28 juni 2022

Nachtwacht in het Geversduin (Jaarboek 31 2008 pg 19-28)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 31, pagina 19

De Nachtwacht in het Geversduin

Het moment waarop de Nachtwacht wordt opgehaald uit de Kunstbunker om naar Heemskerk vervoerd te worden.
Het moment waarop de Nachtwacht wordt opgehaald uit de Kunstbunker om naar Heemskerk vervoerd te worden. Helmweg, duinen Castricum. Schilder Hans Goedhart. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In een bomvrije kluis in het Castricumse duingebied werden in de eerste oorlogsjaren onze belangrijkste kunstschatten opgeslagen. Het was te danken aan de inzet van de conservator van het Stedelijk Museum, jonkheer Willem Sandberg, dat de kunstbergplaats nog juist voor de inval van de Duitsers is gebouwd. Via hem is Castricum verbonden met bijzondere mensen en gebeurtenissen. In een kleine houten barak, vlakbij ‘Kijk Uit’, ontving Sandberg wetenschappers, kunstenaars en verzetsstrijders.
Daar werd gefilosofeerd over de toekomst van Nederland na de oorlog.

Jonkheer Willem Sandberg, conservator en later directeur van het Stedelijk Museum, die een belangrijke rol speelde bij het in veiligheid brengen van de kunstschatten. In de eerste oorlogsjaren verbleef hij bijna dagelijks in Castricum (foto Stedelijk Museum Amsterdam).
Jonkheer Willem Sandberg, conservator en later directeur van het Stedelijk Museum, die een belangrijke rol speelde bij het in veiligheid brengen van de kunstschatten. In de eerste oorlogsjaren verbleef hij bijna dagelijks in Castricum. Foto Stedelijk Museum Amsterdam.

De mensen die de aanslag op het Bevolkingsregister van Amsterdam uitvoerden, vierden in Castricum nog een feestje, kort voor hun arrestatie.
Kunstenaar en typograaf Hendrik Werkman liet zich inspireren door de ‘schilderijenbunker’ en maakte een prachtige serie prenten onder de naam ‘Amsterdam-Castricum.’ De agenda’s van de kunstbergplaats, die worden bewaard in het archief van het Stedelijk Museum, onthullen iets van de geschiedenis die zich deels in het Geversduin afspeelde.

De oorlogsdreiging nam in de jaren (negentien) dertig steeds meer toe en in augustus 1939 werd de mobilisatie van het leger afgekondigd. Enkele maanden later begon de distributie van levensmiddelen. Evacuatieplannen voor de bevolking uit gebieden die voor de verdediging onder water gezet zouden worden, lagen klaar. De Rode Kruisafdeling voor Castricum, Limmen en Uitgeest kreeg opdracht noodziekenhuizen voor militairen in gereedheid te brengen.

Zorgen waren er ook over het nationaal kunstbezit in geval van oorlog. In 1938 maakte Sandberg, vergezeld door Spanjekenner dr. Johan Brouwer, een reis naar Spanje om de maatregelen te bestuderen die daar tijdens de Spaanse burgeroorlog getroffen waren om de kunstschatten te beschermen. Bijzondere indruk maakten de in rotsen uitgehouwen kluizen. De mogelijkheden die Spanjes rotsen boden, lagen voor ons land aan zee, in de duinen.

Hoge landinwaarts gelegen duinen zouden het meest geschikt zijn voor het maken van ondergrondse betonnen bergplaatsen, met een aardlaag erboven, ter bescherming tegen bombardementen. Samen met zijn directeur jonkheer Röell overtuigde Sandberg het gemeentebestuur van Amsterdam  van de noodzaak om spoedig maatregelen te nemen. In overleg met de architect ir. P.C. Tirion was de gewenste bouwplaats in het Geversduin al snel gevonden.

Voor de kunstschatten van het Rijk drong de directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg dr. J. Kalf ook aan op de bouw van ondergrondse bergplaatsen. Toch waren in september 1939, toen de Duitse aanval op Polen al had plaatsgevonden, de gemeentelijke en de rijksbergplaatsen nog niet gereed.

Evacuatieplan

In augustus 1939 begon het overbrengen van de belangrijkste kunstwerken naar veiliger plaatsen. H.P. Baard, na de oorlog directeur van het Frans Hals museum, schreef in zijn in 1946 verschenen boek ‘Kunst in schuilkelders’: “Het is niet gemakkelijk, den buitenstaander de spanning te schetsen, die de eerste phase van de evacuatie beheerschte. Hier werd de vlucht voorbereid van onze nationale kunstschatten, hetgeen wij voelden als een historisch moment van een draagwijdte, die wij nog niet konden beseffen, maar daarom niet minder vreesden.”

Het Rijksmuseum koos voor tijdelijke bergplaatsen in een aantal Noord-Hollandse dorpen. Ongeveer 2.000 schilderijen en meer dan 30.000 objecten van artistieke en historische waarde, glaswerk en porselein moesten worden vervoerd. Op 4 september 1939 werd de Nachtwacht op een glastransportwagen (!) naar kasteel Radboud in Medemblik gereden. Veel topstukken kwamen terecht in gymnastieklokalen in Wieringerwerf, Winkel, Lutjewinkel, Barsingerhorn en Schagerbrug.

Vrijwel onbekende dorpen kregen voor ingewijden de betekenis van cultuurcentra. Zo was het ‘Straatje van Vermeer’ onafscheidelijk verbonden met Schagerbrug, ‘ De Joodsche Bruid’ met Wieringerwerf en de ‘ Vrolijke Drinker’ van Frans Hals met Lutjewinkel. Op 1 november 1939 was het omvangrijkste transport van kunstwerken, dat ons land ooit heeft gekend, voltooid.


Jaarboek 31, pagina 20

Het Stedelijk Museum bracht zijn verzameling schilderijen van Van Gogh, schilderijen van de Amsterdamse universiteit en van het stadhuis onder in stalen lichterschepen. Voor dit evacuatieplan, dat in augustus 1939, werd uitgevoerd, is Sandberg verantwoordelijk geweest. “Deze stalen schepen liggen te allen tijde in groote getale in de Amsterdamse havens”, schreef Sandberg aan de wethouder voor kunstzaken. “Zij zouden indien noodig binnen twee uur aan de Amstel bij de Stadhouderskade kunnen aanleggen, terwijl de kunstwerken per tapissière (verhuiswagen) van het museum naar de aanlegplaats kunnen worden vervoerd.”

Een van de schepen afgemeerd in de buurt van het Alkmaardermeer; waarin de kunstschatten van het Stedelijk Museum tijdelijk werden bewaard, totdat zij naar de bomvrije kluis in Castricum konden worden overgebracht (foto Joh. de Haas).
Een van de schepen afgemeerd in de buurt van het Alkmaardermeer. Daarinwerden de kunstschatten van het Stedelijk Museum tijdelijk bewaard, totdat zij naar de bomvrije kluis in Castricum konden worden overgebracht. Foto Joh. de Haas.

Op 28 augustus 1939 werden de eerste verhuiswagens geladen. Eerder waren de kunstwerken naar belangrijkheid in drie categorieën ingedeeld. Rood stond voor onvervangbaar; wit voor belangrijk en blauw betekende vervangbaar. Israëls, Breitners, Van Goghs en andere werden opgeborgen in het ruim van de Dankbaarheid. In het ruim van de Mercurius en dat van De Morgenstern werd ook een deel opgeslagen, samen met werk van Mondriaan, Charley Toorop en andere moderne kunstenaars. Het was zoveel dat tenslotte nog een vierde schip in gebruik is genomen, de Harwu Almien.

Om de museale klimatologische omstandigheden te benaderen, waren in de ruimen kachels, emmers met ongebluste kalk en hygrometers geplaatst. De schepen werden bewaakt door suppoosten, die hun post onder geen beding mochten verlaten. Aanvankelijk lagen de schepen bij elkaar in de buurt in de Knollendammervaart bij Spijkerboor en in het Noord-Hollands kanaal. Enige weken later besloot men de lichters verder uit elkaar te leggen. Begin oktober was de kunstvloot verspreid over de Noord-Hollandse en Zuid-Hollandse wateren. De Dankbaarheid lag in het Kogerpolderkanaal bij De Woude. Ongeveer 500 meter noordelijker dobberde de Mercurius. Onder de bevolking deed het gerucht de ronde dat de Nachtwacht, in een grote zinken koker ingesoldeerd, op de bodem van het Alkmaardermeer rustte.

De eerste fase was nu afgerond. Het belangrijkste kunstbezit was wel weg uit het onveilige Amsterdam, maar echte veiligheid konden alleen bomvrije schuilkelders bieden.

Amsterdamse kluis

De gemeente Amsterdam bereikte overeenstemming met het Provinciaal Waterleidingbedrijf (PWN) over de plaats en de directeur Publieke Werken vroeg op 17 oktober 1939 bij de gemeente Castricum vergunning voor de bouw van een ‘betonnen bergplaats aan de Helmweg in het Geversduin ‘. Het gemeentebestuur verleende de bouwvergunning nog diezelfde dag. Omdat op geheimhouding was aangedrongen, verwonderden de bestuurders zich er wel over dat de Beverwijksche en de Alkmaarsche Courant het nieuws van de bouw van de ‘schatkelder’ al op 21 oktober 1939 publiceerden.

De gecamoufleerde ingang van de kluis aan de Helmweg in het Geversduin. De bouw is op 1 januari begonnen en op 10 april 1940 voltooid (foto Stedelijk Museum).
De gecamoufleerde ingang van de kluis aan de Helmweg in het Geversduin. De bouw is op 1 januari begonnen en op 10 april 1940 voltooid. Foto Stedelijk Museum.

De dienst Publieke Werken van Amsterdam stelde een bestek op voor de aanbesteding. Het dak en de buitenmuren van de bergplaats moesten 1,50 meter dik worden, het hoofdgedeelte ruim 12x5x2,50 meter. Een voorvertrek met twee stalen deuren verschafte toegang tot de bergplaats. Het geheel zou door een zandlaag van 4 meter (later tot 10 meter verhoogd) worden bedekt. De Amsterdamse Aannemingsmaatschappij ‘De Kondor’ was de laagste inschrijver en voor een bedrag van 20.810 gulden kreeg dat bedrijf het werk.
Op nieuwjaarsdag 1940 werd het beton voor de Castricumse bergplaats gestort en in maart 1940 vond de oplevering plaats. De kluis werd gecamoufleerd, zodat hij vanuit de lucht niet zichtbaar zou zijn.

Er werden tientallen uitschuifbare rekken gemonteerd om de schilderijen aan op te hangen. De inventarisatie was daardoor eenvoudig en de toestand van de schilderijen kon voortdurend worden gecontroleerd. Een luchtbehandelinginstallatie waarborgde de juiste temperatuur en het vochtgehalte.


Jaarboek 31, pagina 21

De logboeken van 1940 tot en met 1943.
De logboeken van 1940 tot en met 1943.

De logboeken

In het archief van het Stedelijk Museum van Amsterdam zijn de agenda’s opgeborgen die in gebruik zijn geweest als logboeken van de kluis. De allereerste aantekening is gemaakt op woensdag 3 april 1940: ‘Bewaking door Siliakus’. De agenda’s leveren veel informatie op over het gebruik van de bergplaats en ook over de verschillende bezoekers die er een kijkje kwamen nemen.

De eerste schilderijen van de schepen werden vanaf begin april naar de kluis gebracht. Op 7 mei kwam volgens de agenda het laatste transport aan. Ook zaken die nog in het Stedelijk Museum waren achtergebleven, werden aangevoerd.

Op vrijdag 10 mei, de dag van de Duitse inval, ging het werk gewoon verder. Genoteerd werd in de agenda: “Drie wagens met schilderijen en kisten vanuit het Stedelijk Museum gebracht en verschillende werkzaamheden verricht door personeel onder leiding van jonkheer Sandberg.”

De dagen daarop kwamen er kunstwerken aan uit het Rijksmuseum dat nog zonder schuilplaats zat. Bewaker Siliakus bezorgde de fiets van jonkheer Sandberg en een brandblusser.


Jonkheer Willem Jacob Henri Berend Sandberg (1897-1984)

Willem Sandberg was vanaf 1937 conservator en van 1945 tot 1962 directeur van het Stedelijk Museum van Amsterdam. Na het gymnasium en militaire dienst ging hij naar de Rijksacademie voor beeldende kunsten, waar hij het maar kort uithield. Hij werd grafisch ontwerper en deed onder andere in Parijs ervaring op.

Sandberg was nauw betrokken bij het verzet. Zo bezocht hij in 1941 Duitsland, op verzoek van de illegaliteit, om te peilen of er kans was op een opstand tegen het Hitler-regime. Hij was betrokken bij het vervalsen van paspoorten en de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam en moest vervolgens onderduiken. In 1945 volgde hij jonkheer Röell op als directeur. Onder Sandbergs leiding ontwikkelde het museum zich tot een internationaal vermaard centrum voor moderne kunst. Het was zijn overtuiging dat eigentijdse kunst betekenis heeft voor het begrijpen van de wereld waarin wij leven.

Na zijn pensionering in 1962 bleef Sandberg actief als tentoonstellingsmaker en ontwerper. Hij speelde een belangrijke rol in de opbouw van het Israël Museum in Jeruzalem en gaf college aan de Harvard Universiteit in de Verenigde Staten.


Nachtwacht

De Nachtwacht stond begin mei 1940 nog in de ridderzaal van kasteel Radboud. De aanwezigheid van een mijnenveger in de haven van Medemblik baarde zorgen. Het schip zou vijandelijke vliegtuigen kunnen aantrekken, waardoor het kasteel en dus de kunstwerken gevaar liepen. Dat het gevaar niet denkbeeldig was, bleek ook wel, want de mijnenveger beschoot daadwerkelijk een vliegtuig, dat waarschijnlijk in het IJsselmeer terechtgekomen is. Bij Kornwerderzand op de Afsluitdijk was het Nederlandse leger in gevecht met de Duitsers. Een doorbraak van de vijand naar Noord-Holland was te verwachten. Op 13 mei, tweede pinksterdag, nam de hoofddirecteur van het Rijksmuseum dr. Schmidt Degener het besluit om de Nachtwacht naar de bergplaats in Castricum te brengen. Hij nam daarmee een zware verantwoordelijkheid op zich. De oorlog was heel dichtbij.

Met deze wagen en op dezelfde manier werd op 4 september 1939 de Nachtwacht naar kasteel Radboud in Medemblik gebracht en vervolgens op 13 en 14 mei 1940 naar Castricum (foto Rijksmuseum).
Met deze wagen en op dezelfde manier werd op 4 september 1939 de Nachtwacht naar kasteel Radboud in Medemblik gebracht en vervolgens op 13 en 14 mei 1940 naar Castricum. Foto Rijksmuseum.

Baard heeft in zijn boek de spanning rond het zonderlinge transport goed weergegeven: ” Om halfacht ’s avonds vertrok het konvooi vanaf het kasteel. Voorop gingen enkele


Jaarboek 31, pagina 22

auto’s met militairen, dan de glaswagen met de Nachtwacht en de stoet werd gesloten door de auto van de hoofd directeur. Het was voor de achterblijvers een indrukwekkend moment, het meer dan 3,5 meter hoge doek, zorgvuldig in dekzeilen verpakt, langzaam te zien wegrijden onder het enerverend gedreun van geschut. In het dorpje Winkel werd overnacht onder het afdak van de schuur van de smid. Bij het krieken van de dag werd de tocht voortgezet naar Castricum.”

Aantekeningen in de logboeken van de kluis op 13, 14 en 15 mei 1940. De aankomst van de Nachtwacht wordt slechts aangeduid met 'NW'.
Aantekeningen in de logboeken van de kluis op 13, 14 en 15 mei 1940. De aankomst van de Nachtwacht wordt slechts aangeduid met ‘NW’.

De ingang van de bergplaats was niet berekend op de grote omvang van het schilderij. Op het grasveld voor de naburige woning van jonkheer Frits Gevers werd het doek van zijn spieraam ontdaan en met de verf naar buiten over een grote cilinder gerold. Daarop was ook al een ander doek aangebracht. Zoals jonker Frits aan Hendrik de Smidt, medewerker van het filmmuseum, vertelde, heeft de Nachtwacht twee keer op zijn grasveld gelegen: bij de aankomst in mei 1940 en bij het vertrek. Op 21 maart 1941 werd de Nachtwacht overgebracht naar de gereedgekomen bergplaats van het Rijksmuseum in Heemskerk en vandaar is het stuk op 24 maart 1942 naar een schuilplaats in de Sint Pietersberg getransporteerd.

De toegang tot de kluis is zo laag dat de Nachtwacht opgerold naar binnen moest worden gebracht (foto Stedelijk Museum).
De toegang tot de kluis is zo laag dat de Nachtwacht opgerold naar binnen moest worden gebracht. Foto Stedelijk Museum.

Het ‘huisje van Sandberg’

Op 14 mei 1940, de dag van de capitulatie, kwam er nog een laatste zending schilderijen en kisten van het Rijksmuseum in Castricum aan. Op dezelfde dag besloten directeur van het Stedelijk Museum jonkheer Röell en conservator jonkheer Sandberg om beurten toezicht te houden. Er werd een kleine barak gebouwd achter de jachtopzienerswoning Kijk Uit, tussen de Oude Schulpweg en het Schoolpad, dat als woonverblijf diende. Het werd al snel het ‘huisje van Sandberg’ genoemd. Er zat een kamer in met openslaande deuren, een slaapkamer en een keuken. Volgens foto’s was


Jaarboek 31, pagina 23

de inrichting gedeeltelijk modern met rieten meubels en biezen matten op de vloer, maar ook met een antieke eettafel en stoelen.
De jonkheren werden bijgestaan door bewakers van het Stedelijk Museum. Suppoost Hermanus Beijer ging in januari 1941 in Castricum wonen. (Het museum huurde de woning Breedeweg 10 voor een bedrag van 23,85 gulden per maand.)

Het 'huisje van Sandberg', waar de jonkheren Sandberg en Röell meestal verbleven, stond achter 'Kijk Uit'. Het was zowel met antiek als met modern meubilair ingericht (foto Stedelijk Museum).
Het ‘huisje van Sandberg’, waar de jonkheren Sandberg en Röell meestal verbleven, stond achter ‘Kijk Uit’. Het was zowel met antiek als met modern meubilair ingericht. Foto Stedelijk Museum.

Kort na de oorlog schreef Sandberg dat het voor de Duitsers geen geheim was waar de kluis zich bevond en wat erin verborgen zat:
“Zij hebben echter nooit hun handen naar de kunstwerken uitgestoken. Waarschijnlijk vonden ze dat de schilderijen nergens veiliger opgeborgen konden worden. Zij waren wel zo overtuigd van de overwinning dat zij te gelegener tijd de schatten wel eens op zouden halen.”

Een kijkje in het 'huisje van Sandberg'.
Een kijkje in het ‘huisje van Sandberg’. Oude Schulpweg in Castricum, 1940. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Er was zelfs sprake van een zekere bescherming. De Rijkscommissaris verordonneerde in augustus 1940 dat het zonder zijn bijzondere toestemming verboden was om de inhoud van de bergplaats te onderzoeken of iets van de inhoud mee te nemen.

Bezoekers van het Geversduin

Het Stedelijk Museum had van diverse instellingen en verzamelaars kunstwerken in bewaring genomen. Dat blijkt uit ontvangstbewijzen van musea en onder andere van paleis Noordeinde en paleis Soestdijk. Ook belangrijke collecties van grote verzamelaars, zoals ir. V.W. van Gogh, W.J.R. Dreesmann en Anton Philips zijn door het museum beschermd. Als dank voor het onderbrengen van zijn collectie schonk ir. Van Gogh na de oorlog het beroemde schilderij ‘La Berceuse’ aan het Stedelijk Museum.

Verschillende eigenaren en museumdirecteuren werden afwisselend door directeur jonkheer Roëll en jonkheer Sandberg ontvangen. Er is een film getiteld ‘Rembrandt in de schuilkelder’ bewaard gebleven, die laat zien hoe Sandberg een aantal bezoekers in de bergplaats rondleidt. Voorafgaande aan de opnamen kreeg de Castricumse elektriciën Piet van Duin nog de opdracht een paar extra contactdozen voor de filmlampen aan te brengen.

Het volgepakte interieur van de kelder waarin nauwelijks ruimte was voor de beambte. links ligt op de vomgrond de opgerolde Nachtwacht en daarachter staan stalen kasten met kostbare boeken en plaatwerken. Rechts kisten met kunstvoorwerpen en op de achtergrond de stalen rekken met schilderijen (foto Stedelijk Museum).
Het volgepakte interieur van de kelder waarin nauwelijks ruimte was voor de beambte. links ligt op de vomgrond de opgerolde Nachtwacht en daarachter staan stalen kasten met kostbare boeken en plaatwerken. Rechts kisten met kunstvoorwerpen en op de achtergrond de stalen rekken met schilderijen. Foto Stedelijk Museum.

Baard, toen nog werkzaam bij het Rijksmuseum, bezocht volgens de agenda de bergplaats op 22 juli 1940 en hij vermeldt in zijn eerdergenoemde boek: “Kost het de organisator van een tentoonstelling hoofdbrekens om goede combinaties en geschikte pendants te vinden voor zijn arrangement, bij het behangen van de rekken werd, los van stijl of tijd, slechts rekening gehouden met de afmeting en de dikte van de lijsten. In het onderaardse verblijf werden de kunstwerken van vijf eeuwen, dooreen geroerd met het verrassende resultaat, dat het beste boven bleef drijven. Als zodanig heb ik de exposities in de schuilkelders tot de interessantste gerekend die ik ooit mocht zien.”

Hendrik Werkman

Een bijzondere bezoeker van de Castricumse kluis was de Groningse drukker en schilder Hendrik Werkman. Sandberg was onder de indruk gekomen van zijn werk. In een interview zei Sandberg: “Ik was zo nieuwsgierig en zo geïntrigeerd door die grote bladen van Werkman, dat ik de man wou zien en wou weten wat hij verder deed.” Hij stapte op de trein naar Groningen en zocht hem in zijn


Jaarboek 31, pagina 24

kleine woning op. Werkman bleek een zeer terughoudende Groninger met wie niet gemakkelijk een gesprek te beginnen was. Toch raakten ze bevriend en bleven sedertdien het contact onderhouden.
Sandberg ontving Werkman in 1941 bij hem thuis en op een zondag nam hij hem en de schilder Jan Wiegers mee naar de kluis.

Hendrik Nicolaas Werkman ( 1882-1945)

Hendrik Werkman was in 1908 een drukkerij in Groningen begonnen. In het begin van de twintiger jaren had hij nog een grote drukkerij met ruim 20 man personeel. Nadat hij zijn bedrijf wegens zakelijke problemen had moeten sluiten, werd hij beeldend kunstenaar. Werkman schilderde en begon te experimenteren met materialen uit de drukkerij, waarbij hij geen gebruik maakte van de regels binnen het drukkersvak. Het zijn vooral de ‘druksels’ en het daaraan verwante drukwerk waarmee Werkman zich aan de hand van steeds nieuwe ontdekkingen ontwikkelde en zich als beeldend kunstenaar manifesteerde. Zijn druksels worden tot de prentkunst gerekend.
In Groningen maakte Werkman deel uit van de in 1918 opgerichte kunstenaarsvereniging ‘De Ploeg’.

Op 10 april 1945, een paar dagen voor de bevrijding, werd Werkman op 62-jarige leeftijd, samen met negen anderen, door een Nederlandse SD’er gefusilleerd. Drie dagen daarna werd de streek door de Canadezen bevrijd. Hoewel hij illegaal drukwerk verzorgde, is de reden van zijn executie nooit helemaal duidelijk geworden.

In een brief aan een vriend schreef Werkman op 20 mei 1941 uitgebreid over het uitstapje naar Castricum:
“Met graagte hebben Wiegers en ik die uitnodiging aangenomen, hebben met de heer en mevrouw Sandberg geluncht in hun optrekje (n.b. de directiekeet van het Stedelijk Museum) midden in de wildernis van het uitgestrekte duinlandschap genoten, zowel van de natuur als van de schilderijen, die anders in de musea hangen. Van Gogh, Gauguin, Cézanne, Utrillo, Picasso, Manet, Monet, Pissarro, Renoir en vele andere beroemde schilders.

Terug uit de kluis, mooi verkleumd door de kou die er heerscht, een wandeling door de duinstreek langs broedende vogels op hun nest – een fazant op 14 eieren onder andere Vlaamsche gaaien enzovoorts – de nachtegaal maakte van de nacht een dag en zong wat hij kon. Dat was het besluit van een onvergetelijke dag.
U kunt zich denken dat ik gelukkig en dankbaar gestemd ben en verrijkt teruggekeerd van een reis waartegen ik zoo heb opgezien. Eén ding staat voor mij vast: aan het werk.”

Na de reis naar Amsterdam en Castricum heeft Werkman in een serie van zijn mooiste ‘druksels’ aan zijn herinneringen gestalte gegeven. Allerlei natuurmotieven komen er in terug.

Hij was van plan er een oplage van te maken met een pagina tekst bij elk werk, maar dat was er nog niet van gekomen. Daarover schreef hij: “Wel heb ik over de tekst nagedacht, maar de tijd is er nog niet rijp voor en de tekst niet rijp voor de tijd. ” Hij was wel tevreden met het resultaat: “Om twee redenen ben ik met de map Amsterdam-Castricum in mijn schik. In de eerste plaats omdat ik weer aan de slag ben met het maken van drukken en in de tweede plaats omdat het resultaat geheel anders is dan wat ik het laatst heb gemaakt.”

Druksel van Hendrik Werkman uit de serie Amsterdam-Castricum, waarin hij de kluis uitbeeldt. De hele serie bestaat uit 11 kleurrijke drukwerken (foto Stedelijk Museum).
Druksel van Hendrik Werkman uit de serie Amsterdam-Castricum, waarin hij de kluis uitbeeldt. De hele serie bestaat uit 11 kleurrijke drukwerken. Foto Stedelijk Museum.

Sandberg vertelde in een interview over de fantastische wijze waarop Werkman de kluis heeft afgebeeld: “Een of andere vogel komt uit de kluis, zoiets als inspiratie. Ook zie je de grammofoon bij ons thuis waarop we jazz-platen draaiden, een bruggetje over een Amsterdamse gracht enzovoorts. Dat is er allemaal uit voortgekomen en dat heeft hem eigenlijk weer op gang gebracht om te werken.”

De latere directeur van het Rijksmuseum professor Van Os schreef ter gelegenheid van de Werkmantentoonstelling,


Jaarboek 31, pagina 25

die in 1965 in Groningen plaatsvond, dat Werkman van onvervangbare betekenis is geweest voor de Nederlandse beeldende kunst.

Jan Romein

Sandberg en zijn vrienden leefden vol verwachting toe naar het einde van de oorlog. In commissies of groepjes werd veel gefilosofeerd over de toekomst. Sandberg zat in een Amsterdams groepje met onder andere de historicus Jan Romein. In het boekje ‘Sandberg, portret van een kunstenaar’ wordt hij als volgt geciteerd: “We zaten vaak in het barakje bij de kunstkluis in Castricum en hebben echt geprobeerd uit te denken hoe die tijd na de oorlog eruit zou moeten zien. Uit die gesprekken is een boekje van Jan Romein voortgekomen, dat ‘Nieuw Nederland’ heette en dat kort na de bevrijding is verschenen.”

Het barakje oftewel het huisje van Sandberg.
Het barakje oftewel het huisje van Sandberg. Oude Schulpweg in Castricum, 1940. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Jan Romein schrijft in het voorwoord van zijn boek ‘Nieuw Nederland’ dat hij niet in staat zou zijn geweest het te schrijven, als hij niet tijdens de bezetting deel had genomen aan de bijeenkomsten van een studieclubje, waarin de toekomstvisies uitgebreid werden besproken. Eén van de aanbevelingen was dat in een nieuwe grondwet moest worden vastgelegd, dat de kleine burgerij, het fabrieks- en kantoorpersoneel, de ambtenaren en de intellectuelen, kortom de grote massa van de bevolking, in de nieuwe regering vertegenwoordigd zouden moeten zijn in plaats van de vroegere minderheid.

Sommige deelnemers aan de bijeenkomsten, die op verschillende plaatsen in het land plaatsvonden, hebben het einde van de oorlog niet gehaald. Jan Romein droeg het boek aan hen op.

Jan Romein ( 1893-1962)

Jan Romein was een Nederlands historicus en vanaf 1939 hoogleraar te Amsterdam. In 1920 trouwde hij met schrijfster en historica Annie Verschoor. Vooral vraagstukken op het terrein van de theoretische geschiedenis en de historiografie hadden zijn aandacht. De eerste publicatie over het dagboek van Anne Frank was van zijn hand. In de vroege jaren 1950 stond Romein tamelijk geïsoleerd vanwege zijn communistische sympathieën en in 1951 werd hem de toegang tot de Verenigde Staten geweigerd.

Hij schreef onder andere ‘In opdracht van de tijd’ en ‘Op het breukvlak van twee eeuwen’. In dat boek poogt hij een integrale visie op de geschiedenis te geven. Samen met zijn echtgenote schreef hij ‘De lage landen bij de zee’ en ‘Erflaters van onze beschaving’, boeken die nu nog worden gewaardeerd.

Sandberg: “We dachten dat iedereen door alle oorlogsbelevenissen, de bezetting en de concentratiekampen zo tot in zijn ziel doorkneed was, dat er nieuwe mensen uit tevoorschijn zouden komen. Dat was dus een grote teleurstelling na de bevrijding. Daar werd niets van zichtbaar’. Iedereen holde terug naar zijn baantje, beroep ofzaak van vóór 1940. Terwijl wij dachten dat 1940 nu volledig afg elopen was en een nieuwe fase zou aanbreken.”

Achterin de kluis de uitschuifbare rekken met schilderijen. Te herkennen zijn schilderijen van Van Gogh en in het midden op de onderste rij een werk van Toulouse-lautrec (foto Stedelijk Museum).
Achterin de kluis de uitschuifbare rekken met schilderijen. Te herkennen zijn schilderijen van Van Gogh en in het midden op de onderste rij een werk van Toulouse-Lautrec. Foto Stedelijk Museum.

Kunstenaarsverzet

Uit hoofde van zijn beroep als conservator en graficus stond Sandberg vanaf het begin van de bezetting midden in alle problemen en discussies over de positie van de kunstenaar tegenover de bezetter. In het najaar van 1941 werd het zogenaamde Haags Comité opgericht ter bespreking van een naoorlogse bestuursorganisatie voor kunstenaars. Onder andere de beeldhouwer Frits van Hal en de schilder J.J. Voskuil maakten er deel van uit. Eens in de veertien dagen kwam dit Comité bijeen in het Stedelijk Museum of in het ‘huisje van Sandberg’, de directiekeet bij de kunstbergplaats. Sandberg verzorgde de contacten met het Amsterdams Comité, dat een gelijke doelstelling kende.

In de agenda’s van de bergplaats komen we verder bekende namen tegen, zoals Rudolf Mengelberg tot 1954 artistiek leider van het Concertgebouw en staatsrechtgeleerde professor G.A. van Poelje.


Jaarboek 31, pagina 26

Ook de namen Willem Arondéus, Johan Brouwer en Koen Limperg vallen op, namen uit het kunstenaarsverzet en deelnemers aan de aanslag op het Bevolkingsregister van Amsterdam op 27 maart 1943. De Duitsers hadden in november 1941 de Kultuurkamer ingesteld en kunstenaars moesten verplicht lid worden om naar buiten te kunnen treden met hun werk. Degenen die dat principieel weigerden, werd het brood uit de mond gestoten, omdat ze geen overheidsopdrachten meer konden uitvoeren of niet meer konden optreden. Hieruit kwam het kunstenaarsverzet voort.

Er werd een steunfonds opgericht voor kunstenaars die door het niet accepteren van opdrachten in moeilijkheden kwamen. Voor de beeldende kunstenaars en de schrijvers was een groepje mensen actief, dat naast de eerder genoemden bestond uit Gerrit van der Veen, Willem Sandberg en Leen van Dijk. Laatstgenoemde, toentertijd belastinginspecteur in Leiden, was belast met de financiën.
Zij raakten ook op andere manieren in het verzet betrokken en zetten zich in voor het verspreiden van valse persoonsbewijzen. Het vervaardigen van het pseudo-watermerk noemde Sandberg het beste stukje typografie waaraan hij ooit gewerkt had.

De aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister

Joden werden van een andere identiteit voorzien, ook degenen die voor de arbeidsdienst naar Duitsland dreigden te worden gestuurd en verzetsmensen. De valsheid van de persoonsbewijzen kon moeilijk worden vastgesteld, maar men kon ze wel altijd verifiëren op het Bevolkingsregister. Om die reden beraamde de groep een aanslag op het Bevolkingsregister van Amsterdam; een gebouw naast de ingang van ‘Artis’.

Er ging een maandenlange voorbereiding aan vooraf. Begin maart 1943 was alles gereed. Architect Koen Limperg had een plattegrond van het gebouw gemaakt. Springstof en brandstof benzol was beschikbaar en de nagemaakte uniformen lagen klaar. De aanslag werd uitgevoerd op 27 maart 1943. Willem Arondéus, schilder en schrijver, was daarbij verkleed als politiekapitein en de beeldhouwer Gerrit van der Veen als politieluitenant. De aanslag werd uitgevoerd zoals de bedoeling was, zonder dat er slachtoffers vielen. De geschiedenis van deze opzienbarende verzetsdaad is uitgebreid beschreven door dr. L. de Jong in deel 6 (II) van ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’.

Door Sandberg ontworpen gedenksteen mei de namen van de verzetsstrijders die de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam uitvoerden. De steen is aangebracht op de gevel van het voormalige bevolkingsregister de huidige studio Plantage naast de ingang van Artis.
Door Sandberg ontworpen gedenksteen mei de namen van de verzetsstrijders die de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam uitvoerden. De steen is aangebracht op de gevel van het voormalige bevolkingsregister de huidige studio Plantage naast de ingang van Artis.

Een deel van de voorbereidingen zal vast in het Geversduin hebben plaatsgevonden. Volgens de kluisagenda van 1942 zijn Arondéus, Brouwer en Limperg meerdere malen bij Sandberg op bezoek geweest en de deelnemers gingen enkele dagen na de aanslag terug naar Castricum. Op 31 maart 1943 hebben ze er volgens een verklaring van de eerder genoemde Leen van Dijk een feestje gevierd. In het ‘huisje van Sandberg’ is dat niet meer geweest; dat was een maand eerder afgebroken. Waar het dan wel heeft plaatsgevonden, is niet duidelijk. Misschien was het de woning die het Museum aan de Breedeweg huurde. We zullen het waarschijnlijk nooit meer te weten komen.

Van meer belang is dat al de volgende dag de arrestaties begonnen. Alleen Sandberg, die vanwege zijn bekende gezicht en zijn tengere postuur niet aan de aanslag had deelgenomen, en Gerrit van der Veen konden nog onderduiken. Twaalf mannen werden, na een proces in het Tropenmuseum, ter dood veroordeeld en op 1 juli 1943 in de duinen bij Overveen gefusilleerd. Gerrit van der Veen is later, na een overval op het Huis van Bewaring aan de Weteringschans, alsnog gepakt en op 10 juni 1944 gefusilleerd. Willem Sandberg was op de dag van de arrestaties bij de kunstbergplaats in Zandvoort en zijn vrouw kon hem nog tijdig waarschuwen. Hij werd in eerste instantie opgevangen in het huis van de familie Van Gogh in Laren en dook daarna onder in Limburg, waar hij de resterende oorlogsjaren aan het verzet bleef deelnemen.

Op de gevel van het voormalige Bevolkingsregister, de huidige Plantagestudio, is een door Willem Sandberg ontworpen plaquette geplaatst met de namen van de twaalf deelnemers en helpers.
De aanslag op het Bevolkingsregister wordt nog ieder jaar in Amsterdam herdacht en Provinciale Staten van Noord-Holland besloten in 2004 tot een jaarlijkse themalezing, die de naam Willem Arondéuslezing heeft gekregen.


Jaarboek 31, pagina 27

Willem Arondéus (1894-1943)

‘Het is of ik verduisterd leef – zonder leed en zonder vreugde.’
Willem Arondéus, beeldend kunstenaar en later schrijver, getuigt in zijn dagboekaantekeningen van een verscheurd en eenzelvig bestaan. In de televisiefilm ‘Na het feest, zonder afscheid verdwenen’ belicht documentairemaakster Toni Boumans zijn verzetsactiviteiten, zijn homoseksualiteit en zijn kunstenaarschap. Vier grote opdrachten vielen hem ten deel: een schilderij voor het Rotterdamse stadhuis, twee wandschilderingen in openbare gebouwen in Amsterdam en het ontwerpen van negen gobelins in het Noord-Hollands provinciehuis. Hij schreef twee romans en een biografie van de schilder Matthijs Maris.

Marco Entrop schreef een boek over hem getiteld: ‘Onbekwaam in het compromis’. Van de hand van Rudi van Dantzig verscheen het boek ‘Het leven van Willem Arondéus’.

Ontruiming bergplaats

In december 1941 besloot de Wehrmacht tot de bouw van een verdedigingslinie langs de westkust: de Atlanticwall. De kust, het strand en het direct aangrenzende achterland werden tot strijdtoneel verklaard. Castricum behoorde tot een van de vier steunpuntsgroepen tussen Den Helder en IJmuiden. Dit had de bouw van honderden bunkers, radarinstallaties enzovoort tot gevolg en in november 1942 moesten veel inwoners voor wie het verblijf in het dorp niet noodzakelijk was, vertrekken.

De burgemeester van Amsterdam ontving van de Staatssecretaris op 15 oktober 1942 de opdracht de kunstbergplaats te ontruimen:
“Der Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden bittet mich zu veranlassen dass der Schutzkeller des Städtischen Museums in Amsterdam bei Castricum umgehend geräumt wird. Die Schlüssel wären sodann bei der Wehrmachtkommandantur abzugeben. lch habe darauf hingewiesen, dass diese Räumung mit Schwierigkeiten verbunden ist. Die Wehrmacht muss aber, da sich dieser Bunker in einer Kampfstellung befindet, auf ihrem Wunsch bestehen.”

Een nieuwe verhuizing moest worden voorbereid. Hoewel de berging van het Rijk in Zandvoort eerder was ontruimd, konden veel kunstschatten uit Castricum daar in maart 1943 toch naar toe. De Lipsdeuren en de luchtbehandelingsinstallatie waren al eerder gedemonteerd en net als het ‘huisje van Sandberg’ naar Zandvoort overgebracht. Een laatste transport vertrok op 12 maart 1943 naar een nieuwe rijksbergplaats in Paaslo. Het logboek werd op die dag door bewaker Beijer afgesloten met het woord: ‘finis.’ Daarmee eindigde de geschiedenis van de kunstbergplaats in Castricum.

Baard: “Na de laatste transporten naar de duindepots kwam over ons nationaal kunstbezit eindelijk de rust, die niet vóór de bevrijding verstoord zou worden. Ver buiten de stille kluizen werd intussen een gigantische strijd, onverbiddelijk op leven en dood, voortgezet.”

Van bergplaats voor kunst, soldatenverblijf, fietsen en aardappelen tot filmarchief. Op de achterwand staan de woorden 'England verrecke'; het laatste woord is door de stellingen onzichtbaar.
Van bergplaats voor kunst, soldatenverblijf, fietsen en aardappelen tot filmarchief. Op de achterwand staan de woorden ‘England verrecke’; het laatste woord is door de stellingen onzichtbaar.

In de omgeving van de bergplaats werden verschillende bunkers gebouwd. De bergplaats zelf is door de Duitsers onder andere als opslagplaats in gebruik genomen. De Castricummer Piet Stuifbergen (87) is er getuige van geweest dat er fietsen in werden opgeslagen en dat de ruimte enige tijd woon- en slaapgelegenheid voor Duitse soldaten is geweest. Niet of nauwelijks meer zichtbare opschriften op de muren getuigen van de aanwezigheid van de andere gebruikers. Aan het einde van de bunker was in gotische letters de wens ‘England verrecke’ aangebracht. Links en rechts stonden de slogans ‘Ein Volk, ein Reich, ein Führer’ en ook ‘Führer befehlt, wir folgen’.

Na de oorlog

De kostbaarste zaken werden in juni 1945 per schip van Maastricht naar Amsterdam teruggebracht. De Nachtwacht kwam aan boord van het schip met de naam ‘ Van God gegeven’ . Op hetzelfde moment dat de schepen Am-


Jaarboek 31, pagina 28

sterdam binnenvoeren, vierde de jubelende stad de komst van de Koningin.

Baard: “Zoo was dan in de zomer van 1945 eindelijk het moment gekomen waarop een deel van de nationale kunstschatten na een al te lange onderbreking zijn plaats in de nieuwe samenleving kon hernemen.” Op de binnenplaats van het Rijksmuseum werd de Nachtwacht ontrold en weer opnieuw op het raamwerk aangebracht. Het schilderij bleek tot ieders opluchting alle beproevingen goed te hebben doorstaan.

Na de oorlog zijn de Duitse bunkers grotendeels gesloopt of onder het zand verdwenen. Niet echter de bergplaats van de gemeente Amsterdam. Nadat het zelfs nog even een opslagplaats is geweest voor de aardappelen van groenteboer Stengs, bepleitte Sandberg in 1952 bij de wethouder voor Kunstzaken van Amsterdam om de kluis weer voor kunstopslag geschikt te maken. Hij stuurde een tekening van de gewenste aanpassingen overeenkomstig adviezen van een militair bureau en in verband met beveiliging tegen atoombommen ook van de directeur van het Instituut voor Kernphysisch Onderzoek.

In zijn brief aan de wethouder herinnerde hij aan de dramatische meidagen van 1940, toen in allerijl de voornaamste kunstwerken van het Rijksmuseum naar de gemeentekluis in Castricum werden overgebracht en hoe de Nachtwacht op een grasveldje werd opgerold. Sandberg was duidelijk trots op de kluis, want hij liet de wethouder weten: “De kluis was de eerste in Holland en wat ligging, outillage en camouflage betreft, zeker de beste.”

Hier zien we enkele van de honderden films.
Hier zien we enkele van de honderden films. Helmweg in Castricum, 1958. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Naar aanleiding van de Hongaarse opstand waarschuwde Sandberg in 1956 het gemeentebestuur opnieuw. Tevergeefs drong hij aan op herstel en modernisering van de kluis. Als voorzitter van het Filmmuseum kreeg hij het in 1958 wel voor elkaar dat de bergplaats voor het bewaren van brandbaar filmmateriaal in gebruik kon worden genomen. Aan de Willemslaan verrees een houten barak die tot 1969 als kantoor en werkplaats van het Filmmuseum dienst deed. Deze stond gedeeltelijk op de nog aanwezige betonnen baan van een V1 lanceerinrichting. Tegenwoordig is dezelfde barak een deel van het clubgebouw van de Kennemer IJsbaan.

De tegenwoordig met een hek extra beveiligde toegang tot de kluis aan de Helmweg in het Geversduin. Het bouwwerk is vanwege de historische achtergrond terecht als gemeentelijk monument aangewezen.
De tegenwoordig met een hek extra beveiligde toegang tot de kluis aan de Helmweg in het Geversduin. Het bouwwerk is vanwege de historische achtergrond terecht als gemeentelijk monument aangewezen.

De kunstbergplaats vervult tot op de dag van vandaag nog een belangrijke functie en bovendien is het een stuk cultuurhistorisch erfgoed van nationale betekenis.

Niek Kaan

Bronnen:

Publicaties:

  • Baard, H.P., Kunst in Schuilkelders, Den Haag 1946.
  • Dantzig van, R., Het leven van Willem Arondéus, AmsterdamAntwerpen 2003.
  • Entrop, M., Onbekwaam in het compromis, Willem Arondéus kunstenaar en verzetsstrijder, Amsterdam 1993.
  • Hendriks, A., Huis van illusies, Amsterdam 1996.
  • Jong, L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog delen 2, 6 en 13, Den Haag 1975.
  • Kalf, J., Bescherming van Kunstwerken tegen Oorlogsgevaren, Den Haag 1938.
  • Leeuw-Marcar, A., Willem Sandberg portret van een kunstenaar, Amsterdam 1981.
  • Martinet, J., Brieven van H.N. Werkman 1940- 1945, Amsterdam 1968.
  • Os, H. W., Werkman, H.N., Groningen 1965.
  • Petersen, A., Brattinga P., Sandberg: een documentaire, Amsterdam 1975.
  • Rikhof, F., Kunst in een bunker, Ons Amsterdam, jaargang 48, nummer 3.
  • Romein, J., Nieuw Nederland, Amsterdam 1945.
  • Soeting, M., Het Stedelijk Museum in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog, Jong Holland nummer 2, jaargang 17, 2001.

Archieven:

  • Filmmuseum Amsterdam, met dank aan de heer H. de Smidt.
  • Gemeente Castricum, met dank aan de heer H. Stigt.
  • Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.
  • Provinciaal Waterleidingbedrijf, met dank aan de heer H. Posthuma.
  • Stedelijk Museum Amsterdam.
  • Stadsarchief Amsterdam.

19 januari 2022

Op de Wei van Brasser lag ooit een nederzetting

Door: Eric Bor

Afb. 1. De Wei van Brasser in 1942 (verbouw van aardappelen en rogge)

In het duingebied ligt ter hoogte van Bakkum Noord een vlak terrein waarop ooit aardappels en groenten werden verbouwd. Het heet ‘de Wei van Brasser’. In de jaren tachtig is het teruggeven aan de natuur en in 1996 is het afgeplagd en ontdaan van bos om de wind in staat te stellen het zand te verstuiven en stuifduinen op te werpen. De verstuiving had een onverwacht gevolg. Er stoven verschillende archeologische vondsten vrij, die lieten zien dat lang geleden op deze plek een nederzetting lag.

17 januari 2022

Kortenoever, Eldert (Jaarboek 29 2006 pg 53-60)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 29, pagina 53

Wie was … Eldert Kortenoever

De naam Kortenoever zal bij veel Castricummers herinneringen oproepen. Misschien aan kinderspelen op het kampeerterrein, volksdansen, het Wegwijsmuseum, een excursie in het duingebied of de jaarlijkse paddestoelententoonstelling.

Eldert Kortenoever woonde in een kleine idyllische woning bij de Kruisberg in Heemskerk, maar zijn arbeidzame leven speelde zich vooral in Castricum af. In zijn jonge jaren leverde hij verrassend grote sportieve prestaties. Hij nam het initiatief voor de oprichting van de Vogelwerkgroep Castricum en was vanaf het eerste uur lid van de werkgroep Oud-Castricum.

Hij had een fabelachtige kennis van de natuur en hield ervan die wetenschap uit te dragen en ook anderen enthousiast te maken. Voor zijn werk ontving hij de ere-medaille van de provincie en werd hem de Heimans- & Thijsse-prijs toegekend.

Een nog jonge Eldert leidt een excursie in het duingebied.
Een nog jonge Eldert leidt een excursie in het duingebied.

Eldert Kortenoever werd op 30 november 1913 in Naarden geboren. Hij was de zoon van Johannes Kortenoever en Annie Appels. Vader Kortenoever had het gymnasium doorlopen en studeerde enige jaren medicijnen. Door een val in een zwembad venninderde zijn concentratievermogen zodanig dat hij zijn studie niet meer kon vervolgen. Zijn ouders, leden van een vooraanstaande familie uit Gouda, kochten in Naarden een kwekerij voor hem.

Zij zorgden er ook voor dat Johannes een huishoudster kreeg. Dat werd Annie Appels. Er groeide een relatie tussen hen en in 1913 trouwden ze. Nog in hetzelfde jaar werd Eldert geboren en in de jaren daarna kreeg hij nog drie broers, Jan, Kees en Nico. Eldert logeerde regelmatig bij zijn Goudse familie. Hij heeft altijd met plezier ternggekeken op die periode uit zijn leven. De familie kenmerkte zich door een beschouwende, filosofische en religieuze instelling, eigenschappen die bij Eldert terug te vinden waren in zijn manier van enthousiasmeren van anderen waar het om natuurbeleven en natuurschouwen ging.

In 1923 moest de kwekerij van zijn ouders plaatsmaken voor een snelweg. Het gezin week uit naar ‘s-Graveland. De nieuwe kwekerij lag op een prachtige plek, het was een terrein dat omsloten werd door landgoederen als het Corversbosch en Gooilust. De omgeving was en is nog steeds bijzonder vogelrijk. Als jongetje van 12 jaar ging Eldert in elk gat of elke spleet op zoek naar vogelnesten.

Hij volgde een opleiding aan de tuinbouwschool in Boskoop. Opnieuw werd de familie uit Gouda belangrijk, want vanuit deze plaats ging Eldert naar school. Na zijn opleiding ging hij in de boomkwekerij van zijn vader aan het werk.
De mooie omgeving van de boomkwekerij, met in de maand mei rondom zingende nachtegalen, is als bakermat te zien voor de jaarlijkse nachtegalen excursies die Kortenoever later in het duingebied van Castricum organiseerde.

Jaap Taapken, publicist en fotograaf, een vriend van Kortenoever uit hun NJN-tijd (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie), vertelde daarover het volgende: “Voor de oorlog werd ’s nachts met zware ingewikkelde apparatuur door radiomensen de zang van nachtegalen opgenomen. Deze nachtegalen zang kon men later bij veel radiohoorspelen beluisleren. Het fragment was herkenbaar aan het geluid van een tijdens de opname met grote snelheid passerende oude Ford.”

‘s-Graveland heeft een waterrijke omgeving. Een omgeving vol sportieve uitdagingen. De gebroeders Kortenoever namen uitbundig deel aan diverse sporten. Zomers veel zeilen en zwemmen en in de winter schaatsen. Broer Jan werd in de jaren (negentien) vijftig schaatstrainer en was betrokken bij de oprichting van de internationale sportbond voor rodelen. Kees, architect van beroep, werd een bekende ijs- en strandzeiler, waarover later meer.

Eldert specialiseerde zich in schoonspringen, de schoolslag en pop-duiken. Hij nam zowel deel aan plaatselijke, regionale als landelijke wedstrijden. Een blikje vol ouderwets mooi uitgevoerde medailles vormen een herinnering aan zijn prestaties. Hij was lid van zwemvereniging ‘de Zuwe’ in Kortenhoef. Later toen hij in Heemskerk woonde, heeft hij zich nog ingezet voor de realisering van een zwembad; een buitenbad in het water rond Fort Veldhuis en in zijn vrije tijd heeft hij nog als badmeester gewerkt.

Natuurstudie bleef zijn voornaamste hobby. In 1931 richtte hij met de bioloog Herman van Genderen en de scheikundige, tevens vogelwaarnemer Be Wolff, in Hilversum een afdeling op van de NJN. Eldert Kortenoever viel toen al op door zijn enthousiasme, organisatievermogen en vogelkennis. In 1936 maakte hij plannen voor een natuurhistorische tentoonstelling voor de afdeling Hilversum van de NJN. Het werd een enorm succes. De tentoonstelling trok een voor die tijd opvallend groot aantal bezoekers. Er was een prachtige catalogus uitgebracht, waarin behalve een bijdrage van Eldert, bijdragen van de bioloog Victor Westhoff en de eerder genoemde Be Wolff en Herman van Genderen waren opgenomen. Het werd voor hem een start van een leven dat in het teken stond van natuureducatie en waarin hij vele tentoonstellingen op dat gebied zou vormgeven.

In 1938 begon Kortenoever met het ringen van vogels. Hij heeft dat meer dan 50 jaar volgehouden. Het is mogelijk dat er nu nog koolmezen rond de Kruisberg vliegen die door hem geringd zijn.
Ook in het jaar 1938 ging hij met ornitholoog Luuk Tinbergen, jongere broer van de latere Nobelprijswinnaars Jan en Nikolaas Tinbergen, op Schouwen de daar broedende Grote Sterns ringen.


Jaarboek 29, pagina 54

Er kwamen bijzondere terugmeldingen. Deze terugmeldingen vormden de sleutel voor de onthulling van geheimen over de plaatsen waar de vogels overwinteren. Zo kwamen er berichten uit. West-Afrikaanse kustzeeën: Dakar, Senegal, Kreta, Ghana, Port Etienne (Mauritanië).

PWN

In de moeilijke jaren voor de Tweede Wereldoorlog, de crisistijd, vond Kortenoever op de Volkshogeschool Allardsoog te Bakkeveen als leider van praktische werkzaamheden voor jongeren, een zeer veelzijdige werksituatie. De taken die hij moest uitvoeren waren vormend. De sfeer in Bakkeveen werd gekenmerkt door een grote mate van inspirerende saamhorigheid. Werken en vorming gingen hand in hand. Er ontstond een voedingsbodem voor samenwerking en communicatie. Kortenoever heeft in latere uitdagingen die hij aanging veel gehad aan zijn in Bakkeveen opgedane ervaringen.

Per 1 april 1940 werd Kortenoever aangesteld bij de afdeling terreinen van het Provinciaal Waterleiding Bedrijf van Noord-Holland (PWN) en aanvankelijk belast met toezicht op de werkzaamheden in het Heemskerkse duinterrein. Vervolgens werd hij ingezet op de kwekerij aan de Zeeweg, werk waarvoor hij een opleiding had genoten en waarin hij de nodige ervaring had opgedaan.

Op 7 mei 1942 trouwde Kortenoever met Betty Frapon. Betty werkte als verpleegster in een kinderziekenhuis in Baarn. Tijdens een volksdansfeest in Hilversum heeft Kortenoever Betty leren kennen. Slechts kort verbleef het jong paar in het Gooi.

Het Voerhuis bij de Kruisberg in Heemskerk, waar de Kortenoevers ruim zestig jaar hebben gewoond.
Het Voerhuis bij de Kruisberg in Heemskerk, waar de Kortenoevers ruim zestig jaar hebben gewoond.

Het PWN bood woonruimte aan in het duingebied bij de Kruisberg in Heemskerk. Dit huis droeg de naam ‘Voerhok’, omdat baron Van Tuyll van Serooskerken, de voormalige eigenaar van het duingebied, het huis gebruikte om voer op te slaan voor de fazanten, die voor de jacht waren gekweekt. Kortenoever verbouwde de schuur tot een woning, waardoor het ‘voerhok’ kon worden omgedoopt tot ‘voerhuis’. Tot vandaag de dag draagt het huis die naam.

Het huis was aanvankelijk nauwelijks geschikt als woning. Een stenen vloer, een pomp, geen elektriciteit, het was niet eenvoudig om te starten. Het gemis aan comfort werd ruimschoots gecompenseerd door de prachtige natuur rondom het huis. Vlakbij stonden nog enige woningen, waaronder het jachthuis van baron Van Tuyll van Serooskerken, dat door het echtpaar Baltus werd bewoond. De baron kwam er regelmatig logeren en nam dan deel aan jachtpartijen. Verder woonden er nog drie gezinnen, onder andere het gezin van Bruinekool, een jachtopziener die nog in dienst was geweest van de baron en daarna in dienst trad van het PWN.

Oorlog

De leden van deze kleine gemeenschap konden gedurende de oorlogsjaren in het duingebied blijven wonen. Als tegenprestatie voor dit woonrecht moesten de mannen wachtlopen om zo te voorkomen dat de bossen gekapt werden. Dit ging soms met een knipoog naar de naar hout op zoek zijnde dorpsbewoners. Het was spannend, maar op de een of andere manier waren alle partijen tevreden. Het wachtlopen bij het pompstation van het PWN was extra moeilijk, omdat rondom de brandbommen naar beneden kwamen. Alle bewoners van de Kruisberg hebben deze moeilijke situaties overleefd. Ook werden er dennen geplant bij de Weierij aan de Bredeweg in het Bakkumse duingebied. Een deel van deze dennen is op dit moment als volgroeid bos, rijp voor de kap, terug te vinden.

Op 28 juni 1943 werden de huizen aan de Kruisberg getroffen door granaten afkomstig van zwaar geschut dat voor de jeugdherberg Koningsbosch stond. Daar vandaan werd er geoefend met als doel een vlot dat in zee lag. Er was duidelijk sprake van afzwaaiers. De bewoners van de Kruisberg ontkwamen ternauwernood.

Kortenoever vertelde over dit incident dat ze voor het huis een Duitse wacht heen en weer zagen lopen. Ineens zagen Betty en hijzelf die wacht hard wegrennen. Een onbekend geluid drong het huis binnen. Na een korte discussie besloten ze het huis te verlaten, in strijd met de geldende richtlijn om bij onraad een schuilplaats binnenshuis te zoeken. Het is maar goed geweest dat ze dat advies niet opgevolgd hebben. Samen zijn ze zijn het duin uitgerend en achter hen sloegen granaten kraters in de grond. De achterkant van het Voerhuis werd eraf geschoten. Een stuk muur bungelde alleen nog aan een kraan.

Na deze ‘miniramp’ kregen de Kruisbergbewoners enkele uren de tijd om zich tijdelijk te vestigen op het Duinerwalletje, een gedeelte van het dorp Heemskerk dat vlak bij het duingebied ligt. Toch konden de bewoners hier niet blijven. De gezinnen kregen een evacuatie adres toegewezen op de Oosterweg, totdat hun woning bij de Kruisberg weer hersteld was.

In december 1943 kwam er een Lancaster bommenwerper neer boven de Kruisberg. Het vliegtuig spatte gewoon uit elkaar. Jan Zonneveld, buurman van de familie Kortenoever, vertelt erover: “De dennen rond de Kruisberg achter de boerderij waren in één klap zonder top.” Zonneveld herinnerde zich dat hij samen met Kortenoever de massieve banden van het staartwiel van de Lancaster heeft kunnen bemachtigen. Uit dit wiel sneden ze rubberen stroken die ze als banden voor fietsen konden gebruiken. Toen de Duitsers lucht kregen van deze onderneming, hebben Zonneveld en Kortenoever de resten van het rubber begraven in de kippenren bij het Voerhuis. Na de oorlog is Jan Zonneveld nog op zoek gegaan naar het rubber; het was onvindbaar.

Heel veel jaren later, na de dood van de heer Kortenoever, brak diens zoon Dirkjan de volière af in diezelfde kippenren. Bij het uitgraven van de palen kwamen resten rubber te voorschijn. Voor Dirkjan was de hoeveelheid rubber niet te verklaren. Nu anno 2006, door het relaas van Jan Zonneveld, valt het kwartje. Het rubber maakte ooit deel uit van het staartwiel van een neergestorte Lancaster.

Dat het duingebied ook een schuilplaats kon zijn voor onderduikers is moeilijk voor te stellen. Op de zolder van het Voerhuis logeerden regelmatig mannen die een onderduikadres nodig hadden. Het waren oud-NJN’ers, die de naam ‘oude sokken’ kregen, nadat ze 23 jaar geworden waren en de NJN verlieten. De ‘oude sokken’ kregen in het Voerhuis een tijdelijk onderkomen.

Een van hen, Pieter Groot uit Westzaan, vertelt over deze tijd: “De Moffen hielden voor in het duin iedereen tegen. Maar ondanks de oorlogstijd was de omgang met de Duitsers soms soepel. Het gedrag was onvoorspelbaar en wie toch het duin in wilde gaan, nam een groot risico.”

Jaap Kaal, een andere oud-NJN’er, en Pieter Groot reden langs de versperring van de Duitsers. Ze werden niet aangehouden en konden


Jaarboek 29, pagina 55

doorgaan naar de Kruisberg. Eenmaal in het duin bleef het mogelijk vanuit het duin de polder in te gaan om bij boeren voedsel te vragen. Het hebben van genoeg voedsel is het grootste probleem naast de vomtdurende angst voor het onvoorspelbare gedrag van de Duitsers.

Pieter Groot vertelde ook de volgende geschiedenis:
“Kortenoever voerde een handeling uit die in oorlogstijd voorstelbaar was, maar die helemaal niet paste bij een natuurliefhebber. In het duingebied, het voormalige jachtgebied van baron Van Tuyll van Serooskerken, leefden naar verhouding veel fazanten. Vlees was heel schaars en het vangen van fazanten werd heel aanlokkelijk. Kortenoever zag een groot en een klein exemplaar. Hij sprong van zijn fiets en gooide zijn jas over de beide fazanten, draaide de nekken om en nam de fazanten mee naar huis.
De dikste werd door de familie Kortenoever en de gasten opgegeten en met de kleine fazant reisde de heer Kortenoever naar zijn schoonmoeder in Utrecht. Nog voor Kortenoever kon aanbellen bij zijn schoonmoeder, werd de deur opengedaan. “Ik weet wat je bij je hebt, in de tas zit een fazant, maar het is wel de kleinste.” Schoonmoeder heeft ’s nachts gedroomd hoe haar schoonzoon de fazanten ving. Het was wel heel frappant dat ook de informatie over de kleinste fazant in de droom terugkwam.”
Dit verhaal is waarschijnlijk aan heel veel vrienden verteld, want in veel gesprekken kwam dit bijzondere voorval naar voren.

Gezinsuitbreiding

In 1946 werd dochter Hanneke geboren en drie jaar later zoon Dirkjan. De drukke werkzaamheden: de zorg voor het museum, lezingen, excursies, activiteiten voor het kampeerterrein Bakkum, maakten dat Kortenoever niet veel aanwezig was in het gezin. De kinderen kregen op een andere manier zijn aandacht. Zo maakte hij bijvoorbeeld een boorinstallatie van blikken, je kon de boorinstallatie echt in werking stellen. Ook zorgde hij voor veel speelhuisjes en hutten, een juk waaraan je echt emmers kon hangen, enzovoort; attributen waaraan ze veel plezier beleefden.

Tijdens de volksfeesten in Heemskerk maakte Kortenoever versierde wagens, waarin alle kinderen van de Kruisberg een plaats konden vinden.

Er was in het dorp Heemskerk geen openbare school. De maatschappij tot Nut van het algemeen heeft ervoor gezorgd dat er in 1954 een school gesticht kon worden. Kortenoever zette zich ook daarvoor in en werd in 1954 de eerste voorzitter van de oudercommissie.

Vele jaren werd in de herfst de grote paddestoelen tentoonstelling gehouden, waarvoor bij Johanna's Hof een tent werd neergezet.
Vele jaren werd in de herfst de grote paddestoelen tentoonstelling gehouden, waarvoor bij Johanna’s Hof een tent werd neergezet.

Kindercircus

Na de oorlog kreeg Kortenoever een andere taak. Hij werd aangesteld om de recreatieve activiteiten op het PWN-kampeerterrein Bakkum te organiseren. De activiteiten waren heel divers: kinderspelen, volksdansen enzovoort. Op het terrein was een duinpan die ingericht werd als theaterkuil.

Er werd ook een kindercircus opgericht. Kortenoever speelde de rol van circusdirecteur, gekleed in jacquet met een hoge hoed kondigde hij onder andere het circusorkest van ‘groenpetters’ (boswachters) aan. De kinderen traden op als clowns, acrobaten, leeuwen, dansers enzovoorts. Een keer toen de leeuwen gevoerd werden met stukken kantkoek, gaf een klein leeuwtje in plaats van de gebruikelijke grauw in plat Amsterdams het antwoord: “Ik ben al geweest, mijnheer.”

Het paard Arabel, gemaakt van jute zakken, maakte zo’n echte indruk dat kleine kinderen op de voorste rij dachten dat het paard echt was. Later gingen ook de kinderen van de kinderkolonie St. Antonius meedoen met het kindercircus; het werd een grote organisatie. Een van de kleine danseresjes, toen negen jaar, heeft een professionele carrière als danseres gemaakt en werd later directeur en artistiek leider van het Nederlands Danstheater. Haar naam: Marianne Sarstadt.

De act met de 'vallende' blikken in het kindercircus op kamp Bakkum.
De act met de ‘vallende’ blikken in het kindercircus op kamp Bakkum.

Peter de Heer vertelde: “Samen met Dirkjan Kortenoever vormden wij in onze lagere schooltijd een clownsduo voor het kindercircus. We traden op in een grote tent, die later als kerk dienst deed. Onze zeer succesvolle hoofdact was niet eenvoudig en vereiste de nodige training. Kortenoever had een constructie gemaakt, bestaande uit een stok met een plateau, waarop conservenblikken waren opgestapeld. Met die stok moesten we dan balanceren boven de hoofden van de kinderen, die begonnen te schreeuwen als iedereen verwachtte dat de blikken zouden vallen. Dat gebeurde natuurlijk niet, want Kortenoever had een dusdanig mechanisme ontworpen dat de blikken niet naar beneden kwamen. Ook werd ik wel geschminkt om als tijger mee te doen.”


Jaarboek 29, pagina 56

Loods 5

Op het kampeerterrein stonden grote loodsen die in de winter gebruikt werden als opslagplaats voor kampeerhuisjes. ledere loods had een nummer. Kortenoever richtte in een gedeelte van de nog bestaande loods 5 een kleine natuurhistorische tentoonstelling in. De loods had een grote open ruimte met een klein zijkamertje, dat in de oorlog de slaapkamer was geweest van de Duitse oppasser van paarden die in de loods gestald waren. In dat zijkamertje werd eerst de vlinderverzameling van Kortenoever tentoongesteld.

Zijn toenmalige assistent, Klaas Zwart, herinnert zich de kasten met laden, waarin de verschillende verzamelingen getoond konden worden. Er kwamen naast vlinders, laden met eieren en schelpen en andere strandvondsten. In de grote open ruimte was een klein diorama te zien met door Kortenoever zelf geprepareerde vogels. Die techniek hadden zowel Klaas Zwart als Kortenoever geleerd van een preparateur van Artis.

Het museum was ’s avonds tot 22.30 uur open, omdat de meest kampeerders overdag op het strand waren. Dat betekende dat Kortenoever vele avonden moest opofferen. Cor Mooij en Klaas Zwart vielen nog wel eens voor hem in. De activiteiten voor het museum werden door het PWN formeel niet erkend. Die werkzaamheden werden min of meer gedoogd, zodat de uren dat er toezicht werd gehouden niet ‘geschreven’ (niet uitbetaald) mochten worden.

Klaas Zwart was niet alleen betrokken bij de activiteiten in loods 5, maar deed allerlei taken die seizoensgebonden waren. In de winter maakte hij nestkasten met de heer Wentink, de timmerman van het PWN, die op Fochteloo woonde. Die nestkasten werden binnen het PWN-terrein opgehangen, wat gezien de grootte van het terrein een flinke klus was.

Jachtopzienershuis Klein Fochteloo.
Jachtopzienershuis Klein Fochteloo. Zeeweg 1 in Castricum, 1954. Naast Fochteloo staat het houten noodkantoor van PWN. In 1959 werd dit het wegwijsmuseum achter Johanna’s Hof onder leiding van Eldert Kortenoever. De voorkamer in huize Fochteloo  was van de rentmeester een andere kamer voor de refrendaris. Daarachter woonde meneer en mevrouw H.J. Wentink. Zij waren conciërge en timmerman bij het PWN. Collectie PWN – Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op een keer fietsten Kortenoever en Klaas Zwart nog voor zonsopkomst naar de Verbrande Pan in Bergen om daar kasten te gaan plaatsen. Het werk liep flink uit en om 13.30 uur besloten de mannen te gaan lunchen in een door het PWN geplaatste directiekeet. Ze zaten nog nauwelijks of Kortenoever vloog weer overeind, pakte de nestkasten en riep naar Klaas Zwart: “De baas … kom op aan het werk.”

De heer Duinker en ir. Vogelenzang kwamen eens kijken hoe het werk er voor stond. Kortenoever, zich bewust van de niet gebruikelijke lunchtijd, wilde geen verkeerde induk maken en koos ervoor om dan maar weer door te werken.

De persoon van heer Duinker, hoofd van de PWN-terreinen, was een begrip in Castricum. Zijn wil was wet. Om aan materiaal uit zee te komen, voeren Klaas Zwart en Kortenoever ook wel mee met visser Leen Blok uit IJmuiden met de stoomtrawler IJmuiden 9. Grote zeesterren, zeemuizen, inktvissen en allerlei materiaal werd aan boord verzameld. Later kwamen deze dieren in potten met formaline en werden in loods 5 tentoongesteld.

Loods 5 werd ook bezocht door collega-natuurkenners. Er werden materialen uitgewisseld. Zo had Kortenoever contact met Gerrit Jan de Haan van Texel, de grondlegger van het latere ECO Mare en met Cees Sipkes, een plantenkenner van Oostvoorne. Van Sipkes is bekend dat hij op Voorne allerlei planten invoerde die daar niet-inheems waren. Van Kortenoever kreeg hij onder andere zaad van het slangenkruid.

Met Kortenoever op excursie.
Met Kortenoever op excursie.

Vanaf Loods 5 werden zeer regelmatig excursies georganiseerd met verschillende bestemmingen: de visafslag in IJmuiden, de Hoogovens, de abdij in Egmond en natuurlijk tochten in het duingebied rondom het kampeerterrein. Aan de excursies naar de Hoogovens en naar de abdij mochten alleen mannen deelnemen. Hoogovens vond het onverantwoord om vrouwen toe te laten en ook de monniken in de abdij hadden er kennelijk moeite mee.

Als bestuurder van de jeugdherberg Koningsbosch had Kortenoever volksdans cursusleider Chris de Vries uit de Zaanstreek leren kennen. Enthousiast gemaakt door Chris de Vries begon Kortenoever ook op het kampeerterrein met het aanbieden van voornamelijk Hollandse en Engelse dansen.

De functie van Kortenoever veranderde later opnieuw. Hij werd door het PWN aangesteld als voorlichtingsambtenaar. Zijn taak werd breder, er vonden meer excursies voor scholen en meer lezingen plaats en er werden tentoonstellingen in allerlei dorpen in Noord-Holland georganiseerd. Ook Cor Mooij zette zich voor de tentoonstellingen in. Hij herinnert zich wel dat het voor Kortenoever moeilijk was om zijn werk goed te plannen en alles op tijd klaar te hebben, maar met collegiale steun kwam het toch altijd weer in orde.

In de loop van de jaren (negentien) vijftig zag het PWN de permanente tentoonstelling toch ook als een belangrijk element van het voorlichtingsprogramma. Een noodgebouw, dat overbodig was geworden door de ingebruikneming van het kantoor in de villa Fochteloo,
werd verplaatst naar een terrein tegenover het kampeertenein Bakkum. In dat gebouw kon Kortenoever een nieuw natuurhistorisch museum inrichten, dat de naam ‘Wegwijsmuseum’ kreeg. Rond het gebouw werd een tuin aangelegd met typische duinplanten en allerlei voorwerpen die op het strand gevonden waren. Zelfs een mijn kreeg een plaats in de tuin, maar ook allerlei soorten drijvers van visnetten.

Vlak bij het gebouw werd een duinpan gegraven. In de duinpan bloeiden duinroosjes, parnassia, brunel en verschillende soorten orchideeën.
De inrichting deed denken aan de inrichting van loods 5. Voor een diorama was minder ruimte, maar de verzamelingen werden uitgebreid met nieuwe onderdelen. Zo kreeg heemkunde een plaats in het museum. Informatie over de ruïne in Egmond, over de slag bij Castricum en over de vroegste bewoning van de duinstreek was er ook te vinden.


Jaarboek 29, pagina 57

 Wekelijks overleg medewerkers van het PWN in kantoor Fochteloo.
Wekelijks overleg medewerkers van het PWN in kantoor Fochteloo. Van links naar rechts ir. H. Veenendaal (directie PWN terrein), J A.C. Klok (beheerder terrein Castricum), J. Joosse (administrateur), E.J. Kortenoever (Wegwijsmuseum), D. van der Zee (chef jachtopziener), W. van Hiele (hoofd terreinen), H. Donker (camping Geversduin), H. Hartman (camping Bakkum), JB. Verink (beheerder terrein Bergen, Egmond, Bakkum-Noord), H.J. van Elven (beheerder duingebied Heemskerk), C. Klaassen (administratie).

Vrienden voor het leven

Voor niet-katholieken was ‘het Nut’een belangrijke vereniging (red: Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, een Nederlandse vereniging ter bevordering van het welzijn van individu en samenleving). Het Nut had een bibliotheek en organiseerde daarnaast veel activiteiten voor de leden.

en van die activiteiten was de duinexcursie, die twee keer per jaar plaatsvond. Aan die excursies namen ook heel jonge deelnemers van 12 jaar deel. Eén van die jonge deelnemers of misschien zelfs de jongste, Jan Huisman, vertelde over die tijd: “Samen met een vriend Piet Honig ging ik vooraf aan de excursie op zoek naar nesten die tijdens de excursie getoond kunnen worden. Het ging om nesten van de nachtegaal en staartmees.”

Kortenoever nodigde de jongens uit om mee te gaan met een excursie naar het Zwanenwater. De excursie was bestemd voor leden van de Vereniging voor Vogelbeschenning. Op de fiets naar het Zwanenwater, een flinke afstand. De jongens bleken de enige jongeren en argwanend werd aan Kortenoever gevraagd of de jongens wel lid waren van Vogelbescherming. Kortenoever gaf als antwoord dat het jeugdleden waren. Waarschijnlijk zijn Huisman en Honig in naam de eerste jeugdleden geweest. De vriendschap tussen Kortenoever, Huisman en Honig bleef gedurende hun hele leven bestaan. Tot aan de dood van Kortenoever bleven ze samen genieten van staartmezen die vlak voor het raam van de verpleeginstelling kwamen.

Piet Honig heeft lange tijd in Canada gewoond. Kortenoever en Huisman zijn samen nog naar Vancouver gereisd om daar samen met Piet Honig te genieten van de rijke natuur. Vol verhalen over vogels die ze nooit hadden gezien, maar waarvan ze de namen wel kenden. Kortenoever had een uitgebreide postzegelverzameling met als thema flora en fauna.

Jaarlijks bezoekt Honig nu (in 2006) nog steeds het duingebied, meest in de tijd dat de nachtegalen zingen. Wie in de maand juli gaat wandelen bij de Kruisberg, kan op de hoogte van het Voerhuis een geel bloeiende plant vinden; een plant die veel lijkt op het zonneroosje dat in sommige tuinen staat. Het is een door Kortenoever meegenomen plant uit Canada, die zich in de ruige, kalkarme grond van de duinen goed thuis voelt.

Het ringen van een jonge vogel.
Het ringen van een jonge vogel.

De laatste ‘griel’

Naast de diverse taken die bij zijn baan hoorden, had Eldert ook als vrijwilliger een taak op zich genomen die dicht bij zijn werk lag. In 1945 slaagde hij voor het examen controleur vogelwet. De taak werd beschreven als ‘onbezoldigd rijksveldwachter’ van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk. Na het examen volgde een beëdiging. Optreden kon deze bijzondere ambtenaar pas als de overtreder na diverse gesprekken niet wilde luisteren. In het bijzijn van de plaatselijke politie werd dan een proces-verbaal opgemaakt.

Kortenoever is actief geweest om de laatste ‘griel’, een bijzondere vogel, in Nederland van de ondergang te redden, wat helaas niet gelukt is. De griel komt nu alleen nog in Afrika voor. In het PWN-terrein werd deze vogel nog tot 1950 waargenomen. De vogel werd extra in de gaten gehouden en de eieren werden in het nest regelmatig geteld. Er werden steeds eieren gemist en Kortenoever kreeg in de gaten dat een man de eieren roofde voor een privé-verzameling. Samen met de plaatselijke politie werd een huiszoeking gedaan, waarbij ze maar liefst twintig eieren vonden. Het opmaken van een proces-verbaal en inbeslagname van de eieren volgde.

Elfstedentocht

Kortenoever bleef naast zijn drukke werkzaamheden tijd vrijmaken voor een van zijn sportieve hobby’s. In Bakkum, bij de Vereniging Kennemer IJsbaan, trainde hij samen met een groep mannen het hele jaar voor deelname aan een eventuele Elfstedentocht, maar ook voor de dorpentochten in Noord-Holland zoals de Molen-Merentocht. In de winter, als er voldoende ijs was, reden ze vele wedstrijden op de ijsbaan in Bakkum.

Om sterke benen te krijgen renden ze, gekleed in een voor die tijd opvallend strakke schaatsbroek, duin op duin af. In 1956 was het zover, de groep stond ingeschreven voor de Elfstedentocht en ondanks het slechte ijs en de strenge vorst wisten ze de tocht te volbrengen.


Jaarboek 29, pagina 58

Ook trainde hij wel alleen in het Heemskerkse duingebied. Tegenwoordig is het duinterrein vol mensen die voor de een of andere sport trainen en zijn er speciale parcoursen. In 1956 bleef een wandelaar nog staan om naar de ‘sportieveling’ te kijken.

Met de zelfgebouwde strandzeiler in actie op het strand tussen Castricum en Heemskerk.
Met de zelfgebouwde strandzeiler in actie op het strand tussen Castricum en Heemskerk.

Strandzeilen

Toen Eldert en zijn broer Kees in hun jeugd een ijszeiler bouwden met behulp van een oude strijkplank, hadden ze nog geen flauw idee dat dit de grondslag vormde voor de latere kleine ijs- en strandzeilers in Nederland en daarbuiten. Het is onduidelijk wie van de twee begonnen is met een vast zeil aan een draaiende mast, want beide broers vertelden hetzelfde verhaal over die eerste experimenten. Kees was gek op zeilen en hij specialiseerde zich ook in het ijszeilen. Hij maakte een ijszeiler op basis van tekeningen die hij uit Amerika had meegenomen. Het was van de zogenaamde DN, een ijszeiler die via een ontwerp-wedstrijd van de ‘Detroit News’ ontstaan was. In 1962 werd Kees de eerste Nederlands kampioen ijszeilen en in 1966 zelfs Europees kampioen. Hij richtte in 1963 de DN-ijszeilvereniging Nederland op.

Dirkjan, de zoon van Eldert, bouwde een karretje voor op het strand. Het karretje had een vierkant zeil en kon alleen met de wind in de rug een stukje rijden. Een DN-ijszeiler kon scherp aan de wind zeilen en Eldert besloot op basis van de tekeningen van broer Kees een DN te bouwen voor gebruik op het strand. Gebruik werd gemaakt van bekistingmateriaal van Hoogovens en oude bouten en ijzeren platen van het PWN. De wielen en de stuurinrichting werden bij de sloop gevonden. Broer Kees kwam met een mast en een zeil van een DN-ijszeiler langs, zodat eindelijk gekeken kon worden of een ijszeiler op wielen mogelijk was. Ze gaven het voertuig de naam ‘Akka’, vermoedelijk naar de leidster van de groep wilde ganzen uit het boek ‘Nils Holgerssons wonderbare reis’ van Selma Lagerlöf.

Ze sleepten de eerste Akka naar de strandopgang van Bakkum en tot hun groot genoegen bleek de nieuwe strandzeiler heel scherp tegen de wind te kunnen zeilen, zodat tochten naar Bergen of de Noordpier mogelijk waren.
Kees Kortenoever verbouwde intussen in ‘s-Graveland nog twee ijszeilers tot strandzeilers, zodat hij samen met Eldert aan wedstrijden kon deelnemen.

Bij de Europese kampioenschappen in Denemarken in 1963 wisten de deelnemers niet wat ze zagen. Tussen de wagens met gigantische zeilen reed ineens een wagentje met een zeiloppervlak van 6 vierkante meter. De start was een sensatie. De Akka stoof na het startschot weg, zelfs voordat de eerste grote strandwagens op gang waren gekomen. Op de lange stranden lag de topsnelheid van de reuzen veel hoger, zodat de DN toch als laatste binnenkwam. Dat ritueel herhaalde zich elke wedstrijd. Toch was men internationaal onder de indruk.

Vooral het scherp aan de wind kunnen zeilen en de lage bouwkosten speelden hierbij een rol. Toen ze in 1966 in Engeland meededen aan de Europese kampioenschappen was er al een aantal DN-strandzeilers gebouwd en bij de Europese kampioenschappen in Frankrijk was er een speciale klasse voor kleine strandzeilers. Wat ooit begon met een paar plankjes en onderdelen van de sloop, was tot een heuse sport uitgegroeid.

Vogelwerkgroep

In 1958 nam Kortenoever het initiatief voor de oprichting van de Vogelwerkgroep Castricum, samen met Koos Borstlap en Gerard Klaasse. Bij de oprichtingsvergadering op 10 april 1958 waren behalve de eerstgenoemden, P. Brakenhoff, D. van Deelen, J. Mulder en W. Verkerk aanwezig.

Nu heeft de werkgroep 210 leden. Inventarisatie van de vogelstand was de eerste activiteit van de werkgroep. Volgens de methode Tinbergen werd de zang van de mannetjes in kaart gebracht en werd er vervolgens gezocht naar nesten. In 1963 komt er na veel voorbereidende werkzaamheden in het duingebied een vinkenbaan voor het vangen en ringen van vogels.

In de jaren (negentien) zestig heeft Kortenoever contact onderhouden met veel ‘vogelvrienden’, zoals blijkt uit bewaard gebleven brieven. Men wisselde niet alleen informatie uit over vogels. Zo filosofeerde de bekende publicist Jan P. Strijbos met hem over het proces van ouder worden en meldde dat hij op zijn vijfenzestigste niet met pensioen zou gaan. Dat heeft Strijbos inderdaad waargemaakt; tot ver in de tachtig heeft hij artikelen geschreven. Cynisch merkte hij in een van zijn brieven op: “Oud worden vraagt een zekere bekwaamheid en talent in het oversteken van straten.”
Het was bijzonder dat een publicist van boeken over verre streken als IJsland of de Galapagos eilanden en die lange tijd ver van huis verbleef, in een brief zo dichtbij kon blijven.

Heimans- & Thijsse-prijs

Op 13 september 1969 werd Kortenoever onderscheiden met de Heimans- & Thijsse-prijs. De prijs werd uitgereikt door zijn oud NJN-vriend professor Victor Westhoff.

Het was dezelfde Westhoff waarmee hij in de jaren (negentien) dertig zijn eerste natuurhistorische tentoonstelling inrichtte. Westhoff benadrukte dat Kortenoever de prijs niet in de eerste plaats ontving om zijn grote deskundigheid op het gebied van natuurstudie. De prijs werd vooral aan hem toegekend op grond van een andere professionaliteit, namelijk de wijze waarop Kortenoever het publiek dat het Noord-Hollands duingebied bezoekt, voorlichtte over alles wat met natuur en natuurbehoud te maken heeft.

Prof. Westhoff: “ik kan daardoor uit eigen ervaring verklaren dat je niet alleen van jongs af aan met hart en ziel natuurliefhebber en in de eerste plaats vogelman bent geweest, maar dat je ook altijd de roeping hebt gevoeld en de bijzondere gave hebt gehad, je medemensen belangstelling en bewogenheid voor onze medeschepselen bij te brengen.”

Oud-Castricum

In 1967 heeft Derk van Deelen aan Kortenoever gevraagd of hij deel wilde uit maken van de op te richten werkgroep Oud-Castricum. Zijn belangstelling voor archeologie was al gebleken uit de plaats die hij in het duinmuseum had ingeruimd voor bodemvondsten. Ook bij archeologisch onderzoek in de duinen was Kortenoever steeds te vinden. Tot op hoge leeftijd nam hij deel aan de activiteiten van de werkgroep. Hij kon heel goed kalligraferen en bij de eerste door de werkgroep verzorgde tentoonstellingen werd daar dankbaar gebruik


Jaarboek 29, pagina 59

van gemaakt. Veel door hem verzamelde bodemvondsten en gereedschappen, onder andere van schelpenvissers en het boerenbedrijf, schonk hij aan de werkgroep.

Interieur van het Wegwijs museum.
Interieur van het Wegwijs museum.

Bezoekerscentrum

In 1967 werkte Kortenoever mee aan een 1 aprilgrap. In het Nieuwsblad voor Castricum werd aangekondigd dat er in het Wegwijsmuseum een belangrijke aanwinst te zien zou zijn. Het was een op het strand gevonden zeldzame Kurkkuifstrandloper. Dit bijzondere dier was werkelijk te bewonderen in het museum. De vogel maakte Kortenoever van materialen die van het strand afkomstig waren. Een kop was van een drijver van een visnet en ook het lichaam was van kurk. De kuif was gemaakt van een boender. Velen kwamen voor de bijzondere vogel naar het museum.

Kortenoever en Klaassen in gesprek over het natuurpad bij het inmiddels al in bezoekerscentrum De Hoep omgedoopte Wegwijs museum.
Kortenoever en Klaassen in gesprek over het natuurpad bij het inmiddels al in bezoekerscentrum De Hoep omgedoopte Wegwijs museum.

In 1973 begon de ontwikkeling van natuurhistorisch museum tot bezoekerscentrum. De verzamelingen in natura werden geleidelijk vervangen door foto’s. De heer Rein Westra, de tekenaar van de prachtige boeken over diverse landschappen, ontwierp een nieuwe vitrine met tal van foto’s. Het nieuwe jasje van het museum trok inderdaad meer bezoekers. In 1973 waren dat er 22.850.

De familie Westra bleef bevriend met Kortenoever. Voor het boek over de duinen heeft Kortenoever planten verzameld, die zoon Chiel Westra fotografeerde en waar Rein Westra prachtige aquarellen van maakte. De familie Westra woonde in ‘s-Graveland, de plaats waar het ouderlijk huis van Kortenoever stond. Misschien mede door de extra binding met het prachtige bosgebied, het Spanderswoud, waar zowel de familie Westra als de familie van Kortenoever woonden, groeide er tussen Eldert en de familie Westra een hechte vriendschap.

Met deskundig advies van de heer Kortenoever stelde de gemeenteraad in 1974 straatnamen in de wijk Noordend vast, die gebaseerd waren op de in polder- en duingebied voorkomende planten, bloemen en vogels.

In 1978 kwam koningin Juliana naar het PWN-duingebied. Het was de bedoeling dat Kortenoever, vanuit het Voerhuis, een prachtige boeket van allerlei bessen die in het duin groeiden, zou aanbieden. De kinderen Dirkjan en Hanneke kregen het verzoek hun ouders die dag niet te bezoeken. Uiteindelijk werd het boeket aangeboden tijdens het bezoek aan het pompstation ‘Wim Mensink’; de koningin reed slechts langs het Voerhuis.

In november 1978 nam Kortenoever afscheid van zijn werkzaamheden wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Uit handen van de commissaris van de Koningin De Wit ontving hij de bronzen penning van de provincie voor het jarenlang uitdragen van de natuurbeschermingsgedachte. Bijzonder was dat de commissaris Kortenoever nog kende uit de NJN-tijd in Hilversum, de tijd waarin zij zich beiden inzetten voor de natuur.

Na zijn pensionering kon Kortenoever blijven wonen in het Voerhuis in zijn geliefde duingebied. Hierdoor kon hij zijn hobby, het ringen van vogels, voortzetten. Rond het huis plaatste hij diverse mistnetten, waarin kleine zangvogels gevangen werden. Ook het verzorgen van vogels die gewond waren geraakt, bleef doorgaan. In plaats van naar het museum brachten de mensen de vogels nu naar de Kruisberg. Als de vogels te groot waren voor de kleine kooien en de volière bij het Voerhuis, bracht hij de vogels naar het Vogelopvangcentrum in Bergen.

Door middel van de grote tuin bij het Voerhuis bleef Kortenoever contact houden met bezoekers van het duingebied. Wandelaars kregen tijdens hun tocht zomaar nestkasten met jonge vogels te zien. Als het ‘klikte’, nam hij de wandelaars mee naar een zanderig stuk land. In dit land zaten vaak wentels (red: holen) met jonge konijnen. Zo bleef Kortenoever nog lang zijn oude werkzaamheden beoefenen.

Kortenoever, begeleid door PWN-medewerker Posthuma, bij de opening van het nieuwe bezoekerscentrum in 1994.
Kortenoever, begeleid door PWN-medewerker Posthuma, bij de opening van het nieuwe bezoekerscentrum in 1994.

In 1994 werd het grote nieuwe bezoekerscentrum ‘De Hoep’ geopend. Het is een opvallend gebouw. Het dak is bedekt met mossen en planten. Kortenoever werd uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de opening van deze nieuwe expositieruimte. Om in het gebouw te


Jaarboek 29, pagina 60

komen, wandelde je door grote buizen van de vroegere WRK-leiding (red: Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland). Kortenoever herkende de buizen, maar in de expositieruimte zag hij weinig bekende dingen meer. Toch was hij blij dat hij de opening had meegemaakt.

Eldert op zijn geliefde plekje bij het zijraam van het Voerhuis met zijn echtgenote Betty.
Eldert op zijn geliefde plekje bij het zijraam van het Voerhuis met zijn echtgenote Betty.

Zijn leven werd door toenemende lichamelijke gebreken steeds moeilijker. Uiteindelijk was het voor hem niet langer mogelijk om op de Kruisberg te blijven wonen. Kortenoever ging naar het verpleeghuis in het Heemskerk. Zelfs daar was het mogelijk iets van de natuureducatie door te geven. Zoon Dirkjan plaatste bij het huis een vogelvoederplank. Vanafzijn stoel kon Kortenoever naar de vogels blijven kijken. Er kwamen staartmezen, groenlingen, vinken, diverse mezensoorten en wat extra leuk was, een winterkoninkje.

Het winterkoninkje was en is het logo van de vogelwerkgroep Castricum, een vogel met een bijzondere betekenis. Kortenoever droeg dit teken als dasspeld. De winterkoning was uitgezaagd uit een Engelse munt, de farthing (1/4 penny). Tot aan zijn dood heeft Kortenoever de bewoners van het verpleeghuis uitleg gegeven over de vogels die rond het huis waren te horen of op de voederplank waren te zien.

Op 12 juni 1996 overleed Eldert Kortenoever op 82-jarige leeftijd. Zijn laatste levensdag werd opnieuw een dag waarin de winterkoning een bijzondere rol kreeg. Op de dag dat hij per ambulance naar het Rode Kruis ziekenhuis gebracht werd, was het daar erg druk. Er was geen plaats en Kortenoever werd gedwongen te wachten in de kelder van het ziekenhuis. Dochter Hanneke was bij hem. Ineens hoorde ze de schelle klanken van de zang van een winterkoning. Via een klein raampje kon je een met klimop begroeide wand zien. In de klimop zat het nest van een winterkoning. Het lange wachten werd een beetje minder erg doordat Kortenoever het in- en uitvliegen kon volgen vanaf zijn brancard. Een laatste groet van de vogel die voor Kortenoever vanaf zijn vroegste jeugd zoveel betekenis had.

De tekening van de winterkoning die gebruikt is voor het bronzen beeldje op het graf van Eldert Kortenoever op de begraafplaats Onderlangs.
De tekening van de winterkoning die gebruikt is voor het bronzen beeldje op het graf van Eldert Kortenoever op de begraafplaats Onderlangs.

Kortenoever werd volgens zijn eigen wens begraven op Onderlangs, de begraafplaats in Castricum aan de voet van de duinen, dichtbij het gebied dat in zijn leven zo’n grote plaats had ingenomen. Op het graf bloeien typische duinplanten als slangekruid en teunisbloem. Vlinders bezoeken de bloemen. Dochter Hanneke vroeg een kunstenaar uit Rotterdam een winterkoning in brons te maken om op de steen te plaatsen. De winterkoning, gemaakt naar een tekening van een vriend uit zijn NJN-tijd, staat in een vechthouding. Het is goed gelukt, want regelmatig komen levende exemplaren in gevecht met hun bronzen broeder.

Het graf van de Eldert Kortenoever op Onderlangs in Castricum.
Het graf van de Eldert Kortenoever op Onderlangs in Castricum.

In 2001 werd een vogelhut geopend bij het voormalig pompstation Castricum niet ver van het nieuwe bezoekerscentrum. De hut is gebouwd ter nagedachtenis aan Eldert Kortenoever. De naam van de hut: ‘De Winterkoning.’

Hanneke Kortenoever

Met dank aan: Dirkjan Kortenoever, Pieter Groot, Peter de Heer, Cor Mooij, Jan Zonneveld, Klaas Zwart en Niek Kaan.

22 december 2021

Het Watervlak

Door: Eric Bor

Afb. 1. Kaart van Johannes Dou uit 1680 met de namen Waterstal en Marelveld (Westfries Archief)

Het Watervlak is een opvallend laag en vlak deel van het Noord-Hollands  duingebied nabij Castricum. Het is een 7 kilometer lange valleienboog die loopt van De Vlotter (bij Noorddorp ten zuiden van Camping Castricum) via het infiltratiegebied tot aan het Vogelwater bij de grens van Bakkum en Egmond. De ligging van het Watervlak komt overeen met een loop van het Oer-IJ, dat hier tot kort na het begin van onze jaartelling haar brede monding had. Tot in de oorlog werden grote delen van deze vlakte voor landbouw gebruikt.

27 oktober 2021

Fazanten in het duingebied

Door: Eric Bor

Afb. 1. Fazant in het duin

Vroeger zag je dikwijls fazanten in het duin. Tegenwoordig vind je ze nauwelijks meer. De fazant is geen inheemse vogel, maar leefde oorspronkelijk in Oost-Europa en Azië. De Romeinen hielden van het vlees van de fazant en zorgden ervoor dat de soort zich over grote delen van Europa verspreidde. Vanaf de achttiende eeuw groeide het aantal fazanten in West-Europa door de plezierjacht. De fazanten werden speciaal voor de jacht gefokt.

12 oktober 2021

Gevers, Jonkheer Frits (Jaarboek 26 2003 pg 53-63)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 26, pagina 53

Wie was … jonkheer Frits Gevers

Jonkheer
Frederik Albert Govert (Frits) Gevers.
Jonkheer Frederik Albert Govert (Frits) Gevers in 1970. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De jongens van Boreel hingen aan zijn lippen als oom Frits weer eens een spannend verhaal vertelde over zijn avonturen in Indië. Het waren heel genoeglijke zondagmiddagen daar op de buitenplaats Westerhout in Beverwijk. Emmy Boreel-van Tuyll van Serooskerken, oom Frits, Jan en Lucas speelden graag een partijtje bridge. Er werd een kopje thee gedronken en voor jonker Frits was er een glaasje ‘rood’. Maar even plotseling als hij was gekomen vertrok hij weer, meestal zonder afscheid te nemen.

Jonkheer Gevers stond bekend als een wat zonderlinge, eenzame man, die van 1928 tot zijn dood in het voormalig jachthuis van zijn familie nabij de jachtopzienerswoning Kijk Uit in Castricum woonde. Jagen was zijn grote passie, daarna kwam zijn liefde voor auto’s. Uiteindelijk keek hij met weinig vreugde terug op zijn leven. Als de mooiste tijd zag hij achteraf de korte periode waarin hij op een plantage op Java werkte.

Naar mate hij ouder werd, had hij met steeds minder mensen contact. Degenen die hem gekend hebben, herinneren zich jonkheer Gevers nog heel goed. Hij is een van onze legendarische plaatsgenoten die niet snel vergeten zal worden.

Jonker Frits in 1892.
Jonker Frits in 1892.

Het gezin Gevers

Jonkheer Frederik Albert Govert (Frits) Gevers is geboren op 2 september 1890 op het kasteel Marquette in Heemskerk en is de eerste nakomeling van jonkheer mr. Hugo Gevers, burgemeester van Heemskerk, en jonkvrouw Paulina Adriana van Lennep. Frits krijgt de namen van een oom, graaf van Limburg Stirum, onder andere heer van Noordwijk, die getrouwd is met een zuster van zijn grootvader. Na hem komen er nog twee jongens en een meisje. Hendrik Jan (Henri) wordt in 1892 geboren, Cornelia Gualtheria (Corrie) in 1897 en tenslotte Abraham Daniël Theodoor (Daan) in 1901.

Hugo Gevers met links Frits en rechts Hendrik Jan (Henri).
Hugo Gevers met links Frits en rechts Hendrik Jan (Henri).

Vader Hugo Gevers is burgemeester en ook secretaris van de gemeente Heemskerk vanaf 1888. Verder is hij president-kerkvoogd van de hervormde kerk en tot zijn dood zou hij voorzitter zijn van het burgerlijk armenbestuur. De tekorten op de jaarrekeningen van de kerk vult hij uit eigen zak aan en schoolreisjes van de kinderen van de openbare school wil hij ook wel bekostigen. Hij is een edelman in de beste betekenis van het woord, die zich van harte inzet voor de plaatselijke gemeenschap.

Jonkvrouw Paulina Gevers - van Lennep.
Jonkvrouw Paulina Gevers-van Lennep.

Jaarboek 26, pagina 54

Wegens problemen met zijn gezondheid neemt hij in 1907 op 49-jarige leeftijd ontslag als burgemeester/secretaris. Hij blijft wel lid van Provinciale Staten van Noord-Holland van 1896-1919 en in 1915 wordt hij voorzitter van de commissie van advies voor de exploitatie en de ontginning van het landgoed Bakkum. Verder is hij jagermeester in buitengewone dienst van Koningin Wilhelmina. In 1911 gaan de vele bezittingen van zijn ouders, waaronder het Castricumse duingebied op hem over.

Plotseling, op 21 maart 1921, tijdens een buitenlandse reis overlijdt hij in Cannes. Er wordt gefluisterd dat de jonkheer zelfmoord pleegde omdat hij bankroet was. Hij had zijn vermogen onder andere belegd in aandelen van de Russische spoorwegen, die na de revolutie van 1917 niets meer waard waren. Ook Frits heeft zijn twijfels over de dood van zijn vader, waarbij hij zelfs moord niet helemaal uitsluit. Het zo onverwachte overlijden is moeilijk te aanvaarden.

Jonkheer Hugo Gevers en jonkvrouw Paulina van Lennep zijn direct na hun huwelijk in 1889 op het kasteel Marquette komen wonen. Marquette was door overerving eigendom van Hugo’s vader. Jan Hugo (1829-1891) geworden. Deze Jan Hugo was getrouwd met Paulina Johanna Rendorp van Marquette. Sinds de achttiende eeuw was Marquette al bezit van de familie Rendorp. Door dit huwelijk kwam het kasteel in handen van de familie Gevers. Omdat de familie Gevers ook banden had met de familie Deutz van Assendelft, eigenaren van kasteel Assumburg, werd ook dat kasteel hun eigendom. Twee kastelen was wat teveel van het goede, vanwege de hoge onderhoudskosten. Daarom werd Assumburg in 1911 aan het Rijk verkocht voor het symbolische bedrag van 1 gulden.

De vier (heems)kinderen

Frits leert heel goed pianospelen. Hij is daar later mee gestopt toen hij een koetsiershand kreeg; een vergroeiing waaraan hij wel geopereerd is, maar die nooit helemaal verholpen is. Hij is bepaald geen lieverdje en hij is zelfs een plaag voor de inwonende gouvernantes: strooit knikkers op de trap of haalt kikkers uit de slotgracht om die in hun bed te verstoppen.

De vier kinderen van jonkheer Hugo Gevers en jonkvrouw Paulina van Lennep zijn afgezonderd van de rest van de Heemskerkse gemeenschap opgegroeid. Zij krijgen privé-onderwijs op het kasteel tot hun tiende jaar. Het spreken van de Franse taal is in adellijke kringen de gewoonte en daar wordt dus veel aandacht aan besteed. Correspondentie met familieleden gaat meestal in het Frans en ook voor bijvoorbeeld menukaarten wordt de Franse taal gebruikt. Logisch dat Hendrik Jan door de familie Henri wordt genoemd, wat overigens door de buitenwacht wordt vertaald in Harry.

Het gezin Gevers is geen warm en harmonieus gezin, maar veel spanningen blijven achter de dikke muren van kasteel Marquette verborgen. De Heemskerkse meisjes die als dienstboden op het kasteel werken, laten natuurlijk wel eens wat los. De relatie van vader en moeder Gevers is nogal vrijblijvend. Zo eten ze ieder in hun eigen kamer. In hoeverre er hier sprake van is geweest, is uiteraard niet bekend, maar in adellijke kringen werden huwelijken nog wel eens gearrangeerd ter wille van materiële belangen. De wat meer afstandelijke mevrouw Gevers is op zijn zachtst gezegd niet geliefd bij het personeel, terwijl haar man op handen wordt gedragen.

Het wapen van de familie Gevers sinds 1842 toen Abraham Gevers in de adelstand werd verheven. Vertaling van de wapenspreuk: 'de tijd gaat snel'.
Het wapen van de familie Gevers sinds 1842 toen Abraham Gevers in de adelstand werd verheven. Vertaling van de wapenspreuk: ‘de tijd gaat snel’.

Familie Gevers

De stamboom van de familie Gevers gaat terug tot 1563, het jaar waarin de stamvader Henrick Gevers, schout van Grevenbroich en daarna van Wachtendonk, werd geboren. Zijn zoon en kleinzoon waren kaarsenmakers in Rotterdam. Abraham Gevers uit de 6e generatie (1712-1780) bekleedde een groot aantal functies, waaronder burgemeester en bewindhebber van de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie). De oudste zoon uit zijn huwelijk met Keno Deynoot was mr. Paulus Gevers (1741-1797) die ook in Rotterdam schepen was en lid van de vroedschap, directeur van een verzekeringsmaatschappij enzovoorts. Zijn zoon mr. Hugo Gevers was burgemeester van Dordrecht, vice-president van de nationale conventie van 1796-1798 en raadsheer van het Hooggerechtshof en van de Hoge Raad.

Hugo’s zoon Abraham geboren in 1795 wordt koopman en landeigenaar in Batavia. Koning Willem II verheft hem en zijn nakomelingen op 27 oktober 1842 in de adelstand. Op de terugreis uit Nederlands-Indië, aan boord van het fregatschip de Anna en Elize, overlijdt hij op 30 juni 1844. Uit zijn huwelijk met Suzanna Cornelia Tiedeman wordt dochter Suzanna geboren die met Frederik Albert Govert graaf van Limburg Stirum trouwt.

Haar broer jhr. Jan Hugo Gevers (1829-1891) trouwt op 7 juni 1855 op kasteel Marquette met Paulina Johanna Rendorp, vrouwe van Heemskerk en Marquette (1829-1909). Joachim Rendorp, een van haar voorvaderen, heeft het kasteel in 1717 gekocht. Zij erft in 1896 ook het duingebied in Castricum. Het echtpaar Gevers-Rendorp woont vele jaren op het kasteel en ook op huize Leeuwenhorst te Noordwijk.

De vele bezittingen gaan over op een van hun zoons jhr. mr. Hugo Gevers (1858-1921), die trouwt met jkvr. Paulina Adriana van Lennep (1869-1947). Zij krijgen vier kinderen: Frits, Henri, Daan en Corry, waarvan jonker Frits (1890-1984) de oudste is. Zij zijn allen overleden. Er is nog wel een dochter van Henri in leven: jvr. Paulina Agnes Gevers geboren in Soerabaja op 22 april 1936. Zij is het enige kind van Henri uit zijn tweede huwelijk met Antoinette Charlotte Jacobs en de laatste adellijke nazaat van deze tak van de familie Gevers.

Al was de familie Gevers dan niet van oude adel, aan de titels werd veel waarde gehecht. Vader Hugo heeft altijd zorgvuldig twee geschriften bewaard, waarin de genealoog J. Bicker Caarten het bewijs leverde dat via vrouwelijke en mannelijke lijnen de Geversen afstamden van grote figuren uit de vaderlandse geschiedenis. Met de rechtsgeleerde en staatsman Hugo de Groot (1583-1645) en Kenau Simons Hasselaer (1526- 1589), beroemd wegens haar optreden bij het beleg van Haarlem door de Spanjaarden, zouden er aantoonbare familiebanden bestaan. Van beide personen hebben er geschilderde portretten in kasteel Marquette gehangen.


Jaarboek 26, pagina 55

Frits Gevers toen hij nog op de kostschool in Utrecht verbleef (foto Iconografisch Bureau).
Frits Gevers toen hij nog op de kostschool in Utrecht verbleef. Foto iconografisch bureau.

In het jaar 1900 wordt Frits op een kostschool aan de Kromme Nieuwe Gracht 19 in Utrecht geplaatst. Het instituut is wel gekenschetst als een instituut voor moeilijke jongens van nette komaf. Ook zijn neef Jan Hugo Gevers uit Noordwijkerhout heeft daar in 1901 onderdak gevonden. Henri wordt er in 1903 ingeschreven en in 1914 is Daan aan de beurt. Frits verblijft in aansluiting op het Utrechtse pensionaat, van december 1907 tot december 1909 in Arnhem. Vermoedelijk heeft hij daar iets in de richting van bosbouw gestudeerd. Betwijfeld wordt of de opleidingen ooit met succes zijn afgerond.

In ieder geval heeft het wat Frits betreft niet tot een beroep of betaald werk geleid, met uitzondering van enkele jaren in Indië. Eind 1909 is hij weer terug op Marquette. Ook zijn broer Henri is in 1909 vanuit Utrecht weer in Heemskerk neergestreken. In aanwezigheid van zijn ouders, broers en zuster, legt hij in 1911 de eerste steen van het oude raadhuis van Heemskerk. De broertjes vermaken zich in hun jonge jaren vooral met jagen, motor- en autorijden. Hun belangstelling voor het vrouwelijk geslacht is ook boven iedere twijfel verheven.

De eerste-steenlegging van het raadhuis in Heemskerk op 2 september 1911. V.l.n.r.: Frits, Henri, aannemer Jan Henneman, oud-burgemeester Hugo Gevers (met strohoed) en op de achtergrond: Daan in matrozenpakje, Corry en mevr. Gevers - van Lennep (foto gemeentearchief Heemskerk).
De eerste-steenlegging van het raadhuis in Heemskerk op 2 september 1911. Van links naar rechts Frits, Henri, aannemer Jan Henneman, oud-burgemeester Hugo Gevers (met strohoed) en op de achtergrond: Daan in matrozenpakje, Corry en mevrouw Gevers-van Lennep (foto gemeentearchief Heemskerk).

Frits Gevers: de jager

De duinen onder Castricum zijn sinds 1896 in handen van de familie Gevers. Het Heemskerkerduin is in dezelfde tijd eigendom van de familie Van Tuyll van Serooskerken en een stuk duingebied bij Wijk aan Zee van de familie Boreel. Frits, zijn broer Daan en de zoon van baron Van Tuyll, Freddy, hebben zich daar in hun jeugd kunnen uitleven. Daan en Frits racen op hun Harley Davidsons dwars door de duinen naar Wijk aan Zee en weer terug. Het is ‘hun’ terrein, dus niemand die er wat van zegt.

Voor de eigenaren van het duingebied zijn de verpachting van landbouwgrond, de houtproductie en de jacht de belangrijkste bronnen van inkomsten. De bestrijding van de konijnen en ander schadelijk wild, zoals vossen, bunzings en wezels, heeft in het belang van de exploitatie van het cultuurland en de bescherming van het houtgewas altijd een hoge prioriteit gehad. De wettelijke regels stonden tot 1923 nog in het teken van een regeling van de jacht als een vorm van sport. De manier waarop ermee werd omgegaan sloot daar helemaal bij aan.
Onder andere fazanten worden speciaal voor de jacht gefokt. Bij de jachtopzienerswoning Kijk Uit bestond rond 1900 een eenvoudige fazanterie, van waaruit jonge fazanten in de duinen werden uitgezet.

Dat Frits en zijn vriend Freddy van Tuyll de jacht als een sport zien is overduidelijk. Ze willen erin uitblinken en daarom oefenen ze zoveel mogelijk. Het liefst jagen ze met z’n tweeën. Fazanten moeten door de jachtopziener hoog over de duinen worden gejaagd en als ze torenhoog overvliegen, dan moet het met één schot gedaan zijn. Ze willen niet voor elkaar onderdoen en dagen elkaar voortdurend uit.

Jonker Frits bij de Schaapherderswoning met jachtopziener Pieter Schellevis en zijn gezin.
Jonker Frits bij de Schaapherderswoning met jachtopziener Pieter Schellevis en zijn gezin.

Beide families hebben jachtopzieners in dienst voor het onderhoud van de duinen en het weren van stropers. Verder moeten ze uiteraard de heren bij de jacht bijstaan. Drie jachtopzieners die vele jaren voor de familie Gevers hebben gewerkt zijn, Hein Zoontjes, woonachtig in de jachtopzienerswoning aan de Beverwijkerstraatweg, Peter Weenk die in Kijk Uit woont en Pieter Schellevis. Schellevis woont met zijn gezin in de Schaapherderswoning, die in de buurt van de boerderij de Brabantse Landbouw stond. Bij de woning die in de jaren (negentien) zestig is gesloopt, stond in vroeger tijd een rond 1852 gebouwde grote schaapskooi. De jongste zoon van Pieter Schellevis, Adriaan, is in 1919 in de Schaapherderwoning geboren en hij heeft zijn hele jeugd in het duin doorgebracht. Hij herinnert zich de vele jachtpartijen en jonker Frits en baron Freddy nog goed.

“De adel nodigde elkaar vaak uit voor de jacht. Mijn vader heeft nog eens meegemaakt dat Prins Hendrik in de duinen van Gevers kwam


Jaarboek 26, pagina 56

jagen. De genodigden kregen de beste plaatsen, waar het meeste wild langs zou komen. De belangrijke jachtheren hadden altijd twee dubbelloops geweren. Die hoorden bij elkaar. Ze hadden iemand naast zich die hun geweren steeds opnieuw laadde; dat deden ze niet zelf. Nadat ze twee schoten hadden afgevuurd gaven ze hun geweer af en kregen dan direct het andere inmiddels geladen geweer weer in handen. De jachttijd begon omstreeks oktober en ging dan de hele winter door. Er werden wel eens 1.000 stuks wild geschoten op één dag.

Freddy van Tuyll en Frits Gevers organiseerden voor zichzelf ook korte jachtpartijen en hielden dan een wedstrijd wie het meeste schoot. Ze wilden geen dier schieten dat geen kans had. Een fazant die zowat in je loop zit, daar is geen kunst aan vonden ze. Ze schoten soms zoveel dat hun geweer gloeiend heet was en ze het niet meer vast konden houden. Een keer heb ik meegemaakt dat Frits zijn geweer tegen een auto had aangezet en dat er iemand tegenaan liep, waardoor het in het zand viel. Ik heb nog nooit iemand zo horen vloeken. Baron van Tuyll probeerde hem te kalmeren: “Frits … Frits beheers je toch !” Dat geweer was alles voor hem, het was een verlengstuk van hemzelf.

Als jonker Frits bij ons thuis kwam dan vroeg hij aan mijn moeder om een sneetje zelf gebakken brood waar niets op hoefde. Wij kregen dan het dik belegde Casinobrood dat hij bij zich had; dat was voor ons net gebak.

Jonker Frits heeft jachtopziener Schellevis behangen met de meeuwen die hij heeft geschoten.
Jonker Frits heeft jachtopziener Schellevis behangen met de meeuwen die hij heeft geschoten.

Om vroeger het voorjaar in het duingebied mee te maken was een geweldige ervaring. Je hoorde de grutto’s, kievieten, wulpen, alles leefde. Nu is het duin bijna dood. De vossen lopen bijna door de straat. De grauwe lijster die haast nog mooier zingt dan de nachtegaal, is zo goed als verdwenen. De meeuwenkolonies broeden op het dak van de Hoogovens, omdat ze hun nesten niet meer op de grond durven te maken. Het verbieden van de jacht heeft grote gevolgen gehad. Dat kan iedereen wel zien.”

Behalve jachtpartijen in het duingebied wordt ook tweemaal per jaar een jachtpartij op de landerijen rond Marquette georganiseerd, waarvoor dan belangrijke relaties worden uitgenodigd. Vooral Frits Gevers gaat omgekeerd regelmatig in op uitnodigingen voor jachtpartijen in alle uithoeken van het land. Het toeval wil dat de man die van 1957 tot 1963 bedrijfsleider was op de boerderij van kasteel Marquette, Klaas Maassen, zich jonker Frits vooral herinnert van de jachtpartijen in de jaren (negentien) veertig in Friesland in de omgeving van Veenklooster. Maassen werkte daar toen als knechtje van een herenboer. De eigenaren van een groot gebied met aaneengesloten landerijen, waaronder de familie Harinxma toe Slooten, waar Frits Gevers banden mee had, organiseerden gezamenlijk de jacht.

Klaas Maassen: “Jonker Frits was een bijzonder goede schutter. Jagers lopen meestal met een gebroken geweer; de loop is dan ontgrendeld en wijst naar de grond. Frits liep altijd met het geladen geweer op zijn schouder. Moest er geschoten worden dan klapte hij het geweer op zijn hand en daar lagen ze. Eén keer heb ik hem kwaad gezien. Toen knalde hij twee fazanten uit de lucht en vervolgens kwamen er twee hazen in zijn schootsveld. Zonder dat hij er erg in had schoot hij weer zonder dat hij geladen had. Ik zal maar niet vertellen wat voor woorden er toen vielen. Dat heeft hij zich nooit meer vergeven geloof ik.”

Frits en jachtopziener Gijs met een geschoten hert in Schotland.
Frits en jachtopziener Gijs met een geschoten hert in Schotland.

Jonker Frits is ook af en toe in Schotland, waar hij logeert in het huis Rossdhu tegenover het Loch Lomond. De eigenaar Sir Iain Colquhoun was een bijzonder mens. Hij had een hoge functie als vertegenwoordiger van de Kroon bij de Raad van kerken in Schotland, was lichtgewicht bokskampioen van het Britse leger geweest en zijn daden in de eerste wereldoorlog waren legendarisch. In de voorste loopgraven had hij een tamme leeuw bij zich. In het niemandsland tussen de linies vierde hij kerstmis met de Duitsers, waarvoor hij door de Krijgsraad ter dood werd veroordeeld, waarop hem door de Koning weer gratie was verleend.

Kaart van Gijs uit Schotland.
Kaart van Gijs uit Schotland.

In de nalatenschap van Gevers werden verschillende foto’s uit Schotland gevonden. Ook was er een briefje en een briefkaart uit


Jaarboek 26, pagina 57

Schotland, ondertekend door jachtopziener Gijs, die verslag doet van een geslaagde jachtpartij.

Frits Gevers wordt in 1946 lid van het jachtgezelschap ‘Het Loffelijke Gilde van Sint Hubert’ te Haarlem. Het is een soort sociëteit, die al een paar honderd jaar bestaat. Van dat selecte gezelschap kon men alleen op uitnodiging lid worden.

Jonkheer Frits Gevers, tweede van links, op een schip van de Rotterdamse Lloyd op weg naar Indië.
Jonkheer Frits Gevers, tweede van links, op een schip van de Rotterdamse Lloyd op weg naar Indië.

Nederlands-Indië

Frits en Henri zijn al in 1915 samen naar Indië gereisd. Veel jonkheren en baronnen trekken in die tijd naar plantages op Java en Sumatra en bovendien heeft de familie wel iets met dat land. Hun overgrootvader Abraham Gevers is immers koopman en landeigenaar in Batavia geweest en aldaar in 1842 in de adelstand verheven en hun grootvader is daar geboren. Toch zal het avontuur in het verre vreemde land wel het meest hebben getrokken. De broers trekken in Indië veel met elkaar op en gaan ook samen op jacht. Toch zouden hun wegen zich scheiden.

Henri vestigt zich definitief in het Rijk van Insulinde. Hij klimt op tot afdelingschef bij Nederlands-Indische Steenkolen Handels Maatschappij en wordt in 1925 procureur van een Frans-Hollandse importmaatschappij. Hij trouwt in 1918 met Adeline (Lies) Scheffer. Het is een meisje van Indische afkomst en in de familie levert dat wel wat commotie op. Het echtpaar krijgt geen kinderen. Na een scheiding in 1926 trouwt Henri in 1935 in Soerabaja met Antoinette Charlotte Jacobs. Zijn moeder en zuster Corrie hebben het paar nog opgezocht en hebben bij ze gelogeerd in Talang Mangoe, een plaatsje in de bergen van Java. Tot verdriet van de familie is Henri ook van Antoinette gescheiden. Antoinette kon heel goed met haar schoonmoeder opschieten. Ze bleven ook na de scheiding met elkaar corresponderen en zelfs in het testament van mevrouw Gevers was aan haar gedacht.

Uit het korte tweede huwelijk is in 1936 jonkvrouwe Paulina (Paula) Agnes Gevers geboren. Haar vader overlijdt in 1941 in Soerabaja. Paula wordt door haar moeder opgevoed en bezoekt de Middelbare Meisjes School (MMS). In 1953 overlijdt moeder Antoinette en Paula gaat dan terug naar Nederland. Daan wordt tot haar voogd benoemd. Ze wordt gedeeltelijk opgevangen op Marquette en bij een tante in Den Haag. Paula bewaart mooie herinneringen aan het verblijf op het kasteel. Freule Christine was nogal uithuizig en met haar oom Daan ging ze dan heerlijk kokkerellen. Oom Frits haalt haar wel op om te gaan eten bij het Kopje van Bloemendaal en ze mag hem ook van advies dienen als er gewinkeld wordt.
Paula trouwt in 1960 in Oosterhout met Johannes Stephanus Wiendels en zij krijgen drie kinderen, waarvan de oudste, Karin ‘de wereld is klein’ met een Bakkummer trouwt.

Frits treedt in 1915 in dienst als employé bij de onderneming Gogoniti in Wlingi. In tegenstelling tot zijn broer Henri, die in Indië een carrière opbouwt, is Frits al weer snel in Heemskerk teruggekeerd om zijn oude leventje op te pakken, dat voornamelijk uit jagen bestaat. Indië blijft hem kennelijk toch trekken en een paar jaar later, in mei 1919, scheept hij zich opnieuw in. Hij is dan assistent op een rubberplantage Djasinga, ten oosten van het toenmalige Batavia. De plantage was eigendom van een cultuurmaatschappij, waarin de families Van Riemsdijk en Van Motman grote belangen hadden. Het winnen van het melksap van de inheemse rubberbomen, is een erg arbeidsintensief karwei. Onder streng toezicht van de kolonisten worden veel inlanders ingezet. Op de periode waarin hij betaald werk deed, keek hij later met genoegen terug. Meermalen heeft hij verteld dat hij in Nederlands-Indië een tijger als huisdier had. Het beest had hij als welpje gekregen en opgevoed. Hij bewaarde een tand van die tijger als een relikwie in een lucifersdoosje.

Waarschijnlijk naar aanleiding van het overlijden van zijn vader keert hij in 1921 alweer terug naar Holland en gaat opnieuw op Marquette wonen met zijn moeder, zuster Corrie en jongste broer Daan. Daan vertrekt in 1923 uit Heemskerk om in Engeland te gaan werken. Later woont hij in Den Haag en werkt hij bij een bank in Amsterdam. Mevrouw Gevers besluit in 1925 samen met haar dochter naar Zwitserland te vertrekken. Later zouden ze samen naar Brussel gaan. Corrie trouwt in Brussel op 31 jarige leeftijd met Jean Maria René Edmond Ghislain le Brun, eigenaar van een plantage in Belgisch Kongo. Het echtpaar heeft geen kinderen gekregen. Zij zijn goed bevriend met Koning Leopold en Koningin Astrid en gaan ook samen met het Belgische koningspaar op vakantie. Zij zijn getuige van het auto-ongeluk in 1935 in Zwitserland, waarbij de zeer geliefde vorstin om het leven komt.


Jaarboek 26, pagina 58

Frits zal zich wel verlaten hebben gevoeld bij het vertrek van zijn moeder en zuster. Hij wil niet alleen op het kasteel achterblijven en besluit dan voor de derde keer naar Nederlands-Indië af te reizen. In afwachting van zijn vertrek verblijft hij eerst een paar maanden in het luxe Hotel Duin en Daal in Bloemendaal. In februari 1926 scheept hij zich opnieuw in voor de reis naar Soerabaja.

Voor zover bekend heeft hij daar toen alleen maar gejaagd. Voor jonker Frits is het land met zijn indrukwekkende natuur, de hemel op aarde. De jacht is onverbrekelijk verbonden met de Indische cultuur en het Indische leven. Hij heeft daar menige spannende jachtpartij meegemaakt, op alle soorten groot wild, zoals tijgers, luipaarden en krokodillen.

Meerdere keren wordt hij gevraagd om een banteng te schieten. De banteng is een wilde buffel, die niet agressief is, maar wel levensgevaarlijk wordt als hij eenmaal een mens heeft aangevallen. Dan moest zo’n beest afgeschoten worden en dat is een risicovolle onderneming. De inlanders die moeten drijven, willen daarom alleen met een ervaren jager op pad gaan. Het is jonker Frits die het volledige vertrouwen krijgt, omdat zijn kwaliteiten als jager boven iedere twijfel verheven zijn. Dat bewijst hij keer op keer.

Tijdens zijn verblijf in Indië wordt hij getroffen door een hevige aanval van malaria, die gepaard gaat met hoge koorts. Zoals hij later aan zijn kapper Anton Bleijendaal in Heemskerk zou vertellen, veranderde van de ene op de andere dag de kleur van zijn haar. Had hij eerst donker haar, voortaan ging hij met een witte haardos door het leven.

Hij kon het goed vinden met Bleijendaal. Toen die in de oorlogsjaren behoefte had aan kleding, nodigde de jonker hem uit mee te gaan naar Marquette om wat uit te zoeken. Aangekomen op de bovenverdieping van het kasteel, opende de jonker een kast die vol hing met manchesterpakken voor de jacht. Hij pakte er een uit, maar dat viel vervolgens totaal uit elkaar, vergaan door vocht. Zodoende had Bleijendaal nog geen pak, maar wel een mooi verhaal.
(red: tekst vervolgt – na het tussenartikel hieronder over Geversduin – onder kopje ‘Jachthuis’)

Geversduin

Het duinbezit in Castricum en Heemskerk groot 1484.13.10 hectare wordt in 1834 nagelaten door jhr. mr. Andries Adolph Deutz van Assendelft (1764-1833), burgemeester van Amsterdam, heer van Assendelft, Assumburg en Heemskerk, onder andere lid van de Eerste Kamer.

Een zoon en dochter ontvangen ieder de helft. De dochter, Vrouwe Margaretha Johanna Deutz van Assendelft, krijgt na een herverdeling in 1846 het duingebied in Castricum. Zij was in 1828 gehuwd met Daniel Theodoor Gevers van Endegeest, referendaris bij de Raad van State, voorzitter van de Tweede Kamer, minister van Buitenlandse Zaken enzovoorts. Het echtpaar woonde in huize Endegeest in Oestgeest.

Gevers van Endegeest had naar aanleiding van een prijsvraag een plan opgesteld om voor landbouw geschikte duinvalleien te ontsluiten door deze te voorzien van een goede afwatering en toegangswegen. Zijn verhandeling werd in 1824 met goud bekroond. Voor het hele duingebied tussen Scheveningen en Bergen heeft hij afwateringsprojecten onder de loep genomen. Daarvan zijn er twee uitgevoerd, waaronder de ‘Hoepbeekse afwatering’ in de duinen onder Castricum. Zijn belangrijkste voorstel was, een afwatering op de Limmerpolder te maken door een aansluiting bij Bakkum op de Schulpvaart, middels een vaart langs de tegenwoordige Zeeweg (Koningskanaal). De prijsvraagwinnaar heeft actief aan de uitvoering mogen deelnemen als lid van een in 1829 door de Koning benoemde beheerscommissie.
Middels de erfenis van zijn vrouw wordt hij dus later zelf eigenaar van het duinterrein.

Het duingebied wordt in 1896 nagelaten aan een nicht van Vrouwe Margaretha Johanna Deutz van Assendelft, douairière van jhr. Daniel Gevers van Endegeest. Deze nicht is Paulina Johanna Rendorp van Marquette. Zij was op 7 juni 1855 getrouwd met jhr. Jan Hugo Gevers, geboren in Batavia op 20 juni 1829 en zoon van jhr. Abraham Gevers en Suzanna Cornelia Tiedeman.

Op 10 juni 1911 gaan de bezittingen over op hun zoon jhr. mr. Hugo Gevers en Pauline Adrienne van Lennep. Jhr. Hugo Gevers is burgemeester van Heemskerk (1888-1907). In 1921 overlijdt hij in Cannes. In 1923 richten zijn weduwe en haar vier kinderen de N.V. Gevers Duin op, waarin ruim 721 ha duingebied in Castricum en 8 hectare in Heemskerk, alsmede onder andere de bouwhoeve ‘De Brabantse Landbouw’ wordt ingebracht. Het gebied wordt begrensd ten westen door de Noordzee, ten zuiden ongeveer door de grens met de gemeente Heemskerk, ten oosten door Onderlangs en de Beverwijkerstraatweg en ten noorden door een lijn van oost naar west, die grofweg ligt in het verlengde van de Geversweg.

In 1925 wordt de naam van de vennootschap gewijzigd in N.V. Hollandse Duinmaatschappij, waarschijnlijk vanwege de 16 hectare grond die inmiddels is bijgekocht en die niet meer alleen in Geversduin ligt. Directeur van de onderneming is dan Cornelis Pruyser, wonende te Amsterdam.

Op 8 september 1933 worden alle eigendommen van de NV verkocht aan de provincie Noord-Holland voor een bedrag van 625.000 gulden Cornelis Pruyser blijkt dan als directeur te zijn opgevolgd door jhr. Willem Philip Barnaart, een in Bergen wonende bloembollenkweker. Overeengekomen wordt dat jonkheer Frits Gevers het jachthuis bij de Oude Schulpweg met het bijbehorende terrein van ongeveer 5 ha gedurende de rest van zijn leven zal mogen huren voor 1 gulden per jaar. Zo’n 37 jaar is het duingebied bij Castricum eigendom geweest van de familie Gevers.

Het jachthuis aan de Oude Schulpweg in de sneeuw.
Het jachthuis aan de Oude Schulpweg in de sneeuw.

Jachthuis

In april 1928 keert Frits voorgoed terug in zijn vaderland. Na opnieuw een aantal maanden in Hotel Duin en Daal in Bloemendaal te hebben gelogeerd, gaat hij in augustus 1928 in Castricum wonen. Hij betrekt het jachthuis aan de Oude Schulpweg, een uitneembaar dubbelwandig houten gebouw dat in 1921 nog in opdracht van zijn vader is gebouwd. De bedoeling is om daar tijdens jachtpartijen de gasten te ontvangen voor een maaltijd, meestal erwtensoep, en een borreltje. De jachtopzienerswoning Kijk Uit is daarvoor veel te klein. Met wat aanpassingen is het jachthuis als woning geschikt gemaakt, al is er de eerste jaren geen aansluiting op de waterleiding of op het elektriciteitsnet.

Vanaf 1928 woont Frits dus in zijn geliefde natuur- en jachtgebied en op zijn eigen domein. De post die hij krijgt, is eenvoudig geadresseerd aan: Jonkheer Frits Gevers, Jachthuis, Castricum.
Het is dan nog maar een vijftal jaren dat jonker Frits zich heer en meester kan voelen in het Geversduin. De vele hectaren grond van de familie, ondergebracht in een naamloze vennootschap, worden in 1933 aan de provincie Noord-Holland verkocht. Bij de verkoop wordt overeengekomen dat jonkheer Gevers het jachthuis met ongeveer 5 hectare duingebied gedurende zijn verdere leven zal kunnen huren tegen de som van één gulden per jaar. Een bijzondere bepaling is dat bij eventuele afsluiting van de Kramersweg voor autoverkeer de jonker


Jaarboek 26, pagina 59

wel over die weg naar en van zijn huis zal mogen rijden. Verder wordt overeengekomen dat het jachtrecht op het verhuurde terrein door provincie niet aan derden zal worden verpacht en dat de huurder gerechtigd is er te jagen op schadelijk gedierte, met uitzondering van fazanten. Fazanten kunnen eventueel weer wel door de huurder worden opgeruimd, met speciale toestemming van de provincie.

Iedere gelegenheid om te jagen grijpt de jonkheer aan. Jonkheer Boreel: “Na de oorlog waren er te veel meeuwen in het duin en die moesten afgeschoten worden. Toen hebben ze hem gevraagd of hij dat wilde doen en hoeveel meeuwen hij met 100 patronen dacht te kunnen schieten. Hij heeft geantwoord dat hij er zeker meer dan 100 zou halen, omdat er wel eens een paar achter elkaar zitten.”

Ook toen de jonker vanwege zijn leeftijd allang niet meer deelneemt jachtpartijen in binnen- en buitenland wordt hij nog altijd meegevraagd door de jachtopzieners als er konijnen moesten worden geschoten.

De poort van kasteel Marquette.
De poort van kasteel Marquette.

Marquette

Het kasteel Marquette wordt niet meer door de familie bewoond, sinds mevrouw Gevers, Corrie en Frits het in 1925 hebben verlaten. Tuinbaas De Kruyff gaat in op het verzoek van de familie om met zijn gezin in het kasteel wonen en als huisbewaarder op te treden Na het vertrek van de familie De Kruyff in 1942 keert Frits tot 1946 weer terug op Marquette, ook al omdat hij op last van de Duitsers zijn jachthuis moet verlaten.

De jonkheren Daan en Frits en freule Christine de Vos van Steenwijk (1952).
De jonkheren Daan en Frits en freule Christine de Vos van Steenwijk (1952).

Na zijn huwelijk in 1943 gaat ook jonker Daan, de jongste zoon van het echtpaar Gevers-van Lennep, op kasteel Marquette wonen. Hij is getrouwd met Christine Bernadine Johanna, barones de Vos van Steenwijk, van Essen tot Windesheim.
In de oorlog wordt het gebouw nog beschoten door geallieerde vliegtuigen, waardoor behoorlijke schade ontstaat, maar niemand gewond raakt. De aanval was gericht tegen een weerkundige eenheid van de Duitse Luftwaffe waarvoor het kasteel gedeeltelijk was gevorderd.

Daan erft het kasteel, dat hij namens zijn moeder al lang beheerde, in 1947. De jonkheer is bijzonder aan het erfgoed gehecht en probeert het zo goed mogelijk in stand te houden, maar de onderhoudskosten en de belastingen zijn hoog. In een interview in het blad Elsevier in 1970 slaakt hij de verzuchting: “Arme adel, over dertig jaar is het met ons afgelopen.” In september 1979 vertrekt hij met zijn echtgenote naar Apeldoorn en Marquette wordt uiteindelijk een hotel-restaurant en conferentieoord.

Wienus van de Berg, vanaf 1957 bedrijfsleider van de boerderij op het landgoed, vertelt: “Er was weinig tijd voor de verhuizing. Ik kwam aanlopen en zag rook opstijgen, uit een gat in de grond. Wat zijn jullie aan het doen vroeg ik. Daar verdwenen pakken obligaties in het vuur. Obligaties van de Russische Spoorwegen, nog van Hugo Gevers, de vader van de jonker. Ze waren waardeloos. De familie heeft in het begin van de vorige eeuw veel kapitaal verloren. Zoals veel Nederlanders.”

Hilbrand de Kruijff, zoon van tuinbaas De Kruijff, heeft nog veel herinneringen aan de tijd dat hij op het kasteel woonde:
“We woonden tot 1925 in het tuinmanshuis maar toen is ons gevraagd of we op het kasteel wilden wonen zodat het beter bewaakt kon worden. We hebben er een fijne tijd gehad. Er waren prachtige tuinen met rozenperken en borders met planten die het hele jaar door bloeiden. Er waren zwanen en siereenden en er liepen pauwen rond. Het was er prachtig. In 1937 werd er nog een bloembollententoonstelling op het terrein gehouden, waar mijn vader een grote rol bij heeft gespeeld.

In de oorlog wilde Daan schapen en koeien houden en werden de tuinen verwaarloosd. Het werk zinde mijn vader niet meer. Hij was tenslotte tuinbaas en geen boer. Mijn vader is aan de Stetweg in Bakkum met een bloemisterij begonnen.
De paden rond het kasteel hadden vroeger een speels verloop. Het verhaal is dat die paden ooit eens recht zijn getrokken zodat Frits en


Jaarboek 26, pagina 60

Daan er met hun Harley’s makkelijker overheen konden scheuren. Daan had op de bovenverdieping van het kasteel een kamer, waar hij verbleef als hij uit Den Haag kwam. Mijn moeder verzorgde dan de maaltijden ’s middags en ik moest de jonker dan zoeken als het eten op zijn kamer klaar stond. Zijn broer Henri heb ik nooit gezien en freule Corrie ook niet. De oude mevrouw Gevers kwam nog wel eens op Marquette en bracht dan voor ons een glazen stolp met snoepjes mee. Frits woonde in het jachthuis bij Kijk Uit. Hij kwam vaak langs voor een kopje koffie of thee en ook ging hij naar de kamers die voor de Geversen gereserveerd waren. Af en toe had hij een kwaaie bui; dan smeet hij de deur van zijn cabriolet zo hard dicht dat de deur aan de andere kant zowat weer openvloog. Dan schopte hij tegen alles aan wat hem voor de voeten kwam. Blikken trapte hij door de hele hal heen en vloeken, vloeken …! Hij vloekte altijd wel maar dan helemaal. Het is eens voorgekomen, ik heb het zelf gezien, dat hij aankwam en z’n geweer pakte en pardoes 5 zwanen doodschoot. Onbegrijpelijk! Mijn vader was er helemaal kapot van.

Frits heeft een tijd een soort race-auto gehad die bulderend lawaai maakte. Hij nam mijn vader wel eens mee voor een ritje of een bezoek aan baron van Tuyll of andere kennissen in Haarlem en omstreken. Mijn vader ging ook nog wel eens op zijn fiets naar het jachthuis als Frits advies nodig had over zijn bomen en dan mocht ik wel eens mee. Ik hoor hem nog op zijn speciale manier tegen mijn vader zeggen: “Godverdomme Kruyff!”

Theetijd in de tuin van Westerhout. V.l.n.r.: Frits Gevers, Jan Boreel, mevrouw Emilie Boreel - van Tuyll van Serooskerken, Lucas Boreel, Marietje (zuster van Hugo), Geert Boreel, Hugo Boreel, Pauline (zuster van Hugo).
Theetijd in de tuin van Westerhout. Van links naar rechts Frits Gevers, Jan Boreel, mevrouw Emilie Boreel-van Tuyll van Serooskerken, Lucas Boreel, Marietje (zuster van Hugo), Geert Boreel, Hugo Boreel, Pauline (zuster van Hugo).

Familie Boreel

Het contact van jonker Frits met de eigenaren van het Heemskerkse duingebied, de familie Boreel, kwam behalve door de gezamenlijke passie voor de jacht, ook voort uit een familieband. Een zuster van grootvader Jan Hugo Gevers trouwde met Jonkheer Gerard Salomon Boreel, burgemeester van Beverwijk en eigenaar van huize Westerhout. Na zijn overlijden gaat zijn zoon Hugo Boreel en zijn echtgenote Emilie Henriëtte Adèle barones van Tuyll van Serooskerken op Westerhout wonen. Hij heeft heel lang gewerkt als hoofdadministrateur van de theeplantage Parakan Salak in de buurt van Batavia. Zij hebben drie zoons: Lucas, Jan en Geert, die in Indië zijn geboren. Na de oorlog komt jonkheer Frits de familie op zondag om de veertien dagen opzoeken.

Jonkheer Lucas Boreel vertelt:
“Oom Frits bezocht ons vaak op Westerhout. Hij was gek van mooie en dure auto ‘s, waar hij heel zuinig op was. Als het regende dan bleef de auto in de garage en kwam hij op de fiets of met de trein. Mijn vader en moeder, haar zuster en Frits hielden ontzettend van bridgen en speelden met z’n vieren. Mijn broer Geert deed ook wel eens mee. Mijn moeder vroeg dan of hij bleef eten. Dan antwoordde hij ontwijkend: “ik dacht van niet” of “het hangt van het weer af”.

Toch bleef hij elke keer. Ik denk dat hij nooit iemand bedankte of goedendag zei; ineens was hij dan weer weg. Als er eens onverwacht bezoek kwam was hij zeker meteen verdwenen. Het was een aardige man, bijzonder onderhoudend en het was leuk als hij kwam. Maar de mensen moesten hem bekend zijn, anders moest hij niets van ze hebben. Hij had altijd prachtig gepoetste schoenen. Dat had hij van een knecht geleerd, aan wie hij wel had moeten beloven dat hij het geheim nooit aan iemand anders zou doorvertellen. We hebben het hem honderd keer gevraagd: “Oom Frits hoe krijg je die schoenen zo mooi?”
“Nee, zei hij steeds, dat heb ik beloofd dat vertel ik niet.”
Hij heeft het geheim meegenomen in zijn graf.

Frits was een aardige man maar hij vloekte wel veel. Dat mocht hij gewoon doen bij ons thuis en dat was voor mijn broers en voor mij onbegrijpelijk. Het hoorde bij die man. Als je bij hem aanklopte, dan hoorde je hem schelden, gvd wie is daar nu weer en deed hij niet open. Dan riep ik: “Oom Frits, ik ben het Lucas.” Gestommel en weer gevloek en dan kwam hij te voorschijn.

Vroeger reed hij veel in een open auto. Er waren toen nog maar weinig auto’s op de weg. Dan reed hij wel eens vooruit van het kasteel naar het centrum van Heemskerk en daarna achteruit weer terug. Hij hield van hard rijden en niemand ging in zijn ogen vlug genoeg opzij. Hij had toen stenen op de stoel naast zich klaar liggen om naar de mensen te gooien. We weten wel dat hij dat nooit heeft gedaan, maar hij vertelde het wel.

Hij had ook de nodige vriendinnen vroeger. Hij is dodelijk verliefd geweest op de vrouw die later mijn schoonmoeder zou worden. (Aantekening: jkvr. Margaretha Teixeira de Matthos). Zij woonde naast het huis Vogelenzang waar hij honderden keren heeft gejaagd. Ze is ook wel verliefd op hem geweest. Ze was beeldschoon. Het is nooit wat geworden. Er is wel gezegd dat hij daarom ongetrouwd is gebleven.”


Jaarboek 26, pagina 61

Vriend Jan Luden

In zijn afgelegen jachthuis kon de jonker zich ideaal terugtrekken. Hij had er een enorme hekel aan als er mensen op zijn terrein kwamen. Bij de jaarlijkse ceremonie van de verlenging van zijn jachtakte op het gemeentehuis verzuchtte hij eens op zijn wat geaffecteerde manier: “Vroeger, ja vroeger zeiden de mensen nog goedemorgen jonker of goedemiddag jonker en men nam de pet voor je af, maar tegenweurdig rijen ze je op je eigen terrein met een bgommer voor je poten.”

Gevers had wel contact met de verschillende boswachters en jachtopzieners. Met Jaap en Cees Schoen maakte hij soms een praatje en ook met Cor Mooij. Zo ook met de families De Jong, Bleijendaal, Castricum en Benjamin die in Kijk Uit hebben gewoond.

Ook bij de familie Benjamin kwam hij wel eens koffiedrinken. Hij was gek op koekjes met een vullinkje (frou frou) en regelmatig informeerde hij hoe deze koekjes ook al weer heetten. Kreeg hij een sigaret aangeboden van mevrouw Benjamin, dan brak hij die altijd in twee stukken voordat hij ging roken. Hij was altijd bereid de familie Benjamin mee te nemen voor een ritje in zijn Cadillac of, als bijvoorbeeld hun kinderen ziek waren, om die met zijn auto te vervoeren. Om zijn haar te wassen haalde hij water uit de put bij Kijk Uit, omdat dat water zo lekker zacht was. Hij was gek op de verse eitjes van de kippen van de Benjamins.

Jachtopzienders woning Kijk-Uit.
Jachtopzienders woning Kijk-Uit. Oude Schulpweg 3 in Castricum. In 2016 is het pand verkocht. In vroeger tijden vingen hier grote drijfjachten aan. In verband hiermee is er langere tijd een fazanterie geweest van waaruit jonge fazanten werden uitgezet ten behoeve van de jacht. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Ook de familie De Jong die van 1964 tot 1968 jaren in Kijk Uit woonde, heeft aardige herinneringen aan hun adellijke buurman. Hij heeft ze wel meegenomen in zijn grote auto om door de duinen naar Wijk aan Zee te rijden om de zonsondergang te zien. Hij was wel bang voor besmettelijke ziektes. Toen de kinderen de mazelen hadden, bleef hij op ruime afstand, maar op een zekere dag rolden wel de sinaasappelen het huis binnen.

Opzichter Cor Mooij werd door Gevers af en toe om hulp gevraagd. Hij had vaak moeilijkheden met jongens op zijn terrein. In een naburige bunker had hij zijn kolen liggen en dan waren er soms jongens in geweest die de deur hadden opengelaten. Cor Mooij: “Om de hoek van de deur had hij flessen met bessenjenever staan. Dat was zijn vaste drank. Altijd vroeg hij of je een glaasje rood wilde en dan schonk hij wel een wijnglas vol. Haal ’s uit, haal ’s uit, dan kan ik nog een keer intappen!”

Villa Koningshof in Overveen.
Villa Koningshof in Overveen.

Met zijn broer Daan had hij niet veel contact meer; alleen de freule kwam regelmatig te paard vanaf Marquette door het duin bij hem langs. In de laatste jaren van zijn leven kwam het helemaal tot een breuk. De aanleiding was dat jonker Daan op een keer niet op zijn verjaardag was verschenen. Dat heeft jonker Frits hem nooit meer vergeven.

Ondanks het feit dat hij een hele goede kolenkachel had in zijn huisje, was het er in strenge winters moeilijk warm te krijgen. Het kwam dus goed uit dat de jonkheer jaren achtereen iedere winter bij zijn vriend Jan Anton Willem Luden op het enorme landgoed met het prachtige huis Koningshof in Bloemendaal mocht verblijven. Het contact met de heer Luden is ontstaan door de vele keren dat hij in Bloemendaal heeft gejaagd. Ze konden het waarschijnlijk zo goed met elkaar vinden omdat er veel overeenkomsten tussen hun beiden waren. Het waren allebei eenzelvige, bijna mensenschuwe mannen, die niet of nauwelijks hebben gewerkt en die nooit getrouwd zijn geweest.

Jonkheer Lucas Boreel: “Die man was ongelofelijk rijk maar leefde toch heel sober. Van armoede had hij nog nooit gehoord. Dat er mensen waren die van hun rente moesten leven vond hij al gek. Zijn stelregel was: Nooit meer uitgeven dan de rente van je rente, dan kan er niets misgaan.”

Jan Luden had een begaafde, oudere broer gehad die in 1924 bij het zwemmen in een mui terecht kwam en verdronk. Ook diens enige zoontje Jack overleed heel jong. Hij was dus de enige nazaat van een rijke familie. Bij zijn overlijden in 1962 schonk Jan Luden het kasteel Moersbergen aan het Utrechts Landschap, Koningshof aan Natuurmonumenten en aan de Koninklijke Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij deed hij een bedrag van 600.000 gulden cadeau, waarvoor een reddingsboot is gebouwd die de naam de ‘Gebroeders Luden’ heeft gekregen.

Rijst, witlof en tartaar

Jonker Frits heeft in de begintijd nog wel een huishoudster gehad, maar waarschijnlijk omdat hij zuinig was aangelegd en omdat hij liever niemand in huis toeliet, deed hij het huishouden de laatste tientallen jaren op zijn manier zelf. Hij gebruikte vanaf de vijftiger jaren tot de sluiting in 1974 zijn warme maaltijden in De Rustende Jager. Rijst, witlof en tartaar was zijn vaste menu. Daarnaast kocht hij bijna iedere middag een biefstukje bij slager Sneekes. Als hij geen zin had om het zelf te halen en dat kwam nog al eens voor, dan belde hij op en moest Corrie Kuys, die bij de slager in de huishouding werkte, het lapje vlees naar het jachthuis brengen.

Hij at in De Rustende Jager altijd aan hetzelfde tafeltje, waar absoluut niemand anders mocht zitten. Lucas Boreel is hem daar eens komen opzoeken: “Toen ik binnen kwam was hij er nog niet. Ik vroeg waar hij altijd zat en ging op de plaats er tegenover zitten. De waard waarschuwde mij er nadrukkelijk voor dat de jonker dat niet op prijs zou stellen. Ik probeerde hem gerust te stellen. Aarzelend ging hij er uiteindelijk toch mee akkoord. Toen Oom Frits binnenkwam, betrok zijn gezicht toen hij iemand aan zijn tafeltje zag zitten. Ik ben vlug naar hem toe gegaan en heb hem begroet. Zijn gezicht klaarde weer op en hij zei: “gvd wat aardig dat je er bent”. We hebben samen geluncht maar geen minuut langer dan gebruikelijk was.”

Hotel, café-restaurant Kornman.
Hotel, café-restaurant Kornman. Mient 1 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na de definitieve sluiting van De Rustende Jager gebruikte de jonker in Hotel-restaurant Kornman zijn warme maaltijden. Ook daar had hij zijn vaste plaats en het menu bestond nog steeds uit tartaar, maar nu met aardappelen en appelmoes. Verse groente gooide hij van zijn bord. Daar is hij volgens zijn gastheer Klaas Westland aan onderdoor gegaan. Zijn andere boodschappen bestelden Westland en zijn vrouw ook voor hem en die rekende hij dan op zaterdag altijd af.

Westland: “Toen hij bij ons kwam, kwam hij lopend of op de fiets. Ik heb hem niet meer met zijn auto gezien. Hij ging zo de spoorwegovergang over en keek helemaal niet of er een trein aan kwam. Hij begon er steeds sjofeler uit te zien en soms zei ik er ook wat van zoals: “Jonker die broek kan echt niet meer.” Alleen zijn schoenen waren altijd mooi gepoetst. Op een keer kwamen er een paar dames uit Heemskerk binnen die zeiden tegen elkaar: “Daar heb je die oude viezerik ook weer..” Ik maakte daar een opmerking over, maar de


Jaarboek 26, pagina 62

dames reageerden met de woorden: “Oh meneer u moest eens weten hoe hij achter ons aan zat op Marquette.” Toen ik dat aan de jonker vertelde lachte hij en zei: “Mooie tijd … mooie tijd geweest.” Van mij mocht hij in de zaak niet vloeken. Ik weet wel dat hij voortaan eerst om zich heen keek of ik uit de buurt was, voordat hij zich weer eens liet gaan.

De laatste jaren heb ik hem gehaald en gebracht. We hadden toen een Plymouth en daar reed hij graag in. Op de Geversweg zei hij dan langzaam, langzaam … en nu gas en dan gvd wat een auto ! Ik had het idee dat hij maar moeilijk rond kon komen, maar dat bleek later wel wat mee te vallen”.

Als de jonker geld nodig had belde hij naar de contactpersoon van zijn bank in Haarlem, Johan Vunderink, die dan ’s avonds bij hem langs kwam. Vunderink nam altijd een thermosfles koffie mee en ook melk en suiker. De jonker hield wel van koffie maar hij zette het nooit zelf en hij had de ingrediënten ook niet in huis. Sinds de jonker hem een glas ‘vruchtensap’ had aangeboden, wat bessenjenever bleek te zijn. nam hij geen risico meer. Ook de jonge jenever, aangelengd met water ‘anders was het te sterk’, kon hem niet bekoren.

Vunderink was ongeveer 15 jaar contactpersoon van de bank en er ontstond in de loop van de tijd min of meer een vertrouwensband met de jonker. Op een keer belde de jonker of hij met spoed de volgende dag om 11.00 uur langs kon komen omdat hij iets belangrijks wilde bespreken. Al spoedig bleek toen dat de jonker hem te pakken had gehad. Hij was gevallen met zijn fiets en in het ziekenhuis moesten er hechtingen worden verwijderd. Het was de bedoeling dat Vunderink hem er naar toe zou brengen.

In de middaguren begaf de jonker zich bijna dagelijks naar Johanna’ s Hof voor een kopje koffie en een borreltje. Hij zat dan graag aan de ronde tafel dichtbij de ingang en kon van die plaats de gaande en komende man bekijken. Hij hield ervan een praatje te maken met de toenmalige eigenaar de heer en mevrouw De Hoop. De jonker vond het erg prettig als ze even bij hem kwamen zitten. De drukte in de zaak maakte dat niet altijd zo makkelijk.

De prachtig gepoetste Cadillac van jonker Frits voor Marquette. De foto is gemaakt door zijn nichtje jkvr. Paula Gevers die daar toen samen met haar oom Frits op bezoek was.
De prachtig gepoetste Cadillac van jonker Frits voor Marquette. De foto is gemaakt door zijn nichtje jkvr. Paula Gevers die daar toen samen met haar oom Frits op bezoek was.

Intrekking rijbewijs en jachtakte

De grote grijze Cadillac, waar de jonker zich af en toe in voortbewoog , begon wat mankementen te vertonen en de jonker had zich laten overtuigen dat hij die auto maar het beste kon inruilen.

De heer Zentveldt herinnert zich de aflevering van de nieuwe auto nog goed: “Mijn kennismaking met jonkheer Gevers was een zakelijke; net gestart als verkoper bij de Opel garage Lute medio 1974, moest ik de nieuwe Opel Kadett Coupé bij de jonker afleveren. Mijn baas Bal Lute had de transactie gedaan en er hoefde niet over geld gepraat te worden; de Cadillac van de jonker was ingeruild voor genoemde Kadett. Een afspraak was gemaakt op een ochtend om 10.00 uur. Aankomend bij het jachthuis stond jonkheer Gevers bij het hek en ik mocht op het terrein komen gebaarde hij. “Zet deze automobiel maar daar naast de garage.” De auto moest afgesloten worden en uitleg hoefde de jonkheer niet. “Kom maar naar binnen Zethoven.” “Jonker de naam is Zentveldt.” “Ja ja.” De buitendeur van het jachthuis werd van het slot gedraaid en ik moest blijven staan totdat de tussendeur van het slot ging. De jonker ging mij voor naar zijn sober ingerichte woonkamer en hij vroeg mij plaats te nemen.

“Zo Zentkamp we nemen nu eerst een glaasje rood op de nieuwe automobiel.”
“Jonker ik drink niet overdag, doet u mij maar een glaasje fris.”
“Nee, nee op al mijn automobielen heb ik een stevige dronk uitgebracht en u meneer Zenthoven doet daar aan mee want dat brengt geluk.”
“Oké jonker een klein glaasje dan.”

Hij ging naar een ander vertrek en ik keek wat rond naar zijn zeer stoffige curiosa uit de Oost. Voorzichtig pakte ik één van zijn bijzondere krissen op en legde hem vlug weer terug in zijn door stof gevormde geultje.
Onderhoud werd duidelijk niet gepleegd, maar wat mij wel opviel was het perfect glimmend jachtgeweer naast de openslaande tuindeuren. Inmiddels was de jonker gearriveerd met een limonade glas tot de rand gevuld met iets roods en voor mij een borrelglas vol. “Prosit op de nieuwe automobiel.” In gedachten zag ik hem met z’n nieuwe auto van het jachthuis naar Hotel Kornman en terug rijden. De Cadillac had in zijn lange levensduur nog geen 10.000 km op de teller staan, dus met de nieuwe automobiel zou zoveel niet gereden worden: de jonkheer was toen al ver over de 80.

Glaasje rood is op en ik vroeg de jonker: “Waarom heeft u hier zo’n uitstekend onderhouden jachtgeweer staan ?” De tuindeur werd opengemaakt, de leunstoel gedraaid en het geweer dat binnen handbereik stond, gepakt, geschouderd en na wat richten sprak de jonkheer: ” Er komt op mijn terrein geen enkele verdomde kat, begrijp je Zentkamp.”

Na gevraagd te hebben of de jonkheer alsnog uitleg over de nieuwe auto wilde hebben, werd ik vriendelijk doch dringend gevraagd om de Cadillac mee te nemen. Hij wilde duidelijk weer van mij af. Na opnieuw de ceremonie van het openen en sluiten van tussen- en buitendeur werd ik naar de Cadillac gebracht en mocht ik het terrein verlaten.”

Veel geluk heeft het glaasje rood de jonkheer niet gebracht. Na ongeveer anderhalf jaar werd de garage gebeld door de politie met de vraag de Opel van de jonkheer weg te slepen van de Soomerwegh en hemzelf naar huis te brengen. Een weg met gescheiden rijbanen was een nieuw verschijnsel in het dorp. Jonker Frits was spookrijder geworden en frontaal op het tegemoetkomende verkeer gebotst. Hij werd door Zentveldt naar zijn huisarts gebracht. Vanaf die dag mocht hij zelf niet meer rijden en hij wilde het zelf ook niet meer.

Het terrein om het jachthuis was heilig voor de jonker. Zonder zijn nadrukkelijke toestemming mocht daar niemand komen. De uitdaging voor jongens uit het dorp om daar toch te spelen was des te groter. Menigmaal heeft hij jongens vloekend van zijn terrein gejaagd. Op een avond waren er jongeren die op de houten wanden van zijn huisje bonkten. Getergd greep hij zijn jachtgeweer en loste enkele schoten. Een van de jongens werd door een schot hagel behoorlijk geraakt. Een huisarts heeft er nog heel wat werk aan gehad om de hagel uit zijn lichaam te peuteren. De politie werd uiteraard ingescha-


Jaarboek 26, pagina 63

keld en dat betekende het einde van het wapenbezit voor de 80-plusser jonker Frits. Ook moest hij voor de rechtbank in Alkmaar verschijnen. Vergezeld door zijn bankman Vunderink heeft de jonker aan de oproep voldaan. Hij verklaarde dat hij zenuwachtig was geworden en dat hij daarom had geschoten. De zaak is uiteindelijk geseponeerd.

Jonker Frits in het verzorgingshuis Egberts Duin in Wijk aan Zee.
Jonker Frits in het verzorgingshuis Egberts Duin in Wijk aan Zee.

Egberts Duin

De laatste jaren van zijn leven bleef jonker Frits de knorrige aristocraat die hij altijd was geweest. Klaas Westland van Hotel-restaurant Kornman sloeg alarm toen de jonker niet opendeed, toen hij hem kwam ophalen om te komen eten.

Hij bleek in de gang te liggen en moest in het Sint-Jozef ziekenhuis in Heemskerk worden opgenomen. Freule Christine Gevers zocht hem op, maar ze herkende hem eerst niet eens vanwege zijn lange haar. Duidelijk was dat hij niet langer zelfstandig kon wonen. Zijn huis was totaal verwaarloosd. De gordijnen waren vergaan en zijn matras was tot op de draad versleten. Naast zijn bed lag een hakmes, waaruit toch wel bleek hoe bang hij eigenlijk was geweest in zijn eenzame woning.

Geert en Lucas Boreel namen de taak op zich om een oplossing te vinden. Per 1 november 1982 werd huur van het terrein namens de jonker opgezegd. Vanaf die datum werd de enclave van Gevers, inclusief jachthuis, gewoon PWN-terrein. Zijn huis stond vol met antiek meubilair dat bij de ‘Oprechte veiling’ in Haarlem onder hamer kwam en ruim 40.000 gulden opbracht.

Met behulp van een maatschappelijk werkster werd een klein protestants-christelijk verzorgingshuis in Wijk aan Zee gevonden. ‘Egberts Duin’ was de naam van het inmiddels afgebroken gebouw. Astrid Willems, die er werkzaam was, ziet de lange, gebogen gedaante, weggedoken in een loden jas, nog komen. Ze herinnert zich hem als een zwijgzame en wereldvreemde man. Hij keek erg op van het bestaan van papieren zakdoekjes en dat een drankje in het huis 50 cent moest kosten vond hij belachelijk veel geld.

Hij kon vloeken en tieren, maar deed dat volgens Astrid op een gedistingeerde manier. Hij hield erg van zoetigheid en voor een chocolaatje kregen de verzorgsters veel van hem gedaan.
Hij kon absoluut niet tegen lawaai; als er muziek was, stopte hij zijn vingers in zijn oren. Hij sprak niet of nauwelijks met de andere bewoners. Als zijn vroegere buren, het echtpaar Benjamin, hem bezochten, bloeide hij weer op, want dan kon hij het weer even over de jacht en het duingebied hebben. De andere bewoners keken ervan op dat hij dan opeens zijn mond weer opendeed.

Ook de jonkheren Geert en Lucas Boreel zochten hem op. Om zijn kleine kamer wat aan te kleden brachten ze een afbeelding van kasteel Marquette voor hem mee, maar dat deed hem weinig meer. Hij begon geestelijk wel wat achteruit te gaan, maar toen de banteng-jacht in Nederlands-Indië ter sprake werd gebracht, wist hij alles nog precies. Lucas Boreel vertelde hem dat hij nu was uitgenodigd lid te worden van het Gilde van Sint-Hubert. Hij suggereerde de plaats van zijn oom te hebben ingenomen en dat hij nu zijn zilveren hoorntje had ontvangen als symbool van het lidmaatschap. Oom Frits antwoordde daarop dat dat onmogelijk waar kon zijn, omdat hij een gouden hoorntje had gehad.

Ze vroegen hem: “Oom heeft u nog ergens spijt van gehad in uw leven?” Na lang nadenken kwam zijn antwoord: “Waar ik spijt van heb gehad is, dat ik nooit beslissingen heb durven nemen. Ik ben altijd bang geweest en heb altijd alles uitgesteld en daar heb ik mijn leven mee vergooid.”
“Maar u moet toch ook een fijne periode in uw leven hebben gehad?”
“Ja, de mooiste jaren waren toen ik op een plantage op Java werkte.”

Na nog geen twee jaar in ‘Egberts Duin’ te hebben gewoond is de jonker op 2 mei 1984 op 93-jarige leeftijd overleden. Bij zijn crematie in Driehuis waren twee personen aanwezig: notaris Stuart, executeur testamentair en Vunderink, de trouwe contactpersoon van zijn bank. Noch zijn broer en schoonzuster, noch anderen werden in de gelegenheid gesteld afscheid te nemen. Zijn resterende kapitaal, meer dan drie miljoen gulden, heeft jonkheer Gevers vermaakt aan de Vereniging Natuurmonumenten en aan het Wereldnatuurfonds.

Niek Kaan

Verantwoording:

Bijzondere dank aan jhr. Lucas Boreel voor zijn medewerking en de beschikbaarstelling van foto’s uit de nalatenschap van jhr. Frits Gevers. Voorts dank aan: de heer K. Aardenburg, de heer L. van de Berg, mevrouw N. Benjamin-Bunschoten, mevrouw J. Zelfelder-Benjamin , de heer A. Bleyendaal, jhr. G. Boreel, de heer R. Eykmans, de heer en mevrouw Th.J. de Hoop, mevrouw J. Idsinga, de heer P.J.C.M. Janssens, mevrouw K. Kuys-Wiendels, de heer H. de Kruyff, de heer K. Maassen, de heer J.A. Marsman, de heer C. Mooij, de heer A. Schellevis, de heer J.W.H. Vunderink, de heer mr. Vrijland, de heer en mevrouw K. Westland, jkvr. P.A. Wiendels Gevers, mevrouw A. Willems, de heer J.G.A. Zentveldt en de heer S.P.A. Zuurbier.

Overige bronnen:

  • Indisch familie archief
  • Nationaal Archief
  • Rijksarchief Noord-Holland
  • Archiefdienst voor Kennemerland
  • Gemeentearchief Amsterdam
  • Gemeentearchief Utrecht
  • Centraal Bureau voor Genealogie
  • Iconografisch Bureau
  • Kadaster Alkmaar
  • Regionaal Archief Alkmaar
  • Stichting Ons Bloemendaal, mevrouw Joan Patijn
  • Scottish Tourist Board
  • Jelles, ir. J.G.G., Geschiedenis van Beheer en gebruik van het Noordhollands Duinreservaat, Arnhem 1968
  • Groesbeek, mr. J.W., Heemskerk onderweg van verleden naar heden. Heemskerk 1978