Gereformeerde Kerk (Jaarboek 36 2013 pg 18-27)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Pancratiuskerk in Castricum:
Pancratiuskerk tot reformatie  – Pancratiuskerk: restauratie in 1953 – Pancratiuskerk: restauratie in 1992 – Klok van de Hervormde kerkGroeten uit Wetsinge
Verschenen artikelen over de katholieke Pancratiuskerk in Castricum:
R.K. Pancratiusparochie – R.K. Pancratiuskerk, vorige
Verschenen artikel over begraven in Castricum
Verschenen artikel over de Gereformeerde kerk in Castricum: De Gereformeerde Kerk van Castricum (1931-2005)
Verschenen artikel over de Nederlands Hervormde Gemeente in Castricum: Nederlands Hervormde Gemeente
Verschenen artikel over 50 jaar kerk in Bakkum


Jaarboek 36, pagina 18

De Gereformeerde Kerk van Castricum (1931-2005)

Castricum telde ongeveer 11.000 inwoners toen in 1955 aan de rand van de toenmalige bebouwing op de hoek van de Prinses Beatrixstraat en de Kleibroek de Maranathakerk werd gebouwd. Tot 2006 was het gebouw van de Gereformeerde Kerk en nu (in 2013) behoort het tot de Protestantse Gemeente Castricum. Achthoekig van vorm, omringd door bijgebouwen en met in top het hugenotenkruis, ook wel het kruis van de calvinisten genoemd. De ombouw dateert uit 1978. Het achthoekig centrum werd in 1955 gebouwd ter vervanging van de kerk aan de Beverwijkerstraatweg 32, nu een zakenpand.

Het ‘lokaal’ aan de Beverwijkerstraatweg in september 1920 met de heer Cornelis Baart, zijn echtgenote Helena Nuis en dochter Trijntje tussen hen in.
Het ‘lokaal’ aan de Beverwijkerstraatweg in september 1920 met de heer Cornelis Baart, zijn echtgenote Helena Nuis en dochter Trijntje tussen hen in.

Het lokaal

Vroeg in de vorige eeuw had zich een klein aantal gereformeerden in Castricum gevestigd. Zij hadden hun werk veelal op Duin en Bosch en behoorden tot de kerk van Beverwijk. Sinds december 1918 hielden zij hun kerkdiensten bij een van hen thuis.
Twee jaar later bouwt de kerk van Beverwijk aan de Beverwijkerstraatweg in Castricum een ‘lokaal’ ten behoeve van haar Castricumse leden. Vanaf september 1920 houden zij daar hun zondagse diensten.

Ruim tien jaar later, op 18 januari 1931, wordt ‘het lokaal’ door dominee F. Kramer van de kerk in Beverwijk geïnstitueerd tot de Gereformeerde Kerk van Castricum. Dat heeft tot gevolg dat per die datum 89 leden worden overgeschreven van de kerk van Beverwijk naar die van Castricum. De familienamen van die leden zijn: Baart, Bakker, Bokelman, Bontan, Brandsen, Brug, Van Dalfzen, Doekes, Eikelenboom, Eilander, Fey, Hellinga, Hendrikse, Ineke, De Jong, Van Kerkhof, Krösschell, Kuperus, Van der Meulen, Moes, Oortgijsen, Procee, Rozemuller, Visser, Wessels, Witbaard en Woudenberg.

De kerkenraad gaat bestaan uit de ouderlingen Cornelis Baart en Age Kuperus en diaken Jan Hendrikse. Al gauw ontstaat behoefte aan een eigen voorganger. Die wordt gevonden in theologisch kandidaat D.B. Lengkeek uit Rotterdam, die vanaf februari 1932 als hulpprediker wordt aangesteld. Per 1 november van dat jaar vertrekt hij naar Rotterdam-Delfshaven. Een jaar later neemt dominee Johannes Krüger uit Elburg het beroep aan dat op hem was uitgebracht.

Het interieur van de Gereformeerde kerk aan de Beverwijkerstraatweg in 1934.
Het interieur van de Gereformeerde kerk aan de Beverwijkerstraatweg in 1934.

Binnen de landelijke organisatie van de Gereformeerde Kerken behoort die van Castricum tot de ‘hulpbehoevende kerken’. Met dat stempel ondernemen de Castricummers acties tot geldwerving voor uitbreiding van de kerkruimte. Die is niet alleen nodig vanwege de groei van het aantal leden, maar ook voor de opvang van zomerse vakantiegangers.
In mei wordt begonnen met het vergroten van de zaal en wordt in De Standaard (een landelijk gereformeerd dagblad) een advertentie geplaatst voor het verkrijgen vaneen lening. Aldus wordt de verbouw gefinancierd. Op22 juli 1934 volgt de intrede dienst van dominee Krüger in het zojuist van 50 tot 140 zitplaatsen vergrote kerkgebouw. Inmiddels heeft dominee Krüger een aannemer opdracht gegeven tot de bouw van zijn huis aan de Beverwijkerstraatweg 140 dat de naam ‘Nieuw Silvold’ (zie noot 1) krijgt, een verwijzing naar Silvolde-Gendringen waar Johannes Krüger, 28 jaar oud, op 9 januari 1910 predikant werd. Tegen het einde van 1934 betrekt hij de pastorie.

Dominee Krüger komt in een kleine kerkgemeenschap vol activiteiten. De kerkenraad was al eerder ingegaan op het verzoek van het gemeentebestuur mee te helpen


Jaarboek 36, pagina 19

in het gemeentelijk crisiscomité. Alle hens aan dek was nodig om hulpbehoevende burgers bij te staan. Dat was een zorg die de diaconie in haar kerkenwerk al volop kende, ‘stille hulp’ aan leden die het financieel niet meer konden bolwerken.
Bij de Nederlandse Zuivelcentrale wordt een aanvraag ingediend voor het beschikbaar krijgen van vet, reuzel en margarine als kerstgift aan degenen die die hulp hard nodig hebben. De meisjes- en jongelingsverenigingen zijn volop actief, de evangelisatiecommissie verspreidt wekelijks het blad de ‘Goede Tijding’ en intern wordt veel tijd besteed aan huisbezoek, dat toeneemt met de groei van het aantal leden.Eind december 1934 is dat aantal op 125 gekomen en zal in 1939 tot 210 stijgen.

In 1937 behandelt de kerkenraad het synodale rapport over de NSB en de CDU (Christen Democratische Unie; pacifistisch). De synode spreekt daarin uit: “Dat er geen plaats is voor leden onzer Gereformeerde Kerken in organisaties die uitgaan van het leidersbeginsel, van de nationalistische totalitaire machtstaat en van de antimilitaristische verwerping van de oorlog.” Dit rapport zal van invloed geweest zijn op de houding van veel gereformeerde Castricummers.
Op 29 september 1938 wordt een dienst van gebed gehouden vanwege de kritieke internationale situatie. Duitsland dreigt verder te gaan dan de bezetting van Oostenrijk: het is bezig troepen samen te trekken bij Sudetenland.

Dominee Johannes Krüger.
Dominee Johannes Krüger.

De oorlogsjaren

Op 10 mei 1940 vallen Duitse legers Nederland binnen.Tijdens de kerkenraadsvergadering op 3 juni van dat jaar zegt voorzitter Krüger:
“Er is reden om de adem in te houden van schrik, maar dat Gods Woord nog gebracht mag worden, daarvoor is dankbaarheid en wij bidden dat wij het getrouw mogen blijven doen.” Er wordt een collecte gehouden ten behoeve van de ‘zwaar geteisterde gereformeerde kerken in Rotterdam’.

Regelmatig ontvangt de kerkenraad een circulaire van de Generale Synode. Deze dragen vaak het stempel ‘Niet voor publicatie bestemd’. In een eerste brief roept de Synode op ‘uw inzicht te laten bepalen door Gods Woord en dat u waakt tegen elke machtsuitoefening van de Staat’. Samenwerking met de door de Duitsers ingestelde ‘Winterhulp’ wordt de kerkenraad afgeraden in een circulaire van de Centrale Diaconie: de actie Winterhulp houdt geen rekening met de aard en de bedoeling van de kerkelijke armenzorg en bevestigt de vrees van inmenging in onze aangelegenheden.

In juni 1941 wordt dominee Krüger door de Duitse politie van huis gehaald. De kerken- raad spreekt er zijn vreugde over uit dat hij nog dezelfde dag vrij komt. Ook gemeentelid Krösschell wordt gearresteerd, zit een tijd gevangen en komt 5 oktober in dat jaar de kerkenraad begroeten.

Organist van de kerk is Van Ginhoven. Al langere tijd wordt hij wegens afwezigheid vervangen door de reserve-organisten Doekes, Kuperus jr. en Van de Vliet. Op 8 mei 1941 wordt Van Ginhoven (zie noot 2) in Amsterdam door de bezetter gearresteerd wegens spionage en sabotage. Bijna twee maanden later, op 30 juni, wordt Age Kuperus in Schoorl gevangen gezet en later naar Buchenwald overgebracht (zie noot 3). Ook Belgraver wordt gevangen genomen. Op 18 december 1942 komt Kuperus weer thuis. Belgraver zou pas kort voor de bevrijding vrij komen. Naast Huibert van Ginhoven hebben ook Gerrit Krösschell, Simon Belgraver en Age Kuperus, leden van de Gereformeerde kerk, zich actief afwerend tegenover de bezetter opgesteld.

Huibert van Ginhoven

Op 4 oktober 1941 hoorde Huibert van Ginhovenin het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam het doodvonnis tegen zich uitspreken. Na de uitspraak hief mevrouw Van Ginhoven, bijgevallen door anderen, het Wilhelmus aan.
Op 11 november 1941 schrijft Huibert van Ginhoven vanuit zijn gevangenis in Amsterdam aan de leden van de Gereformeerde Kerk in Castricum (zie noot 4) : “Ruim vijf jaar (zie noot 5) mocht ik onder u verkeren. Mijn werk als organist was mij lief. Ik zou dit allen wel willen inhameren. Besef toch welke zegeningen gij wekelijks ontvangt in de Bediening des Woords, in Catechisatie en Vereniging.


Jaarboek 36, pagina 20

Bij mij was ook veel sleur, gewoonte. Hoeveel Psalmen speelde ik niet voor u, zonder recht de woorden te verstaan. Zeker, ik las ze steeds na voordat ik ze speelde, maar o zo vaak alleen uit muzikaal oogpunt. Hoe moet ik ze spelen. Nu weet ik beter. Nu zou ik zo graag elke Psalm goed doordacht willen spelen, wat er gezongen wordt.
In dit gehele halve jaar hoorde ik tweemaal een preek. Deze tijd heeft mij veel geleerd, vooral na 4 oktober. Geen uwer weet, Goddank, wat een doodvonnis betekent en ik zal niet proberen u dit duidelijk te maken. Ik wil alleen u schrijven, wat ik voel, hoe alles in mij stukgeslagen werd, alle trots en eigen waan geknakt, tot er niets meer overbleef. Of niets, nee veel. Een totaal gebroken mens met een volkomen gebroken geest. Na veel worstelen en gebed werd mij duidelijk dat ik voor grote zegeningen danken kon; nee, moest. God gaf mij rust en vertrouwen in Zijn Leiding met mij en de mijnen. Hij gaf mij vrede met de mensen. Hij leerde mij bidden ook voor hen, die mij verraden hebben. Hij nam alle haat en wrevel uit mij weg. Hij gaf mij de lust Hem mijn zonden, verkeerde daden en gedachten te belijden. Hij gaf mij troost mij vast te klampen aan Christus’ verlossingswerk. Het is heel moeilijk geweest om zover te komen. Bedenk hoeveel ik achter moet laten als het vonnis voltrokken moet worden, wat Hij genadiglijk verhoede. Vrees en benauwdheid zijn in ruime mate mijn deel geweest en nog slaan ze soms als een vloedgolf over mij heen. Dan moeten we God danken een Rots te hebben waar we tegen kunnen leunen.
Deze week zong een andere gevangene op één der luchtplaatsen: ‘Veilig in Jezus armen’. Zo is het. Maar wij beseffen het vaak niet, vooral als ons leven gewoon verloopt. Laten wij allen het ons bewust worden, dat wij in zijn armen veilig zijn, maar ook alleen daar en nergens anders. Nog weet ik niet wat God over mij besloten heeft, maar ik kan nu rustig afwachten. Gemeente van Castricum, blijf mij en de mijnen in uw gebeden gedenken. We hebben het nodig. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, maar Zijn Bedoeling is goed, hoe dan ook en Zijn Doen is Majesteit.
Ik neem geen afscheid van u en wij zullen elkaar eens weer zien. God weet alleen of dat hier beneden of hierboven zal zijn. Mocht het Zijn Wil zijn mij op te nemen, dan bid ik de genade te mogen ontvangen, om de woorden van psalm 43-4 tot de mijne te maken. God zegene u. Tot weerziens, uw broeder Ginhoven.“ (zie noot 6)
Op 17 maart 1942 wordt Huibert van Ginhoven op de schietbaan van Laren gefusilleerd (zie noot 7).

In augustus wordt dominee Krüger uitgenodigd aanwezig te zijn bij de ambtsaanvaarding van de NSB-burgemeester. Hij gaat daar niet op in.

De Synode schrijft in een circulaire dat zij heeft moeten constateren, dat pogingen aangewend worden om haar laatste besluiten niet als wettig te erkennen. In juni 1942 heeft de Synode met overgrote meerderheid een besluit genomen over de betekenis van de doop. Een minderheid kan zich daar niet bij neerleggen en blijft de kerken oproepen tot het niet erkennen van het genomen Synodebesluit. Twee weken later spreekt de Synode over de bezwaren van die minderheid, verwoord door de professoren Schilder en Greijdanus. Deze bezwaren zouden in 1944 tot een scheuring in de Gereformeerde Kerken leiden. Tot april1947 zouden 13 leden van de Gereformeerde Kerk Castricum overgaan naar de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk.

Verspreiding gemeente

In december 1942 eist de Duitse bezetter evacuatie van een groot deel van de bevolking van Castricum en Bakkum. Dominee Krüger wijst erop dat de evacuatie de gemeente sterk zal verspreiden. Velen zullen gedwongen moeten verhuizen naar plaatsen buiten Castricum. Hij spoort iedereen aan de nieuwe adressen zo veel mogelijk door te geven en er ook voor te zorgen dat de kerkelijke bijdrage gehandhaafd blijft. Voor de geestelijke verzorging van de Castricummers mogen een pastoor, een kapelaan en de hervormde dominee blijven. Pogingen van dominee Krüger om ook te blijven, hebben geen resultaat. Hij vertrekt met zijn gezin naar Beverwijk.
In mei 1943 wordt de kerk in beslag genomen. De kerkenraad vergadert in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam. Eind augustus komt een deel van de kerk weer voor de gemeente beschikbaar, inclusief de bovenwoning.

Heroriëntatie en groei

Vanaf voorjaar 1944 worden geen kerkenraadsvergaderingen meer gehouden. In de eerste vergadering van na de oorlog op 15 september 1945 herdenkt voorzitter Krüger dat ons land door Gods hand weer bevrijd is. Tijdens de evacuatie zitten drie kerkenraadsleden in Amsterdam, een in Medemblik en de vijfde (C.J. Baart) wordt als noodouderling voor Castricum benoemd.
Per januari 1946 wordt een nieuwe kerkenraad bevestigd: Simon Belgraver en Jelle van der Meulen als ouderling, Klaas Bakker en Leendert Vaalburg als diaken.

In de eerste gemeentevergadering van na de oorlog (mei 1946) geeft dominee Krüger een terugblik op de afgelopen vier jaren. In het verslag daarvan is nieuw dat de kerk voor wapenopslag wordt gebruikt en dat op kamp Bakkum samenkomsten met OT-werkers (zie noot 8) worden georganiseerd. Opvallend is dat geen melding wordt gemaakt van de fusillade van Huibert van Ginhoven en van de gevangenneming van dominee Krüger’s zoon Theodoor bij de razzia op 1 oktober 1944 in Putten (zie noot 9). Theodoor Krüger, geboren in mei 1914 in Silvolde, was een van de vele honderden die vanuit Putten werden afgevoerd naar Neuengamme; hij overleed daar op 12 maart 1945. Zijn naam staat geschreven in de muur van de Gedachtenisruimte ‘Oktober44’ in Putten.

Op 26 februari 1950 neemt dominee Krüger afscheid van Castricum wegens emeritaat. Theologisch kandidaat A.G. Kornet volgt hem op vanaf 5 maart 1950; Torenstraat 24 wordt de pastorie.


Jaarboek 36, pagina 21

In 1951 wordt een bouwcommissie ingesteld die alle Gereformeerde Kerken in Nederland een circulaire toestuurt met het verzoek eenmalig een collecte te houden ten behoeve van de kerkbouw in Castricum. Aan dat verzoek gaat vooraf: “In ons dorp vindt men, behalve twee grote R.-K. kerken en een oude Ned. Hervormde kerk nog een klein, onaanzienlijk gebouwtje, dat niet als kerk kenbaar zou zijn, indien dit niet op een naambord was vermeld. Hier vergadert, nu ongeveer 30 jaar (Nota Bene!), de Gereformeerde kerk. Dit gebouwtje verkeert in staat van bouwvalligheid. Noodgedwongen zullen wij op vrij korte termijn tot nieuwbouw moeten overgaan.

Er worden allerlei geldwervingsacties ondernomen, zoals orgelconcerten in omliggende steden. Als dominee Kornet elders gaat preken, gaat er een brief naar die gemeente met een verzoek tot geldelijke steun, zoals op 8 juni 1952: “Wij wonen in een omgeving, waarin de macht van Rome steeds meer toeneemt. Er staan twee prachtige roomse kerken in Castricum. De hervormde kerk heeft een vrijzinnige predikant. Onze kerk is klein; wij behoren tot de hulpbehoevende kerken. Het kerkje is bouwvallig. Zoudt u in ernstige overweging willen nemen een collecte te houden ten bate van kerkbouw in Castricum?”

In diezelfde maand richt een gemeentelid zich tot de classis Haarlem:
De kerk van Rome bouwt ook, en hoe? In het bisdom Haarlem moeten binnen afzienbare tijd 30 kerken worden gebouwd, en die komen er, want het gehele bisdom offert elke zondag in de eerste collecte voor nieuwe kerken. In Castricum is de 7e van de 30 kerken in 1951 gereed gekomen. Daar kan het Calvinisme iets van leren. Diep doordrongen van de noodzaak, dat in het door en door Roomse Castricum ook het Calvinisme de mogelijkheid moet worden geboden zich te ontplooien, vertrouw ik dat u allen, hoofd voor hoofd, met deze zaak ernst zult maken, zodat in 1953 in Castricum geen hagenpreken maar kerkdiensten kunnen worden gehouden in een kerkgebouw, dat geen aanfluiting is voor de wereld en het papisme.
Eind 1952 zeggen de kerken in de classis (red: regionale vergadering) Haarlem aan Castricum elk een jaarlijkse collecte toe gedurende vijf jaar.

Bijzondere hoorcommissie

In 1953 heeft de kerk geen predikant. Het jaar daarvoor is dominee Kornet naar Sint-Annaparochie vertrokken. Een nieuwe predikant is nog niet in zicht, hoewel de hoorcommissie, die als eerste in Nederland ook vrouwen telt, uit alle streken preken hoort.

Vanaf begin 1954 komen brieven binnen, waarin dominee A. A. Leenhouts uit Soest wordt aanbevolen. De kerkenraad doet daar onderzoek naar en belegt een gemeentevergadering, waarna de raad hem per 1 april van dat jaar met algemene stemmen benoemt tot hulppredikant. Hij gaat wonen op Koningin Julianastraat 18. Op zondag 19 december 1954 vindt de bevestiging plaats van dominee Leenhouts als predikant van de Gereformeerde Kerk van Castricum en komt er een einde aan zijn korte periode van hulppredikantschap.

Omdat meer dan in voorafgaande jaren de kerk aan de Beverwijkerstraatweg in de zomermaanden overbezet is, worden de morgendiensten in zaal Roozendaal (zie noot 10) gehouden. De twee ochtenddiensten kunnen zo beperkt worden tot een. Dat heeft tot gevolg dat de kerk dan ’s morgens niet wordt gebruikt. Als de Doopsgezinde Kring vraagt de kerk voor haar zondagse dienst te mogen gebruiken, weigert de kerkenraad dat, ‘omdat op grond van verkregen inlichtingen moet worden gevreesd dat de prediking niet de Christus der Schriften tot inhoud zou hebben.’ Dit besluit heeft afkeurende reacties van gemeenteleden tot gevolg en krijgt vermelding in het Nieuwsblad voor Castricum, in het Doopsgezind Weekblad en in het Centraal Weekblad.

Kerkenraad en bouwcommissie december 1955.
Kerkenraad en bouwcommissie december 1955. V.l.n.r. zittend K.Bakker, A. Kuperus, ds. A. A. Leenhouts, H. Knol en J. C. Baart. Staand v.l.n.r. B. Moes, A. Eikelenboom, J. A. van der Meulen, D.Sixma, S. van Weeren en G. A. Sneep.

Jaarboek 36, pagina 22

Een nieuwe kerk

In oktober 1953 zoekt de bouwcommissie contact met architecten. Dat leidt tot de keuze voor het architectenbureau Hink Eldering uit Leeuwarden, ontwerper van verschillende na de oorlog gebouwde kerken.

Eind januari 1954 komt de commissie in gesprek met het gemeentebestuur over een stuk grond in het uitbreidingsplan ‘Noord-Oost’. Het perceel (sectie B, nummer 5459 )is driehoekig van vorm en 5650 vierkante meter groot. Een kleine 3000 vierkante meter daarvan wil de gemeente verkopen ten behoeve van kerkbouw.
Verschillende ontwerpen passeren de revue, inclusief die waarbij naast de kerk een kosterswoning en een pastorie staan getekend. In oktober 1954 komt het definitieve ontwerp gereed op 715 vierkante meter gekochte grond en geeft de gemeente de bouwvergunning af. De bouw van de kerk wordt opgedragen aan de Friese aannemer Van der Woude uit Twijzel, die daarmee in maart 1955 begint.

Toespraak van burgemeester C.F. Smeets op vrijdag 23 december 1955 bij de ingebruikname van de kerk.
Toespraak van burgemeester C.F. Smeets op vrijdag 23 december 1955 bij de ingebruikname van de kerk.

Op 23 december 1955 wordt de nieuwe kerk in gebruik genomen. De kerk krijgt de naam ‘Maranatha’, een Aramees woord dat de roep om de terugkomst van Jezus aanduidt.
Ruim vijfendertig jaar heeft ‘het lokaal’ aan de Beverwijkerstraatweg dienst gedaan. Het wordt verkocht voor tienduizend gulden. De nieuwe kerk staat niet meer afzijdig, maar aan de noordrand van het dorp, waar plannen tot bouw van nieuwe wijken in ontwikkeling zijn.

De Maranathakerk.
De Maranathakerk.

Door de nieuwe plaats is de kerk komen te liggen aan het parcours van de ‘Ronde van Castricum’, die in 1956 op zondagmiddag 29 juli verreden zou worden. Zonder medewerking van de kerk kan de burgemeester op grond van de Zondagswet geen toestemming voor de Ronde geven. Hij vraagt daarom of de kerkdienst van vijf uur naar de avond kan worden verplaatst. De kerkenraad antwoordt daarop dat dat om principiële redenen niet kan: “De kerkenraad is van oordeel, dat de zondag als de dag des Heren moet worden gevierd; dat daarom alle sport op deze dag in strijd is met de Bijbelse opvatting van de zondagsheiliging; dat op grond hiervan de kerkenraad niet in het minst kan meewerken aan hetgeen naar zijn inzicht ontheiliging van de van Godswege ingestelde rustdag is.
Al eerder was de Zondagswet actueel geweest.In 1938 vraagt de burgemeester of er bezwaar is om de avonddienst op kermiszondag te laten vervallen. De kerkenraad schrijft terug: “Het zal u niet bevreemden, dat het onmogelijk is, om ter wille van de kermis de gewone avonddienst te doen vervallen. Afgezien dat dit zou strijden met de onder ons bestaande zeer ernstige bezwaren tegen de kermis in het algemeen en in het houden daarvan op zondag in het bijzonder, zou dit ook een afwijking zijn van de roeping tot prediking, die naar onze belijdenis de Kerk des Heren heeft op Zijn dag.

Dominee Leenhouts legt zijn ambt neer

In april 1957 meldt dominee Leenhouts de kerkenraad dat de kerk van Heerlen een beroep op hem heeft uitgebracht en dat hij dat beroep wil aannemen. Briefschrijvers willen graag dat Leenhouts blijft. Eind september besluit een gemeentevergadering dat Leenhouts nog tot september 1958 de kerkdiensten blijft leiden. Opnieuw nemen gemeenteleden de pen om hun diepe teleurstelling uit te spreken over het vertrek van dominee Leenhouts. Er ontstaat een sfeer die de gemeente verdeelt. Ook binnen de kerkenraad is verschil van mening. Allerlei pogingen om de verstandhouding met de dominee te verbeteren hebben geen resultaat.


Jaarboek 36, pagina 23

Een briefschrijver zegt dat de kwestie tussen dominee Leenhouts en de kerkenraad niet te benoemen is. Van ‘zondige wandel’ of van dwaalleer is geen sprake. Het is meer een kwestie van geloofsgevoelen. Hij ziet de oplossing in het vervangen van de hele kerkenraad. Er vormt zich een groep die kerkscheuring vreest en zich tot de classis richt met het verzoek de kerkenraad te bewegen af te treden.

De pastores Leenhouts, Papineau Salm (hervormd) en Heemskerk (rooms-katholiek) konden het blijkbaar goed met elkaar vinden, want in de zomer organiseren zij bij Johanna’s Hof een openluchtspel rond de vraag, wat God en godsdienst betekenen in de realiteit van het dagelijks leven.

In januari 1958 deelt ds. Leenhouts de kerkenraad mee dat hij zijn ambt neerlegt en stuurt hij elk gemeentelid persoonlijk een herderlijk schrijven ten afscheid:
Er moet mij nog iets van het hart: blijf om Christus wil trouw aan de Gereformeerde Kerk. Ga niet weg, ik doe het ook niet. Nergens zullen we een volmaakte kerk aantreffen, nergens volmaakte leden, nergens volmaakte predikanten. Wat mijn toekomstige arbeid betreft, neem dit van mij aan: ik blijf bij dezelfde BAAS, bij dezelfde PATROON. Ik blijf mijn leven lang dienaar van het goddelijk Woord.”

Als eind februari een geheel nieuwe kerkenraad wordt gekozen, laat ds. Leenhouts weten het daar absoluut niet mee eens te zijn. De tegenstellingen tussen de medestanders van de predikant en die van de kerkenraad verscherpen zich.
Op 20 augustus 1958 verschijnt in de Friese Koerier een artikel onder de kop ‘Schisma in Gereformeerde Kerk Castricum’. Ook in andere bladen waaronder Trouw verschijnen dergelijke berichten.
Op diezelfde dag neemt Leenhouts in hotel Borst afscheid van vrienden en bekenden, onder wie veel leden van de Gereformeerde Kerk. Omdat persberichten de indruk wekken dat het om een officieel afscheid van de Gereformeerde Kerk gaat, laat de kerk de kranten weten dat daarvan geen sprake is.
Al maandenlang was Leenhouts voorgegaan in diensten buiten de Gereformeerde Kerken, zoals in bioscoop Corso en in de Vrije Evangelische Gemeente Beverwijk. Eind augustus vertrekt hij met zijn gezin naar Amsterdam. Hij had zich, zoals hij bij zijn afscheid in hotel Borst had meegedeeld, onttrokken aan de Gereformeerde Kerken in Nederland.
Een tientallen jaren later gemaakte analyse van de kwesties uit de tijd van Leenhouts zegt:
‘Uiterlijk werden deze toegespitst op de onwilligheid van Leenhouts om kerkleden, die regelmatig de middagdiensten verzuimden, onder kerkelijke tucht te plaatsen.’
Eerder, in 1965, had Leenhouts de kerkenraad geschreven:
Doorslaggevend om het ambt neer te leggen was dat er geen openheid was voor het fungeren van de bijzondere gaven des Geestes.” (zie noot 11) Leenhouts was ervan overtuigd dat hij de bijzondere gave had om rechtstreeks boodschappen van God(s Geest) te ontvangen. Hij meende dat de kerkenraad hem te weinig ruimte gaf om vanuit die geloofservaring als predikant werkzaam te zijn.

Eind 1958 stuurt de kerkenraad brieven naar leden die in verband met de gemeentelijke onenigheid de laatste tijd de kerkdiensten niet hebben bijgewoond: “… wil de kerkenraad u ernstig vermanen om in de kerkelijke weg der gehoorzaamheid terug te keren”. Dat geeft tegen reacties:
Ik weiger mij aan ambtsdragers te onderwerpen die de eenheid der Kerk stuk voor stuk in de weg staan!” en “Ons verstand staat er bij stil, hoe durft u ons te vermanen.” Na een uitspraak van de Generale Synode keert de kerkelijke rust langzaam terug.

Oecumenische ontwikkelingen

In 1966 vinden de rooms-katholieke en de protestantse kerken elkaar in de oprichting van de Interkerkelijke Commissie Kerk-Recreatie ten behoeve van het evangelisatiewerk op kamp Bakkum. Tien jaar later blijkt uit een enquête dat de vakantiegangers de daar gehouden kerkdiensten op prijs stellen, vooral vanwege het oecumenisch karakter.

In november 1967, precies een jaar na de oprichting van het IKV (Interkerkelijk Vredesberaad), vindt er in de kerkenraad een discussie plaats over kernbewapening. Na overleg met de andere Castricumse kerken leidt dat tot invoering van de Vredesweek.
Bij de kerkenraad komen in die periode kritische brieven binnen over allerlei ontwikkelingen in de kerk (samenwerking met de hervormde kerk, vrouw in ambt, liturgische vernieuwingen, veranderde gezangmelodieën). Ook de sterke groei van de kerk levert bedenkingen op: het bezwaar tegen toetreding tot de kerkenraad van mensen die onbekend zijn voor de hier al lang wonende kerkleden. “Moeten we leden in de raad kiezen die wij niet kennen?”

Passend bij de bestaande interkerkelijke activiteiten als evangelisatie en vredesberaad (gereformeerd, hervormd, rooms-katholiek), vinden de drie kerken elkaar in 1967 in de werkgroep Oecumene Castricum (zie noot 12), waaraan aanvankelijk ook kerken uit de IJmond meedoen. Deze samenwerking krijgt in 1976 de naam ‘Voorlopige Raad van Kerken’, totdat eind 1986 de toevoeging ‘Voorlopig‘ vervalt en de Raad van Kerken Castricum ontstaat (formeel per 1 januari 1987).

Nieuw elan

Ds. Y. Stienstra is in februari 1963 als predikant bevestigd in de Maranathakerk. In augustus 1967 is hij vertrokken naar Zuidland. De commissie, die een opvolger zoekt voor dominee Stienstra, komt in april 1969 de naam van drs. B. Boelens, predikant bij de Christian Reformed Church in de VS, ter ore. Al snel begint correspondentie, waarin de kerkenraad hem informeert over Castricum, over de kerkelijke situatie en over de samenwerking met andere kerken die vrij gering is:
Niet uit onwil, noch van deze, noch van andere zijde, maar meer door gebrek aan stimulansen.”
Op 31 augustus van dat jaar wordt B. Boelens bevestigd als predikant van de Gereformeerde Kerk van Castricum. Dat gebeurt in de R.-K. kerk in Bakkum. De Maranathakerk biedt daarvoor te weinig ruimte. Koningin Wilhelminalaan 3 wordt de pastorie.


Jaarboek 36, pagina 24

Omdat de Maranathakerk regelmatig overbezet is, wordt onderzoek gedaan naar de toekomstige behoefte aan kerkruimte. Dat onderzoek concludeert dat forse uitbreiding nodig is als gevolg van de sterke groei van het aantal inwoners, het relatief hoge percentage gereformeerden daarin en de wens de kerk ook als ontmoetingscentrum te gebruiken. Het idee om samen met de R.-K. Bethlehemparochie een kerkelijk centrum (Geesterhage) te bouwen, strandt eind 1974, omdat de kosten voor de kerk te hoog worden geacht.

Intussen hadden enkele kerkleden zich gegroepeerd in ‘De Club van Zes’ (zie noot 13) rond de vraag of de huidige organisatie van de kerk in staat is slagvaardig te reageren op de snelle veranderingen in de maatschappij. Daarover wordt met een groot aantal gemeenteleden gediscussieerd met als resultaat dat in februari 1973 een nieuwe organisatiestructuur wordt gepresenteerd. Die houdt in dat de kerkelijke activiteiten worden ondergebracht in een twaalftal werkgroepen, zoals pastoraat, diaconie en interkerkelijke samenwerking.

Geconstateerd wordt dat het jeugdwerk ‘de gebouwen uitgroeit.’ Bij de diverse clubs zijn vele tientallen jongeren aangesloten. Daarnaast bereikt de oecumenische werkgroep Kerk en Recreatie met kinderkerkdiensten op kamp Bakkum tientallen binnen- en randkerkelijke kinderen. Maar waar de evangelisatiesamenwerking van de kerken op kamp Bakkum hecht is, is die tussen beide gemeenten nog maar weinig aanwezig. Totdat de vraag opkomt of alles samen gedaan wordt wat samen gedaan kán worden. Die vraag blijft niet zonder resultaat, want eind 1972 ligt er een beginnend stuk op tafel over samenwerking tussen gereformeerd en hervormd Castricum. Dat document schuift de tot dan toe stroeve samenwerkingspogingen opzij en opent elkaars zicht op de ander.

Het interieur van de Maranathakerk gezien vanuit het liturgisch centrum.
Het interieur van de Maranathakerk gezien vanuit het liturgisch centrum.

Eind 1975 gaat een gemeentevergadering enthousiast akkoord met een schetsplan voor de uitbreiding van de Maranathakerk. Het kostenniveau is de helft van het vorige plan (deelname in bouw Geesterhage). Aan architect H. Blansjaar uit Leiderdorp wordt de opdracht verstrekt tot het maken van een schetsontwerp met begroting. Er worden allerlei doe-het-zelfacties op touw gezet die tienduizenden guldens opbrengen. Nadat de bouwvergunning was verkregen, presenteert de architect in april 1977 het bestek met tekeningen en wordt de bouw in juni opgedragen aan het aannemersbedrijf Gebr. Terlingen in Amsterdam.
In maart 1978 wordt de met zalen uitgebouwde Marana-thakerk in gebruik genomen met naast de ingang – die nu (in 2013) aan de noordkant in plaats van aan de westkant ligt – het oudchristelijk symbool van de vis. De werkgroep Kerkbouw (zie noot 14) had na ruim twee jaar haar doel bereikt.

Het grondvlak van de kerk na de uitbreiding in 1978. Oorspronkelijk de kerkzaal met rechts (westkant) de entree en links de grote vergaderzaal met toneelpodium en daartussen een ‘sluis’ van vergaderkamer en buffet. Het overige werd aangebouwd in 1978: twee ontmoetingsruimten, de entree aan de noordkant en drie vergaderruimten aan de westkant.
Het grondvlak van de kerk na de uitbreiding in 1978. Oorspronkelijk de kerkzaal met rechts (westkant) de entree en links de grote vergaderzaal met toneelpodium en daartussen een ‘sluis’ van vergaderkamer en buffet. Het overige werd aangebouwd in 1978: twee ontmoetingsruimten, de entree aan de noordkant en drie vergaderruimten aan de westkant.

Weer klinkt de vraag: “Wat doen we nog niet gemeenschappelijk?” Dat zet tot verdere initiatieven aan. Zo wordt besloten tot gezamenlijke kerkenraadsvergaderingen in voor- en najaar en tot het ingrijpende besluit om een gezamenlijke jeugdpredikant aan te stellen. Per 1 januari 1978 wordt dat theologisch kandidaat H. J. Westmaas. Twee jaar eerder had dominee Boelens zijn boek ‘Tussen mens en onmens’ uitgegeven met als ondertitel ‘Een poging tot interpretatie van het woordje God’. De inhoud was ontleend aan onderwerpen die de afgelopen jaren in


Jaarboek 36, pagina 25

een tiental gespreksgroepen aan de orde waren geweest. Het boek had kritische reacties opgeroepen van predikanten, van de classis en van (ook Castricumse) kerkleden; er wordt een bezwaarschrift naar de Synode gestuurd en de discussies rond het boek krijgen uitgebreid aandacht in de kerkelijke pers en in ‘Trouw’. Daarin verschijnen ook ingezonden brieven van Castricummers die het opnemen voor dominee Boelens.
Eind 1978 besluit de Synode niet te voldoen aan het verzoek van dominee H. J. Hegger om Boelens het predikantschap te ontnemen en krijgt een synodecommissie opdracht het boek van Boelens ‘te beoordelen ten aanzien van de wijze waarop deze de centrale geloofsinhoud probeert te vertolken voor mensen van deze tijd.’ Die beoordeling loopt uit op wat te benoemen is als een schikking.

De uitbouw aan de westzijde van de Maranathakerk.
De uitbouw aan de westzijde van de Maranathakerk.

Veranderingen

Niet alleen het boek van Boelens, maar ook de vorm van de kerkdiensten houdt leden van de Maranathakerk bezig. De inkleding van de kerkdiensten maakt sommige kerkgangers ongerust, zoals blijkt uit binnengekomen brieven. Brieven die zich keren tegen de bijzondere diensten, tegen de steeds wijzigende liturgie en tegen het gebruik van de ouwel in plaats van brood bij het Avondmaal. Andere leden laten weten met deze veranderingen juist gelukkig te zijn. Op een gespreksavond over dit onderwerp worden de bezwaren niet weggenomen, maar wordt opgeroepen elkaars geloofsbelevingen te accepteren.

De Vredeswerkgroep heeft enkele jaren geleden een politiek avondgebed georganiseerd rond het thema ‘Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland’. In november 1980 komt de Hervormde Synode met een rapport over kernbewapening, dat enkele leden in de Hervormde Gemeente aanzet tot het leggen van contact met de Evangelische Gemeente in Erfurt. Doel ervan is iets te doen aan de spanning tussen Oost en West en mogelijk het wederzijds vijand denken te doorbreken. Die inzet vindt weerklank in Erfurt, zoals blijkt uit een brief naar de inmiddels in Castricum ontstane hervormd-gereformeerde werkgroep DDR. Vanaf dat moment gaan er jaarlijks delegaties uit beide gemeenten naar Erfurt.Na de val van de Muur komt er in mei 1990 voor het eerst een delegatie naar Castricum. Die wordt door de burgemeester ontvangen op het gemeentehuis, waar de DDR-vlag naast die van Nederland zou wapperen.
In september 1991 gaat een delegatie van de werkgroep uit Erfurt met een aantal leden van de Martini Gemeinde naar de Evangelische Gemeente in Cluj (Roemenië), waarmee Erfurt in contact stond. In Cluj zijn gemeenteleden bezig met de oprichting van wat het Medisch Kinderdagverblijf ‘Bethania’ zou worden. In1992 wordt dat geopend. Vier jaar later zou de nieuwbouw worden opgeleverd. Sindsdien ondersteunt de Castricumse werkgroep Cluj het Medisch Kinderdagverblijf ‘Bethania’.

De heer F. W. Hutter, voorzitter van de kerkenraad, drukt dominee Boelens en echtgenote de hand ter gelegenheid van zijn afscheid van Castricum op 31 oktober 1982.
De heer F. W. Hutter, voorzitter van de kerkenraad, drukt dominee Boelens en echtgenote de hand ter gelegenheid van zijn afscheid van Castricum op 31 oktober 1982.

In Trouw van 18 februari 1982 verschijnt een advertentie waarin Castricum contact zoekt met een opvolger voor dominee Boelens, voor wie aan het eind van het jaar het emeritaat wacht. Een paar maanden later wordt dominee drs. H. Appers uit Heerhugowaard beroepen. Als gastpredikant was hij meer dan eens in de Maranathakerk voorgegaan.
Op zondag 31 oktober 1982 neemt dominee Boelens afscheid van Castricum. De afscheidsdienst vindt plaats in de veel ruimte biedende R.-K. Sint-Pancratiuskerk. Enkele maanden later wordt dominee Appers bevestigd als predikant van de Maranathakerk.

Dominee Boelens heeft niet lang van zijn emeritaat kunnen genieten. Hij overlijdt op 20 augustus 1984 en wordt onder overweldigende belangstelling vanuit de Maranathakerk begraven bij de Hervormde kerk in Castricum.


Jaarboek 36, pagina 26

Samen-Op-Weg

Tijdens Pinksteren 1961 roepen achttien gereformeerde en hervormde predikanten op om tot eenheid te komen, het begin van het Samen-Op-Wegproces (SOW), dat in 2004 zou eindigen.
In aansluiting daarop overleggen beide Castricumse kerken over mogelijkheden van samenwerking. Zij besluiten tot gezamenlijke viering van de hervormingsdag en van de kerstnacht.

Die samenwerking was vroeger geheel afwezig. Toen de kerk van Beverwijk in 1924 overwoog een hulpprediker aan te trekken, verzochten de Castricummers die voor Castricum in te zetten vanwege onder meer de positie van die hervormden, ‘die in hun kerk geen bevrediging vinden voor hun geestelijke behoeften naar de begeerten van hun hart’.
Van contacten tussen gereformeerd en hervormd is in de eerste helft van de vorige eeuw geen sprake, niet in Castricum, ook elders niet (zie noot 15). Wel was er enig contact met de Hervormde Evangelisatievereniging.
Van bewuste toenadering tot elkaars gemeenten is pas sprake na het begin van de jaren zestig, toen het SOW-proces op gang kwam. Sindsdien werden de contacten tussen beide kerken steeds steviger.

Begin 1964 beoogt een gezamenlijke kerkenraadscommissie gesprekskringen en zangdiensten te organiseren. Als deze onderwerpen op een ledenvergadering aan de orde worden gesteld, wordt de vrees uitgesproken dat dit leidt tot eenwording met de Hervormde Kerk. De kerkenraad antwoordt daarop dat de besprekingen met de Hervormde Kerk alleen bedoeld zijn om elkaar beter te leren kennen en dat daarbij ‘voorop staat dat aan de waarheidsvraag niet getornd zal worden.’ Het handhaven van de ware leer was sinds haar ontstaan de eerste prioriteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Het is niet gebruikelijk dat de kerk zich over politieke kwesties uitspreekt. Dat de gezamenlijke kerkenraad dat wel doet in 1986 benadrukt haar dringend beroep op de Tweede Kamerfracties om de zorg van de zwakken in de samenleving ernstig te nemen, gezien de voorgenomen herziening van het zorgstelsel. Gezamenlijke vergaderingen zijn er ook over godsdienstonderwijs op openbare scholen, over Duin en Bosch, over het jeugdwerk van dominee Westmaas.

Op weg naar fusie

De kerkenraad constateert dat het Samen-op-Weg-proces stokt. Op het uitvoerend vlak wordt door veelwerkgroepen intensief samengewerkt, maar niet opbeleidsniveau. Tussen de kerkenraden is er soms sprake van gebrekkige communicatie die tot misverstanden en irritaties leidt. In 1992 gaan zij daarom over tot een hechtere vorm van samenwerking, aangeduid met de ‘Verenigde Kerkenraad’. De VKR komt in de plaats van ongeveer de helft van het aantal jaarlijkse vergaderingen van de kerkenraden.
De VKR bestaat intussen uit twee niet geïntegreerde helften. Er zijn verschillen in cultuur, in kerkelijke gebruiken en tussen personen onderling. Verschillendie spanningen veroorzaken en uiteindelijk uitlopen ophet opschorten van de VKR-vergaderingen.

In 1995 viert de Maranathakerk zijn veertigjarig jubileum. Daar wordt werk van gemaakt. Zo worden de banken vervangen door stoelen en werkt Wim van Doorn met anderen aan het Jubileumboek ‘40 Jaar Maranathakerk’. Het boek wordt op de feestdag van zaterdag 16 december gepresenteerd. Een orgelconcert door Bram Kuperus en een optreden van het jongerenkoor ‘Connection’ verhogen het feestgevoel.

Dominee Bert Appers.
Dominee Bert Appers.

Al vergaderen de kerkenraden dan weer apart, de dagelijkse besturen houden de gezamenlijkheid in het oog via de stevig in stand gebleven samenwerkende werkgroepen. In de zomer van 1997 verschijnt de Samen-op-Wegwijzer en brengt een gemeentevergadering nieuwe initiatieven voort: Taizé-diensten, Open Kerk en Sacred Dance.
In januari 2000 geven de pastores Bert Appers (gereformeerd), Theo Haitjema (hervormd) en Gerard Huisman (rooms-katholiek) in discussie met een volle Maranathakerk hun visie op de opgave voor de Castricumse kerken in de komende 10 jaar.

Het oudste aandachtsgebied van de diaconie is ‘stillehulp ’ aan kerkleden die het sociaal en/of financieel niet meer kunnen bolwerken. Vanaf de jaren (negentien)zeventig was tussen de beide diaconieën een steeds steviger samenwerking ontstaan en van daaruit later ook met de parochies en de burgerlijke gemeente.
Na de vorming van de nieuwe gemeente Castricum worden de per dorp uiteenlopende samenwerkingsvormen tussen de kerken en de plaatselijke gemeente op elkaar afgestemd en besluiten de protestantse diaconieën en de parochiële caritatieve instellingen in 2003 tot de oprichting van de Stichting Noodfonds Gemeente Castricum. Doel ervan is om daarmee daadwerkelijk


Jaarboek 36, pagina 27

hulp te verlenen in het kader van de ‘Arme Kant’ van Castricum. De burgerlijke gemeente Castricum ondersteunt het noodfonds administratief.

Op 21 mei 2003 gaat de (gereformeerde) gemeentevergadering akkoord met de verdere opbouw van een gezamenlijke protestantse gemeente. Beleidsplannen worden opgesteld en in het voorjaar van 2004 stelt de Protestantse-Kerk-van-Castricum-in-oprichting een gezamenlijk dagelijks bestuur aan.
De snelle ontwikkeling naar de fusie van beide gemeenten was ook al tot uiting gekomen in de samenstelling van een beroepingscommissie voor het aantrekken van een opvolger voor dominee Bert Appers, die wegens emeritaat afscheid zou nemen. Die commissie werd voor de helft samengesteld uit gereformeerden en voor de andere helft uit hervormden. In een gezamenlijke dienst op 6 juni 2004 neemt dominee Bert Appers in een overvolle Maranathakerk afscheid als predikant van de Gereformeerde Kerk.

In september gaat de kerkenraad over tot de benoeming van dr. D. van Arkel, hervormd predikant in Voorthuizen. Het is, misschien wel landelijk, een historisch besluit: de Gereformeerde Kerk trekt een hervormde predikant aan. Op 28 november 2004 vindt de bevestiging plaats door dominee M. Beitler, sinds 2002 predikant van de Hervormde Gemeente Castricum.

Predikanten van de Gereformeerde Kerk van Castricum:
1932 – 1932 Paul Bastiaan Lengkeek (kandidaat)
1934 – 1950 Johannes Krüger
1950 – 1952 Adrianus Gerardus Kornet
1954 – 1958 Abraham Adriaan Leenhouts
1958 – 1962 Ynze van der Zee
1963 – 1967 Iense Stienstra
1969 – 1982 Boelo Boelens
1982 – 2004 Hilbert Appers
2004 – 2005 Dick van Arkel

Eind 2004 besluiten de Gereformeerde Kerk en de Hervormde Gemeente zich te verenigen tot de Protestantse Gemeente Castricum. Op 10 november 2005 houdt de Gereformeerde Kerk van Castricum haar laatste vergadering. Per 1 januari 2006 verenigt zij zich met de Hervormde Gemeente tot de Protestantse Gemeente Castricum.

Meerten Ritzema

Noten:

  1. Uit Register Gemeentelijke Monumenten: Expressionistische bouw. Asymmetrisch tegen elkaar gezette volumes, elk met een eigen vorm van overkapping. De unieke waarde en de cultuurhistorische waarde zijn beide hoog. Architect R.G. Rodenburg uit Oldebroek.
  2. In het 28e Jaarboek Oud-Castricum (2005) is van Huibert van Ginhoven een levensbeschrijving opgenomen.
  3. Zie ook ‘Koninkrijk der Nederlanden’, dr. L. de Jong, deel5, blz. 130 e.v.
  4. Opgenomen met instemming van nabestaanden.
  5. In april 1936 was hij met zijn vrouw en vijf kinderen van de kerk in Watergraafsmeer overgekomen naar de kerk van Castricum.
  6. De toevoeging ‘Van’ liet hij weg. Ps. 43:4: ‘Dan ga ik optot uw altaren, tot U o bron van zaligheid’.
  7. Zie ook ‘Het Koninkrijk der Nederlanden’, dr. L. de Jong,deel 5 blz. 835.
  8. Werkers die gedwongen werden tot de aanleg van Duitse verdedigingsstellingen, vaak graafwerk.
  9. Zie ‘Het Koninkrijk der Nederlanden’ van dr. L. de Jong,deel 10b, blz. 43.
  10. Café Roozendaal stond op de plaats van het Eihof aan de Dorpsstraat.
  11. Ds. A. A. Leenhouts schreef verschillende boeken en kreeg ruime aandacht in de dissertatie van Ds. W. van Herwijnen, gereformeerd predikant in Zwijndrecht. Onder de titel ‘Profetie van Leenhouts eindelijk getoetst’ recenseert J. Greven de dissertatie ‘Rentree van de profetie’ in Trouw van 5 oktober 2010. Hij besluit zijn recensie met de opmerking dat hij sceptisch tegenover Leenhouts staat, hoe fascinerend hij zijn levensverhaal ook vindt.
  12. Aanvankelijk A.P. Schaffers (herv.), G. B. Borst (r.-k.), J.H. Beekman (geref.).
  13. J. Deuring, W. van Doorn, F. W. Hutter, L .J. de Lange, G.J. van Oostende en H. A. Leenstra als voorzitter
  14. J. Graafland, P. Blom, D. Broer, J. Hummel, S. de Jong, C. J. Krist-Brons en D. Visser.
  15. Zoals bijvoorbeeld blijkt in maart 1911 toen de Doopsgezinde Kerk in Beverwijk de Gereformeerde Kerk daar uitnodigde voor de feestelijke opening van hun nieuwe kerkgebouw aan de Meerstraat. De Gereformeerde Kerk bedankt voor de uitnodiging: “Betrof het alleen de inachtneming van een burgerlijke beleefdheid, dan zou er geen twijfel zijn of uw uitnodiging werd gaarne aanvaard. De Gereformeerden echter hebben niet de gewoonte op dergelijke wijze gemeenschap te oefenen met andere kerkelijke gezindten.”

Bronnen:

  • Archief Gereformeerde Kerk Castricum;
  • Ÿ Boelens Czn, drs. B., Tussen mens en onmens; een poging tot interpretatie van het woordje God, Kampen, 1976.
  • Ÿ Doorn, W. van e.a., Jubileumboek 40 jaar Maranathakerk, 1995;
  • Ÿ Ginhoven, M. J. van, voorjaar 2012;
  • Ÿ Heideman, J., Castricum en Bakkum tijdens de Tweede Wereldoorlog, Deel I 1939-1942, 2011;
  • Ÿ Herwijnen, ds. W. van, Recensie van J. Greven over het proefschrift ‘Rentree van de profetie’, 2010;
  • Ÿ Jong, dr. L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog;
  • Ÿ Register Gemeentelijke Monumenten (internet);
  • Ÿ Stichting Werkgroep Oud-Castricum: 8e Jaarboek (1985) en 28e Jaarboek (2005).

Dit artikel is een verkorte versie van het boek: De Gereformeerden van Castricum / Eigenzinnig en betrokken / Een geschiedenis.

Begraven in Castricum (Jaarboek 35 2012 pg 55-62)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Pancratiuskerk in Castricum:
Pancratiuskerk tot reformatie  – Pancratiuskerk: restauratie in 1953 – Pancratiuskerk: restauratie in 1992 – Klok van de Hervormde kerkGroeten uit Wetsinge
Verschenen artikelen over de katholieke Pancratiuskerk in Castricum:
R.K. Pancratiusparochie – R.K. Pancratiuskerk, vorige
Verschenen artikel over begraven in Castricum
Verschenen artikel over de Gereformeerde kerk in Castricum: De Gereformeerde Kerk van Castricum (1931-2005)
Verschenen artikel over de Nederlands Hervormde Gemeente in Castricum: Nederlands Hervormde Gemeente
Verschenen artikel over 50 jaar kerk in Bakkum


Jaarboek 35, pagina 55

Begraven in Castricum

Een begrafenis is een bijzondere gebeurtenis vol emotie, waar veel familie, buren, vrienden en kennissen van de overledene bij betrokken zijn. Voor de rouwverwerking is het afscheid van grote betekenis.
Begrafenisgebruiken zijn in de loop van eeuwen ontstaan en hebben soms een heidense oorsprong. Het christelijk geloof kwam aan het eind van de 7e eeuw naar onze kuststreken. De overgang van heidendom naar christendom verliep geleidelijk en sommige heidense gewoonten werden overgenomen.
De oudste begraafplaats in Castricum bij de dorpskerk, gedeeltelijk omringd door een dubbele rij bomen, is al sinds de middeleeuwen in gebruik. De oude ‘Dingstal’, de plaats waar recht werd gesproken en waar de bewoners ter ‘buurspraak’ kwamen, grenst aan het kerkhof.
In de kerk, die uit de eerste helft van de 11e eeuw dateert, werden mensen begraven die zich dat konden veroorloven. Vermoedelijk is aan de stenen kapel, nu het zogenaamde schip van de kerk, een nog veel ouder houten gebouw vooraf gegaan. Deze plaats met omgeving vormt het middelpunt van Castricums historie.

In 1995 zijn bij archeologisch onderzoek in de Oosterbuurt huisplattegronden en graven gevonden uit de 2e eeuw na Chr. Ook nabij het Zorgcentrum De Boogaert zijn graven uit die tijd aangetroffen.
In 1995 zijn bij archeologisch onderzoek in de Oosterbuurt huisplattegronden en graven gevonden uit de 2e eeuw na Chr. Ook nabij het Zorgcentrum De Boogaert zijn graven uit die tijd aangetroffen.

Voordat in onze streken het christendom zijn intrede deed, werden de doden begraven op grafvelden bij woningen en boerderijen, soms in een enkel graf of grafkuil. Bij een in 1995 begonnen archeologisch onderzoek in de Oosterbuurt is een grafveld uit de 3e eeuw aangetroffen met acht skeletten. Op enige afstand daarvan kwam een compleet skelet tevoorschijn van een jonge vrouw, bekend geworden onder de naam Hilde (zie 23e Jaarboek). Ook bij een opgraving bij De Boogaert in 2010 werden menselijke skeletten uit de eerste eeuwen gevonden.
Het heeft nog honderden jaren geduurd, voordat het algemeen gebruikelijk was de doden bij of in de kerk te begraven.

De eerste begraafplaats

In het christelijk geloof was het voor het zielenheil van de overledenen van belang dat deze begraven werden ingewijde grond, het liefst in of bij de kerk. Ongedoopte kinderen en mensen die zelfmoord hadden gepleegd werden in ongewijde grond, in een hoekje van het kerkhof, begraven.
Begraven in de kerk was alleen weggelegd voor de gegoede burgers. Bij de kerk lag het kerkhof waar de gewone ingezetenen werden begraven. Het ‘Hof van de Kerk’ was een ruim tuinachtig terrein, omgeven veelal door een muur of een houten hek, sloot en heg, dat tevens diende als ontmoetingsplaats voor de dorpelingen.
Na de reformatie in de 16e eeuw werd het rooms-katholieke geloof officieel verboden. Langzamerhand werden de kerken ontdaan van ‘roomse opschik’. De parochiekerk van Castricum werd in 1573 overgedragen aan protestanten. De katholieken, die trouw bleven aan de oude religie, gingen ‘ondergronds’ en kerkten in boerenwoningen in Uitgeest en in huiskapellen van de Heemskerkse kastelen Marquette en Assumburg. In 1663 werd een als schuilkerk ingericht boerderij aan de Breedeweg in gebruik genomen.

De kerkhoven van de protestantse kerken bleven na de hervorming (red: van katholiek naar protestants geloof) in de praktijk als openbare begraafplaatsen in gebruik. Hier werden zowel katholieken als protestanten begraven. Dat de kerk in andere handen was gekomen, deed er niet toe. Wel werd geprobeerd een aantal ‘storende’ roomse gebruiken rond het begraven te verhinderen. In 1733 werd een verordening, een keur, uitgevaardigd door Schout en Schepenen van Castricum:
Dewyl enige menschen haer niet ontzien hebben, om op de palen by de Graven op het Kerkhof staande, groote kruycen te schilderen en te snyden, zynde tegens het bevel van de hoge Overigheyd, zo word alle ende een iegelyk bydezen geinterdiceert omme geen kruycen meer op de palen te schilderen of te snyden, ofte gesneden zynde, worden gelast binnen 3 dagen na de publicatie dezes daar af te


Jaarboek 35, pagina 56

doen, en de palen met zodanige kleuren te schilderen, datgeen kruycen konnen gezien worden, op de boete van tienstuyvers, ten behoeve van den Schout.
Aldus gekeurt en gepubliceert in praesentie van Schout enSchepenen, den 12 Maart 1733.


In kennisse van my Secretaris, Leonard Tempelaar.”

De begraafplaats in het begin van de 18e eeuw rond de Dorpskerk (tekening van Hendrik de Leth in het boek ‘Het Zegenpralent Kennemerlant’, uitgegeven in 1732).
De begraafplaats in het begin van de 18e eeuw rond de Dorpskerk (tekening van Hendrik de Leth in het boek ‘Het Zegenpralent Kennemerlant’, uitgegeven in 1732).

Grafstenen in de dorpskerk

De grafstenen in de kerk getuigen van de begrafenissen die daar plaatsvonden. De oudste steen dateert uit 1586 en bedekt het graf van Johannes Pietersz Castricum, pastoor te Castricum en Heemskerk, die ‘overging tot een andere leer’ en in 1569 verbannen werd. Hij keerde terug in 1584 te Castricum en werd tot zijn overlijden dominee bij de protestanten (zie 15e Jaarboek).
Uit de 16e eeuw is in de kerk een tweede zerk aanwezig en 56 uit de 17e eeuw een veertigtal, waaronder die van Johan Noortman: ‘Hier leyt begraven D. Heer Johan Noorman P.in Castricum, obiit den 27 May 1692’, de eerste eigen pastoor die na de reformatie in dit oude priestergraf begraven is. Een twintigtal grafzerken dateert uit de 18e en 19e eeuw. De jongste zerk heeft het opschrift: ‘Guurtje Brasser,huisvrouw van Pieter Muys, 9 juni 1822, oud 37 jaar’.

De gehele bevolking van Castricum, zo zien we aan de zerken, is vertegenwoordigd: huisvrouwen, dominees, pastoors, schoolmeesters, de schout, die ook chirurgijn was en de gemeentesecretaris.
Interessant zijn de tekens en wapens, die in de zerken zijn uitgehakt. Ze variëren van een leeuw, een zandloper, een troffel, een stok, een griep (mestvork) tot een meermin. Maar ook enkele teksten vallen op, zoals die welke het overlijden van een jonge moeder vermeldt: ‘in het kinderbedde overleden na de geboorte van haar derden zoon inden ouderdom van 23 jaren 8 maanden min 12 dagen’.


Jaarboek 35, pagina 57

De oudste grafsteen in de Dorpskerk dateert uit 1586 en is van Jan Pietersz. Castricum, pastoor en later hier bevestigd als predikant.
De oudste grafsteen in de Dorpskerk dateert uit 1586 en is van Jan Pietersz. Castricum, pastoor en later hier bevestigd als predikant.

Algemene begraafplaats

In 1825 werd bij Koninklijk Besluit het begraven in kerken verboden, omdat het als zeer onhygiënisch werd beschouwd. Bovendien moesten gemeenten met meer dan duizend inwoners begraafplaatsen buiten de bebouwde kom aanleggen. De begraafplaats bij de kerk is officieel eigendom van de protestantse kerk en bestaat uit twee delen: het gesloten kerkhof aan de noordkant, dat sedert 1969 niet meer in gebruik is en het deel aan de zuidkant, dat nog steeds wordt gebruikt. De begraafplaats werd in 2008 aangewezen als gemeentelijk monument.
Het kerkhof was reeds lang de algemene begraafplaats. “De grond rondom de kerk, is reeds sedert onheugelijke jaren en thans nog dienende geweest tot eene algemeene begraafplaats,” zo wordt in 1837 vermeld. In dat jaar werd tussen de kerkvoogden en de burgemeester van Castricum vastgelegd dat voor een periode van 10 jaar 35 gulden per jaar betaald zou worden voor het gebruik van het kerkhof en de huur van een deel van de kerk voor gebruik als school. Later werd de huurprijs voor het kerkhof  20 gulden per jaar en werd de huurperiode op 5 jaar bepaald.
In 1875 werd het zuidelijk deel gebruikt door de Hervormde Gemeente en het noordelijk deel door de gemeente Castricum. Aan de gemeente Castricum werd een recht van opstal verleend dat werd herbevestigd in 1895 en in 1939. Dit deel werd dus ook door de gemeente onderhouden.


Eind 1863 werd gerapporteerd door de ‘substituut’ strandvonder J.B. Vasseur en een proces-verbaal opgemaakt door plaatsvervangend burgemeester C. Schermer:
“Hedenmorgen 18 december 1863, omstreeks vier ure op het strand bij mijlpaal nummer 43 is aangespoeld een drenkeldode, zijnde manspersoon, oud naar gis dertig jaren, hebbende lang zwart haar, kleine baard onder de kin door, en kleine knevel, lang 1 el, 6 palm 5 duim, aanhebbende rood baaye hemd, gestreept wollen onderbroek, twee paar wollen kousen, lange vetlederen laarzen, grijswollen bovenbroek, blaauwollen borstrok, witte wollen overborstrok, oly kiel en broek, alles ongemerkt, verder niets aan of bij zich hebbende, heeft het lijk doen vervoeren naar Castricum en na behoorlijk te zijn gekist, aldaar op de algemeene begraafplaats heeft doen begraven.”
Bijna jaarlijks werd een drenkeldode (red: dode door verdrinking) op het strand van Castricum gevonden en in de maand juli 1881 zelfs drie. Tussen 1883 en 1893 bedroeg het aantal drenkeldoden zeven (in dezelfde periode werden 46 inwoners van Castricum op het kerkhof begraven, 15 mannen en 31 vrouwen).


De gesloten begraafplaats aan de noordkant van de dorpskerk. In 2007 zijn de drie houten graftekens gerestaureerd.
De gesloten begraafplaats aan de noordkant van de dorpskerk. In 2007 zijn de drie houten graftekens gerestaureerd.

Het noordelijk deel bevat oude graven met grafmonumenten die meestal zijn uitgevoerd in natuursteen, dikwijls aangetast door de tand des tijds. Ze dateren uit de 19e eeuw. Enkele grafmonumenten zijn in hout uitgevoerd, waarvan de oudste uit 1887 in 2007 zijn gerestaureerd (zie 31e Jaarboek).

Ook het graf van juffrouw Vahl, vele jaren vroedvrouw in Castricum, bevindt zich hier. Op het graf staat een gebroken zuil met het opschrift: “J.J. Vahl, geb. 1882, verongelukt en overleden op 31 juli 1931.” Zij kwam met haar fiets met motor (en carbidlantaarn) onder de tram van het Provinciaal Ziekenhuis bij haar woning aan de Sifriedstraat.


Jaarboek 35, pagina 58

Een deel van het kerkhof is bestemd voor de 34 oorlogsgraven uit de Tweede Wereldoorlog; de meeste zijn als ‘drenkeldode’ op het strand aangetroffen. De leeftijden van de slachtoffers liggen rond de 23 jaar en de jongste is nog maar 19 jaar. Het toezicht op het beheer van de graven is in handen van een door de Oorlogsgravenstichting aangestelde consul.
Het kerkhof aan de zuidzijde is als begraafplaats beschikbaar voor diegenen die voorkomen in het register van de Protestantse Gemeente Castricum. Dat deel kan ongeveer 100 graven bevatten.
In de zuidoost hoek is het graf te vinden van Albert Asjes, bekend als weldoener van de kerk, die in 1939 op 75-jarige leeftijd is overleden. In het graf zijn in 1952 ook zijn ouders bijgezet.
De oude dorpskerk met het omringende kerkhof is een bijzondere historische plek in het centrum van ons dorp.

Tradities en rituelen

Onze voorouders kenden veel rituelen rond het sterven en begraven om mede uiting te geven aan gevoelens van verdriet. In het huis van de overledene werden vroeger de gordijnen gesloten, de klok stil gezet en de spiegels afgedekt, ook in het huis van de buren. De buren verzorgden de overledene, wat betreft het ontkleden, wassen en aankleden, soms in een doodskleed, en het kisten. Verdere voorbereidingen en de uitvoering van de uitvaart van de overledene werden door de buurtgenoten ook als taak gezien: de ‘burenplicht’. De buren brachten de kist met de overledene naar de kerk, veelal op een boerenwagen en droegen de overledene op een waardige manier naar het graf.

De Doodweg in het nog landelijke oostelijk deel van Castricum.
De Doodweg in het nog landelijke oostelijk deel van Castricum.

In ons dorp kennen we de Doodweg tussen de Pieter Kieftstraat en de Oosterbuurt. De naam wijst op de functie van de weg, die naar de begraafplaats leidde. Als iemand stierf, werd de kist over die weg naar de kerk of het kerkhof gebracht. De naam kan al uit de middeleeuwen dateren toen het wettelijk verplicht was om een dode in een rechte lijn naar de laatste rustplaats te brengen. Het verhaal gaat dat doodwegen dateren uit de tijd van Karel de Grote om het volk af te houden van heidense begraafplaatsen.

Doodgraver

In 1806 werd door Schout en Gemeentebestuur van Castricum aangekondigd dat Pieter Kieft tot doodgraver was benoemd ”welke het toezicht zal hebben dat geene lijken zonder permissie worden begraven en die zich stiptelijk naar art. 24 van de ordonnantie der Belasting op het Regt van Successie van den 4e October 1805 zal moeten gedragen. Dat dus hiermede ophoudt en niet meer plaats mag hebben de gewoonte of gebruik, om de graven, door de naaste buuren of bekenden te laten aanmaken en weder aanvullen.”
Voor de doodgraver Pieter Kieft was een werkinstructie opgesteld, waarin was aangegeven op welke wijze het begraafregister moest worden bijgehouden en ook was de afmeting van elk graf vastgelegd. Voorts werden de kosten voor de verschillende werkzaamheden aangegeven, die ten laste kwamen van het sterfhuis:
– voor een extract uit het begraafregister: 6 stuivers;
– voor het maken van een graf voor een lijk boven 8 jaren: 30 stuivers;
– voor een lijk beneden de 8 jaren: 15 stuivers;
– voor een van buiten komend lijk, hier begraven wordende, alsmede voor het begraven in de kerk, dubbel geld.

In 1825 was Cornelis Schut, de schoolmeester van de ‘openbare school’ naast de dorpskerk, ook belast met neventaken. Hij was onder meer de doodgraver, klokluider, opwinder van het uurwerk en hield “nauwkeurig aantekening van personen, welke komen te overlijden, en van de dag van het overlijden en begraven, waar toe aan hem de quitantien (red: betaling) van den betaalden impost (red: belasting) op het begraven zullen worden vertoond, alvorens een lijk ter aarde besteld wordt.”

De begraafregisters, die als kerkelijk register werden bijgehouden door de doodgraver, vermelden in het algemeen de begraafdatum van een overledene. De overlijdensregisters, die vanaf 1811 door de gemeente worden bijgehouden, vermelden de plaats van overlijden en het tijdstip.
In 1830 had Castricum 791 inwoners, waarvan 700 katholiek en 91 gereformeerd waren. De gemiddelde leeftijd rond 1840 was voor mannen 30 jaar (in 1985: 73) en voor vrouwen 35 jaar (in 1985: 80). Van de kinderen stierf 32 procent voor het 8e jaar ten gevolge van ongezonde voeding, slecht drinkwater, gebrekkige hygiëne en malaria.

Het parochiekerkhof St.-Pancratius

De rooms-katholieke begraafplaats achter de St.-Pancratiuskerk aan de Dorpsstraat dateert uit 1858, toen de parochianen een eigen kerkgebouw kregen op een perceel weiland aan de (toenmalige) Rijksstraatweg, bekend als het Jan Evertsven.
Op 9 februari 1858 werd door pastoor H.J. Meuwsen namens de R.-K. Gemeente bij de burgemeester van Castri-


Jaarboek 35, pagina 59

cum, jhr. Rendorp van Marquette, een verzoek ingediend om “in de nabijheid der nieuwe kerk een eigen kerkhof te bezitten en op het zuidelijk gedeelte van Jan Evertsven hetzelve aan te leggen.”

De ingang van het parochiekerkhof achter de Pancratiuskerk.
De ingang van het parochiekerkhof achter de Pancratiuskerk.

De eerste steenlegging voor de eerste St.-Pancratiuskerk vond plaats in april 1857, de inwijding van het kerkhof en van de kerk respectievelijk op 19 juli en 30 september 1858. Kort daarna diende de pastoor bij dezelfde burgemeester een verzoek in om de klok te mogen luiden bij kerkelijke plechtigheden: ‘zoals in Heemskerk in de Roomsch Katholieke Gemeente de gewoonte is’. De klok zal gehangen hebben in een dakruiter, het vierkante houten torentje dat over de nok van het toenmalige kerkje was gebouwd. Na de inwijding van de kerk werd de schuilkerk aan de Breedeweg gesloopt.

Bij de grondige verbouwing in de periode 1877-1883 werd genoemde dakruiter vervangen door een toren (zie 32e Jaarboek), waarnaar de klok werd overgebracht.
Ook in de ‘nieuwe’ kerk, die in 2011 honderd jaar oud is geworden, is de klok in gebruik geweest. Deze klok werd echter in 1943 in beslag genomen door de Duitsers. Na 1948 heeft een andere klok zich weer luid en duidelijk laten horen. In de jaren 1980 werden drie klokken geschonken die de klok uit 1948 vervingen. Een van deze drie klokken doet de overledene uitgeleide.
De oude klok is sedert januari 2011 opgenomen in een monument voor het ongedoopte kind dat in de tuin achter de pastorie is geplaatst. Met dit monument heeft de kerkhaar mededogen kenbaar willen maken.

Het oudste graf op het kerkhof is dat van pastoor Henricus Johannes Meuwsen, geboren in 1810, overleden op 26 augustus 1876. In maart 2011 werden zijn resten overgebracht naar het nieuwe priestergraf, waarin nu 14 priesters en kapelaans zijn begraven.
Graven van Castricummers, bekend uit het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, vinden we hier ook, zoals dat van Leo Toepoel, die in december 1944 op 23-jarige leef-tijd werd gefusilleerd. Als herinnering aan de verzetsman Jan Hoberg is bij de ingang van de begraafplaats een herdenkingsplaquette aangebracht. Ook treffen we hier het graf aan van de gerespecteerde dokter Leenaers (zie13e Jaarboek) en zijn echtgenote. Het oorspronkelijke graf had een zerk. Toen mevrouw Leenaers – de Jongh in 1976 werd begraven, is de zerk vervangen door een liggende steen. Het graf van burgemeester Lommen en zijn echtgenote werd in 1983 overgebracht naar de begraafplaats Onderlangs (zie 34e Jaarboek).

Het priestergraf waar 14 priesters en kapelaans hun laatste rustplaats hebben.
Het priestergraf waar 14 priesters en kapelaans hun laatste rustplaats hebben.

Het r.-k. kerkhof is bestemd voor parochianen die bij de parochie zijn ingeschreven, met een parochiaan gehuwd waren of een huishouden vormden, alsmede voor oud-parochianen. Het kerkhof telt ruim 600 graven, waarvan er circa 450 bezet zijn. Het is hoofdzakelijk in gebruik voor parochianen uit Castricum, omdat Bakkummers veelal kiezen voor de begraafplaats Onderlangs.

De begraafplaats ‘Duin en Bosch’

Het psychiatrisch ziekenhuis Duin en Bosch werd in 1909 in gebruik genomen en had als een min of meer zelfstandig dorp een eigen begraafplaats met een algemeen en een rooms-katholiek gedeelte, gelegen aan de oostzijde van het terrein (zie 22e Jaarboek). Uit een opgave van het ziekenhuis blijkt dat hier in het jaar 1919 maar liefst 78


Jaarboek 35, pagina 60

personen werden begraven. Het hoge aantal kan gelegen hebben aan de Spaanse griep die toen heerste.

Het vervallen graf van Dr. J.W. Jacobi op de gesloten begraafplaats van Duin en Bosch. De Werkgroep Oud-Castricum voert actie om tot herstel van dit grafmonument te komen.
Het vervallen graf van Dr. J.W. Jacobi op de gesloten begraafplaats van Duin en Bosch. De Werkgroep Oud-Castricum voert actie om tot herstel van dit grafmonument te komen.

Op de begraafplaats, die tot 1960 in gebruik is geweest, liggen enkele opmerkelijke graven: het graf met obelisk van Dr. J.W. Jacobi, de eerste directeur van het ziekenhuis en het graf van W.E. van Keeken, hoofd economische dienst van het ziekenhuis en bekend van de beoefening van de tennissport in Bakkum.
In 2001 werd het landgoed Duin en Bosch met de begraafplaats tot rijksmonument aangewezen. Het onderhoud van de graven schiet ernstig tekort, maar nog steeds is de plek bijzonder en sfeervol.

Aan de voet van de duinen ligt de fraai aangelegde gemeentelijke begraafplaats Onderlangs.
Aan de voet van de duinen ligt de fraai aangelegde gemeentelijke begraafplaats Onderlangs.

De begraafplaats Onderlangs.

De begraafplaats Onderlangs is door de gemeente na 1953 aangelegd naar een ontwerp van de landschapsarchitect ir. Hein Otto. Van het ongeveer 1 hectare grote terrein is 2/3 bestemd als algemene begraafplaats. Voor rooms-katholieken werd destijds 1/3 gedeelte afgezonderd. Het bestuur van de R.-K. parochie in Bakkum wenste in principe gebruik te maken van dat deel. In de huidige tijd (2012) wordt de begraafplaats algemeen gebruikt en is er geen onderscheid meer. De begraafplaats zou ruimte kunnen bieden aan ruim 1800 graven.

De begraafplaats ligt fraai tegen de duinrand aan. Recent (rond 2012) is deze geselecteerd om mogelijk in aanmerking te komen voor de status van beschermd rijksmonument.

Sinds 1953 is de begraafplaats al enkele keren uitgebreid. In1967 is toen het 11 jaar oude tennispark daarvoor verplaatst naar de Vinkebaan. Er werd door de gemeente een aula gebouwd met bijbehorende ruimten, die in de jaren 1980 werd overgenomen door de uitvaartverzorger P.Q. van Daalen. De aula is thans in gebruik bij Uitvaartverzorging IJmond.

In 2002 bleek vergroting van de begraafplaats opnieuw noodzakelijk. Nu werd de begraafplaats in oostelijke richting uitgebreid. Op 15 november 2006 kon dit deel officieel in gebruik worden genomen. Een herinneringsplaquette van deze gebeurtenis is ingemetseld in de gevel van de werkruimte.

Begrafenisverenigingen

Toen de burenplicht in de dorpsgemeenschap eind 19e eeuw uit gebruik geraakte, ontstonden de begrafenisverenigingen.
In Castricum werd in 1920 De Eerste Onderlinge Begrafenis Vereniging De Laatste Eer opgericht en in 1927, op initiatief van wethouder Hemmer en de raadsleden Louter en De Vries, de R.K. Begrafenis Vereniging Sint Barbara. Aanvankelijk werd het rondzeggen door de bode (het aanspreken) en het beschikbaar stellen van een achttal dragers in passende kleding tot de taak van de verenigingen gerekend. De bode kon ook een lijkkoets, later een auto, regelen. Hij verzorgde tevens alle werkzaamheden voor de teraardebestelling.


Jaarboek 35, pagina 61

Schilderij van St. Barbara gemaakt door Lucas Cranach (1472-1553).

Sint Barbara

De Heilige Barbara is een christelijke heilige, die geldt als beschermster tegen brand en bliksem en tegen een plotselinge dood.
Zij zou gewoond hebben in Klein-Azië, in het plaatsje Nicomedië, waar haar vader, die heiden was, zijn mooie dochter opsloot in een toren met daarbij een gebouwd badhuis. Dit badhuis had twee ramen. Op haar verzoek werden het drie ramen om zo de Heilige Drievuldigheid te eren.
Toen haar vader de bekering tot het Christendom bemerkte, ontstak hij in woede, onthoofdde haar en werd daarna zelf door de bliksem getroffen. Dit gebeurde omstreeks het jaar 306.


De rouwkoets met eigenaar Jan Twisk op de bok voor Onderlangs (1965).
De rouwkoets met eigenaar Jan Twisk op de bok voor Onderlangs (1965).

De lijkkoets of rouwkoets, die vaak werd ingezet, was van Jan Twisk van het Schoutenbosch. De koets werd bespannen met twee zwarte Friese paarden. Toen hij zelf in 1991 kwam te overlijden, werd hij overeenkomstig zijn wens ook in een rouwkoets, zelfs met vier paarden ervoor, naar het kerkhof gebracht. Het was niet zijn eigen koets, want die was eind jaren 1960 al gesloopt. Theo Twisk: “Van de achteras is een wip gemaakt voor de kinderen.
Beide Castricumse verenigingen hadden een eigen bode en eigen dragers, die hiervoor een kleine vergoeding kregen. Na vele jaren van overleg tussen de twee verenigingen werd in 2004 besloten tot fusie en ontstond de ‘Castricumse Uitvaartvereniging’.
Als uitvaartverzorgers treden op De Jongh Uitvaartverzorging B.V. en Uitvaartverzorging IJmond.

Uitvaartverzorger De Jongh beschikt over een uitvaartcentrum bij de St.-Pancratiuskerk en Uitvaartverzorging IJmond over de aula op de begraafplaats Onderlangs. De voorgangers van laatstgenoemde organisatie waren de heren Van Balgooi, De Boer en tenslotte P.Q. van Daalen.
De Castricumse Uitvaartvereniging stelt zich ten doel de belangen van de nabestaanden in de moeilijke periode van rouw en rouwverwerking te behartigen en te bemiddelen tussen de nabestaanden en het toegenomen aantal begrafenisondernemers met hun meer commerciële aanpak. Zowel de bestuursleden als voorheen de dragers zien hun werk in de eerste plaats als een opdracht die ongetwijfeld voortkomt uit het gevoel voor de burenplicht, zoals vroeger in Castricum gebruikelijk was.

Piet Blom

Bronnen:

  • Deelen van, D., Historie van Castricum en Bakkum, 1973;
  • Dekkers, C., Dorren, G., Eerden van, R., Het land van Hilde, Archeologie in het Noord-Hollandse kustgebied, 2006;
  • Dunk, Th.H. von der, De vorige Sint-Pancratiuskerk te Castricum, 32e Jaarboek Oud-Castricum (2009);
  • Genealogie, uitgave van het CBG te Den Haag, jaargang 11, nr. 2;
  • Kol, ir. J., De parochiekerk Sint Pancratius tot aan de reformatie, 15e Jaarboek Oud-Castricum (1992);
  • Koning, drs. J. de, Evaluatie-rapport opgraving Castricum – De Boogaert Fase I, 2010;
  • Monument, uitgave van de Stichting ‘Castricums Monument ons een zorg’, 2003;
  • Numan, A.M., Noord-Hollandse Kerken en kapellen in de Middeleeuwen, 2005;
  • Regionaal Archief Alkmaar, archief gemeente Castricum, archief burgemeester, strandvonder;
  • Roos, R. (red), Duinen en mensen, Kennemerland, Stichting NatuurMedia, Amsterdam 2009;
  • Ruijter de, Q. , Schippers van het Stet, 1975;
  • St. Pancratiuskerk Castricum 100 jaar, 1911-2011, uitgave van R.-K. Parochie De Goede Herder.
Siem Mooij
Siem Mooij

Gesprek met Simon Mooij

Mijn grootvader was al actief bij het dragen van overledenen naar het graf, toen burenplicht nog normaal was. Ook mijn vader Piet Mooij was, als bestuurslid van de vereniging, betrokken bij het waardig ten graven dragen van overledenen. Mijn grootvader Piet is een van de oprichters in 1924 van de Eerste Onderlinge Begrafenis Vereniging ’de Laatste Eer’ in Castricum, waar inwoners van Castricum/ Bakkum lid van konden worden en jaarlijks voor het lidmaatschap betaalden.
Er was een reglement opgesteld, waarin de tarieven voor begrafenissen in drie klassen, 1e, 2e en 3e klasse. De laatste was de goedkoopste. Leden kregen een korting op de gemaakte kosten en dat is nog zo.


Jaarboek 35, pagina 62

Al heel jong ben ik, naar het voorbeeld van mijn vader Piet Mooij en zijn broer Jan van de Klompenbuurt, betrokken geweest bij de uitvaart van overledenen in Castricum, ook als drager, voornamelijk voor protestanten en niet-katholieken. Dat was in de begintijd strikt gescheiden. De begrafenisvereniging ‘De Laatste Eer’ deed aanvankelijk uitvaarten voor leden in Castricum en Bakkum, later ook in Limmen, en bleef betrekkelijk klein van omvang. De kist werd door timmerman Veenstra geleverd. Als ‘nabuurplicht’ werd het dragen van het stoffelijk overschot gedaan, ieder in zijn eigen zwarte kleding, pak, hoed, handschoenen, het moest wel een eenheid zijn. Met 8 mannen waren we en kregen een kleine vergoeding, zoals in het reglement is opgenomen.
Naast de dragers was er een voorman, die alles organiseerde en de leiding had. Voor De Laatste Eer was dat Beintema en bij onze collega’s van St. Barbara, de vereniging die in 1927 is opgericht, was dat Schut. Inmiddels was ik voorzitter geworden van De Laatste Eer en werd belast met het te voeren beleid.

In de tegenwoordige tijd is het animo om als vrijwilliger drager te zijn beperkt, vandaar dat het toch tot een uitwisseling kwam met St. Barbara. We hielpen elkaar zo veel mogelijk om tot 8 dragers te komen met een vaste uitvoerder.
Maar ook de commercie kwam om de hoek kijken. Narold uit Alkmaar kwam als uitvoerder naar Castricum, later Van Balgooi en ook P.Q. van Daalen is wel bekend.
Het uitgangspunt van de verenigingen bleef natuurlijk de belangen van de nabestaanden van de overledenen zo goed mogelijk te behartigen. De naleving van de gemaakte afspraken met de begrafenisondernemer en de controle erop, is hierin een belangrijk aspect.
In de loop van de jaren is toch de wens ontstaan om een fusie tot stand te brengen tussen onze kleinere vereniging (140 leden) en het grotere St. Barbara (1200 leden).
Uiteindelijk zijn na langdurig overleg de twee Castricumse uitvaartverenigingen in 2004 gefuseerd tot de Castricumse Uitvaart Vereniging.

Piet Veldt
Piet Veldt

Gesprek met Piet Veldt

Op 31 mei 1933 ben ik in Castricum geboren als zoon van Piet Veldt en Hendrika Schuit (zie 5e Jaarboek). Ja, ik ben naast mijn beroep van land- en tuinbouwer (bollen), 50 jaar drager geweest. Mijn herinnering gaat terug naar de kleuterschool, toen ik door het raam een begrafenisstoet langs zag komen, in het zwart, voorzangers erbij, misdienaars en voorop liep een man in het zwart met een steek op. Dat heeft toen grote indruk gemaakt. Wij kinderen noemden zo’n begrafenisstoet een dodenpaard en wagen.
Mijn vader was ook drager en toen hij op een dag ziek was, vroeg hij: Piet,wil jij niet voor mij invallen? In het pak van pa, lange jas er overheen, de voorman legde alles uit, we werden gesorteerd op grootte en hij zei: Denk erom, in de pas lopen!
Zo is het gekomen, je kon er in die twee uur iets mee verdienen, toen heel belangrijk, want vader had een eigen bedrijfje en 12 kinderen, waarvan ik de oudste ben. Het is ook een sociale taak die je te vervullen hebt. Altijd heb ik voor St. Barbara gelopen, de r.-k. uitvaartvereniging, opgericht in 1927, alleen bestemd voor rooms-katholieke leden en uitgegroeid tot een hele grote vereniging, wel met 1400 leden.
Als ik nodig was voor een uitvaart dan kon ik snel bij het kerkhof zijn: naar Onderlangs of naar de kerk vanaf de tuin was met de fiets 13 minuten, omkleden 6 minuten, de uitvaart met de mis 75 minuten, nazorg 30 minuten, omkleden 5 minuten en terug naar de tuin in 13 minuten.
Als voorman heb ik Frans Schut meegemaakt en van Baal, de koster van de r.-k. kerk. P.Q. van Daalen was de uitvaartleider, ook voor de overledenen van Duin & Bosch. Nadat hij ging uitbreiden, ging het bedrijf over naar IJmond, waar De Jong ook al werkte als uitvaartleider.
Zo’n 20 jaar heb ik als drager gelopen bij IJmond, die een groot rayon had, in veel plaatsen in Noord-Holland en Amsterdam.
We werkten in de loop van de tijd ook samen met De Laatste Eer om voldoende dragers te hebben; we ‘leenden’ wel bij elkaar. Het is tegenwoordig niet zo gemakkelijk om naast je baan dit werk te doen. De noodzaak om iets erbij te verdienen, lijkt ook te zijn afgenomen.
In 2009 ben ik gestopt als drager en terugkijkend is het een mooie taak geweest met soms ‘prachtige’ uitvaarten, bijvoorbeeld een Surinaamse uitvaart met muziek en zang, of een rondje om de kerk! Zo’n 6000 keer was ik drager en heb daarbij zeker wel 600 kilometer gelopen.
Na de fusiebesprekingen ben ik bestuurslid geworden van de in 2004 gevormde vereniging C.U.V.

Wetsinge, groeten uit (Jaarboek 32 2009 pg 51-51)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Pancratiuskerk in Castricum:
Pancratiuskerk tot reformatie  – Pancratiuskerk: restauratie in 1953 – Pancratiuskerk: restauratie in 1992 – Klok van de Hervormde kerkGroeten uit Wetsinge
Verschenen artikelen over de katholieke Pancratiuskerk in Castricum:
R.K. Pancratiusparochie – R.K. Pancratiuskerk, vorige
Verschenen artikel over begraven in Castricum
Verschenen artikel over de Gereformeerde kerk in Castricum: De Gereformeerde Kerk van Castricum (1931-2005)
Verschenen artikel over de Nederlands Hervormde Gemeente in Castricum: Nederlands Hervormde Gemeente
Verschenen artikel over 50 jaar kerk in Bakkum


Jaarboek 32, pagina 50

Afbeelding van de kerk van Groot Wetsinge volgens het onderschrift uit 1841. De kerk was toen al afgebroken. De afbeelding kan dus vanuit de herinnering tot stand zijn gebracht of een oudere afbeelding heeft als voorbeeld gediend.
Afbeelding van de kerk van Groot Wetsinge volgens het onderschrift uit 1841. De kerk was toen al afgebroken. De afbeelding kan dus vanuit de herinnering tot stand zijn gebracht of een oudere afbeelding heeft als voorbeeld gediend.

Groeten uit Wetsinge

Nadat de vorige klok in de Castricumse kerktoren in 1842 was stuk geluid moest er een andere komen. Omdat in de uitgestrekte gemeente toch al geklaagd was dat de klok niet overal goed te horen was, besloten de bestuurders van de gemeente (de toren is eigendom van de gemeente Castricum) om een grotere klok aan te schaffen. Van de firma Raap en Zoonen te Amsterdam werd een tweedehands klok van vierhonderd Nederlandsche pond (400 kg) aangekocht voor 560,- gulden. Dit was een overbodig geworden klok uit het Groningse dorpje Groot Wetsinge.

Van de hand van Frans Baars, die op 11 juni 2003 helaas is overleden, is onder de titel ‘Een klok op stap’ een artikel in het 26e jaarboekje opgenomen over de gebeurtenissen met de Castricumse luiklok tijdens de Tweede Wereldoorlog. Midden in de oorlogstijd werden de luiklokken op last van de bezetter uit de torens gehaald om omgesmolten te worden ten behoeve van de oorlogsindustrie. In de herfst van 1942 begon de grote klokkenroof, waaraan ook de klok van de oude dorpskerk niet kon ontsnappen. In september 1944 zouden de klokken per schip naar Hamburg worden vervoerd. Het schip zonk bij Urk en is daar met zijn kostbare lading tot na de oorlog blijven liggen. Halverwege 1945 werden de klokken uit het schip geborgen en naar Amsterdam gebracht. Castricum kreeg zijn klok weer terug en sinds die avontuurlijke omzwerving hangt deze weer in de toren van de oude dorpskerk.
Een uitwisseling tussen de Historische Kring Ubbega en de Werkgroep Oud-Castricum in het najaar van 2008 vormde de aanleiding om nog eens nader in te gaan op de herkomst van de klok.

De kerk van Groot Wetsinge

De luiklok van Castricum komt oorspronkelijk uit Groot Wetsinge, een cluster van wierden, die grotendeels bewaard is gebleven. De bewoning van de wierde, de in Groningen gebruikelijke naam voor terp, begint in de 3e eeuw voor Christus.
Tot 1840 heeft op deze plek een kerk gestaan. De bouw van de kerk besloeg 4 fasen. De bouwfasen zijn in het terrein aangegeven met verschillende verhardingssoorten en worden als volgt omschreven:

  • Fase 1: Op de kruin van de wierde werd waarschijnlijk in de 11e eeuw een tufstenen zaalkerk gebouwd. Dit kerkgebouw bestond uit een rechthoekig schip met een inspringend rechthoekig koor. In de hoeken van de funderingen zijn grote veldkeien teruggevonden die ter versteviging van de muren op de fundering waren gelegd. Dit is een gebruik dat vaker voorkomt bij Romaanse architectuur.
  • Fase 2: Vermoedelijk in de 13e/14e eeuw werd ten zuidoosten van de kerk een vrijstaande toren gebouwd. Hier is echter in het terrein niets van teruggevonden. Dit komt doordat de muren op ‘kleef’ waren gebouwd, d.w.z. zonder fundering, aangezien de cohesie van de kleibodem de stabiliteit van het bouwwerk verzekerde. Kort na 1645 is de toren afgebroken.
  • Fase 3: Het tufstenen koor werd waarschijnlijk omstreeks het midden van de 16e eeuw vervangen door een koor van baksteen. Dit nieuwe koor bezat een driezijdige sluiting, een laat Gotische verandering.
  • Fase 4: Tussen 1616 en 1630 werd aan de westkant van de kerk een toren gebouwd (ook op kleef) die de losstaande klokkentoren moest vervangen. Steunberen tegen de zuidgevel van de kerk vormden de jongste toevoegingen.

Overeenkomsten

Opmerkelijk zijn de overeenkomsten van de bouwhistorische ontwikkelingen van de kerk van Groot Wetsinge en die van de Castricumse dorpskerk. Van beide kerken wordt verondersteld dat zij een houten voorganger hebben gehad. De bouw van beide tufstenen kerken zou in de 11e eeuw hebben plaatsgevonden. Ook de oorspronkelijke vorm was gelijk: een zaalkerk met een rechthoekig koor. Beide kerken hadden aanvankelijk een losstaande toren, met dit verschil dat die van Westsinge aan zuidoostzijde van het koor stond en die van Castricum aan de westzijde. Van beide kerken werd het rechthoekige tufstenen koor vervangen door een bakstenen Gotisch koor met driezijdige sluiting. De losstaande toren van Wetsinge werd vervangen door een nieuwe toren die in de westgevel van de kerk werd opgenomen. De losstaande Castricumse toren is na verlenging van de kerk daarmee een geheel gaan vormen.


Jaarboek 32, pagina 51

 De wierde Groot Wetsinge. De kerk stond op de plek achter de glad geschoren heg. Achter de grote bomen staat de voormalige pastorie en rechts van de weg de kosterij met het schooltje.
De wierde Groot Wetsinge. De kerk stond op de plek achter de glad geschoren heg. Achter de grote bomen staat de voormalige pastorie en rechts van de weg de kosterij met het schooltje.
De plaats waar de kerk tot 1840 heeft gestaan is in het terrein zichtbaar gemaakt.
De plaats waar de kerk tot 1840 heeft gestaan is in het terrein zichtbaar gemaakt.

Kerk gesloopt

Omdat de oude tufstenen kerken van Wetsinge en het naburige Sauwerd in een niet al te beste bouwkundige staat verkeerden, werd in 1839 besloten beide kerken af te breken. Tegelijkertijd stichtte de inmiddels gecombineerde hervormde gemeente Wetsinge-Sauwerd een nieuwe kerk. Deze verrees halverwege tussen de beide dorpen; rond die kerk heeft het dorp Klein Wetsinge zich ontwikkeld. De termen ‘groot’ en ‘klein’ zijn verwarrend, want Klein Wetsinge telt meer huizen dan Groot Wetsinge. Groot betekent hier ‘hoog’; Groot Wetsinge ligt immers op een wierde en dat geldt niet voor Klein Wetsinge, dat een paar honderd meter ten zuiden van Groot Wetsinge ligt. Deze knusse dorpjes, in het Gronings Groot Wetsen en Klain Wetsen genoemd, ben je weer uit voor je er erg in hebt. Ze behoren tot de gemeente Winsum.

De luiklok

Het uurwerk en de klok van de afgebroken kerk in Sauwerd zouden een plaats krijgen in de toren van de nieuw te bouwen kerk. De klok en het uurwerk van de kerk van Westsinge konden dus worden verkocht. De klok werd voor 435,- gulden verkocht aan Jan van Dokkum, die havenmeester te Groningen was. Het uurwerk ging voor 125,- gulden naar B.G. Klok.
De uit 1604 daterende klok van Wetsinge bleek goede handelswaar te zijn, want al spoedig verkocht Jan van Dokkum hem aan de firma Raap in Amsterdam, die de klok op zijn beurt aan de gemeente Castricum verkocht. Voor de oude gebarsten klok kreeg men nog 80,- gulden terug.

 Luuk Balt fotografeert het randschrift van de klok in de toren van de Castricumse dorpskerk.
Luuk Balt fotografeert het randschrift van de klok in de toren van de Castricumse dorpskerk.

Bezoek

Op 17 september 2008 brachten Luuk en Annie Balt namens de Historische Kring Ubbega een bezoek aan de Werkgroep Oud-Castricum. Zij waren met hun caravan voor een korte vakantie in de buurt van Castricum en wilden de luiklok, die afkomstig is uit de afgebroken kerk van Groot Wetsinge, wel eens met eigen ogen zien. Zij hadden de klim langs de lange ladders in de toren van de Castricumse dorpskerk er voor over. Met de foto’s die zij toen hebben gemaakt, hebben zij aan het thuisfront het ultieme bewijs geleverd dat de klok van Groot Wetsinge inderdaad in de oude dorpskerk van Castricum hangt. Hans Boot van de werkgroep bezocht kort daarop op uitnodiging van Luuk Balt de gemeente Winsum om de plek te zien waar het kerkje heeft gestaan.

Ernst Mooij

  • Baars, F., Een klok op stap, 26e Jaarboek Oud-Castricum, 2003.
  • Beschrijving reconstructie wierde Wetsinge.
  • Informatiepaneel op de plaats van de vroegere kerk te Groot Wetsinge.

Bronnen:


R.K. Pancratiuskerk, vorige (Jaarboek 32 2009 pg 15-22)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Pancratiuskerk in Castricum:
Pancratiuskerk tot reformatie  – Pancratiuskerk: restauratie in 1953 – Pancratiuskerk: restauratie in 1992 – Klok van de Hervormde kerkGroeten uit Wetsinge
Verschenen artikelen over de katholieke Pancratiuskerk in Castricum: 
R.K. Pancratiusparochie – R.K. Pancratiuskerk, vorige
Verschenen artikel over begraven in Castricum
Verschenen artikel over de Gereformeerde kerk in Castricum: De Gereformeerde Kerk van Castricum (1931-2005)
Verschenen artikel over de Nederlands Hervormde Gemeente in Castricum: Nederlands Hervormde Gemeente
Verschenen artikel over 50 jaar kerk in Bakkum


Jaarboek 32, pagina 15

De vorige Sint-Pancratiuskerk te Castricum

Een zeer uitvoerig geannoteerde versie van dit artikel is gedeponeerd in het Streekarchief in Alkmaar.

De dorpskern van Castricum wordt gedomineerd door twee torens: die van de gotische hervormde kerk uit de vijftiende eeuw en die van de neogotische katholieke kerk uit de aanvang van de twintigste eeuw. De kerken liggen ruim 300 meter van elkaar aan de oude straatweg van Haarlem naar Alkmaar, de hervormde in het hart van het dorp, de katholieke een stukje meer naar het oosten. De huidige St.-Pancratiuskerk, in 1910-1911 naar ontwerp van de bekende architect Jan Stuyt gebouwd, is de opvolger van een veel kleiner bedehuis, dat maar een halve eeuw heeft bestaan. Dit kerkje, gebouwd in 1858 in een ‘Rundbogenstil’achtige neoromaanse trant, bezat geen volwaardige kerktoren, maar moest het met slechts een bescheiden dakruiter (torentje) boven de voorgevel doen. Het ontwerp was van de hand van de vrijwel geheel in vergetelheid geraakte katholieke Amsterdamse bouwmeester Robertus van Zoelen.

Deze kerk bleek na de dood van bouwpastoor Henricus J. Meuwsen in 1876 door vergaande verwaarlozing al weer zo bouwvallig, dat zijn opvolger, Hermanus Ruscheblatt, vrijwel direct de Amsterdamse architect A.C. Bleijs in de arm nam voor een grondige opknapbeurt. Naar diens ontwerp werd het bestaande bedehuis al in 1877 ingrijpend verbouwd. Na afbraak van het koor werd het schip verlengd, verhoogd en van spitsboogvensters voorzien. Ook werd aan de voorzijde in plaats van de vierkante dakruiter alsnog een kloeke toren neergezet. In 1883 was de vergroting gereed, maar het gebouw bleef in zo’n slechte staat, dat het een kwart eeuw later ten behoeve van Stuyts nieuwbouw werd gesloopt.
Over de bouw van Van Zoelens verdwenen kerk gaat het onderstaande artikel.

Ligging van de Schuilkerk aan de Breedeweg omstreeks 1830. In blauw de Schuilkerk met direct daaraan grenzend de pastorie.
Ligging van de Schuilkerk aan de Breedeweg omstreeks 1830. In blauw de Schuilkerk met direct daaraan grenzend de pastorie.
De Schuilkerk aan de Breedeweg naar een aquarel van Sijf Portegies.
De Schuilkerk aan de Breedeweg naar een aquarel van Sijf Portegies.

De Schuilkerk aan de Breedeweg

Ondanks het verlies van de oude dorpskerk aan de protestanten bij de Reformatie omstreeks 1567 was de Castricumse bevolking in overgrote meerderheid rooms gebleven. De katholieken gingen daarna een lange periode op zondag in het geheim ter kerke in boerenwoningen in Uitgeest, dan wel in de huiskapellen van de onder Heemskerk gelegen kastelen Assumburg en Marquette.
De huidige parochie Castricum gaat terug op een statie (red: standplaats) die in 1663 werd gesticht. In dat jaar werd buiten de dorpskern aan de noordzijde van de Breedeweg in de Oosterbuurt in een boerderij een schuilkerk ingericht; deze stond pal tegenover de monding van een veldweg die de Breedeweg met de Doodweg verbond.
In 1728 werd de schuilkerk aanzienlijk verbeterd en bij die gelegenheid zelfs van ‘kerkelijke’ rondboogramen voorzien. Over het uiterlijk van dit uiterst primitieve onderkomen, dat aan ongeveer 150 kerkgangers plaats bood, is weinig bekend. Volgens een summiere beschrijving uit 1826 was de houten vloer met zand bedekt.
Evenmin veel inzicht bieden twee visitatieverslagen (red: verslag van een bezoek) uit de eerste helft van de negentiende eeuw, afkomstig van twee


Jaarboek 32, pagina 16

aartspriesters van Holland en Zeeland, die tot het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 over dit deel van de Hollandse Missie de kerkelijke supervisie hadden.
De eerste, H.F. ten Hulscher, noteerde in het zijne in 1807 slechts: “De kerk deser plaats is oud, en heeft vertimmering noodig, dog de gemeente is […] zoo verarmt, dat zij de kosten daartoe noodig, nog niet heeft kunnen dragen.”
De tweede, B. Gerving, beperkte zich in 1842 tot de opmerking dat de dienstdoende pastoor het godshuis inwendig optimaal had verfraaid, maar de pastorie een oud bouwsel gebleven was.
In 1820 was het kerkje inderdaad grondig vernieuwd en vergroot.

Het perceel weiland waarop de Schuilkerk heeft gestaan (situatie in 2009).
Het perceel weiland waarop de Schuilkerk heeft gestaan (situatie in 2009).

Plannen voor een nieuwe kerk

Desondanks voldeed het kerkgebouw, dat uitwendig nauwelijks als zodanig herkenbaar was, gaandeweg niet meer. Na het aantreden van kapelaan Meuwsen als pastoor in 1844 en de oprichting van het bisdom Haarlem negen jaar later, wordt al snel het initiatief genomen om het bestaande bedehuis te vervangen. De nieuwe bisschop van Haarlem, Jacobus Fr. van Vree, laat al in de nazomer van 1855 aan Gedeputeerde Staten weten dat er spoedig om die reden een aanvraag om provinciale subsidie te verwachten valt. De kerk, zo heet het in een statistisch overzicht bij het bisdom dat jaar, “verkeerd in zeer bouwvallige toestand, zoodat er dringend een nieuwe wordt vereischt”. Ook zal het bedehuis, gezien het aantal gelovigen, inmiddels voor alle kerkgangers onvoldoende plaats hebben geboden.

Toch duurt het dan nog een klein halfjaar, voordat de overheid – in dit geval eerst Den Haag – officieel iets vanuit Castricum te horen krijgt. Pas op 11 januari 1856 stuurt het kerkbestuur onder leiding van pastoor Meuwsen een rekest (red: verzoekschrift) aan koning Willem III, waarin men verzoekt om toestemming voor de bouw van een nieuwe kerk en pastorie volgens het meegestuurde bouwplan en begroting van de reeds genoemde Amsterdamse bouwmeester Robertus van Zoelen. Hoe de pastoor bij hem terecht is gekomen, is onbekend. Zijn eigen priesterloopbaan heeft zich altijd ruim benoorden het IJ afgespeeld en dat van de bouwmeester steeds ten zuiden daarvan.


Robertus van Zoelen (1812-1869)

De in 1857 in Castricum gebouwde kerk was zijn laatste kerk en vermoedelijk ook een van zijn laatste bouwwerken als zodanig. In deze jaren in Amsterdam hoofdzakelijk als makelaar actief, verhuisde hij een paar jaar later naar Vught, waar hij al spoedig zou komen te overlijden. Van zijn toch al beperkte oeuvre is voor zover bekend niets bewaard gebleven. In de nadagen van Napoleon (red: 1800-1820) als timmermanszoon in Amsterdam geboren, was hij in de jaren (achttien)dertig als zovele andere timmermanszonen in de hoofdstad opgeleid aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, waar hij bij diverse interne architectuurprijsvragen als winnaar uit de bus kwam. Nadat hij vergeefs in 1835 had gesolliciteerd naar de post van bouwmeester van het nieuwe Gerechtshof in Arnhem, in 1837 naar de ‘Grand Prix de Rome’, en in 1836 respectievelijk 1838 naar het stadsbouwmeesterschap van Harderwijk en Utrecht, vestigde hij zich als architect in Amsterdam. In die hoedanigheid bouwde hij in 1840 de nieuwe, uiterst simpele St.-Urbanuskerk in Duivendrecht, voorzag in 1845 bij een grootscheepse verbouwing de St.-Dominicuskerk in de Spuistraat (red: Amsterdam) van een nieuwe classicistische voorgevel en verving in 1851 de kleine huiskerkvan St.-Thomas van Aquino aan het Singel (red: Amsterdam) door een bedehuis in rondboogstijl. Ook deze drie kerken bestaan niet meer.


Jaarboek 32, pagina 17

Bijna tweehonderd jaar, zo stelt men in dat rekest, heeft de gemeente inmiddels dienst gedaan: “In een gebouw het welk ongetwijfeld onder het getal der kerken geen plaats verdient, trouwens hetzelve van ouds als ook de Pastorie van een boerenwoonhuis tot dat einde ingerigt, nu zeer bouwvallig en veel te klein is, om het groot getal der kerkpligtigen op eene geregelde wijze te kunnen bevatten. Het kerkbestuur, de noodzakelykheid van nieuwenbouw voorziende, heeft dan ook sinds jaren met kracht zich toegelegd, om door bezuinigingen en bijdragen uit de Gemeente, een fonds tot stand te brengen, waaruit de te maken kosten grootendeels kunnen bestreden worden.

Het zo bijeengegaarde bedrag beloopt inmiddels de aanzienlijke som van 28.000,- gulden, waarvan 16.000,- gulden in kas en12.000,- gulden via lening. “Op meer hulpmiddelen kan dezer zijds niet gerekend worden, te meer daar sedert onheugelijke jaren collecten voor de armen in de kerk geschieden, welke niet welvoegelijk voor kerkelijke behoefte nadeelig kunnen gemaakt worden, aangezien dit te veel drukken zoude op de behoeftige volksklasse.” Voor het resterende tekort wordt dan ook tevens om een rijkssubsidie verzocht. Uit de bijgevoegde uitvoerige begroting van Van Zoelen, die op dat moment zo’n 35.850,- gulden beloopt, blijkt dat dit tekort relatief bescheiden is: nog geen kwart van de totale bouwsom, namelijk 7.850,- gulden.

Vooraanzicht en plattegrond uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Vooraanzicht en plattegrond uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Lengte doorsnede en zij-aanzicht uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Lengte doorsnede en zij-aanzicht uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Diverse dwarsdoorsneden en achteraanzicht uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Diverse dwarsdoorsneden en achteraanzicht uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.

Het ontwerp van de kerk

De bij het rekest bewaarde tekeningen beslaan vijf bladen, te weten: een plattegrond van de kerk; een plattegrond van de pastorie over twee verdiepingen; een voorgevel van de kerk en aanpalende pastorie; een zijaanzicht van de kerk; een lengtedoorsnede van de kerk. Zij verschillen slechts weinig met het uiteindelijke ontwerp, zoals dat kort na de voltooiing in 1860 met bouwtekening en al in de ‘Bouwkundige Bijdragen’ is gepubliceerd, de onregelmatig verschijnende periodiek van de ‘Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst’. Het voornaamste onderscheid: de kerk is een beetje rijziger geworden. Ook is de indeling van de pastorie licht gewijzigd. Een en ander blijkt enkele maanden later te hebben geleid tot een verhoging van de kosten, die uiteindelijk op 42.694,- gulden zullen worden begroot.

Van Zoelens ontwerp toont ons een uiterst simpel kerkje in een soort neoromaanse trant. Op een éénbeukig schip van drie door gestucte kruisgewelven overdekte traveeën onder zadeldak volgt een veel smallere halfronde absis, die net tot de dakgoot reikt en tussen twee veel lagere vierkante nevenruimtes is geplaatst: de biechtkamer en de sacristie. Het schip heeft een lengte van 29,3 meter en een breedte van 11,9 meter; de zijmuurhoogte is 12,9 meter.


Jaarboek 32, pagina 18

Aansluitend aan de sacristie volgt de rechthoekige pastorie van twee bouwlagen onder schilddak, met de lengte-as parallel aan de kerk, maar veel verder naar achteren geplaatst, zodat daarvoor een pleintje vrij blijft. De sacristie ligt op dezelfde hoogte als het spreekvertrek en een woonkamer aan de voorzijde van de pastorie.
De zijwanden van de kerk tellen drie door simpele steunberen gescheiden rondboogvensters; onder de middelste is in beide zijgevels een klein en laag rondboogportaal aangebracht.
De voorgevel aan de straatzijde bevat het met driehoekig timpaan afgesloten hoofdportaal en daarboven een drie- licht van gekoppelde rondboogvensters, waarvan het middelste iets hoger is. De voorgevel is bovendien uitgerust met een vierkante houten dakruiter: een torentje dat over de nok van het dak is gebouwd.

Behandeling van het rekest aan koning Willem III

Als gangbaar belandt het rekest met bijlagen via minister J.A. Mutsaers van R.-K. Eredienst en de commissaris des konings, jhr. mr. Willem Boreel, op het bureau van Etienne de Kruijff, sinds 1842 hoofdingenieur van Rijkswaterstaat in Noord-Holland te Haarlem. Deze stelt de stukken voor een onderzoek ‘voor zoo veel het technische gedeelte betreft’ in handen van zijn ondergeschikte Philip J.H. Haijward, die van 1849 tot 1859 arrondissementsingenieur is te Alkmaar. Haijward rapporteert op 2 februari 1856 onder terugzending van de stukken dat hij, afgezien van een paar foutjes, onduidelijkheden en enige iets te laag gestelde begrotingsposten, geen bezwaren tegen het bouwplan zou weten en dus goedkeuring ervan adviseert.
Zowel de hoofdingenieur als de commissaris des konings neemt diens rapport letterlijk over. Laatstgenoemde heeft ook de bisschop van Haarlem, Van Vree, geraadpleegd, die het verzoek van het kerkbestuur van harte aanbeveelt, “aangezien de groote behoefte, die voor gemelde gemeente bestaat aan eene nieuwe kerk en pastorij”.

Het gemeentebestuur wordt vervolgens verzocht om de beoogde bouwlocatie te toetsen aan een in 1853 uitgevaardigde wet, die een minimum afstand van 200 meter ten opzichte van al bestaande kerken voorschrijft. Wethouder P. Schotvanger bericht daarop dat het gemeentebestuur niet alleen “ten volle overtuigd […][is] van de noodzakelijkheid dat de R.C. Gemeente alhier eindelijk eens van een voegzamer kerkgebouw en pastorie, kunne worden voorzien”, maar ook dat wat de plaatsing aangaat, de kerk “in geenen deele aan een ander Kerkgenootschap hinderlyk kan zijn”, er althans van uitgaande dat deze in de Oosterbuurt pal naast het bestaande bedehuis zal worden gebouwd, waarvan echter noch in het rekest, noch in de bouwkundige stukken enige melding wordt gemaakt. De aanvraag voor een rijkssubsidie ondersteunt men van harte.

Geen provinciale of landelijke subsidie beschikbaar

Voor Boreel bestaat er zodoende alle reden om op 22 februari 1856 toestemming voor de bouw te verlenen op voorwaarde dat aan het commentaar van Rijkswaterstaat tegemoet gekomen wordt en daarvoor tevens een rijkssubsidie toe te kennen: “Tot dit laatste vind ik mij te meer gedrongen, dewijl er geen vooruitzigt bestaat om, aan die Gemeente, wanneer zij zich daartoe aan Heeren Gedeputeerde Staten mogt adresseren, eene tegemoetkoming uit Provinciale fondsen toe te kennen […] aangezien de toekenning van de volle 3000,- gulden aan andere Gemeenten op de begrooting van 1856 toegestaan, niets meer beschikbaar is.”

Alvorens daartoe over te gaan, wil de minister echter eerst van het kerkbestuur zekerheid hebben over de bouwlocatie, in de vorm van een stellige verklaring met vermelding van de grootte en waarde van het perceel, “en of het aan de Gemeente reeds in eigendom behoort, of nog verkregen moet worden, en in dat geval, tegen welken prijs,” omdat dan ook machtiging voor aankoop moet worden verstrekt. Met het bouwplan gaat hij akkoord, mits het bij de uitvoering conform het commentaar van Rijkswaterstaat wordt aangepast.
Maar een hoofdprobleem, zo laat hij de belanghebbenden meteen weten, blijft wel de betaalbaarheid. Afgaande op hun rekest zou immers op een totaal van 35.850,- gulden (de begroting was op dat moment immers nog niet bijgesteld) een tekort van 7.850,- gulden bestaan. “Hoe gaarne ik, om de erkende behoefte aan een nieuwe kerk en pastory, den bouw daarvan zou wenschen te bevorderen, kan daartoe echter van Rijkswege geen Rijkssubsidie, ten bedrage van voorschreven te kort, worden verleend, omdat de op het zevende hoofdstuk voor dat onderwerp beschikbare fondsen, in verband met de vele behoeften van andere gemeenten, daartoe in geenen deele toereikend zijn.” “Wil men derhalve,” zo vervolgt de minister, “den voorgenomen bouw tot stand zien komen, dan behooren geene pogingen on- beproefd te worden gelaten, om dat te kort tot een lager bedrag te doen afdalen.
Als mogelijkheid wordt genoemd om de waarde van verkoop of afbraak van de oude kerk en pastorie, waarvoor in de begroting niets uitgetrokken was, te verdisconteren. Ook een provinciale subsidie zou aangevraagd kunnen worden; weliswaar zijn de fondsen voor dit jaar al vergeven, maar voor de toekomst bestaan misschien mogelijkheden.

De minister dringt erop aan om hem het resultaat van zo’n poging te laten weten. Mocht die succesvol zijn, al dan niet vermeerderd met de gelden door verhoging van de eigen bijdrage, dan wel met de extra opbrengsten van de voorgenomen geldlening, dan is de minister bereid om een bijdrage in overweging te nemen van maximaal duizend gulden per jaar voor een periode van drie jaar, onder voorbehoud dat de Staatsbegroting dat mogelijk maakt.
Als het kerkbestuur vervolgens bij commissaris Boreel aanklopt voor een provinciale subsidie van 3000,- gulden, “zoo niet in het loopend dan toch in de twee volgende dienstjaren”, laten Gedeputeerde Staten van hun kant 13 maart het kerkbestuur weten dat op de provinciale fondsen voor het lopend jaar helemaal geen geld meer voor katholieke kerken en pastorieën beschikbaar is. Het staat echter het kerkbestuur vrij om zich, als het daarvoor in komende jaren alsnog in aanmerking wil komen, te zijner tijd opnieuw op het provinciehuis te vervoegen.


Jaarboek 32, pagina 19

Herziening van het bouwplan

Pastoor Meuwsen gaat vervolgens begin april met Van Zoelen bij De Kruijff langs, wat kennelijk tot een herziening van het bouwplan leidt. Althans, het kerkbestuur schrijft 13 april de minister “met leedwezen [te] verklaren, dat het aan hetzelve bij nadere inzage is gebleken, dat het primitieve plan der nieuw te bouwen kerk, voor de behoefte dezer Gemeente onvoldoende is, en als te bekrompen, eene noodzakelijke wijziging heeft gevordert”, een gewij- zigd plan voor een grotere kerk dat nu met voorkennis en instemming van zowel de hoofdingenieur als de bisschop aan het departement ter goedkeuring wordt aangeboden. Meuwsen schijnt er voor naar Den Haag te zijn gereisd, om het de bewindsman in persoon aan te bieden.

Bidprentje pastoor Meuwsen (1802-1876).
Bidprentje pastoor Meuwsen (1802-1876).

Succesvol is het kerkbestuur in die drie maanden ook met de financiering geweest. Voor de 42.694,- gulden die het nieuwe plan zal vergen, heeft men inmiddels 19.200,- gulden in kas en zal men 16.000,- gulden lenen, terwijl men het vooruitzicht bezit op een rijkssubsidie van 3.000,- gulden en – wat een wel heel vrije interpretatie van de mededeling van Gedeputeerde Staten is! – een dito provinciale subsidie, waarvoor men (de onzkerheid van die bijdrage erkennende) om de welwillende interventie van het ministerie verzoekt, zodat ook die benodigde 3.000,- gulden uit de provinciekas er inderdaad komt. Waar de afbraak van de oude kerk 1.500,- gulden zal opbrengen, heeft men zo op papier 42.700,- gulden bijeen en dus de zaak rond. De beoogde bouwlocatie, het al in 1828 voor 300,- gulden aangekochte perceel in de Oosterbuurt, bijna 3500 vierkante meter groot, grenst aan dat van de bestaande kerk, zodat de nieuwe daarmee op meer dan tweehonderd meter van de protestantse kerk verwijderd zal blijven.

Omdat de minister geheel zeker wil weten dat het nieuweplan daadwerkelijk het fiat van hoofdingenieur en bisschop heeft, treedt nog enige vertraging op, maar als beide heren dit beamen, doet de minister op 25 april 1856 aan de koning verslag en adviseert hem de gevraagde toestem- ming en subsidie te verlenen:

De kerk en pastory der R.K.Gemeente te Castricum, zijn in zoodanigen bouwvalligen toestand, dat zij eene vernieuwing ten allerdringendste vereischen. Alvorens daartoe over te gaan, heeft men, sedert vele jaren, middelen bijeengespaard en eerst toen het bedrag tot eene belangrijke hoogte was geklommen, heeft men een plan voor den bouw eener nieuwe Kerk en pastory doen ontwerpen, hetwelk bij het nevens vermelde rekest is overgelegd. Dat plan, hetwelk volgens het daarop ingewonnen berigt van den Hoofdingenieur van den Waterstaat, tot geene belangrijke bouwkundige aanmerkingen aanleiding gaf, is echter later gebleken, op eene te bekrompene schaal ontworpen en voor de behoefte onvoldoende te zijn en daarom gewijzigd moeten worden. Tegen de uitvoering daarvan bestaan thans geene verdere bedenkingen, terwijl ook de standplaats dier nieuwe gebouwen, in den zin der wet van den 10 September 1853 naar het gevoelen van het Gemeentebestuur, tot geen bezwaar aanleiding geeft.

Zijn advies is geheel conform wat hij al eerder aan het kerkbestuur berichtte: “Deze, door alle geraadpleegde autoriteiten erkende behoefte, even als de inderdaad onbekrompene medewerking dezer niet zeer vermogende ge- meente” brengen hem tot het voorstel om nu 1.000,- gulden te verlenen, en de gemeente vrij te laten om, als er de beide volgende jaren weer fondsen voor subsidie op de rijksbegroting worden geplaatst, zich in ieder van die jaren voor een gelijke som van 1.000,- gulden tot de koning te wenden. Samen met een nog te verlenen provinciale subsidie, waartoe Gedeputeerde Staten voor volgend jaar niet ongenegen zijn, moet dan in de behoeften kunnen worden voorzien.

Willem III beslist vervolgens in een door de minister opgesteld Koninklijk Besluit van 28 april 1856, nummer 58 geheel in deze geest, onder de geijkte bepaling dat de werken in het openbaar aanbesteed en uitgevoerd zullen worden onder toezicht van een door de commissaris aan te wijzen beambte van Rijkswaterstaat, terwijl de subsidie zal worden betaald wanneer de bouwwerkzaamheden begonnen zijn en het kerkbestuur zich schriftelijk verbonden heeft om in eventuele naderhand bijkomende kosten geheel buiten bezwaar van het rijk te voorzien.

Commissaris Boreel, hoofdingenieur De Kruijff, bisschop Van Vree het kerkbestuur worden op de hoogte gesteld. Dat laatste krijgt te horen dat het zich voor het verkrijgen van toestemming voor het aangaan van een lening tot Gedeputeerde Staten moet wenden, tevens in de verwachting dat dit college “op het eventueel nader verzoek des kerkbestuurs, om onderstand uit de provinciale fondsen, eene gunstige beschikking zal gelieven te nemen”. Inzake die lening onderneemt het kerkbestuur meteen actie. Na raadpleging van de burgemeester van Castricum, Jacob Rendorp van Marquette, geeft Boreel op 29 mei toestemming voor het gevraagde bedrag van 16.000,- gulden over 32 aandelen van 500,- gulden elk uit te splitsen. Voor het door het kerkbestuur daarbij herhaalde verzoek om een provinciale subsidie van 3.000,- gulden wordt verwezen naar het al door GS op 13 maart meegedeelde. Daarop kan tot aanbesteding worden overgegaan. Boreel bepaalt de datum op 26 juni 1856 en laat op 12 en 13 juni daartoe een advertentie in de Haarlemsche Courant


Jaarboek 32, pagina 20

Aankondiging van de aanbesteding in de Haarlemsche Courant van 13 september 1856.
Aankondiging van de aanbesteding in de Haarlemsche Courant van 13 september 1856.

plaatsen. Een uitleg op de toekomstige bouwlocatie door bouwmeester Van Zoelen ten behoeve van potentiële gegadigden vindt op 21 juni plaats. Het bestek bepaalt de opleveringsdatum op 30 september 1857. De aanbesteding ten kantore van de commissaris des konings wordt echter twee dagen nadat aannemer Hendrik Handgraaf uit Castricum voor een bedrag van 47.412,- gulden de gelukkige was geworden op verzoek van het kerkbestuur door Boreel afgekeurd, omdat die som de begroting verre te boven gaat.

Bouwlocatie van de Breedeweg naar de Rijksstraatweg

Er zit daarmee niets anders op dan enige bezuinigingen op het ontwerp door te voeren, waarvoor Van Zoelen twee weken later zorgt. In totaal weet hij – ‘zonder de hechtheid des gebouws te benadeelen’ – op materialen een bedrag van 4.761,- gulden te besparen, waarvan meer dan de helft door voor een goedkoper soort bakstenen voor de buitenmuren te kiezen. Tegelijk met de indiening van dit nieuwe plan bij het ministerie deelt het kerkbestuur tevens mee de kerk op een nieuwe locatie te willen gaan bouwen, namelijk op een zich reeds in zijn bezit bevindend perceel dat bekend staat als ‘Jan Evertsven’ (kadaster sectie C, nummer 7), omdat die plek voor de parochianen handiger zal zijn en de aanvoer van de bouwmaterialen nu gemakkelijker zal kunnen geschieden. Daarmee heeft men zeker geen ongelijk, want de nieuwe locatie bevindt zich veel dichter bij de dorpskern en wel ten noorden daarvan aan de doorgaande weg naar Alkmaar. Bovendien is ook deze plek op voldoende afstand, dat wil zeggen meer dan 200 meter, van de hervormde kerk gelegen.

Zo is er nieuw werk aan de winkel voor Rijkswaterstaat, en ook bisschop Van Vree wordt weer geraadpleegd. Noch de een noch de ander ziet bewaren tegen bouwplan of bouwlocatie, en ook het gemeentebestuur, als eerste om een oordeel gevraagd, beveelt bij monde van burgemeester Rendorp die laatste aan: “Als zijnde gelegen aan het einde der Kom van het dorp, en uitgang hebbende aan den grooten Straatweg, en circa 350 ellen van het kerkgebouw der Hervormde Gemeente verwijderd, welker bestuur daarenboven mede door ons van het voornemen der R.C. Gemeente is mededeeling gedaan en verklaart heeft daartegen geenerlei bezwaren te hebben.”
Dit was een gevoelig punt, want juist het risico van iterkerkelijke conflicten die een mogelijke te grote nabijheid van twee bedehuizen van verschillende denominaties als gevolg van wederzijdse hinder voor, tijdens en na de dienst zou kunnen veroorzaken, was indertijd de reden geweest voor de genoemde wet uit 1853, die de bewuste minimumafstand van 200 meter voorschreef.

Ingenieur Haijward had de nieuwe hoofdingenieur Johan G. van Gendt, opvolger van De Kruijff, weliswaar meegedeeld dat Van Zoelen als architect zijn bezuinigingen wat al te gunstig had ingeschat, en overigens ook nog een paar aanmerkingen op het werk had gemaakt, maar zijn chef oordeelde die kennelijk van te weinig belang om de zaak om die reden nog langer op te houden, temeer daar met de vordering van het bouwseizoen een zekere haast langzamerhand wel geboden was. Noch voor commissaris Boreel, noch voor de nieuwe minister J.W. van Romunde, die Mutsaers was opgevolgd, is er dan reden om hun fiat aan het bijgewerkte ontwerp en de verhuizing te onthouden. Na machtiging door de Koning beslist de minister op 3 september 1856 in deze zin.
Ditmaal loopt de aanbesteding, die door Boreel op 25 september 1856 is bepaald en in de Haalemsche Courant van 13 en 15 september is aangekondigd, op rolletjes.

Het gedrukte bestek wordt op het kantoor van de commissaris voor 46.500,- gulden bij Johannes C. van Berkum uit Utrecht aanbesteed. Dit bedrag lag dus maar weinig onder de vorige aanbesteding. De algehele voltooiing van het werk was nu op medio juli 1858 vastgelegd; de vertraging met de aanbesteding van drie maanden bracht door het verloren zomerseizoen zo een uiteindelijke vertraging van negen maanden van de bouw met zich mee. Desondanks wordt een paar dagen later een en ander ditmaal wel goedgekeurd in het vertrouwen dat GS de gevraagde 3.000,- gulden in 1857 of 1858 zullen geven. Voor het tekort wordt door het kerkbestuur de beoogde lening verhoogd van 16.000,- tot 20.000,- gulden, waarvoor Boreel na raadpleging van het gemeentebestuur zonder mankeren op 30 oktober toestemming verleent.


Jaarboek 32, pagina 21

Voorwaarden en bestek van de te bouwen kerk te Castricum.
Voorwaarden en bestek van de te bouwen kerk te Castricum.

De bouw van de kerk

De bouw zelf, die van start mag zodra het kerkbestuur zich schriftelijk verbonden heeft alle eventuele extra kosten voor eigen rekening te zullen nemen, verloopt daarop voorspoedig. Al op 21 november kan ingenieur Haijward verklaren dat het werk begonnen is, zodat de bij Koninklijk Besluit verleende subsidie ook daadwerkelijk beschikbaar kan worden gesteld. In elk van de twee volgende jaren wordt ook moeiteloos na het desbetreffende rekest van het kerkbestuur de daarbij reeds in het vooruitzicht gestelde extra subsidie van 1.000,- gulden toegekend en uitbetaald. Minder succesvol is het kerkbestuur bij de provincie. In Haarlem krijgt het slechts de helft van het verlangde bedrag, namelijk 1.000,- in 1857 en 500,- gulden in 1858. Het lijkt erop dat dit enigszins aan de nalatigheid van de parochie zelf te wijten is. In 1857 moeten Gedeputeerde Staten, omdat zij maar niets vanuit Castricum horen, bij de bisschop informeren of er ginds nog steeds behoefte aan subsidie bestaat, wat de aangeschrevene dan bevestigt. In 1858 is de helft van de jaarlijks beschikbare 3.000,- gulden al toegekend, als voor de resterende 1.500,- gulden zich liefst drie plattelandsparochies melden: Castricum, Schoten en Zwaag. Deze drie mogen nog dat jaar op voorspraak van Van Vree dat restant gelijkelijk verdelen.

Een ramp blijkt dit tegenvallen van de provinciale bijdrage voor Castricum overigens niet; de opbrengst van de afbraak van de schuilkerk en de verkoop op 17 november 1858 van het bijbehorende erf, bosje, boomgaard en tuin (kadaster sectie B, nummers 427 t/m 430) is uiteindelijk namelijk boven verwachting groot; zij bedraagt in plaats van de geraamde 1.500,- liefst 3.050,- gulden en daarmee is de lagere provinciale subsidie weer gecompenseerd. Wel moet het benodigde bedrag van de lening tenslotte nog eens met 6.000,- tot 26.000,- gulden worden opgehoogd, waarbij uiteindelijk de katholieke wijnhandelaar Hendrik P. Ibink Melenbrink uit Alkmaar voor liefst 20.000,- gulden als geldschieter optreedt.

De kerk, waarvoor op 7 april 1857 de eerste steen is gelegd, wordt dan ook zonder echte problemen en zonder veel vertraging opgeleverd; alleen komt er aan extra kosten uiteindelijk nog  4.224,- gulden bovenop de aannemingssom en moet ook nog 2.697,- gulden aan de architect betaald worden, wat de uitgaven voor de bouw op een bedrag brengt van niet minder dan 53.421,- gulden. Hoe dan ook, op het laatst van augustus 1858, dus maar weinig over tijd, kan ingenieur Alexander B. Mentz, die het toezicht van Haijward heeft overgenomen, zijn chef berichten dat het werk op enige details en kleine mankementen na compleet is voltooid.

De statie van St.-Pancratius heeft dan net  in zijn diocees de status van volwaardige parochie gekregen, een paar weken eerder, dankzij een besluit van bisschop Van Vree, als uitvloeisel van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie vijf jaar tevoren, samen met veertig andere kerken, res- sorterend onder het dekenaat Beverwijk.
Daarop wordt de nieuwe kerk, die zeshonderd zitplaatsen telt, op 30 september (1858) door de bisschop ingewijd. Al een jaar eerder had men van het gemeentebestuur toestemming gekregen bij de kerk ook een eigen begraafplaats aan te leggen.

De kerk omstreeks 1900. Bij de grondige verbouwing van 1877-1883 was de vierkante dakruiter vervangen door een toren.
De kerk omstreeks 1900. Bij de grondige verbouwing van 1877-1883 was de vierkante dakruiter vervangen door een toren.

Thomas H. von der Dunk


Jaarboek 32, pagina 22

Bronnen:

Archieven:

  • Bisschoppelijk Archief, in Noord-Hollands Archief te Haarlem.
  • Gemeentebestuur, in Regionaal Archief te Alkmaar.
  • Ministerie van R.K. Eredienst, in Nationaal Archief te DenHaag.
  • Parochie Archief, in Regionaal Archief te Alkmaar.
  • Provinciaal Bestuur van Noord-Holland, in Noord-Hollands Archief te Haarlem.
  • Rijkswaterstaat, in Noord-Hollands Archief te Haarlem.

Publicaties:

  • Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl 1973.
  • Baars, F. en E.A. Steeman – Borst, Historie van de R.K. Pancratiusparochie, 6e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1983, p. 3-12.
  • Dunk, T.H. von der, Zes katholieke kerken in Amsterdam uit de dageraad der emancipatie, Jaarboek Amstelodamum, XCI(2004), p. 43-76.
  • Dunk, T.H. von der, De vorige katholieke kerk van Duivendrecht, Maandblad Amstelodamum, XCIII (2006) no.5, p. 13-30.
  • Dunk, T.H. von der, De statie ‘Het Torentje’ aan het Singel, Maandblad Amstelodamum, XCV (2008) no. 2, p.13-25.
  • Kalf, J., De katholieke kerken van Nederland: dat is de tegenwoordige staat dier kerken met hunne meubeling en versiering beschreven en afgebeeld, Amsterdam 1906.
  • Loos, J.C. van der, Missieverslag van den Aartspriester Geving: 1842, Bijdragen tot de Geschiedenis van het Bisdom van Haarlem, XL (1921), p. 370-437.
  • Loos, J.C. van der, Een missieverslag van den Aartspriester Ten Hulscher in 1807, Bijdragen tot de Geschiedenis van het Bisdom van Haarlem, XLI (1923), p. 256-309.
  • Rosenberg, H.P.T., De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland, ‘s-Gravenhage 1972.
  • Zoelen, R.van, De nieuwe Roomsch-Katholieke Kerk en Pastorie te Castricum, provincie Noord-Holland, Bouwkundige Bijdragen, XI (1860), kol. 237-242.

1567 R.-K. Pancratius kerk wordt protestantse kerk.

1663 Statie Castricum wordt gesticht; aan de Breedeweg wordt een schuilkerk ingericht.

1728 Schuilkerk wordt voorzien van rondboogramen.

1820 Schuilkerk wordt vernieuwd en vergroot.

1858 Bouw nieuwe kerk volgens ontwerp R. van Zoelen aan de Rijksstraatweg en sloop schuilkerk.

1883 Vergroting kerk en bouw toren volgens ontwerp A.C. Bleijs gereed.

1911 Bouw nieuwe kerk volgens ontwerp Jan Stuyt gereed en sloop kerk Van Zoelen/Bleijs.

Klok van de Hervormde Kerk (Jaarboek 26 2003 (pg 17-20)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Pancratiuskerk in Castricum:
Pancratiuskerk tot reformatie  – Pancratiuskerk: restauratie in 1953 – Pancratiuskerk: restauratie in 1992 – Klok van de Hervormde kerkGroeten uit Wetsinge
Verschenen artikelen over de katholieke Pancratiuskerk in Castricum:
R.K. Pancratiusparochie – R.K. Pancratiuskerk, vorige
Verschenen artikel over begraven in Castricum
Verschenen artikel over de Gereformeerde kerk in Castricum: De Gereformeerde Kerk van Castricum (1931-2005)
Verschenen artikel over de Nederlands Hervormde Gemeente in Castricum: Nederlands Hervormde Gemeente
Verschenen artikel over 50 jaar kerk in Bakkum


Jaarboek 26, pagina 17

Een klok op stap

Het verhaal van een geredde historische luidklok

Het is stil in het dorp op die vroege zondagmorgen van het jaar 1943. Geen klok luidt om de kerkgangers uit te nodigen voor de dienst. Voor het eerst in eeuwen blijft het doodstil, alleen de roep van een vogel, het geratel van de wielen van een sjees en de hoeven van een paard verbreken de stilte. Op de plaats waar de klokken in de torens moeten hangen is het akelig leeg. De klokken zijn op bevel van de Duitse bezetter uit de torens weggehaald om in Duitsland omgesmolten te worden tot oorlogstuig. De Castricumse klokken verdwijnen zo voorgoed.
Op één na, de monumentale klok die nu weer in de toren van de oude Pancratiuskerk hangt.
En daarover gaat deze geschiedenis.

De oude Pancratiuskerk in Castricum.
De oude Pancratiuskerk in Castricum.

Castricums oudste luidklok

Toen de oude dorpskerk nog geen toren had (die werd in de tweede helft van de 15e eeuw gebouwd), werden de parochianen waarschijnlijk met gebruik van handbellen naar de kerk geroepen. Na het gereed- komen van de toren was daar al spoedig een luidklok aanwezig. Die was in 1238 door een onbekende klokkengieter gegoten en dus van elders afkomstig. Volgens de Enkhuizer organist Spruyt, die omstreeks 1750 de Noord-Hollandse luidklokken inventariseerde, was het opschrift:
‘Nota Catharina Sanctus Anthonius 1238’. Na zes eeuwen trouwe dienst werd die klok in 1842 stuk geluid. In de uitgestrekte gemeente werd toch al geklaagd dat de klok niet overal goed te horen was. Daarom besloten de vroede vaderen van de gemeente (de kerktoren is eigendom van de gemeente Castricum) om een grotere klok aan te schaffen. Waarschijnlijk ging de prijs van een nieuwe klok de financiële draagkracht van de gemeente te boven. Van de firma S.A. Raap en Zoonen te Amsterdam werd een tweedehands klok van vierhonderd Nederlandsche pond (400 kg) aangekocht voor 560,- gulden. Voor de oude gebarsten klok kreeg men 80,- gulden terug. De nieuwe klok was in 1604 door Gert Powel in Emden gegoten en draagt als opschrift: ‘ANNO 1604 FRI DOE COT GERT POWELS MI TO EMDEN’. Deze klokkengieter leverde vooral klokken in Oost-Friesland, maar ook in Groningen. In Wetsinge, dat met Sauwert één kerkelijke gemeente vormde, hing deze klok tot 1840 in de toren. De dorpen hadden ieder een eigen kerk, die beide gesloopt werden. Er werd één nieuwe gemeenschappelijke kerk gebouwd. In de nieuwe kerk kwam de klok van Sauwert te hangen en die van Wetsinge werd aan de firma Raap in Amsterdam verkocht. Die verkocht de klok aan Castricum, waar deze sinds 1842 met een onderbreking in de oorlogsjaren in de fraaie toren van de oude Pancratiuskerk hangt. Daar wordt deze tot op de huidige dag zowel voor de burgerlijke als de kerkelijke gemeente geluid.

De 'M'-klok waarover deze geschiedenis gaat.
De ‘M’-klok waarover deze geschiedenis gaat.

De klokkenroof

Midden in de oorlogstijd, juli 1942, verschijnt een verordening van Rijkscommissaris Seys-Inquart, waarin vermeld wordt dat voorwerpen van diverse metalen, waaronder koper, aangemeld moeten worden voor verwerking in de oorlogsindustrie. In de herfst van datzelfde jaar begint de grote klokkenroof. Zo’n vijfenzestighonderd klokken verdwijnen zo uit de Nederlandse kerktorens en carillons. Een onwezenlijke stilte valt zo over stad en land. Met het weghalen van die klokken heeft zich een Nederlander belast, P.J. Meulenberg, sindsdien ‘Klokken-Peter’ genoemd. Met zo’n driehonderd arbeiders gaat hij aan de slag. Men voorziet incidenten en die blijven dan ook niet uit. Hij besluit daarom de werkzaamheden in het donker uit te voeren, maar dat blijkt toch onuitvoerbaar. En zo worden de klokken vaak onder de woedende blikken van toeschouwers naar beneden getakeld. In zijn levenswerk ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ schrijft dr. L. de Jong in deel 7:
“Het weghalen van kerkklokken werd immers niet ervaren als het in beslag nemen van willekeurige metalen voorwerpen; veeleer waren de kerkklokken een wezenlijk deel van het leefmilieu. Sterker nog: hun luiden, hun gebeier (dat men opeens niet meer hoorde – vreemd deed deze stilte aan) had, zou men kunnen zeggen ‘eeuwigheids-


Jaarboek 26, pagina 18

waarde’. Het was geassocieerd met het vooroorlogse Nederland en met het kerkelijk verzet, het preludeerde op de bevrijdingsdag. Dan zouden de klokken eerst recht geluid worden”.

Castricums klokken verdwijnen

Wanneer de Castricumse klokken precies zijn weggehaald en of dat tot protesten van de bevolking heeft geleid, weten we niet. Er is slechts één aantekening bekend; die komt uit het dagboek dat drie Castricumse kapelaans van de R.K. Pancratiusparochie hebben bijgehouden.
Op 31 maart 1943 staat daarin: “De kerkklok luidt voor het laatst. Hij wordt weggehaald”.
En enige dagen later: “De klepel is niet meegegeven en wordt als relikwie bewaard”. Hoogstwaarschijnlijk gaat deze mededeling over de klok van de R.K. kerk. Van de klok van de gemeentetoren van de oude Nederlands Hervormde kerk is geen aantekening bekend. Maar aangenomen mag worden dat alle klokken in één keer uit Castricum zijn meegenomen. Daaronder bevindt zich ook de monumentale klok uit de toren van de N.H. kerk, die een ‘M’-status heeft gekregen.

‘M’-klokken

Al voor het uitbreken van de oorlog is een lijst opgesteld van monumentale klokken met het doel deze voor vernietiging te behoeden. De Castricumse klok bevindt zich ook op die lijst. Als herkenningsteken heeft deze klok, net als alle monumentale klokken, een ‘M’- teken gekregen. Meulenberg, die opdracht heeft gekregen om alle klokken uit de torens te verwijderen, heeft echter, tegen de gemaakte afspraken in, ook deze klokken meegenomen. Dit ondanks een mededeling die bij die klokken hing: “De Nederlandse Regering heeft een zeer beperkt aantal klokken als historische gedenkstukken van de grootste betekenis van vordering vrijgesteld en richt zich tot de bevelhebbers der militaire macht van andere mogendheden met het dringende verzoek deze met een M gemerkte klokken te sparen.” Deze mededeling was behalve in het Nederlands ook in het Frans, Duits en Engels gesteld. Sommige klokken bleven gespaard, maar ‘onze’ klok verdween.

Leerdam

De Nederlandse instanties hebben in ieder geval nog kunnen bereiken dat deze monumentale klokken niet direct naar Duitsland worden weggevoerd, maar apart worden opgeslagen.
Dat gebeurt in twee opslagplaatsen, één in Giethoorn en één in Leerdam. En voorlopig worden ze met rust gelaten. In september 1944, enkele maanden na de invasie in Normandië, achten de in het nauw gedreven Duitsers het moment aangebroken om de klokken toch maar af te voeren. In Hamburg staan twee fabrieken waar de klokken worden omgesmolten. Beide fabrieken zijn al eens gebombardeerd. Op 23 oktober 1944 wordt het klipperschip ‘Hoop op Zegen’ van schipper J. van Dijk uit Dordrecht gevorderd om de M-klokken van Leerdam naar Hamburg te vervoeren. Maar Van Dijk is niet bereid om dit onvaderlandse werk uit te voeren en verlaat zijn schip. Er wordt een gelegenheidsschipper aangezocht, de onervaren Marten Homma. Op vrijdag 3 november is het schip geladen. Een week later ongeveer vertrekt het schip naar Emden. Waarschijnlijk is nog geprobeerd om het schip tot zinken te brengen. Enige dagen na het vertrek is namelijk een geallieerd vliegtuig boven Leerdam verschenen: “(…) dat rondcirkelde alsof het iets zocht”, aldus getuigenverklaringen. Maar het klipperscheepje ‘Hoop op Zegen’ is al onderweg.

Konvooi

Het weer in de novembermaand van 1944 wordt gekenmerkt door een krachtige depressie-activiteit. Gedurende de hele maand blijven storingen over ons land trekken. De ‘Hoop op Zegen’ maakt deel uit van een konvooi dat gesleept wordt door een Duitse sleepboot de ‘BS-14’. Traag ploegt de sleep zich tijdens de inktzwarte novembernacht een weg door het IJsselmeer. De vuurtorens langs de kust zijn gedoofd. In de buurt van de ‘Vormt’, een beruchte zandbank ter hoogte van Urk, raken drie schepen los van de sleep. Eén schip is geladen met touw, één met een onbekende lading en het derde schip met de kostbare klokken. Als schipper Homma merkt dat zijn schip is losgeraakt van de sleep, stuurt hij op Urk aan, waar het schip op de ‘Vormt’ strandt en lek slaat.

De klokken worden uit het ruim van de gezonken klipperschip 'Hoop op Zegen' geborgen.
De klokken worden uit het ruim van de gezonken klipperschip ‘Hoop op Zegen’ geborgen.

Berging

De machinefabriek Fa. A. Hoekman en Zonen te Urk krijgt van de Duitsers de opdracht om het schip met klokken vlot te trekken. Zij hadden geen betere keus kunnen doen. De Hoekmannen stonden op Urk bekend als zeer goede vaderlanders. Broer Pieter Hoekman was vanuit Engeland als geheim agent gedropt en in 1943 door verraad gesneuveld. Aangezien de bestemming van de klokken weinig te raden liet, waren de gebroeders tot de slotsom gekomen dat de berging van de klipper niet wenselijk was. Zij konden trouwens onweerlegbaar bewijzen, dat het schip niet te bergen was. De zijkant van het schip was over een lengte van acht meter opengescheurd en de bodem was zwaar beschadigd. Een getuige uit die tijd J. Krikke, kapitein op de Rijnvaart, vertelt over de berging het volgende: ”Tijdens de oorlogsjaren kreeg mijn vader opdracht samen met nog drie collega ‘s met hun gevorderde sleepboten (met de Kriegsmarine aan boord) een schip van de Vormt

De klokken in het ruim van het gezonken klipperschip 'Hoop op Zegen'.
De klokken in het ruim van het gezonken klipperschip ‘Hoop op Zegen’.


Jaarboek 26, pagina 19

te trekken. Tijdens een bespreking die de kapiteins onder elkaar hielden, werd een plan gesmeed om het schip niet te bergen. Het plan was om de sleepverbinding zodanig vast te maken, dat door de enorme kracht, die de sleepboten ontwikkelden, de bolders waarop de sleepverbinding was gemaakt, afgesneden zouden worden. Hetgeen ook gebeurde. Bovendien wisten zij te bewerkstelligen, om de Duitsers zogenaamd gerust te stellen, dat nog een laatste inspectie uitgevoerd zou worden. Toen zij het schip verlieten, vergaten ze opzettelijk de roeden, ijzeren stangen die voor de kleppen van de luiken langs werden gestoken, er weer voor te doen. Een zuidwester storm deed de rest”. De ‘Hoop op Zegen’ lag nu veilig met zijn kostbare lading klokken enkele honderden meters van Urk te wachten op betere tijden.

‘Eben Haëzer’

En zo gaat Nederland de laatste winter onder Duitse bezetting in, die voor het westen een hongerwinter zal worden. De geallieerde opmars is tot staan gebracht. Het zal tot mei 1945 duren voor ons land bevrijd is. En het schip met de klokken blijkt niet vergeten te zijn. Eind juli 1945 al is men begonnen met de berging van de lading. Uit dagboekaantekeningen van de Urker havenmeester kennen wij het verdere verloop van de geschiedenis van de klokken. Verdeeld over vijf werkdagen zijn in totaal 226 klokken en 145 klepels geborgen. Zij zijn in Urk aan land gebracht en tijdelijk opgeslagen in de hoek bij het strand op de Westhaven. Met het schip de Eben Haëzer met schipper Jan van Laar wordt de kostbare lading op donderdag 9 augustus 1945 naar Amsterdam gebracht. Vanuit de hoofdstad worden de klokken naar de eigenaren teruggebracht. In december 1945 is nog geprobeerd het wrak van het schip te lichten. Maar de werkzaamheden worden belemmerd door storm, ijs, mist en regen. De elementen hebben hun werk al gedaan, het schip is in tweeën gebroken. De bergploeg van Hijlkema / Meester staakt de werkzaamheden en keert op dinsdag 15 januari 1946 onverrichter zake huiswaarts. Werfbaas Meindert Hakvoort kan het schip niet vergeten, “In de winter van 1963-1964 zijn we met zijn drieën over het ijs naar het klokkenschip gegaan en hebben het met branders gesloopt. Het oud ijzer brachten we met een slee naar de werf en het kostte ons meerdere tochten om alles goed en wel naar Urk te brengen. Onze arbeid bleef niet onbeloond, we beurden 300 gulden. Een aardig bedrag voor die tijd”.

Schipper Van Dijk

Wat is er geworden van schipper Van Dijk, de man die zo dapper geweigerd had om voor de Duitsers te werken? Van Dijk, toen 65 jaar, was niet alleen zijn woning en inboedel kwijt, maar ook de broodwinning van hemzelf en zijn zoon, die hem in zijn bedrijf zou opvolgen. Hij kreeg een uitkering van 14 gulden per week. De waarde van het verloren schip werd door deskundigen geschat op 15.000 gulden. De rijksinspecteur van de kunstbescherming stelde in juni 1945 voor om een fonds te vormen van maximaal 10.000 gulden om Van Dijk schadeloos te stellen. Om dit doel te bereiken werd aan de eigenaren van de geborgen klokken, gemeenten en kerken, een bijdrage van 75 gulden gevraagd. De gemeente Castricum betaalde 37,50 gulden. Maar de oproep bracht bij elkaar slechts 2.990,- gulden op en dat voor een man die zijn leven had gewaagd voor 226 Nederlandse klokken. Zijn naam zal echter blijven voortbestaan. Want wat staat te lezen op de gedenksteen bij de klok van de kerk in Spijkenisse?

In drie jaar klonk mijn stem niet meer
‘k Lag op de bodem van het IJsselmeer
Heldenmoed van schipper Van Dijk
Liet mij daar zakken in het slijk
Maar nu jubel ik het uit
Besef, o mens, wat mij beduidt
Geloof van mij, dat God gewis
In Nood en dood uw redder is

Sabotage of ongeluk?

Dat het niet bergen van de klokken uit de gezonken ‘Hoop op Zegen’ een daad van sabotage was, is overduidelijk, maar was de stranding van het schip dat ook? Daar heeft het alle schijn van. Het belang van de kostbare lading was tot in de hoogste kringen bekend. Nadat bekend werd dat de monumentale klokken, tegen alle afspraken in, alsnog naar Duitsland afgevoerd zouden worden, was er door de secretaris-generaal van Onderwijs en Wetenschappen en Cultuurbescherming krachtig geprotesteerd. Nadat die protesten afgewezen waren, beraamde men plannen om het transport te saboteren, zoals het onklaar maken van een brug of een sluis om de afvaart te verhinderen. Maar daarvan werd afgezien. De klokken konden dan alsnog op auto’s worden geladen om vervoerd te worden. Daarnaast was er het nog grotere risico van represailles door de Duitsers. Er werd een telegram naar Londen gestuurd met het verzoek om het schip nog vóór de afvaart tot zinken te brengen. Getuigen verklaarden dat er inderdaad een vliegtuig enige tijd boven Leerdam had gevlogen: “(…) alsof het iets zocht”, maar er was niets gebeurd. Een feit is wel dat schipper Van Dijk het werk niet wilde uitvoeren. Iets weigeren voor de Duitsers was gevaarlijk. Op openlijke weigering stond maar één straf en dat was standrecht, ‘de kogel’. Maar hij kon wel een goede reden opnoemen. De Royal Air Force was heer en meester boven het IJsselmeer en menig schip werd tot zinken gebracht. Van de man die het werk overnam, Marten Homma, is niets bekend. Werd hij gedwongen om de klus te klaren?

De geredde klokken op het strand van Urk.
De geredde klokken op het strand van Urk.

De klok is weer terug

Wanneer de klok weer in Castricum is teruggekeerd, is niet bekend. Maar uit een verslag van september 1946 van de adjunct-rijksinspecteur Kunstbescherming J.W. Janzen blijkt dat de klokken op 31 juli 1945 ter beschikking van de eigenaren zijn gesteld. En men is snel tot distributie overgegaan. We mogen aannemen dat de klok in de loop van dat jaar weer in de toren is gehangen. Een niet alledaagse klus die toch vele Castricummers niet zal zijn ontgaan. Sinds die dag hangt de klok na een avontuurlijke omzwerving weer vertrouwd in onze monumentale toren als een symbool van eeuwigheid. Het geratel van de paardenwagens op de keien is verstomd, maar de sonore galm van onze klok is gebleven.

Frans Baars


Jaarboek 26, pagina 20

Verantwoording:

Het verhaal van de klok is opgetekend uit het rapport ‘Klok op stap’, dat door de heer Fred van der Zande in het jaar 2000 is gemaakt. Enthousiast gemaakt door een artikel uit de zeventiger jaren van C.W. Tempelmans – Plat, indertijd lid van de Werkgroep Oud-Castricum, is hij op zoek gegaan naar de gebeurtenissen rond de roof en terugkeer van de klok. Via een oproep in het ‘Weekblad Schuttevaer’ is hij in contact gekomen met een man uit Urk, A. van Urk, die een deel van de historie al had uitgezocht. Delen van deze tekst zijn letterlijk van de heren Van der Zande en Van Urk overgenomen. Fred van der Zande is actief binnen de Nederlands Hervormde kerk en heeft zich vele jaren vooral bezig gehouden met de kerk als monument. Zonder zijn enthousiasme en inzet was dit artikel niet tot stand gekomen. Geïnteresseerden kunnen in ‘De Duynkant’ het complete rapport inzien.

Bakkum, vijftig jaar kerk (Jaarboek 25 2002 pg 55-57)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Pancratiuskerk in Castricum:
Pancratiuskerk tot reformatie  – Pancratiuskerk: restauratie in 1953 – Pancratiuskerk: restauratie in 1992 – Klok van de Hervormde kerkGroeten uit Wetsinge
Verschenen artikelen over de katholieke Pancratiuskerk in Castricum:
R.K. Pancratiusparochie – R.K. Pancratiuskerk, vorige
Verschenen artikel over begraven in Castricum
Verschenen artikel over de Gereformeerde kerk in Castricum: De Gereformeerde Kerk van Castricum (1931-2005)
Verschenen artikel over de Nederlands Hervormde Gemeente in Castricum: Nederlands Hervormde Gemeente
Verschenen artikel over 50 jaar kerk in Bakkum


Jaarboek 25, pagina 55

Vijftig jaar kerk in Bakkum

Rond 1900 wilden de katholieken van Bakkum eigenlijk al een eigen kerk. In die tijd ging Dirk Cornelis Twisk, in 1866 in Bakkum geboren, met enkele anderen naar Haarlem om de bisschop, Mgr. Bottemanne, het plan voor te leggen om een eigen kerk in Bakkum te stichten. “Het idee zullen we in overweging nemen”, zei de bisschop en daar is het toen bij gebleven.
Door de groei van Bakkum kwam het plan voor een kerk in Bakkum in 1935 weer naar boven. De parochie van de Pancratiuskerk bestond uit ongeveer 6.000 zielen, waarvan er 1200 in Bakkum woonden. Eerst zou er een school in Bakkum moeten komen en dan zou de kerk volgen. Er werd een commissie gevormd en giften werden verzameld. Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit en alle bouwplannen verdwenen van tafel.

De Maria ten Hemelopneming kort na de opening in 1951, naar een ontwerp van architect ir. dr. Thomas Nix. Wegens geldgebrek was de pastorie er nog niet; die werd in 1954 opgeleverd.
De Maria ten Hemelopneming kort na de opening in 1951, naar een ontwerp van architect ir. dr. Thomas Nix. Wegens geldgebrek was de pastorie er nog niet; die werd in 1954 opgeleverd.

Pastoor De Wit

Op 26 november 1949 ontving J.Th.J. de Wit, kapelaan in Scheveningen, de volgende brief van de bisschop: “Weleerwaarde Kapelaan, Bij dezen delen Wij U mede, dat Wij U benoemen tot Kapelaan te Castricum, met de opdracht onder de bestaande parochie van de H. Pancratius daar te Bakkum de oprichting van een nieuwe parochie voor te bereiden. Wij verzoeken U Vrijdag 9 december a.s. op Uw nieuwe standplaats aanwezig te zijn. Met oprechte hoogachting verblijven Wij gaarne Uw dienaar in O.H. J.P. Huibers, Bisschop van Haarlem.” De grens voor de nieuwe parochie was de spoorlijn, daarnaast ging de ‘bomenbuurt’ ook tot de parochie behoren. Deze buurt is via de overweg in de Eerste Groenelaan met Bakkum verbonden. De Wit wilde graag dicht bij zijn toekomstige parochianen wonen en daarom betrok hij in februari 1950 een woning aan de Vinkebaan.
Pastoor De Wit benoemde verder in een bouwcommissie G. Borst en P. Stuifbergen. Architect ir. dr. Thomas Nix uit Rotterdam maakte de ontwerpen voor kerk en pastorie en na gesprekken met het bisdom was er begin september 1950 een definitieve tekening voor een kerk met 750 zitplaatsen. Besloten werd dat de firma A. Castricum te Castricum de kerk mocht gaan bouwen voor de prijs van ongeveer 115.000,- gulden. Wegens geldgebrek was er nog geen plaats voor de pastorie.

Op 8 november 1950 werd de eerste steen gelegd door deken B.G. Hosman uit Beverwijk; in het midden, rechts van hem, met bonnet bouwpastoor J.Th.J. de Wit.
Op 8 november 1950 werd de eerste steen gelegd door deken B.G. Hosman uit Beverwijk; in het midden, rechts van hem, met bonnet bouwpastoor J.Th.J. de Wit.

Op 8 november 1950 werd de eerste steen gelegd door deken B.G. Hosman van Beverwijk. Deze steen bevindt zich links in de altaarruimte bij de preekstoel. Achter deze steen is een loden bus ingemetseld met daarin een oorkonde die de volgende tekst bevat: “In het Heilig Jaar 1950, op de octaafdag van de plechtige dogmaverklaring van Maria’s Tenhemelopneming, in het 12e jaar van het Pontificiaat van Paus Pius de twaalfde, het 2e jaar van de regering van Hare Majesteit Koningin Juliana, het 15e jaar van het Episcopaat van Monseigneur J.P. Huibers, is op de 8e november de eerste steen gelegd door Deken B. G. Hosman, van de parochiekerk Bakkum, die toegewijd aan Maria, haar Tenhemelopneming tot titel voert. In aanwezigheid van Deken B.G. Hosman, Pastoor J.Th.J. de Wit, Pastoor G.J. Goes, Burgemeester C.F. Smeets, architecten De Jongh, Taen en Nix uit Rotterdam, aannemer A. Castricum, opzichter G. Jansen en de leden van de bouwcommissie P. Stuifbergen en G. Borst en wethouder P. de Vries”.
Het Nieuw Noordhollands Dagblad schreef op 5 april 1951: “De bouw van de nieuwe Parochiekerk in het hart van Bakkum vordert goed.


Jaarboek 25, pagina 56

De consecratie van de kerk vond plaats op 21 augustus 1951 door de bisschop van Haarlem, Mgr. Huibers.
De consecratie van de kerk vond plaats op 21 augustus 1951 door de bisschop van Haarlem, Mgr. Huibers.

Dagelijks zijn tien a vijftien man in de weer en men hoopt omstreeks Pinksteren het kerkgebouw in gebruik te kunnen nemen.”
Op 29 mei 1951 vond de kerkinzegening plaats door vicaris-generaal Ammerlaan. Deze dag was voor pastoor De Wit wel een heel bijzondere dag, omdat hij ook zijn zilveren priesterfeest vierde. Op 3 juni van dat jaar werd de eerste plechtige H. Mis door pastoor De Wit in de nieuwe kerk opgedragen. Het kerkbestuur bestond toen uit pastoor De Wit, G. Borst, J. Kleverlaan, P. Stuifbergen en N. Veldt, de latere wethouder van Castricum. Op 21 augustus 1951 werd de kerk geconsacreerd door de bisschop van Haarlem, Mgr. Huibers, die daarna een pontificale H.Mis opdroeg.

Kerkenbollenveiling en kerkvee

Het spreekt vanzelf dat er heel wat geldmiddelen voor de nieuwe parochie nodig waren. Er moesten kerkgewaden in de liturgische kleuren worden aangeschaft, een monstrans, een ciborie en andere altaarbenodigdheden. Pastoor De Wit wist veel bijdragen van de parochianen te verwerven. Verder werd er plaatsengeld vastgesteld; de eerste banken gingen 25,- gulden per jaar kosten. Links waren de vrouwen- en rechts de mannenplaatsen. C. de Nijs, de latere koster, inde tijdens de kerkdiensten het geld voor de losse plaatsen. Doordat de financiële situatie van de kerk redelijk gezond was, kon er na enkele jaren al gedacht worden aan een pastorie naast de kerk. De kosten daarvan werden begroot op 70.000,- gulden en begin 1954 werd de pastorie door de firma P. de Nijs opgeleverd. Wat was pastoor De Wit blij, temeer omdat hij bij het bisdom gedaan had weten te krijgen dat er bij de pastorie ook een garage voor zijn oude Chevrolet kon worden gebouwd.
Gelden voor de jonge parochie vloeiden ook binnen via de kerkenbollenveiling. Het systeem werkte als volgt. Aan bollenkwekers werd gevraagd een partij bloembollen beschikbaar te stellen. Deze werden gepoot in een akker die gratis werd onderhouden. Als de tijd daar was, werd van de kansel afgekondigd dat de bloembollen in een café werden geveild. Zo’n veiling bracht heel wat geld op, omdat de koper vaak de gekochte partij weer beschikbaar stelde, zodat er weer opnieuw geveild kon worden. De grote man achter de kerkenbollenveilingen was Piet Zonneveld.
Ook was er een actie met kerkvee, het lammerenfonds. Daarvoor werden enige lammeren door veehouders een periode gevoederd en verzorgd en daarna verkocht. De opbrengst was dan voor de kerk. Ook kon men in het bezit komen van een ‘papieren lammetje’, waardoor men zich verplichtte een bepaald bedrag gelijk aan de verzorging van een lam aan de parochie bij te dragen. Later behoorden ook pinken tot het kerkvee. En nog steeds draagt de werkgroep ‘Bij de pinken’, onder de kundige leiding van Joh Duijn, jaarlijks enkele duizenden guldens als opbrengst van de verkoop van kerkvee aan de parochie af.

Groei en afname van de parochie

Door de uitbreiding van het dorp groeide het aantal parochianen gestaag van 1.584 in 1952 tot 2.404 in 1964. Pastoor De Wit kreeg dan ook in 1957 assistentie in de persoon van kapelaan Kok en later achtereenvolgens van kapelaan Wenneker en kapelaan Van Adrichem. In oktober 1961 kwam Th.G. (Dirk) Brandsen als kapelaan naar Bakkum. Buiten zijn taak in deze parochie had hij een drukke baan in het ziekenhuis Duin en Bosch en in de zomermaanden verzorgde hij later ook de kerkvieringen op het kampeerterrein Bakkum. In die tijd kon men hem dan ook regelmatig op zijn bromfiets in het dorp aantreffen. In dit verband is het wel aardig te vermelden, dat het kerkbestuur op 5 november 1962 besloot de pastoor een autovergoeding van 500,- gulden per jaar te geven en aan de kapelaan een bromfietsvergoeding van 100,- gulden per jaar.
Door de oprichting van de Bethlehemparochie aan het Kortenaerplantsoen in 1966 werd het grondgebied van de parochie verkleind. De spoorlijn werd toen de uiterste grens. Pastoor De Wit ging in augustus 1967 met emeritaat. Hij overleed plotseling nog geen drie maanden later. Opvolger was Chr. ten Velthuis, die pastoor van de parochie was van augustus 1967 tot 1 april 1972. De pastores Ten Velthuis en Brandsen waren parochiepriesters in een tijd waarin veel zaken in de katholieke kerk ter discussie werden gesteld. De tijd van grote vernieuwingen voor kerk en maatschappij was aangebroken. De roep om inspraak en democratisering kwam ook binnen de kerk op gang. De ontkerkelijking was groot. Bij een enquête onder de Castricumse parochianen in 1968 werden al 41 procent niet praktizerenden geteld. Er werden gespreksgroepen van gelovigen opgericht en beide pastores onderhielden goede contacten met deze groepen die, daartoe aangemoedigd door de besluiten van het Tweede Vaticaans Concilie en in Nederland door onder andere bisschop Bekkers en kardinaal Alfrink, hun eigen verantwoordelijkheid niet uit de weg gingen. Dit alles leidde tot enige vernieuwingen en veranderingen in de katholieke kerk. In 1969 werd in de Bakkumse parochie een parochieraad ingesteld, die deels bestond uit rechtstreeks door de parochianen gekozen leden en deels uit leden die, vanwege hun functie binnen de katholieke gemeenschap in Bakkum, vrijwel automatisch lid van de parochieraad dienden te zijn. De parochieraad was de voorloper van de huidige parochievergadering.


Jaarboek 25, pagina 57

Pastor Brandsen

Pastor Dirk Brandsen wist veel oude en jonge parochianen enthousiast te maken om mee te denken en mee te werken in werkgroepen en koren. Het eerste nummer van het parochieblad ‘de Schakel” verscheen en ouders gingen samenwerken in een gezinsvieringengroep. Jan Meijer en Leo Prinz leidden en begeleidden kinder- en jongerenkoren. In 1976 werd het 25-jarig bestaan van de parochie aangegrepen om de krachten van de Bakkumse gemeenschap te bundelen. Er was een uitgebreid feestprogramma bestaande uit eucharistievieringen, een promenadeconcert, een muziekshow, het Orakels Cabaret, een bustocht door de duinen voor de ouderen en een groot slotfeest op het plein bij de Cuneraschool. Kort na deze festiviteiten werd de start gegeven van de actie ‘Geef Bakkum de ruimte’ voor de bouw van een ontmoetingsruimte bij de kerk. Dit leidde tot de feestelijke opening van ‘De Eenhoorn’ in november 1980.

Dirk Brandsen was kapelaan in Bakkum van 1961 tot 1984. Hij was zeer geliefd bij zijn parochianen.
Dirk Brandsen was kapelaan in Bakkum van 1961 tot 1984. Hij was zeer geliefd bij zijn parochianen.

Naar een pastorale eenheid

Door een tekort aan priesters en het kleinere aantal gelovigen gingen in 1982 de drie parochies, St.-Pancratius, de Bethlehem en de Maria ten Hemelopneming één pastorale eenheid vormen. De pastores van die parochies, Brandsen, Van Dinteren en Vis rouleerden in de drie wijkkerken. Ook op oecumenisch gebied ontwikkelden zich initiatieven, zoals de oprichting van de Raad van kerken Castricum, die cursussen en gespreksgroepen organiseerden en het houden van interkerkelijke liturgische vieringen. In 1982 vierde de parochie het zilveren priesterjubileum van pastor Brandsen. In 1984 werd hij ernstig ziek. Hij schreef in ‘de Schakel’ van juli 1984: “Lieve mensen, u hebt mij dat leven aan de andere kant van het gordijn helpen te leven. Ik hoop dat we samen nog wat kunnen optrekken. Alle goeds voor u allen en tot een volgende keer. Ik blijf aan u denken in mijn contacten met de Schepper van al wat leeft.” Op 4 september 1984 overleed pastor Dirk Brandsen op 56-jarige leeftijd. Hij was bijna 23 jaar lang in Bakkum werkzaam en aan hem heeft de Bakkumse gemeenschap heel veel te danken.

Pastor Frits Bakker kwam in 1983 naar Bakkum en Castricum. Voor de drie parochies ging hij als vormingswerker vrijwilligers voor pastorale taken opleiden en begeleiden. Dankzij zijn enthousiaste aanpak ontstonden er werkgroepen voor liturgie, doop, vormsel, jongerenpastoraat en avondwake. In 1986 kwam pastor J. Kroegman het priesterteam versterken. Daarvóór was pastor Th.V. Klawer een jaar voor de drie parochies werkzaam geweest. In 1989 werd pastor Jan van Diepen aangesteld, hij ging in de pastorie in Bakkum wonen. In het jaar daarna arriveerde pastor Gerard Huisman. In 1991 ging pastor Vis met pensioen. Van Diepen en Huisman vormden een hecht team, de taken werden goed verdeeld. Nieuwe plannen werden gesmeed, sommige konden worden uitgevoerd, andere werden niet opgepakt, omdat het elan van de (negentien)zestiger jaren bij de gelovigen niet meer zo aanwezig was. De secularisatie nam grotere vormen aan. Toch ontstond er een nieuw kerkkoor ‘Cantare’. Pastor G. Zaal werd weekend-assistent voor de drie parochies. Van Diepen had bij zijn komst al kenbaar gemaakt dat hij hier, gezien zijn leeftijd, hooguit tien jaar zou blijven. Hij heeft zich aan zijn woord gehouden en in augustus 1998 werd met pijn in het hart afscheid van hem genomen. Hij vertrok naar Den Helder en per 1 november van dat jaar werd kapelaan H. Versteeg tijdelijk benoemd. Het was al direct duidelijk dat deze benoeming in het geheel niet paste in de geest van de door de vorige pastores van Bakkum en Castricum geleide geloofsgemeenschap. Eind december 1999 nam Versteeg afscheid. Daarop volgde een jaar met invallende pastores, waaronder Luis Vergara, Bertus Stuifbergen en mevrouw L. Hoogeland. Het waren drukke tijden voor pastor Gerard Huisman, die ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum als pastoraal werker in september 2000 terecht in het zonnetje werd gezet. Per 1 maart 2001 volgde de benoeming van pastor Luis Daniel Vergara Fernandez uit Mexico. Pastor A.M. Cassee uit Heemskerk bleef administrator (kerkrechtelijk gezien het hoofd van de parochie). Per 1 juni 2002 is Vergara tot administrator van de gezamenlijke parochies van Bakkum en Castricum benoemd.

Vrijwilligers

Zoals eerder vermeld, werken er veel vrijwilligers in de parochie van Bakkum. Zij oefenen een zelfstandige functie uit, in een bestuur of in een werkgroep. De (vice)voorzitter heeft als coördinator een belangrijke taak. Peter Alkemade, een uitstekende organisator, was voorzitter van het kerkbestuur. Tijdens zijn voorzitterschap speelden de volgende belangrijke gebeurtenissen: het 25-jarig jubileum van de parochie (1976), het zilveren priesterjubileum van pastor Brandsen (1982), de vorming van een pastorale eenheid van de drie parochies (1982), het overlijden van pastor Brandsen (1984) en de vervulling van de daardoor ontstane vacature. In 1987 kwam er een nieuwe parochiestructuur met een parochiebestuur en een parochievergadering. Harrie Geerts werd daarvan de nieuwe voorzitter. Onder zijn leiding kwam pastor Van Diepen naar hier. Veel jaren van overleg volgden naar aanleiding van het in 1990 verschenen rapport van de Commissie Kerkgebouwen Beverwijk, die van mening was dat twee van de drie parochiekerken in Bakkum en Castricum moesten sluiten. De Bethlehemparochie werd opgeheven. In 1994 bepaalde het bisdom dat de kerk van Bakkum bleef bestaan en een zelfstandige parochie kon blijven. Harrie Geerts, die kan terugzien op een moeilijke maar geslaagde bestuursperiode, droeg in 1996 de vice-voorzittershamer over aan Nel Weckseler. Zij kwijt zich ook nu nog enthousiast van haar taak.

In 2000 heeft het bisdom nog eens bevestigd dat deze parochie kan blijven voortbestaan. Er moet dan wel sprake blijven van een levendige parochiegemeenschap met voldoende inzet van vrijwilligers. Hopelijk vormt de zeer geslaagde viering van het 50-jarig bestaan in 2001 een belangrijke basis voor een gezonde toekomst van de parochie van Bakkum.

Harry van de Sandt

De auteur Harry van de Sandt is redactielid van ‘de Schakel’, het parochieblad van de Bakkumse parochiegemeenschap.

Bronnen: