2 juni 2022

Peperkamp, Cor – smid (Jaarboek 15 1992 pg 33-44)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 15, pagina 33

Wie was … Cor Peperkamp

Cor Peperkamp zoals velen hem gekend hebben.
afb. 1 Cor Peperkamp zoals velen hem gekend hebben.

Onder veel Castricummers is de naam Cor Peperkamp legendarisch, omdat bij als hoefsmid en als persoonlijkheid in het dorp Castricum een speciale plaats innam.

De deuren van de smederij, gelegen in het hartje van het dorp, stonden altijd open. En altijd was de smid erop uit je ertussen te nemen, de mensen aan het lachen te krijgen of gewoon gezellig in cafe De Rustende Jager een borreltje te drinken met andere bekende Castricummers.

Zijn gave des woords was zo spreekwoordelijk dat hij het tot officieuze locoburgemeester bracht. Op vele geboorte-akten staat zijn handtekening, omdat het vanzelfsprekend was Cor Peperkamp als getuige uit te nodigen bij de aangifte van een nieuwe boreling.

Het is nu veertig jaar geleden dat hij overleed, na een periode van 53 jaar dat hij als smid de paarden besloeg en de wagens van nieuwe wielijzers voorzag. Hij nam niet alleen door de uitoefening van zijn beroep een centrale plaats in, maar vooral door zijn goedlachse, innemende persoonlijkheid. En zo herinneren de meeste mens en zich hem. Een markant mens, Cor Peperkamp.

Uitgeester van geboorte

Cornelis Johannes Peperkamp werd geboren op 1 augustus 1880 op het Bonkenburg te Uitgeest. Hij was de tweede zoon van Cornelis (Kees) Peperkamp en Anna Clasina Cornelia Stadegaard. Hun eerste zoon Jan werd geboren op 1 december 1874 aan de Hogeweg te Uitgeest. Naast een aantal jong overleden kinderen behielden zij drie kinderen in leven. Hun jongste kind Maria werd geboren op 31 december 1883, eveneens aan het Bonkenburg.

Kees Peperkamp kwam van Bergen, alwaar zijn vader Jan Peperkamp een smederij had tegenover de Ruïnekerk. Begin 1871 kwam hij nog ongehuwd als smid naar Uitgeest en betrok een smederij aan de Hogeweg in Uitgeest. In 1878 kocht hij de smederij aan het Bonkenburg, die thans (Red: in 1992) nog steeds als zodanig dienstdoet en beheerd wordt door Jan Peperkamp, een kleinzoon van de oudste zoon van Kees.

Door zijn wat kroezige haar kreeg Kees Peperkamp de bijnaam’ does’, een naam die zijn zoon Cor mee zou nemen naar Castricum; Het was duidelijk dat de beide zoons van Kees en Anna het vak van hun vader zouden leren. Hun dochter Maria zou later gedurende vele jaren op het Scharloo te Alkmaar een banketbakkerij leiden.

Vermoedelijk heeft er op het Bonkenburg eeuwenlang een smederij gestaan; rond de eeuwwisseling werd een vliesdun hoefijzer gevonden. Een onderzoek aan de Leidse universiteit wees uit dat het hoefijzer afkomstig moest zijn uit de zeventiende eeuw. Zoals het gebruikelijk was werd het vak geleerd van vader op zoon; kinderen leerden het op een welhaast vanzelfsprekende manier, niet alleen door af en toe mee te helpen, maar vooral door te kijken. Zo nam de oudste zoon Jan het bedrijf van zijn vader over en voerde tientallen.jaren het smidswerk uit voor de bevolking van Uitgeest.

Knecht bij de dorpssmid Klaas Smit

De tweede zoon Cor kwam op 17 juli 1900 als knecht in de leer bij Klaas Smit. Klaas was grof- en hoefsmid en had een smederij in de dorpskern van Castricum. Klaas Smit was toen reeds 67 jaar en al sinds 1862 dorpssmid in Castricum. Uit zijn huwelijk met Maartje Brakenhoff werden acht kinderen geboren, waaronder vier zoons. Twee zoons, Simon en Gerrit, werkten bij hun vader in de smederij.

Als beide zoons op 8 en 10 oktober 1898, nog ongehuwd, aan de heersende Spaanse griep overlijden op respectievelijk 34- en 27-jarige leeftijd, staat Klaas er alleen voor; ruim een jaar later komt dus Cor Peperkamp op twintigjarige leeftijd bij hem werken. In deze beginjaren in Castricum volgt Cor Peperkamp een opleiding tot (hoef)smid aan een technische school in Haarlem; het vakdiploma behaalt hij in Utrecht.

Cor Peperkamp bij de Overtoom.
Zicht op de Overtoom met op de achtergrond de hervormde kerk. Links Cor Peperkamp met in het midden collega smid Dorus de Groot. Dan met het kind Toon van Benthem. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In het jaar 1906 vindt Klaas Smit het welletjes, hij is dan 73 jaar; met zijn vrouw Maartje gaat hij in Haarlem wonen. De smederij doet hij eind juni van dat jaar over aan Cor Peperkamp, die enkele maanden eerder op 17 mei 1906 te Uitgeest is gehuwd met Catharina Maria Rodegonda Berkhout. eveneens geboren te Uitgeest op 14 augustus 1882.

Zij was de dochter van Mattheus Berkhout en Alida Petronella Tijburg. Mattheus was broodbakker en later bloemkweker; hij was niet onbemiddeld. Voor hun dochter en schoonzoon kochten zij de smederij in Castricum, met haar unieke locatie: pal in het hart van een lieflijk klein agrarisch dorp met ongeveer 2500 inwoners. Op de plek waar in vroeger tijden de smederij vele jaren


Jaarboek 15, pagina 34

In het begin van deze eeuw: met de fiets Cor Peperkamp, rechts Klaas Smit, Maartje Brakenhoff en dochter Agatha Smit.
afb. 2 In het begin van deze eeuw: met de fiets Cor Peperkamp, rechts Klaas Smit, Maartje Brakenhoff en dochter Agatha Smit.

dienst heeft gedaan staat nu een groter complex, namelijk een doe-het-zelf-zaak aan de Dorpsstraat 58.

Het pas gehuwde paar vestigde zich in de woning naast de smederij. Een huis met een bedstee in de woonkamer, een in de gang en twee bedsteden boven in het huis. Achter de woning was een tuin met een waterput. De smederij had een behoorlijke oppervlakte; erachter stond een grote loods waar de ijzeropslagplaats was.

In het midden van de smederij bevond zich de smidse, de centrale plek, waar op het aambeeld het ijzer als het heet was gesmeed werd.
In de loop der jaren werd de smederij verschillende keren verbouwd en voorzien van nieuwe gevels. Nadat Cor Peperkamp zijn diploma als hoefsmid behaald had, werd dat ook vermeld op de ramen van de smederij. Men mocht, gezien de moeilijkheidsgraad van het werk, alleen opgeleid en gediplomeerd het vak van smid uitoefenen.

Humorist en grappenmaker

Cor Peperkamp bouwde al snel een reputatie op als een ruimdenkende, welsprekende en humoristische man, die met zijn vrolijke humeur, toneeltalent en overtuigingskracht heel vaak grappen uit kon halen met mensen die de smederij bezochten. Je wist nooit zeker of hij je ertussen nam. In die hechte kleine dorpsgemeenschap waar iedereen elkaar kende, was hij zeer graag gezien. Hij was sfeerbepalend.

In een tijd waarin hard werken van maandag tot en met zaterdag aan de orde van de dag was en het woord ‘vakantie’ niet eens bestond, voorzag hij in een behoefte, want met de smid Cor Peperkamp in je omgeving viel er altijd wel wat te lachen. In zo’n dorp gebeurde er niet zoveel en een beetje lachen in de strijd om het dagelijkse bestaan was meer dan welkom. De anekdotes zijn dan ook in de loop van de 53 jaar, dat Cor Peperkamp dorpssmid in Castricum was, zeer talrijk geworden.

Zo kwam er wekelijks een redacteur van het Uitgeesterkrantje, de heer Kaagman, naar Castricum met de vraag of er nog nieuws was. Hij bezocht altijd even de smederij en stelde de vraag ook aan de smid. Peperkamp placht wat terughoudend te reageren en wilde het dan laten voorkomen dat het niet belangrijk was wat hij te vertellen had: “nou nieuws nee, ach laat maar. ” Die opmerking maakte Kaagman, een opvallende man met een lange grijze baard, altijd behoorlijk nieuwsgierig en hij drong steevast aan om het verhaal toch maar te vertellen.

“Wat zal ik zeggen”, begon Peperkamp een keer, “elke middag, zo tegen een uur of vier, zit er een ooievaar voor één van de ramen van De Rustende Jager naar binnen te kijken. Hij blijft er een uurtje zitten en vliegt dan weer weg. Het is net alsof hij iemand zoekt”. De redacteur, die dat weleens met eigen ogen wilde aanschouwen, heeft een paar dagen, zo rond een uur of vier, lang gewacht of de ooievaar langs kwam. Of dit verhaal ooit de krant gehaald heeft, vermeldt de geschiedenis niet …

Op de voorgrond een groep kinderen, schoenmaker Imming (met mand) en daarnaast smid
Peperkamp.
Op de voorgrond een groep kinderen, schoenmaker Imming (met mand) en daarnaast smid Peperkamp. Dorpsstraat 64, 66, 68 in Castricum, 1911. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De smederij

In de smederij bevond zich de smidse, de plaats waar het smidsvuur was, met daarboven een taps toelopende schoorsteen; ernaast hing de blaasbalg om het vuur mee aan te wakkeren. Naast het smidsvuur bevond zich ook de koelbak, een stenen bak gevuld met water om het ijzer snel af te laten koelen ofwel te laten krimpen. Dit was de meest centrale plaats van de smederij, waar al het ijzerwerk met de hand gemaakt werd. Van het ijzer werden niet alleen de hoefijzers gemaakt, maar in feite alles wat voor tuin- en landbouw gebruikt werd: fabrieksproducten kwamen nog nauwelijks voor.

Dus de smid vervaardigde ook veel gereedschap zoals spaden, schoffels, harken, hooigraven etc. (de hooigraaf werd door de boer gebruikt om zijn hooi in verband met het optreden van hooibroei te controleren; aan de hooigraaf zat een’ steppie’ waarmee het hooi omgewoeld werd).

Elk stuk gereedschap werd gesigneerd met de initialen CP. Het met de hand gemaakte gereedschap ging ontzettend lang mee en ging er uiteindelijk toch iets stuk, dan kon dat vaak nog door de smid worden verholpen.

Iemand kwam een keer bij Cor Peperkamp verhaal halen over een schoffel die niet goed uitgevallen was. Peperkamp repliceerde: “Het lijkt me sterk dat ik deze schoffel gemaakt zou hebben,


Jaarboek 15, pagina 35

Cor Peperkamp.
afb. 3a Cor Peperkamp.
en zijn vrouw Trijntje Berkhout.
afb. 3b en zijn vrouw Trijntje Berkhout.

want ik zet er altijd CP op.” Die letters waren inderdaad nergens te vinden.

Hij maakte eens een proefschoffel voor de Noord-Zuidhollandse Tramwegmaatschappij. Hij had daar zo’n succes mee, dat ze later ieder jaar wel twintig stuks bestelde.

Wat hij ook veel deed was de messen slijpen van de maaimessen. Dat zijn driehoekige messen die op een natte slijpsteen werden aangescherpt: een jaarlijks terugkerend karwei.

Hij maakte niet alleen gereedschap, maar alles wat gesmeed werd, zoals muurankers, beugels van goten, uithangborden rijk van krullen voorzien, sierhekken (waaronder het hekwerk rond het terrein van het psychiatrisch ziekenhuis Duin & Bosch) en het gewone siersmeedwerk.

Bekend is dat veel mensen op klompen liepen en die klompen braken nog weleens, vooral als de jongens er mee voetbalden. Peperkamp zaagde dan een gleufje in de klomp, legde de gloeidraad in het gleufje en nagelde hem vast. Tenslotte was de houtlijm nog niet uitgevonden. Veel later kwamen de bandjes, waar haakjes aan vast zaten.

Het smeedijzeren kruis met haantje van de Nederlands Hervormde Kerk was een eervolle opdracht aan Cor Peperkamp. Ook deze kunst had hij van zijn vader geleerd, die in Uitgeest in 1886 een nieuw kruis had vervaardigd voor de Nederlands hervormde kerk aldaar. Hoe moeilijk dat was, bleek wel uit het feit dat het kruis uit 1886 veel te zwaar was voor ‘den koningsstijl’ en in 1915 door Jan, de andere zoon van de maker en broer van Cor, moest worden vervangen. Ook de hekken rond de Nederlands hervormde kerk werden door Peperkamp gesmeed.

De smederij van Cor Peperkamp.
De smederij van Cor Peperkamp aan de Rijksstraatweg nu Dorpsstraat 56 in Castricum, 1910. Cor staat bij de boom. Op de winkelruit staat: Gediplomeerd Hoefsmid C.J. Peperkamp. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Gezinsuitbreiding

Al snel nadat Catharina (Trijntje) Berkhout en Cor Peperkamp zich in Castricum gevestigd hadden, kondigde de eerste geboorte zich aan: in maart 1907 kwam Anna Cornelia, gevolgd door een tweede dochter Alida Maria in oktober 1908. De zoon die later de smederij over zou nemen, Cornelis Josephus, werd in april 1910 geboren.
Daarop volgden nog vier kinderen, waarvan een kind negen maanden na de geboorte (in 1913) is overleden aan een longontsteking. Ze heette Maria Catharina. Franciscus Josephus werd geboren in november 1914 en de jongste dochtertjes Maria Catharina en Catharina Maria respectievelijk in december 1916 en in april 1918. Voor de beide zoons was het heel gebruikelijk hun vader bij het werk te helpen, zowel in de smidse (het trekken aan de blaasbalg die steeds met lucht gevuld moest warden), als buiten bij het beslaan van de paarden.

Hoefsmid

Cor Peperkamp had twee knechts in dienst, Piet Dam en Klaas Wezel (maar ook de boeren hielpen af en toe een handje). Met name de eerste is op veel foto’s samen met de smid te zien. Als een paard vier nieuwe hoefijzers kreeg en dus rondom beslagen moest worden, werd het soms in de travalje geplaatst, een houten box bestaande uit latten en balken. De travalje werd gebruikt bij onrustige en lastige paarden, maar ook bij jonge paarden die nog geen kennis hadden gemaakt met het beslaan van hun hoeven. Het paard kon dan geen onverwachte bewegingen maken, want een trap van een paard is niet zo prettig. Als een paard toch onrustig bleef, klemde de smid wel eens een tang op de neus om het paard af te leiden. Zo kon de smid toch rustig zijn werk doen. De travalje stond binnen in de smederij opgesteld, maar de meeste paarden die de smid kenden, werden zonder hulp van de travalje buiten beslagen. Dit gaf altijd veel bekijks van dorpsgenoten en kinderen die in de buurt speelden of op weg waren naar school. Het kwam een enkele keer voor dat tien paarden stonden te wachten om beslagen te worden.

Zoals elke zelfstandige ondernemer had ook Cor Peperkamp een vaste klantenkring, niet alleen onder de boeren en tuinders, maar vooral onder zijn directe klanten: de paarden zelf. De beesten wenden aan de smid, hij vertroetelde ze vaak en als Cor Peperkamp het niet deed, dan deden zijn dochters het wel. In die tijd, zo na de eeuwwisseling, werd er op menig dubbeltje gekeken en het kon dan ook gebeuren dat de boer met zijn paard naar een andere, goedkopere smederij in het dorp ging. De boeren waren soms wat op de penning en dat merkte Cor Peperkamp natuurlijk ook.

Voor de smederij de smid Cor Peperkamp.
Voor de smederij de smid Cor Peperkamp met zijn hand in de broekzak en een aantal andere personen. Het wiel wordt vastgehouden door smidsknecht Piet Dam. Aan Cors hand zijn zonen Frans en Cor. Dorpsstraat 56 in Castricum, 1911. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het gebeurde wel eens dat het paard met de boer langs de smederij van Peperkamp kwam terwijl de smid voor zijn smederij stond. Het paard trok dan naar de smederij in de richting van de smid, omdat het wist dat daar wel een suikerklontje te halen viel en een hartelijk woord. Cor Peperkamp keek dan naar de hoeven en zei: “Boer, wat heb je toch een paar slechte hoeven onder dat beest laten zetten, hij loopt heel slecht, je moet hem weer snel laten brengen”. En dat deden die boeren dan ook weer, vooral omdat de voorkeur van het paard ook een woordje meesprak.


Jaarboek 15, pagina 36

Schraperige boeren

Als de smid zag dat de hoefijzers aan een kant waren afgesleten, kon hij ook aan de stand van het been zien dat er iets niet in orde was. Als dat het geval was werden de ijzers verlegd. Het linker hoefijzer ging dan bijvoorbeeld onder de rechtervoet, of de ijzers werden van voor naar achter en vice versa verlegd. Dat was goedkoper dan het rondom beslaan van het paard.

Als Cor Peperkamp het echt noodzakelijk vond dat het paard rondom beslagen werd, dan speelde de zuinigheid van veel boeren hem wel eens parten en werden de ijzers alsnog verlegd, om maar geld uit te sparen. Het verleggen kostte 70 cent en het rondom beslaan, waarbij het paard vier nieuwe hoefijzers kreeg, kostte 1,40 gulden, oplopend in de loop der jaren tot 2,60 gulden. Benauwdheid en zuinigheid speelden in die zoveel minder welvarende tijd een grote rol. Als een boer bekend stond om zijn schraperigheid, dan werd hij wel aangeduid met de term ‘karhengst’.

Rond de eeuwwisseling en ook later hadden de boeren duidelijk een monopolie-positie ten opzichte van middenstanders. Voor de laatsten was dat niet altijd even gunstig, hoewel Cor Peperkamp met zijn diplomatieke gaven de boeren wel aan zich wist te binden.

De anekdotes over boeren waren daarom niet altijd positief. Zo gaat het verhaal van een smid die bezoek kreeg van een boer met een mestvork. Aan de mestvork moest een reparatie plaatsvinden. De boer sommeerde de smid zijn werk aan de smidse te onderbreken, om eerst de mestvork onder handen te nemen. De smid weigerde, moest wel weigeren, want het ijzer dat in het smidsvuur lag, duldde geen uitstel.

De boer werd kwaad en de smid vertelde de boer een verhaal dat hij had gehoord. Hij, de smid, had vernomen dat er in Amerika (dat toen veel verder weg was) een machine was uitgevonden. Een machine waar je vijf boeren in kon stoppen en waarbij aan het andere einde een mens te voorschijn kwam.

Ja, en zo ging dat toen: als ‘schraperige’ boeren ter kerke gingen dan werden er onderweg naar de kerk nog wel eens dikke sigaren gerookt. De peuken daarvan werden pas weer verder opgerookt als de kerk uit was. Het was de gewoonte om zo’n peuk op de rand van de wijwaterbak achter in de kerk te leggen. Kwajongens die de boeren een poets wilden bakken namen die peuken mee tijdens de kerkdienst en doopten die in de paardenvijgen die altijd in ruime hoeveelheden de straten sierden. Als de kerk dan uitging keek men gespannen wat voor gezicht de boer zou opzetten als hij zijn sigaar weer in zijn mond stak.

Anna, Alida, Cor en Frans Peperkamp omstreeks 1916, nadien worden nog Maria en Catharina geboren.
afb. 4 Anna, Alida, Cor en Frans Peperkamp omstreeks 1916, nadien worden nog Maria en Catharina geboren.

Het was in die tijd een grote eer om je rekening zo laat mogelijk in te dienen, al had je bij wijze van spreken geen stuiver meer in je portemonnee. Tegenwoordig is dat wel even anders. Met het zeer laat indienen van de rekening suggereerden de ondernemers dat ze het geld niet direct nodig hadden en dat was een teken van welstand. Als Cor Peperkamp soms ’te vroeg’ met de rekening kwam vroegen de klanten: “Heb je het geld nodig?” Als er veel rekeningen uitstonden zeiden de kinderen altijd: “Pa is rijk in de boeken”.

De oudste kinderen moesten vaak met de ‘briefjes’, de rekeningen dus, langs de deur en niet zelden hoorden ze dan: “Nou kind, kom maar terug als de aardbeien verkocht zijn!”. Vooral bij lagere rekeningen werd er slordig betaald, zo onder de 5 gulden, wat voor die tijd toch een hoop geld was. Zo’n rekening werd dan per dubbeltje of kwartje geïnd, de kinderen noemden dat een ‘kwatje’. Daar moest je dan als kind na schooltijd een paar klompjes voor verlopen voordat je het geld binnen had.

Op een keer zag dochter Marie dat de man die nog een rekening moest betalen wel het petje voor het aannemingsfeest van zijn zoontje kocht. “Daar hebben jullie wel geld voor hè, en pa betalen jullie niet.” Ze vertelde het niet thuis, want ze wist dat haar vader deze opmerking nooit goed gevonden zou hebben. Maar wat wil het geval: op zondagmorgen is er hoogmis en daar komt de bewuste man aan met het geld. Hij zegt: “Cor, ik kom je effe betalen”. Peperkamp zeer verbaasd: “Op zondag? Nee, dat doen we niet”. De klant legt uit wat er voorgevallen is: “Je dochter zei er gisteren wat van, dat we wel de pet konden betalen maar niet de rekening”. Nou, dat heeft ze wel even moeten horen van haar vader: dit kon absoluut niet. Dit was zijn eer te na.

Zelf had Peperkamp een betere oplossing gevonden voor dit pettenprobleem. De zaterdag voor het aannemingsfeest bestelde hij bij Bervoets in Alkmaar een paar petten op zicht. Op maandag liet hij ze terugbezorgen met de mededeling dat ze te klein waren, of te groot, of dat er anderszins iets mis mee was …

Zigeuners, zwervers en ander aanloop

De smid had met zijn uitstekende locatie in de dorpskern van Castricum erg veel aanloop. Dagelijks werd de smederij bezocht door marskramers, handelaren in ijzer, vertegenwoordigers, bedelaars, paters die barrevoets liepen, zwervers, dorpsgenoten, kleine kinderen en zigeuners. Er kwamen dus ook regelmatig woonwagens langs die door paarden werden getrokken. Soms zag Cor Peperkamp dat zo’n paard allang beslagen had moeten worden, maar omdat de eigenaars vaak geen geld hadden, deed hij het dan gratis. Het staat niet vast of hij dat deed uit liefde voor het paard, dan wel voor het baasje.

De smederij van Cor Peperkamp.
De smederij van Cor Peperkamp aan de Dorpsstraat in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Een verhaal dat zijn sporen wel verdiend heeft en vele malen is verteld door Castricummers die Cor Peperkamp hebben gekend, is dat over de bedelaar Kees van Poepies. Het zal niet zijn echte naam geweest zijn en het is niet duidelijk of hij zijn naam te danken heeft aan het navolgende.

Kees van Poepies was in die tijd een heel bekende bedelaar, die periodiek langs de smederij kwam, soms in gezelschap van een collega-bedelaar, wiens naam onbekend is. Ze hadden zo hun vaste adressen om wat te halen: eten of wat geld, kleding etc. Nu was het zo, dat als je vroeger een ijzeren koekenpan had (en alles was van smeedijzer in die tijd), dan werd die wel eens uitgebakken met paardenvijgen, die zoals we inmiddels weten voor het oprapen lagen (na afloop, en gezien de huidige hygiënische normen moet dat wel even vermeld worden, werd de koekenpan grondig schoongemaakt met soda). Paardenvijgen waren een probaat middel tegen het aanbakken van koekenpannen gebleken; de pan zou na behandeling nooit meer aanbakken.

Op een bepaald moment, toen smid Peperkamp bezig was dit werkje uit te voeren boven het smidsvuur, werd hij bezocht door


Jaarboek 15, pagina 37

de twee bedelaars. Ze betraden de smederij en begroetten de smid. “Nou jongens, jullie treffen het, ik heb nog een lekker lessie boerenkool”, zei Peperkamp. Zijn vrouw Trijntje, druk bezig in de keuken, werd erbij geroepen. “Vrouw, dek de tafel, we hebben gasten!”

“Nou smid”, zeiden de bedelaars, “dat is zeker een tref”. De tafel werd gedekt en borden neergezet, maar voordat het geheel werd opgediend verzocht Cor Peperkamp om eerst nog even te bidden, waarop de bedelaars twee grote kruisen sloegen en hongerig aanvielen.

Nu gaan er over dit verhaal twee versies. De eerste is dat er een stukje boter door de vijgen ging en ze hun bordje schoon leeg aten, maar dit lijkt toch een beetje onwaarschijnlijk. De tweede versie is dat de smid ter plekke afwachtte totdat de bedelaars uitriepen: “Peperkamp … !”

Zo sterk als een beer

Er werd vaak gezegd: een smid moet alles kunnen! Voor het vaak zware werk in de smederij was het wel handig als de smid over veel spierkracht beschikte. Iedereen die hem heeft gekend schildert hem als een grote, stevige, gespierde en zwaar gebouwde man. Zijn gewicht werd geschat op 250 pond. Reden waarom hij altijd maatpakken droeg die hij bij de ons inmiddels bekende Bervoets in Alkmaar liet maken. Men beschrijft hem als ‘zo sterk als een beer’. Dat was wel noodzakelijk bij het beslaan van de paarden; mocht een paard toch onrustig zijn tijdens het beslaan, dan was een duwtje van de smid met zijn lijf soms voldoende om het te corrigeren.

Tot het dagelijkse werk van Cor Peperkamp behoorde ook het met de hand vervaardigen van de hoefijzers. Omdat hij een eigen klantenkring had wist hij om welke paarden het ging. Elk paard had zijn eigen ijzers. Het maken van die hoefijzers was dus letterlijk maatwerk. Daarom konden de ijzers soms lang voordat de boer of tuinder met zijn paard kwam, al gemaakt worden: altijd na ‘broodeterstijd’, zoals dat heette. Ze hingen in de smederij aan balken.

Het al zoveel mogelijk op maat gemaakte hoefijzer werd na aankomst van de klant precies vergeleken met de maat van de hoef. De hoef werd vlak gevijld, het overtollige hoorn werd weggesneden, het hoefijzer werd in het vuur gezet en gedeeltelijk afgekoeld in de koelbak om het daarna weer aan de hoef te passen. Dat gaf altijd een hoop gesis en gerook. De lip werd aan de voorzijde tegen de hoef aangeslagen voor de steun en als het helemaal correct zat gingen de nagels door de gaten van de hoefijzers. De hoeven werden als afwerking afgeteerd. Volgens sommige zegslieden kon je er tegen bijbetaling ook nog een kleurtje op krijgen; volgens andere was, net als bij de T-Ford, elke kleur verkrijgbaar als het maar zwart was. Oude hoefijzers werden vaak weer hergebruikt voor het maken van landbouwgereedschap.

Paarden die veel over de straat liepen bezochten natuurlijk vaker de smederij dan de paarden voor land- en tuinbouw. ’s Winters werden er wel schroeven in de hoef gedraaid tegen het uitglijden: “Op winterdag stonden de hoeven op scherp”.

Als Cor Peperkamp het ijzer smeedde en enkele geïnteresseerden niets vermoedend naast hem stonden, spuugde hij soms een ‘kwat’ (hij pruimde erg veel) op het aambeeld en gaf er dan met zijn hamer een klap op. Dat.veroorzaakte een gigantische klap, alsof er een kanon werd afgevuurd.

Dorpssmid Cor Peperkamp staat voor café Broksma.
Dorpssmid Cor Peperkamp staat voor café Broksma. Dorpsstraat 42 in Castricum, 1918. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Cor Peperkamp mocht de mensen er dus graag tussen nemen. Dat ging vaak wel verder dan alleen de schrik om een luide knal, en soms was het misschien op het randje van wat vandaag de dag als goede smaak geldt. Toen lag dat geheel anders.

Je hebt niet aIleen ’s lands wijs, ’s lands eer, maar ook ‘des tijdgeests wijs, des tijdgeests eer’. Veel wat tegenwoordig kan, werd vroeger als onbehoorlijk beschouwd, maar ook omgekeerd kon vroeger veel, dat juist nu als min of meer ongepast wordt gezien. Hoe dat ook zij: de ‘practical joke’ stond, misschien wel bij gebrek aan andere verzetjes, in hoog aanzien. Wie er goed in was – en Cor Peperkamp was er onomstreden kampioen in – werd daarvoor beloond met grote populariteit.

Hij had er een handje van om, als er iemand bij hem in de smederij was, denkbeeldige voorbijgangers uitbundig te groeten. De mensen wisten dat ze er tussen genomen werden en ze wilden dus perse niet kijken wie er langs kwam, maar hij hield dat zo serieus

Omstreeks her jaar 1916: Cor Peperkamp met zoon Frans, in de deuropening vrouw Trijntje in verwachting van Marie en knecht Piet Dam met de fiets.
afb. 5 Omstreeks het jaar 1916: Cor Peperkamp met zoon Frans, in de deuropening vrouw Trijntje in verwachting van Marie en knecht Piet Dam met de fiets.

Jaarboek 15, pagina 38

Zo zag de kop van de rekening van de smid eruit.
afb. 6 Zo zag de kop van de rekening van de smid eruit.

en consequent vol, dat de meesten er vroeg of laat toch intrapten. Sommigen vlogen zelfs achteraf nog naar de deur om te zien of er werkelijk iemand voorbij gekomen was.

Veearts en tandarts

Als de paarden ziek waren of een bepaald letsel hadden ging men altijd eerst naar de smid. Hij keek dan wat hij kon doen. Ook bij het paard werd aderlaten toen regelmatig toegepast. Als de boer klachten had over de werklust van het paard en het paard lui en sloom vond, tapte Peperkamp meestal bloed af.

Voor het aderlaten gebruikte de smid een hartvormig mesje met een hamertje. Hij bond eerst een touw om de nek van het paard om stuwing te verkrijgen, waardoor de halsaderen zichtbaar werden. Hij smeerde de plek waar de incisie gemaakt zou worden in met een speciaal zalfje en tikte dan met het hamertje op het mesje waardoor de incisie gemaakt werd. Het bloed werd vervolgens in een emmer opgevangen. Men zegt dat het paard er vaak enorm van opknapte, zodat het weer lekker op het Castricumse land kon werken.

Tijdens het aderlaten kwam er eens een handelaar langs en Cor Peperkamp, die pas begonnen was, zei: “Ga maar alvast naar de vrouw toe, een koppie halen, ik kom zo”. Hij had tijdens het aderlaten bloed op zijn schort gemorst en met dat schort nog om kwam hij nerveus binnen. “Wat mij nou is overkomen”, riep hij opgewonden, “het is verschrikkelijk”.

“Nou, wat is er dan, Peperkamp?”, vroeg de handelaar bezorgd.
En Peperkamp kon dramatiseren: “Oh, mijn allerbeste vriend loopt aan de overkant van de straat, hij roept mijn naam en wil naar mij toekomen. Op datzelfde moment komt de tram eraan en hij komt toch met zijn hoofd onder de tram. Het hoofd rolt naar mij toe, hij geeft nog een knipoog en sluit zijn ogen. Ik heb het hoofd maar even onder de kaasstolp gelegd en onder het bed gezet; dan kan de familie er nog even afscheid van nemen”. Of de handelaar dit verhaal geloofde?

De dorpssmid in volle actie aan een wagenonderstel.
afb. 7 De dorpssmid in volle actie aan een wagenonderstel.

Zweren aan de paardenvoeten werden schoongemaakt en behandeld met bruine teer in de holte van de zool. Met het wegsnijden van knobbels was extra voorzichtigheid geboden, omdat er een zweer onder kon zitten. Als er een ‘straar’ (kier) aan de voetzool ontstond ten gevolge van verzwering dan werd dat opgevuld met henneptouw en weer afgeteerd. Het henneptouw was nodig om de kieren te dichten en zo verontreiniging van de wond te voorkomen; het paard zou anders kans lopen om rotkanker te krijgen en in die tijd betekende dat een wisse dood.

Cor Peperkamp ried ook wel aan om het paard in de zee te laten lopen: zeewater heeft, zoals bekend, een reinigende en genezende werking op ontstekingen.

Zelfs kwam het voor dat Peperkamp geraadpleegd werd als het ging om reumatische klachten bij mensen. De man of vrouw werd in zo’n geval naar de doodgraver gestuurd om daar een doodkistenschroef te halen, die minstens twintig jaar in de grond gezeten moest hebben. Bij de doodgraver lagen die schroeven in voorraad. Cor Peperkamp smeedde van die oude schroef een ring en vijlde die glad. Door zo’n ring te dragen zou men de reumatische klachten kwijtraken.

De smid controleerde ook het gebit van de paarden en dankzij die kunde kreeg hij nog eens bezoek van een man met een ontzettende kiespijn. “Oh”, zei Cor, “ik ben overal goed in; ik heb vroeger ook nog voor tandarts geleerd, neem maar even plaats”. Hij heeft toen met een grote roestige tang in de smederij die kies getrokken. Het liet hem echter kennelijk niet los, want hij kon ’s avonds niet in slaap komen, omdat hij zich ook wel realiseerde dat die tang wel eens voor een flinke infectie zou kunnen zorgen. Zijn kinderen zeiden: “Ja Pa, had je het maar niet moeten doen, het is je eigen schuld.” Gelukkig is de patiënt pas vele jaren later en aan iets heel anders overleden.

Links van de Boerenleenbank de smederij van Cor P
Links van de Boerenleenbank de smederij van Cor Peperkamp. Dorpsstraat 56, 58 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het gebit van oma

Zo gaat er nog een ander verhaal in de tandheelkundige sfeer. Er kwam eens een deftig meisje uit een ander dorp kijken naar de smid tijdens het beslaan van de paarden.

– ”Nou opa, wat bent u aan het doen hier met die paarden?”
– “Ja kind, ik ben die paarden aan het beslaan”.
– “Doet dat geen pijn?”
– “Neen kind, dat doet helemaal geen pijn, opa zal het paard echt geen pijn doen hoor”.
Plotseling zegt het meisje:
– “Oma is vorige week overleden.”
– “Oh, wat vind ik dat erg voor je, dat je oma dood is. Zou ik je eens wat mogen vragen?”, vervolgt Cor Peperkamp verder: “Opa moet volgende week voor de pastoor invallen bij het preken, maar opa zijn gebit is stuk. Zou opa dan jouw oma’s gebit even mogen lenen? Dan krijg jij een dubbeltje van opa”.

Dus dat meisje kwam later met een doosje met watten en een geel gebit naar hem toe. Hij nam het aan, boog zich een beetje van haar weg, zogenaamd het gebit passend, en zei: ” sorry hoor, kind, het past opa helemaal niet, neem het maar weer mee. Zeg moe maar


Jaarboek 15, pagina 39

dat het hartelijk bedankt is voor de moeite. Het kind kreeg het dubbeltje en ging weer weg.

Nog één keer het gebit (driemaal is scheepsrecht).
Cor Peperkamp kwam eens bij een vrouw om een kachel te plaatsen. Tijdens een bakje koffie maakte zij complimenten over het mooie gebit van de smid. Hij had altijd direct zijn verhaaltje klaar en zei: “Mevrouw, daar ben ik met mazzel aan gekomen.

Een jaar geleden kwam ik bij Jan de Slager in de Oosterbuurt en die was juist bezig een geit te slachten. Dat beest had een mooi gaaf gebit en die geitekop kon ik voor twee kwartjes van hem kopen. Thuis hebben we die kop gekookt en afgekloven en toen bleef er een gaaf stel tanden en kiezen over. Daarmee ben ik naar een tandarts gegaan en die heeft er dit fraaie gebit van gemaakt”. “Maar”, zei de smid met een stalen gezicht: “ik zou het niemand aanraden hoor, het heeft een groot bezwaar, ik kan geen toeter (toeter- of pijpkruid) of brandnetel voorbij lopen of ik moet er effe in bijten”.

Pater Peperkamp

Hij was een keer in een kloosterschool in Velsen om er met zijn knecht kachels te plaatsen en pijpen te poetsen voor de winter. Terwijl de knecht ergens anders bezig was, zag hij op een gegeven moment een aantal bruine pijen hangen onder een afdakje. Zonder een moment te aarzelen trok hij zo’n pij aan, bedekte zijn hoofd met de ruim uitgevallen kap en liep door de lokalen naar zijn knecht toe die op zijn knieën druk bezig was een kachel te plaatsen.

– “Gaat het wel vaderke? ” vroeg hij op zijn steenkolen-brabants.
– “Jawel eerwaarde” was het enigszins timide antwoord.
– “Heeft u ook kinderen?”
– “Jawel eerwaarde.”
– “Hoeveel kinderen heeft u?”
– “Ik heb wel acht kinderen. “
– “Acht kinderen zo, dan heeft u ook niet stil gezeten!”
– “Nee, nee eerwaarde, U weet hoe dat gaat “
– “Zal ik uw gezin de zegen geven?”
– “Dat is goed eerwaarde”.
Prevelend: “In nomine patris et filii et spiritus sancti” …
(een stuk luider)
– “En nou godverdee aan je werk …”
– “Barst Peperkamp, ben jij het?”

Wagenmaker

Een werk waarbij niemand hem mocht storen en dat altijd met de knechts werd uitgevoerd was het leggen van ijzeren banden om wagenwielen, de zogenaamde wielijzers. Het was werken op de millimeter, want als het ijzer rond het wiel niet goed strak zat rolde het er al snel vanaf.

Die wielijzers lagen in voorraad in de loods achter de smederij. Het was werk dat een flink deel van het smidswerk uitmaakte, omdat er in die tijd vrijwel uitsluitend karren rond reden in het dorp; voordat de auto het straatbeeld kwam sieren werd immers vrijwel alles nog met paard en wagen gedaan.

Karretjes had je in alle soorten en (wiel)maten: kiepkarren, schulpkarren met zeer hoge wielen, boerenwagens, bakwagens, tilbury’s, dresseerkarretjes, bokkenwagens enzovoorts.

De maat van het wiel werd genomen met een instrument waarmee men de omtrek van het wiel uitrekende. Dan werd van staal de breedte van het wiel gewalst op een wals, die in de smederij stond, en dan werd die band iets korter dan de werkelijke maat in het vuur verhit tot bijna smelttemperatuur. Omdat er nog niet gelast werd maakte de smid gebruik van welijzer om de ijzeren band aan elkaar te smeden. Het wielijzer ging in het smidsvuur en werd iedere keer een stukje gedraaid; het moest zo heet mogelijk zijn.

Zo zag smederij Peperkamp in Uirgeest eruit; de smederij in Castricum, waarvan geen foto's gemaakt zijn, zag er hetzelfde uit.
afb. 8 Zo zag smederij Peperkamp in Uirgeest eruit; de smederij in Castricum, waarvan geen foto’s gemaakt zijn, zag er hetzelfde uit.

Vooral grote ijzeren banden vergden van de smid veel handigheid. omdat het beginpunt soms al was afgekoeld als het eindpunt in het smidsvuur lag.

Pas als het ijzer zeer heet was kon het om het houten wiel gelegd worden. een werkje dat zeer snel moest gebeuren. Het houten wiel mocht immers niet verbranden door de hitte van het ijzer. Als het ijzer om het wiel gelegd werd. moest het snel worden afgekoeld in een speciaal daarvoor vervaardigde stenen bak van ongeveer 1,5 meter lengte, gevuld met water. Het wiel werd daarin rondgedraaid. dat ging met veel rook en gesis gepaard.

Dit werk kon de smid niet in zijn eentje, hij werd hierbij altijd geassisteerd door zijn knecht of zelfs door de opdrachtgevers.

Getuige bij geboorteaangiften

Cor Peperkamp had graag mensen om zich heen, en dat gevoelen was wederzijds. Zo werd hij regelmatig gevraagd om als getuige op te treden als een geboorte moest worden aangegeven. Het is niet bekend bij hoeveel aangiften hij getuige is geweest, maar verondersteld wordt dat het om honderden nieuwgeborenen is gegaan.

De vader kwam dan even langs de smederij en samen met een andere getuige werd in het gemeentehuis de geboorteakte getekend. Als die formaliteiten hadden plaatsgevonden, dan ging de gelukkige vader in gezelschap van de getuigen naar café De Rustende lager aan de Dorpsstraat en daar bracht men dan een toost uit op een lang en gelukkig leven van de pasgeborene. Dat was traditie.

Voor de sigaar, die Peperkamp dan altijd aangeboden kreeg nam


Jaarboek 15, pagina 40

Bij vele geboorte-aangiften trad Cor Peperkamp op als getuige; op vele akten is zijn handtekening te vinden.
afb. 9 Bij vele geboorte-aangiften trad Cor Peperkamp op als getuige; op vele akten is zijn handtekening te vinden.

hij een sigarenschaartje mee, hij knipte de sigaar af en rookte een haaltje. Omdat hij normaliter niet rookte, maakte hij de sigaar meteen weer uit en bewaarde hem voor zijn zoon.

Soms bleef hij wel eens te lang weg en dan zei zijn vrouw tegen een van haar kinderen: “Waar blijft je vader nou? Da, (hun tweede dochter) ga jij eens even je vader halen, hij blijft zo lang weg. Zeg maar dat ik zit te wachten met eten”. Met de deur van De Rustende Jager half geopend zei ze dan: “Pa, komt u, want u moet eten”. “Kind, ik kom direct” zei hij dan. En dat deed hij altijd. Dorpse gezelligheid.

Toen Trijntje, de vrouw van de smid, zelf hoogzwanger was en elk moment kon bevallen, moest Cor Peperkamp ook nog eens een kind aangeven.

Terwijl de burgemeester de akte opstelde en naar de naam van de pasgeborene vroeg zie Peperkamp gekscherend: “Oh, noem het maar Cor Peperkamp”. Dat gebeurde. Terwijl de akte werd ingevuld en de formaliteiten werden afgehandeld, constateerde de burgemeester dat het niet het kind van Peperkamp kon zijn. Dat was wel even een pijnlijke geschiedenis, want zo’n akte duldde geen fouten en verbeteringen. Het kostte de desbetreffende ambtenaar dan ook nog heel wat werk om het een en ander te verbeteren. Die akten werden naar Haarlem gezonden en doorhalingen e.d. werden niet geaccepteerd.

In de raadszaal van het oude stadhuis bevond zich een schoorsteenpijp met een schoorsteendop erop. Cor Peperkamp was weer eens aanwezig om als getuige op te treden. Burgemeester Mooij zat aan de lange vergadertafel dichtbij de schoorsteendop. De smid zag dat de schoorsteendop niet goed sloot op de pijp en tikte daar even met zijn duimstok tegenaan om hem vast te slaan. Maar in plaats dat de schoorsteendop steviger kwam te zitten, raakte hij los en vlogen tegelijkertijd naar schatting twee volle emmers roet uit de pijp, dat voor een flink deel over de tafel en de burgemeester en diens akten vloog.

“Peperkamp …”, jammerde de burgemeester Mooij boos, “… jij bent ook altijd bezig met je streken”. Dit soort verhalen heeft nog vele jaren lachsalvo’s opgeroepen bij de Castricumse bevolking.
Burgemeester Mooij en Cor Peperkamp waren goede vrienden van elkaar, ze kwamen regelmatig bij elkaar over de vloer.

In de twintiger jaren was het gebruikelijk dat de burgemeester de fanfare begeleidde, als die ergens buiten Castricum een optreden gaf. Op een keer was de burgervader verhinderd om deel te nemen aan het bezoek ergens in de Noord. De smid vond dit geen probleem en stelde voor dat hij die dag als de Castricumse burgemeester zou optreden. In dat dorp merkte niemand dat de eerste burger in werkelijkheid de hoefsmid van het dorp Castricum was.

Redevoeringen houden was hem op het lijf geschreven en het diner met de drankjes heeft hij zich goed laten smaken. Later is daar nog hartelijk om gelachen.

De werkplaats van Cor Peperkamp.
De werkplaats van Cor Peperkamp. Boven het wagenwiel het opschrift ‘RIJTUIGMAKERIJ’. Dorpsstraat in Castricum, 1915. Links op foto Cor Peperkamp. Verder op de foto: Jan Duin (alias Flast), een marinier van de kustwacht, Piet Schotvanger met de baret van de marinier op en Willem van Weenen (met verlof uit Den Helder).

Vriend van pastoor Engering

Pastoor Engering was een persoonlijke vriend van smid Peperkamp. De pastoor kwam regelmatig langs om samen met hem een spelletje schaak te spelen. In de woonkamer van de familie Peperkamp stond een aantal boeken, waaronder ook boeken die op de index stonden, die voor de rooms-katholieken dus verboden waren om te lezen.

Boeken van Emile Zola bijvoorbeeld of van Victor Hugo, die in die tijd felle reacties opriep. Elke keer zuchtte Pastoor Engering als hij die boeken zag staan, en elke keer zei hij er iets van: “Die boeken mag je niet lezen, Peperkamp!”. Reden voor de smid om het spelletje schaak eigenlijk liever op de pastorie te spelen.

Als de kersen rijp waren, die in de tuin van de pastorie groeiden, dan deelden zij die samen elk jaar uit aan de kinderen van de Augustinusschool.

Als Cor Peperkamp een enkele keer in de Pancratiuskerk kwam terwijl de dienst al begonnen was, dan onderbrak Pastoor Engering zijn dienst en wachtte demonstratief met zijn armen over elkaar, totdat Peperkamp had plaatsgenomen in de mannenbeuk. Cor Peperkamp ging elke zondag keurig in zijn maatpak en netjes met hoed op ter kerke, maar hij was niet, om het maar zo te zeggen, streng in de leer. Waarschijnlijk kon hij zich dat als kleine zelfstandige ook niet permitteren. Hij had zijn klanten onder de rooms katholieken en onder de protestanten.

Het hoeft geen betoog dat halverwege de twintigste eeuw een vrij stringente scheiding bestond tussen beide denominaties. Het gebeurde niet zo gauw dat kinderen van verschillend geloof met elkaar speelden en iets wat men al helemaal niet deed – of wat toch zeker niet zo hoorde – was verkering krijgen met iemand van een ander geloof. Kapelaan de Boer meende een keer – Cor Peperkamps vriend pastoor Engering was toen al dood – op huisbezoek te moeten gaan, toen één van de dochters van de smid verkering kreeg met een niet-katholieke jongen.


Jaarboek 15, pagina 41

Op een gegeven moment heeft Peperkamp toen uitgeroepen: “Moet u eens goed horen, ik moet van iedereen leven, want als ik het alleen van de katholieken moet hebben, dan heb ik geen brood op de plank”.

Het geloof speelde in zo’n dorp inderdaad een rol bij de vraag wie we1 of niet als klant bij je kwam en het werd in de dorpse gemeenschap als een soort verraad gezien als je niet principieel in de leer was. Daardoor is hij vermoedelijk wel wat werkopdrachten kwijtgeraakt, zoals het plaatsen van de kachels in de rooms-katholieke scholen en het maken van hekwerken voor de kerk.

Over de keuze van zijn dochters heeft hij gezegd: “Wat zij doen moeten ze zelf weten; wij hebben geprobeerd ze groot te brengen en die niet-katholieke jongens, die ze hebben gekozen zijn keurige jongemannen”. En met die uitspraak was de discussie gesloten, hoewel de jongere kinderen daardoor nog regelmatig geplaagd werden op school.

Het laat zich wel raden dat kapelaan de Boer zich in huize Peperkamp niet in de populariteit van wijlen pastoor Engering mocht verheugen.

Het is zelfs zo dat Trijntje, als zijn komst was aangekondigd, altijd het zeil onder het deurmatje in de woonkamer extra in de was zette, in de stille hoop dat het matje het op een welgekozen moment op een glijden zou zetten …

Hotel De Rustende Jager met links de Boerenleenbank. Links naast de bank de smederij van Cor Peperkamp.
Hotel De Rustende Jager met links de Boerenleenbank. Links naast de bank de smederij van Cor Peperkamp. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Als Kapitein Rommel terug kwam van één van zijn verre reizen, dan was het gewoonte om bij te praten in café De Rustende lager onder het genot van een jonge borrel. Rommel kwam regelmatig in de smederij en de kinderen vonden het altijd een feest als Kapitein Rommel over was.

Eenmaal bestond hij het om direct na aankomst in de kleine uurtjes nog naar de smederij te komen. Toen waren de kinderen al naar bed.
Samen met Piet Schotvanger en Ab Rommel ging Cor Peperkamp jagen in de duinen met een oud jachtgeweer. Het kostte de kapitein geen moeite om een jachtvergunning te krijgen. Rommel vroeg wel eens aan de kinderen: “Zingen jullie een liedje?”

Leden van de toneelvereniging, v.l.n.r.: Cor Peperkamp, een matroos van de kustwacht, Jan Duijn, Piet Schotvanger en Wub van Weenen.
afb. 10 Leden van de toneelvereniging, van links naar rechts Cor Peperkamp, een matroos van de kustwacht, Jan Duijn, Piet Schotvanger en Wub van Weenen.

“op de klompjes, trip, trip, trap,
komen Trientje en Marietje
deftig uit de school gestapt … “

Piet Schotvanger, die erbij stond, zei dan: “Kom, hou mijn hand eens vast!” en dan stopte hij een tabakspruim in de kinderhand en kneep er hard in, zodat de bruine drab langs de kindervingertjes sijpelde. Zo’n plagerijtje werd in die tijd heel gewoon gevonden.

Het verenigingsleven

Cor Peperkamp hield graag voordrachten en was dan ook zeer gewild als ceremoniemeester bij allerhande festiviteiten en plechtigheden.

afb. 11 De damvereniging omstreeks 1930 bijeen in cafe Van Bentem (hoek Dorpsstraat-Burg. Mooystraat); Cor Peperkamp, de voorzitter, achter het tafeltje met Cees Brakenhoff (links) en Wiebe Buimer (met pijp). Staand v.l.n.r. 1e en 1e onbekend, Gerrit Sprenkeling, Henk de Haan, Piet Ruiter, Pieter Schenk, Willem Baars, Gerard Essing, Gerrit de Nijs, Sjaak Cools, Cor Orij en Ab de Zeeuw.
afb. 11 De damvereniging omstreeks 1930 bijeen in cafe Van Bentem (hoek Dorpsstraat-Burgemeester Mooystraat); Cor Peperkamp, de voorzitter, achter het tafeltje met Cees Brakenhoff (links) en Wiebe Buimer (met pijp). Staand van links naar rechts 1e en 1e onbekend, Gerrit Sprenkeling, Henk de Haan, Piet Ruiter, Pieter Schenk, Willem Baars, Gerard Essing, Gerrit de Nijs, Sjaak Cools, Cor Orij en Ab de Zeeuw.

Jaarboek 15, pagina 42

Samen met Piet Schotvanger, Wub van Weenen en Jan Duijn vormde hij een toneelvereniging die regelmatig een uitvoering gaf in café De Rustende lager. Plaatselijke verenigingen hebben altijd in de belangstelling gestaan bij Peperkamp.

Hij had ook enkele bestuurlijke functies. In een brief van 13 april 1932 schrijft hij aan zijn schoonzoon:
“(…) Gisteravond 11 april hebben we nog vergadering gehad van de Harddraverij Vereeniging wegens aftreding door vertrek uit de Gemeente van de Heer Mulder als Voorzitter. Met algemeene stemmen is toen ondergetekende tot dezen gewichtigen functie gekozen. Nu, dat heb ik maar aangenomen, alhoewel ik liever gehad had dat ze een ander hadden gekozen (…)”.
De Castricumse Harddraverij-Vereniging hield de draverijen in de Oosterbuurt.

Daarnaast was hij voorzitter van de damclub en sinds de oprichting in 1911 ook van de voetbalclub Castricumse Sport Vereniging (C.S.V .), toen nog voor alle gezindten. Deze club had een voetbalterrein aan het einde van de Haagseweg. Toen in 1922 de Rooms Katholieke voetbalvereniging Vitesse werd opgericht, gingen de meeste leden over naar de nieuwe club.

Ook bij de oprichting van de Vrijwillige Brandweer in 1920 door burgemeester Lommen had Cor Peperkamp zich met nog dertien anderen aangesloten.

Verder placht Cor Peperkamp nog wel eens een kaartje te leggen bij de klaverjasclub. Eén van zijn klaverjasvrienden was Piet Deen, ook een bekende Castricummer en dito duivenmelker. Hij schepte graag op over zijn duiven. Op een dag ontving Piet Deen een officieel ogende brief met de mededeling, dat hoge heren van de duivensportbond bij hem op bezoek zouden komen. Ze hadden gehoord dat Piet zulke verschrikkelijk mooie duiven had en wilden graag langskomen. Apetrots zei hij op de klaverjasavond: “Cor, wat ik nou gekregen heb, je wilt het niet geloven: ik krijg hoge pieten op bezoek van de duivenbond!”

Piet nam vrij, Jansie, zijn vrouw, was gepermanent, de kinderen kregen vrij van school, de hokken waren gewit en de gordijnen gewassen. De kinderen en hun ouders togen plechtig op hun paasbest naar de trein, maar al wat er kwam: geen mensen van de duivenbond. En zij maar wachten. Op de volgende klaverjasavond vroeg Cor Peperkamp belangstellend aan Piet hoe het geweest was. Piet liet zich natuurlijk niet kennen: de hoge heren hadden hun ogen uitgekeken. Later bekende Peperkamp dat hij de brief geschreven had. Typerend voor die tijd, maar toch ook voor de plaats die Cor Peperkamp zich tussen zijn dorpsgenoten had weten te verwerven, was dat ook deze streek van hem gepikt werd, zelfs door het slachtoffer.

Kermis een belangrijk dorpsgebeuren

Als er kermis in Castricum of Uitgeest was bezochten de families Peperkamp elkaar. Het was dan groot feest; drie dagen feesten met familie en dorpsbewoners was eigenlijk een kleine vakantie waar iedereen een heel jaar naar toe leefde. Een belangrijk dorpsgebeuren, waar de hele gemeenschap actief aan meedeed. Was er kermis in Uitgeest, dan ging dus de hele familie op bezoek in Uitgeest en de kinderen kregen dan van elk familielid een kwartje voor de kermis en konden voor dat geld aardig carrousellen. Als men dan in de loop van de ochtend aankwam stonden de tafels gedekt met heerlijke broden, tulband, vlees, enzovoorts. In café De Ooievaar gingen de mannen een borreltje drinken en kwamen tegen lunchtijd weer terug; de hele dag werd er gefeest.

Terwijl er circus in Bakkum was en het volk vermaakte, kreeg Cor Peperkamp eens bezoek van een marskramer te voet. De reiziger in garen en band vertelde hem dat hij ook nog langs Egmond moest. Dat had hij maar heter niet kunnen zeggen, want Peperkamp maakte meteen van de gelegenheid gebruik om de marskramer te zeggen dat bij op zijn tocht naar Egmond voorzichtig moest zijn. “Maar weet je dat dan niet? Er is een witte olifant uit het circus losgebroken en de hele Bakkumse bevolking is in rep en roer. Het dier is enorm groot en vooral die witte olifanten zijn vreselijk woest. Het is levensgevaarlijk om je op straat te begeven.” Die marskramer is toen over Limmen en Heiloo naar Egmond gelopen. Eindelijk in Egmond aangekomen, vroeg bij aan de volgende klant of de witte olifant al gevangen was. “Och heden,” was het antwoord, “ben je soms langs Peperkamp gekomen? Nou, dan ben je mooi beetgenomen!”

Petroleum gevonden

Cor Peperkamp schreef onder verschillende pseudoniemen regelmatig stukjes in het Castricummertje. Die cursiefjes waren uit het leven gegrepen en af en toe probeerde hij ook door middel van die cursiefjes mensen ertussen te nemen.

De datum 1 april naderde en (het was ergens in de jaren dertig) er werden palen geslagen voor woningen aan de Puikman. In een kort bericht maakte hij melding van het feit dat tijdens het heien van de palen op de Puikman petroleum gevonden was en dat elke inwoner van Castricum en Bakkum gratis een liter petroleum kon krijgen op vertoon van het trouwboekje.

Hij zag de mensen op de bewuste dag en tijd langs de smederij lopen met een petroleumbus in de hand. Peperkamp vroeg kwansuis: “Nou mensen, wat is er aan de hand?”
– “Cor weet je dat dan niet? Op de Puikman is petroleum in de grond gevonden tijdens het heien en nou krijgen we allemaal een liter petroleum voor niks.”
De smid wachtte rustig af totdat de mensen van de Puikman terug kwamen. De mensen vonden het achteraf een goede grap; op zo’n dorp werd hartelijk om zoiets gelachen.

Er kwamen weer eens een paar zwervers langs de smederij, hartje zomer, het was erg warm. “Peperkamp, heb je een glaasje water voor ons? Het is zo warm!”
– “Ja, ga maar even langs moeder de vrouw, zij haalt wel even wat water uit het putje”. Dan werd het emmertje in de put neergelaten en de glazen werden volgeschonken.
De smid dronk trouwens zeer regelmatig water, omdat hij door zijn werk veel transpireerde.
Ze zitten bij elkaar in de tuin achter de smederij, de smid komt erbij zitten, proeft van het water en zegt: “nou vrouw, volgens mij is het drinkwater niet goed hoor, verdulleme, dat gedonder met de gemeente ook. ‘k Heb het nog zo gezegd!”
En hij wendt zich tot de zwervers en zegt: “Er ligt hier verderop een mestvaalt en nou schijnt die gier door te sijpelen in de put. Ik heb al aan de gemeente gevraagd om die mestvaalt weg te halen. Ja vrouw, volgens mij zit er weer gier in het water”. De zwervers kijken elkaar eens aan … hun glazen zijn al leeg.

Als er mensen in de smederij kwamen en vroegen of ze even van het closet gebruik mochten maken, vroeg Cor Peperkamp altijd: “is het een grote of een kleine?” Als men antwoordde dat het om een grote ging, dan kwam de smid terug met een heel klein potje.

Het haantje van de Nederlands Hervormde Kerk was in revisie. In diezelfde tijd kwam er een handelaar in oud ijzer langs de smederij en vroeg wat er met de haan was gebeurd.
“Ja, de haan is bij een boer op de Kramersweg, ga daar maar eens kijken of je hem mee kan krijgen”, zei Cor Peperkamp.
Maar de boer had die haan natuurlijk niet; wel een levende haan, waar hij erg trots op was, in zijn tuin. Toen de handelaar bij de boer kwam en naar de haan vroeg zei de boer: “Kerel, hoe kom je daar nou toch bij? Pak je weg, die haan loopt in het hok!”
Na dit kortstondige intermezzo kwam de handelaar weer terug bij


Jaarboek 15, pagina 43

De smederij na een ingrijpende verbouwing in 1935; er werden nu ook rijwielen verkocht en gerepareerd.
afb 12 De smederij na een ingrijpende verbouwing in 1935; er werden nu ook rijwielen verkocht en gerepareerd.

Cor Peperkamp, die meteen naar de haan vroeg, waarop de handelaar ter snede repliceerde: “Ach, zolang ik loop, schimmelt mijn kont niet”.

De kinderen vermaakten zich in en rondom de smederij; op vrije dagen ging men graag naar de Papenberg om te spelen, of ze liepen door de duinen naar het strand om daar naar bijzondere schelpen te zoeken. In de jaren dertig kregen ze een cent zondagsgeld en als ze wel eens zeurden om wat meer geld, zei hun moeder: “poep maar in je hutte, dan kan je glissen (poep maar in je klompen, dan kan je glijden)”.

Het gezin van Cor en Trijntje was voor die tijd vrijgevochten en je kon er altijd binnenlopen.

De kinderen hadden een dobermann pincher, genaamd Cas, die jaren de ‘huisvriend’ van de familie is geweest. Cas was helemaal getraind om eenvoudige boodschappen te doen; zo haalde hij brood bij de bakker en vlees bij de slager. Door de familie wordt nog steeds de loftrompet gestoken over de slimheid van hun allang overleden hond.
De kinderen haalden ook regelmatig de paarden op die beslagen moesten worden. Ze mochten dan op de knol zit ten – heerlijk vonden ze dat – en als het werk klaar was mochten ze het dier weer terug brengen langs de Castricumse weilanden. Ze hadden vaak een speciale band met ‘hun’ paarden. Als zo’n paard dood ging, bracht dat veel verdriet bij de kinderen.

De dood van de smid

Op een dag is er toch een einde gekomen aan het leven van de hoefsmid, wiens aanwezigheid in het centrum van de dorpsgemeenschap zo’n vanzelfsprekendheid was geworden. Hij had zich al geruime tijd niet goed gevoeld, maar wel doorgewerkt.

Uiteindelijk is hij toch naar een dokter gegaan, die hem verwees naar een specialist in Alkmaar. Hoewel het voor die tijd – begin jaren (negentien) vijftig – zeer ongebruikelijk was om aan een patiënt diens prognose te vertellen, heeft de behandelend geneesheer op de nadrukkelijke vraag van Cor Peperkamp gezegd dat er aan diens ziekte niets meer te doen was en dat hij nog maar zes weken te leven had. Dit bleek helaas waar te zijn. Toen hij na dat bezoek op de stoep van het ziekenhuis stond zei hij triest voor zich uit starend: “Peperkamp zal nooit meer grappen maken”. De smid had slokdarmkanker gekregen, waarschijnlijk mede veroorzaakt door de hete vuren van de smidse. Zijn ziekbed duurde kort.

Toen hij ten tijde van zijn ziekte nog eens een pater, die barrevoets de smederij bezocht, uitliet (en die twee hadden al heel wat afgelachen) en tegelijkertijd bezoek kreeg van een vrouw met vier kleine kinderen, zei hij: “Ja, dat heb je hè, als je met een jonge vrouw trouwt”. De pater verliet stikkend van de lach de smederij. Nadat hij het bericht van de arts vernomen had is hij vrijwel onmiddellijk gestopt met zijn werk. Toen Cor Peperkamp in de woonkamer op zijn sterfbed lag, kwam een keer zijn oudste zoon Cor binnen met een pas geslepen zeis. Hij vroeg zijn vader of de zeis nu scherp genoeg was. Peperkamp nam de zeis over, betastte hem met zijn duim en zei: “Hij moet nog scherper jongen”.

De mensen in het dorp merkten wel dat de smid ziek geworden was. Zijn krachten namen af en door de ziekte vermagerde hij, hij zag er slecht uit. Toen iemand hem daarop aansprak zei hij: “Er komt eenmaal een eind aan de menselijke machine, maar als ik bij Petrus kom, kan hij nooit zeggen dat ik de mensen verdriet heb gedaan: bij mij hebben ze altijd gelachen”.

Op 19 juli 1952 stierf hij, op bijna 72 jarige leeftijd, thuis in de woonkamer in een bed bij het raam, ’s morgens vroeg, terwijl zijn dochter Marie bij hem waakte. Er was een einde gekomen aan zijn leven en Castricum rouwde bij het overlijden van zijn smid Cor Peperkamp.

Onder veel belangstelling werd hem de laatste eer bewezen en zelfs de militaire eer: Kapitein Rommel salueerde soldatesk en in vol officiersornaat op het kerkhof van de Heilige Pancratius, alwaar zijn graf nog steeds te vinden is.

Voor de smederij Cor Peperkamp en een andere smid bezig met het beslaan van een paard.
Voor de smederij Cor Peperkamp en een andere smid bezig met het beslaan van een paard. Links de Groentewinkel van Ab Hogenstijn later Molenaar, Paul Dekker, Eric Kippersluis. De persoon die gebukt staat is Cor Peperkamp, zoon van Frans Peperkamp en kleinzoon van de hier beschreven smid Cor Peperkamp. Dorpsstraat 54, 56 in Castricum, 1959.

Dankwoord

Een woord van dank ben ik verschuldigd aan mijn familieleden, die de eigenlijke auteurs van dit voorbeeld van ‘oral history’ zijn. Mijn vader Frans Peperkamp, die ondanks zijn ziekte en zeer verzwakte stem toch de sfeer van die tijd met zijn anekdotes wist op te roepen; tijdens de voltooiing van dit artikel is hij op 6 juli 1992 overleden.
Mijn moeder Corrie Peperkamp-Nijssen uit Castricum.
Mijn tante Marie, mevrouw M. Dol-Peperkamp uit Alkmaar.
Mijn tante Da, mevrouw A. Dekker-Peperkamp uit Beverwijk.
Mijn tante Fem, mevrouw F. Peperkamp-Bruinenberg uit Castricum.
Mijn neef Piet Dol uit Edam en mijn neef Henk Benkemper uit Hillegom, zoon van mijn onlangs overleden tante Annie, mevrouw A. Benkemper-Peperkamp.


Jaarboek 15, pagina 44

Mijn achterneef Jan Peperkamp, smid te Uitgeest en kleinzoon van een broer van mijn grootvader.
Mijn broer Wim Peperkamp voor fotomateriaal.
Mijn echtgenoot Aart Waterman voor zijn correcties en stilistische adviezen.

Catharina Q. Peperkamp,
kleindochter van Cor Peperkamp.

De winkel van Cor Peperkamp, smid.
De winkel van Cor Peperkamp, smid. Dorpsstraat 58 in Castricum, 1967. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Genealogie

Cornelis Johannes Peperkamp, geboren te Uitgeest op 1 augustus 1880, smid, overleden te Castricum op 19 juli 1952, zoon van Cornelis Peperkamp, smid en Anna Clasina Cornelia Stadegaard. Hij trouwt te Uitgeest op 17 mei 1907 met Catharina Maria Rodegonda Berkhout, geboren in Uitgeest op 14 augustus 1882 en overl. te Beverwijk op 24 oktober 1967, dochter van Mattheus Berkhout, broodbakker, bloemkweker en van Alida Petronella Tijburg.

Kinderen uit hun huwelijk worden allen geboren te Castricum:

  1. Anna Cornelia geboren op 7 maart 1907, woonde in Hillegom, aldaar overleden op 26 april 1992, gehuwd met Pieter H. Benkemper, commissionair in bloembollen.
  2. Alida Maria geboren op 26 oktober 1908, woonde eerst in Hillegom, nu in Beverwijk, gehuwd met: 1e Dirk van der Schans, directeur van een bloembollenbedrijf; 2e met Adriaan Dekker, muzikant.
  3. Cornelis Josephus geboren op 18 april 1910, smid, woonde eerst in de Dorpsstraat in Castricum, later in Heemskerk, aldaar overleden op 31 juli 1987, gehuwd met: 1e Femmetje Bruinenberg; 2e met Josje M. Hoogewerff.
  4. Maria Catharina geboren op 31 december 1912, overleden te Castricum op 18 juni 1913.
  5. Franciscus Josephus geboren op 23 november 1914, smid, woonde in de J. Hobergstraat te Castricum, overleden te Heemskerk op 6 juli 1992, gehuwd met Cornelia M. Nijssen.
  6. Maria Catharina geboren op 31 december 1916, woont aan de Omval te Alkmaar, weduwe van Simon Dol, chauffeur.
  7. Catharina Maria geboren op 30 april 1918, woonde in Purmerend, aldaar overleden op 15 oktober 1976, gehuwd met Simon Rem, belastingambtenaar.

Hoe het met de smederij verder ging

In de loop der jaren veranderde de aard van de smidswerkzaambeden. Hoewel er tot in de jaren vijftig nog regelmatig paarden beslagen werden en wielijzers omgelegd, zijn door de opkomst van de auto deze werkzaamheden geleidelijk aan uit het straatbeeld verdwenen. Ook de fiets mocht zich verheugen in een grotere populariteit en zo kwam het dat, onder andere tijdens de tweede wereldoorlog, ook fietsen gerepareerd werden, hoewel dat werk nooit door de smid zelf werd gedaan, maar door zijn beide zoons.

Na het overlijden van Cor Peperkamp nam zijn jongste zoon Frans Peperkamp het smidswerk over en omdat dit, zoals gezegd, terugliep werd de smederij een haarden- en kachelzaak, gedreven door de oudste zoon Cor. Pas in 1964 kreeg die historische plek een geheel andere bestemming. Elf jaar lang is er een stomerij gevestigd geweest die onder leiding stond van mevrouw F. Peperkamp-Bruinenberg.

In 1975 is het pand verkocht en werd er een gedeelte van de Raiffeisenbank in gevestigd, waarna het omstreeks 1980 werd gesloopt om plaats te maken voor de meergenoemde doe-het-zelf-winkel.

Smid Peperkamp

De ganse Dorpsstraat gaat in rouw,
Want och, een mensenleven trouw
Stond immers daar smid Peperkamp.
Voor d’oude garde lijkt ’t een ramp,
Want wie schenkt thans z’n gulle lach
En blijde ziel aan iedre dag?

Een prima smid in ’t harnas gaat.
Een Dorpsfiguur van groot formaat,
Het aanbeeld nevens ’t kloeke lijf,
De noeste knuisten tot bedrijf,
Het vuur, door d’oude balg gevoed,
Bracht jaren gloed in ’t smidse-bloed.

We missen ’t magistraal portret,
De smidse-deur blijft onbezet,
Het vuur wordt nu niet opgevoerd,
De moker blijft onaangeroerd,
De smidse rust … de baas ging heen
En op ’t trottoir staat er nu geen …

Het blauwe boezeroen is vort,
Het leutig dorpse leven schort …
Er is, na koddig smidse-praats,
Nog slechts een gapend lege plaats,
Want Peperkamp is reeds niet meer
En met hem d’echte dorpse steer.

Het dorp nu treurt bij ’t stervensuur
Van deze grote smids-figuur,
Hem wordt, door iedereen geacht,
Een warm en laatst saluut gebracht …
De hemel straalt, de zonne lacht …,
Vaarwel … vriend Peperkamp …rust zacht

Door A. van Kluijve
(uit het Nieuwsblad voor Castricum van 23 juli 1952).

1 juni 2022

Twisk Engel, smid – levensverhaal (Jaarboek 38 2015 pg 59-66)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 38, pagina 59

In gesprek met Engel Twisk

Engel Twisk op zijn praatstoel.
Engel Twisk op zijn praatstoel.

Ik heb het aambeeld van De Salamander nog in mijn werkplaats gehad …

Engel Twisk werd op 19 januari 1925 in Bakkum geboren en vierde dit jaar zijn 90e verjaardag. Hij kijkt terug op zijn leven en dat van zijn ouders en grootouders. Vader Floris startte rond 1918 met een smederij op de hoek van de Bakkummerstraat en de Vinkebaan. Engel wilde net als zijn vader smid worden. Geen ander beroep sprak hem zo aan.

Zijn eerste opleiding kreeg hij op de Ambachtsschool in Alkmaar. Het was een zware slag toen in 1943 de woning en de werkplaats in opdracht van de Duitsers werden gesloopt, net als honderden andere panden. In 1948 kon vader Floris in zijn oude buurtje een nieuwe woning met smederij in gebruik nemen.

Intussen was Engel zelf als dienstplichtige naar Nederlands-Indië vertrokken. In oktober 1949 kwam hij terug op het troepentransportschip Kota Inten en pakte zijn geliefde vak weer op. Nu is de voormalige smederij zijn woning. Daar hoopt hij met steun van de kinderen tot zijn laatste dag te blijven.

De oude smederij heeft Engel in 1983 grotendeels eigenhandig verbouwd tot woning.
De oude smederij heeft Engel in 1983 grotendeels eigenhandig verbouwd tot woning.

Engel Twisk is een geboren verteller en bovendien beschikt hij over een goed geheugen. Het leven van zijn ouders en grootouders staat hem nog helder voor de geest; alleen mogen we hem af en toe een beetje helpen met jaartallen. Hij woont sinds 1983 comfortabel in de vroegere smederij, die hij bijna eigenhandig heeft verbouwd. Zijn stoel staat op de plaats waar ooit een aambeeld stond. Voor het raam het model van een oude molen, uiteraard gemaakt van metaal. Klaas Molenaar van de vroegere Wastora heeft hem willen kopen: “Zeg maar wat je er voor wilt hebben.”

Engel had al meer molens gemaakt en hij had er geen zin in om dat nog eens te doen. Voor geld is niet alles te koop. Molenaar had er begrip voor.

We maken eerst kennis met de familie Twisk.
“Mijn grootvader Willem Twisk en grootmoeder Catharina Haaker hadden een kleermakerij, zoals verschillende generaties voor hem. Eerst in Heiloo en later in Velsen. In 1899 gingen ze in de Burgemeester Mooijstraat wonen en daarna verhuisden ze naar de Alkmaarderstraatweg 24, tegenwoordig Dorpsstraat 128, tegenover de rooms-katholieke kerk. Zijn zoons Jaap en Jan waren ook kleermakers. De oudste zoon was mijn vader Floris, die smid is geworden. Hij trouwde met Catharina Zonneveld.

Zelf ben ik in 1952 getrouwd met Ank Buur uit Akersloot. Zij is in 2000 overleden. Omdat er geen huis was te krijgen, woonden we eerst op de verdieping van het nieuwe huis van mijn ouders. In 1956 verhuisden we naar de Breedeweg en in 1966 ruilden mijn vader en ik weer van woning en nam ik de smederij over.


Jaarboek 38, pagina 60

Het gezin van kleermaker Willem Twisk. Het vak werd door vier generaties uitgeoefend. Floris Twisk staande rechts op de foto werd smid en zoon Engel volgde hem op.
Het gezin van kleermaker Willem Twisk. Het vak werd door vier generaties uitgeoefend. Floris Twisk staande rechts op de foto werd smid en zoon Engel volgde hem op.

De familie Twisk

In het 10e jaarboek van Oud-Castricum (1987) is de familie Twisk beschreven. Deze familie en veel aangetrouwde familieleden zijn diep geworteld in Bakkum en Castricum.

Engel Twisk stamt af van Jan Twisk die in 1766 werd genoemd als schepen van Bakkum. Zijn boerderij stond op de (zuid)hoek van de Haagscheweg-Heereweg. Floris, een zoon van Jan, had een boerderij op ‘t Noordend aan de Kooiweg.

Diens zoon Willem (1799-1863) werd kleermaker in de Oosterbuurt en zoon Floris (1840-1923) volgde zijn vader op. Hij vestigde zich op de hoek Overtoom-Schoutenbosch. Het vak werd voortgezet door zoon Willem (1868-1932) die met Catharina Haaker trouwde. De oudste zoon kreeg weer de naam Floris (1893-1974), maar die werd geen kleermaker maar smid en Engel trad in zijn voetsporen.

De Salamander die bij laag water nog altijd te zien is.
De Salamander die bij laag water nog altijd te zien is.

De Salamander

De grootvader van mijn moederskant was Engel Zonneveld (1865-1937). Hij was schelpenvisser, tuinder en van 1917 tot zijn dood ook strandvonder. Met zijn vrouw Grietje Limmen (1864-1945) woonde hij op de duinboerderij Van Lennepsoord. Het was een heel ‘slachtige’ vent hoor. Slachtig betekent handig. Hij maakte zelf schelpenkarren voor die jongens van hem. Hij kocht een tweedehands onderstel en de rest maakte hij van juttershout.

In 1910 strandde De Salamander. Het was een kanonneerboot en een ramschip, 46 meter lang en 10 meter breed, gebouwd in Bremen rond 1880. Het was één bonk ijzer en na iedere storm zakte het weer een halve meter dieper in het zand. Hij zou naar Hendrik-Ido-Ambacht gesleept worden voor de sloop.

De runners kwamen bij mijn grootvader in huis. Die mannen waren daar een tijdje in de kost. Ze kregen in de gaten dat ze het schip niet konden bergen en tenslotte gaven ze het op. De baas vroeg mijn grootvader hoeveel kostgeld hij kreeg. In plaats daarvan kwamen ze overeen dat hij voor een rijksdaalder het wrak mocht overnemen. Bewijzen heb ik er nooit van gezien. Zo ging het vroeger niet, maar Engel Zonneveld werd dus de nieuwe eigenaar.

Het aambeeld van de Salamander heb ik nog in mijn werkplaats gehad. Het schip had een kanon dat 180 graden kon draaien. Twee torpedokamers zijn er later ingebouwd. Het was natuurlijk een schip met een stoommachine. Ik ben er zelf nooit op geweest, maar heb er genoeg over horen vertellen.

De boeg van het schip was 20 centimeter dik. De Duitse keizer heeft dat ding laten bouwen. Het was er een van een serie. Later bleek het een mislukking te wezen. Het was de bedoeling om met die schepen op de Duitse wadden te patrouilleren en bij eb te gaan liggen. Als er vijandelijke schepen vanuit de Oostzee de wadden opvoeren, dan konden ze er snel naar toe varen en dan ramden ze die of schoten er torpedo’s op af.

De smederij van Jan Hoebe

Opa Zonneveld woonde in het duin, tot zijn land door de waterwinning zo verdroogde, dat er niets meer te telen viel. Toen kocht hij van Bertus Hageman aan de Heereweg 18 een boerderijtje. Er stond een grote kapberg achter. De achterkant was helemaal open en die kant heeft hij dicht gemaakt met planken van het strand. Al die rotzooi uit het duin vandaan heeft hij daar naar toe gesleept. Hij heeft nog een tijdje geschulpt, maar kreeg maagkanker en overleed op 12 juni 1937. In die oude schuur heeft mijn vader in de oorlog nog een smederij gehad. Er was geen smidsvuur, maar hij maakte er wel kachels en zo.

Vader is in 1893 in Heiloo geboren. Als 11-jarige jongen werkte hij al bij Bertus Stuifbergen, die een boter en kaaszaak had op de hoek van de Ruiterweg en de Mient.


Jaarboek 38, pagina 61

De vrouw van Stuifbergen was een Van den Berg uit Egmond aan Zee. Door de aanleg van het Noordzeekanaal werd IJmuiden belangrijk als vissershaven en de Egmonders trokken daar naar toe. Bertus had een wagen met een ket (red: klein paard) waar mijn vader in IJmuiden de bestellingen mee rondbracht. Bertus liet zijn paard beslaan in Heemskerk bij smederij Eeltink. Mijn vader stond er altijd bij te kijken. Het smidsvak trok hem erg aan. Bij die smid kreeg hij toen zijn eerste opleiding. Later werkte hij in Bakkum bij de smederij van Jan Hoebe.

Bij een verbouwing van de broodfabriek moesten er gaten in stalen balken geboord werden. Hoebe had alleen een handboor en het duurde heel lang voordat zo’n boor door de balk heen was. Bertus de Groot in IJmuiden had moderner gereedschap. Mijn vader ging daar een spiraalboor lenen.

Bertus stelde hem voor: “Je ken wel bij main komme werken.” Vader zei: “Ik werk nog bij Jan Hoebe. Ik kan niet zo maar weglopen.” Hij praatte er wel over met ouwe Jan Hoebe. Die vond het eigenlijk wel een goed idee dat hij eens een paar maanden bij Bertus ging werken om ervaring op te doen. Dat heb ie gedaan en daarna is hij weer terug gegaan naar Bakkum.

Meester-hoefsmid

Mijn vader was klein van stuk. In het keuringsrapport voor het leger staat 1 meter 60. Hij moest in 1913 opkomen en had bij de marine gewild als stoker. Dat is hem niet gelukt. De Eerste Wereldoorlog brak uit en in Den Helder werd de Kustwacht ingesteld. Daar heeft hij zes jaar gezeten. Daarvoor was hij nog een tijdje bewaker op het interneringskamp in Bergen.

Floris Twisk met kleinzoon Floris op weg naar de kermis in Bakkum. Achter hem loopt Engel.
Floris Twisk met kleinzoon Floris op weg naar de kermis in Bakkum. Achter hem loopt Engel.

Er was veel geouwehoer en geteut onder de soldaten en mijn vader ging liever aan het werk. Om wat te doen te hebben onderhield hij in Den Helder de kanonnen. Er was een kapitein die Sijpestein heette. Die zag mijn vader daar altijd scharrelen. Mijn vader vertelde hem dat hij graag hoefsmid wilde worden, maar dat hij daarvoor een cursus moest volgen die op zaterdagochtend in Haarlem werd gegeven. De kapitein heeft hem toen toestemming gegeven om op vrijdagavond naar huis te gaan, zodat hij op zaterdag die cursus kon volgen. Dan ging hij ‘s ochtends eerst naar paardenslager Jan Huiberts op de Vinkebaan voor een paar afgezaagde poten en die gingen achterop de fiets mee naar Haarlem voor de cursus. Daar kregen ze les. Een hoef is een ingewikkeld mechanisme hoor. Er zitten veel zenuwen in zo’n hoef. Door die dikke rand er omheen moeten zo’n zes hoefnagels geslagen worden. Aan die hoefnagels zit een smal kantje, waardoor die automatisch naar buiten lopen. Ze hadden in Haarlem graag dat hij een rijkserkend diploma zou halen. Toen volgde hij in Utrecht de opleiding meester-hoefsmid en slaagde met lof. Die rijkserkenning bestaat tegenwoordig niet meer. Nu kan iedereen zich hoefsmid noemen.

Wagenmakerij en smederij

Na zijn diensttijd ging mijn vader weer aan het werk bij Jan Hoebe. Rond 1920 was de Bakkummerstraat nog steeds niet meer dan een paardenpadje. Alleen in het midden was er bestrating. Toen hij naar huis fietste, kwam hij hier op de hoek Jan de Groot tegen. Die had zijn smederij in de Schoolstraat verkocht aan Dorus de Groot (een broer van Kees de Groot van de kalkovens). Jan was ‘een man van het veld’, dat betekende dat zijn vader niet bekend was. Hij droeg de achternaam van zijn moeder. Ze liepen samen op naar het dorp. “Wil je geen smederij beginnen?”, vroeg hij. “Daar heb ik geen centen voor,” zei mijn vader, maar Jan zag wel een oplossing.

Wat ben je laat,” zei z’n moeder toen hij thuis kwam. Ze woonden toen al in de Burgemeester Mooijstraat. Hij vertelde dat hij met Jan de Groot was meegelopen en dat ze het over een smederij hadden gehad. Voor mij niet te betalen, maar hij had gezegd dat het wel goed zat. Mijn moeder trok de stoute schoenen aan en zei: “Wij gaan vanavond naar hem toe.” Diezelfde avond werden ze het al eens.

Timmerman Jan Vlaar uit de Noord had op de hoek van de Bakkummerstraat en de Vinkebaan een werkplaats. Hij was met een dochter van Jan getrouwd. Bij de verkoop van de smederij in de Schoolstraat was overeen gekomen dat hij geen smederij meer mocht beginnen. Een wagenhandel of een wagenmakerij kon natuurlijk wel. Daarvoor werd aan de werkplaats van Vlaar een stuk aangebouwd. Bertus Nootebos nam het later van hem over.

Via Jan de Groot is mijn vader dus aan de Vinkebaan terechtgekomen. De wagenmakerij werd steeds meer een


Jaarboek 38, pagina 62

smederij. Een wagenmaker en een smid hadden elkaar toch nodig. Om de wielen van een schelpenkar moest bijvoorbeeld een ijzeren band worden gelegd en ook bij andere onderdelen kwam de smid er aan te pas. Ik kan me nog goed herinneren dat er boven het smidsvuur een enorme blaasbalg zat.

De in de Tweede Wereldoorlog gesloopte wagenmakerij annex smederij op de hoek
van de Vinkebaan en de Bakkummerstraat.
De in de Tweede Wereldoorlog gesloopte wagenmakerij annex smederij op de hoek
van de Vinkebaan en de Bakkummerstraat. V.l.n.r.: Bertus Nootebos, Jan Vlaar en echtgenote.

Vakman

Rond de tijd dat mijn vader in 1921 met Catharina Zonneveld trouwde, heeft hij samen met zijn buurvrouw Geessie Kaag een dubbel woonhuis Bakkummerstraat 1 en 3 laten bouwen. Ze had met haar inmiddels overleden man een melkzaak gehad in Amsterdam. Nu woonde ze hier aan het Duinpad. Geessie Kaag begon op Bakkummerstraat 3 een kruidenierszaakje en mijn vader had behalve de smederij ook een winkeltje waar hij fietsen, onderdelen van kachels en potten en pannen verkocht. Ik ben in 1925 op het adres Bakkummerstraat 1 geboren. Ik heb twee broers, een oudere broer Willem (1922) en een jongere broer Theo (1929).

Engel Twisk voor het bord met orthopedische hoefijzers die zijn vader Floris heeft gemaakt.
Engel Twisk voor het bord met orthopedische hoefijzers die zijn vader Floris heeft gemaakt.

Ik heb nog een heel stel hoefijzers die mijn vader gemaakt heeft. Het zijn allemaal orthopedische hoefijzers. Die waren bijvoorbeeld voor een paard met een doorgezakte hoef. Je moest als hoefsmid heel goed op de hoogte zijn van de stand en de gang van de paarden. De paarden werden bij de smederij ‘warm’ beslagen. Tegenwoordig hebben de hoefsmeden verschillende maten hoefijzers in voorraad, zodat zij ‘koud’ kunnen beslaan. Mijn vader kon heel goed smeden. Voor mij zijn die hoefijzers echte kunstwerkjes!

Toen ik in de jaren (negentien) zestig de smederij overnam, hadden we nog maar elf klanten met een paard. Ik herinner me nog Karel, het prachtige paard van Gerrit Veldt, dat een schitterende draf had. Als er een paard moest worden beslagen, ging dat altijd voor en werd het andere werk direct stil gelegd. Op een gegeven moment zijn we er mee gestopt.

De smeden van Castricum, Peperkamp, De Groot, Hoebe en ook smeden uit Akersloot en Limmen, kochten gezamenlijk in. Zo af en toe hadden ze vergadering bij ons thuis en daar werd heel wat afgelachen, maar intussen was de onderlinge concurrentie groot. Bij offertes gingen ze rustig een paar centen onder de prijs van een collega zitten, als ze die aan de weet kwamen.

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog kwam er een vertegenwoordiger van een grote gereedschapsfabriek uit Duitsland naar mijn vader. Hij verkocht gereedschapsstaal. Voor een schoffel of een bijl smeedde je twee stukken ijzer aan elkaar en een stuk staal er tussen. Die werktuigen hoefde je zowat nooit te scherpen. Als je ging hakken, vooral in ijs, dan sleet het ijzer weg, maar het staal bleef intact.
Mijn vader zou de rekening van dat gereedschapsstaal betalen, maar die vertegenwoordiger had op de rekening overal een nul achter gezet. Had je 6 kilogram, dan werd het 60 kilogam. We kregen veel te veel. Het werd een moeilijke kwestie. Mijn vader betaalde niet. Toen heeft hij contact gezocht met de boekhouder van Duin en Bosch. Die woonde net over de spoorbomen aan de Beverwij-


Jaarboek 38, pagina 63

kerstraatweg. Zijn schoonzoon was kunstschilder Middelveld. Die stelde brieven op en maakte duidelijk hoe de vork in de steel stak. Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit en heeft hij er niets meer van gehoord.

Op winterdag werd het soms om drie uur al donker en dan zei hij: “Maak het vuur maar an.” Dan ging hij bakken. Een ijzeren ton werd op het vuur gezet en daar werden de oude hoefijzers in gegooid. Hij smeedde er nieuwe hoefijzers van of gereedschap. Het fascineerde me dat je van oud materiaal nieuwe dingen kon maken.
Het eerste wat ik van mijn vader leerde, was het maken van Hollandse klinkstellen of deurbeslag. Had ik er een gemaakt, zei hij: “Het rooit erop, maak er nog maar eens ien.” Zo heb ik er heel wat gemaakt. Ik vond het een heel interessant vak. Het bestond uit drie onderdelen: grof, hoef- en kachelsmid.

Door de komst van de forensen in het dorp veranderde ons werk. We kregen nieuwe klanten en bovendien hadden forensen geen kachels maar haarden. Ons assortiment werd uitgebreid.

Net voor de oorlog had ik op de Ambachtsschool in Alkmaar de opleiding voor smid en bankwerker gevolgd. Toen was ik een jaar of 13. We kregen in de oorlogsjaren aanvullend les van een Vereniging ter bevordering van Vakonderwijs. Eerst in de school met de Bijbel en later in café De Vriendschap in de Dorpsstraat. Meneer Kaper van Duin en Bosch was zo’n beetje de hotemetoot. Werkstukken maakte je in verschillende andere smederijen. Ik heb hier nog oorkondes van prijzen die ik heb gewonnen. Mijn zoon heeft ze laten inlijsten en opgehangen.

Ik had altijd ruzie met een leermeester die bij de gemeente werkte. Ik dacht dat het Van Diepen was. Een timmerman gebruikt geen millimeters maar centimeters en ik heb dus altijd geleerd met millimeters te werken. Toen heb ik gezegd dat geen les meer van hem wilde hebben. Daarna heeft ene Groot, die bij de Technische Dienst van Duin en Bosch zat, ons les gegeven. Ik kon goed leren, maar ik had alleen belangstelling voor onderwerpen die me interesseerden en de rest zag ik als tijdverlies.

Evacuatie en sloop in de oorlog

Ik weet nog dat mijn vader ons ‘s morgens vroeg riep: “Kom je bed uit, het is oorlog.” Al na een paar weken werden er Duitsers in Bakkum ondergebracht. Op het duin hier tegenover kwam een kazemat; er werden bunkers gebouwd en de tankval werd gegraven. De eerste tijd had je nog niet veel last van de bezetting. Je kon nog in het duin komen en op het strand. Daar spoelden lijken aan die bij de dorpskerk werden begraven.

In 1943, midden in de oorlog, moesten we binnen een week evacueren. De smederij en de woningen werden gesloopt. Het was verschrikkelijk voor mijn ouders. Mijn vader is in een paar dagen grijs geworden. We kregen een evacuatie-adres in Wildervank en dat zagen we helemaal niet zitten. Eerst werden we opgevangen bij Jaap Twisk, een broer van mijn vader. Die had een kleermakerij op de hoek van de Korte Cieweg en de Dorpsstraat. Later zat Stevens daar. Tenslotte kregen mijn ouders woonruimte in Krommenie.

Ik heb eerst geprobeerd onder te duiken, maar moest toch voor de Arbeidsdienst naar Duitsland. Daar kwam ik bij een smid terecht. Ik heb nog een beetje gescharreld met zijn dochter. Sindsdien had ik meer begrip voor de contacten van Hollandse meisjes en Duitse soldaten.

Ik kreeg wel een steeds grotere hekel aan de mentaliteit daar en het gesnauw. Tenslotte ben ik teruggekomen en ondergedoken bij een tuinder in Venhuizen. Bij droppings ben ik nog door het verzet ingeschakeld. Met zaklantaarns moesten we het terrein afbakenen. Vaak lukte dat niet door de mist en het hielp niet mee dat ik ook niet lang ben. Werken op het land was niets voor mij. Ik ging terug naar Bakkum en kon bij smid Hoebe aan het werk en daar was ik ook in de kost. Ik kon heel wat ervaring opdoen, niet alleen met het beslaan van paarden, maar ook allerlei ander werk; ik was ook slotenmaker. Natuurlijk werkte ik in het hol van de leeuw, maar het voordeel was dat er in ons dorp geen razzia’s zijn gehouden en ik voelde me wel veilig. Iedereen werkte voor de Duitsers, want er moest brood op de plank komen. Ik had een vals Ausweisz en haalde eten bij de gaarkeuken tegenover het station. Als er vrijbankvlees was, werd dat door dorpsomroeper Dorus Kuijs bekend gemaakt. Onder andere in de werkplaats van Duinenbosch stonden paarden van de Duitsers. Dode paarden gingen naar de krengenslager Castricum aan de Breedeweg.

Naar Indië

Een foto van Engel en zijn verloofde Ank Buur gemaakt in 1946 kort voor zijn vertrek als dienstplichtige naar Indië.
Een foto van Engel en zijn verloofde Ank Buur gemaakt in 1946 kort voor zijn vertrek als dienstplichtige naar Indië.

In 1946 moest ik, 21 jaar oud, met de eerste lichting dienstplichtigen naar Indië en werd ingedeeld bij de ‘Zeven December Divisie’. Ik was dan wel opgeleid als


Jaarboek 38, pagina 64

smid, maar daar werd ik ingezet als automonteur en reparateur van van alles. Op een keer kreeg ik een aanvaring met een sergeant en die slingerde me op rapport. Ik moest bij de commandant komen en die begon met de vraag of ik als kwartiermaker naar Buitenzorg wilde, een plaats op West-Java waar de Gouverneur-Generaal zijn kantoor had. Nu heet het Bogor. Dat wilde ik wel. Daarmee was het gesprek afgelopen. Later zat ik nog als monteur in Soekaboemi.

Engel maakt een ritje op zijn motor in Soekaboemi op Java.
Engel maakt een ritje op zijn motor in Soekaboemi op Java.

Poncke (Jan) Princen (1925-2002), activist voor mensenrechten, lag daar op een kamer onder anderen samen met Martin Duijn, een andere Castricummer. Zo kwam ik in contact met Princen.
Poncke Princen is daar gedeserteerd. De hele groep had hem eigenlijk moeten volgen. Dan schieten de tranen in zijn ogen: “Voor mij was het een held en geen landverrader. Hij had een standbeeld verdiend. Ik heb me vaak afgevraagd wat we daar eigenlijk deden. Wij Nederlanders wilden toch ook graag bevrijd worden van de Duitsers. Ik had een hekel aan die dienstplicht. We zijn gewoon besodemieterd. Anderhalf jaar zouden we gaan, maar we hebben er drie jaar gezeten.”

Plaatsgenoten zochten elkaar op.
Plaatsgenoten zochten elkaar op. V.l.n.r. Floor Schermer, Martin Duin en Engel Twisk.

In 1949 kwam Engel met het transportschip Kota Inten terug, tegelijk met de dorpsgenoten Harm Vermeulen en Hans van Deelen. Toen was het nieuwe dubbele woonhuis, dat vader Floris samen met Nootebos had laten zetten, net klaar. Bakkummerstraat 5 en 7; achter nummer 5 kwam een timmerwerkplaats en achter nummer 7 de smederij met een travalje (red: hoefstal) voor het beslaan van paarden. Die travalje had Floris zelf gemaakt.

Loopbaan

Zwager Frans Zonneveld werkte ook bij mijn vader. Hij was een beetje invalide. Toen brak er een slechte tijd aan en het werk zakte als een pudding in mekaar. “Wat moet dat nu”, zei mijn vader. “Zal ik ome Frans naar huis sturen?” “Ik ga wel weg”, zei ik.

Ik ben toen begonnen bij Jan Spiering in Beverwijk en werd onder andere ingezet bij de Hoogovens. Het tijdelijk personeel kreeg de rottigste klussen. Toen vroeg Beijnes, de spoortreinfabriek, nieuw personeel. Ik solliciteerde en werd aangenomen met een proeftijd van drie weken. Na die drie weken, op een zaterdag, werd ik uitbetaald. Ik kreeg 1 gulden en 2 cent per uur. De anderen kregen vier cent meer. Toen ik de volgende week terugkwam, heb ik gezegd dat ik een volwaardige vakman ben en dat ik hetzelfde betaald wilde worden als de andere mensen die niet in Indië hebben gezeten. Ik kreeg mijn zin niet, leverde mijn werkkist in en ging terug naar Jan Spiering. Op het station kwam ik later de personeelschef van Beijnes tegen. Die stelde me voor om weer terug te komen. Hij zei: ”Ik zal zorgen dat je 1 gulden 6 krijgt.”

Ik ben bij Beijnes teruggekomen en kreeg volgens afspraak toch die 1 gulden en 6 cent. Door bemiddeling van prins Bernhard hebben we voor Argentinië zelfs roestvrijstalen treinen gemaakt. Voor onze begrippen heel modern.

Bij Beijnes ging het op den duur slecht en na acht jaar solliciteerde ik bij de Linoleumfabriek Forbo in Krommenie. Daar heb ik ook acht jaar gewerkt. Ze vonden me wel een goede smid in Krommenie. Ze vroegen waar ik het vak geleerd had. Bij m’n vader. “Heeft je vader een smederij?” Ik zei ja. “We hebben eigenlijk ander werk voor je, maar we willen je niet uit die ploeg vandaan halen.” Zodoende heeft mijn vader toen ook nog opdrachten van Forbo gekregen.

Logo smederij.
Logo smederij.

Jaarboek 38, pagina 65

De fabriek werkte ook voor Armstrong in Amerika. Armstrong was de grootste linoleumfabriek van de wereld. Als Armstrong een order kreeg die te klein was, dan hevelden ze die over naar Krommenie. Er moesten linoleumtegels gestanst worden. Ze kregen ze niet op de juiste maat. De baas vroeg of ik had verstand had van materialen. “Natuurlijk”, zei ik. Ook de ouderwetse maten nog, want vroeger was alles in inches. Ik moest die stans op de juiste maat brengen. Dat was een leuke klus.

De baas bood me een sigaar aan. Ik zeg: “Waar zijn die andere negen?” Hij had er een hele doos aan overgehouden. Toen heb ik op het kantoor die ene sigaar teruggegeven. Ik zei: “Dan kunnen jullie die ook op roken.” Tenslotte kreeg ik die doos sigaren toch nog.

Ik heb ook nog twee jaar bij de Hoogovens gewerkt, maar ben toen afgekeurd vanwege mijn rechterarm. Toen het weer iets beter leek te gaan met mijn arm, ben ik in de smederij in Bakkum begonnen. Daar heb ik eigenlijk weer te lang en te veel gewerkt. Het begon zo. Ik ging bij mijn vader op bezoek en toen vertrok net ouwe Cor Lute, een poelier van de Bakkummerstraat. Mijn vader vertelde: “Hij wil het hele spulletje kopen. Hij had er een redelijke prijs voor over.”
Ik zei dat ik er zelf belangstelling voor had. “Ben jij bedonderd riep mijn vader. Jij moet helemaal niet voor je eigen beginnen.”

Ik heb hem uitgelegd dat het me helemaal niet ging om een hoop werk of om rijk te worden, maar dat ik eigen baas wilde worden. Ook mijn vrouw was er eerst niet erg voor. Mijn vader kreeg er zowat de zenuwen van. Toen ben ik met die banenpijpen (rollen waar het 25 meter brede linoleum overheen liep) voor de linoleumfabriek begonnen. Daar had mijn vader ook al aan gewerkt. Het werk werd goed betaald. Beter dan in de fabriek zelf.

De in neo-gotische trant uitgevoerde smeedijzeren fontein op het Binnenhof die door Engel Twisk is gerestaureerd.
De in neo-gotische trant uitgevoerde smeedijzeren fontein op het Binnenhof die door Engel Twisk is gerestaureerd.

De fontein op het Binnenhof

Hier hangt ook een foto van de fontein op het Binnenhof. Die fontein heb ik gerenoveerd. Dat kwam zo. Op een gegeven moment kwam er een smid uit Egmond-Binnen bij me langs. Die was bezig met een kunstwerk voor Beatrix in verband met haar huwelijk in 1966. Hij was ook leraar op de ambachtsschool en had er te weinig tijd voor. Hij liet het me zien en vroeg of ik het wilde doen. Toen heb ik het afgemaakt. Het was een symbool of logo voor Beatrix. Het was goed geslaagd. Ik heb me ook altijd wel siersmid gevoeld. Hij vertelde me dat hij contact had met iemand van Monumentenzorg uit Amsterdam die veel smeedwerk uitbesteedde. Die man vroeg of ik iets voor hem wilde maken. “Dan weet ik wat u kan.”

Toen hebben we een segment van een hekkie gemaakt. Nadat hij het had bekeken zei hij: ”Ik wou dat ik je eerder gekend had. Iemand heeft het hek van ons gebouw gerestaureerd, maar ik vond het niet zo kunstig als wat jij hebt gemaakt.”

Zo kwam het dat ik opdracht kreeg om de fontein, die op het Binnenhof had gestaan, te herstellen. Die fontein was helemaal verrot en verroest en die hadden ze gesloopt. De restanten lagen in een boerderij bij de Egmondse abdij. Er was ook een kolom bij van gietijzer en die kieperden ze zo van de wagen, waardoor die kolom brak. Hij dateert uit 1883, de tijd van Koning Willem III. Het ontwerp is van de beroemde architect Pierre Cuypers en gemaakt ter nagedachtenis aan Willem II (1227-1256) koning van het Rooms-Duitse rijk die bij Hoogwoud door de West-Friezen is vermoord.
De vele onderdelen van de fontein waren wel gemerkt, maar niet erg zorgvuldig, dus dat heb ik opnieuw moeten doen.

Ik heb nog gezegd dat ze alles moesten laten galvaniseren. Maar wat was het geval? Dat ding was gemaakt van puddelijzer en daar zit vaak veel koolstof in. Dat smeedde vroeger veel makkelijker en het laste veel beter. Om het te galvaniseren moet ijzer in het zoutzuur gelegd worden om te ontroesten. Die koolstof lost allemaal op en dan kijk je er dwars doorheen. Dat vonden ze te rigoureus.


Jaarboek 38, pagina 66

Bij een fabriek in Purmerend is het metaal gecoat, maar dat was geen afdoende oplossing. De fontein is later nog wel een paar keer onder handen genomen.”

Terugblik

“Ik had voor de Forbo wel naar Zweden of Zuid-Afrika kunnen gaan. Overal hadden ze fabrieken, maar daar liet ik me niet heen sturen. Ik wou helemaal niet naar het buitenland. In Bakkum was ik thuis. Mijn vrouw en ik waren aan dit gebied gehecht.

Toen ik dat nog kon, ging ik hier altijd naar de kerk. Ik heb nog steeds sympathie voor het katholiek geloof, maar het instituut ging me tegenstaan. Dat de huidige paus kritisch is op de kardinalen en de bisschoppen vind ik hoopgevend, maar ik hou vast aan mijn eigen manier van geloven. Ik heb in mijn leven geleerd dat iedereen er recht op heeft om zichzelf te zijn.”

Niek Kaan

Weergave van gesprekken met Engel Twisk in het jaar 2014

Op het graf van het echtpaar Twisk staat een prachtig door Engel zelf gesmeed kruis.
Op het graf van het echtpaar Twisk staat een prachtig door Engel zelf gesmeed kruis.

Naschrift:

Na een ziekbed van enkele maanden overleed Engel Twisk op 5 april 2015. Zoals hij wilde, is hij gestorven in zijn tot woning omgebouwde smederij aan de Bakkummerstraat. ‘Onze verhalenverteller is uitgesproken …’ staat er boven zijn overlijdensbericht. Inderdaad, wat kon hij geweldig vertellen met oog voor de kleinste details. Vaak kwam in zijn verhalen zijn gevoel voor recht en onrecht naar voren en de stempel die zijn diensttijd in Indonesië op zijn leven heeft gedrukt.
Pastor Bertus Stuifbergen, die de uitvaart leidde, roemde zijn wijze, filosofische inslag. Ze hadden elkaar wel aangevoeld. De overgrootvader van de pastor woonde op de boerderij de Papenberg en de pastor kon het niet laten om op te merken dat het graf van Engel en zijn echtgenote gelokaliseerd kan worden op het bijbehorende ‘Kippenlandje’, nu deel van de begraafplaats Onderlangs.

Engel zou het prachtig hebben gevonden. Hij was sterk verbonden met het dorp dat hij voor geen goud wilde verlaten.

18 maart 2021

Schelpenvisser, een oude Castricummer, vertelt (Jaarboek 40 2017 pg 29-30)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 40, pagina 29

Een oude Castricummer Schelpenvisser vertelt

Schelpenvissers aan het werk.
Schelpenvissers aan het werk.

Bij het 50-jarig jubileum van de Werkgroep Oud-Castricum leek het de redactie een goede gelegenheid om een artikel van de hand van Derk van Deelen (1900-1973) letterlijk op te nemen in deze jubileumuitgave. Dankzij het pionierswerk van Van Deelen kon de Werkgroep Oud-Castricum in 1967 worden opgericht.

Het artikel is gepubliceerd in De Speelwagen – geïllustreerd tijdschrift in het bijzonder gewijd aan de historische schoonheid, folklore en geschiedenis in Noord-Holland boven het IJ – 7e jaargang, No 6, 1952.

De zee brengt ons heel wat gewin,
Veel schelpen op het strand.
Er dokkert een kar de stilte in,
Langs een mulle weg, door duinig land.

Een schelpenkar op een duinweg was altijd een imposant gezicht. Het is iets wat we in de naoorlogse jaren node missen. De kalkbranderijen in onze omgeving zijn tijdens de bezetting afgebroken en de schelpenvisser hebben we na 1942 in ons landschap niet meer teruggezien.

De schelpenvisserij is al eeuwen oud. Wanneer men er in ons dorp mede begonnen is, is moeilijk te zeggen. Het oudste schrijven hierover, mij bekend, dateert van 1730. De Staten van Holland en West-Friesland doen hierin beklag uitkomen over het feit “dat zeedert eenige jaaren herwaarts de Noordzee veel minder schulpen (red: schelpen) op de Stranden deezer Provincie heeft opgeworpen dan voordeeze, en dat in het bijzonder in het voorleede jaar genoegsaam geen Schulpen zijn opgespoelt soodanig dat het te dugten is dat de kalbranderijen deeser Provincie; en in het bijsonder die welke geleegen zijn tusschen de Steeden Haarlem en Leyden en aan den Rhijn, onder Rhijnland bij gebrek aan Schulpen souden moeten stilstaan, indien niet wierde voorsien tegen den uytvoer van de Schulpen.
De uitvoer van schelpen werd voor de tijd van drie jaar verboden “op poene (red: straf) dat diegeene welke deselve Schulpen souden komen uyt te voeren buyten deese Provincie sullen verbeuren voor yder reys de somme van hondert guldens boven en behalve de verbeurte van de Scheepen en Schuyten en van de Rijtuygen en Paarden waarmeede deselve Schulpen buyten deese Provincie souden mogen worden vervoert.

Een honderd jaar later, omstreeks 1820, was de schelpenvisserij aan onze kust weer tot grote bloei gekomen. In een ‘Verhandeling over het toegangbaar maken van de duinvalleyen langs de kust van Holland’ door Mr. D.T. Gevers, kommies van Staat bij den Raad van State, 1826, lezen we:
Langs onze kust is er geen punt op hetwelk zoo veel schulpen van het strand werden opgehaald dan tegenover Castricum en Bakkum, vandaar dat aantal schulpwegen door de duinen. In het jaar 1821 hebben de 60 schulpers (red: schelpenvissers) in Bakkum en Castricum woonachtig te samen 1602 lasten Schulpen, en in den jare 1822, 1377 last aan het Schulpstet op de Bakkummerschulpvaart aangevoerd. Ieder last nu, inhoudende 6 hoeden of, zooals dit, volgens een oud gebruik, genoemd wordt 2 schuiten, en waarover de Schulpers 15 vrachten moeten rijden, wordt hun tegenwoordig tegen 12;6;8 gulden betaald, zoodat in 1821 voor dit ruwe product eene som van 19,703 gulden in dien kleinen omtrek onder de Schulpers in omloop is gekomen; en gewoonlijk is de gevraagde hoeveelheid schulpen althans niet minder, doch wel duurder.”

Een van de thans nog in leven zijnde schelpenvissers van Bakkum is de 78-jarige heer Kees (rectificatie uit jaarboek 41) van den Berg. Toen ik hem vroeg mij iets over dat echt oud-Hollandse beroep te vertellen, was hij hiervoor direct te vinden en stak meteen van wal:
Toen ik elf jaar oud was, dat was dus in 1886, ging ik voor het eerst met m’n vader mee naar het strand, om het schelpenvissen te leren. M’n buurjongen G. van Velzen ging ook met zijn vader mee en sloot zich bij ons aan. Wij haalden in die tijd, toen ik nog jong was dus, alle dagen twee karren schelpen van het strand, dat was met elkaar dus tien mud. De karren waren toen nog betrekkelijk klein en de wegen slecht. Daar er niet altijd schelpen waren, konden we vanzelf ook niet steeds op twee kar per dag rekenen. Later werden de wegen beter, met het gevolg dat de karren ook groter werden en we acht mud per kar konden laden. Toentertijd bracht een kar schelpen 0,75 gulden op, dat was voor een kar van vijf mud. Voor 1,50 gulden moesten we twee keer naar Zee en waren dehele dag in touw, dat was heel erg.


Jaarboek 40, pagina 30

‘Een man van de zeereep’ van Cor Heeck.
‘Een man van de zeereep’ van Cor Heeck.

Dat is nu 58 jaar geleden. Later werd het wat beter en in de oorlog van 1914-1918 kregen wij 0,50 gulden per mud, dat was dus 4 gulden per kar. Dat is echter maar twee jaar zo geweest, toen ging het weer omlaag; eerst tot op 0,40 gulden, toen 0,35 gulden en later zakte het weer tot 0,25 gulden per mud. Dat kwam omdat wij niet georganiseerd waren, de kalkbranders werden rijk en wij straatarm.

De schelpen die wij aanvoerden gingen voor het merendeel per vlet naar de ovens in Alkmaar, Uitgeest, De Rijp en Zaandam, waar er dan kalk van gemaakt werd. Soms kwam er wel eens een schip op de Meer om schelpen te laden voor Friesland. In mijn jonge jaren waren er te Castricum, zo ik weet, twintig schelpenvissers, maar in de oorlog van 1914 waren er twee en veertig. M’n vader heeft mij wel eens verteld, dat toen hij jong was er te Castricum en Bakkum met mekaar wel vijf en negentig schelpenvissers waren. Soms viste iedereen schelpen, de boeren, de knechten, zelfs de smid en de kastelein.”

Op mijn vraag hoe het komt dat er nu minder schelpen te vissen zijn dan vroeger, antwoordde de heer Van den Berg, dat dit komt omdat het strand verzand is.
Dag en nacht komt er slib uit de haven van IJmuiden ten noorden van de pier in zee terecht. Jarenlang wordt er al gebaggerd en dat zand komt allemaal bij ons op het strand en zo raken de zwinnen dicht. Met het gevolg dat de zee op de zwinnen (red: verdiepingen in he tzand evenwijdig an de kust) geen slag meer heeft. Het strand is nu helemaal vlak. Vroeger lagen er banken, waar we met een kar schelpen haast niet tegenop konden komen. In 1942 was er maar weinig of niets meer te vissen.

Ik heb het schelpenvissen altijd graag mogen doen, vooral als er goed wat te vissen was en dan vooral met een sterke zee. Als we zo’n dag een kar of zes schelpen, soms meer, gevangen hadden, waren we goed te spreken. Maar het gebeurde ook wel dat we een uur of zes weg waren en toch nog geen schelpje hadden gevangen. Als we dan met een lege kar naar huis toe gingen, dan stond het hoofd niet best, dat begrijpt U wel.
Het paard moest altijd goed gevoerd worden, want dat moest het zwaarste werk doen, daar zorgde ik dan ook goed voor. M’n paard was een deel van mijn leven. Een last schelpen was vroeger 80 mud, later rekende men een last op 100 mud.”

Als ik bijna niets meer te vragen heb, vertelt Van den Berg toch nog verder, over zijn mooie, maar onrustige, ongedurige schelpersleven. Hij vertelt hoe hij met stormweer en ruwe zee aan het vissen is geweest:
“Soms met levensgevaar dreigden we omver geslagen te worden, door golven zo groot, dat ze over paard en kar heen spoelden. De jas en de deken die op het paard lagen nat, de laarzen vol water en zelf doornat, dan was het uitkijken en dagen tellen, zegt men wel eens, maar wij telden altijd de golven.
De negende golf is altijd de grootste en als we aan de negende golf toe waren, riepen we mekaar toe, pas op, daar komt een opstopper.”

Tot slot vertelde de heer Van den Berg nog dat de strandpalen bij de schelpenvissers namen hadden.

Om de Zuid heette:

  • de eerste paal: Zuiderhoogde
  • de tweede paal: Slechte Weg
  • de derde paal: De Kaap
  • de vierde paal: Van ’t Huisje
  • de vijfde paal: Oudste Huisje
  • de zesde paal: Pesthuis

alle in de richting Wijk aan Zee.

Om de Noord kreeg je eerst de Galg, zo genoemd naar de galg die daar vroeger voor berechting van misdadigers stond opgesteld. Verder noemde men de strandpalen om de Noord aldus:

  • de eerste paal: De Wis
  • de tweede paal: Van Dal
  • de derde paal: Van Steeg
  • de vierde paal: Van Kouwenhoven

Zuiderhoog, Van Dal, Pesthuis en Kouwenhoven, traditionele namen die tot ons spreken uit een ver maar rijk verleden, het verleden van de Castricumse schelpenvisserij.

Bakkum 1952

D. van Deelen

18 maart 2021

Weda, een eeuw schildersbedrijf (Jaarboek 40 2017 pg 69-77)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 40, pagina 69

Een eeuw schildersbedrijf Weda

In 1917 startte Johan Weda uit het Friese Steggerda een schildersbedrijf op het adres Bakkummerstraat 96. Hij overleed in 1944 als slachtoffer van een treinbeschieting. Zijn twee zoons Theo en Ab zetten het bedrijf na de oorlog voort. De broers besloten in 1958 de zaak te splitsen in een vestiging met winkel in Bakkum van Ab en een tweede vestiging met spuiterij en winkel aan de Torenstraat, waarvan Theo eigenaar werd. De bedrijven gingen over van vader op zoon en in 1988 verhuisde het schildersbedrijf uit Bakkum naar de Castricummer Werf.

Johan Weda met zijn vrouw en zoon Theo in 1918 voor het huis aan de Bakkummerstraat 96.
Johan Weda met zijn vrouw en zoon Theo in 1918 voor het huis aan de Bakkummerstraat 96.

De oprichter Johan Weda

Johannes Weda werd op 19 mei 1885 geboren in Steggerda. Hij was de vierde zoon van Eense Weda en Katharina Bosma. Hij trouwde op 14 april 1917 met Johanna van Eijk (1886-1959) in Castricum en begon drie dagen later een schildersbedrijf in het pand Bakkummerstraat 96, dat hij met de bijbehorende woning huurde van Johannes Schotten. Zijn startkapitaal was 1.200 gulden. De vestiging in Bakkum had zeer waarschijnlijk te maken met de toename van de werkgelegenheid door de bouw van het provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch.

Johan Weda kreeg zijn opleiding bij schildersbedrijf Mulder in Steggerda, waarvoor hij een aantal jaren werkte. Er waren in die tijd wel opleidingsmogelijkheden, maar die kon hij niet betalen. Bij Mulder leerde Johan hoe je verf moest maken en verwerken, wat meestal plaats vond in de stille wintermaanden. De producten bestonden toen voornamelijk uit lijnolie, die veelal in Friesland uit lijnzaadplanten werd gewonnen.

In januari 1919 kocht Johan het bedrijfspand met woning van Schotten voor 2.800 gulden.

Dagboeken

Van het schildersbedrijf van Johan Weda zijn uit de periode 1922 tot en met 1937 vijf dagboeken bewaard gebleven, waarin keurig alle inkomsten en uitgaven voor elk werk werden bijgehouden. Daaruit blijkt dat er opdrachten werden uitgevoerd voor onder andere bouwbedrijf Borst, de gemeente Castricum, het PWN en de woningbouwverenigingen St. Joseph en Goed Wonen. Klussen voor particulieren werden echter ook per pagina vermeld.
De werkzaamheden aanbijvoorbeeld een nieuwbouwwoning van W. Jacobs in 1924-1925 leverde in totaal 478,47 gulden op. Daarvoor werd geschilderd, glas gezet en behangen.
De boeken geven ook een aardig inzicht in de gebruikte materialen. Zo werden er paraffine en lijnolie toegepast. Een kilo menie of verf kostte in die tijd ruim een gulden en voor een rol behang of plaksel werd ongeveer twee kwartjes gerekend. De prijs van glas was circa 5 gulden per vierkante meter en voor een dubbeltje had je al twee pakken stopverf.
Bijzonder schilderwerk werd ook gedaan, want in een kostenopgave voor Anton Borst wordt vier keer een doodskist genoemd met een bedrag van  4,50 gulden, terwijl F. Grapendaal 0,30 gulden voor een paar klompen betaalde …

Advertentie in het Nieuwsblad voor Friesland van 16 mei 1930.
Advertentie in het Nieuwsblad voor Friesland van 16 mei 1930.


Jaarboek 40, pagina 70

Ook zijn er namen terug te vinden van knechten die bij de oprichter in dienst waren. Dat waren onder meer Tool, Hemstede, Appelman, Groen, Kuilman en Tervoort die ongeveer 80 cent per uur verdienden. De baas hield dat tarief ook aan als hij zelf meewerkte. De prijzen gingen weliswaar in de jaren 1930 iets omhoog, maar van grote verschillen was geen sprake. In 1936 werkte het bedrijf mee aan de verbouw van het oude raadhuis. Ook werden er toentertijd borden met letters beschilderd voor wegen, plantsoenen etc. Voor het PWN deed Weda regelmatig onderhoudswerk aan het pompstation en ook de banken van het kampeerterrein werden van een verfje voorzien.

Johan Weda en Johanna van Eijk kregen drie kinderen, waarvan de zoons Theo (1918-1989) en Ab (1919-1997) en dochter Tilly (1923-2006).

Ab Weda in de jaren 1940.
Ab Weda in de jaren 1940.

Naast de gebruikelijke werkzaamheden kreeg Johan in 1938 een bijzondere opdracht. Op de splitsing van de Bakkummerstaat en de Van der Mijleweg werd in dat jaar de Beatrixklok onthuld in verband met de geboorte van de prinses. Weda mocht toen de letters en cijfers schilderen. In 1942 werd het gezin naar Koog aan de Zaan geëvacueerd. De schilderswerkplaats verhuisde toen naar de garage van Schotten aan de Dorpsstraat 63.
Twee jaar later sloeg het noodlot toe. Op 5 augustus 1944 zat Johan met zijn zoon Ab in een trein die aan de noordwestkant van station Uitgeest door Amerikaanse vliegtuigen werd beschoten. Johan werd daarbij dusdanig gewond dat hij op oudejaarsdag van dat jaar op 59-jarige leeftijd overleed.

Voortzetting van het bedrijf

Met ingang van 1 januari 1945 nam weduwe Johanna de zaak over, alhoewel het gezien de oorlog onduidelijk is in hoeverre er nog van bedrijfsvoering sprake was. Theo was op dat moment actief bij de Binnenlandse Strijdkrachten en Ab werkte bij de politie. Beide broers, die eerder bij hun vader aan de slag gingen, hadden de ambachtsschool gevolgd en zowel het patroonsdiploma schilderen als het middenstandsdiploma behaald.
Rond 1946 traden zij in loondienst bij hun moeder. Zus Tilly hielp mee in de huishouding en in de zaak.


Johan Weda met een schildersknecht.

Johan Weda met een schildersknecht.

Een oud-werknemer aan het woord

Piet Kloes, geboren in 1938 in Egmond-Binnen, had in 1952 de ambachtsschool in Alkmaar afgerond en moest van zijn vader maar meteen aan het werk. Hij vertelde over zijn kennismaking met Weda en hoe zijn carrière er verder uitzag:
“Omdat ik tijdens de schoolvakanties al wat ervaring in het schildersvak had opgedaan bij een oom van me in Beverwijk en er in Egmond maar één schilder was, ben ik op de fiets gestapt naar Bakkum en belde bij Weda aan. Daar trof ik vader Ab en werd direct aangenomen voor een loon van vijf gulden in de week. Dat ontvingen we zaterdagmiddag in een zakje zonder loonstrookje. We spaarden wel zegels voor vakantiedagen en pensioen. De werkdagen waren van 7.30 tot 17.30 uur en ’s zaterdags tot 12.30 uur. In totaal dus zo’n 48 uur per week. Het eerste wat ik leerde was het afbranden van oude verflagen. Dat gebeurde toen nog met carbidbranders. De werkzaamheden bestonden naast het buiten en binnen schilderen onder andere uit behangen, glas zetten, het aanbrengen van letters op bijvoorbeeld auto’s en het werken met bladgoud.


Jaarboek 40, pagina 71

We waren eerst bij particulieren aan de gang, maar later werkten we ook voor aannemers en het PWN. Zo heb ik de Van Tienhovenhoeve met al zijn luiken nog geschilderd.
Ik heb ook zelf verf gemaakt en gemengd. Ook maakten we plamuur. Zowel in grondverf, diverse lakken als plamuur zaten lood- en zinkwit. Dat was zeer onvriendelijk voor mens en milieu.

Piet Kloes met zijn gereedschap.
Piet Kloes met zijn gereedschap.

In Bakkum werkten we met een man of vijf, inclusief Ab en Theo. Ab deed voornamelijk de administratie en verzorgde de boekhouding en afspraken. Theo hield zich meer bezig met de winkel en later de spuiterij in de Torenstraat. Daar begon ik in 1960 als chef, nadat ik mijn dienstplicht had vervuld. Tot 1966 bleef ik in Egmond wonen. In dat jaar ging ik trouwen en verhuisde met mijn vrouw naar de Burgemeenster Mooijstraat. Ik heb tot circa 1969 in de spuiterij gewerkt en verdiende toen 135 gulden per week, wat voor die tijd een goed salaris was. Omdat ik een infectie aan mijn longen kreeg, werd mij aangeraden uit het vak te stappen. Daarop heb ik gesolliciteerd als adviseur autolakken bij Sikkens, waar ik nog 29 jaar heb gewerkt. Tijdens die periode heb ik een docentenopleiding gevolgd en ook les gegeven aan vertegenwoordigers en medewerkers van spuiterijen. Daarnaast schreef ik cursussen.

Op 60-jarige leeftijd ging ik met pensioen en sindsdien ben ik actief voor de Pancratiuskerk. Ik was 18 jaar voorzitter van het gemengd koor en vanaf 2001 ben ik koster.
Als ik terugkijk kan ik alleen maar zeggen dat ik een prachtige tijd heb gehad bij Weda. De familie was altijd zeer gastvrij en hartelijk. Er werd me ook vaak door oma Johanna of Tilly wat lekkers toegestopt, zoals een kop soep of een gehaktballetje. Het bedrijf is ook een enorme leerschool voor me geweest.

Tot slot nog een leuke anekdote. Ik had eens een plafond geschilderd met waterverf en om het goed dekkend te krijgen had ik het dik opgezet. De nacht daarop ging het hard vriezen en zaten de bloemen in het plafond die normaal op de ramen zitten. De klant die de volgende dag kwam kijken was uiterst tevreden en zei dat ie nog nooit zo’n mooi decoratief plafond had gezien …”

De gevel van de winkel in de Torenstraat 44-46 in de jaren 1950.
De gevel van de winkel in de Torenstraat 44-46 in de jaren 1950.

Begin 1953 werd het bedrijf uitgebreid met een vestiging aan de Torenstraat 44 en 46. Het pand werd gebouwd in opdracht van Cornelia Louter (de schoonmoeder van Theo) en bestond uit een woonhuis en een werkplaats met aan de voorkant een kleine winkel. Die winkel had men eigenlijk niet nodig, maar was noodzakelijk op grond van het bestemmingsplan voor de Torenstraat.

Weda auto spuitinrchting.
Weda auto spuitinrchting.

De werkplaats werd ingericht als spuitinrichting en ging fungeren als filiaal voor het schildersbedrijf in Bakkum. De winkel werd door de toenemende vraag naar verf en behang als eerste verfspeciaalzaak van Castricum in 1954 geopend onder de naam ‘In de Verfmolen’. Het was een winkeltje van vier bij drie meter met op de eerste verdieping een heuse toonkamer met een zitje voor het behang. Boven de voordeur hing een verfmolen die Theo in Friesland op de kop had getikt.

De winkel aan de Bakkummerstraat 58.
De winkel aan de Bakkummerstraat 58.

Splitsing

In 1958 besloten de broers het schildersbedrijf te splitsen in een zelfstandig bedrijf van Ab in Bakkum en een zelfstandige vestiging met spuiterij en winkel in Castricum van Theo.


Jaarboek 40, pagina 72

Advertentie van 'De Verfton'.
Advertentie van ‘De Verfton’.

Aan de Bakkummerstraat vonden wel wat veranderingen plaats. Het schildersbedrijf en de werkplaats op nummer 96 werden weliswaar gehandhaafd, maar het woonhuis van de familie op nummer 58 (waar het gezin vanaf 1954 woonde) onderging een drastische verbouwing. De woonkamer werd ingericht als winkel voor behang en verfwaren die de naam ‘de Verfton’ kreeg en in 1958 werd geopend. Twee jaar later werd de winkel vergroot door de woonkamer erbij te trekken. Achter het huis werden een nieuwe woonkamer met keuken en bijkeuken gebouwd.

De etalage met feestartikelen maakte veel indruk.
De etalage met feestartikelen maakte veel indruk.

Net als in de Bakkummerstraat gebeurde er ook het nodige in de Torenstraat. Al in 1959 werd de winkel verplaatst naar de naastgelegen brede steeg en groeide naar 80 vierkante meter, inclusief magazijn. Het bestaande winkeltje werd gesloopt en verbouwd tot vergrote ingang van de spuiterij. Het assortiment breidde zich in die periode uit met feestartikelen en de verhuur van sinterklaas- en zwarte pietenkleding. Ook werd er eind december vuurwerk verkocht.

Ab Weda
Ab Weda

De burgemeester van Bakkum

Ab Weda was een markante Bakkummer. Hij deed op een gegeven moment zoveel voor de inwoners en winkeliers van dit dorpsdeel dat hij de bijnaam ‘burgemeester van Bakkum’ kreeg. Het bekleden van diverse functies in organisaties en het verenigingsleven leidde er ook toe dat Ab op 29 april 1992 een Koninklijke onderscheiding in de Orde van Oranje Nassaukreeg opgespeld door burgemeester Schouwenaar. Wat hoogtepunten uit zijn indrukwekkende loopbaan:

  • 35 jaar bestuurslid van de Schildersbond St. Lucas afdeling Castricum, Limmen en Uitgeest;
  • 7 jaar voorzitter van de kantine commissie van de voetbalclub Vitesse ’22;
  • 15 jaar voorzitter van de Winkeliersvereniging Bakkum ’75, waarvan Ab ook de oprichter was;
  • 6 jaar bestuurslid van een plaatselijke evenementencomissie die ook de viering van Koninginnedag verzorgde.

Jaarboek 40, pagina 73

Theo Weda
Theo Weda

Nestor van de Castricumse ondernemers

Evenals zijn broer Ab maakte Theo zich naast zijn werk op een aantal terreinen verdienstelijk. Als begeleider in dorpshuis De Kern was hij nauw betrokken bij activiteiten voor de jeugd. Theo regelde ook jarenlang de intocht van Sint Nicolaas. Ondanks zijn drukke bestaan zag hij daarnaast nog kans om in de jaren 1950 mee te gaan als leider tijdens de wielerronde ‘Tour de Flevo’ en stelde zijn werkplaats beschikbaar voor opslag van proviand en het keuren van fietsen.

Theo Weda was een van de oprichters en voorzitter van het Castricumse Ondernemers Verbond. Na zijn aftreden en benoeming tot erevoorzitter bleef hij tot aan zijn dood bestuurslid. De schilder uit de Torenstraat was niet alleen mede-initiatiefnemer voor het luifelplan in die straat, maar ook een pleitbezorger voor het levensvatbaar houden van de dorpskern. Ook maakte hij zich sterk voor de aanleg van het vroegere parkeerterrein achter de Rabobank.

Als voorzitter van het kerkbestuur speelde Theo onder andere een grote rol bij de succesvolle restauratie van de Pancratiuskerk. Twintig jaar lang was hij kerkmeester van de Pancratiusparochie. In 1986 kreeg hij als eerbewijs de pauselijke onderscheiding Pro Ecclesiae et Pontifice toegekend. Tot slot liet Theo zich buiten de gemeentegrenzen gelden als bekwaam bestuurder van het district Noord-Holland van het Koninklijk Nederlands Ondernemers Verbond (KNOV), waarvan hij meer dan tien jaar voorzitter was. Zijn activiteiten leverden hem in 1980 de Oorkonde van Verdienste van het KNOV op.

Renaultdealer Dick Baltus opende in 1965 de vergrote spuiterij.
Renaultdealer Dick Baltus opende in 1965 de vergrote spuiterij.

Door de toename van het aantal auto’s liet Theo Weda een grotere spuiterij bouwen met een voor die tijd revolutionaire overdrukspuitcabine, zodat meerdere auto’s per dag gespoten konden worden. De spuiterij werd in 1965 geopend. Ook ging hij zich toeleggen op radiatoren vanwege de enorme populariteit van de centrale verwarming. De groei van de spuiterij en winkel had echter tot gevolg dat Theo spoedig stopte met de schildersactiviteiten.

Jan Weda hielp op jonge leeftijd al mee met het inrichten van de etalage.
Jan Weda hielp op jonge leeftijd al mee met het inrichten van de etalage.

De derde en vierde generatie

Zoals bij vele familiebedrijven het geval is, stond er ook voor de vestigingen van Weda een derde generatie klaar om in de opvolging te voorzien.
Uit het huwelijk van Ab Weda en Alie Res werden vier zoons geboren, waarvan er twee bij hun vader werkzaam waren. Voor Bert (1951) duurde die periode slechts van 1966 tot 1968, maar Jan (1947) begon in 1962 mee te werken in de zaak in Bakkum. Jan vertelde het volgende:
“Na de lagere school ging ik naar de LEAO (red: Lager Economisch Administratief Onderwijs) in Beverwijk, waar ik vakken als boekhouden, handelskennis en verkoopbevordering met etaleren kreeg. Mijn vader vond dat ik daar voor het bedrijf wel wat aan had en daarom werd ik ook betrokken bij afspraken met de etaleur van Ripolin (red: verf merk) over het inrichten van de etalage. Ik herinner me nog de vierkante Citroëbus met uitbundige Ripolin-reclame waarmee we samen naar de school in Beverwijk reden om reclamemateriaal af te geven. Hiermee kon ik dan oefenen en nieuwe ideeën uitwerken. In 1962 begon ik met werken en ging ’s avonds naar een technische school. Ook volgde


Jaarboek 40, pagina 74

ik vakopleidingen en behaalde de benodigde diploma’s om het bedrijf voort te zetten.
Mijn taken waren schilderen, behangen, glaszetten en bediening in de winkel.

Vooral in het voorjaar was het een drukte van belang in de winkel. Ik hielp dan mee op zaterdag en door de week na 16.30 uur, als ik klaar was met mijn andere werk. Ook bezorgde ik veel glas op het kampeerterrein. Dat gebeurde eerst met een rek onder je arm en vanaf 1965 deden we dat met een stationwagen. In de wintermaanden werkte ik af en toe ook bij andere schildersbedrijven of in de spuiterij in de Torenstraat.

In november 1967 moest ik in dienst, maar omdat mijn vader niet meer volledig inzetbaar was vanwege een hernia vroeg hij vrijstelling voor mij aan. Dat werd gehonoreerd en zodoende kon ik begin januari van het jaar daarop mijn werkzaamheden voor de zaak hervatten.
In 1980 heb ik het bedrijf van mijn vader overgenomen en in 1984 kwam de winkel op naam van mijn echtgenote Lida de Wildt. De concurrentie nam echter steeds meer toe, waardoor we genoodzaakt werden om de winkel in 1988 te sluiten. Het bedrijf groeide wel uit zijn jasje en omdat er behoefte was aan meer opslag van (steiger)materialen, verhuisden we in hetzelfde jaar naar een nieuw pand aan de Castricummer Werf 31. Na het overlijden in 2009 van Lida zijn onze zoon Bart (1971) en zijn vrouw Margot Rammeloo (1975) toegetreden tot de vennootschap.

Jan Weda schilderde het logo van zijn bedrijf op het nieuwe pand aan de Castricummer Werf (1988).
Jan Weda schilderde het logo van zijn bedrijf op het nieuwe pand aan de Castricummer Werf (1988).

In 2012 ben ik gestopt, maar ik heb wel mijn aandeel in de zaak behouden. Uiteraard heb ik in de loop der jaren heel veel zien veranderen wat het schilderswerk betreft. De werkuren gingen geleidelijk aan omlaag, de inkomens stegen daarentegen en er werden hoge eisen gesteld aan arbeidsomstandigheden en opleidingen. Ook stapte men over op andere technieken. Rollers en spuiten kwamen in de plaats van kwasten en er werd overgeschakeld op verf op waterbasis. De kleurkeuze breidde zich door de komst van de verfmengmachine uit van 20 naar 20.000 kleuren. Overigens wordt er nu zelf geen verf meer gemaakt en wordt alles ingekocht bij de groothandel.
Er kwamen veel meer mogelijkheden met betrekking tot glas en bijvoorbeeld glas in lood, isolatieglas en zonwerend glas deden hun intrede. De bedrijfsuitvoering is ook sterk veranderd door het werken met nacalculatie en toepassing van planmatig en totaal onderhoud.”

Bert Weda op de Nationale Schildersschool in Utrecht.
Bert Weda op de Nationale Schildersschool in Utrecht.

Herinneringen van Bert en Fred Weda

Zoals eerder vermeld, hanteerde Bert Weda slechts twee jaar de schilderskwast in het bedrijf van zijn vader. Bij hem kwamen nog wel wat herinneringen naar boven:
“Toen ik op de lagere school zat, was ik trots op het bedrijf en de winkel van mijn ouders. Ik werd regelmatig ingezet voor het folderen en mocht ook de auto in de was zetten. Na de lagere school ging ik naar de LTS (red: Lagere Technische School) in Alkmaar. Hier volgde ik de schildersopleiding, die toen drie jaar duurde. In deze periode was mijn aandacht meer op werken gericht dan op mijn studie. Als het verantwoord was mocht ik schilderwerk doen voor mijn vader. Daarnaast had je een krantenwijk en pelde bollen. Ik was ervan overtuigd dat ik bij mijn ouders in het bedrijf ging werken. Je solliciteerde niet, het was een beetje vanzelfsprekend! Toen ik begon werkte mijn broer Jan al vier jaar voor mijn ouders. Ik was als 15-jarige de school zat en was blij dat ik kon gaan werken. Daarnaast volgde


Jaarboek 40, pagina 75

ik de opleiding aspirant-gezel schilderen in Alkmaar. Daarvoor moest ik twee avonden en een middag in de week naar school.
Later volgde ik de Nationale Schildersschool in Utrecht. Dat hield in dat ik vijf dagen per week op en neer reisde. Dus vroeg op, laat thuis en veel huiswerk. In het vierde jaar kwam ik in gesprek met een docent over mijn toekomstplannen.

Toen kwam zijn vraag of ik weleens had nagedacht over de lerarenopleiding. Later kwamen we samen tot de conclusie dat het voor mij een goede keuze zou zijn. Ik moet zeggen dat hij het goed gezien had, want op één maand na heb ik 42 jaar in het onderwijs gewerkt.

Uit de tijd dat ik voor mijn vader werkte, staat mij nog een grappig voorval bij, dat zich in de winter afspeelde. Dat is voor schilders altijd een lastige periode, waarin je bent aangewezen op binnenwerk. Omdat er op een gegeven moment nog niet begonnen kon worden met een volgende klus, mocht de pauze wel wat langer duren. Die tijd werd ingevuld met een potje klaverjassen. Toen kwam er een bekende klant binnen, die dacht dat er niet veel werk was en dat hij daarvan wel kon profiteren. Mijn vader vertelde de man echter dat hij geen tijd had om voor hem te werken. Waarop de klant verontwaardigd reageerde met de opmerking: maar jullie zitten toch te klaverjassen? Daarop zei vader: Het maakt niet veel uit of het personeel voor mij aan het werk is of aan het klaverjassen, want het kost in beide gevallen geld en nu heb ik er tenminste nog plezier van! De klant had begrip voor het antwoord …

Fred Weda achter de kassa van ‘de Verfton’.
Fred Weda achter de kassa van ‘de Verfton’.

De tweede zoon van Ab en Alie, Fred (1949), koos voor een loopbaan bij het Gasbedrijf, maar moest wel als kind meehelpen in de zaak. Dat gold eveneens voor dochter Joke (1954) die in de winkel stond. Fred blikte als volgt terug:
“Ik was een jaar of tien toen er een beroep op me werd gedaan. Als het voorjaar weer aanbrak en het tijd werd voor de grote schoonmaak, verspreidden mijn vader, Jan, Bert en ik het zogenaamde ‘behangboekje’. Dat bevatte circa 25 staaltjes van het behang dat mijn vader kon leveren. Achterop stonden de behangnummers en de prijs per rol, die bijvoorbeeld in 1961 varieerde van zo’n 0,75 tot 1,75 gulden. Als we klaar waren met rondbrengen, gingen we met z’n vieren naar automatiek Baas in de Dorpsstraat en werden we door vader getrakteerd op een heerlijk karbonaadje in jus!

Vreugde met behang ...
Vreugde met behang …

De behangboekjes inspireerden tot het kopen van een nieuw behangetje, wat ook regelmatig werd gedaan. In die tijd werd er al veel zelf behangen. Daarom bracht ik na schooltijd behangtafels naar de klanten. Dat deed ik met de fiets. Ik zette een tafel op een van de trappers en liep zo naar de mensen toe.

We moesten ook ‘rekeningen lopen’. Het betrof meestal bedragen die niet hoger waren dan een rijksdaalder en direct werden geïncasseerd. Vaak kon ik weer terug als men geen geld in huis had.
Ik vond het bijzonder dat we in de jaren 1960 en 1970 een hulp hadden voor de winkel en de huishouding. Dat was ook wel nodig, omdat we een gezin hadden met zeven kinderen en moeder ook in de winkel stond. In totaal hadden we drie meisjes, waaronder Thea Huisman. We beschouwden de hulp, die intern woonde, altijd als onze grote zus.

Ons gezin kon overigens goed rondkomen van de inkomsten uit het bedrijf. Begin jaren 1960 kocht mijn vader zelfs een Renault Dauphin en daar paste het hele gezin in. Mijn moeder op de passagiersstoel met een kind op schoot en achterin zaten drie kinderen met ook allemaal een broer of zus op schoot.

Wat het helpen van mijn vader betreft, heb ik nog een aparte herinnering. Eind jaren 1960 vroeg hij mij op een zaterdagmiddag in de zomer mee naar het kampeerterrein in Bakkum om hem te assisteren. Wat


Jaarboek 40, pagina 76

was het geval? Een kampbewoner had mijn vader in het voorjaar glas laten zetten in zijn tenthuisje. Na diverse aanmaningen betaalde deze man echter niet, met als gevolg dat vader het zo zat was dat wij samen op die middag al het glas er netjes uitgehaald hebben zonder dat te breken. We hebben daarna nooit meer iets van die kampeerder vernomen!”

Loek Weda werd in 1972 geïnterviewd door Sonja Barend voor een promotiefilm van verffabrikant Sigma.
Loek Weda werd in 1972 geïnterviewd door Sonja Barend voor een promotiefilm van verffabrikant Sigma.

Hoe het verder ging in de Torenstraat

In het bedrijf van Theo beperkte de opvolging zich tot de derde generatie in de persoon van Loek Weda (1950). Hij memoreerde:
“Ik kwam na de detailhandelsschool en opleiding aan de Nationale Schilderschool in Utrecht in 1970 als gediplomeerd meesteschilder in het bedrijf en startte een reclameschilderbedrijf vanuit de Torenstraat. Drie jaar later werd ik door mijn vader Theo en moeder Jeanne Schermer medevennoot van de zaak gemaakt. Mijn vrouw Marijke Kortekaas (1952) werd mijn medevennoot in 1976 toen ik het bedrijf overnam. De spuiterij heb ik onmiddellijk verkocht aan onze toenmalige chef spuiter Cees Bijtenhoorn, die het onderdeel autospuiterij voortzette op de Brakersweg. De winkel is daarna vergroot tot 180 vierknate meter en de naam van de winkel veranderde van ‘In de Verfmolen’ in ‘Verf- en Behangspeciaalzaak Weda’.
Tot 1976 verkochten wij ook feestartikelen en vuurwerk. Als dit nu nog ter sprake komt, hoor je vaak: ‘Jullie hadden een diepe portiek met een etalagekast en daar lag dan een kunstdrol in’. In de beginperiode van het vuurwerk zaten mijn vader en moeder met hun kinderen ’s avonds op 30 december aan de eettafel, waarop doosjes rotjes, kanonslagen, Bengaals vuur en gillende keukenmeiden lagen. Wij vulden dan ongeveer dertig papieren zakjes met besteld vuurwerk.

De winkel in de Torenstraat in 1990.
De winkel in de Torenstraat in 1990.

In 1979 zijn we gestart met een lijstenmakerij, waarvoor mijn broer André (1957) vanaf circa 1980 tot 1994 bij mij in dienst was. Op het pand kwam in 1986 een volledig nieuwe verdieping, waardoor er in totaal 580 vierkante meter beschikbaar was voor winkel, exposities en opslag. De zaak veranderde opnieuw van naam en ging ‘Weda interieur kunst en kleur’ heten. Voor het ontwerpen en adviseren van interieurs en bouwbegeleiding werd in 1992 ‘Studio Different Look’ als extra bedrijf opgericht.
De lijstenmakerij heb ik in 1996 verkocht en toen ben ik omgeschakeld naar een complete woninginrichting. Vanaf dat moment heette de zaak ‘Weda Interieur kunstig in Kleur’ en in 2000 werd de naam ‘Decorette Weda’ op franchisebasis. De winkel heb ik in 2007 verkocht en mijn opvolger huurde het pand van ons tot 2011. Van 2013 tot 2015 hebben wij ‘Kunstpunt Castricum’ in het leeggekomen winkelpand gerund en daarna is al het onroerend goed aan buurman Deen verkocht.”

André Weda met het naambord van zijn opa.

De laatste Weda in de Torenstraat

Ook André Weda (1957), de derde zoon van Theo, is met de verfkwast groot gebracht en doorliep met goed gevolg de vakopleiding in Utrecht. Zijn voorkeur ging echter niet uit naar het schildersvak, maar hij gebruikte zijn kennis van verfsoorten, oliën en pigmenten van vroeger en nu in combinatie met zijn liefde voor kunstgeschiedenis om het lijstenmakersvak in te gaan.

André wist het volgende te vertellen:
Na mijn opleiding was het een mooie start om als lijstenmaker in de winkel van mijn broer te beginnen.


Jaarboek 40, pagina 77

Na bijna 15 jaar samen te hebben gewerkt besloot ik in 1994 om mij verder te gaan ontwikkelen in het ambachtelijke vak en ging aan de slag bij een gespecialiseerde lijstenmaker in Amsterdam. Hier heb ik mij meer kunnen specialiseren in het vergulden van lijsten en restaureren van doeken. Het zelfstandig ondernemerschap bleef echter trekken, waardoor ik in 1997 terugkeerde naar Castricum om aan De Torenstraat 38 mijn eigen lijstenatelier te starten. Ik beleef nog iedere dag veel plezier om samen met de klant te zoeken naar de perfecte combinatie van kunstwerk en lijst, wat niet zelden een handgekleurde of vergulde lijst is. Het afgelopen jaar ben ik gestart met het regelmatig organiseren van exposities en zijn er in mijn zaak diverse betaalbare kunstobjecten te vinden. Mijn opa en later mijn vader hebben ervoor gezorgd dat het ondernemerschap ons met de paplepel is ingegoten en ik ben er dan ook trots op dit als laatste Weda in de Torenstraat voort te kunnen zetten.”

Rechtsvormen

Er is in de loop der jaren vanzelfsprekend ook het een en ander veranderd wat de juridische status van het bedrijf aangaat. Johan Weda begon met een eenmanszaak en stond zo ook geregistreerd bij de Kamer van Koophandel. Na zijn overlijden kwam de zaak op naam van zijn weduwe Johanna en vanaf de overname door haar zoons Ab en Theo waren beide broers hoofdelijk aansprakelijk voor de bedrijfsvoering. In 1958 werd het bedrijf gesplitst in twee zelfstandige vestigingen. De vestiging in Bakkum bleef een eenmanszaak, ook toen Jan zijn vader opvolgde. Theo startte in de Torenstraat met een vennootschap onder firma, waarvan diens zoon Loek en zijn vrouw Marijke later deel uit maakten.
Na de verhuizing in 1988 naar de Castricummer Werf ging het schildersbedrijf verder als een vennootschap onder firma. In 2013 werd deze rechtsvorm omgezet in Weda vastgoed Onderhoud BV.

Onderhoud op maat

Na 100 jaar is het schildersbedrijf van Weda nog steeds een begrip in Castricum en omstreken. Oprichter Johan zou met recht trots geweest zijn als hij om een hoekje zou kunnen kijken naar de bedrijfsvoering van zijn achterkleinzoon Bart, die de scepter zwaait over het moderne bedrijfspand aan de Castricummer Werf 31. Hij vertelde:
Als kleine jongen ging ik al met mijn vader mee op klus en mocht meehelpen met schoonmaken en schuren. Zo rolde je eigenlijk vanzelf in het bedrijf. Ook ik ben later naar de Nimeto (red: mbo vakschool) in Utrecht gegaan om de opleiding bescherming en afwerkingstechnieken te volgen. Er is de laatste jaren behoorlijk veel in ons bedrijf veranderd, want we doen nu veel meer dan schilderen en beglazing. De vraag naar renovatie en duurzaam onderhoud is sterk gestegen. Ons werkgebied is ook flink gegroeid en strekt zich uit tot Amsterdam, Alkmaar en Heemstede. Daarom heb ik ook acht professionele mensen in dienst.”

De huidige (in 2017) medewerkers.
De huidige (in 2017) medewerkers. Van links naar rechts Margot Weda-Rammeloo, Jack de Graaf, Bart Weda, Tom Spruit, Jan Weda, Ron Stolk, Henk Heijens, Arjen de Waard, Ruud van de Veer, Henk Welboren en Martin Hilser.

Festiviteiten

Er is dit jaar feestelijk stilgestaan bij het 100-jarig bestaan van het schildersbedrijf van Weda. Op 20 april werd er in Hotel het Oude Raadhuis een druk bezochte receptie gehouden, waar ook door burgemeester Toon Mans werd teruggekeken op de indrukwekkende geschiedenis van het bedrijf. Een dag later maakten de personeelsleden een uitstapje en brachten een bezoek aan het museum en de fabriek van Sikkens, nu onderdeel van de AkzoNobel-groep, in Sassenheim.

Om het jubileum extra glans te geven, is onlangs bij de burgemeester van Castricum een aanvraag ingediend om aan Weda Schilders het predicaat Hofleverancier toe te kennen. Dat zou de kroon zijn op het werk, waarmee Johan Weda op 17 april 1917 startte.

Hans Boot

Bronnen:

  • Archief familie Weda;
  • Edities plaatselijke en regionale kranten en het Nieuwsblad van Friesland van 16 mei 1930.

Met dank aan:
Piet Kloes, Jan, Fred, Bert, Loek, André en Bart Weda.

8 maart 2021

Schelpenvisserij (Jaarboek 21 1998 pg 3-12)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 21, pagina 3

De schelpenvisserij in Castricum

Schelpenvissers aan het werk.
Schelpenvissers aan het werk.

De schelpenvisserij in Castricum

Vele inwoners van Bakkum en Castricum hebben vooral in de voorgaande eeuwen het beroep uitgeoefend van schelpenvisser. De schelpen werden door de schelpenvisser met een beugelnet uit het water geschept en in een schelpenkar geladen. Deze kar werd door een paard voortgetrokken en als de kar eenmaal vol was, volgde een tocht via een zandpad over en door de duinen naar het Schulpstet, waar de schelpen op hopen werden gestort.

Een van de vijf insteekhaventjes van het Schulpstet
Een van de vijf insteekhaventjes van het Schulpstet. Hillegommer vlet in de Schulpvaart. Dit type vlet is gemaakt voor de smalle binnenwateren en kleine sluisjes. Op de tekening achter de schuur van Jo Duin gezien de mast van nog een insteekhaventje. Pentekening Sijf Portegies. Toegevoegd.

Het Schulpstet lag aan de Schulpvaart. Van hier werden de schelpen in schuiten geladen, die de schelpen over de Schulpvaart naar de kalkovens van Akersloot vervoerden. Gedurende relatief korte perioden hebben ook in Castricum kalkovens gestaan; in die perioden werden de meeste schelpen in deze kalkovens tot schelpkalk verwerkt.

De kalkovens langs de Schulpvaart.
De kalkovens langs de Schulpvaart. Met een transporteur werden de schelpen op een grote hoop gestort. Met behulp van een Jakobladder werden ze naar een hoger deel van de kalkoven gevoerd en in de oven gestort. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De schelpkalk werd in de vorige eeuwen veelal gebruikt als metselkalk bij de bouw van huizen, kerken of kastelen.
De schelpenvisserij, het vervoer over de Schulpvaart en de kalkovens hebben een enorme betekenis gehad in het dagelijks leven van de Castricummers. Velen waren er voor hun  bestaan van afhankelijk; het was zeer zwaar werk waar weinig voor werd betaald, velen hadden dan ook een arm bestaan. Vaak waren er strubbelingen over het naleven van de voorschriften, die plaatselijk waren ingesteld; enkelen probeerden deze te ontduiken door onder de prijs te verkopen. Ook de schout Pieter Kieft werd veelvuldig beticht van een oneerlijke handelwijze in de schelpenhandel. Kortom de schelpenvisserij en handel heeft in de loop der eeuwen zoveel gemoederen in Castricum bezig gehouden, dat dit onderwerp het hoofdthema vormt voor dit jaarboekje. In dit jaarboekje komen allerlei facetten van het schelpenvissen, het vervoeren en het verwerken van de schelpen in de kalkovens, aan de orde.

Dit eerste artikel gaat over de schelpenvisserij, waarbij verscheidene plaatselijke verwikkelingen, betreffende de schelpen nering in de afgelopen eeuwen, worden genoemd. In de hierna volgende artikelen in dit jaarboekje worden de verwerking van de schelpen in de kalkovens, de geschiedenis van de Schulpvaart en de bewoners van het Schulpstet beschreven.

Een fragment van een kaart uit 1844. Aan de onderzijde de Noordzee. Op dit kaartje zijn met streepjes de twee schelpenroutes vanaf het strand naar het Schulpstet aangegeven. De route vanaf Bakkum aan Zee liep langs het commissarishuis en vanaf Castricum aan Zee langs De Brabantse Landbouw.
Een fragment van een kaart uit 1844. Aan de onderzijde de Noordzee. Op dit kaartje zijn met streepjes de twee schelpenroutes vanaf het strand naar het Schulpstet aangegeven. De route vanaf Bakkum aan Zee liep langs het commissarishuis en vanaf Castricum aan Zee langs De Brabantse Landbouw.

Het schelpen vissen

De schelpenvissers, ook wel schulpers of schulpmenders genoemd, schepten bij een dalend getijde de schelpen langs de waterlijn of visten ze uit de branding met een beugelnet. Dit werktuig bestond uit een rechthoekige stalen beugel met een houten steel. Aan de voorzijde was de beugel voorzien van een schraapplaat, binnen de beugel was een net bevestigd. De visser sleepte het beugelnet achteruitlopend door de branding, totdat het net voldoende gevuld was. Vervolgens werd de beugel in het water op en neer bewogen om het aanwezige zand weg te spoelen en werd de beugel in de kar geleegd. Ook werden de schelpen wel in hopen op het strand gelegd. Als er voldoende schelpen waren, werden ze in de schelpenkar geschept. De karakteristieke schelpenkar stond hoog op twee wielen om de branding goed te trotseren; de wielen hadden brede velgen om niet te diep in het mulle zand weg te zakken. De kar werd door een paard getrokken.

Ansicht van schelpenvisser en schelpenkar.
Ansicht van schelpenvisser en schelpenkar. In het onderschrift wordt aangeduid ‘De Duiker’. De duiker is een buis onder de weg die er ligt ten gerieve van het Koningskanaal. De duiker is nog zichtbaar iets ten oosten van de ingang naar Dijk en Duin. De kaart is gedateerd 3 januari 1901 met bijgeschreven de naam M. van Benthem. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Om een idee te geven om welke hoeveelheden het ging: in het jaar 1821 werden er in totaal 1.602 lasten schelpen aangevoerd door ongeveer 60 schulpers. Een last is een inhoudsmaat van drie hoed en staat gelijk aan de inhoud van een schuit vol schelpen. In de opgaven aan de provinciale overheid over de periode 1851 tot 1861 varieerde de hoeveelheid schelpen, die per jaar in Castricum werden gevist, door de wisselende weersomstandigheden nogal sterk: van minimaal 3.700 tot maximaal 9.368 kubieke meter. Volgens diezelfde opgaven werden langs de Noordhollandse kust de meeste schelpen gevist op het strand van Texel, gevolgd door de Egmonden, Castricum en Wijk aan Zee.

De schelpdieren

Op het land levende weekdieren, zoals huisjesslakken, bouwen hun huis op uit koolzure kalk. In de zee levende weekdieren bouwen stevige schelpen met op de zeebodem aanwezige grondstoffen.
De sterkte en de dikte van de schelpen is afhankelijk van de omgeving waarin de schelpdieren leven. De in de branding levende schelpdieren, zoals alikruiken, maken dikke schelpen. Een brak watermilieu is minder gunstig voor de vorming van een stevige schelp. De schelpen, die langs de Noordzeekust ‘gevist’ werden, bestonden voornamelijk uit lege schalen van weekdieren die allang geleden gestorven waren.


Jaarboek 21, pagina 4

Het aanbod werd bepaald door de aanwas en het afsterven van de dieren. De aanvoer van schelpen werd ook beïnvloed door de wind. Bij aflandige, dus oostenwind, ontstond een onderstroom naar de kust toe. Hierdoor werden schelpen opgewoeld en naar de vloedlijn gebracht, waar ze verzameld werden door de schelpenvissers.

Frans Zonneveld met zijn schelpen op weg naar huis.
Frans Zonneveld met zijn schelpen op weg naar huis.

De schulpwegen

Het kostte het paard buitengewoon veel inspanning om de kar vanaf het strand door het mulle zand de eerste duinenrij omhoog te trekken. Daarom werden in de kar vaak kleinere hoeveelheden schelpen omhoog gebracht, die bovenop het duin door de visser op een eigen plekje voorlopig even werden neergegooid. Als er een volle karrenvracht boven was verzameld, ging de tocht op huis aan.
En die tocht liep via mulle zandwegen door het duin. In een verhandeling van mr. D.T. Gevers uit 1826 over het toegankelijk maken van de duinvalleien staat letterlijk: “Langs onze kust is er geen punt op hetwelk zoo veel schulpen van het strand werden opgehaald dan tegenover Castricum en Bakkum, vandaar dat aantal schulpwegen door de duinen.”

De duinen waren in de vorige eeuwen particulier terrein en in het bezit van meerdere adellijke families. De paden door de duinen mochten door de schelpenvissers worden gebruikt, mits ze de duinhekken niet beschadigen en niet open laten staan. Dit gebeurde niet altijd: “Alzo verscheyde klagten gedaen worden, dat de duynhekken door de Schulphaelders en andere, die door dezelve komen te passeren, zeer worden beschadigt en aan stukken gereden, om dat dezelve op de karren blyven zitten, en de paarden zo door het slaan en stoten weten te leeren de hekken met de borst open te lopen en met geweld daar door te ryden, dat de hekken blyven open staan, of zo sterk toeslaan, dat ze aan stukken raaken, waar door veele schade word veroorzaakt.” Dit wordt in 1731 opgetekend bij het instellen van een plaatselijke verordening, waarin bij overtreding een boete van 42 Kennemer Schellingen betaald moet worden.

 De schelpenkar moest door het mulle zand over de eerste duinenrij worden getrokken.
De schelpenkar moest door het mulle zand over de eerste duinenrij worden getrokken.

Van ‘Castricum aan Zee’ werden de schelpen door het duin over het pad gevoerd, dat nu nog ‘de Oude Schulpweg’ wordt genoemd. Dit pad liep verder langs Kijk Uit, de Kramersweg, de Mient, de Bakkummerstraat en de Stetweg naar het Schulpstet. Van het gebruik van dit zandpad als schulpweg weten we iets meer door een rechtszaak in 1929. Aanleiding hiertoe vormde de bekeuring, die de rijksveldwachter Gorter had opgemaakt tegen ene Nicolaas de Jonge vanwege het lopen op de Oude Schulpweg, terwijl dit duinterrein eigendom is van de ‘Hollandsche Duinmaatschappij’ en er borden ‘verboden toegang’ zijn geplaatst. Eigenlijk was dit een proefproces en Gorter was gevraagd een proces-verbaal op te maken om een rechterlijke beslissing uit te lokken over de vraag of de weg – ja dan nee – openbaar was. De vorige eigenaar van de weg, de heer Gevers, is in 1922 overleden en heeft nooit bekeuringen voor het gebruiken van de weg doen opmaken. De weg is volgens de processtukken een zandweg, met gedeeltelijk verharde stukken, terwijl de weg op sommige stukken in het geheel niet meer te zien is, hoewel de richting wel duidelijk naar zee was. Tijdens de rechtszaak komen verscheidene getuigen voor de rechter. Volgens jonkheer Gevers, zoon van de vroegere eigenaar, is de weg nooit openbaar geweest. De 76-jarige boswachter Dirk Dokter weet nog dat zestig jaar geleden (1869) die weg gebruikt werd door de schelpenvissers. Burgemeester Lommen en de gemeentesecretaris Van Lunen melden dat deze weg in de ontwerplegger van de wegen was opgenomen, maar door Gedeputeerde Staten (GS) de beslissing in 1929 was opgeschort. Ook de 87-jarige Klaas van den Berg staat voor het getuigenbankje. Hij meldt: “lk was destijds strandvonder te Castricum. Vijftig jaar geleden werd de Oude Schulpweg te Castricum door de schelpenvisschers gebruikt, evenals door mij zelf. Die visschers onderhielden den weg. Het was een zandweg. Ook andere personen mochten daar loopen zonder bijzondere vergunning en niemand maakte daar aanmerking op. Ik weet niet wanneer de borden met ‘verboden toegang’ daar gekomen zijn. Er waren destijds nog 80 schelpenvisschers te Castricum. Ook zelf was ik schelpenvisscher. Iedereen uit Castricum kwam op dien weg en men mocht ook buiten den weg in de duinen loopen, zonder dat er aanmerking op werd gemaakt.” Nog zes oudere dorpsgenoten komen aan het woord om te verklaren dat zij vroeger vrij van de weg gebruik konden maken. In het vonnis blijft de weg particulier bezit en wordt de verdachte veroordeeld tot de betaling van een symbolisch bedrag van vijftig cent.

Commissarishuis en Glopsweg. Zeeweg in Bakkum.
Commissarishuis en Glopsweg. Zeeweg in Bakkum. Schilder Meine Krist. Foto Jacques Schermer. Toegevoegd.

Ook werden de schelpen vanaf ‘Bakkum aan Zee’ over een zandpad, de Glopsweg geheten naar het Stet vervoerd. Dit zandpad is in 1924 bestraat en is toen ‘de Zeeweg’ gaan heten. De bestrating van de Zeeweg betekende een enorme verbetering voor de schelpenvissers. Op de dag van de officiële opening op 19 mei 1925 reden ongeveer 50 schelpenkarren en wagens als eerste over de pas geopende weg. In deze eeuw werden de schelpen alleen nog via de Zeeweg naar het Schulpstet vervoerd. Het was een vertrouwd dagelijks beeld dat vele schelpkarren op weg waren naar het Schulpstet.

Optocht in verband met opening Zeeweg.
Optocht in verband met opening Zeeweg. Eindelijk is de Zeeweg bestraat en dat wordt gevierd met een officiële toespraak door burgemeester Lommen, de fanfare is erbij en ongeveer 50 schelpenkarren en wagens reden over de pas geopende weg. Collectie Ou-Castricum. Toegevoegd.

Jaarboek 21, pagina 5

De schelpenvisserij in Castricum in vroeger tijd

Door de ligging van Castricum aan de Noordzee hebben vele inwoners van Bakkum en Castricum gedurende meerdere eeuwen hun middel van bestaan gevonden in de schelpenvisserij, vaak in combinatie met de landbouw. Uit vele oude akten blijkt de betrokkenheid van onze dorpsbewoners met de schelpenvisserij en zijn er allerlei verwikkelingen geweest, die veler gemoederen bezig hielden. Al in de eerste keuren van het dorp – nu zouden we spreken over de plaatselijke politieverordening – was een lijst met bepalingen waaraan men zich had te houden. In de keuren van 1685 lezen we onder andere dat “gene schilpers of ingezetenen zullen vermogen hunne wagens of karren op heere of andere wegen te zetten, op de boete van twaelf stuyvers”.

 De route van de schelpenvissers over de Zeeweg. Door een diep karrenspoor werd de kar voort getrokken. In de jaren 1923-1925 werd de Zeeweg bestraat. Rechts op de foto het jachthuis 'Fochteloo'.
De route van de schelpenvissers over de Zeeweg. Door een diep karrenspoor werd de kar voort getrokken. In de jaren 1923-1925 werd de Zeeweg bestraat. Rechts op de foto het jachthuis ‘Fochteloo’.

Al in de middeleeuwen was er sprake van regelingen. Zo was er een privilege uit het jaar 1394 van Hertog Albrecht van Beieren, graaf van Holland, die toen de belastingen op het ‘mennen’ (opvissen en vervoeren) van schelpen afschafte.

Doorlopend is er in Castricum strijd geweest over de rechten en plichten van de schelpenvissers en de opkopers. Zo wordt in 1703 op verzoek van Jan Doetse, Albert Bouwe en Cornelis Jansz Capteijn, die betrokken waren bij de schelpennering, voor Jacob Damdijk, notaris te Egmond aan Zee, door vijf schelpenvissers een verklaring onder ede afgelegd dat het in de Egmonden reeds lang gebruikelijk is dat het elke schelper vrij staat om zijn schelpen aan wie of waar dan ook te mogen vervoeren of verkopen, zonder dat iemand daar iets tegenin kan brengen.

Deze verklaring stond niet op zichzelf. Op dat moment diende het verzoek van de regenten en armenvoogden van Castricum en Bakkum aan de Staten van Holland en Westfriesland om het recht te hebben met uitsluiting van alle anderen om alle schelpen, die op het grondgebied van de eigen gemeente op bet strand gevist worden, te mogen inkopen, weer verkopen en afleveren.
Tegen dit verzoek zijn de schelpenvissers van Castricum en Bakkum en de Regenten van Akersloot namens hun ingezetenen, fel gekant. De schelpenvissers Jan Doetse, Aalbert Cauwe, Gerrit Jansz. Witsenburg, Claas Hermansz. Oosterman, Jacob Ariensz., Lauris Gijsbertsz. en Ary Jansz. Pronk richten zich in een uitvoerig schrijven aan de Staten. Zij beschouwen het verzoek strijdig met de algemene vrijheid van handel en het al zeer lang bestaande gebruik in de dorpen om vrij te zijn om te mogen kopen en verkopen en schelpen af te leveren. Met verschillende argumenten wordt geageerd tegen het verzoek, dat bij invoering een groot nadeel voor de schelpenvissers zou inhouden.

 De bestrating van de Zeeweg was voor de schelpenvissers een enorme vooruitgang. Massaal gaven ze hiervan blijk bij de feestelijke openstelling op 19 mei 1925 door burgemeester Lommen.
De bestrating van de Zeeweg was voor de schelpenvissers een enorme vooruitgang. Massaal gaven ze hiervan blijk bij de feestelijke openstelling op 19 mei 1925 door burgemeester Lommen.

Op 9 februari 1704 wordt er opnieuw een verklaring afgelegd, ditmaal voor notaris Aris van der Mieden in Alkmaar. Op verzoek van de Regenten van Akersloot verklaart Mies Dirksz., schelpenvisser en wonende in Bakkum en van competente ouderdom dat hij in de zomer van het jaar 1702 samen met andere schilpmenders (schelpenvissers) door Comelis de Bra, schout van Castricum en secretaris van Bakkum, was ontboden in de herberg ‘de Roskam’ te Bakkum, waarbij de Schout het voorstel deed dat de schelpenvissers hun schelpen zouden leveren aan de Regenten van Baccum met uitsluiting van de schelpvaarders van Akersloot. Hierop werd opgemerkt dat de Akersloters nog vrij veel geld tegoed hadden van de schelpenvissers en wat zij hiermee dan aan moesten. De Bra antwoordde hierop dat dit geen probleem vormde: “Dat die van Akersloot als Sij wat van Haar te eijsschen hadden tot Baccum ofte tot Kastricum te Reght moesten comen ende dat Hij het Reght ende de procedure wel ses a seven jaren langh kon slepende houden, ’t welk ook alsoo mede gesegd en bevestight werd door Jan Laurisz ende Aalbert Jacobsz, Schepenen van Baccum.”
Jan Dirksz. Winter, 44 jaar oud, ook wonende in Bakkum verklaart: “Hoe waar is dat Hij getuijge om op een eerlijke wijse sijn Kostwinningh te soeken wel genegen was om het schulpmennen te beginnen, dogh dat hij in geen staat sijnde om de onkosten van den inkoop van paarden kar te konnen ondergaan sigh nu onlanghs geleden geadresseert heeft aan de Regenten van Baccum met versoek dat sij hem daervan gelieve te voorsien, gelijk de Akersloters sulcx gewoon waeren te doen aan personen die van haar selven daartoe onmaghtigh waren, ende dat hij getuijge dan alle sijne schulpen aan Haar soude leveren, dogh dat de Regenten het voorschreven versoek afsloegen, en van de hand wesen.”

Op 19 augustus 1706 is er een akkoord tot stand gekomen door bemiddeling van twee commissarissen van de Staten van Holland en Westfriesland tussen de Regenten van Akersloot aan de ene kant en de Regenten van Castricum en Bakkum aan de andere kant. Het akkoord behelst de levering van de schelpen aan inkopers, voor de ene helft door de Regenten van Akersloot en voor de andere helft door de Regenten van Castricum en Bakkum. Verder mag er niet meer dan 23 stuivers


Jaarboek 21, pagina 6

worden gerekend voor een schuit met schelpen, die op de stetten van Akersloot wordt afgeleverd.

Nu is nog een kasboek ‘Memory Boek van de Schilpen van den Jaare 1708’ in het archief van de gemeente Castricum bewaard gebleven. In dit boek worden allerlei inkomsten en uitgaven gespecificeerd en worden de vele namen van schelpenvissers en schelpenvaarders genoemd. Vertrouwde Castricumse namen komen erin voor, zoals Duinmeier, Kuijs, Stuifbergen en Zonneveld. Aan posten staan genoteerd onder andere de opbrengst van de afgeleverde schelpen, de vrachtlonen, de afdracht aan de ambachtsbeer van Castricum, de kosten van aanschaf van nieuwe schuiten en van gereedschappen, zoals kruiwagens en schoppen.

Allerlei zaken moeten worden geregeld en blijkbaar contractueel vastgelegd, anders ontstaat er onenigheid tussen de Regenten van de verschillende dorpen. Zo bestaat er ook een reglement voor het eerlijk en nauwkeurig meten van de hoeveelheden schelpen. In 1718 wordt er door de drie dorpen gezamenlijk een schelpenmeter aangesteld, die geen schelpenvaarder mag zijn en in Akersloot moet wonen. De schelpenmeter moet alleen dan de aangeboden schelpen meten als de grootschipper dit wil; hij ontvangt daarvoor per hoed (is circa 10 hectoliter) schelpen een stuiver als meetloon als er bij de schelpenvaarder geen ondermaat wordt gemeten. Is dit wel het geval dan moet de schelpenvaarder voor elke achteling (is circa 30 liter) aan ondermaat drie stuivers betalen. Is de totale ondermaat zes achtelingen of meer dan moet er vanaf dat tekort 18 stuivers per achteling aan boete worden betaald. De opbrengst aan boetes komt voor elk een derde aan de schout, de armen en de schelpenmeter. Deze regeling blijft vele jaren van kracht; een nieuwe schelpenmeter wordt benoemd als de drie dorpen het eens zijn met de kandidaat.

De vlet 'Door gunst verkregen' van Freek Hollenberg in de Schulpvaart.
De vlet ‘Door gunst verkregen’ van Freek Hollenberg in de Schulpvaart. Freek Hollenberg was de laatste schipper van ’t Stet. De woning aan de linkerkant is een gedeelte van het Lange Pannenhuis. Dit was gebouwd aan de Schulpvaart voor de huisvesting van vletschippers, ook wel schelpenvaarders genoemd, die hun brood verdienden in de schelpennering. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1765 waren een aantal grootschippers uit onder andere Makkum en Zwartsluis bij de gerechtsbode van Castricum gekomen. Zij lagen met hun schelpenschepen in Akersloot en hadden bij verschillende schelpenvissers gevraagd om de schelpen voor de gebruikelijke prijs voor zes gulden per schuit te leveren. De schelpers wilden niet voor deze prijs leveren “voor Reden van Meesters te zijn van haar eygen goed”.

Het reglement van 1771

De behoefte aan een reglement, waaraan de verschillende personen die betrokken zijn bij de
schelpenhandel zich zouden moeten houden, werd steeds groter. Het was al verschillende keren voorgekomen dat door wangedrag van schelpenvissers of schelpenvaarders (het niet willen leveren voor de vastgestelde prijs, te slechte kwaliteit van de schelpen door zand en gruis) de grootschippers uit het Alkmaardermeer zijn weggevaren om op andere plaatsen schelpen te laden. Hierdoor bestond het gevaar dat de schelp nering hier in verval zou raken en er vele huisgezinnen tot armoede zouden vervallen.
De besturen van de gemeenten Akersloot, Bakkum en Castricum hebben op 18 maart 1771 een reglement in werking gesteld. Hierbij had het dorp Akersloot het recht om de helft van de schelpen van het Stet af te voeren en de dorpen Bakkum en Castricum de andere helft.

Het reglement uit 1771 gedrukt bij Jan Bosch in Haarlem.
Het reglement uit 1771 gedrukt bij Jan Bosch in Haarlem.

In het reglement, dat was gedrukt te Haarlem door Jan Bosch, boek- en papierverkoper (zie afbeelding), staan uitvoerig de rechten en plichten vermeld van de verschillende personen, die bij de schelpenhandel betrokken zijn. Dit zijn de schelpenvissers, toen nog veelal schulpmenders genoemd, de vletschippers, toen nog schulpvoerders of schuitenvoerders genoemd, de keurmeester, de schulpmeter, de opzichter, de grootschippers en de kopers van de schelpen.
In het reglement zijn 69 artikelen of bepalingen opgenomen, verdeeld over de verschillende functionarissen. Om enig idee te hebben wat er zoal omging in de schelpenhandel worden aan de hand van dit register hier de belangrijkste bepalingen vermeld.

De schelpenvisser

De schelpenvissers moeten hun schelpen brengen op de schulpstetten van Castricum. Elke schelpenvisser heeft daar een eigen stet of huurt een schulpstet. Voor deze stortplaats moet hij een wit geschilderde paal hebben staan met daarop in zwarte letters zijn naam en volgnummer. De schelpenvisser krijgt een vaste prijs voor zijn schelpen; hij mag niet onder de vastgestelde prijs verkopen. Hij mag ook niet zelf de schelpen vervoeren of laten vervoeren, tenzij hij dit al deed voor het nieuwe reglement van kracht werd. In dat geval mag hij dit voor zijn eigen schelpen blijven doen, totdat zijn schuiten versleten zijn, zonder aan die schuiten enige reparatie te mogen verrichten.
Verder mag de schelpenvisser zijn schelpen verkopen aan particulieren, die geen aandeel hebben in de handel op het Alkmaardermeer en mits hij ze niet onder de vastgestelde prijs verkoopt. Van iedere schelpenvisser moet bij de opzichter bekend zijn, diens naam, adres en met hoeveel karren hij schelpen uit zee haalt.

De schuitenvoerder

De schuitenvoerders moeten in volgorde van de paalnummers de schelpen van de schulpstetten vervoeren naar de grootschippers in het Akerslotermeer. Zij worden aangesteld door het gerecht van hun dorp, leggen daarbij de eed af en krijgen een aanstellingsakte; die zij bij de opzichter moeten laten registreren. Als de grootschippers op het meer komen laden, dan moeten afwisselend de schuitenvoerders van Akersloot of van Castricum-Bakkum hen de schelpenlading geven.

De schuitenvoerders krijgen een vast loon voor elke schuit; zij mogen niet meer ontvangen. In dat jaar 1771 werd aan de schuitenvoerders per schuit 23 stuivers aan vrachtloon betaald. De schuitenvoerders mogen geen schelpen voor eigen rekening uit zee halen of laten halen. Het laden van de schelpen in de schuiten moet gebeuren door of voor rekening van de schuitenvoerder. Hij moet 72 kruiwagens laden in zijn schuit. Bij extra hoog of laag water mag hij in overleg met de opzichter hiervan afwijken.
Alle schuitenvoerders behoren tot een en dezelfde opzichter. Zij mogen niet vertrekken zonder dat de opzichter hiervan op de hoogte is.


Jaarboek 21, pagina 7

Om het vertrek van de schuiten te kunnen regelen, wordt op kosten van de ambachtsheer van Bakkum een afsluitboom in de Bakkummervaart aangelegd. De boom wordt afgesloten met een slot, dat voor zonsopgang en na zonsondergang door de opzichter wordt geopend.
Als een schuitenvoerder wegvaart moet hij aan de opzichter opgeven zijn naam, hoeveel kruiwagens hij geladen heeft, van welke mender de schelpen geladen zijn en bij welke paal. De opzichter moet hiervan een nauwkeurige boekhouding bijhouden.
De grootschippers of de gerechten van Akersloot, Castricum of Bakkum kunnen gelasten om de schelpen, die de schuitenvoerder heeft geladen, door de beëdigde schulpmeter te laten nameten. De schuitenvoerder neemt van de grootschipper het geld voor de geleverde schelpen in ontvangst en draagt dit geld af aan de opzichter.

De Schulpvaart langs de Zeeweg.
De Schulpvaart langs de Zeeweg. Er wordt gezegd dat het een overblijfsel is van het oerij. Hoe dan ook, het is een prachtig stukje natuur. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

De keurmeester
De schelpen moeten door de keurmeester, die in Akersloot moet wonen, worden gekeurd. De keurmeester krijgt daarvoor als meetloon 1 stuiver voor elke schuit van drie hoed, te betalen door de grootschippers. De keurmeester mag geen schulpmender of schuitenvoerder zijn, maar wel schulpmeter. Hij zal verder geen deel mogen hebben in de schelpenhandel. Hij wordt aangesteld door het gerecht van Akersloot.

De schulpmeter
De schelpen moeten door de schulpmeter, die in Akersloot moet wonen, worden gemeten. De schulpmeter zal alleen op last van de grootschippers de aangevoerde schulpen moeten meten en krijgt daarvoor als meetloon van de grootschipper 1 stuiver voor elke hoed schelpen. Als er sprake is van ondermaat dan moet het meetloon worden betaald door de schuitenvoerder. Hij ontvangt dan een deel van de boete die snel hoger wordt bij toenemende ondermaat. De schulpmeter mag geen schulpmender of schuitenvoerder zijn, maar wel keurmeester. Hij mag verder geen deel hebben in de schelpenhandel. Hij wordt aangesteld door de gezamenlijke regenten van Akersloot, Castricum en Bakkum.

De opzichter
De opzichter over de schulpmenders en schuitenvoerders mag zelf dit beroep niet uitoefenen, noch enig ander aandeel mogen hebben in de schelpenhandel. Hij moet bij het Schulpstet en de (afsluit)boom wonen. Hij wordt aangesteld door het gerecht van Bakkum en geniet als salaris voor het boekhouden en het opmaken van de rekening een bedrag van twee stuivers voor elke schuit, te betalen door de schelpenvisser, wiens schelpen worden afgevoerd. De opzichter moet regelmatig de kruiwagens van de schuitenvoerders nazien, of die geijkt en in orde zijn
Het geld dat de opzichter gedurende de gehele week van de schuitenvoerders ontvangt, wordt op maandagmiddag uitbetaald aan de schulpmenders, met aftrek van de vrachtlonen van de schuitenvoerders en het salaris van de opzichter.

De grootschippers
De grootschippers of kopers nemen de schelpen af van de schuitenvoerder voor een vastgestelde prijs. Voor elke bepaling, die niet wordt opgevolgd, is in het reglement een boete vastgesteld; de boete wordt verdeeld voor elk een derde over de aanbrenger, de schout en de armen van bet betreffende dorp.

Wapen van Geelvinck van Backum.
Wapen van Geelvinck van Backum. Mr. Nicolaas 1749-1765, Mr. Joan 1795-1802. Een ambachtsheer oefende in een plaats of dorp het gezag uit namens de graaf of na de Middeleeuwen namens de Staten van Holland. Een dorp waar de graaf het gezag erfelijk in leen had uitgegeven aan de ambachtsheer werd een (ambachts)heerlijkheid genoemd. Het gezag in Bakkum werd tot het begin van de 17e eeuw uitgeoefend door de machtige heren Van Egmond, die zetelden op het ‘Slot op den Hoef’ te Egmond aan den Hoef. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De ambachtsheer bemoeit zich met de schelpennering

Hoewel we in Castricum vaak niets merken van de rol die de ambachtsheer hier plaatselijk speelde, vormt de schelpenvisserij een uitzondering. Mr. Joan Geelvinck is ambachtsheer van Castricum en Bakkum in de periode 1764 tot 1802.
Naar aanleiding van het nieuwe reglement benoemt de ambachtsheer op 15 maart 1771 Dirk de Bruijn tot schelpenvoerder van Castricum. Dirk moet samen met de schelpenvoerders van Bakkum en Akersloot bij toerbeurt de schelpen van de schulpstetten van Castricum vervoeren voor een vrachtloon van 15 stuivers per schuit schelpen; ook wordt dan Willem van Huijgen benoemd tot opzichter over de schulpmenders. Door de schout van Akersloot worden een dag later verschillende schelpenvoerders aangesteld en Klaas Blokker als keurmeester.

Al kort na de invoering van het nieuwe reglement is er onenigheid tussen mr. Joan Geelvinck, en de Schout en Schepenen van Akersloot. Geelvinck verblijft veelal in Brussel en bekleedt van 1768 tot 1773 aldaar de functie van Minister Plenipotentiaris (red: gevolmachtigd) van Hare Hoog Mogenden aan ’t Hof.
Zijn zaken worden hier behartigd door zijn rentmeester Willem Groepen, die woont op huize Cronenburg te Castricum (nu waarschijnlijk boerderij Kronenburg).

(Rentmeester) Groepen had in mei 1771 de schelpenvoerders van Bakkum en Castricum gelast om het keurgeld van een stuiver per schuit schelpen van drie hoed niet af te dragen, omdat het keuren niet, of niet goed gebeurt en de kans bestaat dat de grootschippers naar elders uitwijken voor een betere kwaliteit schelpen. Geelvinck had besloten om een prijsverhoging van drie stuivers per schuit voor de grootschippers op te leggen, en wel twee stuivers voor de opzichter op het Schulpstet en één stuiver, die de keurmeester te Akersloot verdient. Tegen dit besluit komen de poldermeesters van de Groot-Limmerpolder en de Heren van Alkmaar als ambachtsheren van Akersloot en als poldermeesters in het geweer, omdat deze heffing er de oorzaak van zou zijn dat de grootschippers wegbleven, hetgeen een groot nadeel betekende voor de Groot-Limmerpolder. Willem Groepen verwijst namens Geelvinck echter naar de keuren en vermeldt dat Akersloot één stuiver trekt voor de keur en de Heer van Castricum, als eigenaar, niet meer dan vijf stuivers vrachtloon trekt van zijn schuiten.

In de daaraanvolgende maanden wordt de nodige correspondentie gevoerd tussen Geelvinck, Groepen, de Schout van Akersloot en de burgemeesters van Alkmaar. Pas op 11 april 1772 wordt na onderlinge overeenstemming een bijeenkomst belegd in de Oude Schuttersdoelen te Alkmaar tussen de ambachtsheer van Castricum en de burgemeesters en regeerders der stad Alkmaar; de laatsten in hun functie als ambachtsheren van Akersloot. Geelvinck had voordien uitdrukkelijk te kennen gegeven, dat hij de heren in deze functie wilde spreken en hen daarom niet wilde ontmoeten op het raadhuis van Alkmaar.

In een ‘minnelijcke conferentie’ in de Oude Schuttersdoelen worden de problemen opgelost en lijkt Geelvinck zijn zin gekregen te hebben. Het reglement van 18 maart 1771 wordt alsnog bindend verklaard. Verder wordt nog toegevoegd dat de schulpmeter en de Opzichter gehouden zijn een behoorlijk certificaat te geven aan de inlader met daarop aangegeven nauwkeurig de hoeveelheid schelpen en de prijs van iedere hoed schelpen, opdat de kopers niet door de schippers noch de inladers kunnen worden gedupeerd.

In 1775 zijn er nog enkele aanvaringen geweest tussen Geelvinck en de Regenten van Akersloot. De opzichter Willem van Huijgen had een schip van Cornelis Klaasse van Akersloot aan de ketting gelegd, omdat daarmee schelpen buiten de nering om naar Krommenie waren vervoerd, wat door de ambachtsheer was verboden. Juriaan Colthoff, de schout van Akersloot, stelt dat Akersloot het recht heeft op de helft van de schelpen. Enkele dagen later laat Colthoff het schip van Pieter Swaaij, die de schelpen voor Bakkum en Castricum vervoert, aan de ketting leggen. Vanuit zijn buitenplaats Horstendael onder Hillegom antwoordt Geelvinck onmiddellijk: “Dog verwagte nu antwoord van Uw wat de reden is, dat gy de bovegen. Schuyt aen de ketting hebbe gelegt, en of van intentie syt om hem nog langer te houden, sal als dan ook mijne mesure nemen, Uw Ed. kunt versekert syn dat so gy lust hebbe van de saak wederom in de war te brengen, ik als dan sal maken dat de schulpen op ene andere wyse sullen wer den vervoert, opdat mijne inwoonders door caprices niet tot de bedelsak sullen komen, verwagte hierop ten spoedigste antwoord.”

Het reglement van de schelpnering bleek niet volledig te voldoen, doordat allerlei lieden niet alleen voor zich zelf gingen ‘schulpen’,


Jaarboek 21, pagina 8

maar dat ook voor anderen gingen doen, waardoor ze veel vaker aan de beurt waren om schelpen af te leveren of in de termen van die tijd om ‘aflossing te mogen genieten’. Door dit soort praktijken ontstond onrechtvaardigheid en bij de aflevering de nodige wanorde wat tot het verval van de schelpen nering zou kunnen leiden.

Het reglement uit 1781 gedrukt bij Jan Coster in Alkmaar.
Het reglement uit 1781 gedrukt bij Jan Coster in Alkmaar.

Daarom werd in 1781 een nieuw reglement ingesteld waarbij vier gecommitteerden werden aangesteld. Voor Bakkum waren dit Teunis Doetze en Jan Florisz. Twisk en voor Castricum Gerrit de Groot en Albert Knaap. De vier gecommitteerden vormden te samen met de Schout van Bakkum en Castricum de Directie over de schelpen nering. De schulpmenders moesten binnen acht dagen precies aangeven bij de gecommitteerden met hoeveel karren zij zelf schulpen of laten schulpen en/of wie zij voor zich laten schulpen. Met het nieuwe reglement werd de wildgroei van het aantal schelpenafleveringen tegengegaan. Zo kreeg alleen de schulper recht op aflossing als hij zelfstandig woonde en mocht ook niemand voor meer dan een persoon aflossing genieten.

Joachim Nuhout van der Veen.
Joachim Nuhout van der Veen werd geboren op 23 jan. 1756 te Amsterdam. Hij was schout van Castricum en Bakkum van 1780 tot 1814. Op 12 april 1833 is hij overleden in Alkmaar. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Daarna waren niet alle ongeregeldheden opgelost, want in 1790 klaagt schout Joachim Nuhout van der Veen in de gemeenteraad dat vele schulpmenders zich niet hielden aan het reglement: zij verkochten hun schelpen onder de vastgestelde prijs, lieten de schelpen met goedvinden door de schippers vervoeren, waarbij het geld niet aan de opzichter werd afgedragen. De schout gaat de naleving van het reglement strenger controleren en legt boeten op bij overtredingen.

In 1804 was ook iets gebeurd wat tegen de wil van de schout van Bakkum en Castricum was geweest. De gecommitteerden Aldert Dirksz Knaap en Comelisz. Engelsz. Schrama hadden goedgevonden om “aan personen van elders alhier met de woon komende en van eene behoorlijke acte van indemniteit (bewijs dat bij armlastigheid de inkomende nieuwe inwoner ten laste kwam van de vorige gemeente ) voorzien, eene tourbeurt in het afllossen der schulpen te verlenen. Zij riepen zelfs op eigen gezag de schulpmenders bijeen om over diergelijke zaken bij stemming te beslissen”.

Klachten tegen de schout Pieter Kieft

Gedurende de ambtsperiode van de schout Pieter Kieft zijn er eigenlijk aanhoudend problemen met de schelpenvissers en zijn er klachten over het gedrag van de schout, die tevens als particulier koopman bij de schelpenhandel betrokken is. Dit gaat meerdere keren zelfs zo ver dat de schelpenvissers hun toevlucht zoeken bij het Provinciebestuur.
In 1818 beklaagden zich enkele schulpers onder aanvoering van Jacob de Graaf junior over het willekeurig gedrag van de schout, die zich niet hield aan het bij toerbeurt afleveren van de schelpen en die bepaalde schulpers uitsloot van levering, omdat zij hun schelpen niet voor een lagere prijs aan hem zouden willen verkopen.
De Staatsraad Gouverneur van Noord-Holland, de toenmalige benaming van wat we nu de Commissaris van de Koningin noemen, neemt de klachten serieus. Hij stuurt de brief naar de Gemeenteraad van Castricum en vraagt om commentaar. Bovendien geeft hij de heer Van Foreest opdracht om de klachten te onderzoeken. Deze komt na enig onderzoek met het voorstel om het reglement aan te passen, zonder uitsluitsel te geven of de klachten tegen de schout gegrond zijn.
In datzelfde jaar wordt door de gemeenteraad een nieuw reglement vastgesteld, waarbij het kopen en afleveren van schelpen duidelijker waren geregeld.

Enkele jaren later, in 1822, beklagen Dirk Nanne en Pieter Mors, beiden schelpenvissers, zich in een brief aan Gedeputeerde Staten (GS), dat zij hun schelpen niet mogen verkopen, terwijl volgens artikel 12 van het reglement het aan een ieder vrij staat om schelpen van de schulpmenders te kopen en dat die kopers van een bepaald aantal schuiten schelpen na redelijk overleg met de gecommitteerden een lossing van schelpen zal worden toegestaan. De klacht is verder dat de gecommitteerden wel aan andere schulpmenders, die 14 tot 16 koeien melken, dit recht verlenen en dus heel partijdig te werk gaan. De briefschrijvers mogen alleen hun schelpen verkopen aan iemand die de goedkeuring van de Gecommitteerden geniet. Zij vragen een snel besluit van GS, omdat het nu de tijd is dat de meeste schelpen door de kalkbranders worden weggehaald en nu reeds hun beurt door de boekhouder van de schelpen nering is overgeslagen.

Het gemeentebestuur geeft toe dat artikel 12 het verkopen van schelpen weliswaar niet verbiedt, maar meent desondanks dat zij hieraan niet hun goedkeuring kunnen hechten en stellen daarom voor om het reglement aan te passen. Vier gemeenteraadsleden schrijven buiten medeweten van de burgemeester aan de Gouverneur, dat deze verkopen geen plaats meer mogen hebben. In een privé-schrijven van de schout aan de Gouverneur stelt deze voor om in het artikel een passage op te nemen, waarin het kopen van schelpen van de schulpmenders alleen is toegestaan in de winterperiode van 1 november tot 1 februari. Kieft geeft daarbij aan dat hij van mening verschilt met de Gemeenteraad; zoals uit vele klachten blijkt, dient de schout vooral zijn eigen belang en gaat hij daarbij niet altijd eerlijk te werk. Na uitvoerige beraadslagingen van de gemeenteraad wordt in eensgezindheid voorgesteld om het kopen van schelpen toe te staan in de periode van 15 oktober tot 1 maart. Ook de ambachtsheer, de Heer Schuyt van Castricum, wordt om advies gevraagd; hij keurt deze verandering van het reglement goed.

Daarmee is de kous nog niet af; de gecommitteerden blijven weigeren om Dirk Nanne en Pieter Mors in hun erkende recht te herstellen en gelasten de boekhouder om de beurt van aflossing van beide heren over te slaan. De schout meldt dit aan de Gouverneur: “Veroorzakende daardoor zeer belangrijke schaden aan de belanghebbenden, terwijl door de willekeurigheid dier gecommitteerden, hunne met moeite in arbeid aangebragtte schulpen moeten blijven liggen, daar intusschen de schulpen van anderen, somtijds met 3 à 4 schepen te gelijk aan de kalkbranders worden afgeleverd, waarin voor zeker eene groote hardigheid bestaat.” Ook Hermanus Beugeling, koopman in schelpen, beklaagt zich dat hij wordt geweigerd


Jaarboek 21, pagina 9

zijn schelpen op z’n beurt af te lossen. Anderen doen een oproep om nog eens te wijzen op het belang van de schelpenhandel en om alles in het werk te stellen om de reglementen te doen naleven. Daarbij wordt bovendien gevraagd om de schout zich niet meer met de schelpenhandel te laten bemoeien of wordt geklaagd over de oneerlijke handelwijze van de schout. Merkwaardigerwijze wordt op de vele signalen over de schout van hogerhand zijn functioneren niet ter discussie gesteld.

 Bij het in functie treden van de gecommitteerden moesten zij de eed afleggen. De bijgaande tekst werd dan uitgesproken. Ook anderen die een bepaalde functie hadden bij de schelpenhandel moesten veelal de eed afleggen en beloven overeenkomstig het reglement hun functie te vervullen.
Bij het in functie treden van de gecommitteerden moesten zij de eed afleggen. De bijgaande tekst werd dan uitgesproken. Ook anderen die een bepaalde functie hadden bij de schelpenhandel moesten veelal de eed afleggen en beloven overeenkomstig het reglement hun functie te vervullen.

Ook Dirk Wijnands schrijft een lange brief aan de Gouverneur, waarin hij een vurig pleidooi houdt voor de instandhouding van de schelpenhandel. Wijnands woont sinds 1818 in Castricum in het herenhuis in de Dorpsstraat, dat in onze eeuw Hermana State wordt genoemd en in de (negentien) zestiger jaren is afgebroken; hij is zelf ook nauw betrokken bij die handel, heeft 24 schulpers in dienst en is ook eigenaar van het ‘Lange Pannenhuis’ aan de Brakersweg.

Het 'Lange Pannenhuis'.
Het ‘Lange Pannenhuis’. In 1830 woont aan de noordzijde de 46-jarige vrijgezel en schelpenvisser Olof Stuifbergen. Naast hem woont Cornelis Zonneveld, oud 58 jaar en schelpenvaarder, zijn vrouw Guurtje Stet, hun zoon Engel en de 49-jarige vrijgezel Willem Duijneveld, schelpenvaarder. Aan de zuidzijde woont het gezin van Jan Baars, oud 45 jaar, schelpenvisser, zijn vrouw Guurtje Arende en hun kinderen Gerrit, Aaltje en Huijgje. Bij hen woont de 61-jarige vrijgezel en arbeider Willem Koster (die van de gemeente Limmen alimentatie ontvangt). Brakersweg 4, 6, 8 in Bakkum, 1980. Foto G. van Geenhuizen. Toegevoegd.

Wijnands wil de vaste prijzen handhaven en de handel beslist niet vrij laten, omdat dan door slechts weinig opkopers de schelpen van de menders worden gekocht tegen een lage prijs die zij ervoor willen besteden om ze vervolgens aan de grootschippers in de Meer af te leveren. In andere plaatsen kunnen de grootschippers de schelpen onmiddellijk van het Stet halen, terwijl de situatie in Castricum heel anders is, omdat de schelpen hier met kleine vaartuigen, die slechts één last kunnen vervoeren, over een afstand van 5 à 6 uur varen. De schulpers zijn niet zelf in staat om hun schelpen te verschepen. Zij kunnen vaak ook niet zo lang wachten tot ze voldoende schelpen hebben om een geheel schip te vullen, waardoor ze genoodzaakt zijn om hun schelpen aan opkopers af te zetten.

Er heerst grote vertwijfeling onder de schulpers. Op 8 mei 1822 worden Joris Hageman, Jacob Veldt en Willem Castricum door een hele grote groep schelpenvissers uit hun midden genomineerd om bij de Gouverneur diens bescherming in te roepen en het behoud van de schelpenhandel ten sterkste te bepleiten. De schelpenvissers verklaren dat de gecommitteerden tot de schelpenhandel door de schout Pieter Kieft samen met Dirk Nanne en Pieter Mors werden belasterd, alsof zij tegen hun plicht zouden handelen en slechte en oneerlijke lieden zouden zijn. De schelpenvissers willen desnoods onder ede verklaren dat de gecommitteerden allen eerlijke lieden zijn op wiens gedrag niet de minste aanmerking kan worden gemaakt. Zij hadden bovendien vernomen dat de schout bij de Gouverneur had verzocht alleen aan hem de directie over de schelpenhandel op te dragen. “Dat wij ondergeteekenden voorts nederig verzoeken, het zijn Hoog Edele Gestrenge gunstig gelieve te behagen om het voorstel van gemelden schout te eenemale te verwerpen, daar wij ons niet dan met schrik en ijzing kunnen herinneren de jammer en ellende, die wij ondervonden tijdens hij schout in dien handel betrokken was en ons allen aan hem cijnsbaar (belastbaar) maakte, waardoor dat ook veelen onzer zich tot de diepste armoede vernederd zagen en het volkomen zeker is, dat zulks weder ons ongelukkig en als dan onherstelbaar lot zou zijn, daar de meesten onzer al tot den armenkas of den bedelstal de toevlugt zouden moeten neemen, terwijl wij integendeel van harte verlangen zouden dat hij schout nimmer eenige bemoeying met dien handel zoude vermogen te hebben, hetzij direct of indirect.”

 Ondertekening door de schelpenvissers van hun verzoekschrift aan de Gouverneur van de provincie Noord-Holland in het jaar 1822. Velen konden niet schrijven en tekenden met een kruis.
Ondertekening door de schelpenvissers van hun verzoekschrift aan de Gouverneur van de provincie Noord-Holland in het jaar 1822. Velen konden niet schrijven en tekenden met een kruis.

De brief is ondertekend door 37 schulpers; 22 van hen tekenen met een kruisje, omdat zij het schrijven niet hebben geleerd.

Namens vele schulpers gaan begin juni van dat jaar 1822 twee van hen naar de ambachtsheer van Castricum, de heer Schuyt in Amsterdam om hem te vragen hun belangen te behartigen en of hij bij de Gouverneur wilde spreken “over de instandhouding der schulp neering, welke het grootste bestaan van Castricum opleverd en tegenwoordig geheel te niet gaat door de inbreuken die op het reglement gemaakt worden”.
Schuyt richt zich tot de Gouverneur en pleit er voor dat het iedere opkoper niet vrijstond de schulpen willekeurig onder de gezette prijs te kopen, waardoor de schelpenvisser voor te weinig geld de schulpen van strand moet halen. Het oude reglement van 1771 wordt


Jaarboek 21, pagina 10

door hem nog van harte onderschreven, terwijl de aanpassingen van 1818 een verslechtering hebben gegeven. Schuyt zou het plezierig vinden als de Gouverneur voor alle mogelijke informatie de heer Gerrit Tromp, opzichter van de schulpen, zou willen ontvangen. Schuyt noemt Tromp een eerlijk en geloofwaardig man, die reeds vele jaren die post heeft bekleed en trouw heeft waargenomen.

Door de aanhoudende stroom klachten besluit de Gouverneur op 6 juni 1822 om het reglement op de schelpennering tot 31 december 1823 buiten werking te stellen en de schulpbazen van hun posten te ontzetten. Op 22 november 1822 wordt er een lange brief, ondertekend door in totaal 75 schelpenvissers en schelpenvaarders uit Castricum, Bakkum en Akersloot, gestuurd naar Gedeputeerde Staten. Zij wijzen op de vele intriges van verschillende personen, waarbij de koopman P. Kieft (zij willen hem niet de schout noemen) een voorname rol speelde, waardoor de Gouverneur werd misleid, met uiteindelijk het gevolg dat de schelpenhandel voor enige tijd vrij is geworden. De schelpenvissers doen een dringend beroep op de Gouverneur om het reglement weer in werking te stellen en de gecommitteerden weer in hun functies te herstellen (dit waren Pieter Bruin, Jan Nijman, Dirk Stuifbergen en Willem Witsenburg). Tevens doen de schelpenvissers daarbij het verzoek om artikel 12 van het reglement van 1818 zodanig te wijzigen dat het aan een ieder verboden wordt schelpen te kopen, anders dan bij de schuit en per last en alleen in het winterseizoen.

De gemeenteraad is in haar advies aan de Gouverneur van mening dat het verzoek tot wijziging kan worden ingewilligd: dat de reglementen en wijzigingen “zeer nuttig voor het belang der Ingezetenen kunnen zijn”. De schout Pieter Kieft reageert in een afzonderlijk schrijven aan de Gouverneur, omdat hij zich persoonlijk in zijn goede naam voelt aangetast door de brief van de schelpenvissers. Kieft meldt onder andere dat hij, terwijl hij gebruik maakte van zijn recht, gepoogd heeft zijn schulpen kwijt te raken, door een opgeruide menigte is mishandeld. Hiervan zijn drie belhamels door de rechtbank te Alkmaar gestraft (slechts met een gevangenisstraf van 8 dagen). Pieter Kieft geeft de schuld van alle ellende aan Dirk Wijnands, die buitensporig veel geld zou verdienen aan het kopen en belenen van schelpen. Deze Dirk Wijnands hoort echter wel bij de grote groep ondertekenaren van het verzoek aan de Gouverneur en heeft dus dezelfde belangen als de schelpenvissers.

Door de Gouverneur worden er, na ingewonnen advies en een onderzoek door de heer Van Foreest, lid van GS, geen termen gevonden om enige wijziging in het reglement aan te brengen.

 Dit bewijs werd afgegeven door de opzichter Gerrit Tromp. Schelpenvaarder Jan Zonneveld heeft 6 hoed schelpen geladen van de schelpenvisser Hendrik Veldt; zij woonden allen op het Schulpstet.
Dit bewijs werd afgegeven door de opzichter Gerrit Tromp. Schelpenvaarder Jan Zonneveld heeft 6 hoed schelpen geladen van de schelpenvisser Hendrik Veldt; zij woonden allen op het Schulpstet.

Het delven van schelpen in de vorige eeuw

Het vissen van schelpen geschiedde aan het strand grotendeels met het beugelnet. In de zomermaanden konden er echter bij stille zee met het beugelnet geen schelpen worden gevist. Daarom werden er onder die omstandigheden schelpen uit het zand aan het strand gedolven; een praktijk die al sinds 1825 bestond.

Vanwege het mogelijk verzwakken van de zeewering werd het van overheidswege in 1856 verboden om kort aan de voet van de duinenrij kuilen te graven en schelpen te delven. Als regel gold een afstand van 500 ellen (345 meter) vanaf de duinvoet, waarbinnen niet mocht worden gegraven.
Het Gemeentebestuur van Castricum komt kort na de instelling van dit verbod op voor de schelpenvissers en doet een verzoek aan GS om deze afstand terug te brengen naar 30 ellen. In een brief schrijft het gemeentebestuur:
“Van tijd tot tijd en in meer bijzonder wanneer de zee door aanspoeling geen schelpen op het strand oplevert, wordt door de veele behoeftige schelpenvissers pogingen aangewend om door veele en moeyelijke ligchamelijke arbeid oude schulpbanken langs het strand op te zoeken, om door uitdelving nog een zuur gewonnen karretje schelpen te verkrijgen; door een geheel verbod van dat bedrijf zou die behoeftige menschen soms voor een geruime tijd in het jaar van hun middel van bestaan verstoken zijn.”
Verder wordt gesteld dat gewoonlijk de laagste waterstand zonder afwaaiende wind reeds 500 el van de voet der duinen bedraagt en aldus voor zodanige uitgravingen geen gelegenheid zou zijn.

Schelpenkarren op het strand van Castricum aan Zee.
Schelpenkarren op het strand van Castricum aan Zee.

Met toestemming van de Commissaris van de Koning in Noord-Holland werd deze afstand teruggebracht tot 30 ellen onder voorwaarde dat de kuilen dadelijk met het uitgegraven zand door de schulpers weer moeten worden dichtgegooid. Hieraan werd echter door de schulpers zeer slecht de hand gehouden, bij herhaling kwamen bij het provinciebestuur klachten binnen van de opzichter van Rijkswaterstaat, dat de gegraven kuilen niet of nauwelijks werden gedicht en dat zelfs binnen de verboden afstand kuilen werden gegraven. Telkens werd het gemeentebestuur van Castricum door de Gedeputeerde Staten gesommeerd om maatregelen te nemen. Uiteindelijk was voor GS de maat vol en werd op 4 november 1857 besloten om het graven van schelpen in de gemeente Castricum te verbieden.


Jaarboek 21, pagina 11

Op 17 mei 1858 schrijven 35 Castricumse schelpenvissers aan het provinciebestuur een door hen allen ondertekende zeer nette en eerbiedige brief, waarin zij stellen dat deze maatregel eigenlijk een totaal verbod inhield van het schelpen delven, wat een grote groep schelpenvissers tot diepe armoede zou brengen en zou dwingen een beroep te doen op de armenkas, terwijl zij dan ook niet de belasting op hun trekpaarden kunnen betalen. Zij vragen om het verboden gebied te beperken tot 10 ellen en beloven de reglementen goed te zullen naleven en uit hun midden enkele schelpenvissers te zullen aanwijzen, die hierop zullen toezien. Een jaar later geeft GS bij wijze van proef toestemming, mits de lijn van 10 ellen uit de voet der duinen door paaltjes wordt aangeduid, de gegraven kuilen tussen deze lijn en de vloedlijn, onmiddellijk na het uithalen der schelpen worden gedicht en dat iemand uit hun midden wordt aangewezen, die zorgt voor de handhaving der voorwaarden en hierover door de overheid kan worden aangesproken.

Hier loopt Doris Schermer naast zijn paard en kar op het strand. Doris Schermer heeft als een van de laatsten het beroep van schelpenvisser uitgeoefend.
Hier loopt Doris Schermer naast zijn paard en kar op het strand. Doris Schermer heeft als een van de laatsten het beroep van schelpenvisser uitgeoefend.

Na twee jaar, in 1861, komt er een klacht van de opzichter van Rijkswaterstaat bij de burgemeester van Castricum dat de paaltjes verloren zijn geraakt en dat de kuilen beter moeten worden gedicht.
Dit herhaalt zich ook in 1863 met de opdracht om de paaltjes opnieuw te plaatsen. Dit blijkt in 1864 niet gebeurd te zijn en GS dreigt de vergunning in te trekken in het belang van de duinverdediging. Nadien is GS tevreden over de verbeteringen en wordt niets meer over de problematiek vernomen.

Jan Mooij, burgemeester van Castricum.
Jan Mooij, burgemeester van Castricum. Jan Mooij was van alle burgemeesters die Castricum heeft gekend, de enige echte Castricummer, die hier in 1848 geboren is. Hij bracht een groot deel van zijn jeugd door op een fraaie boerderij aan de Breedeweg, die zijn vader Cornelis Mooij omstreeks 1850 had gekocht. Deze Cornelis Mooij bezat veel grond, onder andere aan de Dorpsstraat, waarop hij, voor zover we hebben kunnen nagaan, in 1878, het jaar waarin zijn zoon in het huwelijk trad, het huis liet bouwen dat later bekendheid kreeg als burgemeestershuis. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Opgave van burgemeester Mooij in 1895

Een uitvoerig wetenschappelijk onderzoek in 1895 heeft aangetoond dat er geen verband bestond tussen de schelpenvisserij en de kustafslag. In het kader van dat onderzoek doet burgemeester Mooij een opgave van de hoeveelheid schelpen, die jaarlijks worden gevist. In die periode worden 1.100 a 1.200 schuiten schelpen gevist, die vooral naar De Rijp en Dedemsvaart worden vervoerd. Een schuit is vier kubieke meter schelpen of zeven karren. De burgemeester constateert een afname van de schelpenvisserij, die in 1860 nog een omvang had van 10.000 karren. De burgemeester schrijft verder: “Een bepaald jaargetij tot schelpvisscherij schijnt hier niet te bestaan. Een hoofdbedrijf kan het niet heeten. Tegenwoordig zullen in deze gemeente ongeveer 20 lieden zijn, die de schelpvisscherij uitoefenen en daarvan gebruik maken in tijden dat het landbouwwerk weer eens is afgeloopen en dan nog in dien tusschentijd een loontje weten te verdienen met schelpenvisscherij. Is over den vangst van schelpen niet zoozeer te klagen, de zeer geringen opbrengst van prijs heeft al eens lieden doen besluiten er vanaf te zien, maar die het toch opnieuw opvatten. Wegens de verre afstand van het strand, kan iemand uitgaande om schelpen te visschen, rekenen dat hij ruim vier uren werk heeft voor aleer hij een kar schelpen op den daartoe bestemde losplaats heeft en heeft dan aan schelpen aangebracht ongeveer 0,75 gulden.” De burgemeester pleit er voor om de schelpenvisserij voor deze gemeente te behouden, omdat het weliswaar geen hoofdbestaan oplevert, maar het vormt dan toch voor de schelpenvissers een extra steun om in het geringe onderhoud te voorzien op tijden, dat ze paard en kar niet voor de landbouw nodig hebben.

Volgeladen schelpenkarren klaar voor vertrek naar het Schulpstet.
Volgeladen schelpenkarren klaar voor vertrek naar het Schulpstet.

Schelpenvissers vertellen

Voor zover bekend is momenteel geen enkele schelpenvisser meer in leven. Van een paar van hen zijn nog wel hun verhalen over hun beroep bewaard gebleven. Zo had de heer D. van Deelen in 1952 een gesprek met de toen 78-jarige Kees van den Berg, die over zijn oude beroep van schelpenvisser het volgende vertelt: “Toen ik elf jaar oud was, dat was dus in 1886, ging ik voor het eerst met m’n vader mee naar het strand, om het schelpenvissen te leren. M’n buurjongen G. van Velzen ging ook met zijn vader mee en sloot zich bij ons aan. We haalden in die tijd, toen ik nog jong was dus, alle dagen twee karren met schelpen van het strand, dat was met elkaar dus tien mud. De karren waren toen nog betrekkelijk klein en de wegen slecht. Daar er niet altijd schelpen waren, konden we vanzelf ook niet steeds op twee karren per dag rekenen. Later werden de wegen beter, met het gevolg dat de karren ook groter werden en we acht mud per kar konden laden. Toentertijd bracht een kar schelpen 0,75 gulden op, dat was voor een kar van vijf mud. Voor 1,50 gulden moesten we twee keer naar zee en waren de hele dag in touw, dat was heel erg. Dat is nu 58 jaar geleden (1894). Later werd het wat beter en in de oorlog van 1914-1918 kregen wij 0,50 gulden per mud, dat was dus 4 gulden per kar. Dat is echter maar twee jaar zo geweest, toen ging het weer omlaag; eerst tot op 0,40, toen 0,35 en later zakte het weer tot 0,25 gulden per mud. Dat kwam omdat wij niet georganiseerd waren, de kalkbranders werden rijk en wij straatarm.

Cornelis (Kees) van den Berg.
Cornelis (Kees) van den Berg en zijn vrouw Hillegonda (Daatje) van de Poll. Kees was schelpenvisser van beroep. Kees is geboren op 22 juli 1874 te Castricum. Hillegonda van de Poll geboren op 14 januari 1871 te Heiloo. Castricum, 1904. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De schelpen die wij aanvoerden gingen voor het merendeel per vlet naar de ovens in Alkmaar, Uitgeest, De Rijp en Zaandam, waar er dan kalk van gemaakt werd. Soms kwam er wel eens een schip op de Meer, om schelpen te laden voor Friesland. In mijn jonge jaren waren er te Castricum, zo ik weet, 20 schelpenvissers, maar in de oorlog van 1914 waren er 42.
M’n vader heeft mij wel eens verteld, dat toen hij jong was, er te Castricum en Bakkum met mekaar wel 95 schelpenvissers waren. Soms viste iedereen schelpen: de boeren, de knechten, zelfs de smid en de kastelein.


Jaarboek 21, pagina 12

Een voorlopige opslag van de schelpen bij het commissarishuis aan de Zeeweg.
Een voorlopige opslag van de schelpen bij het commissarishuis aan de Zeeweg.

Er zijn nu minder schelpen te vissen dan vroeger, omdat het strand verzand is. Dag en nacht komt er slib uit de haven van IJmuiden ten noorden van de pier in zee terecht. Jarenlang wordt er al gebaggerd en dat zand komt allemaal bij ons op het strand en zo raken de zwinnen dicht met het gevolg dat de zee op de zwinnen geen slag meer heeft. Het strand is nu helemaal vlak. Vroeger lagen er banken, waar we met een kar schelpen haast niet tegenop konden komen. In 1942 was er maar weinig of niets meer te vissen. Ik heb het schelpenvissen altijd graag mogen doen, vooral als er goed wat te vissen was en dan vooral met een sterke zee. Als we zo’n dag een kar of zes schelpen, soms meer, gevangen hadden, waren we goed te spreken. Maar het gebeurde ook wel, dat we een uur of zes weg waren en toch nog geen schelpje hadden gevangen. Als we dan met een lege kar naar huis toe gingen, dan stond het hoofd niet best, dat begrijpt U wel!”

Toon Lute, de laatste schelpenvisser, met zijn paard en kar op het strand.
Toon Lute, de laatste schelpenvisser, met zijn paard en kar op het strand.

Tot de laatste schelpenvisser van Castricum wordt Toon Lute gerekend. In 1967 werd hij opgezocht ter gelegenheid van zijn 55-jarige huwelijksdag. Het verhaal dat hij toen vertelde over zijn beroep is in de krant verschenen: “Een mud schelpen bracht ongeveer dertig cent op. Als je je kar stamp en stampvol maakte, kon je acht mud meenemen. Dan had je 2,40 gulden verdiend. Voor die twee gulden veertig was je uren in touw, drijfnat van het zweet was je als je met paard en wagen boven op de ‘kluft’ was. En dan volgde je maar het lange karrespoor naar de ovens; het karrenspoor, dat ’s winters praktisch onbegaanbaar was. Het was een zware broodwinning. Vooral in de winter was het geen pretje. Dan had je hoge lieslaarzen aan en een beugelbroek. Natuurlijk werd je evengoed drijfnat en dat in de winter als het vroor dat het kraakte.
In de tijd dat ik schelpenvisser was, waren er nog ongeveer 28 schelpenvissers in Castricum. Langzaam maar zeker hield de een na de ander er mee op. Tenslotte was ik alleen nog over. Tot de oorlog heb ik schelpen gevist. In de oorlog mocht je het strand niet op; dan moet je wel wat anders zoeken om aan de kost te komen. Na de oorlog heb ik het nog wel even geprobeerd, maar het ging niet meer. Doordat de Zuiderzee was afgesloten waren er steeds minder schelpen gekomen. Doordat ze steeds de havenmonding bij IJmuiden uitbaggerden, werden de schelpen met slib bedekt. Je werd gedwongen er mee op te houden. Maar ik ben zo lang mogelijk doorgegaan. Ik vond het een hard maar fijn vak.”

Toon Lute bij zijn huis op het Schulpstet.
Toon Lute bij zijn huis op het Schulpstet.

In de vele verhalen en geschriften spreekt men van schulpen-, schilpen- of schelpenvisser; deze drie varianten komen ook voor in andere samenstellingen. Hoe dan ook, het is nu reeds lang voorbij.

De neiging bestaat om dit beroep en het bijbehorende strandleven te romantiseren. Het was echter een hard bestaan, zwaar werk onder vaak slechte weersomstandigheden tegen een minimale verdienste. Er werd veel armoede geleden, vele schelpenvissers moesten een beroep doen op de armenkas. Die goede oude tijd was voor de schelpenvisser niet zo goed. De schelpenvisserij is voorbij, er is voor velen meer welvaart voor terug gekomen.

S.P.A. Zuurbier

Bronnen:

  • Regionaal archief Alkmaar:
    -archieven van de gemeenten Castricum, Akersloot en Limmen.
    -stadsarchief Alkmaar, inv. nummer 2304
  • Rijksarchief Noord-Holland:
    -archief van het Provinciaal Bestuur.
    -archieven van Gecommitteerde Raden in West-Friesland en het Noorderkwartier.
  • Deelen van, D.: Een oude Castricummer Schelpenvisser vertelt, De Speelwagen, jaargang 7 (1952).
  • Lorié, Dr. J.: De stormvloed van december 1894 en het vraagstuk der schelpvisscherij langs onze kust, Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap, 2e serie, deel XIV, 1897, bladzijde 492-541.
  • Vraaggesprek Toon Lute, Nieuwsblad van Castricum, 2 juni 1967.

30 november 2020

Dorpssmederij (Jaarboek 13 1990 pg 22-24)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 13, pagina 22

De dorpssmederij

Pand van Lau Hoebe, de smid, aan de Bakkummerstraat 102 in Bakkum.
Pand van Lau Hoebe, de smid, aan de Bakkummerstraat 102 in Bakkum. Pentekening van kunstenaar: Lau Hoebe. Toegevoegd.

Er is een tijd geweest dat de smid een belangrijke plaats innam in de dorpsgemeenschap. Dat was in de tijd van paard en wagen; de paarden moesten worden beslagen, het ijzerwerk van de wagens gerepareerd en in de wagenmakerij werden nieuwe wagens gemaakt.

Drie smederijen in de gemeente

Nog niet lang geleden waren er drie smederijen in onze gemeente, in de Dorpsstraat de smederij van Peperkamp, in de Schoolstraat was de smederij van De Groot en in Bakkum was Hoebe de smid.

De laatste smederij heeft de kortste geschiedenis; in 1902 koopt Johannes Hoebe aan de Bakkummerstraat een huis met een win­keltje. Het vak had Johannes geleerd in de smederij van zijn va­der in Egmond aan Zee. In een kleine ruimte achter de winkel aan de Bakkummerstraat werd aanvankelijk de smederij ingericht. Dit heeft niet lang geduurd, want al in 1905 werd door Hoebe een echte smederij naast het huis gezet. Omdat hij toch smeedkolen kocht voor het smidsvuur begon hij ook gelijk maar een handel­tje in turf en andere brandstoffen. Dat heeft geduurd tot er een brandstoffenhandel kwam in de Bakkummerstraat. De smederij is in de jaren (negentien) zestig beëindigd.

De smederij van Klaas Smit aan de Dorpsstraat die hij in 1862 kocht. Klaas was eveneens hoefsmid. In 1906 nam Cor Peperkamp, die eerst zijn knecht was, de smederij over.
De smederij van Klaas Smit aan de Dorpsstraat die hij in 1862 kocht. Klaas was eveneens hoefsmid. In 1906 nam Cor Peperkamp, die eerst zijn knecht was, de smederij over.
Met de fiets Cor Peperkamp, bij de boom van links naar rechts Klaas Smidt, moeder Maartje Smit-Brakenhoff en dochter Agatha Smit. Nu staat hier een winkel met daarboven appartementen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De smederij in de Dorpsstraat was gestart door Klaas Smit. Klaas was eerder grof- en hoefsmid in Schermerhorn; hij koopt op der­tig jarige leeftijd in 1862 het huis en erf in de Dorpsstraat op en­kele tientallen meters naast herberg ‘De Rustende Jager‘. Hij trouwt in 1863 met de Castricumse Maartje Brakenhoff. Vele tientallen jaren drijft Klaas deze smederij tot hij in 1906 de sme­derij verkoopt aan Cornelis Peperkamp uit Uitgeest, die sinds 1900 als smidsknecht bij Klaas werkte en inwoonde. Velen zullen zich Cor Peperkamp nog wel herinneren; een echte dorpsfiguur, die voor een borreltje graag getuige wilde zijn bij de aangifte van een geboorte, aan de overkant op het gemeentehuis.

afb. 5 De woning in de Schoolstraat 6 in Castricum naar de situatie in 1990.
afb. 5 De woning in de Schoolstraat 6 in Castricum naar de situatie in 1990.
De smederij is van Kees de Groot. In de loop der jaren wordt de smederij veranderd in een winkel voor haarden, kachels en siersmeedwerk; het smidsvuur verhuist naar een schuur achter het huis. De winkel heeft dienst gedaan tot eind 1985. Kees de Groot was de laatste smid. Voordien leefden hier rond 1793 Hermanus Esseling, smid. In 1806 Klaas Mens, een meestersmid. In 1826 Pieter Smit. In 1831 Wouter Spanjaard, een tapper. In 1837 Pieter Kuyt, grof- en hoefsmid, 1883 Lange Jan de Groot en dan Dorus de Groot, zijn zonen Piet en Kees hebben de zaak overgenomen. Kees woonde later ook in het huis van nr. 6, Piet woonde Schoolstraat 26. Kees en Piet waren de laatste hoefsmeden van Castricum. Waarschijnlijk werd hier in 1706 al gesmeed.

De smederij in de Schoolstraat

Zijn de smederijen in Bakkum en in de Dorpsstraat van deze en van de vorige eeuw, de smederij in de Schoolstraat is al honder­den jaren oud.

De smederij in de Schoolstraat. De kaart geeft de toestand van de directe omgeving in 1830 weer.
afb. 1 De smederij in de Schoolstraat. De kaart geeft de toestand van de directe omgeving in 1830 weer.

In het streekarchief te Alkmaar, alwaar ook de archieven van Castricum zijn opgeborgen, vonden wij koopakten betreffende het pand. De eerste die we tegen kwamen (moeilijk leesbaar) da­teerde uit 1706. Dus toen bestond deze smederij al en wie weet hoe lang reeds. In dat jaar werd er op 9 november een veiling gehouden ’ten huyze van Willem Jansz., hospis (herbergier) tot Castricum’. Hier werd een huis, erf en schuur in de Kerkbuurt in de banne van Castricum geveild en wel door Miesje Pieters, we­duwe van de smid Jan Casparus. Het gereedschap van de smede­rij te weten de schroef, blaasbalg, haardijzer, aambeeld, slijpsteen, koelbak en travalje, werd niet verkocht. De smederij werd voort­ gezet door de smidsknecht Caspar Jansz. Terbrincq, zoals bleek uit latere gegevens.

Hierna vinden we ruim twintig jaar niets over de smederij. Op 17 mei 1728 koopt Claas Pieters, hoefsmid te Medemblik en broer van de eigenaresse Miesje Pieters, de smederij en het huis aan de eerdergenoemde smidsknecht Caspar Jansz. Terbrincq. Caspar had de smidsgereedschappen blijkbaar al in eigendom, want die werden van de koopsom afgetrokken.

In 1758 overlijdt Caspar. Zijn bezittingen worden geërfd door zijn vrouw Trijntje Jacobs die op 6 maart 1759 het huis en de sme­derij verkoopt aan Nicolaas Geelvinck, ambachtsheer van Castricum. Dit was voor die tijd niet ongewoon, want Geelvinck was heel rijk en kocht vaak grond en panden op als er iets te koop werd aangeboden. Zo kocht hij nu dus dit huis met smederij, schuur en tuin en betaalde daarvoor de weduwe met een lijfrente van 80 gulden per jaar en met nog zes tonnen turf per jaar, de eerste ton op 1 september, dan kon ze de kachel al stoken. Blijk­ baar kon men in die tijd leven van 80 gulden per jaar.

Wapen van Geelvinck van Backum.
Wapen van Geelvinck van Backum. Een ambachtsheer als Nicolaas Geelvinck oefende in een plaats of dorp het gezag uit namens de graaf of na de Middeleeuwen namens de Staten van Holland. Een dorp waar de graaf het gezag erfelijk in leen had uitgegeven aan de ambachtsheer werd een (ambachts)heerlijkheid genoemd.

Nicolaas Geelvinck

De smederij was nu van Nicolaas Geelvinck, de ambachtsheer van Castricum en Bakkum. Nicolaas was in Amsterdam een zeer machtig man, bekleedde er vele functies onder ander die van burge­meester, woonde in een kapitaal huis aan de Herengracht (had onder andere 7 dienstboden) en verbleef ’s zomers vaak op zijn buitengoed Scheybeck te Beverwijk. Hij zal zich nauwelijks met de smederij hebben bezig gehouden. Bij de overname werkt Jan Jackz. er al meer dan een jaar als smidsknecht en hij mocht het blijven doen.

Maar in 1760 hoorde Jan dat de heer Geelvinck een verzoek­schrift had gehad van Maarten Kunst uit Alkmaar; deze man wil­ de graag een wagenmakerij in Castricum beginnen, concurrentie dus!
Jan Jackz. liet het kaas niet van zijn brood eten en vroeg op zijn beurt aan de Heer van Castricum een vaste aanstelling als smids­baas; hij voerde daarbij aan dat hij al twee jaar als zodanig werk­zaam was en wel tot volle tevredenheid en genoegen van zijn dorpsgenoten. Hij kreeg zijn zin en kon dus weer rustig door gaan tot genoegen en tevredenheid van iedereen.

Na het overlijden in 1764 van Nicolaas Geelvinck gaan al zijn Castricumse bezittingen over op zijn zoon Joan Geelvinck. Ook Joan was een invloedrijk man en had functies bekleed in Amster­dam en Brussel. In de roerige periode voorafgaande aan de Fran­se revolutie werd hij op 5 juli 1787 door de patriotten tot burge­meester van Amsterdam benoemd en vervolgens enkele maanden


Jaarboek 13, pagina 23

later op 27 november 1787 reeds door prins Willem V van zijn functie ontheven. Op dat moment was Joan reeds uitgeweken naar het buitenland. Al eerder op 6 mei in datzelfde jaar had hij Joachim Nuhout van der Veen, schout van Castricum, als zijn lasthebber de opdracht gegeven het huis en de smederij te verkopen.

De speerhaak van Hermanus Esseling uit 1788.
afb. 2 De speerhaak van Hermanus Esseling uit 1788. Deze speerhaak kan geplaatst worden in een gat van een aambeeld. En heeft een kleine ronde en een vierkante punt die bij het smeden gebruikt word figuren te smeden.

De speerhaak van Hermanus Esseling uit 1788

Hermanus Esseling uit De Zijpe koopt het huis en de smederij en het kleine huisje ernaast, genaamd ‘de Stalling’. Had dit mis­schien iets te maken met de er tegenover liggende (oude) Pancratiuskerk en de boeren die op zondag met paard en wagen naar de kerk kwamen? De familie De Groot is in het bezit van een speerhaak – een klein soort aambeeld – met daarin het jaartal 1788; het gereedschap bleef bij elke verkoop bij de smederij dus kunnen we aannemen dat de toenmalige smid Hermanus Esseling hiermee ook al heeft gewerkt. Ook was er een grote blaasbalg, die volgens de familie De Groot zeker even oud was, maar jammer genoeg werd het leer hiervan in de tweede wereldoorlog versneden voor schoenzolen. Heel begrijpelijk voor ieder die de toestanden toen kende.

Terug naar Hermanus Esseling, op 14 januari 1793 is hij nog eige­naar en smid blijkens een akte waarin hij als buurman genoemd wordt, maar op 1 december van datzelfde jaar sterft hij. Een aantal jaren daarna op 2 april 1806 verkoopt zijn echtgenote Johanna Naus alles aan de in Alkmaar geboren Klaas Mens, meestersmid.

Op 21 december 1826 verkoopt de dan 69 jarige Klaas Mens de smede­rij voor 1.500 gulden aan Pieter Smit, een smidsknecht uit Velsen. Als in 1830 een volkstelling wordt gehouden woont Pieter Smit in het huis met de smederij aan de Schoolstraat, is dan 22 jaar, ge­boren in Purmerend. Hij woont er samen met zijn vrouw de 26 jari­ge Antje Spanjaard, geboren in Velsen, hun twee kinderen Catharina 2 jaar en Simon een half jaar oud en de 22 jarige inwonende knecht Jan Stokkers, geboren in Alkmaar. Zo weten we nu nog wie er woonde in 1830 in het huis aan de Schoolstraat.

Nog geen vijf jaar later in 1831, verkoopt Pieter Smit de smederij aan Wouter Spanjaard, waarschijnlijk een broer van Antje. Wouter was eerst tapper, dus geen smid en hij verkoopt het geheel als zijnde tolgaarder tussen Spaarndam en Santpoort en wonen­ de in Schoten in 1837 aan Pieter Kuyt, dan al smid en wonende in Castricum. Pieter werkte waarschijnlijk al in de smederij, hij was geboren in 1805 te Houtrijk en Polanen en noemde zich grof- en hoefsmid. Pieter Kuyt zal vele tientallen jaren de dorpssmid zijn. In 1881 zal Pieter Kuyt op 76 jarige leeftijden al enkele jaren na het overlijden van zijn vrouw Grietje Busscher ‘het woonhuis in­ gericht tot smederij en werktuigen, erf en tuingrond ter grootte van in totaal 542 vierkante meter via een boedelscheiding overdragen aan hun enige zoon Jacob Kuyt.

De oude smederij van Dorus de Groot; voor de smederij het ge­zin van Dorus samen met de knecht en dienstmeid.
afb. 3 De oude smederij van Dorus de Groot. Voor de smederij staat het ge­zin van Dorus samen met de knecht en dienstmeid.

De familie De Groot sinds 1883 eigenaar

In 1883 is er op verzoek van Jacob Kuyt een veiling van de smede­rij in herberg ‘De Vriendschap’ op de Dorpsstraat. Ene Jan de Groot, later bijgenaamd ‘Lange Jan’ koopt de smederij. Als Jan na het overlijden van zijn vrouw Maria Catharina Dijkman in 1909 alleen komt te staan, gaat hij een vennootschap aan met Theodorus (Dorus) de Groot met het doel het smidsebedrijf ge­meenschappelijk uit te oefenen. Jan en Dorus zijn geen familie van elkaar. De vennootschap duurt tot 1918, in dit jaar gaat Lan­ ge Jan eruit en wordt het bedrijf voortgezet door Dorus. Twee van zijn zonen – Kees en Piet – groeien met het smidsebedrijf op; va­der Dorus blijft er nog werken tot 1966.

afb. 4 Kees de Groot, de laatste smid van Castricum.

Jaarboek 13, pagina 24

In de loop der jaren wordt de smederij veranderd in een winkel voor haarden, kachels en siersmeedwerk; het smidsvuur verhuist naar een schuur achter het huis. De winkel heeft dienst gedaan tot eind 1985. Kees de Groot, de laatste smid, is nu ook gestopt en op de foto ziet u hem als zodanig bij het smidsvuur. Daarmee is het beroep van dorpssmid net als in zovele andere plaatsen ook in Castricum verdwenen. Met enige nostalgie denk ik aan het oude lied, het lied van de scharesliep:

”De smid die moet hard werken, gestadig voor het vier
Hij durft hem niet versterken met eene kan goed bier
Terwijl ik ga op mijn gemak
Soms ook wel met een leege zak
Terlierelom terla
Van linksom rechtsom draait mijne steen door het roeren
van mijn been”

E.A. Steeman-Borst

Bronnen onder andere:

  • oud rechterlijk archief van Castricum, aanwezig op het streek­ archief te Alkmaar
  • hypothecaire registers op het Rijksarchief te Haarlem
  • gegevens van familie De Groot
De smederij van Cor Peperkamp aan de Rijksstraatweg nu Dorpsstraat 56 in Castricum.
De smederij van Cor Peperkamp aan de Rijksstraatweg nu Dorpsstraat 56 in Castricum. Cor staat bij de boom. Op de winkelruit staat: Gediplomeerd Hoefsmid C.J. Peperkamp