4 oktober 2021

Klok van de Hervormde Kerk (Jaarboek 26 2003 (pg 17-20)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 26, pagina 17

Een klok op stap

De 'M'-klok waarover deze geschiedenis gaat.
De ‘M’-klok waarover deze geschiedenis gaat.

Het verhaal van een geredde historische luidklok

Het is stil in het dorp op die vroege zondagmorgen van het jaar 1943. Geen klok luidt om de kerkgangers uit te nodigen voor de dienst. Voor het eerst in eeuwen blijft het doodstil, alleen de roep van een vogel, het geratel van de wielen van een sjees en de hoeven van een paard verbreken de stilte. Op de plaats waar de klokken in de torens moeten hangen is het akelig leeg. De klokken zijn op bevel van de Duitse bezetter uit de torens weggehaald om in Duitsland omgesmolten te worden tot oorlogstuig. De Castricumse klokken verdwijnen zo voorgoed.

Op één na, de monumentale klok die nu weer in de toren van de oude Pancratiuskerk hangt.

En daarover gaat deze geschiedenis.

De oude Pancratiuskerk in Castricum.
De oude Pancratiuskerk in Castricum.

Castricums oudste luidklok

Toen de oude dorpskerk nog geen toren had (die werd in de tweede helft van de 15e eeuw gebouwd), werden de parochianen waarschijnlijk met gebruik van handbellen naar de kerk geroepen. Na het gereedkomen van de toren was daar al spoedig een luidklok aanwezig. Die was in 1238 door een onbekende klokkengieter gegoten en dus van elders afkomstig. Volgens de Enkhuizer organist Spruyt, die omstreeks 1750 de Noord-Hollandse luidklokken inventariseerde, was het opschrift: ‘Nota Catharina Sanctus Anthonius 1238’.

Na zes eeuwen trouwe dienst werd die klok in 1842 stuk geluid. In de uitgestrekte gemeente werd toch al geklaagd dat de klok niet overal goed te horen was. Daarom besloten de vroede vaderen van de gemeente (de kerktoren is eigendom van de gemeente Castricum) om een grotere klok aan te schaffen. Waarschijnlijk ging de prijs van een nieuwe klok de financiële draagkracht van de gemeente te boven. Van de firma S.A. Raap en Zoonen te Amsterdam werd een tweedehands klok van vierhonderd Nederlandsche pond (400 kg) aangekocht voor 560 gulden. Voor de oude gebarsten klok kreeg men 80 gulden terug.

De nieuwe klok was in 1604 door Gert Powel in Emden gegoten en draagt als opschrift: ‘ANNO 1604 FRI DOE COT GERT POWELS MI TO EMDEN’. Deze klokkengieter leverde vooral klokken in Oost-Friesland, maar ook in Groningen. In Wetsinge, dat met Sauwert één kerkelijke gemeente vormde, hing deze klok tot 1840 in de toren. De dorpen hadden ieder een eigen kerk, die beide gesloopt werden. Er werd één nieuwe gemeenschappelijke kerk gebouwd. In de nieuwe kerk kwam de klok van Sauwert te hangen en die van Wetsinge werd aan de firma Raap in Amsterdam verkocht. Die verkocht de klok aan Castricum, waar deze sinds 1842 met een onderbreking in de oorlogsjaren in de fraaie toren van de oude Pancratiuskerk hangt. Daar wordt deze tot op de huidige dag zowel voor de burgerlijke als de kerkelijke gemeente geluid.

De klokkenroof

Midden in de oorlogstijd, juli 1942, verschijnt een verordening van Rijkscommissaris Seys-Inquart, waarin vermeld wordt dat voorwerpen van diverse metalen, waaronder koper, aangemeld moeten worden voor verwerking in de oorlogsindustrie. In de herfst van datzelfde jaar begint de grote klokkenroof. Zo’n vijfenzestighonderd klokken verdwijnen zo uit de Nederlandse kerktorens en carillons. Een onwezenlijke stilte valt zo over stad en land.

Met het weghalen van die klokken heeft zich een Nederlander belast, P.J. Meulenberg, sindsdien ‘Klokken-Peter’ genoemd. Met zo’n driehonderd arbeiders gaat hij aan de slag. Men voorziet incidenten en die blijven dan ook niet uit. Hij besluit daarom de werkzaamheden in het donker uit te voeren, maar dat blijkt toch onuitvoerbaar. En zo worden de klokken vaak onder de woedende blikken van toeschouwers naar beneden getakeld.

In zijn levenswerk ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ schrijft dr. L. de Jong in deel 7:
“Het weghalen van kerkklokken werd immers niet ervaren als het in beslag nemen van willekeurige metalen voorwerpen; veeleer waren de kerkklokken een wezenlijk deel van het leefmilieu. Sterker nog: hun luiden, hun gebeier (dat men opeens niet meer hoorde – vreemd deed deze stilte aan) had, zou men kunnen zeggen ‘eeuwigheids-


Jaarboek 26, pagina 18

waarde’. Het was geassocieerd met het vooroorlogse Nederland en met het kerkelijk verzet, het preludeerde op de bevrijdingsdag. Dan zouden de klokken eerst recht geluid worden”.

Castricums klokken verdwijnen

Wanneer de Castricumse klokken precies zijn weggehaald en of dat tot protesten van de bevolking heeft geleid, weten we niet. Er is slechts één aantekening bekend; die komt uit het dagboek dat drie Castricumse kapelaans van de rooms-katholieke Pancratiusparochie hebben bijgehouden.
Op 31 maart 1943 staat daarin: “De kerkklok luidt voor het laatst. Hij wordt weggehaald.”
En enige dagen later: “De klepel is niet meegegeven en wordt als relikwie bewaard.” Hoogstwaarschijnlijk gaat deze mededeling over de klok van de rooms-katholieke kerk. Van de klok van de gemeentetoren van de oude Nederlands hervormde kerk is geen aantekening bekend. Maar aangenomen mag worden dat alle klokken in één keer uit Castricum zijn meegenomen. Daaronder bevindt zich ook de monumentale klok uit de toren van de Nederlands hervormde kerk, die een ‘M’-status heeft gekregen.

‘M’-klokken

Al voor het uitbreken van de oorlog is een lijst opgesteld van monumentale klokken met het doel deze voor vernietiging te behoeden. De Castricumse klok bevindt zich ook op die lijst. Als herkenningsteken heeft deze klok, net als alle monumentale klokken, een ‘M’- teken gekregen. Meulenberg, die opdracht heeft gekregen om alle klokken uit de torens te verwijderen, heeft echter, tegen de gemaakte afspraken in, ook deze klokken meegenomen.

Dit ondanks een mededeling die bij die klokken hing: “De Nederlandse Regering heeft een zeer beperkt aantal klokken als historische gedenkstukken van de grootste betekenis van vordering vrijgesteld en richt zich tot de bevelhebbers der militaire macht van andere mogendheden met het dringende verzoek deze met een M gemerkte klokken te sparen.” Deze mededeling was behalve in het Nederlands ook in het Frans, Duits en Engels gesteld. Sommige klokken bleven gespaard, maar ‘onze’ klok verdween.

Leerdam

De Nederlandse instanties hebben in ieder geval nog kunnen bereiken dat deze monumentale klokken niet direct naar Duitsland worden weggevoerd, maar apart worden opgeslagen.

Dat gebeurt in twee opslagplaatsen, één in Giethoorn en één in Leerdam. En voorlopig worden ze met rust gelaten. In september 1944, enkele maanden na de invasie in Normandië, achten de in het nauw gedreven Duitsers het moment aangebroken om de klokken toch maar af te voeren. In Hamburg staan twee fabrieken waar de klokken worden omgesmolten. Beide fabrieken zijn al eens gebombardeerd.

Op 23 oktober 1944 wordt het klipperschip ‘Hoop op Zegen’ van schipper J. van Dijk uit Dordrecht gevorderd om de M-klokken van Leerdam naar Hamburg te vervoeren. Maar Van Dijk is niet bereid om dit onvaderlandse werk uit te voeren en verlaat zijn schip. Er wordt een gelegenheidsschipper aangezocht, de onervaren Marten Homma. Op vrijdag 3 november is het schip geladen. Een week later ongeveer vertrekt het schip naar Emden. Waarschijnlijk is nog geprobeerd om het schip tot zinken te brengen. Enige dagen na het vertrek is namelijk een geallieerd vliegtuig boven Leerdam verschenen: “(…) dat rondcirkelde alsof het iets zocht”, aldus getuigenverklaringen. Maar het klipperscheepje ‘Hoop op Zegen’ is al onderweg.

Konvooi

Het weer in de novembermaand van 1944 wordt gekenmerkt door een krachtige depressie-activiteit. Gedurende de hele maand blijven storingen over ons land trekken. De ‘Hoop op Zegen’ maakt deel uit van een konvooi dat gesleept wordt door een Duitse sleepboot de ‘BS-14’. Traag ploegt de sleep zich tijdens de inktzwarte novembernacht een weg door het IJsselmeer. De vuurtorens langs de kust zijn gedoofd.

In de buurt van de ‘Vormt’, een beruchte zandbank ter hoogte van Urk, raken drie schepen los van de sleep. Eén schip is geladen met touw, één met een onbekende lading en het derde schip met de kostbare klokken. Als schipper Homma merkt dat zijn schip is losgeraakt van de sleep, stuurt hij op Urk aan, waar het schip op de ‘Vormt’ strandt en lek slaat.

De klokken worden uit het ruim van de gezonken klipperschip 'Hoop op Zegen' geborgen.
De klokken worden uit het ruim van de gezonken klipperschip ‘Hoop op Zegen’ geborgen.

Berging

De machinefabriek Fa. A. Hoekman en Zonen te Urk krijgt van de Duitsers de opdracht om het schip met klokken vlot te trekken. Zij hadden geen betere keus kunnen doen. De Hoekmannen stonden op Urk bekend als zeer goede vaderlanders. Broer Pieter Hoekman was vanuit Engeland als geheim agent gedropt en in 1943 door verraad gesneuveld. Aangezien de bestemming van de klokken weinig te raden liet, waren de gebroeders tot de slotsom gekomen dat de berging van de klipper niet wenselijk was. Zij konden trouwens onweerlegbaar bewijzen, dat het schip niet te bergen was. De zijkant van het schip was over een lengte van acht meter opengescheurd en de bodem was zwaar beschadigd. Een getuige uit die tijd J. Krikke, kapitein op de Rijnvaart, vertelt over de berging het volgende: ”Tijdens de oorlogsjaren kreeg mijn vader opdracht samen met nog drie collega’s met hun gevorderde sleepboten (met de Kriegsmarine aan boord) een schip van de Vormt

De klokken in het ruim van het gezonken klipperschip 'Hoop op Zegen'.
De klokken in het ruim van het gezonken klipperschip ‘Hoop op Zegen’.

Jaarboek 26, pagina 19

te trekken. Tijdens een bespreking die de kapiteins onder elkaar hielden, werd een plan gesmeed om het schip niet te bergen. Het plan was om de sleepverbinding zodanig vast te maken, dat door de enorme kracht, die de sleepboten ontwikkelden, de bolders waarop de sleepverbinding was gemaakt, afgesneden zouden worden. Hetgeen ook gebeurde. Bovendien wisten zij te bewerkstelligen, om de Duitsers zogenaamd gerust te stellen, dat nog een laatste inspectie uitgevoerd zou worden. Toen zij het schip verlieten, vergaten ze opzettelijk de roeden, ijzeren stangen die voor de kleppen van de luiken langs werden gestoken, er weer voor te doen. Een zuidwester storm deed de rest.” De ‘Hoop op Zegen’ lag nu veilig met zijn kostbare lading klokken enkele honderden meters van Urk te wachten op betere tijden.

‘Eben Haëzer’

En zo gaat Nederland de laatste winter onder Duitse bezetting in, die voor het westen een hongerwinter zal worden. De geallieerde opmars is tot staan gebracht. Het zal tot mei 1945 duren voor ons land bevrijd is. En het schip met de klokken blijkt niet vergeten te zijn. Eind juli 1945 al is men begonnen met de berging van de lading. Uit dagboekaantekeningen van de Urker havenmeester kennen wij het verdere verloop van de geschiedenis van de klokken. Verdeeld over vijf werkdagen zijn in totaal 226 klokken en 145 klepels geborgen. Zij zijn in Urk aan land gebracht en tijdelijk opgeslagen in de hoek bij het strand op de Westhaven.

Met het schip de Eben Haëzer met schipper Jan van Laar wordt de kostbare lading op donderdag 9 augustus 1945 naar Amsterdam gebracht. Vanuit de hoofdstad worden de klokken naar de eigenaren teruggebracht. In december 1945 is nog geprobeerd het wrak van het schip te lichten. Maar de werkzaamheden worden belemmerd door storm, ijs, mist en regen. De elementen hebben hun werk al gedaan, het schip is in tweeën gebroken. De bergploeg van Hijlkema/Meester staakt de werkzaamheden en keert op dinsdag 15 januari 1946 onverrichter zake huiswaarts.

Werfbaas Meindert Hakvoort kan het schip niet vergeten: “In de winter van 1963-1964 zijn we met zijn drieën over het ijs naar het klokkenschip gegaan en hebben het met branders gesloopt. Het oud ijzer brachten we met een slee naar de werf en het kostte ons meerdere tochten om alles goed en wel naar Urk te brengen. Onze arbeid bleef niet onbeloond, we beurden 300 gulden. Een aardig bedrag voor die tijd.”

Schipper Van Dijk

Wat is er geworden van schipper Van Dijk, de man die zo dapper geweigerd had om voor de Duitsers te werken? Van Dijk, toen 65 jaar, was niet alleen zijn woning en inboedel kwijt, maar ook de broodwinning van hemzelf en zijn zoon, die hem in zijn bedrijf zou opvolgen. Hij kreeg een uitkering van 14 gulden per week. De waarde van het verloren schip werd door deskundigen geschat op 15.000 gulden.

De rijksinspecteur van de kunstbescherming stelde in juni 1945 voor om een fonds te vormen van maximaal 10.000 gulden om Van Dijk schadeloos te stellen. Om dit doel te bereiken werd aan de eigenaren van de geborgen klokken, gemeenten en kerken, een bijdrage van 75 gulden gevraagd. De gemeente Castricum betaalde 37,50 gulden. Maar de oproep bracht bij elkaar slechts 2.990 gulden op en dat voor een man die zijn leven had gewaagd voor 226 Nederlandse klokken. Zijn naam zal echter blijven voortbestaan. Want wat staat te lezen op de gedenksteen bij de klok van de kerk in Spijkenisse?

In drie jaar klonk mijn stem niet meer
‘k Lag op de bodem van het IJsselmeer
Heldenmoed van schipper Van Dijk
Liet mij daar zakken in het slijk
Maar nu jubel ik het uit
Besef, o mens, wat mij beduidt
Geloof van mij, dat God gewis
In Nood en dood uw redder is

Sabotage of ongeluk?

Dat het niet bergen van de klokken uit de gezonken ‘Hoop op Zegen’ een daad van sabotage was, is overduidelijk, maar was de stranding van het schip dat ook? Daar heeft het alle schijn van. Het belang van de kostbare lading was tot in de hoogste kringen bekend. Nadat bekend werd dat de monumentale klokken, tegen alle afspraken in, alsnog naar Duitsland afgevoerd zouden worden, was er door de secretaris-generaal van Onderwijs en Wetenschappen en Cultuurbescherming krachtig geprotesteerd. Nadat die protesten afgewezen waren, beraamde men plannen om het transport te saboteren, zoals het onklaar maken van een brug of een sluis om de afvaart te verhinderen. Maar daarvan werd afgezien. De klokken konden dan alsnog op auto’s worden geladen om vervoerd te worden. Daarnaast was er het nog grotere risico van represailles door de Duitsers.

Er werd een telegram naar Londen gestuurd met het verzoek om het schip nog vóór de afvaart tot zinken te brengen. Getuigen verklaarden dat er inderdaad een vliegtuig enige tijd boven Leerdam had gevlogen: “(…) alsof het iets zocht”, maar er was niets gebeurd. Een feit is wel dat schipper Van Dijk het werk niet wilde uitvoeren. Iets weigeren voor de Duitsers was gevaarlijk. Op openlijke weigering stond maar één straf en dat was standrecht, ‘de kogel’. Maar hij kon wel een goede reden opnoemen. De Royal Air Force was heer en meester boven het IJsselmeer en menig schip werd tot zinken gebracht. Van de man die het werk overnam, Marten Homma, is niets bekend. Werd hij gedwongen om de klus te klaren?

De geredde klokken op het strand van Urk.
De geredde klokken op het strand van Urk.

De klok is weer terug

Wanneer de klok weer in Castricum is teruggekeerd, is niet bekend. Maar uit een verslag van september 1946 van de adjunct-rijksinspecteur Kunstbescherming J.W. Janzen blijkt dat de klokken op 31 juli 1945 ter beschikking van de eigenaren zijn gesteld. En men is snel tot distributie overgegaan.

We mogen aannemen dat de klok in de loop van dat jaar weer in de toren is gehangen. Een niet alledaagse klus die toch vele Castricummers niet zal zijn ontgaan. Sinds die dag hangt de klok na een avontuurlijke omzwerving weer vertrouwd in onze monumentale toren als een symbool van eeuwigheid. Het geratel van de paardenwagens op de keien is verstomd, maar de sonore galm van onze klok is gebleven.

Frans Baars


Jaarboek 26, pagina 20

Verantwoording:

Het verhaal van de klok is opgetekend uit het rapport ‘Klok op stap’, dat door de heer Fred van der Zande in het jaar 2000 is gemaakt. Enthousiast gemaakt door een artikel uit de jaren (negentien) zeventig van C.W. Tempelmans-Plat, indertijd lid van de Werkgroep Oud-Castricum, is hij op zoek gegaan naar de gebeurtenissen rond de roof en terugkeer van de klok. Via een oproep in het ‘Weekblad Schuttevaer’ is hij in contact gekomen met een man uit Urk, A. van Urk, die een deel van de historie al had uitgezocht. Delen van deze tekst zijn letterlijk van de heren Van der Zande en Van Urk overgenomen. Fred van der Zande is actief binnen de Nederlands hervormde kerk en heeft zich vele jaren vooral bezig gehouden met de kerk als monument. Zonder zijn enthousiasme en inzet was dit artikel niet tot stand gekomen. Geïnteresseerden kunnen in ‘De Duynkant‘ het complete rapport inzien.

6 september 2021

Bakkum, vijftig jaar kerk (Jaarboek 25 2002 pg 55-57)


Jaarboek 25, pagina 55

Vijftig jaar kerk in Bakkum

(Voormalige) rooms-katholieke kerk Maria ten Hemelopneming.
(Voormalige) rooms-katholieke kerk Maria ten Hemelopneming. Brederodestraat 12a in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Rond 1900 wilden de katholieken van Bakkum eigenlijk al een eigen kerk. In die tijd ging Dirk Cornelis Twisk, in 1866 in Bakkum geboren, met enkele anderen naar Haarlem om de bisschop, Monseigneur (Mgr.) Bottemanne, het plan voor te leggen om een eigen kerk in Bakkum te stichten. “Het idee zullen we in overweging nemen”, zei de bisschop en daar is het toen bij gebleven.

Door de groei van Bakkum kwam het plan voor een kerk in Bakkum in 1935 weer naar boven. De parochie van de Pancratiuskerk bestond uit ongeveer 6.000 zielen, waarvan er 1.200 in Bakkum woonden. Eerst zou er een school in Bakkum moeten komen en dan zou de kerk volgen. Er werd een commissie gevormd en giften werden verzameld.

Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit en alle bouwplannen verdwenen van tafel.

Pastoor De Wit

Op 26 november 1949 ontving J.Th.J. de Wit, kapelaan in Scheveningen, de volgende brief van de bisschop: “Weleerwaarde Kapelaan, Bij dezen delen Wij U mede, dat Wij U benoemen tot Kapelaan te Castricum, met de opdracht onder de bestaande parochie van de H. Pancratius daar te Bakkum de oprichting van een nieuwe parochie voor te bereiden. Wij verzoeken U Vrijdag 9 december aanstaande op Uw nieuwe standplaats aanwezig te zijn. Met oprechte hoogachting verblijven Wij gaarne Uw dienaar in O.H. J.P. Huibers, Bisschop van Haarlem.”

De grens voor de nieuwe parochie was de spoorlijn, daarnaast ging de ‘bomenbuurt’ ook tot de parochie behoren. Deze buurt is via de overweg in de Eerste Groenelaan met Bakkum verbonden. De Wit wilde graag dicht bij zijn toekomstige parochianen wonen en daarom betrok hij in februari 1950 een woning aan de Vinkebaan.

De Maria ten Hemelopneming kort na de opening in 1951, naar een ontwerp van architect ir. dr. Thomas Nix. Wegens geldgebrek was de pastorie er nog niet; die werd in 1954 opgeleverd.
De Maria ten Hemelopneming kort na de opening in 1951, naar een ontwerp van architect ir. dr. Thomas Nix. Wegens geldgebrek was de pastorie er nog niet; die werd in 1954 opgeleverd.

Pastoor De Wit benoemde verder in een bouwcommissie G. Borst en P. Stuifbergen. Architect ir. dr. Thomas Nix uit Rotterdam maakte de ontwerpen voor kerk en pastorie en na gesprekken met het bisdom was er begin september 1950 een definitieve tekening voor een kerk met 750 zitplaatsen. Besloten werd dat de firma A. Castricum te Castricum de kerk mocht gaan bouwen voor de prijs van ongeveer 115.000 gulden. Wegens geldgebrek was er nog geen plaats voor de pastorie.

Op 8 november 1950 werd de eerste steen gelegd door deken B.G. Hosman uit Beverwijk; in het midden, rechts van hem, met bonnet bouwpastoor J.Th.J. de Wit.
Op 8 november 1950 werd de eerste steen gelegd door deken B.G. Hosman uit Beverwijk; in het midden, rechts van hem, met bonnet bouwpastoor J.Th.J. de Wit.

Op 8 november 1950 werd de eerste steen gelegd door deken B.G. Hosman van Beverwijk. Deze steen bevindt zich links in de altaarruimte bij de preekstoel. Achter deze steen is een loden bus ingemetseld met daarin een oorkonde die de volgende tekst bevat: “In het Heilig Jaar 1950, op de octaafdag van de plechtige dogmaverklaring van Maria’s Tenhemelopneming, in het 12e jaar van het Pontificiaat van Paus Pius de twaalfde, het 2e jaar van de regering van Hare Majesteit Koningin Juliana, het 15e jaar van het Episcopaat van Monseigneur J.P. Huibers, is op de 8e november de eerste steen gelegd door Deken B. G. Hosman, van de parochiekerk Bakkum, die toegewijd aan Maria, haar Tenhemelopneming tot titel voert. In aanwezigheid van Deken B.G. Hosman, Pastoor J.Th.J. de Wit, Pastoor G.J. Goes, Burgemeester C.F. Smeets, architecten De Jongh, Taen en Nix uit Rotterdam, aannemer A. Castricum, opzichter G. Jansen en de leden van de bouwcommissie P. Stuifbergen en G. Borst en wethouder P. de Vries”.

Het Nieuw Noordhollands Dagblad schreef op 5 april 1951: “De bouw van de nieuwe Parochiekerk in het hart van Bakkum vordert goed.


Jaarboek 25, pagina 56

Dagelijks zijn tien a vijftien man in de weer en men hoopt omstreeks Pinksteren het kerkgebouw in gebruik te kunnen nemen.”

De consecratie van de kerk vond plaats op 21 augustus 1951 door de bisschop van Haarlem, Mgr. Huibers.
De consecratie van de kerk vond plaats op 21 augustus 1951 door de bisschop van Haarlem, Mgr. Huibers.

Op 29 mei 1951 vond de kerkinzegening plaats door vicaris-generaal Ammerlaan. Deze dag was voor pastoor De Wit wel een heel bijzondere dag, omdat hij ook zijn zilveren priesterfeest vierde. Op 3 juni van dat jaar werd de eerste plechtige H. Mis door pastoor De Wit in de nieuwe kerk opgedragen. Het kerkbestuur bestond toen uit pastoor De Wit, G. Borst, J. Kleverlaan, P. Stuifbergen en N. Veldt, de latere wethouder van Castricum. Op 21 augustus 1951 werd de kerk geconsacreerd door de bisschop van Haarlem, Mgr. Huibers, die daarna een pontificale Heilige Mis opdroeg.

Kerkenbollenveiling en kerkvee

Het spreekt vanzelf dat er heel wat geldmiddelen voor de nieuwe parochie nodig waren. Er moesten kerkgewaden in de liturgische kleuren worden aangeschaft, een monstrans (waarin gewijde hosties worden bewaard), een ciborie (kelk voor hosties) en andere altaarbenodigdheden. Pastoor De Wit wist veel bijdragen van de parochianen te verwerven. Verder werd er plaatsengeld vastgesteld; de eerste banken gingen 25 gulden per jaar kosten. Links waren de vrouwen- en rechts de mannenplaatsen. C. de Nijs, de latere koster, inde tijdens de kerkdiensten het geld voor de losse plaatsen.

Doordat de financiële situatie van de kerk redelijk gezond was, kon er na enkele jaren al gedacht worden aan een pastorie naast de kerk. De kosten daarvan werden begroot op 70.000 gulden en begin 1954 werd de pastorie door de firma P. de Nijs opgeleverd. Wat was pastoor De Wit blij, temeer omdat hij bij het bisdom gedaan had weten te krijgen dat er bij de pastorie ook een garage voor zijn oude Chevrolet kon worden gebouwd.

Gelden voor de jonge parochie vloeiden ook binnen via de kerkenbollenveiling. Het systeem werkte als volgt. Aan bollenkwekers werd gevraagd een partij bloembollen beschikbaar te stellen. Deze werden gepoot in een akker die gratis werd onderhouden. Als de tijd daar was, werd van de kansel afgekondigd dat de bloembollen in een café werden geveild. Zo’n veiling bracht heel wat geld op, omdat de koper vaak de gekochte partij weer beschikbaar stelde, zodat er weer opnieuw geveild kon worden. De grote man achter de kerkenbollenveilingen was Piet Zonneveld.

Ook was er een actie met kerkvee, het lammerenfonds. Daarvoor werden enige lammeren door veehouders een periode gevoederd en verzorgd en daarna verkocht. De opbrengst was dan voor de kerk. Ook kon men in het bezit komen van een ‘papieren lammetje’, waardoor men zich verplichtte een bepaald bedrag gelijk aan de verzorging van een lam aan de parochie bij te dragen. Later behoorden ook pinken tot het kerkvee. En nog steeds draagt de werkgroep ‘Bij de pinken’, onder de kundige leiding van Joh Duijn, jaarlijks enkele duizenden guldens als opbrengst van de verkoop van kerkvee aan de parochie af.

Groei en afname van de parochie

Door de uitbreiding van het dorp groeide het aantal parochianen gestaag van 1.584 in 1952 tot 2.404 in 1964. Pastoor De Wit kreeg dan ook in 1957 assistentie in de persoon van kapelaan Kok en later achtereenvolgens van kapelaan Wenneker en kapelaan Van Adrichem.

In oktober 1961 kwam Th.G. (Dirk) Brandsen als kapelaan naar Bakkum. Buiten zijn taak in deze parochie had hij een drukke baan in het ziekenhuis Duin en Bosch en in de zomermaanden verzorgde hij later ook de kerkvieringen op het kampeerterrein Bakkum. In die tijd kon men hem dan ook regelmatig op zijn bromfiets in het dorp aantreffen. In dit verband is het wel aardig te vermelden, dat het kerkbestuur op 5 november 1962 besloot de pastoor een autovergoeding van 500 gulden per jaar te geven en aan de kapelaan een bromfietsvergoeding van 100 gulden per jaar.

Rooms-katholieke Bethlehemkerk aan het Kortenaersplantsoen.
Rooms-katholieke Bethlehemkerk aan het Kortenaersplantsoen in Bakkum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Door de oprichting van de Bethlehemparochie aan het Kortenaerplantsoen in 1966 werd het grondgebied van de parochie verkleind. De spoorlijn werd toen de uiterste grens. Pastoor De Wit ging in augustus 1967 met emeritaat. Hij overleed plotseling nog geen drie maanden later. Opvolger was Chr. ten Velthuis, die pastoor van de parochie was van augustus 1967 tot 1 april 1972. De pastores Ten Velthuis en Brandsen waren parochiepriesters in een tijd waarin veel zaken in de katholieke kerk ter discussie werden gesteld.

De tijd van grote vernieuwingen voor kerk en maatschappij was aangebroken. De roep om inspraak en democratisering kwam ook binnen de kerk op gang. De ontkerkelijking was groot. Bij een enquête onder de Castricumse parochianen in 1968 werden al 41 procent niet praktizerenden geteld. Er werden gespreksgroepen van gelovigen opgericht en beide pastores onderhielden goede contacten met deze groepen die, daartoe aangemoedigd door de besluiten van het Tweede Vaticaans Concilie en in Nederland door onder andere bisschop Bekkers en kardinaal Alfrink, hun eigen verantwoordelijkheid niet uit de weg gingen.

Dit alles leidde tot enige vernieuwingen en veranderingen in de katholieke kerk. In 1969 werd in de Bakkumse parochie een parochieraad ingesteld, die deels bestond uit rechtstreeks door de parochianen gekozen leden en deels uit leden die, vanwege hun functie binnen de katholieke gemeenschap in Bakkum, vrijwel automatisch lid van de parochieraad dienden te zijn. De parochieraad was de voorloper van de huidige parochievergadering.


Jaarboek 25, pagina 57

Dirk Brandsen was kapelaan in Bakkum van 1961 tot 1984. Hij was zeer geliefd bij zijn parochianen.
Dirk Brandsen was kapelaan in Bakkum van 1961 tot 1984. Hij was zeer geliefd bij zijn parochianen.

Pastor Brandsen

Pastor Dirk Brandsen wist veel oude en jonge parochianen enthousiast te maken om mee te denken en mee te werken in werkgroepen en koren. Het eerste nummer van het parochieblad ‘de Schakel” verscheen en ouders gingen samenwerken in een gezinsvieringengroep. Jan Meijer en Leo Prinz leidden en begeleidden kinder- en jongerenkoren. In 1976 werd het 25-jarig bestaan van de parochie aangegrepen om de krachten van de Bakkumse gemeenschap te bundelen.

Er was een uitgebreid feestprogramma bestaande uit eucharistievieringen, een promenadeconcert, een muziekshow, het Orakels Cabaret, een bustocht door de duinen voor de ouderen en een groot slotfeest op het plein bij de Cuneraschool. Kort na deze festiviteiten werd de start gegeven van de actie ‘Geef Bakkum de ruimte’ voor de bouw van een ontmoetingsruimte bij de kerk. Dit leidde tot de feestelijke opening van ‘De Eenhoorn’ in november 1980.

Ontmoetingsruimte De Eenhoorn.
Ontmoetingsruimte De Eenhoorn aan de 2e Groenelaan in Bakkum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Naar een pastorale eenheid

Door een tekort aan priesters en het kleinere aantal gelovigen gingen in 1982 de drie parochies, St.-Pancratius, de Bethlehem en de Maria ten Hemelopneming één pastorale eenheid vormen. De pastores van die parochies, Brandsen, Van Dinteren en Vis rouleerden in de drie wijkkerken.
Ook op oecumenisch gebied ontwikkelden zich initiatieven, zoals de oprichting van de Raad van kerken Castricum, die cursussen en gespreksgroepen organiseerden en het houden van interkerkelijke liturgische vieringen.

In 1982 vierde de parochie het zilveren priesterjubileum van pastor Brandsen. In 1984 werd hij ernstig ziek. Hij schreef in ‘de Schakel’ van juli 1984: “Lieve mensen, u hebt mij dat leven aan de andere kant van het gordijn helpen te leven. Ik hoop dat we samen nog wat kunnen optrekken. Alle goeds voor u allen en tot een volgende keer. Ik blijf aan u denken in mijn contacten met de Schepper van al wat leeft.” Op 4 september 1984 overleed pastor Dirk Brandsen op 56-jarige leeftijd. Hij was bijna 23 jaar lang in Bakkum werkzaam en aan hem heeft de Bakkumse gemeenschap heel veel te danken.

Pastor Frits Bakker kwam in 1983 naar Bakkum en Castricum. Voor de drie parochies ging hij als vormingswerker vrijwilligers voor pastorale taken opleiden en begeleiden. Dankzij zijn enthousiaste aanpak ontstonden er werkgroepen voor liturgie, doop, vormsel, jongerenpastoraat en avondwake.

In 1986 kwam pastor J. Kroegman het priesterteam versterken. Daarvóór was pastor Th.V. Klawer een jaar voor de drie parochies werkzaam geweest. In 1989 werd pastor Jan van Diepen aangesteld, hij ging in de pastorie in Bakkum wonen. In het jaar daarna arriveerde pastor Gerard Huisman. In 1991 ging pastor Vis met pensioen. Van Diepen en Huisman vormden een hecht team, de taken werden goed verdeeld. Nieuwe plannen werden gesmeed, sommige konden worden uitgevoerd, andere werden niet opgepakt, omdat het elan van de jaren (negentien) zestig bij de gelovigen niet meer zo aanwezig was. De secularisatie nam grotere vormen aan. Toch ontstond er een nieuw kerkkoor ‘Cantare’. Pastor G. Zaal werd weekend-assistent voor de drie parochies.

Van Diepen had bij zijn komst al kenbaar gemaakt dat hij hier, gezien zijn leeftijd, hooguit tien jaar zou blijven. Hij heeft zich aan zijn woord gehouden en in augustus 1998 werd met pijn in het hart afscheid van hem genomen. Hij vertrok naar Den Helder en per 1 november van dat jaar werd kapelaan H. Versteeg tijdelijk benoemd. Het was al direct duidelijk dat deze benoeming in het geheel niet paste in de geest van de door de vorige pastores van Bakkum en Castricum geleide geloofsgemeenschap. Eind december 1999 nam Versteeg afscheid. Daarop volgde een jaar met invallende pastores, waaronder Luis Vergara, Bertus Stuifbergen en mevrouw L. Hoogeland. Het waren drukke tijden voor pastor Gerard Huisman, die ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum als pastoraal werker in september 2000 terecht in het zonnetje werd gezet. Per 1 maart 2001 volgde de benoeming van pastor Luis Daniel Vergara Fernandez uit Mexico. Pastor A.M. Cassee uit Heemskerk bleef administrator (kerkrechtelijk gezien het hoofd van de parochie). Per 1 juni 2002 is Vergara tot administrator van de gezamenlijke parochies van Bakkum en Castricum benoemd.

Vrijwilligers

Zoals eerder vermeld, werken er veel vrijwilligers in de parochie van Bakkum. Zij oefenen een zelfstandige functie uit, in een bestuur of in een werkgroep. De (vice)voorzitter heeft als coördinator een belangrijke taak. Peter Alkemade, een uitstekende organisator, was voorzitter van het kerkbestuur. Tijdens zijn voorzitterschap speelden de volgende belangrijke gebeurtenissen: het 25-jarig jubileum van de parochie (1976), het zilveren priesterjubileum van pastor Brandsen (1982), de vorming van een pastorale eenheid van de drie parochies (1982), het overlijden van pastor Brandsen (1984) en de vervulling van de daardoor ontstane vacature.

In 1987 kwam er een nieuwe parochiestructuur met een parochiebestuur en een parochievergadering. Harrie Geerts werd daarvan de nieuwe voorzitter. Onder zijn leiding kwam pastor Van Diepen naar hier. Veel jaren van overleg volgden naar aanleiding van het in 1990 verschenen rapport van de Commissie Kerkgebouwen Beverwijk, die van mening was dat twee van de drie parochiekerken in Bakkum en Castricum moesten sluiten. De Bethlehemparochie werd opgeheven.

In 1994 bepaalde het bisdom dat de kerk van Bakkum bleef bestaan en een zelfstandige parochie kon blijven. Harrie Geerts, die kan terugzien op een moeilijke maar geslaagde bestuursperiode, droeg in 1996 de vice-voorzittershamer over aan Nel Weckseler. Zij kwijt zich ook nu nog enthousiast van haar taak.

In 2000 heeft het bisdom nog eens bevestigd dat deze parochie kan blijven voortbestaan. Er moet dan wel sprake blijven van een levendige parochiegemeenschap met voldoende inzet van vrijwilligers. Hopelijk vormt de zeer geslaagde viering van het 50-jarig bestaan in 2001 een belangrijke basis voor een gezonde toekomst van de parochie van Bakkum.

Harry van de Sandt

De auteur Harry van de Sandt is redactielid van ‘de Schakel’, het parochieblad van de Bakkumse parochiegemeenschap.

Bronnen:

18 augustus 2021

De ‘Cunerakapel’ in Bakkum

Door: Eric Bor

Afb. 1. De kapel op een pentekening van Pieter Bruin, periode 1592-1643. Foto: Beeldbank Oud-Castricum

Hertog Willem van Beieren (de latere graaf Willem V)  liet in 1351 in Delft een gezegelde oorkonde opstellen, waarin stond dat hij ter ere van God een kapel zou stichten in Bakkum. Dit omdat zijn leger eerder die maand de scheepsslag bij Zwartewaal had gewonnen van het leger van zijn moeder, Margaretha van Beieren, waarmee Willem de heerschappij verkreeg over Holland. Zeer waarschijnlijk kwam hij tot de keuze van Bakkum (destijds vallend onder Egmond) als plaats voor de kapel op aanraden van zijn adviseur Jan van Egmond.

9 augustus 2021

Cunerakapel (Jaarboek 25 2002 pg 8-12)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 25, pagina 8

Cunerakapel

Cuneraschool.
Cuneraschool. Een Fins, houten ontwerp. Aquatint ets van Joke Cops. Foto Jacques Schermer. Toegevoegd.

Tot dusver is aangenomen en ook in de moderne geschiedschrijving vastgelegd (1, 2, 3, 4) dat omstreeks 1350 in het toenmalige Bakkum een kapel werd gebouwd die bekendheid heeft gekregen als Cunerakapel, genoemd naar Sint-Cunera, een vrouwelijke schutspatroon. De kapel stond aan de oostzijde van de Heereweg bij de Achterlaan en deed in later tijd dienst als rechthuis, schooltje en woonhuis. Omstreeks 1870 werd het gebouw gesloopt. De naamgeving is in Castricum onder meer blijven voortbestaan in de in 1949 aan de Vondelstraat gestichte en nog steeds bestaande St.-Cuneraschool. In dit artikel zal nader worden ingegaan op de geschiedenis van de kapel, in het bijzonder op nieuwe feiten die bij historisch onderzoek aan het licht zijn gekomen met betrekking tot het ontstaan en de naamgeving van de kapel.

Wapen van Heeren van Backum, 1700. Als raadhuis (rechthuis) werd de oude St.-Cunerakapel, op de hoek van Achterlaan en Heereweg in het centrum van Bakkum, gebruikt. In dit raadhuis was ook lange tijd een school gevestigd met één schoolmeester, maar in 1800 was deze school al vervallen en gingen de kinderen naar Castricum, Limmen of Egmond-Binnen naar school. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Een oorlog als aanleiding tot de ‘papieren’ stichting van een kapel in Bakkum

Bakkum was in de 14e eeuw een klein gehucht gelegen in het graafschap Holland, waar via een opeenvolgend vorstenhuis in de periode 1346-1389 het feitelijk bewind in handen was gekomen van keizerin en gravin Margaretha van Henegouwen en later van haar zoon graaf Willem V, die beiden sleutelfiguren kunnen worden genoemd in de geschiedenis van de kapel te Bakkum. Margaretha was een dochter van graaf Willem III (1286-1337) en werd op 13-jarige leeftijd uitgehuwelijkt aan Lodewijk IV, hertog van Beieren, leenheer van onder andere Henegouwen, Holland en Zeeland, die in 1314 tot koning van het Duitse Rijk werd gekozen en in 1328 in Rome zelfs tot keizer werd gekroond. Door dit huwelijk klom zij hoog op de ladder van bestuurlijke macht en kreeg zij de titel van ‘keyserinne’.

Begin 1346 werd Margaretha door haar echtgenoot beleend met Henegouwen, Holland, Zeeland en de heerlijkheid Friesland. Aan haar bestuurlijke taak, die hoofdzakelijk bestond uit rondreizen in deze gewesten om plaatselijke kwesties en conflicten op te lossen, kwam al snel een einde door problemen van haar echtgenoot met het keizerschap en door moederlijke beslommeringen (zij had reeds vier kinderen gebaard en er zouden er nog zes volgen). Margaretha vestigde zich definitief in München en belastte haar tweede zoon Willem, nog pas 13 jaar oud, in 1346 met het bestuur over de gewesten Holland en Zeeland, nog niet als graaf maar als zogenaamde ‘verbeider’. Gezien zijn leeftijd is duidelijk, dat Willem het bestuurlijk niet zonder adviseurs kon stellen en als een der invloedrijkste noemen we Jan I, heer van Egmond, die in het voornemen om juist in Bakkum een kapel te stichten wellicht een doorslaggevende rol heeft gespeeld.

Het waren roerige tijden, waarin Willem met zijn moeder ernstig in conflict kwam. Een belangrijke aanleiding voor de verslechtering van de verhouding was de plotselinge dood van Lodewijk van Beieren in 1347, als gevolg van een hersenbloeding tijdens een berenjacht. Margaretha kwam er als keizerin-weduwe nu alleen voor te staan en in de familie ontbrandde de strijd om de gigantische erfenis, waaronder het bestuur van de gebiedsdelen. Margaretha nam beslissingen, waaronder het stellen van zware financiële eisen aan haar troonsafstand als gravin, waardoor de positie van Willem V als toekomstig graaf van Holland en Zeeland in het geding kwam. Dit leidde tot een ingewikkeld conflict dat bekend is geworden als de Hoekse en Kabeljauwse twisten tussen bevolkingsgroepen, die voornamelijk vanuit belangen betreffende de eigen maatschappelijke positie partij kozen voor Margaretha dan wel Willem. De strijd tussen moeder en zoon culmineerde in een scheepsslag in juli 1351 bij Zwartewaal, gelegen tussen Vlaardingen en Den Briel, waarbij Willem de overwinning behaalde.

Een stichtingsoorkonde waarin Cunera niet wordt genoemd

Hertog Willem van Beieren liet in 1351 in Delft een gezegelde oorkonde opstellen, op perkament geschreven (5), waaruit blijkt dat hij bij het winnen van de scheepsslag bij Zwartewaal, ter ere van God, een kapel zou stichten in Bakkum.

De in het Latijn geschreven tekst luidt in vertaling als volgt:
“Wij Willem, hertog van Beieren, graaf van Holland en Zeeland, heer van Friesland, wensen dat aan allen die het aangaat bekend zal zijn dat wij, vermits wij in de kritieke fase van de scheepsslag welke wij daags na het feest van Martinus zaliger onlangs met onze opstandelingen en tegenstanders op de Maas vóór de plaats genaamd Zwartewaal hebben aangegaan, met plechtiger stemme hebben beloofd ter ere van God een kapel te stichten en met de haar toekomende vaste inkomsten begiftigen. Verlangend dezelve onze gelofte door God ingegeven naar behoren uit te voeren, stichten en doteren wij bij deze de genoemde kapel voor altijd, binnen de parochie van Egmond in een zeker gehucht genaamd Bakkum, in Godes naam. En wij geven, bestemmen en wijzen toe aan deze kapel ons land gelegen binnen de parochie van Spanbroek, gewoonlijk ‘des graven melm’ genaamd, met al zijn toebehoren. Met het verzoek aan en ons met bekwame spoed wendend tot de hoogwaardige vader en heer in Christus, de bisschop van Utrecht of zijn vicaris in deze, om bekrachtiging van de voor de genoemde kapel gedane fundatie en dotatie, opdat deze onze wilsbeschikking niet verloren ga. Tot getuigenis hiervan, enzovoorts, gegeven in Delft op de donderdag na het feest van de apostel Jacobus in het (dertienhonderd) één en vijftigste jaar (onzes Heren) op bevel van de hertog door de heren G. van Merxem en G. Witte.”
(getekend) D(ominus) Johannes Hillegom (of -ghim).

De datering der stichtingsoorkonde geschiedde in de destijds gebruikelijke kerkelijke stijl: donderdag na Sint-Jacobsdag in het 51e jaar (van de 14e eeuw wel te verstaan, dus 1351). Dat was donderdag 28 juli 1351, want Sint-Jacobsdag was (maandag) 25 juli en feris quinta in de latijnse tekst betekent donderdag (de vijfde dag van de week; de eerste was zondag, de dag des Heren).
Opmerkelijk is dat de stichtingsoorkonde geen schutspatroon aanwijst en dus niet rept van Cunera, maar van een kapel die er zou komen ter ere van God.

De betrokkenen bij de oorkonde

Gerard van Merxem, heer van Ekeren en Gerard de Witte, ridder, baljuw van Delftland, waren de kersverse raadsheren die namens de jonge hertog Willem diens zegel aan de oorkonde hechtten, onder getuigenis van Willems secretaris Johannes van Hillegom. De ‘D’ van Dominus voor diens geslachtsnaam wijst er op dat hij een regulier geestelijke was, waarschijnlijk de latere (28e) abt Jan II van de abdij van Egmond (1361-1381), “door zijn monniken als een gehate indringer gezien” en beschreven als niet geliefd bij zijn medebroeders, maar blijkens zijn grafschrift een handig bestuurder. Mogelijk waren deze dienaren van Willem ingelicht over het belang van een kapel in Bakkum.


Jaarboek 25, pagina 9

De vroegere kapel, zoals Andries Schoemaker haar schetste in 1726. ('s-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek).
De vroegere kapel, zoals Andries Schoemaker haar schetste in 1726. (‘s-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek).

Wellicht was de jonge hertog Willem zelf ook ingelicht; in ieder geval liet hij de stichting van een kapel in Bakkum vastleggen als de eerste uitwerking van een door hem zelf afgelegde gelofte daaromtrent. Hertog Willem bevond zich waarschijnlijk in Haarlem, Leiden of Dordrecht ter voorbereiding op zijn veldtocht in Zeeland. Het schijnt zeker dat niemand anders de jonge hertog Willem tot de eed kan hebben aangespoord dan zijn adviseur Jan van Egmond. We schreven zo even hertog Willem, niet graaf Willem, want graaf (van Holland enz.) was hij in 1351 nog niet; dat zou hij in 1354 pas onbetwist worden bij de verzoening met zijn moeder Margaretha. Willem was in 1351 titulair hertog van Beieren, meer niet.

De in de oorkonde genoemde dotatie of begiftiging met goederen betrof een grafelijk domein bij Spanbroek. Een ‘melm’ was een destijds gangbare veldnaam, een toponiem, een aanwas der zee, in West-Friesland veel voorkomend, maar later in onbruik geraakt. Het ging hier blijkbaar om bouw- en/of grasland in de ban van Opmeer en Spanbroek, waarvan in diverse charters uit de oude Leen- en Registerkamer van Holland sprake is, echter niet met betrekking tot de beoogde kapel in Bakkum. De jonge Willem was, gezien het bovenstaande, niet bevoegd de beoogde kapel te Bakkum te doteren met het grafelijke nieuwe land bij Spanbroek. Zijn moeder was in 1351 gravin van Holland en Zeeland, vrouwe van Friesland (dus ook van Spanbroek).

Geen aanwijzingen voor bekrachtiging van de oorkonde

De bisschop van Utrecht die de stichtingsoorkonde zou moeten bekrachtigen, was Jan van Arkel, met wie de graaf van Holland (met name Willem IV, de bij Warns in 1345 gesneuvelde oom van Willem V) een ambivalente politieke houding had. Jan van Arkel was anders dan zijn voorganger Jan van Diest (overleden in 1340) een krachtig vorst van het Sticht, die de bestuurskracht in de stad Utrecht herstelde en niet naar de pijpen van de nieuwe machthebbers in Holland wilde dansen. Zo gezien zou de zet met het pionnetje ‘Bakkum’ op het politieke schaakbord een misrekening van de Hollandse machthebbers blijken te zijn, want nergens is een spoor te vinden van een bekrachtiging van de in de oorkonde geuite wilsbeschikking door de Utrechtse bisschop (wiens kerkelijk gezag zich ook over Holland en West-Friesland uitstrekte) of zijn vicaris. Mogelijk heeft hertog Willems aanmatiging zich graaf van Holland enzovoorts te noemen, juist de afzijdigheid of afwijzing van de bisschop tot gevolg gehad!

Werd direct met de bouw van de kapel begonnen?

Wie denkt dat de stichtingsoorkonde van 28 juli 1351 binnen afzienbare tijd de bouw te Bakkum van de bedoelde kapel met zich meebracht, vindt voor die gedachte geen steun in de relevante bronnen der historie. In de oudst bekende kroniek uit de laat-vijftiende eeuw, een anoniem document lopende van de stichting van het klooster te Egmond in de 10e eeuw tot het jaar 1481, met onder meer een kerkenlijst, staat geen kapel te Bakkum vermeld, wel een te Wimmenum (7). Deze kapel van Wimmenum heeft omstreeks 1357 voor abt Hugo van Assendelft moeten dienen om de noordgrens van het gebied van de abdij af te bakenen. Diverse andere oude geschriften, waaronder de kroniek van Jan van Leyden geschreven omstreeks 1500 (8), de zogenaamde Divisiekroniek van 1517 door Cornelius Aurelius (9) en de historiën der bisschoppen van Utrecht en graven van Holland, uitgegeven in 1612 en 1643 (10), maken geen enkele melding van een kapel te Bakkum, evenmin als een bekend werk over de historie van Egmond van de hand van Hovaeus (11), een monnik te Egmond die in 1568 is overleden. Ook uit een aantal later te dateren geschiedkundige verhandelingen met betrekking tot de kerkgeschiedenis van Holland wordt de stichting van een kapel in Bakkum niet belangrijk genoeg geacht om te noemen en worden we over de werkelijke stichtingsdatum dus niets wijzer.

Bronnen waarin de Bakkumse kapel wordt genoemd

Men zou uit het ontbreken van enige aanwijzing omtrent een Bakkumse kapel in de oudst genoemde historische geschriften kunnen vermoeden, dat de stichtingsoorkonde van hertog Willem van Beieren niet tot de bouw van een kapel in Bakkum heeft geleid.


Jaarboek 25, pagina 10

De Cunerakapel afgebeeld op een geaquarelleerde pentekening getekend door Pieter Bruin, periode 1592-1643. (Archief Burgerweeshuis, gemeentearchief Amsterdam).
De Cunerakapel afgebeeld op een geaquarelleerde pentekening getekend door Pieter Bruin, periode 1592-1643. (Archief Burgerweeshuis, gemeentearchief Amsterdam).

Niettemin zijn er genoeg bronnen waaruit althans het bestaan van een kapel in Bakkum in oudere tijden zeker is, hoewel men daaruit geen stichtingsdatum kan afleiden en ook het verband met St.-Cunera niet overtuigend is.

De eerste publiciteit rond Bakkums kapel is, voor zover bekend, afkomstig van Andries Schoemaker (1660-1735), linnenwever en koopman te Amsterdam, die op zijn oude dag in een rijtuig voor zijn plezier de Republiek verkende in het gezelschap van zijn huishoudster en enkele bevriende tekenaars (12). De reizen vonden plaats in de periode van 1723 tot 1733. Schoemaker, amateur tekenaar, heeft de enig bewaard gebleven afbeelding gemaakt van Bakkums kapel, althans van het gebouwtje dat vóór de reformatie als kapel gediend heeft. De met waterverf ingekleurde tekening, ter plekke vanaf de Heereweg (noordzijde) gemaakt, heeft als onderschrift: “A.S.’t gewesene regthuys en school te Bakkum voor dese een Roomse kapel, Anno 1726.” Zo begint de ‘Korte beschrijving’ door Schoemaker, waar wij hier nog uit citeren: “(…) voorheen was hier een kapel welk gebouw nog in wesen is en boven aangetoond word, en door mij na ’t leven afgetekent; De voorgenoemde kapel: word de eene helft tot school, en de andere helft tot rechthuys gebruyckt. Dese buurt lyt seer vermakelijk na de duyn kant: en heeft weleer gehoort onder het graafschap van Egmond.”

Claas Bruin in Noordhollandse Arkadia uit 1732 (13) schrijft over de tussen Egmond-Binnen en Castricum gelegen ambachtsheerlijkheid Bakkum: “(…) voorheen was hier een kapel, welk gebouw nog in wezen is, alsmede een Rechthuis en School, deze plaats had veel last in 1573 door het volk van Don Frederik, dat van de belegering van Alkmaar hier doortrok”. De korte beschrijving van de kapel “welk gebouw nog in wezen is” doet denken aan Schoemaker.

Willem Hofdijk, de negentiende-eeuwse ‘minstreel van Kennemerland’ bezong de schoonheid van dit land in veel poëtische en historische contexten. D. van Deelen citeert hem in zijn boek ‘Historie van Castricum en Bakkum’. Maar diverse van Hofdijks geschriften reppen niet van Bakkums kapel, wel van die in Wimmenum: de kapel van Sint-Cosmas en Damianus, dichterlijk in de twaalfde eeuw geplaatst. Eén keer, in de ‘Kroniek der Kennemer Vrijbuiters (14), (over de strijd in de jaren 1573-1576 van de Kennemers tegen de Spaanse troepen) wordt Bakkum genoemd: “Al had het een eigen kapelle, niet veel meer dan een gehucht aan het duin.” En op de overzichtskaart in kleurendruk vanuit het zuiden getekend, werd de kapel aangeduid. Hofdijk zegt niets over de oorsprong der kapel.

J.C. van der Loos schrijft in 1925 in een artikel “over een meningsgeschil met betrekking tot het geestelijk rechtsgebied over Bakkum en Wimmenum” dat de heerlijkheid Bakkum sinds 1351 een kapel bezat welke door graaf Willem V uit dankbaarheid werd gesticht en aan S. Cunera was toegewijd”, met in een voetnoot: “Volgens een aantekening van pastoor Bommer te Castricum.”
Deze aantekening van Bommer is echter tot dusver niet teruggevonden.

Nieuwe feiten

De vondst van twee documenten uit het jaar 1439, die bewaard worden in de archieven van de Abdij van Egmond (15), legde de basis voor de visie dat de bouw van de kapel te Bakkum veel later plaatsvond dan Hertog Willem van Beieren zich in 1351 wellicht had voorgesteld, namelijk meer dan tachtig jaar later, rond 1439.

  1. Het eerste te citeren document is gedagtekend 9 maart 1439. Dit handvest betreft een overeenkomst gesloten tussen enerzijds de schout en geburen (bestuur) van Bakkum en anderzijds de pastoor van de kerk van Egmond, waar het ‘buurschap’ Bakkum onder viel.
  • De overeenkomst regelt in de eerste plaats de geestelijke bediening van een altaar in de kapel van het dorpje Bakkum en de verdeling van de offerandes en andere inkomsten die aan dit altaar toevielen.
  • In de tweede plaats wordt overeengekomen dat vanaf dat moment de dorpelingen wekelijks en voor een onbeperkte periode tweemaal per week de mis bij dit altaar mogen bijwonen.
  • In de derde plaats wordt bepaald dat de mis opgedragen moet worden door de pastoor of zijn kapelaan ofwel door een plaatsvervanger, tegen een redelijke beloning en volgens de regels, alles ter ere Gods en voor het zielenheil van hen die met dit doel een bijdrage in contanten hebben gegeven.

Jaarboek 25, pagina 11

  • In de vierde plaats is de geestelijke van Bakkum verplicht om zo vaak als de pastoor hem dat verzoekt, maar hoogstens tien maal per jaar, de mis op te dragen in de kerk van Egmond.
  • In de vijfde plaats zijn genoemde buurlieden verplicht om offerweken aan te wijzen, waarbij de offerandes aan de kapel aangeboden, in de vorm van waardevolle voorwerpen of in natura, zoals bijvoorbeeld vee, voor de helft aangewend dienen te worden ter dekking van de stichtingskosten en het onderhoud van genoemd altaar en kapel en voor de andere helft toevallen aan de pastoor om te voorzien in de uitgaven die hij redelijkerwijs moet doen ten behoeve van de kapel. Dit onder voorbehoud van zijn rechten op de gaven die ter gelegenheid van de mis op het altaar gelegd worden, welke gaven de pastoor voor zichzelf mag houden.
  • Voorts schrijft de overeenkomst voor dat alle jaren een ‘kermis-mis’ moet worden opgedragen: een mis ter gelegenheid van de kermis. Het woord ‘kermis’ komt van ‘kerkmis’. Met andere woorden een mis ter gelegenheid van de inzegening van de kerk. De ‘Kerkmis’ moest in Bakkum worden opgedragen op de eerste zondag na de naamdag van de heilige Cornelius, de schutspatroon van de kapel. Als naamdag van St.-Cornelius geldt soms 14, soms 16 september; hier werd – naar zal blijken – de 14e aangehouden.
  • Vervolgens bepaalt de betreffende overeenkomst dat een koster als bewaker van de kapel benoemd dient te worden door de pastoor van Egmond en de schout van Bakkum samen. Desgewenst kunnen zij er zelfs twee benoemen. Deze koster(s) is (zijn) verantwoordelijk en rekenplichtig aan de pastoor, de schout en de buurlieden.
  • Het contract regelt tevens de plaatsing van een offerblok in de kapel om de aalmoezen van de ‘goede luyden’ in te ontvangen. De pastoor en de koster(s) moeten elk een sleutel van het blok hebben om – desgewenst samen – het geld eruit te kunnen halen.
  • Het handvest legt een boete van vijftig kronen op aan diegene die de overeenkomst niet naleeft. Dit geld valt voor de helft toe aan de kerk van Egmond en voor de andere helft aan de partij die de overeenkomst wel gerespecteerd heeft; een en ander los van de rechten van de Moederkerk.
  • Het handvest eindigt in de vorm van een oorkonde die opgesteld en van een zegel voorzien is door Johan Odziersz., pastoor en Zoyer Gerijtsz., schout, tevens uit naam van de buurlieden.
  • Het document is in tweevoud opgemaakt. Een exemplaar werd in handen gesteld van de buurlieden, het tweede behield de pastoor zelf.

Een wijdingsoorkonde uit 1439

  1. Het tweede document, evenals de hiervoor genoemde overeenkomst gedateerd 9 maart 1439, betreft een wijdingsoorkonde door bisschop Martinus, Vicaris-generaal van de Utrechtse elect (niet gewijde bisschop) Walraven van Meurs. Deze wijdingsakte is geen contract, maar een eenzijdig juridische akte.

De oorkonde vangt (vertaald uit het Latijn) als volgt aan:
“Wij Martinus, bisschop van Majo, bij de gratie van God en de Apostolische Stoel voor het leven benoemd, met betrekking tot deze en andere hogepriesterlijke zaken, tot Vicaris-generaal van de vader en de heer in Christus, de Heer Walraven van Meurs, Elect van Utrecht, maken algemeen bekend dat wij in het 1439ste jaar des Heren, in de maand maart, op de negende dag daarvan, hebben ingewijd, geholpen door de genade der zevenvoudige gaven des Heiligen Geestes, een altaar in de kapel gelegen binnen de grenzen van de parochie van Egmond, kort geleden gebouwd ter ere van de heiligen Cornelius de martelaar, Jacobus de apostel, Jeronimus de belijder en Katharina de maagd, te hunner ere volgens afspraak met de rector van de genoemde parochiale kerk hebben ingewijd, geholpen door de genade van de zevenvoudige gaven des Heiligen Geestes. Van welks altaar de wijding, naar wij in tegenwoordigheid der omstanders hebben vastgesteld, ieder jaar op de eerste zondag na het feest van de gelukzalige Cornelius, in naam van God zal worden gevierd.”

In dit zelfde inwijdingsdocument kent bovengenoemde bisschop, in naam van God en de paus, vervolgens geheel volgens de traditie een aflaat van veertig dagen toe aan bezoekers en weldoeners, waaronder degenen die mochten hebben geholpen bij de bouw van de kapel door fysieke arbeid of die op andere wijze met grote inzet medewerking hadden verleend, ongeacht hoe vaak, voor welk bedrag en waar.


Jaarboek 25, pagina 12

Verdere geschiedenis van de kapel

Dat de Bakkumse kapel in het jaar 1554 nog in goede staat was, blijkt uit de overbrenging van het jaarlijkse feest van de wijding – gewoonlijk op de zondag na Kruisverheffing (14 september dus) gevierd – naar de eerste zondag na 1 november (2, 16).

De officiële mededeling hiervan sprak overigens niet van een ‘Corneliuskapel’ noch van een ‘Cunerakapel’, maar in het Latijn van ‘capellade Baccum’, dus eenvoudig de kapel van Bakkum. In de volgende jaren 1560 en 1570 werd de kapel meermalen beschadigd door troepen van de Geuzen, een periode waarin ook de Abdij van Egmond en het slot op den Hoef ten onder gingen. In 1576 was de kapel verlaten en in het begin van de 17e eeuw werd zij ingericht als ‘regthuys’ voor bestuur en rechtspraak door schout en schepenen en tevens als schooltje. Tot in de Franse tijd, in 1812, heeft het als zodanig dienst gedaan. Nadien werd het gebouw nog geruime tijd door de gemeente als woonhuis verhuurd. Op 29 januari 1873 werd het voormalige raadhuis met erf door de gemeenteraad van Castricum openbaar verkocht. Dirk Bruin, wonende in Castricum, werd de nieuwe eigenaar voor een bedrag van 606,- gulden.

Eva' s Hof aan de Achterlaan. Voor de bouw van deze rentenierswoning in 1874 werden oude stenen gebruikt van de Cunerakapel.
Eva’ s Hof aan de Achterlaan. Voor de bouw van deze rentenierswoning in 1874 werden oude stenen gebruikt van de Cunerakapel.

Omstreeks 1870 werd het bouwvallige woonhuis aan de Heereweg afgebroken. Stenen ervan werden gebruikt voor de bouw, aan de Achterlaan, van een rentenierswoning, ‘Eva’s Hof’ genaamd (4, 17). Ruim honderd jaar later werd ook deze woning weer afgebroken en nu werden de oude stenen van de oorspronkelijke kapel gebruikt bij de bouw van een modern landhuis, aan de Achterlaan, op een perceel naast dat van het vroegere ‘regthuys’ aan de Heereweg. De ouderdom van deze stenen werd ingeschat door de archeoloog E.H.P. Cordfunke, emeritus hoogleraar chemie der Universiteit van Amsterdam.

Steenlegging van eva's hof. Eva's hof aan de Achterlaan en had destijds nummer 6. De steen is nu ingemetseld in de hal van Achterlaan 2.
Steenlegging van Eva’s hof aan de Achterlaan, destijds nummer 6. De steen is nu ingemetseld in de hal van Achterlaan 2.

Zijn verslag, gedateerd 22 mei 2000, luidde:
“De stenen van de tot woonhuis verbouwde Cunerakapel te Bakkum werden na afbraak van het huis gebruikt om een nieuwe woning te bouwen. Dit huis werd eveneens afgebroken voor de bouw van een modern landhuis. De eigenaar ervan heeft de stenen van het afgebroken huis – die dus van de Cunerakapel afkomstig zijn – laten schoonbikken en gebruikt om ermee in zijn huis een open haard te metselen. Het steenformaat blijkt zeer uniform te zijn: de afmetingen 22 x 5 x 10,5 centimeter komen zonder uitzondering voor. Dit formaat is karakteristiek voor het begin van de 15e eeuw.”

De naam ‘Cunerakapel’

Noch in de stichtingsoorkonde van 1351, noch in de inwijdingsakte van 1439 is sprake van de naam Cunera. Het gebruik van de naam berust op een niet geïdentificeerde, aan de Castricumse pastoor Nicolaas Bommer (1777-1808) toegeschreven aantekening dat Bakkum sinds 1351 een kapel bezat “welke door graaf Willem V uit dankbaarheid werd gesticht en aan St. Cunera was toegewijd”.

Maar dit zijn de woorden van de schrijver (Van der Loos), niet van pastoor Bommer! Deze gaf in zijn ‘Korte beschrijving van de slag bij Castricum‘ (1799) onder meer een opsomming van de vernielingen en diefstallen, door de Franse troepen gepleegd, waaronder “De Klok van ’t Raadhuijs te Baccum, Eertijds de Capel van Sinte Cunera V & m (Latijn: vi et manu: gewelddadig en met blote handen) weggenoomen en gestoolen”(18).

In de late Middeleeuwen was Cunera een heilige die in de gebieden Utrecht en Noord-Holland veelvuldig vereerd werd. De boeren smeekten haar hulp af bij ziekte van het vee of als ze zelf last hadden van hoest of keelpijn. Het Cunera-feest werd op 7 of 12 juni gevierd (dag harer verheffing), of op 28 oktober (die van haar gewelddadige dood). Het is een feit dat de machtige heren van Egmond, baljuwen van Bakkum, sinds 1431 onder de heerschappij van Philips de Goede, zich erop beroemden afstammelingen te zijn van Radboud, koning van Friesland en beschermheer van Cunera.

Volgens de legende zou Radboud haar uit de handen van de Hunnen hebben gered. Het kasteel van Radboud stond in of bij Rhenen, wel te onderscheiden van het kasteel te Medemblik van de evenzeer legendarische Friese koning Radboud uit de tijd van Willibrord (rond het jaar 700). Omdat zij goed was voor de armen, werd Cunera geliefd bij het volk. Uit jaloezie zou de wettige echtgenote van de koning, de koningin van Friesland, Cunera hebben laten wurgen. Relikwieën van de heilige werden bewaard in de Abdij van Egmond.

Daarentegen verklaart de consacrerend bisschop in de inwijdingsakte van 1439 dat hij het altaar van de kapel in Bakkum onder bescherming heeft geplaatst van Cornelius en drie andere heiligen. Het feest van St.-Cornelius werd op 14 september gevierd, de dag van het Kruisverheffingsfeest. Opmerkelijk punt: de heilige Cornelius werd aangeroepen voor dezelfde kwalen als Sint-Cunera. De kerkgeschiedenis leert ons dat soms de ene heilige kon worden vervangen door een andere die meer geliefd was of beter bekend.

We hebben hiervoor vermeld dat in het jaar 1554 op gezag van de bisschop van Utrecht (George van Egmond, een oom van graaf Lamoraal van Egmond, 6e ambachtsheer van Bakkum 1541 – 1568!) zonder nadere uitleg, het inwijdingsfeest van de kapel van Bakkum werd verzet van de eerste zondag van het Kruisverheffingsfeest naar de eerste zondag na Allerheiligen (1 november).

Als de kapel werkelijk onder bescherming werd gesteld van de gevierde en zeer hooggeachte martelares, een persoon die zowel door het volk als door de adel werd vereerd, dan moet dat officieel hebben plaatsgevonden in genoemd kerkelijk jaar. Zodoende zou de verandering van de naam Cornelius in Cunera ten grondslag kunnen liggen aan de (dubieuze) moderne, regionale geschiedschrijving die zegt dat de kapel van Bakkum aan Cunera was gewijd.

Chris ten Raa

Noten:

  1. J .C. van der Loos, Meeningsgeschil omtrent het geestelijk rechtsgebied over Baccum en Wimmenum. Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem (BBH), 43, 1925.
  2. D. van Deelen, Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl, 1981.
  3. S. de Jong (redacteur), Op zoek naar Castricums Verleden, Schoorl 1992.
  4. N.A. Kaan, De gemeente Castricum en haar raadhuizen, 5e Jaarboekje Stichting Werkgroep Oud- Castricum, 1982.
  5. Th .H.F. van Riemsdijk, De Tresorie der Kanselarij van de Graven van Holland en Zeeland uit het Henegouwse en Bourgondische Huis, 1908.
  6. Rijksarchief te Haarlem, Archief van Spanbroek, inventaris bladzijde 1.
  7. Chronicon sive Gesta Abbatum Monast. de Egmond, 85 folio’s in 80, anonieme incunabel, Koninklijke Bibliotheek, ‘s-Gravenhage.
  8. Jan van Leyden, Kronyk van Egmond (of Jaarboeken der vorstelijke Abten van E.), uit het latijn vertaald door Kornelis van Herk, 1739.
  9. Cornelius Aurelius, Die Cronyke van Hollandt, Zeelandt en Vriesland … met die cronike der biscoppen van Utrecht, 1517 (de zogenaamde Divisiekroniek).
  10. Johannes de Beka en Wilhelmus Heda, de Episcopis Untraiectinis, 1643. Johannes de Beka, Historia veterum episcoporum ultrajectinae sedis, et comitum Hollandiae explicata … et Historia episcoporum trajectensium Wilhelmi Hedae, 1612.
  11. A. Hovaeus, Historie van de Edele Wel-Geboorne Heeren ende Graven van Egmond als oock, de Lijste ende korte Historie van de Abten van Egmond, uit het Latijn vertaald door P.C. Bokkenbergh. 1664.
  12. Andries Schoemaker, Korte beschrijving van steden, dorpen, herenhuizen etc. van West-Friesland, Kennemerland en Amstelland enz. met afbeeldingen, i.c. folio 28r. 1733.
  13. Claas Bruin, Noordhollandsche Arcadia, 1732.
  14. W.J. Hofdijk, Kronyk der Kennemer Vrijbuiters, 1872.
  15. Rijksarchief te Haarlem, Fonds Abdij van Egmond, inv. 72.
  16. P.M. Grijpink, Fundatie eener Capel binnen de parochie Egmond in het dorp Bachem (Baccum), 1351, BBH 30, 1906; 31, 1908. Over de ’translatio” (overbrenging) van het patronaatsfeest in 1554; Grijpink in BBH 39, 1920 (bladzijde 161) en K. Heeringa, Rekeningen van het Bisdom Utrecht 1378 – 1573,1932, dl 2 (bladzijde 216).
  17. Q. de Ruijter W. Jzn., Schippers van het Stet. Vertellingen en herinneringen uit Castricum en Bakkum, 1974.
  18. Regionaal Archief te Alkmaar, Archief van de Pancratius-parochie Castricum.

4 juni 2021

Van wie is de kerktoren?

De dorpskerk dateert uit de 11e eeuw maar er ging vermoedelijk een houten kerkje aan vooraf. Voor de kerk staat de kosterswoning

Door: Niek Kaan

Met de kerkmeesters van de Hervormde gemeente Castricum hadden burgemeester en assessoren (wethouders) in de 19e eeuw voortdurend verschil van mening over de vraag wie eigenaar was van de toren van De Dorpskerk.

8 april 2021

Duin en Bosch, begraafplaats (Jaarboek 22 1999 pg 29-31)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 22, pagina 29

De begraafplaats van Duin en Bosch

Begraafplaats Duin en Bosch.
Begraafplaats Duin en Bosch. Half augustus 2014 zijn er zeven bomen gekapt op de begraafplaats. Deze drie bomen bij het graf van Dr.J.W. Jacobi waren er een onderdeel van. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Toen het provinciaal psychiatrisch ziekenhuis Duin en Bosch in 1909 in gebruik werd genomen, was de organisatie zodanig geregeld dat het helemaal in de eigen behoeften kon voorzien. Op bijna geen enkele wijze was men afhankelijk van de omgeving.

Centrale en wasserij Duin en Bosch.
Centrale en wasserij Duin en Bosch. De wasserij en strijkkamer werden bemand door een deel van de patiënten. Watertorenpad 10-12, Duin en Bosch in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In de centrale werkplaats werd de benodigde elektriciteit opgewekt, men beschikte over een wasserij. Een ingenieus systeem zorgde ervoor dat de fecaliën en het was- en afvalwater via een apart riool over de zogenaamde vloeivelden werd verspreid teneinde de schrale duingrond nog enigszins vruchtbaar te maken. Een smalspoor verbond de paviljoens onderling: het maakte het vervoer van voedsel, gewassen kleding en andere zaken mogelijk. De tramlijn naar het station Castricum maakte Duin en Bosch tot een dorp op zich.

Begraafplaats op Duin en Bosch in Bakkum.
Begraafplaats op Duin en Bosch in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

En …er was de begraafplaats.

In het begin van de 20e eeuw heerste in wetenschappelijke psychiatrische kringen de opvatting dat de psychiatrie het meest duidelijk gedefinieerd kan warden als de leer der hersenziekten.
De deskundigheid van de psychiater was gelegen in zijn kennis van de anatomie der hersenen. Het bestuderen van de microscopische anatomie van de hersenen van overleden patiënten bood de mogelijkheid uiterst geringe afwijkingen te ontdekken, die men in samenhang met de waargenomen ziektebeelden trachtte te brengen.

Het anatomiegebouw in de beginjaren van Duin en Bosch.
Het anatomiegebouw in de beginjaren van Duin en Bosch.
Het Anatomiegebouw van Duin en Bosch in 1999. Het gebouw is na 1994 in gebruik geweest als kantoor van de activiteitendienst en weer later verhuurd aan een huiswerkbegeleidingsorganisatie. Sinds 2017 is het een woonhuis. Goudsbergen 12, Duin en Bosch in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Dat verklaart de betekenis van de Duin en Bosch begraafplaats, maar sterker nog van het gebouw dat zich bij de ingang bevindt: het anatomiegebouw. Het gebouw met de voor de architectuur van het ziekenhuis zo karakteristieke ‘vakwerkstijl’.

Opzichterswoning van Duin en Bosch.
Opzichterswoning van Duin en Bosch, Duinenboschweg 1 in Bakkum, 1908. De opzichterswoning was al vrij snel klaar voor gebruik want de opzichter kwam hier te wonen. In de omgeving is nog geen boom te ontdekken, die kwamen allemaal later. Collectie NHA. Toegevoegd.

De volgorde van de bouw van het ziekenhuis was als volgt: eerst werd de tramlijn gerealiseerd, daarna de twee opzichterswoningen aan de zuidkant van het ziekenhuis en daarna het gebouw voor anatomie. Daarin bevonden zich: “een lokaal voor het opbaren van de overleden patiënten, een vertrek met een katafalk (kleine verhoging voor een doodskist) voor de begrafenissen en een wachtkamer voor de familie van de overledene. In de andere helft van het gebouw was de sectiekamer en daarnaast twee vertrekken voor het laboratorium. Een van die vertrekken was bestemd voor het macroscopisch bewerken van preparaten, het tweede voor het vervaardigen en bestuderen van microscopische preparaten. Een donkere kamer voor fotografie sloot zich hierbij aan, terwijl op een zolder de gelegenheid was tot het inrichten van een museum voor het tonen van buitengewone hersenweefsel-coupes”, aldus dr. J.W. Jacobi in zijn secure rapportage in het jaarverslag van 1909.

Begraafplaats Duin en Bosch in Bakkum.
Begraafplaats Duin en Bosch in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Bijzondere betekenis

De begraafplaats is gelegen aan de oostzijde van het ziekenhuisterrein. In cultuurhistorisch opzicht is het een belangrijke plaats, omdat het een beeld geeft van de bejegening van de overleden patiënten en van de personeelsleden die er een laatste rustplaats kregen.
De opmerkelijke hiërarchie die er bestond rondom de plek waar verpleegden en functionarissen begraven werden, schetsen de opvattingen van destijds. Er zijn graven van mensen die in de geschiedenis van Duin en Bosch en de Castricumse gemeenschap een belangrijke functie vervulden, maar ook graven van jonge mensen waarvan het overlijden diepe indruk maakte bij de Bakkumse bevolking.

De oude graven, de schelpenpaadjes en de monumentale iepen geven de niet meer in gebruik zijnde begraafplaats een mysterieuze en rustige sfeer.
De oude graven, de schelpenpaadjes en de monumentale iepen geven de niet meer in gebruik zijnde begraafplaats een mysterieuze en rustige sfeer.

De begraafplaats was verdeeld in twee afzonderlijke gedeelten: een deel was bestemd als algemene begraafplaats en het andere deel was voor rooms-katholieke overledenen. In beide delen waren drie klassen te onderscheiden. De eerste klasse was voor hogere en middelbare ambtenaren, de tweede klasse voor het overige personeel en de derde klasse voor de patiënten.
Als de Commissie van Bestuur daarvoor toestemming verleende, was het geoorloofd de lijken van de leden van het gezin van het personeel, met inachtneming van de bovenvermelde klassenverdeling, hier te begraven. Een begrafenis vond in de regel plaats tussen 10 en 12 uur.

Alle overledenen werden naar de begraafplaats gedragen: bij de teraardebestellingen in de 1e en 2e klasse door tien, en bij begrafenissen in de 3e klasse door acht dragers. De dragers werden door de geneesheer-directeur uit het verplegend personeel aangewezen.


Jaarboek 22, pagina 30

De voorganger en de dragers waren bij een begrafenis verplicht in het zwart gekleed te gaan. Deze kleding werd door het ziekenhuis verstrekt. Bij begrafenissen in de 1e klasse werd voor elk lijk een afzonderlijk graf gemaakt. In de 2e en de 3e klasse was een graf voor drie overledenen bestemd. Als er van de overleden verpleegden geen nabestaanden waren of de familie geen grafsteen kon bekostigen, droeg het ziekenhuis zorg voor het plaatsen van een zwart houten kruis.

De begraafplaats op het voormalig terrein van Duin en Bosch.
De begraafplaats op het voormalig terrein van Duin en Bosch. Hier ligt onder andere begraven de eerste geneesheer-directeur Dr. Jacobi. Aquarel van John Casper, 2004. Foto van Jacques Schermer. Toegevoegd.

De graven

Een schilderij met de begraafplaats vol in beeld en gedateerd 20 mei 1920 is te bewonderen in het museum ‘Het Oude Huys’. Het geeft, gelet op de gedetailleerde wijze van schilderen, een betrouwbaar beeld van hoe het er toen, in 1920, uit zag. Er zijn 15 houtenkruizen te zien. In de 3e klasse zijn 29 grafmonumenten geschilderd. In de 1e en 2e klasse afdeling zijn 9 graven te onderscheiden. Dominant aanwezig is de grafzuil van de eerste directeur, dr. J.W. Jacobi. Het is een granieten obelisk omgeven door een fraai gesmeed hekwerk. Jacobi genoot veel respect en waardering onder de ziekenhuisbevolking. Het verhaal gaat dat het personeel dit ooit fraaie monument met stuivers, dubbeltjes en kwartjes heeft bekostigd.

Meneer van Keeken, economisch-directeur van Duin en Bosch achter zijn bureau in het Administratiegebouw.
De heer W.E. van Keeken, economisch-directeur van Duin en Bosch achter zijn bureau in het Administratiegebouw. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Het laatste personeelslid dat hier, in 1953, een rustplaats kreeg, was de heer W. E. van Keeken, destijds administrateur van bet ziekenhuis en een bekende man in Bakkum vanwege zijn grote verdienste voor de tennissport. Hij was mede oprichter van de Bakkumse tennisclub, die ooit in Duin en Bosch van start is gegaan. De tennisbaan lag links aan het einde van de Beukenlaan op de plaats waar nu Westlinge D te vinden is. Van Keeken beijverde zich als bestuurslid van de landelijke tennisbond voor het beoefenen van de tennissport door de jeugd. Het jaarlijks georganiseerde internationale jeugdtoernooi aan de Vinkebaan draagt daarom terecht zijn naam.

De grafstenen van de broertjes Gerrit en Henk Koeman.
De grafstenen van de broertjes Gerrit en Henk Koeman. Duin en Bosch in Bakkum. 2010. Op het eerste grafveld, links van het toegangspad, bevindt zich een graf met twee achter elkaar geplaatste stenen. Het is het graf van Gerrit en Henk Koeman, kinderen van Volgert Koeman en Johanna Maria Blei. Gerrit, geboren op 23 januari 1916, overleed op 12 december 1921 als gevolg van een infectieziekte. Op de slecht leesbare grafsteen staat: “Hier rust onze lieve jongen Gerrit Koeman, Overleden op 12 december 1921.” Gerrit was nog geen 6 jaar oud. Zijn broer Henk kwam in 1929 op 12-jarige leeftijd op tragische wijze om het leven door een ongeval.

Er is een bijzonder graf dat links van de ingang te vinden is en dat uit twee stenen bestaat. Het is het graf van Gerrit en Henk Koeman, zonen van een verpleger, die in de huizen van Duin en Bosch (nu gelegen aan de Van Duurenlaan) woonde. Gerrit overleed in 1928 na een ernstige infectieziekte. Zijn broer Henk kwam op tragische wijze om het leven door een ongeval in het stukje duin tegenover het huis van zijn ouders, om precies te zijn op de plaats waar zich nu de tuin van Professor Winklerlaan 7 bevindt. Het was in 1930, Henk was 13 jaar oud. Het was herfstvakantie en met vrienden had hij een hut gebouwd, een diepe kuil gegraven en deze afgedekt met boomstammetjes, takken en bladeren. Een onzichtbare hut, dat was de bedoeling. Op een gegeven moment toen Henk alleen in de hut was, stortte deze in. De andere jongens konden met hun blote handen weinig beginnen en renden naar Henks huis om hulp te halen, maar helaas duurde dit te lang. Na enige tijd werd de jongen levenloos uit het zand gehaald.

Het graf van Jan Blei, Duin en Bosch in Bakkum, 1977.
Het graf van Jan Blei, Duin en Bosch in Bakkum, 1977. Het zag er naar uit dat het graf van Jan niet meer gevonden kon worden, maar een foto uit 1977 bracht daar verandering in. Op de foto staat een gebroken zuil op een onderbouw. In die onderbouw zit aan de voorzijde een witmarmeren tekstplaat met het opschrift: ‘Hier rust onze lieveling Jan Blei, Geboren 10 Juli 1931, Overleden 24 Juli 1936’. Het grafmonument staat binnen een rechthoek van natuurstenen banden met daarop zes natuurstenen kettingpaaltjes. Op de foto staat ook een grafsteen met de naam Frans Bakker. Omdat die grafsteen er nog staat, kon het graf van Jan Blei worden gevonden.(2010) De zuil met de onderbouw bestaat niet meer, maar de tekstplaats ligt midden op het graf, verborgen onder afgevallen bladeren. Het graf wordt nog slechts gemarkeerd door de al eerder genoemde stenen banden met de kettingpaaltjes. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

En dan is er nog die kleine, ooit witte graf steen met als opschrift: ‘Hier rust onze lieveling Jan Blei. Geboren 10 Juli 1931. Overleden 24 Juli 1936’. Ook het verhaal rond de dood van Jan Blei zorgde voor heftige emoties. Zijn vader was eveneens verpleger in Duin en Bosch. Wat gebeurde er precies? De jongen was aan het spelen op ‘het duintje’, het deel van het dorp tussen de Van der Mijleweg en de grens van het ziekenhuis. Andere kinderen lieten er vliegers op. Op ‘het duintje’ stonden houten radio-antennepalen, waarop zich op de bovenkant een zinken kapje bevond, om inwateren tegen te gaan. Op een nooit meer te achterhalen wijze is één van die palen plotseling omgevallen en trof het hoofd van het spelende kind. Hij was op slag dood.

De oude begraafplaats van Duin en Bosch in Bakkum.
De oude begraafplaats van Duin en Bosch in Bakkum, 2005. In de zuidwestelijke hoek van het terrein van Duin en Bosch gelegen begraafplaats, in 1909 ontworpen in een decoratieve tuinstijl, met enkele kenmerkende grafmonumenten, waaronder dat van de eerste geneesheer-directeur dr. Jacobi. Het kerkhof is buitenom te bereiken maar ook vanaf het anatomiegebouw via een smal pad. De begraafplaats kende een onderverdeling in drie klassen. Sinds 1955 wordt hier niet meer begraven en is de begraafplaats niet of nauwelijks aan verandering onderhevig geweest. De begraafplaats is op een onregelmatig rechthoekig grondplan ontworpen met longitudinale hoofdas en dwarsas. De zuidwestelijke helft is door middel van paden onderverdeeld in vier, niet even lange, afgeronde stroken. Op de kruising van de hoofdassen bevindt zich een rotonde met in het middengazon een treurwilg. Langs de assen en aan de randen monumentale bomen. De velden hebben een groenaanleg vrijwel zonder bomen. Het graf van Jacobi heeft een in graniet uitgevoerde manshoge obelisk. Andere graven, in de meeste gevallen staande grafstenen zijn ook in natuursteen uitgevoerd, in verschillende gradaties van kostbaarheid, in een enkel geval met smeedijzeren kettingen of een smeedijzeren hekwerk. De begraafplaats uit 1909 is van algemeen belang als historisch-functioneel onderdeel van het ziekenhuiscomplex Duin en Bosch. Vanwege het ontwerp in decoratieve tuinstijl en de inrichting met groenaanleg, padenstelsel, grafstenen en hekwerken. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
 

De functie wordt opgeheven

Op 20 mei 1960 vond de laatste begrafenis plaats. Het was een man van 66 jaar die in 1929 was opgenomen en dus 31 jaar in Duin en Bosch had gewoond. In 1963 werd het formele besluit genomen de begraafplaats definitief te sluiten. De vroegere wet op de lijkbezorging schreef voor, dat een niet meer gebruikte begraafplaats tenminste 30 jaar na de sluiting braak moest liggen.


Jaarboek 22, pagina 31

De plaats kon dus niet worden geruimd. Misschien hebben de beleidsmakers van het ziekenhuis toen de tekst van de wet iets te letterlijk gevolgd. De begraafplaats verloederde en verkeerde in desolate toestand. De tand des tijds deed zijn werk en vandalen gingen hun gang: grafzerken werden omgegooid, de paden raakten overwoekerd door onkruid. Het was de tijd die het einde van het ‘self-support’ karakter van het ziekenhuis inluidde: de tramlijn, tot dan toe nog noodzakelijk voor de aanvoer van cokes voor de centrale, werd opgeheven; de tramremise werd verplaatst en kreeg een andere functie: houtopslag voor de bouwkundige dienst.

De begraafplaats van Duin en Bosch in Bakkum.
De begraafplaats van Duin en Bosch in Bakkum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De sluiting van de begraafplaats stond dus niet op zich zelf, maar paste in de ontwikkelingen van de tijd. De psychiatrie veranderde. Men ging beseffen dat de mens, onder wat voor omstandigheden dan ook, een individu is dat op zijn omgeving blijft reageren, en dat het om die reden van groot belang is dat de omgeving van een psychiatrisch ziekenhuis deel uitmaakt van zijn bestaan. Een aantal psychiatrische inrichtingen, onder andere ‘de Willibrordus’ in Heiloo, voegde in die tijd het woord ‘centrum’ toe aan hun oorspronkelijke naam, om daarmee aan te geven dat men het middelpunt wenste te zijn van de zorg voor geestelijk zieken, maar dan in samenhang met de omliggende gemeenschap.
Duin en Bosch hield zijn eigen naam, zonder nadere toelichting, maar bleef niet achter bij de trend: het realiseerde het cultureel centrum ‘de Clinghe’ met een zalencomplex dat niet alleen voor intern gebruik bestemd werd, maar waar ook de omgeving van het ziekenhuis van kon profiteren.

De schuur van duinboerderijtje "De Kwekerij" in vroeger tijden.
De schuur van duinboerderijtje “De Kwekerij” in vroeger tijden. Duin en Bosch in Bakkum. Een heel oud huis uit de 17e eeuw heet wel ’t Oude Huis. Oorspronkelijk heette het De Kwekerij. Tot 1830 eigendom van L. Boreel die het huis en de landerijen aan Koning Willem 1 heeft verkocht. Hier nog met een houten landbouwschuur, een volledige stolp. Het stenen gedeelte ligt er recht achter.

In 1969 werd in een oude duinboerderij, bij gelegenheid van het 60 jarig bestaan, een museum ingericht. De doelstelling van het museum is het veiligstellen en toegankelijk houden voor een breed publiek van het historisch bezit van het voormalig rijkskrankzinnigengesticht, later provinciaal ziekenhuis te Medemblik en van Duin en Bosch. De bezoekers kunnen, kijkend naar de talrijke voorwerpen uit het verleden, mogelijk een ander en misschien beter inzicht krijgen in de psychiatrische praktijk van nu.

De grafzuil van Dr. J.W. Jacobi.
De grafzuil van Dr. J.W. Jacobi.

Natuurmonument

In 1993 werden de begraafplaats en het omliggende duingebied tot natuurmonument verheven. De kwalificatie ‘monument’ dankt het aan een aantal onderdelen. De begraafplaats op zich is een monument maar ook de omgeving is bijzonder. De oorspronkelijke paden zijn weer in ere hersteld en worden omzoomd door 25 ‘monumentale iepen’ ; centraal op de plek staat een, in de entourage passende ’treur-iep’. Alle bomen dateren uit de begintijd van het ziekenhuis. Ze zijn exclusief, omdat een iep, zo dicht bij de zee gegroeid, zelden een zo buitengewoon formaat heeft. Om ze tegen de iepziekte te beschermen, wordt de bast van de bomen jaarlijks geïnjecteerd, teneinde de gevreesde schimmel op afstand te houden.

De Clinghe op Duin en Bosch in Bakkum.
De Clinghe op Duin en Bosch in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Tot slot: de voormalige begraafplaats is ook het unieke domein van een aantal vleermuissoorten. De dwergvleermuis bezoekt ’s zomers het gebied om er zijn kostje bij elkaar te scharrelen. De vleermuis die eigenlijk in het gebied woont, is de grootoorvleermuis: een in Nederland steeds zeldzamer wordende soort, die zich ’s winters schuil houdt op een zolder van de nabijgelegen Clinghe.

Gerrit Schumm

Bronnen:

  • Het jaarverslag van Duin en Bosch van 1909
  • Linda Kos, documentalist medische bibliotheek Duin en Bosch.