Duin en Bosch, pati√ęntenzorg (Jaarboek 32 2009 pg 4-11)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Duin en Bosch in Bakkum:
Duin en Boschbegraafplaatsevacuatiepati√ęntenzorgtrammetje
Extra: JacobiJacobi gezin en grafmonument –¬†Broeder Krist vertelt …


Jaarboek 32, pagina 4

Honderd jaar pati√ęntenzorg
in het Psychiatrisch Ziekenhuis Duin en Bosch

Je werd opgenomen in een inrichting als je afwijkend gedrag vertoonde, omdat je bijvoorbeeld aan de drank was, een zwervend bestaan leed, verstandelijk gehandicapt was, lijdende aan depressies of schizofrenie of manisch-depressief was. Kortom er waren tal van mogelijkheden om in een ‚Äėgesticht‚Äô terecht te komen, waar het leven voor je geregeld werd.
Of je nu vrijwillig was opgenomen of met een maatregel, je moest je houden aan de afspraken waar je niets over te zeggen had. Je identiteit werd je ontnomen vanwege de gestichtkleding die je verplicht was te dragen. Pati√ęnten verbleven er soms levenslang. Nieuwe medicijnen brachten na 1948 een ommekeer teweeg.

Krankzinnigenwet

Op 27 april 1884 werd door koning Willem III het ‚ÄėStaatstoezicht op Krankzinnigen‚Äô bij wet geregeld. In deze wet werden de provincies verantwoordelijk gesteld voor de behandeling en verpleging van hun krankzinnigen.
Noord-Holland heeft als enige provincie deze taak letterlijk opgevat door psychiatrische ziekenhuizen te bouwen om de nood te lenigen en ook om de werkeloosheid een halt toe te roepen. De inwoners van de provincie Noord-Holland waren toentertijd straatarm en door het bouwen van ziekenhuizen werd de economie aangejaagd.

Door de armoede ontstond enorme sociale achterstand en was er sprake van ernstig alcoholmisbruik. Reden voor opname in een psychiatrisch ziekenhuis (PZ) was, behoudens de gangbare psychiatrische stoornissen, ook maatschappelijke ondergang. Er ontstonden wachtlijsten en er waren steeds meer voorzieningen nodig om psychiatrische pati√ęnten te huisvesten.

Professor Winkler

In 1892 stagneerde de doorstroming van pati√ęnten uit het voormalige Wilhelminagasthuis (het WG) in Amsterdam naar het pas geopende Provinciaal Ziekenhuis Meerenberg II te Santpoort. Wat was er aan de hand? Het Wilhelminagasthuis werd onderdeel van de faculteit voor geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam en dr. C. Winkler werd hoogleraar psychatrie/neurologie. Hij zag zijn opname- en onderzoeksafdeling Paviljoen III dichtslibben met chronisch psychiatrische pati√ęnten, waardoor hij onvoldoende wetenschappelijk onderzoek kon doen.

Winkler had ook zitting in een externe commissie, die door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland was ingesteld. Vanuit die functie heeft hij getracht het PZ Meerenberg te Santpoort onder druk te zetten om zo zijn chronische pati√ęnten te doen opnemen. Omdat Meerenberg II geen capaciteit meer had, werd gekozen voor het bouwen van een nieuwe instelling Meerenberg III. Winkler dacht zodoende een ‚Äėcit√© m√©dicale‚Äô (red:  medische stad) te stichten, drie hoofdgebouwen met ieder een eigen medische en verpleegkundige staf. De administratie zou worden gecentraliseerd.
Dit zou de goedkoopste vorm van behandelen en verplegen zijn en het college van Gedeputeerde Staten verwachtte dat dit plan zonder slag of stoot zou worden aangenomen. Zij hadden buiten de waard gerekend, want Provinciale Staten van Noord-Holland besloten, uit eigen gelederen, een onderzoekscommissie te benoemen om alternatieven te onderzoeken.

Duin en Bosch

In 1901 kwam deze commissie met een verrassend rapport, waaruit bleek dat vergroting van Meerenberg niet wenselijk was, omdat men een nieuw behandel- en verpleegmodel wilde introduceren: ‚Äėhet paviljoenstelsel‚Äô. Provinciale Staten besloten na langdurige discussie op 12 november 1901 tot het bouwen van een nieuw gesticht elders in de provincie.
Gedeputeerde Staten (GS) werd verzocht een plan te ontwerpen voor de bouw van een krankzinnigengesticht en de aankoop van terreinen in voorbereiding te nemen.

In Castricum werd een geschikt terrein gevonden. De duingrond, groot ongeveer 82 hectare, was eigendom van prinses Marie zu Wied, dochter van Prins Frederik.
Tegelijk met de aankoop bepaalden Provinciale Staten dat het nieuw te bouwen gesticht de naam ‚ÄėDuin en Bosch‚Äô zou krijgen.
Hoewel Winkler zijn zin niet had gekregen, kon hij toch invloed uitoefenen, omdat hij en een van zijn naaste medewerkers door GS werden gevraagd een ontwerp te maken voor het nieuwe gesticht. Die naaste medewerker was dr. Jan Willem Jacobi.

In het eerste bouwplan dat architect F.W.M. Poggenbeek in samenspraak met dr. Jacobi en prof Winkler opstelde, werd uitgegaan van 620 pati√ęnten; wegens tegenvallende bouwkosten werd het maximum later bepaald op 732. Het plan omvatte een administratiegebouw en zes paviljoens, drie voor mannen en drie voor vrouwen. Paviljoens waren respectievelijk bestemd voor rustige pati√ęnten, half onrustige pati√ęnten en onrustige pati√ęnten. Verder waren er werkplaatsen voor mannen, zoals de mattenvlechterij en een matrassenmakerij en voor de vrouwen lokalen voor de behandeling van de was, een barak voor besmettelijke ziekten, een anatomiegebouw, personeelswoningen, een


Jaarboek 32, pagina 5

ziekenhuis voor personeel, een centrale voor verwarming en verlichting, een kerkje, een watertoren enz.
Alle voorgevels van de paviljoens hadden een zuidoostelijke ori√ęntatie. Zo konden alle pati√ęnten, ook de bedlegerige, optimaal van de zon genieten. De tuinen van de onrustige pati√ęnten waren door hoge hekken omgeven.

J.W. Jacobi was de eerste geneesheer-directeur van 1903-1916. Hij overleed op 51-jarige leeftijd en werd op de begraafplaats van Duin en Bosch begraven.
J.W. Jacobi was de eerste geneesheer-directeur van 1903-1916. Hij overleed op 51-jarige leeftijd en werd op de begraafplaats van Duin en Bosch begraven.

Dr. J.W. Jacobi

Dr. Jacobi ontving op 1 april 1903 zijn benoeming tot geneesheer-directeur van het te bouwen Duin en Bosch, met daarbij een studieopdracht van Provinciale Staten om de nieuwste behandel- en verpleegmethoden in kaart te brengen en deze, indien mogelijk, in het nieuwe Psychiatrisch Ziekenhuis in te voeren. In Belgi√ę en Duitsland bezocht hij diverse instellingen, waaronder de universiteit van Heidelberg. Daar kwam hij in contact met dr. Kraepelin, de arts die voor het eerst het ziektebeeld schizofrenie beschreef en waar Jacobi het behandelen van pati√ęnten met de permanente badtherapie (hydrotherapie) bestudeerde. Door gebruik te maken van warm water en een prikkelarme ruimte (het bad) kwamen pati√ęnten tot rust. Jacobi heeft deze behandelmethode ge√Įntroduceerd in Nederland. In eerste instantie heeft hij ge√ęxperimenteerd in Amsterdam.

Het voormalig Nederlands Hervormd Weeshuis aan de Zwanenburgwal stond leeg en vanwege de ruimtenood nam de provincie het in gebruik. Jacobi begon daar met het opnemen van vrouwen. Dit was eigenlijk het begin van Duin en Bosch. Later zijn deze pati√ęnten overgeplaatst naar Bakkum en opgenomen in het paviljoen Vrouwen I, later ‚ÄėHoograde‚Äô genoemd. Daar werd voor het eerst de badtherapie toegepast.
Behalve op psychiatrisch-medisch gebied was Jacobi ook vooruitstrevend op het gebied van organisatiestructuur en personeelsbeleid. Tegen de bestaande gewoonte in benoemde hij een driehoofdige directie, een structuur die tot ver in de (negentien)zestiger jaren werd gehandhaafd.

Luchtfoto van het PZ terrein Duin en Bosch. Midden - links de paviljoens voor vrouwen en midden rechts voor mannen.
Luchtfoto van het PZ terrein Duin en Bosch. Midden – links de paviljoens voor vrouwen en midden – rechts voor mannen.

Samen met de vakorganisatie, die aangestuurd werd vanuit het PZ Meerenberg te Santpoort, heeft Jacobi betere arbeidsomstandigheden gerealiseerd en mochten vrouwen en mannen bij de inrichting werken, ook al hadden zij een relatie. Door het toedoen van Jacobi werden op het terrein personeelswoningen gebouwd, ‚Äėde broederwoningen‚Äô. In 1912 verrezen, toen nog op het terrein, de stenen woningen aan de Van Duurenlaan. De houten ‚Äėnoodwoningen‚Äô aan de Dr. Ramaerlaan zijn na de eerste wereldoorlog gebouwd. Op 5 december 1916 overleed Jacobi en hij werd begraven op de begraafplaats van Duin en Bosch.


Jaarboek 32, pagina 6

Pati√ęntenzorg

Personeelsleden noch pati√ęnten voelden zich in het begin in het ongebaande duinterrein thuis. Er werden wat maatregelen genomen om hen, die het spoor bijster waren geraakt, te helpen. Het verplegend personeel werd voorzien van signaalhorentjes om bij verdwalen noodsignalen te kunnen geven. Wie een ontsnapte pati√ęnt terugbracht, kon rekenen op een premie van 2,- gulden.
Het leven in de inrichting verliep volgens een strak patroon, vastgelegd in tal van voorschriften en studies, die echter een ding gemeen hadden: “Het welzijn van de zieke medemens.”

Ziekenzaal in de (negentien)twintiger jaren.
Ziekenzaal in de (negentien)twintiger jaren.

Dit uitgangspunt is prachtig weergegeven in een omstreeks 1924 gehouden voordracht van dr. Hermann Simon over de taak van het verplegend personeel. Een citaat uit zijn toespraak is hierbij weergegeven. Uit zijn visie blijkt betrokkenheid, aandacht, medemenselijkheid en vooral ethisch handelen.


De taak van het verplegend personeel bij een actievere behandeling der geesteszieken

Naar een voordracht gehouden voor het personeel van het Provinciaal Ziekenhuis nabij Santpoort
door dr. Hermann Simon

De meest ideale taak van het gesticht zou nu zijn om de hersenziekte, die aan de geestesstoring ten grondslag ligt, te genezen. Helaas zijn wij daarin tot nu toe nog niet in alle gevallen geslaagd, al zijn velerlei pogingen daartoe reeds gedaan en al is de hoop gerechtvaardigd dat in de toekomst ook voor de meest voorkomende geestesziekten, die wij tegenwoordig onder de naam ‚ÄėSchizophrenie‚Äô (dementia praecox) samenvatten, het geneesmiddel gevonden zal worden. Hoewel het ons derhalve tot nu toe niet gegeven is, het merendeel onzer zieken afdoend te genezen, hebben wij het toch in de hand hun toestand in zeer belangrijke mate gunstig te be√Įnvloeden en de geestelijke stoornis te verminderen.
Wij kunnen in de eerste plaats zo goed als zeker verhoeden dat de ziekteverschijnselen ernstiger uiterlijke vormen aannemen dan de eigenlijke hersenziekte volstrekt nodig maakt. Bij de zieken, die wij in het Ziekenhuis krijgen, is haast altijd de uiterlijke vorm der ziekte veel lelijker dan de bestaande hersenstoornis nodig maakt.
Juist de lelijkste verschijnselen, zoals brutale gewelddadigheid, neiging tot vernielen, gemeen schelden, grove onzindelijkheid, smeren met ontlasting en dergelijke, behoren helemaal niet tot het wezen der geestesziekte, maar het zijn alleen lelijke gewoonten, die de zieken tengevolge van het ontbreken of het verloren gaan van opvoedkundige invloeden aangenomen hebben.

Het bereikbare doel van het gesticht is dus:

  • De zieken wederom zooveel mogelijk voor een ordelijk samenleven met andere mensen geschikt te maken, of deze geschiktheid ondanks de ziekte bij hen te behouden.
  • Hun lichamelijke en geestelijke werkkracht moet in gang gehouden en opgevoerd worden en zij moeten indien enigszins mogelijk zo ver gebracht worden dat zij, ook al zijn zij niet genezen, weer uit het ziekenhuis als nuttig lid in de maatschappij terug kunnen keren.
  • Arbeid en geneeskundige opvoeding zijn de hulpmiddelen die ons voor het bereiken van dit doel ter beschikking staan.

Anti-psychiatrie

De (negentien)zeventiger jaren staan voor een periode die de ‚Äėanti- psychiatrie‚Äô genoemd is, dit in reactie op de ‚Äėinrichtings-psychiatrie‚Äô. Zeker vanaf 1975 staat de mondigheid van de pati√ęnt voorop en de democratisering van de instellingen krijgt veel aandacht. Het is een periode waarin de omgang met de pati√ęnten het karakter krijgt van gelijkwaardigheid, en waardoor samenwerking wordt beoogd tussen pati√ęnt en de multidisciplinaire teams die toen gevormd werden. De gelijkwaardigheid werd onder meer vorm gegeven door het niet meer dragen van het uniform door de verpleegkundigen. Geleidelijk ging men over op burgerkleding. Dit was voorheen alleen toegestaan op bijzondere feestdagen. De slogan was: ‚ÄúVoor ons is elke werkdag een feestdag!‚ÄĚ
Het verpleegkundig uniform werd vervangen door andere uniforme kleding, die in die tijd zeer modieus werd gevonden: ‚Äėhet spijkerpak‚Äô, gedragen door zowel mannen als vrouwen en in de linkerborstzak het pakje shag. De meeste mannen droegen in die tijd een baard (het liefst slordig lang) en lange haren. Een teken van verzet tegen de gevestigde orde. Het zal duidelijk zijn dat niet iedereen hiervan gediend was. De geneesheer-directeur mevrouw Kloosterman, die niet bekend stond om haar vernieuwingsdrang, kwam in aanvaring met de medische staf en de veranderende cultuur.


Jaarboek 32, pagina 7

Geneesheer-directeur van 1955 tot 1975 was mevrouw J. A. Buiter -  Kloosterman.
Geneesheer-directeur van 1955 tot 1975 was mevrouw J. A. Buiter –  Kloosterman.

Bestuurlijke veranderingen

Mevrouw Kloosterman trad in 1975 terug. Zij werd opgevolgd door de heren E.J.M. Crabbendam (geneesheer-directeur) en H.L. Polak (directeur). In 1994 werd dit bestuur door een algemeen directeur, W. ’t Hooft opgevolgd.
Het jaar 1994 is een bijzonder jaar geweest, want op 1 januari werd Duin en Bosch geprivatiseerd en kwam de Stichting Psychiatrisch Ziekenhuis Duin en Bosch tot stand.
In 2004 fuseerde deze stichting met de RIAGG’s in Midden-Kennemerland, Zaandam en Purmerend en ontstond een nieuwe stichting met de naam GGZ Dijk en Duin. In juli 2008 fuseerde GGZ Dijk en Duin met de Parnassia Bavo Groep gevestigd in Den Haag.

Nieuwbouw

Naast veranderingen op bestuurlijk niveau is er ook van alles gebeurd met de huisvesting. Midden jaren (negentien)zeventig sliepen de pati√ęnten nog steeds op grote slaapzalen. Ze moesten zich op de gang wassen bij een lange rij wasbakken met alleen koud water. De dagelijkse levensomstandigheden waren niet meer van die tijd. Vanaf 1975 is begonnen met een renovatie van de oude paviljoens.
In de (negentien)tachtiger jaren zijn tal van oude paviljoens afgebroken. Er is nieuwbouw gepleegd, die helaas totaal afwijkend was van de oude bouwstijl. In een paar jaar tijd zijn zes nieuwe paviljoens en een polikliniek tot stand gekomen.
Gelukkig is een aantal oude panden gespaard. Met ingang van 19 september 2001 zijn die paviljoens rijksmonument geworden. Ook het terrein is rijksmonument met alle bescherming van dien. Er is nu (in 2009) een plan in wording dat moet voorzien in vervanging van de nieuwbouw uit de (negentien)tachtiger jaren door nieuwe paviljoens, die meer in stijl zijn met de oude paviljoens. De vrijkomende gronden zullen worden bebouwd met woningen. Hopelijk komt daarmee geld vrij voor de restauratie van de rijksmonumenten.

De ravage in paviljoen Vrouwen I na het bombardement op 13 augustus 1940. Pas in 1963 kregen de paviljoens namen: Vrouwen I werd Hoograde genoemd.
De ravage in paviljoen Vrouwen I na het bombardement op 13 augustus 1940. Pas in 1963 kregen de paviljoens namen: Vrouwen I werd Hoograde genoemd.

Tweede Wereldoorlog

Ook Duin en Bosch heeft geleden onder de Tweede Wereldoorlog. In 1940 vond er een bombardement plaats door de geallieerden, die het voorzien hadden op Duitse stellingen.
Het paviljoen Vrouwen I (later Hoograde genoemd) werd getroffen; twee vrouwen kwamen om en er vielen acht gewonden.
In 1942 kreeg de toenmalige directie, onder leidingvan dr. Teenstra, het bevel om Duin en Bosch teontruimen. Intussen was de pati√ęntengroep nog uitgebreid met 250 pati√ęnten, die afkomstig waren van de nabijgelegen St.-Willibrordusstichting uit Heiloo.
De evacuatie moest plaatsvinden op 23 juni 1942.Teenstra ontsloeg eerst 60 ‚Äėbetere‚Äô pati√ęnten. De overige 770 pati√ęnten werden overgeplaatst naar andere instellingen: 254 pati√ęnten gingen naar de Willem Arntzhoeve bij Den Dolder, 195 werden geplaatst in ‚ÄėGroot-Graffel‚Äô te Warnsveld, 162 in Medemblik en 159 in Rosmalen. De directie koos domicilie in een voormalig schoolgebouw in Limmen om zodoende dichtbij het ziekenhuis te blijven en de zaken in de gaten te houden.
Pati√ęnten en personeel hebben het nodige te lijden gehad van de oorlogsomstandigheden. De Joodse pati√ęnten die naar Den Dolder en Rosmalen waren ge√ęvacueerd, konden uit de handen van de bezetter worden gehouden; in Medemblik en Warnsveld zijn ze slachtoffer van de terreur geworden.


Arbeid en dagbesteding

Er is een spreekwoord dat zegt: ‚ÄúLedigheid is des duivels oorkussen.‚ÄĚ Als je amper of geen structuur in je leven


Jaarboek 32, pagina 8

hebt, zeker als het in je hoofd een warboel is, kan het leven verzanden in dagdromen en lusteloosheid. Dit was vroeger een veel voorkomend probleem in de psychiatrie. Als je werd opgenomen in een instelling, kreeg je bedverpleging. Men ging van de vooronderstelling uit dat wie ziek was het bed moest houden. In eerste instantie was dit goed beheersbaar, maar zodra mensen lopend pati√ęnt werden, ontstond het probleem met betrekking tot de dagvulling. Na de passieve bedverpleging werd verantwoording teruggegeven, waarbij een gezonde wisselwerking tussen de zieke mens en zijn omgeving onderdeel is van het terugvinden van sociaal en geordend gedrag.

Binnen de Nederlandse psychiatrische inrichtingen stonden de idee√ęn van de Duitse psychiater Simon en de Nederlander Van der Scheer (naar hem is de Prof. Van der Scheerlaan in Bakkum genoemd) centraal. Zij noemden  hun aanpak de actievere therapie, die uitging van het belonen van goed gedrag en het straffen van onaangepast gedrag met als uitgangspunt dat er overdag moest worden gewerkt en er ‚Äôs avonds gelegenheid was voor ontspanning, een en ander binnen het afdelingsgebeuren. Al snel werd het begrip ontspanning verlaten en bleef de arbeidstherapie over.

Een tuinploegje aan het werk rond 1960. De strohoeden beschermen tegen de zon en de bijverschijnselen van medicijnen.
Een tuinploegje aan het werk rond 1960. De strohoeden beschermen tegen de zon en de bijverschijnselen van medicijnen.

Destijds was de arbeidstherapie hoofdzakelijk ten nutte van de instelling: land- en tuinbouw, de wasserij, mattenmakerij, naai -en linnenkamer, maar ook werk zoals het ‚Äėlezen‚Äô (red: selecteren) van erwten en bonen. De pati√ęnt was een waardevolle werkkracht. De invoering van een beloningsstelsel voor pati√ęntenarbeid bleek de werkbereidheid van de verpleegden te stimuleren.
Een beloning met tabak of sigaren voor de mannelijke pati√ęnten was wel gebruikelijk. Als compensatie voor de vrouwelijke pati√ęnten besloot de Commissie van Bestuur in 1910 dat: ‚ÄúVoor de werkende vrouwelijke pati√ęnten voortaan viermaal daagsch √©√©n van de 2 kopjes thee ofkoffie zal gesuikerd zijn.‚ÄĚ
In 1920 werden gestichtsmunten uitgegeven, waarmee de pati√ęnten in de gestichtswinkel allerlei zaken konden kopen. Pati√ęnten konden de munten verdienen, als ze zich voldoende hadden ingezet op een van de beschikbare werkterreinen.

Werkploeg van pati√ęnten in gestichtskleding. Pas rond 1940 werd deze kleding afgeschaft.
Werkploeg van pati√ęnten in gestichtskleding. Pas rond 1940 werd deze kleding afgeschaft.

Bezigheidstherapie

Na de Tweede Wereldoorlog is er vernieuwing ontstaan in genoemde aanpak. De begeleiding van gewonde militairen door psychologen bestond uit therapeutisch werken. Als gevolg van revalidatie van oorlogsslachtoffers en militairen ontstond ‚Äėwelfare werk‚Äô en revalidatie en daaruit kwamen de sociale werkplaatsen voort. In 1947 werd de ‚ÄėWet plaatsing minder valide arbeidskrachten‚Äô van kracht. De naam inrichting werkte stigmatiserend en gaf voeding aan het wijdverbreide begrip dat opname een definitieve en ver van de samenleving verwijderde opbergplaats was. Om deze misvatting een halt toe te roepen, werden de inrichtingen ziekenhuis of centrum genoemd, een naamgeving die weer uitzicht gaf op herstel en teruggang naar de eigen omgeving.

In de periode van economische bloei groeide de sociale werkvoorziening, die ook toegankelijker werd voor psychiatrische pati√ęnten. Toen in 1967 de psychiatrische zorg onder de AWBZ kwam te vallen, werden de budgetten jaarlijks verhoogd en was er ruim voldoende geld om nieuwe activiteiten te ontwikkelen voor arbeid en dagbesteding.
In het begin van de (negentien)zeventiger jaren ontstond de eerder genoemde beweging die ‚Äėanti-psychiatrie‚Äô wordt genoemd, met een humane en gelijkwaardige benade-


Jaarboek 32, pagina 9

ring van pati√ęnten. Creativiteit en zelfbeschikking staan voorop en men gaat uit van het ‚Äėgezonde‚Äô deel van de mens. Arbeid was niet meer het uitgangspunt. Het hebben van een zinvolle dagbesteding werd belangrijk geacht. Dagbesteding bestond niet langer uit werken in de zin van arbeid, maar ook werken aan jezelf door middel van creatieve-, bewegings- en bezigheidstherapie. Er kwam een einde aan het beloningssysteem van goed gedrag en het straffen van onaangepast gedrag. De gelijkwaardigheid werd vorm gegeven in behandelplannen. Pati√ęnten en behandelaars sloten met elkaar een overeenkomst over het te volgen behandelbeleid. Er is verschil tussen pati√ęnt en behandelaar, maar als mens ben je gelijkwaardig. Behandelingen kregen daardoor meer kans van slagen.

Als we de tegenwoordige situatie bezien, is duidelijk dat er ook hier, door de marktwerking, een zakelijke benadering is gekomen. Tal van ondersteunende behandelmethoden worden onvoldoende tot niet vergoed door verzekeraars met als gevolg dat onder andere dagbestedingsactiviteiten zullen verdwijnen. Gelukkig is de behandelovereenkomst vastgelegd in een wet, waardoor gelijkwaardigheid gewaarborgd lijkt te zijn.

Bedverpleging in paviljoen Breehorn (1939).
Bedverpleging in paviljoen Breehorn (1939).

Verpleging en behandeling

Als je werd opgenomen in een algemeen of psychiatrisch ziekenhuis of sanatorium, dan was bedverpleging gebruikelijk. Opname op Duin en Bosch hield in dat je de eerste weken op een afdeling werd geplaatst waar je werd geobserveerd. Voor de verpleegkundigen, die in die tijd broeder en zuster werden genoemd, was het een hele toer om alles rustig en beheersbaar te houden.
Hoewel binnen een strak kader werd gewerkt, ging men wel zorgzaam en zorgvuldig met de pati√ęnten om. Deze begrippen staan vandaag de dag sterk onder druk vanwege de marktwerking in de zorg.

De broeders en de zusters deden hun uiterste best om het leven in een psychiatrisch ziekenhuis leefbaar te houden. Van groot belang bij de behandeling en verpleging was de komst van de actievere therapie, waarmee en waardoor pati√ęnten een vorm van dagritme kregen en het leven geen sleur werd.
Medicatie bestond niet. Als het echt uit de hand liep en mensen bijzonder onhandelbaar waren, gaf de psychiater wel eens morfine, maar men wist toen al dat dit verslavend kon werken. Ook was er de permanente badtherapie, waarbij door middel van warm water en een prikkelarme omgeving rust werd bewerkstelligd.

Een andere vorm van behandeling, met name bij onrustige pati√ęnten, was het inwikkelen. Pati√ęnten werden in natte doeken gewikkeld en men liet ze drogen. Dit was een erg pijnlijke behandeling, die al snel door de inspectie werd verboden.
Een andere behandelmethode was de insulinekuur, waarbij mensen in een vorm van bewusteloosheid werden gebracht. Deze behandeling werd gebruikt bij mensen die leden aan een depressie. Er kwam veel verpleegkundig en medisch inzicht aan te pas om deze behandeling goed te laten verlopen. Ook hier weer gelden de sleutelbegrippen ‚Äėzorgzaam en zorgvuldig‚Äô. Zo werd van verpleegkundigen veel tact en begrip gevraagd bij de toepassing van de elektroshock therapie. Naast het verpleegkundig bezig zijn moesten de verpleegkundigen ook actief meewerken bij de arbeid en dagbesteding, een ondersteunende behandelmethode die uitgegroeid is tot een zelfstandig vakgebied.

Pas in 1948 komt het eerste medicijn op de markt, een antipsychoticum met de naam Largactil. Een uitvinding! Bijna alle oudere behandelmethoden, behalve de elektroshock therapie, werden overbodig. Largactil is de start geweest van de ontwikkeling van een reeks van anti-psychotica en anti-depressiva.
Mede door het ontwikkelen van medicatie ontstaat er een andere wijze van verplegen. Ook krijgt het een socio-therapeutisch karakter en werd er uitgegaan van wat de pati√ęnt nog kon. Er ontstond een scala aan ondersteunende behandelingen en de functie van verpleegkundige ging meer in de richting van begeleiden en resocialiseren.
Voor de cli√ęnt – door deze naamgeving is de afhankelijkheid grotendeels verbannen – ontstaat een keuzemogelijkheid ten aanzien van behandelingen: de psychomotore-, de creatieve- en de drama-therapie. Ook ontstaan er andere vormen van klinische opname, zoals poliklinische behandeling en opname in een socio-therapeutisch centrum. De cli√ęnt krijgt inzagerecht in de verslag legging en is en blijft zelfstandig. Helaas is een aantal mogelijkheden verdwenen, deels door een andere visie op psychiatrie en deels door bezuinigingen.

Al deze behandelmethoden vragen van verpleegkundigen veel inzet en deskundigheid die zij kregen door hun opleiding. De opleiding tot verpleegkundige is op een hoger niveau gebracht, waardoor deze beter beantwoordt aan de medische eisen.


Jaarboek 32, pagina 10

Recreatie

Vanouds heeft men getracht om het inrichtingsleven te verlichten. Vroeger deed men dit vooral door onder andere te wandelen, soms met muzikale begeleiding door de fanfare van het ziekenhuis. Dat niet iedereen daar blij mee was laat een verslagje zien uit de bestuursvergadering van het toenmalige VVV uit Castricum met als datum 14 december 1926. ‚ÄúOpgemerkt wordt, dat ‚Äôt meermalen voorkomt, dat pati√ęnten van D. en B. in groote groepen onder geleide in het dorp of langs de Zeeweg wandelen, of zich op het strand bevinden. Dit wordt niet in het belang van ‚Äôt vreemdelingenverkeer geacht.‚ÄĚ

Pati√ęnten gingen rond 1970 op vakantie naar Spanje onder de hoede van dokter Breetveld.
Pati√ęnten gingen rond 1970 op vakantie naar Spanje onder de hoede van dokter Breetveld.

Zeker is wel dat de middenstand in Castricum geprofiteerdheeft van de bestedingen van pati√ęnten van Duin en Bosch. Er werd wekelijks een bedrag aan de pati√ęnten gevraagd voor de afdelingskas, waaruit dit alles werd gefinancierd. Er waren vakanties naar het buitenland of naar de Veluwe en Zuid Limburg. Er werden dagtochtjes gemaakt en bij al deze activiteiten waren verpleegkundigen nodig om dit alles te begeleiden. Denk niet dat het voor het personeel een uitje was, want je had een enorme verantwoording en je nam die ook.

De jaarlijkse afdelingsfeesten waren ook een goede gelegenheid voor contact tussen het verplegend personeel en familie van de pati√ęnten.ÔĽŅ
De jaarlijkse afdelingsfeesten waren ook een goede gelegenheid voor contact tussen het verplegend personeel en familie van de pati√ęnten.

Laten we tenslotte vooral de Sinterklaasfeesten niet vergeten. Bij mij is het geloof in de ‚Äėgoedheiligman‚Äô weer terug, omdat ik hem zelden zo dikwijls op dezelfde dag heb ontmoet!
De kerstdagen werden uitvoerig, maar ook ingetogen gevierd.
De jaarlijkse afdelingsfeesten voor familieleden en vrienden van de pati√ęnt waren een ontmoetingspunt voor personeel en familie. Heel belangrijk!

Met de intrede van de eigen bijdrage in het kader van de AWBZ werden de budgetten krapper. Ook werd het voor de instelling te prijzig om steeds maar weer personeel in te zetten voor feestelijkheden. Ook hier een gevolg van de marktwerking in de zorg. Jaren geleden is een rapport uitgebracht over de verveling op afdelingen met de titel: ‚ÄėEen keten van lege zondagen‚Äô. Het zou nu weer actueel zijn. Pati√ęntenzorg is bekneld geraakt in het economische krachtenveld en steeds veranderende bekostigingsregelingen.

Jan Camps

Bronnen:

  • Boer, N. de, Psychiatrie in Westfriesland 1600-2000, Zwolle 2004.
  • Glastra, J., Een ziekenhuis op drift, De evacuatie van Duin en Bosch, 18e jaarboek Oud-Castricum, 1995.
  • Kleffens, P. van, Het provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch te Bakkum, gedenkschrift ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan, Haarlem 1959.
  • Vijselaar, J., Gesticht in de duinen, de geschiedenis van de provinciale psychiatrische ziekenhuizen van Noord-Holland van 1849-1949, Hilversum 1997.

Jan Camps, schrijver van dit artikel, kwam in september 1970 in dienst van het ziekenhuis Duin en Bosch. Na de verkorte opleiding tot B-verpleegkundige werd hij 1e verpleegkundige op de opname afdeling voor mannen in paviljoen De Loet.
In 1974 stapte hij over naar de Sociaal Psychiatrische Dienst (tegenwoordig RIAGG) in Amsterdam en vandaar uit werd hij groepsleider in een Socio- therapeutisch Centrum.
Vanaf 1980 tot 2005 vervulde hij bij Duin en Bosch weer tal van functies. De laatste 10 jaar was hij onder andere plaatsingsco√∂rdinator, co√∂rdinator van het onderzoek Cannabis en Schizofrenie, secretaris van de Clozapine Plus Werkgroep, bibliothecaris Medische Bibliotheek en beheerder van het museum Breehorn. Hij stond aan de wieg van het Nederlands Museum voor de Psychiatrie ‚Äėhet Dolhuys‚Äô te Haarlem, waar hij ook rondleidingen geeft.


Jaarboek 32, pagina 11

Het administratiegebouw op Duin en Bosch in Bakkum.
Het administratiegebouw op Duin en Bosch in Bakkum.

Enige jaartallen uit de geschiedenis van Duin en Bosch

1902  Provinciale Staten besluiten Gedeputeerde Staten te machtigen tot de aankoop van gronden voor de bouw van een krankzinnigengesticht in Castricum. Besloten werd het nieuwe gesticht de naam Duin en Bosch te geven.

1904  Dependance geopend aan de Zwanenburgwal in Amsterdam. De bouw van Duin en Boschbegint. Aanleg van de ‚ÄėGestichtsweg‚Äô, later ‚ÄėDuinenboschweg‚Äô genoemd.

1903  Dr. J.W. Jacobi aangesteld als geneesheerdirecteur. Gekozen wordt voor het paviljoensysteem.

1907 Bouw van de dokterswoningen aan de Van Oldenbarneveldweg.

1909 Eerste vergadering commissie van bestuur op 18 mei.

1909 Op 25 mei arriveren de eerste pati√ęnten uit Amsterdam.

1914 Tramverbinding met het station gerealiseerd.

1916 Op 5 december overlijdt dr. Jacobi en hij wordt overeenkomstig zijn wens op het ziekenhuis-kerkhof begraven.

1918 De naam ‚ÄėGesticht Duin en Bosch‚Äô wordt veranderd in ‚ÄėProvinciaal ziekenhuis Duin en Bosch‚Äô.

1926 Actievere therapie volledig ingevoerd. Ruim 85 procent van de pati√ęnten was hierbij betrokken.

1935 Paviljoen Breehorn voor opname van 158 pati√ęnten gerealiseerd.

1940 Paviljoen ‚ÄėHoograde‚Äô getroffen door bommen. Er vallen twee doden.

1948 De eerste medicijnen, antipsychotica, komen beschikbaar.

1942 Het ziekenhuis moet op last van de bezetter worden ontruimd. Pati√ęnten worden gedurende de oorlogsjaren elders in het land ondergebracht.

1959 Voor bewegingstherapie wordt een gymnastieklokaal gebouwd.

1963 Sluiting begraafplaats op het terrein.

1967 Psychiatrisch ziekenhuis te Medemblik opgeheven. Personeel en pati√ęnten komen naar Duin en Bosch.

1968 De commissaris der koningin Prinsen opent het nieuwe zusterhuis dat 100 zitslaapkamers bevat.

1975 Periode van renovatie en vervolgens nieuwbouw van paviljoens.

1994 Het ziekenhuis wordt verzelfstandigd en wordt een stichting onder de naam ‚ÄėPsychiatrisch Ziekenhuis Duin en Bosch‚Äô. Start van een periode van meer spreiding van de zorg en oprichting regionale behandelcentra.

2004 Fusie met Riagg Midden-Kennemerland en Riagg Zaanstreek/Waterland. De nieuwe naam wordt ‚ÄėGGZ Dijk en Duin‚Äô.

2008 Fusie met de Parnassia Bavogroep. Oprichting ‚ÄėBV Dijk en Duin‚Äô.

Duin en Bosch, begraafplaats (Jaarboek 22 1999 pg 29-31)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Duin en Bosch in Bakkum:
Duin en Boschbegraafplaatsevacuatiepati√ęntenzorgtrammetje
Extra: JacobiJacobi gezin en grafmonument – Broeder Krist vertelt …


Jaarboek 22, pagina 29

 

De begraafplaats van Duin en Bosch

 

Toen het provinciaal psychiatrisch ziekenhuis Duin en Bosch in 1909 in gebruik werd genomen, was de organisatie zodanig geregeld dat het helemaal in de eigen behoeften kon voorzien. Op bijna geen enkele wijze was men afhankelijk van de omgeving. In de centrale werkplaats werd de benodigde elektriciteit opgewekt, men beschikte over een wasserij. Een ingenieus systeem zorgde ervoor dat de fecali√ęn en het was- en afvalwater via een apart riool over de zogenaamde vloeivelden werd verspreid teneinde de schrale duingrond nog enigszins vruchtbaar te maken. Een smalspoor verbond de paviljoens onderling: het maakte het vervoer van voedsel, gewassen kleding en andere zaken mogelijk. De tramlijn naar het station Castricum maakte Duin en Bosch tot een dorp op zich.
En …er was de begraafplaats.

In het begin van de 20e eeuw heerste in wetenschappelijke psychiatrische kringen de opvatting dat de psychiatrie het meest duidelijk gedefinieerd kan warden als de leer der hersenziekten.
De deskundigheid van de psychiater was gelegen in zijn kennis van de anatomie der hersenen. Het bestuderen van de microscopische anatomie van de hersenen van overleden pati√ęnten bood de mogelijkheid uiterst geringe afwijkingen te ontdekken, die men in samenhang met de waargenomen ziektebeelden trachtte te brengen.
Dat verklaart de betekenis van de Duin en Bosch begraafplaats, maar sterker nog van het gebouw dat zich bij de ingang bevindt: het anatomiegebouw. Het gebouw met de voor de architectuur van het ziekenhuis zo karakteristieke ‘vakwerkstijl’.
De volgorde van de bouw van het ziekenhuis was als volgt: eerst werd de tramlijn gerealiseerd, daarna de twee opzichterswoningen aan de zuidkant van het ziekenhuis en daarna het gebouw voor anatomie. Daarin bevonden zich: “een lokaal voor het opbaren van de overleden pati√ęnten, een vertrek met een katafalk voor de begrafenissen en een wachtkamer voor de familie van de overledene. In de andere helft van het gebouw was de sectiekamer en daarnaast twee vertrekken voor het laboratorium. Een van die vertrekken was bestemd voor het macroscopisch bewerken van preparaten, het tweede voor het vervaardigen en bestuderen van microscopische preparaten. Een donkere kamer voor fotografie sloot zich hierbij aan, terwijl op een zolder de gelegenheid was tot het inrichten van een museum voor het tonen van buitengewone hersenweefsel-coupes”, aldus dr. J.W. Jacobi in zijn secure rapportage in het jaarverslag van 1909.

Bijzondere betekenis

De begraafplaats is gelegen aan de oostzijde van het ziekenhuisterrein. In cultuurhistorisch opzicht is het een belangrijke plaats, omdat het een beeld geeft van de bejegening van de overleden pati√ęnten en van de personeelsleden die er een laatste rustplaats kregen.
De opmerkelijke hi√ęrarchie die er bestond rondom de plek waar verpleegden en functionarissen begraven werden, schetsen de opvattingen van destijds. Er zijn graven van mensen die in de geschiedenis van Duin en Bosch en de Castricumse gemeenschap een belangrijke functie vervulden, maar ook graven van jonge mensen waarvan het overlijden diepe indruk maakte bij de Bakkumse bevolking.

De begraafplaats was verdeeld in twee afzonderlijke gedeelten: een deel was bestemd als algemene begraafplaats en het andere deel was voor rooms-katholieke overledenen. In beide delen waren drie klassen te onderscheiden. De eerste klasse was voor hogere en middelbare ambtenaren, de tweede klasse voor het overige personeel en de derde klasse voor de pati√ęnten.
Als de Commissie van Bestuur daarvoor toestemming verleende, was het geoorloofd de lijken van de leden van het gezin van het personeel, met inachtneming van de bovenvermelde klassenverdeling, hier te begraven. Een begrafenis vond in de regel plaats tussen 10 en 12 uur.

Alle overledenen werden naar de begraafplaats gedragen: bij de teraardebestellingen in de 1e en 2e klasse door tien, en bij begrafenissen in de 3e klasse door acht dragers. De dragers werden door de geneesheer-directeur uit het verplegend personeel aangewezen.

De oude graven, de schelpenpaadjes en de monumentale iepen geven de niet meer in gebruik zijnde begraafplaats een mysterieuze en rustige sfeer.
De oude graven, de schelpenpaadjes en de monumentale iepen geven de niet meer in gebruik zijnde begraafplaats een mysterieuze en rustige sfeer.


Jaarboek 22, pagina 30

De voorganger en de dragers waren bij een begrafenis verplicht in het zwart gekleed te gaan. Deze kleding werd door het ziekenhuis verstrekt. Bij begrafenissen in de 1e klasse werd voor elk lijk een afzonderlijk graf gemaakt. In de 2e en de 3e klasse was een graf voor drie overledenen bestemd. Als er van de overleden verpleegden geen nabestaanden waren of de familie geen grafsteen kon bekostigen, droeg het ziekenhuis zorg voor het plaatsen van een zwart houten kruis.

Het anatomiegebouw in de beginjaren van Duin en Bosch.
Het anatomiegebouw in de beginjaren van Duin en Bosch.

Het anatomiegebouw in de huidige situatie (in 1999).
Het anatomiegebouw in de huidige situatie (in 1999).

De graven

Een schilderij met de begraafplaats vol in beeld en gedateerd 20 mei 1920 is te bewonderen in het museum ‘Het Oude Huys’. Het geeft, gelet op de gedetailleerde wijze van schilderen, een betrouwbaar beeld van hoe het er toen, in 1920, uit zag. Er zijn 15 houtenkruizen te zien. In de 3e klasse zijn 29 grafmonumenten geschilderd. In de 1e en 2e klasse afdeling zijn 9 graven te onderscheiden. Dominant aanwezig is de grafzuil van de eerste directeur, dr. J.W. Jacobi. Het is een granieten obelisk omgeven door een fraai gesmeed hekwerk. Jacobi genoot veel respect en waardering onder de ziekenhuisbevolking. Het verhaal gaat dat het personeel dit ooit fraaie monument met stuivers, dubbeltjes en kwartjes heeft bekostigd.

Het laatste personeelslid dat hier, in 1953, een rustplaats kreeg, was de beer W. E. van Keeken, destijds administrateur van bet ziekenhuis en een bekende man in Bakkum vanwege zijn grote verdienste voor de tennissport. Hij was mede oprichter van de Bakkumse tennisclub, die ooit in Duin en Bosch van start is gegaan. De tennisbaan lag links aan het einde van de Beukenlaan op de plaats waar nu Westlinge D te vinden is. Van Keeken beijverde zich als bestuurslid van de landelijke tennisbond voor het beoefenen van de tennissport door de jeugd. Het jaarlijks georganiseerde internationale jeugdtoernooi aan de Vinkebaan draagt daarom terecht zijn naam.

Er is een bijzonder graf dat links van de ingang te vinden is en dat uit twee stenen bestaat. Het is het graf van Gerrit en Henk Koeman, zonen van een verpleger, die in de huizen van Duin en Bosch (nu gelegen aan de Van Duurenlaan) woonde. Gerrit overleed in 1928 na een ernstige infectieziekte. Zijn broer Henk kwam op tragische wijze om het leven door een ongeval in het stukje duin tegenover het huis van zijn ouders, om precies te zijn op de plaats waar zich nu de tuin van Professor Winklerlaan 7 bevindt. Het was in 1930, Henk was 13 jaar oud. Het was herfstvakantie en met vrienden had hij een hut gebouwd, een diepe kuil gegraven en deze afgedekt met boomstammetjes, takken en bladeren. Een onzichtbare hut, dat was de bedoeling. Op een gegeven moment toen Henk alleen in de hut was, stortte deze in. De andere jongens konden met hun blote handen weinig beginnen en renden naar Henks huis om hulp te halen, maar helaas duurde dit te lang. Na enige tijd werd de jongen levenloos uit het zand gehaald.

En dan is er nog die kleine, ooit witte graf steen met als opschrift: ‘Hier rust onze lieveling Jan Blei. Geboren 10 Juli 1931. Overleden 24 Juli 1936’. Ook het verhaal rond de dood van Jan Blei zorgde voor heftige emoties. Zijn vader was eveneens verpleger in Duin en Bosch. Wat gebeurde er precies? De jongen was aan het spelen op ‘het duintje’, het deel van het dorp tussen de Van der Mijleweg en de grens van het ziekenhuis. Andere kinderen lieten er vliegers op. Op ‘het duintje’ stonden houten radio- antennepalen, waarop zich op de bovenkant een zinken kapje bevond, om inwateren tegen te gaan. Op een nooit meer te achterhalen wijze is √©√©n van die palen plotseling omgevallen en trof het hoofd van het spelende kind. Hij was op slag dood.

De functie wordt opgeheven

Op 20 mei 1960 vond de laatste begrafenis plaats. Het was een man van 66 jaar die in 1929 was opgenomen en dus 31 jaar in Duin en Bosch had gewoond. In 1963 werd het formele besluit genomen de begraafplaats definitief te sluiten. De vroegere wet op de lijkbezorging schreef voor, dat een niet meer gebruikte begraafplaats tenminste 30 jaar na de sluiting braak moest liggen.


Jaarboek 22, pagina 31

De plaats kon dus niet worden geruimd. Misschien hebben de beleidsmakers van het ziekenhuis toen de tekst van de wet iets te letterlijk gevolgd. De begraafplaats verloederde en verkeerde in desolate toestand. De tand des tijds deed zijn werk en vandalen gingen hun gang: grafzerken werden omgegooid, de paden raakten overwoekerd door onkruid. Het was de tijd die het einde van het ‘self-support’ karakter van het ziekenhuis inluidde: de tramlijn, tot dan toe nog noodzakelijk voor de aanvoer van cokes voor de centrale, werd opgeheven; de tramremise werd verplaatst en kreeg een andere functie: houtopslag voor de bouwkundige dienst.

De sluiting van de begraafplaats stond dus niet op zich zelf, maar paste in de ontwikkelingen van de tijd. De psychiatrie veranderde. Men ging beseffen dat de mens, onder wat voor omstandigheden dan ook, een individu is dat op zijn omgeving blijft reageren, en dat het om die reden van groot belang is dat de omgeving van een psychiatrisch ziekenhuis deel uitmaakt van zijn bestaan. Een aantal psychiatrische inrichtingen, onder andere ‘de Willibrordus’ in Heiloo, voegde in die tijd het woord ‘centrum’ toe aan hun oorspronkelijke naam, om daarmee aan te geven dat men het middelpunt wenste te zijn van de zorg voor geestelijk zieken, maar dan in samenhang met de omliggende gemeenschap.
Duin en Bosch hield zijn eigen naam, zonder nadere toelichting, maar bleef niet achter bij de trend: het realiseerde het cultureel centrum ‘de Clinghe’ met een zalencomplex dat niet alleen voor intern gebruik bestemd werd, maar waar ook de omgeving van het ziekenhuis van kon profiteren.
In 1969 werd in een oude duinboerderij, bij gelegenheid van het 60 jarig bestaan, een museum ingericht. De doelstelling van het museum is het veiligstellen en toegankelijk houden voor een breed publiek van het historisch bezit van het voormalig rijkskrankzinnigengesticht, later provinciaal ziekenhuis te Medemblik en van Duin en Bosch. De bezoekers kunnen, kijkend naar de talrijke voorwerpen uit het verleden, mogelijk een ander en misschien beter inzicht krijgen in de psychiatrische praktijk van nu.

Natuurmonument

In 1993 werden de begraafplaats en het omliggende duingebied tot natuurmonument verheven. De kwalificatie ‘monument’ dankt het aan een aantal onderdelen. De begraafplaats op zich is een monument maar ook de omgeving is bijzonder. De oorspronkelijke paden zijn weer in ere hersteld en worden omzoomd door 25 ‘monumentale iepen’ ; centraal op de plek staat een, in de entourage passende ‘treur- iep’. Alle bomen dateren uit de begintijd van het ziekenhuis. Ze zijn exclusief, omdat een iep, zo dicht bij de zee gegroeid, zelden een zo buitengewoon formaat heeft. Om ze tegen de iepziekte te beschermen, wordt de bast van de bomen jaarlijks ge√Įnjecteerd, teneinde de gevreesde schimmel op afstand te houden.

De grafzuil van Dr. J.W. Jacobi.
De grafzuil van Dr. J.W. Jacobi.

Tot slot: de voormalige begraafplaats is ook het unieke domein van een aantal vleermuissoorten. De dwergvleermuis bezoekt ‘s zomers het gebied om er zijn kostje bij elkaar te scharrelen. De vleermuis die eigenlijk in het gebied woont, is de grootoorvleermuis: een in Nederland steeds zeldzamer wordende soort, die zich ‘s winters schuil houdt op een zolder van de nabijgelegen Clinghe.

Gerrit Schumm

Bronnen:

  • Het jaarverslag van Duin en Bosch van 1909
  • Linda Kos, documentalist medische bibliotheek Duin en Bosch.

Duin en Bosch, evacuatie (Jaarboek 18 1995 pg 27-30)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Duin en Bosch in Bakkum:
Duin en Boschbegraafplaatsevacuatiepati√ęntenzorgtrammetje
Extra: JacobiJacobi gezin en grafmonument –¬†Broeder Krist vertelt …

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2:¬†Castricum in oorlogstijd¬†–¬†Dagboek kapelaans¬†– De dood van Arie Hageman –¬†Duin en Bosch, evacuatie¬†–¬†Duinkant, een verdwenen dorpje¬†– Oorlogsherinneringen Nardus Bos –¬†Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot¬†–¬†verzetsstrijders¬†–¬†Leenaers, dokter¬†–¬†tante Sientje


Jaarboek 18, pagina 27

Een ziekenhuis op drift

De evacuatie van Duin en Bosch

Juni 1942

Door velen werd het reeds gevreesd, door anderen mogelijk ver­wacht: maar in juni 1942 werd de directie van Duin en Bosch geconfronteerd met een aan duidelijkheid niets te wensen overla­tend bevel van de Duitse Wehrmacht tot ontruiming van het grote ziekenhuiscomplex met uitzondering van een paar bedrijfsgebou­wen, zoals ketelhuis, centrale, wasserij en keuken. Het bericht kwam voor de directie als een donderslag bij heldere hemel en betekende voor bewoners en personeel zonder meer op zeer korte termijn evacuatie naar oorden elders in het land. Ik sprak erover met personen, die er nauw bij betrokken waren en zich er alles van konden herinneren, al is het 53 jaar geleden. Zij wisten er dikwijls kleurig en boeiend over te vertellen. Dat sommigen van hen al niet meer onder ons zijn, is een onontkoombaar gegeven.

Limmen

De directie en de centrale boekhouding en administratie werden voorlopig ondergebracht in een van de dokterswoningen, maar ver­huisden evenwel spoedig naar een niet meer in gebruik zijnd schoolgebouw in Limmen. Van hieruit trachtten geneesheer-directeur dr. Teenstra en hoofdadministrateur Van Keeken plus een aan­tal medewerkers, contact te houden met de vier evacuatiebestemmingen in Warnsveld, Medemblik, Rosmalen en Den Dolder. Het onderhouden van deze contacten bleek later zeer moeilijk te zijn.

Warnsveld

“Ik werd met vele anderen aangewezen als begeleider van een groep van 195 mannelijke en vrouwelijke pati√ęnten voor evacuatie naar de psychiatrische inrichting ‘Groot-Graffel’ in Warnsveld”, vertelde me oud hoofd-verpleegkundige Arie Kossen, toen nog jong verpleger. De groep werd ondergebracht in twee paviljoens waarover dokter Ten Raa de leiding had. “De huisvesting kon nooit optimaal zijn, want Groot-Graffel kon normaal 700 mensen herbergen. Na ons arriveerde nog een groep vrouwen uit Santpoort, zodat er een overbezetting van 400 mensen was. De voedselvoorziening was aanvankelijk uitstekend, maar werd snel minder en er werd tenslotte bijna honger geleden. Een ‘zwaar’ onderhoud met de rentmeester van de stichting, een belangrijke figuur, leidde tot duidelijke verbetering, er kwam meer eten. De verstandhouding met het personeel van Groot-Graffel was zonder meer prima, er werd met elkaar gezongen, zelfs toneel gespeeld, kortom we werden gastvrij ontvangen door onze collega’s in het dorp, die huisvesting aanboden aan het gehuwde personeel van Duin en Bosch. Ik en mijn vrouw met wie ik in het gemeentehuis van Warnsveld trouwde, woonden op kamers bij een collega.”

Toen de voedselsituatie minder werd kon men bij boeren in de omgeving naast melk, ook nog lang rogge en tarwe bemachtigen. “Ik kocht bij een heel goede boer zelfs een big tegen de geldende prijs per kilo. Niks geen ‘zwart’. Ik bracht hem in een zak achter op de fiets naar huis”, lacht Arie Kossen bij de gedachte eraan. Het leven werd eind 1944, begin 1945 echt moeilijk toen Warnsveld in de frontlinie kwam te liggen. Het echtpaar Kossen bracht nog een dag of vier door in de kelder bij de buren, terwijl de granaten van de Duitsers en Canadezen en de gevreesde V1‚Äôs van de Duitsers over het dorp gierden. “Begin 1945 werd ik met andere collega ‘s bij toerbeurt tewerkgesteld bij het aanleggen van versterkingen en geschutsopstellingen voor de Duitsers. Ik zat midden in de winter aan de IJssel te kappen en te zagen voor 35 gulden in de week met zaterdags een worst en een brood mee naar huis.” Arie Kossen kan er boeiend en met zin voor humor einde¬≠ loos over vertellen.

Over het wel en het wee van de pati√ęnten schrijft dokter Ten Raa in zijn sober bijgehouden, maar veelzeggende dagboek over de laatste angstige maanden in Warnsveld:

  • 23 januari 1945 Vandaag veel onrust in de lucht, bommen en schieten.
  • 26 januari 945 Moordende koude, 15 graden beneden nul. Brand¬≠stoffen slinken onrustbarend.
  • 6 februari 1945 De hele dag bombardementen. Veel pati√ęnten van¬≠nacht onrustig. Huilen en schreeuwen.
  • 13 februari 1945 Rantsoenen vet en boter zeer sterk beperkt. Voor ongeveer 1500 pati√ęnten is nog zo’n 12 kg boter per week beschikbaar. Het middageten van de pati√ęn¬≠ten is ongeveer de helft van gewoonlijk. Kolen zijn op en er moet met hout worden gestookt.
  • 10 maart 1945 Door gebrek aan hout, stopt heden de centrale ver¬≠warming. Koude noordenwind, koud op alle zalen.
  • 28 maart 1945 Met opgewektheid gevierd het 25-jarig dienstjubileum van zuster Fekkes, vooral nu de gebeurtenis¬≠sen wijzen op een snel naderend einde van de oor¬≠log.
  • 31 maart 1945 Vanmiddag is alles op en om het terrein in oorlogsopstelling. De pati√ęnten van de zolders zullen beneden op de grond slapen. Alle mobiele pati√ęn¬≠ten blijven ‘s nachts in de kleren.
  • 4 april 1945 Om half twee ‘s middags begint een beschieting met granaten, die met korte onderbrekingen duurt tot 10 uur ‘s avonds. Na talloze granaatinslagen, die een mannelijke pati√ęnt doodden, kwam om 10 uur ‚Äės avonds nog mitrailleurvuur op ons mannen¬≠ paviljoen, waardoor 2 pati√ęnten op slag gedood werden. Toen kort na 1 uur vier voltreffers op ons vrouwenpaviljoen. Het was een hel toen de Canadezen door de gangdeuren naar binnen scho¬≠ten. Begeleid door broeder Nonnekes, die een branden¬≠de lantaarn omhooghield, kon ik de Canadese offi¬≠cier overtuigen, dat dit een ziekenhuis was en geen militaire vesting, zoals hij op zijn kaart had staan. Het was zijn opdracht het gesticht volkomen te vernietigen. Even na ons gesprek hield het artille¬≠rievuur op ons gesticht op.
  • 5 april 1945 Een helse nacht om nooit te vergeten. Alle pati√ęn¬≠ten tezamen gepakt met het personeel in de bene¬≠den gangen. Niemand sliep. Alle personeel hielp voortreffelijk in de allerzwaarste omstandigheden.

Tot zover het dagboek van dokter Ten Raa. De volgende dag was Groot-Graffel bevrijd. Vier pati√ęnten lieten het leven en in de loop van de evacuatie werden de enkele Joodse pati√ęnten, die van Duin en Bosch waren meegekomen, weggevoerd naar de vernietigings¬≠kampen in het oosten.


Jaarboek 18, pagina 28

“Het was een benauwde en angstige tijd, die je nooit meer ver¬≠geet,” aldus Arie Kossen. Zijn groep keerde het eerst terug op Duin en Bosch op 30 oktober 1945.

Medemblik

Met als einddoel het zusterziekenhuis in Medemblik kroop in die bewogen juni maand in 1942 een lange karavaan autobussen, vracht- en verhuiswagens richting IJsselmeer, waar 162 mannelij¬≠ke pati√ęnten en 40 personeelsleden zouden worden ondergebracht. De algemene leiding berustte bij dokter Kruytbosch; de dagelijkse leiding was in handen van zuster Frikkee.
Oud-verpleegster Jeanne Kriekaard (in 1994 overleden) was er bij en vertelde me haar ervaringen: “De ontvangst was uitermate har¬≠telijk en warm, het laatste niet in het minst door de grote ketels met stevige, smakelijke soep, die de keuken in Medemblik voor ons had bereid.” Die ontvangst was haast symbolisch voor de fijne verstandhouding, die er in die lange evacuatietijd was ontstaan. Het ziekenhuis kende niet als Duin en Bosch paviljoens, maar het ‘bloksysteem’, waarbij de bevolking eigenlijk onder √©√©n dak woont, dat wil zeggen in twee grote vleugels en een hoofdgebouw. De Duin en Bosch-bewoners werden in een aantal door de Medemblikker pati√ęnten ontruimde zalen ondergebracht, terwijl een grote werkzaal als ziekenzaal werd ingericht. Het ongehuwde personeel van Duin en Bosch werd in slaapkamertjes gehuisvest op de bovenverdieping, terwijl de gehuwden al redelijk snel onderdak vonden in het stille stadje.

Hoofdgebouw te Medemblik.
Hoofdgebouw te Medemblik.

“In het ziekenhuis mengden onze mannen zich al gauw onder de Medemblikkers, omdat sommige zalen eigenlijk gewoon in elkaar overliepen. Het ging wederkerig en ‘s avonds was het vaak √©√©n grote familie en een en al gezelligheid. Tussen de personeelsleden waren de relaties eveneens prima, wat later zou blijken uit een handvol huwelijken, die er werden gesloten. Het eten was er heel lang goed en voldoende, maar in de laatste winter werd het steeds meer mondjesmaat net als overal. Licht en verwarming waren er de laatste maanden nauwelijks meer. Grote met hout gestookte en soms bar rokende en stinkende kachels zorgden nog voor wat behaaglijkheid. Het water werd tenslotte tot een minimum gerant¬≠soeneerd”, aldus Jeanne Kriekaard, die een trieste herinnering had aan die dag in maart 1944 toen de Duitsers 9 Joodse pati√ęnten van Medemblik en Duin en Bosch wegvoerden naar Auschwitz, waar ze het leven lieten. “We waren machteloos en verslagen”, besloot ze haar verhaal.

Aanvankelijk als huishoudelijke hulp, later in de grote keuken werkzaam heeft Gr√© Froma – Zonneveld aan die jaren in Medemblik – ondanks alles – veel goede herinneringen. “De verstandhouding tussen het interne perso¬≠neel van Medemblik en ons was prima en er ontston¬≠den van lieverlede hechte relaties tussen de broeders van Medemblik en de zusters en dienstmeisjes van Duin en Bosch. Op Duin en Bosch vond men in die jaren de omgang van broeders met dienstmeisjes maar zo zo”, wil ze even kwijt. Een sterke, angstige herinnering heeft ze aan 15 januari 1945 toen zo’n 100 man Gr√ľne Polizei en Wehrmacht een grote razzia hielden in het ziekenhuis, dat – overigens niet ten onrechte – door de Duitsers werd beschouwd als een broeinest van verzet en een verblijfplaats voor onderduikers. “Ik werd uit de keuken gehaald en door de beruchte Fischer, commandant van de Gr√ľne Polizei, gesommeerd hem de weg te wijzen boven in het hoofdgebouw, waar hij kennelijk niet vond wat hij zocht. Ik ging trillend op mijn benen weer met hem naar beneden. Veel later hoorde ik dat zich op zolder een bekende Medemblikker ver¬≠zetsman schuilhield. In de vroege ochtend van die dag werd een aantal uitwonende personeelsleden – op weg naar hun werk- op een hoop gedreven en voor verhoor meegenomen naar het hoofdkwartier van de Gr√ľne Polizei. De meesten werden vrij snel weer losgelaten, een paar moesten voor een verder verhoor naar Alkmaar, maar ook zij keerden gauw terug, behalve een paar broeders van Medemblik, die naar Duitsland werden getransporteerd. Een aantal jonge Medemblikker verplegers – bevreesd voor de Arbeitseinsatz in Duitsland – bracht de dag door in de verwarmingskelders, die zich onder het gehele complex uitstrekten. Ze kwamen na vertrek van de Duitsers weer te voorschijn, al hadden ze wel angstige ogenblikken gekend.”

Pati√ęnten en personeel ge√ęvacueerd in Medemblik.
Pati√ęnten en personeel ge√ęvacueerd in Medemblik.

Wat haar het meest is bijgebleven, was de beschie­ting van een kleine Nederlandse vrachtboot door een Engelse Typhon op het IJsselmeer vlak onder de haven van Medemblik een paar weken vóór de bevrijding. Met een aantal doden en gewonden aan boord meerde de boot af langs het ziekenhuisterrein aan de Westerhaven, waar al snel de nodige en nog mogelijke hulp werd geboden. Een paar oudere Duin


Jaarboek 18, pagina 29

en Bosch-zusters begeleidden de gewonden op een met stro en strobalen bedekte boerenwagen met een witte vlag naar het zie¬≠kenhuis in Enkhuizen: een gevaarlijke onderneming met die vlieg¬≠tuigen in de lucht. Toen de Bevrijdingsdag eindelijk kwam, werd de etensbel aan de muur van het hoofdgebouw uitbundig geluid (hij prijkt nu naast het Duin en Bosch-museum in een klokkenstoel). “Ja, je was blij, maar toch timide en triest om wat er gebeurd was, het fusilleren van drie Medemblikker personeelsleden. Je kende ze allemaal zo goed”, besloot Gr√© Froma haar verhaal.

De aankomst in juni 1942De aankomst in juni 1942 op 'Coudewater' te Rosmalen.
De aankomst in juni 1942 op ‘Coudewater’ te Rosmalen.

Rosmalen

“Die evacuatie kwam als een donderslag bij heldere hemel. De nacht v√≥√≥r het vertrek sliepen we met de vrouwen in het stro, omdat ledikanten en bedden al in de vrachtauto’s waren geladen”, vertelde hoofdverpleegster Chris Commandeur mij’ toen ik twee jaar geleden met haar sprak over de evacuatie naar het R.K. Gesticht ‘Coudewater’ in het Brabantse Rosmalen. Met haar colle¬≠ga en huisgenote Jeanne Holtrop vergezelde ze een groep van 159 vrouwen, die onder supervisie van mevrouw dokter Aukes moes¬≠ten verhuizen naar het zuiden des lands. De pati√ęnten werden ondergebracht in een tweetal ontruimde paviljoens, het personeel in het zogeheten ‘Sanatorium’. Toen er later nog 200 mensen uit ‘Oud-Roosenburg’ bij Loosduinen en 150 uit Noordwijkerhout bij kwamen, moest het personeel zich in de dorpen Berlicum en Rosmalen vestigen. Hoe was het contact met het personeel van Coudewater? “Er was heel weinig contact, de omgang was bijna gereserveerd. Mogelijk speelde daarbij de katholieke signatuur van het gesticht wel een rol; we leefden eigenlijk helemaal apart en dat was onder de gegeven omstandigheden toch wel vreemd”, aldus de zusters. “De voedselvoorziening was bepaald goed te noemen. Dank zij een eigen boerderij, waarvan de verbouwde tarwe, rogge en peulvruchten nooit werden ingeleverd bij de Duitsers, was er haast geen gebrek, terwijl de keuken in 1944 toch voor zo‚Äôn 1500 mensen moest zorgen”, weet Chris Comman¬≠deur. “Er werd ook regelmatig clandestien geslacht. Nee, honger hebben we nooit geleden zoals de mensen in Den Dolder, al kon¬≠ den wij het moeilijk begrijpen dat de pati√ęnten van hun klasse-afdeling ondanks de schaarste altijd betere en ruimere voeding kregen, terwijl iedereen toch dezelfde bonkaarten had.”

De zusters willen het zo veel jaren later nog wel even kwijt. Ontspanning was er vrijwel niet en daarvoor was ook geen gele¬≠genheid toen van medio tot eind 1944 de Engelsen en Canadezen gestaag oprukten in het zuiden en Coudewater in de frontlinie kwam te liggen. “Een angstige tijd door de schietpartijen en bombardementen over en weer. De pati√ęnten werden in de kelders van de paviljoens ondergebracht waar ze beschermd waren tegen bomscherven. Het was gewoon een hel als de granaten over Coudewater gierden en de bommen insloegen, terwijl je ‘s nachts de vrouwen in de kelders moest verzorgen en verschonen. Velen waren incontinent. We konden er amper rechtop staan”, herinne¬≠ren de zusters zich nog maar al te goed. Overigens vielen er geen slachtoffers, behalve een zuster uit Oud-Roosenburg, die door een granaatscherf werd getroffen en gewond werd. Op 24 oktober werd Coudewater door de Engelse troepen bevrijd. “Ik was die dag jarig en had me geen mooier verjaardagscadeau kunnen wensen”, aldus Jeanne Holtrop.
Toch zou het nog ruim een jaar duren – om precies te zijn op 20 november 1945 – dat de groep ‘Rosmalen’ weer op haar oude paviljoens Vrouwen I en Vrouwen II van Duin en Bosch terug¬≠ kwam en aan een bange tijd een einde kwam.
De zusters Holtrop en Commandeur zijn in 1993 en 1994 overle­den.

Den Dolder

Ook al eiste direct oorlogsgeweld geen slachtoffers onder pati√ęnten en personeel, de evacuatieperiode in Den Dolder zou de meest rampzalige, de zwartste bladzijde in de oorlogsgeschiedenis van het zieken¬≠huis worden. Van de 254 mannen en vrouwen, die juni 1942 een ander onderkomen vonden in een tweetal paviljoens van de Willem Arntzhoeve, stierf van juni 1942 tot december 1946 ongeveer 25%. Een schrikbarend sterftecijfer, dat zijn oorsprong vond in het vanaf 1942 stijgend voedselgebrek, in de kou op de tenslotte onverwarmde zalen en in de onmoge¬≠lijkheid hen – ondanks alle zorg en inzet van het per¬≠ soneel – de verzorging en behandeling te geven, die zij nodig hadden.
Evenals de evacu√©s van Rosmalen sliepen de pati√ęnten van Vrouwen II en Vrouwen III de laatste nacht in het stro, omdat de ledikanten en bedden al de dag ervoor naar Den Dolder waren vervoerd, waar een paar personeelsleden de slaapgelegenheid zo goed mogelijk hadden verzorgd.

Een van hen was oud-verpleegster Hilde Nienhuis. Zij wist er nog heel veel van te vertellen. “Het verkeer langs de route door Amsterdam was voor de Duin en Bosch karavaan speciaal omge¬≠leid. Dokter Graafland (later werd hij vervangen door dokter Elderson) en hoofdzuster Ruisaart hadden de leiding. We werden vriendelijk ontvangen en de relatie met onze collega’s van de Willem Arntzhoeve was en bleef ook heel prettig. Ja, alles liet zich in het begin goed aanzien, maar dat zou in de loop van de tijd ver¬≠anderen. De voedselrantsoenen werden steeds kleiner en de opge¬≠slagen voorraden in de centrale vestiging in Limmen waren al gauw als een druppel op een gloeiende plaat. Kwam er eens wat extra’s, dan belandde dat vaak op de klasse-afdeling van de W.A. hoeve in plaats van bij ons. Het verbaasde ons nauwelijks sinds de leiding van het ziekenhuis door een N.S.B.-directeur was vervan¬≠gen. Hoewel het nabijgelegen vliegveld Soesterberg regelmatig door de geallieerde luchtmacht werd gebombardeerd en twee paviljoens van de inrichting werden getroffen, vielen onder onze mensen geen slachtoffers.


Jaarboek 18, pagina 30

De Jodenvervolging, die zich in 1943 ook tot ziekenhuizen en psy¬≠chiatrische inrichtingen uitstrekte, was een andere bedreiging. Het personeel had al direct de namen van de vijf of zes Joodse mensen uit hun kleding gehaald en bij een razzia week een zuster via een achteruitgang met hen uit naar een blokhut in het bos, die een vei¬≠lige haven bleek. In 1944 was er geen verwarming meer, moest het water uit twee bronnen op het terrein worden gehaald en lag de wasserij stil. We wasten vuil lijf- en beddengoed met ‘luchtzeep’ in koud water in de badkuipen, ook besmet goed, want er was een dysenterie-epidemie onder de pati√ęnten uitgebroken, die steeds meer slachtoffers maakte. Daarbij kwam tot overmaat van ramp de schurft, die we haast niet meer konden behandelen, omdat er geen desinfectiemiddelen waren. Het werd een ware ramp. Veel mensen stierven door de kou, door gebrek aan voedsel en geringe weerstand. Voor de doden waren geen kisten meer; ze werden in een papieren zak gewikkeld en op een grote kar naar het kerkhof vervoerd. Heel luguber allemaal”, aldus Hilde Nienhuis, die de Joodse pati√ęnten van de Willem Arntzhoeve staande in vrachtau¬≠to’s zag wegvoeren. “Het was afschuwelijk en we konden niets voor hen doen, we waren machteloos”, verzucht ze nu nog zoveel jaren later.
In december 1946 arriveerde haar groep na vier verschrikkelijke jaren weer op Duin en Bosch. Velen van hen, in 1942 vertrokken, hadden het niet overleefd.

Terug naar Bakkum

Wat was er sinds juni 1942 met het leegstaande Duin en Bosch gebeurd? De verlaten paviljoens boden al gauw huisvesting aan Duitse militairen en manschappen van de ‘Organisation Todt’, de bouwafdeling van de Duitse Wehrmacht. Zij werden ingezet bij de aanleg en het bouwen van versterkingen en fortificaties, zoals de bunkers in de duinen en aan de kust en de voor een deel nooit opgeruimde ‘Tankwal’ bij de Geversweg. Ook bouwden zij de bunkers op het ziekenhuisterrein aan de Sifriedstraat, twee kleine en √©√©n grote, die later volgestort met beton en overdekt met zand, aan het gezicht onttrokken zijn, √©n ook de nog zichtbare bunker achter het PWN-gebouw.

Dankzij de bezetting – men had ze immers nodig – bleven elektrische centrale, ketelhuis en wasserij gewoon functioneren met het daar werkzame personeel, zo goed en zo kwaad als dat onder de oorlogsomstandigheden mogelijk was. Aan de directie was eind 1942 de toegang tot het ziekenhuis ontzegd.
Men zou verwachten dat na de bevrijding de evacuatiegroepen spoedig op Duin en Bosch zouden terugkeren, maar niets bleek minder waar. Na de capitulatie van de Duitse troepen hadden de Binnenlandse Strijdkrachten hun oog laten vallen op de leegstaan¬≠ de gebouwen. Van de zes paviljoens, voor zover bruikbaar, werden er vier ingericht tot bewaringskamp voor ‘politieke delinquenten’ en twee tot verblijf van de manschappen. In het A-gebouw werden wapenkamers en militaire bureaus gevestigd.

Half juli 1945 werd een deel van het A-gebouw vrij gegeven en kon men het bewoonbaar maken om van daaruit de langzamerhand weer ter beschikking gestelde paviljoens leeg te ruimen en schoon te maken. Het daarvoor aangetrokken personeel moet het gevoel gehad hebben ‘sisyfusarbeid’ te verrichten. De gebouwen waren volkomen uitgewoond, niet alleen door de Duitsers, maar ook door de paarden die er gestald waren. Langzaam maar zeker werden de paviljoens enigermate geschikt om hun eigenlijke bewoners weer te ontvangen, al zou het nog wel behelpen worden voorlopig. Er was nog aan alles gebrek. Een direct na de bevrijding inzettende stroom van nieuwe pati√ęnten en een groot tekort aan verpleegkun¬≠digen en medische staf, maakten het alleen nog maar erger.

De 130 pati√ęnten uit Warnsveld, die op 30 oktober 1945 als eer¬≠sten met hun begeleiders terugkeerden, vonden misschien letterlijk een ‘opgemaakt bedje’, maar meer ook vrijwel niet. Op 20 novem¬≠ber van dat jaar volgden 129 vrouwen uit Rosmalen.
Omdat de schoonmaak en herinrichting van de gebouwen veel tijd vergde, werden alle teruggekeerden voorlopig op Mannen II (de tegenwoordige Loet) ondergebracht, wat in dit nu meer dan over­bevolkte paviljoen uiteraard ook problemen met zich mee bracht. Men kon de problemen echter de baas! Had men zich nog maar zo kort geleden, onder slechtere omstandigheden niet moeten behel­pen? De terugkomst van de groepen uit Medemblik en Den Dolder zou nog meer dan een jaar duren. Pas op 19 december 1946 keerden de laatste evacués terug op Duin en Bosch. Aan meer dan vier jaar van ontberingen, droefenis, angst en ellende was toen een eind gekomen.

Jaap Glastra

Het 'thuisfront' in Limmen op 9 mei 1945.
Het ‘thuisfront’ in Limmen op 9 mei 1945.

Duin en Bosch (Jaarboek 18 1995 pg 18-26)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.

Verschenen artikelen over Duin en Bosch in Bakkum:
Duin en Boschbegraafplaatsevacuatiepati√ęntenzorgtrammetje
Extra: JacobiJacobi gezin en grafmonument –¬†Broeder Krist vertelt …


Jaarboek 18, pagina 18

Het oude Duin en Bosch

Een ziekenhuis van oprichting tot in oorlogstijd

Een verhaal …

25 november 1902 … voor Castricum en Bakkum een dag als zo veel andere dagen van het jaar, lijkt het … Bij caf√© Van Benthem stappen een paar vrouwen in de stoomtram, die zich sissend en puffend, grote wolken van stoom uitblazend, opmaakt voor zijn verdere reis naar Haarlem … In de smederij van oude Klaas Smit vlamt het vuur hoog op; vonken sproeien de zwartgeblakerde schoorsteen in. In de deuropening hangen een paar dreumesen en kijken gefascineerd naar het vonkenspel en naar de jonge Cor Peperkamp, die boven het aambeeld zijn grote hamer zwaait en neer laat komen op het roodgloeiende ijzer. Het dreunt in hun kleine oren en de stille Dorpsstraat rinkinkt er van … Van achter de ramen van de school van Meester Dekker klinken aloude Sinterklaasliedjes, zoals ze elk jaar rond deze tijd klinken … “mak¬≠kers, staakt uw wild geraas …” Ja zeker, de Goedheilig man is weer in het land. Hij zal Castricum en Bakkum ook dit jaar weer niet vergeten, al liggen ze er op deze grijze herfstdag haast ver¬≠stild bij … Ach, in de rustige agrarische dorpen gebeurt nou een¬≠ maal niet zo veel en zeker niet in deze tijd van het jaar, nu land¬≠bouw en tuinderij op hun winterrust zijn en de bedrijvigheid rond de veeteelt zich meer in de beslotenheid van schuur en stal afspeelt. De weilanden in Molendijk en verder naar Uitgeest toe in Noord end, de akkers en de duinveldjes langs de oude Heereweg, ze liggen er kaal en verlaten bij. ‘t Lijkt of er winter in de lucht zit … Een dag als zo vele andere?

Voorspel

25 November 1902 … de Commissaris der Koningin van Noord- Holland laat in het Haarlems Prinsenhof aan de Jacobijnestraat – toen nog zetel van het Provinciaal Bestuur – ongetwijfeld met vol¬≠ doening zijn hamer vallen, een wat andere en kleinere hamer dan die van Cor Peperkamp. Hij bekrachtigt daarmee het juist zonder hoofdelijke stemming genomen besluit van zijn Provinciale Statenleden om Gedeputeerde Staten (G.S) te machtigen tot de aankoop van de nodi¬≠ge gronden voor de bouw van een groot psychiatrisch ziekenhuis of krankzinnigengesticht zoals men het nog pleegt te noemen, en wel in de nabijheid van de gemeente Castricum. Aan dit besluit was gedurende twintig jaar veel voorafgegaan, te veel om uitge¬≠breid te vertellen; een reden om het in kort bestek samen te vatten.

In 1884 was de nieuwe Wet tot Regeling van het Staatstoezicht op Krankzinnigen aangenomen; een wet die bij artikel 11 de zorg voor voldoende plaatsruimte voor verpleging en verzorging van krankzinnigen opdroeg aan de Provinciale Besturen. En het was nu juist het gebrek aan plaatsruimte, dat in het laatste kwart van de vorige eeuw een bron van toenemende zorg was voor het Bestuur van onze provincie.

Het Provinciaal Gesticht ‘Meer en Berg’ nabij Santpoort bood nauwelijks ruimte meer voor het stijgend aantal armlastige pati√ęn¬≠ten, waarvan een deel elders in het land of in andere inrichtingen soms ver van hun woonplaats werd verpleegd. Aan deze situatie wilde men om allerlei redenen een eind maken. Daarbij kwam dat de prognose voor de komende jaren verre van geruststellend was. Er werd veel over gepraat in bestuurskringen zonder dat men evenwel tot een oplossing van de problemen kwam. Het vraagstuk werd dermate nijpend, dat in 1898 de toenmalige geneesheer-directeur van Meer en Berg, Van Deventer, met een uitvoerig rap¬≠port kwam met als hoofdconclusie: de oprichting van een tweede Provinciaal Krankzinnigengesticht.
Een tweede gesticht zou het bestaande stelsel van uitbesteding voortaan overbodig maken en het zou een ‘open’ gesticht moeten zijn met een zo ruim mogelijke gelegenheid tot het verschaffen van productieve arbeid aan de verpleegden. Van Deventer hand¬≠haafde zijn bezwaren tegen een uitbreiding van zijn Meer en Berg en adviseerde de oprichting van een landbouwkolonie, namelijk een cen¬≠traal gesticht met een aantal arbeiderswoningen, waarin gezinsver¬≠pleging mogelijk zou kunnen zijn.

Gedeputeerde Staten benoemden rond de eeuwwisseling een com¬≠missie van deskundigen, die tenslotte – zij het niet eenstemmig – met voorstellen kwam: een uitbreiding van Meer en Berg tot een zogenaamde cit√© m√©dicale met de bouw van 3 gestichten, elk met een eigen geneesheer-directeur met een eigen medische staf en het oude plan van een landbouwkolonie, uit de koker van het lid dr. W. P. Ruysch, die hiermee overigens alleen stond. Geen van de twee voorstellen vond tenslotte genade. Na uitvoerige behandeling in Provinciale Staten kwam het op 12 november 1901 tot een machti¬≠ging aan G.S. om terrein aan te kopen voor de bouw van een nieuw krankzinnigengesticht in de provincie, ‘elders dan in Santpoort‚Äô.

In oktober 1902 slaagde men er in Рachttien jaar na de totstandko­ming van de wet van 1884 Рduingronden te vinden nabij Castri­cum, een terrein groot ongeveer 82 hectare tegen de prijs van 54.700.- gulden, in eigendom van Marie, prinses von Wied, geboren Prinses der Nederlanden en geparenteerd aan het huis der Oranjes. Een maand later Рop 25 november 1902 Рwerden G.S. gemachtigd lot aankoop over te gaan en werd besloten het

De eerste geneesheer-directeur dr. J. W. Jacobi.
De eerste geneesheer-directeur dr. J. W. Jacobi.


Jaarboek 18, pagina 19

nieuwe gesticht de naam ‚ÄėDuin en Bosch’ mee te geven en een geneesheer-directeur aan te stellen. Dat werd met ingang van 1 april 1903 dr. J.W. Jacobi, arts verbonden aan het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis. Op basis van zijn rapport van 20 okt. 1902 is bij de bouw van Duin en Bosch gekozen voor het paviljoensysteem. Het opnemen van ca. 600 pati√ęnten in √©√©n enkel groot gebouw was om allerlei redenen ongewenst.

In 1904 was gebrek aan verpleegruimte evenwel zo nijpend actueel geworden dat dr. Jacobi benoemd werd tot directeur van een inmiddels in gebruik genomen dependance, waarin maximaal 125 vrouwelijke pati√ęnten konden worden verpleegd. In deze depen¬≠dance van het nog te bouwen Duin en Bosch – gevestigd in de hoofdstad (Amsterdam) aan de Zwanenburgwal in een ontruimd jongensweeshuis – werden direct al uit het Wilhelmina Gasthuis 82 vrouwen opgenomen, een kleine verlichting van de problemen weliswaar. Een oplossing was in aantocht, omdat men inmiddels in het duin¬≠ gebied bij Castricum met de bouw was begonnen.

Hoe had men in Castricum en Bakkum dit alles ontvangen? Het lijdt geen twijfel dat de meningen in de stille, misschien haast wat ingeslapen dorpen verdeeld zijn geweest. Natuurlijk had men van de provinciale plannen vernomen, al was er nog geen radio en televisie en voor iedereen nog geen krant. Men had ten dele de ontwikkelingen wel gevolgd, wellicht niet zonder de nodige bedenkingen en de nodige kritiek. De overwegend agrarische bevolking was waarschijnlijk ook niet vrij te pleiten van een zeke¬≠re behoudzucht. En dan zo’n groot gesticht pal naast de deur, nee niet iedereen was er blij mee … Dat bij dat alles op de achtergrond ook het taboe meespeelde, dat toen nog heerste bij alles rond de geesteszieke medemens, is welhaast zeker … Dat er overigens ook een gezonde, op de toekomst gerichte visie bestond, staat al even¬≠ zeer vast.

Rond de stamtafel bij Jan Koopman in De Rustende Jager zullen heel wat wijze hoofden zijn geschud, zal politiek bedreven zijn, maar zullen ook positieve standpunten met verve verdedigd zijn met als inzet een verwachte groei van de gemeente, die de vesti¬≠ging van zo’n groot ziekenhuis met zich mee zou brengen en de allure, die het aan de dorpen zou verlenen. De voorstanders ver¬≠wachtten een toenemende economische groei en zou dat niet zeer welkom zijn? Zij zouden gelijk krijgen, want langzaam maar zeker veranderde er iets en zou er van vooruitgang sprake zijn. Het inwonertal steeg van zo’n 1900 in het begin van deze eeuw tot ongeveer 5500 in 1931. Duin en Bosch had met haar bevolking en personeel met hun gezinnen daartoe bijgedragen. Als tekenen van vooruitgang kwamen kort na de bouw van Duin en Bosch bijvoor¬≠beeld de school in Bakkum, het nieuwe raadhuis aan de Dorps¬≠straat, de ingebruikneming van de nieuwe Pancratiuskerk en een vervanging van de oude herberg De Rustende Jager door een modern hotel-restaurant tot stand.

De tegenstanders, de sceptici, de voorstanders, hun stemmen zijn al lang verklonken… In 1902 en 1903 hadden de plannen gestalte gekregen op de tekentafels en in 1904 begon de bouw van Duin en Bosch, een karwei, dat vijf jaar in beslag zou nemen…

Duin en Bosch in de beginjaren.
Duin en Bosch in de beginjaren.

Bouw

Niemand van de Castricummers en Bakkummers van nu heeft uiteraard de bouw van het ziekenhuis bewust beleefd en Duin en Bosch zien groeien in het toen nog ruige en vrijwel ongerepte duingebied, niemand heeft gezien hoe de Duin en Boschweg met naast zich het tracé van een trambaan aangelegd werd door de Zanderij richting bouwterrein.
Er zijn alleen de verhalen van enkele hoogbejaarde dorpsbewo¬≠ners, waarvan de vaders werkzaam waren bij de bouw en soms na de ingebruikneming van het gesticht, erbij in dienst traden. Een zoon van √©√©n van die vaders, de nu 89-jarige Cor de Vries, wist nog veel te vertellen over de bouwperiode, steunend op de verhalen van zijn vader. Hij vertelde van de bouwmaterialen, hoofdza¬≠kelijk steen en dakpannen, die per schip vanaf Akersloot via de Schulpvaart op het Schulpstet werden aangevoerd en van daar met wagens en karren langs de Stetweg, Bakkummerstraat en Peper¬≠straat (nu Dr. Jacobilaan) naar de bouwplaatsen werden gebracht. Het bracht bedrijvigheid en vertier in Bakkum en Ab Zoon zag in die jaren in zijn cafeetje aan de Stetweg zijn omzet stijgen…

Vader de Vries bleef als klusjesman op Duin en Bosch, evenals


Jaarboek 18, pagina 20

andere Castricummers, die in de tuinen, het park en de varkens¬≠stallen of in de keuken en de huishoudelijke dienst de zekerheid van een vast inkomen verkozen boven een seizoensgebonden loon in de tuinderij. “De mensen van de verpleging kwamen allemaal van buiten”, vertelde hij.
Voor grondwerkzaamheden, zoals bijv. de aanleg van de Duin en Boschweg en het bouwrijp maken van het terrein werden overwe¬≠gend mensen uit de gemeente en de naburige dorpen aangetrok¬≠ken. Bij de eigenlijke bouw werkten veel vaklieden van verre, die als ‘kostgangers’ in gezinnen waren ondergebracht. Voor menig gezin vormde hun kostgeld een welkome aanvulling op het dik¬≠wijls niet zo hoge gezinsinkomen, dat in de winter soms helemaal ontbrak als er op land en tuin geen werk was. Wat bracht de komst van een aantal ‘vreemde eenden in de bijt’ teweeg? “Nou ja”, lach¬≠te Cor de Vries, “er werd door sommigen nogal een stevige borrel gedronken en dat gaf wel eens wat wrijving, h√®? Overigens zullen de plaatselijke horeca-bedrijven er wel bij gevaren hebben …”.

Werd er dus via Bakkum steen etc. aangevoerd, het transport van hout en ander materiaal ging per trein naar Castricum en vanaf het station per tram langs de als eerste object aangelegde Duin en Boschweg naar het bouwterrein. De tramlijn liep aanvankelijk tot de grens van het terrein en kreeg een kleine aftakking ter hoogte van de huidige bouwkundige werkplaats, die ook het eerst werd opgetrokken. In 1913 zou de lijn worden doorgetrokken tot de centrale, in verband met het kolentransport.

Hoe zou de bouw zich verder ontwikkelen? Het Koninklijk Besluit dat die bouw formeel mogelijk maakte, sprak – kort samengevat – van de bouw van zes paviljoens: drie voor vrouwen en drie voor mannen, waarbij een maximum bezetting van 620 pati√ęnten was gesteld (310 voor vrouwen en 310 voor mannen), dat alles met de nodige dienstgebouwen, waaronder woningen voor minstens vier ‘opwonende’ doktoren bij wie de medische zorg zou moeten berus¬≠ten over de bewoners, het inwonend personeel, maar ook over de in Castricum en Bakkum woonachtige personeelsleden en hun gezin¬≠nen. Naast hun praktijk op Duin en Bosch zouden zij geen andere uitoefenen. In 1904 kwamen behalve de Duin en Boschweg en de trambaan een tweetal opzichterswoningen, het anatomie (sectie) gebouw, werkplaatsen voor mannen en een dubbele woning tot stand. In de twee daaropvolgende jaren werden behalve het Administratiegebouw de zes geplande paviljoens gebouwd. Geheel naar de opvattingen van die tijd verrezen de vrouwenpavil¬≠joens aan de linker-, de paviljoens voor mannen aan de rechterzij¬≠de van de hoofdweg over het terrein. Scheiding der seksen moest er zijn en dat zou nog heel, heel lang zo blijven. In 1907 werden de ‘dokterswoningen’ aan de Bakkummerstraat (nu Van Oldenbarneveltweg), de centrale (het ketelhuis met bijbehorende werkplaatsen), de wasserij en de watertoren opgetrokken. Het kerkgebouw met 220 zitplaatsen, de varkensstallen en nog een dienstwoning kwamen in hetzelfde jaar van de grond. In het openingsjaar 1909 werd de bouw besloten met een barak voor besmet¬≠telijke zieken. De gebouwen waren typerend voor die tijd: hoog en plomp zonder veel versiering, al verleenden de wit-gesausde bui¬≠tenmuren aan het geheel toch wel een wat levendiger toets. Boven de vrouwenwerkplaats (‘het breipaleis’), die middels een overdek¬≠ te doorgang met Vrouwen I was verbonden, was de toneelzaal gevestigd, die plaats bood aan 380 personen en die veelvuldig gebruikt zou worden.

Zijn er nu nog een tweetal paviljoens, het A-gebouw en verschillen¬≠ de dienstgebouwen uit die bouwperiode over gebleven, in ouderdom blijven zij ver achter bij de oude duinboerderij, die uit de 18e, mogelijk zelfs uit de 17e eeuw dateert. Zij maakte deel uit van de in1902 aangekochte terreinen en herbergt na vele functies (theehuis voor bezoekers bijv.) na de restauratie in 1969 nu (anno 1995) het Duin en Bosch-museum ‘Het Oude Huijs’ dat de herinnering aan de bouw¬≠ jaren levendig houdt, maar anderszins veel interessante zaken uit de geschiedenis van de ziekenhuizen van Medemblik en Castricum laat zien en elke maand bezoekers trekt uit de gemeente, maar ook steeds meer uit de regio. Het aantal dienstwoningen beperkte zich in 1909 nog tot drie woningen op het terrein (voor machinist en park¬≠ wachters) en vijf aan de V an Oldebarneveltweg, bewoond door de geneesheer-directeur (het huidige PWN-gebouw), drie artsen en de bouwkundig opzichter. In 1912 werden nog een dokterswoning en aanvankelijk 14, later nog eens 8 ‘beambtenwoningen’ gebouwd aan wat tegenwoordig Van Duurenlaan heet.

Men had woningen nodig om personeel te werven en aan zich te binden. In verband met de woningnood na de eerste wereldoorlog verrezen als ‘tijdelijke maatregel’ nog 24 houten woningen aan de huidige Dr. Ramaerlaan. Een aantal jaren geleden werden deze woningen – nog voor een groot deel door personeel bewoond – door het ziekenhuis afgestoten, evenals de stenen woningen aan de Van Duurenlaan. Ze werden meestal door de toenmalige bewoners gekocht. Goede bouw en regelmatig en gedegen onderhoud leer¬≠den hoe betrekkelijk het begrip ‘lij¬≠delijk’ was. Ze staan er nog, zij het soms verbouwd en gerenoveerd, maar houden met hun uiterlijk de herinnering levend aan wat eens de ‘broederwijk’ was.

In 1920 werd direct bij de hoofdin¬≠gang van het terrein nog een com¬≠plex van vijf blokken woningen opgetrokken, bestemd voor inwonen¬≠de zusters. Traditioneel noemt men de nog niet zo heel lang geleden gerestaureerde woningen de ‘zuster-huisjes’. Tegenwoordig (anno 1995) worden ze √®n door Duin en Bosch personeel √®n door niet-‘Duin en Boschers’ bewoond.
In het kader van de bouw verdient ook vermelding het Badhuis schuin tegenover hel rustieke kerkje.

Het administratiegebouw.
Het administratiegebouw.


Jaarboek 18, pagina 21

Aanvankelijk was het bedoeld als badgelegenheid voor rustige en mobiele pati√ęnten, die er zich onder toezicht van verplegend per¬≠soneel konden baden. Later kwam het ook ter beschikking van personeel en huisgenoten en in de latere jaren zelfs van dorpsbe¬≠woners, tot de komst van bad en douche in veel woningen het gebouwtje overbodig maakte. Nu is het in gebruik als opslagruim¬≠ te voor de schoonmaakdienst en waar eertijds de douches stroom¬≠den, staat nu (in 1995) moderne reinigingsapparatuur en bussen met schoon¬≠maakmiddelen enz.

De al van verre zichtbare watertoren voorzag Duin en Bosch een lange reeks van jaren van water uit eigen bronnen. Later voorzag de PWN deels daarin en een aantal jaren geleden nam het pro­vinciaal bedrijf die taak helemaal over. De niet meer toegankelijke watertoren (onbetrouwbare trappen e.d.) staat nu (anno 1995) als een bedrijfsmonument in de schaduw van de centrale. Hij markeert Duin en Bosch vanuit de verte nog altijd samen met het speelse torentje van het Administratiegebouw. Het silhouet van de schoorsteen van het ketelhuis verdween, toen de stoom plaats maakte voor andere vormen van energie.

Tenslotte nog even iets over het smalspoornet, dat zich over het terrein uitstrekte en de gebouwen onderling en met magazijn en keuken verbond. Het maakte vervoer van voedsel en ook andere zaken mogelijk en vormde een verre voorloper van de moderne gele cars, die nu (in 1995) haast geruisloos het terrein doorkruisen.

Bestuur

Nadat op grondslag van het Huishoudelijk Reglement voor het Provinciaal Gesticht voor Krankzinnigen genaamd Duin en Bosch een Commissie van Bestuur was ingesteld, werd dit besturend orgaan op 28 december 1908 door de Commissaris der Koningin ge√Įnstalleerd en vergaderde het op 18 mei 1909 voor het eerst in het Administratiegebouw. Onder toezicht van Gedeputeerde Staten hielden de vijf commissieleden zich bezig met het bestuur van het ziekenhuis.
De geneesheer-directeur had naast zijn verantwoordelijkheid voor de zorg en behandeling van de pati√ęnten, ook het personeel en het beheer van Duin en Bosch in alle facetten in zijn portefeuille. Een veelomvattende taak en al spoedig te groot geacht voor √©√©n persoon, waarna aanstelling en ontslag van verplegend personeel beneden de rang van hoofdverplegende en van alle dienstpersoneel werd over¬≠ gedragen aan de Commissie van Bestuur. Benoeming en ontslag van de geneesheren, de adjunct-directeur der technische dienst, de apo¬≠theker en de adjunct-directrice (de hoofdbeambten) zou berusten bij Gedeputeerde Staten. Tot 1920 ontbrak in de Commissie van Bestuur het vrouwelijk element en was het bestuur van het zieken¬≠huis met zijn vele vrouwelijke pati√ęnten en dito personeel dus een echte mannenaangelegenheid, maar het was nog maar 1920.
In dat kader paste bijv. heel wel een regeling voor de tabaks- en sigarenvoorziening voor de mannelijke pati√ęnten, aanvankelijk zonder enige compensatie voor de vrouwen, die dit terecht als een vorm van discriminatie beschouwd zouden hebben, als zij dit begrip reeds gekend hadden. Maar gelukkig werd een en ander rechtgetrokken met het besluit dat “voor de werkende(!) vrouwelij¬≠ke pati√ęnten voortaan vier maal daagsch √©√©n van de twee kopjes gesuikerd zal zijn, dit naar aanleiding van een verzoek om meer suiker voor koffie en thee”. Er werd in het nog zo prille Duin en Bosch kennelijk geducht op de kleintjes gelet.

Bewoners

Begin mei 1909 was het dan zo ver, de bewoning kon beginnen. De adjunct-directrice, een paar personeelsleden en enkele pati√ęn¬≠ten die konden helpen bij het inrichten van de zalen, kwamen als ‘kwartiermakers’ van de Amsterdamse Zwanenburgwal naar Castricum en op 25, 26, en 27 mei arriveerden de eerste bewoners uit Amsterdam op Duin en Bosch en eind 1909 werden er 30 mannen en 166 vrou¬≠wen verpleegd, allen afkomstig uit Noord-Holland. Toen bleek al dat de prognose ten aanzien van het aantal verplegingsbehoeftigen in onze provincie te somber was geweest en zou voor het nieuwe

Verpleging in de open lucht.
Verpleging in de open lucht.


Jaarboek 18, pagina 22

ziekenhuis in de toekomst overcapaciteit kunnen ontstaan met alle financi√ęle consequenties van dien. Een oplossing voor dit dreigen¬≠ de probleem kwam in de vorm van een contract tussen Provincie en Rijk inhoudende de verpleging van pati√ęnten, die onder ‘s Rijks zorg en toezicht vielen.
Bij Koninklijk Besluit was het aantal¬† in Duin en Bosch te verple¬≠gen pati√ęnten inmiddels verhoogd van de oorspronkelijke 620 tot 732 als een aanvaardbaar maximum. In 1910 werden de eerste Rijks pati√ęnten opgenomen: mannen uit het overvolle Rijks Krankzinnigen Gesticht in Medemblik en vrouwen uit Grave. Een uitzondering wenste men te maken voor ‘gevangenispati√ęnten’. Zij kregen een plaats in de in Medemblik gebouwde versterkte afde¬≠ling. Nu konden er meer paviljoens in gebruik worden genomen en van de 732 plaatsen steeg de bezetting aan het einde van 1910, 1911 en 1912 resp. tot 550, 649 en 717.

Die totalen waren uiteraard in de loop der volgende jaren aan schommelingen onderhevig en in 1918 daalden zij tot 635, een gevolg van de overplaatsing van de Rijks pati√ęnten naar elders. Daarna was het oude niveau toch weer snel bereikt en in het eind der twintiger jaren zelfs gestegen naar 871. Bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog werden er nog 879 pati√ęnten verpleegd. In 1925 werd gestart met gezinsverpleging en werden in Castricum en Bakkum 12 pati√ęnten in gezinnen geplaatst en het jaar daarop steeg dat aantal zelfs tot 23, maar vanaf 1927 trad een langzame daling in, die mogelijk verband hield met het groeiend toerisme in onze dorpen, waardoor een toenemend aantal gezinnen hun deuren openden voor pensiongasten. Dat was lucratiever dan permanent een Duin en Bosch bewoner over de vloer. In 1946 waren nog 4 pati√ęnten in het dorp woonachtig, in 1958 nog 2, een aflopende zaak dus.

Hoe verliep in de jaren voor en na de eerste wereldoorlog het leven van hen, die soms voor kortere, maar veelal voor langere tijd moesten worden opgenomen? De eerste jaren werden velen in bed verpleegd op de ziekenzalen, ‘s zomers bij goed weer onder de lui¬≠fels van de paviljoens in de open lucht. De bedverpleging naar de opvattingen van Neisser was immers populair. Maar natuurlijk waren er ook ‘lopende’ pati√ęnten. Zij bevolkten de hoge dagzalen en holle corridors, waarvan men bij voortduring trachtte een stuk ongezelligheid weg te nemen door wat aardig meubilair, veel plan¬≠ten en passende wandversiering.

Arbeidstherapie in de schoenmakerij.
Arbeidstherapie in de schoenmakerij.

Arbeidstherapie in het schillokaal voor vrouwen.
Arbeidstherapie in het schillokaal voor vrouwen.

Arbeidstherapie in de naaikamer.
Arbeidstherapie in de naaikamer.

Alle goede zorgen en verpleging ten spijt, leek het leven voor veel bewoners in de beginjaren vrij doelloos, temeer omdat slechts een betrekkelijk klein deel van hen op de √©√©n of andere wijze bezig was, al probeerde men dat wel te stimuleren en waren sommigen ergens ook zeker actief. Enkele bevoorrechten mochten zich bui¬≠ ten de ziekenhuismuren en afdelingstuinen begeven en rondwandelen op het uitgestrekte – toen nog niet afgepaalde – terrein, dat door begroeiing en onoverzichtelijkheid de kans op verdwalen groot maakte. Uit die jaren dateert nog het in het Duin en Bosch museum bewaarde hoorntje, waarmee verplegend personeel was uitgerust en waarmee men onderling contact kon blijven houden bij het zoeken naar een pati√ęnt, die verdwaald was of – want dat kon ook – wanneer men z√©lf soms de weg was kwijtgeraakt. In dat verband paste ook de beloning van twee gulden bij het naar het ziekenhuis terugbrengen van een verdwaalde of weggelopen pati√ęnt, een ‘vindersloon’ dat uiteraard niet voor het personeel was bedoeld.

Naast de gangbare bedverpleging had een heel andere vorm van therapie inmiddels zijn intrede gedaan: de hydrotherapie. Met deze behandelingsmethode met permanente baden was men in de vori¬≠ge eeuw in de psychiatrie al bezig geweest. Nadien won zij steeds meer terrein en in de eerste decennia van deze eeuw werd zij in de Nederlandse gestichten veelvuldig toegepast. Ook Duin en Bosch kende haar permanente of geprolongeerde baden, waarbij pati√ęn¬≠ten onder voortdurend toezicht langere of kortere tijd verbleven in een badkuip, waarin het water steeds op de juiste temperatuur werd gehouden. Voor zo’n behandeling werden zij met vaseline ingesmeerd om verweking en eventuele ontsteking van de huid te voorkomen. Zij werden zo nodig in hun bewegingen beperkt door een zeil, dat over de badkuip gespannen, alleen via een ronde opening het hoofd vrij liet. Zo kende Vrouwen III (het tegenwoordige – in 1995 –


Jaarboek 18, pagina 23

nog in de oude staat verkerende, maar al lang niet meer bewoonde ‘Kinnehin’) een badkamer met drie kuipen. Op het wat rustiger Vrouwen II werd – zij het wat minder – ook hydrotherapie toegepast. Voor de mannenpaviljoens gold hetzelfde. In Mannen III werd in 1923 zelfs nog een permanente badkamer ingericht.
Uit die ‘natte’ permanente badkamer zal wel het grapje komen dat in veel zie¬≠kenhuizen de ronde deed: “Ergens in een ‘gesticht’ op de afdeling permanente baden loopt – kennelijk door een ietwat haperende communicatie daar terecht gekomen – een mannetje met een akte¬≠ tas. Op de vraag wat hij komt doen, antwoordt hij geheel naar waarheid: ik ben de pianostemmer, kunt u mij de weg wijzen? Antwoord: Zo de pianostemmer? Die hebben we hier nog niet, wel Napoleon. Winnetou en de Maagd van Orleans. Maar maakt u zich niet druk of ongerust, het is voor uw eigen bestwil, en voor de arme man zich nader kon verklaren, lag hij in het lauwe bad¬≠ water.” Hoe het verder liep, bleef in het vage.

Zo had alles zijn eigen tijd, ook in de psychiatrie. In Duin en Bosch waren al voor 1920 bewoners bij diverse werkzaamheden betrokken, maar hun aantal steeg in de loop der jaren door de opvattingen, die de Duitse psychiater dr. Hermann Simon al in 1905 vanuit zijn ziekenhuis in G√ľtersloh (Westfalen) rond de actieve arbeidstherapie en de actievere therapie in het algemeen had verkondigd. Ze hadden ook in Duin en Bosch weerklank gevonden, niet in het minst door de propaganda, die dr. van der Scheer (1919-1921) er voor voerde. Dr. Van der Scheer was dok¬≠ter Melchior in 1918 als geneesheer-directeur opgevolgd.

Dokter Melchior was de opvolger van dr. J.W. Jacobi; laatstge¬≠noemde was de grondlegger van de medische zorg in Duin en Bosch. Zijn leven vanaf zijn aantreden als geneesheer-directeur in 1909 was heel nauw verweven met dat van zijn ziekenhuis en zijn bewoners. Na een slopende ziekte overleed hij op 5 december 1916. Betreurd door velen werd hij – zoals hij dat had gewild – te midden van zijn pati√ęnten op het ziekenhuiskerkhof begraven. Een in verval zijnd (red: inmiddels gerestaureerd door Werkgroep Oud-Castricum) monument siert nog zijn graf.

In 1926 was de actievere therapie in Duin en Bosch volledig inge­voerd en in de loop van hetzelfde jaar was van de 423 vrouwen 85%, van de 451 mannen 89% op de een of andere wijze erbij betrokken.

Tegenover het actief en productief bezig zijn in ziekenhuisverband stond natuurlijk een zekere beloning afhankelijk van de pres¬≠tatie. Die beloning was er overigens al in 1920 toen op Duin en Bosch een beloningenstelsel werd ingevoerd en men met ‘gestichtsmunten’ van het ‘verdiende’ geld in de gestichtswinkel allerlei zaken kon kopen. In 1921 bedroeg de wekelijkse winkelomzet 100,- gulden, een bedrag dat na de laatste oorlog, in 1958 geste¬≠gen was tot gemiddeld 740,- gulden.

Ontspanning

Al snel na de opening van het ziekenhuis werd er aan de noodza¬≠kelijke ontspanning gedacht. De afgelegen ligging, de besloten¬≠heid van het ziekenhuis, waarin aanvankelijk met uitzondering van enkele in de dorpen wonende personeelsleden, vrijwel alle perso¬≠neel inwonend was, maakte dat men op elkaar aangewezen was en na het werk gezelligheid en ontspanning zocht. Logisch gevolg was de oprichting van de vereniging ‘Door Inspanning Uitspanning‚Äô (D.I.U.), die zich de eerste paar jaar met toneel en zang bezig hield. In 1910 al waagde de sectie ‘toneel en zang’ zich voor het voetlicht in de toneelzaal, tot groot genoegen van bewoners en personeel. In 1912 kwam er een afdeling gymnastiek tot stand. Onder de wonderschone naam ‘Hygi√ęne’ en geleid door de heer J. Witbaard, trachtte men naast de geest ook de lichamelijke conditie op peil te houden en in hetzelfde jaar werkte de groep al met vrije oefeningen, stokoefeningen, brugoptreden en een aantal ‘standen’ mee aan een bont programma. Bewoners en personeel met huisgenoten bevolkten op zulke avonden de grote zaal boven het ‘breipaleis’.

De meest bekende uitloper van D.I.U. zou het fanfarecorps wor­den. dat Рin 1911 opgericht Рin februari 1912 al met een uiteraard nog eenvoudig programma optrad. Onder leiding van de heer G. Slop Dzn. Een en ander zou het zich vanaf de laagste fanfare-afdeling der Kon. Ned. Federatie van Harmonie- en Fanfaregezelschappen tot de op één na hoogste, de Ere-Afdeling ontwikkelen. En dan duikt in mei 1911 in een programma de naam Van Weenen op in een blijspel en een klucht. Deze man van de technische dienst zou later als de haast legendarische Wub van Weenen niet weg te denken zijn uit het culturele leven van Bakkum en Castricum.

 Fanfarecorps D.I.U. voor de muziektent in de Beukenlaan rond 1935.
Fanfarecorps D.I.U. voor de muziektent in de Beukenlaan rond 1935.


Jaarboek 18, pagina 24

'Het Oude Huis’ als theehuis voor bezoekers; sinds 1969 is hierin het museum ondergebracht.
‘Het Oude Huis‚Äô als theehuis voor bezoekers; sinds 1969 is hierin het museum ondergebracht.

Tegen de opvattingen van de kerkelijke overheid in, waagde hij revu¬≠es te schrijven en op te voeren met een uiteraard gemengde bezetting en dat was in die dertiger jaren ‚Äėnot done‚Äô in Castricum. Een moedi¬≠ge man, die ondanks alles volle zalen trok en daarnaast ook nog 40 jaar met verve in zijn dorp de rol van Sint-Nicolaas vertolkte.
In 1911 werd ter geestelijke verheffing van het personeel een ver¬≠eniging ‘Ontwikkeling’ opgericht, die lezingen – al dan niet met lichtbeelden – organiseerde en onder meer als sprekers kende dr. Muntendam (Ned. Rode Kruis) en de grote natuurkenner Jac. P. Thijsse. Tenslotte maakte in 1924 het Zusterkoor ‘Duin en Bosch’ o.l.v. Stephan Jansen zijn entree. Het beperkte zich niet alleen tot zang in de vroege kerstmorgen in de paviljoens, maar trad ook naar buiten en kreeg later zelfs landelijke bekendheid door radio- optredens o.l.v. de zangeres Jo Immink. Het was een voorloper van het latere Castricums Vrouwenkoor.
Ja, niemand op Duin en Bosch kwam – cultureel gesproken – iets tekort. De fanfare maakte wel het meest furore niet alleen door haar vele optredens op Duin en Bosch, maar ook daarbuiten in Castricum, Bakkum, Limmen en elders, maar vooral door haar concoursresultaten. Vermelding verdient o.a. het optreden in Haarlem bij de grootse huldiging van de eerste Holland-Indi√ę-vliegers in 1925. Twee coupletten van het Wilhelmus, gespeeld door D.I.U., onderstreepten het geheel.
Onder leiding van achtereenvolgens de heren Slop, Peetoom, Joossen en na de Tweede Wereldoorlog van de bekende Zaanse dirigent Toon de Vries en na diens afscheid nog tot 1954 onder de heer A.N. v.d. Berg, leefde de fanfare het langst. Op 25 januari 1954 werd het laatste concert gegeven en was er voor de bekende fanfare geen ‚Äėda capo’ (red: muziekterm: opnieuw, vanaf het begin) meer. De andere verenigingen waren de fanfare – door gebrek aan leden en animo – inmiddels al voorge¬≠gaan. Ze hadden vanaf 1909 tot na de laatste oorlog de Duin en Bosch-bewoners en vele anderen het nodige plezier verschaft.

Het zou uiteindelijk de in 1936 opgerichte vereniging O.V.A. (Ontspanning voor Allen) zijn, die √®n personeel √®n pati√ęnten in clubverband samenbracht bij sport (de Vierdaagse in Nijmegen, voetbal, sportdagen etc.) en bij zang en muziek (de muziek- en zangclub van Broeder Schijp). De algemene opvattingen t.a.v. de ontspanningstherapie hadden zich in die jaren ook in die zin gewij¬≠zigd. O.V.A. organiseerde ook toneel-, film- en muziekavonden in de toneelzaal en hield met uitzondering van de oorlogsjaren moe¬≠dig stand, tot zij op 1 januari 1966 ophield te bestaan. Haar taak werd gedeeltelijk overgenomen door de huidige Ontspanningscommissie die o.m. nu elke week op de donderdagavond zorgt dat ‘er wat te doen is’ in de fraaie toneelzaal van de Clinghe.

Personeel

De eerste jaren van het ziekenhuis waren uiter¬≠aard ‘pioniersjaren’, waarin na de bouw van de paviljoens immers ook de verplegingsorganisatie vorm moest krijgen. Het verplegend en huishou¬≠delijk personeel was, zoals reeds eerder werd verteld, aanvankelijk intern en vormde door de ligging van het gebouwencomplex een vrij besloten gemeenschap, waarin men met elkaar de nodige afleiding en gezelligheid zocht en vond. In 1914 waren er 11 zusters en 9 broeders in de dorpen woonachtig, maar in 1917 waren dat nog maar 2 zusters tenslotte, een daling waaraan o.a. de schaarste in de eerste wereldoor¬≠log niet vreemd zal zijn geweest. Die oorlog zorgde in 1914 bij het afkondigen van de mobili¬≠satie voor de nodige problemen in het nog jonge ziekenhuis. Liefst 28 personeelsleden, waarbij een arts en elf verplegers, werden opgeroepen met als direct gevolg ontruiming van twee mannenaf¬≠delingen, die ter beschikking werden gesteld van het Ned. Rode Kruis, dat er zo nodig 50 zieken of gewonden zou kunnen onder¬≠ brengen. In 1917 werden ze weer door Duin en Bosch in gebruik genomen.

Voor de statistiek: in 1920 telde het ziekenhuis in totaal 48 broe­ders en liefst 197 zusters. Vanaf de start van Duin en Bosch had­ den zij een 10-urige werkdag. In 1919 werd de 8-urige werkdag en de 45-urige werkweek ingevoerd. Hierdoor was er meer personeel nodig, dat niet gemakkelijk te werven was. Dit probleem en ook een bezuiniging op de hoge kosten van de provinciale ziekenhui­zen resulteerde in 1924 in de terugkeer naar de 48-urige werkweek voor de verpleging. Daarnaast kwam er ook een reorganisatie van de diensten en werden er andere beperkende maatregelen inge­voerd. die maakten dat de organieke sterkte van het verplegend personeel met 30 personen kon worden teruggebracht, die van andere diensten met 21. Het aantal van de gediplomeerde verplegenden werd bepaald op 47 zusters en 23 broeders. De indienstneming van leerling-verplegenden op arbeidscontract maakte moge­ lijk dat de kosten van salarissen en pensioenbijdragen van het zie­kenhuispersoneel konden verminderen.

Niettemin waren de lonen en salarissen van het Duin en Bosch-personeel bepaald nog wel aantrekkelijk en staken ze gunstig af bij wat de doorsnee Castricummer en Bakkummer verdiende. Dat dit – met name in de crisisjaren – wel eens leidde tot een verborgen jaloezie kan men zich voorstellen.
Mede onder invloed hiervan ontstond er in Castricum al vroeg een afdeling van de toenmalige S.D.A.P., die snel groeide en werd er reeds in 1911 een afdeling van de Centrale Nederlandse Ambtena¬≠renbond opgericht, de voorloper van de huidige Abva/Kabo zou je kunnen zeggen. Twee jaar later organiseerden de katholieke amb¬≠tenaren zich in de R.K. Bond van Overheidspersoneel ‘Sint Paulus’. In 1918 kreeg Castricum er nog een afdeling van de Alg. Christelijke Ambtenarenbond bij.

Er was sinds de opening van Duin en Bosch duidelijk een andere wind gaan waaien in Castricum, die wat van de gezapigheid van vroeger had weggeblazen. De mensen van Duin en Bosch waren in de loop der jaren over het algemeen wel ge√Įntegreerd en voelden zich lid van de dorpsgemeenschap. Een aantal van hen vervulde nuttige functies in het verenigingsleven, was actief bezig op vak-


Jaarboek 18, pagina 25

bondsgebied en had zelfs zitting in de gemeenteraad zoals Piet de Vries (vader van de eerdergenoemde Cor), die aan de wieg stond van de afdeling Castricum van de R.K. Bond van Overheids¬≠personeel en het later tot wethouder bracht. Tot hen behoorde ook Tijmen Hellinga, voorman van de groeiende afdeling van de S.D.A.P. in Castricum, die het eerste socialistische raadslid en later de ‘rooie wethouder’ werd. Een andere katholieke vakbonds¬≠man, Dirk Berlee, had ook zitting in de gemeenteraad, die toen nog uit 11 leden bestond.

De dertiger jaren

In Duin en Bosch bleef men de ontwikkelingen in de psychiatrie zeker op de voet volgen. De periode van 1909 tot 1930 was echter niet zo rijk aan grote gebeurtenissen. Toch verdient een markant feit hier vermelding en wel de totstandkoming in 1914 van de eigen tramverbinding met het station Castricum, aanvankelijk met paardentractie, in 1918 ge√ęlektrificeerd, maar in 1938 overbodig geworden en opgeheven (zie het artikel van Piet van der Kamp in het 16e jaarboekje (1993), getiteld: Het trammetje naar Duin en Bosch).

In 1937 werd een gedeelte van Mannen 111 ingericht en van het nodige instrumentarium voorzien om negen pati√ęnten te behandelen met de insuline-shocktherapie. In het voetspoor van deze behandelmethode volgden later de Cardiazol-shock- en de Azoman-shocktherapie. Dat men – ook medisch – nieuwe wegen zocht, moge uit dit alles blijken, al waren de resultaten ervan niet altijd wat men ervan verwachtte. In 1939 paste men voor het eerst met succes de elektroshock-therapie toe.

Een andere gebeurtenis was de bouw van een vierde vrouwenpa¬≠viljoen voor 158 pati√ęnten, dat in 1935 aan de dienst werd overge¬≠dragen. Het werd urgent geacht in verband met de verwachte behoefte aan verpleegruimte voor vrouwelijke pati√ęnten. Achteraf bleek die behoefte minder groot dan de prognose had voorzien. Het pavil¬≠joen werd wel anders dan de zes al vanaf 1909 bestaande pavil¬≠joens, maar had de ‘plompheid’, de ‘ongezelligheid’ wel overge¬≠nomen en zou aan haar oorspronkelijke bestemming nooit helemaal voldoen. Men zou het heel lang ‘het nieuwe paviljoen’ blij¬≠ven noemen.

In 1937 verliet dr. A.M. Benders, die in 1921 dr. Van der Scheer was opgevolgd als geneesheer-directeur, de dienst van het zieken­huis. In hetzelfde jaar trad als zodanig aan dr. P.E.M. Teenstra, als vijfde in die functie. Hem zouden zware jaren wachten.

Overigens kenmerkten de jaren dertig zich – zoals een arts uit die tijd ze later zou schetsen – als de meest gelijkmatige periode sinds de oprichting in 1909. Er was een sterk gevoel van saamhorigheid, het personeel was ‘honkvast’ en bleef Duin en Bosch trouw, wat zeker te maken had met de heersende economische crisis en de daarmee gepaard gaande werkloosheid, die vanaf 1929 een groot deel van West-Europa en ook ons land in zijn greep had. Men koos voor zekerheid en bleef waar men was.
Ondanks die ‘gelijkmatigheid’ binnen de muren van het zieken¬≠huis, waren daar buiten, in het oude Europa de spanningen opgelo¬≠pen en de opgehoopte conflictstof en expansiezucht hadden al tot bezettingen en gewapende conflicten geleid. Het zou nazomer 1939 worden, dat ons land en uiteraard ook Duin en Bosch indirect bij het gebeuren buiten de grenzen werd betrokken. Voor het ziekenhuis, bleven de consequenties daarvan niet uit. Het zag een aantal mannelijke personeelsleden naar hun mobilisatiebestemming vertrekken, maar de leiding was de problemen rond de open¬≠ gevallen plaatsen snel meester en het leven hervatte min of meer weer zijn loop voor de ongeveer 880 pati√ęnten en voor het personeel. Ach, hoe gauw zou het anders worden.

 Bij 'Het Oude Huis‚Äô toen het nog als theehuis in gebruik was; bij de deur Willem Kuijs (rechts) en een pati√ęnt van Mannen I.
Bij ‘Het Oude Huis‚Äô toen het nog als theehuis in gebruik was; bij de deur Willem Kuijs (rechts) en een pati√ęnt van Mannen I.

Oorlog

1940. Na een strenge winter met veel sneeuw en ijs was een mooi voorjaar gekomen, dat de bollenvelden in en rond Bakkum en Castricum had doen kleuren tot strakke rechthoeken van geel en rood, wit en blauw. De meimaand leek hoogtij te gaan vieren. Juist in die dagen van ontwakend leven, van hoop – tegen beter weten in – op een spoedige be√ęindiging van het conflict, bleek hoe voos het begrip ‘neutraliteit’ voor ons land eigenlijk was. Op 10 mei – een prachtige voorjaarsdag – overviel, als een dief in de nacht het Duitse leger ons land met overmacht van mankracht en wapens. Na vijf dagen van ongelijke strijd capituleerde het Nederlandse leger en op 14 mei werd de bezetting een feit.

Het leven veranderde als bij toverslag en ook in het rustige Duin en Bosch ontkwam men niet aan de maatregelen van de bezetter. Het ‘nieuwe paviljoen’ werd op 10 mei direct door het Ned. Rode Kruis ingericht voor de verpleging van lichtgewonde en herstel¬≠lende militairen, die onder de algehele leiding van dr. Teenstra door Duin en Bosch-personeel konden worden verzorgd. Eind mei werd het paviljoen weer ontruimd en werden de pati√ęnten elders ondergebracht, waarna het gebouw in gebruik werd genomen voor huisvesting van plm. 250 pati√ęnten van de Sint Willibrordusstichting in Heiloo, waar de Duitsers een aantal gebouwen hadden gevorderd. De groep bleef er met haar eigen personeel tot 1942 toen in juni heel Duin en Bosch moest worden ontruimd.

De eerste rechtstreekse confrontatie met het oorlogsgeweld kwam in de nacht van 12 op 13 augustus 1940 toen paviljoen Vrouwen I (het latere ‘Hoograde’) door vijf brisant- en een aantal brandbom¬≠men werd getroffen. De ravage was enorm maar de hechte bouw voorkwam instorting. Helaas werden twee vrouwen op slag gedood en een achttal werd gewond. Dat de inwonende zusters, die op de bovenverdieping sliepen, ongedeerd bleven was een groot wonder. Dank zij kordaat optreden van de dienstdoende nachtzusters ontstond geen paniek en waren ziekenhuisbrandweer en gemeentelijke luchtbeschermingsdienst de situatie spoedig meester.
Dat toen al – drie maanden na de bezetting – de ‘gelijkschakeling’ van de Nederlandse pers een feit was, moge blijken uit de uiterst tendentieuze berichtgeving in de verschillende bladen. Onder de grote kop: “Engelse bomaanval op Castricum” schreef een krant:


Jaarboek 18, pagina 26

Bombardement op Vrouwen I in augustus 1940.
Bombardement op Vrouwen I in augustus 1940.

“Het A.N.P. meldt o.a. nog over den aanval van een Engels vlieg¬≠ tuig op het Prov. Ziekenhuis te Castricum, dat het toestel tot half √©√©n boven het dorp cirkelde, blijkbaar om toch maar absoluut zeker te zijn dat het zijn doel goed zou raken”. En besloot met de slotalinea: “Uit alles blijkt dat de Brit met opzet zijn bommen op het ziekenhuis heeft geworpen”. Een ander blad berichtte heel uit¬≠voerig en gooide er nog een schepje bovenop met “de bevolking is zeer verbitterd over dezen laffen aanval” en “Algemeen noemt men het doelloos en misdadig. De vlieger heeft positief het zieken¬≠ huis willen raken en is hierin ook goed geslaagd”.

Inmiddels deden de vele richtlijnen, de verbodsbepalingen en de beperkende maatregelen van de bezetter zich in het ziekenhuis steeds meer gelden en begonnen voedseldistributie en toenemende schaarste een goed functioneren van verpleging en verzorging moeilijker te maken. Men improviseerde en maakte dikwijls van de nood een deugd. Ondanks dat probeerde men – voor zover mogelijk – alles nog zoveel mogelijk zijn gang te laten gaan en bleef er nog tijd over voor ontspanning zoals op zondagmiddag 26 april 1942 als de fanfare D.I.U voor bewoners en personeel een ‘Solistenconcours’ in de toneelzaal houdt en eigen leden om de prijzen en de punten strijden, zoals bijv. het saxofoon-kwartet dat met 59 punten een eerste prijs behaalt. De leden G. Ronk (altsax), J. van Gelder (sopraansax), H. Mars (tenorsax) en C. Stolk (baritonsax) gaven een fraaie vertolking van ‘Avondvertelling’ van Joh. Zaagmans. Het zouden voorlopig de laatste opgewekte klan¬≠ken zijn op het Duin en Bosch-terrein.
Boven het Noordhollands kustgebied, boven Castricum en Bakkum, boven Duin en Bosch pakten zich donkere wolken samen. Voor de bewoners van de dorpen en het ziekenhuis was de maat nog lang niet vol.

Evacuatie

Of de herinnering aan de geslaagde landing van de Engelse troe¬≠pen op de Noordhollandse kust in 1799 en uitmondend in de slag bij Castricum en Bergen de Duitsers ertoe bracht de hele Nederlandse kuststrook in de hoogste slaat van verdediging te brengen, weten we niet. Maar de nu nog hier en daar zichtbare restanten van bunkers en kazematten wijzen erop, dat men dit deel van de ‘Atlantik Wall’ enorm wilde versterken. Dit had haast onvermijdelijk een evacuatie van hen, die de kuststrook bewoon¬≠den tot gevolg. De noodklok luidde voor Castricum, Bakkum en uiteraard voor Duin en Bosch. En – misschien al eerder verwacht – in de laatste weken van juni 1942 kwam het bevel tot volledige ontruiming van het ziekenhuiscomplex. Op korte termijn moest men zorgen voor voldoende bussen om pati√ęnten en personeel naar hun evacuatie-oorden te vervoeren, voor voldoende vracht¬≠wagens om veel meubilair als ledikanten, bedden, maar ook tafels, stoelen, kasten etc. over te brengen. Men slaagde er in die omvangrijke organisatie bin¬≠nen de gestelde termijn rond te krijgen. In de pavil¬≠joens had men de zorg voor ‘t gereedmaken van kle¬≠ding, medicijnen, beddengoed, huishoudelijk gerei, verplegingsartikelen, serviesgoed en wat dies meer zij. Met de inzet van alle krachten lukte alles won¬≠derwel en men kan gerust stellen dat de evacuatie en de voorbereiding ervan een immens grote operatie is geweest, een massale prestatie, zoals het ziekenhuis die in haar 33-jarig bestaan niet had gekend.

Hoe verliep deze massale verhuizing, hoe hebben bewoners en personeel deze diaspora, die hen van het vertrouwde Duin en Bosch naar de vier evacuatie-oorden bracht, beleefd? Wat vonden ze in Warnsveld, in Medemblik, Den Dolder en Rosmalen? Hun ervaringen waren naast negatief (kon het anders?) toch ook dikwijls positief. Elke evacuatieplaats kreeg zijn eigen verhaal over die moeilijke periode, die in de laatste weken van juni 1942 begon en voor de laatst teruggekeerde groep uit Den Dolder in december 1946 zou eindigen. Die verhalen, veelal interviews met betrokkenen, vindt U in het volgende artikel getiteld “Een ziekenhuis op drift“.

Jaap Glastra

Bronnen:

  • Het Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch te Bakkum, Gedenkschrift uitgegeven ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan, 1959, door Dr. P. van Kleffens.
  • Jaarverslagen vanaf 1909
  • Doctoraalscriptie stadssociologie, juli 1993, Marja Onrust.
  • Gesprekken met hen, die nog veel wisten.

Geneesheer-directeuren van Duin en Bosch

  • J.W. Jacobi: 1.4.1903 – 27.12.1908 dependance Amsterdam
    en 28.12.1908 – 5.12.1916 (overleden) in Castricum
  • F.A. Melchior: 1.1.1917- 8.12.1918 (overleden)
  • W.M. van der Scheer: 1.6.1919 – 1.3.1921 vertrek naar Santpoort
  • A.M. Benders: 1.6.1921- 1.6.1937 met pensioen
  • P.E.M. Teenstra: 11.7.1937 – 3.1.1955 met pensioen
  • mevr. J.A. Buiter- Kloosterman: 1.3.1955 – 31.3.1976 met pensioen
  • E.J.M. Crabbendam: 1.8.1975 – 1.12.1992 met pensioen.

Trammetje Duin en Bosch (Jaarboek 16 1993 pg 18-19)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Duin en Bosch in Bakkum:
Duin en Boschbegraafplaatsevacuatiepati√ęntenzorgtrammetje
Extra: JacobiJacobi gezin en grafmonument – Broeder Krist vertelt …


Jaarboek 16, pagina 18

 

Het trammetje naar Duin en Bosch

 

Een nieuw ziekenhuis

In het begin van de twintigste eeuw werden plannen gemaakt voor het stichten, in Noord-Holland, van een tweede Provinciaal ‘Krankzinnigengesticht’ zoals dat toen werd genoemd, daar het bestaande ziekenhuis ‘Meer en Berg’ te Santpoort geen ruimte meer had om aan de aanvragen tot opneming van pati√ęnten te voldoen. Het oog viel op een terrein gelegen in de duinen van Castricum, dat van de eigenaresse Prinses Von Wied werd aangekocht. Ten behoeve van de aanvoer van bouwmaterialen werd reeds in 1904 een raccordement aangelegd van het station Castricum naar de toekomstige bouwplaats in de duinen. Een raccordement is een spoorlijn, die eindigt op een particulier terrein. In 1909 was het nieuwe ziekenhuis Duin en Bosch voltooid en zocht men naar een mogelijkheid om personeel op gemakkelijke wijze van en naar het station te vervoeren.

De paardentram

Er werd gedacht aan een vervoermiddel, waarmee ook de bezoekers van het ziekenhuis gediend zouden zijn. In 1912 viel de beslissing; het zou een paardentram moeten worden, rijdend over de rails van het bestaande spoor. Van de Gemeente Tram Amsterdam (G.T.A.) werden de twee tramrijtuigen overgenomen. Nadat de bouw van een remise op Duin en Bosch en een spoor aftakking daarheen gereed waren, alsmede het leggen van een daarvoor noodzakelijke wissel met een ‘ slapertje’ (een bepaalde bedieningshandle) en een paardenpadje’ tussen de rails waren voltooid, was de mogelijkheid geschapen om met de exploitatie aan te vangen.

De eerste rit

Op 30 januari 1914 vertrok de paardentram voor de eerste rit. Er werden 13 ritten per dag gemaakt in aansluiting op de aankomst van de treinen in Castricum. De rijtijd naar Duin en Bosch was acht minuten. Als er veel bezoekers waren, zoals op de zondagen, dan werd het tweede rijtuig bijgeplaatst en het aantal trekkende paardenkrachten verhoogd tot twee. Bezoekers betaalden vijf cent per rit, personeel en pati√ęnten 3 cent. Door de eerste wereldoorlog werd in 191 8 het paardenvoer echter zo duur de Duin en Bosch-lijn naar andere tractie moest omzien.

De elektrische tram

Reddende engel was in dit moeilijke geval de hoofdmachinist van het ziekenhuis de heer Maartense, die verklaarde in staat te zijn een tramwagen om te bouwen en te voorzien van elektrische tractie. Hij heeft dit waargemaakt en in de herfst van 1920 waren, met behulp van ander Duin en Bosch personeel, het eerste rijtuig, alsmede baan en bovenleiding zover gereed, dat een regelmatige exploitatie elektrisch kon worden voortgezet. Eenmaal per maand kreeg de tram een controle-reparatiebeurt en werden de passagiers vervoerd met de bestelauto van het ziekenhuis, die voor die gelegenheid was voorzien van langs de wanden geplaatste banken.

De paardentram bij aankomst op Duin en Bosch.
De paardentram bij aankomst op Duin en Bosch.


Jaarboek 16, pagina 19

Veranderingen

Op 26 mei 1928 werd de lijn ca honderd meter ingekort, omdat de NS het overpad van het 2e naar het 3e perron opbrak. Dit was nodig voor de grote verbouwing van het spoor emplaceement in verband met de elektrificatie van de spoorlijn, die in 1931 gereed kwam. Daar het aantal reizigers op den duur voor een goede exploitatie toch wat aan de lage kant was, besloot men op l oktober 1935 niet meer op werkdagen te rijden. In juni 1938 kreeg het tramrijtuig te kampen met een defecte motor en moest het tijdelijk uit de dienst worden genomen. Aan het taxibedrijf ‘De Zeemeeuw’ te Castricum werd gevraagd zolang de reizigers met een bus te vervoeren. Dat gebeurde en het beviel zo goed, dat ook na herstel van de tram het busvervoer bleef gehandhaafd.

Sloop

Tram- en bovenleiding werden toen alsnog gesloopt. Het tweede rijtuig dat niet was verbouwd, eindigde als bloemenhuisje op het ziekenhuisterrein. Behalve voor personenvervoer heeft de lijn – als raccordement – veel dienst gedaan bij het vervoer van voor Duin en Bosch bestemde goederen. De ketels voor verwarming en wasserij werden aanvankelijk met kolen gestookt en enige malen per week gingen er tot in de 1960-er jaren nog wagens met kolen van het station Castricum naar het ziekenhuis. Ook closetpapier en zout werden per spoor aangevoerd. Tot ca 1955 gebeurde dat per locomotor-trein vanaf Wormerveer, daarna vanuit Alkmaar.

De tram rijdt nog door een open landschap langs de Duinenboschweg.
De tram rijdt nog door een open landschap langs de Duinenboschweg.

Personeel

Toen Duin en Bosch nog een gesloten inrichting was, hing er op het station een bos sleutels, waarmee het toegangshek tot het terrein kon worden geopend en gesloten, als ook de wisselhandel kon worden vrijgemaakt bij het rangeren op het terrein. Het begeleidend personeel van het rangeerdeel moest dan ‘ogen van voren en van achteren’ hebben met het oog op de enthousiaste neigingen van ziekenhuisbewoners om te helpen. Vooral wijlen de heer Willem Knebel was in die jaren een zeer gewaardeerde hulp. Hij reed mee op de brede treeplank van de ‘sik’ en vertelde wat er gebeuren moest. Evenals op de heenweg moesten ook op de terugweg naar het station de kruisingen met wegen en paden worden beveiligd door middel van de wettelijk voorgeschreven ‘man met rode vlag’, die het verkeer tegenhield als de trein of het rangeerdeel moest passeren.
Het zijn beelden, die we in Castricum niet meer zo gauw zullen zien. Ze horen bij een tijd, die nu alweer zolang achter ons ligt. Het wandelpad langs de Duinenboschweg is aangelegd op het tracé van de voormalige spoorbaan. Met het nog aanwezige stationsgebouwtje zijn het nog de enige getuigen van deze historie.

P.A. van der Kamp

Bronnen:

  • Archief Provinviaal Ziekenhuis Duinenbosch
  • Archief Werkgroep Oud Castricum

De nu ge√ęlektrificeerde tram bij de eindhalte op het terrein van Duin en Bosch.
De nu ge√ęlektrificeerde tram bij de eindhalte op het terrein van Duin en Bosch.