Brandweer (Jaarboek 18 1995 pg 3-17)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.


Jaarboek 18, pagina 3

Tweehonderd jaar brandweer in Castricum

Brandweerauto's en brandweerlieden in uniform.
Brandweerauto’s en brandweerlieden in uniform. Burgemeester Boreelstraat, Brakenburgstraat, Castricum in 1958. Trots op de nieuwe nevelspuitwagen. Commandant Han Beijersbergen, Piet van Maarleveld, Jan Kriek, Piet Borst, Bertus Eikel, Cees de Groot, Joop Zijlstra, Tinus Hopman, Gerard Hemmer en helemaal rechts een klein jongetje. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Inleiding

In het dagboek van Jan de la Chambre, schepen en burgemeester van Beverwijk, wordt een grote brand beschreven, die op 29 juli 1795 in Castricum heeft gewoed: “Deeze nademiddag om 3 Uuren ondstond aldaar een felle Brand waardoor binnen korten tijd 5 Huizen bene¬≠vens de Stalling & Schuur bij de Herberg in den Asch werde gelegt, de Herberg zelve schoon beschadigt, is echter staande gebleven. Sonder de spoedige aangebrachten Hulpe onzer Meede Burgeren van Beverwijk & Uitgeest zoude alle Huizen om de Kerk een Prooij der Vlammen zijn geworden, 8 Huisgezinnen uit 34 Menschen waar onder 19 Kinderen geteld worden, bestaan; zijn daar door in de bit¬≠terste Armoed gedompeld; waar voor hier ter Steede op den 16 Sepbtember dezes Jaar gecollecteerd is een Zomme van 93-11- (93 gulden en 11 stuivers);”

Dit is de oudste vermelding van een brand, die over Castricum bekend is. Opvallend is, dat gesproken wordt over ‘hulp’ en geen woord gerept wordt over brandweerlieden, die de brand geblust zouden moeten hebben. Branden van een dergelijke omvang kwa¬≠men vroeger vaak voor. Ons dorp is van een brand van deze omvang verder verschoond gebleven. Van vrijwel elke stad of dorp zijn grote branden bekend, waardoor steden en dorpen geheel of grotendeels in de as werden gelegd.

Het houten huis van postbode van Benthem in de Dorpsstraat
Het houten huis van postbode van Benthem in de Dorpsstraat. Dit huis stond naast het pand van Huitenga. Het is bij de uitbreiding van het winkelpand gesloopt. Dorpsstraat 71 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevegd.

Brandgevaarlijk

In de steden en grotere dorpen beseft men maar al te goed de geva­ren, die aan een compacte bebouwing zijn verbonden. De wonin­gen zijn aanvankelijk geheel van hout opgetrokken, waarbij door­gaans een schoorsteen ontbreekt. In het gunstigste geval beschikt men over een houten rookkanaal. De stookplaats is in vroeger eeu­wen een kuil in de lemen vloer. Tel daarbij nog een veelal rieten dakbedekking afgedicht met pek, en een klein ongelukje met vuur is voldoende om het geheel in korte tijd te doen afbranden.
Een belangrijk jaar in de geschiedenis van de brandweer is 1521 als Karel V een wet uitvaardigt, waardoor het bouwen van huizen anders dan van steen verboden wordt. Maar het zal nog lang duren, voordat die wet ook daadwerkelijk uitgevoerd wordt. Met name op het platteland en in de kleinere steden neemt men het met die verordening nog niet zo nauw. In vele plaatsen en zelfs streken blijven de houten huizen Рtegen het verbod in Рgewoon gebouwd worden. In onze omgeving zijn er voorbeelden te over van plaat­sen, die de wet niet letterlijk genomen hebben. Het voordeel is dat prachtige dorpen als Marken, Broek in Waterland en vele andere plaatsen in Noord-Holland met houten huizen nog bestaan.

Brandweermiddelen

Van een brandweerorganisatie is aanvankelijk geen sprake. Elke burger heeft de plicht om bij brand datgene te doen wat de plaatse­lijke overheid voorschrijft. Veel kan men niet doen: het vuur moet bestreden worden met water, dat met emmers in de brandhaard gegooid wordt. Natte zeilen moeten voorkomen dat het vuur over­ slaat naar belendende percelen. Vaak is het pand al tot de grond afgebrand, voordat men ook maar iets heeft kunnen uitrichten.

De oude brandspuit Otto.
De oude brandspuit Otto. Juliana van Stolbergstraat 3 in Castricum, 1967. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De ontwikkeling van de brandspuit begint in de zeventiende eeuw met de Neurenburger smid Johann Hautsch, die een brandspuit heeft vervaardigd: een nogal log gevaarte dat met sleden vervoerd moet worden. Zo‚Äôn succes is deze spuit nooit geweest, want de waterstraal komt uit een straalpijp, die vast verbonden was met de pomp, waardoor de waterstraal nooit het vuur dicht kan benaderen. Het is Jan van der Heiden, die op het idee komt om met slangen te werken. Het gelukt hem om in 1672 de eerste slangenbrandspuit te maken. Jan van der Heiden was een geniale man, die naast kunst¬≠ schilder en technicus ook uitvinder was. Ook aan zijn eerste ont¬≠werpen ontbrak nog wel iets zeer belangrijks. De pomp moest met de hand gevuld worden met water. Hij weet zijn uitvinding zelf belangrijk te verbeteren door ook een aanzuigpomp te ontwerpen. In 1673 komt zijn grote doorbraak als hij met zijn nieuwste brand¬≠ spuit een grote brand in Amsterdam weet te bedwingen. Hij beperkt zich niet tot het verbeteren van zijn uitvinding, maar hij is ook een begenadigd organisator. Hij ontwikkelt ook een brand¬≠weerorganisatie. Bij een brand wist men vaak niet zo gauw wat te doen, wie haalt de spuit, zijn de slangen in orde, waar zijn de lad¬≠ders. Praktische problemen waarop Van der Heiden een oplossing vond in de opstelling van een ‘brandkeur’. In 1685 wordt deze verordening in Amsterdam ingesteld, waarmee de geschiedenis van de georganiseerde brandbestrijding aanvangt.
Tweehonderd jaar later worden nieuwe stappen gezet voor een verbeterde brandwering, de komst van de stoomspuit en de uit­ bouw van het waterleidingnet

Keuren van 1753

Uit de beschrijving van de brand waarmee dit artikel begint, kun¬≠nen we al opmaken dat het met de Castricumse brandbestrijding niet zo best moet zijn gesteld. En uit de archieven wordt duidelijk dat van een goede organisatie van de brandbestrijding tot in onze eeuw geen sprake is geweest. In het gemeente-archief komen, gedateerd 27 maart 1753, twee keuren voor met betrekking tot de brandweer, beiden ondertekend door secretaris Leonard Tempelaar. De eerste luidt: “Alzo verscheyden reysen klagten zyn gedaen, dat enige Ingezetenen van Castricum haar niet ontzien, om in hare Somerwoningen, Schuuren en elders vuur te stooken, zonder dat daar schoorstenen zyn, waerdoor grote perykel is, om brant te veroorzaken, waer tegens behoorde voorzien te worden, zo hebben Schout en Schepenen gekeurt, gelyk dezelve keuren by dezen, dat niemant zal vermogen in hare huyzen, schuuren of stal¬≠len, vuur te hebben of te stoken, als onder een schoorsteen en behoorlyke haartstee, op de boete van 2:12:8 (2 gulden, 12 stuiver en 8 centen) de bekeuring zo wel te doen by de Buuren, als by den Schout en Bode, waer voor de bekeurder de helft van de boete zal genieten, en de andere helft voor den Schout, en in dien dezelve drie dagen na de bekeuring geen schoorsteen of haartstee hebben laten maken, zo zal de Schout vermogen alle dagen de bekeuring te doen, tot zo lange het volgens deze keure is gemaakt, zodanig dat geen perykel te vrezen is.”

Nog een keur uit 1753

De tweede tekst luidt: “Alzo klagten worden gedaen, dat de Luyden zo onvoorzigtig zyn om hete gloeijende Asch op den weg uyt te gieten, waer door ongemakken en brand te vrezen zyn, zo word mede gekeurt, dat niemand hete of andere assche op den


Jaarboek 18, pagina 4

weg zal mogen uytgieten, op de boete van f 2:12:8 (2 gulden, 12 stuiver en 8 centen) de bekeuring zal door de Buuren zo wel als door den Schout of Bode mogen geschieden en daarvoor de helft van de boete genieten, midts zulks aen den Schout bekend te maken”.

Johan Geelvinck

Een ander oud stuk met betrekking tot de brandweer is een keur (verordening) op de hooibroei te Castricum, die door de schout en schepenen onder mr. Johan Geelvinck, Heer van Castricum en Croonenburgh is vastgesteld. De verordening is niet gedateerd, maar Geelvinck bezat de Heerlijkheid Castricum van 1764 tot 1802. Het document moet gelet op de namen, die daarin vermeld staan, omstreeks 1795 worden gedateerd. Het handelt over de benoeming van een viertal hooistekers. Het gaat om Jan Brakenhoff in de buurtschap Heemstede, Cornelis Schrama in de Oosterbuurt, Fulps Ranke in de Kerkbuurt en Simon Duynmayer in Bakkum. De complete tekst ervan luidt:

“Keure op het broeijen van het Hooy onder Castricum.

Schout en Schepenen der Heerlykheyd van Castricum, hebben op de propositie en goedvinden van den Wel Edelen Gestrengen Heer Mr. JOAN GEELVINCK, Heer van Castricum en Croonenburgh &c. etc. als tragtende soo veel mogelyk is, voor te komen alle ongelucken van Brant, die door het sterk broeijen van het Hooy te dugten zyn (‚Äėt welck God gelieve te verhoede) voor dit … Jaar tot Hooysteekers en Keurmeesters gecomitteert de ondergenoemde Persoonen, gevende by dese aan de selve Keurmeesters de magt, en authoriteit, om ten allen tyde als sy het nodig oordelen, Egter ten minsten eens, of tweemaal in yder week, in de Maande July en Augusty of langer na tyts omstandigheyd, soo wel, als op verzoek en aanklagte van Bueren of andere geintresseerdens daar ontrent woonende of Eygendom hebbende, te visiteeren alle Hooyhuysen, Schueren, Bergen en Klampen in Castricum staande, en cv des nodig bevindende de Eygenaars of Opsigters van ‘t Hooy aan te seggen en te gelasten, dat zy hun broeijent Hooy aanstonts sullen hebben te steecken, lugten of wel te verplaatsen uyt de Hooyhuysen, Schueren, Bergen of Klampen, soodanig dat daar geen brant van te vreesen is, met Waarschouwinge dat by nalatigheyd of onwilligheyd sulcx met Communicatie van dese Agtb: Geregte, ten Lasten en Kosten van soodanige nalatige en onwilli¬≠ ge gedaan en besteet sal worden, en bovens dien yder dag na de Waarschouwinge te verbeuren twee Kennemer Ponde boeten voor de Schout, en zyn tot Keurmeesters aangestelt. Aldus gedaan, gekeurt en gearresteert op den Regthuyse van Castricum, en ten selven dage na voorgaande Kloeke geklep geplubliceert ter prefentie van Schouten en Schepenen den …”

Cronenburg hooischuur.
Cronenburg hooischuur. Heemstederweg 1 in Castricum. Pentekening Jan Deckwitz. Collectie Oud-Castricum Kunst. Toegevoegd.

Hooistekers

In een agrarisch dorp als Castricum was brand als gevolg van hooibroei een der belangrijkste oorzaken. Om dit gevaar zoveel mogelijk te voorkomen werden zogeheten hooistekers benoemd. Deze mannen controleerden zeer regelmatig, 1 of 2 keer in de week in het hooiseizoen of zolang het nodig was de temperatuur van het opgeslagen hooi. Zij deden dit met behulp van peilijzers die zo diep als mogelijk in de hooiberg werd gestoken. Zo nodig moest de hooischelf uit elkaar gehaald worden om brand te voor­ komen. Deze hooistekers of hooipeilers behoorden tot 1969 niet tot de brandweer, maar vielen rechtstreeks onder de verantwoor­ding van schout en schepenen en later van burgemeester en wet­ houders. Brandweercommandant Tinus Hopman heeft er voor geijverd, dat zij onderdeel werden van de vrijwillige brandweer. Dat was in 1969, voor niet zo lang, want het beroep bestaat sinds 1982 niet meer. De laatsten waren G. Bos voor Castricum en P. Zomerdijk voor Bakkum. Zij werden overbodig, doordat brand door hooibroei praktisch niet meer voor komt.

Een draagbare brandspuit in 1805

De gemeente Castricum besluit tot de aankoop van een brandspuit op een aanbieding van mr. J.H. Onderdewijngaart Cansius uit Delft: “Bericht van intekening op verbeterde draagbare brand¬≠ spuiten, ten einde langs die weg meer algemeen te maken: Deze gemeente is nog nooit van zulke een onontbeerlijk werktuig voor¬≠ zien geweest, waarvan de kosten ten hoogste  64 gulden kunnen belopen.” De spuit wordt door de schout ontvangen en deze maakt daarvan in de vergadering van 7 augustus 1805 melding: “De brandspuit zal berusten onder toezicht van de schout en ten zijnen huize, opdat daar van ingevalle van nood altijd gebruik gemaakt kan worden.”

Landelijke organisatie

In 1815 gaat de overheid zich nadrukkelijk bemoeien met de orga¬≠nisatie van de plaatselijke brandpreventie en bestrijding. Gedateerd 22 juni 1815 krijgt de gemeente een rondschrijven van Gedeputeerde Staten (G.S.) van Noord-Holland, waarin men vooruitlo¬≠pend op een komend brandweerreglement waarschuwt voor de gevaren van hooibroei. Met beveelt de gemeenten aan “om de bin¬≠nen de Gemeenten zich bevindende Brandspuiten met alle zorg en accuratesse te doen examineren en proberen en ook deswegens de noodige verordeningen te maken, teneinde in het onverhoopte geval van brand, tot hulp dergene die dit onheil zoude mogen tref¬≠fen, te kunnen spoeden”.
Wat er met de missive gebeurd is, wordt niet vermeld. Behoudens de aanstelling van de hooistekers, bekommert men zich er kennelijk niet zo om. De gemeente Castricum beschikt voor haar uitgestrekte grondgebied met vele zeer verspreid liggende boerderijen over 1 draagbare brandspuit. De spuit is in 1805 voor een bedrag van 68 gulden en 10 stuivers aangekocht. Het is een – zelfs voor die tijd – ouderwets geval, dat met emmers van water moet worden voorzien en ook de spuit moet met de hand worden bediend. In 1830 tellen Castricum en Bakkum samen 791 inwoners en 134 huizen.

Provinciaal ingrijpen

Op 20 juni 1816 sturen de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland een brandweerverordening als gevolg van hooibroei naar de gemeenten met het verzoek om deze voor Castricum vast te stellen.

Brand ...
Brand …

Jaarboek 18, pagina 5

Burgemeester Kieft (1814-1836) krijgt op 13 maart 1827 een waar¬≠schuwing, omdat er in Castricum geen brandreglement is. Men ver¬≠ wijst naar het algemeen reglement ‘ter voorkooming en blussching van brand’ van 27 november 1823 dat voor de gehele provincie is vastgesteld. Daarnaast wordt gewezen op de verplichting tot nale¬≠ving van dat reglement en het zich er naar te gedragen. Kieft doet waarschijnlijk niets met de brief. Inmiddels is Jan de Quack burge¬≠meester (1837-1852) geworden, als een der raadsleden op 8 augus¬≠tus 1838 het gevaar van hooibroei ter sprake brengt. Hij doet een beroep op de raad om de voormalige keur op het hooipeilen weer in werking te stellen. Het antwoord is dat bedoeld reglement door de provincie nooit bekrachtigd is en derhalve niet van toepassing. Uit de toevoeging: “Er zal een nieuw reglement opgesteld moeten wor¬≠den ter goedkeuring door Gedeputeerde Staten”, blijkt wel dat er niets aan gedaan is. Aangezien men op dat reglement niet kan wach¬≠ten, worden met directe ingang twee hooipeilers aangesteld: Klaas Stet en Jacob de Graaf. Zij worden beloond met 10 gulden per jaar voor hun activiteiten. Om de bevolking in kennis te stellen van de maatregel, wordt een publicatie aangeplakt, met de aansporing om aan de heren alle medewerking te verlenen.

Eindelijk maatregelen

Verondersteld had mogen worden, dat de gemeente iets met de voorstellen van de provincie zou doen, maar niets is minder waar. Het is alweer tien jaar later als ‘de Heer Staatsraad Gouverneur’ (tegenwoordig Commissaris der Koningin) zich op 1 maart 1848 andermaal tot de gemeente wendt met de dringende boodschap om de beschikbare brandblusmiddelen in goede staat te brengen en te onderhouden. Men komt in de gemeenteraad tot de conclusie dat wegens het – met name in warme zomermaanden – gebrek aan water in de uitgestrekte gemeente het gebruik van een ‘gewone’ brand¬≠ spuit geen zin heeft. De nog aanwezige ‘draagbare’ spuit zou – als die tenminste functioneert – wel ter plaatse bruikbaar zijn. Met wei¬≠nig kosten moet dat vermaledijde apparaat toch weer aan de praat te krijgen zijn. Men schrijft dit aan de gouverneur, die – blij met het antwoord – aanspoort om de pomp onverwijld te laten repareren. De spuit wordt naar brandspuitmaker Martinus Eymen in Beverwijk gestuurd. De burgemeester rapporteert, dat hij “op giste¬≠ren de spuit heeft ge√Įnspecteerd en dezelve heeft zien werken, dat de spuit een straal water ter dikte van eenen gewonen mansduim tot eene hoogte van dertien a veertien ellen opgeeft en door niet meer dan twee mannen behoeft te worden bewerkt”. Daar blijft het niet bij, want in hetzelfde jaar wordt een brandweerreglement vastgesteld. Op maandag 14 augustus 1848 wordt het personeel van de brandspuit benoemd. Uit de 27 kandidaten worden 12 man¬≠nen gekozen, de commandeurs H. Handgraaf en J.F. Rommel, de pijpleiders C. Breedveld en J.F. Beudeker. Er zijn vier pompers, C. de Groot, J. Kuys, P. Liefting, en E. Winkelman. Tenslotte vier waterdragers te weten A. Dekker, A. van Duijn, L. Houttuin en B. Lute. Alle benoemden krijgen een exemplaar van het reglement toegestuurd met tegelijkertijd de aankondiging voor een eerste ‘excercitie’.

Het reglement van 1848

Het reglement van 1848 omvat 31 artikelen, die ons nu informatie geven over de organisatie en de beschikbare middelen. Over de beschikbare middelen kunnen we kort zijn: er is 1 draagbare spuit, die op een vaste plaats op het raadhuis wordt bewaard, “vanwaar dezelve zonder moeite of tijdverlies zowel bij nacht als bij dag naar buiten kan worden gebragt”. De al genoemde twaalf man¬≠ schappen, waaronder de eerste en tweede commandeur, moeten tussen de 20 en 50 jaar oud zijn en zij moeten bovendien bij voor¬≠keur in de kom der gemeente wonen. De burgemeester heeft het opperbevel over het ‘gansche brand wezen’. Ook aan de burgerij worden verplichtingen gesteld: de naaste buren moeten zo snel mogelijk de burgemeester van de brand in kennis stellen, die onverwijld de dorpsklok moet laten luiden. Hij zal ook nog twee wagens met paarden moeten ‘requireren’ (red: opeisen). “Deze wagens voor het raadhuis gekomen zijnde, zullen de pompers en waterdragers, de brandspuit op eenen der wagens zetten en zich vervolgens op de beide wagens verdelen, zoodanig dat zich op elk dier wagens een commandeur bevindt en daarmede zoo spoedig mogelijk rijden naar de plaats waar de brand is.” Men moet vervolgens de spuit zo dicht mogelijk bij de brandhaard zetten. “Terstond daarop zul¬≠len de waterdragers uit de naastbijgelegene beeck, put of pomp het water met emmers aanvoeren en in de bak van de brandspuit storten”. Pompers en pijpleiders moeten elkaar beurtelings bij het (handmatige) pompen aflossen. Tweemaal per jaar – in april en oktober – wordt een oefening gehouden. Er staan boetes op het niet verschijnen tijdens brand of oefening. Dronkenschap is taboe: “Iemand der manschappen tot de dienst van de brandspuit behoorende, beschonken zijnde, zal verbeuren bij brand eene gulden en bovendien onmiddellijk worden heengezonden.” Ook belediging van de commandeur wordt met een gulden bestraft.

Weinig branden

Het gemeentelijk jaarverslag van 1851 verwijst onder het hoofd¬≠ stuk ‘Openbare veiligheid’ nog eens naar het reglement van 1848 en er wordt opgemerkt, dat in 1851 en zelfs gedurende een groot aantal jaren in de gemeente geen brand is ontstaan. De manschap¬≠ pen hebben aangedrongen op de aanschaf van een moderne spuit, maar de gemeente herhaalt dat dit in verband met het probleem van het watertekort in de gemeente geen zin heeft. In de jaarbegro¬≠tingen wordt telkens vijf gulden uitgetrokken voor onderhoud van de oude brandspuit.

Machteloos

Als er brand uitbreekt, staat de brandweer voor een verloren zaak. Voordat de brandmelding binnen is, de wagens met paarden opge¬≠trommeld, de manschappen aanwezig en de spuit opgeladen, is al geruime tijd verstreken. Tel daarbij nog de afstanden, die via slecht onderhouden zandpaden afgelegd moeten worden. Bij de brand aangekomen, moet men maar hopen, dat er in de buurt een sloot te vinden is. De afstand tussen de sloot en de brandspuit moet telkens met emmers afgelegd worden om de pomp te vullen. Bij enige branden, die uitbreken, heeft de brandweer dan ook geen enkel succes. Burgemeester Rendorp (1852-1867) krijgt te maken met enige fikse branden. Het begint op 2 juli 1860 als kort na de middag herberg ‚ÄėDe Roskam‚Äô in Bakkum vlam vat. De brandweer moet met de gebrekkige hulpmiddelen toezien dat het pand geheel afbrandt. Inmiddels heeft schoolmeester C. Schut in 1858 een agentschap van een verzekeringsmaatschappij geopend. Men kan zich nu tenminste tegen brandschade verzekeren. Ook de afge¬≠brande herberg was verzekerd, maar de inboedel niet. Dat bracht A. Hageman ertoe om huis met inboedel te verzekeren. Gelukkig maar, want zijn boerderij brandde op 8 mei 1864 geheel af. Of ook Simon Louter verzekerd was, weten we niet. Maar op 4 september 1866 woedde er een hevig onweer boven Noord-Holland. Verscheidene boerderijen gingen in vlammen op, waaronder die van Louter aan het Noordend. Geen enkele brand kon dus geblust worden. Ondertussen is er weer een nieuwe burgemeester – H. Zaalberg – verschenen, die slechts 1 jaar (1868-1869) zal blijven. Hij rapporteert dat een adequate brandspuit hard nodig is, maar het geld ontbreekt. Ook zijn opvolger burgemeester C.H. Moens (1869-1877) krijgt met enige flinke branden te maken. Het is 22 april 1870, als in de woning van rijksveldwachter en jachtopziener Pieter de Boer aan de Rijksstraatweg brand uitbreekt. Behalve de geredden – een kind, twee geiten en een varken – wordt alles een


Jaarboek 18, pagina 6

prooi der vlammen. Het jaar 1871 eindigt met twee branden: de woning van Hendrik van der Heijden in de Oosterbuurt gaat op 25 september in vlammen op. De tweede bewoner – het gezin van Cornelis Orij – raakt alles kwijt. Zij zijn niet verzekerd. En op 4 december is de kapitale boerderij van D. Meijne aan de beurt. Het huis met veestalling, kapberg en boet vatte om 11 uur ‘s avonds vlam. De gehele wintervoorraad van koren, hooi en stro ging ver¬≠loren. Het vee kon voor het merendeel worden gered, 5 koeien kwamen echter in de vlammen om.

Watervoorziening

In de gemeenteraadsvergadering van 8 april 1868 brengt Zaalberg het gebrek aan bluswater ter sprake. In 1867 is de spoorlijn in gebruik genomen, waarnaast sloten zijn gegraven. Die wil Zaalberg benutten om de precaire situatie met het bluswater in de kom van het dorp te verbeteren. Er bestaat nog geen waterleiding­ net, de inwoners halen hun water uit een bij de woning gelegen put of pomp.

Zicht op de Ciebeek en de bouw van Molendijk Zuid.
Zicht op de Ciebeek en de bouw van Molendijk Zuid. Cieweg in Castricum rond 1965. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Castricum had drie beken, die richting polder liepen. Deze beken waren via greppels met de land- en tuinbouwgebieden in het dorp verbonden en stonden in de zomer regelmatig droog. Er worden maatregelen genomen om het water dichterbij het raad­ huis te krijgen. Zaalberg wil naast verbetering van de watertoevoer ook een eigentijdse brandspuit. Mooie woorden, maar het duurt bijna tien jaar voordat een echte brandspuit wordt aangeschaft.

Krachtdadig optreden

Burgemeester Moens, die Zaalberg na korte tijd opvolgt, weet in zijn achtjarige ambtstermijn geen verbetering aan te brengen. In januari 1875 laat hij drie raadsleden nog onderzoeken welke spuit aangeschaft moet worden. Met zijn opvolger Jonkheer Mr. J.W.G. Boreel van Hogelanden (1877-1888) breken andere tijden aan. Hij zal de zaken groots aanpakken. De eerste stap is 750 gulden op de begroting van 1879 te zetten voor de aanschaf van een brandspuit.
De aankoopnota van F.M. Kronenburg, “Leverancier van bekroon¬≠de brandspuiten” uit Alkmaar van 7 september 1877 vermeldt een handbrandspuit met zuigbuizen en straalpijpen. Die hoeft dus niet meer handmatig met water gevuld te worden. Een hele verbetering voor de manschappen, maar vooral voor het resultaat.

In 1877 werd voor de Castricumse brandweer een onderkomen gebouwd voor de handbrandspuit.
In 1877 werd voor de Castricumse brandweer een onderkomen gebouwd voor de handbrandspuit. Op deze plaats stond aanvankelijk een gemeentelijk schuthok voor vee. Bugemeester Mooijstraat 14 rond 1980. Collectie Makelaarsbriefje. Toegevoegd.

De volgende stap is de bouw van een brandspuithuisje aan de Kramersweg. Op die plek staat een schuthok, dat verplaatst moet worden naar een plek bij het huis van P. de Graaf aan de Oudeweg. Het spuithuisje heeft lange tijd als zodanig dienst gedaan. Het pandje met een karakteristieke gevel is in 1961 afgebroken, na ook nog tientallen jaren dienst te hebben gedaan als Kruisgebouwtje. Op dezelfde plek staat nu (red: anno 1995) het pand van makelaar Kloes. De voortvarende bur­gemeester heeft inmiddels ook een nieuwe brandverordening opgesteld. Hij pakt ook de organisatie grootschalig aan, te groots zoals weldra zal blijken. Het aantal manschappen wil hij van 12 naar 101 brengen. Maar raadslid J. Kuys Pzn. gaat nog verder, maar liefst 187 koppen moet het korps gaan tellen. De burgemees­ter vindt dat wat erg veel, maar de motie van Kuys wordt met 3 tegen 2 aangenomen.

Iedereen moet meewerken

Aan het hoofd komt een brandmeester, geassisteerd door een adjunct; er zijn 6 commandanten, 16 kwartiermeesters en 164 manschappen. Tot de functies behoren pijpleiders, werklieden, slanghouders, (128) pompers, slangbewaarders en tenslotte 2 licht­ dragers. Daarnaast wordt nog een Brandraad benoemd, die het toe­ zicht op de brandblusmiddelen en het personeel heeft. De bran­draad bestaat uit de voorzitter, brandmeester J. Kuys Pz. (het raadslid van de motie) en adjunct-brandmeester O.J. Kehl en ver­volgens de commandanten, W. Melker, K. v.d. Berg, J. Koopman, J. Res, J. Stam en F. Twisk Czn. Of dit alles nog niet genoeg is, worden volgens de verordening nog eens 33 mannen aangesteld voor aanvullende werkzaamheden als het wegruimen van brandge­vaarlijke goederen, het luiden van de torenklok en nog eens 6 lichtdragers. Van 12 is de bezetting uitgegroeid tot 220 manschap­pen. Nu moet de maximum leeftijd veertig jaar zijn, maar als blijkt dat de kom der gemeente niet zoveel mannen van die leeftijd heeft, vindt men een eenvoudige oplossing en wordt de leeftijd naar 45 jaar verhoogd.

Verdere maatregelen

De eerste oefening met het voltallige brandweerkorps wordt na de aflevering van de nieuwe spuit op 18 juni 1879 gehouden. Geen onverdeeld succes. Aan de manschappen ligt het niet, op drie na komt iedereen opdagen. Willem Liefting, Klaas Steeman en Comelis Roskam worden voor hun afwezigheid beboet. Het nieu­we apparaat vertoont allerhande mankementen. De spuit wordt in Alkmaar gerepareerd, waarvoor 55 gulden in rekening wordt gebracht. Dat pikt de burgemeester niet, want er is toch zes jaar garantie. Hij vraagt eerst deskundig advies, waaruit blijkt dat het een construc­tiefout betreft. Uiteindelijk wordt een schikking getroffen. Het advies is gevraagd aan de gemeente-architect van Beverwijk N. de Wolf, die ook desgevraagd een advies uitbrengt over de wateraanvoer. De gemeente wil een nieuwe brandput laten maken, maar De Wolf vindt een eenvoudiger oplossing. Simpel een sloot uitdiepen, die vanaf de spoorsloot naar de woning van Mooij loopt. Daarnaast moet een beschoeiing in de beek bij Reinders worden aangebracht. Tenslotte beveelt hij de aankoop van een aanjager bij de brandspuit aan. Spoedig wordt, met zoveel manschappen, de behoefte aan een tweede brandspuit gevoeld. Die wordt natuurlijk niet bij Kroonenburg gekocht, maar F.W. Stoel uit Alkmaar mag de zuigperspomp in 1881 voor 250 gulden leveren.

Zuigpomp, te gebruiken in put of sloot.
Zuigpomp, te gebruiken in put of sloot.
Perspomp.
Perspomp.

De werking van de ‘witte’ pomp: bij brand wordt de slang van de zuigpomp in een sloot gelegd. De perspomp wordt dicht bij de brandhaard geplaatst. Door middel van gekoppelde slangen wor¬≠den de pompen met elkaar verbonden. Twee pompers bedienen de zuigpomp en vier de perspomp. Andere pompers staan gereed om het zware werk over te nemen. Als men vijftien minuten gewerkt heeft, wordt het bevel ‘kwartier’ gegeven. De zes mannen krijgen dan een glaasje jenever of brandewijn. De andere groep neemt ondertussen het pompen over.

De witte en de bruine ploeg

De twee pompen worden in het vervolg onderscheiden als de witte en de bruine pomp. De witte is ondergebracht in het spuithuis aan de Kramersweg en voor de nieuwe bruine wordt een onderkomen gevonden in het voormalige lijkhuisje bij de gemeentetoren. Het huisje is daartoe ten koste van 50 gulden verlengd. Raadslid Jb. Kuys heeft nog wel eerst aangedrongen op ventilatie in het huisje. De manschappen worden over de beide spuiten verdeeld. De ploegen worden onderscheiden door een bruine of witte armband, die bovendien doorlopend genummerd zijn. De commandanten en kwartiermeesters van de ploegen zijn herkenbaar aan de witte of bruine stok. Brandmeester en adjunct hebben een stok met hun rang en het gemeentewapen. De stok van de brandmeester is nog in de huidige brandweerkazerne aanwezig. In 1884 wordt de ver¬≠ordening nog eens aangepast. Opvallende artikelen zijn, dat bij brand tussen 4 uur ‘s middags en 8 uur ‘s morgens niet alleen de klok geluid wordt, maar dat ook ratelaars de ronde zullen doen om de manschappen op te roepen. Daarnaast schijnt het nodig te zijn geweest om een verbod op te nemen om het spuithuisje open te breken als er geen sleutel aanwezig blijkt. Er kunnen paarden en voertuigen van de burgerij gevorderd worden en een dronken medewerker wordt direct gearresteerd en pas ontslagen als hij zijn roes heeft uitgeslapen. De beide ploegen worden in 1878 drastisch ingekrompen, de personeelssterkte gaat van 220 naar 136 man.

Weinig verandering

Ondanks deze maatregelen verandert er niet echt iets. Er wordt bijvoorbeeld regelmatig gesproken over de slechte toestand waarin


Jaarboek 18, pagina 7

één der pompen zich bevindt. Na drie jaar experimenteren laat men die eindelijk eens repareren. Zelfs over een paar sleutels voor de spuithuisjes wordt eindeloos gepraat en rapporten geschreven. In de tussentijd breken weer een paar branden uit, waarbij de brandweer machteloos moet toezien hoe de woningen geheel afbranden. Echte veranderingen zullen pas ruim na de eeuwwisse­ling plaatsvinden. In de vergadering van de Brandraad in april 1898 wordt voor het eerst gesproken over een vrijwillige brand­ weer, maar ook die zal nog lang op zich laten wachten.

We maken nu een sprong in de tijd. Inmiddels is J. Mooij in 1888 burgemeester geworden en zal dat blijven tot 1918. In 1911 wordt om niet nader vermelde redenen de brandspuit, die in het huisje aan de Kramersweg staat, ver¬≠kocht. Het spuithuisje bij de gemeentetoren wordt verkocht aan Bernardus Res voor 200 gulden. Het geld wordt bewaard voor de aankoop van grond ‘ter gele¬≠gener tijd’. In plaats van enige verbetering, blijkt nu dus dat de vele spuitgasten het vanaf nu met 1 spuit moeten doen.

De ommekeer

Bij zijn aantreden op 1 juli 1918 treft de nieuwe burgemeester P.H.L.J. Lommen een slecht functionerende brandweer aan, die zich met twijfelachtig materiaal moet behelpen. Op 23 oktober 1919 richt hij zich tot de raad en zegt hij dat hij aan de Commis­saris van de Koningin heeft geschreven, dat hij geen verantwoordelijkheid bij brand, gezien de toestand van de brandmiddelen, kan aanvaarden. Hij heeft de gemeenteopzichter een rapport over de inrichting van de brandweer laten opmaken. Hij geeft de raad te verstaan dat er onmiddellijk maatregelen moeten worden geno­men. J. Schuijt sputtert tegen en wil op de bekende manier nog eens uitstel. Hij wil het bouwvallige apparaat nog eens laten repa­reren en misschien later een nieuwe brandspuit kopen. Lommen vraagt aan Schuijt of hij de verantwoordelijkheid dan wil dragen. Als men blijft sputteren over het vele geld dat dit gaat kosten, geeft Lommen aan dat de investering door een geldlening afgedekt kan worden. H. Schipper vindt, dat er gelet op het rapport weinig anders op zit, waardoor de burgemeester als hoofd van de brand­ weer zijn verantwoordelijkheid kan dragen. Lommen heeft zijn zaak goed voorbereid en zonder hoofdelijke stemming wordt het college van B&W gemachtigd om voor 5.600 gulden brandblusmiddelen aan te schaffen.

De vrijwillige brandweer, 11 februari 1920

Daar blijft het niet bij, want burgemeester Lommen zit nog met de gebrekkige organisatie van de brandweer. Het korps bevat veel te veel manschappen en kan alleen daardoor al niet effici√ęnt functioneren. Daarbij komt dat met de nieuwe spuit minder mensen nodig zijn. Hij besluit dan ook tot een ingrijpende verandering. De ver¬≠ plichte brandweerorganisatie wordt ontbonden. Daarvoor in de plaats moet in navolging van omliggende plaatsen als Alkmaar, Beverwijk en Zaandam een vrijwillige brandweer komen. Castricum is een dorp dat zich snel uitbreidt. Hierop is de hopeloos ver¬≠ ouderde brandweerorganisatie absoluut niet ingesteld. De kom van het dorp krijgt langzamerhand een aaneengesloten bebouwing met alle brandgevaren vandien. Lommen zorgt voor een nieuwe veror¬≠dening en er wordt uitgekeken naar geschikte personen voor het nieuwe vrijwillige brandweerkorps. Criteria zijn: leeftijd, beschik¬≠baarheid, bereikbaarheid en uiteraard geschiktheid om hun werk te kunnen doen. Met name wordt gedacht aan mannen die in de dorpskom, of in Bakkum hun werk hebben.

Aannemer-timmerman Gerrit Kabel op circ 25-jarige leeftijd.
Aannemer-timmerman Gerrit Kabel op circ 25-jarige leeftijd. Dorpsstraat 24 in Castricum, 1903. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Zo wordt bijvoorbeeld aannemer-timmerman Gerrit Kabel benaderd. Hij heeft zijn werk­ plaats aan de Dorpsstraat 24, in een schuur achter het pand van burgemeester Mooy. Hij heeft een zestal knechten, Jan Houtenbos, Sip Veenstra, Jan Tromp en Dirk Tromp. Jan Schuijt en Janus Hopman. Gerrit Kabel met 2 knechten sluiten zich aan. Daarnaast weet Lommen enige andere bekende plaatsgenoten als de smeden Cor Peperkamp en Dorus de Groot te strikken. De Vrijwillige Bandweer wordt op 11 februari 1920 opgericht. Per 20 februari 1920 wordt de nieuwe brandweerverordening vastgesteld en de twaalf brandweerlieden worden benoemd. De mannen van het eerste uur zijn: J. Tromp van de Oosterbuurt als commandant, B.J. Roemer en J. Lute als motormachinisten en Q. Stolk als assis­tent. Er zijn twee pijpleiders, J. Houtenbos en G. Kabel en drie slanghouders C.J. Peperkamp, Th. de Groot en G. de Nijs Jbzn. Deze mannen zijn ingedeeld bij de motorbrandspuit. Voor de handbrandspuit in Bakkum worden aangesteld: A.C. Borst als commandant en C. de Groot en J. Hoebe.

Veldwachter Pieter Koelewijn met zijn twee honden.
Hier zien we Pieter Koelewijn met zijn twee honden. Pieter werd in augustus 1901 aangesteld als veldwachter. In 1908 werd hij in Bakkum geplaatst. Bij zijn 25-jarig jubileum kreeg hij van de bevolking een gouden horloge met inscriptie.

De verordening van 1920

In de verordening van 1920 wordt gesproken over de nieuwe motorbrandspuit, die in het spuithuisje naast de gemeentetoren wordt geplaatst. De handbrandspuit staat in het spuithuisje te Bakkum naast de woning van de rijksveldwachter. Er wordt in de verordening onderscheid gemaakt tussen de organisatie van de vrijwillige brandweer in Castricum met de nieuwe motorspuit, en de oude organisatievorm in Bakkum met de oude handspuit. Er worden ook nieuwe vergoedingen geregeld: in Bakkum krijgen de brandweercommandant, opperbrandmeester en brandmeester voor elke brand vijf gulden en drie gulden voor een oefening. De manschappen van de handbrandspuit krijgen 75 cent voor hel eerste uur en ver-


Jaarboek 18, pagina 8

volgens twee kwartjes voor elk volgend uur. Daarnaast krijgt degene, die de brand gemeld heeft, een gulden, de brandroeper krijgt een rijksdaalder; degene die de handspuit met paard en wagen vervoert beurt vijf gulden. De leden van de motorbrandweer krijgen een vaste jaarlijkse vergoeding van twintig gulden en vervolgens 75 cent of 50 cent per uur. De handspuit wordt van de hand gedaan, zo blijkt uit de aangepaste verordening van 1926, waarin deze spuit niet meer wordt genoemd.

De motorspuit Otto, die in 1920 is gekocht van de gemeente Zaandam.
De motorspuit Otto, die in 1920 is gekocht van de gemeente Zaandam.

De nieuwe motorspuit

De beoogde technische verbetering moet uit Zaandam komen. Die gemeente gaat tot aankoop van een autospuit over en biedt de motorspuit voor 2.500 gulden te koop aan. In januari 1920 wordt de koop gesloten, maar in afwachting van de auto moet de oude spuit nog even in Zaandam blijven. Die bewijst daar op 20 januari nog eens goede dienst door vijf uur onafgebroken een grote brand in de graanpakhuizen ‘Java’ te bestrijden.
Begin maart wordt de ‘Otto’ in Castricum afgeleverd. Een prachti¬≠ge machine, die de trots van het brandweerkorps is en nu staat opgesteld in de huidige brandweerkazerne. Bij de aankoop wordt de inventarislijst van de motorspuit meegeleverd, waaruit blijkt dat de motorspuit 500 liter per minuut levert. Bij de vele onderdelen worden onder andere drie kaarslantaarns en een koperen bel genoemd. Als op 14 april 1921 raadslid H.J. Zandbergen vraagt hoe de resultaten met de nieuwe spuit zijn, kan de voorzitter trots mededelen, dat de spuit zeer goed voldoet. Er was nog wel een probleem met de watertoevoer, maar dat is verholpen. Zandbergen constateert enige maanden later echter, dat bij een brand in de Schoolstraat gebleken is, dat de spuit niet voldeed. Het probleem blijkt aldus Lommen te zitten in de slechte watertoevoer: de water¬≠ putten hebben te weinig capaciteit voor ‘Otto’. Zandbergen wil daarom de waterputten verbeteren, maar deze keer wil Lommen even afwachten. Hij wil aansluiting op het waterleidingnet. Zandbergen is ook niet tevreden over de houding van het brand¬≠ weerpersoneel tijdens de oefeningen. De voorzitter belooft de heren een waarschuwing te geven.


In 1922 wordt aldus een pompgebouwtje met een pompcapaciteit van 150 kubieke meter per uur geplaatst in de sloot langs de Korte Cieweg.

In 1922 wordt aldus een pompgebouwtje met een pompcapaciteit van 150 kubieke meter per uur geplaatst in de sloot langs de Korte Cieweg in Castricum, 1980. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Rapport van 5 juni 1923

Lommen brengt verslag uit aan de raad omtrent de toestand van de brandweer, waarin hij concludeert, dat de motorspuit in goede staat is en voldoende capaciteit heeft. Hij geeft het probleem van de watervoorziening aan.
“Vanuit de sloot bij J. Twisk is de Rijksstraatweg te bereiken tot aan het Caf√© ‘Sportlust’. Vanuit de sloot bij P. Schotvanger is de geheele Burgemeester Mooijstraat te bestrijken. Vanaf de Cieweg kwam men tot aan de winkel van Heideman, met twee slangen tot aan het Caf√© van de Erven van Benthem. Om de geheele kom van het dorp te kun¬≠nen bestrijken is het noodig om: bij de Cieweg te zorgen voor vol¬≠doende water, op de hoek bij Goes een brandput te maken vanuit het pompstation aan de Cieweg, zeer gewenscht zou zijn een brandput te maken in de richting van de rooms-katholieke kerk. Overleg zal worden gepleegd met de directie van (melkfabriek) ‘De Holland‘ (Breedeweg) teneinde de Oosterbuurt gedeeltelijk te kunnen bestrij¬≠ken. Aangekocht diene te worden 200 meter slang. De handbrandspuit voldeed goed, gaf spoedig water, de putten voldeden eveneens goed. Op het oogenblik is de capaciteit nauwelijks voldoende, daar er te Bakkum veel wordt bijgebouwd; wellicht is er eene overeen¬≠komst te treffen met de directie van het Provinciaal Ziekenhuis om de brandputten van die inrichting te mogen gebruiken”.

De Ciebeek met het waterhuis of pompgemaal. Het stond ter hoogte van wat nu 't Strengh is.
De Ciebeek met het waterhuis of pompgemaal. Het stond ter hoogte van wat nu ‘t Strengh is. Castricum rond 1950. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De genoemde sloot bij J. Twisk is de spoorsloot bij Funadama, nu (red: anno 1995) Jasmin Garden en caf√© Sportlust is op de hoek Dorpsstraat-Burgemeester Mooijstraat. Schotvanger is de kastelein van ‘De Harmonie’, nu (red: anno  1995) Wong‚Äôs Palace. De winkel van Heideman staat op de plaats waar nu Huitinga is gevestigd. En caf√© Van Benthem, wordt later ‘De Vriendschap’, het huidige (red: anno 1995) Sam Sam. Goes woont tegenover het oude raadhuis. De raad gaat met Lommen’s voorstellen akkoord en er worden afspraken gemaakt met de directie van de melkfabriek over de watertoevoer naar de Oosterbuurt. de brandputten worden geslagen en met Duin en Bosch worden nieuwe afspraken gemaakt.

Waterleiding

De geschiedenis rond de aansluiting op het waterleidingnet wordt beschreven op pagina 23 van het artikel over de gezond­heidszorg in het 17e jaarboek­je. Uit het artikel blijkt dat er vanaf 1911 gesproken is over de met name voor de volksge­zondheid zo noodzakelijke waterleiding. Vanwege de problemen met de aanvoer van bluswater wacht ook de brandweer op de aansluiting. Aan het besluit tot aansluiting gaat een hevige rel vooraf, die door een brand veroorzaakt wordt. Op zondagmorgen 17 februari 1924 breekt er brand uit in de bollenschuur van de gebroeders Gerrit en Simon Twisk aan de Dorpsstraat (dezelfde plek waar nu (red: anno 1995) Jan Twisk zijn bloemen- en plantenhandel heeft). Na het bran­dalarm spoedt de brandweer zich naar het spuithuisje aan de Kramersweg en bij de


Jaarboek 18, pagina 9

brand aangekomen, plaatst men de pomp bij de spoorsloot. De slangen worden uitgerold en aangesloten, maar al wat er gebeurt: Otto geeft geen druppel water. De bevolking neemt dit de nu toch zo goed georganiseerde brandweer zeer kwalijk. De bewoners van de dorpskom verenigen zich en er wordt een petitie opgesteld. Vierenvijftig personen ondertekenen de brief, die naar het gemeentebestuur wordt gestuurd. Onder de vele bekende namen tref­fen we ook de handtekening van pastoor Engering aan. Uit de pro­testbrief blijkt, dat geen der spuitgasten een sleutel van het spuit­huisje had, dat daarom moest worden opengebroken. De motor­ spuit was bevroren en gaf pas na twee uur water. Er waren geen brandhaken en de brandklok had niet geluid. In de raadsvergadering van 17 maart 1924 wordt de verantwoordelijke man, burgemeester Lommen, stevig onder vuur genomen. Lommen heeft ondertussen een onderzoek ingesteld en komt met een uitvoerige verklaring. Drie brandweermannen, die nabij het spuithuis wonen, blijken een sleutel te hebben. De nalatigen zullen ongetwijfeld een stevige uitbrander hebben gekregen. Door de koude en vochtig­heid gaf het magneetmechanisme te weinig vonk. Iedere spuitgast hoort te weten dat de brandhaken- en ladders in de gemeentetoren hangen.

Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat 65 in Castricum) met voormalig Raadhuis.
Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat 65 in Castricum) met voormalig Raadhuis en gemeentetoren, rond 1950. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hij heeft de vergeetachtigen hierop ernstig gewezen. Over het laatste punt zegt hij: “Ook in het vervolg zal de brandklok niet luiden, dat is geheel overbodig. Voor een behoorlijke gang van zaken is het beste, dat zij die niet behooren tot de brandweerlieden of onmiddellijk bij de brand betrokken zijn, rustig aan hun werk of in bed blijven. Aan tal van dwarskijkers ontbreekt het bij een brand nooit. Zij lopen den spuitgasten in den weg, dringen zich op het terrein, geven zelfs ongevraagd bevelen en bederven in de regel meer dan zij goedmaken. Het vaste corps aangevuld met drie √† zes personen, zo heeft de praktijk geleerd, is meer dan voldoende.” Hij geeft aan waar nodig maatregelen genomen te hebben.

Commotie

Vervolgens gaat hij heel handig over op het ontbreken van een goede watertoevoer doordat er nog geen aansluiting op het water­leidingnet is. Zolang dat ontbreekt, kan hij er niet voor instaan, dat het niet weer zal gebeuren. Schipper en Zandbergen nemen het voor de burgemeester op, zij menen dat de organisatie van de brandweer nu goed geregeld is. Maar H. Hemmer wijst op de grote brand in Vriezenveen en vraagt zich af of de Castricumse brandweer een dergelijke catastrofe zou kunnen voorko­men. Besloten wordt om in afwachting van een rapport van de Gezondheids­commissie het onderwerp op de agenda van de volgende vergadering te zetten. Op 24 juli 1924 wordt met vijf tegen vier stemmen het voorstel aangenomen. Uit de stemmenverhouding blijkt, dat bepaald niet iedereen het belang van de waterleiding inziet. Dat blijkt nog eens uit de vergadering van 24 oktober als de nieuwe bouwverordening, met name een gewraakt artikel over verplichte aanslui­ting op het waterleidingnet, op de agenda staat. De Vries wijst op het belang van de brandbestrijding. Doorslaggevend voor hem is, dat de watervoorziening bij brand onvoldoende is. De tegenstemmers hebben succes en het gewraak­te artikel wordt op 11 december uit de verordening geschrapt. Op 17 maart 1925 wordt het voorstel tot het aanbrengen van brandkra­nen op het waterleidingnet wel aangenomen. Voor de brandweer een historisch besluit.

Eind 1925 de slangenwagen uit Alkmaar.
Eind 1925 de slangenwagen uit Alkmaar. Van links naar rechts Johan Weda, machi­nist Jaap Lute, commandant Jan Tromp, Jan Houtenbos, Dorus de Groot en Dirk de Winter.

Eind 1925 koopt men een slangenwagen van de brandweer in Alkmaar. Het is een open wagen met zitplaat­sen, een bergruimte voor de slangen en een rek bovenop voor de ladders. In hetzelfde jaar besluit men om het spuithuisje op het ter­rein van de Nederlands hervormde kerk te verlaten en de motorspuit over te brengen naar een schuur aan de Schoolstraat/Overtoom naast het armenhuis. Voor 550 gulden wordt het eerst nog aangepast en opge­knapt.

Voormalig Armenhuis, Overtoom 40-54 in Castricum.
Voormalig Armenhuis, Overtoom 40-54 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De boerderij van Th. Liefting in brand

Dat er veel mis kan gaan bij het blussen van een brand vertelt ons het rapport van de brandweercommandant J. Tromp over de brand van de boerderij van Th. Liefting. Omdat dit rapport de toenmali­ge werkwijze zo goed weergeeft, wordt het rapport hier volledig opgenomen.

Afgebrande boerderij van Liefting.
Afgebrande boerderij van Liefting, met daarvoor een persoon met paard en wagen. Limmerweg in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

“Op dinsdag 16 November 1926 des morgens om zes uur werd ik geroepen voor een brand, welke was uitgebroken in de boerderij van den Heer Th. Liefting in de Oosterbuurt en bewoond door de familie Bomars. Onmiddellijk heb ik mij toen naar de motorspuit begeven, omdat daar ter plaatse geen waterleiding is en trof daar ook al aan de brandmeesters Houtenbos en De Groot. Jb. Brakenhoff junior heb ik direct met een boodschap naar de Burge¬≠meester gezonden. Met de motorspuit en alle slangen rukten wij toen uit, na ook nog Jn. Korsman te hebben gecommandeerd ons te helpen. Al heel spoedig ontmoetten wij de voerman Jb. Jannes met zijn paard, die ik had aangesteld om ons materiaal naar de brand te brengen en zoo kwamen wij zoo vlug als het had kunnen gaan op de plaats des onheils aan, waar echter het geheele gebouw al in lichter laaie stond en voor de aangrenzende percelen en in de omtrek bestond er weinig gevaar doordat het mooi stil weer was. De brandmeester Jn. Boon was ook vrij spoedig op zijn post. Wij stelden de spuit op bij de watering op ongeveer 250


Jaarboek 18, pagina 10

meter van de brand, doch hadden veel pech, daar de motor niet wou aanslaan en toen hij dit na een poos wel deed, konden wij niet veel druk op de slangen krijgen, zoodat wij weinig water kregen om te blusschen en eindelijk besloten wij om te trachten met de slangen op de waterleiding vanaf de brandkraan bij C. Spaansen den brand te bereiken, daarvoor hadden wij ook de slangen van Bakkum noodig, welke ik heb laten halen. Met de auto van Jo de Groot arriveerde dan ook na eenige tijd de slangen van Bakkum en ook de brandmeesters en hun commandant. Over tuinen en wei­land hebben wij toen getracht den brand te bereiken, doch het bleek dat wij lengten te kort hadden en toen heb ik de auto naar Duin en Bosch en Limmen gezonden om slangen ter leen te vra­gen, doch het bleek dat die niet paste op de onze. Toen hebben wij alle slangen weer opgenomen en zouden wij het maar weer eens met de motorspuit probeeren en na alles nog eens goed nagezien te hebben, bleek dat de haalbuis niet luchtdicht aan de spuit was verbonden en na dit euvel met een goede dosis consistentvet te hebben verholpen, hadden wij eindelijk voldoende water om de brandende massa en vooral het hooi te bewerken.

De slangen van ons konden echter de druk niet doorstaan en in de een na de andere sprong een gat, zoodat wij nog maar een paar goede slangen hebben en het noodzakelijk is dat er nieuwe worden aangeschaft. Met al deze werkzaamheden was geruimen tijd heen¬≠ gegaan en het was ‘s avonds zes uur eer wij het vuur, voor zoover wij konden, gebluscht hadden en de spuit voorlopig geen dienst meer behoefde te doen. Voor den nacht heb ik twee wachten bij den brand geplaatst en zelf ben ik ook tot half elf gebleven, want er was nog steeds druk werk om het smeulende hooi nat te houden. Den volgende morgen om zeven uur was ik weer op het terrein aanwezig en de wachten deelden mede, dat zij den geheele nacht werk hadden gehad om het vuur dat geregeld uit het hooi te voor¬≠ schijn kwam te blusschen. Ik wilde het terrein dan ook niet verla¬≠ten, want het was niet uitgesloten of het hooi zou weer in vlam slaan, hetgeen ook bleek want voordat het middag was, moesten wij de spuit weer in werking stellen. Den geheele dag ben ik toen bij den brand gebleven en ‘s avonds was ik weer genoodzaakt om twee brandmeesters te halen en wij hebben tot ‘s nachts 1 uur bijna onophoudelijk moeten spuiten, daar het vuur in het hooi steeds aanwakkerde. In dien nacht had de brandmeester Houtenbos het ongeluk met zijn been bekneld te raken tusschen twee steenbrokken, waardoor hij zijn been bezeerde en zich den volgende morgen onder geneeskundige hulp moest stellen. Donderdagmorgen om vijf uur hebben wij den brand overgegeven aan het personeel van den eigenaar doch ‘s avonds waren wij weer genoodzaakt de spuit in werking te stellen daar weer veel vuur aanwezig was. De nacht van Donderdag op Vrijdag heeft het personeel van den Heer Liefting bij den brand gewaakt.

Vrijdag ben ik weer den geheelen dag op het terrein aanwezig geweest, daar ik de zaak nog lang niet vertrouwde en er in het hooi nog veel vuur zat. Dien dag hebben wij na hard werken en veel water gooien het laatste aanwezige vuur bezworen. De spuit hebben wij vrijdagmiddag om vier uur van het terrein gehaald en opgebor¬≠gen, doch het was ‘s avonds half negen eer al het vuur was gedoofd, doch dien nacht heeft het personeel van Liefting nog gewaakt. E√©n van de brandmeesters heeft gedurende deze brand waar wij elkan¬≠der zoo hard noodig hadden, niets van zich laten hooren of zien, zoodat ik de brandraad adviseer hem als zoodanig te ontslaan en voor hem een ander te benoemen. Hoewel wij bij deze brand met vele moeielijkheden en tegenspoed te kampen hebben gehad en veel critiek van de zijde van het publiek hebben moeten verduren, kan ik niet nalaten mijn groote tevredenheid uit te spreken over de brandmeesters en ook die van Bakkum, voor de goede samenwerking en het vele werk dat zij bij deze brand hebben verricht en ik twijfel niet of deze brand is voor ons zeer leerzaam geweest en bij een volgende keer zal alles veel vlotter verloopen als er vooral maar voor gezorgd wordt, dat ons materiaal goed in orde is.

Bij deze brand hebben hulp verleend: J. Tromp, commandant 56 uur, de brandmeesters J. Houtenbos 25 uur, Th. de Groot 40 uur en J. Boon 12 uur. Van Bakkum A. Borst 10 uur en C. de Groot, Jb. Borst en Jb. Weel elk 12 uur. De brandmeester Houtenbos, die door een ongeval zijn been heeft bezeerd, zal eenige dagen zijn werkzaamheden niet kunnen verrichten. Nog werden door mij aan¬≠ gesteld: Dorus Metselaar en J. Groentjes elk 24 uur, J. Korsman 5 uur en Cor Tromp 16 uur. Jb. Brakenhoff Jzn. als boodschapper naar den Burgemeester, Jb. Jannes vervoer der spuit van en naar de brand en Jo de Groot vervoer met auto. Onkosten: D. Brandjes aan koffie 2 gulden, J. van Benthem 25 sigaren en A. van Benthem 2 kan jenever. Terwijl door de Secretaris ook nog sigaren en brood en worst zijn gecommandeerd. De Brandmeester, J. Tromp”.

De gemeenteraad

Het ligt voor de hand dat dit voorval, dat voor commandant Tromp een nachtmerrie moet zijn geweest, aanleiding was om de burge¬≠meester vanuit de raad weer eens danig aan de tand te voelen. Als bij de begrotingsbehandeling op 9 december 1926 de brandweer aan de orde is, breekt men los. Zandbergen constateert dat veel mis is gegaan en eist regelmatiger oefeningen. De Vries vindt dat er ondeskundig te werk is gegaan, bij een sterke wind had een grote ramp kunnen gebeuren, meent hij. Men vraagt zich ook af, of de gewonde Jan Houtenbos nog schadeloos gesteld moet wor¬≠den. Lommen neemt de kritiek ter harte, maar men is toch wel hardleers. Want er gaat een jaar voorbij, voordat met het besluit neemt om de gammele slangen voor 250 gulden te vervangen. Bij de behandeling van de begroting voor 1930 wordt op 30 december 1929 weer uitvoerig de organisatie van de brandweer besproken. Er is net een grote brand in Zeeland geweest en raadslid Aukes vraagt bezorgd of Burgemeester en Wethouders (B&W) de verantwoordelijkheid met het oog op dergelijke catastrofes nog wel aan kan. Hellinga wijst er op, dat er op de begroting geen geld is uitgetrokken voor een alarmsignaleringssysteem voor de brandweer en ook de druk op de waterlei¬≠ding is niet hoog genoeg. In december 1931 heeft men weer kri¬≠tiek op het functioneren van de brandweer. Aanleiding vormen nu twee branden die op 17 en 18 oktober hebben gewoed, ‘s Zaterdags brandt de boerderij van C. Hollenberg aan de Alkmaarseweg af en de volgende morgen breekt er brand uit in het huis van Kl. Bloedjes aan de Kramersweg. Zijn huisje met schuur¬≠tje ligt al tegen de grond als commandant Tromp tegen zessen arriveert.

Overeenkomst met Alkmaar

Door deze en eerdere voorvallen heeft de raad mogelijk weinig ver­trouwen gehad in de capaciteiten van het eigen korps. In ieder geval wordt in december 1933 een regeling met Alkmaar gesloten voor hulp bij Castricumse branden door de vrijwillige brandweer van Alkmaar. Castricum betaalt daarvoor een jaarlijkse vaste bijdrage plus vergoedingen als daadwerkelijk hulp wordt verleend. Dit besluit valt, zoals te verwachten is, niet in goede aarde bij onze mannen. Met name Jan Tromp, Toon Borst, Cees en Dorus de Groot voelen zich door het gemeentebestuur nogal bevoogd. Voor zover bekend is er nooit enig beroep gedaan op Alkmaar. De regeling is in 1955 opgeheven. In een rapport van 29 oktober 1935 vermeldt de secretaris van de brandraad (hij is ook gemeentesecretaris) dat in Castricum 400 meter slang aanwezig is met een motorspuit, een brandslangenwagen en diverse hulpmaterialen. In Bakkum ligt 350 meter slang met toebehoren en ook daar is een slangenwagen.
Er woeden in 1935 wat kleinere branden, waaronder bij Siem Bra¬≠kenhoff ‘in de Bossen’ op de hoek van de Beverwijkerstraatweg en de Oud-Haarlemmerweg. Het is kermismaandag en de brand breekt uit tijdens het traditionele ‘eerste deuntje’. Er heerst onder de brandweerlieden een jolige sfeer, want op deze kermismaandag


Jaarboek 18, pagina 11

wordt er vergaderd en de jaarlijkse ver­goeding van twintig gulden wordt uitge­keerd.

Ari√ęn Gorter was als veldwachter een bekende Castricumse figuur.
Ari√ęn Gorter was als veldwachter een bekende Castricumse figuur, die in 1909 vanuit Hoogwoud op het adres Dorpsstraat 20 was komen wonen. Hij leefde van 1870-1954. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na de melding vertrekt men naar ‘de Bossen’ en begint met flinke stralen het vuur te bestrijden. Vanwege de ter plekke aanwezige persleiding lukt het uitstekend om veel water te geven. Nu had een der spuitgasten, Jan Houtenbos, net een bekeuring gehad van de Limmense veldwachter De Koekoek. Wetend dat omliggende dorpen assisten¬≠tie verlenen tijdens de kermis, ziet Jan de gewraakte diender tussen de toe¬≠ schouwers staan. Jan neemt zijn kans waar en spuit de agent compleet de grep¬≠pel in. Maar onder de kreet: “Niet doen jongens, hou op, ik ben het”, kruipt de veldwachter uit de greppel. Tot schrik van Houtenbos kruipt echter niet die Limmen uit de greppel, maar blijkt het de eigen gewaardeerde veldwachter Gorter te zijn. De combinatie van rook, vlammen en verhitting, maar vooral drank zullen de oorzaak van de vergissing zijn geweest. Siem Brakenhoff zal zeker niet meegelachen hebben, zijn huis brandde ondanks het vele water geheel af.

Foto waarschijnlijk gemaakt in 1936 hij de intocht van burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo.
Foto waarschijnlijk gemaakt in 1936 hij de intocht van burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo.

De oorlogsjaren

In 1936 overlijdt Lommen. Hij wordt opgevolgd door een man met een lange naam, C.A.F.H.W.B. van den Clooster, baron Sloet tot Everlo. Lommen heeft een duidelijk stempel gedrukt op de organisatie van de brandweer. Spijtig voor hem en het korps dat er niet zo veel succes is geweest. In 1938 verhuist de brandweer van de Schoolstraat naar een garage aan de Dorpsstraat, gelegen tussen fietsenmaker Eikel en ‘het huis met de kogel’. Na de capitulatie van het Nederlandse leger in mei 1940 krijgt Castricum in die zomer uit de overtollige legervoorraden de beschikking over een nieuwe auto. Het is een Chevrolet, een commandowagen met 8 zitplaatsen en een trekkerkoppeling. Deze wordt ingezet als trekker-manschappenwagen en dit wonder van vooruitgang kan moei¬≠teloos de oude Otto gaan trekken. Voor niet al te lang helaas, want in 1943 wordt de wagen door de Wehrmacht weer opge√ęist. Bijna zijn we de Otto in 1944 kwijtgeraakt. Vanwege de oorlogsomstan¬≠digheden wordt het korps uitgebreid tot 40 man. Het wordt uitge¬≠breid met een hulpbrandweer. Men treedt graag tot de hulpbrandweer toe, omdat men dan in het dorp mag blijven wonen. Daarnaast wordt een brandweerzegel op het persoonsbewijs geplakt, waardoor men ook is vrijgesteld van de beruchte ‘Arbeitseinsatz’. Van de oorspronkelijke in 1920 benoemde ploeg zijn nog drie mannen over, A.C. Borst, C. de Groot en Th. de Groot. Daarna zijn een vijftal nieuwe mannen toegetreden, G. Ronk, Jh. Res, G. de Rooy, B. van Benthem en A. Dekker. Toon Borst volgt in 1940 Jan Tromp als commandant op. Vanwege zijn leeftijd wordt hij in 1942 door Cees de Groot opgevolgd. In 1945 wordt Gerit Ronk tot waarnemend commandant benoemd. In 1946 wordt Joh. Res tot commandant aangesteld.

Werken voor de vijand

Van de Duitsers krijgt de brandweer de opdracht om aan het strand palen te ‘spritzen’: langs de vloedlijn worden palen geplaatst, waarop mijnen worden bevestigd. De brandweer moet hiervoor gaten spuiten, waarbij gebruik is gemaakt van onze oude motorspuit. Als de Duitsers bevel geven om Otto bij laag water dichter naar de zee te brengen, waarschuwt men tevergeefs de opdrachtge¬≠vers. En bij de opkomende vloed gebeurt, wat men heeft gevreesd. De brave Otto verdwijnt in de golven. De volgende dag weet men met man en macht met behulp van staaldraad, kettingen en een locomotief, Otto weer op het droge te brengen. Helaas geeft hij geen water meer; hij wordt overgebracht naar de gemeenteloods. Otto was trouwens ook bijna de oorzaak van een gevaarlijke toe¬≠stand op het strand. Door het lawaai dat hij produceerde, hadden de brandweermannen niet in de gaten, dat de Duitsers het strand af renden. Achteraf bleek, dat Engelse jagers een aanval hadden gedaan. Zelfs het lawaai van mitrailleurs werd niet opgemerkt. De brandweermannen hadden pas in de gaten dat er iets aan de hand was, toen zij de jagers weg zagen vliegen. Niemand werd gelukkig door de kogels geraakt.

De gasfabriek met twee gashouders.
De gasfabriek met twee gashouders. Gasstraat in Castricum. Collectie Ou-Castricum. Toegevoegd.

Branden

Door laswerk van Dorus de Groot breekt op 6 augustus 1940 een gevaarlijke brand uit in de gashouder. Hierop heeft onze brand­weer geen antwoord en de hulp van Alkmaar, dus toch, wordt ingeroepen. Deze dekt het dak af met een laag schuim en het loopt goed af. De gasfabriek is daarna nog eens het doelwit van Engelse jagers en raakt zo weer in de brand. Ook nu weer paniek vanwege het ontploffingsgevaar, maar de commandant besluit toch tot blus­sen. De vlammen lekken uit de gaten waar de mitrailleurkogels zijn binnengedrongen. Met veel vindingrijkheid weet men de steeds weer oplaaiende vlammen, stuk voor stuk te doven, door de gaten met houten proppen te dichten. Op 9 oktober 1944 worden drie woonhuizen in de Pernéstraat als represaillemaatregel door de bezetters in de brand gestoken. De opgetrommelde brandweer mag het vuur niet bestrijden en wacht op enige afstand tot de Duitsers zijn verdwenen. Men kan het vuur wel doven, maar de huizen zijn toch grotendeels uitgebrand. Een dag later hetzelfde tafereel bij Cor Groen, wiens boerderij aan de Kerkedijk langs de spoorlijn in brand wordt gestoken. De boerderij met al het hooi en twee onder het hooi verstopte auto’s gaan verloren. Aan het einde van de oorlog


Jaarboek 18, pagina 12

zijn er vrijwel geen brandblusmiddelen meer over. De auto en de pomp zijn weg en uitrustingsstukken zijn er ook niet meer.

Brandweerlieden voor het gemeentehuis in 1949. V.l.n.r. comman­dant Dorus de Groot, burgemeester Smeets, Gerrit Ronk, Ber van Benthem en P. van Maarleveld. Op de achtergrond de voormalige doorrijstal, waarin toen de ijssalon van Niek de Groot was geves­tigd. In een gedeelte van de doorrijstal was tot 1955 de brand­weerkazerne ondergebracht.
Brandweerlieden voor het gemeentehuis in 1949. Van links naar rechts: comman­dant Dorus de Groot, burgemeester Smeets, Gerrit Ronk, Ber van Benthem en P. van Maarleveld. Op de achtergrond de voormalige doorrijstal, waarin toen de ijssalon van Niek de Groot was geves­tigd. In een gedeelte van de doorrijstal was tot 1955 de brand­weerkazerne ondergebracht.

Een nieuwe tijd

Als op 5 mei 1945 de oorlog is be√ęindigd, blijft de brandweer be¬≠rooid achter. Maar gelukkig wordt er snel een oplossing aangebo¬≠den. Er is veel overtollig legermateriaal en daarvan mogen de Castricummers een auto met spuit uit het Amsterdamse depot komen halen. Het is een Engelse Austin, met het stuur dus rechts en met een bel boven de cabine. Het is een dichte wagen met aan weerszijden zitbanken. De auto heeft een trekhaak voor de Harland motorspuit met een capaciteit van 3.000 liter per minuut. Na enige tijd worden de manschappen verrijkt met nieuwe kle¬≠ding: donkerblauwe battledress uniformen met rubber laarzen. De pakken zijn niet waterdicht, maar dat neemt men op de koop toe.

De Brandweer aangetreden voor burgemeester Smeets en commandant Dorus de Groot.
De Brandweer aangetreden voor burgemeester Smeets en commandant Dorus de Groot. Dorpsstraat in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Als op 16 november 1945 C.F. Smeets tot burgemeester wordt benoemd, breekt een nieuw tijdperk voor de brandweer aan. Hij zal veel tot stand brengen en daarnaast toont hij veel belangstel¬≠ling, zowel voor de organisatie als voor de mensen. Dorus de Groot volgt in 1947 Joh. Res als commandant op. Op 8 november 1948 wordt de ‘Vereniging Vrijwillige Brandweer’ opgericht. Gerrit Ronk is de animator voor de oprichting van deze personeelsvereniging geweest en wordt tot voorzitter gekozen. Met veel liefde en  enthousiasme heeft hij die vereniging geleid. De nieuwe commandant krijgt onder andere als taak om zijn mannen het zogenaamde ‘aflegsysteem’ bij te brengen. Dit systeem was een organisatievorm met als doel om water zo effici√ęnt mogelijk bij de brand te brengen. Elke brandweerman krijgt hierbij een nummer toebedeeld en wordt dan geacht precies te weten, wat te doen. Maar men is er niet aan gewend om les te krijgen. Het kost Dorus de Groot dan ook de grootste moeite om zijn hardleerse mannen het systeem aan te leren. Of Dorus het zelf wist, is een tweede, hij las het voor uit een boekje. Maar uiteindelijk heeft men het sys¬≠teem onder de knie, behalve als er brand uitbreekt, want dan ver¬≠geet men die nieuwe instructies even en wordt op de aloude manier gewerkt. De brand wordt dan wel geblust, alleen niet vol¬≠gens het boekje. Pas in een veel later stadium vanaf 1967 worden de manschappen naar cursussen gestuurd. Er zijn dan opleidingen tot bijvoorbeeld brandwacht eerste en tweede klas.

Na de oorlog wordt de stal in drie gedeelten verhuurd; aan de westzijde staat de brandweerauto, het middengedeelte wordt verhuurd aan Pieter Eikel voor opslag van fietsen en de oostkant wordt in 1948 ingericht tot IJssalon.
Na de oorlog wordt de stal in drie gedeelten verhuurd; aan de westzijde staat de brandweerauto, het middengedeelte wordt verhuurd aan Pieter Eikel voor opslag van fietsen en de oostkant wordt in 1948 ingericht tot IJssalon. Dorpsstraat 62a in Castricum rond 1950. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Huisvesting

Met de huisvesting van de brandweer is het hopeloos gesteld geweest. In 1947 wordt J.W. Beyersbergen als aankomende direc­teur van Gemeentewerken aangesteld als ondercommandant. Hij krijgt tot taak om eens kritisch naar de organisatie van de brand­ weer te kijken. Smeets ziet met lede ogen het erbarmelijke onderkomen aan, waar het materieel is opgeslagen. In de oude doorrijstal naast De Rustende Jager is geen mogelijkheid om de slan­gen te drogen, er is geen toilet, zelfs een kraan ontbreekt. Het dak lekt aan alle kanten, waardoor de zoldervloer deels is vergaan en tot overmaat van ramp ligt de vloer onder het straatniveau. Bij een flinke regenbui staat de vloer 20 centimeter onder water. Het plan wordt nu geboren om een eigentijds onderkomen te realiseren. Beyersbergen en Smeets pakken de kwestie energiek aan, want op 10 juli in het jaar van zijn benoeming wordt een ontwerp met de architecten Nielsen en Spruyt besproken. Maar niet alles werkt mee en het zal toch nog jaren duren voordat de felbegeerde brand­ weerkazerne er staat.

De brandweerkazerne aan de kant van de Brakenburgstraat in Castricum.
De brandweerkazerne aan de kant van de Brakenburgstraat in Castricum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

De brandweerkazerne

In 1950 verwerpen zowel de schoonheidscommissie als de stedebouwkundige het ontwerp. Het voorziet in een gecombineerd gebouw voor brandweer en gemeentewerken met twee bovenwo¬≠ningen. Beyersbergen is inmiddels in 1951 commandant geworden als opvolger van Dorus de Groot en hij krijgt Piet van Maarleveld als ondercommandant. De nieuwe commandant zet de inspannin¬≠gen van Dorus de Groot voort, maar het combinatiegebouw heeft geen kans van slagen. Daarom wordt van dat plan afgezien en gaat men over tot de stichting van een gebouw voor de brandweer alleen. Op 3 september 1953 wordt het complex met twee boven¬≠ woningen aanbesteed. Aannemer Johan de Nijs van de Overtoom blijkt de laagste inschrijver voor  93.600 gulden. Maar dit ligt boven de begroting en daarom wordt door de bestratingswerkzaamheden uit het bestek te halen de prijs tot 87.730 gulden teruggebracht. Het gebouw wordt in 1954 opgeleverd en de kazerne kan door de Castricumse brandweer in gebruik genomen worden. Het bevat een garage met slangentoren, een les- en instructielokaal met hal, toilet en keuken. De twee bovenwoningen worden betrokken door de families Noordover en De Vries. Noordover en De Vries zijn werkzaam bij Gemeentewerken en moeten bij wekelijkse toerbeurt het brandalarmsysteem bedienen. De manschappen zijn de koning te rijk met het nieuwe luxe onderkomen.

Personeelsuitbreiding

Beyersbergen heeft zich in de tussentijd beziggehouden met ande­re aspecten van de organisatie en stuit daarbij op het materieel dat niet meer aan de eisen van de moderne tijd voldoet. Geldgebrek zal vermoedelijk de oorzaak zijn dat zijn verzoek van 14 april 1951 om modernisering en uitbreiding van het materieel niet geho­noreerd wordt. Hij krijgt uiteindelijk toch het fiat voor het plan en mag op 22 juni 1954 zijn bestelling plaatsen. Vanwege de sterke inflatie in de vijftiger jaren zijn de aanschafkosten ondertussen met 40 procent gestegen, zodat het aanvankelijke budget ruimschoots wordt overschreden. Castricum wordt de trotse bezitter van een uit Amerika overgewaaide noviteit, een mist- of nevelautospuit. De auto, een Austin brandweertruck, wordt bij garage De Pont in Velsen-Noord gekocht. De hogedruk-mistbrandspuit is een Bean Royal 55 pomp met drie cilinders en een stalen tank van 1.500 liter. De spuit heeft een capaciteit van 225-250 liter per minuut. De auto heeft een gesloten bestuurders- en manschappencabine, een neerklapbaar ladderrek, een electrische sirene en een ver-


Jaarboek 18, pagina 13

plaatsbare schijnwerper. De leverancier van de pomp is A. Boudewijn en Zonen uit Geldermalsen. Het gaat om een draagbare motorspuit, die op een slede in het achtercompartiment van de auto wordt geplaatst. Boudewijn krijgt ook de opdracht om het geheel van auto en opbouw met de pomp bedrijfsklaar op te leveren. Door het nieuwe materieel moet de bezetting tot zestien man worden uitgebreid. Onder de nieuwe mannen treffen we bekende namen aan: Ab Weda en Antoon de Rooy in 1951 en Joop Zijlstra, Bertus Eikel, Gerrit Bedeke, Piet Gomes en Libert Eggers in 1954.

Opening nieuwe kazerne en feest 35 jaar brandweer, burgemeester Boreelstraat, Brakenburgstraat 1a in Castricum, 14 mei 1955. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Feestelijke opening in 1955

Een nieuw gebouw, nieuw materieel, weer nieuwe uniformen en bluskleding. Er is reden om de bloemetjes eens flink buiten te zet¬≠ ten. De enthousiaste ploeg wil het feest groots aanpakken. Men is niet vergeten dat in een gemeenteloods de oude Otto staat weg te roesten. Dat stuk nostalgie zal naar de brandweerkazerne gehaald worden en een totale opknapbeurt moeten ondergaan. Gerard Hemmer, Piet Borst, Cees de Groot en Piet Gomes nemen het kar¬≠wei op zich. De oude spuit wordt helemaal ontmanteld en met veel geduld stukje bij beetje weer in zijn oude staat teruggebracht. Na vele vrijetijdsuren met sleutelen, schuren, schilderen en poetsen is dan het grote moment aangebroken. Otto moet tot leven komen. Maar al wat men probeert, hij zwijgt als het graf. Piet Borst komt op het verlossende idee: “Ether erin en hij zal lopen”. Er komt eerst enig gesputter en gehoest uit Otto‚Äôs binnenste en tot opluch¬≠ting van de mannen produceert hij even later een gezond geluid dat allengs mooier wordt.

Opening van de brandweerkazerne door burgemeester Smeets.
Opening van de brandweerkazerne door burgemeester Smeets. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

14 Mei 1955 is de grote feestdag voor brandweer en gemeente, als het nieuwe gebouw en het materieel officieel in gebruik wordt genomen. In de optocht van de oude doorrijstal aan de Dorpsstraat naar de nieuwe kazerne aan de Brakenburgstraat rijdt de Otto, getrokken door het paard van Klaas Bos en geflankeerd door een erebegeleiding van zonen van spuitgasten, trots met zijn prachtige kleuren en glimmend koper voorop in de stoet. Daarna volgen de bellenwagen met de Harlandspuit en daarna de nieuwste aankoop, de Austin-truck met spuit. Men heeft het geluk dat het een prachti¬≠ge zonnige dag is, zodat vele belangstellenden de feestelijkheden meemaken. De opening wordt door burgemeester Smeets verricht door het hijsen van de vlag. Tot de geschenken behoren onder andere een door schilder- en brandweerman Wijnand Tromp geschonken glas in lood raam, voorstellende ‘De Rode Haan’ en een door de echtgenotes van de brandweerlieden geborduurde fraaie vlag. De burgemeester overhandigt de uit 1879 stammende brandweerstaf, die geruime tijd de burgemeesterskamer had gesierd.

Het vrijwillige brandweerkorps van Castricum op het kazerneterrein.
Het vrijwillige brandweerkorps van Castricum op het kazerneterrein. Van links naar rechts:: Piet van Maarleveld, ?, ?, ?, ?, ?, ?, ?, Gerrit Ronk, Cees de Groot (zoon van Dorus), Tinus Hopman, Libert Eggers (van De Rustende Jager), Gerard Hemmer, Antoon de Rooij, Piet Tromp (zoon van Wijnand Tromp). Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Donkere wolken

Door onduidelijke oorzaak ontstaat er in de jaren na 1955 verwij¬≠dering tussen commandant Beyersbergen en zijn mensen. De sfeer in het korps wordt gespannen en bereikt in de jaarvergadering van de personeelsvereniging van februari 1958 een tragisch diepte¬≠ punt, als over en weer verwijten worden gemaakt. Enige leden denken er zelfs over om op te stappen, maar dankzij aansporingen van collega’s blijft men toch bijeen. Tot opluchting van een aantal brandweerlieden kondigt de commandant zijn vertrek aan, als hij elders een baan aanvaardt. Met ingang van 1 januari 1959 wordt hem eervol ontslag verleend. Het gemeentebestuur begrijpt dat het korps een stem moet hebben in de benoeming van zijn opvolger en men krijgt daarom toestemming om een voordracht te doen. Unaniem wordt Piet van Maarleveld voorgedragen en Gerrit Ronk als ondercommandant. De nieuwe commandant ontdekt dat er zon¬≠der medeweten van het korps ondertussen een bestelling voor een nieuwe trekker-manschappenwagen is geplaatst. De door Metz in Alkmaar te leveren Chevrolet is dan al bijna gereed. Door snel te reageren kunnen nog enige aanpassingen gerealiseerd worden. Het blijkt een brandweerwagen te zijn, waaraan men niet veel plezier beleeft. Door de uitbreiding met deze wagen is er weer een aanpassing van de personeelssterkte noodzakelijk. Het aantal wordt op twintig man gebracht. Van Maarleveld wordt ervaren als een goede commandant en een humaan mens. Na een ernstige ziekte overlijdt hij op 1 oktober 1964; op 5 oktober wordt hij door zijn mannen met korpseer begraven.

De zestiger jaren

Zijn waarnemer Gerrit Ronk wordt op voorstel van de leden per 1 januari 1965 tot de nieuwe commandant benoemd en Tinus Hopman tot ondercommandant. Vanwege zijn leeftijd krijgt Ronk op 16 maart 1967 eervol ontslag en wordt Hopman zijn opvolger. Ondercommandant wordt dan P. Borst. In 1965 wordt de brand­ weerkazerne in verband met nieuw materieel vergroot. De brand­weer zelf voert daarvan een deel vanwege de hoge kosten in eigen beheer uit. Onder leiding van brandweerman Bedeke wordt met enige mannen de centrale verwarming aangepast. Die verwarming is in 1960 aangelegd ter vervanging van een te grote stinkende oliekachel, die de vergaderingen verziekte.

De brandweerploeg van Duin en Bosch poserend voor de ladderwagen.
De brandweerploeg van Duin en Bosch poserend voor de ladderwagen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Nieuwe ontwikkelingen

Brandpreventie begint al bij de voorbereiding van bouwplannen, beseft Van Maarleveld. Hij stapt hiermee naar de gemeentelijke bouwkundige dienst, waar hij wat argwanend wordt aangehoord. Door geduldig doorzetten worden de weerstanden goeddeels over¬≠ wonnen. Ronk schrijft in 1964 over ‘het tere plantje dat eerst wor¬≠tel moet schieten’. Bij Hopman‚Äôs benoeming tot commandant blijkt dit plantje tot een aardig boompje te zijn uitgegroeid.
Het psychiatrisch ziekenhuis Duin en Bosch beschikt over een eigen bedrijfsbrandweer. Er is enige samenwerking, maar in 1957 dringt de districtsinspecteur Fehres aan op een nauwere samen¬≠werking. In een bespreking in 1959 ten gemeentehuize tussen Fehres, Van Maarleveld en Kaper, hoofd van de bouwkundige dienst van Duin en Bosch, blijkt een dergelijk verschil van mening over het beleid, dat men onverrichter zake huiswaarts keert. Maar het rapport van de districtsinspectie naar het gemeentebestuur en de directie van het ziekenhuis leidt toch tot gezamenlijke oefenin¬≠gen van de beide brandweerkorpsen. Onder Ronk worden de con¬≠tacten gaandeweg beter en er worden veelvuldiger oefeningen gehouden. Tot de oefeningen behoren ook ori√ęntatieritten over het (doolhof-)terrein van Duin en Bosch. Het terrein was toentertijd nog niet van richtingborden voorzien. In het kader van de regiona¬≠le samenwerking wordt in oktober 1965 een grote oefening gehou¬≠den met de korpsen van Castricum, Limmen en Heemskerk; ook Duin en Bosch is hierbij aanwezig.
Cursussen zijn lange tijd een onbekend fenomeen bij de brandweer. Men wordt geacht om kennis van de apparatuur onder de knie te krij­gen door middel van een korte instructie, veelal door de commandant.

Van links naar rechts vader Piet Hes, Kees Hes, Bart Wakke, Jan van de Reep en Jos Hes.
Van links naar rechts vader Piet Hes, Kees Hes, Bart Wakke, Jan van de Reep en Jos Hes. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Branden

In november 1959 vat de boerderij van P. Hes aan de Hoogeweg in Bakkum-Noord vlam. Om 6 uur in de ochtend wordt er alarm geslagen. Er hangt een dichte mist, het zicht is vijf meter en zo voorzichtig mogelijk rijdend bereikt men te laat de boerderij. Pas in de directe nabijheid kan men de felle brandhaard zien. De belendende percelen zijn niet zichtbaar. Hes weet met zoon Kees en dochter Alie, zijn vrouw en kinderen uit de vuurzee te redden. Ook het vee heeft men inmiddels in veiligheid gebracht. Door de reddingsactie heeft zoon Kees zware brandwonden aan gezicht en handen opgelopen; hij moet naar het ziekenhuis vervoerd worden.


Jaarboek 18, pagina 14

In april 1961 wordt de hulp ingeroepen voor een brand in de preekstoel van de Nederlands hervormde kerk. De kerk blijft behouden, maar de waardevolle kansel gaat verloren.

Een gevaarlijke brand op 10 augustus 1965, die een grote consternatie op de camping Bakkum.
Een gevaarlijke brand op 10 augustus 1965, die een grote consternatie op de camping Bakkum.

In augustus 1965 breekt op het kampeerterrein Bakkum een gevaarlijke brand uit in een winkel met petroleum- en butagasvoorraad. Spoedig vliegen de butagasflessen als projectielen de lucht in. Er komen enkele ook op een rieten dak van een loods terecht, die ook vlam vat. Gelukkig zijn de meeste kampeergasten op dat moment vanwege het mooie weer op het strand, zodat zich geen persoonlijke ongelukken voordoen. Deze brand op het PWN-terrein ontlokte commandant Ronk de opmerking, dat brandweer­ lieden eerst een duinkaart moeten kopen om op het PWN-terrein een brand te kunnen blussen; sindsdien krijgt elke brandweerman van PWN een jaarkaart voor toegang tot het duingebied.

In maart 1966 brandt de houtwarenfabriek van Eling geheel af.
In maart 1966 brandt de houtwarenfabriek van Eling geheel af.

In maart 1966 wordt de houtwarenfabriek van Eling aan de Stetweg een prooi der vlammen. Lak en droog hout zorgen ervoor dat de fabriek verloren gaat.

Op 13 december 1972 brak brand uit in de benedenverdieping van het woonhuis.
De boerderij werd omschreven als: ‘ Het woonhuis met veestalling, hooi berging en verdere aanhorigheden met ondergrond, erf en tuin, gelegen aan de 8reedeweg 45 te Castricum, Op 13 december 1972 brak¬†brand uit in de benedenverdieping van het woonhuis, waarbij de 74-jarige 8ets de¬†Wildt-Pronk om het leven kwam. Het inwendige van de gehele benedenverdieping was uitgebrand en de buitengevel van het woonhuis was zwart geblakerd. Na herstel van de woning, waarbij de gevels in wit stucwerk werden uitgevoerd, betrok zoon Piet de¬†Wildt¬†de woning. Breedeweg 45 in Castricum rond 1975. Toegevoegd.

In 1972 valt wel een slachtoffer te betreuren als op 22 december de woning van de familie De Wildt aan de Breedeweg door een felle binnen­brand wordt getroffen. De vrouw des huizes komt hierbij om het leven.

Het Chinese vrachtschip Wan Chun strandt op 13 november 1972 op de Castricumse kust.
Het Chinese vrachtschip Wan Chun strandt op 13 november 1972 op de Castricumse kust.

Een unicum is een heuse scheepsbrand als op 7 april 1977 assistentie moet worden verleend op het gestrande schip de Wan Chun. In deze perio­de zijn talloze branden geweest, maar het is ondoenlijk om die allemaal te noemen.

Appartementen gebouwen De Loet. Dokter de Jonghweg in Castricum, 1975.
Appartementen gebouwen ‘De Loet’. Dokter de Jonghweg in Castricum, 1975. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Veranderingen

In de jaren (negentien) zestig en zeventig worden in het dorp enige grootschalige gebouwen neergezet, waarmee de brandweer geen ervaring heeft. Het gaat om de flats aan de C.F. Smeetslaan en de Loet, Sans Souci en De Ambassadeur en het winkelcentrum Geesterduin. Oud-commandant Ronk wordt bereid gevonden om de preventiezaken voor en tijdens de bouw voor zijn rekening te nemen. Advies wordt verkregen van de brandweerinspectie en van de beroepsbrandweer van Haarlem.

De brandweerkazerne heeft een nieuw aanbouw gekregen die rechts aan de kant van de burgemeester Boreelstraat te zien is.
De brandweerkazerne heeft een nieuw aanbouw gekregen die rechts aan de kant van de burgemeester Boreelstraat te zien is. Foto Wick Natzijl. Toegevoegd.

Burgemeester Smeets is in 1968 met pensioen gegaan en opgevolgd door Van Boxtel. Hij vraagt Hopman in 1969 om een vijfjarenplan op te stellen. Het plan staat op 2 pagina’s en wordt aan gemeenteambtenaar J. Middelhoff, die onder andere belast is met brandweerzaken, overhandigd om daarvan een echt rapport te maken. Hij presteert het om de 2 pagina‚Äôs in een 41 pagina’s tellend rapport om te toveren. Het houdt een uitbreiding van het materieel, versterking van het korps en vergroting van de brandweerkazerne in. Het advies wordt in 1972 door de gemeenteraad overgenomen. In 1973 en 1974 worden twee Magyrus autospuiten afgeleverd. In 1974 komt er nieuwe alarmapparatuur. Smits Bouwbedrijf uit Beverwijk gaat voor 597.000 gulden de nieuwbouw van de brandweerka¬≠zerne maken. Voor de diverse installaties wordt nog eens 187.000 gulden uitgetrokken. Begin 1977 wordt het gebouw opgeleverd. De opening wordt vanwege ziekteverlof van burgemeester Van Boxtel verricht door locoburgemeester H. Wokke. Jaap Hartog wordt als beroepskracht in dienst genomen. Hij wordt speciaal belast met preventiezaken.
Na een dienstverband van 37 jaar neemt Tinus Hopman op 17 februari 1978 afscheid en wordt tot erelid van de brandweer benoemd. Ton Settels volgt hem op en Cees van der Laan wordt de ondercommandant. Het korps is inmiddels uitge­groeid tot 31 man, waarvan Hartog beroeps is.

Het korps uit 1971.
Het korps uit 1971. Onder van links naar rechts: R. Sprengers, A. Weda, J. Zijlstra, A. Burgmeijer, J. Brakenhoff, J. Weda, G. Bos, H. Twisk, G. Ronk junior, J. Beerse, commandant M. Hopman, C. de Groot, P. Nolet, A. Houtenbos, A. Settels, W. Noordover, G. Zonneveld en H. Hemmer. Boven van links naar rechts: C. van der Laan, G. Borst, P. Zomerdijk, H. Twisk, Th. van der Himst en H. Nuijens.

De laatste jaren

Settels is 22 jaar brandweerman geweest, waarvan vier jaar als commandant. Hij neemt afscheid op 12 juni 1982 en krijgt voor zijn verdienste de gouden eremedaille in de orde van Oranje Nassau. Gmelich Meyling is op 16 april 1978 burgemeester geworden. Als hij op 1 juni 1985 naar Den Helder vertrekt, neemt Wokke als locoburgemeester zijn plaats voor een halfjaar in. Sinds 16 januari 1986 is burgemeester Schouwenaar de nieuwe baas over de brandweer. Hartog is op 1 juni 1982 de eerste beroepscommandant in het korps geworden.


Jaarboek 18, pagina 15

Zwembad De Witte Brug staat in brand. Jacob Rensdorpstraat 1 in Castricum. Foto Oud-Castricum. Toegevoegd.

Over de laatste jaren is een aantal spectaculaire branden te mel­den, waarvan de verwoesting van het zwembad De Witte Brug in de nacht van 5 op 6 juli 1987 de meest aansprekende is en die de landelijke pers uitvoerig heeft gehaald. De pomp van de autospuit 638 is hierbij beschadigd, maar kan weer hersteld worden. Flinke klappers zijn ook de branden van de Agrarische school aan de Oranjelaan in 1981 en op 10 mei 1983 de filterfabriek Golden Super op een binnenterrein tussen de Mient en Geelvinckstraat. Het gebouw wordt niet herbouwd, want het bedrijf vertrekt naar Uitgeest.

Het korps met de burgemeester Aaltje Emmens-Knol in het midden aan de `brink in Castricum.
Het korps met de burgemeester Aaltje Emmens-Knol in het midden aan de `brink in Castricum. Staand en zittend voor al het aanwezige materieel.

Het jubileum van de Vrijwillige Brandweer

Op 11 februari 1995 heeft de Vrijwillige Brandweer van Castri¬≠cum op ludieke wijze haar 75-jarig bestaan gevierd. De offici√ęle receptie loopt uit in een ware happening met aftre¬≠dend ondercommandant Cees van der Laan als onbetwist middel¬≠punt van de feestvreugde. Hij wordt door burgemeester Schouwenaar na een geestige speech onderscheiden met de gou¬≠den eremedaille in de Orde van Oranje Nassau. Door commandant Hartog wordt hij tot erelid benoemd. Tijdens de receptie wordt een tableau aan het brandweerkorps aangeboden, waarop alle namen van de manschappen staan vermeld, die in de 75 jaar dienst hebben gedaan. Opvallend is, dat de lijst slechts 101 namen bevat, een overtuigend bewijs dat de brandweermannen hart voor de zaak hebben en zich met plezier voor de gemeenschap inzetten. Hoe de toekomst er uit zal zien, moeten we afwachten. Nieuwe ontwikkelingen staan voor de deur, waarop de organisatie van de brandweer een antwoord zal moeten vinden. De snel veranderende maatschappij eist een steeds verdergaande professionalisering van het korps. Het werkterrein heeft zich in de laatste decennia razendsnel uitgebreid, hetgeen kennis over een zeer breed terrein vergt. Mogelijk dat in de verre – of wie zal het zeggen – al nabije toekomst meer beroepskrachten moeten worden ingezet.

Brand in Villa Doornduijn in 1993.
Brand in Villa Doornduijn in 1993.

Een boeiende geschiedenis

Sinds de grote brand van 1795 is er veel gebeurd met de brand­weer. Aanvankelijk moet de gehele dorpsgemeenschap meewer­ken om met zeer beperkte middelen de branden te blussen.


Jaarboek 18, pagina 16

Het korps uit 1991.
Het korps uit 1991. Boven van links naar rechts: J. Grippeling, P. Krom, D. Hilbers, W. Johannes, H. de Nas, J. Brasser, W. Noordover, C. Kerssens, F. Wark, J. Theissling, C. Suurmond en P. Zomerdijk. Midden v.l.n.r.: W. van Bruggen, J. Kooijman, J. Brakenhoff, M. Duyn, R. Oudshoorn, G. Veldt Bzn, A. Bijman, H. Lind, N. van der Park, W. de Reus, J. Zijlstra, J. Beerse, H. Borst, G. Veldt Gzn, H. Houtenbos, H. Veldt, H. Langeveld, J. Weda en R. Struik. Onder van links naar rechts: H. Nuyens, A. Burgmeijer, P. Prinsen, A. Houtenbos, commandant ./. Hartog, burgemeester J. Schouwenaar, C. van der Laan, R. Sprengers en H. Hemmer.

Het gemeentebestuur stelt tot het begin van deze eeuw weinig midde¬≠len ter beschikking om behoorlijk blusmaterieel aan te schaffen. Pas met de komst van de Vrijwillige Brandweer treedt er wezenlij¬≠ke verandering in. De aansluiting door Castricum op het waterlei¬≠dingnet is voor de brandweer van grote betekenis geweest. Een kleine groep heeft zich jarenlang ingezet voor de veiligheid van de gemeenschap. Ondanks de inzet van de mannen heeft men eerst nog niet zo’n succes. Gelet op de gebrekkige middelen, die ter beschikking gesteld zijn, is dat niet zo verwonderlijk. Na de twee¬≠ de wereldoorlog heeft de brandweer zich spectaculair ontwikkeld. Door de komst van beter materieel heeft de brandweer grote suc¬≠cessen geboekt. Het korps heeft zich uitstekend aangepast aan de nieuwe tijd en is met de uitbreiding van het dorp meegegroeid. Het korps bestaat nu uit veertig manschappen met een goed uitgeruste brandweerkazerne en modern materieel.

Burgemeester Schouwenaar met leden van de plaatselijke brandweer. Afscheid van 4 vrijwilligers op 11-03-1998. Benoemd tot lid in Orde van Oranje Nassau.
Burgemeester Schouwenaar met leden van de plaatselijke brandweer. Afscheid van 4 vrijwilligers op 11-03-1998. Benoemd tot lid in Orde van Oranje Nassau.
Van links naar rechts: Henk Langeveld, Henk Hemmer, Burgemeester Schouwenaar, Jan Brakenhoff, Rinus Sprengers. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Er liggen tweehonderd jaar van brandweerhistorie achter ons, waarin de Castricumse Vrijwillige Brandweer een boeiend aandeel heeft gehad. Het dorp mag trots zijn op het vele dat haar brandweerkorps heeft bereikt. Dat is aan de inzet van de 101 vrijwillige enthousiaste brandweermannen te danken.

F. Baar
M. Hopman


Jaarboek 18, pagina 17

Verantwoording

De totstandkoming van deze geschiedenis is voornamelijk te dan­ken aan het vele archiefwerk, dat door oud-commandant Tinus Hopman is verricht. Zonder hem was dit artikel niet mogelijk geweest.

 Tinus Hopman, oud-commandant van de brandweer.
 Tinus Hopman (1919-2017), oud-commandant van de brandweer. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Gebruik is gemaakt van gegevens uit de archieven van de gemeente Castricum, van de Vrijwillige Brandweer Castricum en het Rijksarchief te Haarlem. Aanvullende informatie is verkregen uit Jaarboekjes van de Werkgroep Oud-Castricum. Daarnaast gegevens uit ‘De Historie van Castricum en Bakkum’ door D. van Deelen en uit het dagboek van J. de la Chambre, aanwezig in het museum ‘Kennemerland’ te Beverwijk. Informatie over de alge¬≠mene brandweerhistorie is gehaald uit ‘De geschiedenis van de brandweer in Nederland’, A.C. Broeshart, Rijswijk 1980.

Leden van de Vrijwillige Brandweer van Castricum 1920 -1995

Overzicht leden vrijwillige brandweer 1920-1995.
Overzicht leden vrijwillige brandweer 1920-1995.

Kruisverenigingen (Jaarboek 17 1994 pg 29-36)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.


Jaarboek 17, pagina 29

De Castricumse kruisverenigingen

Het Dr. Leenaershuis aan de Mient toen de uitleen post voor medische hulpmiddelen van de kruisvereniging.
Het dokter. Leenaershuis aan de Mient toen de uitleen post voor medische hulpmiddelen van de kruisvereniging. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

De oorsprong van het kruiswerk

Tot in de vorige eeuw was de verzorging van zieken grotendeels opgezet vanuit een religieuze beleving. Het waren nonnen van diverse rooms-katholieke orden en diaconessen, die deze taak voor hun rekening namen. Het was maatschappelijke hulp, die naast de verpleging ook huishoudelijke en financi√ęle hulp omvatte. In 1875 werd de hulp uit de religieuze hoek gehaald door de oprichting van de eerste Nederlandse kruisvereniging. Het was de inspecteur van de volksgezondheid in Noord-Holland dr. J. Penn, die het initiatief nam tot de oprichting van de vereniging Het Witte Kruis. Het voornaamste doel was de bestrijding van besmettelijke ziekten, als tyfus en malaria. In enkele plaatsen werden ontsmettingsdiensten opgezet met ontsmettingsovens. Door gebrek aan ziekenhuiscapaciteit was er dringend behoefte aan goede thuisverpleging, waarvoor ook verpleegartikelen nodig waren. Een bed kwam in menig huis niet voor: men sliep in de bedstee, waarin vaak meerdere personen een slaapplaats vonden. Van een koortsthermometer had menigeen nog nooit gehoord.

Bijeenkomst van de leden van de Naaikamer en het Wit-Gele Kruis, waarvan een aantal leden in klederdracht.
Bijeenkomst van de leden van de Naaikamer en het Wit-Gele Kruis, waarvan een aantal leden in klederdracht. Hier in de bewaarschool aan de Dorpsstraat 72 in Castricum, later in café Roozendaal. Deze bijeenkomst was ter gelegenheid van een Fancy Fair. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1916 volgde de eerste rooms-katholieke vereniging: het Wit-Gele Kruis. De protestants-christelijke vereniging werd pas in 1938 onder de naam Het Oranje-Groene Kruis opgericht. Het werk van de kruisverenigingen is van onschatbare waarde geweest voor de verbetering van de volksgezondheid. Naast de verpleging is en wordt veel gedaan aan preventie. Niet iedereen was overtuigd van het belang om zichzelf te wassen. Voorlichting leidde er toe dat men er zich langzamerhand bewust van werd, dat hygi√ęne belangrijk was voor zowel de eigen gezondheid als die van de medemens. Men heeft een lange strijd tegen onwetendheid, domheid, vooroordelen en conservatisme moeten voeren.

Het Witte Kruis

In Castricum wordt in 1908 een afdeling van de Noordhollandse Vereniging Het Witte Kruis opgericht. Een van de organisatoren is meester H.A. Nijsen geweest. Behalve een brief, die gericht is aan de gemeenteraad, tasten we over de beginjaren van Het Witte Kruis in het duister. De brief van 26 mei 1908 is ondertekend door secretaris Nijsen en bevat de aankondiging van de oprichting: “Bij dezen heb ik de eer U te berichten, dat op 10 mei jongstleden alhier is opgericht een afdeling ‘Castricum’ van de Noordhollandse Vereeniging ‘Het Witte Kruis’. Namens het Bestuur van genoemde vereniging richten wij tot U Edelachtbare Heren het beleefd verzoek onze bestuursvergaderingen in een lokaal van het Gemeentehuis te mogen houden.”
Dat verzoek wordt gehonoreerd, gelet op het bedankbriefje van 14 juli. Op 15 september wordt een vergadering in de raadszaal aangekondigd, waarbij melding wordt gemaakt van de Koninklijke goedkeuring op 27 juli 1908 Staatsblad 262.

Ontsmettingsdienst

Een van de taken van het Witte Kruis was het ontsmetten van kleding en huizen in geval van besmettelijke ziekten, zo blijkt uit nota’s, die de Ontsmettingsdienst bij de gemeente indient. Deze nota’s komen echter van Het Witte Kruis Alkmaar, dat kennelijk op deze taak is ingesteld. Wat de rol van de Castricumse afdeling hierin is, wordt niet duidelijk gemaakt. In de ‘Staat van uitgaven en baten’ van de gemeente komen regelmatig uitgaven met betrekking tot ontsmetting voor. In 1924 wordt bijvoorbeeld melding gemaakt van 11 gevallen van roodvonk en 2 van difteritis.

Wijkverpleging

Uit een financieel overzicht van 1916 van het Witte Kruis blijkt dat er nog niet veel om gaat en wordt de vereniging door de gemeente bescheiden gesubsidieerd. Slechts een bedrag van 72,55 gulden wordt door het gemeentebestuur geschonken, terwijl aan contributies het bepaald niet schokkende bedrag van 290 gulden wordt ontvangen. Hoeveel leden er zijn, is niet vermeld. Uitgaven worden gedaan voor ziekenverpleging 31,80, verplegingsartikelen 97,70 en voor tuberculosebestrijding 21,15 gulden. Het overzicht wordt meegestuurd bij een verzoek aan de gemeente om een subsidie van 200 gulden voor de invoering van een afdeling wijkverpleging. In de brief wordt nog vermeld, dat ook een bijdrage aan Duin en Bosch is gevraagd. Het doet wat merkwaardig aan, dat ook een dergelijk verzoek is uitgegaan naar de gemeente Limmen en de zustervereniging in Limmen. Een mogelijke en voor de hand liggende verklaring zou zijn, dat voor gezamenlijke rekening een wijkverpleegster in dienst genomen kon worden. In de ‘memorie van toelichting’ die wordt meegezonden, wordt er op gewezen, dat er ziekenverpleging in de steden bestaat door de aanwezigheid van ziekenhuizen en dat in vele dorpen in Noord-Holland al wijkverpleging bestaat. Op 15 april 1916 wordt het verzoek in de gemeenteraad behandeld. Men heeft vooral financi√ęle bezwaren en raadslid Kuijs “ziet niet veel heil in zo’n verpleegster voor zieken”. Men weet er niet zo raad mee en gaat eens in Limmen te rade. Ook burgemeester Mooij is nogal gekant tegen een subsidie voor de wijkverpleging van het Witte Kruis. Noch op 26 juli, noch op 14 september 1916 kan men tot een besluit komen.

Zuster J.M.P. Boelrijk, wijkverpleegster bij het Wit-Gele Kruis van 1928 tot 1946. Bij haar afscheid wordt zij door het 'Nieuwsblad voor Castricum· gekenschets als een "kwiek figuur met heldere scherpe ogen die met haar opgewekt stemgeluid mensen aanmoedigt". Na haar pensionering is zij bij haar broer in Delft gaan wonen.
Zuster J.M.P. Boelrijk, wijkverpleegster bij het Wit-Gele Kruis van 1928 tot 1946. Bij haar afscheid wordt zij door het ‘Nieuwsblad voor Castricum’ gekenschetst als een “kwiek figuur met heldere scherpe ogen die met haar opgewekt stemgeluid mensen aanmoedigt”. Na haar pensionering is zij bij haar broer in Delft gaan wonen.

Het Wit-Gele Kruis

Heeft die besluiteloosheid mogelijk iets te maken met de verwachte oprichting van een rooms-katholieke kruisvereniging in ons dorp? Deze wordt namelijk enkele jaren later opgericht in het overwegend katholieke Castricum. De stichtingsdatum is 8 december 1920. Uit een financieel overzicht van 1924 blijkt het bestaan van een wijkverpleegster. Het is zuster C. Zomerdijk, die een jaarsalaris van 1.900 gulden krijgt. De vereniging wordt officieel aangeduid met ‘rooms-katholieke wijkverpleging het Wit-Gele Kruis’. Wie de oprichters zijn, wordt niet vermeld. Maar uit een aantekening in het archief van de Pancratius-parochie blijkt, dat het kerkbestuur onder pastoor Engering promotor is geweest. Bepaald spontaan is de oprichting niet gegaan, want in 1913 komt de wijkverpleging al ter sprake. In de sporadische stukken, die van de beginjaren bekend zijn, wordt in 1928 melding gemaakt van twee namen van wijkzusters: W.J. Gerritsen en J. Boelrijk. Op een aantekening van 193 1 komt de naam van zuster C. Boots voor en in 1932 die van J. Wagenaar. Kort na de oprichting verzoekt het bestuur van het Wit-Gele Kruis om de benoeming van een schoolarts in de gemeente. De brief van 20 september 1921 wordt pas op 25 april 1922 beantwoord. Het negatieve antwoord is bijna voor-


Jaarboek 17, pagina 30

spelbaar: “Geen geld”. Een andere argumentatie is er niet.

Samenwerking

Zoals gemeld, wordt eerst het neutrale Witte Kruis in het rooms-katholieke dorp opgericht. Niet duidelijk is in hoeverre leden na de oprichting van het Wit-Gele Kruis zijn overgestapt. Het was een principi√ęle keuze die door de kerk nadrukkelijk werd gepropageerd. De vereniging werft leden met het motto “ieder huis lid van het Wit-Gele Kruis”. Het was de dorpelingen zelf kennelijk niet helemaal duidelijk van welke vereniging men lid was, gelet op een aantekening in het verslag van de ledenvergadering van 1 maart 1935: “De zusters is het niet altijd duidelijk wie van welke kruisvereniging is.”¬†Samenwerking tussen de twee kruisverenigingen heeft vanaf het begin bestaan. In de verslagen van de bestuursvergaderingen wordt regelmatig gesproken van een ‘goede samenwerking’. Die bestaat met name uit de verstrekking van verplegingsartikelen, op het gebied van de verpleging en uit het werk op het consultatiebureau voor zuigelingen door uitwisseling van de wijkverpleegsters. In 1935 wordt nog nadrukkelijk de samenwerking op het gebied van de TBC-bestrijding genoemd. Uit de verslagen blijkt echter ook dat de verstandhouding niet altijd optimaal is geweest. Met name rond de stichting van het wijkgebouw heeft men redelijk scherp tegenover elkaar gestaan. Maar daarover verder in dit artikel.

Het 'Kruisgebouwtje' aan de Burgemeester Mooijstraat 14, waar tot 1959 het uitleenmagazijn was gevestigd.
Het ‘Kruisgebouwtje’ aan de Burgemeester Mooijstraat 14, waar tot 1959 het uitleenmagazijn was gevestigd. Kees Stuifbergen, die naast het magazijn een sigarenwinkeltje had was aanvankelijk de beheerder. In de oorlogsjaren was mej. Nies Veenstra magazijnbediende. In het onverwarmde gebouwtje was het geen pretje om in de winter dienst te hebben. Klompen of laarzen, dikke sokken en enige lagen kleding waren nodig om niet te bevriezen.

Het Kruisgebouwtje

De opslag en uitleen van verplegingsartikelen is – tot de bouw van het Leenaershuis – gevestigd in een magazijn aan de Burgemeester Mooijstraat 14. In de volksmond wordt het aangeduid als het ‘kruisgebouwtje’. Het magazijn is eigendom van en wordt beheerd door het Witte Kruis. De exploitatie is in handen van de beide verenigingen. De oudstbekende beheerder van het Kruisgebouwtje is C. Stuifbergen, die in dezelfde straat een sigarenwinkeltje had.

Wanneer hij opgevolgd werd, is niet bekend, maar in ieder geval wordt in 1944 mejuffrouw Nies Veenstra genoemd. Zij wordt op 1 oktober 1959 na de opening van het Leenaershuis opgevolgd door mevrouw E.S. Veenstra-Pieterse. Opvallend is dat op de lijst 11 ‘ligtenten’ staan vermeld. Deze tenten zijn ingezet in de tuberculosebestrijding, waarover later meer. Na de opening van het nieuwe kruisgebouw in 1959 is het pand aan de Burgemeester Mooijstraat overbodig geworden en worden in een advertentie in het Nieuwsblad voor Castricum gegadigden voor overname gezocht. Velen melden zich, waaronder de gemeente Castricum en de VVV. In het algemeen heeft men de bedoeling om het gebouwtje na herinrichting geschikt te maken voor hergebruik. Ook aannemer Biesterbos heeft zijn oog laten vallen op het pand, maar meer vanwege de locatie. Zijn bod is verreweg het hoogst en voor 6.000 gulden wordt het op 17 maart 1961 zijn eigendom. Helaas wordt het karakteristieke pandje gesloopt en vervangen door niet zo fraaie nieuwbouw.

De oorlogsjaren

De bezetter laat in de tweede wereldoorlog een groot deel van het dorp slopen en gelast veel Castricummers om het dorp te verlaten.


Jaarboek 17, pagina 31

Ook enige bestuursleden van Het Witte Kruis moeten evacueren. Voorzitter N.D. de Haan vertrekt naar Zaandijk; medisch adviseur dokter H.J. van Nievelt woont in Limmen. Secretaris-penningmeester H.A. Nijsen neemt na 35 jaar afscheid van het bestuur. Zijn plaats wordt ingenomen door N. Blokdijk, die in Castricum mag blijven wonen. De nog aanwezige bestuursleden krijgen alle volmachten in afwachting van betere tijden. Tot na de bevrijding in 1945 worden geen vergaderingen meer gehouden. Als gevolg van het vertrek van de meeste leden wordt magazijnbediende Nies Veenstra op 1 januari 1944 – tijdelijk – ontslagen. Het ledental is ondertussen van 500 tot 96 teruggelopen.

Zuster A.A. Steilberg, wijkverpleegster hij het Witte Kruis van 1942 tot 1946.
Zuster A.A. Steilberg, wijkverpleegster hij het Witte Kruis van 1942 tot 1946. Zij was aanvankelijk onderwijzeres, maar had meer belangstelling voor de gezondheidszorg. Werd kort na het behalen van haar diploma wijkverpleging in Castricum aangenomen, waar weinig pati√ęnten waren. Werd daarom ook naar Limmen uitgezonden. Haalde haar diploma als ‘heilgymnast en masseur’. Vestigde zich als fysiotherapeut in Castricum in 1946.

Er is een tekort aan alles, zo ook aan verplegingsartikelen en medicijnen. Een extra handicap is nog dat enige artikelen in de haast van de evacuatie door leden naar elders zijn meegenomen. In 1942 wordt zuster A.A. Steilberg bij het Witte Kruis als wijkverpleegster in dienst genomen. Er is dan weinig werk voor haar, reden om haar naar plaatsen te sturen, waar ge√ęvacueerde Castricummers verblijven om meegenomen verplegingsartikelen terug te halen en de contributie te innen. Op de fiets heeft zij honderden kilometers afgelegd naar plaatsen in de Zaanstreek en rondom Castricum met op de terugweg een steek en andere artikelen achterop. Voor haar werk kwam zij ook in Alkmaar, waar haar fiets werd gestolen. Om thuis te komen kreeg zij van iemand een herenfiets zonder banden te leen. Toen zij de volgende dag bij een pati√ęnte op haar bandenloze fiets met het nodige lawaai op bezoek kwam, kreeg zij van haar pati√ęnte een fiets met ‘antiplof’ banden cadeau.

Jaren van schaarste

Na het verdwijnen van de gehate bezetter keert de bevolking weer snel naar het dorp terug. Het ledenbestand van Het Witte Kruis telt begin 1945 al weer 273 en een jaar later 550 leden. Zuster A.A. Steilberg neemt afscheid, omdat zij zich als fysiotherapeute vestigt. Bij het Wit-Gele Kruis gaat zuster J.M.P. Boelrijk na 18 jaar wijkverpleging met pensioen. Er wordt van alles geprobeerd om het tekort aan verplegingsartikelen te lenigen. Men grijpt alles aan om aan de nodige goederen te komen. Als de burgemeester vraagt of men oorlogsschade heeft geleden, moet men dat goeddeels ontkennen. Slechts de verdwijning van verplegingsartikelen tijdens de oorlogsjaren met een waarde van 150 gulden wordt gemeld. Wel vraagt men aan de gemeente om teruggave van een bed, dat aan de dienst luchtbescherming was uitgeleend en op de zolder van het voormalige Armenhuis aan de Overtoom staat. Daarnaast is het bestuur ‘ter ore gekomen’ dat er bruikbare goederen op diezelfde zolder liggen, die de kruisvereniging goed kan gebruiken.

Voormalig Armenhuis aan de Overtoom 14 in Castricum.
Voormalig Armenhuis aan de Overtoom 14 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In die tijd van schaarste worden zo af en toe goederen mondjesmaat ter beschikking gesteld door met name de overheid. In de herfst van 1945 weet het Noordhollandse Wit-Gele Kruis beslag te leggen op levensmiddelenpakketten voor een heel kwetsbare groep de 1- en 2-jarigen. Prompt worden ze naar de plaatselijke afdelingen vervoerd, waar de zusters de pakketten onder de meest behoeftige gezinnen uitdelen. In 1946 worden er ‘wat’ babypakketten, en 3 dekens, 18 lakens en slopen en enige warmwaterzakken toegewezen. Fietsbanden zijn ook een zeer schaars artikel, maar voor de wijkverpleegsters in ons uitgestrekte dorp van groot belang. De geneeskundige inspectie weet op een partijtje beslag te leggen, dat prompt aan de kruisverenigingen wordt aangeboden. Aandoenlijk is het aanbod van een Zuid-Afrikaans handelshuis dat ter bestrijding van schurft zeep ter beschikking stelt.

Het bestuur van het Wit-Gele Kruis

Als bestuursleden van de katholieke kruisvereniging worden in 1934 genoemd C.P. Spaansen als voorzitter, M. Marcker als secretaris en Sprengers als penningmeester. Na afloop van de tweede wereldoorlog treedt het bestuur en bloc af. Als voorzitter treedt aan de heer Dingerdis; de heren J. Mul en C. Borst worden respectieve!ijk secretaris en penningmeester. In 195 1 doet zich een merkwaardige zaak voor. Voorzitter Dingerdis moet om gezondheidsredenen plotseling aftreden. Voor 28 maart 195 1 wordt een vergadering ingelast om een nieuw bestuur te formeren, waarvoor zich ook een kandidaat heeft gemeld. Aan het begin van de vergadering blijkt de persoon niet aanwezig. Na enig wachten, wordt hij staande de vergadering gebeld. De dochter neemt het telefoontje aan en deelt mee dat vader niet thuis en ziek is. “En u moet er maar niet op rekenen dat hij voorzitter wordt.”

In 1937 was de EHBO post nog een simpele cabine. De dames zijn van links naar rechts Cies Steeman (trouwde later met Piet Vlaarkamp), Stien Stet, en To Juffermans.
In 1937 was de EHBO post nog een simpele cabine. De dames zijn van links naar rechts Cies Steeman (trouwde later met Piet Vlaarkamp), Stien Stet, en To Juffermans.

Het hevig in verlegenheid gebracht bestuur besluit bij gebrek aan een andere kandidaat hem toch maar te benoemen. Hoe dat verder is verlopen, wordt helaas niet vermeld, maar in 1953 blijkt het bestuur te bestaan uit voorzitter M.N.J. van der Meij, secretaris C. (To) Juffermans en penningmeester A.H.J. van Amsterdam. Men heeft weinig geluk met de bezetting van de voorzitterspost. Ook Van der Meij moet om gezondheidsredenen in 1956 aftreden. Hij krijgt met het oog op zijn gezondheidstoestand een ietwat merkwaardig afscheidscadeau: een kist sigaren! J. Mul neemt zo lang als vicevoorzitter de zaken waar. Dat zal zo jarenlang blijven, want in diezelfde functie treedt hij pas in 1960 af, waarbij hij tot erelid wordt benoemd. Hij zal de vereniging door de moeilijke periode rond de stichting van een nieuw kruisgebouw moeten loodsen. Onder zijn leiding zal het zo vurig gewenste Leenaershuis worden gesticht. Zijn opvolger Dirk Berlee komt binnen een jaar na zijn aantreden plotseling te overlijden.


Jaarboek 17, pagina 32

Jubileum van meester Nijsen in de Duinrandschool.
Jubileum van meester Nijsen in de Duinrandschool, van Oldenbarneveldweg 37 te Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het bestuur van Het Witte Kruis

De eerste vermelding van een bestuurslid komt voor in de brief van 1908 met betrekking tot de oprichting van het Witte Kruis. Het is secretaris H.A. Nijsen, die schoolhoofd is van de tweede openbare lagere school aan de Van Oldenbarneveltweg te Bakkum. Deze school kreeg later meer bekendheid als ‘de school met den bijbel’. In 1945 wordt een voorlopig bestuur gekozen bestaande uit: voorzitter N. Blokdijk, secretaris-penningmeester J. Joosse, G. Ronk, G.W. Verhoeven, N. de Jonge en de dames G. Hogenstijn-van Maarleveld en G. Jacobs-Wentink. In 1949 neemt Joosse het roer van de vereniging over en zal meer dan 30 jaar voorzitter blijven. De vereniging wordt opgedeeld in 2 afdelingen. De heer S. Kramer wordt secretaris/penningmeester van de afdeling Uitlening, Wijkverpleging en TBC-bestrijding. G.J. Schutter heeft diezelfde functie voor de afdeling Gezinsverzorging. De dames G. Schutter-Verpoorten en J. Joosse-Hellinga hebben veel bijgedragen tot de stichting van de afdeling Gezinsverzorging, waarvan mevrouw T. Offenberg-Podevin de leidster wordt.

Het bestuur heeft niet alleen de taak om de vereniging te leiden, maar stopt veel tijd in de omvangrijke administratie. Die bevat naast de ledenadministratie en de inning van de contributies van duizenden leden, ook de uitleenadministratie. De in de loop der jaren steeds groter wordende personeels- en salarisadministratie wordt jarenlang door deze functionarissen onbezoldigd bijgehouden. De boeken worden in 1958 tijdens een bezoek van de provinciaal penningmeester van het Witte Kruis ten huize van Kramer en Schutter gecontroleerd. Beiden wordt in een brief lof toegezwaaid voor de goede wijze waarop zij hun werk belangeloos hebben verricht in het belang van de gezondheidszorg van de Castricumse bevolking. In 1958 dreigt de gemeentesubsidie als gevolg van een gering overschot te worden gekort. Pas dan neemt men het besluit om tot vergoeding van de administratieve werkzaamheden over te gaan. Schutter doet kennelijk het meeste werk, een bedrag van 240 gulden per jaar vindt hij genoeg. In de zeven jaar dat hij het doet, is het werk meer dan verdubbeld. Als op 16 november 1983 het 75-jarig bestaan van het kruiswerk in Castricum wordt gevierd, krijgen Job Joosse en Ger Schutter voor hun grote verdienste van burgemeester Gmelich-Meijling de medaille van verdienste opgespeld. Zij hebben dan meer dan 30 jaar hun beste krachten aan de Castricumse gemeenschap gegeven.

Zuster C. Boots, wijkverpleegster bij het Wit-Gele Kruis van 1931 tot 1966.
Zuster C. Boots, wijkverpleegster bij het Wit-Gele Kruis van 1931 tot 1966. Tot haar pensioen heeft zij haar werk aanvankelijk in Akersloot, daarna in Limmen en Castricum op de fiets gedaan.

Financi√ęn

Het inkomen van de kruisverenigingen komt aanvankelijk grotendeels van contributies van de leden, aangevuld met wat subsidies. Tot de vijftiger jaren wordt het kruiswerk deels nog gezien als een vorm van liefdadigheid. Dit blijkt uit het feit dat het inkomen af en toe wordt aangevuld met de opbrengsten van fancy fairs, collecten en dergelijke. Door de financi√ęle crisis dreigt Het Witte Kruis in 1949 met haar activiteiten in de gezinsverzorging te stoppen. Door persoonlijk ingrijpen van burgemeester Smeets wordt dat voorkomen. Het gemeentebestuur zegt financi√ęle steun toe. In de vijftiger jaren zijn de financi√ęle zorgen zo groot, dat Het Witte Kruis besluit tot een actie onder bedrijven en instellingen om fondsen te verwerven. Er gaan in 1955 brieven uit naar Duin en Bosch, PWN en de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. In de brieven wordt er melding van gemaakt, dat met de PTT, de Hoogovens en de Koninklijke Marine al overeenkomsten zijn afgesloten.
De provincie Noord-Holland wijst het verzoek af; wat het antwoord van de anderen is, wordt niet vermeld. Als argumenten voor de verzoeken worden genoemd, dat de gezinsverzorgsters geen rijwielvergoeding en ook geen vakantiegeld krijgen, wat ze rechtens toekomt. Een financieel overzicht uit 1954 van het Witte Kruis vermeldt een bedrag aan salariskosten van 5.600 gulden. In 1973 is dat gestegen tot 305.000 gulden en staan er 50 personen op de personeelslijst.

De aanvankelijk kleine vereniging is uitgegroeid tot een middelgrote onderneming. De overheid komt in de jaren (negentien) zestig gelukkig met een goede regeling, waardoor het kruiswerk uit de hoek van de liefdadigheid wordt gehaald en aan de financi√ęle zorgen goeddeels een einde komt. Voor 213 wordt het werk van de kruisverenigingen voortaan vergoed door rijks- en gemeentelijke subsidies. Het restant moet door de leden opgebracht worden. De contributies van de duizenden leden worden tot in de zestiger jaren nog steeds huis aan huis opgehaald. Voor het Wit-Gele Kruis is in de vijftiger jaren mejuffrouw Van Amsterdam ingeschakeld om de contributies te innen. Zij krijgt er een kleine vergoeding voor. Voor elk nieuw lid, dat zij ronselt, krijgt ze een gulden. Langzamerhand ziet men in dat het ophalen van geld aan huis te tijdrovend en te kostbaar is. Nog in 1969 wordt gesproken over het probleem van de contributie-inning ‘in het veraf gelegen Molendijk’. Kort daarna verdwijnt de geldloper uit het dorpsbeeld en gaat men over op een geautomatiseerde administratie en contributie inning. Men veronderstelt, dat men daarvan de primeur voor Castricum heeft. Daarom laat men in 1970 een artikeltje in het Nieuwsblad voor Castricum opnemen, waarin dat trots wordt vermeld. De verpleegster die de gezinnen goed kent, wordt regelmatig in probleemgevallen om advies gevraagd. Als een gezin de contributie niet kan opbrengen, wordt een aangepast tarief gerekend ‘volgens de beoordeling van de kraamverpleegster’. ‘Dreestrekkers’ (red: mensen met AOW uitkering) krijgen ook contributievermindering.

TBC-bestrijding

Tot 1960 heeft Nederland te maken gehad met tuberculose-epidemie√ęn. De kruisverenigingen hebben een belangrijke rol gespeeld in de strijd tegen de volksziekte nummer 1, zowel in de preventieve als in de verzorgende sfeer. Vele door de ziekte getroffen Castricummers worden veelal voor enige maanden in ziekenhuizen en sanatoria opgenomen. Volstrekte rust is de remedie om van de gevreesde ziekte te genezen. Namen van sanatoria zullen voor vele Castricummers een bekende klank hebben. In Berg en Bosch in Bilthoven, Dekkerswald in Groesbeek, Maria-oord in Rosmalen en Erica in Nunspeet hebben tientallen dorpsgenoten enige tijd doorgebracht. Aan de opnamen hebben de kruisverenigingen veel werk gehad.

Men is in coördinerende en administratieve zin ingeschakeld in de grote landelijke campagne om de vreselijke ziekte voor-


Jaarboek 17, pagina 33

goed de baas te worden. Ter bestrijding van de kosten worden door rijk en gemeente extra subsidies verstrekt. Daarnaast zijn er ook inzamelingsacties en worden collecten gehouden. Zo is er ook een schenking van 150 gulden van de dameskrans Dorcas.

Hotel-café Borst aan de Van Oldenbarneveldweg 25 in Bakkum.
Hotel-café Borst aan de Van Oldenbarneveldweg 25 in Bakkum (1989). Collectie Oud-Casticum. Toegevoegd.

In 1947 treedt ‘Het Zaansch Muziek- en Cabaretgezelschap’ belangeloos in Hotel Borst op. De opbrengst valt na aftrek van de kosten echter wat tegen. Reden voor het gemeentebestuur om eens te informeren naar de onkostennota van het gezelschap. Door de landelijke Emmabloem-collecte worden huis aan huis- en straatcollecten gehouden. Tijdens de ledenvergadering van Het Wit-Gele Kruis van 16 november 1948 wordt de in het kader van de campagne gemaakte film over de TBC-bestrijding vertoond. “Het was jammer”, schrijft de secretaris “dat niet meer helangstellenden aanwezig waren. want het was een lust om te zien”. Een merkwaardige uitspraak. Ook thuis worden pati√ęnten verpleegd, waarvoor de kruisverenigingen de beschikking hebben over ligtenten.

Voormalig TBC paviljoen De Wisk, afgebroken in 2011. Duin en Bosch, Oude Parklaan in 1950.
Voormalig TBC paviljoen De Wisk, afgebroken in 2011. Duin en Bosch, Oude Parklaan in 1950. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In die tijd was het een bekend verschijnsel als op het erf van een woning een dergelijk bouwsel stond opgesteld. Een houten huisje met een schuin dak met aan de voorzijde openslaande deuren voorzien van veel glas. De pati√ęnten werden in volstrekte bedrust zoveel mogelijk bloot gesteld aan de – toen nog – frisse buitenlucht. De piek van de epidemie ligt in het jaar 1953. De kruisverenigingen melden in dat jaar de meeste verpleegdagen. Een van de grootste gezondheidscampagnes die ons land heeft gekend, is een overweldigend succes geworden. In 1957 wordt met terechte trots vermeld dal er geen enkele verpleegdag meer aan de tuberculose besteed is. Het kruiswerk heeft een niet te onderschatten rol gespeeld in dit succes.

In oktober l938 werd het gebouw De Kern geopend.
In oktober l938 werd het gebouw De Kern geopend. Overtoom 15 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De huisvesting

Het consultatiebureau is jarenlang ondergebracht geweest in hel jeugdhuis De Kern aan de Overtoom. Het magazijn was gevestigd in het ‘kruisgebouwtje’ aan de Burgemeester Mooijstraat. In de zomermaanden van de jaren (negentien) vijftig wordt De Kern als jeugdherberg gebruikt en moeten de kruisverenigingen naar elders uitwijken. Een onderkomen wordt dan gevonden in het veilinggebouw achter het station, daar waar nu (red: 1994) Dijkman Kaas is gevestigd. Deze situatie is verre van ideaal en het Wit-Gele Kruis neemt in 1948 het initiatief tot de stichting van een kruisgebouw. Al vanaf het prille begin wordt er rekening mee gehouden dat het gebouw ook door het Witte Kruis gebruikt zou moeten worden. Vooral het financi√ęle aspect is de drijfveer geweest. Weliswaar wordt in de jaarverslagen over en weer gesproken over ‘goede’ en ‘bevredigende’ samenwerking, maar tussen de regels door kan de lezer een zeker wantrouwen niet ontgaan. Zo vindt op 5 juni 1952 een vergadering van de beide besturen plaats. Doel van het overleg is ‘om verschillen van inzicht op te helderen’. Er blijken problemen te zijn met betrekking tol de uitleen van verplegingsartikelen en een onduidelijke overeenkomst over de kraamhulpverlening. Het gesprek is kennelijk toch niet zo bevredigend verlopen getuige een aantekening in het notulenboek van het Wit-Gele Kruis: “De samenwerking is ‘vrij goed’ , maar wel probleem met beheer magazijn” .

In het begin van de jaren (negentien) vijftig wil het Wit-Gele Kruis zich in de nog overwegend rooms-katholieke gemeenschap sterk profileren. Maar men weet ook dat zowel door de ontkerkelijking als de geplande uitbreiding van hel landelijke dorp de verhoudingen volstrekt anders zullen komen te liggen. Als er wordt gesproken over de stichting van een kruisgebouw, is de geestelijk adviseur steeds nadrukkelijk aanwezig. De derde partij in de besprekingen is de gemeente Castricum in de persoon van burgemeester Smeets. De financi√ęn vormen een groot struikelblok voor de zo vurig gewenste nieuwbouw. In 1951 komt de begroting uil op een bedrag van 70.000 gulden. Men schrikt daarvan zo hevig, dat men prompt besluit om het plan nog maar even in de ijskast te zetten. “Eerst het bouwfonds nog maar even opvoeren”, is de mening van het bestuur van hel Wit-Gele Kruis. Van meet af aan is men het over de naam van het gebouw eens. Het moet het Dr. Leenaershuis worden. Deze rooms-katholieke huisarts was een zeer geliefd persoon in het dorp. Over hem is een uitgebreid artikel verschenen in het 13e Jaarboekje (1990). Hij was medisch adviseur en vicevoorzitter van het Wit-Gele Kruis.

Na zijn dood in 1944 is door de bevolking geld bijeengebracht, dat in een fonds is gestort. Het ‘Leenaersfonds’ bevat 3.625 gulden, dat men wil aanwenden als startkapitaal voor een kruisgebouw. De plek is ook al uitgezocht, aan de Mient ongeveer op de plaats waar het woonhuis van Leenaers heeft gestaan. Naast gemeentelijke goedkeuring is ook van de Nederlandse Spoorwegen toestemming nodig. Als die in 1954 komt, staan alleen de financi√ęn nog in de weg. Die drempel is zo groot, dat het nog jaren zal duren voordat met de bouw begonnen zal worden. De drie partijen hebben evenzovele opties. Het is √≥f alleen het Wit-Gele Kruis, √≥f tesamen met het Witte Kruis, √≥f de gemeente gaat tot stichting over. In 1954 geeft burgemeester Smeets er nog de voorkeur aan dal beide verenigingen niet onder √©√©n dak komen. Het bestuur van het Wit-Gele Kruis heeft voorkeur voor samenwerking, maar men verzuimt kennelijk toch om goed met de andere partij te overleggen. Op 2 november 1956 wordt een gezamenlijke vergadering belegd, waarin het Witte Kruis haar ongenoegen uitspreekt over het feit dat men uit de pers moet vernemen, dat de plannen al vergevorderd zijn. Men belooft om het Witte Kruis van verdere plannen ‘op de hoogte te houden’.

Zuster Margot H. Meihuizen van het Wille Kruis vanaf 1945 tot 1963.
Zuster Margot H. Meihuizen van het Wille Kruis vanaf 1945 tot 1963. Met haar autootje toerde zij in haar vrije tijd belangeloos met hulpbehoevenden en ouden van dagen door de omgeving.

Badhuis

Tot ver in de vijftiger jaren zijn vele huizen nog niet voorzien van een douche gelegenheid. Vele gemeenten hadden al lang daarin voorzien door de stichting van een badhuis. Zo niet de gemeente Castricum. De enige mogelijkheid was er door gebruik te maken van de faciliteiten van Duin en Bosch. Alleen op zaterdag middag kon men in het badhuis daar een douche nemen. Kort na de tweede wereldoorlog kreeg men alleen toegang tot het badhuis als men een verklaring van de huisarts kon tonen dat men geen schurft had. Al in de jaren (negentien) veertig had het Witte Kruis aan het gemeentebestuur gevraagd een dergelijke voorziening in het dorp te treffen. Kort na de tweede wereldoorlog antwoordt de gemeente dat door gebrek aan bouwmaterialen van een dergelijke bouw geen sprake kan zijn. Aan het architectenbureau J. Luinge en M. Bart te Alkmaar wordt de opdracht gegeven om een ontwerp voor het kruisgebouw te maken.


Jaarboek 17, pagina 34

Het ontwerp moel voorzien zijn van een badhuis met 15 cellen. Men vindt dit wel wat veel, maar de gemeente acht dat aantal noodzakelijk. De besturen van de beide kruisverenigingen gaan eens een kijkje nemen in Volendam waar zojuist een kruisgebouw is geopend. Daar hoort men dat de exploitatie van een badhuis niet rendabel is. Mede gelet op de bouwvoorschriften voor de woningbouw waarin een badvoorziening moet zijn opgenomen, besluit men uiteindelijk om het badhuis uit het ontwerp te schrappen.

Een andere optie

Burgemeester Smeets spreekt op 3 januari 1956 in aanwezigheid van beide besturen de wens uit dat elke vereniging voor zichzelf een eigen gebouw moet stichten. Maar de beide kruisverenigingen vrezen voor een exploitatietekort. “Geld speelt geen rol, als het wijkgebouw er maar komt”, moet de burgemeester gezegd hebben, aldus de notulen van het Wit-Gele Kruis. Maar al tijdens de vergadering komt hij tot andere gedachten. Er moet een gebouw komen dat door beiden ge√ęxploiteerd gaat worden. Het Witte Kruis heeft er weliswaar wat moeite mee, maar gunt de andere partij uiteindelijk de eer om het gebouw te stichten. Zij zijn het toch geweest die het initiatief hebben genomen en daar is nog het (katholieke) Leenaersfonds. Men blijft opzien tegen de hoge kosten van een nieuw gebouw en als de pastorie van de Nederlands Hervormde kerk aan de Overtoom leeg komt, laat men daar zijn oog op vallen. Het aankoopbedrag van 14.000 gulden is weliswaar niet zo hoog, maar het gebouw is zeker niet geschikt om er zo maar in te trekken. De verbouwing zal veel meer kosten, zo’n 60.000 gulden is de raming. En bovendien blijkt dat het de eerste 3 jaar niet ter beschikking zal komen. Deze mogelijkheid laat men dan ook al snel weer vallen.

Noodziekenhuis

Op zoek naar exploitatiemogelijkheden wordt van alles bedacht om het kruisgebouw rendabel te maken. Zo is er het idee om van de eerste verdieping van het kruisgebouw een noodziekenhuis te maken. Ook samenwerking met het Rode Kruis en de EHBO komen als opties uit de hoge hoed. De geestelijk adviseur van het Wit-Gele Kruis geeft in een vergadering nog eens zijn standpunt weer, dat de katholieken alles in eigen hand moeten houden en beslist niet moeten samenwerken met ‘die anderen’. De voorzitter reageert zeer geagiteerd en zegt dat degenen, die d√†t willen ook maar voor geld moeten zorgen. De burgemeester juicht de samenwerking nu toe, maar het bestuur van het Witte Kruis heeft een andere mening. Voorzitter Joosse van het Witte Kruis vindt dat de stichting van een kruisgebouw een gemeentelijke activiteit moet zijn. Vervolgens zou het beheer in particuliere handen moeten komen. Hij pleit voor een beheerscommissie onder voorzitterschap van de burgemeester. Hij ziet het gebouw als een gezondheidscentrum voor Castricum, dat ook voor andere doelen dan alleen het kruiswerk gebruikt zou kunnen worden.

Op 30 januari 1956 vindt nog eens een bespreking met alle partijen plaats op het gemeentehuis. Aan de orde is de herziene begroting. De burgemeester zegt dat de gemeente garant zal staan voor de rente van de geldlening. Het bestuur van het Witte Kruis weigert om haar handtekening te zetten. “Dat is het werk voor de stichting.” – “Maar er is nog geen stichting , die komt pas na bouw”, zegt voorzitter Mul. In de vergadering van 4 juli 1956 besluit men uiteindelijk om nieuwe tekeningen te laten maken. Het nieuwe gebouw zal geen badhuis krijgen en ook geen zusterkamer, waaraan volgens de besturen geen behoefte bestaat. Op 20 september 1956 blijkt dat men nog steeds geen overeenstemming heeft bereikt over wie de opdrachtgever gaat worden. Moet het nu het Wit-Gele Kruis worden of de gemeente? De geestelijk adviseur doet ook nog een duit in het zakje. Hij heeft er een contributieverhoging voor over om alles in katholieke handen te houden. Maar hij vindt geen enkele bijval en zijn idee wordt eensluidend afgewezen. Het Wit-Gele Kruis gaat verder met de ontwikkeling van de plannen en uiteindelijk kan Mul op 15 november 1958 meedelen dat de aanbesteding kan beginnen. Er is nog een laatste premie binnengehaald voor de 2 woningen die op de eerste verdieping zijn gepland. Met de gemeente is een erfpachtcontract afgesloten dat afloopt op 31 december 2008. Het gemeubileerde gebouw wordt in een stichting ondergebracht. Het Witte Kruis weigert nu met dezelfde argumenten de exploitatiebegroting te ondertekenen. In die vergadering zijn twaalf leden van het Witte Kruis, drie van het Wit-Gele Kruis en twee doktoren aanwezig. Hel zijn dokter A.H. van der Werff en dokter H. Wieringa. De laatste doet nog eens een beroep op eensgezindheid. Bij al deze halsstarrigheid wijst de burgemeester op de afspraken die op 23 oktober 1956 zijn gemaakt, waarin men akkoord is gegaan met de constructie om het Wit-Gele Kruis de eer van het bouwen te laten. Ten langen leste komt het er dan toch van en vindt op 16 december 1958 de aanbesteding voor de bouw van het wijkgebouw met 2 bovenwoningen plaats. In De Rustende Jager zijn de Castricumse aannemers uitgenodigd. De laagste inschrijver blijkt Jan Res te zijn, die voor 83.250 gulden het gebouw mag realiseren.

Het Leenaershuis, in 1959 in gebruik genomen door de gezamenlijke kruisverenigingen.
Het Leenaershuis, in 1959 in gebruik genomen door de gezamenlijke kruisverenigingen. Aanvankelijk zou er nog een vleugel mer een badhuis aangebouwd worden, hetgeen uiteindelijk niet meer nodig was.

De opening

De eerste steenlegging is op dinsdag 24 maart 1959. De tekst op de door burgemeester Smeets gelegde steen is: “Eerste steenlegging Dr. Leenaershuis 24 maart 1959”. Besloten wordt om het meubilair via boekhandel C. Stuifbergen aan te schaffen.


Jaarboek 17, pagina 35

Van Amsterdam wordt tot ceremoniemeester bij de opening benoemd. Volgens katholiek gebruik zal het gebouw ingewijd worden, waartoe in verband met de vele niet-katholieken een korte inleiding over de betekenis daarvan gegeven zal worden. Mevrouw E.S Veenstra-Pieterse betrekt de conci√ęrgewoning, hetgeen geestelijk adviseur kapelaan J.J. Tuyp tegen de borst stuit, omdat zij van het Witte Kruis is. Zuster Van Beers krijgt de andere woning toegewezen. Onenigheid over het beheer is er nog steeds als de grote dag daar is. Op 14 oktober 1959 onthult mevrouw Leenaers de plaquette met de afbeelding van haar echtgenoot, naar wie het kruisgebouw is genoemd. In de toespraken wordt dank gebracht aan de gemeente Castricum, het Leenaersfonds, de Hoogovens en de stichting Volksherstel voor de financi√ęle steunverlening. Tot de sprekers behoren onder andere pastoor Minnebo en G.H. Hemmer als directeur van de Raiffeisenbank. Het zevenjarig dochtertje van vicevoorzitter Mul krijgt de eer om aan mevrouw Leenaers de bloemen te overhandigen. Haar zoon G. Leenaers spreekt een dankwoord uit voor de eer die aan zijn vader is bewezen.

De stichting

Na de opening onderhandelt men eind 1959 verder over het beheer van het gebouw. De door de gemeente opgestelde concept statuten vinden geen genade in de ogen van het Witte Kruis. Men vindt dat de gemeente te veel macht houdt ten koste van het particulier initiatief. Eindelijk wordt op 12 februari 1960 de stichtingsvergadering gehouden. Meubilair en magazijn moeten in beheer van de stichting komen, vindt men “ter voorkoming van eeuwige twistappel”, aldus de notulen. In 1966 komt het Witte Kruis met het initiatief voor een tweede wijkgebouw, dat in Molendijk zou moeten komen. Het Witte Kruis heeft ondertussen een naamswijziging gekregen, sinds 1 januari 1966 is het gewijzigd in het ‘Groene Kruis’. Men heeft al een bouwfonds ingesteld. Daarover wil de gemeente opheldering hebben, waarop het bestuur antwoordt dat het fonds wordt gevoed met ontvangsten uit de Emmabloemcollecte. “Dat is een activiteit van het Groene Kruis” geeft het bestuur aan. Fijntjes wordt nog even opgemerkt: “Waarvoor wij geen extra subsidie hoeven te vragen, zoals destijds wel aan het Wit-Gele Kruis is verstrekt.” Dit plan is nooit uitgevoerd. Wel wordt in 1970 in Molendijk een dependance in gebruik genomen en toen dat niet meer nodig was, een dependance als zuigelingen- en kleuterconsultatiebureau in Geesterhage.

Het personeel

In de geschiedenis van de kruisverenigingen zou op de eerste plaats het werk van het personeel genoemd moeten worden. Zij zijn het toch die het gezicht van het kruiswerk over tientallen jaren hebben bepaald. Maar behalve wat administratieve gegevens en wat losse aantekeningen komt het verhaal van de zuster niet uit het archief te voorschijn. Het is ondoenlijk om een opsomming te geven van de vele honderden vrouwen, die in dienst van de beide kruisverenigingen zijn geweest. Gelukkig is een oud ge√Įllustreerd weekblad ‘De Katholieke Illustratie’ zo vriendelijk geweest om in 1952 een artikel over het wijkwerk in Castricum te plaatsen onder de titel: “Wat de zusters doen”.

Een sfeertekening

Als sfeertekening volgen daaruit enige episoden:

“We hebben zo’n dorp uitgezocht, een aardig, riant dorp: Castricum, achter de duinen, en we zijn op stap gegaan met de twee zusters van het Wit-Gele Kruis, die daar hun werk doen. Ik moet u zeggen , dat mijn sympathie voor de bromfiets aanmerkelijk is gestegen, want de zusters kunnen nu de energie, die ze anders verbruikten om hun district rond te fietsen gebruiken voor hun eigenlijke werk. Wat dat werk is? Vraag liever wat ze niet doen. Ze gaan er op uit om zieken te verplegen, zoals mevrouw Voskuyl, die lange tijd bedlegerig is. Het was een lang lijstje dat de zuster nog moest afwerken, maar toen ze eenmaal binnen was, had ze opeens geen haast. Rustig, gemoedelijk deed ze haar werk, maar het ging allemaal zo doelmatig, zo zeker, dat je je afvroeg of er wel kunst aan was. Klaar? Dan naar het volgende adres, een boerderij. Even aanrijden daar waar een t.b.c.-pati√ęnt in een ligtent kuurt, voor de controle.

Een foto, die bij het artikel in de Katholieke illustratie in 1952 was geplaatst. Dokter de Jongh en zuster Bosdriesz ontmoeten elkaar onderweg.
Nog een foto, die bij het artikel in de Katholieke illustratie in 1952 was geplaatst. Dokter de Jongh en zuster Bosdriesz ontmoeten elkaar onderweg.

Onderweg naar de volgende boerderij ontmoet ze op een binnenweggetje de dokter. Bromfiets en auto stoppen; de dokter krijgt verslag van haar bevindingen en zij nieuwe instructies; een gewijzigde behandeling van een pati√ęnt. Dag zuster , dag dokter. Het is mooi weer vandaag en voor de boerderij wordt de zuster al begroet door de vrouw des huizes met haar kroost. Johan komt een handje geven. maar haar volle aandacht gaat uit naar de jongste spruit, die ze kent vanaf zijn eerste levensuur. In Castricum is nog geen centrum voor kraamzorg en de zuster van de wijk is tevens kraamverpleegster. Ze heeft dat boerenzoontje ‘zelf gehaald’ .
Na de controle het advies, kom maar naar het consultatiebureau voor zuigelingen. Daar zal de zuster ook weer moeten zijn om de districtskinderarts te assisteren. En kom dan ook maar eens met de groteren naar het kleuterbureau. Daar is de zuster ook alweer bij. Voor de verandering eens wat ander werk, we gaan op bezoek bij een paar oudjes; bejaardenzorg heet dat. Opa Hourik, gepensioneerd veldwachter, oud 93 jaar en zijn 87-jarige echtgenote zijn ruim 65 jaar getrouwd en ze zitten nog altijd in hun eigen kleine gedoetje. Als we binnen komen, is oma bezig met piepers jassen en opa kijkt belangstellend toe. We maken een plaatje en als de fotograaf aan 0ma vraagt om naar opa te kijken, interrumpeert de oude baas: “Dat hoefden ze 65 jaar geleden ook niet te zeggen.” Alles is in orde en we gaan maar weer. We draaien nog een paar ziekenbezoekjes af en bewonderen nog ettelijke wolken van baby’s.

Ondertussen filosoferen we hoe vrij kort geleden, zo’n veertig jaren, toen deze gezondheidszorg nog niet bestond, √©√©n op de vier baby’s voor het eerste levensjaar stierf. Dat komt door die ‘brommende’ wijkzusters. die het klaarspelen al of niet eigenwijze moeders te leren wat je wel en niet moet doen. Dan brengt de zuster


Jaarboek 17, pagina 36

Zuster Bosdriesz, zij wordt beschreven in het artikel in de katholieke illustratie van 1952. Deze foto komt ook bij dat artikel voor. Zij is zojuist met haar Solex op de boerderij van de familie Twisk - Wassenaar aan de Heereweg gearriveerd.
Zuster Bosdriesz, zij wordt beschreven in het artikel in de katholieke illustratie van 1952. Deze foto komt ook bij dat artikel voor. Zij is zojuist met haar Solex op de boerderij van de familie Twisk-Wassenaar aan de Heereweg gearriveerd.

een bezoekje waar we niet hij horen. Haar zorg strekt zich namelijk ook uit tot de aanstaande moeders en eerlijk gezegd zo’n controle bezoek voor de prenatale zorg is niet iets waar je over moet schrijven in een illustratie. We snappen niet hoe de zuster het voor elkaar speelt om van de morgen tot de avond te jakkeren. En van haar antwoord dat het ‘gewoonte’ is, worden we ook niet veel wijzer. Er is trouwens sprake van dat er nog een derde wijkzuster voor het Wit-Gele Kruis komt, als er gemeente subsidie komt. Voor de verandering naar het gemeentehuis. waar drie gewichtige mannen een onderhoud hebben met een wijkzuster. Het zijn burgemeester Smeets van Castricum, burgemeester Sutman Meijer van Heerhugowaard en tevens secretaris van het Wit-Gele Kruis in Noordholland en dokter De Jongh, die we straks al op een binnenweggetje aantroffen met √©√©n van de wijkzusters. Burgemeester Smeets wil wel, maar ja er is zoveel …

We bezoeken ook nog een verlamde vrouw die al sinds jaren in een bedstee ligt. De zuster moet er voor zorgen dat het arme mensje niet doorligt, het niet te koud en niet te warm heeft en voldoende gevoed wordt. Wat de zuster zelf niet kan, moet zij aan de huisgenoten leren. Aan hel einde van de dag maken we de balans op: prenatale zorg, kraamverpleging, zuigelingen- en kleuterzorg, ziekenverpleging, gebrekkigen- en bejaardenzorg, t.b.c.-bestrijding en controle. Is er nog meer, zuster? Ja, ‘s zomers moet de hygi√ęne op het kampeerterrein gecontroleerd worden. De zusters vinden dat alles ‘niet zoveel werk’ en ‘het is zo gebeurd’, maar als je dat zo’n dertig – veertig keer achter elkaar doet, is het avond voordat er een uurtje rust overschiet. De avond is al aan het vallen, als we Castricum verlaten. Onderweg zien we nog hoe zuster Bosdriesz ergens voor een bezoekje aan de bel staat. Buiten het dorp loopt zuster Landman alweer met haar trouwe brommer een erf op waar onder een hemel van drogend wasgoed kinderen en een hond dartelen. Twee zusters in Castricum, zo zijn er duizenden in het land.”

Personeelsschaarste

Regelmatig is er gebrek aan wijkzusters en de kruisverenigingen verzinnen van alles om personeel naar Castricum te halen. Mogelijk kan het te maken hebben met de slechte beloning. De pensioenvoorziening van zuster Boelrijk is niet best geregeld. Als zij in 1946 met pensioen gaat, wordt zij afgescheept met een wandlampje en een pensioen van 750 gulden per jaar. Dit leidt nog jaren later op 14 november 1950 tot een rel tussen de rooms-katholieke raadsfractie en het bestuur van het Wit-Gele Kruis. De raadsfractie heeft heftige kritiek op haar lage pensioen. Het bestuur ontkent heftig, maar haalt ter vergadering bakzeil. Ter plekke wordt haar pensioen met 400 gulden verhoogd. In 1962 worden getrouwde vrouwen opgeroepen om gezinsverzorgster te worden. Meisjes worden aangespoord om ‘een echt vrouwelijk beroep’ in de gezinsverzorging te kiezen. In een advertentie van 1975 wordt de ligging van ons dorp aangeprezen als lokmiddel voor de kandidaten: “In het mooie Castricum, gelegen aan de voet van het natuur- en recreatiegebied Het Noordhollands duinreservaat mer de prachtige bossen, duinen en het mooie strand heeft het Groene Kruis voor u vacant de functie van wijkverpleegkundige.” Ook de huisvesting wordt in deze advertentie aangeprezen: “De woningdienst van de gemeente Castricum stelt op korte termijn een passende en zelfstandige woonruimte in het vooruitzicht.” Of dat laatste waar is, is niet duidelijk. Maar het huisvestingsprobleem speelt al langer een rol. Om deze reden trekken dan ook regelmatig zusters naar elders. Wanhopig wendt het bestuur van het Groene Kruis in 1967 zich tot de gemeente met het verzoek om een dreigend vertrek van een gezinsverzorgster te voorkomen. Het gemeentebestuur belooft haar ‘binnen niet al te lange tijd’ zelfstandige woonruimte te verschaffen. Men voegt er nog aan toe: “Eventueel over een half jaar”. Maar vier jaar later blijkt de zuster zich nog steeds te moeten behelpen met ‘op kamers’ wonen in Castricum en inwonen bij haar moeder in Amsterdam. Als zij haar ontslag aanbiedt, heeft men een onderhoud op het gemeentehuis en trekt de gezinsverzorgster met nieuwe beloften haar ontslag in. Maar een jaar later is er nog niets veranderd. En andermaal schrijft de vereniging naar de gemeente. Het antwoord is op 23 juni 1972 eindelijk positief: zij krijgt een woning aangeboden, die zij in het najaar kan betrekken.

Zuster Weel op haar afscheid van de kruisvereniging.
Zuster Weel op haar afscheid van de kruisvereniging rechts dhr. J. Joosse. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

De ontzuiling

Vele tientallen jaren hebben de twee kruisverenigingen naast elkaar en samen gewerkt. Men begint langzaam in te zien dat het een ineffici√ęnte wijze van werken is. Het komt voor dat twee zusters tegelijkertijd een flatgebouw betreden en dat vervolgens ieder haar eigen pati√ęnt bezoekt. Via een lange weg van discussies komt men uiteindelijk tot de conclusie dat men tot fusie moet over gaan. Men heeft ook weinig keus, want het voortbestaan van kleine kruisverenigingen wordt door aangescherpte regelgeving en subsidi√ęring vrijwel onmogelijk gemaakt.
Op 1 januari 1978 komt de onvermijdelijke fusie tussen het Groene Kruis en het Wit-Gele Kruis tot stand. De naam wordt gewijzigd in ‘Kruisvereniging Castricum’. Het personeel treedt op die datum in dienst van de Stichting Samenwerkende Kruisverenigingen in de IJmond te IJmuiden. Daarmee wordt een nieuwe weg ingeslagen, waarmee tegelijkertijd een periode wordt afgesloten. Een periode van twee kruisverenigingen waarin veel mensen, personeel en bestuursleden hun beste krachten aan de gezondheid van ons dorp hebben gegeven.

F. Baars

Bronnen:

  • Archief van het Witte Kruis
  • Archief van het Wit-Gele Kruis

Gezondheidszorg 1880 ‚Äď 1950 (Jaarboek 17 1994 (pg 16-28)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.


Jaarboek 17, pagina 16

Gezondheidszorg in Castricum in de periode 1880 tot 1950

In een voorgaand artikel is getracht een beeld te schetsen van de gezondheidszorg in Castricum met als leidraad de soms schaarse gegevens over chirurgijns en heelmeesters, die in de loop der jaren achtereenvolgens in Castricum werkzaam zijn geweest. Als laatste in de reeks werd besproken Anthonius Reijnders, die in 1881 in Castricum kwam te overlijden.
In het navolgende zullen behalve de personen, die een belangrijke rol hebben gespeeld, ook de ontwikkelingen worden geschetst, die aan de geleidelijke verbetering van de gezondheidszorg van de Castricummer, hebben bijgedragen.

De arts Pieter Stolp, gefolografeerd in 1901 tijdens een wandeling in het duingebied.
De arts Pieter Stolp, gefotografeerd in 1901 tijdens een wandeling in het duingebied.

Pieter Stolp, 1881-1905

De Castricumse heelmeester Anthonius Reijnders werd wegens een slechte gezondheid, nog vóór zijn overlijden, in februari 1881 opgevolgd door Pieter Stolp. Stolp was de eerste universitair opgeleide arts, die zich in Castricum vestigde. Hij studeerde in Amsterdam, waar hij op 26 mei 1880 het artsexamen aflegde. Geboren in juni 1855 op Texel was hij dus bij zijn komst naar Castricum 25 jaar. Zijn beroep had hij van niemand vreemd, want zijn uit de Zaanstreek afkomstige vader, Pieter Stolp senior, was plattelandsheelmeester en vroedmeester, eerst op Texel en later te Akersloot.
Opmerkelijk is, dat deze Pieter Stolp senior voorkomt op een lijst van in 1840 door de Provinciale Commissie te Haarlem ge√ęxamineerden, op welke lijst we ook de naam van Anthonius Reijnders aantreffen. Het is mogelijk, dat Stolp senior en Reijnders elkaar kenden en dat contact tussen beiden aan de komst van Stolp jr. naar Castricum ten grondslag heeft gelegen.

Zorgvlied moet omstreeks 1794 gebouwd zijn.
Zorgvlied moet omstreeks 1794 gebouwd zijn. Volgens een vermelding van een der laatste bewoners zou dit jaartal in een ‘eerste steen’ hebben gestaan. Het gehele bezit bestond uit het herenhuis met een erf, een moestuin, een boomgaard en een stuk bos achter het huis, zich uitstrekkende tot aan de Ciebeek, en vervolgens nog een grote tuin aan de overkant van de weg. De eigenaar was destijds mr. Joachim Nuhout van der Veen, schout van Castricum en Bakkum. In 1816 wordt Cornelis Oldenburg uit Bergen eigenaar. In 1817 is Dirk Wijnands, rentenier, hier woonachtig.Daarna nog een achttal. In 1906 wordt dokter Yeb Schoonhoff eigenaar en noemt het Hermana State. Schoonhof is een fries. Dan wordt in 1926 het land opgesplitst en bewoont H. Heideman het pand. Dan even een burgemeester en een Ortskommandant en in 1946 Notaris H.A.A.M van Cranenburgh. In 1965 is het dubbelwandig houten huis gesloopt. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Pieter Stolp gaat in Castricum aanvankelijk inwonen bij de bejaarde weduwnaar en rentenier Pieter Kreur in het herenhuis Zorgvlied (het latere Hermana State), dat gelegen was aan de Dorpsstraat op de plaats thans direct ten oosten van dansschool Griffioen.

Corso theater; schoenenzaak; Luut Griffioen dansschool; toenmalig pand van winkel Noord Hollands Landschap.
Corso theater; schoenenzaak; Luut Griffioen dansschool; toenmalig pand van winkel Noord Hollands Landschap, Dorpsstraat 70-72 in Castricum rond 1984.

In 1964 is het herenhuis gesloopt. In februari 1883 koopt Stolp Zorgvlied van Kreur voor 3.000 guden. Op 30 augustus van hetzelfde jaar trouwt Stolp in Egmond aan Zee met Christina Johanna Planteijdt, die in 1884 in Castricum wordt ingeschreven. Na de dood van Kreur in 1884 laat Stolp Zorgvlied renoveren.
Stolp is nog maar nauwelijks in Castricum gevestigd, of hij stelt in april 1882 een soort ultimatum aan de gemeenteraad:
“Dat hij uit hoofde de grootte en uitgestrektheid der ge111eente moeilijk in staat is om zowel de genees- als de verloskundige praktijk beiden goed te behartigen, dat hij daarom de belooning van de verlossing binnen een niet te lang tijdsverloop zoo zal stellen, dat verreweg het grootste gedeelte der ingezetenen niet of slechts onder de grootste bezwaren zijn hulp zal kunnen inroepen en dat hij met het oog op deze omstandigheden het zijn plicht acht de raad te wijzen op de moeilijkheid welke hieruit voor de ingezetenen zal voortvloeien.
Redenen, waarom hij met de meeste bescheidenheid de vrijheid neemt de Raad te verzoeken om te willen besluiten tot het aanstellen van eene vroedvrouw.” Het rekwest heeft succes, want nog in hetzelfde jaar vraagt de burgemeester advies aan de Geneeskundig Adjunct Inspecteur voor Noord-Holland, Teixeira de Mattos, over de aanstelling van een vroedvrouw. De inspecteur antwoordt positief. E√©n en ander leidt eind 1882 inderdaad tot aanstelling van een vroedvrouw, overigens in samenwerking met de gemeente Limmen. Op deze eerste offici√ęle Castricumse vroedvrouw, Elisabeth Slot, komen we nog terug.
Hoewel er zich in de periode Stolp in Castricum geen uitzonderlijke sterfte voordoet en er zelfs een trend is waar te nemen tot afname van de gemiddelde sterfte werd Stolp niettemin, evenals zijn voorgangers, geconfronteerd met veel besmettelijke ziekten.
Op 5 januari 1883 schrijft de burgemeester van Castricum aan de Adjunct Inspecteur van het Geneeskundig Staatstoezicht te Amsterdam over een tyfusgeval te Castricum met dodelijke afloop. “De geneesheer alhier heeft gemeend. ter voorkoming van besmetting de voorwerpen door de lijderes gedurende hare ziekte gebruikt te vernietigen. De vernietiging vond plaats door verbranding op 2 januari 1883.”

Dreigende cholera

In de raadsvergadering van 8 augustus 1883 komen maatregelen tegen cholera aan de orde naar aanleiding van een missive van Gedeputeerde Staten over cholera in Egypte. De voorzitter van de raad heeft dokter Stolp geraadpleegd over te nemen maatregelen. Deze heeft in overweging gegeven desinfectantia aan te schaffen, waaronder 1 vat carbolzuur en 1 vat ijzervitriool. Voorts adviseert Stolp om buiten de kom der gemeente een huisje of loods te plaatsen voor verpleging van eventuele pati√ęnten. Tegen aanschaf van de chemicali√ęn maakt de raad geen bezwaar, maar wel tegen de loods, waarvan men de noodzaak niet inziet, met als argumentatie, dat zich bij vorige cholera-epidemie√ęn vrijwel geen gevallen in Castricum hadden voorgedaan.
In de raadsvergadering van 12 september 1883 deelt de voorzitter mee, dat de chemicali√ęn nog niet zijn gekocht, i.v.m. met de “gunstige cholera-berichten”‘. Uit een brief, die burgemeester Mooij op 12 oktober 1885 schrijft aan de geneeskundig inspecteur, blijkt dat een cholera-epidemie inderdaad is uitgebleven en dat zich in 1884 in Castricum maar √©√©n aan cholera toegeschreven ziektegeval heeft voorgedaan.

Mazelen

Viel het met de cholera dus mee, eind 1883 meldt burgemeester Mooij aan de geneeskundig inspecteur het heersen van mazelen in Castricum en omringende gemeenten. Hij vraagt om de ziekte ‘epidemisch’ te verklaren, wellicht in verband met financi√ęle steun, wat overigens niet gebeurt. Hoewel Stolp niet met name wordt genoemd, mogen we aannemen, dat hij bij de besluitvorming was betrokken.
Ook in 1887 wordt de gemeente geconfronteerd met een epidemie van mazelen. Er worden maatregelen genomen om de kinderen weg te houden van school, maar opnieuw weigert de geneeskundig inspecteur de ziekte ‘epidemisch’ te verklaren, omdat er nog geen sterfgeval is. Op 14 januari schrijft de burgemeester terug, dat er in 34 huisgezinnen mazelen heerst, dat 1 kind is gestorven en dat 1 kind stervende is. Het jaar 1887 toont inderdaad een relatief hoge sterfte en de discussie om de ziekte al of niet ‘epidemisch’ te verklaren doet wat bizar aan. Met regelmaat blijven zich in de volgende jaren gevallen van besmettelijke ziekten voordoen, die trouw door de burgemeester worden aangemeld.


Jaarboek 17, pagina 17

Weer cholera-dreiging

In 1892 heerst opnieuw angst voor de cholera en komen in de raadsvergadering van 21 september maatregelen aan de orde, voorgesteld door dokter Stolp. Besloten wordt om de vermoedelijk schadelijke mest- en vuilnishopen te doen om mimen”.
Verder zullen de “reinheidstoestanden” gecontroleerd worden, door de gemeenteveldwachter en een assistent. Bovendien wordt aan Stolp gevraagd de nodige ontsmettingsmiddelen in te slaan, te bekostigen door de gemeente.
In de volgende vergadering van 28 september 1892 wordt het resultaat van de verschillende maatregelen gemeld. De veldwachter en zijn medewerker hebben de toestand van sloten en putten ge√Įnspecteerd en waar nodig tot reiniging aangespoord.
Door Stolp zijn onder andere 25 fusten creoline aangekocht, een stof met een antiseptische werking, die werd vermengd met zeep tot een relatief goedkoop ontsmettingsmiddel (lysol).
Reiniging van de woningen werd door de gemeente niet nodig geacht. Ook nu komt het echter in Castricum niet tot een epidemie van cholera.

Gewaardeerd arts Pieter Stolp was lidmaat van de Remonstrantse Kerk, maar werd niettemin in het overwegend katholieke Castricum zeer gewaardeerd. Dat blijkt onder meer uit het onderschrift bij een foto, die dokter Stolp toont op een wandeling door de duinen in 190 1 en die voorkomt in het boekje ‘Oude Ansichten van Castricum ‘:
” Midden in de duinen, op weg naar zee, treffen we dr. Stolp op z’n dagelijkse wandeling. Deze arts was rond de eeuwwisseling niet alleen een zeer bekende, maar ook een zeer beminde en gerespecteerde figuur in onze streek. Dr. Stolp had een uitgestrekte praktijk, want niet alleen Castricum, ook Limmen en Egmond werden door hem verzorgd. En dan te bedenken dat hij dit alles lopend afwerkte, hoewel, ook de koets zal er toch wel eens aan te pas gekomen zijn” .

Net 50 jaar geworden schrijft Pieter Stolp een korte brief aan het gemeentebestuur, waarin hij per 1 augustus 1905 ontslag vraagt en verzoekt om in zijn plaats te benoemen de arts J. Rentmeester. Het ontslag wordt verleend en per 1 augustus verkoopt Stolp Zorgvlied voor 6.000 gulden aan Rentmeester, die er al een maand eerder vanuit Utrecht was komen wonen om met de praktijk vertrouwd te raken. Kort daarop vertrekken Pieter Stolp en zijn echtgenote – het echtpaar had geen kinderen – naar Haarlem.
Pieter Stolp is, volgens de beschikbare gegevens, in zijn Haarlemse periode niet meer als arts werkzaam geweest. Op lijsten van geneeskundigen, werkzaam in Noord-Holland, wordt zijn naam na 1905 niet meer vermeld. Kennelijk heeft hij het bereiken van de leeftijd van 50 jaar aangegrepen om een punt achter zijn medische carri√®re te zetten. Hij kon dit doen, omdat hij niet onbemiddeld was. Hij lijkt in Haarlem, aan de Kleverparkweg, vrij teruggetrokken te hebben geleefd, want zijn overlijden als “rustend geneesheer” in 1928, op 73 jarige leeftijd, wordt slechts sober aangekondigd: een “Eenmalige en algemeene kennisgeving” in het Noord-hollands Dagblad van 9 augustus 1928.

De eerste erkende Castricumse vroedvrouwen

Volgens het Provinciaal Blad van Noord-Holland was in gemeenten als Bergen, Uitgeest, Egmond aan Zee en Schoorl al rond 1820 een door de gemeente benoemde vroedvrouw werkzaam. In vergelijking hiermee heeft de vroedvrouw in Castricum laat haar intrede gedaan en lijkt er van de kant van het gemeentebestuur steeds weerstand tegen een benoeming te hebben bestaan, wat waarschijnlijk te maken had met de financi√ęle consequenties. Reeds in 1827 werd door de Staatsraad Gouverneur van Noord-Holland, Van Tets van Goudriaan, het aanstellen van een vroedvrouw in Castricum, in een schrijven aan de burgemeester, gesuggereerd:
“Daar het bestaan van vroedvrouwen in de gemeenten ten platten lande, als zeer nuttig en heilzaam moet worden geacht, en er in Uwe gemeente geene bestaat, vermeen ik UEd in consideratie te geven, of niet tot de aanstelling van een vroedvrouw in Uwe gemeente zoude behooren te worden overgegaan.”

Een antwoord op deze brief is niet gevonden, maar de gemeente is er kennelijk niet op ingegaan, want de aanstelling van een vroedvrouw laat nog lang op zich wachten.

Als in de loop van 1880 de gezondheid van de in Castricum werkzame plattelandsheelmeester Anthonie Reijnders sterk achteruitgaat en zijn praktijk moet worden waargenomen, komt in een vergadering van de gemeenteraad het voorstel aan de orde om een vroedvrouw aan te stellen. De zieke Reijnders heeft met dit voorstel zijn ” ingenomenheid” betuigd. De raad stemt echter tegen. Een argument: “Vroeger, toen er geen dokter in Castricum was (gedoeld wordt op een periode voor 1828), was er ook geen noodzaak voor een vroedvrouw.” De opvolger van Reijnders in 1882, de arts Pieter Stolp, is nog maar nauwelijks in Castricum gevestigd of hij forceert min of meer de benoeming van een vroedvrouw, zoals we hiervoor hebben gezien.

Voor Castricum blijkt het al of niet benoemen van een vroed-


Jaarboek 17, pagina 18

vrouw toch vooral een financi√ęle kwestie en daarom komt, in overleg met de geneeskundig inspecteur van Noord-Holland, pas een regeling uit de bus, als een kostendeling kan worden bereikt door samenwerking met de gemeente Limmen.

Elisabeth Kieft-Slot (met koffiepot) en familieleden voor het huis aan de Rijksweg te Limmen.
Elisabeth Kieft-Slot (met koffiepot) en familieleden voor het huis aan de Rijksweg te Limmen.

Elisabeth Kieft-Slot, 1882-1910

Na een wervingsprocedure wordt in oktober 1882, na goedkeuring door de Castricumse gemeenteraad, aangesteld als vroedvrouw in Castricum en Limmen:
“Elisabeth Slot oud 28 jaren. ongehuwd, wonende te Hoorn, op eene Jaarswedde van driehonderd gulden, met bovendien vrije woning ter hare standplaats te Limmen, waar zij zich met der woon zal moeten vestigen en voorts, onder bepaling. dat de helft der jaarwedde en kosten van vrije woning door deze gemeente gedragen en betaald zullen worden.”
Elisabeth Slot, die haar diploma behaalde op 19 juli 1882 in Rotterdam, kan dus worden gezien als eerste van een reeks erkende Castricumse vroedvrouwen.

In de eerste jaren van haar werkzaamheden leert Elisabeth haar toekomstige echtgenoot Christiaan Kieft, bollenkweker te Limmen, kennen, waarmee ze op 8 september 1886 in het huwelijk treedt. Het echtpaar gaat wonen Rijksweg 54 te Limmen, een huis dat kortgeleden is gesloopt. Elisabeth Kieft-Slot blijft meer dan 25 jaar als vroedvrouw in Castricum en Limmen werkzaam en wij mogen dus aannemen, dat zij een aanzienlijk aantal Castricummers en Limmenaren op de wereld heeft geholpen. Om bij dag en nacht de verlossingen te kunnen verrichten, verplaatste zij zich meestal met paard en wagen. Een opvallend aspect in haar loopbaan is, dat zij, hoewel behorend tot de kleine protestantse gemeenschap in Limmen (Christiaan Kieft was kerkvoogd van de hervormde kerk aldaar), in de overwegend katholieke dorpen werd geaccepteerd en gewaardeerd.

Ontslag-affaire

Niettemin wordt Elisabeth betrokken in een vervelende ontslag-affaire, zoals blijkt uit een brief gedateerd 23 september 1905, aan Burgemeester en Wethouders (B&W) Castricum.
“Weledelachtbare Heeren!
Naar aanleiding van geruchten, als zou de Raad der gemeente Castricum er over denken mij met 1 januari 1906 als vroedvrouw te ontslaan, neem ik de vrijheid mij tot U te richten, met het beleefd verzoek, mij althans voor het komende jaar 1906 in mijne betrekking te handhaven. Afgezien van de overweging in hoeverre zulk een ontslag in overeenstemming is met het besluit voltrokken, welke ik destijds ben benoemd, meen ik op grond van een 23 jarige nauwgezette plichtsbetrachting, gegrond bezwaren te mogen hebben tegen een omslag, op zulk een kort termijn.
Wel is waar hebben zich door de vestiging van twee Doktoren, de toestanden ter plaatse van de verloskundige hulp in Uwe gemeente gewijzigd. Het is mij echter bekend dat Dr. Rentmeester geen verloskundige praktijk zal uitoefenen. terwijl mede ondersteld mag worden dat Dr. Schoonhoff evenwel de tarieven voor verloskunde hulp in Medische kringen gebruikelijk handhaven zal, en zoo de toestand wel gewijzigt, toch meen ik niet in die mate dat althans niet voor √©√©n jaar, een afwachtende houding zou kunnen worden aangenomen.”

De zaak heeft kennelijk te maken met het feit, dat zich in 1905 twee artsen in Castricum vestigen: Jacobus Rentmeester, die door Pieter Stolp als zijn opvolger wordt ge√Įntroduceerd en Yeb Schoonhoff, die zich “vrij” vestigt.
Dat Schoonhoff zijn oog heeft laten vallen op de verloskundige praktijk blijkt uit een korte brief van 26 september 1905 aan de Castricumse gemeenteraad, waarin hij “met verschuldigde eerbied te kennen geeft, dat hij voor eventuele benoeming van geneesheer der verloskundige praktijk te Castricum gaarne in aanmerking wenscht te komen”.

De kwestie van een mogelijk ontslag van Elisabeth Kieft-Slot loopt hoog op, gezien een rekwest van de Bond van Vrouwelijke Verloskundigen in Nederland aan de gemeenteraad van Castricum, gedateerd 28 oktober 1905. Het rekwest is opgesteld door twee vrouwelijke bestuursleden van de bond, die met verschuldigde eerbied te kennen geven:
“Dat het geven van liet ontslag aan de gemeentevroedvrouw E. Kieft-Slot is een onbillijke houding, die geen gegronde redenen tot grondslag heeft; dat door dit ontslag de Raad der Gemeente Castricum een onrechtvaardig besluit heeft genomen tegenover het grootste deel der bevolking dat prijs stelt op hulp van een vroedvrouw; dat door het verdwijnen der vroedvrouw uit Uw gemeente wordt in den hand gewerkt het uitoefenen van de verloskunde door onbevoegden; dat door het geven van het ontslag aan de vroedvrouw een grove onbillijkheid is begaan, omdat zij drie en twintig jaren steeds ten genoegen van den Raad en Gemeentenaren haar ambt heeft vervuld.
Reden waarom adressanten U eerbiedig verzoeken bedoeld besluit te herroepen of aan de ontslagene een jaarlijkse toelage te verschaffen van minstens 75 gulden voor trouwe dienstvervulling.
Adressanten zullen de vrijheid nemen de vraag en het antwoord te publiceren in verschillende bladen.”

Ondanks deze opmerkelijke vuist van de vakorganisatie, heeft de gemeente Castricum het ontslag doorgezet, gezien een brief van Elisabeth aan burgemeester en wethouders van Castricum, gedateerd 13 oktober 1906, dus vrijwel een jaar na het rekwest. Hieruit blijkt dat zij een onderhoud heeft gehad met de burgemeester van Castricum, over een nieuwe benoeming op de oude voorwaarden. Merkwaardigerwijs lijkt Schoonhoff, die aanvankelijk grote belangstelling voor de verloskundige praktijk toonde, aan het ‘eerherstel’ van Elisabeth te hebben bijgedragen. Hij verschijnt in de raadsvergadering van 18 september 1906 ten tonele en stelt, dat door het vertrek van zijn collega Rentmeester, de toestand weer zo is als ten tijde van dokter Stolp, met een te grote praktijk voor √©√©n arts en hij pleit voor aanstelling van een vroedvrouw.

Herbenoeming

In de raadsvergadering van 8 november 1906 komt de herbenoeming van Elisabeth aan de orde. Van een schadeloosstelling voor het jaar ”haar salaris niet genoten hebbende” wil de raad niets weten. Voorgesteld wordt dat Schoonhoff bij het aanstellen van een vroedvrouw in het salaris zal bijdragen. Als er in de raadsvergadering van 28 december 1906 opnieuw over de kwestie wordt gesproken, wordt gemeld dat Schoonhoff inderdaad bereid is in de salariskosten van een vroedvrouw bij te dragen (100 gulden gedurende 2 jaren), waarbij dan zijn gratis verloskundige hulp aan behoeftigen komt te vervallen en zal worden overgenomen door Elisabeth Kieft-Slot, die een nieuwe aanstelling krijgt.

Dit lijkt een gelukkig einde, maar de affaire heeft toch zijn sporen nagelaten, zoals men zou kunnen concluderen uit de notulen van de vergadering van de Castricumse gemeenteraad van 23 oktober 1907. In deze vergadering wordt door raadslid Duyn het 25-jarig jubileum van mejuffouw Slot als verloskundige gememoreerd. De voorzitter stelt een gratificatie uit de gemeentekas voor, maar hiervan wordt met 4 tegen 3 stemmen afgezien. Rancune blijkt ook uit een voorstel tot felicitatie, dat door de voorzitter wordt ontraden.


Jaarboek 17, pagina 19

Na haar herbenoeming oefent Elisabeth haar praktijk niet lang meer uit. In 1910 wordt ze ernstig ziek. Zij ondergaat een zware operatie in een ziekenhuis in Amsterdam en komt daar ook te overlijden. Het graf van deze vrouw, die ongetwijfeld veel heeft betekend voor de gezondheidszorg in Castricum, kan men nog aantreffen op het kerkhof van de hervormde kerk te Limmen.

Johanna Vahl, vroedvrouw in Castricum in de periode 1911 - 1931.
Johanna Vahl, vroedvrouw in Castricum in de periode 1911 – 1931.

Johanna J. Vahl, 1911-1931

Johanna Jeanetta Vahl, geboren 7 oktober 1882 in Heiloo, behaalde haar diploma als vroedvrouw te Groningen op 17 december 1910 en werd benoemd tot gemeentevroedvrouw te Castricum met ingang van 16 mei 1911. Ze was de opvolgster van Elisabeth Kieft-Slot. Een vroedvrouw in gemeentedienst werd verondersteld armlastigen gratis of tegen een geringe vergoeding te helpen en daarvoor werd haar door de gemeente een salaris betaald, dat in het geval van Johanna Vahl aanvankelijk 200 gulden per jaar bedroeg. Daarnaast had een vroedvrouw inkomsten van haar particuliere praktijk, waarbij soms een aanzienlijke concurrentiestrijd bestond met de plaatselijke artsen, die ook de verloskundige praktijk beoefenden en een belangrijke, vaak beslissende, stem hadden in de wijze waarop een bevalling moest verlopen. Johanna Vahl is een dergelijke concurrentie waarschijnlijk lange tijd bespaard gebleven, omdat de Castricumse arts Schoonhoff zich van de verloskundige praktijk nogal afzijdig schijnt te hebben gehouden en juist had gepleit voor de aanstelling van een vroedvrouw. Er zijn overigens vrijwel geen gegevens over de omvang van de verloskundige praktijk als die van Johanna Vahl, met uitzondering van een mededeling in 1929, als het gemeentebestuur aan de inspecteur van de volksgezondheid meldt, dat door mejuffrouw J. J. Vahl in november in 10 gevallen verloskundige hulp werd geboden, wat over een heel jaar gerekend zou neerkomen op assistentie bij ruim 100 bevallingen.

In latere jaren ondervond Johanna Vahl waarschijnlijk wel concurrentie van een arts als Leenaers, die de verloskundige praktijk niet schuwde. Mevrouw Scholten-Kloes, die van 1937 tot 1969 als vroedvrouw in Castricum werkzaam is geweest, doet over de concurrentie door de artsen vrij bitter: “De dokter hoefde op de vraag of een bevalling door een vroedvrouw zou mogen worden verricht maar even de wenkbrauwen op te trekken en met het hoofd te schudden en hij had weer een klant van de vroedvrouw afgesnoept.” Volgens mevrouw Scholten-Kloes was het bestaan van een vroedvrouw in een kleine gemeente als Castricum dan ook zeker niet ruim. Circa 80 bevallingen per jaar, waarvoor per bevalling 15 gulden werd ontvangen, was normaal. Dat ook Johanna Vahl met krappe inkomsten kampte, kunnen we opmaken uit de brief, die zij gedateerd 3 september 1922 aan het gemeentebestuur van Castricum stuurt, met het verzoek om verhoging van haar jaarsalaris van 750 naar 1.000 gulden, omdat zij “door minder gunstige toestand in deze gemeente, voor een deel hare verloskundige hulp voor een laag tarief moet verrichten, of in sommige gevallen zelfs zonder betaling moet helpen degene die in andere jaren steeds behoorlijk betaalden”.

Ze merkt nog op, dat ook Heiloo en Heemskerk reeds 1.000 gulden per jaar aan de vroedvrouwen betalen. Nog dezelfde maand wordt de salarisverhoging door de toch over het algemeen zuinige Castricumse gemeenteraad goedgekeurd.
Over een aantal bijzonderheden uit de loopbaan van de ongehuwd gebleven Johanna Vahl wordt bericht door Q. de Ruijter in zijn boek “Schippers van het Stel”. Hij uit zich zeer lovend en noemt Johanna Vahl door haar bekwaamheid en doortastendheid in de dorpsgemeenschap zeer gezien. Hij memoreert de slechte omstandigheden, waaronder zij haar werkzaamheden aanvankelijk moest verrichten, bij nacht en ontij op de fiets over slechte wegen, terwijl de families, die zij bezocht, niet beschikten over gas, elektriciteit en waterleiding.

Mejuffrouw Vahl, vroedvrouw met motorfiets.
Mejuffrouw Vahl, vroedvrouw met motorfiets rond 1930. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Verongelukt met motorfiets

Het feit, dat Johanna Vahl op een gegeven moment een motorfiets aanschaft, moet waarschijnlijk niet worden gezien als een teken van haar toegenomen welvaart, maar lijkt vooral bedoeld om haar praktijk naar omringende gemeenten uit te breiden en een beter inkomen te verkrijgen.
De motorfiets is er overigens op tragische wijze de oorzaak van dat Johanna Vahl op nog geen vijftigjarige leeftijd komt te overlijden. Nabij haar woning aan de Sifriedstraat kwam zij met haar motorfiets onder de tram van het Provinciaal ziekenhuis.
Wat de toedracht van het ongeluk betreft geeft het Noordhollandsch Dagblad nadere bijzonderheden: op maandag 3 augustus 1931 schrijft het blad:
“Omtrent het treurig ongeval dat mejuffrouw J.J. Vahl, verloskundige


Jaarboek 17, pagina 20

alhier, vrijdagmiddag overkwam vernemen we nader, dat het slachtoffer waarschijnlijk door een ogenblik afwezigheid niet voldoende had uitgezien of een trein naderde, met als gevolg dat de trein haar greep en zij geheel daaronder geraakte. Direct was geneeskundige hulp aanwezig. De wagen moest opgevijzeld worden om haar uit haar benarde positie te verlossen. Een ziekenauto uit Alkmaar was reeds gewaarschuwd. doch overbrenging naar het ziekenhuis kon niet meer plaatshebben, doordat zij een half uur na het ongeluk, in haar woning, welke vijftig meter verder is gelegen, aan de bekomen verwondingen is overleden.”

Het blad wijdt vervolgens nog lovende woorden aan Johanna Vahl:
“In mejuffrouw Vahl verliest deze gemeente een zeer geacht ingezetene. Als verloskundige stond zij zeer hoog aangeschreven, hetgeen ook wel bleek 7 jaren geleden. toen zij haar koperen jubileum vierde en allerwegen werd gehuldigd. Door haar pati√ęnten werd zij dan ook zeer gewaardeerd. Daarenboven deed zij vooral voor de arme pa1i√ęnten veel goeds, wat haar bij ieder in aanzien liet stijgen. De gehele gemeente is diep onder de indruk van het tragisch verscheiden.”
Johanna Vahl werd op de algemene begraafplaats bij de hervormde kerk begraven en vandaag de dag kunnen we daar haar wat vervallen grafmonument, gesierd door een gebroken zuil, nog aantreffen, dat volgens het opschrift werd geschonken door de vrouwen van Castricum.

Yeb Schoonhoff arts te Castricum in de periode 1905 - 1926.
Yeb Schoonhoff arts te Castricum in de periode 1905 – 1926.

Jacobus Rentmeester (1905-1906) en Yeb Schoonhoff (1905- 1926)

Op 4 augustus 1905 vestigt zich vanuit Utrecht in Castricum de arts Jacobus Rentmeester, die de praktijk van Pieter Stolp overneemt en ook Zorgvlied koopt. De in 1854 in Alkmaar geboren Rentmeester, die onder andere arts in het leger was geweest, voorzag niet de moeilijkheden, die zouden voortvloeien uit de vrijwel gelijktijdige vestiging in Castricum van de 31-jarige arts Yeb Schoonhoff, die aan de Universiteit van Amsterdam in oktober 1904 tot arts was bevorderd. Schoonhoff kwam op 9 augustus 1905 vanuit Bolsward naar Castricum en nam voorlopig zijn intrek in De Rustende Jager.

Wat de acceptatie van de beide artsen betreft blijkt zich al snel een controverse onder de Castricumse bevolking af te tekenen, die overwegend het gevolg lijkt te zijn van een verschil in de godsdienstige opvattingen van beide artsen: Rentmeester was van protestantse huize, terwijl Schoonhoff een zeer vroom rooms-katholiek was.

Reeds kort na zijn vestiging schrijft Rentmeester een wat trieste brief aan het gemeentebestuur, waarin hij stelt:
“Oorspronkelijk hier gekomen met ‘t plan een rustige praktijk uit te oefenen is mij thans ter oore gekomen dat mijn komst minder gewenscht was en men een katholieken dokter hier wilde hebben en zulks met ‘t oog op het feit. dat bijna alle ingezetenen katholiek zijn. Daar ik s1eeds een grote praktijk onder katholieken heb gehad en ‘t laatst nog 5 jaren ben werkzaam geweest in het St. Andreas gesticht in Utrecht, tot groote tevredenheid van de eerwaarde moeder overste, getuige een brief U ter lezing gegeven, is het mij nog nooit in gedachte gekomen, dat ‘het niet katholiek zijn’ voor mijn vestiging hier een bezwaar zou zijn.”
Hij merkt verder nog op, dat de praktijk van Stolp slechts een voldoende bestaan oplevert voor één geneesheer. Hij biedt aan om in de raadsvergadering te verschijnen om zijn standpunt nader toe te lichten en hoopt, dat daarvan het gevolg zal zijn, dat hij, evenals Stolp, belast zal worden met lijkschouw en vaccinatie en met de behandeling van de armen. Dit was echter een misrekening.

Conflicten in de gemeenteraad

Het conflict over beide artsen liep zo hoog op, dat door enkele raadsleden onder aanvoering van P. Duijn, een klacht, in de vorm van een adres aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, werd ingediend. Dit adres was het gevolg van de gang van zaken in een raadsvergadering van december 1905, waar met vier tegen twee stemmen het besluit was genomen om dokter Schoonhoff met de vaccinatie, doodschouw en armenverpleging te belasten. Op de vraag van √©√©n der raadsleden, “Waarom Schoonhoff en niet Rentmeester?” had een ander raadslid opgemerkt “Wij willen een roomsche docter”. Enkele raadsleden, waaronder Duijn, waren hierna van mening, dat bij de benoeming van Schoonhoff “motieven hebben voorgezeten, die hun inziens tot de ongeoorloofde behooren” en dienden genoemde klacht in. In de raadsvergadering van 27 februari 1906 komt de kwestie uitvoerig aan de orde. Er was bij deze vergadering aanvankelijk publiek aanwezig, wellicht representanten van pro-Rentmeester en pro-Schoonhoff groeperingen, maar de voorzitter wil de zaak “in comit√©” bespreken, “niet zozeer uit geheimhouding maar om de goede orde” en het publiek wordt verzocht zich te verwijderen.
De discussie spitst zich vervolgens toe op de vraag of de benoeming van Schoonhoff tot gemeentearts onwettig was. Men komt tot de conclusie van niet. Ook is men van mening, dat geen grievend onrecht aan Rentmeester is aangedaan.
Als aanleiding tot de moeilijkheden wordt de handelwijze van dokter Stolp genoemd, hoewel niet wordt aangegeven wat hierin verkeerd was. Waarschijnlijk wordt bedoeld, dat Stolp in het overdoen van zijn praktijk de gemeente niet had gekend en bovendien te veel verwachtingen bij Rentmeester had gewekt. In een volgende raadsvergadering wordt alles in der minne geschikt, terwijl bovendien Gedeputeerde Staten te kennen geven onbevoegd te zijn tot tussenkomst in het conflict.

'Hermana State', de in 1964 afgebroken woning van Yeb Schoonhoff aan de Dorpsstraat.
‘Hermana State’, de in 1964 afgebroken woning van Yeb Schoonhoff aan de Dorpsstraat.

Vertrek van Rentmeester

Voor Rentmeester was hiermee de kwestie echter niet ten einde. In het persoonlijke vlak had hij wellicht geen slechte verstandhouding met Schoonhoff, want hij verkoopt hem Zorgvlied en


Jaarboek 17, pagina 21

de achterliggende tuinen in 1906 en vertrekt in juli van datzelfde jaar met vrouw en kind naar Almelo.
Yeb Schoonhoff is nu de enige arts in Castricum, dat inmiddels ruim 2.200 inwoners telt. Hij trouwt in augustus 1906 te Bolsward met Petronella Bruinsma. Zijn eigenlijke aanstelling tot gemeente-arts vindt plaats op 28 december 1906, wanneer hij in de gemeenteraad verschijnt en de eed aflegt.
Schoonhoff toonde aanvankelijk belangstelling voor de verloskundige praktijk in Castricum, maar later draagt hij bij aan een soort eerherstel van de ontslagen vroedvrouw Elisabeth Kieft-Slot, zoals hiervoor besproken, omdat een dubbele taak hem te zwaar valt.
In zijn beginjaren zal het Schoonhoff niet ontgaan zijn dat de sterfte in Castricum vrij plotseling toenam. Stierven in 1908 van de circa 2.500 inwoners er 48, in 1911 was dit opgelopen tot 114 op ruim 3.200 inwoners (!). Oorzaak was de komst van Duin en Bosch, waar de sterfte aanvankelijk schrikbarend hoog was. De geschiedenis van Duin en Bosch wordt in een volgend jaarboekje afzonderlijk besproken.

Hermana State aan de Dorpsstraat met wellicht dokter Schoonhoff.
Hermana State aan de Dorpsstraat met wellicht dokter Schoonhoff. Dorpssttraat 76 in Castricum in 1925. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Gedurende zijn periode in Castricum blijft Schoonhoff op Zorgvlied wonen, dat hij omdoopt in Hermana State, een naam, die teruggaat op zijn Friese afkomst. De loopbaan van Schoonhoff in Castricum duurde meer dan 20 jaar en eindigde in het jaar 1926, waarin hij zich als arts terugtrok. Er leven nog Castricummers, die uit hun jeugd een vage herinnering aan hem hebben bewaard: een lange, statige man, zeer deskundig, maar in de omgang met pati√ęnten wat afstandelijk. Hij trok in Castricum veel aandacht als √©√©n van de eerste bezitters van een auto, een 3-wielige Hanomag, waarmee hij pati√ęnten bezocht.
Schoonhoff was ook een kunstzinnig man. Hij tekende, maakte houtsnijwerk en hield zich met stereofotografie bezig. Helaas zijn slechts enkele van zijn foto’s bewaard gebleven. Wat zijn werkzaamheden als arts betreft doet het verhaal de ronde, dat hij op zekere dag bij pati√ęnt Willem Baars werd geroepen, die onder de tram was geraakt en waarvan met spoed een been moest worden geamputeerd. Omdat hij op een dergelijke operatieve ingreep qua medische apparatuur niet was ingesteld gebruikte hij voor de amputatie primitief gereedschap uit een naburige stal.

Schoonhoff lid van de regionale gezondheidscommissie

In 1902 werden, als uitvloeisel van de Wet tot regeling van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid uit 1901, gezondheidscommissies ingesteld. Castricum maakte met Beverwijk, Wijk aan Zee, Assendelft. Akersloot, Limmen, Uitgeest, Heemskerk, de Egmonden, Heiloo, Oudorp. Bergen. Koedijk en Schoorl deel uit van de Noordhollandse Commissie III, met als zetel Beverwijk. Rond 1920 maakte Schoonhoff een aantal jaren deel uit van deze commissie en werd zijn medisch oordeel dus van belang voor de gehele regio geacht. Als zodanig had hij invloed op een groot aantal ontwikkelingen in de volksgezondheid, die kenmerkend waren voor het begin van deze eeuw. Naast Schoonhoff telde de commissie nog vijf leden, waaronder een apotheker en twee aannemers. Het lidmaatschap van aannemers is niet zo verwonderlijk, want de volkshuisvesting, waaronder het beoordelen van woningen, behoorde tot de onderwerpen waarover de commissie advies uitbracht en maatregelen voorstelde.
De commissie uitte zich hierover soms in harde bewoordingen, zoals in 1920 in een brief aan het gemeentebestuur van Beverwijk: “De toestand van het meerendeel der door ons bezochte woningen is zoodanig, dat de meeste voor onbewoonbaarverklaring, enkele voor herstellingen, in aanmerking komen.”

Toen de Zanderij werd afgegraven was de Mient nog onbewoond. Enkele arbeiders uit de omliggende polders die op de Zanderij werkzaam waren bouwden hier hun meestal schamele huisjes.
Toen de Zanderij werd afgegraven was de Mient nog onbewoond. Enkele arbeiders uit de omliggende polders die op de Zanderij werkzaam waren bouwden hier hun meestal schamele huisjes (rond 1900). Antje Breetveld, ook wel Zwarte Ant genaamd en Griet Miggel waren getrouwd met 2 van deze polderjongens zoals men de zandgravers toendertijd betitelde. In 1914 werden de vervallen bouwsels afgebroken. Voor het huis de vrouwen in klederdracht en links het huisje van Jan Vader. De behuizing is hoewel schilderachtig vooral primitief. Het huisje van Jan Vader was geen officieel caf√©. Veel jongelui legden hier een kaartje. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

En even verder:
“Het heeft ons getroffen, dat hoewel door onze Commissie reeds geruimen tijd geleden over een tweetal plannen tot bouwen van volkswoningen advies is uitgebracht, tot nu toe voor de uitvoering dier plannen geen spade in den grond is gestoken. Van de ernstige gevolgen, die uit de bestaande wantoestanden kunnen voortvloeien is Uw College ongetwijfeld nier minder overtuigd dan onze Commissie. Het geldt hier gevaren voor de volksgezondheid op moreel en physiek gebied. meer in het bijzonder wat beteft de kinderen. Het is de Commissie opgevallen, dat de kleine kinderen in deze woningen er in het algemeen zwak, ongezond, suf, vuil uitzien. Bij de heerschende overvulling, de zeer onvoldoende woonruimte, onbehoorlijke gelegenheid tot slapen in kasten, op de vloeren, in duffe, duistere, vochtige overvulde bedsteden, kan van een behoorlijke verzorging in het algemeen geen sprake zijn. Hoewel de Commissie erkent, dat in sommige gevallen de bewoners zelven schuld hebben aan de bijna walgelijke vervuiling en den toestand van verval van enkele woningen. zoo moet hier toch het bestaan van een wisselwerking tusschen bewoners en her milieu, waarin zij verkeeren, niet uit het oog verloren worden. Er gaat van het langdurige wonen in een overvulde, havelooze, duffe omgeving in vervallen huizen, een nederdrukkende, desorganiserende werking uit op her gezin en bewoner.”

Sommige taken van de commissie doen ook nu nog modern aan. Zo werd bijvoorbeeld wat betreft de relatie tussen besmettelijke ziekten en hygi√ęne over de toestand van bodem, water en lucht gerapporteerd. De aanleg van waterleiding en riolering waren in dit verband punten van aandacht.

Dokter Leenaers voor de deur van Abdij van Egmond.
Dokter Leenaers voor de deur van Abdij van Egmond aan de Abdijlaan te Egmond-Binnen, rond 1944. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Vertrek Schoonhoff

Op 27 mei 1926 schrijft Schoonhoff een korte brief aan de gemeenteraad, waarin hij meedeelt zijn praktijk te hebben neergelegd en waarin hij verzoekt om ontheffing als gemeente-arts. Op 9 juli 1926 volgt het raadsbesluit tot eervol ontslag van Schoonhoff en wordt tevens het besluit genomen tot benoeming van H. M. J. M. Leenaers tot gemeentearts. Schoonhoff nam ontslag op 52-jarige leeftijd, niet om als arts opnieuw een carrière te beginnen, maar kennelijk als een vervroegde pensionering, om zich met zijn niet-medische interesses bezig te kunnen houden. Hij kon zich dit permitteren, omdat hij niet onbemiddeld was, wat waarschijnlijk niet zozeer met zijn Castricumse praktijk, clan wel met de nalatenschap van zijn vader te maken had. Hij onderneemt nu reizen met een


Jaarboek 17, pagina 22

religieuze inslag naar het buitenland, onder andere naar Lourdes. Ook vertaalt hij religieuze geschriften.
Yeb Schoonhoff woonde de laatste jaren van zijn leven in missiehuis St. Xaverius te Driebergen en stierf daar in oktober 1954 op 85-jarige leeftijd. Zijn vrouw was 6 jaar eerder overleden. Het echtpaar had geen kinderen.

‘Secundaire’ gezondheidszorg

Aan het einde van de vorige eeuw en vooral in het begin van deze eeuw kwamen vormen van gezondheidszorg op, waarin artsen slechts een beperkt aandeel hadden. De opkomst van kruisverenigingen, met de daaraan gekoppelde wijkverpleging en kraamzorg kunnen als een voorbeeld worden genoemd. Op de Castricumse kruisverenigingen wordt in een afzonderlijk artikel ingegaan.
Ook de gemeenten trokken steeds meer zaken betreffende de gezondheidszorg naar zich toe. Zo treft men al vanaf circa 1850 in gemeentelijke politieverordeningen een hoofdstuk ‘Gezondheidspolitie’. In de periode Schoonhoff komen hierin wat betreft Castricum een groot aantal bepalingen voor. We geven enkele voorbeelden. Bij het uitbreken van besmettelijke ziekten, hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om de verkoop van groente, fruit en melk aan banden te leggen. Het is verboden om binnen 30 meter van de bebouwde kom een verzameling van mest of ander vloeibaar vuil aan te leggen. Vloeibare meststoffen mogen uitsluitend in bakken, kuipen of tobben worden vervoerd, die waterdicht zijn. Er mag geen vee worden gehouden “hetwelk merkelijke stank of luchtbederf veroorzaakt”. Kinderen, die aangetast zijn door open tuberculose, hoofdzeer, schurft, kinkhoest, mazelen of een kwaadaardige oogontsteking mogen niet naar school totdat de ziekte volgens de verklaring van een geneesheer geweken is. Het is verboden goederen uit huizen te vervoeren, waar een besmettelijke ziekte heeft geheerst, tenzij van gemeentewege ontsmetting heeft plaatsgevonden. Het is verboden aan kinderen beneden de 15 jaar tabak, sigaren of sigaretten te verkopen.

De was- en centrifugeerafdeling van Stoomwasserij Blanka in 1925 aan de Gasstraat 1 in Castricum.
De was- en centrifugeerafdeling van Stoomwasserij Blanka in 1925 aan de Gasstraat 1 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Sommige bepalingen doen opvallend modern aan. Zo mogen wasserijen hun afvalwater niet afvoeren, zonder het te hebben ‘geklaard’ via een bezinkingsmethode, waarbij het bezinksel in een gegraven gat in de grond moet worden gestort. Meer algemeen is het fabrikanten verboden om zonder vergunning stoffen , die het water verontreinigen “onmiddellijk in de wateren binnen de gemeente te doen of laten vloeien of daarin te doen of te laten brengen”.
Schoonhoff maakte, zoals we zagen, deel uit van een geneeskundige commissie in Beverwijk, die zich onder meer bezig hield met grotere en duurdere projecten in de ‘secundaire’ gezondheidszorg, zoals het verbeteren van de huisvesting en het bevorderen van de hygi√ęne via de aanleg van riolering en waterleiding. Wat dit laatste betreft liep de gemeente Castricum zeker niet voorop, een situatie die ook Schoonhoff niet heeft kunnen veranderen.

Riolering

De geschiedenis van de riolering in Castricum begint omstreeks 1912, als het gemeentebestuur aan het provinciaal bestuur vergunning vraagt tot aanleg van riolering in de rijksweg Haarlem – Alkmaar. In januari 1913 wordt de vergunning verleend, die later nog eens wordt verlengd tot januari 1916.
Er volgen niettemin een aantal jaren, waarin kennelijk niets gebeurt, tot door de gemeente in 1925 aan het Technisch Adviesbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opdracht wordt gegeven een rioleringsplan te ontwerpen. Dit plan, dat eind 1925 door de raad werd vastgesteld, voorzag in een uitvoering in fasen.
Volgens een opgave van de gemeente aan het Bureau voor Statistiek in Den Haag, was er in Castricum in 1933 nog slechts een partieel (red: gedeeltelijk) rioleringsstelsel. De lengte van het hoofdriool was in 1932 350 meter en in 1933 kwam daar 797 meter bij. Het aantal aangesloten woningen was toen 129.

De aanleg van een nieuw riool in 1965.
De aanleg van een nieuw riool in 1965. De Ruiterweg met aan de rechterkant de Hoogevoort en na het huis rechts de burgemeester Boreelstraat dan de telefooncentrale. Foto Paul Honigh. Toegevoegd.

De raad stelde in 1938 een krediet beschikbaar voor omvangrijke rioleringswerken van 200.000 gulden en toen pas werd aan de aanleg van een rioleringsstelsel voor heel Castricum voortvarend uitvoering gegeven.
Niettemin waren er volgens het Nieuwsblad voor Castricum anno 1979 nog 60 woningen in Castricum zonder riolering. Het ging onder andere om woningen aan De Puikman, Oude Haarlemmerweg, Doodweg en in Bakkum Noord.


Jaarboek 17, pagina 23

De firma Borst deed aan grondwerk bij de aanleg van waterleidingen door Noord-Holland.
De firma Borst deed aan grondwerk bij de aanleg van waterleidingen door Noord-Holland. Johannes Wilhelmus (Jo) Borst, geboren in Schagen 25-6-1885, was in 1912 houder van cafe De Onderneming aan de Heereweg (nu nummer 12), vrachtrijder, aannemer van bronbemalingen en aanleg hoofdwaterleidingen.

Waterleiding

De aanleg van waterleiding in Castricum verliep zo mogelijk nog trager. Het oudste aangetroffen archiefstuk in dit verband is een brief van de Gezondheidscommissie te Beverwijk gericht aan een aantal gemeentebesturen in juli 1912, met het voorstel om een commissie te vormen voor de stichting van een waterleidingnet ten behoeve van Castricum en omringende plaatsen. In de commissie zouden onder andere zitting moeten nemen de burgemeesters van de aangeschreven gemeenten.
Het voorstel tot oprichting van de commissie vloeide voort uit een circulaire van de Commissaris der Koningin uit 1911 , waarin bij de aanleg van een waterleiding samenwerking tussen de gemeenten werd bepleit, “daar iedere gemeente bezwaarlijk zelf de aanleg ter hand kon nemen”.
Als argument voor de noodzaak van aanleg van een waterleiding werd ook genoemd de droge zomer van 1911, die problemen schijnt te hebben gegeven.

Hoe het de commissie verging is niet duidelijk, maar in augustus 1914 komt er een rapport van een medewerker van de Bussumse Waterleiding-Maatschappij beschikbaar “inzake aanleg en exploitatie van een waterleiding voor de gemeenten Castricum, Uitgeest, Akersloot en Limmen”, met een gedetailleerde tekening van de loop der leidingen en berekeningen over de capaciteit.
Er werd in deze periode ook een Rijksbureau voor Drinkwatervoorziening ingesteld, met als directeur J. van Oldenborgh, dat vrijwel onmiddellijk na oprichting kwam met een plan voor centrale drinkwatervoorziening in Noord-Holland, omvattend 39 gemeenten.
Eén en ander heeft met betrekking tot Castricum niet veel uitgehaald, want jaren later, in 1922 is er nog steeds geen waterleiding. Dit blijkt uit de notulen van een besloten raadsvergadering over een mogelijke aansluiting van Castricum op het waterleidingnet, waarbij vertegenwoordigers van het in 1919 opgerichte PWN de raadsleden uitvoerig informeren.
Op 3 april 1923 schrijft het gemeentebestuur aan de directeur van het PWN dat de gemeenteraad heeft besloten om niet tot aansluiting op het waterleidingnet over te gaan.
Deze afwijzing was puur politiek bedoeld, om van het PWN “gunstiger voorwaarden voor de levering van water re bekomen”. Een vraag, die aan de orde komt is of het PWN de bevoegdheid heeft water van niet-aangeslotenen te keuren, zoals in Uitgeest is gebeurd. De burgemeester stelt, volgens de raadsnotulen, met grote pertinentie ‘van niet’. Ook naar de rol van de Gezondheidscommissie in Beverwijk wordt gevraagd. Volgens de burgemeester heeft deze alleen een adviserende stem, die het gemeentebestuur naast zich neer kan leggen.
Uit √©√©n en ander spreekt irritatie bij het gemeentebestuur over de druk, die van buiten af wordt opgelegd, om tot realisatie van een waterleiding te komen. Toch heeft deze be√Įnvloeding succes, want in de raadsvergadering van 17 maart 1925 deelt de voorzitter mee, dat werkloze tuinders voor de aanleg van een waterleiding zullen worden ingeschakeld.

Bewijs van koepok inenting, afgegeven door dokter Schoonhoff in 1910.
Bewijs van koepok inenting, afgegeven door dokter Schoonhoff in 1910.

De aanleg van een Castricums waterleidingsysteem krijgt in de periode 1925 tot 1929 gestalte en er komt een aansluitingsplicht, hoewel in 1929 nog honderden percelen in Castricum, onder andere aan de Rijksstraatweg en de Mient, niet aangesloten zijn. Er wordt in een schrijven van de kant van het gemeentebestuur gedreigd met sancties. Om dit kracht bij te zetten laat het gemeentebestuur door de Keuringsdienst van Waren te Alkmaar analyse rapporten opmaken over de kwaliteit van het water in de niet-aangesloten percelen.
In 1930 verleent het gemeentebestuur niettemin een aantal ontheffingen der Bouw- en Woningverordening tot aansluiting aan het waterleidingnet, voor percelen, waar de analyse resultaten niet negatief uitvielen.
De ontheffingen vormen één van de oorzaken, dat het nog lang duurde, voordat alle Castricumse gezinnen over waterleiding konden beschikken.

Huisje aan de Bleumerweg in Castricum is niet aangesloten op (onder meer) waterleiding.
Aan het einde van de Bleumerweg in Castricum voorbij de spoorlijn woonden in het spoorhuis de 39-jarige spoorbeambte Tjidre Scheltinga met zijn vrouw Arnolda van Dinter en zes kinderen. Het spoorhuis is inmiddels vele jaren geleden gesloopt. Nog voor de spoorlijn stond in 1930 aan de zuidzijde van de Bleumerweg een huisje dat niet meer werd bewoond en als schuur in gebruik was. Hier woonde tot aan het einde van de jaren (negentien) twintig Gert Kuijs, tuinder en gemeenteraadslid, gehuwd met Aagje Admiraal. Nadien is op deze plaats een nieuw huis gekomen, dat ook nu nog niet is aangesloten op het gas-, waterleiding- en elektriciteitsnet.

In 1954 bijvoorbeeld is er nog steeds een aantal percelen, onder andere aan de Kronenburgerlaan, Oosterbuurt en Doodweg, waar men gebruik maakt van regenwater of opgepompt welwater.

De ziekenbarak, gebouwd in 1913 en afgebroken in 1943, aan de Oude Schulpweg in Castricum.
De ziekenbarak, gebouwd in 1913 en afgebroken in 1943. Het uit 1914 daterende stenen gebouw stond officieel aan de Oude Schulpweg en de plaats zou tegenwoordig op het terrein van de in 1955 in gebruik genomen begraafplaats Onderlangs moeten worden gezocht. Het dankte zijn naam aan het doel waarvoor het gebouwd was: het isoleren van lijders aan besmettelijke ziekten.

De ziekenbarak

De geschiedenis van de Castricumse ziekenbarak is opnieuw illustratief voor een gemeentebestuur, dat zich moeilijk laat overtuigen van de noodzaak van voorzieningen op het gebied van de volksgezondheid. Waarschijnlijk speelden in deze houding van het gemeentebestuur toch vooral, op zichzelf respectabele, financi√ęle overwegingen een rol. Een discussie, om in Castricum een ziekenbarak op te richten, dat wil zeggen een lokaliteit voor isolering en behandeling van lijders aan besmettelijke ziekten, kwam al in de vorige eeuw op gang.

In 1874 vraagt de Geneeskundig Inspecteur van Noord-Holland, Teixeira de Mattos, aan de burgemeester of er in Castricum een ziekenbarak bestaat.
De burgemeester antwoordt, dat er geen lokaal in Castricum is voor lijders aan besmettelijke ziekten, maar dat het Armenbestuur in het bezit is van een loods, die eventueel ingericht zou kunnen worden voor verpleging van 40 tot 50 personen. Het vervolg van de geschiedenis is niet duidelijk, maar tot realisatie van het loodsplan lijkt het niet te zijn gekomen.

In de periode Schoonhoff speelt vanaf 1910 de oprichting van een ziekenbarak voor lijders aan besmettelijke ziekten opnieuw. Overheidsinstanties (onder andere het provinciaal bestuur) zijn in hun angst voor besmettelijke ziekten vrij fanatiek in het streven tot oprichting van dergelijke voorzieningen, terwijl het gemeentebestuur van Castricum vrijwel niets nalaat om de bouw van een dergelijke voorziening, die geld kost, tegen te houden. Castricum wordt echter onder druk gezet. In november 1911 schrijft het provinciaal bestuur aan het gemeentebestuur, dat onderzoek aan het licht heeft gebracht, dat er in Castricum geen ziekenbarak aanwezig is. Er wordt op aangedrongen “de bouw van een inrichting van meer duurzaam karakter ernstig te overwegen. Te meer is de gelegenheid hiertoe thans gunstig, nu ook in de aangrenzende gemeente Limmen plannen tot de bouw van een ziekenbarak aanhangig zijn”.
Inderdaad stelt het gemeentebestuur van Limmen bij dat van


Jaarboek 17, pagina 24

Castricum een samenwerking voor bij het stichten van een gemeenschappelijke ziekenbarak.
In 1912 vindt hierover een gesprek plaats tussen de burgemeester van Castricum en de Commissaris van de Koningin in Noord-Holland. Kennelijk heeft de burgemeester zich nu definitief van de onontkoombaarheid van een ziekenbarak laten overtuigen, want in januari 1913 komt het tot een aanbesteding van de bouw van een ziekenbarak met woning op een plek ter hoogte van de huidige begraafplaats Onderlangs.

De oplevering van het gebouw, dat zal bestaan uit 2 verdiepingen, zal plaats vinden binnen 4 maanden na gunning. Op 26 februari 1914 wordt in de vergadering van de gemeenteraad besproken, dat dokter Schoonhoff heeft aangedrongen de inmiddels gebouwde ziekenbarak op orde te brengen met in het raadhuis opgeslagen meubilair, in verband met een geval van diphteritis (red: keelontsteking). Een der raadsleden ‘is van gevoelen’, dat het geval van diphteritis niet in de barak thuishoort en dat verpleging thuis kan geschieden. Inrichting van de ziekenbarak en verpleging brengen hoge kosten met zich mee, die door niet in te richten kunnen worden vermeden. De gemeenteraad besluit hierop inrichting van de ziekenbarak voorlopig uit te stellen. De ziekenbarak blijft een blok aan het been van het gemeentebestuur en in juni 1914 wordt besloten tot een onderhandse verhuur van de voorwoning, tegen een huurprijs van twee gulden per week.

Op 1 september 1914 meldt de burgemeester in de raadsvergadering met een soort tegenzin, dat de ziekenbarak in gebruik is genomen. Hij werd voor dit feit gesteld en daaraan was moeilijk te ontkomen. Burgemeester en wethouders menen nu de raad te moeten voorstellen om van de personen, die in de barak verpleegd worden, een vergoeding te vragen van 1,50 per dag voor een volwassen persoon en 1 gulden voor een kind tot 12 jaar. Dit voorstel wordt goedgekeurd.
In 1914 stelt Het Witte Kruis voor om de exploitatie van de ziekenbarak over te nemen, maar de gemeente gaat er niet op in.
De kosten van exploitatie van de ziekenbarak blijven zorgen baren. Uit de raadsvergadering van 24 maart 1915: “De voorzitter zegt, dat het gebleken is, dat de verpleging in de ziekenbarak van diphreriris gevallen met groote kosten gepaard gaan. Spreker zegt, dat de laatst voorgekomen gevallen nier van ernstigen aard zijn geweest en zou willen voorstellen in her vervolg alleen bij ernstige gevallen de ziekenbarak beschikbaar te stellen …”

Een kijkje vanaf het pad naar de ziekenbarak de Kramersweg in.
Een kijkje (1930) vanaf het pad naar de ziekenbarak de Kramersweg in. Links is een reclamebord te zien van Piet Bakker, de gistboer en in het eerste huis rechts vinden we het winkeltje van Jaap Stuifbergen. Naast dat huis liep het Onderlangs en er tegenover kwam het Slingerpad op de Kramersweg uit. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In de raadsvergadering van 5 april 1916 wordt medegedeeld, dat zich enkele huurders voor de ziekenbarak hebben gemeld. De heer Schoen wordt als huurder aangenomen tegen een huur van 1,50 per week en onder voorwaarde van het schoonhouden der barak. De indruk bestaat, dat de ziekenbarak omstreeks deze tijd geheel opgehouden heeft om dienst te doen voor het oorspronkelijk doel en nog slechts voor behuizing van min of meer armlastige Castricummers in gebruik is. Het gebouw werd in 1943 gesloopt.

Malaria

Malaria was in de vorige eeuw en ook gedurende een periode aan het begin van deze eeuw een inheemse ziekte, vooral in het waterrijke Noord-Holland. Men deed veel, in onze ogen soms bizar aandoende pogingen, om de ziekte te bedwingen.
In de winter van 1922 wordt in Noord-Holland bijvoorbeeld een campagne gevoerd om de malaria te bestrijden, waarbij een 25-tal ‘districtsmuggenploegen’ zijn ingeschakeld. De geneeskundig inspecteur Aldershoff gaat in op een aantal gebreken van de ‘veldtocht’. Zo was het moeilijk om voor het verdelgingswerk geschikte personen te vinden, omdat niemand enige ervaring had. Ook liet de werklust van de muggenverdelgers het wel eens afweten, vooral omdat er onvoldoende controle op de werkzaamheden was. In Sijbekarspel zouden de muggenverdelgers volgens de pers slechts gokspelletjes hebben gespeeld. Ook de burgemeesters zijn van oordeel, dat een strengere controle op de muggenploegen noodzakelijk is.

Uit het feit dat in het voorjaar 1922 veel malaria optreedt, leiden ook geneeskundigen af, dat de campagne is mislukt. Deze conclusie is echter volgens Aldershoff te voorbarig. Pas in de zomer zal duidelijk worden wat het effect is geweest. Hij doet een oproep om in de persoonlijke sfeer in ieder geval met de bestrijding door te gaan: het doden van muggen in huis en vooral ook in stallen, waarbij voor het vangen bijvoorbeeld een dot op een stok, gedrenkt in petroleum kan worden gebruikt. Aldershoff verzoekt de gemeenten om een bijdrage van 5 cent per inwoner voor de verdere campagnes.
In 1928 heerst de malaria nog steeds en treffen we in de Castricumse Courant een advertentie van een nieuw opgerichte Commissie voor de Malariabestrijding: “Ziet ge muggen, lang van poot, aarzelt nier, maar slaat ze dood”. Deze commissie bracht verschillende malen een jaarverslag uit. In het verslag uit 1929 lezen we, dat de commissie 12 leden telt, waaronder burgemeester Lommen uit Castricum, die zitting heeft als vertegenwoordiger van het Wit-Gele Kruis.

Noord-Holland is wat de muggenplaag betreft verdeeld in 11 districten. Castricum behoort tot district VII, met onder andere Alkmaar, Uitgeest, Limmen, Graft en Oudorp, waar zich 40 tot 60 sterftegevallen aan malaria per 10.000 inwoners voordoen, wat boven het provinciale gemiddelde ligt. Over district VII merkt het jaarverslag op, dat het percentage ‘ontmuggers’ zeer gering is: “Voor een deel is dit een gevolg hiervan, dat de propagandist alleen dan melding maakt van zelfontmuggers, als hij absoluut zeker is, dat de ingezetenen werkelijk de muggen verdelgen en dan wel in alle vertrekken”.

Het verslag is soms lachwekkend gedetailleerd. Zo werden in 1929 in de gemeente Castricum door de voorlichters 239 gezinshoofden bezocht, waaronder zich slechts tien ‘zelfontmuggers’ bevonden. Hiervan maakten voor het vangen van de muggen twee van Flit (red: een insecticide), vier van petroleum, twee van creoline en twee van een doek gebruik. Men spreekt de hoop uit in district VII meer medewerking van de bevolking te krijgen.
Wat voorlichting aan het publiek betreft werd door de commissie een aantal middelen in de strijd geworpen.


Jaarboek 17, pagina 25

Er werd gedemonstreerd met verdelgingsmiddelen. Een door Jac. P. Thijsse geschreven boekje ‘Van Muggen en Malaria’ en het vlugschrift (red: folder) ‘Geen Muggen, Geen Malaria’ werden verspreid. Een malariafilm werd vertoond en er was ook een strijdzang. Bij de huisbezoeken werden propagandaplaten en wandspreuken uitgereikt.

Een meer grootschalige aanpak van de muggenplaag was het paraffineren van sloten. Dit kwam neer op het besproeien van het wateroppervlak met paraffine, als de sloten in de loop van juni met grote aantallen muggenlarven waren bezet. Er werd zodanig gesproeid, dat het water met een dun laagje paraffine, circa 5 gram per vierkante meter, werd bedekt. Deze werkwijze had gunstige resultaten. Bij onderzoek bleek, dat alle behandelde sloten vrij van larven waren. In een campagne werd soms meer dan 1.500 kg paraffine verbruikt, wat inbegrepen het loon van de besproeier ongeveer 700 gulden aan kosten betekende.
Ondanks dit soort bestrijding duurde het nog een aantal jaren voordat de malaria definitief was bedwongen.
Castricum liet zich over het algemeen niet zo veel aan de bestrijding gelegen liggen. Zo spreekt een lid van de Begrotingscommissie in de raadsvergadering van 12 december 1936 zijn verwondering er over uit, dat de gemeente geen subsidie heeft verstrekt aan de Commissie voor Malariabestrijding. De gemeenteraad voelt er echter niets voor, gezien de financi√ęle toestand der gemeente. Bovendien, zo wordt opgemerkt, geven slechts 24 gemeenten in Noord-Holland een subsidie, die bovendien niet verplicht is.

Tuberculose (TBC)

In Nederland heerste TBC, in de volksmond ook tering genoemd, al volop in de vorige eeuw. Alle in dit artikel besproken Castricumse artsen werden met de ziekte geconfronteerd.
Het gemiddelde landelijke sterftecijfer in 1850 was 384 per 100.000 inwoners. In de 19e eeuw werd een zacht kustklimaat voor tuberculose-pati√ęnten het meest gewenst geacht, speciaal de kusten van de Middellandse Zee. Daarnaast ontstonden er sanatoria, onder andere in Duitsland en Zwitserland, bijv. Davos in 1860. Men meende, dat het klimaat en de zuivere lucht bevorderlijk zouden zijn voor de genezing van longtuberculose. De naam Davos kreeg een magische kracht voor tuberculose-lijders uit heel Europa, vooral voor de kapitaalkrachtigen.

Behandeling van tuberculose is lange tijd gebaseerd gebleven op versterking van de afweerkrachten van het lichaam, onder andere door een langdurige rustkuur, die systematisch en streng moest worden doorgevoerd met veel eten, terwijl ook zonbehandeling deel kon uitmaken van de therapie. Vroeger vormden een belangrijke bron van besmetting rauwe melk en produkten daarvan gemaakt, afkomstig van met TBC besmette koeien. De ziekte maakte dan ook op het platteland meer slachtoffers dan in de steden. In 1900 is het sterftecijfer in Nederland 200 per 100.000 inwoners. In 1940 is dit gedaald tot circa 40, om in de oorlog weer te stijgen tot circa 90. Na de oorlog is de daling nog sterker. Rond 1950 is het sterftecijfer circa 20, rond 1960 3 en in 1970 kleiner dan 2.
Tuberculose was lange tijd een zeer groot maatschappelijk probleem. De eerste organisaties voor bestrijding ontstonden in 1903. Als overkoepelend orgaan werd in 1903 opgericht de Nederlandse Centrale Vereniging tot bestrijding der Tuberculose (NCV), die zich als doel onder andere stelde de bevordering van wetenschappelijk onderzoek naar TBC, het inzamelen van geld door de jaarlijkse Emmabloem-collecte, de kerstzegelactie en het aanwenden van het geld voor verpleging via verpleegfondsen. Ook richtte de vereniging consultatiebureaus op en organiseerde zij later periodiek röntgenologisch bevolkingsonderzoek.

In 1908 werd de Noordhollandse Vereniging tot Bestrijding van Tuberculose (NHV) opgericht, met als mede-oprichters de bovengenoemde NCV en Het Witte Kruis. Eind 1908 waren er 64 Witte Kruisafdelingen lid. Aanvankelijk was het, volgens het Gedenkschrift ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de NHV, niet gemakkelijk de Witte Kruis afdelingen tot intensieve arbeid te bewegen. “Men meende met het verschaffen van een sputumflacon (red: voor opvangen van speeksel bij hoesten) en een ligtentje zijn arbeid te hebben gedaan”. Om de inspanningen te intensiveren werden cursussen georganiseerd voor huisbezoeksters, die tot taak kregen gezinnen van TBC-lijders op te sporen een aanbevelingen te doen om de verdere verspreiding van de ziekte tegen te gaan. Vooral op het platteland stuitte men op ‘laksheid’, wat wordt toegeschreven aan de ingewikkelde verhoudingen op het gebied der wijkverpleging: Het Witte Kruis, de Diaconale Gezinsverpleging en het Wit-Gele Kruis werkten veelal naast elkaar, zonder de nodige samenwerking. In 1924 werd Noord-Holland ingedeeld in 4 districten en werden er in een aantal plaatsen consultatiebureaus opgericht, onder andere in Beverwijk.

De tuberculose heeft, mede door de slechte hygi√ęnische omstandigheden en de armoede, ook in Castricum veel slachtoffers gemaakt. Door de besmettelijkheid waren vaak meerdere gezinsleden het slachtoffer. Dit vloeide ook voort uit de eetgewoonten van een deel der bevolking. Men gebruikte geen borden. Er werd een pan met aardappelen of stamppot op tafel gezet met in het midden een ‘dooplokje’, een schaaltje met vet of jus waar ieder zijn aardappelen in doopte, dus kans op besmetting via het speeksel te over. De gezondheidsraad formuleerde ook waarschuwende spreuken , zoals “Het is en blijft een vaste wet, geen pomp naast een riool gezet” en “Waar men de kamer veel laat luchten, daar gaan ook ziektekiemen vluchten”. Het TBC-vrij maken van het rundvee en het ontwikkelen van effectieve geneesmiddelen leverden een belangrijke bijdrage aan de afname van de tuberculose.

Henri M.J.M. Leenaers, 1926-1943

Op 1 april 1926 nam de arts Henri Maria Jozeph Michel Leenaers de praktijk van Yeb Schoonhoff over. Hij nam overigens niet zijn intrek in Hermana State, dat in juni 1926 door Schoonhoff was verkocht, maar huurde tijdelijk Huize Maja aan de Mient, het tegenwoordige (red: anno 1994) hotel-restaurant Kornman.

Dokter Leenaers betrok eerst Huize Maja.
Dokter Leenaers betrok eerst Huize Maja, het latere Hotel-Restaurant Kornman, toen Mezza Luna, nu Steakhouse Bij de Buurvrouw.. Hij huurde het van de heer Claasen die in het toenmalige Nederlands-Indie verbleef. Hij liet er een tijdelijke houten garage naast zetten. Het huis werd in 1908 gebouwd in opdracht van de heer J.P. Kraak. In 1929 werd het voor de eerste keer gedeeltelijk aangepast tot cafe en pension. Dokter Leenaers heeft later een nieuw huis laten bouwen aan de andere kant van de Mient (nummer 50 of 52). Schuin tegenover (iets ten zuiden van) de huidige Dokter Leenaersstraat, destijds heette dat het Dokterspad (een zwart gruispad). Pentekening van Sijf Portegies. Toegevoegd.

Later liet hij een praktijkwoning aan de Mient bouwen met de naam ‘Op ‘t Sant’, die niet meer bestaat en gelegen was in de nabijheid van het huidige Dr. Leenaershuis.

Door aannemer Jan Houtenbosch werd een nieuwe praktijkwoning gebouwd aan de Mient in Castricum, die de naam Op 't Sant kreeg.
Door aannemer Jan Houtenbosch werd een nieuwe praktijkwoning gebouwd aan de Mient in Castricum, die de naam Op ‘t Sant kreeg, Iets ten noorden van deze plaats zou later het naar hem genoemde wijkgebouw verrijzen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Bij zijn komst naar Castricum was de katholieke Leenaers, die in 1926 afstudeerde aan de Universiteit van Amsterdam, 25 jaar. Hij trouwde in 1926 met Henclrica de Jongh, een zuster van de latere Castricumse arts A.P.W.A.M. de Jongh. Uit het huwelijk werden vijf kinderen geboren. Leenaers was, volgens Castricummers die hem nog hebben gekend, een joviale, extroverte figuur.
Hij was apotheekhoudend arts en zijn drukke praktijk, die zich uitstrekte tot Egmond, omvatte de verloskunde, de medische zorg voor kampeergasten en voor kinderen in vakantietehuizen, het adviseren van het Wit-Gele Kruis en het geven van EHBO-lessen. Leenaers trok evenals zijn voorganger Schoonhoff van leer tegen slechte woonomstandigheden. In een interessant rapport uit 1928 over een uitbreidingsplan van Castricum wordt hierover opgemerkt:
“Volgens het oordeel van den gemeentearts laten de slaapgelegenheden in de huizen, bewoond door groote gezinnen te wenschen over. De gemeenrearts schatte, op grond van zijne uitgebreide kennis der woningtoestanden in deze gemeente, het percentage der woningen, waar geslapen wordt in bedsteden zonder direcre verluchring, op vijftig procent van het totaal aantal woningen.”


Jaarboek 17, pagina 26

Het 25 jarig bestaan van de vereniging werd gevierd in Hotel De Rustende Jager. Foto met dokter van der Sluis.
Het 25 jarig bestaan van de vereniging werd gevierd op 9 januari 1954 in Hotel De Rustende Jager. Onderste rij, de heer Zonneveld, mevrouw Boots, dokter van der Sluis, de heer S. Veenstra, onbekend , onbekend , onbekend. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Johan Chr. van der Sluis, 1931-1944

In de periode Schoonhoff groeide het aantal inwoners van Castricum van 2.000 tot ruim 5.000 en het is dus niet verwonderlijk, dat opnieuw een arts in Castricum een bestaan meent te kunnen vinden. De 25-jarige Johan Christoph van der Sluis werd op 24 januari 193 1 in Castricum ingeschreven en het bevolkingsregister vermeldt, dat hij onkerkelijk was. Hij kwam met zijn vrouw, Dieuwertje Sissingh, vanuit Groningen. In 1932 wordt in Castricum zijn dochter Jossina Dieuwertje geboren. Hij woonde aanvankelijk in Bakkum aan de Van Oldenbarneveldtweg, maar laat in 1935 een huis aan de Bakkummerstraat bouwen, dat thans (red: 1994) nog wordt bewoond door de arts Ch.A. van Leesten. Van der Sluis wordt door Castricummers, die hem nog hebben gekend, omschreven als een kundig arts. Kort na zijn vestiging was hij betrokken bij een zeer ernstig ongeval, dat ook de landelijke pers haalde. Op weg naar Amsterdam raakte hij op een regenachtige avond met zijn auto in het Noordzeekanaal, vanaf de aanlegsteiger voor de pont bij de Hembrug, omdat hij ten onrechte dacht dat de pont reeds was afgemeerd. De auto viel van twee meter hoog in het kanaal en verdween vrijwel onmiddellijk onder water. Van der Sluis wist zich met moeite uit de auto te redden, maar twee medepassagiers, een Castricums echtpaar, vonden de verdrinkingsdood.

Henri van Nievelt, arts te Castricum in de periode 1939 - 1964.
Henri van Nievelt, arts te Castricum in de periode 1939 – 1964.

Henri J. van Nievelt, 1939-1964

Op 17 februari 1939, het inwonertal van Castricum was inmiddels gestegen tot bijna 8.000, vestigt zich in Castricum een derde arts, de 36-jarige Henri Johan van Nievelt. Van Nievelt had zijn artsendiploma in maart 1938 behaald aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. V√≥√≥r zijn vestiging in Castricum had hij enige tijd gewerkt in het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. De ervaringen daar opgedaan zijn hem later in zijn Castricumse praktijk van groot nut geweest en hebben bij zijn pati√ęnten wel eens de indruk gewekt, dat hij kinderarts was. Hij schijnt na zijn studie aanvankelijk Arnhem overwogen te hebben om als huisarts te beginnen, omdat daar ook zijn grootvader huisarts was geweest. Hij ontdekte bij √©√©n van zijn landelijke speurtochten naar een vestigingsplaats echter Castricum, waar de mooie omgeving de doorslag gaf. Hij vestigde zijn praktijk niet ver van die van Leenaers aan de Mient, toevalligerwijs aan de oostkant, die in de oorlog niet aan sloop ten prooi is gevallen, zodat het huis thans nog bestaat: Mient nummer 33.

Op Mient nummer 33 woonde dokter van Nievelt, die zijn praktijk ernaast had op nummer 35.
Op Mient nummer 33 woonde dokter van Nievelt, die zijn praktijk ernaast had op nummer 35. Makelaarsbriefje van 1991. Toegevoegd.

De oorlog

Toen de oorlog uitbrak waren in Castricum drie artsen werkzaam: Leenaers, Van der Sluis en Van Nievelt.
Leenaers toonde niet alleen openlijk een anti-Duitse houding, maar speelde daarnaast een vooraanstaande rol in het, gedeeltelijk ondergrondse, artsenverzet. Eerst als districts-vertrouwensman van de in augustus 1941 opgerichte verzetsorganisatie Medisch Contact. Vanaf februari 1942 maakte hij ook deel uit van de leiding van deze organisatie, het zogenaamde Centrum. Het artsenverzet keerde zich vooral tegen het verplichte lidmaatschap van artsen van de Nationaal Socialistisch geori√ęnteerde Nederlandse Artsenkamer. De ‘illegale’ activiteiten van Leenaers en ook zijn openlijke conflicten met de Castricumse NSB-burgemeester Masdorp, leidden in februari 1943 tot zijn ontslag als gemeente-arts en een maand later tot zijn arrestatie, waarbij hij werd vastgezet aan de Weteringschans te Amsterdam. In mei 1943 werd hij overgebracht naar het concentratiekamp Vught, waar hij ook als arts te werk was gesteld. In september 1943 werd hij vrijgelaten en voegde hij zich bij zijn gezin, dat inmiddels in Son in Brabant bij zijn zwager, dokter De Jongh, woonde, omdat het huis aan de Mient moest worden ontruimd en inmiddels was gesloopt. Leenaers werkte nog enige tijd als arts in Brabant, maar zijn gezondheid ging vrij plotseling achteruit en hij kwam in juli 1944 op 42-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Tilburg te overlijden. Hij werd in Castricum, onder grote belangstelling, begraven. Over het leven van Leenaers en zijn uitzonderlijke rol in oorlogstijd valt veel meer op te merken, maar dat is al eens gedaan door N.A. Kaan in het 13e Jaarboekje (1990) van de werkgroep Oud-Castricum in het artikel “Wie was … dokter Leenaers“. Ook in “Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog” van dr. L. de Jong komen Leenaers en het artsenverzet uitvoerig aan de orde.

Dokter Henri Johan van Nievelt, links, met zussen en broer.
Dokter Henri Johan van Nievelt, links, met zussen en broer. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Door de prominente rol van Leenaers in het artsenverzet en de latere aandacht daarvoor, is het werk van dokter Van Nievelt in oorlogstijd wat onderbelicht gebleven. Ook Van Nievelt was zeer tegen de bezetter gekant en zag na 1940 een groot deel van zijn juist opgebouwde praktijk verloren gaan, omdat veel van zijn pati√ęnten moesten evacueren. Uiteindelijk moest hij zelf ook uit Castricum weg en zette hij zijn praktijk voort vanuit Limmen, waar hij aan de Molenweg een kleine woning had weten te huren. Toen onder andere door de maatregelen tegen Leenaers Castricum voor een groot deel van medische hulp verstoken dreigde te raken. werd dokter Van Nievelt verzocht naar Castricum terug te keren om naast zijn eigen praktijk vooral de functie van gemeente-arts te behartigen. Doordat zijn huis aan de Mient in het zogeheten ‘Sperr-Gebiet’ lag, werd er voor hem een ander huis gezocht en gevonden in de Geelvinckstraat, √©√©n van de weinige huizen waar men nog over telefoon kon beschikken.

In 1944, door de dood van Leenaers, brak een extra moeilijke tijd aan voor Van Nievelt, omdat de bevriende artsen elkaar beloofd hadden, dat indien er iets met één van hen zou gebeuren de ander diens praktijk zou waarnemen. Van Nievelt had inmiddels ook een aandeel in het ondergronds verzet. Zo voorkwam hij door middel van dubieuze medische verklaringen, dat Castricumse jongeren op transport naar Duitsland werden gezet en zelfs wist hij reeds in Duitsland werkzame Castricummers terug te halen met gefingeerde verklaringen over de slechte gezondheidstoestand van familieleden.
In verband met zijn ondergronds verzet, moest Van Nievelt van tijd tot tijd onderduiken, indien er weer represaillemaatregelen op komst waren en zo verkoos hij tenslotte om beide praktijken vanuit Limmen, waar zijn familie nog woonde, te behartigen.

De brood- en banketbakkerswinkel van Juffermans aan de Dorpsstraat 80.
De brood- en banketbakkerswinkel van Juffermans aan de Dorpsstraat 80 te Castricum in 1938. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Doordat benzine nagenoeg niet beschikbaar was, bleef Van Nievelt vanuit Limmen vrijwel alles per fiets doen, op antiplof-


Jaarboek 17, pagina 27

banden, waarbij hij zelfs nog pati√ęnten in Heemskerk wist te bezoeken. Spreekuren in Castricum werden eerst gehouden in de banketbakkerswinkel van Juffermans (later Uljee) aan de Dorpsstraat en toen dat ook niet meer mocht werd de praktijk, inbegrepen de apotheek, in √©√©n dag verplaatst naar Hermana State, waar tijdelijk onderdak was gevonden.

Atto van der Werft, arts te Castricum in de periode 1944 - 1958.
Atto van der Werft, arts te Castricum in de periode 1944-1958.

Atto H. van der Werff, 1944-1958

Van der Sluis schijnt, in tegenstelling tot Leenaers en Van Nievelt, sympathiek te hebben gestaan tegenover de bezetter, hoewel de meningen over de mate van zijn ‘fout’ zijn verschillen. In 1944 vertrok Van der Sluis uit Castricum, nadat hij zijn praktijk en woonhuis had overgedaan aan de 27-jarige arts Atto Hessel van der Werff, die had gestudeerd aan de Universiteit van Utrecht. Van der Werff, die in februari 1944 was getrouwd, vestigde zich met zijn echtgenote in Castricum in een moeilijke periode en hij had zich waarschijnlijk onvoldoende rekenschap gegeven van de problemen, waarmee hij geconfronteerd zou worden.

Hij werd slechts √©√©n week door Van der Sluis ingewerkt, die daarna naar Amsterdam vertrok. De symphati√ęn van Van der Sluis voor de bezetter werden, niet onbegrijpelijk, maar wel ten onrechte, ook aan zijn opvolger toegeschreven en daarom had Van der Werff aanvankelijk maar weinig pati√ęnten. Bovendien kon hij het huis aan de Bakkummerstraat niet betrekken, omdat de Duitsers dit inmiddels hadden gevorderd. De familie Van der Werff ging daarom eerst wonen aan de Pern√©straat en kort daarna aan de Wilhelminalaan, uitgerekend tegenover de toenmalige burgemeester van Castricum, die als zeer fout bekend stond. Van artsen, die zich nieuw in een plaats vestigden werd ge√ęist, dat zij lid waren van de Artsenkamer en omdat Van der Werff dit had geweigerd was hij nog in 1944 gedwongen uit Castricum te vertrekken en dook hij tijdelijk onder bij zijn schoonouders in Utrecht.

De eerste jaren na de oorlog

Kort na de bevrijding keerden dokter Van der Werff en zijn vrouw naar Castricum terug (op de fiets!), om zich aanvankelijk opnieuw aan de Wilhelminalaan te vestigen. Later kwam het huis aan de Bakkummerstraat weer beschikbaar, waar enige tijd een Duits hospitaal in gevestigd was geweest. Van der Werff wist zijn praktijk nu tot bloei te brengen en was vele jaren een zeer gewaardeerd Castricums arts.

Hij werd kort na de oorlog door het PWN aangesteld tot arts van het kampeerterrein Bakkum. In een kranteninterview over deze taak verklaarde hij het meest te worden geconfronteerd met polsbreuken. In de kindervakantie zelfs gemiddeld √©√©n per dag. Op een vraag of hij wel eens naar het strand werd geroepen voor een verdrinkingsgeval verklaarde Van der Werff: “Zeer zelden; de kampeerders zijn niet roekeloos. Als dit het geval is, zijn het meestal de Duitsers, die zich te ver in zee wagen.”
Op de vraag of hij wel eens ‘s nachts naar het kampeerterrein werd geroepen antwoordde Van der Werff: “Zeker. En ik vind het prettig te kunnen zeggen. dat de kampeerders ons praktisch nimmer voor niets laten komen. Een paar jaar geleden werd ik zelfs geroepen voor een vroegtijdige gehoorte. Meestal stuur ik de moeders in-sp√© tijdig naar huis, of zijn ze z√®lf zo wijs niet naar Bakkum te komen. Maar ja, dit geval was niet te voorzien … Een paar weken geleden werd ik ‘s nachts op het weekendterrein geroepen. Bij het olielampje van de buurvrouw constateerde ik een arnte blindedarmontsteking. Tja …en dan zakt zo nu en dan een kind ‘s avonds wel eens door de po met alle gevolgen daarvan …”

Dokter van Leesten.
Dokter van Leesten (rechts). Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

In 1958 doet Van der Werff zijn praktijk over aan de arts Ch.A. van Leesten en verlaat hij Castricum om zich als verzekeringsgeneeskundige te vestigen in Zwolle. Zijn vertrek schijnt vrij onverwacht te zijn geweest en kwam bij zijn pati√ęnten hard aan. Er werd zelfs actie gevoerd om hem in Castricum te behouden. Hij overleed in 1992 op 74-jarige leeftijd in Amerongen.

Dokter Van Nievelt keerde direct na de bevrijding terug in zijn huis aan de Mient. Zo langzamerhand kwamen de andere oorspronkelijke bewoners ook weer terug en begon zijn praktijk zich snel uit te breiden. Van Nievelt was niet getrouwd en werd in zijn praktijk geassisteerd door zijn zuster, die apothekersassistente was. Ook Van Nievelt werd ingeschakeld bij de medische verzorging van de kampeerders en hield vele jaren lang een regelmatig spreekuur in de EHBO-post. Rond 1950 begon dokter Van Nievelt te denken over het laten bouwen van een eigen huis op een plek aan de Geversweg, die hem zeer dierbaar was. Naarmate de bouw vorderde ging het projekt hoe langer hoe meer voor hem betekenen. Het was de kroon op zijn werk en na het betrekken in 1952 heeft hij er nog een aantal gelukkige jaren gewoond.

Dokter van Nievelt bij het witte huis aan de Geversweg 2 in Castricum, rond 1953.
Dokter van Nievelt bij het witte huis aan de Geversweg 2 in Castricum, rond 1953. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Helaas openbaarden zich in 1959 de eerste symptomen van een ernstige ziekte, waardoor hij tenslotte in 1963 zijn praktijk moest neerleggen. Hem werd in juni 1964 eervol ontslag als gemeente-arts verleend. In 1982 is dokter Van Nievelt overleden.

Adrianus de Jongh, arts te Castricum in de periode 1946 - 1971.
Adrianus de Jongh, arts te Castricum in de periode 1946 – 1971.

Adrianus P.W.A.M. de Jongh, 1946-1971

Tot slot willen we nog √©√©n arts memoreren, wiens vestiging in Castricum ook met de oorlog te maken had, want onder zijn overwegingen speelde het plichtsgevoel een rol om de praktijk voort te zetten van zijn in 1944 overleden zwager Leenaers, de praktijk, die tijdelijk door Van Nievelt was waargenomen. Dit was Adrianus Petrus Wilhelmus Anthonius Marie de Jongh, die zich in 1946 in Castricum vestigde en die vanwege zijn vele voornamen door zijn collega’s wel Apwam (Adrianus Petrus Wilhelmus Anthonius Marie) werd genoemd. De Jongh, die in Amsterdam had gestudeerd, was voor zijn komst naar Castricum eerst een aantal jaren in zijn geboortedorp, het Brabantse Son, werkzaam geweest en had ook nog een jaar als scheepsarts gevaren. Hij schijnt geen moeite te hebben gehad om in Castricum een grote praktijk op te bouwen. In een interview met Onze Krant uit 1970 zegt zijn dochter, die lange tijd in de praktijk van haar vader assisteerde, hierover: “Hij viel destijds meteen bij de bevolking in het kuiltje, want hij kwam als katholieke arts en vroeger was zeker 70 procent van de Castricumse bevolking katholiek en zeer streng.”

Inderdaad voorzag De Jongh wat dit betreft in een behoefte, want zijn collega’s, de artsen Van Nievelt en Van der Werff waren niet katholiek. Uit opgetekende verhalen komt De Jongh als een zeer kundig en sociaal voelend arts naar voren. Na een motorongeluk schafte hij zich een auto aan, maar omdat hij geen rijbewijs had


Jaarboek 17, pagina 28

reed hij eerst met een chauffeur. Kort na het behalen van zijn rijbewijs belandde hij bij het uitwijken voor een fietser met zijn auto in de sloot, maar zette niettemin zijn visites voort terwijl zijn auto werd opgetakeld. Hij viel ook eens bij een pati√ęnt van de trap, waarbij hij zijn pols brak, wat de aanleiding schijnt te zijn geweest, dat zijn dochter hem in 1961 is komen assisteren.

Dokter de Jongh en zuster Bosdriesz ontmoeten elkaar onderweg.
Dokter de Jongh en zuster Bosdriesz ontmoeten elkaar onderweg. Een foto, die bij het artikel in de Katholieke Illustratie van 1952 was geplaatst. Onderweg naar de volgende boerderij ontmoet zij op een binnenweggetje de dokter. Bromfiets en auto stoppen; de dokter krijgt verslag van haar bevindingen en zij nieuwe instructies; een gewijzigde behandeling van een pati√ęnt. Dag zuster, dag dokter. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Jongh was een expert in het verrichten van bevallingen, waarvan hij er soms wel meer dan 100 per jaar deed. Hij beheerste het halen van baby’s met een zogenaamde ‘hoge-tang’, wat voor een huisarts als √©√©n van de moeilijkste ingrepen geldt. Bij zijn 12,5-jarig jubileum trok langs zijn huis aan de Wilhelminalaan een stoet van kinderen, die hij ter wereld had geholpen. De Jongh verzorgde ook pro-deo sportkeuringen bij voetbalclub Vitesse en was bestuurslid en medisch adviseur van ‘De Boogaert‘. In januari 1971 stopte hij op 68-jarige leeftijd met zijn praktijk en deed deze over aan de arts A. van den Berg. Dokter De Jongh overleed in september van hetzelfde jaar.

Het fietspad langs de Dokter de Jonghweg in Castricum.
Het fietspad langs de Dokter de Jonghweg in Castricum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

In de ‘periode De Jongh’ steeg het aantal inwoners van Castricum tot meer dan 20.000, wat tot een grote uitbreiding van de gezondheidszorg aanleiding gaf. Het aantal artsen nam toe en er vestigden zich ook tandartsen en apothekers. In de organisatie van de geneeskundige hulp veranderde veel. bijvoorbeeld met betrekking tot ziekenfondsen en vormen van verzekering. Voor een bespreking van deze ontwikkelingen ontbreekt helaas de ruimte, maar wellicht komen we op dit verleden in de toekomst nog eens terug.

W. Hespe
A.C. Glorie-van der Steen

Bronnen:

Deelen, D. van: Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl, 1973.
Zuurbier, S.P.A.: Wat was … Hermana State, WOC, 6e Jaarboekje, 1983.
Kaan, N.A.: Wie was … dokter Leenaers, WOC, l3e Jaarboekje, 1990.
Ruijter, Q. de: Schippers van het Stet, Castricum, 1975.
Schoonhoff, H.G.: Eindhoven, Familiearchief.
Nievelt, H.D.E. van: Castricum, aantekeningen, mededelingen.
Rijksarchief Haarlem:
– Verslagen Gezondheids Commissie Beverwijk.
Streekarchief Alkmaar:
– Doop-, trouw- en begraafregisters Castricum
– Oud Rechterlijk Archief Castricum
– Notulen van de Castricumse Gemeenteraad
– Oud-Archief Castricum, stukken betreffende gezondheidszorg, riolering en waterleiding.
Oude Ansichten van Castricum, Schoorl, 1972.
Mededelingen van Ch. A. van Leesten, J.E. van der Werff-Bakker en N. van Port-De Jongh.

Chirurgijns, heelmeesters (Jaarboek 17 1994 pg 3-15)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.


Jaarboek 17, pagina 3

Chirurgijns, heelmeesters en de gezondheid van de Castricummer

Boerderij "Het Knophuis" aan de Overtoom 19-21 in Castricum.
Boerderij ‘Het Knophuis’ aan de Overtoom 19-21 in Castricum. De naam Knophuis is hoogstwaarschijnlijk aan de boerderij gegeven vanwege een grote koperen knop op de voordeur. Eigenlijk was het nooit een boerderij als zodanig. Er was geen dors of hooiberg in, wel een gedeelte voor stalling van wat paarden. Het wordt in de archieven dan ook meestal beschreven als ‘herenhuysinge’. Het is in de oude tijd dan ook bewoond geweest door vele heren zoals schouten, een chirurgijn en een predikant. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In Castricum was op 24 maart 1755 Jacob IJpelaan aan het werk in de tuin van zijn zwager Jacob Kuys om “tacke bosse te maaken”. Hij pauseerde even om samen met een buurman, Jacob Castricum, een pijpje te roken, toen een van de kinderen van Jacob Kuys kwam aanlopen en riep, dat zijn tweejarig zusje Aagje in de sloot was gevallen. Jacob IJpelaan trok het kind uit de sloot en de beide mannen probeerden het kind tevergeefs het leven te redden, waarbij ook de hulp werd ingeroepen van de 19-jarige Adriaan Toulouse “wiens vader chirurgijn was en die zelf ook daarvoor leerde”.
Deze opgetekende dramatische gebeurtenis, vormt een van de vroegste mededelingen, waaruit blijkt, dat in Castricum al in de 18e eeuw chirurgijns gevestigd waren, die bij ziekte en ongevallen werden geraadpleegd en die als voorlopers van de tegenwoordige huisarts kunnen worden gezien.

Chirurgijns vormden al in de middeleeuwen een belangrijke groep van beoefenaren van de geneeskunde. Zij waren merkwaardigerwijs veelal kappers, die zich behalve met knippen en scheren ook bezig hielden met de behandeling van ziekten, waarbij, zoals hun naamgeving suggereert, chirurgische ingrepen niet werden geschuwd. Een goede verklaring waarom juist kappers zich van oudsher met medische en vooral chirurgische handelingen zijn gaan bezig houden, heeft schrijver van dit artikel niet kunnen vinden. Wellicht speelde een rol dat zij kundig waren in het hanteren van mes en schaar en ook ervaring hadden in het behandelen van verwondingen, die bij het scheren kunnen optreden. De combinatie van het beroep van kapper en geneeskundige heeft in ieder geval lange tijd stand gehouden en het is waarschijnlijk, dat ook de Castricumse chirurgijns beide beroepen combineerden.

Organisatie en opleiding

Er is over het beroep van chirurgijn vrij veel bekend, ondermeer omdat de chirurgijns zich in de steden, evenals andere beroepsgroepen, organiseerden in gilden, die van een aantal zaken aantekening hielden. In bijvoorbeeld Alkmaar vond de organisatie in gildevorm al in 1552 plaats. De chirurgijnsgilden probeerden vanaf het begin ordening in de vrij chaotische gezondheidszorg aan te brengen en ook het aanzien van het beroep te verbeteren door opleidingseisen te stellen. Hiertoe werkte het gilde veelal, soms gedwongen, samen met de plaatselijke overheid. Een voorbeeld is het in 1636 opgerichte chirurgijnsgilde in Enkhuizen. In 1640 kwam dit gilde, in samenwerking met de Vroedschap, tot een regeling om chirurgijns volgens de toen gangbare uitdrukking ‘te proeven’. Wanneer men een ‘winkel wilde opzetten’ moest men zich onderwerpen aan de ‘huisproef’. Bij met goed gevolg afleggen van de proef mocht de titel meester-chirurgijn worden gevoerd en werd toestemming verkregen voor ‘het uithangen van de beckens’, het als uithangbord aan de winkelgevel ophangen van de karakteristieke schalen, die niet alleen voor het inzepen bij het scheren werden gebruikt maar ook voor het opvangen van bloed bij het populaire aderlaten. Het examen omvatte ondermeer het testen van de barbierskwaliteiten, van de anatomische kennis van de aderen, die men ‘ordinaris plagh te laten’ en van de vaardigheid in het aderlaten. Avonturiers, die zich aangetrokken voelden tot een medische loopbaan aan boord van een schip, konden de ‘zeeproef’ afleggen, waarbij men kennis moest tonen over ‘accidenten die op zee kunnen voorkomen, zoals fracturen, dislocaties, schotwonden en gangreen’. In andere steden waren de chirurgijnsexamens op een soortgelijke wijze georganiseerd.

Maatschappelijke waardering

Hoewel er ongetwijfeld veel chirurgijns zijn geweest (die om hun inzet en kundigheid waardering genoten), liet het maatschappelijk aanzien van het beroep in het algemeen te wensen over.In de eerste plaats waren er naast de chirurgijns de universitair opgeleide medische doctoren, die nogal neerkeken op de chirurgijns. De chirurgijn was iemand van eenvoudige komaf. Hij kon meestal geen Latijn lezen en dus slechts weinig kennis vergaren van de medische ontwikkelingen, waarover in vrijwel uitsluitend het Latijn werd gepubliceerd. De medische doctoren kwamen voort uit de toenmalige elite, die zich een studie kon permitteren aan binnen- of buitenlandse medische scholen en universiteiten, zoals de Leidse Hogeschool, die in 1575 was gesticht. Zij oordeelden in hun medische geschriften over de chirurgijn veelal negatief en bekritiseerden de opleiding, die vaak al op jonge leeftijd begon, als ouders hun zoon bij een gevestigde chirurgijn in de leer deden.

Chirurgijn verricht een beenamputatie onder uiterst primitieve omstandigheden. Rechtsonder de vuurpot met brandijzers om de wond dicht te schroeien.
Chirurgijn verricht een beenamputatie onder uiterst primitieve omstandigheden. Rechtsonder de vuurpot met brandijzers om de wond dicht te schroeien.

Zo oordeelt de Leidse medicus Comelis Bontekoe (1646-1695) over de opleiding van chirurgijns: “Nog jongens zijnde begeven sij zig op een winkel, dikwijls n√≤g lesen, n√≤g schrijven konnende, daar leren sij den baard schrabben, ‘t hair poejeren, de knevels opsetten, plaasters smeeren, charpie maken en lopen enige jaren langs de straat, somstijds een boek 5 √† 6 inziende van Autheuren, die vol dwalingen steken en die sij den meesten tijd niet verstaan konnen. Ondertusschen zien sij de Praktijk bij hun Meesters, welke dikwijls self de beste basen niet en zijn, of soo sij het zijn, de zaak


Jaarboek 17, pagina 4

met hun knegts soodanig aanleggen, dat de selve noit bijna agter ‘t secreet van hun konst geraken en noit soo handige artsen worden, als sij behoren te zijn, latende hun leerlingen sonder instructie, aan deselve hun remedie√ęn niet ontdekkende.”

Een vaak negatief oordeel over hun beroep hadden de chirurgijns ook aan zichzelf te wijten. In de eerste plaats was de vreemde combinatie van kapper en geneesheer een steeds terugkerend onderwerp van kritische discussie, niet alleen in toenmalige medische kringen, maar ook bij het grote publiek. Als ons vandaag de dag bij een bezoek aan de kapper een aderlating zou worden aangeprezen zouden we angstig opkijken, maar dat was in de tijd van de chirurgijns ook al het geval. Tegen een ingreep door de kapper-chirurgijn werd minstens zo opgezien als tegenwoordig tegen behandeling door de tandarts en de behandeling werd dan ook zo lang mogelijk uitgesteld.
Bovendien trok onkunde in het medisch handelen van chirurgijns regelmatig de aandacht, al werd er door de plaatselijke overheden vaak tegen opgetreden, bijvoorbeeld door het stellen van vestigingseisen. Ook hielden de chirurgijnsgilden er soms frauduleuze praktijken op na, zoals rond 1735 in Amsterdam, waar het lidmaatschap werd verkocht aan barbiers, die niet in staat waren het volledige examen af te leggen.

Kwakzalvers

Zagen de aan hogescholen opgeleide medici neer op de chirurgijns, deze hadden op hun beurt weinig waardering voor allerhande medische kwakzalvers en charlatans, die zij als een bedreiging voor hun bestaan zagen. Waarschijnlijk nog meer dan tegenwoordig, mochten alternatieve genezers zich in de tijd van de chirurgijns in grote belangstelling van het publiek verheugen, omdat de officiele geneeskunst voor vele kwalen, zoals besmettelijke ziekten, geen uitzicht bood en bovendien geneesmethoden bezigde, die soms niet minder dubieus waren dan die in het alternatieve circuit. Banga, een bekend medicus en geschiedkundige uit de vorige eeuw, laat zich over de beunhazerij in de geneeskunde in de periode van circa 1550 tot 1800 beeldend uit: “Het denkbeeld van het volk over geneeskunde was een jammerlijk mengsel van onkunde en bijgeloof. Iedere vreemde onbeschaamde pogcher, die zich als geneeskundige opwierp, voor gereede betaling volkomen geneezing beloofde, en zijne ongehoorde grollen voor het oog der menigte in een heilig donker wist te hullen, werd geloofd en aangenomen. Zij vertrokken met gevulde zakken naar elders en lieten de armen lijders, aan de gevolgen eener onberadene ruwe behandeling kwijnende, sterven.”

Wellicht nog meer dan van rondtrekkende genezers ondervond de chirurgijn ook concurrentie van plaatsgenoten, een smid, een onderwijzer of een geestelijke, die meenden over geneeskrachtige gaven te beschikken. Er zijn vele geschiedenissen opgetekend, waaruit blijkt hoe dergelijke lieden een reputatie wisten op te bouwen, die soms tot in het buitenland reikte.
Beroemd waren bijvoorbeeld, als een soort voorlopers van de tegenwoordige manueel-therapeuten, de Jisper ledezetters, waaronder Willem Taemsz., bijgenaamd ‘De IJseren Duijm’, “die sulcke harde Vingers en Handen heeft gehad, jae, soo een hartigh gemoet, dat hij de ellendige Menschen armen en beenen brack en op ladderen bond, dat hun van benauwtheijdt het Sweet, als een Rivier, langs de kinnebacken rolde”.

De kwakzalverij nam soms zulke vormen aan, dat lokale overheden overgingen tot het nemen van maatregelen om de ergste uitwassen te beteugelen, wat door de plaatselijke chirurgijns uiteraard werd toegejuicht.

Uit beschikbare gegevens over het aantal chirurgijns, dat in de 17e eeuw in steden werkzaam was, kan men grofweg opmaken, dat een aantal van circa 600 inwoners een chirurgijn een bestaan kon bieden. In Castricum en Bakkum werd naar schatting dit inwonertal tegen het einde van de 17e eeuw gehaald en inderdaad gaan de oudste gegevens over in Castricum gevestigde chirurgijns terug tot ongeveer die periode. In het vervolg van dit artikel zal op de Castricumse chirurgijns nader worden ingegaan en zal worden getracht een indruk te geven van de omstandigheden waaronder zij werkten en de problemen waarvoor zij werden geplaatst.

De oudst bekende Castricumse chirurgijns

Het oudste tot dusver aangetroffen gegeven over een in Castricum gevestigde chirurgijn betreft een inscriptie op een grafzerk in de Nederlands hervormde kerk te Castricum: “Hier leyt begraven Martinus Duym, soon van mr. Jan Duym, schout en chyrurgijn van Castricum, obiit den 16 September Ao 1677.”
Men kan zich afvragen of ‘schout en chyrurgijn’ nu slaat op Martinus, dan wel Jan Duym maar het meest aannemelijk is, gezien ook de aanduiding ‘meester’, dat Jan Duym de chirurgijn was.
Als schout behoorde Jan Duym tot de plaatselijke elite, wat suggereert, dat hij niet tot het in de inleiding geschetste type chirurgijn van negatieve reputatie behoorde. Over zijn werkzaamheden als chirurgijn zijn echter geen gegevens aangetroffen.

Er is eveneens weinig bekend over de Castricumse chirurgijn Jan van Zijl, die in een akte uit 1728 met betrekking tot de verkoop van een huis aan de toenmalige Kerkeweg met mr. Chirurgijn wordt aangeduid. Dit huis had hij in bezit gekregen door zijn huwelijk met Marijtje Cornelis in 1723. Hij blijkt eerder gehuwd te zijn geweest met Grietje Claes, uit welk huwelijk in 1712 in Castricum een zoon, Jan Nicolaus, werd geboren. Deze spaarzame gegevens suggereren, dat Jan van Zijl minstens de periode van 1712 tot 1728 in Castricum woonachtig en werkzaam is geweest.

De chirurgijnsfamilie Toulouse, circa 1725-1775

Een Castricumse chirurgijn, waarover we beter ge√Įnformeerd zijn, is Daniel Toulouse. Er is voor deze spelling van zijn naam gekozen, hoewel ook andere spellingen zijn aangetroffen, zoals Touloose, Toulouze, Tholusse en Tholuge. De voor onze streken ongewone naam Toulouse, die nu nog in ons land voorkomt (vrijwel uitsluitend in Maastricht), suggereert dat hij uit het buitenland kwam. Een beknopt genealogisch onderzoek leverde echter vrijwel niets op, met uitzondering van een mogelijke relatie met het geslacht Toulouse, in de 17e eeuw woonachtig in Reningen (Belgi√ę), waarbij opvalt dat de naam ongeveer dezelfde spellingsvariaties vertoont.

De vestiging van buitenlandse chirurgijns in het toenmalige Holland was overigens niet ongewoon. Zij kwamen in tijden van oorlog mee met de legers en bleven dan na het terugtrekken van de troepen soms achter. Ook trok op de Hollandse schepen een grote behoefte aan medische verzorging buitenlanders aan. Scheepschirurgijn was een zwaar en onzeker beroep en de meesten namen na een of enkele reizen de kans waar zich aan de wal te vestigen, waarbij vooral de dorpen op het platteland in trek waren, omdat men zich daar minder dan in de steden bekommerde over de kwalificaties van chirurgijns. Vervolging om een geloofsovertuiging kan ook een drijfveer zijn geweest om zich hier te vestigen, denk aan de Hugenoten, maar dat lijkt in het geval van Daniel Toulouse onwaarschijnlijk, omdat hij tot de rooms-katholieke kerk behoorde.

De oudste gegevens over Daniel Toulouse als inwoner van Castricum betreffen een register, waaruit blijkt dat hij hier in 1725


Jaarboek 17, pagina 5

een huis en een perceel grond bezat en vervolgens de registratie van zijn huwelijk in 1727 met Guurtje Jans Verschuur.
Hij lijkt niet bepaald een gelukkig leven te hebben gehad. Ondanks zijn kennis van het medisch handelen werd hij geconfronteerd met de vroege dood van twee echtgenotes, de genoemde Guurtje Verschuur in januari 1733 en Marije Ariaans, waarmee hij in oktober van hetzelfde jaar in het huwelijk trad, in 1738. Ook verscheidene kinderen uit beide huwelijken stierven op jonge leeftijd. Bovendien heeft zijn nering waarschijnlijk geen riant bestaan geboden. Volgens gegevens over de toenmalige belastingheffing (de verpondingsregisters), behoorde hij niet tot de welgestelde inwoners van Castricum en had hij bovendien achterstanden in het betalen. Bij de inschrijving van begrafenissen van familieleden in het kerkregister wordt steeds aangetekend ‘pro-deo’.

Daniel Toulouse wordt in archiefstukken met meester (mr.) aangeduid, wat er op wijst dat hij de in de inleiding genoemde meesterproef had afgelegd. Zeker is dit niet, want veel controle op bevoegdheden schijnt er in die tijd in plattelandsgemeenten niet te zijn geweest.
In een publikatie van het Museum Boerhaave te Leiden lezen we hierover: “Op het platteland stond de gezondheidszorg op een lager peil en kregen vrije meesters, chirurgijns en medicinae doctores met onvoldoende papieren nog lang de kans om zich ongehinderd met patienten bezig te houden. Een goede behandeling hield vaak op bij de stadspoort. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat stadschirurgijns en medici van naam vaak verzocht werd om op het platteland patienten te bezoeken.

Dorpsgezicht omstreeks 1730.
Dorpsgezicht omstreeks 1730 van A. Zeeman. Links Herberg De Rustende Jager waar de distributie van de post plaats vond. In de doorrijstal werden de paarden van de postkoets verzorgd. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Toulouse woonde in het centrum van het dorp, vlak bij de kerk in een huis dat gelegen was naast de herberg, die later als De Rustende Jager bekend is geworden. Hij kocht in mei 1728 het huis plus een erf van circa 2500 vierkante meter uit het bezit van de familie van de hiervoor genoemde chirurgijn Jan van Zijl. Dit suggereert, dat ook de chirurgijnspraktijk van Jan van Zijl in dit pand gevestigd was en dat Toulouse deze in feite heeft overgenomen en voortgezet. De lokalisatie vlak naast de herberg lijkt met het oog op de klandizie van doortrekkende reizigers goed gekozen. In 1739 trouwde Toulouse, na de dood van zijn tweede echtgenote in 1738, voor de derde maal, met Dirkje van der Wulp. Het snelle hertrouwen van Daniel na de dood van zijn eerste en tweede echtgenote is opvallend, maar was in die tijd niet ongebruikelijk.
Over datum en plaats van overlijden van Daniel Toulouse verschaffen Castricumse registers en ook registers van omringende gemeenten geen uitsluitsel. Waarschijnlijk is hij overleden in de periode 1774-1777, waarover het rooms-katholieke begrafenisregister ontbreekt, omdat pastoor Van der Hart, die in Castricum zijn functie uitoefende in de periode van 1765-1777, door ziekte in de laatste jaren van zijn functioneren geen registers heeft bijgehouden.

Het tragische voorval uit 1755, dat in het begin van dit artikel werd geciteerd, noemt Adriaan Toulouse “wiens vader chirurgijn was en die zelf ook daarvoor leerde”. Adriaan was een zoon uit het tweede huwelijk van Daniel Toulouse met Marije Ariaans. Over zijn geboortejaar zijn geen gegevens in het rooms-katholieke doopregister aangetroffen. maar in bovengenoemd voorval wordt hij 19 jaar genoemd. zodat we zijn geboorte rond 1736 kunnen plaatsen.
Hij huwde in 1773 te Castricum met Alida Essink (afwijkend veelal ook gespeld als Eefsink), welk huwelijk volgens de beschikbare gegevens kinderloos is gebleven. Het huwelijk duurde slechts kort. want in 1776 treffen we Alida Essink als gehuwd met de chirurgijn Jacob Drost. Adriaan Toulouse is waarschijnlijk rond 1775 overleden, wat echter, evenals in het geval van zijn vader, niet kon worden geverifieerd. In een in 1774 bij een Alkmaarse notaris opgemaakt testament wordt Adriaan Toulouse meester chirurgijn genoemd, waaruit we kunnen opmaken, dat hij als opvolger of assistent van zijn vader als chirurgijn in Castricum werkzaam is geweest.

Operatie aan arm door dorpschimrgijn.
Operatie aan arm door dorpschimrgijn.

De chirurgijnswinkel

Alle beschikbare gegevens wijzen er op, dat opeenvolgende chirurgijns in de 18e eeuw in Castricum hun praktijk hebben uitgeoefend in een winkel, die gelegen was direct ten westen van de voormalige De Rustende Jager. Hoe moeten we ons deze winkel voorstellen?
De praktijk van chirurgijns op het platteland vormde een geliefkoosd onderwerp in de 17e eeuwse genreschilderkunst, waarbij het interieur onveranderd als rommelig en armetierig werd voorgesteld.

Dit beeld zal wel karikaturaal zijn aangezet, maar inderdaad hadden veel plattelandschirurgijns het niet breed en waren ze gedwongen de inrichting van hun winkels sober te houden.
Gebruikelijk schijnt te zijn geweest het beschikbare lokaal in twee helften te verdelen door een houten schot, het chirurgijnsschot, zodat de knip- en scheerklanten niet voortdurend werden geconfronteerd met de medische handelingen. Een bewaard gebleven chirurgijnsschot in het museum Boerhaave te Leiden toont overigens twee kijkgaten, zodat nieuwsgierigen kennelijk toch de behandeling van patienten konden volgen.
Het winkelgedeelte waar werd geknipt en geschoren zag er volgens bewaard gebleven inventarissen, hoewel zonder de luxe, globaal zo uit als een huidige kapsalon, met banken, scheerstoelen, spiegels, kasten voor het bewaren van de scheerbenodigdheden en potten met zeep, zalven en crèmes.

In het medische deel van de winkel bevond zich een voor operatieve ingrepen geschikte stoel of tafel en werden, vaak duidelijk zichtbaar, medische instrumenten zoals lancetten, pincetten, tan-


Jaarboek 17, pagina 6

gen en scharen bewaard.
Er waren kasten of rekken, waarin dozen, potten en f1essen met geneeskrachtige kruiden en chemicali√ęn stonden opgesteld en er was apparatuur aanwezig voor het klaarmaken van de recepten, zoals een weegschaal en een vijzel. Soms was er ook een kleine verzameling medische boekwerken. Menige chirurgijn verfraaide zijn winkel bovendien met opgezette dieren, een doodshoofd, of andere exotica, om een indruk van geleerdheid te versterken.

Medische handelingen

Wat betreft de aard van de medische handelingen, die door een chirurgijn als Daniel Toulouse werden verricht moet allereerst worden genoemd het afnemen van bloed, het aderlaten, dat zeer populair was. Merkwaardig is, dat dit niet aIleen bij ziekte werd gedaan, met als achterliggende gedachte het verwijderen van slechte stoffen en het in balans brengen van de lichaamssappen, maar ook als een soort reinigingskuur bij gezonde personen, vooral in het voorjaar. Een dergelijke preventieve kuur vormde voor de chirurgijn een niet onwelkome bron van inkomsten. Voor het vaststellen van gunstige tijdstippen voor het aderlaten baseerde menige chirurgijn zich op astrologische kalenders en geschriften. De hoeveelheid bloed, die werd afgenomen schijnt soms niet gering te zijn geweest. Er wordt wel gesproken over aderlaten “tot flaauw wordens toe”.
Verder behoorde het behandelen van verwondingen, zoals die voortkwamen uit ongelukken op het boerenbedrijf of uit vechtpartijen tot de routine van de chirurgijns. Om ernstige bloedingen te stelpen werd het brandijzer gehanteerd. Veel voorkomend schijnen zweren en andere kwetsuren van de voeten te zijn geweest, omdat de meeste klanten van de dorpschirurgijn minder welgestelden waren, die niet over een vervoermiddel beschikten en tot het langdurig lopen over slechte wegen waren veroordeeld in volgens de huidige maatstaven slecht schoeisel.
D. van Deelen citeert in zijn bekende boek ‘Historie van Castricum en Bakkum’ een rijmpje gemaakt door iemand, die een rondreis maakte door Kennemerland en dat zou slaan op een Castricumse chirurgijn in 1758.

“Chirurgijn, Operator en Breukmeester.
Esculapis en Hippocrates, twee kunstenaars geboren.
De vinders van de konst en waren geen doktoren.
Hier is remedie voor kankers, breuken en voor steenen.
En ook voor quaede zeere beenen.
Hier is oprechte Opiaet, Voor die in Venus bogaerd gaet.”

De preciese bron konden we niet achterhalen, maar het moet gezien het genoemde jaar betrekking hebben op Daniel Toulouse. De niet zo gebruikelijke aanduiding ‘chirurgijn-operator’ treffen we met betrekking tot Toulouse ook aan in een koopakte, wat de indruk versterkt dat het korte gedicht inderdaad op hem betrekking heeft. De zinsnede “hier is remedie voor kankers, breuken en voor steenen” suggereert, dat Daniel Toulouse met zijn operatieve ingrepen nogal ver ging. Het uitsnijden van blaasstenen bijvoorbeeld gold als een zeer riskante operatie, die de gemiddelde chirurgijn gaarne overliet aan geneeskundigen, die voorgaven in het steensnijden gespecialiseerd te zijn.

Ziekten en geneesmiddelen

In de periode van de Toulouse’s behoorden de grote pestepidemiee n tot het verleden, terwijl een ernstige infectieziekte als de cholera nog in het verschiet lag. Niettemin heersten er infectieziekten als pokken, mazelen, influenza, tyfus en ook geslachtsziekten. Hondsdolheid stak nu en dan de kop op, maar hier kon de directe veroorzaker worden aangewezen en bestreden, waardoor de ziekte kon worden ingeperkt.

Dit gold niet voor de eerder genoemde aandoeningen, waar men therapeutisch weinig kijk op had. Van bacteri√ęn en virussen wist men nog niets. Ziekten werden vooral gekarakteriseerd aan de hand van de direct waarneembare symptomen, zoals braken en diarree, terwijl ook het koortsverloop en het uiterlijk van de urine (piskijken) in de diagnose werden betrokken.
Wat betreft de behandeling van ziekten met geneesmiddelen werd door veel chirurgijns een belangrijke plaats ingeruimd voor laxeermiddelen, ook weer vanuit de heersende gedachte dat kwade, bedorven lichaamssappen moesten worden uitgedreven. De geneesmiddelen waren grotendeels van plantaardige oorsprong, hoewel ook chemicali√ęn werden toegepast, zoals kwikverbindingen.

Zwangerschap en geboorte

Zwangerschap en geboorte zijn gecompliceerde biologische gebeurtenissen, waarbij zeker in vroeger tijden van alles mis kon gaan. Waarschijnlijk is er geen gebied van de geneeskunde geweest, waarover meer bijgeloof heerste en onzin werd verkondigd. Er bestonden bizarre opvattingen over de invloed van voedsel, hygi√ęne en gedragingen op het succes van een bevalling en over het be√Įnvloeden en voorspellen van het geslacht van het kind. Citeren we als voorbeeld een Rotterdamse chirurgijn in 1753: “Wanneer een Vrouwspersoon een roode blozende koleur, en roode vlekken in het aangezigt heeft, en er dus ontstoken uitziet, vrolijk is, en bestendig zoo blijft, wil men er uit besluiten, dat zij van een zoon bezwangerd is; daarentegen als zij er bleek uitziet, vadzig en verdrietig is, wil men dat zij van eene dochter zwanger gaat.”
De sterfte bij de geboorte, niet aIleen van kinderen, maar ook onder kraamvrouwen was relatief hoog en de medische literatuur uit de 17e, 18e, en 19e eeuw telt dan ook veel verhandelingen om de situatie te verbeteren.
In de tijd van de chirurgijns was verloskundige hulp meestal in handen van vrouwen, die zich op een of andere manier plaatselijk de status van vroedvrouw hadden verworven, door praktijkervaring, want er was geen erkende opleiding. Toch was er soms een vorm van plaatselijke erkenning, zoals in 1668 in Castricum. Dit blijkt uit een aantekening in het Resolutie Boek van De Rijp: “Schepenen en de Vroetschap hebben noch goet gevonden ende geresolveert dat de Vroedvrouw van Castricum voor als noch niet in de Rijp zal mogen comen wonen.”
Deze ‘vroedvrouw van Castricum’ had wellicht geen al te beste reputatie.
Het schijnt, dat chirurgijns zich als man veelal niet met bevallingen mochten bemoeien, hoewel de opvattingen pierover plaatselijke verschillen vertoonden. Niettemin is aannemelijk, dat in het geval van complicaties bij een bevallingen de hulp van chirurgijns wel degelijk werd ingeroepen en ook op prijs gesteld.

Jacob Drost, circa 1775-1798

In het notarieel archief te Alkmaar bevindt zich een akte van een testament, waaruit blijkt dat de hiervoor als echtgenote van Adriaan Toulouse genoemde Alida Essink ten tijde van het opstellen der akte, in september 1776, gehuwd was met de chirurgijn Jacob Drost. Over tijd en plaats van dit opmerkelijke huwelijk tussen de ongeveer 25 jarige Jacob Drost en de circa 10 jaar oudere Alida Essink zijn geen gegevens gevonden, maar geschat wordt, dat het huwelijk in 1775 of 1776 plaatsvond.
In hoeverre het huwelijk samenvalt met de vestiging van Jacob Drost als chirurgijn in Castricum is evenmin bekend, maar duidelijk is, dat Jacob Drost vanaf ongeveer 1776 een niet onbelangrijke rol in het Castricumse leven is gaan spelen. Het is mogelijk, dat Drost de familie Toulouse reeds voor zijn komst naar Castricum heeft gekend, want hij was afkomstig uit het nabije Alkmaar.


Jaarboek 17, pagina 7

Hij werd daar in september 1749 uit een katholiek gezin geboren en hij volgde er ook zijn opleiding tot chirurgijn. Drost is illustratief voor de situatie waarbij ouders hun zoon al op zeer jonge leeftijd in de leer deden. Hij werd op 2 juni 1760 met toestemming van zijn vader ingeschreven als leerling bij de Alkmaarse chirurgijn Johannes Vomilius Swaan en was toen dus nog maar 10 jaar (!) oud.
Vier jaar later, op 1 juni 1764, be√ęindigde hij deze leerperiode succesvol, getuige het onderschrift bij de inschrijving in het Gildenboek: “De bovestaande Jacob Drost heeft tot genoegen zijn leertijd bij mijn uytgedient”, ondertekend door genoemde leermeester.

 De inschrijving van Jacob Drost in het Alkmaarse Gildeboek als leerling van Johannes \lomilius Swaan. Rechtsonder het bijge- schreven oordeel over de leerperiode van 4 jaar.
De inschrijving van Jacob Drost in het Alkmaarse Gildeboek als leerling van Johannes \lomilius Swaan. Rechtsonder het bijge- schreven oordeel over de leerperiode van 4 jaar.

We leren Drost uit zijn loopbaan in Castricum kennen als iemand, die zijn belangen goed wist te behartigen en zo is het niet onwaarschijnlijk, dat in zijn huwelijk met Alida Essink een element van berekening school: het wederzijdse belang in voortzetting van de chirurgijnspraktijk, die na de dood van de Toulouse’s waarschijnlijk in handen van Alida was gekomen. Hoe dit precies zit weten we niet, maar er is een akte waaruit blijkt, dat Drost in 1782 een erf “belast met een notweg (red: een eigen weg waarover percelen van andere eigenaren en gebruikers bereikbaar zijn) ten behoeve van de herberg” aankoopt, dat grensde aan land, dat hij reeds in bezit had en dat dus ook naast de herberg was gelegen. De conclusie ligt dus voor de hand, dat Drost door zijn huwelijk het huis en erf naast de herberg in bezit heeft gekregen en daar de chirurgijnspraktijk van de Toulouse’s heeft voortgezet.

De ondertekening door de schepenen van een raadsverslag uit 1793. Drost tekende vaak als eerste.
De ondertekening door de schepenen van een raadsverslag uit 1793. Drost tekende vaak als eerste.

De genoemde herberg was in 1787 in bezit van de Castricumse schout Nuhout van der Veen gekomen, die Drost betrekt bij het bestuur van de gemeente, want in het eerste Resolutieboek van Schepenen en Gemeentebestuur van Castricum, dat begint met het jaar 1786, wordt Drost als schepen genoemd. Drost maakte ook een aantal jaren deel uit van het gemeentebestuur, wat blijkt uit verschillende benoemingen, zoals tot armmeester in onder andere 1792 en molenmeester in 1793. Men krijgt de indruk, dat hij zich tot een van de belangrijkste mannen in het gemeentebestuur heeft weten op te werken, gezien zijn handtekening onder tal van stukken, zoals jaarrekeningen van de gemeente en diverse verordeningen.

Drost en de patriotten

De carrière van Drost als bestuurder van Castricum viel in een politiek uiterst roerige periode met door het hele land conflicten tussen aanhangers en tegenstanders van de stadhouder prins Willem V. De toenmalige ambachtsheer van Castricum, Joan Geelvinck en, uiteraard niet toevallig, de door hem aangestelde schout Joachim Nuhout van der Veen, waren fervente aanhangers van de tegen het stadhouderlijk gezag fulminerende patriotten.
Drost, als rechterhand van Nuhout van der Veen, zou waarschijnlijk zijn bestuurlijke positie in Castricum niet hebben kunnen verwerven als hij ook niet sympathiek had gestaan tegenover de patriotse beweging, al valt het op dat hij zich behendig in de wisselende politieke omstandigheden staande wist te houden, evenals trouwens Nuhout van der Veen. Dit aanpassingvermogen komt bijvoorbeeld naar voren in het jaar 1787, als aan de in enkele jaren opgebouwde invloed van de patriotten in de Republiek een einde komt door de inval van Pruisische troepen en de macht van prins Willem V wordt hersteld. Oranjegezinden keerden zich, op soms zeer brute wijze door plundering en brandstichting, tegen de patriotten en hun bezittingen. Veel vooraanstaande patriotten, waaronder Joan Geelvinck, vluchtten dan ook naar het buitenland. Patriotse organisaties, zoals de schutterskorpsen werden, ook in Castricum, opgeheven en er vonden in het hele land bestuurlijke zuiveringen plaats.

Dit alles lijkt aan Nuhout van der Veen en Drost te zijn voorbijgegaan, mogelijk omdat volgens een historicus als Schama juist de katholieke plattelandsbevolking weinig symphatiseerde met het Oranjebewind en zich gemakkelijk aansloot bij patriotse organisaties als de schutterskorpsen.
Als onderdeel van de bevestiging van het gezag van Willem V moesten alle regenten en ambtenaren een eed afleggen van trouw aan de constitutie en hun instemming betuigen met het erfelijk stadhouderschap. In Castricum werd hieraan vlot meegewerkt, met Drost in een vooraanstaande rol, wantin de notulen van het gemeentebestuur van 23 maart 1789 bevindt zich een lijst van namen van degenen die genoemde eed hebben afgelegd, “in handen van Jacob Drost, Pieter Duineveld en Jan Brakenhoff, commissarissen daartoe benoemd”.

Als het tij weer keert, de Fransen in 1794 binnenvallen en de Bataafse Republiek wordt uitgeroepen, houdt Nuhout van der Veen, nog steeds schout van Castricum, op 9 februari 1795 voor alle Castricumse mannen ouder dan 18 jaar een zeer gezwollen redevoering in de kerk, ter gelegenheid van het eerste jaar der Bataafse vrijheid. Onder de opgetekende redevoering in het Resolutieboek der Schepenen komt een lijst voor van burgers, die onder het nieuwe gezag stemrecht verkregen in het aanstellen van schout en schepenen. De eerste naam, die we op de lijst tegenkomen is die van Jacob Drost. Hij paste zich dus weer gemakkelijk aan de nieuwe koers aan, maar maakt deze niet lang mee, omdat hij op 49 jarige leeftijd in 1798 in Castricum komt te overlijden, een jaar voor de befaamde slag bij Castricum. Hij had, volgens de beschikbare gegevens, niet direct een opvolger, waardoor het dorp tijdens deze beperkte maar bloedige oorlog van chirurgijnshulp verstoken was.


Jaarboek 17, pagina 8

Griep

Grafiek van de geregistreerde sterfte in Castricum over de jaren 1730 t/m 1800.
Grafiek van de geregistreerde sterfte in Castricum over de jaren 1730 t/m 1800.

Bestaande kerkelijke registers geven een indruk van de sterfte in Castricum tijdens de periode der chirurgijns. Illustratief is hierboven, de in grafiekvorm weergegeven geregistreerde absolute sterfte over de jaren 1730 tot en met 1800.

Wat betreft de interpretatie is een moeilijkheid, nog afgezien van de betrouwbaarheid der registratie, dat over deze periode geen exacte inwonersaantallen bekend zijn. Het is dus voor een vergelijking in de tijd niet goed mogelijk het sterftecijfer, zoals gebruikelijk, per 1.000 inwoners te berekenen.
Een schatting van het toenmalige aantal inwoners van Castricum is 600, een aantal waarvan wordt aangenomen dat het lange tijd vrij constant bleef. We komen op grond van dit cijfer tot een gemiddeld sterftecijfer van ruim 30 per 1.000, wat we nu uitzonderlijk hoog zouden vinden, maar wat in diverse bronnen als voor die tijd normaal wordt aangegeven, zodat de overeenstemming in grootte/orde een redelijke betrouwbaarheid van de Castricumse registratie suggereert. Het voor onze begrippen hoge gemiddelde sterftecijfer werd vooral veroorzaakt door een hoge kindersterfte.

Bij uitschieters in de sterftecijfers ligt het voor de hand te denken aan een epidemie en wat dat betreft trekken vooral de jaren 1733, 1780, 1783 en 1800 de aandacht. De verhoogde sterfte in deze jaren zou op grond van beschikbare ziektebeschrijvingen en studies van epidemie√ęn door griep (influenza) kunnen zijn veroorzaakt, hoewel ook dysenterie wordt genoemd en we in 1800 bovendien rekening moeten houden met nawee en van de slag bij Castricum, er zwierf bijvoorbeeld nog allerhande krijgsvolk door de provincie.
In medische en andere literatuur van voor 1850 treft men voor epidemische ziektebeelden, die aan griep doen denken, benamingen aan als zinkingskoorts en zinkingsziekte.
Bijvoorbeeld Hildebrand begint in zijn Camera Obscura (1839) het verhaal over de familie Kegge met een realistisch betoog over de zenuwzinkingskoorts “die verschrikkelijke worsteling van zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag betwisten, totdat de lijder – meestal, helaas! – onder die kampstrijd bezwijken moet”.
Uit beschrijvingen kan worden opgemaakt, dat epidemie√ęn van influenza zich al in de vroege middeleeuwen en wellicht nog eerder hebben voorgedaan, maar zij werden lange tijd niet als specifiek ziektebeeld onderkend. In de 18e eeuw teisterde een aantal griepgolven, veelal beginnend in Rusland, Europa. Beruchte perioden waren 1729-1733, 1780-1783 en 1799-1803, wat juist de perioden zijn waarin het sterftecijfer in Castricum scherp stijgt.

Armoede en gezondheid

Nu is het gemakkelijk om een verhoogde sterfte aan een epidemie toe te schrijven, maar zeker in de gemiddeld hoge sterfte zal ook de grote sociale armoede, die in de tweede helft van de 18e eeuw heerste, hebben bijgedragen. Schama, in zijn bekende boek Patriotten en Bevrijders, schetst hiervan een wrang beeld. Hij citeert bijvoorbeeld het Nieuw Nederlands Jaerboek uit 1776: “Het gewone volk komt om van nood en ellende, de armenhuizen liggen vol.” Het aantal armen nam o.a. toe als gevolg van de oorlogscrisis, waardoor voedsel- en brandstofprijzen stegen. Volgens Schama was “de meest erbarmelijke nooddruft” waarschijnlijk te vinden op het platteland. Bijvoorbeeld in Twente kon naar schatting 50 tot 60 procent van de bevolking rederlijkerwijs als paupers worden aangemerkt. Openbare bedelarij nam vrijwel onbeheersbare vormen aan en in sommige provincies zwierven zelfs bendes rond van bedelaars en landlopers, die onder andere boerderijen beroofden.

Ook in de Hollandse gemeenten was er een intocht van bedelaars. Dat deze omstandigheden, zoals de ondervoeding, in de gezondheidstoestand van de bevolking hun weerslag vonden, is duidelijk. Opvallend in dit verband is, dat ‘gelijkheid en broederschap’ belijdende figuren als Nuhout van der Veen en Drost, zich in hun Castricumse periode in niet onaanzienlijke mate wisten te verrijken. Vooral Nuhout van der Veen en in mindere mate Drost verwierven bezittingen in Castricum in de vorm van grond en huizen, terwijl Drost in 1794 ook voorkomt op een lijst van vrij vermogende personen, die belasting moeten betalen over meer dan 2.500 gulden.

Albertus J. Betting, 1800-1803

De hiervoor reeds enkele malen genoemde Alida Essink, die achtereenvolgens gehuwd was met de chirurgijns Adriaan Toulouse en Jacob Drost speelt in de geschiedenis van de gezondheidszorg in Castricum een opvallende rol, want na de dood van Drost in 1798 weet ze in mei 1800 in Castricum opnieuw een huwelijk met


Jaarboek 17, pagina 9

een chirurgijn tot stand te brengen: Albertus Johannes Betting, een weduwnaar komende uit Spaarndam, die een circa 10-jarige dochter meebrengt uit een eerder huwelijk. De moederrol was voor Alida waarschijnlijk nieuw, omdat voor zover bekend uit haar huwelijken met Adriaan Toulouse en Jacob Drost geen kinderen zijn geboren.
Hoewel Betting een gestudeerd man was (chirurgijnsexamen in 1790 te Amsterdam), is hij een representant van het in de inleiding genoemde soort chirurgijns, die de verantwoordelijkheden van het beroep niet erg serieus namen. Daarom is het interessant, om wat uitvoeriger bij hem stil te staan, hoewel hij slechts kort in Castricum werkzaam was.

Betting ontpopte zich al snel als een onbehouwen figuur. Dit blijkt uit een klacht, die Alida, nog geen jaar getrouwd, in april 1801 indient bij het Comit√© van Rechtsuitoefening te Castricum, waarbij ze haar echtgenoot van wangedrag beschuldigt, onder andere “de toegang tot haar huis door gemelden haaren Man zijn belet geworden, door het naar zich nemen de Steutel en voor haar sluiten en geslooten houden de Deuren, waardoor zij niet tegenstaande alle zo vriendelijke als ernstige aanzoeken verstooken is geworden van dat Recht, dat eene wel oppassende Vrouw competerende is en daarvoor de dag beleeft heeft, dat zij schoon anders (dank zij den Hemel) in deeze dagen haar eigen brood konde eten, bij anderen, om eene beete broods heeft moeten gaan vragen; al het welke ten gevolge heeft gehad, dat zij op een dag in de laatst verloopene week na haare Vrienden en Bekenden is gegaan om hun van haar oogmerk in dezen kennis te geven. Suppliante voorziet, dat zulke ongelukkige Omstandigheden en Wangedragingen van haaren Man geen andere gevolgen kunnen hebben, dan de nijpenste Armoede en daaraan gemeend heeft haar goed recht in tijd te moeten doen gelden”.

Alida verzoekt het comité tegen haar man een echtscheidingsprocedure te mogen beginnen. Met mr. Pieter Klinkhamer uit Uitgeest als advocaat vindt enkele weken later inderdaad het proces plaats en wat Alida daar volgens het procesverbaal te berde brengt, liegt er niet om.
Zij betoogt ondermeer, dat zij vanaf het begin van haar huwelijk weinig genegenheid van haar echtgenoot heeft ondervonden. “Dat die onverschilligheid van den Gedaagde zodanig is toegenomen dat de Gedaagde haar Eiseresse nu reeds een geruimen tijd geleden meest al met eene verregaande Verachting heeft behandeld en niet aIleen met Verachting, maar zodanig omtrent haar Eiseresse hem heeft gedragen, dat men zulks meede van een Barbaar, dan van een zoogenaamde ordentelijke Burger zoude verwachten, en meestal met nuttelooze en onbetamelijke bezigheden den kostbaaren tijd verspild, zonder behoorlijk zijne affaire waar te neemen, maar de zelve dagelijks verwaarloozende.”

Betting verdedigt zich zwakjes en zou het liefst alsnog tot een schikking komen om vervolgens orde op zaken te stellen. Op dezelfde dag loopt overigens nog een rechtszaak tegen Betting, aangespannen door Jacob Gorter uit Alkmaar. Het betreft een vordering van “eene Somme van eenhonderd twee en vijftig Guldens, dertien Stuivers en acht Penningen”, wegens medicijnen aan Betting geleverd. Betting erkent de ge√ęiste som schuldig te zijn, maar verklaart niet in staat te zijn het bedrag in enen te voldoen. Beide zaken worden aangehouden, wegens het recht van Betting op dupliek.
Als Alida en Betting nog dezelfde maand weer voor de Schepenen verschijnen, neemt de echtscheidingszaak een onverwachte wending, want zij geven te kennen, dat zij sinds een week “tot hunne groote blijdschap met elkander waren verzoend”. De Schepenen accepteren dit, maar leggen het echtpaar wel een aantal voorwaarden op. Zo dient Betting zich in het vervolg te gedragen als een goed echtgenoot, hij zal zijn beroep goed moeten uitoefenen en bovendien dient zijn dochter aan Alida “als moeder alle behoorlijke achting, toegenegendheid en gehoorzaamheid te bewijzen en eventuele bestraffing niet kwalijk nemen”. De schuld aan Garter zal Betting uit de gemeenschappelijke boedel moeten betalen.

Nieuwe moeilijkheden voor Betting

Het blijft helaas niet bij dit happy-end, want a1 snel doemen opnieuw moeilijkheden op. Op 18 september 1801 wordt in Castricum een kind geboren, waarvan de moeder, Trijntje Kale, verklaart, dat Albertus Johannes Betting de vader is. Aan het verblijf van Betting in Castricum komt, mede door dit schandaal, nu een spoedig einde. Er wordt alsnog op 16 ju1i 1803 door de Schepenen een echtscheiding uitgesproken en Betting vertrekt in hetzelfde jaar met zijn dochter naar Limmen.

In de vergadering van de Castricumse gemeenteraad van 2 november 1803 rapporteert Nuhout van der Veen, dat de nu in Limmen woonachtige Betting zich bij hem heeft vervoegd met enkele verzoeken: een akte van ‘borgtogt’ voor zes jaar ingeval van onverhoopte armoede en een bewijs van goed gedrag. De gemeenteraad verleent de ‘borgtogt’, wat betekent dat de gemeente Castricum bij het vervallen van Betting tot armoede de last der alimentatie aan Alida Essink zal overnemen. Het bewijs van goed gedrag wordt hem echter onthouden “uit hoofde der algemeen roulerende faam en moreel bekend zedeloos slegt gedrag door gezegden Betting in eene ongeoorloofde verkeering met vrouwen gehouden …”. Wel verklaart het gemeentebestuur, dat Betting zich los van zijn immoreel gedrag, als een zeer kundig en ervaren heelmeester heeft doen kennen, wat merkwaardig is, omdat uit de opgetekende processenverbaal nu juist naar voren kwam, dat hij zijn praktijk verwaarloosde.

In Limmen hervat Betting zijn werkzaamheden als chirurgijn, maar ook daar blijkt het niet goed met hem te zijn gegaan, zoals valt op te maken uit inspectie-rapporten door visitatiecommissies van het Geneeskundig Staatstoezicht, dat in 1804 werd ingesteld. In een inspectierapport gedateerd 28 augustus 1807 lezen we: “Limmen: A.J.Betting, niet thuis, winkel gesloten, daarom nadere visitatie. Tweede visitatie 1807: Betting was niet thuis en de winkel geheel in disorderlijke staat en armoedig.” Op 24 november 1809 is Albertus Johannes Betting in Limmen overleden en aldaar begraven.

Maximilianus L. Nuyens, 1802-1806

Verreweg het grootste deel van wat bekend is over de loopbaan van Maximilianus Ludovicus Nuyens als chirurgijn speelde zich af in Limmen en is uitvoerig beschreven. Hij was de stamvader van de zogenaamde Limmer tak van de familie Nuyens, waarvan thans nog vele nazaten in Noord-Holland woonachtig zijn. Maximilianus Nuyens is ook enkele jaren in Castricum werkzaam geweest en daarom verdient hij enige aandacht.

Nuyens was atkomstig uit Hoogstraten in Belgi√ę, waar hij in 1758 werd geboren. Hij vestigde zich in Holland, waarschijnlijk eerst in Amsterdam, waar hij in 1783 bij het chirurgijnsgilde de zeeproef aflegde. De loopbaan van Nuyens in Limmen zal omstreeks 1788 zijn begonnen, omdat hij in dat jaar in het huwelijk trad met Alida Onstijn, weduwe van de in 1787 overleden Limmense chirurgijn Frans Brakenhoff, de stamvader van de Castricumse familie Brakenhoff. Het in bezit krijgen van een chirurgijnswinkel via een huwelijk met de weduwe van een chirurgijn, waarvan we ook in het voorgaande enkele voorbeelden hebben gezien, was blijkbaar populair. Nuyens schijnt in die tijd nog verder te hebben gestudeerd, want in 1794 krijgt hij een bewijsstuk van een medicus in Alkmaar, waardoor hij ook de verloskunde mag uitoefenen.


Jaarboek 17, pagina 10

Dat Nuyens in Castricum werkzaam is geweest blijkt vaar het eerst uit een vergadering van de Castricumse gemeenteraad (toen Municipaliteit genoemd) van 5 mei 1802, waarin een opgave aan de orde komt, die moet worden gedaan aan een geneeskundige commissie in Haarlem van personen die in Castricum genees-, heel- en verloskunde uitoefenen. De gemeenteraad stelde een lijst op met drie namen: Betting, Nuyens en Adrianus Visser. De laatste wordt genoemd als knecht van Nuyens en had nimmer enig examen afgelegd. Op 7 ju1i 1802 vergadert de gemeenteraad opnieuw en blijkt er een brief te zijn binnengekomen van genoemde commissie, waarin onder andere werd gesteld, dat Adrianus Visser zich moet onthouden van de uitoefening der genees- en heelkunst, “tot zolange hij een voldoend examen zal afgelegd hebben”.

Bij de Kerkbuurt splitste de weg in de richting Egmond via de Torenstraat (oude naam Bakkummerweg) en via de Alkmaarderstraatweg (oude naam Soomerwegh) richting Limmen en Alkmaar
Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat) in 1901 met rechts de Rustende Jager en de doorrijstal en links de winkels van De Haas en Kazenbroot (nu, 2010, kleinmeubelzaak Schotten en Piet Post woonwinkel) Bij de Kerkbuurt splitste de weg in de richting Egmond via de Torenstraat (oude naam Bakkummerweg) en via de Alkmaarderstraatweg (oude naam Soomerwegh) richting Limmen en Alkmaar. De scharesliep staat midden op straat (een scharespliep slijpt messen, scharen en dergelijke). Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

Uit enkele akten, waarvan de vroegste dateert uit 1804, blijkt dat Nuyens in Castricum een huis plus erf in de Kerkbuurt bezat, waarvan de omschrijving onmiskenbaar doet denken aan de chirurgijnspraktijk naast de herberg. Nuyens lijkt dus kans te hebben gezien deze praktijk na de breuk tussen Betting en Alida Essink over te nemen, maar of hij werkelijk in Castricum heeft gewoond weten we niet. Het is mogelijk, dat zijn praktijk in Castricum een soort filiaal was van die in Limmen. Een argument voor deze constructie is het feit, dat weliswaar zijn vrouw Alida Onstijn op 20 mei 1805 in Castricum blijkt te zijn overleden – zij assisteerde daar mogelijk in de praktijk – maar hij laat haar begraven in Limmen. En als Nuyens op 24 november van hetzelfde jaar opnieuw in het huwelijk treedt met Maria Conneman, laat hij dit huwelijk behalve in Castricum ook in Limmen registreren.

Op 26 november 1806 verkoopt Nuyens zijn Castricumse bezittingen aan Jan Versteege en trekt hij zich definitief in Limmen terug. We kunnen zijn loopbaan daar nog een tijd volgen aan de hand van de visitatie-rapporten van het Geneeskundig Staatstoezicht, waaruit blijkt dat het met zijn heelkundige praktijk geleidelijk bergafwaarts is gegaan. De hoge ouderdom van Nuyens gaat zijn tol eisen en de oordelen van de inspectieteams worden steeds negatiever. In 1836, Nuyens is dan al bijna 80 jaar, meldt de inspectiecommissie : “Staat der wjnkel slecht. Staat der instrumenten slecht.” En over Nuyens zelf merkt de commissie op: “Als bekend is, oud en crom, en een winkel van geene de minste waarde.”
Op 25 oktober 1846 komt Nuyens, die toch wel als een opmerkelijke figuur moet worden gekarakteriseerd, op hoge leeftijd te overlijden in Egmond Binnen. Met het optreden van Nuyens in Castricum wordt de periode van de echte chirurgijns afges1oten en volgt een tijdperk, waarin de gezondheidszorg anders wordt gereorganiseerd en een nieuw type geneesheer naar voren treedt.

Nieuwe regelingen en wetten

Aan de ingewikkelde en soms chaotisch aandoende situatie in de gezondheidszorg in de Nederlandse Republiek, met veel verantwoordelijkheid bij lokale besturen, kwam vrij drastisch een einde in de ‘Franse’ periode van de Nederlandse geschiedenis (1795-1813). De gilden werden als beroepsorganisaties afgeschaft. De gezondheidszorg en vooral het toezicht daarop, werden meer centraal geregeld, door het in 1804 instellen van departementale en stedelijke geneeskundige commissies. Er kwam een uniformering van toelatingseisen tot medische beroepen met een registratieplicht van geneeskundigen door gemeentebesturen en er werden lijsten van erkende geneeskundigen gepubliceerd. Verder werden er inspecteurs aangesteld, belast met het visiteren van winkels van apothekers en apotheekboudende geneeskundigen, waarvan we hiervoor al enkele voorbeelden hebben gegeven.

Na de ‘Franse’ periode werd de klok niet meer teruggedraaid en kwam er in 1818 zelfs een wet tot stand “ter regeling van hetgeen betrekkelijk is tot de uitoefening van de verschillende takken der geneeskunde”, die als een vervolg en uitbreiding van de voorlopige regeling van 1804 kan worden gezien. In volgende jaren werd bij Koninklijk Besluit een aantal details nader uitgewerkt in ‘Reglementen en Instructies’. Een belangrijk uitvloeisel van de nieuwe wetgeving was de instelling van ‘Provinciale Commissien van Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzigt’, met als leden geneeskundigen en apothekers. Hun taak was ondermeer het onderzoeken en beoordelen van de bekwaamheid van geneeskundigen, waarbij als een van de middelen het visiteren van apothekers en heelkundigen bleef bestaan.

Dit lijkt overigens geen onaantrekkelijke baan te zijn geweest. In een rapport over winkelvisitaties uit 1826 lezen we: “Hier in de Herberg de Zwaan was de plaats dat wij het middagmaal gebruikten, bestaande inzonder karbonaden uit Alkmaar medegenomen terwijl wij tevens verkwikt werden met een edel vocht door den eerst-ondergetekende van Haarlem medegebragt. Eene vriendelijke kastelein en kasteleinse waren ons zeer gedienstig, hoewel zij niets dan brood leverde.”

Een belangrijke taak van de geneeskundige commissies was onder andere “het betrachten van waakzaamheid met betrekking tot besmettelijke ziekten”, waartoe onder andere. een meldingsplicht door lokale besturen werd ingesteld. Men stond na het invoeren van de nieuwe wetgeving voor het probleem, dat van vele geneeskundigen, zoals de chirurgijns, de opleiding onduidelijk was. Daarom werd in 1823 het geneeskundig onderwijs beter geregeld door oprichting van ‘klinische scholen’ in een aantal steden. Wat betreft Noord- Holland waren dit Amsterdam, Alkmaar, Haarlem, Zaandam, Hoorn en Enkhuizen.
We zien de benaming chirurgijn langzamerhand verdwijnen en daarvoor in de plaats komen beroepsaanduidingen a1s heelmeester, scheepsheelmeester, plattelandsheelmeester en vroedmeester, naar gelang het examen dat men aan een klinische school had afgelegd. Na een overgangsperiode, waarin nog enkele chirurgijns van de oude stempel kort in Castricum werkzaam zijn geweest, breekt voor het dorp een periode aan, waarin de gezondheidszorg aan deze heelmeesters ‘nieuwe stijl’ werd toevertrouwd.

De periode 1806-1828

Na 1806 verliest Castricum voor heelkundigen zijn aantrekkingskracht, want er volgen een aantal jaren waarover het gemeentebestuur aan de provinciale geneeskundige commissie moet melden, dat er geen gekwalificeerde geneeskundigen in Castricum werkzaam zijn. Dit geldt onder andere voor de jaren 1812, 1813 en 1819 tot 1828. De reden is niet duidelijk, want op basis van het aantal inwoners, kon de gemeente zeker aan een geneeskundige een bestaan bieden. Mogelijk was een gevolg van de nieuwe wetgeving een teruglopen van het aantal bevoegde geneeskundigen, zodat er een landelijk tekort optrad. Voor zover zich niettemin geneeskundigen in Castricum vestigden, bleven ze slechts een korte periode en er is, mede daarom, weinig over ze bekend.

Allereerst kan worden genoemd Jacob Wiggert Vos, waarvan we alleen weten dat hij in 1806 in Castricum werkzaam was. In 1812 komt hij voor op een lijst van door een ‘Jury de Medicine’ erkende geneeskundigen als gevestigd in Ilpendam. Op een lijst uit 1811 met namen van gezinshoofden in Castricum treffen we Bernardus Wiggers aan, geboren in 1783, wiens beroep met chirurgijn wordt aangeduid. Wiggers woonde reeds in 1810 in Castricurn, want in dat jaar geeft hij de geboorte aan van een dochter. In dat jaar wordt ook zijn winkel gevisiteerd en de inspecteurs geven een kort maar positief verslag, waaruit overigens niet blijkt waar zijn winkel in Castricum gevestigd was.


Jaarboek 17, pagina 11

 Grafiek van de jaarlijkse sterfte in Casrricum berekend per 1.000 inwoners over de periode l810-1880.
Grafiek van de jaarlijkse sterfte in Casrricum berekend per 1.000 inwoners over de periode l810-1880.

Volgens een opgave van Nuhout van der Veen, die zich nu ‘Maire van Castricum’ noemt, aan de Onderprefect van het Arrondissement Alkmaar, verrichtte Wiggers in 1811 twaalf pokkenvaccinaties, waarvan twee gratis en tien “voor drie guldens ieder”.
De brief verrmeldt ook, dat Wiggers in 1811 naar Den Helder is vertrokken. Op 25 juni 1812 schrijft Nuhout van der Veen in verband met de pokkenvaccinatie opnieuw aan de Onderprefect, waarbij hij constateert, dat geen opgave van gevaccineerden in Castricum is gedaan. Hij betreurt het, dat professionele hulp voor de bestrijding van de pokken in het dorp ontbreekt.

Aan de geneesheerloze periode na Wiggers komt een kort einde rond 1815, wat kan worden geconcludeerd uit een geboorteaangifte in januari van dat jaar door de chirurgijn Hubertus Nottelman, oud 28 jaar. In een staat van de Castricumse Bevolking van 7 november 1818 wordt Nottelman al niet meer genoemd. Het Provinciaal Blad van Noord-Holland noemt Hubertus Nottelman in de jaren 1821 tot en met 1847 als heelmeester te Oosthuizen en Hobrede in de Beemster. Na Nottelman volgt in Castricum een nieuwe periode zonder gekwalificeerde geneeskundige hulp, die pas wordt onderbroken in 1828 als de net afgestudeerde heelmeester Bemardus Res zich in Castricum vestigt.

Epidemie√ęn en sterfte

De periode van 1806 tot 1828 moest Castricum, zoals we hiervoor zagen, het zonder heelmeester stellen. Dit zal het gemeentebestuur zeker zorgen hebben gebaard, want in deze periode waren er enkele jaren met een relatief hoge sterfte, wat wijst op het heersen van epidemie√ęn. In bovenstaande grafiek wordt een overzicht ge√Įllustreerd van de sterfte in Castricum over een periode vanaf 1810, waarbij de sterfte nu per 1.000 inwoners kon worden berekend, omdat in de Franse tijd was begonnen met het registreren van het aantal inwoners.
Voor de pieksterfte in 1810 was een epidemie van pokken verantwoordelijk. Deze ziekte en de pogingen om haar te bedwingen door inenting vormen een verhaal apart, waarop we zullen terugkomen.

Het ‘rampjaar’ 1826

De grafiek toont een hoge sterftepiek onder de Castricumse bevolking in 1826 en uit de verslagen van de geneeskundige commissies in Noord-Rolland blijkt, dat het voor de gehele provincie een rampjaar was.
Een kort citaat uit het verslag van de commissie in Alkmaar: “In Oktober, November en December diverse koortsen, obstructi√ęn in den onderbuik. Veel doden in Alkmaar. Zieken zeer talrijk, wel 25 procent der bevolking.” Room is in zijn verslag zo mogelijk nog negatiever. Veel kinderen waren aangedaan en zelfs werden veel heelmeesters door de ziekte getroffen.
Het rapport over 1826 van de commissie in Enkhuizen is al even somber. Men wijt de oorzaak van de ziekte aan de sedert mei voortdurende hitte en de buitengewoon grote droogte. Evenals elders is er sprake van een algehele epidemie onder de inwoners van de stad. De ziekte is “van galachtig catarisch karakter met remitterende en intermitterende koortsen”. In augustus en september worden de koortsen emstiger: “Met toevallen, verwarring, slaapziekte, wezenloosheid, angstvolle belemmering der ademhaling, pleuritische pijnen, vreeselijke benauwdheden, onbedwingbare walgingen en brakingen van zo goed als zeer bedorven gal, soms met bloed, diarrhoea, dysenteroidae, zware dolores (red: hevige pijn), uiterste verzwakking.”

Het rapport merkt nog op, dat ook in nabij gelegen steden en dorpen de epidemie heerst. Met wat voor epidemie, die duidelijk ook in Castricum slachtoffers heeft gemaakt, hadden we hier nu te maken? De geneeskundige verslagen noemen niet specifiek een bepaalde ziekte, zodat we slechts kunnen gissen. De beschreven symptomen doen denken aan tyfus, een zeer besmettelijke bacterie-infectie, maar ook een vorm van dysenterie kan in het spel zijn geweest.

Pokken en inenting

Hiervoor zagen we hoe in Castricum reeds in 1811 vaccinaties tegen de pokken werden verricht. Pokken, een virusziekte, heerste in vroegere tijden in Azie en het Midden-Oosten en men neemt aan, dat de ziekte door kruisvaarders in Europa is verspreid,


Jaarboek 17, pagina 12

waar in 1572 de eerste grote epidemie uitbrak. In de Europese landen wist men aanvankelijk niet hoe de ziekte te bestrijden, hoewel in landen met van oudsher een pokkenproblematiek, zoals Turkije, het inenten was ontdekt. Kinderen werden in familiebijeenkomsten geprikt met een naald, die was gedoopt in etter van een verse pokpuist, waardoor ze weliswaar kortstondig ziek werden, maar verder hun leven lang gevrijwaard bleven voor een ernstige vorm van pokken.

Via de vrouw van een Engelse gezant in Turkije werd deze methode van inenten in 1717 bij medici in Engeland bekend en werd in 1720 besloten tot een experiment met enkele ter dood veroordeelde misdadigers. Zij vertoonden na de inenting slechts de verschijnselen van een lichte besmetting en sindsdien nam deze vorm van inenten tegen pokken in Engeland een zekere omvang aan. Echt populair werd het niet, want er waren mislukkingen en er werden ook veel bezwaren ingebracht door onder andere kerkelijke instanties. Gezien deze ervaringen in Engeland is het waarschijnlijk niet toevallig, dat de Engelse dorpsarts Edward Jenner een altematieve vorm van inenting bedacht met smetstof uit koepokken. Hij had waargenomen, dat boerinnen na het melken van besmette koeien slechts een lichte vorm van pokken aan de armen ontwikkelden en daarna resistent waren tegen de ziekte. In 1796 ondernam hij zijn eerste succesvolle inenting met koepokentstof bij een achtjarige jongen, die een pokpuist kreeg. Zes weken later besmette Jenner het kind met etter van menselijke pokken, maar de jongen bleek onvatbaar geworden. Deze vorm van inenten vond meer bijval, ook buiten Engeland.

Pokken in Castricum

Wat betreft Noord-Holland en dus ook Castricum, blijken de jaren 1810 tot circa 1830 een periode, waarin zich regelmatig plaatselijke epidemie√ęn van pokken voordoen, waarbij slachtoffers vallen, vooral onder kinderen.
In 1810 heerst er een emstige epidemie van pokken in Castricum en worden er 15 sterfgevallen aan deze ziekte geregistreerd. In 1814 maakt de Geneeskundige Commissie te Haarlem het Ministerie van Binnenlandse Zaken attent op het epidemisch heersen van de pokken in gemeenten in Noord-Holland. De commissie toont zich niet tevreden over het aanta1 inentingen en noemt de weerstanden onder de bevolking tegen inenting “het vooroordeel der geringere volksklasse”. Ook blijken sommige geneeskundigen zich tegen inenting te keren. Een der maatregelen om het inenten te bevorderen is het in 1816 instellen van een medaille voor geneesheren met het grootste aantal inentingen. Winnaars worden Roelof Zwaan in Bovenkarspel met 161 inentingen en Hubertus van der Voort te Haarlem met 141 inentingen.

Na het vertrek van Wiggers in 1811 komt in Castricum de inenting tegen pokken tot stilstand. In 1815 schrijft de Staatsraad Gouverneur van Noord-Holland de gemeente Castricum aan “om te voldoen aan de heilzame intentie om de minvermogende volksklasse van het nut der koepok-inenting te overreden”. In 1816 komt er opnieuw een schrijven van de gezondheidsraad, met het dringend verzoek “om de geestelijken van verschillende geloofsgenootschappen aan te wenden om de vooroordelen te overwinnen en de vaccinatie aan te bevelen”. Ook in latere jaren volgen nog verschillende aanmaningen aan het Castricumse gemeentebestuur om ernst te maken met de inenting. Zelfs in 1836 komt er van de Staatsraad-Gouverneur nog de vraag waarom in Castricum niet of weinig wordt gevaccineerd: “In vergelijking met andere gemeenten is het in Castricum treurig gesteld. Hetgeen mij temeer in het oog valt, daar deze kunstbewerking elders zozeer wordt uitgeoefend.” Niettemin gaat het in het algemeen beter en zo signaleert de Gezondheidscommissie in 1836 het minder voorkomen van pokken, door een toegenomen belangstelling voor de inenting.
Opvallend is inderdaad, dat onder de epidemie√ęn, die in latere jaren Castricum teisteren, de pokken niet meer worden genoemd.

Johannes Res wordt geboren op 18 oktober 1834 in Castricum als de oudste zoon van Benardus Res, de plaatselijke heelmeester, en van Johanna Maria Kuin.
Johannes Res wordt geboren op 18 oktober 1834 in Castricum als de oudste zoon van Benardus Res, de plaatselijke heelmeester en van Johanna Maria Kuin. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Bernardus Res, 1828-1845

Met de komst in 1828 van de 29-jarige en nog ongehuwde Bernardus Res beschikt Castricum eindelijk weer over een geneeskundige, die zich in het dorp thuisvoelt en er tot zijn overlijden, ruim 15 jaar later, blijft werken. Res werd in 1798 geboren in Oostzaan. Zijn grootvader was Bernard Louis Rech, die omstreeks 1760 uit Frankrijk naar Amsterdam kwam en als stamvader kan worden gezien van de Noordhollandse familie Res.

Na een leerperiode bij de Zaandijkse chirurgijn Hendrik Tobbe melde Bernardus Res zich met een goed getuigschrift in 1825 aan bij de Provinciale Commissie van Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzicht te Haarlem om examen te mogen doen als heelmeester voor het platteland. We mogen aannemen, dat dit examen ‘nieuwe stijl’ beduidend zwaarder was dan het vroegere ‘proeven’, door de chirurgijnsgilden. Bemardus heeft er in ieder geval moeilijk mee. Hij slaagt aanvankelijk maar gedeeltelijk en moet een herexamen afleggen voor de vakken farmacie en algemene ziektekunde. Ook dit verloopt aanvankelijk niet succesvol, maar via herkansingen slaagt hij uiteindelijk op 12 maart 1828 in Haarlem toch voor het examen. De examencommissie had toen reeds kennis van een vacature voor heelmeester in Castricum, tegen een traktement van 150 gulden per jaar, en zij maakt Bemardus daarop attent. Hij vond het kennelijk een aantrekkelijk aanbod, want kort daarop vestigt hij zich in Castricum, waarbij hij gaat inwonen bij het echtpaar Jacob Kuys en Catharina Sprong in de Kerkbuurt.

Eetgelegenheid Het Theater, dancing 'Sands' en café Sam-Sam aan de Dorpsstraat 75-77 in Castricum.
Eetgelegenheid Het Theater, dancing ‘Sands’ en caf√©¬†SamSam aan de Dorpsstraat 75-77 te Castricum in 1999. Links Het Theater en rechts ‘Sands’ en¬†SamSam.¬†Uiterst rechts een deel van woninginrichting Huitenga. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1831 trouwt hij met Johanna Maria Kuin, dienstbode bij pastoor Ruigrok van de Werve in de Oosterbuurt. Het echtpaar gaat wonen in een huis aan de Dorpsstraat nabij het raadhuis, dat stond op de plaats van het huidige café Sam Sam. Naar we aannemen was daar ook de heelkundige praktijk gevestigd. Uit het huwelijk, dat voor de rooms-katholieke kerk werd gesloten, werden één dochter en drie zoons geboren, waarvan er twee, Johannes en Willem Res er via hun nakomelingen voor hebben gezorgd, dat we dragers van de naam Res ook nu in Castricum nog regelmatig tegenkomen.

Winkelvisitaties

Waarschijnlijk hield Bernardus Res zich behalve met de geneeskunde ook nog bezig met knippen en scheren, maar zeker weten we dat niet. De combinatie van kapper en geneeskundige begon met de nieuwe organisatie van de geneeskunde in onbruik te raken. De aanduiding ‘winkel’, die men in de visitatierapporten van de provinciale geneeskundige commissie aantreft, slaat op de apotheek, die veel heelmeesters op het platteland er op nahielden. Zij zijn in dat opzicht te vergelijken met de apotheekhoudende huisarts, die men hier en daar nog aantreft. Het valt op, dat veel heelmeesters in Noord-Holland er in de inspectierapporten niet goed vanaf komen. Dat geldt echter niet voor Res, die over het algemeen uitstekend wordt beoordeeld, zodat we hem kunnen kenschetsen als een vakkundig heelmeester, met een goede taakopvatting.
Dit blijkt bijvoorbeeld in 1828 als de commissie over het bezoek aan Res noteert: “Staat winkel en instrumenten: zeer goed. Opmerking: Deze winkel is wel zeer wel voorzien en met de instrumenten zeer fraay.”
Tien jaar later, in 1838 is het oordeel over Res nog steeds gunstig: “Staat winkel: zeer goed. Staat instrumenten: zeer goed. Vaccinatie: in orde. Epidemien: geen. Verzorging armen: in orde. Aanmerkingen: geen.”


Jaarboek 17, pagina 13

Later wordt het oordeel iets minder, waarbij de achteruitgaande gezondheid van Res een rol lijkt te spelen. In 1840 merkt de commissie bijvoorbeeld op: “Bij deze Heelmeester, die geruimen tijd ongesteld is geweest, werd alles in vrij goede orde bevonden.” Niettemin toont Res in deze periode nog zijn kunde bij het opwekken van de levensgeesten van de twee en een halfjarige Neeltje Kuys, die op 16 maart 1843 te water was geraakt. Voor deze verdienste krijgt hij van het gemeentebestuur een zilveren legpenning.

Bernardus Res komt op 27 maart 1845 op de nog jonge leeftijd van 47 jaar te over1ijden, een voor de gemeente Castricum gevoelig ver1ies van een gewaardeerd en kundig heelmeester.

Maatregelen tegen infectieziekten

Wat besmettelijke ziekten betreft bleef het ook in de periode Res zeer zorgelijk, zoals blijkt uit een aantal uitschieters in de sterftecijfers tot boven de 30 en zelfs 40 per 1.000 inwoners. Behalve de pokken is er na 1830 vrijwel geen jaar of de Provinciale Geneeskundige Commissie signaleert nog andere infectieziekten. Bijvoorbeeld in 1834: “Buiten de Kinderpokken heeft ook het Roodvonk, dat op verschillende plaatsen epidemisch geheerscht heeft, vele slagtoffers gemaakt.” Genoemd worden onder andere Haarlem en Hoorn.

Met betrekking tot infectieziekten, waren in 1819 als uitvloeisel van de nieuwe wet een aantal algemene maatregelen afgekondigd, ondermeer het afzonderen van de zieken in een aparte ruimte en het zuiveren van besmette voorwerpen, waarmee de zieke in aanraking was geweest. Dit laatste door “berooking”, het blootstellen aan “dampen uit zwavelzuur, keukenzout en bruinsteen ontwikkeld”. Om de besmetting met de roodvonk-bacterie tegen te gaan waren dergelijke maatregelen wellicht effectief, maar wat betreft een behandeling van deze ziekte met geneesmiddelen stond een geneesheer als Res niettemin met vrijwel lege handen. Genoemde provinciale commissie merkt over de behandeling van roodvonk in 1834 op “dat de Geneeskunst in dat opzicht niet veel is vooruitgegaan en wij geen genoegzaam vertrouwen kunnen stellen in de Belladonna eerst door Samuel Hahneman zoo hoog geroemd”. Ook ‘Calomel’, een populaire kwikverbinding, kwam er als geneesmiddel bij roodvonk niet goed af.

Cholera

In 1830 sloeg de in Azie reeds heersende cholera, een bacteri√ęle infectie die tot een zeer ernstige vorm van diarree aanleiding geeft, voor het eerst toe in Europa. De mogelijke komst van een nieuwe ziekte wekte ook in ons land veel onrust en leidde tot een reeks van maatregelen: commissies werden opgericht, aan de grenzen werd een strenge quarantaine ingesteld en geschriften met waarschuwingen tegen o.a. onreinheid, jonge wijnen en onrijpe vruchten zagen het licht.

Een vertrouwelijk stuk aan de gemeentebesturen door de Staatsraad en Gouverneur van Noord-Holland in november 1831 geschreven vangt als volgt aan: “Ik heb met levendige bezorgdheid van tijd tot tijd van wege het gouvernement berigt ontvangen, dat de ziekte, bekend onder de naam van Cholera of Aziatische Braakloop, ook te Hamburg en in het graafschap Durham is uitgebroken, en alzoo ons dierbaar vaderland nadert.”
Er volgen een aantal wenken tegen het doordringen en verspreiden van de ziekte. In iedere gemeente moeten geneesmiddelen voorhanden zijn, waarvan men mag verwachten, dat zij tegen de cholera werkzaam zullen zijn “waarbij ook de zoo noodzakelijke zuiveringsmiddelen, de materialen tot de chloor-berookingen, de chloorkalk, de azijn enzovoorts zullen moeten worden gevoegd; terwijl het ook zeer wenschelijk wordt geoordeeld, dat er in elke gemeente genoegzame gelegenheid zij zoo wel tot algemeene baden als voorbehoedsmiddel, als tot huis- en dampbaden als geneesmiddel”.
Ondanks alle maatregelen, wordt ons land op 25 juni 1832 met de cholera geconfronteerd. De ziekte breekt uit in Scheveningen. Een matroos en een stuurman zijn de eerste slachtoffers, maar al snel zijn tientallen Scheveningers besmet. Genoemde Scheveningse zeelieden waren in feite zeerovers en vormen een wat wrange illustratie van het gezegde ‘misdaad loont niet’, want zij liepen de besmetting met de cholerabacterie op bij het bezoeken van de brik Bliza, die was gestrand bij Vlieland, tijdens een reis van Petersburg naar Londen. Aan boord van het schip waren veel doden en zieken. De Scheveningers hadden, zonder weerstand, van de lading, die onder andere bestond uit wol en talk, gestolen. Al snel heerst de cholera in grote delen van Nederland en bereikt ook Noord-Holland. In latere jaren keert de cholera nog een aantal malen terug. In Alkmaar zijn 7 grote cholera-epidemie√ęn geregistreerd: 1832-1833, 1848-1849, 1853, 1854, 1855, 1859, 1866-1867.

Het heeft er de schijn van, dat Castricum relatief gespaard is gebleven, want genoemde jaren geven geen uitzonderlijke sterfte te zien. Dat blijkt ook uit latere brieven van het gemeentebestuur aan de gezondheidsinspectie over de oprichting van een ziekenbarak, waarin wordt gesteld, dat zich in Castricum slechts sporadisch een geval van cholera heeft voorgedaan. Wellicht was cholera een ziekte, die zich vooral onder de dichte bevo1king van de steden uitbreidde, hoewel de epidemie van 1849 ook in Egmond veel slachtoffers schijnt te hebben gemaakt.

Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat) hoek Cieweg in Castricum.
Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat) hoek Cieweg in Castricum. Op de achtergrond de eerste Pancratiuskerk. Het gebouw rechts uit 1892 is het postkantoor van Jacob Res die in 1896 met Gisebertha Zonjee uit Uitgeest trouwde. Voordien oefende heelmeester Reijnders er zijn beroep uit. Later, na een verbouwing van het pand, is hier opeenvolgend een manufacturenzaak, een chinees restaurant en een caf√©. Het meisje staat met een zogenaamde broodpan onder de arm. Zelf beslag maken en de bakker laten bakken. Het bruggetje links tussen de bomen liep naar de boerderij van Frans Schut. Rechts de witte brugleuning waar de Ciebeek onder de Dorpsstraat stroomde. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Xaverius D.P. Fornier (1844-1855) en Antonius Reijnders (1845-1881)

In oktober 1844, dus nog voor de dood van Bemardus Res in maart 1845, vestigt zich in Castricum een heelmeester met de opvallende naam Xaverius Diametrius Paulus Fornier. De fraaie voornamen had hij ongetwijfeld te danken aan een zuidelijke afkomst: zijn vader was een Belgische wijnkoper. De vestiging van Fornier in Castricum hangt er mogelijk mee samen, dat hij een korte periode als vroedmeester werkzaam was in Santpoort en daar vernam, dat het met zijn collega Bemardus Res in Castricum niet al te best gesteld was.
De praktijk van Res in de Dorpsstraat wordt na zijn dood echter niet voortgezet door Fornier, maar in mei 1845 overgenomen door de uit de Zaanstreek afkomstige heelmeester Antonius Reijnders. Fornier blijft ook in Castricum werkzaam, waardoor er een nieuwe situatie is ontstaan, die ongeveer 10 jaar zal duren, waarbij het dorp de luxe van twee geneeskundigen kent.

Boerderij Het Knophuis aan de Overtoom 19-21 te Castricum in 1935.
Boerderij Het Knophuis aan de Overtoom 19-21 te Castricum in 1935. Olieverf schilderij van Sijf Portegies. Toegevoegd.

Fornier werd op 29 augustus 1810 geboren in Arnhem en was dus 34 jaar toen hij zich in Castricum vestigde. Wat zijn opleiding betreft schijnt hij geen problemen te hebben gekend. Na 4 jaar onderwijs te hebben genoten in Amsterdam bij een drietal heel- en vroedmeesters, doet hij vlot een aantal examens voor de commissie in Haarlem: voor scheepsheelmeester in 1840, voor plattelandsheelmeester in 1841 en voor vroedmeester in 1843.
Eerst huurt hij en later koopt hij in Castricum een huis genaamd Duinzigt, dat beter bekend is onder de naam Het Knophuis.

Antonius Reijnders werd op 7 mei 1815 geboren in Wormerveer en was dus 30 jaar bij zijn vestiging in Castricum. Hij werkte reeds op jeugdige leeftijd in een apotheek en schijnt voorafgaande aan zijn examens gedurende een periode van 9 jaar bij drie verschillende leermeesters in de Zaanstreek een opleiding te hebben genoten in de artsenij-, heel- en verloskunde. Het is mogelijk dat Reijnders en Fornier elkaar al in hun studietijd hebben leren kennen,


Jaarboek 17, pagina 14

want zij komen beiden voor op de naamlijst van in 1840 door de Geneeskundige Commissie te Haarlem ge√ęxamineerden. Reijnders had meer moeite met de studie dan Fornier, want hij slaagt in dat jaar niet. In 1842 doet hij een nieuwe poging. Het examen strekte zich over verschillende dagen uit en omvatte de vakken anatomie, fysiologie, pathologie, therapie, farmacie en kennis van de Latijnse taal, terwijl ook de kundigheid moest worden gedemonstreerd in het aderlaten en het aanleggen van verbanden. De uitslag is nu gunstig en op 12 november 1842 promoveert Reijnders tot heelmeester voor het platteland.
In 1843 behaalt hij, na een herexamen, ook nog het diploma van vroedmeester voor het platteland. Zowel Reijnders als Fornier vestigden zich als vrijgezel in Castricum, maar trouwden al spoedig met een Castricumse. Reijnders in 1850 met Neeltje Kuys uit welk huwelijk 6 kinderen worden geboren. Vandaag de dag komt de naam Reijnders nog in Castricum en omgeving voor en het betreft dan merendeels nazaten van Anthonie Reijnders, de heelmeester.
Fornier trouwt in 1847 met Guurtje Castricum. Uit dit huwelijk worden vier dochters en een zoon geboren, die echter enkele maanden na de geboorte komt te overlijden, waardoor de naam Fornier niet in Castricum is blijven voortbestaan.

Kort na het overlijden van Bernardus Res in 1845, deelt de burgemeester in een raadsvergadering mee, dat Fornier en Reijnders zich bij hem hebben vervoegd “met verzoek, daar Res is overleden, zijn toelage van 150 gulden per jaar te mogen toucheren”. Na een lange discussie stelt de gemeenteraad, dat de toelage uitsluitend was bedoeld om in een periode zonder geneeskundige hulp een heelmeester naar Castricum te lokken. De beide genoemde heren zijn uit vrije wil naar Castricum gekomen en de verplichting met Res aangegaan bestaat dus niet. Het voorstel wordt verworpen, maar de gemeente kent de beide geneesheren wel gelijke rechten toe in het behandelen van inwoners, die onder het armenbestuur vallen. Er wordt een regeling in het leven geroepen, waarbij zij om de beurt de patienten voor een periode van 6 maanden zullen behandelen. Hun declaraties moeten bij het armenbestuur worden ingediend. Deze regeling vloeide voort uit de Armenwet van 1818, waarin werd bepaald, dat armlastigen onder de zorg van het gemeentebestuur zouden vallen, mits ze tenminste 4 jaar in de gemeente hadden verbleven. De zorg omvatte steun in de vorm van geld, voedsel, kleding en brandstof en zonodig ook geneeskundige hulp, waarbij de gemeente plaatselijke geneesheren kon aanzoeken om de armen gratis hulp te verlenen, waarvan dan de kosten door het armenbestuur en dus indirect door de gemeente, werden vergoed.

Concurrentie

De situatie van twee heelmeesters in Castricum op een bevolking, die sinds Res slechts weinig was gegroeid vroeg om conflicten en inderdaad komt uit archiefstukken naar voren, dat de verstandhouding tussen Reijnders en Fomier niet steeds optimaal is geweest.
Fornier beklaagt zich in 1852 in een enigszins cryptisch briefje aan het gemeentebestuur, “dat in het half jaar waarin hem de geneeskundige hulp van de bedeelden is toegezegd, daartoe zijnen collega Reinders heeft gebruikt met verzoek dat de winsten welke deze collega heeft genoten niet aan hem zouden worden uitbetaald maar in de armenkas gestort”.
In een volgende raadsvergadering komt opnieuw een brief van Fornier aan de orde over het verstrekken van medicijnen door Reijnders aan een zieke armlastige “hetgeen was toegezegd aan hem, Fornier” .
Hoe deze kwestie afloopt is niet bekend, maar ondanks de concurrentie om pati√ęnten, lijkt het beide heelmeesters in Castricum niet slecht te zijn vergaan. Dit kan o.a. worden geconcludeerd uit hun bezit aan land, al dient opgemerkt, dat beider schoonfamilie daaraan niet vreemd was. Zo had het echtpaar Reijnders een aandeel in de boerenplaats Kleibroek aan de Somerweg en bezat het ook land aan de Brakersweg. Fornier kwam in bezit van enkele weilanden, ‘Het Kampje van Fornier’ en’ Het Horntje’ genaamd en bovendien van een huis, erf en bouwland bij het Schulpstet.

Wat betreft de inkomsten van de heelmeesters, zijn van Reijnders enkele rekeningen bewaard gebleven, waaruit blijkt dat hij in 1851 voor een visite 20 tot 50 cent rekende, athankelijk van de welstand van de patient. De kosten konden niettemin soms aanzienlijk oplopen, zoals in het geval van de locoburgemeester Jacob Kuys, die wegens ziekte van zijn vrouw in 1861 van Reijnders een rekening van 160 gulden gepresenteerd kreeg.

Opnieuw maar één heelmeester in Castricum

Fornier overlijdt in Castricum op 15 juli 1855, kort voor zijn 45e verjaardag en Reijnders staat er dan alleen voor, want er komt geen plaatsvervanger voor Fornier. Er komt voorlopig ook geen andere vorm van geneeskundige hulp in het dorp, zoals blijkt uit de ‘Naamlijst der beoefenaren van de onderscheidene takken der geneeskunst’, die de burgemeester ingevolge een Koninklijk Besluit uit 1818 jaarlijks bij de Commissaris des Konings moest indienen. Enkele kolommen van het hiertoe in te vullen formulier, met de opschriften geneesheren, heelmeesters, vroedmeesters, apothecars, vroedvrouwen, oogmeesters, tandmeesters, drogisten en kruidenverkopers, tonen over een aantal jaren slechts de naam Anthonie Reijnders, als heel- en vroedmeester. De andere genoemde beroepen waren dus in Castricum niet vertegenwoordigd.
Een van de problemen, waarvoor Reijnders nu alleen kwam te staan, was de gezondheidszorg voor de bedeelden in Castricum. De armoede in Castricum was nog steeds groot. Over de periode van 1854 tot 1866 worden door het Bestuur voor Huiszittende Armen jaarlijks tussen de 100 en 200 bedeelden opgegeven. De toename van het aantal bedeelden in sommige jaren wordt toegeschreven aan ‘menigvuldige zieken’, zoals in 1858. In 1864 telde Castricum circa 1.200 inwoners en leefde 14 procent van de bevolking van de bedeling.

Anthonie Reijnders werd in 1857 (zie grafiek op pagina 11) geconfronteerd met een bijzonder hoge sterfte in Castricum van meer dan 50 per 1.000 inwoners. Volgens beschikbare gegevens was dat niet aan de cholera te wijten. Er schijnt in dat jaar meer dan één epidemie in Castricum te hebben gewoed, waarbij zowel tyfus als mazelen worden genoemd.
Gelukkig waren de epidemie√ęn niet altijd van ernstige aard en was een succesvolle behandeling mogelijk. Als illustratie citeren we uit een brief van het schoolhoofd Ludewig aan het gemeentebestuur van Castricum van 28 maart l866. Er had een ‘klierachtige’ hoofdziekte onder de schoolkinderen geheerst en Ludewig schrijft: “Tot mijn genoegen hebben de hoofden van velen een beter aanzien gekregen, maar voor eenigen beschouw ik die middelen niet krachtig genoeg, of hebben ze de raad van den geneesheer niet opgevolgd.”

Nieuwe wettelijke regelingen

In het jaar 1865 krijgen het gemeentebestuur van Castricum en ook Reijnders te maken met nieuwe wettelijke regelingen van de gezondheidszorg. De provinciale en plaatselijke geneeskundige commissies worden afgeschaft en alle toezicht op de gezondsheidszorg komt nu direct onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Er worden met betrekking tot de controle op het geneeskundig handelen zeven districten ingesteld, bestuurd door Geneeskundige Raden, waar geneeskundigen, apothekers en een jurist deel van uitrnaken. Een systeem van geneeskundige inspecteurs,


Jaarboek 17, pagina 15

met verantwoordelijkheid aan deze raden, gaat nu de plaatselijke situaties controleren. De opleiding van geneeskundigen wordt duidelijker geregeld en de aanduiding ‘arts’ doet zijn intrede voor een met succes afgesloten studie aan een universiteit.

In 1868 komt het gemeentebestuur in overleg met de geneeskundige inspectie met een ‘Instructie aan de genees-, heel- en verloskundige in de armenpraktijk der gemeente Castricum’, die dus in feite bestemd was voor Anthonie Reijnders als enig geneeskundige in Castricum. Volgens deze instructies zorgt het Armenbestuur voor een lijst van gezinnen, waaraan de geneeskundige geacht wordt gratis hulp te ver1enen. Opmerkelijk is de bepaling, dat de geneeskundige niet zonder voorkennis van het Armenbestuur langer dan 24 uur buiten de gemeente mag verblijven. Reijnders kreeg overigens voor deze opofferingen uit de fondsen van het Algemeen Armenbestuur een bezoldiging van 550 gulden per jaar.

In 1867 krijgt Castricum door de komst van een spoorweg een goede verbinding met Alkmaar en Haarlem en dat zal ook zijn gevolgen hebben gehad voor de plaatselijke gezondheidszorg. Castricummers konden nu gemakkelijker gebruik maken van de diensten van geneesheren en apothekers in de genoemde steden. Ook contacten op geneeskundig gebied verbeterden. Zo komt de geneeskundig inspecteur Teixeira de Mattos in 1875 met de trein naar Castricum, om met Reijnders en de burgemeester het heersen van tyfus te bespreken.

Waardering voor Reijnders

Als heelmeester ondervond Anthonie Reijnders veel waardering. Zo neemt de gemeenteraad in 1871 het besluit “om den geneesheer Reijnders voor zijn betoonde hulp inzake de vaccinatie der ingezetenen, zoo die hulp blijkt geheel belangeloos te zijn verleend een geschenk namens de gemeente aan te bieden”. In een vergadering van 1872 wordt het besluit geconcretiseerd in de vorm van een cadeau ter waarde van 25 gulden.
In 1875 krijgt het echtpaar Reijnders ter gelegenheid van hun 25-jarig huwelijksfeest, waarvan de viering in een advertentie werd aangekondigd, een geschenk van de Castricumse bevolking in de vonn van een zilveren schaal, met inscriptie 1850-1875, en enkele zilveren lepels.
Tragisch is, dat Reijnders in hetzelfde jaar wordt getroffen door het overlijden van zijn vrouw, Neeltje Kuys, op 58-jarige leeftijd. Hij wordt door de kantonrechter in Beverwijk aangesteld tot voogd over zijn drie minderjarige kinderen, met als toeziend voogd Jan Kuys, een broer van zijn vrouw. In 1877 wordt op verzoek van Reijnders door een notaris een inventarisatie gemaakt van zijn bezittingen, in verband met de nalatenschap van zijn vrouw. In de apotheek worden de medicamenten, instrumenten en gereedschappen geschat op 50 gulden. Reijnders blijkt volgens deze inventarisatie ook de beschikking te hebben gehad over een paard en wagen voor het bezoeken van zijn pati√ęnten.

Bidprentje rner betrekking rot her overlijden van Antonius Reijnders in 1881.
Bidprentje rner betrekking rot her overlijden van Antonius Reijnders in 1881.

Na een vrij langdurige ziekte overlijdt Anthonie Reijnders op 18 augustus 1881 op 66 jarige leeftijd in Castricum, waarmee een einde komt aan het tijdperk van de Castricumse heelmeesters.

Dokter Stolp had Castricum, Limmen en Egmond in zijn praktijk.
Een zandweg (zou Zeeweg zijn) met op het pad de arts Pieter Stolp, naar verondersteld op een wandeling op 19 juni 1904.Dokter Stolp had Castricum, Limmen en Egmond in zijn praktijk. Hij werkte dit vaak lopend af. De opvolger van Reijnders in 1882, de arts Pieter Stolp, is nog maar nauwelijks in Castricum gevestigd of bij forceert min of meer de benoeming van een vroedvrouw. Op 4 augustus 1905 vestigt zich vanuit Utrecht in Castricum de arts Jacobus Rentmeester, die de praktijk van Pieter Stolp over neemt en ook Zorgvlied koopt. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

Zijn praktijk werd al sinds februari 1881 waargenomen door de 25-jarige Pieter Stolp, de eerste universitair opgeleide arts, die zich in Castricum vestigde.

W. Hespe

Bronnen:

  • Egmond-van Rookhuizen, A. van: Overzicht van de familie Kuys/Kuis afkomstig van Delft/Castricum, Velsen Noord, 1985.
  • Andel, M.A. van: Chirurgijns, vrije meesters, beunhazen en kwakzalvers, Amsterdam 1946.
  • Banga, J.: Geschiedenis van de Geneeskunde en van hare beoefenaren in Nederland voor en na de stichting der hoogeschool te Leiden tot aan den dood van Boerhaave; uit de bronnen toegelicht, Leeuwarden 1868.
  • Kol, J.: In Parochialis Ecclesia de Castringhem, 1992.
  • Luyssaert, J.: De Reningse familie Toulouse in de zeventiende eeuw, Westhoek 6e jg, nr.1, april 1990.
  • Van piskijkers en heelmeesters. Genezen in de Gouden Eeuw, Museum Boerhaave, Leiden, 1993.
  • Deelen, D. van: Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl, 1973.
  • Zuurbier, S.P.A.: Wie was …Joachim Nuhout van der Veen, WOC, le Jaarboekje, 1978.
  • Zuurbier, S.P.A.: De Heerlijkheid Bakkum en zijn Ambachtsheren, WOC, 3e Jaarboekje, 1980.
  • Zuurbier, S.P.A.: De Castricumse familie Res, WOC, 6e Jaarboekje, 1983.
  • Schama, S.: Patriotten en Bevrijders, Agon, 1989
  • Giest-Hofman, A.M.: Zinking, zinkingskoorts en zinkingsziekte, Ned. T. Geneesk. 116, 23-30 (1972)
  • Nuijens T.: Genealogie van het geslacht Nuijens, Haarlem, 1993.
  • Gooyer, A.C. de: De Spaanse Griep van ’18’, Philips Duphar 1968.
  • Woude, A.M. van der: Het Noorderkwartier, Wageningen 1972.
  • Rijksarchief Haarlem
    – Archieven van het Geneeskundig Staatstoezigt in Noord-Holland
    – Algemene Verslagen Provinciale Geneeskundige Commissie
  • Streekarchief Alkmaar
    – Doop-, trouw- en begrafenisregisters Castricum
    – Oud Rechterlijke Archief Castricum
    – Notarieel Archief Alkmaar
    – Gildenarchief Alkmaar

Leenaers, dokter (Jaarboek 13 1990 pg 25-31)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2:¬†Castricum in oorlogstijd¬†–¬†Dagboek kapelaans¬†– De dood van Arie Hageman –¬†Duin en Bosch, evacuatie¬†–¬†Duinkant, een verdwenen dorpje¬†– Oorlogsherinneringen Nardus Bos –¬†Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot¬†– verdedigingswerken –¬†verzetsstrijders¬†–¬†Leenaers, dokter¬†–¬†tante Sientje

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans, EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan WillemJacobs-Wentink, GréKieft, PieterKortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus

Extra artikel over dokter Leenarts: Plaquette van dokter Leenarts.


Jaarboek 13, pagina 25

Wie was … dokter Leenaers

“Collega Leenaers bezat alle gaven om een belangrijke rol te spe¬≠len in het artsenverzet en hij heeft deze gaven met brandend en¬≠thousiasme in dienst van het verzet gesteld. Tegen zijn overredingskracht waren slechts weinigen bestand, marchanderen ken¬≠ de hij niet, elk offer wilde hij ten alle tijde brengen voor een tri¬≠omf van het Medisch Contact, dat hij er zijn leven voor over zou hebben was bij hem geen holle frase, verlies van huis en praktijk telde hij gering in verhouding tot het grote doel: de ide√ęle en feite¬≠lijke overwinning op het Nazidom.‚ÄĚ
Met deze gloedvolle woorden werd dokter Leenaers herdacht tij­dens de eerste in vrijheid gehouden vergadering van het Medisch Contact, dat van 1941 tot 1945 het artsenver2et leidde.

Wie was dokter Leenaers …

Henri Maria Joseph Michel Leenaers werd op 11 december 1901 in Maastricht geboren. Hij was het derde kind van Alphonse Lee­naers, bierbrouwer en Emma Marres. Henri werd al spoedig Harry genoemd. Vier kinderen telde het gezin, dat woonde in de Sta­tionsstraat vlakbij het station.
Hij bezocht in Maastricht de lagere school en daarna het gymnasium.
Een grote gave van hem was zijn uitstekende geheugen. Hij hoef­ de maar één keer iets te lezen en dan was het in zijn geheugen ge­grift. In het begin van het laatste jaar op het gymnasium trof hem een ramp. Hij kreeg een hersentumor en dreigde blind te worden. De genezingskansen waren heel gering. De destijds zeer bekende chirurg professor Winkelman opereerde hem in Utrecht. Het werd op dit gebied de tweede geslaagde operatie in Nederland. Een stukje van zijn schedel moest worden verwijderd en dat is nu nog in be­zit van de familie, omdat Harry er op stond dat hij dat mee zou krijgen. Zijn belangstelling voor de medicijnenstudie was toen al duidelijk aanwezig.

Enkele maanden was hij door zijn ziekte niet op school en de rec­tor van het gymnasium achtte het dan ook niet verantwoord dat hij examen deed. Op eigen risico nam hij er toch aan deel en tot ieders verbazing slaagde hij met uitstekende cijfers.

Student

In het jaar 1919 begon Harry Leenaers zijn artsenstudie aan de universiteit van Amsterdam. Hij werd lid van de Katholieke Stu­denten vereniging Thomas van Aquino en werd gevraagd zich aan te sluiten bij het dispuut Noctua.
Noctua was in 1917 opgericht en telde enkele tientallen leden die allen medicijnen studeerden. Een jaar na zijn inauguratie op 6 november 1920 werd Harry Leenaers voorzitter. Daarna was hij nog een jaar secretaris. Tot de uiterlijke tekenen van het lidmaat­schap behoorde een soort Schotse baret en een wandelstok.
Het dispuut betekende heel veel voor de leden, die vrienden voor het leven werden. Leenaers had niet kunnen denken dat zijn jongste zoon Walter in 1958 tijdens diens artsenstudie van het­ zelfde dispuut lid zou worden. Ook in ander opzicht zou Walter in de voetsporen van zijn vader treden zoals later blijkt.
Bij dat dispuut ontmoette Leenaers zijn latere opvolger A.P.W.A.M. de Jongh, “Dikkie” voor vrienden, wiens vader in het hartje van Amsterdam in de Oude Hoogstraat een apotheek had. Met het zusje van zijn vriend, Hendrica (Riek), ontstond een nog inniger band, hetgeen tot een verloving leidde. Op 9 sep¬≠tember 1926 werd in Amsterdam hun huwelijk gesloten.

Riek de Jongh en Harry Leenaers trouwen op 9 september 1926 in Amsterdam.
afb. 1 Riek de Jongh en Harry Leenaers trouwen op 9 september 1926 in Amsterdam.

Op ‘t Sant

Inmiddels was Harry op 17 februari 1926 afgestudeerd. Hij nam per 1 april 1926 in Castricum de praktijk over van dokter Schoonhoff, die ongeveer 20 jaar huisarts in Castricum was ge­weest. De praktijk van dokter Schoonhoff was gevestigd in diens woning; het oude Hermana State, dat stond in de Dorpsstraat op de plaats waar nu de Amrobank staat.


Jaarboek 13, pagina 26

Tekening van Sijf Portegies van Huize Maja.
Afb. 2 Tekening van Sijf Portegies van Huize Maja. Het huis werd in 1919 gebouwd in opdracht van de heer J.P. Kraak. In 1929 werd het voor de eerste keer gedeeltelijk aangepast tot café en pension. In 1990 kennen we het als hotel-restaurant Komman.

Dokter Leenaers betrok eerst Huize Maja, het tegenwoordige Hotel-Restaurant Komman, (afb 2). Hij huurde het van de heer Claasen die in het toenmalige Nederlands-Indi√ę verbleef. Hij liet er een tijdelijke houten garage naast zetten. Door aannemer Jan Houtenbosch werd een nieuwe praktijkwoning gebouwd aan de Mient die de naam “Op ‘t Sant” kreeg, (afb 3 en 4). Iets ten noorden van deze plaats zou later het naar hem genoemde wijkgebouw verrijzen.

afb. 3 Eerste steenlegging van de praktijkwoning “Op ‘t Sant”. Van links naar rechts Theo v.d. Himst (opperman), Floris de Groot, Cor de Groot, Gijs v.d. Himst, Cees de Groot (aannemer), Jan Houtenbos (aannemer), Mevr. Leenaers, Burgemeester Lommen, dokter Leenaers met zoon Gerard op zijn arm en mevr. Lommen (moeder van de burgemeester).
Huize "Op 't Sant".
afb. 4 Huize “Op ‘t Sant”.

In korte tijd wist dokter Leenaers het vertrouwen van velen te winnen. Hij voelde de mensen goed aan, was bijzonder kundig en stond bekend om zijn goede diagnoses. Hij kreeg een heel drukke praktijk, die zich uitstrekte tot Egmond-Binnen. Ook had hij de zorg voor gasten op het kampeerterrein en voor de kinderen in de toenmalige vakantiekolonies Sint Antonius en De Eenheid.

De gezondheidstoestand van de bevolking liet heel wat te wensen over. Er waren veel grote gezinnen die klein behuisd waren en in de helft van de woningen werd nog in bedsteden geslapen zonder frisse lucht. Besmettelijke ziekten konden zich makkelijk verspreiden.

Er waren veel gezinnen waar tuberculose (T.B.C.) heerste en bij die woningen stond dan een soort tuinhuisje dat naar de zon kon worden ge¬≠draaid, waar de pati√ęnt overdag in lag.

Er moest hard worden gewerkt. De dokter had een apotheek aan huis en trok zo nodig ook tanden en kiezen (tarief per stuk 1 gulden) en oefende dus naast het beroep van huisarts ook dat van apotheker en zo af en toe tandarts uit. Ook bevallingen werden door hem veel gedaan (tarief 15 gulden). Voor bevallingen werd door de dokter ook wel verwezen naar de verloskundige. Mevrouw Scholten-Kloes herinnert zich dat √©√©n van de moeders na de zoveelste be¬≠valling steeds maar informeerde of de dokter het al wist. Toen zij dat aan de dokter vertelde zei hij: “Dat begrijp ik wel. Ze kreeg bij elke gezinsuitbreiding een grote taart van me. Die krijgt ze nu ook weer hoor!”

De dokter eiste van zijn pati√ęnten dat ze zijn voorschriften pre¬≠cies opvolgden anders kregen ze de wind van voren.

Dokter Leenaers, 2e van links, bij de strandpost van de EHBO in 1933.
afb. 5 Dokter Leenaers, 2e van links, bij de strandpost van de EHBO in 1933.

Kort na zijn komst in Castricum nam de dokter het initiatief tot oprichting van de EHBO (afb 5). Hij gaf zelf les in een zaaltje achter het toenmalige café Van Benthem op de hoek van de Dorpsstraat en de Burgemeester Mooijstraat. Eén van zijn leerlingen her­innert zich dat hij heel goed les gaf, maar dat het zo snel ging dat sommigen het moeilijk bij konden houden.
Leenaers wordt ook genoemd als een van de oprichters van het Witte Kruis in Castricum en hij was een van de voorvechters van een nauwe samenwerking met het Wit Gele Kruis om op die ma­ nier een groter dienstenpakket te kunnen aanbieden. In oktober 1941 werd tussen de twee organisaties voor dat doel een overeen­komst gesloten.

Het gezin Leenaers telde drie zoons en twee dochters. Op 10 juni 1941 kwam daar nog een tweeling bij, waarvan het jongetje ech­ter overleed. Het was een druk gezin, maar mevrouw Leenaers, een knappe en charmante vrouw op wie de dokter heel trots was, stond er niet alleen voor.
Bij √©√©n van zijn grootste vrienden de chirurg dokter Kerssemakers van het Sint Elisabeth-ziekenhuis te Alkmaar, was een dienst¬≠ bode in huis uit ‘t Zand in Noord-Holland. Aan haar vroeg Lee¬≠naers of zij niet nog iemand kende die bij hem in dienst kon ko¬≠men. Dat bleek het geval te zijn. Op deze manier kwam het contact tot stand tussen Regien Baltus eveneens uit ‘t Zand en de fa¬≠milie Leenaers. Tussen haar en de familie ontstond een band die nog tot de dag van vandaag (red: in de jaren negentien negentig) voortduurt.
De dokter zette zich volledig in voor zijn pati√ęnten en niet alleen in medisch opzicht. Als hij wist dat mensen armoede leden dan


Jaarboek 13, pagina 27

volgde er geen nota. Daarentegen bleef er soms na zijn vertrek een geldbedrag op tafel achter.

Voor de oprichting van de ziekenfondsen hadden veel artsen een eigen fonds, de zogenaamde doktersbus. Tegen betaling van een geringe premie had men een beperkt recht op hulp. Ook dokter Leenaers had een dergelijke regeling. Verschillende personen heeft dokter Leenaers in dienst gehad om het geld voor dit fondsje op te halen. In 1941 betaalde men 62 cent per week.
Het was in de crisisjaren dat Leenaers Joop Zentveld aantrok die juist zonder werk was en een groot gezin moest onderhouden. Later zou de heer Zentveld in dienst treden bij het ziekenfonds Alkmaar.
De grote receptie ter gelegenheid van zijn 12,5 jarig ambtsjubi­leum in 1938 werd een demonstratie van aanhankelijkheid jegens de dokter. Als cadeau werd de dokter een nieuwe onderzoektafel aangeboden. Op zijn oudste zoon Gerard maakte de serenade die de fanfares avonds voor hun huis ten gehore bracht diepe in­ druk. Misschien wel vooral omdat die bij het licht van vele fak­kels plaats vond.

Bezetting

Het bombardement op het vliegveld Bergen in de vroege ochtend van de 10e mei 1940 was de eerste kennismaking van onze streek met de oorlog. Al spoedig arriveerden de eerste Duitsers in Castricum. De Ortskommandantur werd gevestigd in de pastorie van de hervormde kerk. Burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo liet zich kennen als aanhanger van de NSB. Spoe¬≠dig maakte hij promotie en werd benoemd tot burgemeester van ‘s-Hertogenbosch. Op 29 augustus 1942 werd zijn opvolger NSB burgemeester Masdorp ge√Įnstalleerd door de commissaris der provincie A.J. Backer. In de avonduren werd het groepshuis van de NSB in de Torenstraat geopend. De plaatselijke leider van de partij verklaarde bij die gelegenheid dat de geestelijken en de doktoren in Castricum aanstokers van het verzet zijn.

Burgemeester Masdorp heeft dat zeker ervaren. Op 19 oktober 1942 liep hij dokter Leenaers tegen het lijf in het gemeentehuis en ontspon zich de volgende dialoog:
“Bent u niet dokter Leenaers?”
“Wat zou dat”
“Bent u niet de gemeente-arts?”
“Wat zou dat”
“Behoort u uw burgemeester dan niet te groeten?”
“Ik groet alleen burgemeesters die door de Koningin zijn aangesteld”
“Hier zult u meer van horen!”
“Ik ben voor u en uw terreur niet bang”

Later op die dag ontmoette juffrouw Van Nievelt, zuster van collega-arts Van Nievelt, dokter Leenaers en hoorde het verhaal. Zij waarschuwde hem en zei: “Wees toch wat voorzichtiger, denk aan je vrouw en kinderen.”
Dokter Leenaers antwoordde echter: “Ze zullen zich nooit hoe¬≠ven te schamen, omdat ik mijn mond heb gehouden.”

De burgemeester liet het er niet bij zitten, nog dezelfde dag ont­ving Leenaers schriftelijk bericht van zijn voorgenomen ontslag. Hem werd verweten dat hij zich niet gedroeg zoals van een gemeente-arts verwacht mocht worden, vanwege zijn:
1. bij herhaling uiting geven aan anti-Duitse en anti nationaal so­cialistische inzichten
2. onbeleefd en onbehoorlijk gedrag tegen de burgemeester
3. verwekken van onrust en onenigheid in de gemeente

Kapelaan Verheul noteerde op 19 oktober 1942 in het dagboek van de kapelaans van de Pancratiusparochie: “Onverschrokken en onverdroten getuigt onze dokter voor het vaderland. Tot voor¬≠ beeld voor ons nageslacht willen we even wijzen op de grote naastenliefde die door de dokter wordt beoefend. Honderden zakken aardappelen en graan zijn door hem opgekocht voor ar¬≠me arbeiders.”
De dokter verleende in de oorlogsjaren op grote schaal hulp. Ar¬≠moede en honger kon hij niet aanzien zonder zijn best te doen iets van die nood te lenigen. De thans 79-jarige kapelaan Verheul herinnert zich de contacten met dokter Leenaers nog goed. De dokter had een duidelijke visie op de maatschappij zoals die er na de oorlog uit zou moeten zien. Hij was van mening dat er dan voor iedereen een gelijk recht op medische hulp zou moeten ko¬≠men, onafhankelijk van iemands financi√ęle positie. Goede wo¬≠ningen en sociale voorzieningen waren zaken waarvoor hij wilde strijden.

Hoe fel Leenaers gekant was tegen de Duitsers bleek al op 10 juni 1941 toen zijn jongste dochter werd geboren en zij de namen ont­ving Madeleine Beatrix Irene.
Vaders houding ontging ook de toen 4-jarige Walter niet. In het dorp achter op de fiets bij de huishoudster Regien Baltus kraaide hij tot haar grote schrik: “Rotmoffen h√® Regien, rotmoffen.”

Dokter Leenaers heeft vanuit Castricum op bijzondere wijze spionage verricht. Door de Engelsen werden kooitjes met duiven gedropt. Daarin zat naast voer voor de duif een papiertje met vragen over de positie van de vijand, versterkingen enzovoorts.


Jaarboek 13, pagina 28

Jan Veldt trof begin 1943 een kooitje met een duif aan hangend in het prikkeldraad, vlakbij de gesloopte boerderij van de familie aan de Brakersweg. Hij bracht het papier met het verzoek om in¬≠formatie naar dokter Leenaers. Welke gegevens de dokter heeft verstrekt heeft Jan Veldt nooit geweten, maar die heeft het dunne papiertje weer in het kokertje gestopt dat aan de poot van de duif was bevestigd en het diertje weer vrijgelaten. Het enige wat hij er¬≠ van wist was dat het bericht was ondertekend met de schuilnaam “Spijker”.
Na de oorlog werd in de kranten een oproep geplaatst met de vraag wie aan deze vorm van spionage hadden meegewerkt. De zuster van Jan Veldt, Marie, heeft toen haar broer en dokter Lee¬≠naers voorgedragen, met het gevolg dat aan beiden een offici√ęle dankbetuiging van de Engelse regering werd aangeboden, (afb 6).

Dankbetuiging van de Engelse regering aan dokter Leenaers voor zijn berichtgeving via een postduif.
afb. 6 Dankbetuiging van de Engelse regering aan dokter Leenaers voor zijn berichtgeving via een postduif.

Medisch Contact

Zoals de meeste artsen was Leenaers aangesloten bij de Neder­landse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. Handha­ving van de medische ethiek en de waardigheid van de medische stand was een belangrijke doelstelling van de organisatie. Het be­sef van rechten en plichten heeft tijdens de oorlog onder de art­sen sterk geleefd en schiep de bereidheid zich te verzetten tegen ie­dere macht, die het de arts zou willen beletten zijn beroep overeenkomstig de beginselen van de organisatie uit te oefenen.
Het hoofdbestuur van de maatschappij accepteerde in mei 1941 de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de NSB, tevens lid van de Nederlandse SS in haar midden.
Een offici√ęle mededeling van het hoofdbestuur in het Neder¬≠lands Tijdschrift voor geneeskunde van 14 juni 1941 maakte een einde aan alle twijfel die over de bedoelingen van de Duitsers nog kon bestaan. Eisen waren: joden uit de maatschappij, benoemin¬≠gen onder controle, beperking van het beroepsgeheim, uitvoe¬≠ring van sterilisatie wetten enzovoorts.

De Nederlandse artsen protesteerden fel en daarmee begon de ge­schiedenis van het georganiseerde medisch verzet in Nederland. Acties werden gestart om collectief als lid van de maatschappij te bedanken.
Op 24 augustus 1941 kwamen drie artsen in het stationskoffiehuis te Zutphen bijeen en maakten een schema van de organisatie van het artsenverzet, dat zij meteen doopten met de naam Me¬≠disch Contact, afgekort “Het M.C.”.
Uitgetreden leden van afdelingen van de Maatschappij vormden een groep. De groepen van elke provincie vormden samen een dis­trict. De districten werden in landelijke conferenties vertegenwoordigd door districtsvertrouwensmannen.
Door middel van groepsvertrouwensmannen, districtsvertrou­wensmannen en koeriers (de zogenaamde estafettes) stond het leidend Centrum in vast contact met ruim zesduizend huisartsen en specialisten. Voor Noordholland waren tot districtsvertrou­wensmannen benoemd dokter Leenaers en dokter Roorda.

In een later stadium, toen het landelijk contact van zoveel perso­nen te moeilijk en te gevaarlijk werd, formeerde zich een vrijwel permanent college van verzetsleiders onder de naam Centrum. Dit Centrum bestond voor een belangrijk deel uit de deelnemers van de Noordhollandse districtsbijeenkomsten. Naast dokter Leenaers worden met ere genoemd Noordhoek Hegt, Roorda, Wamsteker en de professoren Heringa en Borst. Nadat dokter Roorda gevangen werd genomen leidde dokter Leenaers de bijeenkomsten.
Normaal kwam het Centrum elke zondag bijeen teneinde zich over de situatie te beraden. Vele malen vergaderde men bij dokter Leenaers thuis. Zijn kinderen herinneren zich de vele omes, die in de woning Op ‘t Sant werden ontvangen. Om het bezoek te ver¬≠ klaren werd dan maar iets gezegd over een verjaardag die gevierd werd.
Het gastvrije onthaal en de bevlogenheid van dokter Leenaers voor zijn idealen maakten deze bijeenkomsten voor de deelne­mers onvergetelijk.

Dokter Leenaers voor de deur van de abdij van Egmond.
afb. 7 Dokter Leenaers voor de deur van de abdij van Egmond.

Vanaf het begin werd strijd gevoerd tegen de door de Duitsers in­ gestelde Artsenkamer, waarvan medici verplicht lid moesten zijn. Verordeningen van de kamer werden genegeerd en opdrach­ten niet opgevolgd.
In een brief van 5 december 1941 werd aan Rijkscommissaris Seys Inquart een brief gericht waarin de artsenverordening werd afgewezen. De brief eindigde met de zin: “Gebonden als wij ons weten aan den eed, of plechtige belofte, waarmede wij ons ambt hebben aanvaard, gevoelen wij ons verplicht u te verklaren, dat wij trouw zullen blijven aan de hooge normen, waarop sinds mensenheugenis ons beroep heeft gerust en dat wij in de uitoefe¬≠ning van ons beroep nimmer andere overwegingen zullen kun¬≠nen laten gelden dan zulke, welke gerechtvaardigd zijn door ons geweten, ons plichtsbesef en onze wetenschap.”
De brief met de handtekeningen van ruim 4.000 artsen werd heel moedig, op het kantoor van de Rijkscommissaris overhandigd door de doktoren Leenaers, Heringa en Noordhoek. Men kreeg de Rijkscommissaris niet te spreken maar de heren lieten hun visitekaartjes voor hem achter!

In september 1942 weigerden de artsen zich door middel van een toegezonden formulier bij de Artsenkamer aan te melden.


Jaarboek 13, pagina 29

Grote druk werd uitgeoefend om toch tot aanmelding over te gaan. Dokter Leenaers en dokter Van Nievelt werden tegelijkertijd op­ geroepen voor een verhoor in Amsterdam. Dokter Leenaers weigerde zich de rol van verdachte te laten opdringen en las degene die hem wilde verhoren op felle toon de les.

Een hoogtepunt in de door het Centrum geco√∂rdineerde acties was toen in maart 1943 vele duizenden artsen aan de president van de Artsenkamer de NSB‚Äôer dr. Cro√Įn mededeelden afstand te doen van hun bevoegdheid tot uitoefening van het beroep als arts. Op de naambordjes op de gevel en op de recepten werd de aanduiding “arts” doorgehaald, (afb 8).
Dr. L. de Jong noemt deze daad van de Nederlandse artsen een imposante publieke protestactie, die de definitieve mislukking van de Artsenkamer inluidde.

Naambordje van dokter Leenaers.
afb. 8 Naambordje van dokter Leenaers.

Arrestatie

Inmiddels was dokter Leenaers op 20 februari 1943 definitief ontslagen als gemeente-arts en onmiddellijk moest de familie het huis aan de Mient verlaten.
Zijn vrouw en 5 van zijn kinderen vertrokken naar Son in Bra­bant, waar zijn zwager dokter A.P.W.A.M. de Jongh een praktijk uitoefende en waar een bescheiden huisje beschikbaar was.
Na eerst nog even de praktijk te hebben uitgeoefend in huize Hermana State vertrok de dokter, met zijn oudste zoon Gerard die aan het lyceum in Alkmaar studeerde, naar Heiloo. Vandaaruit probeerde hij de praktijk voort te zetten.

Het Reichscommissariat werd in verband met de artsenstaking aanbevolen een aantal artsen te arresteren, die ervan werden ver¬≠dacht deel uit te maken van het Centrum. Hierbij was ook dokter Leenaers. Op 29 maart 1943 werd hij ‘s nachts in Heiloo opge¬≠pakt en naar de Weteringschans-gevangenis in Amsterdam gebracht.

In het dagboek van de kapelaans van de Pancratiusparochie tref¬≠fen we op 3 april de aantekening aan: “Leenaers heeft tanden¬≠borstel, scheergerei en vitaminen gevraagd.”
Mevrouw Leenaers mocht haar man in de gevangenis één keer per week bezoeken. Hij zat in de cel met 2 Engelse piloten aan wie hij geprobeerd heeft Frans te leren.

Het bewijs van lidmaatschap van het Centrum werd niet gevon­den, maar verdacht bleef hij.
Op 22 mei 1943 werd dokter Leenaers naar het concentratiekamp Vught overgebracht.

Vught

Het kamp Vught was omgeven met betonnen palen waartussen een hoge prikkeldraadversperring aangebracht was; achter die prikkeldraadversperring lag een gracht waarvan de taluds ook met prikkeldraad bespannen waren en daarop volgde nog een tweede hoge prikkeldraadversperring. Om de 50 meter was er een wachttoren met daarop een SS’er met een zoeklicht en een mi­trailleur. Om het kamp patrouilleerden SS’ers met waakhonden.

In het kamp waren 36 woon- en slaap- en 23 werkbarakken, magazijngebouw, wasserij, crematorium en een gevangeniscel (bun­ker). Elke woon- slaapbarak kon 240 gevangenen herbergen.

Het kamp was in januari 1943 in gebruik genomen. Vooral de eerste maanden zijn vele honderden mensen gestorven door hon­ger en ontbering.
Vanaf april/mei 1943 werd geen honger meer geleden. Er was een campagne opgezet onder de dekmantel van Het Rode Kruis, waardoor gevangenen elke week een voedselpakket konden ont­vangen. Bovendien konden familie en vrienden levensmiddelen en andere zaken naar de gevangenen sturen. Dokter Leenaers heeft veel pakketten gekregen uit Castricum en omgeving.
In Castricum coördineerde bakker Gerard Hemmer deze actie. De dokter kreeg zowat iedere dag een pakje en deelde veel uit aan minder goed bedeelden. Via de pakketten zijn ook medicamen­ten voor Leenaers het kamp binnengesmokkeld. Mevr. Leenaers stopte b.v. buisjes met morfine in de boter.
Het bestaan van de gevangenen was heel moeilijk door de om­standigheden, angst voor de toekomst, lange werkdagen, appèls enz.


Jaarboek 13, pagina 30

Er waren verschillende werkplaatsen, waaronder het Philips-Kommando, waar reparatiewerk werd verricht en onder andere knijpkat­ ten en radiotoestellen werden geassembleerd. Dat Philips-Kommando was voor de gevangenen van grote positieve betekenis.
In de zomer van 1943 kwam de Krankenbau gereed: een klein echt ziekenhuis dat mede door de medewerking van Philips goed ingericht was. De lagerkommandant stemde er mee in dat er een equipe kwam van Nederlandse gevangenen: huisartsen, specia­listen (ongeveer twaalf) en geschoolde verplegers. Van dat team heeft dokter Leenaers ook deel uit gemaakt en hij heeft zich er volledig voor ingezet.

Dokter Leenaers gevangenisarts in het concentratie kamp Vught (tekening van Reinhart Dozy).
afb. 9 Dokter Leenaers gevangenisarts in het concentratie kamp Vught. Tekening van Reinhart Dozy.

Hij maakte veel vrienden in het kamp, waaronder de Drentse kunstschilder Reinhart Dozy, die hem in zijn zebra-pak heeft ge­tekend. (afb 9). De driehoek op het pak was het kenteken van de politieke gevangenen. De tekening is opgevouwen in een porte­feuille uit het kamp gesmokkeld.
De omstandigheden waaronder Dozy en Leenaers elkaar leerden kennen en waaronder de tekening is gemaakt, blijken uit een brief die dokter Leenaers na zijn vrijlating schreef aan de vrouw van Dozy vanuit Son:

Geachte Mevrouw Dozy,

Het is mij een groot genoegen U de hartelijke groeten van Uw man te mogen overbrengen. Hij kwam bij mij in het ziekenhuis, omdat hij een beetje dikke beenen had van het klompen dragen, hetgeen daar veel voor komt. Na een paar dogen was hij weer be¬≠ter, maar omdat er een tweetal gevallen van vlektyphus waren moesten alle pati√ęnten in het ziekenhuis blijven. Wij hebben daarvan geprofiteerd, want ziek was toen eigenlijk niemand meer en het was meer een vacantie. Uw man heeft toen heel wat portretten getekend, onder anderen het mijne, dat buitengewoon geslaagd is.
Hij ziet er uitstekend uit en zijn humeur is voortreffelijk. Wij hebben het samen erg genoegelijk gehad en zijn wederzijds op de hoogte van eikaars familie en woonplaatsen. Zoo heb ik Uw huis op de foto bewonderd, zooals het daar ligt te midden der Drentsche hei.
Tot mijn spijt mag ik niet in Elp komen, anders was ik U zeker persoonlijk komen opzoeken. Zijn pakketten komen regelmatig aan en die waren dan ook zeer welkom, want het gewone eten is daar niet overdreven schitterend. Naar ik van harte hoop zal hij ook spoedig vrijkomen. Sinds bijna 2 maanden behoeft hij niet meer de appèls bij te wonen, die eigenlijk het ergste deel van
Vught vormen. Hij is nu in het zogenaamde Schonungsblok en gaat bij Philips werken, dat is in een barak en heeft dus in het najaar vele voordeelen.. U kunt dus volkomen gerust over hem zijn.
Zelf probeer ik weer aan de vrije maatschappij te wennen!

Met de meeste hoogachting,

H.M.J.M. Leenaers

Vrijlating

Dokter Leenaers werd weer vrijgelaten op 19 september 1943. Hierbij hebben acties, die collega’s uit het artsenverzet en met name dokter Hoeneveld voor hem hebben gevoerd, een belang­rijke rol gespeeld.
Hij vervoegde zich bij zijn gezin in Son. In de tweede week van september was zijn woning aan de Mient gesloopt.

Huishoudster Regien Baltus was met de familie meegekomen naar Brabant. Zij herinnert zich deze periode als een verschrik­kelijke tijd, vooral toen in Brabant de gevechten rond de bevrijding van ons land losbarstten en de kogels door het dakraam vlogen.

Dokter Leenaers pakte onmiddellijk zijn werk voor het Centrum van het Medisch Contact weer op. Hij kwam als arts in dienst van Philips in Eindhoven en nam waar voor andere artsen.
In Castricum nam zijn vriend Van Nievelt onder moeilijke om­ tandigheden vanuit Limmen de praktijk van Leenaers waar. Door enkele oud-patienten werd in Castricum gecollecteerd om nieuwe instrumenten voor Leenaers te kunnen kopen. Deze collecte werd door burgemeester Masdorp ontdekt en verboden. De ingezamelde gelden nam hij in beslag en stortte die in de kas van Winterhulp.

Dat men hem in Castricum niet was vergeten blijkt ook uit een brief die hij op 13 december 1943 stuurde aan mevrouw De Vries, echtgenote van Piet de Vries die voor de evacuatie aan het Dokterspad, tegenwoordig Dr. Leenaersstraat, woonde:

Beste Juffrouw de Vries

Je aardige brief heeft mij erg veel plezier gedaan en nog hartelijk bedankt voor je bonnen, waar ik de kinderen mee verrassen kan. Je zult wel gehoord hebben, dat ik geheel de oude gebleven ben, dus nog flink mopperen als ik een kwaje bui heb!! Het kan in een paar jaar tijd aardig veranderen. Eerst een flink bloeiend dorp en nu zitten we allemaal verspreid en kunnen elkaar bijna niet meer terug vinden.
Hier in het Brabantsche land is het stil en eenzaam. Je ligt 9 km. van de trein en vrijwel geen bussen, die bovendien meestal een à twee uur te laat zijn. Het is niet zoo erg prettig om met dit weer uren buiten te staan wachten. Ik ga zelf nogal eens hier en daar waarnemen voor een dokter, die ziek is, dan blijf je tenminste aan het werk.
In het kamp is het nu in den winter niet zoo prettig. Het zal er wel erg koud zijn en dan met dat slechte eten wordt het er niet beter op. Is Piet gelukkig nog aan het werk in het land? Dat werken in Duitschland valt ook niet mee, want daar gebeurd nog al eens wat.
Ons kleinste kindje groeit erg goed. Het is erg stout, maar praat nog heel weinig. De andere kinderen maken het allemaal goed. Jammer, dat je nog steeds zooveel last van je rug hebt en ook dat vloeien moest eigenlijk ophouden. Die twee staan wel met elkaar in verband. Heb je nog een goed corset? Hulp is overal moeilijk te krijgen.
Als je veel kinderen hebt komen ze heelemaal niet meer.
Nu, beste Marie, hou je goed, doe de groeten aan je man en kin­ deren en alle verdere bekenden, die in je omgeving wonen.

Tot ziens,

H.M.J.M. Leenaers

Dokter Leenaers is nog enkele keren in Castricum terug geweest. Kapelaan Van der Zalm noteerde op 15 april 1944 in het eerder ge¬≠noemde dagboek van de Pancratius-parochie: “Vanmiddag om 12.30 uur is de held van Castricum dokter Leenaers even aan ge¬≠weest. Hij ziet er goed uit en is nog even strijdvaardig.”

Afscheid

Juni 1944: de invasie is begonnen. Bayeux is veroverd. Dan komt het bericht dat dokter Leenaers ernstig ziek in Tilburg in een zie­kenhuis is opgenomen. In de trein was hij onwel geworden. Colle­ga’s uit het verzet, de professoren Borst en Biemondt uit Amster­dam hebben hem nog in het ziekenhuis opgezocht om te zien of zij nog iets konden doen, maar zijn toestand was hopeloos.

Meer dan 2000 mensen woonden de begrafenis van de geliefde dokter bij.
afb. 10 Meer dan 2000 mensen woonden de begrafenis van de geliefde dokter bij.

Op 22 juli overlijdt dokter Leenaers op 42-jarige leeftijd.
Op 27 juli vindt de begrafenis in Castricum plaats. Een deputatie van de bevolking en verschillende verenigingen willen het stoffe­lijk overschot aan het station afhalen. Op last van de burge-


Jaarboek 13, pagina 30

meester worden ze door de politie weggestuurd, uit angst voor demonstratie en verstoring van de openbare orde.
In het illegale blad Strijd stond in een In Memoriam onder andere het vol¬≠gende: “Zo werd Leenaers op zijn laatste gang door het dorp nog tegengewerkt, omdat men bang was voor zijn invloed! Welke kracht moet van deze man zijn uitgegaan, dat men zelfs zijn stof¬≠felijk overschot vreesde.”

Bij de indrukwekkende uitvaartdienst en op het kerkhof van de St. Pancratiuskerk waren ongeveer 2000 diep geroerde mensen bijeen, (afb 10). De kerktoren was beroofd van zijn klokken, zo­ dat er tijdens zijn laatste gang slechts stilte heerste.
Er was een krans van vrienden uit kamp Vught met de tekst: “Uit dankbaarheid van hen wier lijden gij in het kamp hielp verlichten.”
Door zijn dispuut Noctua is de grafsteen geschonken. Op 24 no­vember 1946 werd deze steen plechtig onthuld.

Er kwamen acties op gang om een monument voor hem op te richten. Uiteindelijk is er een passend eerbetoon gevonden in de naamgeving van het wijkgebouw van het vroegere Wit-Gele Kruis; het dokter Leenaershuis.

Plaquette met de beeltenis van dokter Leenaers.
afb red.: Plaquette met de beeltenis van dokter Leenaers.

In de hal van het wijkgebouw is een plaquette aangebracht met de beeltenis van dokter Leenaers. Mevrouw Leenaers-de Jongh heeft op 14 oktober 1959 deze plaquette onthuld.
Haar broer dokter A.P.W.A.M. de Jongh heeft de praktijk van Leenaers overgenomen. In zijn spreekkamer stonden het bureau, de stoel en de onderzoektafel die eens in gebruik waren bij zijn voorganger.

Gedenkpenning artsenverzet.
afb 11 Gedenkpenning artsenverzet.

Van de Koninklijke Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst heeft dokter Leenaers postuum de gedenkpenning (afb. 11) ont¬≠vangen van het artsenverzet. De penning toont aan de voorzijde een hakenkruis dat door een slang wordt gebroken en het rand¬≠ schrift luidt: “Alleen een vrij man kan een goed geneesheer zijn.”

N.A. Kaan

Bronnen:

Familie Leenaers
Mevrouw H.v.d.Klei
Mevrouw J.H. Scholten-Kloes
Mevrouw G.M. Schram-Glorie
Mevrouw I.D.E. Van Nievelt
Mevrouw J. Zentveld-Schermer
De heer J. Houtenbos
De heer J. Stet
Familie Veldt
Kapelaan J. Verheul

  • Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog de¬≠len 6, 7 en 8 door dr. L. de Jong
  • Geschiedenis van het verzet der artsen in Nederland door Ph. de Vries, Haarlem 1949
  • Concentratiekampen systeem en praktijk in Nederland Fibula-Van Dishoeck, Bussum 1970
  • Dagboek kapelaans Pancratiusparochie 1942 – 1945
  • Archiefstukken Medisch Contact; Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie
  • Informatie van de Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst
  • Brieven van de heer V.A. Dozy te Elp
  • Streekarchief Alkmaar
  • Archief gemeente Castricum
  • Oudheidkamer Vught de heer Scharf

Rode Kruis, 80 jaar (Jaarboek 38 2015 pg 4-12)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.


Jaarboek 38, pagina 4

Tachtig jaar geschiedenis van de afdeling Castricum van het Nederlandse Rode Kruis

In mei 1939 vond op het terrein van Duin en Bosch onder grote publieke belangstelling een oefening van de transportcolonne plaats.
In mei 1939 vond op het terrein van Duin en Bosch onder grote publieke belangstelling een oefening van de transportcolonne plaats.

De geschiedenis van de Rode Kruisafdeling begint al voor de offici√ęle oprichtingsdatum op 18 januari 1935. Vanaf het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 was het Rode Kruis betrokken bij de inrichting van paviljoens van het ziekenhuis Duin en Bosch die zo nodig als hospitaal dienst konden doen. In het dorp werden vrijwilligers geworven voor de verpleging.
Burgemeester Lommen nam in de (negentien)dertiger jaren het initiatief voor de instelling van een ‚ÄėRoode Kruis Commissie Castricum‚Äô die de oprichting van een afdeling zou kunnen voorbereiden. De afdeling zou de gemeenten Limmen, Castricum en Uitgeest gaan omvatten met in totaal circa 15.000 inwoners.
Inmiddels zijn vele acties, reorganisaties en functiewijzigingen gepasseerd, maar onveranderd is de toewijding van velen voor hulpverlening aan iedereen die dat nodig heeft.

Oprichting

Burgemeester Lommen had veel belangstelling voor de organisaties op het terrein van gezondheidszorg. Hij was zelf onder andere bestuurslid van de ‚ÄėKoninklijke Nationale bond voor Reddingswezen en Eerste Hulp bij Ongelukken‚Äô. Hij zal zeker de oprichting van de plaatselijke EHBO-vereniging in 1929 gestimuleerd hebben. De burgemeester reikte op 9 januari 1929 de eerste EHBO-diploma‚Äôs uit aan zes door dokter Leenaers opgeleide cursisten. In 1933 werd de Castricumse Reddingsbrigade opgericht en op 18 januari 1935 volgde een afdeling van het Rode Kruis voor de gemeenten Limmen en Castricum. Uitgeest sloot zich daar later bij aan.
Het eerste bestuur was als volgt samengesteld: voorzitter de burgemeester van Limmen J.J. Nieuwenhuijsen, secretaris W.E. van Keeken, penningmeester Chr. Kieft, commandant transportcolonne arts J.C. van der Sluis, leden: mej. A. Plas en de heren C.M. Juffermans, M.J.F. van Oppen, M.J. ten Raa en H.W. Steur.

Leden van de Rode Kruiscolonne hadden een bescheiden bordje bij de voordeur.
Leden van de Rode Kruiscolonne hadden een bescheiden bordje bij de voordeur.

Geschiedenis Rode Kruis

Het Rode Kruis is een wereldwijde hulpverleningsorganisatie voor mensen die in nood verkeren. Op 22 augustus 1864 werd de organisatie opgericht om het lot van zieken en gewonden tijdens militaire operaties te verbeteren. De Zwitser Henri Dunant was hiervoor een van de belangrijkste pleitbezorgers. Het beeldmerk is een rood kruis in een wit veld: de omgekeerde Zwitserse vlag. Het logo is niet overal hetzelfde. Islamitische landen hebben de Rode Halve Maan en Isra√ęl heeft de Rode Davidster. Het Nederlandse Rode Kruis, gevestigd in Den Haag, is in 1867 opgericht. Het landelijk bureau co√∂rdineert alle nationale en internationale activiteiten. Het bureau heeft een ondersteunende functie voor de 270 plaatselijke afdelingen die in 65 districten samenwerken.
Het werkterrein van de afdeling Castricum omvat sinds 2007 alle kernen binnen de gemeente. Het aantal vrijwilligers van de afdeling bedraagt momenteel (in 2014) rond de 100.

Colonne

In de beginjaren besteedde de organisatie veel aandacht aan de opleiding van vrijwilligers voor de zogenaamde Transportco-


Jaarboek 38, pagina 5

lonne. De colonnes waren oorspronkelijk ge√ľniformeerde hulporganisaties die in tijd van oorlog of grote rampen eerste hulp konden verlenen. Het had een militaristische inslag inclusief rangen, zoals het leger die kent. Het uni- form is lang gebleven evenals de vrijwillige opzet. Secretaris W.E. van Keeken schreef in zijn verslag van de hulpverlening 1939-1946 dat de afdeling beschikte over een helperscolonne van ongeveer 40 leden en een helpsterscolonne van ruim 100 leden. Cursussen voor nog meer helpers en helpsters werden uitgeschreven en ook het materiaal werd verder aangevuld. Huisarts Brugman uit Uitgeest werd in 1940 commandant van de Transportcolonne. Het Rode Kruis richtte zich vooral op verzorging, verpleging en begeleiding van zieken en had een iets andere doelstelling dan die van de EHBO, maar het bezit van het EHBO-diploma werd voor veel functies vereist. Vanaf 1936 bemanden medewerkers van het Rode Kruis ook de eerstehulppost op het kampeerterrein Bakkum.

In de (negentien)dertiger jaren hing de dreiging van een oorlog in de lucht. Er werd geoefend in het verbinden van slachtoffers en het naspelen van ongelukken. Het oefenen met gasmaskers, die deel uitmaakten van de standaarduitrusting, hoorde daar ook bij. Diverse verbandmiddelen en hulpmiddelen als een draagbaar werden zorgvuldig beheerd. Er werd een uitvoerige administratie bijgehouden onder toezicht van Den Haag. Regelmatig verschenen er in de krant oproepen om zich te melden voor een nieuwe opleiding voor hulp aan zieken en gewonden.
Toen in 1939 de Tweede Wereldoorlog begon, werd de afdeling belast met de voorbereiding van noodziekenhuizen voor de verpleging van lichtgewonde en zieke militairen; er moest op ongeveer 1500 bedden worden gerekend. In een van de paviljoens van het ziekenhuis Duin en Bosch in Bakkum werd een noodziekenhuis met 500 bedden ingericht. Tijdens de oorlogsdagen in 1940 werden hier ongeveer 325 militairen opgenomen, verpleegd en zo nodig van kleding voorzien. Onder meer vier scholen, de jeugdherberg Koningsbosch en koloniehuis de Eenheid kwamen in aanmerking om dienst te doen als mogelijke noodziekenhuizen. De grote zaal van café Borst werd geschikt geacht voor 51 bedden.

Castricum vluchtoord

Castricum was als vluchtoord aangewezen voor een aantal gemeenten die te maken konden krijgen met gebieden die onder water gezet konden worden bij de landsverdediging. Die maatregelen zijn inderdaad uitgevoerd en op 11 mei 1940 ‘s nachts om 0.30 uur kwamen de eerste ge√ęvacueerden uit Leusden per trein aan. Volgens het verslag van secretaris Van Keeken leek de trein in de dichte duisternis op een donker spook:
De enge lichtstralen uit een afgeschermde lamp onthulden het troostloze beeld van een perron vol ongelukkige mensen met hun bagage.”
In kleine groepjes werden de mensen naar gereedstaande autobussen gebracht. Vrijwilligers van het Rode Kruis, politie en luchtbeschermingsdienst begeleidden de mensen. Ouden van dagen en gehandicapten kregen speciale zorg. De eerste groep werd in Limmen ondergebracht. Op 13 mei 1940 kwamen 1500 ge√ęvacueerde inwoners van Ankeveen en Kortenhoef per trein aan en werden bij Castricummers en Bakkummers ondergebracht. Vanwege besmettelijke ziekten moesten plotseling enkele nieuwe adressen worden gevonden. Zes leegstaande woningen op de Burgemeester Boreellaan, tegenwoordig sportpark Vitesse ‚Äô22, werden met spoed ingericht. In de r.-k. bewaarschool aan de Dorpsstraat kwam een noodziekenhuis. Enkele dagen na de capitulatie keerden de evacu√©s weer terug naar hun woonplaatsen.
Secretaris Van Keeken: “Vrijwel alle helpsters en helpers waren in deze dagen, hetzij in het hulpziekenhuis, hetzij bij de evacuatie werkzaam en hadden hun waarde getoond. Zij doorleefden vermoeiende dagen, maar de geest en samenwerking waren uitstekend.”

De colonne van het Rode Kruis Castricum, Limmen en Uitgeest nam in 1948 deel aan een manifestatie in het Olympisch stadion ter gelegenheid van de inhuldiging van Koningin Juliana.
De colonne van het Rode Kruis Castricum, Limmen en Uitgeest nam in 1948 deel aan een manifestatie in het Olympisch stadion ter gelegenheid van de inhuldiging van Koningin Juliana. Bovenste rij 1e links de heer A.J. Reurts, administrateur en leider in Castricum. Voorste rij 2e rechts colonnecommandant dokter Brugman uit Uitgeest.

Evacuatie Bakkum en Castricum

Zodra de meeste emoties van de bezetting voorbij waren, werd voortgegaan met het geven van cursussen, het hou-


Jaarboek 38, pagina 6

den van oefeningen en de aanvulling van materieel. Het was ook voor de activiteiten van de afdeling een zware slag toen het ziekenhuis in de tweede helft van 1942 ge√ęvacueerd werd en men de ondersteuning van de directie onder andere bij het organiseren van oefeningen en opleidingen moest missen.

In de laatste maanden van 1942 begon de grote evacuatie van de bevolking van het kustgebied. Ook daarbij werd de afdeling op allerlei manieren ingeschakeld. Zo begeleidden helpsters van de afdeling groepen naar Friesland en Groningen.
Het aantal vrijwilligers nam door de evacuatie en de afbraak van veel woningen snel af en de afdeling werd uit elkaar geslagen. Aan de inrichting en het beheer van de centrale keukens in Castricum, Limmen en Uitgeest kon nog wel een bijdrage worden verleend. Nog overgebleven helpers en helpsters sloten zich aan bij de Luchtbeschermingsdienst: een gemeentelijke organisatie met uitkijkposten, wachtdienst rondes en een alarmeringssysteem door middel van sirenes.
Gedurende de maanden van hongertochten werd in Limmen een ‚Äėkoffie- en theepost‚Äô aan de Rijksstraatweg ingericht. Toen in 1944 op bevel van de bezettingsautoriteiten een NSB-er tot voorzitter van het hoofdbestuur werd aangewezen, besloot het afdelingsbestuur alle contacten te verbreken.

Aad van der Colk (1924), filmoperateur in het Corsotheater, deed in zijn vrije tijd dienst bij de Rode Kruispost op het ‚Äėtentenkamp‚Äô.
Aad van der Colk (1924), filmoperateur in het Corsotheater, deed in zijn vrije tijd dienst bij de Rode Kruispost op het ‚Äėtentenkamp‚Äô.

Hernieuwde opbouw

Geleidelijk keerden de inwoners terug naar hun dorp. De na-oorlogse periode kenmerkte zich door hernieuwde opbouw, oefening en de aanschaffing van nieuw materiaal. Met enige moeite werden de activiteiten weer opgestart. In de eerste ledenvergadering, die in 1946 werd gehouden, werd aan 18 vrijwilligers het onderscheidingsteken voor 10 jaar Rode Kruisdienst uitgereikt.
Het bestuur wekte in juli 1947 via het Nieuwsblad voor Castricum de vroegere helpers en colonnisten op om de ledenvergadering te bezoeken:
Vooral de helpsters en colonnisten woonachtig te Castricum en Bakkum zullen wij gaarne weder ontmoeten. Deze toch, die in de bezettingsjaren v√≥√≥r de evacuatie zo nuttig werk verrichtten, laten tot nu toe niets van zich horen. De lust en fut schijnen er uit te zijn.”

Herinneringskruis voor belangrijke diensten in de bezettingsjaren.
Herinneringskruis voor belangrijke diensten in de bezettingsjaren.

In 1950 werden 99 personen in het werkgebied van de afdeling onderscheiden met het herinneringskruis 1940-1945 voor belangrijke Rode Kruisdiensten in de bezettingsjaren.

Bekendmaking van de start van de opleiding voor het EHBO-diploma in september 1954.
Bekendmaking van de start van de opleiding voor het EHBO-diploma in september 1954.

De colonne, die EHBO-assistentie verleende bij evenementen en op het kampeerterrein, telde in het begin van de (negentien)vijftiger jaren nog ongeveer 125 leden. De Rode Kruispost behandelde honderden gevallen per seizoen. Volgens de uitgebreide verslaglegging betrof het vooral klein leed, zoals zonnebrand, wespensteken, verstuikingen of kwallenbeten, maar in 1952 stond ook een geboorte, gevolgd door ziekenhuisopname, op de lijst.
Als gevolg van het teruglopen van het aantal leden (dertig in 1969) besloot het bestuur in 1970 om de colonne in Castricum op te heffen. Veel taken waren door de EHBO-vereniging overgenomen. De colonne in Limmen werd wel voortgezet en is nu het EHBO-team van de r.k.-afdeling Castricum.


Jaarboek 38, pagina 7

De voormalige veiling werd magazijn en later verenigingsgebouw van het Rode Kruis. Zowel hier als bij drogisterij Peijs in Bakkum hingen kastjes waar lectuur in kon worden gedeponeerd voor verdere verspreiding.
De voormalige veiling werd magazijn en later verenigingsgebouw van het Rode Kruis. Zowel hier als bij drogisterij Peijs in Bakkum hingen kastjes waar lectuur in kon worden gedeponeerd voor verdere verspreiding.

Accommodaties

Na opslag op particuliere adressen beschikte de afdeling vanaf de jaren (negentien)vijftig over magazijnruimte in het voormalige veilinggebouw aan de Dorpsstraat 40. Toen het beheer van hulpmiddelen regionaal geregeld werd, kon aan deze ruimte een andere bestemming gegeven worden. Een eigen onderkomen voor cursussen en vergaderingen was een grote wens. Met veel hulp van sympathisanten werd het gebouwtje zo goed mogelijk aangepast en op 11 december 1970 heeft mevrouw P. Wagenaar, wethouder van Sociale Zaken, de opening verricht. Het was een aantal jaren het centrale punt van waaruit het welfarewerk plaatsvond. De omstandigheden waren primitief: er waren geen sanitaire voorzieningen en in de winter was het er erg koud.

Het bestuur van de afdeling op 8 maart 1978.
Het bestuur van de afdeling op 8 maart 1978. V.l.n.r. eerste rij: mevr. K. Moser, scheidend voorzitter J. Hilarius en de nieuwe voorzitter E. Bossinade. Tweede rij: de heer C. Laarman en de dames C. Franken, M. Zonjee, A. Beltman, F. van Keeken en J. Boomgaard.

Het afdelingsbestuur was dan ook heel blij toen op 3 oktober 1977 een deel van de voormalige Duinrandschool in Bakkum in gebruik genomen kon worden: twee lokalen, een keukentje en een toilet. “We vonden dat een grote weelde …”, herinnerde leidster Corrie Moser zich. Het aantal vrijwilligers steeg tot ruim vijftig en er werden zelfs knutselochtenden voor mannen georganiseerd, waaraan Meine Krist een grote bijdrage leverde.
Ook in Bakkum ontstond weer gebrek aan ruimte en in 1980 kwam een noodgebouw beschikbaar bij de basisschool de Sokkerwei aan de Oranjelaan. Kort voor de opening overleed plotseling voorzitter Egbert Bossinade, die de toenemende activiteiten sterk had gestimuleerd. De nieuwe voorzitter Ben Wagenaar memoreerde bij de opening op 3 november 1980 de grote verdiensten van zijn voorganger. Zelf zette hij zich in voor een eigen accommodatie van de afdeling.

De voormalige kleuterschool aan de Van Speykkade was van 1988 tot 2012 het domicilie van de Rode Kruisafdeling.
De voormalige kleuterschool aan de Van Speykkade was van 1988 tot 2012 het domicilie van de Rode Kruisafdeling.

In 1987 kon de voormalige kleuterschool aan de Van Speykkade 61 van de gemeente worden gekocht. Ben Wagenaar had daarvoor een geldinzamelingsactie georganiseerd en met hulp van de Rotaryclub Castricum de verhuizing en de renovatie geleid. Op 8 april 1988 heeft de wethouder van Welzijnszaken Jan Postma het pand officieel geopend. Na meer dan vijftig jaar kreeg de afdeling eindelijk een eigen home, zij het dat de grond eigendom van de gemeente bleef en dat een erfpachtovereenkomst gesloten moest worden. Vanwege de hypotheeklasten werd gezocht naar onderhuurders met verwante activiteiten, zoals de bloedafname van Sanquin en diverse cursus-

Na een renovatie heropende burgemeester Waal het gebouw op 23 september 2000. Links voorzitter Felix de Bats.
Na een renovatie heropende burgemeester Waal het gebouw op 23 september 2000. Links voorzitter Felix de Bats.

Jaarboek 38, pagina 8

sen. Een ‚Äėbuitenpost‚Äô van ziekenhuis Duin en Bosch is hier ook gevestigd geweest.
In 1999 was een volgende renovatie noodzakelijk om de gebruiksmogelijkheden te verbeteren, achterstallig onderhoud te verrichten en de kwaliteit te verhogen. De verbouwing werd in 2000 uitgevoerd. Burgemeester Waal heropende het gebouw op 23 september 2000.

Omdat de erfpachtovereenkomst eindigde en niet werd verlengd, is het gebouw in 2008 weer aan de gemeente verkocht en werd het vervolgens nog enkele jaren gehuurd.

Opening van de locatie aan het Kooiplein door burgemeester Mans in juni 2012.
Opening van de locatie aan het Kooiplein door burgemeester Mans in juni 2012.

In 2012 deed zich de mogelijkheid voor een ruimte aan het Kooiplein te huren. Secretaris Margriet Spinhoven:
‚ÄúIk hoorde op de nieuwjaarsreceptie van de Volksuniversiteit Castricum dat deze organisatie per 1 mei zou worden opgeheven en heb gelijk de voorzitter Kees Visser gebeld of deze ruimte iets voor ons was. De dag daarna zaten we al bij de makelaar en kwamen we snel tot overeenstemming. Nu zijn we erg tevreden met deze mooie plek.‚ÄĚ
In juni 2012 verrichtte burgemeester Toon Mans de offici√ęle opening.

Welfare

De eerste aanzet voor het welfarewerk werd in 1957 gegeven. De offici√ęle oprichtingsdatum was 20 augustus van dat jaar. Volgens de notulen van die vergadering heeft de administrateur van de colonne, de heer A.J. Reurts, een uiteenzetting gegeven over de inhoud van het werk. Hij betreurde het dat geen van de vier Welfare-werksters katholiek was (….), maar vond dit geen bezwaar om toch katholieke pati√ęnten te helpen, omdat het Rode Kruis een neutrale organisatie is, die helpt ongeacht politieke of religieuze overtuiging.
Vrijwilligers verzorgden activiteiten, onder andere in het dorpshuis De Kern. Het aantal medewerkers nam toe en in de jaren (negentien)vijftig werden rond de 135 personen wekelijks ontvangen. In 1978 was het aantal deelnemers gestegen tot ruim 200 en het vrijwilligersbestand tot 72. Er werd aanvullende mantelzorg verleend: vrijwilligers gingen bij mensen op bezoek, hielpen hen bij boodschappen doen of begeleidden ze bij ziekenbezoek en er werden uitstapjes georganiseerd. Mevrouw Moser speelde als algemeen leidster een belangrijke rol bij de organisatie. In 1984 nam ze afscheid. Het hoofdbestuur van het Rode Kruis kende haar de zilveren medaille van verdienste toe voor haar langdurige inzet. Antje Beltman volgde haar op en is vele jaren daarna het hart van de afdeling geweest.

Wil Möls al bijna 30 jaar vrijwilligster.

Wil Möls (1935) al bijna dertig jaar vrijwilligster:
Toen ik om medische redenen moest stoppen met mijn werk als coupeuse bij een atelier aan de Overtoom, keek ik uit naar andere bezigheden. Bij het Rode Kruis kon ik aan de slag bij de begeleiding van een groepje oudere dames dat wekelijks bij elkaar kwam. Er werd veel geborduurd en gebreid. Werken met textiel was heel vertrouwd voor mij en de omgang met de deelnemers gaf veel voldoening. Nooit gedacht dat ik het wel bijna dertig jaar zou volhouden. Ik ben begonnen in het noodgebouw van De Sokkerwei en daarna overgestapt naar het gebouw aan de Van Speykkade. Inmiddels heeft het Rode Kruis dat gebouw helaas moeten verlaten en nu hebben we op het Kooiplein een nieuwe ontmoetingsruimte.
Ons groepje heet De Schakel en bestaat uit 10 tot 15 dames die wekelijks op dinsdagochtend samen komen. De meesten worden gebracht door de vervoersdienst van de stichting Welzijn. Nieuwe deelnemers zijn nog altijd welkom. De begeleiding is in handen van Jenny Dijkman, Mies de Koning, Riek Plas, Hennie Sloof en mijzelf. Het werken met textiel is een beetje op de achtergrond geraakt. Er worden verhaaltjes voorgelezen, spelletjes gedaan en op het ogenblik is het inkleuren van platen erg in.
In de schoolvakanties stoppen we met de bijeenkomsten, maar dan bezoeken we de deelnemers zeker een keer thuis om wat bij te praten. Inmiddels zijn zowel de begeleidsters als de deelnemers rond tachtig jaar of ouder. Het is enorm gezellig en we gaan vriendschappelijk met elkaar om, anders had ik het nooit zo lang volgehouden.”


Jaarboek 38, pagina 9

Zorg en welzijn

De afdeling Welfare veranderde verschillende keren van naam. Eerst werd het onder ‚ÄėSociale activiteiten‚Äô geschaard en later werd het als ‚ÄėZorg en Welzijn‚Äô betiteld. In de verzorgingshuizen de Santmark en De Boogaert en in Sans Souci verzorgen vrijwilligers vanaf 1974 activiteiten, zoals voorlezen, handwerken en spelletjes; vanaf 2007 zijn deze activiteiten ook gestart in De Cameren in Limmen en in Strammerzoom in Akersloot, naast de wekelijkse groepsochtenden in het Rode Kruisgebouw. Het seizoen wordt bij het begin van de zomervakantie feestelijk afgesloten.

Marja van Meggelen was coördinator van de activiteiten van 1994 tot 2000, waarna Anneke Kloen die taak overnam. Hennie Spruit volgde haar in 2002 op. In 2009 werden de taken herverdeeld.
Hennie kijkt terug op een geweldige tijd: “Het Rode Kruis geeft veel vrijheid bij de invulling van het werk. Ik voelde het als mijn taak om het voor alle deelnemers en vrijwilligers zo gezellig mogelijk te maken. We hebben verschillende uitstapjes georganiseerd, maar het bezoek aan de lichtjesavond in Den Ilp vond ik een van de hoogtepunten.”
Marja van Meggelen: “Er zijn zoveel mensen die, zonder het te beseffen, voor andere mensen als mantelzorger fungeren. Al die dagelijkse hulp en steun die mensen belangeloos aan elkaar geven, die is natuurlijk onbetaalbaar.”

De onderlinge contacten bij de bijeenkomsten in het Rode Kruisgebouw en in de zorgcentra worden door de deelnemers erg op prijs gesteld.
De onderlinge contacten bij de bijeenkomsten in het Rode Kruisgebouw en in de zorgcentra worden door de deelnemers erg op prijs gesteld.

Recente nieuwe activiteiten zijn het Samen2-project en het project ‚ÄėMeet&Eat‚Äô. Dit laatste project is bedoeld om mantelzorgers te ontlasten. Een vrijwilliger gaat met de hulpvrager koken en eten, zodat de mantelzorger een paar uur iets voor zichzelf kan doen. Het Samen2-project is bedoeld om de eenzaamheid van mensen te doorbreken. Er wordt naar gestreefd dat er een band ontstaat tussen de vrijwilliger en de deelnemer. Het maken van een wandeling of een museum- of concertbezoek: alles is mogelijk.

Inschepen op de Henri Dunant in de haven van IJmuiden.
Inschepen op de Henri Dunant in de haven van IJmuiden.

Vakantiereizen

Het Nederlandse Rode Kruis organiseert al lang aangepaste vakanties voor mensen die vanwege een beperking niet zelfstandig op vakantie kunnen. Het meest bekend zijn de reizen op het vakantieschip ‚Äė Henry Dunant‚Äô; dat schip is in 1959 in de vaart genomen. Daarnaast is het mogelijk te logeren in Hotel ‚ÄėIJsselvliedt‚Äô in Wezep en hotel ‚ÄėDe Valkenberg‚Äô in Rheden. In de jaren (negentien)negentig werd de mogelijkheid geboden een stacaravan te huren in Noord-Brabant. Vanuit de afdeling werden deelnemers voor de reizen voorgedragen. In het verleden waren dat rond 20 deelnemers; momenteel is dat aantal sterk afgenomen. De stijgende kosten spelen hierbij een rol.
Vanuit de afdeling werd voor begeleiding en vervoer naar de boot of het hotel gezorgd. Soms is vervoer per rolstoel-bus nodig. Aan de begeleiders worden steeds strengere eisen gesteld op het gebied van medische zorg en deskundigheid, waaronder het gebruik van hulpmiddelen zoals til liften, zodat het volgen van door het Rode Kruis aangeboden cursussen geen overbodige luxe is.

Tineke Kaandorp was vele jaren vakantiecoördinator:
“Mensen met gezondheidsproblemen, maar ook alleenstaanden, kunnen dankzij het Rode Kruis toch genieten van een heerlijke vakantie. Ook echtparen, waarvan een van beiden gehandicapt is, kunnen gezamenlijk op vakantie. De hotels beschikken over rolstoelbussen, zodat uitstapjes in de omgeving voor iedereen mogelijk zijn. Zelfs voor mensen, die aan bed gebonden zijn, zijn er diverse excursiemogelijkheden.”

Telefooncirkel: elke dag even contact

In september 1990 ging de eerste telefooncirkel van start. Een groep mensen belt elkaar dagelijks in een vaste volgorde. Een vrijwilliger start ‘s ochtends de telefooncirkel. Na ongeveer een half uur ontvangt dezelfde vrijwilliger een telefoontje van de laatste persoon op de lijst en zo is de cirkel rond. De telefooncirkel is bedoeld voor mensen met behoefte aan dagelijks contact, bijvoorbeeld uit veiligheidsoverwegingen of omdat mensen door een handicap, ziekte of leeftijd minder mogelijkheden hebben om anderen te ontmoeten. Mocht er iets mis zijn met een van de deelnemers, dan wordt er onmiddellijk actie ondernomenVan 1998 tot 2014 was Margriet Saat – Lobach co√∂rdinator van de telefooncirkel in Castricum: “Het mooie van dit werk is het idee dat je iets voor anderen betekent,


Jaarboek 38, pagina 10

dat je hen in staat stelt door dagelijks persoonlijk contact in de eigen omgeving te blijven. Het geeft een gevoel van veiligheid. Je merkt dat het mensen zekerder maakt en ook voor hun kinderen is het heel geruststellend.”
Momenteel zijn er drie telefooncirkels met zeven of acht deelnemers.

Mantelzorgcafé

Ondersteuning van mantelzorgers is van groot belang om hen in staat te stellen hun zorgtaken te blijven vervullen. In samenwerking met het provinciaal steunpunt mantelzorg IJmond werd in 2002 besloten ook in Castricum ontmoetingen van mantelzorgers te gaan organiseren onder de ludieke naam ‘mantelzorgcaf√©’. Wethouder IJmte van Gosliga opende op 25 september 2002 in het Rode Kruisgebouw de eerste bijeenkomst. Lotgenoten kwamen maandelijks bijeen om ervaringen uit te wisselen en informatie te ontvangen van sprekers over diverse onderwerpen die met zorgverlening verband hielden. Cathy Hegeman heeft de organisatie samen met andere vrijwilligsters jarenlang begeleid. In 2010 is de activiteit overgenomen door andere initiatieven in de regio, waaronder het Alzheimer Caf√©.
De stichting Welzijn is in samenwerking met het Rode Kruis, de Zonnebloem en de ouderenbonden in 2004 gestart met de Zondagsoci√ęteit, die nog steeds elke tweede zondag van de maand gehouden wordt.

Tracing

Tracing en sociale opsporing zijn belangrijke onderdelen van het werk van het Internationale Rode Kruis. Wereldwijd spoort het Rode Kruis familieleden op van mensen die het contact met hun verwanten zijn kwijtgeraakt als gevolg van gewapende conflicten of natuurrampen of door sociale of persoonlijke omstandigheden. In 1995, in de tijd van het oplaaien van conflicten in voormalig Joegoslavi√ę, werd aan deze werkzaamheden opnieuw vorm gegeven met het oprichten van regionale centra. Op 7 maart 1995 is het Tracingteam Castricum van start gegaan, dat het gebied van Beverwijk tot en met Texel, uitgezonderd de Zaanstreek, bestrijkt. Jantie Vegter, die tot 1994 de functie van welfareleidster vervulde, was de eerste co√∂rdinator. Het eerste team bestond uit acht vrijwilligers en een secretaresse. Wekelijks wordt spreekuur gehouden in het Rode Kruisgebouw en in het asielzoekerscentrum in Den Helder. Ook is er nu een spreekuur in Alkmaar en Heerhugowaard. Tijdens het gesprek wordt zoveel mogelijk informatie verzameld die van belang kan zijn bij het opsporen van de familie.

Edith Sibinga, vanaf het begin betrokken bij het Tracing-team: “Wanneer iemand een verzoek doet om familie op te sporen, wordt er een gesprek gevoerd met twee vrijwilligers. Je krijgt vaak bakken ellende over je heen, je moet dus sterk in je schoenen staan om dit werk te doen. Daarnaast moet je ge√Įnteresseerd zijn in je medemens en in andere culturen. Het zijn vaak pijnlijke verhalen, we zitten hier dan best indringende gesprekken te voeren.”
De informatie gaat naar het landelijk bureau in Den Haag, die de gegevens doorgeeft aan het kantoor in Genève. Van daaruit wordt actie ondernomen. Soms gaat het om het bezorgen van een brief in een gebied waar veel vernietigd is, maar ook om het echt opsporen van mensen. Een andere tak van opsporing is het zoeken van biologische ouders van kinderen die via adoptie in Nederland terecht zijn gekomen. Dit wordt sociale opsporing genoemd. Met een opsporing zijn vele maanden gemoeid. Een positief resultaat geeft de vrijwilligers een enorme voldoening.

De vrijwilligers van het in 1995 opgerichte Tracing Centrum.
De vrijwilligers van het in 1995 opgerichte Tracing Centrum. Staand v.l.n.r. Edith Sibinga, Marijke Schmidt, Martha van Veldhoven, Irene Heynis, Fiep Nijland, Tiny Röttering en Marijke Emeis; zittend Els Zeggelink en Jantie Vegter.

Collecte en vlaggenactie

Voor de landelijke collecteweek van het Rode Kruis zijn in deze regio zo‚Äôn 140 collectanten nodig. Het is ieder jaar weer een enorme organisatie en een opgave om voldoende collectanten te werven. In 1947 bracht de collecte 360 gulden op; in 1977 was dit 11.000 gulden. In 2009 was de opbrengst bijna  7.400 euro.
Met een vlaggenactie werd beoogd de collecte zoveel

Vlaggen uit op de Henri Dunant-singel tijdens de jaarlijkse collecte.
Vlaggen uit op de Henri Dunant-singel tijdens de jaarlijkse collecte.

Jaarboek 38, pagina 11

mogelijk onder de aandacht te brengen. De bewoners van de Henry Dunantsingel staken dan de Rode Kruis vlag uit, evenals het gemeentehuis, de brandweerkazerne, de huisartsen en zelfs het PWN-kantoor deed mee. Felix de Bats, gedurende tien jaar voorzitter van de afdeling, bracht samen met Wijnand Veldman de vlaggen bij alle adressen langs. Momenteel (in 2014) wordt er alleen nog gevlagd bij het gemeentehuis en op de parkeerplaatsen rond het winkelcentrum Geesterduin.
De inkomsten van de afdeling omvatten de contributies van de leden, de opbrengst van de jaarlijkse collecte, giften en legaten. Een deel hiervan werd volgens de geldende verdeelsleutel afgedragen aan het landelijk bureau.

Grootschalige bloedafnameavonden, zoals in 1994 in het Clusius college, behoren tot het verleden.
Grootschalige bloedafnameavonden, zoals in 1994 in het Clusius college, behoren tot het verleden. Tussen de witte jassen coördinator Antje Beltman.

Bloedinzameling

De inzameling van bloed is een van de oudste taken van het Rode Kruis. De eerste bloeddonoravond in Castricum werd gehouden op 21 juni 1962. Het was ieder jaar weer een grootschalige dorpsactiviteit.
Voorzitter Felix de Bats verwoordde het in het jaarverslag 1995 als volg:“De goede zorg van alle vrijwilligers bij de bloedinzameling heeft dit jaar weer drie heel succesvolle campagnes opgeleverd. Zonder de inzet van al deze mensen was dat niet mogelijk geweest. Dit geldt ook voor degenen die niet zo zichtbaar werken, maar wel zorgen dat de oproepkaarten gevouwen en de enveloppen gesorteerd en door heel het dorp bezorgd worden. Wel goed zichtbaar zijn de ruim honderd borden die voor elke inzamelings-campagne door het hele dorp geplaatst worden en zorgen dat een week lang het Rode Kruis weer voor iedereen goed zichtbaar is.”

Gemiddeld waren er per avond ongeveer 250 donoren. Op initiatief van huisarts Leemhuis werd met succes een actie gevoerd om dit aantal te verdubbelen. Een aantal prominente inwoners van Castricum en Bakkum (waaronder burgemeester Schouwenaar, Henny Huisman, Frans van Dusschoten en Hans Spaan) namen zitting in het comit√© van aanbeveling voor de bloeddonor wervingsactie. Het aantal deelnemers nam met honderden toe. De locatie voor de bloeddonor avonden werd te klein. Daarna mocht de Agrarische School (het huidige Clusius College) gebruikt worden. De laatste grootschalige bloedafname, georganiseerd door de afdeling Castricum, vond plaats op 12 januari 2000. De inschrijving bij de bloeddonor avonden was vele jaren in handen van Greet Borst – den Hartog. Ze stond erom bekend dat ze de geboortedata van veel donoren en vrijwilligers uit haar hoofd kende.

In 1998 trad de nieuwe wet op de bloedtransfusie in werking. Hiermee werd de volledige verantwoordelijkheid voor de afname, de productie van bloed en bloedproducten en de levering aan ziekenhuizen gelegd bij de Stichting Sanquin. De rol van het Rode Kruis werd beperkt tot het faciliteren van Sanquin.

Gerda Schram – Wulp vond het wel een hele verantwoordelijkheid, maar toch liet ze zich overhalen om in januari 1993 de organisatie van de bloedafname van Antje Beltman over te nemen. Ze vertelt:
“In het begin kwamen er zo‚Äôn 100 donoren, maar door het voeren van wervingsacties liep het aantal op tot 750 (!), drie avonden per jaar. Van de Sokkerwei moest worden overgestapt naar de grotere aula van het Clusius College. De voorbereiding met 1200 schriftelijke uitnodigingen, huur van de ruimte, inrichting, werving van vrijwilligers, taakverdeling enzovoort was een flinke klus. Mijn man en mijn zuster Wil Adrichem – Wulp hielpen gelukkig mee. Er waren veel trouwe donoren, maar de kroon spande toch de Bakkum- met Piet Brandjes, die 80 keer bloed had gegeven toen hij er op zijn 70e jaar mee moest stoppen.
Door nieuwe technieken is de grootschalige bloedafname niet meer nodig en staat er bij Geesterhage enkele keren per jaar een wagen. Ik zorg nog steeds voor assistentie vanuit de afdeling, nu dus al meer dan twintig jaar.”

Veel herinneringen werden opgehaald op de druk bezochte re√ľnie in 2002.
Veel herinneringen werden opgehaald op de druk bezochte re√ľnie in 2002.

Bestuur en organisatie

Een van de hoogtepunten voor de afdeling was de viering van het 50-jarig bestaan. Uit erkentelijkheid voor het vele werk van de afdeling besloot het gemeentebestuur een jubileumreceptie in het gemeentehuis aan te bieden op 18 januari 1985, precies 50 jaar na de oprichting.
Een ander hoogtepunt was de re√ľnie voor alle huidige en oud-vrijwillig(st)ers die op 11 november 2002 werd georganiseerd. Er kwamen zo‚Äôn zeventig gasten op af. Corrie


Jaarboek 38, pagina 12

Moser en Lucy Boerdijk vertelden over de jaren waarin zij actief waren en veel oude herinneringen werden opgehaald.

De afdeling Castricum werd opgericht als een zelfstandige vereniging met eigen leden. Dit betekende dat er elk jaar een ledenvergadering moest worden gehouden om de jaarlijkse benoemingen en de jaarstukken te laten goedkeuren. De ledenvergaderingen werden tevens benut om de jubilarissen te huldigen door het uitreiken van oorkondes en medailles voor 10, 20 of 30 jaar ‚Äėtrouwe dienst‚Äô. Bij zijn afscheid als voorzitter in 2003 ontving Felix de Bats van het hoofdbestuur de Medaille van Verdienste in brons. In die vergadering werd ook zijn opvolger Jan Groot ge√Įnstalleerd.

Voorzitters Rode Kruis Castricum

J.J. Nieuwenhuijsen 1935 – 1951
P.E.M. Teenstra 1951 – 1954
S.H.J. Bosma 1954 – 1960
J.A. Keizer 1960 – 1962
E. Bossinade 1963 – 1968
J. Hilarius 1968 – 1978
E. Bossinade 1978 – 1980
B.W. Wagenaar 1980 – 1993
F.T. de Bats 1993 – 2003
J. Groot 2003 – 2009
G.C. Zoet 2009 – 2010
K. Visser 2010 – 2012
H. Thesingh 2012 – heden (dat is in 2014)

In 2005 hebben de leden besloten in te stemmen met een fusie van de afdelingen Akersloot en Castricum. De nieuwe gefuseerde afdeling telde zo’n 1200 leden. In 2007 volgde een fusie met de afdeling Limmen en kwam het ledenaantal op rond de 1500.

Als gevolg van het besluit het Nederlandse Rode Kruis om te vormen tot één vereniging zijn in 2009 alle lokale afdelingen opgeheven en zijn deze sindsdien geen zelfstandige rechtspersonen meer, maar onderdeel van de landelijke vereniging.

Belangrijker dan welke reorganisatie dan ook, is dat vele honderden vrijwillig(st)ers in de afgelopen 80 jaar zich dagelijks met hart en ziel hebben ingezet voor hun medemens, zonder zich te storen aan bestuurlijke wijzigingen of fusies. Een eerbetoon aan allen is op zijn plaats.

Jeannette Smits
Niek Kaan

Bronnen:

  • Archief Rode Kruis afdeling Castricum;
  • Regionaal Archief Alkmaar;
  • Dijkstra, R., Het noodhospitaal van Uitgeest, Jaarboek Oud-Uitgeest 2009.

Met dank aan:
Felix de Bats, Tineke Kaandorp, Wil Möls, Gesina van Roekel, Gerda Schram, Edith Sibinga, Margriet Spinhoven en Hennie Spruit.