Wit autosneldiensten’.
Mercedes-truck en trailer van ‘De Wit autosneldiensten’.

De Wit in Den Haag

Zoals hiervoor vermeld, kocht Siep Zijlstra samen met Nico van der Velden de lijndienst Alkmaar – Den Haag – Rotterdam en het bodehuis in Den Haag. Nico van der Velden, een buurman van de familie Zijlstra in Rijswijk, was financieel goed onderlegd en werd compagnon in de nieuwe firma onder de naam ‘De Wit Autosneldiensten’. In 1960 werd Bob Zijlstra (1942), zoon van Siep, eveneens compagnon en was hij degene die het vakdiploma haalde, waarmee de firma voldeed aan de wettelijke verplichtingen. In 1963 kocht Zijlstra het Alkmaarse bedrijf ‘Auto en Motorbootdiensten v.h. Firma P&P Zuidam NV’, die eveneens al jarenlang een lijndienst Alkmaar – Rotterdam uitvoerde. Kort daarna werd ook transportbedrijf Schot uit Alkmaar overgenomen. Onder de naam ‘Autodiensten De Wit – Zuidam BV’ werd het inmiddels tot 18 vrachtwagens gegroeide bedrijf voortgezet. Naast de lijndienst waren er bezorgdiensten door heel Nederland. Het bedrijf werd in 1977 door Bob Zijlstra overgenomen, waarna Nico van der Velde stopte met werken en uit de BV stapte. Siep bleef als adviseur aan het bedrijf verbonden tot zijn over- lijden in 1980.

In 1978 verkocht Bob de lijndienst aan transportbedrijf P.R. Koomen in Hoorn. Daarna was hij, in samenwerking met Holland Safari, medeoprichter van ‘Vervoerscentrum Den Haag’ waarin het Haagse bodehuis opging. Ook was hij in 1980 betrokken bij het oprichten van de ‘Nederlandse Pakket Dienst’, waarin 15 landelijke transportbedrijven samenwerkten en gebruik maakten van geavanceerde sorteersystemen met barcode lasers en voor het eerst werden postcodegebieden omgezet naar het barcode systeem. Het bedrijf is in het jaar 2000 overgenomen door GLS. Ook was Bob medeoprichter van ‘Mikropakket’, een naar buiten onbekend bedrijf, dat het vervoer verzorgd in de juweliersbranche.
Bob, geboren Castricummer, is nog steeds actief in onroerendgoed beleggingen.

Drie zoons van Arie de Wit: Gé, Aad en Rob achter een verhuisauto.
Drie zoons van Arie de Wit: Gé, Aad en Rob achter een verhuisauto.

De Wit in Haarlem

Arie de Wit begon op z’n vijftigste opnieuw. Hij kocht op 3 september 1956 in Haarlem de stadsbestel- en afhaaldienst van Hendrik Jansen en zette deze voort onder de naam ‘A. de Wit v/h H. Jansen’.
Vanuit een bedrijfspand aan de Nassaulaan werden goederen bezorgd en opgehaald voor meubelzaken, antiquairs en dergelijke. Na een moeizame start ging het beter toen het bedrijf ook als bodehuis ging opereren en de vertegenwoordiging van twee lijndiensten verkreeg. De groei zette door en in respectievelijk 1958 en 1960 kwamen zonen Rob (1941-2014) en Gé de Wit (1939) in de zaak. In 1962 werd het Haarlemse transportbedrijf O. Feitsma en Zoon overgenomen.


Jaarboek 39, pagina 54

Van 1961 tot en met 1965 werkte dochter Elly op kantoor en ook in de jaren erna viel zij nog wel eens in. Dagelijks reed vader Arie met Gé, Rob en Elly vanuit Castricum naar Haarlem vice versa (red: heen en weer). In 1965 nam Arie de Wit het administratieve werk van zijn dochter over. Geleidelijk werd het bedrijf ook actief op de verhuismarkt. Er kwamen steeds meer verhuisopdrachten, waaronder van de gemeente Haarlem. Ze besloten het bodewerk af te stoten en zich geheel toe te leggen op verhuizingen. De bedrijfsnaam wordt omgezet in ‘Firma De Wit Meubeltransport en Meubelbewaring’ met Arie, Gé en Rob de Wit als vennoten.
In 1968 werd het Alkmaarse verhuisbedrijf ‘Jac. Koop Verhuizingen’ gekocht en als Alkmaars filiaal onder die naam voortgezet met een pakhuis aan de Laat in Alkmaar. Menig Castricummer zal herinneringen hebben aan de grote houten trailer van Jac. Koop, die in de begintijd van de Castricumse Rugbyclub als kleedruimte werd gebruikt door de tegenpartij. De wedstrijden werden toen gespeeld op het veld naast Johanna’s Hof.

Arie de Wit trad in 1971, op 65-jarige leeftijd, terug als actieve vennoot in het bedrijf. Behalve ondernemer was hij maatschappelijk zeer betrokken. Hij was secretaris van de Castricumse afdeling van de Katholieke Volkspartij (KVP) en in 1953 medeoprichter van de afdeling Noord-Holland van de Katholieke Vervoerdersorganisatie Sint Franciscus (later KVO), waarvan hij jarenlang voorzitter was en als zodanig ook lid van het landelijk hoofdbestuur.
Ook was hij bestuurslid van de Savam, een brancheorganisatie voor alle erkende verhuizers en zat hij in de ballotagecommissie, die beoordeelde of nieuwe bedrijven de titel ‘Erkend Verhuisbedrijf’ verdienden.

Het bedrijf groeide door en verhuisde in 1974 naar een nieuw gebouwde loods aan de Conradweg in de Waarderpolder te Haarlem. Op 1 maart 1984 werd Jac. Koop als filiaal opgeheven, maar de handelsnaam integreerde pas in 1996 in de rechtspersoon ‘De Wit Haarlem Verhuizingen BV’ die op 2 oktober 1991 werd opgericht, nadat Rob de Wit zich uit de zaak had teruggetrokken. Gé ging verder met zijn nieuwe compagnon Jack Kuijper (1950-2012). Het bedrijf verhuisde in 2000 naar een nog grotere ruimte aan de Wateringweg te Haarlem, waar opslag in containers mogelijk is. In hetzelfde jaar trok Jack Kuijper zich uit de zaak terug en nam Castricummer Niels de Wit (1976), oudste zoon van Gé, zijn plaats in.

Niels de Wit, de latere directeur van De Wit Haarlem BV, in het midden achterop een verhuisauto in 1996.
Niels de Wit, de latere directeur van De Wit Haarlem BV, in het midden achterop een verhuisauto in 1996.

Anno 2016 is het bedrijf, onder leiding van Niels, uitgegroeid tot een groot internationaal verhuisbedrijf ‘De Wit Haarlem B.V.’ Onder de handelsnamen ‘De Wit Haarlem Euromovers’, ‘De Wit Facility Services’ en ‘De Wit Art Handling’ worden (bedrijfs-)verhuizingen, facilitaire werkzaamheden en kunsttransporten uitgevoerd.

De Wit op de Castricummer Werf

Na het besluit uit elkaar te gaan, behield Cor de Wit de bodedienst op Amsterdam. Ook de garage tussen de woningen Mient 41 en 43 bleef als zodanig in gebruik. Het hele gezin zette de schouders eronder om het bedrijf voort te zetten. Met hard werken leidde Cor, samen met zijn zoon Kees, de dagelijkse vervoerswerkzaamheden van Expeditie De Wit door een nieuwe periode. Thuis onderhield zijn vrouw Tonia de telefonische contacten met de klanten en dochter Iny (1937) verzorgde de administratie. Ook zoon Hans (1940), tot dan werkzaam in de woning inrichting, kwam rond 1960 het bedrijf versterken, evenals de jongste zoon Fred (1946) in 1964. Vader Cor trok zich geleidelijk terug.

Toen in 1970 het vervoerscentrum Amsterdam van de Oost- naar de Westhaven verhuisde, vestigde Expeditie de Wit een bodehuis in een loods aan de Gyroscoopweg 32, waar aanvankelijk Kees en Hans, maar al snel Fred beheerder werd. Vanuit dit bodehuis werden goederen in Amsterdam bezorgd en opgehaald.

Hans de Wit met zijn zoon Jean-Michel voor de verhuisauto van De Graaff.
Hans de Wit met zijn zoon Jean-Michel voor de verhuisauto van De Graaff.

Hans wilde meer van de wereld zien, verliet in 1967 het familiebedrijf om in 1970 weer bij zijn vader en broers te gaan werken. In 1971 verliet hij hen opnieuw. Hij kocht bodedienst J. de Graaff in Heiloo en wist dit bedrijf – samen met zijn vrouw Camille – uit te bouwen tot een florerend, vooral nationaal maar indien gewenst ook internationaal opererend verhuisbedrijf met een eigen pand op het bedrijventerrein d’ Oosterzij in Heiloo. In 1999 werd het bedrijf verkocht aan De Graaf Verhuizingen en Opslag uit Alkmaar.
Hier is zoon Jean-Michel (1976) degene die als derde generatie De Wit transporteurs in het vak terecht is gekomen. Na zijn opleiding ‘Transport en Logistiek’ in Frank-


Jaarboek 39, pagina 55

rijk en een aantal jaren als internationaal chauffeur, is hij nu werkzaam op het kantoor van een rederij die zich bezighoudt met het vervoer van containers.

Na het vertrek van vader Cor en broer Hans bleven Fred en Kees over en vormden zij de directie, tot Kees in 1979 als administrateur naar Peeters Vervoerscentrale in Amsterdam overstapte. Dit had grotendeels te maken met rugklachten, waardoor hij het zware werk niet meer kon uitvoeren. De huur van het bodecentrum in Amsterdam was intussen zo hoog geworden en de activiteiten liepen dermate terug, dat het niet langer aantrekkelijk was dit te beheren; reden om het centrum af te stoten. Het klantenbestand werd verkocht aan het bedrijf waar Kees was gaan werken.

Fred de Wit voor twee DAF-vrachtwagens in 1986.
Fred de Wit voor twee DAF-vrachtwagens in 1986.

Door groei van het expeditiebedrijf was de garage op de Mient te klein geworden en ook het pleintje voor de garage te smal om goed met de grotere voertuigen te kunnen werken. Daarom besloot Fred in 1990 het bedrijf te verhuizen naar het in 1986 ontwikkelde bedrijventerrein Castricummer Werf. Daar werd het pand door Henny Huisman geopend. In 1985 was Jack Kuijper bij hem komen werken. Met zijn logistieke ervaring wist hij veel klanten te werven. In 1991 vertrok Jack om medevennoot te worden bij De Wit Haarlem. Kees de Wit kwam als medewerker terug in het bedrijf.

Verhuizing Henny Huisman naar Bakkum. Fred de Wit en Henny Huisman.
Verhuizing Henny Huisman naar Bakkum. Fred de Wit en Henny Huisman.

Het bedrijf bleef groeien en opereerde steeds meer internationaal. Fred maakte zijn droom waar door met zo’n 15 koelwagens groente en fruit te vervoeren naar Zuid-Europese landen als Spanje en Portugal. In Portugal werd zelfs een eigen filiaal geopend. Dit onderdeel van het bedrijf werd in 2003 verkocht aan Peter Bruin, de man die al jaren het internationale transport bij De Wit regelde.

Voor de verhuismarkt bedacht Fred de naam ‘Aad de Wit Verhuizingen’, zodat het bedrijf altijd als eerste naar voren kwam als er door potentiële klanten naar een verhuizer werd gezocht.
In 2001 verkocht Fred het verhuisbedrijf aan Jack Kuijper, die inmiddels uit Haarlem was vertrokken. Nadat Jack zich in 2007 terugtrok, kwam het bedrijf in handen van diens zoon Carel (1977) en van Jan Laan (1964), de man die al 15 jaar de boekhouding van het bedrijf verzorgde. Het bedrijf is uitgegroeid tot een onderneming met 20 medewerkers en als ‘Erkend Verhuisbedrijf’ aangesloten bij Mondial Movers, een netwerkorganisatie waarbij 21 verhuisbedrijven zijn aangesloten met 28 vestigingen en 400 medewerkers. Aad de Wit Verhuizingen heeft ook een vestiging in Amsterdam.

Het bedrijf blijft bij de tijd. Als eerste bedrijf in Nederland werd in 2008 het CO2-neutraal verhuizen ingevoerd en in 2011 had het de wereldprimeur met de eerste elektrische verhuiswagen. Transport en Logistiek Nederland (TLN) kende het bedrijf in 2012 de ondernemersprijs toe.


Jaarboek 39, pagina 56

Maatschappelijk betrokken

Inzet van materieel voor goede doelen is nimmer een probleem geweest. Niet te vergeefs hebben heel wat organisaties een beroep gedaan op de bedrijven van De Wit.
Eind jaren 1940 vervoerde De Wit samen met collega transporteurs uit het dorp Vitesse ’22-aanhangers naar een beslissingswedstrijd in Ouderkerk aan den Amstel. Na de watersnoodramp van 1953 werden vrachtauto’s ingezet voor de inzameling van goederen voor de gedupeerden en voor de Tour de Flevo werd een vrachtwagen beschikbaar gesteld. Voor de startende Rugbyclub kwam er een trailer als kleedkamer, Fred de Wit stelde zijn vrachtwagens meerdere malen ter beschikking van hulptransporten naar Polen. De Wit Haarlem vervoerde de spullen voor een zomerkamp van Stichting Welzijn Beverwijk en Aad de Wit Verhuizingen zorgde voor materiaal voor de actie ‘Castricum Verwelkomt’, een actie waarbij dozen met goederen werden gevuld om vluchtelingen te verwelkomen.

De huidige directeuren van Aad de Wit Verhuizingen, Carel Kuijper en Jan Laan, bij de ingebruikneming van de eerste elektrische verhuisauto.
De huidige directeuren van Aad de Wit Verhuizingen, Carel Kuijper en Jan Laan, bij de ingebruikneming van de eerste elektrische verhuisauto.

‘Verbetering van bestaan’, vaak het door emigranten gebruikte motief als reden van verhuizen naar een ander land, ging zeker ook op voor Cor en Arie de Wit. Verhuisd vanuit de kop van Noord-Holland naar een zuidelijker deel van de provincie, hebben zij die doelstelling met durf, zakelijk inzicht, vakmanschap, hard werken en door zich te omringen met de juiste mensen, waargemaakt. Met een vandaag de dag zichtbaar resultaat in de vorm van twee grote logistieke bedrijven, onmiskenbaar voortgekomen uit dat kleine bedrijf met slechts een tweedehands vrachtwagen, nu (in 2016) 87 jaar geleden.

... dat kleine bedrijf met slechts een tweedehands vrachtwagen ...
… dat kleine bedrijf met slechts een tweedehands vrachtwagen …

Ton Stuifbergen
Aad de Wit

Bronnen:

  • Archieven bedrijven en families De Wit en Geluk;
  • Beentjes, J.Th., De genealogie van de familie Beentjes van 1971 tot 1991 – 200 jaar, Heemskerk 1991;
  • Bulte, Marcel e.a., Van oude nijverheid tot nieuwe zakelijkheid. Geschiedenis van de belangrijkste zelfstandige ondernemingen die zich in Haarlem vestigden. Haarlem 1998;
  • De Wit, Adrianus (Arie), Memoires, Castricum 1995;
  • Doedens, W.E.J., Twee eeuwen sinds Jan Pietersz. De Wit en Catharina Molenaar van 1793 tot 2000. Alkmaar 1999;
  • Glorie – van der Steen A.C. en Zuurbier S.P.A., De Castricumse familie Lute, 8e Jaarboekje Oud-Castricum (1985);
  • Kadaster m.b.t. Mient 51 en 53, Mient 41 en 43 en Van Oldenbarneveldweg 7 te Castricum;
  • Regionaal Archief Alkmaar, Adresboek van Alkmaar 1919 t/m 1951;
  • Sminia – Wouters A.G.P. en Zuurbier S.P.A., De Castricumse familie Schermer, 17e Jaarboekje Oud-Castricum (1994).

Met dank aan:
Elly Beentjes – de Wit, Hannie Borst – Zijlstra, Niek Kaan. Iny Koot – de Wit, Catherine Kuijper – Geluk, Marijke de Vries – Lute, Fred de Wit, Gé de Wit, Kees de Wit, Rachel de Wit, Bob Zijlstra en Simon Zuurbier.


Wereldwinkel (Jaarboek 39 2016 pg 4-10)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architect – bakkers – bioscoop – bouwbedrijf – café / hotel – cafés en kasteleins in Bakkum –  drukkers – expeditie – gasfabriek – groenteboeren – groenteveiling – kruideniers – melkboeren – melkfabriek – molenaar – restaurant – schelpenvissers – schilder – schildersbedrijf – slagers – smid – smederij – stoomwasserij – strandvonder – veldwachters – vrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 39, pagina 4

Hoe de Wereldwinkel zijn plaats in Castricum veroverde

In de (negentien)zestiger jaren ontstond er meer belangstelling voor de slechte economische omstandigheden van landen buiten Europa, met name in Afrika en Zuid-Amerika. Ontwikkelingshulp was een vrij nieuw begrip en er kwam een discussie op gang over de vraag hoe daaraan op lokaal niveau inhoud kon worden gegeven. In Castricum richtten jongeren in 1962 een comité op, dat zich ten doel stelde een anti-hongeractie te houden. De jeugd zou gedurende 10 weken 10 procent van zijn zakgeld offeren en ook op andere manieren geld bij elkaar brengen om honger en armoede in de wereld te bestrijden. Het bleef bij incidentele acties. Eind jaren (negentien)zestig raakte Jo Vissers – Keller diep onder de indruk van de problematiek van de Derde Wereld en de ongelijke verdeling van de welvaart. Zij vroeg mensen van allerlei richtingen en levensbeschouwingen om met haar mee te denken. In januari 1970 startte de Werkgroep Ontwikkelingssamenwerking, waaruit korte tijd later de Castricumse Wereldwinkel zou ontstaan, een van de allereerste wereldwinkels in ons land.

Aad de Wit, een van de leden van de startgroep, overhandigt zijn archief aan de Werkgroep Oud-Castricum.
Aad de Wit, een van de leden van de startgroep, overhandigt zijn archief aan de Werkgroep Oud-Castricum.

Werkgroep Ontwikkelingssamenwerking

Armoede in de Derde Wereld kreeg in de (negentien)zestiger jaren steeds meer aandacht. Een werkgroep van jongeren uit de PPR, PvdA, PSP en KVP organiseerde in 1968 een plaatselijke actie in aansluiting op de landelijke ‘Aktie Precedent’, naar aanleiding van de presidentsverkiezingen in Amerika. Er werd een boekje verspreid om het denken over wereldproblemen te stimuleren. In oktober werd een ‘Teach in’ (zo werd een discussiebijeenkomst toen genoemd) georganiseerd in De Rustende Jager. Als inleider over het onderwerp ontwikkelingshulp was ir. Willem Stam uitgenodigd, bekend als columnist voor De Telegraaf en lid van de gemeenteraad. Hij kreeg het zwaar te verduren met zijn volgens de zaal te behoudende standpunten. Door vele interrupties dreigde het debat zelfs uit de hand te lopen.

Ook de kerken en het Interkerkelijk Vredesberaad wezen op de ongelijke verdeling van de welvaart over de wereld en deden voorstellen voor verbetering hiervan. Jo Vissers – Keller was inwoonster van Castricum sinds 1948 en woonde daarvoor onder andere in Liverpool. Ze was actief in de Hervormde Kerk en zoals ze zelf zei, wakker geschud in 1969 op een ‘Kirchentag’:
“Toen had ik het niet meer. Ik moest iets. Ten einde raad schreef ik aan Jan Pronk, die toen secretaris was van de sectie Kerk en Ontwikkelingssamenwerking van de Raad van Kerken. Kort maar krachtig schreef hij terug: financiering van projecten is heel best, maar het gaat in de eerste plaats om mentaliteitsverandering van de mensen hier. Gesprekken en verdere studie zetten mij op het spoor van de oprichting van een interkerkelijk of nog breder samengesteld werkgroepje.”

Jo Vissers - Keller voor de eerste winkel op de hoek van de Van Egmondstraat en de Brakenburgstraat.
Jo Vissers – Keller voor de eerste winkel op de hoek van de Van Egmondstraat en de Brakenburgstraat.

Mevrouw Jo Vissers – Keller (1908-1992)

Jo Vissers legde de basis voor de oprichting van de Wereldwinkel en heeft jarenlang een centrale positie bekleed in de organisatie hiervan. Zij deed dit via het secretariaat, dat paste bij haar. Zij vond voorzitter een beladen woord en gaf de voorkeur aan de term ‘achterzitter’. De eerste jaren keek zij alle notulen en andere stukken na. De groep medewerkers bestond


Jaarboek 39, pagina 5

grotendeels uit jongeren, die de afgesproken taken niet altijd even nauwkeurig uitvoeren. Via briefjes, die overal werden opgeplakt, probeerde zij de zaak organisatorisch te laten draaien.
Als ’s avonds om zeven uur de telefoon ging, kon je er wel zeker van zijn dat het Jo Vissers was om te informeren of je je huiswerk al gemaakt had”, aldus bestuurslid Lies Batenburg. Al leidde dit soms tot ergernissen, het werd wel ‘gepikt’ en er groeide zelfs waardering voor. Zij hield van de omgang met jonge mensen, bleef overeind en zorgde voor continuïteit. Voor alle Wereldwinkeliers is Jo Vissers een gedenkwaardige vrouw.

Jo Vissers slaagde erin om in december 1969 een groep van acht à tien mensen bij elkaar te brengen. De groep bestond uit mevrouw Vissers (ze wilde later met Jo aangesproken worden maar de jongeren hadden daar moeite mee) Winny van Breugel, Fijtje van der Harst, Harry Poeze, Luuk Nijmeyer, G. Reurslag en Aad de Wit. De groep werd al direct aangevuld met Nellie Borst, Ans Boske, Rina Ploegaert, Elly van Ruiten, Ber en Jos de Wit en groeide al snel uit tot ongeveer 20 leden. De deelnemers hielden zich vooral bezig met het lezen en bespreken van boeken en andere documentatie. Een boekje van Piet Reckman ‘Kosmo-komplot’ was een belangrijke inspiratiebron.

Harry Poeze, oprichter van een jongerengroep van de plaatselijke PvdA, verzamelde het materiaal. Hij herinnert zich het jeugdig elan van mensen die meenden hun steentje te kunnen bijdragen aan de hervorming van de wereldverhoudingen door dorpsgenoten enthousiast en bewust te maken. Jo Vissers noteerde:
“Na enige maanden studeren wilden we ook wat gaan doen. Maar wat? Toen sprak Harry Poeze in alle kalmte de historische woorden: ‘Wereldwinkel oprichten’, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was … Dat was het toen nog helemaal niet! De eerste Wereldwinkel in Nederland was pas in 1969 in Breukelen opgericht.”

Opening van de Wereldwinkel op 23 juni 1973; v.l.n.r. Jo Vissers, de wethouders Cor Baltus en Jacques Mulder, professor Huizer die namens minister Pronk de openingstoespraak hield en burgemeester Van Boxtel.
Opening van de Wereldwinkel op 23 juni 1973; v.l.n.r. Jo Vissers, de wethouders Cor Baltus en Jacques Mulder, professor Huizer die namens minister Pronk de openingstoespraak hield en burgemeester Van Boxtel.

Huisvesting

Via de Stichting Ontwikkelingssamenwerking (S.O.S.) in Kerkrade kon voor  3.000 gulden aan kunstnijverheidsartikelen in consignatie worden verkregen. De stichting importeerde die artikelen uit ontwikkelingslanden. Daarmee werd op 5 mei 1970 voor het eerst naar buiten getreden. Met twee marktkramen stond de werkgroep op de ‘Vredesmarkt’ op het Kooiplein, samen met het Rode Kruis, Dolle Mina, Duin en Bosch enzovoort. Het was een groot succes en er werd op één dag voor 1.600 gulden verkocht. Hierdoor aangemoedigd stond de werkgroep die zomer nog driemaal op de weekmarkt. Het verstrekken van informatie over ontwikkelingshulp en het bestrijden van armoede in de Derde Wereld bleef het hoofddoel van alle inspanningen en dat bleek nog het moeilijkst te realiseren.

Al snel ontstond de wens om een vaste winkel te beginnen. Die werd gevonden in een pand op de hoek van de Van Egmondstraat en Brakenburgstraat. Mevrouw Kaandorp, moeder van ‘Tejo’, een van de leden van de werkgroep, stond de ruimte in bruikleen af, toen die niet meer als winkel werd gebruikt. De inrichting bestond uit sinaasappelkistjes en dergelijke. Op 19 november 1970 om 20.00 uur werd de Wereldwinkel geopend door Sinterklaas met het afbreken van een symbolische tolmuur. Er waren artikelen te koop en er was ook veel documentatie beschikbaar. Via de rietsuiker en de kunstnijverheid moest een ingang gevonden worden om het fundamentele probleem aan de orde te stellen. Toen al legde de Indiase priester-student Thomas Tekkedath, die vele jaren later de inspirator was voor de kringloopwinkel Muttathara, contact met Jo Vissers.

De directiekeet werd op 19 mei 1973 op zijn plaats gezet in de Henri Schuytstraat.
De directiekeet werd op 19 mei 1973 op zijn plaats gezet in de Henri Schuytstraat.

Directiekeet

Na drie jaar moest de Wereldwinkel verhuizen, omdat er zich een nieuwe huurder had gemeld. Tijdelijk werd op zaterdagmorgen onderdak gevonden in de voorzaal van dorpshuis De Kern. Toen stelde Bouwbedrijf Jac. de Nijs voor één gulden een oude directiekeet beschikbaar. Van makelaar Kloes kon een lapje grond aan de Henri Schuytstraat worden gehuurd voor een bedrag van 360 gulden per jaar. De gemeente verleende een tijdelijke vergunning voor drie jaar met een mogelijkheid tot verlenging met twee jaar.


Jaarboek 39, pagina 6

De directiekeet werd door vrijwilligers opgeknapt op het bedrijfsterrein van De Nijs aan de Oude Haarlemmerweg. Vervolgens moest de keet, met een omvang van 5,5 bij 9 meter, worden vervoerd en geplaatst. Het transportbedrijf Winder uit Limmen wilde die klus wel uitvoeren. Op 19 mei 1973 vond de verhuizing plaats. Deze spannende gebeurtenis werd op film vastgelegd. Een grote kraan van Winder takelde het gevaarte op een dieplader. Auto’s langs de route werden elders geparkeerd en met de nodige moeite werd de plaats van bestemming bereikt.

Het ‘nieuwe’ gebouw bestond uit een winkelgedeelte, een vergaderruimte (de ‘Werkplaats’), een keukentje en een toilet. Op zaterdag 23 juni 1973 vond de feestelijke opening plaats door Gerrit Huizer, hoogleraar-directeur van het Derde Wereld Centrum aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Jan Pronk, minister van Ontwikkelingssamenwerking, was helaas verhinderd wegens een ingelaste vergadering van de ministerraad. Achter het pand op het parkeerterrein van banketbakkerij Boske was een grote tent neergezet, die geleend was van de Jeugdsociëteit. De openingshandeling bestond uit het doorknippen van linten waarop stonden geschreven een groot aantal vooroordelen over wereldhandel en ontwikkelings- samenwerking. Op de avond van de openingsdag was er een speciale rugbywedstrijd tussen teams van Wereldwinkelmedewerkers en medewerkers van de Jeugdsociëteit op het veld van Rugbyclub Castricum aan de Duinenboschweg.

Acties

De Wereldwinkel Castricum was op diverse manieren actief. In het begin stond de verkoop van levensmiddelen (rietsuiker, koffie en thee) centraal. Men moest zelf de Cubaanse rietsuiker afwegen en inpakken vanuit grote balen. Dit gebeurde ’s avonds in de winkel van de bakkerij van Boske. Vaak stond mevrouw Boske dan aan de weegschaal onder het motto:
“Ik ben het gewend, dat gaat veel vlugger. Als jullie de rommel maar opruimen!”

Buiten de winkel werden acties georganiseerd, zoals het huis-aan-huis verkopen van rietsuiker in 1971. Het hoofddoel was bekendheid te geven aan de onrechtvaardige verdeling van de welvaart en de hoge invoerrechten op producten uit ontwikkelingslanden. Drie zaterdagen trokken de vrijwilligers door Castricum en Bakkum. In het verslag van de actie wordt een beetje teleurgesteld opgemerkt dat de mensen dachten de colporteurs een groot plezier te doen door gauw een kilo suiker te kopen: ‘Dit kwam de gesprekken niet altijd ten goede …’ Er werd zo’n 850 kilogram suiker verkocht. Zelfs de gemeenteraad besloot rietsuiker te gaan gebruiken.

Actie tegen de verkoop van Angola-koffie voor de toenmalige winkel van Albert Heijn in de Torenstraat.
Actie tegen de verkoop van Angola-koffie voor de toenmalige winkel van Albert Heijn in de Torenstraat.

De eerste grote actie na de opening van het gebouw aan de Henri Schuytstraat was de boycot van Angola-koffie. Door geen koffie uit Angola meer te importeren, kon druk uitgeoefend worden op de Portugese kolonialisten om zich uit dit Afrikaanse land terug te trekken. Met uitzondering van Albert Heijn voldeden de Nederlandse importeurs aan de oproep van het Angola-comité. De actie richtte zich op de filialen van het grootwinkelbedrijf. Voor de AH-winkel, die toen nog in de Torenstraat gevestigd was, werd drie zaterdagen gepost.

Op 4 oktober 1973 verscheen in het Nieuwsblad voor Castricum een advertentie onder de kop: ‘Angola in uw keuken.’ Via deze advertentie, betaald en ondertekend door 133 Castricummers, werden de huisvrouwen opgeroepen om te kiezen voor onderdrukten en rechtelozen in plaats van zich door het winkelbedrijf te laten spannen voor het karretje van het botte eigen belang. De boycotactie was in het hele land zo succesvol dat AH zwichtte.

In 1974 was er een actie voor Malawi in het kader van de Vastenactie, met medewerking van kapelaan Van der Linden. In 1975 volgde de actie ‘Castricum voor Vietnam’ met een informatiedag in De Kern, een fietstocht rond het IJsselmeer, een scholenfietstocht met sponsor, een wandeltocht door de duinen en een huis-aan-huis collecte.

Er volgden nog vele wereldwinkelacties, zoals tegen het kopen van Outspan-sinaasappels, symbool van onderdrukking en uitbuiting in Zuid-Afrika. Op 6 mei 1978 organiseerde de Wereldwinkel een demonstratieve fietstocht naar het ECN in Petten om te waarschuwen voor de gevaren van kernenergie. De Wereldwinkel participeerde in het vredesplatform en de jaarlijkse Vredesweek, en nam stelling tegen kernraketten. Passend in het toen heersende actieklimaat organiseerde de Wereldwinkel in de eerste tien jaar van zijn bestaan tien grote acties en was het een informatiecentrum voor een breed scala aan maatschappelijke problemen.

De boodschap wordt duidelijk overgebracht.
De boodschap wordt duidelijk overgebracht.

Veel aandacht werd in de jaren 1990 besteed aan de apartheidsproblematiek in Zuid-Afrika. In 1992 werd, 500 jaar na de ontdekking van Amerika door Columbus, een Indiaanse solidariteitsmaaltijd georganiseerd in het Jac. P. Thijssecollege met als gastheer plaatsgenoot en theaterartiest Frans van Dusschoten.


Jaarboek 39, pagina 7

Herinneringen van Nellie Borst

Nellie Borst was een van de initiatiefnemers van de Wereldwinkel en de eerste redacteur van het contactblad voor wereldwinkeliers, later ‘Biba’ (binnenband) geheten dat vanaf maart 1972 verscheen.

Dat is een tijd geleden: de Wereldwinkel.
Het was een tijd van actie dat je schreef als ‘aktie’, van subversieve activiteiten als het organiseren van een Albert Heijn-boycot, omdat die winkelketen weigerde om te stoppen met de inkoop van koffie uit Angola. We hadden een bakfiets die in een mum van tijd kon worden omgetoverd in een marktkraampje van waaruit we producten uit de derde wereld verkochten en informatie aanboden over het rechtvaardiger maken van onze wereld. De bakfiets parkeerden we elke zaterdag voor de winkel van Albert Heijn en we probeerden de klanten ertoe te bewegen hun boodschappen bij een andere aanbieder te doen, totdat Albert Heijn stopte met de Angola-koffie. De chef van de winkel had ons na twee weken door en parkeerde ’s morgens vroeg zijn auto op de plek waar we onze bakfiets neer wilden zetten. Weer een week later zetten Pauline en Rudolf de Jong hun auto vrijdagavond al voor de winkel neer en wandelden terug naar huis. De volgende ochtend haalden ze de auto weer weg en kon de bakfiets aangeschoven worden. De chef belde de politie. Dat was echter tevergeefs. De Wereldwinkel deed niets ongeoorloofds en de bakfiets stond op de openbare weg.

Spannende tijden waren het. We waren overtuigd van ons gelijk en bereid ervoor door het vuur te gaan. Vechten deden we niet, we wilden overtuigen met onze akties. Outspan-sinaasappels uit Zuid-Afrika mochten niet, want in Zuid-Afrika heerste toen nog een apartheidssysteem waar niet-blanken de dupe van waren. In de Wereldwinkel aan de Henri Schuijtstraat verkochten we koffie, thee, rietsuiker, lp’s en verstrekten we vooral veel, héél veel informatie over hoe alles beter kon en moest, als iedereen maar zou willen.

We besteedden uitputtende vergaderingen aan de ‘basisgedachten’ (nu zouden we zeggen: de visie) van de Wereldwinkel. Uitgangspunt was dat er een mentaliteitsverandering nodig was om de toestand in de wereld te verbeteren (we verfoeiden G.B.J. Hiltermann overigens, met zijn radiopraatjes over ‘De toestand in de wereld’). Er waren weekends in ’t Oude Hof (Volkshogeschool Bergen) nodig om ons hiervan te doordringen. Vooral ik was er in mijn eenvoud van overtuigd dat je de mensheid het beste hielp door eerlijk geproduceerde rietsuiker (zelf afgewogen), koffie en thee te verkopen. Als iedereen nu maar deze producten zou kopen, zou het bedrijfsleven vanzelf overstag gaan, er betere prijzen voor betalen en ze uit de juiste landen importeren.

Veel discussies waren er, en veel denkwerk. Een boek van Piet Reckman was zeer populair: Sociale Aktie. De aktiemiddelen die erin werden uitgewerkt, gingen van folders uitdelen, gesprekken aangaan, tot het gijzelen van mensen om je doel te bereiken. Qua uitwerking ben ik ergens bij het boycotten gestopt – gijzelen ging me te ver.

Dit lijkt allemaal druk en chaotisch en dat was het ook. Maar gelukkig waren er de vaste rustpunten van ‘in de winkel staan’ in de tot winkel omgetoverde bouwkeet in de Henri Schuijtstraat. Je kon daar hele zaterdagen of donderdagavonden zitten, er was geen telefoon en afgezien van een sporadische klant of een mede-actievoerder zag je er zelden iemand. Alle tijd om eerlijke koffie en thee te drinken en je te verdiepen in het onrecht in de wereld.

Ik kom nog steeds regelmatig in een Wereldwinkel. Ik koop er mijn ecologische koffie en thee, mijn cacao, honing, curry, chocolade, pindakaas, kokosmelk en wat er nog meer te eten valt (men kent me goed: ‘Daar is de mevrouw van de voeding.’), want ik besteed mijn geld graag aan zinnige producten.
Ja, de wereld moet veranderen, dat vind ik nog steeds. En de rol van ons als consument dient daarbij nooit onderschat te worden.

Bibliotheek

Het documentatiecentrum van de Wereldwinkel werd in 1972 opgezet. Er werden knipselmappen aangelegd en boeken en brochures over ontwikkelingen in de Derde Wereld bewaard. De bibliotheek was in de winkel gevestigd. Heel wat medewerkers hebben in de loop van de jaren hun tijd in het bibliotheekwerk gestoken. Vooral het bijhouden van de knipselmappen was erg arbeidsintensief. Het gebruik van het documentatiecentrum was in de eerste jaren altijd goed. Later liep het aantal uitgeleende werken echter terug. Na 15 jaar werd besloten het centrum te vernieuwen. Door de gemeente Castricum werd hiervoor een bijdrage van bijna 800 gulden toegekend. Het geactualiseerde en gemoderniseerde documentatiecentrum werd in 1988 heropend. Inmiddels is de bibliotheek opgeheven. Omdat de scholen en de Openbare Bibliotheek inmiddels ook goed voorzien waren van materiaal, was het gebruik van de collectie van de Wereldwinkel sterk afgenomen.

Een echt bestuur

Met de realisering van een eigen gebouw was de Wereldwinkel zomaar bezitter geworden van iets. Er was een rechtspersoon nodig om het gebouw te beheren, verzekeringen af te sluiten, de grond te huren enzovoort. Omdat het oprichten van een vereniging niet zo eenvoudig werd gevonden, is gekozen voor een stichting. Op 20 juni 1973 werd de stichting opgericht. Die moest wel zo democratisch mogelijk functioneren. De macht bij een stichting berust alleen bij het bestuur. De oplossing die gevonden werd, was doeltreffend en eenvoudig: alle Wereldwinkeliers werden bestuurslid. In de praktijk kwam er niet veel van terecht en in 1980 werd dan toch maar besloten


Jaarboek 39, pagina 8

een echt bestuur in te stellen. De algemene vergadering benoemde Willy Slagman, Bob Walbeek, Maarten en Aad de Wit tot de eerste bestuursleden. Bob Walbeek werd formeel de eerste voorzitter. Het bestuur bemoeide zich overigens alleen met de zakelijke beslommeringen.

In hetzelfde jaar werd het tienjarig bestaan gevierd. In het contactorgaan, toen onder redactie van Aad de Wit en Els Hendrikse, is er uitgebreid aandacht aan besteed. Een beetje zelfspot komt er ook in voor:

Wie zijn het die zich wereldburgers noemen?
Zijn het weer die baarden, die b.h.loze
feministen die per toerbeurt gezellig in
de Wereldwinkel kruipen?
Notabene een directiekeet
Daar koffie zuipen,
Op een gitaar jengelen,
Een platenspeler steeds naar z’n mallemoer

draaien, beschimmelde derde
wereldwinkelproducten verkopen en zelf niet
weten waarom eigenlijk
Er een troep van maken
en een standje krijgen
van de harde kern: tante Jo
Zijn het niet dezelfden die van hun

plaatsgenoten Rietsuikerpatiënten maken?

Bob Walbeek aan de slag bij een verbouwing van de winkel in 1983.
Bob Walbeek aan de slag bij een verbouwing van de winkel in 1983.

De Wereldwinkel groeit uit zijn jasje

Aan het eind van de jaren 1980 werd, door de groeiende klantenkring en de stijgende omzet, het gebrek aan ruimte een steeds groter probleem. Bovendien had de eigenaar plannen hier (red: aan de Henri Schuytstraat) een huis te bouwen. In 1981 vroeg het bestuur aan de gemeenteraad om het oude raadhuis aan de Wereldwinkel samen met andere instellingen toe te wijzen. Ook de VVV en Oud-Castricum hadden hun belangstelling kenbaar gemaakt. Het oude raadhuis werd, nadat het gemeentebestuur naar een nieuw gebouw was verhuisd, echter verhuurd aan Landschap Noord-Holland. Besloten werd het eigen gebouw dan maar verder aan te passen. Vele vergaderingen en vele uren werden gestoken in een andere indeling, isolatie, schilderwerk enzovoort. De voorraad kon nu aanzienlijk worden uitgebreid. Op 19 mei 1984 verrichtte Frans van Dusschoten de heropening. Zoals Aad de Wit opmerkte: “We waren er heel goed in om via openingen en heropeningen publiciteit te krijgen.”

Februari 1986. Opening van de koffieshop ‘Boontje komt om zijn loontje’ met optreden van ‘De Straatklinkers'.
Februari 1986. Opening van de koffieshop ‘Boontje komt om zijn loontje’ met optreden van ‘De Straatklinkers’; v.l.n.r. Tru Stolk, Piet Paree, Geertje Vlas en Els Hendrikse.

De nota ‘Ontwikkeling tot Wereldburger

Op 18 december 1974 nam de gemeenteraad een motie aan van het raadslid Piet Janzen om te onderzoeken wat de gemeente zou kunnen doen op het gebied van ontwikkelingshulp. De Wereldwinkelleden Aad de Wit en Jaap van der Mey stuurden een nota aan de gemeenteraad met suggesties, zoals de opname van wereldvraagstukken in lesprogramma’s van de scholen, het organiseren van tentoonstellingen, het leggen van contacten met burgers in ontwikkelingslanden. Voorgesteld werd daarvoor een gemeentelijke commissie in te stellen. Er kwamen adhesiebetuigingen van kerken, onderwijsorganisaties, vrouwenverenigingen enzovoort. De gemeenteraad besloot na vele commissie- en raadsvergaderingen op 30 september 1976 te erkennen dat de gemeente een verantwoordelijkheid heeft, maar wilde de uitvoering aan het particulier initiatief overlaten en geen gemeentelijke commissie instellen. Een overleggroep ontwierp samen met de Wereldwinkel een nieuwe nota en wilde nu voor de uitvoering een apart orgaan oprichten. De gemeenteraad reageerde in 1978 positief,


Jaarboek 39, pagina 9

maar de fut was er na drie jaar discussiëren echter uit en van de oprichting van een nieuw orgaan kwam het niet meer. Door de organisatie van cursussen en het geven van voorlichting nam de werkgroep Wereldoriëntatie nog een aantal jaren het stokje over, totdat ook hieraan een einde kwam. Wel ontstond mede hierdoor in 1982 een geweldig nieuw initiatief door de oprichting van de stichting ‘Castricum helpt Muttathara’: een onderwerp om afzonderlijk aandacht aan te besteden.

Opening van de nieuwe winkel aan de C.F. Smeetslaan op 1 juni 1991; v.l.n.r. voorzitter Maarten de Wit, An de Graaf en twee vakbondsleiders uit Chili die de opening hebben verricht.
Opening van de nieuwe winkel aan de C.F. Smeetslaan op 1 juni 1991; v.l.n.r. voorzitter Maarten de Wit, An de Graaf en twee vakbondsleiders uit Chili die de opening hebben verricht.

Naar de C.F. Smeetslaan

De gemeente Castricum was behulpzaam bij het zoeken naar een nieuwe locatie. Dit resulteerde in de aankoop met een hypothecaire lening van een van de winkelpandjes aan de C.F. Smeetslaan. De gemeente stond garant en gaf een flinke rentesubsidie. De nieuwe Wereldwinkel Castricum werd op 1 juni 1991 officieel geopend door twee vertegenwoordigers van de Bananen-arbeidersbond uit Nicaragua (ATC). In 2005 is de winkel verbonden met de daarachter gelegen magazijnruimte en werd met hulp van vele vrijwilligers een herinrichting van de winkel gerealiseerd.

De feestelijke viering van het 25-jarig bestaan op 22 april 1995 werd opgeluisterd door Emergo.
De feestelijke viering van het 25-jarig bestaan op 22 april 1995 werd opgeluisterd door Emergo.

Jaarboek 39, pagina 10

Bij de Fair Trade Organisatie in Culemborg en bij soortgelijke leveranciers vond de inkoop plaats. Via advertenties en artikelen in lokale nieuwsbladen werden diverse producten onder de aandacht gebracht en werd uiteengezet waarom de Wereldwinkel deze producten verkoopt. Een opmerkelijk feit: toen in 1995 Max Havelaar de koffieprijzen verlaagde, volgde Douwe Egberts snel dit voorbeeld. De jong overleden voorzitter van de wereldwinkel, Volkert Keysper, noemde het in een interview ter gelegenheid van de viering van het 25-jarig bestaan:
“De macht van de boodschappentas. Elke consument kan verandering bewerkstelligen.”

De omzet van de winkel steeg jaarlijks dankzij de tientallen vrijwilligers. In 1994 werd voor ruim 30.000 gulden aan levensmiddelen verkocht; in totaal bedroeg de omzet bijna 60.000 gulden. Ruim 10 jaar later, in 2005, leverde de verkoop ruim 67.000 euro op, waarvan 29.000 euro voor levensmiddelen. Ondanks de crisis vanaf 2008 bleef de omzet stijgen. Het assortiment werd geleidelijk verder uitgebreid met onder andere speelgoed en sieraden en in 2001 met bananenbier uit Ghana. Eerst werd meegewerkt aan de kerstkaartenverkoop van Unicef; momenteel is er een permanent aanbod van Unicefkaarten.
Erg succesvol bleek de kerstpakkettenactie. Veel organisaties kochten deze pakketten, die door de medewerkers zelf werden samengesteld. In 2006 zijn er hiervan ruim 11.000 verkocht. In de winkel ging men met de tijd mee. Naar aanleiding van een overval kwam er in 2001 een pinautomaat. In 2004 kreeg de winkel een eigen website.

Jo Vissers heeft tot het einde van haar leven de winkel bezocht.
Jo Vissers heeft tot het einde van haar leven de winkel bezocht.

Terugblik

Het waren andere tijden die (negentien)zeventiger en (negentien)tachtiger jaren. Computers, internet, social media en mobiele telefoons waren nog geen gemeengoed. Om een duidelijke boodschap te verspreiden werden in de Wereldwinkel veel buttons, stickers en posters verkocht. Oud-voorzitter Maarten de Wit memoreert dat de winkel in Castricum in de jaren (negentien)tachtig het kloppend hart was van de anti-kernwapenbeweging en van vredesdemonstraties.

De wereldwinkel was ooit een actiecentrum en steunde veel landelijke campagnes in het kader van ‘het bevorderen van mondiale bewustwording’. Na de (negentien)tachtiger jaren kwam de verkoop van producten centraler te staan en deelname aan campagnes werd ook door de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels op een laag pitje gezet. Door de ingebruikneming van de winkel aan de C.F. Smeetslaan kwam er meer aandacht voor de winkelinrichting en organisatie.

Nog steeds wordt verkoop van producten uit de Derde Wereld als middel gezien in de strijd voor rechtvaardiger handelsstructuren, verbetering van werknemersrechten en afschaffing van kinderarbeid. Daarom worden bijzondere producten aangeboden als alternatief voor het reguliere aanbod.
Een actiecentrum is het niet meer maar ongewijzigd blijft, nu al 46 jaar, het uitgangspunt dat armoede bestreden kan worden met ‘Fairtrade’, eerlijke handel, met respect voor mens en milieu.
De doelstellingen van de Wereldwinkel worden door veel mensen en instellingen ondersteund.
In 1970 begon het allemaal. De pioniers van toen zijn afgehaakt en nieuwe vrijwilligers hebben het stokje overgenomen, maar de idealen zijn gebleven.

Jeannette Smits
Niek Kaan

Bronnen:

  • Archief Wereldwinkel Castricum;
  • Regionaal Archief Alkmaar;
  • Wit de, Aad, persoonlijk archief.

Met dank aan:

Nellie Borst, Suzanne Jansen, Harry Poeze, Aad de Wit en Maarten de Wit.

Kruideniers (Jaarboek 38 2015 pg 48-58)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architect – bakkers – bioscoop – bouwbedrijf – café / hotel – cafés en kasteleins in Bakkum –  drukkers – expeditie – gasfabriek – groenteboeren – groenteveiling – kruideniers – melkboeren – melkfabriek – molenaar – restaurant – schelpenvissers – schilder – schildersbedrijf – slagers – smid – smederij – stoomwasserij – strandvonder – veldwachters – vrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 38, pagina 48

De kruideniers in ons dorp

Van de reeks middenstanders die ons dorp in ongeveer 100 jaar heeft gekend, hebben wij achtereenvolgens de bakkers, melkboeren, slagers en groenteboeren beschreven. Nu restte ons de kruideniers, waarvan zowel in Bakkum als Castricum veel zaken bestonden tot de eerste supermarkt begin jaren 1960 zijn intrede deed. Dat was Glorie in de Torenstraat. Vanaf die tijd brak er echt een zuinige tijd aan voor de winkel op de hoek!

Koffiebonen, suiker, rijst etc. werden ook bij Wokke achter de toonbank afgewogen en verpakt
Koffiebonen, suiker, rijst etc. werden ook bij Wokke achter de toonbank afgewogen en verpakt

De kruideniers die zich hier in de vorige of deze eeuw hebben gevestigd en de straten waarin zij hun zaak hadden:

Admiraal, Piet: Beverwijkerstraatweg
Bleijendaal, Gerard: Kramersweg
Boelhouwer, Henk: Beverwijkerstraatweg
Borst – Kuijs, Guurtje: Bakkummerstraat
Brakenhoff, Rinus: Ruiterweg
Glorie, Frans: Brakersweg/ Dorpsstraat
Graaf, Pieter de: Bakkummerstraat
Graas, Theo: Beverwijkerstraatweg/ Torenstraat
Groen, Jan: Burgemeester Mooijstraat/Dorpsstraat
Groot, Dick: Ruiterweg
Groot, Klaas en Jan: Van Oldenbarneveldweg
Haas, de, Martinus: Dorpsstraat
Heide, van der, Gerard: Dorpsstraat
Hoek, Hein: Breedeweg
Kaag, Jacob en Geessie: Bakkummerstraat
Kamp, Jan: Heereweg
Kaptein, Johan: Anna Paulownastraat
Liefting, Anton: Schoolstraat
Louter, Gerrit: Schulpstet
Lute, Kees: Bakkummerstraat
Oomes – Theissling, Jo: Ruiterweg
Portegies, Niek en Jacob: Dorpsstraat
Res, Bernard: Burgemeester Mooijstraat
Schoute, Nico en Klaas: Dorpsstraat
Stolk, Jan en Hanne: Dorpsstraat
Stolk, Krijn, Hans en Piet: Bakkummerstraat
Stolk, Cor: Stationsweg
Stuifbergen, Jaap: Kramersweg
Stuifbergen, Bertus: Dorpsstraat
Stuifbergen, Bertus, Siem en Nico: Mient/ Henri Schuytstraat/ Burgemeester Mooijstraat/Verlegde Overtoom
Stuifbergen, Piet: Bakkummerstraat
Tromp, Wijnand: Mient
Twisk, Ber: Van Oldenbarneveldweg
Vaalburg, Leen en Martin: Henri Schuytstraat
Vader, Piet: Burgemeester Mooijstraat
Wokke, Henk: Bakkummerstraat
Zonneveld, Ber: Dorpsstraat
Zonneveld, Piet en Jan: Heereweg/Burgemeester Mooijstraat
Zwetsloot, Gerard: Dorpsstraat


Jaarboek 38, pagina 49

Leendert Vaalburg met winkelmeisje Rina Admiraal.
Leendert Vaalburg met winkelmeisje Rina Tromp (rectificatie uit jaarboek 39).

We ruilden onderling chocoladeletters

Direct na zijn huwelijk met Maartje van Est in 1938 vestigde de uit Nieuw-Vennep afkomstige Leendert Vaalburg (1907-2001) een kruidenierswinkel op de hoek van de Pernéstraat en Henri Schuytstraat. Later werden daar een drogisterij en speelgoedzaak aan toegevoegd. Zoon Martin (1944) werkte vanaf 1959 bij zijn vader en vertelde:
“Het vak trok mij wel en ik voelde er weinig voor om door te leren. Ik heb wel de vakopleiding kruideniers in Alkmaar gevolgd en ook mijn middenstandsdiploma behaald. In die tijd had mijn vader de zelfbediening ingevoerd en jaren later kon hij een groot stuk aan de winkel bouwen. Wij dachten toen een zelfbedieningszaak te hebben, waarmee we de toekomst aan konden. Er kwamen echter veel grotere vestigingen en daardoor moesten vele kruideniers ermee stoppen.

Begin jaren (negentien)vijftig betrok mijn vader goederen van groothandel Wiegerink die aan de Meerstraat in Beverwijk een pakhuis had. Een pakhuis zoals het toen was: smal met drie verdiepingen en een zolder. Van daaruit werden de goederen naar de winkels gebracht. Later hebben wij ons aangesloten bij de coöperatieve organisatie Enkabe, die eerst in Hoofddorp en later in Assendelft zat.

Martin Vaalburg op zijn transportfiets.
Martin Vaalburg op zijn transportfiets.

Ik vond het een mooie en gezellige tijd. Boodschappenboekjes bij de klanten ophalen, wat ‘vragen’ of ‘horen’ werd genoemd. Soms vulde ik in wat de klant opgaf of anderen schreven het zelf op, terwijl ik stond te wachten. Ook heb ik toen het wel eens een baby de fles moeten geven.
‘s Middags bracht ik de boodschappen, die door het personeel waren ingepakt, met de transportfiets bij de mensen thuis. Je kwam dan ook vaak twee keer op een dag bij een klant. Ook had je klanten die je eens per veertien dagen bezocht. Die hadden twee kruideniers, maar dat vergat je wel eens en zodoende stond je soms met de bezorger van Albert Heijn uit de Torenstraat of die van Schoute van de Dorpsstraat voor de deur.
Tijdens het ophalen van de boekjes had ik een rechthoekige mand vol met aanbiedingen. Deze mand gebruik ik nog als lectuurmand, maar er zit ook altijd een snoepje voor de kleintjes in.

Een papieren zoutzak van zelfbediening Vaalburg.
Een papieren zoutzak van zelfbediening Vaalburg.

In de jaren 1960 veranderde Castricum van een tuindersdorp in een forensenplaats. Alles ten noorden van de Ruiterweg heb ik zien bouwen. In tegenstelling tot de melkboeren hadden de kruideniers en de bakkers geen vaste wijken. Wij hadden dan ook klanten over heel Castricum en Bakkum, met name in de nieuwbouwwijken tot aan de Kooiweg. Mijn vader kreeg samen met bakker Burgmeijer adressen door van Bedeke, die tegenover ons zat met een installatiebedrijf. Bedeke legde namelijk vaak centrale verwarming aan voor de nieuwe inwoners. Mijn vader bezocht ze zelfs in Amsterdam en vertelde wat voor winkel hij had. Vervolgens was hij er op de dag van de verhuizing als eerste bij met iets lekkers en het boodschappenboekje en in negen van de tien gevallen had je weer een klant erbij. Een bezorgwijk was in die tijd zeer belangrijk voor je zaak, maar ook heel arbeidsintensief.

In de winkel werd veel op de pof gekocht. Op de toonbank lag een langwerpig opschrijfboek met harde kaft. Meestal eind van de maand werd het openstaande bedrag betaald en dan werd er een krul door gegeven. Het kwam regelmatig voor dat je achter je centen aan moest. Zo wisten wij precies wanneer de Hoogovens uitbetaalden. Mijn oudste zuster Gerrie heeft overigens altijd meegewerkt in de afdeling levensmiddelen.
Castricum was in onze beginperiode overwegend katholiek


Jaarboek 38, pagina 50

en dat was soms als protestant niet erg makkelijk. Op zondag mochten wij niet kopen en dus ook niet verkopen. Het was toen een gewoonte om ‘s zondags achterom te komen. Wij gingen dan vaak naar familie toe, want dan hoefde mijn vader geen nee te zeggen en raakte hij zo’n klant ook niet kwijt.

Met collega’s kruideniers gingen wij goed om, je was concurrent maar ook weer niet. Met Twisk op Bakkum en Schoute spraken we af wie wanneer een week met vakantie ging. In Sinterklaastijd ruilden we onderling chocoladeletters als je bepaalde letters niet had. Dat omruilen gebeurde ook bij de Drostefabriek in Haarlem, een hele uitzoekerij was dat altijd. Ook hebben wij een keer voor de Sinterklaasintocht zakjes strooigoed gemaakt, waarin wat kruidnoten, schuimpjes en een taaipopje zaten. Avond aan avond zijn we bezig geweest om er zo’n vijfduizend te maken. Toen de zelfbedieningzaken werden uitgebreid met meer artikelen, kregen ook wij het moeilijk. Daarom zijn we ook melk gaan verkopen. Die heb ik een hele tijd samen met Nico Stuifbergen ingekocht bij de Volharding uit Nijkerk.

De winkel van Vaalburg in de jaren 1960.
De winkel van Vaalburg in de jaren 1960.

In 1976 hebben wij de levensmiddelen vervangen door huishoudelijke artikelen. Door de concurrentie met de supermarkt van Glorie werd onze bezorgwijk namelijk steeds kleiner. Enige jaren daarvoor hadden wij gelukkig al een afdeling drogisterij en speelgoed opgebouwd en met de komst van een afdeling huishoudelijke artikelen waren wij een echt dorpswarenhuis. Vaak zei men ook: ga maar naar Vaalburg, die heeft het wel. In 2008 ben ik met mijn vrouw Matty en zus Ineke met de zaak gestopt wegens gebrek aan een opvolger en verdween onze winkel na 70 jaar uit het dorp.”

Kruidenier Wokke trad in 1954 toe tot de Centra-keten.
Kruidenier Wokke trad in 1954 toe tot de Centra-keten.

Op tweede kerstdag bleef ik anderhalf uur voor de deur van een klant zitten …

Henk Wokke (1935) is niet alleen bekend van de kruidenierswinkel in de Bakkummerstraat, maar ook van diverse bestuurlijke functies en die van raadslid en wethouder in ons dorp (zie 34e Jaarboek 2011, pag. 35). In 1987 verliet hij Castricum om burgemeester van Marken te worden. Vanaf 1990 was Henk 10 jaar burgemeester van Wervershoof, waar hij nog steeds woont.

Terugblikkend kwamen bij Henk de volgende herinneringen naar boven:
“Mijn opa Dirk (1870-1953), die van oorsprong tuinder was, begon in 1904 aan de Bakkummerstraat 52 een winkeltje in kaas. Vader Jan (1903-1977) heeft het rond 1930 van hem overgenomen. Mijn moeder Anna stond in de winkel. Vader werkte in de tuin, maar ventte wel op zaterdag. Toen ik een jaar of twaalf was, wilde hij graag dat ik dat ging doen. Ik volgde ondertussen de tuinbouwschool in Beverwijk, waarvoor ik in 1951 slaagde. Ook haalde ik het middenstandsdiploma en alle vakdiploma’s voor kruidenier. Op mijn 18e begon ik echt als kruidenier, maar moest gelijk twee jaar dienen als marinier. Mijn zusters To en Clasien hebben toen waargenomen. Zij bleven, evenals mijn moeder, later ook helpen in de winkel als het nodig was.

Uitnodiging voor de heropening in 1965.
Uitnodiging voor de heropening in 1965.

In 1954 hebben we de zaak uitgebreid en vanaf de heropening vielen we onder de Centra-keten. Later werd de winkel omgebouwd tot zelfbediening en in 1969 stopte ik in Bakkum om een noodwinkel te starten aan de Albert Schweitzerlaan vlakbij het te bouwen winkelcentrum Geesterduin. Ik heb de winkel in 1973 verkocht voordat het winkelcentrum officieel in gebruik werd genomen. Dat geldt ook voor de zaken die ik in Egmond aan Zee en Alkmaar had. Een van de redenen daarvoor was dat ik in die periode actief was als raadslid in Castricum en later hier wethouder werd.”

Natuurlijk heeft Henk als middenstander ook gewerkt met opschrijfboekjes en bestellingen:
“Wij hadden voor onze vaste klanten ook lijsten gemaakt, waarop diverse artikelen stonden in de volgorde zoals ze in de winkel te vinden waren. Het bezorgen deed ik eerst met een transportfiets en daarna met een bakfiets. In de jaren 1960 kocht ik een kleine bestelauto, maar dat kostte me wel wat klanten. Zij vonden namelijk dat ik een auto van hun centen reed … Overigens kon ik er redelijk van bestaan, want ik heb altijd kunnen sparen voor verbouwingen en de aankoop van de winkels bui-


Jaarboek 38, pagina 51

ten Castricum. Ondanks dat Bakkum in die tijd zo’n vijf kruideniers telde, hadden we geen problemen met concurrenten.
Reclame maakten we het meeste door wekelijks een reclamefolder op een dubbelzijdig A4-tje rond te brengen. Dat was veel goedkoper dan een advertentie in het Nieuwsblad voor Castricum. Ik heb wel samen met Zonneveld en Tervoort in 1969 een grote advertentie laten plaatsen in Onze Krant, nadat we alle drie bij de Centra waren aangesloten. De meeste artikelen werden uiteraard via de grossier van de Centra ingekocht, maar ik kocht ook wel rechtstreeks bij Eieren Glorie of melk van de groothandel in Beverwijk”.

Net als bij andere winkeliers was er voor de familie Wokke weinig vakantie weggelegd en moesten alle gezinsleden wel eens bijspringen:
“Een vakantieregeling was er niet en als we weggingen was dat voor een paar dagen, wat door familie- of personeelsleden werd opgevangen. Mijn drie zoons en een dochter brachten de folders rond en (ze) werkten alleen in de winkel in Egmond toen deze ook op zondag open ging. In Bakkum gebeurde het regelmatig dat klanten zondags achterom kwamen. Er kwam er zelfs één met een stuk vlees van een slager om dat te laten snijden. Dat weigerde ik dan maar niet, want je wilde geen klant kwijtraken.”
De voormalige kruidenier en bestuurder herinnerde zich ook nog wel het verhaal van Rino Zonneveld die in 1955 met zijn zusje Anneke zoek was geraakt in Bakkum.


Kruidenier Wokke bracht de kinderen thuis

Rino en Anneke Zonneveld woonden in 1955 in de Poelven in Bakkum en hadden in Limmen een heel lieve oom Gerard. Die oom, in bezit van een heuse motor, zou ons vast thuisbrengen als we lopend naar de Rijksstraatweg in Limmen zouden gaan. Dus na het middageten verlieten Anneke van vier en Rino van vijf de bovenwoning in de Poelven. Hand in hand op weg naar de Eerste Groenelaan, dan de Kooiweg en daarna via de straatweg naar Limmen.
Toen begon het te onweren en te regenen. We schuilden onder de bak van een shovel die in de buurt van boerderij Mooij stond. Mijn zusje was bang en huilde tranen met tuiten. Ondertussen was heel Bakkum in rep en roer. Moeder ging in paniek zoeken op de fiets en buurvrouw Castricum reed op haar Solex heel Bakkum door. Er stond een trein stil. Mijn moeder moet een hartaanval nabij geweest zijn.
Ondertussen werden Rino en Anneke aangesproken door een vriendelijke meneer met een kruideniersfiets. Hoe heten jullie en waar wonen jullie? Hup, in de mand getild door kruidenier Wokke en thuis gebracht. Als het niet geregend zou hebben … We hebben het nooit meer geprobeerd! Alhoewel het destijds een prachtige manier was om je moeder heel blij te maken!

Rino Zonneveld


Henk Wokke met zijn vader en moeder.
Henk Wokke met zijn vader en moeder.

Dat Henk Wokke de kaas niet van zijn brood liet eten, blijkt uit de volgende gebeurtenis:
“Ik bezorgde een keer bij een vrouw die in de bomenbuurt woonde en alles liet opschrijven. Het betalen werd echter steeds uitgesteld en op een gegeven moment was ik dat spuugzat. Toen heb ik op tweede kerstdag mijn kruideniersjas aangetrokken en ben anderhalf uur voor haar deur op de stoep gaan zitten. Opeens bleek mevrouw bereid om af te rekenen en zodoende had ik toch m’n centen binnen!”

Voor het eerste deuntje waren de boodschappen bezorgd

Een kruidenier met de naam Stuifbergen kom je in diverse jaarboeken van de werkgroep tegen en ook in een van de fotoboeken van Henk Heideman. In de Dorpsstraat had bijvoorbeeld Bertus Stuifbergen in de jaren 1930 een winkel. (Bertus was geen familie van Nico Stuifbergen (1936), de vroeger bekende keeper van Vitesse ‘22 die ook uit een kruideniersfamilie komt.) Nico legt uit waarom de winkel zo vaak verkaste:
“Mijn opa Bertus (1873-1942) begon in 1907 een kruidenierszaak op de hoek Ruiterweg-Mient. Hij was getrouwd met Jansje van den Berg en het gezin kreeg vijftien kin-


Jaarboek 38, pagina 52

De winkel in 1969 met Henk achter de toonbank.
De winkel in 1969 met Henk achter de toonbank.

deren, waarvan er zeven de volwassen leeftijd bereikten, waaronder mijn vader Simon (1901-1972). In de oorlog moesten wij daar weg, omdat het pand gevorderd werd door de Duitsers om te worden gesloopt. Toen trokken we tijdelijk in de zaak van Vaalburg, maar al heel snel verhuisden we weer naar de Burgemeester Mooijstraat 10b. Daar hebben we tot 1949 een winkel gehad en gewoond. Mijn vader had de zaak inmiddels van zijn vader overgenomen en had in verband met de wederopbouw een stuk grond op de hoek Verlegde Overtoom- Jan Hobergstraat gekocht om daarop een winkel met woonhuis te laten zetten. Dat werd dus de volgende stek van ons gezin. Het telde acht kinderen, waarvan er verschillende in de winkel hebben geholpen. Met mijn zus Thea heb ik echter het meest samengewerkt.

Nico en Thea Stuifbergen.
Nico en Thea Stuifbergen.

In 1964 nam ik de zaak weer van mijn vader over, nadat de winkel in 1962 een zelfbediening was geworden van keten De Kroon. Ik trouwde in 1964 met Anneke Kaandorp. Zij stond in de winkel en verder hadden we personeel in dienst. Onze drie kinderen hebben zich nooit met de zaak bemoeid. Het was flink aanpoten, maar ik kon er ook goed van bestaan. De vakantie duurde niet langer dan een week en dan ging de winkel dicht. Er is wel even een vakantieregeling geweest, maar dat was hooguit voor twee jaar. Omdat de concurrentie met de supermarkten te groot werd, ben ik in 1974 met het kruideniersvak gestopt.

Thea in 1964.
Thea in 1964.

Jaarboek 38, pagina 53

Toen heb ik gesolliciteerd naar de functie van conciërge bij het Bonhoeffercollege en werd direct aangenomen. Ik heb daar nog 23 jaar met plezier gewerkt en ging op 61-jarige leeftijd in 1997 met pensioen.”

Heropening van de winkel van Stuifbergen in 1962.
Heropening van de winkel van Stuifbergen in 1962. V.l.n.r: vader Simon, moeder Eef en hun kinderen Coba, Nico, Hannie en Thea.

Uiteraard werd er bij kruidenier Stuifbergen ook gewerkt met opschrijfboekjes en bezorgde men aan huis. Ook werden er na verloop van tijd andere artikelen dan alleen kruidenierswaren verkocht:
“Nadat we een zelfbediening waren geworden, kon je bij ons ook vleeswaren, brood, melk, groenten en fruit krijgen. We kochten onze waren in via De Kroon en de grossier heette Klaver. Die zat eerst in Spanbroek en later in Alkmaar.”

Nico besluit: “Kruidenier zijn was een mooi vak, maar ook een hard bestaan. Vooral ’s winters, als er sneeuw lag, viel het absoluut niet mee, want dan moest ik met mijn transportfiets helemaal tot Noord-Bakkum lopen. Een keer per jaar zorgde ik ervoor dat daar de boodschappen heel vroeg waren bezorgd. Dat was met het eerste deuntje van de Bakkummer kermis, zodat ik bij Borst kon blijven hangen…”

De winkel van Twisk aan de Van Oldenbarneveldweg 6.
De winkel van Twisk aan de Van Oldenbarneveldweg 6.

De klant is koning

Floor Twisk (1895-1953) begon in 1921 een kruidenierswinkel in het pand Van Oldenbarneveldweg 12, dat de naam ‘De kleine Bazar’ droeg. Met zijn echtgenote Jansje Scheerman vestigde hij na enige jaren op nummer 6 van dezelfde straat een nieuwe kruidenierszaak. Hun kleinkinderen Joke Kos – Twisk (1950) en Tineke Moll – Twisk (1954) werden daar geboren en werkten beiden in de zaak, die door hun vader Ber (1924-2003) rond zijn huwelijk in 1950 met Riet Lute werd overgenomen.
Joke: “Ik was 16 toen ik in de winkel ging werken en bleef dat doen tot mijn huwelijk. Vanaf mijn 14e heb ik twee jaar het gezin verzorgd, omdat mijn moeder ziek werd. Ook mijn broer Bert (1952) en zus Tineke (1954) hebben zowel in de schoolvakanties als enige tijd daarna in de zaak gestaan.”
Tineke vult aan: “Ik was ook 16 toen vader mij vroeg hem een jaar te helpen en daarna mocht ik uitkijken naar een andere baan. Behalve de winkelverkoop werden we natuurlijk ook ingeschakeld voor het gebruikelijke ‘boekjes vragen’ en het bezorgen van de boodschappen. Als Bert erg lang weg bleef, moesten wij hem gaan zoeken en het was dan vaste prik dat hij ergens stond met een paar mooie meiden in zijn bakfiets …”

Ber Twisk op zijn bakfiets.
Ber Twisk op zijn bakfiets.

Jaarboek 38, pagina 54

Het gezin Twisk voor de winkel begin jaren 1950.
Het gezin Twisk voor de winkel begin jaren 1950. V.l.n.r. Joke, Tineke, Alice, Bert, vader Ber en moeder Riet.

Joke kan zich nog goed herinneren dat vader Ber zich vaak druk maakte over de concurrentie:
“Er waren heel veel kruideniers in Bakkum en als de tijd bij ons wat slapper was, maakte hij een rondje langs de concurrenten om te kijken hoe druk zij het hadden. Vader hoefde echter niet te klagen, want we hebben het nooit arm gehad. Het was wel zo dat hij elk jaar voor de zomer dacht dat hij failliet ging, maar na de zomer was het weer helemaal goed door de extra inkomsten van badgasten en mensen van kampeerterrein Bakkum. Tot 1950 heeft vader daar ook een winkeltje gehad, maar daarna viel hij bij inschrijvingen buiten de boot.
Voor advertenties in de krant had vader weinig geld over. Daar staat tegenover dat hij heel mooi kon schrijven en zijn eigen reclameposters voor de etalage maakte. Vanaf het begin viel de winkel onder de Spar-keten en de laatste twee jaar onder ‘4=6’, totdat de zaak in 1971 werd gesloten vanwege de opkomst van de supermarkten.”

Tineke vertelt vervolgens dat de winkel zich niet strikt hield aan de openingstijden:
 “We lieten de mensen ’s avonds of op zondag ook binnen als ze wat nodig hadden. Het motto van mijn vader was nu eenmaal dat de klant koning was en daarom moesten we alles doen om deze tevreden te stellen. Joke en ik werden bijvoorbeeld verplicht om een rok en nette schoenen te dragen. Je kunt dus wel nagaan dat het moeilijk was om met een rok aan discreet een krat met flessen van de grond op te tillen … Onze haren mochten niet los en hij wilde liever niet dat we met elkaar praatten als er klanten in de winkel waren.”

Heropening van de winkel op 26 november 1952.
Heropening van de winkel op 26 november 1952.V.l.n.r. moeder Riet, vader Ber, Alie Lute (zus van moeder), oma Jansje, opa Floor en Ko Twisk (broer van vader).

Tot slot komen er nog wat bijzondere ervaringen naar boven.
Joke: “Tot onze klanten behoorde een mevrouw die een hekel had aan vuilnis. Als zij bijvoorbeeld een blikje vis kocht, moesten wij het in de winkel open maken en zij nam de inhoud dan mee in een pannetje of een zakje, zodat wij het blikje mochten weggooien!”
Tineke: “Ik ben er een keer getuige van geweest dat een jongen uit mijn klas een pakje sigaretten uit onze winkel pikte. Toen werd ik zo kwaad dat ik achter hem aan ben gegaan. Tevergeefs echter, want ik kreeg ‘m niet te pakken. Vlak daarop ging hij verhuizen, dus ik heb het verder maar laten zitten.”

Jan Stolk kwam in 1898 uit Amstelveen naar Castricum en begon een zaak in de Dorpsstraat. De zaak werd in 1917 verbouwd en de nieuwe winkel was een feit.
Jan Stolk kwam in 1898 uit Amstelveen naar Castricum en begon een zaak in de Dorpsstraat. De zaak werd in 1917 verbouwd en ‘de nieuwe winkel was een feit.

Vivo deelt de lakens uit

De familie Stolk heeft een groot aandeel gehad in de geschiedenis van de kruideniers in zowel Castricum als Bakkum. Jan Stolk (1853-1921) opende in 1897 een zaak aan de Dorpsstraat 39 en verbouwde die in 1917 tot ‘De Nieuwe Winkel’ (zie 28e Jaarboek, pag. 45).

Verpakkingsmateriaal van De Nieuwe Winkel van Jan Stolk.
Verpakkingsmateriaal van De Nieuwe Winkel van Jan Stolk.

Zijn zoon Hannes (1881-1950) begon een noodwinkel aan de Stationsweg 19 en bouwde daar later een woonhuis met winkel. Een van zijn zoons was Quirinus (1908-1995) die de roepnaam Krijn had en daar in 1995 over vertelde:
“Mijn vader kocht een stuk grond dat van de Stationsweg doorliep tot aan de Geelvinckstraat, die er toen nog niet was. Die grond kostte een gulden de meter en was te duur om er allemaal tuin van te maken. Zodoende heeft hij verschillende stukken allemaal weer verkocht, zoals aan groenteboer Jan Stengs.”

Hannes Stolk voor zijn winkel aan de Stationsweg.
Hannes Stolk voor zijn winkel aan de Stationsweg.

Krijn werd ook kruidenier en startte rond 1931 een winkel aan de Bakkummerstraat 62. Zijn broer Cor (1910-1980) nam de zaak van vader Hannes aan de Stationsweg over. Beide kruideniers sloten zich aan bij de VIVO (Vrijwillige Inkoop- en Verkoop Organisatie) die in 1942 werd opgericht en jaren bekend stond om de slogan ‘Vivo deelt de lakens uit’.

Viering van het 50-jarig jubileum van kruidenier Stolk.
Viering van het 50-jarig jubileum van kruidenier Stolk. V.l.n.r. Marie, echtgenoot Krijn, vader Hannes, Cor en echtgenote Alida.

Wij spraken eerst met de kinderen Trudi (1945) en Hans (1948) van Cor.
Trudi: “Onze winkel aan de Stationsweg had niet veel aanloop, omdat die niet echt centraal gelegen was. Het betekende ook dat er een grote bezorgwijk was. De inrichting was eenvoudig en veel was los verkrijgbaar. Koffiebonen konden worden gemalen en we verkochten een beperkte hoeveelheid gesneden


Jaarboek 38, pagina 55

vleeswaren. De  Verkadekoekjes stonden in blikken op een toonbank en de snoep lag los in verschillende laatjes. Na het afwegen werden de producten in zakjes verpakt.”
Hans vult haar aan: “Die zakjes moesten op een speciale manier worden gevouwen en dichtgemaakt. Ook vulde ik zelf meegebrachte potjes met stroop en hielp mee met het sjouwen van balen suiker of het sorteren van flessen waar statiegeld op zat.”

De VIVO-winkel aan de Stationsweg met achter Trudi en Hans Stolk.
De VIVO-winkel aan de Stationsweg met achter Trudi en Hans Stolk.

Uiteraard hebben de kinderen het bezorgen van dichtbij meegemaakt.
Trudi: “Met de bakfiets werden de boodschappenboekjes tot ver in Heemskerk en bij de bewoners in het duin (onder andere boswachters) opgehaald. Halverwege de jaren 1950 werd de bakfiets vervangen door een bestelautootje, een Fiat 500, die een paar jaar later werd opgevolgd door een grotere auto. Daar gingen we ook mee op vakantie naar Drenthe en Texel.”
Hans: “Ik ben vaak met mijn vader mee geweest om te bezorgen. Wat mij toen verbaasde was dat hij aan de inhoud van een doos kon zien voor welke klant deze was. Ik vergeet ook nooit dat ik mijn vader voorstelde om te helpen bij het optellen van de bedragen in de boekjes. Hij zei toen dat ik het eerst maar snel moest leren door de nummers in het telefoonboek bij elkaar op te gaan tellen …”

Ook uit dit gesprek blijkt dat het kruideniersvak geen eenvoudig bestaan was.
Trudi: “De winkel was open tot en met zaterdagavond zes uur. Vervolgens moest er worden schoongemaakt en soms kwam nog iemand achterom. Op zondagochtend werd de balans opgemaakt door het geld te tellen. Alleen de zondagmiddag was vrij en dan gingen we vaak het duin in. Moeder Alida stond ook regelmatig in de winkel en daarnaast hebben we twee winkelmeisjes gehad. Nee, het was geen vetpot. Mijn ouders vonden het ook zeer onredelijk dat ze geen kinderbijslag kregen, omdat ze middenstanders waren!”

Cor Stolk stopte al op 49-jarige leeftijd met zijn winkel, zoals Hans toelicht:
“In de eerste plaats dacht hij niet op te kunnen tegen supermarkten als De Gruyter en Simon de Wit. Ook was er geen opvolger en het leek hem lucratief om een imkerij te beginnen. Daarom liet hij een huisje bouwen aan de Doodweg.
De bijenteelt werd echter, vooral door de strenge winter van 1963, een grote teleurstelling. Hij bleef nog wel bezorgen voor zijn broer Krijn die de zaak aan de Stationsweg overnam en vader werkte ook nog enige tijd achter het loket van camping Geversduin.”

Jonkheer Frederik Albert Govert (Frits) Gevers.
Jonkheer Frederik Albert Govert (Frits) Gevers.

De kinderen van Cor konden zich beiden ook nog wel wat grappige voorvallen herinneren.
Trudi:“Tijdens de oorlog kwamen er ook Duitsers in de winkel. Mijn moeder was in de hongerwinter zwanger van mij en mijn vader kende iemand die een kinderwagen had. Die kon hij krijgen in ruil voor een zak aardappels. Toen een Duitse militair weer eens wat kwam kopen en vroeg om een pot vruchten op sap, zei Cor dat hij die kreeg als hij daarvoor een zak aardappels leverde. Dat gebeurde en zodoende kreeg ik mijn kinderwagen …”
Hans: “Een fameuze klant van ons was jonkheer Gevers. Hij kocht nooit veel, want de man was ontzettend zuinig. Altijd fietste hij van en naar zijn jachthuis bij Kijk-Uit en als hij voor


Jaarboek 38, pagina 56

de spoorbomen moest wachten, kon je hem in de winkel horen vloeken. In de (negentien)vijftiger jaren kwam er ook elke zaterdagmiddag een patiënt van Duin en Bosch langs. Zijn naam was Nelis en hij kreeg voor 50 cent of een gulden de gebroken en onverkoopbare koekjes, waar hij erg blij mee was!”

Hans Stolk tijdens de heropening van de winkel in 1966.
Hans Stolk (links) tijdens de heropening van de winkel in 1966.

Ook een zoon van Krijn, Hans Stolk (1934), heeft zijn herinneringen aan de zaken in Bakkum en Castricum:
“Ik begon na het volgen van de ULO in de winkel van mijn vader aan de Bakkummerstraat. Eerst als winkelbediende en daarna ging ik bezorgen. Mijn broer Piet (1942) werkte na zijn schooltijd bij Radio Holland, maar viel steeds in slaap in de trein en werd pas in Alkmaar wakker. Daarom koos hij op 22-jarige leeftijd ook maar voor het kruideniersvak. Destijds had Bakkum maar liefst vijf kruideniers, dus ik snap nog steeds niet dat we toen allemaal te eten hadden. Vooral in de oorlog was het een zware tijd. Tijdens de evacuatie verhuisden wij naar Akersloot, terwijl mijn vader en zijn broer Cor kruidenierden in de latere meubelzaak van Schotten naast het oude raadhuis. Mijn vader ging in de zomer van 1966 over op zelfbediening en werd daarmee de eerste supermarkt in Bakkum. De woonruimte aan de achterkant van de winkel werd toen bij de zaak getrokken. Daarom ging ik boven wonen met mijn gezin, nadat ik daarvoor een paar jaar boven de zaak van oom Cor aan de Stationsweg was gehuisvest. Om het nog ingewikkelder te maken: mijn vader nam in 1960 de winkel van Cor over en ik ging daar ook werken. Na een paar jaar verkaste ik weer naar de Bakkummerstraat en werd de winkel aan de Stationsweg gesloten en verkocht.

Krijn begon een zaak op de hoek van de Bakkummerstraat-Tetburgstraat.
Krijn begon een zaak op de hoek van de Bakkummerstraat-Tetburgstraat.

Mijn moeder Marie hielp ook jaren in de winkel, evenals mijn vrouw en de vrouw van Piet. In 1972 namen Piet en ik de zaak van onze vader over en stapten in de jaren 1980 over van Vivo naar SKO-gezinsmarkten. Vervolgens huurden we in 1985 de supermarkt van Aad Tervoort aan de Bakkummerstraat 101 en zijn daar verder gegaan als A-markt. We dachten daarmee een dubbele omzet te halen, omdat het pand veel groter was en we er ook vanuit gingen dat we de klanten van Tervoort zouden overnemen. Dat viel echter behoorlijk tegen, onder andere doordat we minder goed bereikbaar waren vanwege de slechte parkeervoorzieningen voor de deur.

De broers Hans en Piet Stolk vlak voordat zij stopten in 1998.
De broers Hans en Piet Stolk vlak voordat zij stopten in 1998.

Tegelijk met het 100-jarig bestaan van kruidenier Stolk zijn we in 1998 gestopt en hebben de zaak over gedaan aan Kamal Dinck en Batin Cincil. Ik werd namelijk dat jaar 65 en Piet voelde er niets voor om alleen door te gaan, ook omdat we binnen de familie geen opvolgers hadden.
Met Piet heb ik ruim 35 jaar heel prettig samengewerkt en er is nooit een onvertogen woord gevallen.
We hebben natuurlijk ook het nodige meegemaakt. Zo hadden we een klant die steevast op zondag achterom kwam en die we door zijn klompen hoorden aankomen. Hij moest


Jaarboek 38, pagina 57

altijd closetpapier en boterhamzakjes hebben.
Er is ook een keer ’s nachts ingebroken. Piet ontdekte dat, omdat hij altijd als eerste om 6.30 uur aankwam. Hij zag toen dat de ruit uit de voordeur er netjes uitgesneden was en dat die twee huizen verderop was neergezet. De groentekisten hadden ze buiten gezet, maar niet meegenomen. Er waren wel sigaretten en waspoeder verdwenen, omdat die meer waarde hadden.”

ontdekte dat, omdat hij altijd als eerste om 6.30 uur aankwam. Hij zag toen dat de ruit uit de voordeur er netjes uitgesneden was en dat die twee huizen verderop was neergezet. De groentekisten hadden ze buiten gezet, maar niet meegenomen. Er waren wel sigaretten en waspoeder verdwenen, omdat die meer waarde hadden.”

Kruidenier Brakenhoff was gevestigd op de hoek Ruiterweg-Hoogevoort.
Kruidenier Brakenhoff was gevestigd op de hoek Ruiterweg-Hoogevoort.

In strenge winters werd met de slee bezorgd

De laatste kruideniersfamilie die wij behandelen, is de familie Brakenhoff, bekend van het winkeltje op de hoek van de Ruiterweg en de Hoogevoort. De weduwe Jo Oomes – Theissling (1886-1936) liet het pand in 1926 door aannemer Jan Tromp bouwen. Zij had vier kinderen, waarvan de oudste dochter Vera (1913-1979) haar moeder bijstond in de kruidenierswinkel.
Na het overlijden van Jo zette Vera de zaak alleen voort. In 1937 trouwde zij met Rinus Brakenhoff (1909-1966), die ook kruidenier werd naast zijn beroep als tuinder. Het echtpaar kreeg negen kinderen. In De Duynkant ontmoetten wij Joke (1939), Ton (1942), Rinus (1947) en Jan (1951). Laatstgenoemde woont nog steeds in het hoekpand.

Kroonzegels van een halve cent ...
Kroonzegels van een halve cent …

Ton: “De winkel heeft tot 1971 bestaan en werd toen gesaneerd. Er moest op laatst geld bij. Moeder was toen 58, maar moest evengoed nog solliciteren. Wij vielen onder de Kroon-organisatie, waarvan ik nog zegeltjes ter waarde van een halve cent heb bewaard. Als vader de boodschappen rondbracht, stoven de kinderen op hem af, want hij had altijd van die hartjes-snoepjes bij zich. En als hij die een keer vergeten had, ging hij terug om ze te halen.”
Alle zoons kregen in hun jeugd een taak in de winkel, maar kozen voor een ander beroep. Rinus werkte nog van 1965 tot 1968 in de zaak:
“Er kwamen veel vertegenwoordigers aan de deur, want we verkochten ook sigaren en sigaretten, drogisterij-artikelen, textiel, klompen en bijvoorbeeld


Jaarboek 38, pagina 58

kippenvoer. Onze service ging zover dat we in strenge winters lopend met een slee de boodschappen bezorgden!”

De familie Brakenhoff tijdens de heropening in 1957.
De familie Brakenhoff tijdens de heropening in 1957. V.l.n.r. vader Rinus, Ton, Joke, Wim, moeder Vera, Nico en Rinus jr.

Joke hielp als eerste in de winkel: “In 1966 ben ik daarmee gestopt, omdat ik ging trouwen. Onze zus Nellie (1949) nam het toen van mij over. We hebben een ontzettend fijne jeugd gehad, maar het was beslist geen rijk bestaan. Ondanks het grote gezin was er boven de winkel ruimte genoeg om iedereen een slaapplaats te geven.”
Jan vertelt tot slot hoe vader Brakenhoff voor het eerst op vakantie ging:
“In 1951 won hij een 10-daagse reis naar Rome voor één persoon die door de Castricumse middenstandsvereniging beschikbaar was gesteld. Dat weigerde hij in eerste instantie, omdat zijn vrouw hoogzwanger was en hij ook niet wist hoe het dan met de winkel moest. Moeder heeft hem toen omgepraat, zodat hij toch ging en de paus heeft gezien. Twee zwagers hebben zich toen ontfermd over de winkel en de hulp in de huishouding bleef in die periode dag en nacht.”

Met dit artikel eindigt de beschrijving van de middenstanders die ons dorp vele jaren van de eerste levensbehoeften hebben voorzien. Dat betekent niet dat andere winkels minder interessant zijn geweest. Het ligt in de bedoeling om sommige daarvan in toekomstige jaarboeken te belichten.

Hans Boot
Arend Bron

Bronnen:

  • Edities Alkmaarsche Courant en Nieuwsblad voor Castricum.
  • Heideman H., De oude generatie van Bakkum en Castricum, Deel 2 (1900-1950).

Met dank aan:
Jan Brakenhoff, Rinus Brakenhoff, Ton Brakenhoff, Joke Kos – Twisk, Tineke Moll – Twisk, Hans Stolk (1934), Hans Stolk (1948), Trudi Stolk, Nico Stuifbergen, Joke Tromp – Brakenhoff, Martin Vaalburg en Henk Wokke.

Groenteboeren (Jaarboek 37 2014 pg 49-58)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architect – bakkers – bioscoop – bouwbedrijf – café / hotel – cafés en kasteleins in Bakkum –  drukkers – expeditie – gasfabriek – groenteboeren – groenteveiling – kruideniers – melkboeren – melkfabriek – molenaar – restaurant – schelpenvissers – schilder – schildersbedrijf – slagers – smid – smederij – stoomwasserij – strandvonder – veldwachters – vrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 37, pagina 49

De groenteboeren in ons dorp

In de reeks over de middenstanders besteden wij deze keer aandacht aan de groenteboeren die ons dorp in ongeveer 100 jaar heeft gekend. Uit een inventarisatie bleek dat er van deze groep veel minder winkels konden worden geteld dan de eerder beschreven bakkers, melkboeren en slagers. Daar zal zeker het tuindersverleden van onze gemeente debet aan zijn geweest. Toch leverde een onderzoek voldoende ‘arbeidsvitaminen’ op.

De groenteboeren die zich hier in de vorige of deze eeuw hebben gevestigd en de straten waarin zij hun zaak hadden of hebben:

Beentjes, Bertus en Kees: Torenstraat
Beentjes, Cor, Gerard, Ber en Kees: Van Egmondstraat, Anna Paulownastraat en Geesterduin
Beentjes, Gerrit: Dorpsstraat
Boer, Jaap de: Torenstraat
Buter, Bertus en Jan: Bakkummerstraat
Dijk, Ben van: Torenstraat
Hogestijn, Ab en Gerrit: Dorpsstraat en Stetweg
Meijnckens, Wesley: Burgemeester Mooijstraat
Nanne, Cor, Willem jr. en Piet: Nuhout van der Veenstraat en Torenstraat
Nanne, Willem sr. en Sijp: Vinkebaan en Bakkummerstraat
Scheerman, Nic: Dorpsstraat
Stengs, Jan, Jaap en Henk: Burgemeester Mooijstraat en Dorpsstraat
Verkooij, Cornelis: Bakkummerstraat
Zonneveld, Hein en Piet: Bakkummerstraat en Mient

Foto uit 1938 bij de winkel van groenteboer Hein Zonneveld (rechts) aan de Mient.
Foto uit 1938 bij de winkel van groenteboer Hein Zonneveld (rechts) aan de Mient. Verder v.l.n.r. de zoon van Hein, twee onbe- kenden, Wub Liefting, Piet Kuiper en Co Bakker.

Jaarboek 37, pagina 50

Bertus Beentjes met handkar voor De Rustende Jager in de Dorpsstraat in 1938.
Bertus Beentjes met handkar voor De Rustende Jager in de Dorpsstraat in 1938.

Voor nieuwe klanten liep ik gewoon achter de verhuiswagens aan …

Groenteboer Bertus Beentjes (1923) is een zoon van tuinder Jan Beentjes, die de bijnaam ‘oliebol’ had en aan de Beverwijkerstraatweg woonde in huisje ‘Zelden Rust’.

Broer Gerrit wordt niet in het verhaal genoemd. Deze Gerrit heeft ongeveer 25 jaar voor de zaak gevent. Dat geldt ook voor broer Kees, waarvan Bertus vertelde dat hij alleen de winkel aan de Torenstraat runde (volgens rectificatie in jaarboek 38 pg. 124).

Bertus is de 91 al gepasseerd (in 2014) en woont in Sans Souci. Hij heeft zo’n 57 jaar in de groentehandel gezeten en weet daar nog veel over te vertellen:
“Met 8 jaar ben ik er al mee begonnen. Mijn vader had een tuindersbedrijf met een kas, waarin hij druiven teelde. Hij kreeg maar 11 cent voor een kilo. Je lijkt wel gek, zei ik tegen hem, dat is toch veel te weinig? Bij ‘Kees de Koster’ in de Dorpsstraat kocht ik een opschrijfboekje en uit school maakte ik een rondje door het dorp. Ik belde gewoon bij de mensen aan om de druiven te verkopen en verkocht ze voor 35 cent de kilo! Op mijn 13e had ik al een eigen klantenkring. Toen was ik al van school af, want de achtste klas heb ik niet meer doorlopen.

Ik begon meteen met venten en deed dat alleen. Mijn vader ging namelijk één keer met me mee, maar zei toen: jij redt het wel. Eerst ging ik met de kruiwagen en later met de handkar op pad. Groente en fruit kocht ik zelf en meestal op de veiling op het Meerplein in Beverwijk, want daar had je meer keus dan bij de veiling ‘Ons Belang’ in de Dorpsstraat. Daar kwam ik ook wel, omdat die later begon. De waren uit Beverwijk lieten we bezorgen door vrachtrijder Piet Kuiper van de Mient.
Aan het eind van de dag kregen vader en moeder het geld wat ik verdiend had. Ze bewaarden dat in een portefeuille onder hun bed. Mijn vader betaalde er de grossiers van en als ik wat nodig had, moest ik bij mijn moeder aankloppen. Tot mijn trouwen in 1951 heb ik het zo gedaan. Mijn vrouw en ik kregen toen een bovenwoning toegewezen in de Geelvinckstraat. Na een jaar verhuisden we naar Brakenburgstraat 6, dat ik voor 8.000 gulden kon kopen.
In 1956 werden door aannemer Res nieuwe winkels gebouwd in de Torenstraat. Samen met mijn broer Kees kocht ik voor 30.000 gulden nummer 40. Kees ging op de bovenverdieping wonen. Wij zijn toen een compagnonschap begonnen voor de groentezaak. Ik bleef gewoon venten en Kees runde samen met zijn vrouw de winkel. Mijn klanten waren verspreid over het hele dorp en om nieuwe klanten te werven, liep ik gewoon achter de verhuiswagens aan van de forensen die in Castricum kwamen wonen.
Ook toen we de winkel hadden, ging ik ’s morgens rond 5.30 uur de grossiers langs op het

Bertus Beentjes rekent af met Leny de Graaf op de Oude Haarlemmerweg.
Bertus Beentjes rekent af met Leny de Graaf op de Oude Haarlemmerweg.

Jaarboek 37, pagina 51

veilingterrein om te kijken wat ik van ze kon kopen. Dat ging met handjeklap. Op de veiling kocht ik zelf ook van de tuinders via de klok.

Advertentie vakantieregeling in 1948.
Advertentie vakantieregeling in 1948.

Met de andere groenteboeren hadden we niet veel overleg. Soms maakten we afspraken om bijvoorbeeld de vakantieweken in te delen en dan namen we tijdelijk de wijk van een collega over. Tegelijkertijd probeerde je die klanten over te nemen …
In de jaren 1960 hebben we wel wat last gehad van de concurrentie met supermarkt Glorie. Maar we hielden ons hoofd wel boven water, omdat we goede waar verkochten, scherp geprijsd en alle dagen vers.
Natuurlijk ging niet alles van een leien dakje en hadden we ook wel lastige klanten. Zo deed een mevrouw eens heel erg moeilijk toen ze vijf kilo aardappels kwam halen en ik in de winkel stond. Op een gegeven moment werd ik zo kwaad dat ik de pan van de weegschaal met piepers en al door de winkel smeet. Daarna heb ik wel mijn excuses aangeboden.
Al onze zes (volgens rectificatie jaarboek 38 pg 124) kinderen hebben meegeholpen in de winkel en met bezorgen, maar geen van de vijf zoons had belangstelling om in de zaak te gaan. Dat gold ook voor de vijf zoons van Kees. Toen ik 65 werd ben ik gestopt. Kees ging nog een half jaar door, waarna we de zaak verkocht hebben aan Jaap de Boer.
Als ik terugkijk kan ik zeggen dat we heel hard hebben moeten ploeteren, maar ook dat het een prachtleven was. Ik ben blij dat ik dat werk gedaan heb en mag ook niet mopperen over wat ik verdiend heb …”

Cor Beentjes rond 1948 met zijn zoon Ber op de motorkap en zoon Kees.
Cor Beentjes rond 1948 met zijn zoon Ber op de motorkap en zoon Kees.

Ik moest voor schooltijd uien schoonmaken

Castricum kent al 88 jaar nog een groentezaak die de naam Beentjes draagt. Het is echter geen familie van Bertus en Kees.
Gerrit Beentjes (1886-1959), die aan de Kramersweg een tuindersbedrijf had, begon in 1926 een groentewinkel in het pand Dorpsstraat 91. In de jaren 1940 droeg hij de zaak over aan zijn vier zoons, waarvan Cor (1915-1974) in 1942 een filiaal opende aan de Van Egmondstraat 1. De familie was toen ook al actief in de aardappelhandel. In 1968 trok Cor zich terug uit de zaak en ging met zijn echtgenote Gré Zonneveld weer aan de Dorpsstraat wonen. Hij droeg de winkel over aan zijn zoons Gerard (1942), Ber (1943-2003) en Kees (1946). Zij richtten in 1969 de firma ‘Beentjes Groentebroers’ op, die spoedig in Castricum en omgeving van zich deed spreken door diverse nieuwe vestigingen. Met Gerard blikken we terug:
“Ik kan mij van opa Gerrit alleen maar herinneren dat hij krom liep door de reuma. De drie broers van mijn vader, Pé, Henk en Co, hadden voor hun aardappelhandel eerst een opslag aan de Dorpsstraat 39a. Later kregen ze een pand aan de Ruiterweg 36a, waarin nu De Graaf Elektrotechniek is gevestigd.

Advertentie bij de opening van de zaak aan de Van Egmondstraat 1 in 1942.
Advertentie bij de opening van de zaak aan de Van Egmondstraat 1 in 1942.

Zoals in de meeste middenstandsgezinnen moesten alle kinderen meehelpen in de zaak. We kregen daarvoor vaste taken toegewezen. Mijn broer Ber maakte de wortelen schoon, Kees de boerenkool en ik de uien. Dat deed ik voor schooltijd en ondanks dat ik mijn handen daarna waste met speciale zeep, rook degene die op school naast me zat het nog best. Ik ging ook met Ber venten of hielp mijn moeder achter de toonbank. Natuurlijk bezochten we ook de veilingen in de omgeving. Toen die in Alkmaar en Beverwijk werden gesloten, trokken mijn vader en ik de noord in of reisden naar Utrecht, Breda en Barendrecht. We leverden namelijk ook aan grootgebruikers. Later kwamen daar de horecabedrijven nog bij. Over ’t algemeen kochten we via de veilingen in, alleen de aardappelen werden soms rechtstreeks van de boeren afgenomen.

Gerard (links) en Ber Beentjes (rechts) venten met paard en wagen.
Gerard (links) en Ber Beentjes (rechts) venten met paard en wagen. Op de bok Jantje van Kessel en José de Groot. Daarnaast moeder De Groot.

De firma ‘Beentjes Groentebroers’ is niet stil blijven zitten. We hebben verschillende filialen in de regio geopend. Eerst was dat in 1969 een winkel aan de Anna Paulownastraat en in 1974 vestigden wij ons ook in Geesterduin. Dat was ook het jaar waarin broer Kees als laatste met venten stopte en onze vader overleed. Ik werd toen voor de leeuwen gegooid, want ik stond er alleen voor wat de inkoop betreft. Vervolgens kwamen er respectievelijk in 1978 en 1984 nog winkels bij in winkelcentrum ’t Loo in Heiloo en De Mare in Alkmaar. Momenteel bestaan alleen Geesterduin en ’t Loo nog. Mijn zus Anneke (1948) werkt nog twee ochtenden in de week in de winkel in Geesterduin.


Jaarboek 37, pagina 52

Links de winkel van Beentjes aan de Van Egmondstraat.
Links de winkel van Beentjes aan de Van Egmondstraat.

In 1998 is mijn zoon Remco (1969) in de zaak getreden en (hij) runt het pakhuis aan de Castricummerwerf dat in 1994 werd betrokken na het afstoten van het pand aan de Ruiterweg. Op de werf snijden we groenten, bereiden we kant-en-klaarmaaltijden en verzorgen we bestellingen voor de horeca. Mijn jongste zoon Marco (1970) staat in de winkel in Heiloo.

Opening van het pakhuis aan de Castricummerwerf in 1994.
Opening van het pakhuis aan de Castricummerwerf in 1994. V.l.n.r. Gré en haar zoons Kees, Gerard en Ber Beentjes.

In 2006 zijn we als groentebroers gestopt. Kees is nog wel een jaar of vier doorgegaan en hij reed ook nog wel bestellingen. Dat heb je nu eenmaal met een familiebedrijf, je komt er nooit helemaal los van. Zelf spring ik ook nog wel eens bij als het nodig is. Kees zie je echter voorlopig niet meer, want we hebben hem vijf maanden naar Thailand gestuurd …”

De huidige winkel van Beentjes in Geesterduin.
De huidige winkel van Beentjes in Geesterduin.

Jaarboek 37, pagina 53

De winkel van Willem Nanne op de Vinkebaan in de jaren 1930 met zijn dochters Annie en Corrie.
De winkel van Willem Nanne op de Vinkebaan in de jaren 1930 met zijn dochters Annie en Corrie.

Het ‘padje van Nanne’

Ook de Castricumse familie Nanne telt diverse leden die het vak van groenteboer beoefenden. Het begon allemaal bij Willem sr. (1880-1953) die rond 1900 een zaak begon aan de Vinkebaan 18 (zie het 16e Jaarboekje van de werkgroep). Wij spreken hierover met de kleinzoons Siem (1943) en Piet (1936), die beiden in latere vestigingen werkzaam waren. Siem:
“Opa Willem verkocht aan de Vinkebaan naast aardappelen, groenten en fruit ook tabak en sigaren, klompen en touwwerk. Dat is nog goed te zien op een foto uit de jaren 1930. Naast de zaak liep een pad naar de Duinenboschweg dat het ‘padje van Nanne’ werd genoemd. Nadat zijn pand op last van de Duitsers in 1943 werd afgebroken, verhuisde Willem naar de Breedeweg 8, maar bleef venten in Bakkum. Begin (negentien)vijftiger jaren vestigde hij zich in een nieuw pand aan de Bakkummerstraat 9 en startte daar op ruim 70-jarige leeftijd weer een winkel. Toen Willem in 1953 overleed, zette zijn zoon Sijp (1922-1998) met dochter Corrie de zaak voort. Ome Sijp ventte natuurlijk ook en had een wijk die voornamelijk rond Duin en Bosch lag.
Mijn vader Cor (1910-1998) zat ook in de groenten. Hij begon in 1934 vanuit een schuurtje achter zijn huis in de Schoolstraat. Vier jaar later opende hij een winkel aan de Nuhout van der Veenstraat 48. Moeder Geertje Druijven hielp in de winkel en vader ventte twee dagen per week in Castricum en Egmond aan Zee. Hij reed op een motorbakfiets Jansson en ging eerst drie keer per week naar de veiling in Castricum of Beverwijk. Vanaf 1957 ging ik bij mijn vader als knecht aan de gang en hield mij hoofdzakelijk bezig met venten en bezorgen. Tot 1967 heb ik in de zaak gewerkt en daarna nog driekwart jaar bij een Spar-vestiging in Wormerveer. Rond die tijd kreeg ik verkering en omdat ik een wat vastere baan wilde, werd ik in 1968 kok op Duin en Bosch.”

Willem Nanne in de winkel aan de Nuhout van der Veenstraat 48 in de jaren 1950.
Willem Nanne in de winkel aan de Nuhout van der Veenstraat 48 in de jaren 1950.

In 1963 werd de winkel aan de Nuhout van der Veenstraat vernieuwd en vergroot, waarbij het winkeloppervlak verdubbeld werd. Cor Nanne deed in dat jaar de zaak over aan zijn zoons Willem jr. (1935-2001) en Piet (1936).

De broers Willem, Siem en Piet Nanne.
De broers Willem, Siem en Piet Nanne.

Piet vertelt:
“We traden na de verbouwing toe tot de Sparwinkeliers en gingen dus ook levensmiddelen verkopen. Willem bestierde de winkel en ik zat altijd langs de weg om te ven-


Jaarboek 37, pagina 54

ten en te bezorgen. Dat deed ik al vanaf mijn twaalfde jaar toen ik van school kwam en met vader mee ging lopen. Ik heb later ook zijn wijk in Egmond aangehouden. Rond 1966 ben ik overgestapt naar De Spar in de Torenstraat, want ik wilde eigenlijk alleen verder in de handel. Dat lukte daar echter niet, omdat ik de benodigde omzet niet kon halen door de concurrentie met de supermarkten Glorie en Albert Heijn. Toen ben ik eind jaren 1960 bij De Spar in Zaandam gaan werken en ik heb verschillende vestigingen in de kop van Noord-Holland geholpen met de inrichting van de groente-afdelingen. Vanaf 1980 ben ik tot slot nog 17 jaar inkoper geweest van aardappelen, groenten en fruit bij de supermarkten van Nijman in Heemskerk. Mijn broer Willem sloot in 1982 zijn winkel aan de Nuhout van der Veenstraat.”

Piet Nanne met zijn groenten achter de winkel in de Nuhout van der Veenstraat.
Piet Nanne met zijn groenten achter de winkel in de Nuhout van der Veenstraat.

Veranderingen

Zoals in eerdere artikelen over de bakkers en de slagers is beschreven, geldt uiteraard ook voor de groenteboeren dat er vanaf de (negentien)zeventiger jaren van de vorige eeuw heel veel is veranderd. Ook dit is het gevolg van de concurrentiestrijd met de supermarkten. Het woord ‘boer’ is in vroegere tijd ontstaan toen de groenten werden aangeleverd door boeren die hun producten van het veld naar de stad vervoerden om ze daar te verkopen. Omdat men de aanduiding groenteboer op een gegeven moment wat minderwaardig vond klinken, werd deze middenstander ook wel groenteman genoemd. De bekende radiorubriek ‘De Groenteman’ uit de jaren 1960 en 1970 is hier een bewijs van. Het programma werd ‘s morgens voor negenen uitgezonden en opende met het liedje:

‘Tja tja tja …
Tja, wat zullen we eten?
Tja tja tja …
Tja, wie kan dat weten?
Wie is de man die


Jaarboek 37, pagina 55

mij dat zeggen kan?
… De Groenteman!’

Groenteboer Piet Zonneveld (Boon) uit Bakkum met achter hem de heer Kwadijk en de dames Kwadijk en De Zeeuw.
Groenteboer Piet Zonneveld (Boon) uit Bakkum met achter hem de heer Kwadijk en de dames Kwadijk en De Zeeuw.

Het kernassortiment van de traditionele groenteboer bestond uit de zogenaamde AGF-producten: aardappelen, groenten en fruit. Dat assortiment is in de twintigste eeuw aanzienlijk uitgebreid. Onder andere werden zelfgemaakte salades, soepen en stamppotten toegevoegd. Ook startte men in deze branche met biologische producten en het aanbieden van cateringdiensten aan het bedrijfsleven.

Een grote verandering is ook de afname van het aantal veilingen in de loop der jaren. Door de steeds minder wordende aanvoer van groenten gingen de tuinders eind jaren 1960 hun producten elders veilen, waardoor er geen bestaansrecht meer was voor de Castricumse veiling en de gebouwen in november 1970 werden verkocht. De geschiedenis van de plaatselijke veilingen wordt uitgebreid beschreven in het 19e Jaarboekje (1996) van de werkgroep.
Uit onderzoek door de organisatie voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) is gebleken dat het aantal groentewinkels in Nederland in tien jaar tijd (1994-2004) ongeveer de helft verminderde en dat er één groentewinkel op zo’n 10.000 consumenten kon bestaan. Dit komt ongeveer overeen met de huidige situatie in ons dorp.

De winkel van Stengs aan de Burgemeester Mooijstraat.
De winkel van Stengs in 1961 met v.l.n.r. de kinderen Gré, Lida en Jaap, vader Jan en moeder Guurtje.

Stengs was 73 jaar een begrip

Veel Castricummers zullen wel eens aardappelen, groenten of fruit hebben gekocht bij Stengs in de Burgemeester Mooijstraat 37.
Jan Stengs (1915-2000) opende daar in 1938 zijn winkel. Tot zijn 65e jaar heeft hij leiding gegeven aan zijn bedrijf en daarna namen zijn zoons Jaap (1944) en Henk (1949-2012) het over. Jaap:
“Het waren in het begin moeilijke jaren voor mijn vader door de crisis en de oorlog, maar dankzij een enorme wilskracht en keihard werken is het hem gelukt om van zijn groentewinkel een topzaak te maken. Hij verkocht alleen maar de beste kwaliteit groenten en fruit door zelf drie keer per week naar de veiling in Alkmaar en elke donderdag naar de grossiersmarkt in Beverwijk te gaan.

Advertentie in het Nieuwsblad voor Castricum uit 1967.
Advertentie in het Nieuwsblad voor Castricum uit 1967.

Daarnaast had mijn vader tot 1978 ook een winkeltje op het kampeerterrein Bakkum. Hij deed dat samen met groenteboer Nic Scheerman en ik hielp ook regelmatig mee. Dat was een gezellige tijd. Vader kocht het pand van Nic aan de Dorpsstraat 35 in 1964. Mijn zus Gré begon daar toen in de garage een groente- en fruithal als filiaal van de Burgemeester Mooijstraat, terwijl haar man Theo Besteman in de vroegere winkel een snackbar ging exploiteren.

De winkel van Stengs in 1961.
De winkel van Stengs in 1961 met v.l.n.r. de kinderen Gré, Lida en Jaap, vader Jan en moeder Guurtje.

Ik weet nog goed dat onze winkel in 1961 verbouwd werd. Daarvoor trok het hele gezin zes weken in bij opa Hein Stengs aan de Doodweg. De verkoop ging echter gewoon door in een schuur van slager Sneekes. Tot 1988 heb ik in de zaak gewerkt.

Jaap Stengs in 1975 met een lading aardappelen voor de loods aan de Geelvinckstraat.
Jaap Stengs in 1975 met een lading aardappelen voor de loods aan de Geelvinckstraat.

Daarna heb ik mij alleen bezig gehouden met de aardappelhandel. Tot 1976 gebeurde dat vanuit een loods in de Geelvinckstraat, maar omdat het laden en lossen steeds meer problemen gaf door toename van het parkeren, zijn we daar gestopt. Toen ben ik verder gegaan in een grote loods achter mijn woning aan Schoutenbosch 60. Ik kocht de aardappels doorgaans rechtstreeks bij de boeren, maar reisde ‘s zomers ook wel naar Tholen om ze daar te kopen via de veiling. In de loods verpakte ik ze in hoeveelheden van 2,5 of 5 kilo en distribueerde ze naar de groenteboeren. Mijn grootste afzetgebied was eerst Amsterdam, maar dat verplaatste zich later naar de Zaanstreek, Beverwijk,


Jaarboek 37, pagina 56

IJmuiden etc. en weer later richting Alkmaar en omgeving tot Den Helder aan toe. Eind 2003 ben ik uit de handel gestapt en nu gebruik ik de loods als caravanstalling.

Marion Swart en Henk Stengs runden 30 jaar de winkel aan de Burgemeester Mooijstraat.
Marion Swart en Henk Stengs runden 30 jaar de winkel aan de Burgemeester Mooijstraat.

Mijn broer Henk runde vanaf 1981 met zijn vrouw Marion Swart de winkel en heeft er ook veel aan gedaan om de kwaliteit te handhaven. Henk begon ’s morgens al om 5.00 uur met de inkoop van de verse groenten en fruit en verleende een uniek stukje service door het thuisbrengen van de bestellingen. Om mee te gaan met de tijd heeft de winkel in de loop der tijd de nodige aanpassingen ondergaan. Zo is door de komst van de rauwkostsalades en de kant-en-klaarmaaltijden de presentatie belangrijker geworden. Het schijnt dat mijn vader Jan de eerste groenteman van Nederland was die in de jaren (negentien)zestig begon met het snijden van panklare groenten. Hiermee heeft Henk in 2009 op een wedstrijd nog goud gewonnen. Eind 2011 hield hij na 45 jaar het werken voor gezien en omdat er binnen de familie geen opvolgers waren, werd de zaak verhuurd aan Wesley Meijnckens uit Haarlem. Daarmee kwam er een einde aan de dynastie van Stengs, die 73 jaar heeft bestaan. Helaas kon mijn broer niet lang van zijn vrije tijd genieten. Ik wil tot slot nog even vermelden dat mijn moeder Guurtje Beentjes vanaf het begin tot circa 1980 in de zaak heeft gewerkt. Daarom hadden we heel wat jaren hulp in de huishouding. Ook mijn zussen Greet en Lida stonden in de winkel, waarvan Lida de langste tijd.”

Nico Scheerman werd ter gelegenheid van zijn 40-jarig jubileum bij Stengs in november 1980 koninklijk onderscheiden door burgemeester Gmelich Meijling. Rechts echtgenote Annie Wouters.
Nico Scheerman werd ter gelegenheid van zijn 40-jarig jubileum bij Stengs in november 1980 koninklijk onderscheiden door burgemeester Gmelich Meijling. Rechts echtgenote Annie Wouters.

Nico Scheerman, 52 jaar knecht bij Stengs

De familie Stengs heeft het voorrecht gehad om maar liefst 52 jaar te kunnen beschikken over de zeer trouwe en capabele knecht Nico Scheerman (1928-2002). Hij was de zoon van een Castricumse groentekweker en werd op 12-jarige leeftijd door Jan Stengs aangenomen als loopjongen. Nico voelde zich al snel thuis in het gezin, dat verrijkt werd met zeven kinderen. In de tijd dat moeder Guurtje haar handen daaraan vol had, fungeerde Nico daarom soms ook als oppas. Als hij bestellingen weg bracht op de bakfiets, gingen de kinderen ook vaak mee.
Nico was op jonge leeftijd al geïnteresseerd in auto’s en reed al eens in de Chevrolet van zijn baas toen hij pas 15 was. Met trouwen was hij niet een van de eer-


Jaarboek 37, pagina 57

sten, want hij was 34 jaar toen hij met Annie Wouters uit Eindhoven in het huwelijksbootje stapte. Ze kregen twee zoons.
De ambitieuze knecht stond bekend als een vakman en werd befaamd om zijn geweldige creaties op het gebied van fruitmanden en mooie etalages.
Op 19 november 1980 kreeg Nico door de familie Stengs een receptie aangeboden ter gelegenheid van zijn 40-jarig jubileum. Hij piekerde er toen nog niet over om te stoppen en keek alleen maar uit naar de volgende tien jaar. Die heeft hij met gemak vol gemaakt en daarom mocht iedereen hem op 21 november 1990 feliciteren met zijn gouden jubileum. Daarna ging hij nog twee jaar door en mocht toen van zijn welverdiende pensioen gaan genieten. Voor vele klanten was het wel even wennen dat zij Nico Scheerman niet meer in de groentezaak konden begroeten. Het beeld was al die jaren zo vertrouwd, waardoor sommigen hem aanspraken met ‘meneer Stengs’ …

De groentezaak van Bertus Buter aan de Bakkummerstraat in de (negentien)dertiger jaren met een dienstbode in de deuropening.
De groentezaak van Bertus Buter aan de Bakkummerstraat in de (negentien)dertiger jaren met een dienstbode in de deuropening.

De kampeerders stonden al om 8.00 uur voor de winkel

Bakkum kende naast Nanne en Hogenstijn groenteboer Buter, die daar 46 jaar was gevestigd. Jan Buter (1926) volgde zijn vader Bertus (1898-1988) op en licht de geschiedenis toe:
“Mijn vader was de zoon van een Heemskerkse tuinder en (hij) ventte al met groenten in de Zaanstreek toen hij nog in Heemskerk woonde. Op een gegeven moment stelde opa Jan Zonneveld van de Heereweg mijn vader voor om een winkel te beginnen in Bakkum. Opa liet vervolgens door aannemer Kees de Groot het pand aan de Bakkummerstraat 97 bouwen, waar vader in 1926 startte met zijn groentezaak. Daarbij hield hij zijn wijk in de Zaanstreek aan. Hij ventte eerst met paard en wagen en later kocht hij daarvoor een Chevrolet. Moeder Grietje Zonneveld stond in de winkel en een dienstbode zorgde voor het gezin.

Advertentie uit 1929 van de winkel van Bertus Buter.
Advertentie uit 1929 van de winkel van Bertus Buter.

Mijn ouders hadden vijf kinderen, waarvan ik de oudste zoon ben. We moesten na schooltijd meehelpen met aardappels pitten, nadat die in een machine waren geschrapt. Die aardappels werden geleverd aan de kinderkolonie St. Antonius. Ook hebben we kisten vol snijbonen afgehaald en met een molentje gesneden. Ik was de enige die in de zaak wilde. Eerst heb ik een aantal jaren in loondienst bij mijn vader gewerkt en in 1953 hebben mijn vrouw Lien en ik de winkel overgenomen. Omdat we vier kinderen hadden, namen we ook een hulp in huis.

Jan Buter op de motorbakfiets in 1946.
Jan Buter op de motorbakfiets in 1946.

Zelf heb ik jaren gevent in Bakkum en Castricum. Ik begon op de motorbakfiets en in de (negentien)zestiger jaren kocht ik een Volkswagenbusje, dat ik tot venterswagen liet ombouwen. Uit Bakkum hadden we veel vaste klanten. Als het kampeerterrein aan de Zeeweg open ging, stonden de kampeerders soms al om 8.00 uur voor de winkel, omdat mijn prijzen lager waren dan die van de groentezaak op het terrein.

Buter sponsorde wielrennertjes die meededen aan de Tour de Flevo in de jaren 1950.
Buter sponsorde wielrennertjes die meededen aan de Tour de Flevo in de jaren 1950. V.l.n.r. Nico Lute, Ben Hollenberg, Willem Kaandorp, Norbert Leitner, Jan Lute, Frans Tromp, Aad Kaandorp, Dik Schellevis. In de deuropening Jan en Lien Buter en Gré en Gerard van Sleeuwen.

Verder was ik voor die tijd al heel modern wat sponsoring betreft en stelde shirts beschikbaar voor jeugdige deelnemers aan de Tour de Flevo. Wij verkochten trouwens ook kruidenierswaren.
In 1972 ben ik om gezondheidsredenen uit de zaak gestapt en heb die eerst verhuurd en later verkocht aan Cornelis


Jaarboek 37, pagina 58

Verkooij die uit de Zaanstreek kwam. De concurrentie met de supermarkten van Stolk en Tervoort werd ook steeds groter, dus ik was blij dat ik kon stoppen. Sindsdien heb ik nog bij een Alkmaarse groothandel en de Hoogovens gewerkt tot ik met 57,5 in de VUT kon. Mijn vrouw en ik zijn in 1972 verhuisd naar Heerhugowaard, waar we nu nog steeds wonen.”

Opening van de verbouwde winkel begin jaren 1960.
Opening van de verbouwde winkel begin jaren 1960 met v.l.n.r. moeder Grietje, een werknemer van de grossier, vader Bertus, zoon Bert, aannemer Jan Tromp, Jan Buter en een tweede werknemer van de grossier.

Slotwoord

Het was interessant om ook met de groenteboeren kennis te maken. Misschien lijkt het lang geleden, maar wij kunnen ons nog goed herinneren dat Cor Beentjes uit de Van Egmondstraat met paard en wagen door de straat reed. Op de vraag of wij een appeltje konden krijgen, antwoordde hij steevast: “Ja, morgen …”

Hans Boot
Arend Bron

Bronnen:

  • Bergense Kroniek, 2011.
  • Edities Alkmaarsche Courant en Nieuwsblad voor Castricum.
  • Heideman H., De oude generatie van Bakkum en Castricum (1900-1940), 1982.

Met dank aan: Bertus Beentjes, Gerard Beentjes, Jan Buter, Lien Buter – Tromp, Henk Heideman, Peter, Piet en Siem Nanne, Annie Scheerman – Wouters, Jaap Stengs, Nel Stengs – Oudhuis en Marion Stengs – Swart.

Borst, bouwbedrijf A.C. – 100 jaar (Jaarboek 36 2013 pg 99-106)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architect – bakkers – bioscoop – bouwbedrijf – café / hotel – cafés en kasteleins in Bakkum –  drukkers – expeditie – gasfabriek – groenteboeren – groenteveiling – kruideniers – melkboeren – melkfabriek – molenaar – restaurant – schelpenvissers – schilder – schildersbedrijf – slagers – smid – smederij – stoomwasserij – strandvonder – veldwachters – vrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 36, pagina 99

Bouwbedrijf A.C. Borst bestaat honderd jaar

In 1913 laat Anthonius Christophorus (Antoon) Borst bij de Kamer van Koophandel in Alkmaar een aannemersbedrijf inschrijven. In datzelfde jaar koopt hij een onbebouwd perceel tuingrond gelegen aan de oostzijde van de Bakkummerstraat, dat zich uitstrekt van de Eerste tot de Tweede Groenelaan. Hier bouwt hij na enkele jaren zijn eerste bedrijfspand.
Zijn drie zoons Cor, Piet en Willem Borst treden in 1946 als firmanten toe tot het bedrijf.
Op 1 januari 1972 wordt A.C. Borst B.V. opgericht. De oprichter en zijn zoon Cor zijn dan al overleden. Het bedrijf heeft inmiddels een enorme groei doorgemaakt en biedt nu werk aan ongeveer 45 werknemers. In 2013 bestaat het bedrijf honderd jaar.

Oprichter Antoon Borst (1881-1955).
Oprichter Antoon Borst (1881-1955).

De oprichter Antoon Borst

Anthonius Christophorus Borst wordt op 11 juni 1881 te Schagen geboren. Hij is de vierde zoon van Cornelis Borst en Anna Maria Janse (dochter van een aannemer op Wieringen). Vader Cornelis woonde aan de Lagedijk te Schagen, was eerst koopman, voerman en stalhouder en ging in 1883 bij de Spoorwegen werken. Als spoorwegarbeider blijft hij nog enkele jaren in Schagen wonen, maar hij moet voor zijn werk in 1886 verhuizen naar de plaats Kethel in Zuid-Holland. Hier wordt zoon Willem geboren, de latere ondernemer en eigenaar van hotel Borst in Bakkum. De periode in Kethel is van korte duur; Cornelis Borst verhuist in 1888 met zijn gezin naar Castricum en woont uiteindelijk aan de Bakkummerstraat in Bakkum. Het gezin van Cornelis Borst en Anna Maria Janse telt dan maar liefst acht zoons en twee dochters.

Antoon Borst en Guurtje Kuijs met hun kinderen.
Antoon Borst en Guurtje Kuijs met hun kinderen v.l.n.r. Wim, Aaf (gehuwd met woninginrichter Kees Huitenga), Piet, Cor en Anna (gehuwd met aannemer Arnold Henselmans uit Limmen). Cor, Piet en Wim zullen in 1946 toetreden tot de firma.

Die acht zoons hebben elk op een verschillende manier een belangrijke rol gespeeld in ondernemend Castricum en Bakkum en hebben de bouw van provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch en de expansie van Bakkum meegemaakt. De oudste zoon Jan was koopman en paardenhandelaar en had ook een café aan de Heereweg; zoon Kees overleed op 35-jarige leeftijd en had een expeditiebedrijf; zoon Piet was veehouder aan de Bleumerweg en ook gemeenteraadslid; de vierde zoon Antoon was de oprichter van de firma A.C. Borst; de vijfde zoon Jo was landbouwer, vrachtrijder en aannemer van bronbemalingen; de eerdergenoemde zoon Willem was ondernemer en eigenaar van hotel Borst; zoon Gerrit was parkwachter op Duin en Bosch en tenslotte werkte de jongste en achtste zoon Jaap als technisch medewerker bij datzelfde ziekenhuis.

Antoon, ook kortweg Toon genoemd, komt dus op zevenjarige leeftijd met zijn ouders in Castricum wonen. Al op jonge leeftijd is hij een volleerd timmerman. Hij is zeer ondernemend en trouwt op 26-jarige leeftijd in 1907 met Guurtje Kuijs, dochter van Pieter Kuijs, landbouwer, en Aafje Melker. Elf dagen eerder heeft hij een stuk grond gekocht ter grootte van 203 vierkante meter aan de Bakkummerstraat, op de hoek en direct ten noorden van de Tweede Groenelaan. Uit de koopakte blijkt dat het huis, dat inmiddels op


Jaarboek 36, pagina 100

het terrein is verrezen, eigendom is van Antoon Borst en door hem is gebouwd; hij is dus zeer voortvarend te werk gegaan. In dit huis woont hij vanaf zijn huwelijk; zijn zes kinderen worden er geboren in de periode 1909-1919. Zijn vrouw heeft er gedurende een aantal jaren ook een kruidenierswinkel gehad. Dit woonhuis met winkel verkoopt hij in juli 1923 aan kruidenier Piet Stuifbergen. Enkele maanden daarvoor is Antoon Borst met zijn gezin verhuisd naar een nieuw gebouwd woonhuis op nummer 79 naast de werkplaats aan de Bakkummerstraat.

Woonhuis en werkplaats aan de Bakkummerstraat.
Woonhuis en werkplaats aan de Bakkummerstraat.

De start van het bedrijf aan de Bakkummerstraat

Op 20 januari 1913 laat Antoon Borst bij de Kamer van Koophandel in Alkmaar een bedrijf inschrijven dat zich bezighoudt met klein timmerwerk en met grond-, weg- en waterbouw. In datzelfde jaar in februari koopt hij een onbebouwd perceel tuingrond gelegen aan de oostzijde van de Bakkummerstraat, dat zich uitstrekt van de Eerste tot de Tweede Groenelaan met een oppervlakte van 5370 vierkante meter.
Twee weken later verkoopt Antoon hiervan een stuk grond van 700 vierkante meter op de hoek van de Bakkummerstraat en de Eerste Groenelaan aan zijn vader Cornelis Borst. Op dit perceel wordt een nu nog bestaand dubbel woonhuis gebouwd, waarin op nummer 45 zijn vader en na zijn huwelijk zijn jongste broer Jaap op nummer 47 kwam wonen.

Zo timmerde Antoon Borst aan de weg in de Gids voor Castricum, een uitgave van de VVV in 1925.
Zo timmerde Antoon Borst aan de weg in de Gids voor Castricum, een uitgave van de VVV in 1925.

Jaarboek 36, pagina 101

In diezelfde periode worden gedeelten van dit terrein verkocht en bebouwd. In 1914 een perceel van 188 vierkante meter aan Grietje van Weenen, weduwe van Cornelis de Groot, die met haar zoon Willem een brandstoffenhandel heeft aan de Dorpsstraat en aan de Bakkummerstraat een pand laat bouwen voor de opslag van kolen, briketten en turf. Willem laat in 1930 het pand verbouwen tot café ‘De Duinstreek’.

Omstreeks 1916 heeft Antoon op eigen terrein voor zichzelf een werkplaats gebouwd. Rond 1922 bouwt hij het pand verder uit tot een bedrijfspand bestaande uit woonhuis, werkplaats en loods.

De woningen van ‘Goed Wonen’ aan de Bakkummerstraat, in 1919 gebouwd door aannemer A.C. Borst.
De woningen van ‘Goed Wonen’ aan de Bakkummerstraat, in 1919 gebouwd door aannemer A.C. Borst.

In 1919 verkoopt Antoon Borst ruim 2800 vierkante meter grond aan het bestuur van de Bouwvereniging ‘Goed Wonen’.
Dit bestuur, bestaande uit de adjunct-directeur, de bouwkundig opzichter en de chef-machinist van het provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch, geeft vervolgens opdracht aan aannemer Antoon Borst om 20 gelijke woningen te bouwen voor Goed Wonen, waarvan 10 aan de Bakkummerstraat en 10 aan de Zeeweg.

Aanleg van een zijhaven aan het Noordhollands Kanaal nabij de Friese brug in Alkmaar voor houthandel J. Bierdrager.
Aanleg van een zijhaven aan het Noordhollands Kanaal nabij de Friese brug in Alkmaar voor houthandel J. Bierdrager.

Grond- en waterwerken

Het zwaartepunt van het bedrijf lag in de periode tot 1973 bij de uitvoering van grond- en waterwerken. Dit betrof onder andere de realisatie van bronbemalingen voor het droogmaken van havens en bouwputten.


Jaarboek 36, pagina 102

Veel werk werd uitgevoerd voor het PWN en ook voor Rijkswaterstaat, zoals de fabricage van grote sluisdeuren. Andere voorbeelden zijn het graven van het duinmeertje in Bakkum, waarbij het zand gebruikt werd voor de aanleg van het viaduct over de spoorlijn, de aanleg van een haven aan het Noordhollands Kanaal te Alkmaar voor houthandel Bierdrager, het werk aan oevers en het onderhoud aan dukdalven.

Detail foto met daarin uitvergroot het bord: A. Borst, Aannemer te Bakkum.
Detail foto met daarin uitvergroot het bord: A. Borst, Aannemer te Bakkum.

De uitvoering van sonderingen en grondboringen voor grondonderzoek van de meest uiteenlopende bouwwerken in geheel Nederland was een specialisme van de firma Borst.

De firma Borst was direct betrokken bij de uitvinding van de Duowals.
De firma Borst was direct betrokken bij de uitvinding van de Duowals.

De Duowals

De firma Borst was direct betrokken bij de uitvinding van de Duowals. Een buitengewoon inventieve timmerman en uitvinder in het bedrijf, de heer Klaas Revers, had deze onder andere uitgevonden. Het was een wals met een horizontaal verstelbare middenrol, waardoor er met een variërend drukvermogen bij oneffenheden in het te walsen oppervlak werd gewerkt. Hierdoor is de wals bij uitstek geschikt voor asfalt, omdat er geen golven achterblijven in het wegdek. Op deze uitvinding werd in 1945 octrooi aangevraagd in Nederland en in 1948 verleend. Binnen drie jaar werd in negen Europese landen en in de VS octrooi aangevraagd en ook verleend.

Klaas Revers, werknemer bij A.C. Borst en uitvinder van de Duowals.
Klaas Revers, werknemer bij A.C. Borst en uitvinder van de Duowals.

Er werd een commanditaire vennootschap (Duowals C.V.) gesloten, waarin Klaas Revers, onderwijzer Karel Vermeulen en de firma Borst participeerden. Op vrijdag 2 april 1948 was er een demonstratie van de ‘Eerste Nederlandse Wegwals’ op het luchtvaartterrein Schiphol.
Het constructiebedrijf Hovers uit Tilburg heeft in 1953 de Duowals in productie genomen. In totaal zijn er tien gebouwd, waarvan er nog een resteert en staat in het Wegenbouwmuseum te Harderwijk.

Vennootschap ‘A. Chr. Borst & Zonen’ in 1946

De eenmanszaak werd op 4 oktober 1946 in een vennootschap onder firma omgezet, genaamd ‘A. Chr. Borst & Zonen’. Naast de oprichter treden zijn drie zoons Cornelis Petrus (Cor), Petrus Cornelis (Piet) en Willem Borst als firmanten toe.
Het kantoor en de machinale timmerwerkplaats waren gevestigd aan de Bakkummerstraat. Zoon Cor was boekhouder en tekenaar en zoon Piet was vooral betrokken bij de bronbemaling. Hiervoor had de firma omstreeks 1960 een bedrijfspand gebouwd aan de Stetweg nummer 68 met werkplaats, opslag en woonhuis van firmant Piet Borst. Ook zijn jongere broer Wim werkte veelal samen met Piet in het grond- en waterwerk. Wim woonde in een particulier huis aan de Bakkummerstraat 84.


Jaarboek 36, pagina 103

Het bedrijfspand aan de Stetweg.
Het bedrijfspand aan de Stetweg.

Aannemer Toon Borst werkte veel samen met twee andere bedrijven aan de Bakkummerstraat, te weten Kees de Groot en Johannes Weda, waarbij Kees de Groot het metselwerk deed, Johannes Weda het schilderwerk en Toon Borst het timmer- en uitzetwerk.
Toon Borst en Kees de Groot hadden samen al vanaf 1924 meerdere percelen bouwterrein gekocht in de omgeving van de Tetburgstraat en de Dr. Jacobilaan te Bakkum. In 1946 betrof dit gezamenlijk bezit een totaal oppervlak van ruim 8500 vierkante meter.

Het speeltuintje aan de Tetburgstraat.
Het speeltuintje aan de Tetburgstraat.

Op het nog braakliggende terrein wordt door vrijwilligers een speeltuintje gerealiseerd dat burgemeester Smeets in 1949 officieel opent. Tot midden jaren (negentien)vijftig hebben de kinderen van Bakkum hier kunnen spelen.

Op 1 januari 1952 trad oprichter Antoon Borst uit het bedrijf. Drie jaar later overleed hij op 30 augustus 1955 op 74-jarige leeftijd.
Het bedrijf werd door de drie broers verder uitgebreid. In 1968 werd het grote opslagterrein achter het bedrijfspand aan de Bakkummerstraat overkapt. De timmermanswerkplaats aan de voorkant van het pand verhuisde naar de grote ruimte. De oorspronkelijke werkplaats vooraan de Bakkummerstraat werd in 1970 in gebruik genomen als doe-het-zelfwinkel tot in 1979 de ruimte wordt bestemd voor kantoorruimte en showroom.

Besloten vennootschap A.C. Borst in 1972

Op 1 januari 1972 richtten de broers Piet en Wim de besloten vennootschap A.C. Borst B.V. op. Hun broer Cor was inmiddels op 16 december 1971 overleden. Diens aandeel ging in de nieuwe vennootschap over op zijn zoon en schoonzoon, respectievelijk Ton Borst en Cees van der Laan.

Het bedrijf ging vanaf dat moment zich meer bezighouden met renovatiewerk en groot onderhoud van woningen voor woningbouwbedrijven en overheidsinstellingen naast zijn activiteiten voor de burger- en utiliteitsbouw. De afdeling grond- en waterwerken werd in 1973 afgestoten.

In 1978 nam A.C. Borst B.V. het aandeel over van De Groot in het bouwterrein aan de Tetburgstraat en Dr. Jacobilaan. Aan het einde van de (negentien)zeventiger jaren werden er huizen gebouwd; deze zijn nu gelegen aan de Dokter Melchiorlaan en aan de Van Renesselaan.


Jaarboek 36, pagina 104

Piet Borst verliet het bedrijf vanwege pensionering in 1975. Zijn broer Wim Borst volgde hem in 1982 vanwege zijn gezondheid. Ton Borst en Cees van der Laan zetten de zaak voort, waarbij Ton vooral de bouwondernemer was en Cees boekhouding en financiën voor zijn rekening nam.

Initiatiefnemer ontwikkeling bedrijventerrein Castricummer Werf

De plannen voor een bedrijfsterrein in Castricum dateren al vanaf 1973, toen de gemeenteraad bij de behandeling van de structuurschets bepaalde dat zo’n terrein in de zeer nabije toekomst beschikbaar moest komen voor de hier ter plaatse gevestigde bedrijven.
In december 1975 sprak de gemeenteraad zich in principe uit over een locatie voor een bedrijfsterrein ten oosten van de Oude Haarlemmerweg. In september 1977 was een conceptplan zover gereed dat een inspraakprocedure kon worden gehouden. Medio 1979 volgde de tervisie legging en werden bezwaren ingediend die uitliepen op een vele jaren durende bezwaarprocedure tot aan de Kroon.
Pas in december 1984 zette de gemeenteraad unaniem het licht op groen voor de ontwikkeling van het bedrijfsterrein-zuid en werd aan het bouwbedrijf A.C. Borst medewerking verleend bij het in exploitatie brengen van het terrein.

Ton Borst: “Wij namen in 1978 het initiatief tot de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Op dat moment zag de bouwmarkt er florissant uit en wij waren er van overtuigd dat een eigen bedrijventerrein in de gemeente Castricum in een grote behoefte zou voorzien. Aanvankelijk stonden wij vrijwel alleen in die gedachte. De gemeente stelde zich uiterst terughoudend op en de economie begon gaandeweg te verslechteren. Daarbij ontstond bovendien ook nog een slepende bezwaarprocedure tegen het bedrijventerrein, die het bouwen jarenlang onmogelijk maakte. Dat waren voor ons buitengewoon zorgelijke ontwikkelingen; wij hadden er ruim twee hectare grond gekocht. Er was dus geen weg meer terug en wij moesten doorzetten, ook al durfde aanvankelijk geen enkel bedrijf de overstap naar het bedrijventerrein te maken. Ze kregen geen geld van de bank net als nu (in 2013). Toen ons bedrijf besloot om zelf alvast naar de Castricummer Werf te verhuizen, keerde het tij. Eerst nog aarzelend maar gaandeweg begonnen de bedrijven steeds sneller toe te stromen. Onze verwachtingen kwamen uit. Wij hebben er steeds in geloofd, ook al is het wel eens moeilijk geweest”.

Het nieuwe bedrijfspand van A.C. Borst op de Castricummer Werf.
Het nieuwe bedrijfspand van A.C. Borst op de Castricummer Werf.

A.C. Borst B.V. richtte haar activiteiten vervolgens op een verdere realisering van het bedrijventerrein met de bouw van het eerste bedrijfsverzamelgebouw waarvan de oplevering in het eerste kwartaal van 1986 volgde. Burgemeester Schouwenaar opende op vrijdag 8 mei 1987 het bedrijventerrein Castricummer Werf met de eerste twintig bedrijven. Een jaar later opende hij op 6 mei 1988 nog vijf nieuwe bedrijven op de Castricummer Werf. Vervolgens was er een feestelijke ‘open dag’.

Het logo van de aannemerscombinatie Geestbouw.
Het logo van de aannemerscombinatie Geestbouw.

De aannemerscombinatie Geestbouw

In 1985 was het nieuwbouwprojekt Geesterduin in ontwikkeling. Het betrof de bouw van in totaal 149 woningen aan de C.F. Smeetslaan tussen de Geesterduinweg en het gemeentehuis en de bouw van het Klaverland, een nieuwe woonvorm voor lichamelijk gehandicapten aan de Alkmaarderstraatweg.
Mede om het werk maximaal door de plaatselijke aannemers te laten uitvoeren besloot de gemeenteraad om de aannemerscombinatie Geestbouw de bouw te gunnen. Geestbouw was ontstaan op initiatief van Ton Borst en was een combinatie van vijf plaatselijke bouwbedrijven: A.C. Borst, Joh. de Nijs, M.J. de Nijs, Gebr. Tromp en H.W. Twisk.
Geestbouw was een vennootschap onder firma en werd op 25 mei 1981 opgericht om te komen tot de ontwikkeling en uitvoering van grootschaliger bouwprojecten om zo de continuïteit van de samenwerkende bedrijven te waarborgen. De combinatie presenteerde zich als


Jaarboek 36, pagina 105

een concurrerend bouwbedrijf in samenwerking met het architectenbureau Bakker en Boots. Het werk werd onder de deelnemende aannemers verloot. In januari 1986 werd de eerste paal geslagen voor een serie van 27 woningen op de hoek van de Geesterduinweg en C.F. Smeetslaan. De bouw van deze woningen was in handen van het bedrijf A.C. Borst B.V.

Voor de grote en kleine klussen het bedrijf KO-BUS.
Voor de grote en kleine klussen het bedrijf KO-BUS.

KO-BUS

In de (negentien)tachtiger jaren, toen het slecht ging in de bouw, besloot Ton Borst samen met Kees Huipen van het gelijknamige schildersbedrijf om kleine reparatie- en onderhoudswerkzaamheden in de particuliere sector te gaan uitvoeren. Voor dat doel werd KO-BUS opgericht, een bedrijfje dat regionaal kleine klussen ging verrichten. Voor het bewaren van de eigen identiteit bleven het aannemersbedrijf Borst en KO-BUS afzonderlijk opereren. KO-BUS werd een succes; het aandeel van de firma Huipen werd door Borst overgenomen en KO-BUS kreeg de nodige bekendheid, niet in de laatste plaats door de opvallend gekleurde gereedschapsauto, die veelvuldig in het dorp kon worden waargenomen.
Door de opkomst van de ZZP-ers voor klein particulier werk verschoof het werkterrein van KO-BUS rond 2000 naar grotere klussen en bouwactiviteiten. De KO-BUS-activiteiten werden beëindigd en geïntegreerd in het bouwbedrijf Borst.

Na de pensionering van Cees van der Laan in 2001 werd de directie gevormd door Ton Borst en Wim Rodenburg. Wim was al op 15-jarige leeftijd in 1969 bij het bedrijf begonnen en had zich in de loop der jaren opgewerkt tot iemand die de organisatie en het management van de projecten op de bouwplaats behartigde en de relaties met de opdrachtgevers onderhield. Op 1 juni 2013 trad Wim Rodenburg uit het bedrijf en werden zijn taken overgenomen door Jan Louwen.

Naam en logo van het bedrijf wordt vanaf 1998 AC Borst Bouw
Naam en logo van het bedrijf wordt vanaf 1998 AC Borst Bouw.

Verdere uitbouw van het bedrijf na 2002

Het naastgelegen pand van schildersbedrijf Huipen werd in 2002 aangekocht en toegevoegd aan het bestaande bedrijfspand van AC Borst Bouw. Op 17 januari 2003 vierde de onderneming uitgebreid het 90-jarig bestaan met het voltallige personeel.
Na een sterke groeiperiode vond in 2006 de tot nu toe laatste verbouwing plaats. Het bedrijfspand werd opnieuw uitgebreid en tegelijkertijd werden de gevelpartij en de entree volledig vernieuwd. Het pand herbergt nu naast een grote werkplaats met machines voor de fabricage van onder andere kozijnen en prefab-delen ook een verf spuiterij, een afdeling calculatie, werkvoorbereiding en engineering, en de afdelingen bouwservice, administratie, personeel en organisatie. Verder een vergaderzaal annex cursusruimte, een kantine en een aantal kantoren.


Jaarboek 36, pagina 106

Op 1 januari 2010 is Ton Borst afgetreden als directeur en tot commissaris benoemd. Cornel Borst, zijn zoon, is hem opgevolgd.
Een kroon op het werk volgde in 2010 toen AC Borst Bouw de ondernemersprijs in de wacht sleepte. Het bouwbedrijf kreeg de onderscheiding in de categorie duurzaam ondernemen.

Bij de opening van het jubileumjaar op 11 januari 2013 onthulde burgemeester Mans het jubileumlogo aan de gevel van het kantoor van AC Borst Bouw.
Bij de opening van het jubileumjaar op 11 januari 2013 onthulde burgemeester Mans het jubileumlogo aan de gevel van het kantoor van AC Borst Bouw. V.l.n.r. Wim en Dorothé Rodenburg, burgemeester Toon Mans, Jennefer en Cornel Borst met hun zoon Roan (de jongste generatie voor het bedrijf!), Rinske en Ton Borst, Cees van der Laan, Jan en Fennie Louwen.

Op vrijdag 11 januari 2013 werd het (100-jarig) jubileumjaar van AC Borst feestelijk geopend door burgemeester Mans. Diezelfde dag werd deze opening aansluitend gevierd met de huidige en voormalige directie en het voltallige personeel.

AC Borst Bouw is een moderne bouwonderneming van 100 jaar oud met een kern van sterk betrokken en vakbekwame medewerkers. Door voortdurend te anticiperen op de ontwikkelingen in de markt is er in het bedrijf in de afgelopen periode veel veranderd en dat zal in de toekomst niet anders zijn.

Simon Zuurbier

Met dank aan: Cornel Borst, Ton Borst, mevr. Borst – Laan, mevr. Henselmans – Borst, Cees van der Laan en Wim Rodenburg.