2 juni 2022

Peperkamp, Cor – smid (Jaarboek 15 1992 pg 33-44)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 15, pagina 33

Wie was … Cor Peperkamp

Cor Peperkamp zoals velen hem gekend hebben.
afb. 1 Cor Peperkamp zoals velen hem gekend hebben.

Onder veel Castricummers is de naam Cor Peperkamp legendarisch, omdat bij als hoefsmid en als persoonlijkheid in het dorp Castricum een speciale plaats innam.

De deuren van de smederij, gelegen in het hartje van het dorp, stonden altijd open. En altijd was de smid erop uit je ertussen te nemen, de mensen aan het lachen te krijgen of gewoon gezellig in cafe De Rustende Jager een borreltje te drinken met andere bekende Castricummers.

Zijn gave des woords was zo spreekwoordelijk dat hij het tot officieuze locoburgemeester bracht. Op vele geboorte-akten staat zijn handtekening, omdat het vanzelfsprekend was Cor Peperkamp als getuige uit te nodigen bij de aangifte van een nieuwe boreling.

Het is nu veertig jaar geleden dat hij overleed, na een periode van 53 jaar dat hij als smid de paarden besloeg en de wagens van nieuwe wielijzers voorzag. Hij nam niet alleen door de uitoefening van zijn beroep een centrale plaats in, maar vooral door zijn goedlachse, innemende persoonlijkheid. En zo herinneren de meeste mens en zich hem. Een markant mens, Cor Peperkamp.

Uitgeester van geboorte

Cornelis Johannes Peperkamp werd geboren op 1 augustus 1880 op het Bonkenburg te Uitgeest. Hij was de tweede zoon van Cornelis (Kees) Peperkamp en Anna Clasina Cornelia Stadegaard. Hun eerste zoon Jan werd geboren op 1 december 1874 aan de Hogeweg te Uitgeest. Naast een aantal jong overleden kinderen behielden zij drie kinderen in leven. Hun jongste kind Maria werd geboren op 31 december 1883, eveneens aan het Bonkenburg.

Kees Peperkamp kwam van Bergen, alwaar zijn vader Jan Peperkamp een smederij had tegenover de Ruïnekerk. Begin 1871 kwam hij nog ongehuwd als smid naar Uitgeest en betrok een smederij aan de Hogeweg in Uitgeest. In 1878 kocht hij de smederij aan het Bonkenburg, die thans (Red: in 1992) nog steeds als zodanig dienstdoet en beheerd wordt door Jan Peperkamp, een kleinzoon van de oudste zoon van Kees.

Door zijn wat kroezige haar kreeg Kees Peperkamp de bijnaam’ does’, een naam die zijn zoon Cor mee zou nemen naar Castricum; Het was duidelijk dat de beide zoons van Kees en Anna het vak van hun vader zouden leren. Hun dochter Maria zou later gedurende vele jaren op het Scharloo te Alkmaar een banketbakkerij leiden.

Vermoedelijk heeft er op het Bonkenburg eeuwenlang een smederij gestaan; rond de eeuwwisseling werd een vliesdun hoefijzer gevonden. Een onderzoek aan de Leidse universiteit wees uit dat het hoefijzer afkomstig moest zijn uit de zeventiende eeuw. Zoals het gebruikelijk was werd het vak geleerd van vader op zoon; kinderen leerden het op een welhaast vanzelfsprekende manier, niet alleen door af en toe mee te helpen, maar vooral door te kijken. Zo nam de oudste zoon Jan het bedrijf van zijn vader over en voerde tientallen.jaren het smidswerk uit voor de bevolking van Uitgeest.

Knecht bij de dorpssmid Klaas Smit

De tweede zoon Cor kwam op 17 juli 1900 als knecht in de leer bij Klaas Smit. Klaas was grof- en hoefsmid en had een smederij in de dorpskern van Castricum. Klaas Smit was toen reeds 67 jaar en al sinds 1862 dorpssmid in Castricum. Uit zijn huwelijk met Maartje Brakenhoff werden acht kinderen geboren, waaronder vier zoons. Twee zoons, Simon en Gerrit, werkten bij hun vader in de smederij.

Als beide zoons op 8 en 10 oktober 1898, nog ongehuwd, aan de heersende Spaanse griep overlijden op respectievelijk 34- en 27-jarige leeftijd, staat Klaas er alleen voor; ruim een jaar later komt dus Cor Peperkamp op twintigjarige leeftijd bij hem werken. In deze beginjaren in Castricum volgt Cor Peperkamp een opleiding tot (hoef)smid aan een technische school in Haarlem; het vakdiploma behaalt hij in Utrecht.

Cor Peperkamp bij de Overtoom.
Zicht op de Overtoom met op de achtergrond de hervormde kerk. Links Cor Peperkamp met in het midden collega smid Dorus de Groot. Dan met het kind Toon van Benthem. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In het jaar 1906 vindt Klaas Smit het welletjes, hij is dan 73 jaar; met zijn vrouw Maartje gaat hij in Haarlem wonen. De smederij doet hij eind juni van dat jaar over aan Cor Peperkamp, die enkele maanden eerder op 17 mei 1906 te Uitgeest is gehuwd met Catharina Maria Rodegonda Berkhout. eveneens geboren te Uitgeest op 14 augustus 1882.

Zij was de dochter van Mattheus Berkhout en Alida Petronella Tijburg. Mattheus was broodbakker en later bloemkweker; hij was niet onbemiddeld. Voor hun dochter en schoonzoon kochten zij de smederij in Castricum, met haar unieke locatie: pal in het hart van een lieflijk klein agrarisch dorp met ongeveer 2500 inwoners. Op de plek waar in vroeger tijden de smederij vele jaren


Jaarboek 15, pagina 34

In het begin van deze eeuw: met de fiets Cor Peperkamp, rechts Klaas Smit, Maartje Brakenhoff en dochter Agatha Smit.
afb. 2 In het begin van deze eeuw: met de fiets Cor Peperkamp, rechts Klaas Smit, Maartje Brakenhoff en dochter Agatha Smit.

dienst heeft gedaan staat nu een groter complex, namelijk een doe-het-zelf-zaak aan de Dorpsstraat 58.

Het pas gehuwde paar vestigde zich in de woning naast de smederij. Een huis met een bedstee in de woonkamer, een in de gang en twee bedsteden boven in het huis. Achter de woning was een tuin met een waterput. De smederij had een behoorlijke oppervlakte; erachter stond een grote loods waar de ijzeropslagplaats was.

In het midden van de smederij bevond zich de smidse, de centrale plek, waar op het aambeeld het ijzer als het heet was gesmeed werd.
In de loop der jaren werd de smederij verschillende keren verbouwd en voorzien van nieuwe gevels. Nadat Cor Peperkamp zijn diploma als hoefsmid behaald had, werd dat ook vermeld op de ramen van de smederij. Men mocht, gezien de moeilijkheidsgraad van het werk, alleen opgeleid en gediplomeerd het vak van smid uitoefenen.

Humorist en grappenmaker

Cor Peperkamp bouwde al snel een reputatie op als een ruimdenkende, welsprekende en humoristische man, die met zijn vrolijke humeur, toneeltalent en overtuigingskracht heel vaak grappen uit kon halen met mensen die de smederij bezochten. Je wist nooit zeker of hij je ertussen nam. In die hechte kleine dorpsgemeenschap waar iedereen elkaar kende, was hij zeer graag gezien. Hij was sfeerbepalend.

In een tijd waarin hard werken van maandag tot en met zaterdag aan de orde van de dag was en het woord ‘vakantie’ niet eens bestond, voorzag hij in een behoefte, want met de smid Cor Peperkamp in je omgeving viel er altijd wel wat te lachen. In zo’n dorp gebeurde er niet zoveel en een beetje lachen in de strijd om het dagelijkse bestaan was meer dan welkom. De anekdotes zijn dan ook in de loop van de 53 jaar, dat Cor Peperkamp dorpssmid in Castricum was, zeer talrijk geworden.

Zo kwam er wekelijks een redacteur van het Uitgeesterkrantje, de heer Kaagman, naar Castricum met de vraag of er nog nieuws was. Hij bezocht altijd even de smederij en stelde de vraag ook aan de smid. Peperkamp placht wat terughoudend te reageren en wilde het dan laten voorkomen dat het niet belangrijk was wat hij te vertellen had: “nou nieuws nee, ach laat maar. ” Die opmerking maakte Kaagman, een opvallende man met een lange grijze baard, altijd behoorlijk nieuwsgierig en hij drong steevast aan om het verhaal toch maar te vertellen.

“Wat zal ik zeggen”, begon Peperkamp een keer, “elke middag, zo tegen een uur of vier, zit er een ooievaar voor één van de ramen van De Rustende Jager naar binnen te kijken. Hij blijft er een uurtje zitten en vliegt dan weer weg. Het is net alsof hij iemand zoekt”. De redacteur, die dat weleens met eigen ogen wilde aanschouwen, heeft een paar dagen, zo rond een uur of vier, lang gewacht of de ooievaar langs kwam. Of dit verhaal ooit de krant gehaald heeft, vermeldt de geschiedenis niet …

Op de voorgrond een groep kinderen, schoenmaker Imming (met mand) en daarnaast smid
Peperkamp.
Op de voorgrond een groep kinderen, schoenmaker Imming (met mand) en daarnaast smid Peperkamp. Dorpsstraat 64, 66, 68 in Castricum, 1911. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De smederij

In de smederij bevond zich de smidse, de plaats waar het smidsvuur was, met daarboven een taps toelopende schoorsteen; ernaast hing de blaasbalg om het vuur mee aan te wakkeren. Naast het smidsvuur bevond zich ook de koelbak, een stenen bak gevuld met water om het ijzer snel af te laten koelen ofwel te laten krimpen. Dit was de meest centrale plaats van de smederij, waar al het ijzerwerk met de hand gemaakt werd. Van het ijzer werden niet alleen de hoefijzers gemaakt, maar in feite alles wat voor tuin- en landbouw gebruikt werd: fabrieksproducten kwamen nog nauwelijks voor.

Dus de smid vervaardigde ook veel gereedschap zoals spaden, schoffels, harken, hooigraven etc. (de hooigraaf werd door de boer gebruikt om zijn hooi in verband met het optreden van hooibroei te controleren; aan de hooigraaf zat een’ steppie’ waarmee het hooi omgewoeld werd).

Elk stuk gereedschap werd gesigneerd met de initialen CP. Het met de hand gemaakte gereedschap ging ontzettend lang mee en ging er uiteindelijk toch iets stuk, dan kon dat vaak nog door de smid worden verholpen.

Iemand kwam een keer bij Cor Peperkamp verhaal halen over een schoffel die niet goed uitgevallen was. Peperkamp repliceerde: “Het lijkt me sterk dat ik deze schoffel gemaakt zou hebben,


Jaarboek 15, pagina 35

Cor Peperkamp.
afb. 3a Cor Peperkamp.
en zijn vrouw Trijntje Berkhout.
afb. 3b en zijn vrouw Trijntje Berkhout.

want ik zet er altijd CP op.” Die letters waren inderdaad nergens te vinden.

Hij maakte eens een proefschoffel voor de Noord-Zuidhollandse Tramwegmaatschappij. Hij had daar zo’n succes mee, dat ze later ieder jaar wel twintig stuks bestelde.

Wat hij ook veel deed was de messen slijpen van de maaimessen. Dat zijn driehoekige messen die op een natte slijpsteen werden aangescherpt: een jaarlijks terugkerend karwei.

Hij maakte niet alleen gereedschap, maar alles wat gesmeed werd, zoals muurankers, beugels van goten, uithangborden rijk van krullen voorzien, sierhekken (waaronder het hekwerk rond het terrein van het psychiatrisch ziekenhuis Duin & Bosch) en het gewone siersmeedwerk.

Bekend is dat veel mensen op klompen liepen en die klompen braken nog weleens, vooral als de jongens er mee voetbalden. Peperkamp zaagde dan een gleufje in de klomp, legde de gloeidraad in het gleufje en nagelde hem vast. Tenslotte was de houtlijm nog niet uitgevonden. Veel later kwamen de bandjes, waar haakjes aan vast zaten.

Het smeedijzeren kruis met haantje van de Nederlands Hervormde Kerk was een eervolle opdracht aan Cor Peperkamp. Ook deze kunst had hij van zijn vader geleerd, die in Uitgeest in 1886 een nieuw kruis had vervaardigd voor de Nederlands hervormde kerk aldaar. Hoe moeilijk dat was, bleek wel uit het feit dat het kruis uit 1886 veel te zwaar was voor ‘den koningsstijl’ en in 1915 door Jan, de andere zoon van de maker en broer van Cor, moest worden vervangen. Ook de hekken rond de Nederlands hervormde kerk werden door Peperkamp gesmeed.

De smederij van Cor Peperkamp.
De smederij van Cor Peperkamp aan de Rijksstraatweg nu Dorpsstraat 56 in Castricum, 1910. Cor staat bij de boom. Op de winkelruit staat: Gediplomeerd Hoefsmid C.J. Peperkamp. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Gezinsuitbreiding

Al snel nadat Catharina (Trijntje) Berkhout en Cor Peperkamp zich in Castricum gevestigd hadden, kondigde de eerste geboorte zich aan: in maart 1907 kwam Anna Cornelia, gevolgd door een tweede dochter Alida Maria in oktober 1908. De zoon die later de smederij over zou nemen, Cornelis Josephus, werd in april 1910 geboren.
Daarop volgden nog vier kinderen, waarvan een kind negen maanden na de geboorte (in 1913) is overleden aan een longontsteking. Ze heette Maria Catharina. Franciscus Josephus werd geboren in november 1914 en de jongste dochtertjes Maria Catharina en Catharina Maria respectievelijk in december 1916 en in april 1918. Voor de beide zoons was het heel gebruikelijk hun vader bij het werk te helpen, zowel in de smidse (het trekken aan de blaasbalg die steeds met lucht gevuld moest warden), als buiten bij het beslaan van de paarden.

Hoefsmid

Cor Peperkamp had twee knechts in dienst, Piet Dam en Klaas Wezel (maar ook de boeren hielpen af en toe een handje). Met name de eerste is op veel foto’s samen met de smid te zien. Als een paard vier nieuwe hoefijzers kreeg en dus rondom beslagen moest worden, werd het soms in de travalje geplaatst, een houten box bestaande uit latten en balken. De travalje werd gebruikt bij onrustige en lastige paarden, maar ook bij jonge paarden die nog geen kennis hadden gemaakt met het beslaan van hun hoeven. Het paard kon dan geen onverwachte bewegingen maken, want een trap van een paard is niet zo prettig. Als een paard toch onrustig bleef, klemde de smid wel eens een tang op de neus om het paard af te leiden. Zo kon de smid toch rustig zijn werk doen. De travalje stond binnen in de smederij opgesteld, maar de meeste paarden die de smid kenden, werden zonder hulp van de travalje buiten beslagen. Dit gaf altijd veel bekijks van dorpsgenoten en kinderen die in de buurt speelden of op weg waren naar school. Het kwam een enkele keer voor dat tien paarden stonden te wachten om beslagen te worden.

Zoals elke zelfstandige ondernemer had ook Cor Peperkamp een vaste klantenkring, niet alleen onder de boeren en tuinders, maar vooral onder zijn directe klanten: de paarden zelf. De beesten wenden aan de smid, hij vertroetelde ze vaak en als Cor Peperkamp het niet deed, dan deden zijn dochters het wel. In die tijd, zo na de eeuwwisseling, werd er op menig dubbeltje gekeken en het kon dan ook gebeuren dat de boer met zijn paard naar een andere, goedkopere smederij in het dorp ging. De boeren waren soms wat op de penning en dat merkte Cor Peperkamp natuurlijk ook.

Voor de smederij de smid Cor Peperkamp.
Voor de smederij de smid Cor Peperkamp met zijn hand in de broekzak en een aantal andere personen. Het wiel wordt vastgehouden door smidsknecht Piet Dam. Aan Cors hand zijn zonen Frans en Cor. Dorpsstraat 56 in Castricum, 1911. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het gebeurde wel eens dat het paard met de boer langs de smederij van Peperkamp kwam terwijl de smid voor zijn smederij stond. Het paard trok dan naar de smederij in de richting van de smid, omdat het wist dat daar wel een suikerklontje te halen viel en een hartelijk woord. Cor Peperkamp keek dan naar de hoeven en zei: “Boer, wat heb je toch een paar slechte hoeven onder dat beest laten zetten, hij loopt heel slecht, je moet hem weer snel laten brengen”. En dat deden die boeren dan ook weer, vooral omdat de voorkeur van het paard ook een woordje meesprak.


Jaarboek 15, pagina 36

Schraperige boeren

Als de smid zag dat de hoefijzers aan een kant waren afgesleten, kon hij ook aan de stand van het been zien dat er iets niet in orde was. Als dat het geval was werden de ijzers verlegd. Het linker hoefijzer ging dan bijvoorbeeld onder de rechtervoet, of de ijzers werden van voor naar achter en vice versa verlegd. Dat was goedkoper dan het rondom beslaan van het paard.

Als Cor Peperkamp het echt noodzakelijk vond dat het paard rondom beslagen werd, dan speelde de zuinigheid van veel boeren hem wel eens parten en werden de ijzers alsnog verlegd, om maar geld uit te sparen. Het verleggen kostte 70 cent en het rondom beslaan, waarbij het paard vier nieuwe hoefijzers kreeg, kostte 1,40 gulden, oplopend in de loop der jaren tot 2,60 gulden. Benauwdheid en zuinigheid speelden in die zoveel minder welvarende tijd een grote rol. Als een boer bekend stond om zijn schraperigheid, dan werd hij wel aangeduid met de term ‘karhengst’.

Rond de eeuwwisseling en ook later hadden de boeren duidelijk een monopolie-positie ten opzichte van middenstanders. Voor de laatsten was dat niet altijd even gunstig, hoewel Cor Peperkamp met zijn diplomatieke gaven de boeren wel aan zich wist te binden.

De anekdotes over boeren waren daarom niet altijd positief. Zo gaat het verhaal van een smid die bezoek kreeg van een boer met een mestvork. Aan de mestvork moest een reparatie plaatsvinden. De boer sommeerde de smid zijn werk aan de smidse te onderbreken, om eerst de mestvork onder handen te nemen. De smid weigerde, moest wel weigeren, want het ijzer dat in het smidsvuur lag, duldde geen uitstel.

De boer werd kwaad en de smid vertelde de boer een verhaal dat hij had gehoord. Hij, de smid, had vernomen dat er in Amerika (dat toen veel verder weg was) een machine was uitgevonden. Een machine waar je vijf boeren in kon stoppen en waarbij aan het andere einde een mens te voorschijn kwam.

Ja, en zo ging dat toen: als ‘schraperige’ boeren ter kerke gingen dan werden er onderweg naar de kerk nog wel eens dikke sigaren gerookt. De peuken daarvan werden pas weer verder opgerookt als de kerk uit was. Het was de gewoonte om zo’n peuk op de rand van de wijwaterbak achter in de kerk te leggen. Kwajongens die de boeren een poets wilden bakken namen die peuken mee tijdens de kerkdienst en doopten die in de paardenvijgen die altijd in ruime hoeveelheden de straten sierden. Als de kerk dan uitging keek men gespannen wat voor gezicht de boer zou opzetten als hij zijn sigaar weer in zijn mond stak.

Anna, Alida, Cor en Frans Peperkamp omstreeks 1916, nadien worden nog Maria en Catharina geboren.
afb. 4 Anna, Alida, Cor en Frans Peperkamp omstreeks 1916, nadien worden nog Maria en Catharina geboren.

Het was in die tijd een grote eer om je rekening zo laat mogelijk in te dienen, al had je bij wijze van spreken geen stuiver meer in je portemonnee. Tegenwoordig is dat wel even anders. Met het zeer laat indienen van de rekening suggereerden de ondernemers dat ze het geld niet direct nodig hadden en dat was een teken van welstand. Als Cor Peperkamp soms ’te vroeg’ met de rekening kwam vroegen de klanten: “Heb je het geld nodig?” Als er veel rekeningen uitstonden zeiden de kinderen altijd: “Pa is rijk in de boeken”.

De oudste kinderen moesten vaak met de ‘briefjes’, de rekeningen dus, langs de deur en niet zelden hoorden ze dan: “Nou kind, kom maar terug als de aardbeien verkocht zijn!”. Vooral bij lagere rekeningen werd er slordig betaald, zo onder de 5 gulden, wat voor die tijd toch een hoop geld was. Zo’n rekening werd dan per dubbeltje of kwartje geïnd, de kinderen noemden dat een ‘kwatje’. Daar moest je dan als kind na schooltijd een paar klompjes voor verlopen voordat je het geld binnen had.

Op een keer zag dochter Marie dat de man die nog een rekening moest betalen wel het petje voor het aannemingsfeest van zijn zoontje kocht. “Daar hebben jullie wel geld voor hè, en pa betalen jullie niet.” Ze vertelde het niet thuis, want ze wist dat haar vader deze opmerking nooit goed gevonden zou hebben. Maar wat wil het geval: op zondagmorgen is er hoogmis en daar komt de bewuste man aan met het geld. Hij zegt: “Cor, ik kom je effe betalen”. Peperkamp zeer verbaasd: “Op zondag? Nee, dat doen we niet”. De klant legt uit wat er voorgevallen is: “Je dochter zei er gisteren wat van, dat we wel de pet konden betalen maar niet de rekening”. Nou, dat heeft ze wel even moeten horen van haar vader: dit kon absoluut niet. Dit was zijn eer te na.

Zelf had Peperkamp een betere oplossing gevonden voor dit pettenprobleem. De zaterdag voor het aannemingsfeest bestelde hij bij Bervoets in Alkmaar een paar petten op zicht. Op maandag liet hij ze terugbezorgen met de mededeling dat ze te klein waren, of te groot, of dat er anderszins iets mis mee was …

Zigeuners, zwervers en ander aanloop

De smid had met zijn uitstekende locatie in de dorpskern van Castricum erg veel aanloop. Dagelijks werd de smederij bezocht door marskramers, handelaren in ijzer, vertegenwoordigers, bedelaars, paters die barrevoets liepen, zwervers, dorpsgenoten, kleine kinderen en zigeuners. Er kwamen dus ook regelmatig woonwagens langs die door paarden werden getrokken. Soms zag Cor Peperkamp dat zo’n paard allang beslagen had moeten worden, maar omdat de eigenaars vaak geen geld hadden, deed hij het dan gratis. Het staat niet vast of hij dat deed uit liefde voor het paard, dan wel voor het baasje.

De smederij van Cor Peperkamp.
De smederij van Cor Peperkamp aan de Dorpsstraat in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Een verhaal dat zijn sporen wel verdiend heeft en vele malen is verteld door Castricummers die Cor Peperkamp hebben gekend, is dat over de bedelaar Kees van Poepies. Het zal niet zijn echte naam geweest zijn en het is niet duidelijk of hij zijn naam te danken heeft aan het navolgende.

Kees van Poepies was in die tijd een heel bekende bedelaar, die periodiek langs de smederij kwam, soms in gezelschap van een collega-bedelaar, wiens naam onbekend is. Ze hadden zo hun vaste adressen om wat te halen: eten of wat geld, kleding etc. Nu was het zo, dat als je vroeger een ijzeren koekenpan had (en alles was van smeedijzer in die tijd), dan werd die wel eens uitgebakken met paardenvijgen, die zoals we inmiddels weten voor het oprapen lagen (na afloop, en gezien de huidige hygiënische normen moet dat wel even vermeld worden, werd de koekenpan grondig schoongemaakt met soda). Paardenvijgen waren een probaat middel tegen het aanbakken van koekenpannen gebleken; de pan zou na behandeling nooit meer aanbakken.

Op een bepaald moment, toen smid Peperkamp bezig was dit werkje uit te voeren boven het smidsvuur, werd hij bezocht door


Jaarboek 15, pagina 37

de twee bedelaars. Ze betraden de smederij en begroetten de smid. “Nou jongens, jullie treffen het, ik heb nog een lekker lessie boerenkool”, zei Peperkamp. Zijn vrouw Trijntje, druk bezig in de keuken, werd erbij geroepen. “Vrouw, dek de tafel, we hebben gasten!”

“Nou smid”, zeiden de bedelaars, “dat is zeker een tref”. De tafel werd gedekt en borden neergezet, maar voordat het geheel werd opgediend verzocht Cor Peperkamp om eerst nog even te bidden, waarop de bedelaars twee grote kruisen sloegen en hongerig aanvielen.

Nu gaan er over dit verhaal twee versies. De eerste is dat er een stukje boter door de vijgen ging en ze hun bordje schoon leeg aten, maar dit lijkt toch een beetje onwaarschijnlijk. De tweede versie is dat de smid ter plekke afwachtte totdat de bedelaars uitriepen: “Peperkamp … !”

Zo sterk als een beer

Er werd vaak gezegd: een smid moet alles kunnen! Voor het vaak zware werk in de smederij was het wel handig als de smid over veel spierkracht beschikte. Iedereen die hem heeft gekend schildert hem als een grote, stevige, gespierde en zwaar gebouwde man. Zijn gewicht werd geschat op 250 pond. Reden waarom hij altijd maatpakken droeg die hij bij de ons inmiddels bekende Bervoets in Alkmaar liet maken. Men beschrijft hem als ‘zo sterk als een beer’. Dat was wel noodzakelijk bij het beslaan van de paarden; mocht een paard toch onrustig zijn tijdens het beslaan, dan was een duwtje van de smid met zijn lijf soms voldoende om het te corrigeren.

Tot het dagelijkse werk van Cor Peperkamp behoorde ook het met de hand vervaardigen van de hoefijzers. Omdat hij een eigen klantenkring had wist hij om welke paarden het ging. Elk paard had zijn eigen ijzers. Het maken van die hoefijzers was dus letterlijk maatwerk. Daarom konden de ijzers soms lang voordat de boer of tuinder met zijn paard kwam, al gemaakt worden: altijd na ‘broodeterstijd’, zoals dat heette. Ze hingen in de smederij aan balken.

Het al zoveel mogelijk op maat gemaakte hoefijzer werd na aankomst van de klant precies vergeleken met de maat van de hoef. De hoef werd vlak gevijld, het overtollige hoorn werd weggesneden, het hoefijzer werd in het vuur gezet en gedeeltelijk afgekoeld in de koelbak om het daarna weer aan de hoef te passen. Dat gaf altijd een hoop gesis en gerook. De lip werd aan de voorzijde tegen de hoef aangeslagen voor de steun en als het helemaal correct zat gingen de nagels door de gaten van de hoefijzers. De hoeven werden als afwerking afgeteerd. Volgens sommige zegslieden kon je er tegen bijbetaling ook nog een kleurtje op krijgen; volgens andere was, net als bij de T-Ford, elke kleur verkrijgbaar als het maar zwart was. Oude hoefijzers werden vaak weer hergebruikt voor het maken van landbouwgereedschap.

Paarden die veel over de straat liepen bezochten natuurlijk vaker de smederij dan de paarden voor land- en tuinbouw. ’s Winters werden er wel schroeven in de hoef gedraaid tegen het uitglijden: “Op winterdag stonden de hoeven op scherp”.

Als Cor Peperkamp het ijzer smeedde en enkele geïnteresseerden niets vermoedend naast hem stonden, spuugde hij soms een ‘kwat’ (hij pruimde erg veel) op het aambeeld en gaf er dan met zijn hamer een klap op. Dat.veroorzaakte een gigantische klap, alsof er een kanon werd afgevuurd.

Dorpssmid Cor Peperkamp staat voor café Broksma.
Dorpssmid Cor Peperkamp staat voor café Broksma. Dorpsstraat 42 in Castricum, 1918. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Cor Peperkamp mocht de mensen er dus graag tussen nemen. Dat ging vaak wel verder dan alleen de schrik om een luide knal, en soms was het misschien op het randje van wat vandaag de dag als goede smaak geldt. Toen lag dat geheel anders.

Je hebt niet aIleen ’s lands wijs, ’s lands eer, maar ook ‘des tijdgeests wijs, des tijdgeests eer’. Veel wat tegenwoordig kan, werd vroeger als onbehoorlijk beschouwd, maar ook omgekeerd kon vroeger veel, dat juist nu als min of meer ongepast wordt gezien. Hoe dat ook zij: de ‘practical joke’ stond, misschien wel bij gebrek aan andere verzetjes, in hoog aanzien. Wie er goed in was – en Cor Peperkamp was er onomstreden kampioen in – werd daarvoor beloond met grote populariteit.

Hij had er een handje van om, als er iemand bij hem in de smederij was, denkbeeldige voorbijgangers uitbundig te groeten. De mensen wisten dat ze er tussen genomen werden en ze wilden dus perse niet kijken wie er langs kwam, maar hij hield dat zo serieus

Omstreeks her jaar 1916: Cor Peperkamp met zoon Frans, in de deuropening vrouw Trijntje in verwachting van Marie en knecht Piet Dam met de fiets.
afb. 5 Omstreeks het jaar 1916: Cor Peperkamp met zoon Frans, in de deuropening vrouw Trijntje in verwachting van Marie en knecht Piet Dam met de fiets.

Jaarboek 15, pagina 38

Zo zag de kop van de rekening van de smid eruit.
afb. 6 Zo zag de kop van de rekening van de smid eruit.

en consequent vol, dat de meesten er vroeg of laat toch intrapten. Sommigen vlogen zelfs achteraf nog naar de deur om te zien of er werkelijk iemand voorbij gekomen was.

Veearts en tandarts

Als de paarden ziek waren of een bepaald letsel hadden ging men altijd eerst naar de smid. Hij keek dan wat hij kon doen. Ook bij het paard werd aderlaten toen regelmatig toegepast. Als de boer klachten had over de werklust van het paard en het paard lui en sloom vond, tapte Peperkamp meestal bloed af.

Voor het aderlaten gebruikte de smid een hartvormig mesje met een hamertje. Hij bond eerst een touw om de nek van het paard om stuwing te verkrijgen, waardoor de halsaderen zichtbaar werden. Hij smeerde de plek waar de incisie gemaakt zou worden in met een speciaal zalfje en tikte dan met het hamertje op het mesje waardoor de incisie gemaakt werd. Het bloed werd vervolgens in een emmer opgevangen. Men zegt dat het paard er vaak enorm van opknapte, zodat het weer lekker op het Castricumse land kon werken.

Tijdens het aderlaten kwam er eens een handelaar langs en Cor Peperkamp, die pas begonnen was, zei: “Ga maar alvast naar de vrouw toe, een koppie halen, ik kom zo”. Hij had tijdens het aderlaten bloed op zijn schort gemorst en met dat schort nog om kwam hij nerveus binnen. “Wat mij nou is overkomen”, riep hij opgewonden, “het is verschrikkelijk”.

“Nou, wat is er dan, Peperkamp?”, vroeg de handelaar bezorgd.
En Peperkamp kon dramatiseren: “Oh, mijn allerbeste vriend loopt aan de overkant van de straat, hij roept mijn naam en wil naar mij toekomen. Op datzelfde moment komt de tram eraan en hij komt toch met zijn hoofd onder de tram. Het hoofd rolt naar mij toe, hij geeft nog een knipoog en sluit zijn ogen. Ik heb het hoofd maar even onder de kaasstolp gelegd en onder het bed gezet; dan kan de familie er nog even afscheid van nemen”. Of de handelaar dit verhaal geloofde?

De dorpssmid in volle actie aan een wagenonderstel.
afb. 7 De dorpssmid in volle actie aan een wagenonderstel.

Zweren aan de paardenvoeten werden schoongemaakt en behandeld met bruine teer in de holte van de zool. Met het wegsnijden van knobbels was extra voorzichtigheid geboden, omdat er een zweer onder kon zitten. Als er een ‘straar’ (kier) aan de voetzool ontstond ten gevolge van verzwering dan werd dat opgevuld met henneptouw en weer afgeteerd. Het henneptouw was nodig om de kieren te dichten en zo verontreiniging van de wond te voorkomen; het paard zou anders kans lopen om rotkanker te krijgen en in die tijd betekende dat een wisse dood.

Cor Peperkamp ried ook wel aan om het paard in de zee te laten lopen: zeewater heeft, zoals bekend, een reinigende en genezende werking op ontstekingen.

Zelfs kwam het voor dat Peperkamp geraadpleegd werd als het ging om reumatische klachten bij mensen. De man of vrouw werd in zo’n geval naar de doodgraver gestuurd om daar een doodkistenschroef te halen, die minstens twintig jaar in de grond gezeten moest hebben. Bij de doodgraver lagen die schroeven in voorraad. Cor Peperkamp smeedde van die oude schroef een ring en vijlde die glad. Door zo’n ring te dragen zou men de reumatische klachten kwijtraken.

De smid controleerde ook het gebit van de paarden en dankzij die kunde kreeg hij nog eens bezoek van een man met een ontzettende kiespijn. “Oh”, zei Cor, “ik ben overal goed in; ik heb vroeger ook nog voor tandarts geleerd, neem maar even plaats”. Hij heeft toen met een grote roestige tang in de smederij die kies getrokken. Het liet hem echter kennelijk niet los, want hij kon ’s avonds niet in slaap komen, omdat hij zich ook wel realiseerde dat die tang wel eens voor een flinke infectie zou kunnen zorgen. Zijn kinderen zeiden: “Ja Pa, had je het maar niet moeten doen, het is je eigen schuld.” Gelukkig is de patiënt pas vele jaren later en aan iets heel anders overleden.

Links van de Boerenleenbank de smederij van Cor P
Links van de Boerenleenbank de smederij van Cor Peperkamp. Dorpsstraat 56, 58 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het gebit van oma

Zo gaat er nog een ander verhaal in de tandheelkundige sfeer. Er kwam eens een deftig meisje uit een ander dorp kijken naar de smid tijdens het beslaan van de paarden.

– ”Nou opa, wat bent u aan het doen hier met die paarden?”
– “Ja kind, ik ben die paarden aan het beslaan”.
– “Doet dat geen pijn?”
– “Neen kind, dat doet helemaal geen pijn, opa zal het paard echt geen pijn doen hoor”.
Plotseling zegt het meisje:
– “Oma is vorige week overleden.”
– “Oh, wat vind ik dat erg voor je, dat je oma dood is. Zou ik je eens wat mogen vragen?”, vervolgt Cor Peperkamp verder: “Opa moet volgende week voor de pastoor invallen bij het preken, maar opa zijn gebit is stuk. Zou opa dan jouw oma’s gebit even mogen lenen? Dan krijg jij een dubbeltje van opa”.

Dus dat meisje kwam later met een doosje met watten en een geel gebit naar hem toe. Hij nam het aan, boog zich een beetje van haar weg, zogenaamd het gebit passend, en zei: ” sorry hoor, kind, het past opa helemaal niet, neem het maar weer mee. Zeg moe maar


Jaarboek 15, pagina 39

dat het hartelijk bedankt is voor de moeite. Het kind kreeg het dubbeltje en ging weer weg.

Nog één keer het gebit (driemaal is scheepsrecht).
Cor Peperkamp kwam eens bij een vrouw om een kachel te plaatsen. Tijdens een bakje koffie maakte zij complimenten over het mooie gebit van de smid. Hij had altijd direct zijn verhaaltje klaar en zei: “Mevrouw, daar ben ik met mazzel aan gekomen.

Een jaar geleden kwam ik bij Jan de Slager in de Oosterbuurt en die was juist bezig een geit te slachten. Dat beest had een mooi gaaf gebit en die geitekop kon ik voor twee kwartjes van hem kopen. Thuis hebben we die kop gekookt en afgekloven en toen bleef er een gaaf stel tanden en kiezen over. Daarmee ben ik naar een tandarts gegaan en die heeft er dit fraaie gebit van gemaakt”. “Maar”, zei de smid met een stalen gezicht: “ik zou het niemand aanraden hoor, het heeft een groot bezwaar, ik kan geen toeter (toeter- of pijpkruid) of brandnetel voorbij lopen of ik moet er effe in bijten”.

Pater Peperkamp

Hij was een keer in een kloosterschool in Velsen om er met zijn knecht kachels te plaatsen en pijpen te poetsen voor de winter. Terwijl de knecht ergens anders bezig was, zag hij op een gegeven moment een aantal bruine pijen hangen onder een afdakje. Zonder een moment te aarzelen trok hij zo’n pij aan, bedekte zijn hoofd met de ruim uitgevallen kap en liep door de lokalen naar zijn knecht toe die op zijn knieën druk bezig was een kachel te plaatsen.

– “Gaat het wel vaderke? ” vroeg hij op zijn steenkolen-brabants.
– “Jawel eerwaarde” was het enigszins timide antwoord.
– “Heeft u ook kinderen?”
– “Jawel eerwaarde.”
– “Hoeveel kinderen heeft u?”
– “Ik heb wel acht kinderen. “
– “Acht kinderen zo, dan heeft u ook niet stil gezeten!”
– “Nee, nee eerwaarde, U weet hoe dat gaat “
– “Zal ik uw gezin de zegen geven?”
– “Dat is goed eerwaarde”.
Prevelend: “In nomine patris et filii et spiritus sancti” …
(een stuk luider)
– “En nou godverdee aan je werk …”
– “Barst Peperkamp, ben jij het?”

Wagenmaker

Een werk waarbij niemand hem mocht storen en dat altijd met de knechts werd uitgevoerd was het leggen van ijzeren banden om wagenwielen, de zogenaamde wielijzers. Het was werken op de millimeter, want als het ijzer rond het wiel niet goed strak zat rolde het er al snel vanaf.

Die wielijzers lagen in voorraad in de loods achter de smederij. Het was werk dat een flink deel van het smidswerk uitmaakte, omdat er in die tijd vrijwel uitsluitend karren rond reden in het dorp; voordat de auto het straatbeeld kwam sieren werd immers vrijwel alles nog met paard en wagen gedaan.

Karretjes had je in alle soorten en (wiel)maten: kiepkarren, schulpkarren met zeer hoge wielen, boerenwagens, bakwagens, tilbury’s, dresseerkarretjes, bokkenwagens enzovoorts.

De maat van het wiel werd genomen met een instrument waarmee men de omtrek van het wiel uitrekende. Dan werd van staal de breedte van het wiel gewalst op een wals, die in de smederij stond, en dan werd die band iets korter dan de werkelijke maat in het vuur verhit tot bijna smelttemperatuur. Omdat er nog niet gelast werd maakte de smid gebruik van welijzer om de ijzeren band aan elkaar te smeden. Het wielijzer ging in het smidsvuur en werd iedere keer een stukje gedraaid; het moest zo heet mogelijk zijn.

Zo zag smederij Peperkamp in Uirgeest eruit; de smederij in Castricum, waarvan geen foto's gemaakt zijn, zag er hetzelfde uit.
afb. 8 Zo zag smederij Peperkamp in Uirgeest eruit; de smederij in Castricum, waarvan geen foto’s gemaakt zijn, zag er hetzelfde uit.

Vooral grote ijzeren banden vergden van de smid veel handigheid. omdat het beginpunt soms al was afgekoeld als het eindpunt in het smidsvuur lag.

Pas als het ijzer zeer heet was kon het om het houten wiel gelegd worden. een werkje dat zeer snel moest gebeuren. Het houten wiel mocht immers niet verbranden door de hitte van het ijzer. Als het ijzer om het wiel gelegd werd. moest het snel worden afgekoeld in een speciaal daarvoor vervaardigde stenen bak van ongeveer 1,5 meter lengte, gevuld met water. Het wiel werd daarin rondgedraaid. dat ging met veel rook en gesis gepaard.

Dit werk kon de smid niet in zijn eentje, hij werd hierbij altijd geassisteerd door zijn knecht of zelfs door de opdrachtgevers.

Getuige bij geboorteaangiften

Cor Peperkamp had graag mensen om zich heen, en dat gevoelen was wederzijds. Zo werd hij regelmatig gevraagd om als getuige op te treden als een geboorte moest worden aangegeven. Het is niet bekend bij hoeveel aangiften hij getuige is geweest, maar verondersteld wordt dat het om honderden nieuwgeborenen is gegaan.

De vader kwam dan even langs de smederij en samen met een andere getuige werd in het gemeentehuis de geboorteakte getekend. Als die formaliteiten hadden plaatsgevonden, dan ging de gelukkige vader in gezelschap van de getuigen naar café De Rustende lager aan de Dorpsstraat en daar bracht men dan een toost uit op een lang en gelukkig leven van de pasgeborene. Dat was traditie.

Voor de sigaar, die Peperkamp dan altijd aangeboden kreeg nam


Jaarboek 15, pagina 40

Bij vele geboorte-aangiften trad Cor Peperkamp op als getuige; op vele akten is zijn handtekening te vinden.
afb. 9 Bij vele geboorte-aangiften trad Cor Peperkamp op als getuige; op vele akten is zijn handtekening te vinden.

hij een sigarenschaartje mee, hij knipte de sigaar af en rookte een haaltje. Omdat hij normaliter niet rookte, maakte hij de sigaar meteen weer uit en bewaarde hem voor zijn zoon.

Soms bleef hij wel eens te lang weg en dan zei zijn vrouw tegen een van haar kinderen: “Waar blijft je vader nou? Da, (hun tweede dochter) ga jij eens even je vader halen, hij blijft zo lang weg. Zeg maar dat ik zit te wachten met eten”. Met de deur van De Rustende Jager half geopend zei ze dan: “Pa, komt u, want u moet eten”. “Kind, ik kom direct” zei hij dan. En dat deed hij altijd. Dorpse gezelligheid.

Toen Trijntje, de vrouw van de smid, zelf hoogzwanger was en elk moment kon bevallen, moest Cor Peperkamp ook nog eens een kind aangeven.

Terwijl de burgemeester de akte opstelde en naar de naam van de pasgeborene vroeg zie Peperkamp gekscherend: “Oh, noem het maar Cor Peperkamp”. Dat gebeurde. Terwijl de akte werd ingevuld en de formaliteiten werden afgehandeld, constateerde de burgemeester dat het niet het kind van Peperkamp kon zijn. Dat was wel even een pijnlijke geschiedenis, want zo’n akte duldde geen fouten en verbeteringen. Het kostte de desbetreffende ambtenaar dan ook nog heel wat werk om het een en ander te verbeteren. Die akten werden naar Haarlem gezonden en doorhalingen e.d. werden niet geaccepteerd.

In de raadszaal van het oude stadhuis bevond zich een schoorsteenpijp met een schoorsteendop erop. Cor Peperkamp was weer eens aanwezig om als getuige op te treden. Burgemeester Mooij zat aan de lange vergadertafel dichtbij de schoorsteendop. De smid zag dat de schoorsteendop niet goed sloot op de pijp en tikte daar even met zijn duimstok tegenaan om hem vast te slaan. Maar in plaats dat de schoorsteendop steviger kwam te zitten, raakte hij los en vlogen tegelijkertijd naar schatting twee volle emmers roet uit de pijp, dat voor een flink deel over de tafel en de burgemeester en diens akten vloog.

“Peperkamp …”, jammerde de burgemeester Mooij boos, “… jij bent ook altijd bezig met je streken”. Dit soort verhalen heeft nog vele jaren lachsalvo’s opgeroepen bij de Castricumse bevolking.
Burgemeester Mooij en Cor Peperkamp waren goede vrienden van elkaar, ze kwamen regelmatig bij elkaar over de vloer.

In de twintiger jaren was het gebruikelijk dat de burgemeester de fanfare begeleidde, als die ergens buiten Castricum een optreden gaf. Op een keer was de burgervader verhinderd om deel te nemen aan het bezoek ergens in de Noord. De smid vond dit geen probleem en stelde voor dat hij die dag als de Castricumse burgemeester zou optreden. In dat dorp merkte niemand dat de eerste burger in werkelijkheid de hoefsmid van het dorp Castricum was.

Redevoeringen houden was hem op het lijf geschreven en het diner met de drankjes heeft hij zich goed laten smaken. Later is daar nog hartelijk om gelachen.

De werkplaats van Cor Peperkamp.
De werkplaats van Cor Peperkamp. Boven het wagenwiel het opschrift ‘RIJTUIGMAKERIJ’. Dorpsstraat in Castricum, 1915. Links op foto Cor Peperkamp. Verder op de foto: Jan Duin (alias Flast), een marinier van de kustwacht, Piet Schotvanger met de baret van de marinier op en Willem van Weenen (met verlof uit Den Helder).

Vriend van pastoor Engering

Pastoor Engering was een persoonlijke vriend van smid Peperkamp. De pastoor kwam regelmatig langs om samen met hem een spelletje schaak te spelen. In de woonkamer van de familie Peperkamp stond een aantal boeken, waaronder ook boeken die op de index stonden, die voor de rooms-katholieken dus verboden waren om te lezen.

Boeken van Emile Zola bijvoorbeeld of van Victor Hugo, die in die tijd felle reacties opriep. Elke keer zuchtte Pastoor Engering als hij die boeken zag staan, en elke keer zei hij er iets van: “Die boeken mag je niet lezen, Peperkamp!”. Reden voor de smid om het spelletje schaak eigenlijk liever op de pastorie te spelen.

Als de kersen rijp waren, die in de tuin van de pastorie groeiden, dan deelden zij die samen elk jaar uit aan de kinderen van de Augustinusschool.

Als Cor Peperkamp een enkele keer in de Pancratiuskerk kwam terwijl de dienst al begonnen was, dan onderbrak Pastoor Engering zijn dienst en wachtte demonstratief met zijn armen over elkaar, totdat Peperkamp had plaatsgenomen in de mannenbeuk. Cor Peperkamp ging elke zondag keurig in zijn maatpak en netjes met hoed op ter kerke, maar hij was niet, om het maar zo te zeggen, streng in de leer. Waarschijnlijk kon hij zich dat als kleine zelfstandige ook niet permitteren. Hij had zijn klanten onder de rooms katholieken en onder de protestanten.

Het hoeft geen betoog dat halverwege de twintigste eeuw een vrij stringente scheiding bestond tussen beide denominaties. Het gebeurde niet zo gauw dat kinderen van verschillend geloof met elkaar speelden en iets wat men al helemaal niet deed – of wat toch zeker niet zo hoorde – was verkering krijgen met iemand van een ander geloof. Kapelaan de Boer meende een keer – Cor Peperkamps vriend pastoor Engering was toen al dood – op huisbezoek te moeten gaan, toen één van de dochters van de smid verkering kreeg met een niet-katholieke jongen.


Jaarboek 15, pagina 41

Op een gegeven moment heeft Peperkamp toen uitgeroepen: “Moet u eens goed horen, ik moet van iedereen leven, want als ik het alleen van de katholieken moet hebben, dan heb ik geen brood op de plank”.

Het geloof speelde in zo’n dorp inderdaad een rol bij de vraag wie we1 of niet als klant bij je kwam en het werd in de dorpse gemeenschap als een soort verraad gezien als je niet principieel in de leer was. Daardoor is hij vermoedelijk wel wat werkopdrachten kwijtgeraakt, zoals het plaatsen van de kachels in de rooms-katholieke scholen en het maken van hekwerken voor de kerk.

Over de keuze van zijn dochters heeft hij gezegd: “Wat zij doen moeten ze zelf weten; wij hebben geprobeerd ze groot te brengen en die niet-katholieke jongens, die ze hebben gekozen zijn keurige jongemannen”. En met die uitspraak was de discussie gesloten, hoewel de jongere kinderen daardoor nog regelmatig geplaagd werden op school.

Het laat zich wel raden dat kapelaan de Boer zich in huize Peperkamp niet in de populariteit van wijlen pastoor Engering mocht verheugen.

Het is zelfs zo dat Trijntje, als zijn komst was aangekondigd, altijd het zeil onder het deurmatje in de woonkamer extra in de was zette, in de stille hoop dat het matje het op een welgekozen moment op een glijden zou zetten …

Hotel De Rustende Jager met links de Boerenleenbank. Links naast de bank de smederij van Cor Peperkamp.
Hotel De Rustende Jager met links de Boerenleenbank. Links naast de bank de smederij van Cor Peperkamp. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Als Kapitein Rommel terug kwam van één van zijn verre reizen, dan was het gewoonte om bij te praten in café De Rustende lager onder het genot van een jonge borrel. Rommel kwam regelmatig in de smederij en de kinderen vonden het altijd een feest als Kapitein Rommel over was.

Eenmaal bestond hij het om direct na aankomst in de kleine uurtjes nog naar de smederij te komen. Toen waren de kinderen al naar bed.
Samen met Piet Schotvanger en Ab Rommel ging Cor Peperkamp jagen in de duinen met een oud jachtgeweer. Het kostte de kapitein geen moeite om een jachtvergunning te krijgen. Rommel vroeg wel eens aan de kinderen: “Zingen jullie een liedje?”

Leden van de toneelvereniging, v.l.n.r.: Cor Peperkamp, een matroos van de kustwacht, Jan Duijn, Piet Schotvanger en Wub van Weenen.
afb. 10 Leden van de toneelvereniging, van links naar rechts Cor Peperkamp, een matroos van de kustwacht, Jan Duijn, Piet Schotvanger en Wub van Weenen.

“op de klompjes, trip, trip, trap,
komen Trientje en Marietje
deftig uit de school gestapt … “

Piet Schotvanger, die erbij stond, zei dan: “Kom, hou mijn hand eens vast!” en dan stopte hij een tabakspruim in de kinderhand en kneep er hard in, zodat de bruine drab langs de kindervingertjes sijpelde. Zo’n plagerijtje werd in die tijd heel gewoon gevonden.

Het verenigingsleven

Cor Peperkamp hield graag voordrachten en was dan ook zeer gewild als ceremoniemeester bij allerhande festiviteiten en plechtigheden.

afb. 11 De damvereniging omstreeks 1930 bijeen in cafe Van Bentem (hoek Dorpsstraat-Burg. Mooystraat); Cor Peperkamp, de voorzitter, achter het tafeltje met Cees Brakenhoff (links) en Wiebe Buimer (met pijp). Staand v.l.n.r. 1e en 1e onbekend, Gerrit Sprenkeling, Henk de Haan, Piet Ruiter, Pieter Schenk, Willem Baars, Gerard Essing, Gerrit de Nijs, Sjaak Cools, Cor Orij en Ab de Zeeuw.
afb. 11 De damvereniging omstreeks 1930 bijeen in cafe Van Bentem (hoek Dorpsstraat-Burgemeester Mooystraat); Cor Peperkamp, de voorzitter, achter het tafeltje met Cees Brakenhoff (links) en Wiebe Buimer (met pijp). Staand van links naar rechts 1e en 1e onbekend, Gerrit Sprenkeling, Henk de Haan, Piet Ruiter, Pieter Schenk, Willem Baars, Gerard Essing, Gerrit de Nijs, Sjaak Cools, Cor Orij en Ab de Zeeuw.

Jaarboek 15, pagina 42

Samen met Piet Schotvanger, Wub van Weenen en Jan Duijn vormde hij een toneelvereniging die regelmatig een uitvoering gaf in café De Rustende lager. Plaatselijke verenigingen hebben altijd in de belangstelling gestaan bij Peperkamp.

Hij had ook enkele bestuurlijke functies. In een brief van 13 april 1932 schrijft hij aan zijn schoonzoon:
“(…) Gisteravond 11 april hebben we nog vergadering gehad van de Harddraverij Vereeniging wegens aftreding door vertrek uit de Gemeente van de Heer Mulder als Voorzitter. Met algemeene stemmen is toen ondergetekende tot dezen gewichtigen functie gekozen. Nu, dat heb ik maar aangenomen, alhoewel ik liever gehad had dat ze een ander hadden gekozen (…)”.
De Castricumse Harddraverij-Vereniging hield de draverijen in de Oosterbuurt.

Daarnaast was hij voorzitter van de damclub en sinds de oprichting in 1911 ook van de voetbalclub Castricumse Sport Vereniging (C.S.V .), toen nog voor alle gezindten. Deze club had een voetbalterrein aan het einde van de Haagseweg. Toen in 1922 de Rooms Katholieke voetbalvereniging Vitesse werd opgericht, gingen de meeste leden over naar de nieuwe club.

Ook bij de oprichting van de Vrijwillige Brandweer in 1920 door burgemeester Lommen had Cor Peperkamp zich met nog dertien anderen aangesloten.

Verder placht Cor Peperkamp nog wel eens een kaartje te leggen bij de klaverjasclub. Eén van zijn klaverjasvrienden was Piet Deen, ook een bekende Castricummer en dito duivenmelker. Hij schepte graag op over zijn duiven. Op een dag ontving Piet Deen een officieel ogende brief met de mededeling, dat hoge heren van de duivensportbond bij hem op bezoek zouden komen. Ze hadden gehoord dat Piet zulke verschrikkelijk mooie duiven had en wilden graag langskomen. Apetrots zei hij op de klaverjasavond: “Cor, wat ik nou gekregen heb, je wilt het niet geloven: ik krijg hoge pieten op bezoek van de duivenbond!”

Piet nam vrij, Jansie, zijn vrouw, was gepermanent, de kinderen kregen vrij van school, de hokken waren gewit en de gordijnen gewassen. De kinderen en hun ouders togen plechtig op hun paasbest naar de trein, maar al wat er kwam: geen mensen van de duivenbond. En zij maar wachten. Op de volgende klaverjasavond vroeg Cor Peperkamp belangstellend aan Piet hoe het geweest was. Piet liet zich natuurlijk niet kennen: de hoge heren hadden hun ogen uitgekeken. Later bekende Peperkamp dat hij de brief geschreven had. Typerend voor die tijd, maar toch ook voor de plaats die Cor Peperkamp zich tussen zijn dorpsgenoten had weten te verwerven, was dat ook deze streek van hem gepikt werd, zelfs door het slachtoffer.

Kermis een belangrijk dorpsgebeuren

Als er kermis in Castricum of Uitgeest was bezochten de families Peperkamp elkaar. Het was dan groot feest; drie dagen feesten met familie en dorpsbewoners was eigenlijk een kleine vakantie waar iedereen een heel jaar naar toe leefde. Een belangrijk dorpsgebeuren, waar de hele gemeenschap actief aan meedeed. Was er kermis in Uitgeest, dan ging dus de hele familie op bezoek in Uitgeest en de kinderen kregen dan van elk familielid een kwartje voor de kermis en konden voor dat geld aardig carrousellen. Als men dan in de loop van de ochtend aankwam stonden de tafels gedekt met heerlijke broden, tulband, vlees, enzovoorts. In café De Ooievaar gingen de mannen een borreltje drinken en kwamen tegen lunchtijd weer terug; de hele dag werd er gefeest.

Terwijl er circus in Bakkum was en het volk vermaakte, kreeg Cor Peperkamp eens bezoek van een marskramer te voet. De reiziger in garen en band vertelde hem dat hij ook nog langs Egmond moest. Dat had hij maar heter niet kunnen zeggen, want Peperkamp maakte meteen van de gelegenheid gebruik om de marskramer te zeggen dat bij op zijn tocht naar Egmond voorzichtig moest zijn. “Maar weet je dat dan niet? Er is een witte olifant uit het circus losgebroken en de hele Bakkumse bevolking is in rep en roer. Het dier is enorm groot en vooral die witte olifanten zijn vreselijk woest. Het is levensgevaarlijk om je op straat te begeven.” Die marskramer is toen over Limmen en Heiloo naar Egmond gelopen. Eindelijk in Egmond aangekomen, vroeg bij aan de volgende klant of de witte olifant al gevangen was. “Och heden,” was het antwoord, “ben je soms langs Peperkamp gekomen? Nou, dan ben je mooi beetgenomen!”

Petroleum gevonden

Cor Peperkamp schreef onder verschillende pseudoniemen regelmatig stukjes in het Castricummertje. Die cursiefjes waren uit het leven gegrepen en af en toe probeerde hij ook door middel van die cursiefjes mensen ertussen te nemen.

De datum 1 april naderde en (het was ergens in de jaren dertig) er werden palen geslagen voor woningen aan de Puikman. In een kort bericht maakte hij melding van het feit dat tijdens het heien van de palen op de Puikman petroleum gevonden was en dat elke inwoner van Castricum en Bakkum gratis een liter petroleum kon krijgen op vertoon van het trouwboekje.

Hij zag de mensen op de bewuste dag en tijd langs de smederij lopen met een petroleumbus in de hand. Peperkamp vroeg kwansuis: “Nou mensen, wat is er aan de hand?”
– “Cor weet je dat dan niet? Op de Puikman is petroleum in de grond gevonden tijdens het heien en nou krijgen we allemaal een liter petroleum voor niks.”
De smid wachtte rustig af totdat de mensen van de Puikman terug kwamen. De mensen vonden het achteraf een goede grap; op zo’n dorp werd hartelijk om zoiets gelachen.

Er kwamen weer eens een paar zwervers langs de smederij, hartje zomer, het was erg warm. “Peperkamp, heb je een glaasje water voor ons? Het is zo warm!”
– “Ja, ga maar even langs moeder de vrouw, zij haalt wel even wat water uit het putje”. Dan werd het emmertje in de put neergelaten en de glazen werden volgeschonken.
De smid dronk trouwens zeer regelmatig water, omdat hij door zijn werk veel transpireerde.
Ze zitten bij elkaar in de tuin achter de smederij, de smid komt erbij zitten, proeft van het water en zegt: “nou vrouw, volgens mij is het drinkwater niet goed hoor, verdulleme, dat gedonder met de gemeente ook. ‘k Heb het nog zo gezegd!”
En hij wendt zich tot de zwervers en zegt: “Er ligt hier verderop een mestvaalt en nou schijnt die gier door te sijpelen in de put. Ik heb al aan de gemeente gevraagd om die mestvaalt weg te halen. Ja vrouw, volgens mij zit er weer gier in het water”. De zwervers kijken elkaar eens aan … hun glazen zijn al leeg.

Als er mensen in de smederij kwamen en vroegen of ze even van het closet gebruik mochten maken, vroeg Cor Peperkamp altijd: “is het een grote of een kleine?” Als men antwoordde dat het om een grote ging, dan kwam de smid terug met een heel klein potje.

Het haantje van de Nederlands Hervormde Kerk was in revisie. In diezelfde tijd kwam er een handelaar in oud ijzer langs de smederij en vroeg wat er met de haan was gebeurd.
“Ja, de haan is bij een boer op de Kramersweg, ga daar maar eens kijken of je hem mee kan krijgen”, zei Cor Peperkamp.
Maar de boer had die haan natuurlijk niet; wel een levende haan, waar hij erg trots op was, in zijn tuin. Toen de handelaar bij de boer kwam en naar de haan vroeg zei de boer: “Kerel, hoe kom je daar nou toch bij? Pak je weg, die haan loopt in het hok!”
Na dit kortstondige intermezzo kwam de handelaar weer terug bij


Jaarboek 15, pagina 43

De smederij na een ingrijpende verbouwing in 1935; er werden nu ook rijwielen verkocht en gerepareerd.
afb 12 De smederij na een ingrijpende verbouwing in 1935; er werden nu ook rijwielen verkocht en gerepareerd.

Cor Peperkamp, die meteen naar de haan vroeg, waarop de handelaar ter snede repliceerde: “Ach, zolang ik loop, schimmelt mijn kont niet”.

De kinderen vermaakten zich in en rondom de smederij; op vrije dagen ging men graag naar de Papenberg om te spelen, of ze liepen door de duinen naar het strand om daar naar bijzondere schelpen te zoeken. In de jaren dertig kregen ze een cent zondagsgeld en als ze wel eens zeurden om wat meer geld, zei hun moeder: “poep maar in je hutte, dan kan je glissen (poep maar in je klompen, dan kan je glijden)”.

Het gezin van Cor en Trijntje was voor die tijd vrijgevochten en je kon er altijd binnenlopen.

De kinderen hadden een dobermann pincher, genaamd Cas, die jaren de ‘huisvriend’ van de familie is geweest. Cas was helemaal getraind om eenvoudige boodschappen te doen; zo haalde hij brood bij de bakker en vlees bij de slager. Door de familie wordt nog steeds de loftrompet gestoken over de slimheid van hun allang overleden hond.
De kinderen haalden ook regelmatig de paarden op die beslagen moesten worden. Ze mochten dan op de knol zit ten – heerlijk vonden ze dat – en als het werk klaar was mochten ze het dier weer terug brengen langs de Castricumse weilanden. Ze hadden vaak een speciale band met ‘hun’ paarden. Als zo’n paard dood ging, bracht dat veel verdriet bij de kinderen.

De dood van de smid

Op een dag is er toch een einde gekomen aan het leven van de hoefsmid, wiens aanwezigheid in het centrum van de dorpsgemeenschap zo’n vanzelfsprekendheid was geworden. Hij had zich al geruime tijd niet goed gevoeld, maar wel doorgewerkt.

Uiteindelijk is hij toch naar een dokter gegaan, die hem verwees naar een specialist in Alkmaar. Hoewel het voor die tijd – begin jaren (negentien) vijftig – zeer ongebruikelijk was om aan een patiënt diens prognose te vertellen, heeft de behandelend geneesheer op de nadrukkelijke vraag van Cor Peperkamp gezegd dat er aan diens ziekte niets meer te doen was en dat hij nog maar zes weken te leven had. Dit bleek helaas waar te zijn. Toen hij na dat bezoek op de stoep van het ziekenhuis stond zei hij triest voor zich uit starend: “Peperkamp zal nooit meer grappen maken”. De smid had slokdarmkanker gekregen, waarschijnlijk mede veroorzaakt door de hete vuren van de smidse. Zijn ziekbed duurde kort.

Toen hij ten tijde van zijn ziekte nog eens een pater, die barrevoets de smederij bezocht, uitliet (en die twee hadden al heel wat afgelachen) en tegelijkertijd bezoek kreeg van een vrouw met vier kleine kinderen, zei hij: “Ja, dat heb je hè, als je met een jonge vrouw trouwt”. De pater verliet stikkend van de lach de smederij. Nadat hij het bericht van de arts vernomen had is hij vrijwel onmiddellijk gestopt met zijn werk. Toen Cor Peperkamp in de woonkamer op zijn sterfbed lag, kwam een keer zijn oudste zoon Cor binnen met een pas geslepen zeis. Hij vroeg zijn vader of de zeis nu scherp genoeg was. Peperkamp nam de zeis over, betastte hem met zijn duim en zei: “Hij moet nog scherper jongen”.

De mensen in het dorp merkten wel dat de smid ziek geworden was. Zijn krachten namen af en door de ziekte vermagerde hij, hij zag er slecht uit. Toen iemand hem daarop aansprak zei hij: “Er komt eenmaal een eind aan de menselijke machine, maar als ik bij Petrus kom, kan hij nooit zeggen dat ik de mensen verdriet heb gedaan: bij mij hebben ze altijd gelachen”.

Op 19 juli 1952 stierf hij, op bijna 72 jarige leeftijd, thuis in de woonkamer in een bed bij het raam, ’s morgens vroeg, terwijl zijn dochter Marie bij hem waakte. Er was een einde gekomen aan zijn leven en Castricum rouwde bij het overlijden van zijn smid Cor Peperkamp.

Onder veel belangstelling werd hem de laatste eer bewezen en zelfs de militaire eer: Kapitein Rommel salueerde soldatesk en in vol officiersornaat op het kerkhof van de Heilige Pancratius, alwaar zijn graf nog steeds te vinden is.

Voor de smederij Cor Peperkamp en een andere smid bezig met het beslaan van een paard.
Voor de smederij Cor Peperkamp en een andere smid bezig met het beslaan van een paard. Links de Groentewinkel van Ab Hogenstijn later Molenaar, Paul Dekker, Eric Kippersluis. De persoon die gebukt staat is Cor Peperkamp, zoon van Frans Peperkamp en kleinzoon van de hier beschreven smid Cor Peperkamp. Dorpsstraat 54, 56 in Castricum, 1959.

Dankwoord

Een woord van dank ben ik verschuldigd aan mijn familieleden, die de eigenlijke auteurs van dit voorbeeld van ‘oral history’ zijn. Mijn vader Frans Peperkamp, die ondanks zijn ziekte en zeer verzwakte stem toch de sfeer van die tijd met zijn anekdotes wist op te roepen; tijdens de voltooiing van dit artikel is hij op 6 juli 1992 overleden.
Mijn moeder Corrie Peperkamp-Nijssen uit Castricum.
Mijn tante Marie, mevrouw M. Dol-Peperkamp uit Alkmaar.
Mijn tante Da, mevrouw A. Dekker-Peperkamp uit Beverwijk.
Mijn tante Fem, mevrouw F. Peperkamp-Bruinenberg uit Castricum.
Mijn neef Piet Dol uit Edam en mijn neef Henk Benkemper uit Hillegom, zoon van mijn onlangs overleden tante Annie, mevrouw A. Benkemper-Peperkamp.


Jaarboek 15, pagina 44

Mijn achterneef Jan Peperkamp, smid te Uitgeest en kleinzoon van een broer van mijn grootvader.
Mijn broer Wim Peperkamp voor fotomateriaal.
Mijn echtgenoot Aart Waterman voor zijn correcties en stilistische adviezen.

Catharina Q. Peperkamp,
kleindochter van Cor Peperkamp.

De winkel van Cor Peperkamp, smid.
De winkel van Cor Peperkamp, smid. Dorpsstraat 58 in Castricum, 1967. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Genealogie

Cornelis Johannes Peperkamp, geboren te Uitgeest op 1 augustus 1880, smid, overleden te Castricum op 19 juli 1952, zoon van Cornelis Peperkamp, smid en Anna Clasina Cornelia Stadegaard. Hij trouwt te Uitgeest op 17 mei 1907 met Catharina Maria Rodegonda Berkhout, geboren in Uitgeest op 14 augustus 1882 en overl. te Beverwijk op 24 oktober 1967, dochter van Mattheus Berkhout, broodbakker, bloemkweker en van Alida Petronella Tijburg.

Kinderen uit hun huwelijk worden allen geboren te Castricum:

  1. Anna Cornelia geboren op 7 maart 1907, woonde in Hillegom, aldaar overleden op 26 april 1992, gehuwd met Pieter H. Benkemper, commissionair in bloembollen.
  2. Alida Maria geboren op 26 oktober 1908, woonde eerst in Hillegom, nu in Beverwijk, gehuwd met: 1e Dirk van der Schans, directeur van een bloembollenbedrijf; 2e met Adriaan Dekker, muzikant.
  3. Cornelis Josephus geboren op 18 april 1910, smid, woonde eerst in de Dorpsstraat in Castricum, later in Heemskerk, aldaar overleden op 31 juli 1987, gehuwd met: 1e Femmetje Bruinenberg; 2e met Josje M. Hoogewerff.
  4. Maria Catharina geboren op 31 december 1912, overleden te Castricum op 18 juni 1913.
  5. Franciscus Josephus geboren op 23 november 1914, smid, woonde in de J. Hobergstraat te Castricum, overleden te Heemskerk op 6 juli 1992, gehuwd met Cornelia M. Nijssen.
  6. Maria Catharina geboren op 31 december 1916, woont aan de Omval te Alkmaar, weduwe van Simon Dol, chauffeur.
  7. Catharina Maria geboren op 30 april 1918, woonde in Purmerend, aldaar overleden op 15 oktober 1976, gehuwd met Simon Rem, belastingambtenaar.

Hoe het met de smederij verder ging

In de loop der jaren veranderde de aard van de smidswerkzaambeden. Hoewel er tot in de jaren vijftig nog regelmatig paarden beslagen werden en wielijzers omgelegd, zijn door de opkomst van de auto deze werkzaamheden geleidelijk aan uit het straatbeeld verdwenen. Ook de fiets mocht zich verheugen in een grotere populariteit en zo kwam het dat, onder andere tijdens de tweede wereldoorlog, ook fietsen gerepareerd werden, hoewel dat werk nooit door de smid zelf werd gedaan, maar door zijn beide zoons.

Na het overlijden van Cor Peperkamp nam zijn jongste zoon Frans Peperkamp het smidswerk over en omdat dit, zoals gezegd, terugliep werd de smederij een haarden- en kachelzaak, gedreven door de oudste zoon Cor. Pas in 1964 kreeg die historische plek een geheel andere bestemming. Elf jaar lang is er een stomerij gevestigd geweest die onder leiding stond van mevrouw F. Peperkamp-Bruinenberg.

In 1975 is het pand verkocht en werd er een gedeelte van de Raiffeisenbank in gevestigd, waarna het omstreeks 1980 werd gesloopt om plaats te maken voor de meergenoemde doe-het-zelf-winkel.

Smid Peperkamp

De ganse Dorpsstraat gaat in rouw,
Want och, een mensenleven trouw
Stond immers daar smid Peperkamp.
Voor d’oude garde lijkt ’t een ramp,
Want wie schenkt thans z’n gulle lach
En blijde ziel aan iedre dag?

Een prima smid in ’t harnas gaat.
Een Dorpsfiguur van groot formaat,
Het aanbeeld nevens ’t kloeke lijf,
De noeste knuisten tot bedrijf,
Het vuur, door d’oude balg gevoed,
Bracht jaren gloed in ’t smidse-bloed.

We missen ’t magistraal portret,
De smidse-deur blijft onbezet,
Het vuur wordt nu niet opgevoerd,
De moker blijft onaangeroerd,
De smidse rust … de baas ging heen
En op ’t trottoir staat er nu geen …

Het blauwe boezeroen is vort,
Het leutig dorpse leven schort …
Er is, na koddig smidse-praats,
Nog slechts een gapend lege plaats,
Want Peperkamp is reeds niet meer
En met hem d’echte dorpse steer.

Het dorp nu treurt bij ’t stervensuur
Van deze grote smids-figuur,
Hem wordt, door iedereen geacht,
Een warm en laatst saluut gebracht …
De hemel straalt, de zonne lacht …,
Vaarwel … vriend Peperkamp …rust zacht

Door A. van Kluijve
(uit het Nieuwsblad voor Castricum van 23 juli 1952).

1 juni 2022

Twisk Engel, smid – levensverhaal (Jaarboek 38 2015 pg 59-66)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 38, pagina 59

In gesprek met Engel Twisk

Engel Twisk op zijn praatstoel.
Engel Twisk op zijn praatstoel.

Ik heb het aambeeld van De Salamander nog in mijn werkplaats gehad …

Engel Twisk werd op 19 januari 1925 in Bakkum geboren en vierde dit jaar zijn 90e verjaardag. Hij kijkt terug op zijn leven en dat van zijn ouders en grootouders. Vader Floris startte rond 1918 met een smederij op de hoek van de Bakkummerstraat en de Vinkebaan. Engel wilde net als zijn vader smid worden. Geen ander beroep sprak hem zo aan.

Zijn eerste opleiding kreeg hij op de Ambachtsschool in Alkmaar. Het was een zware slag toen in 1943 de woning en de werkplaats in opdracht van de Duitsers werden gesloopt, net als honderden andere panden. In 1948 kon vader Floris in zijn oude buurtje een nieuwe woning met smederij in gebruik nemen.

Intussen was Engel zelf als dienstplichtige naar Nederlands-Indië vertrokken. In oktober 1949 kwam hij terug op het troepentransportschip Kota Inten en pakte zijn geliefde vak weer op. Nu is de voormalige smederij zijn woning. Daar hoopt hij met steun van de kinderen tot zijn laatste dag te blijven.

De oude smederij heeft Engel in 1983 grotendeels eigenhandig verbouwd tot woning.
De oude smederij heeft Engel in 1983 grotendeels eigenhandig verbouwd tot woning.

Engel Twisk is een geboren verteller en bovendien beschikt hij over een goed geheugen. Het leven van zijn ouders en grootouders staat hem nog helder voor de geest; alleen mogen we hem af en toe een beetje helpen met jaartallen. Hij woont sinds 1983 comfortabel in de vroegere smederij, die hij bijna eigenhandig heeft verbouwd. Zijn stoel staat op de plaats waar ooit een aambeeld stond. Voor het raam het model van een oude molen, uiteraard gemaakt van metaal. Klaas Molenaar van de vroegere Wastora heeft hem willen kopen: “Zeg maar wat je er voor wilt hebben.”

Engel had al meer molens gemaakt en hij had er geen zin in om dat nog eens te doen. Voor geld is niet alles te koop. Molenaar had er begrip voor.

We maken eerst kennis met de familie Twisk.
“Mijn grootvader Willem Twisk en grootmoeder Catharina Haaker hadden een kleermakerij, zoals verschillende generaties voor hem. Eerst in Heiloo en later in Velsen. In 1899 gingen ze in de Burgemeester Mooijstraat wonen en daarna verhuisden ze naar de Alkmaarderstraatweg 24, tegenwoordig Dorpsstraat 128, tegenover de rooms-katholieke kerk. Zijn zoons Jaap en Jan waren ook kleermakers. De oudste zoon was mijn vader Floris, die smid is geworden. Hij trouwde met Catharina Zonneveld.

Zelf ben ik in 1952 getrouwd met Ank Buur uit Akersloot. Zij is in 2000 overleden. Omdat er geen huis was te krijgen, woonden we eerst op de verdieping van het nieuwe huis van mijn ouders. In 1956 verhuisden we naar de Breedeweg en in 1966 ruilden mijn vader en ik weer van woning en nam ik de smederij over.


Jaarboek 38, pagina 60

Het gezin van kleermaker Willem Twisk. Het vak werd door vier generaties uitgeoefend. Floris Twisk staande rechts op de foto werd smid en zoon Engel volgde hem op.
Het gezin van kleermaker Willem Twisk. Het vak werd door vier generaties uitgeoefend. Floris Twisk staande rechts op de foto werd smid en zoon Engel volgde hem op.

De familie Twisk

In het 10e jaarboek van Oud-Castricum (1987) is de familie Twisk beschreven. Deze familie en veel aangetrouwde familieleden zijn diep geworteld in Bakkum en Castricum.

Engel Twisk stamt af van Jan Twisk die in 1766 werd genoemd als schepen van Bakkum. Zijn boerderij stond op de (zuid)hoek van de Haagscheweg-Heereweg. Floris, een zoon van Jan, had een boerderij op ‘t Noordend aan de Kooiweg.

Diens zoon Willem (1799-1863) werd kleermaker in de Oosterbuurt en zoon Floris (1840-1923) volgde zijn vader op. Hij vestigde zich op de hoek Overtoom-Schoutenbosch. Het vak werd voortgezet door zoon Willem (1868-1932) die met Catharina Haaker trouwde. De oudste zoon kreeg weer de naam Floris (1893-1974), maar die werd geen kleermaker maar smid en Engel trad in zijn voetsporen.

De Salamander die bij laag water nog altijd te zien is.
De Salamander die bij laag water nog altijd te zien is.

De Salamander

De grootvader van mijn moederskant was Engel Zonneveld (1865-1937). Hij was schelpenvisser, tuinder en van 1917 tot zijn dood ook strandvonder. Met zijn vrouw Grietje Limmen (1864-1945) woonde hij op de duinboerderij Van Lennepsoord. Het was een heel ‘slachtige’ vent hoor. Slachtig betekent handig. Hij maakte zelf schelpenkarren voor die jongens van hem. Hij kocht een tweedehands onderstel en de rest maakte hij van juttershout.

In 1910 strandde De Salamander. Het was een kanonneerboot en een ramschip, 46 meter lang en 10 meter breed, gebouwd in Bremen rond 1880. Het was één bonk ijzer en na iedere storm zakte het weer een halve meter dieper in het zand. Hij zou naar Hendrik-Ido-Ambacht gesleept worden voor de sloop.

De runners kwamen bij mijn grootvader in huis. Die mannen waren daar een tijdje in de kost. Ze kregen in de gaten dat ze het schip niet konden bergen en tenslotte gaven ze het op. De baas vroeg mijn grootvader hoeveel kostgeld hij kreeg. In plaats daarvan kwamen ze overeen dat hij voor een rijksdaalder het wrak mocht overnemen. Bewijzen heb ik er nooit van gezien. Zo ging het vroeger niet, maar Engel Zonneveld werd dus de nieuwe eigenaar.

Het aambeeld van de Salamander heb ik nog in mijn werkplaats gehad. Het schip had een kanon dat 180 graden kon draaien. Twee torpedokamers zijn er later ingebouwd. Het was natuurlijk een schip met een stoommachine. Ik ben er zelf nooit op geweest, maar heb er genoeg over horen vertellen.

De boeg van het schip was 20 centimeter dik. De Duitse keizer heeft dat ding laten bouwen. Het was er een van een serie. Later bleek het een mislukking te wezen. Het was de bedoeling om met die schepen op de Duitse wadden te patrouilleren en bij eb te gaan liggen. Als er vijandelijke schepen vanuit de Oostzee de wadden opvoeren, dan konden ze er snel naar toe varen en dan ramden ze die of schoten er torpedo’s op af.

De smederij van Jan Hoebe

Opa Zonneveld woonde in het duin, tot zijn land door de waterwinning zo verdroogde, dat er niets meer te telen viel. Toen kocht hij van Bertus Hageman aan de Heereweg 18 een boerderijtje. Er stond een grote kapberg achter. De achterkant was helemaal open en die kant heeft hij dicht gemaakt met planken van het strand. Al die rotzooi uit het duin vandaan heeft hij daar naar toe gesleept. Hij heeft nog een tijdje geschulpt, maar kreeg maagkanker en overleed op 12 juni 1937. In die oude schuur heeft mijn vader in de oorlog nog een smederij gehad. Er was geen smidsvuur, maar hij maakte er wel kachels en zo.

Vader is in 1893 in Heiloo geboren. Als 11-jarige jongen werkte hij al bij Bertus Stuifbergen, die een boter en kaaszaak had op de hoek van de Ruiterweg en de Mient.


Jaarboek 38, pagina 61

De vrouw van Stuifbergen was een Van den Berg uit Egmond aan Zee. Door de aanleg van het Noordzeekanaal werd IJmuiden belangrijk als vissershaven en de Egmonders trokken daar naar toe. Bertus had een wagen met een ket (red: klein paard) waar mijn vader in IJmuiden de bestellingen mee rondbracht. Bertus liet zijn paard beslaan in Heemskerk bij smederij Eeltink. Mijn vader stond er altijd bij te kijken. Het smidsvak trok hem erg aan. Bij die smid kreeg hij toen zijn eerste opleiding. Later werkte hij in Bakkum bij de smederij van Jan Hoebe.

Bij een verbouwing van de broodfabriek moesten er gaten in stalen balken geboord werden. Hoebe had alleen een handboor en het duurde heel lang voordat zo’n boor door de balk heen was. Bertus de Groot in IJmuiden had moderner gereedschap. Mijn vader ging daar een spiraalboor lenen.

Bertus stelde hem voor: “Je ken wel bij main komme werken.” Vader zei: “Ik werk nog bij Jan Hoebe. Ik kan niet zo maar weglopen.” Hij praatte er wel over met ouwe Jan Hoebe. Die vond het eigenlijk wel een goed idee dat hij eens een paar maanden bij Bertus ging werken om ervaring op te doen. Dat heb ie gedaan en daarna is hij weer terug gegaan naar Bakkum.

Meester-hoefsmid

Mijn vader was klein van stuk. In het keuringsrapport voor het leger staat 1 meter 60. Hij moest in 1913 opkomen en had bij de marine gewild als stoker. Dat is hem niet gelukt. De Eerste Wereldoorlog brak uit en in Den Helder werd de Kustwacht ingesteld. Daar heeft hij zes jaar gezeten. Daarvoor was hij nog een tijdje bewaker op het interneringskamp in Bergen.

Floris Twisk met kleinzoon Floris op weg naar de kermis in Bakkum. Achter hem loopt Engel.
Floris Twisk met kleinzoon Floris op weg naar de kermis in Bakkum. Achter hem loopt Engel.

Er was veel geouwehoer en geteut onder de soldaten en mijn vader ging liever aan het werk. Om wat te doen te hebben onderhield hij in Den Helder de kanonnen. Er was een kapitein die Sijpestein heette. Die zag mijn vader daar altijd scharrelen. Mijn vader vertelde hem dat hij graag hoefsmid wilde worden, maar dat hij daarvoor een cursus moest volgen die op zaterdagochtend in Haarlem werd gegeven. De kapitein heeft hem toen toestemming gegeven om op vrijdagavond naar huis te gaan, zodat hij op zaterdag die cursus kon volgen. Dan ging hij ‘s ochtends eerst naar paardenslager Jan Huiberts op de Vinkebaan voor een paar afgezaagde poten en die gingen achterop de fiets mee naar Haarlem voor de cursus. Daar kregen ze les. Een hoef is een ingewikkeld mechanisme hoor. Er zitten veel zenuwen in zo’n hoef. Door die dikke rand er omheen moeten zo’n zes hoefnagels geslagen worden. Aan die hoefnagels zit een smal kantje, waardoor die automatisch naar buiten lopen. Ze hadden in Haarlem graag dat hij een rijkserkend diploma zou halen. Toen volgde hij in Utrecht de opleiding meester-hoefsmid en slaagde met lof. Die rijkserkenning bestaat tegenwoordig niet meer. Nu kan iedereen zich hoefsmid noemen.

Wagenmakerij en smederij

Na zijn diensttijd ging mijn vader weer aan het werk bij Jan Hoebe. Rond 1920 was de Bakkummerstraat nog steeds niet meer dan een paardenpadje. Alleen in het midden was er bestrating. Toen hij naar huis fietste, kwam hij hier op de hoek Jan de Groot tegen. Die had zijn smederij in de Schoolstraat verkocht aan Dorus de Groot (een broer van Kees de Groot van de kalkovens). Jan was ‘een man van het veld’, dat betekende dat zijn vader niet bekend was. Hij droeg de achternaam van zijn moeder. Ze liepen samen op naar het dorp. “Wil je geen smederij beginnen?”, vroeg hij. “Daar heb ik geen centen voor,” zei mijn vader, maar Jan zag wel een oplossing.

Wat ben je laat,” zei z’n moeder toen hij thuis kwam. Ze woonden toen al in de Burgemeester Mooijstraat. Hij vertelde dat hij met Jan de Groot was meegelopen en dat ze het over een smederij hadden gehad. Voor mij niet te betalen, maar hij had gezegd dat het wel goed zat. Mijn moeder trok de stoute schoenen aan en zei: “Wij gaan vanavond naar hem toe.” Diezelfde avond werden ze het al eens.

Timmerman Jan Vlaar uit de Noord had op de hoek van de Bakkummerstraat en de Vinkebaan een werkplaats. Hij was met een dochter van Jan getrouwd. Bij de verkoop van de smederij in de Schoolstraat was overeen gekomen dat hij geen smederij meer mocht beginnen. Een wagenhandel of een wagenmakerij kon natuurlijk wel. Daarvoor werd aan de werkplaats van Vlaar een stuk aangebouwd. Bertus Nootebos nam het later van hem over.

Via Jan de Groot is mijn vader dus aan de Vinkebaan terechtgekomen. De wagenmakerij werd steeds meer een


Jaarboek 38, pagina 62

smederij. Een wagenmaker en een smid hadden elkaar toch nodig. Om de wielen van een schelpenkar moest bijvoorbeeld een ijzeren band worden gelegd en ook bij andere onderdelen kwam de smid er aan te pas. Ik kan me nog goed herinneren dat er boven het smidsvuur een enorme blaasbalg zat.

De in de Tweede Wereldoorlog gesloopte wagenmakerij annex smederij op de hoek
van de Vinkebaan en de Bakkummerstraat.
De in de Tweede Wereldoorlog gesloopte wagenmakerij annex smederij op de hoek
van de Vinkebaan en de Bakkummerstraat. V.l.n.r.: Bertus Nootebos, Jan Vlaar en echtgenote.

Vakman

Rond de tijd dat mijn vader in 1921 met Catharina Zonneveld trouwde, heeft hij samen met zijn buurvrouw Geessie Kaag een dubbel woonhuis Bakkummerstraat 1 en 3 laten bouwen. Ze had met haar inmiddels overleden man een melkzaak gehad in Amsterdam. Nu woonde ze hier aan het Duinpad. Geessie Kaag begon op Bakkummerstraat 3 een kruidenierszaakje en mijn vader had behalve de smederij ook een winkeltje waar hij fietsen, onderdelen van kachels en potten en pannen verkocht. Ik ben in 1925 op het adres Bakkummerstraat 1 geboren. Ik heb twee broers, een oudere broer Willem (1922) en een jongere broer Theo (1929).

Engel Twisk voor het bord met orthopedische hoefijzers die zijn vader Floris heeft gemaakt.
Engel Twisk voor het bord met orthopedische hoefijzers die zijn vader Floris heeft gemaakt.

Ik heb nog een heel stel hoefijzers die mijn vader gemaakt heeft. Het zijn allemaal orthopedische hoefijzers. Die waren bijvoorbeeld voor een paard met een doorgezakte hoef. Je moest als hoefsmid heel goed op de hoogte zijn van de stand en de gang van de paarden. De paarden werden bij de smederij ‘warm’ beslagen. Tegenwoordig hebben de hoefsmeden verschillende maten hoefijzers in voorraad, zodat zij ‘koud’ kunnen beslaan. Mijn vader kon heel goed smeden. Voor mij zijn die hoefijzers echte kunstwerkjes!

Toen ik in de jaren (negentien) zestig de smederij overnam, hadden we nog maar elf klanten met een paard. Ik herinner me nog Karel, het prachtige paard van Gerrit Veldt, dat een schitterende draf had. Als er een paard moest worden beslagen, ging dat altijd voor en werd het andere werk direct stil gelegd. Op een gegeven moment zijn we er mee gestopt.

De smeden van Castricum, Peperkamp, De Groot, Hoebe en ook smeden uit Akersloot en Limmen, kochten gezamenlijk in. Zo af en toe hadden ze vergadering bij ons thuis en daar werd heel wat afgelachen, maar intussen was de onderlinge concurrentie groot. Bij offertes gingen ze rustig een paar centen onder de prijs van een collega zitten, als ze die aan de weet kwamen.

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog kwam er een vertegenwoordiger van een grote gereedschapsfabriek uit Duitsland naar mijn vader. Hij verkocht gereedschapsstaal. Voor een schoffel of een bijl smeedde je twee stukken ijzer aan elkaar en een stuk staal er tussen. Die werktuigen hoefde je zowat nooit te scherpen. Als je ging hakken, vooral in ijs, dan sleet het ijzer weg, maar het staal bleef intact.
Mijn vader zou de rekening van dat gereedschapsstaal betalen, maar die vertegenwoordiger had op de rekening overal een nul achter gezet. Had je 6 kilogram, dan werd het 60 kilogam. We kregen veel te veel. Het werd een moeilijke kwestie. Mijn vader betaalde niet. Toen heeft hij contact gezocht met de boekhouder van Duin en Bosch. Die woonde net over de spoorbomen aan de Beverwij-


Jaarboek 38, pagina 63

kerstraatweg. Zijn schoonzoon was kunstschilder Middelveld. Die stelde brieven op en maakte duidelijk hoe de vork in de steel stak. Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit en heeft hij er niets meer van gehoord.

Op winterdag werd het soms om drie uur al donker en dan zei hij: “Maak het vuur maar an.” Dan ging hij bakken. Een ijzeren ton werd op het vuur gezet en daar werden de oude hoefijzers in gegooid. Hij smeedde er nieuwe hoefijzers van of gereedschap. Het fascineerde me dat je van oud materiaal nieuwe dingen kon maken.
Het eerste wat ik van mijn vader leerde, was het maken van Hollandse klinkstellen of deurbeslag. Had ik er een gemaakt, zei hij: “Het rooit erop, maak er nog maar eens ien.” Zo heb ik er heel wat gemaakt. Ik vond het een heel interessant vak. Het bestond uit drie onderdelen: grof, hoef- en kachelsmid.

Door de komst van de forensen in het dorp veranderde ons werk. We kregen nieuwe klanten en bovendien hadden forensen geen kachels maar haarden. Ons assortiment werd uitgebreid.

Net voor de oorlog had ik op de Ambachtsschool in Alkmaar de opleiding voor smid en bankwerker gevolgd. Toen was ik een jaar of 13. We kregen in de oorlogsjaren aanvullend les van een Vereniging ter bevordering van Vakonderwijs. Eerst in de school met de Bijbel en later in café De Vriendschap in de Dorpsstraat. Meneer Kaper van Duin en Bosch was zo’n beetje de hotemetoot. Werkstukken maakte je in verschillende andere smederijen. Ik heb hier nog oorkondes van prijzen die ik heb gewonnen. Mijn zoon heeft ze laten inlijsten en opgehangen.

Ik had altijd ruzie met een leermeester die bij de gemeente werkte. Ik dacht dat het Van Diepen was. Een timmerman gebruikt geen millimeters maar centimeters en ik heb dus altijd geleerd met millimeters te werken. Toen heb ik gezegd dat geen les meer van hem wilde hebben. Daarna heeft ene Groot, die bij de Technische Dienst van Duin en Bosch zat, ons les gegeven. Ik kon goed leren, maar ik had alleen belangstelling voor onderwerpen die me interesseerden en de rest zag ik als tijdverlies.

Evacuatie en sloop in de oorlog

Ik weet nog dat mijn vader ons ‘s morgens vroeg riep: “Kom je bed uit, het is oorlog.” Al na een paar weken werden er Duitsers in Bakkum ondergebracht. Op het duin hier tegenover kwam een kazemat; er werden bunkers gebouwd en de tankval werd gegraven. De eerste tijd had je nog niet veel last van de bezetting. Je kon nog in het duin komen en op het strand. Daar spoelden lijken aan die bij de dorpskerk werden begraven.

In 1943, midden in de oorlog, moesten we binnen een week evacueren. De smederij en de woningen werden gesloopt. Het was verschrikkelijk voor mijn ouders. Mijn vader is in een paar dagen grijs geworden. We kregen een evacuatie-adres in Wildervank en dat zagen we helemaal niet zitten. Eerst werden we opgevangen bij Jaap Twisk, een broer van mijn vader. Die had een kleermakerij op de hoek van de Korte Cieweg en de Dorpsstraat. Later zat Stevens daar. Tenslotte kregen mijn ouders woonruimte in Krommenie.

Ik heb eerst geprobeerd onder te duiken, maar moest toch voor de Arbeidsdienst naar Duitsland. Daar kwam ik bij een smid terecht. Ik heb nog een beetje gescharreld met zijn dochter. Sindsdien had ik meer begrip voor de contacten van Hollandse meisjes en Duitse soldaten.

Ik kreeg wel een steeds grotere hekel aan de mentaliteit daar en het gesnauw. Tenslotte ben ik teruggekomen en ondergedoken bij een tuinder in Venhuizen. Bij droppings ben ik nog door het verzet ingeschakeld. Met zaklantaarns moesten we het terrein afbakenen. Vaak lukte dat niet door de mist en het hielp niet mee dat ik ook niet lang ben. Werken op het land was niets voor mij. Ik ging terug naar Bakkum en kon bij smid Hoebe aan het werk en daar was ik ook in de kost. Ik kon heel wat ervaring opdoen, niet alleen met het beslaan van paarden, maar ook allerlei ander werk; ik was ook slotenmaker. Natuurlijk werkte ik in het hol van de leeuw, maar het voordeel was dat er in ons dorp geen razzia’s zijn gehouden en ik voelde me wel veilig. Iedereen werkte voor de Duitsers, want er moest brood op de plank komen. Ik had een vals Ausweisz en haalde eten bij de gaarkeuken tegenover het station. Als er vrijbankvlees was, werd dat door dorpsomroeper Dorus Kuijs bekend gemaakt. Onder andere in de werkplaats van Duinenbosch stonden paarden van de Duitsers. Dode paarden gingen naar de krengenslager Castricum aan de Breedeweg.

Naar Indië

Een foto van Engel en zijn verloofde Ank Buur gemaakt in 1946 kort voor zijn vertrek als dienstplichtige naar Indië.
Een foto van Engel en zijn verloofde Ank Buur gemaakt in 1946 kort voor zijn vertrek als dienstplichtige naar Indië.

In 1946 moest ik, 21 jaar oud, met de eerste lichting dienstplichtigen naar Indië en werd ingedeeld bij de ‘Zeven December Divisie’. Ik was dan wel opgeleid als


Jaarboek 38, pagina 64

smid, maar daar werd ik ingezet als automonteur en reparateur van van alles. Op een keer kreeg ik een aanvaring met een sergeant en die slingerde me op rapport. Ik moest bij de commandant komen en die begon met de vraag of ik als kwartiermaker naar Buitenzorg wilde, een plaats op West-Java waar de Gouverneur-Generaal zijn kantoor had. Nu heet het Bogor. Dat wilde ik wel. Daarmee was het gesprek afgelopen. Later zat ik nog als monteur in Soekaboemi.

Engel maakt een ritje op zijn motor in Soekaboemi op Java.
Engel maakt een ritje op zijn motor in Soekaboemi op Java.

Poncke (Jan) Princen (1925-2002), activist voor mensenrechten, lag daar op een kamer onder anderen samen met Martin Duijn, een andere Castricummer. Zo kwam ik in contact met Princen.
Poncke Princen is daar gedeserteerd. De hele groep had hem eigenlijk moeten volgen. Dan schieten de tranen in zijn ogen: “Voor mij was het een held en geen landverrader. Hij had een standbeeld verdiend. Ik heb me vaak afgevraagd wat we daar eigenlijk deden. Wij Nederlanders wilden toch ook graag bevrijd worden van de Duitsers. Ik had een hekel aan die dienstplicht. We zijn gewoon besodemieterd. Anderhalf jaar zouden we gaan, maar we hebben er drie jaar gezeten.”

Plaatsgenoten zochten elkaar op.
Plaatsgenoten zochten elkaar op. V.l.n.r. Floor Schermer, Martin Duin en Engel Twisk.

In 1949 kwam Engel met het transportschip Kota Inten terug, tegelijk met de dorpsgenoten Harm Vermeulen en Hans van Deelen. Toen was het nieuwe dubbele woonhuis, dat vader Floris samen met Nootebos had laten zetten, net klaar. Bakkummerstraat 5 en 7; achter nummer 5 kwam een timmerwerkplaats en achter nummer 7 de smederij met een travalje (red: hoefstal) voor het beslaan van paarden. Die travalje had Floris zelf gemaakt.

Loopbaan

Zwager Frans Zonneveld werkte ook bij mijn vader. Hij was een beetje invalide. Toen brak er een slechte tijd aan en het werk zakte als een pudding in mekaar. “Wat moet dat nu”, zei mijn vader. “Zal ik ome Frans naar huis sturen?” “Ik ga wel weg”, zei ik.

Ik ben toen begonnen bij Jan Spiering in Beverwijk en werd onder andere ingezet bij de Hoogovens. Het tijdelijk personeel kreeg de rottigste klussen. Toen vroeg Beijnes, de spoortreinfabriek, nieuw personeel. Ik solliciteerde en werd aangenomen met een proeftijd van drie weken. Na die drie weken, op een zaterdag, werd ik uitbetaald. Ik kreeg 1 gulden en 2 cent per uur. De anderen kregen vier cent meer. Toen ik de volgende week terugkwam, heb ik gezegd dat ik een volwaardige vakman ben en dat ik hetzelfde betaald wilde worden als de andere mensen die niet in Indië hebben gezeten. Ik kreeg mijn zin niet, leverde mijn werkkist in en ging terug naar Jan Spiering. Op het station kwam ik later de personeelschef van Beijnes tegen. Die stelde me voor om weer terug te komen. Hij zei: ”Ik zal zorgen dat je 1 gulden 6 krijgt.”

Ik ben bij Beijnes teruggekomen en kreeg volgens afspraak toch die 1 gulden en 6 cent. Door bemiddeling van prins Bernhard hebben we voor Argentinië zelfs roestvrijstalen treinen gemaakt. Voor onze begrippen heel modern.

Bij Beijnes ging het op den duur slecht en na acht jaar solliciteerde ik bij de Linoleumfabriek Forbo in Krommenie. Daar heb ik ook acht jaar gewerkt. Ze vonden me wel een goede smid in Krommenie. Ze vroegen waar ik het vak geleerd had. Bij m’n vader. “Heeft je vader een smederij?” Ik zei ja. “We hebben eigenlijk ander werk voor je, maar we willen je niet uit die ploeg vandaan halen.” Zodoende heeft mijn vader toen ook nog opdrachten van Forbo gekregen.

Logo smederij.
Logo smederij.

Jaarboek 38, pagina 65

De fabriek werkte ook voor Armstrong in Amerika. Armstrong was de grootste linoleumfabriek van de wereld. Als Armstrong een order kreeg die te klein was, dan hevelden ze die over naar Krommenie. Er moesten linoleumtegels gestanst worden. Ze kregen ze niet op de juiste maat. De baas vroeg of ik had verstand had van materialen. “Natuurlijk”, zei ik. Ook de ouderwetse maten nog, want vroeger was alles in inches. Ik moest die stans op de juiste maat brengen. Dat was een leuke klus.

De baas bood me een sigaar aan. Ik zeg: “Waar zijn die andere negen?” Hij had er een hele doos aan overgehouden. Toen heb ik op het kantoor die ene sigaar teruggegeven. Ik zei: “Dan kunnen jullie die ook op roken.” Tenslotte kreeg ik die doos sigaren toch nog.

Ik heb ook nog twee jaar bij de Hoogovens gewerkt, maar ben toen afgekeurd vanwege mijn rechterarm. Toen het weer iets beter leek te gaan met mijn arm, ben ik in de smederij in Bakkum begonnen. Daar heb ik eigenlijk weer te lang en te veel gewerkt. Het begon zo. Ik ging bij mijn vader op bezoek en toen vertrok net ouwe Cor Lute, een poelier van de Bakkummerstraat. Mijn vader vertelde: “Hij wil het hele spulletje kopen. Hij had er een redelijke prijs voor over.”
Ik zei dat ik er zelf belangstelling voor had. “Ben jij bedonderd riep mijn vader. Jij moet helemaal niet voor je eigen beginnen.”

Ik heb hem uitgelegd dat het me helemaal niet ging om een hoop werk of om rijk te worden, maar dat ik eigen baas wilde worden. Ook mijn vrouw was er eerst niet erg voor. Mijn vader kreeg er zowat de zenuwen van. Toen ben ik met die banenpijpen (rollen waar het 25 meter brede linoleum overheen liep) voor de linoleumfabriek begonnen. Daar had mijn vader ook al aan gewerkt. Het werk werd goed betaald. Beter dan in de fabriek zelf.

De in neo-gotische trant uitgevoerde smeedijzeren fontein op het Binnenhof die door Engel Twisk is gerestaureerd.
De in neo-gotische trant uitgevoerde smeedijzeren fontein op het Binnenhof die door Engel Twisk is gerestaureerd.

De fontein op het Binnenhof

Hier hangt ook een foto van de fontein op het Binnenhof. Die fontein heb ik gerenoveerd. Dat kwam zo. Op een gegeven moment kwam er een smid uit Egmond-Binnen bij me langs. Die was bezig met een kunstwerk voor Beatrix in verband met haar huwelijk in 1966. Hij was ook leraar op de ambachtsschool en had er te weinig tijd voor. Hij liet het me zien en vroeg of ik het wilde doen. Toen heb ik het afgemaakt. Het was een symbool of logo voor Beatrix. Het was goed geslaagd. Ik heb me ook altijd wel siersmid gevoeld. Hij vertelde me dat hij contact had met iemand van Monumentenzorg uit Amsterdam die veel smeedwerk uitbesteedde. Die man vroeg of ik iets voor hem wilde maken. “Dan weet ik wat u kan.”

Toen hebben we een segment van een hekkie gemaakt. Nadat hij het had bekeken zei hij: ”Ik wou dat ik je eerder gekend had. Iemand heeft het hek van ons gebouw gerestaureerd, maar ik vond het niet zo kunstig als wat jij hebt gemaakt.”

Zo kwam het dat ik opdracht kreeg om de fontein, die op het Binnenhof had gestaan, te herstellen. Die fontein was helemaal verrot en verroest en die hadden ze gesloopt. De restanten lagen in een boerderij bij de Egmondse abdij. Er was ook een kolom bij van gietijzer en die kieperden ze zo van de wagen, waardoor die kolom brak. Hij dateert uit 1883, de tijd van Koning Willem III. Het ontwerp is van de beroemde architect Pierre Cuypers en gemaakt ter nagedachtenis aan Willem II (1227-1256) koning van het Rooms-Duitse rijk die bij Hoogwoud door de West-Friezen is vermoord.
De vele onderdelen van de fontein waren wel gemerkt, maar niet erg zorgvuldig, dus dat heb ik opnieuw moeten doen.

Ik heb nog gezegd dat ze alles moesten laten galvaniseren. Maar wat was het geval? Dat ding was gemaakt van puddelijzer en daar zit vaak veel koolstof in. Dat smeedde vroeger veel makkelijker en het laste veel beter. Om het te galvaniseren moet ijzer in het zoutzuur gelegd worden om te ontroesten. Die koolstof lost allemaal op en dan kijk je er dwars doorheen. Dat vonden ze te rigoureus.


Jaarboek 38, pagina 66

Bij een fabriek in Purmerend is het metaal gecoat, maar dat was geen afdoende oplossing. De fontein is later nog wel een paar keer onder handen genomen.”

Terugblik

“Ik had voor de Forbo wel naar Zweden of Zuid-Afrika kunnen gaan. Overal hadden ze fabrieken, maar daar liet ik me niet heen sturen. Ik wou helemaal niet naar het buitenland. In Bakkum was ik thuis. Mijn vrouw en ik waren aan dit gebied gehecht.

Toen ik dat nog kon, ging ik hier altijd naar de kerk. Ik heb nog steeds sympathie voor het katholiek geloof, maar het instituut ging me tegenstaan. Dat de huidige paus kritisch is op de kardinalen en de bisschoppen vind ik hoopgevend, maar ik hou vast aan mijn eigen manier van geloven. Ik heb in mijn leven geleerd dat iedereen er recht op heeft om zichzelf te zijn.”

Niek Kaan

Weergave van gesprekken met Engel Twisk in het jaar 2014

Op het graf van het echtpaar Twisk staat een prachtig door Engel zelf gesmeed kruis.
Op het graf van het echtpaar Twisk staat een prachtig door Engel zelf gesmeed kruis.

Naschrift:

Na een ziekbed van enkele maanden overleed Engel Twisk op 5 april 2015. Zoals hij wilde, is hij gestorven in zijn tot woning omgebouwde smederij aan de Bakkummerstraat. ‘Onze verhalenverteller is uitgesproken …’ staat er boven zijn overlijdensbericht. Inderdaad, wat kon hij geweldig vertellen met oog voor de kleinste details. Vaak kwam in zijn verhalen zijn gevoel voor recht en onrecht naar voren en de stempel die zijn diensttijd in Indonesië op zijn leven heeft gedrukt.
Pastor Bertus Stuifbergen, die de uitvaart leidde, roemde zijn wijze, filosofische inslag. Ze hadden elkaar wel aangevoeld. De overgrootvader van de pastor woonde op de boerderij de Papenberg en de pastor kon het niet laten om op te merken dat het graf van Engel en zijn echtgenote gelokaliseerd kan worden op het bijbehorende ‘Kippenlandje’, nu deel van de begraafplaats Onderlangs.

Engel zou het prachtig hebben gevonden. Hij was sterk verbonden met het dorp dat hij voor geen goud wilde verlaten.

15 november 2021

Transportbedrijf Lute; een veelzijdig familiebedrijf (Jaarboek 43 2020 pg 71-75)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 43, pagina 71

Transportbedrijf Lute; een veelzijdig familiebedrijf

In Castricum was het transportbedrijf van Lute een begrip. De vele zandauto’s die ‘s morgens vanaf Schoutenbosch vertrokken en ’s middags weer terugkwamen, waren een vertrouwd gezicht en menigeen kende wel iemand die daar werkte. Het bedrijf verkocht niet alleen zand, maar vervoerde het ook en deed het grondwerk met behulp van onder andere draglines, later hydraulische kranen, diepladers, bulldozers en shovels.

De oprichter Baltus Lute.
De oprichter Baltus Lute.

De oprichter Baltus Lute

Het transportbedrijf Lute heeft zijn wortels in Castricum. Het bedrijf is in 1907 opgericht door Baltus Lute, in het dorp bekend als Bal. Hij wordt op 21 oktober 1878 geboren als zoon van Pieter Lute en Maartje Kaas. Bal koopt in 1907 een stuk grond aan de Kramersweg, groot 760 vierkante meter, waarop dan al een nieuw woonhuis is gebouwd (locatie zuidzijde van de Burgemeester Mooijstraat nummer 8). Hij trouwt in datzelfde jaar met de in Uitgeest opgegroeide Catharina Duijn en zij krijgen elf kinderen, waarvan er twee jong overlijden. In 1910 ruilt Bal met zijn vader Pieter Lute van huis en krijgt dan diens woonhuis met wagenhuis en stalling, erf, tuin en weiland op Schoutenbosch, samen groot 7055 vierkante meter. Dit richt Bal in als een klein melkfabriekje met woning.

Voor de woning op Schoutenbosch staan Bal Lute en Catharina Lute-Duin met op haar arm Marie. Op de stoeltjes Emma en Piet.

Bal start met melk rijden van de boer naar zijn bedrijfje. Dat ging toen nog met paard en wagen. Hij leent regelmatig geld, waarschijnlijk voor investeringen in de melkfabriek. Door achterstallige betalingen wordt hij in 1922 failliet verklaard. Zijn bezittingen en met name de woning, de melkfabriek en de tuingrond met houten loods worden in het openbaar verkocht aan Jan Pieter Baas, directeur van de stoomzuivelfabriek ‘De Holland’. Hij gebruikt het gebouw voor opslag van oude materialen en laat de woning in tweeën bewonen.

Pieter Lute, de vader van Bal, koopt in 1924 een stukje grond aan de Oudeweg nabij Schoutenbosch van Johannes Twisk, groot 170 vierkante meter, en laat op dit stukje grond een woonhuis bouwen. Dit huis is ongetwijfeld bestemd voor zijn zoon Bal, die het na Pieters overlijden in 1927 erft.

Transportbedrijf Firma Lute aan het Schoutenbosch 91 in Castricum.
Transportbedrijf Firma Lute aan het Schoutenbosch 91 in Castricum. Voor de auto Gerrit Lute. Op deze plek staat nu een appartementengebouw. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Dit woonhuis, inmiddels uitgebreid met een schuur en wagenloods, draagt Baltus in 1933 over aan zijn zoon Piet.

Crisisjaren en oorlog

Begin jaren (negentien) dertig is er door de crisis weinig werk. Bal Lute begint met schep, kruiwagen en ander klein materiaal werk te zoeken in het grond-


Jaarboek 43, pagina 72

verzet. Dat doet hij heel succesvol, want al snel heeft hij aardig wat werk en koopt hij enkele vrachtauto’s.

De vier Chevrolets voor de oude garage op Schoutenbosch.
De vier Chevrolets voor de oude garage op Schoutenbosch.

In 1934 heeft hij een Chevrolet uit 1928 en een Morris uit 1933. In de jaren die volgen tot het uitbreken van de oorlog koopt hij er jaarlijks een Chevrolet bij. De auto’s worden met de hand geladen en gelost. Ook gaat hij weer melk rijden van de boer naar de melkfabriek aan de Breedeweg. De fabriek werkt met een stoommachine en daarvoor zijn kolen nodig. De kolen worden aangevoerd per trein en door Lute naar de melkfabriek vervoerd.

Een vennootschap onder firma vanaf 1943

Inmiddels zijn de zoons oud genoeg om mee te werken: Piet (1910), Maarten (1914), Gerrit (1915), Pé (1916), Joop (1920) en Co (1925). Door de inzet van zijn zoons kunnen er moeilijke transportklussen worden aangenomen en het bedrijf groeit.

De broers Lute.
De broers Lute. Van links naar rechts Piet, Maarten, Gerrit, Pé, Joop en Co.

Op 12 november 1943 wordt bij notaris Van Cranenburgh een vennootschap onder firma opgericht, die is gevestigd in Castricum onder de naam Expeditiebedrijf B. Lute en Zonen. In de oprichtingsakte wordt het doel van de firma omschreven: “het vervoeren van goederen en de verhuizing van inboedels door paard of motortractie, het verslepen van materialen door tractors of anderszins in het algemeen het expeditiebedrijf en al wat daartoe behoort in de meest uitgebreide zin des woords.” Behalve de oprichter Bal worden de zoons Piet, Maarten, Gerrit, Pé en Joop, allen expediteurs, ook als vennoten aangesteld. Ingebracht worden het huis, schuur, wagenloods op een perceel grond van 913 vierkante meter aan de Oudeweg 6.

Links het woonhuis van Bal Lute.
Links het woonhuis van Bal Lute. In de oude houten garage staat de Studebaker en voor de garage de Chevrolet.

Door de oorlog stagneren de werkzaamheden en auto’s worden gevorderd door de bezetter. Paard en wagen worden weer van stal gehaald om er voor te zorgen dat in ieder geval de melk naar de fabriek kan worden vervoerd. Tijdens de oorlogsjaren worden er vijf paarden ingezet. De in 1940 gekochte Opel Blitz is in een hooiberg verstopt en deze wordt na de oorlog ingezet voor het melk rijden, met Siem Klaver als chauffeur.

Na de oorlog heeft vader Bal de zaak overgedragen aan zijn zoons. Hij overlijdt op 9 april 1947. Piet wordt dan directeur en Maarten, Gerrit en Pé worden chauffeur. Joop is de dragline-machinist. Na zijn tijd in Nederlands-Indië wordt Co ook chauffeur. Zij gaan allemaal op een steenworp afstand van de garage wonen.

De wederopbouw

De wederopbouw na de oorlog zorgt ervoor dat veel gemeentewegen aangelegd of verbeterd moeten worden. Ook worden er veel woningen gebouwd en moet veel zand aangevoerd worden. Hiervoor worden landerijen afgezand en wordt het duin afgegraven bij de Geversweg, waar in de oorlog een radarpost stond.

Transportbedrijf Lute van Oudeweg 6 verhuisde het vierkant van een kapberg vanaf de Oudeweg naar Jan Twisk loonbedrijf op schoutenbosch in Castricum.
Transportbedrijf Lute van Oudeweg 6 verhuisde het vierkant van een kapberg vanaf de Oudeweg naar Jan Twisk loonbedrijf op schoutenbosch in Castricum, 1947-1948. Links Joop Lute rechts Piet Lute. Zij voerde een heel apart werk uit. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Er worden GMC-trucks (Amerikaanse legerwagens) aangeschaft en omgebouwd tot kiepauto’s, later volgen


Jaarboek 43, pagina 73

de REO-trucks (Amerikaanse 2,5 tonner). De firma Van Etten in Beverwijk bouwt er cabines op. De eerste dragline wordt gebouwd door Olof Borst, die een machinefabriek heeft in Bakkum. De dragline wordt gebouwd op een half-truck. Het merk is OLBO. Het bijzondere van deze dragline is, dat hij een cabine aan de linker- of aan de rechterkant heeft.

De wederopbouw gaat gestaag door en zo groeit ook de firma Lute. Tijdens de watersnoodramp in 1953 zijn er twee vrachtwagens gevorderd door de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Co Lute en chauffeur Evert van den Born hebben meegewerkt aan het dichten van de dijken in Zeeland.

Veel werk op het Hoogoventerrein

In 1953 komt er een aanvraag van Aannemingsmaatschappij De Kondor om voor deze firma grondwerkzaamheden te verrichten op het Hoogoventerrein. Dit is voor de firma Lute een mooie stap, want de Hoogovens gaan fors uitbreiden en daar plukt Lute ook de vruchten van. De thuisbasis van de firma Lute is nog steeds aan de Oudeweg. Joop en zijn vrouw Coba Zonneveld wonen in het huis en de naastgelegen houten garage wordt vervangen door een stenen garage. De werkplaats verhuist naar de garage en de opslagruimte wordt verbouwd tot kantoor.

Vanwege een tekort op de betalingsbalans kondigt de regering in 1957 een bestedingsbeperking aan ter bevordering van de export. De binnenlandse bestedingen worden teruggebracht en het werk wordt minder. De firma Lute krijgt eind jaren (negentien) vijftig de kans om grondwerk aan te nemen in Hagestein voor de bouw van een stuw in de Lek. Voor dit werk moet het personeel daar in de kost.

Als later de economie aantrekt krijgen ze in de jaren (negentien) zestig veel grondwerkzaamheden voor de bouw van Hoogoven 6 en 7, Oxystaalfabriek 2, Warmbandwalserij 2 en Blokwalserij 3.

Herinneringen van de neven Bal en Bal Lute

Het is in die periode dat Bal van Piet en Bal van Maarten, nu allebei 76 jaar oud, in dienst treden bij het familiebedrijf. “Dat was vanzelfsprekend en we wilden ook niet anders”, vertelt Bal van Piet. Beide mannen haalden hun rijbewijs zodra dat kon en dat ging hen vrij makkelijk af, want: “We hadden natuurlijk al stiekem geoefend.” Bal van Piet werd draglinemachinist, uitvoerder/planner en de zoon van Maarten is zijn leven lang vrachtwagenchauffeur geweest. “De mooiste tijd was op Schoutenbosch”, vertelt hij. “Toen was het nog echt een bedrijf met een familieband. Dan kwamen alle jongens ’s morgens vroeg samen en ’s middags kwamen ze rond dezelfde tijd terug.”

De contacten waren onderling hecht en de mannen hadden plezier in het werk. “Er werd eigenlijk nooit geklaagd”, vervolgt Bal van Piet. En dan met een lach: “Ik herinner mij een keer dat mijn vader mij ‘s morgens wakker riep en dat we het gek vonden dat er niemand op kwam dagen, maar pa had zich een uurtje vergist; het was nog maar kwart voor vijf. En een andere keer was ik per ongeluk met mijn pantoffels nog aan op pad gegaan. Of mijn vader stuurde mij naar Bedum in Groningen om een wagen weg te brengen voor een kraanopbouw en als ik mij dan afvroeg hoe ik terug moest komen, zei hij heel nuchter: ‘Met de bus, want heen ga je en terug moet je. Je zit niet op een eiland’.”

De garage aan het Schoutenbosch.
De garage aan het Schoutenbosch. Naast de vijf Bedfords staan een Chevrolet en een Daf.

Bouw garage en woningen op Schoutenbosch

Door de uitbreiding van het wagenpark en de werkzaamheden wordt in 1961 besloten om op Schoutenbosch nog een garage te bouwen met twee woningen, de huisnummers 60 en 62. In een van die woningen gaat Maarten met zijn gezin wonen en later zoon Bal van Piet in de andere woning. “Daar is een keer een vrachtwagen binnengereden door een fout van een chauffeur”, vertelt Bal van Maarten. “Mijn moeder zat klaar aan tafel met een pan gekookte aardappels, want het was rond etenstijd. Alles zat onder het glas.” De nieuwe garage is groot genoeg om alle auto’s te stallen. Het is voor de buren niet altijd leuk: om kwart voor zes ‘s morgens worden de auto’s naar buiten gereden en staan daar met ronkende motoren te wachten op de chauffeurs die om zes uur wegrijden. De andere garage wordt volledig gebruikt voor reparaties die door eigen monteurs worden uitgevoerd.

Maarten Lute (1914-1968) leunt tegen de Chevrolet uit 1936 aan.
Maarten Lute (1914-1968) leunt tegen de Chevrolet uit 1936 aan. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

In 1960 krijgt Lute het dealerschap van het vrachtwagenmerk Praga, een Tsjechisch fabricaat. Hiermee wordt een garagebedrijf gestart. Na enkele jaren stopt men met dit dealerschap.

Het expediteursbedrijf B. Lute en Zonen wordt op 2 december 1965 omgezet van een vennootschap onder firma in een Naamloze Vennootschap. De zes zoons zijn leden van de Raad van Bestuur.

Dramatisch is het overlijden van Maarten in 1968 op slechts 54-jarige leeftijd. Zijn broer Piet, directeur, overlijdt in 1971. Broer Joop wordt zijn opvolger.
De overige leden besluiten om in augustus 1972 de NV om te zetten in een BV met beperkte aansprakelijkheid. Bal van Piet stelt dat het zakelijk een topbedrijf was: “We konden er allemaal een goede boterham verdienen.”

Bal van Maarten weet nog dat hij samen met Jaap Brakenhoff naar Rotterdam reed om een legervoertuig uit de dump op te halen. Hij vertelt lachend: “Het was een voertuig


Jaarboek 43, pagina 74

zonder cabine of bak, alleen met een stuur. Jaap koppelde het aan onze wagen en ik moest achter het stuur van onze nieuwe aanwinst zitten om veilig thuis te komen met drie leren jassen aan tegen de kou.” Jaap wordt door beide mannen een grote steun in alle tijden genoemd.

In de lange geschiedenis van het familiebedrijf heeft een keer een ernstig ongeval plaatsgevonden in de strenge winter in 1963 in Westzaan. “En het is ook eens gebeurd dat Jaap en ik op de randweg reden bij Amsterdam toen we een kraan verloren die niet goed was bevestigd”, aldus Bal van Maarten. “Dat liep goed af. De kraan kwam terecht in de berm. We moesten alleen een boete betalen voor de beschadiging van de vangrail en we kregen natuurlijk flink op ons donder van de baas.”

Het graven van de vijver langs de Helmkade in 1955.
Het graven van de vijver langs de Helmkade in 1955. Op de achtergrond de spoorlijn en de huizen aan de Schelgeest. De chauffeur in de dragline is Joop Lute, de man met de schep links is Maarten Lute en naast hem staat zijn broer Pé.

Werkzaamheden in Castricum en de regio

Buiten de werkzaamheden voor Hoogovens heeft Lute ook veel werk verricht in Castricum en andere plaatsen. Dit zijn bijvoorbeeld:

1948 Vervoer van een vierkant van Oudeweg naar Schoutenbosch voor Jan Twisk, stalhouder op de Oudeweg, vanaf 1948 veehouder met een loonbedrijf op Schoutenbosch.
1952 In september van dit jaar wordt een woning van de Koningin Wilhelminalaan verrold naar de hoek nu Dorpsstraat – Prinses Beatrixstraat. Dit bijzondere experiment is uitgevoerd door Biesterbos. De firma Lute heeft hieraan meegewerkt.
1955 Uitgraven van een vijver aan de Helmkade.
1958 Grondwerk voor de stuw in de Lek bij Hagestein.
1970 Aanleg van een parkeerterrein met tweeduizend parkeerplaatsen bij het strand in opdracht van Biesterbos.
1970 Transport van grond naar Molendijk, die afkomstig is van het uitgraven van een spuisluis in IJmuiden, voor het bouwrijp maken van plan Molendijk-Noord.
1972 Ontgraven van twee grote bouwputten voor het binnen- en buitenbad van het Beverwijkse sportfondsenbad.
1973 Grondwerk voor de aanleg van een koelwaterleiding van de PEN-centrale.
1976 Voorbereidend grondwerk voor de Hemspoortunnel, zowel aan de Amsterdamse als aan de Zaandamse zijde.
1977 Aanleg van kunstduinen in Wijk aan Zee. Dit werk duurt drie maanden; in deze periode wordt er in totaal bijna 100.000 kubieke meter zand naar toe gereden. Deze rij kunstduinen moet de fabriekshallen en schoorstenen van Hoogovens aan het zicht van de inwoners van Wijk aan Zee onttrekken.
1982 Grondwerk voor de spoorlijn Amsterdam-Schiphol.

Zand wordt gelost uit een schip.
Zand wordt gelost uit een schip.
Jaarboek 43, pagina 75


Door de uitbreiding van Hoogovens, die voor 80 procent van de omzet zorgt, worden er steeds meer kranen, shovels en bulldozers aangeschaft en groeit de firma Lute uit tot een tamelijk groot bedrijf. Daarnaast worden er vaak auto’s bij collega’s ingehuurd om het vele werk te verrichten. In 1974 wordt nog een overslagkraan met vier trechters aangekocht voor het zand dat per schip wordt aangevoerd in Beverwijk. Omdat het bedrijf zo groeit, zoekt men naar een pand waarin alles ondergebracht kan worden en dat vindt men in Beverwijk.

Nieuwe bedrijfsruimte aan de Lijndenweg in Beverwijk

De onderneming wordt met ingang van 1 april 1975 verplaatst naar Beverwijk; op 26 april 1975 is de officiële opening en wordt een open huis gehouden in de nieuwe vestiging. De bedrijfsruimte bestaat uit een grote garage, kantoorpanden en een ruime parkeermogelijkheid voor het autopark. De onderneming presenteert zich nu als B. Lute en Zonen BV, Aannemings-, Transport- en Overslagbedrijf, Zandhandel en Grondverzet.

Door de enorme ruimte in de garage gaat het bedrijf ook voor derden repareren en zo wordt het in 1978 dealer voor de bedrijfswagens van Iveco. Deze werkzaamheden worden verricht onder de naam Truck Centrum Beverwijk BV. Bal van Maarten: “Ik heb dertig jaar door weer en wind naar Beverwijk gefietst. De andere chauffeurs werden vervoerd met een busje. In die periode werd er wel geklaagd, bijvoorbeeld als de jongens op elkaar moesten wachten voordat ze naar huis werden gebracht. Er zijn toen ook chauffeurs opgestapt.”

Dan overlijdt directeur Joop in 1983 en komt de volgende generatie aan bod. Bal van Pé wordt directeur en die splitst het bedrijf in verschillende onderdelen. Het bedrijf gaat vanaf 1989 verder onder de bedrijfsnamen Lute Transportbedrijf BV, Lute Aannemingsbedrijf BV en Lute Recycling BV. Voor dit laatste bedrijfsonderdeel is er een bijzondere machine aangeschaft: de ‘slagbreker’. Deze mobiele recyclingbreekinstallatie van zo’n 55 ton is de enige in Nederland en breekt grove brokken steen, gewapend beton of asfalt tot kleine kubische korrels. Voorts kan de machine verschillende materialen scheiden. De korrelmix wordt weer toegepast in de wegenbouw. Een vaste opdrachtgever is Hoogovens.

Het bedrijfsterrein wordt in 1991 anders ingedeeld. Aan de kant van de Zuiderkade wordt een kantoorpand gebouwd en het oude kantoorpand wordt verhuurd aan derden. Vanaf 1 mei 1991 is het bedrijf gevestigd op de Zuiderkade 9 in Beverwijk.

Het wagenpark in Beverwijk.
Het wagenpark in Beverwijk.

In de jaren (negentien) negentig vinden er weer veranderingen plaats. Truck Centrum Beverwijk wordt verkocht aan Tom Twisk, de chef monteur, en die gaat door onder de naam Twisk Truck Service.

Familiebedrijf

Buiten de oprichter van het bedrijf Bal Lute en zijn zonen Piet, Maarten, Gerrit, Pé, Joop en Co werkten ook van de volgende generatie familieleden in het bedrijf en met name:

– van zoon Piet:
Bal, uitvoerder;
Jan, monteur.

– van zoon Maarten:
Hennie, op het kantoor van de Hoogovens;
Bal, chauffeur;
Joop, chauffeur.

– van zoon Gerrit:
Theo, administrateur en later bedrijfswagenverkoper.

– van zoon Pé:
Bal, directeur;
Peter, boekhouding.

Bedrijf Lute verkocht aan Buko BV

Na lang wikken en wegen besluit directeur Bal Lute begin 1999 om het bedrijf te verkopen aan Buko BV te Beverwijk. Andere mogelijkheden waren om zelfstandig verder te groeien of het bedrijf op de bereikte sterkte te handhaven. Daarvoor is niet gekozen. Op dat moment werken er van de familie bij het bedrijf alleen nog Bal en Joop, zoons van Maarten. Zij gaan ook over naar Buko. De overname vindt plaats in februari 1999.

Slotwoord

Het is niet alleen het einde van de twintigste eeuw, maar ook het einde van een mooi bedrijf dat bijna zeventig jaar heeft bestaan. Wat rest zijn de foto’s en de herinneringen.

Marja Lute-Stet

Bronnen:

  • Familiearchief Lute;
  • Kamer van Koophandel.

Met dank aan: Bal van Piet Lute; Bal van Maarten Lute.

18 oktober 2021

Johanna’s Hof (Jaarboek 27 2004 pg 3-15)


Jaarboek 27, pagina 3

De geschiedenis van Johanna’s Hof

Boerderij – theehuis – partycentrum

Johanna's Hof.
Johanna’s Hof. Johannisweg 3 in Bakkum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Inleiding

Johanna’s Hof kent een rijke historie die een aanvang neemt met de bouw in 1832 tijdens de uitvoering van een grootschalig ontginningsproject in het duingebied van Bakkum en Castricum. In dit artikel wordt uitvoerig ingegaan op dit project, dat diende om uitgestrekte duinvalleien voor landbouw en veeteelt geschikt te maken, Dit gebeurde onder andere door de aanleg van wegen, kanalen en sloten, die moesten zorgen voor een goede waterhuishouding en door de bouw van meerdere duinboerderijen. Naar aanleiding van de aankoop in 1829 van een uitgestrekt duingebied voor dit project door koning Willem I wordt het eigendom van het duingebied in de opeenvolgende eeuwen geschetst. Verder worden de geschiedenis, de opeenvolgende bewoners en de naamgeving van de duinboerderij Johanna’s Hof behandeld.

In 1927 wordt door de toenmalige eigenaar, provincie Noord- Holland, besloten om de inmiddels bouwvallige boerderij te slopen en wordt in haar opdracht in 1933 een fraai uitziend hotel-café-restaurant gebouwd. Dit kreeg de naam: Theehuis Johanna’s Hof; de exploitatie wordt verpacht aan Cornelis Heek. De Tweede Wereldoorlog ‘gooit roet in het eten’ en Johanna’s Hof gaat dienen als verblijf voor hoge Duitse officieren. Kort voor de bevrijding in 1945 gaat het Theehuis in vlammen op, alleen de garage annex schuur blijft behouden.

Van hieruit begint Theun de Hoop kort na de oorlog het bedrijf weer op te bouwen. Vanaf 1981 is Gerrit Dokter hier bedrijfsleider en hij heeft in het jaar 2000 het eigendom van Theun de Hoop overgenomen. De aanleiding hiertoe vormde een grote brand in december 1999, waarbij een flink deel van het bestaande gebouw in de as werd gelegd. Met de herbouw van Johanna’s Hof en de heropening in 2001 is met behoud van het oorspronkelijke karakter ook een grote uitbreiding gerealiseerd die het geheel mede de functie van partycentrum heeft gegeven.

Landbouw en veeteelt in de duinvalleien

Het duingebied was tot de 19e eeuw een wildernis die steeds van aanzien veranderde door de vele zandverstuivingen. Aan de dorpen was een verplichting tot helmbeplanting op de binnenduinen opgelegd om de aangelande gronden, erven en huizen tegen verstuiving te beschermen. Dit duingebied werd in die tijd vooral voor de jacht gebruikt en voor de konijnenvangst. De konijnenvangst werd door de eigenaar van het duingebied verpacht aan een duinmeier die bovendien het beheer voerde over het duingebied en er zijn woning had.

Boerderij de Brabantse Landbouw.
Boerderij de Brabantse Landbouw. Oude Schulpweg 8 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Al aan het einde van de 18e eeuw zijn er pogingen ondernomen om kleine delen van het duingebied voor de landbouw geschikt te maken. In het duingebied van de familie Deutz van Assendelft werd in 1771 een bedrijf gesticht ‘De Brabantsche Landbouw’, een gemengd bedrijf met enkele melkkoeien, jongvee en schapen die de mest leverden voor 30 hectare akkerland.

In de tientallen jaren die volgden, werd de roep steeds sterker om de laag gelegen gedeelten in het duingebied beter te gaan benutten voor landbouw en veeteelt. In 1799 werd een ‘Ontwerp tot vruchtbaarmaking der duinen’ aangeboden aan de Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks. Dit ontwerp was opgesteld door Jan Kops, toen chef van het Bureau van Landbouw en ging uit van een ontginning en kolonisatie van 16.000 morgen (circa 13.000 hectare) duingebied. Het plan werd door zijn grootschaligheid door het departementaal bestuur niet goed ontvangen. Bovendien waren er in deze Franse periode weinig mogelijkheden voor investeringen.

Door de ‘Maatschappij tot bevordering van den Landbouw’ was in 1816 een prijsvraag uitgeschreven voor het opstellen van een ontwerp om voor landbouw geschikte duinvalleien te ontsluiten door deze te voorzien van een goede afwatering en van toegangswegen. Als reactie hierop zond Daniël Theodore Gevers van Endegeest een omvangrijke verhandeling in over de ontsluiting van de Nederlandse duinen voor de landbouw en noemde het duingebied van Bakkum als een geschikte plaats voor ontginning met een afwateringsproject van de Hoepbeek. De plannen van Gevers werden in 1824 met goud bekroond en behelsden de ontwikkeling van het duinterrein tot een volwaardig landgoed met een landhuis, wegen en vaarten, boerderijen met landbouwgronden en bospartijen voor houtkap, jacht en recreatie. Het landgoed moest zichzelf kunnen bedruipen op basis van een rendabele landbouwondememing en moest bovendien landschappelijk mooi zijn. Het zwaartepunt was veeteelt, de akkerbouw werd van secundair belang geacht. De stalmest moest voor vruchtbare weiden en akkers zorgen.

Het voorgaande speelde zich af tijdens de regeerperiode van Koning Willem I, die groot voorstander was van het uitvoeren van landontginningsprojecten, sterk betrokken was bij de economische ontwikkeling van ons land en daarvoor initiatieven ontplooide. In 1829 geeft hij de Amsterdamse makelaar Jan Cornelisz. Twisk opdracht om het duingebied, voornamelijk gelegen onder Bakkum en ter grootte van ruim duizend hectare, te kopen. Voor de uitvoering van het ontginningsproject en het beheer van het zogenoemde ‘Landgoed Bakkum’ stelde de koning op 12 september 1829 een commissie in, bestaande uit de eerder genoemde Daniël Theodore Gevers van Endegeest (op dat moment referendaris bij de Raad van State), David Jacobus van Lennep (hoogleraar aan het Atheneum in Amsterdam en een van de directeuren van de Maatschappij tot bevordering van den Landbouw) en Jacob Rendorp (grootgrondbezitter en ambachtsheer van Heemskerk en Wijk aan Zee en Duin).

De vroegere eigenaren van het duingebied

In de 17e eeuw waren de graaf van Egmond en de heer van Marquette beleend met het duingebied in onze regio. Nadien werd het duingebied door de Staten van Holland verkocht aan veelal vermogende Amsterdamse families.
In 1832 wordt bij de oprichting van het Kadaster vermeld dat van het duingebied in de gemeente Castricum het noordelijke gedeelte ter grootte van 665 hectare in het bezit is van Abraham Jacobsz Barnaart, het zuidelijke gedeelte ter grootte van 769 hectare van Andries Adolph Deutz van Assendelft en een tussenliggende strook duin groot 344 hectare van jonkheer Lucas Boreel.

Abraham Jacobsz Barnaart stond vermeld in de kadastrale registers als rentenier wonende in Sassenheim. Hij is op 23 mei 1829 in Lisse overleden. Het opmeten van alle percelen in de gemeente Castricum en de uitwerking en registratie in de zogeheten oorspronkelijk aanwijzende tafels (O.A.T.) strekten zich uit over een aantal jaren


Jaarboek 27, pagina 4

Het duingebied van de gemeente Castricum met daarbij aangegeven de eigenaren van de verschillende delen van dit duingebied en de aanwezige duinboerderijen in de periode vóór 1829.
Het duingebied van de gemeente Castricum met daarbij aangegeven de eigenaren van de verschillende delen van dit duingebied en de aanwezige duinboerderijen in de periode vóór 1829.

voorafgaande aan de officiële oprichting van het kadaster in 1832. Daarom staat in de O.A.T. nog Abraham Barnaart als eigenaar te boek. terwijl hij in 1829 reeds is overleden. Abraham Barnaart, afkomstig uit een Amsterdamse koopmansfamilie, kocht in 1803 het duingebied ten noorden van de Zeeweg (toen gemeente Bakkum) met de bijbehorende duinboerderij ‘Het Zeeveld’ van de erfgenamen van de Alkmaarse koopmansfamilie Van der Nolle. (Zie het 7e jaarboekje.) Het duingebied ten zuiden van de Zeeweg (Castricum) had hij in 1813 gekocht van de erfgenamen van Jan van Bruijnswaard en Guurtje van Velsen.

Boerderij Zeeduin.
Boerderij Zeeduin op de hoek Zeeweg-Van Oldenbarneveldweg in Bakkum, 1892. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op 24 oktober 1829 verkochten de erfgenamen van Abraham Barnaart Jacobszoon aan de Amsterdamse makelaar Jan Cornelisz Twisk in opdracht van Koning Willem I het gehele duingebied in Bakkum gelegen ten noorden van de Zeeweg (469 hectare) met de boerderij ‘Het Zeeveld’ en het duingebied ten zuiden van de Zeeweg (196 ha) met de duinboerderij ‘Het Zeeduin’. (Deze boerderij is afgebroken vóór 1914, stond nagenoeg op de plaats van het kantoor Fochteloo van PWN en is afgebeeld in het 20e jaarboekje blz. 36.) Deze bezittingen werden voor 12.240 gulden aan makelaar Twisk verkocht.

Het Oude Huys.
Een heel oud huis uit de 17e eeuw heet wel ’t Oude Huis . Oorspronkelijk heette het De Kwekerij. Oude Parklaan 8 (Duin en Bosch) in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Jonkheer Lucas Boreel was in 1780 in Amsterdam geboren en zoon van de toen machtige mr. Willem Boreel en Maria Trip. Lucas trouwde in 1811 met Maria Johanna Sara, gravin van Limburg Stirum en was tot 1830 houtvester van het eerste jachtdistrict in de provincie Noord-Holland. Daarna had hij zitting voor de Ridderschap in de Staten van Noord-Holland. In 1826 kocht hij een duingebied onder Castricum ter grootte van 344 hectare met de daarop staande duinmeierswoning, later ‘De Kwekerijwoning’ genoemd (‘Het Oude Huys‘ op het terrein van Duin en Bosch). Deze bezittingen in het duingebied van Castricum werden door jonkheer Lucas Boreel op 3 oktober 1829 voor 8.000 gulden bij Jean de la Chambre Karshoff, notaris te Beverwijk, uit de hand verkocht aan makelaar Jan Cornelisz Twisk, die handelde in opdracht van Koning Willem I.

Het ontginningsproject

Na de instelling van de commissie door koning Willem I in 1829 werd het project voortvarend aangepakt. De grote, drijvende kracht was Daniël Theodore Gevers van Endegeest, zoals blijkt uit het omvangrijke archief dat over het ontginningsproject is bewaard. Dit omvat onder andere de uitwerking van de plannen, de bouwtekeningen en de uitvoerige correspondentie die is gevoerd door Gevers met de andere commissarissen en met hoofdopzichter Kros over allerlei lopende zaken, over de voortgang van het project en de besluiten.

Jonkheer mr. Daniël Theodore Gevers van Endegeest was geboren op 25 augustus 1793 in Rotterdam en zoon van jhr. mr. Dirk Cornelis Gevers en Maria Catharina de Leeuw. Hij trouwde in Amsterdam op 28 mei 1828 met jonkvrouwe Margaretha Johanna Deutz van Assendelft, geboren te Amsterdam 6 oktober 1807 en dochter van jhr. mr. Andries Adolph Deutz van Assendelft en Jacoba Margaretha Maria Boreel. Zijn schoonvader bezat duingebied in Castricum (860 morgen) en Heemskerk (554 morgen). Dit duingebied maakte deel uit van het ontwikkelingsproject.

Daniël Gevers studeerde rechten in Leiden en promoveerde in 1817, was referendaris bij de Raad van State, achtereenvolgens lid van de Tweede en Eerste Kamer, voorzitter van de Tweede Kamer, minister van Buitenlandse Zaken. Daarnaast was hij onder andere president-curator aan de Leidse Hogeschool, voorzitter van de commissie van beheer en toezicht over de droogmaking van de Haarlemmermeer, regent van het Deutzenhotje en ambachtsheer van Endegeest, Oegstgeest en Poelgeest. Hij woonde onder anderee in ‘s-Gravenhage en op landgoed Endegeest te Oegstgeest, waar hij op 27 juli 1877 kinderloos is overleden.

Gerrit Willems is aangesteld als opzichter/voorman op het ‘Landgoed Bakkum’ en fungeert als zodanig als assistent-in-het- veld voor opzichter/rentmeester Jan Kros, die niet op het Landgoed woont maar in Spaarndam en tevens opzichter is over de Rijnlandse werken aldaar.
Opzichter Willems werkt zelf ook mee aan de aanplant en verdient 2 gulden per dag. Dat is beduidend meer dan een arbeider in het ontginningsproject, die 16 stuivers per dag verdient.

Het commissarishuis
Het commissarishuis aan de Zeeweg in 1925. Men is bezig met het maken van een ereboog voor de opening van de verharde Zeeweg. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1830 wordt er al volop gewerkt en gebouwd. Op 20 september van dat jaar is de bouw van het Commissarishuis aan de Zeeweg gereed. In dit pand is een kamer ingericht voor het verblijf van commissarissen. Bij het Commissarishuis kunnen circa 15 koeien worden geplaatst. Ook is er een veestal in aanbouw voor de plaatsing van 38 koeien en berging van hooi (later Van Lennepsoord genoemd). In de bestaande stal bij Bakker (de toenmalige bewoner van de Kwekerijwoning) zijn 25 koeien ondergebracht. Vanwege de stalcapaciteit van circa 78 koeien en het aanwezige aantal van 61 volgt het besluit om er nog een tiental koeien bij te kopen. Aan de ontginningswerkzaamheden wordt op dat moment door 58 ‘aardwerkers’ gewerkt.

Schaapsherderswoning Klein Jonanna's Hof, Boerderij van Lennepsoord.
Schaapsherderswoning Klein Jonanna’s Hof, Boerderij van Lennepsoord. Schilder: Sijf Portegies. Toegevoegd.

Jaarboek 27, pagina 5

Ook in september van 1830 worden plannen genoemd om een schuur direct aan de vaart (het Koningskanaal langs de Zeeweg) te bouwen met de deur aan het water om zo gemakkelijk het water uit de vaart direct in een bak te scheppen of te pompen en het via een goot naar de stalgoot te brengen voor de koeien. Bij de inrijdeur voor de hooiwagens zal aan weerszijden een stal worden gebouwd voor de plaatsing van vier paarden. Tegenover de paardenstal komt dan later een woning voor de boer; hierin hoeft dan geen grote hooizolder te worden ondergebracht.

Overzicht van de ligging van de boerderijen, de ontgonnen kavels en de loop van de hoofdafwatering (uit boek Jelles).
Overzicht van de ligging van de boerderijen, de ontgonnen kavels en de loop van de hoofdafwatering (uit boek Jelles).

Bouw van boerderij Johanna’s Hof

In februari 1832 heeft Gevers in het Commissarishuis overnacht. Hij is op dat moment kapitein van de 1e compagnie van het veldbataljon der Haagse Schutterij te Standaardbuiten bij Zevenbergen, Gevers rapporteert: “De bewoner V. d. Berg en zijne vrouw schijnen wel tevreden, zoo ook Tromp aan het Zeeduin en Jacobs aan de Duinwoning, die thans een knecht heeft en een eigen ploeg en ijverig werkt. Willems heeft zich aangeboden als blijvend opziener maar naar het zeggen van den heer Kros zoude het in zijn belang zijn en niet tot schade der onderneming dat Willems niet voor het najaar in het duin kwam. Hij zou dan in de nieuw gebouwde woning kunnen komen.”

Op 3 maart 1832 is er een beschrijving en schetsplan opgemaakt voor de te bouwen boerenwoning. De schatting is dat deze in september 1832 door Willems kan worden betrokken, die op dat moment zelf in Bakkum buiten het duingebied woont, terwijl zijn gezin nog in Spaarndam verblijft. Er wordt gerekend op een stalcapaciteit van 16 koeien en 5 paarden.

Plan voor de aanleg van erf en omliggende terrein rond de boerderij. Ook de Johanna's laan en Johanna's bosch worden genoemd.
Plan voor de aanleg van erf en omliggende terrein rond de boerderij. Ook de Johanna’s laan en Johanna’s bosch worden genoemd.

Op 23 mei 1832 wordt de nieuwe woning voor de somma van 5.000 gulden aanbesteed aan Klaas de Vries, timmerman en Fulps Ranke, metselaar, beiden wonende in Castricum. In een brief van 31 juli van Kros aan Gevers wordt gemeld: “De woning vordert thans zeer goed. Er is hoop dat in deze week de balken gelegd zullen worden en aan het kapwerk een begin zal komen.”

In september bericht Kros dat Willems waarschijnlijk in november zijn nieuwe woning kan betrekken en mogelijk, als hij zijn huis hier spoediger kan verhuren, nog wel eerder. Ook is er een plan gemaakt voor de aanleg van het erf van Johanna’s Hof. De tekening geeft de geplande inrichting van het erf met een tuin en een boomgaard achter de boerderij. Daarbij wordt onder andere vermeld: “Voor het huis een bloemrond en het overige bezood; om het huis zoude het om de verstuiving niet kwaad zijn enige schulpen te doen brengen.”

Kros rapporteert over dit plan aan Gevers: “Ik heb dit Willems overgebragt. De woning hem aangenaam te maken om het er zijne vrouw te doen behagen, zal niet meer noodig zijn. Maandagmorgen heeft hij haar gezond verlaten, eenige zwakheid uitgezonderd, die zij van eene koortsige gesteldheid had behouden. Nog zal hij niet te Bakkum geweest zijn of zijne vrouw was aangetast van de cholera die hier vrij sterk heerscht. Willems is dadelijk gehaald, heeft het geluk gehad van haar nog levend te zien, maar niet om haar te behouden, zijnde zij ’s nachts ten 11 en 1/2 ure van denzelfden dag reeds overleden. Daardoor zal hij eenige dagen tehuis moeten zijn en het is hierom dat ik mij na Bakkum zal moeten begeven.”

Johanna's Hof.
Johanna’s Hof was een lange boerderij en lag evenwijdig langs Zeeweg en Hoepbeek in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Enkele weken later schrijft Kros over Willems dat het verlies van zijn vrouw geen verandering heeft gebracht in het aanvaarden van zijn post en dat hij vanaf 15 oktober op Johanna’s Hof woont.

In hun rapportage aan koning Willem I over het jaar 1832 schrijven de commissarissen: “Er is voor de daartoe geraamde som van 6.000 gulden behoorlijk in het onderhoud der gebouwen voorzien en eene nieuwe boerenwoning aan de Hoepbeeksche vaart aangelegd, Johanna ’s Hof genaamd, liggende tusschen die landen welke het eerste voor verhuring zullen vatbaar zijn. Dezelve is reeds door den


Jaarboek 27, pagina 6

opzichter bewoond, het koren is er in den nazomer gedorschen en 16 stuks jong kalfvee, benevens 5 paarden vinden er eene behoorlijke stalling. Tot nu toe voldoet dit gebouw geheel aan het doel en aan de verwachting.”

Ondertekening door de drie commissarissen.
Ondertekening door de drie commissarissen.

De naam Johanna’s Hof

Blijft de vraag waar de naam Johanna’s Hof vandaan komt. Omdat er in 1830 voor de nieuwe grote schuur en stal de naam Van Lennepsoord is toegekend en dus de naam van een van de drie commissarissen Dirk Jacob van Lennep is gebruikt, ligt het voor de hand ook de naam Johanna bij de andere commissarissen te zoeken.

Johanna was de vrouw van Daniël Th. Gevers en dochter van Andries Deutz van Assendelft, eigenaar van het zuidelijke duingebied in Castricum. Deze vrouw was gedoopt als Margaretha Johanna Deutz van Assendelft en officieel heette zij ook zo, maar zij gebruikte als roepnaam en lievelingsnaam Johanna. Deze naam is toegekend aan de boerderij en, zoals het kaartje voor de inrichting van het omliggende erf met tuin en boomgaard aangeeft, ook aan de oprijlaan en het achtergelegen bos: Johanna’s Laan en Johanna’s bosch. Dat zij zich Johanna noemde, wordt nog eens bevestigd door het feit dat er in meerdere onderhandse akten betreffende de verkoop in 1836 van stukjes bosland sprake is van de verkoop aan: “Jonkheer Mr. Daniël Theodore Gevers, wonende te ‘s-Gravenhage ten behoeve van zijn Hoogwelgeboren echtgenote Jonkvrouwe Johanna Margaretha Deutz van Assendelft.” Ook wordt in het Nederlandse Adelsboek (1913) Johanna als eerste voornaam gegeven.

Daniël Theodore Gevers van Endegeest (foto Iconografisch Bureau RKD 's-Gravenhage).
Daniël Theodore Gevers van Endegeest (foto Iconografisch Bureau RKD ‘s-Gravenhage).
Margaretha Johanna Deutz van Assendelft (foto Iconografisch Bureau RKD 's-Gravenhage).
Margaretha Johanna Deutz van Assendelft (foto Iconografisch Bureau RKD ‘s-Gravenhage).

In de vele brieven die zij aan Daniël schreef in hun verkeringstijd (onder andere in 1827), ondertekende zij met J. Deutz of met het familiaire Hansje Deutz. Op het grafmonument van Daniël Theodore Gevers van Endegeest op het kerkhof te Oegstgeest heeft zijn echtgenote een uitvoerig opschrift laten beitelen dat wordt afgesloten met: “door Johanna Margaretha Deutz van Assendelft Haren dierbaren Echtgenoot gewijd tot blijvend aandenken van zijn edel en Godvruchtig leven in dankbare Herinnering van nimmer te vergeten bijna vijftig jarig huwelijksgeluk.”

Koning Willem I op Johanna’s Hof

Volgens een artikel in de Alkmaarse krant prees de gemeente Castricum zich uiterst gelukkig om op 29 juli 1839 koning Willem I “op haren grond te mogen aanschouwen”. Doel van het bezoek van de koning was de bezichtiging van zijn duinontginning. Om 9 uur stapte hij uit zijn rijtuig bij de woning Johanna’s Hof en werd daarbij begroet door de Castricumse burgemeester Jan de Quack. Ook dominee Canne richtte het woord tot de koning en “betuigde zijne en der gemeente dankbaarheid en vreugde over de eer en het geluk, welke op dezen dag aan Castricum mogten te beurt vallen”. Volgens de krant begaf de koning, vergezeld door twee van zijn adjudanten en de commissarissen van de duinontginning, zich vervolgens in Johanna’s Hof, waar de hoog welgeboren vrouwen Rendorp van Marquette en Gevers voor Zijne Majesteit een dejeuné in gereedheid hadden gebracht. Kort hierna werd de koning in zijn rijtuig in de duinontginning rondgeleid.

Gerrit Willems, de eerste bewoner

De eerste bewoner van Johanna’s Hof vanaf 15 oktober 1832 is dus Gerrit Willems. Gerrit is in 1791 geboren in Spaarnwoude, is in Spaarndam achtereenvolgens werkman en winkelier. Hoogstwaarschijnlijk is hij door de in Spaarndam woonachtige hoofdopzichter Jan Kros benaderd, want in 1829 wordt hij opzichter bij het ontginningsproject in Bakkum en na beëindiging van dit project rond 1834 is hij landbouwer-veehouder op boerderij Johanna’s Hof tot zijn overlijden op 5 juni 1858. Gerrit trouwt in Spaarnwoude in 1834 met Antje van Stet, geboren in Limmen in 1792 en overleden te Spaarndam op 1 oktober 1832. Uit dit huwelijk zijn in Spaarnwoude/Spaarndam zes kinderen geboren, waarvan er drie jong overlijden. Gerrit betrekt Johanna’s Hof samen met zijn 16-jarige dochter


Jaarboek 27, pagina 7

Acte met vermelding; van de aankoop van een stukje bosland door 'Johanna Margaretha Deutz van Assendelft'.
Akte met vermelding; van de aankoop van een stukje bosland door ‘Johanna Margaretha Deutz van Assendelft’.

Antje en zijn 9- en 8-jarige zoons Meijndert en Gerrit. Dochter Antje trouwt in 1836 met Lourens Zonneveld van Bakkum; van dit echtpaar stammen vele Castricumse Zonneveldjes af. (zie het 21e jaarboekje Familie Zonneveld 1). Waarschijnlijk mede door deze familiebanden zien we dat later verschillende familieleden van Lourens Zonneveld in de zogeheten Duinontginning wonen. In een opgave uit 1903 van de te betalen pacht aan vorstin Von Wied wordt vermeld dat zoon Kees Zonneveld in het Commissarishuis woont, zoon Lou Zonneveld aan de zuidkant en Engel Zonneveld van Trijn Boon aan de noordkant op Van Lennepsoord, Piet Zonneveld van schoonzus Sientje Sinnige in de Kroftwoning en Jan Zonneveld van broer Jan in een huisje aan de Geversweg.

Kroftwoning.
Kroftwoning. Kroftlaan (duinen) in Bakkum, 1916. Kunstenaar: Meine Krist. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Gerrit Willems trouwt voor de tweede maal in 1837 met Guurtje Dekker uit Egmond aan Zee. Uit dit huwelijk worden nog de dochters Maartje, Dirkie en Pietertje geboren. In het bevolkingsregister van 1850 wonen behalve het gezin van Gerrit Willems en Guurtje Dekker ook de 30-jarige boerenknecht Jan de Winter, de 22-jarige werkbode Aaltje Hoegesteijn uit Den Helder en de 13-jarige Pieter van Wieringen uit De Rijp op Johanna’s Hof. Als weduwe hertrouwt Guurtje Dekker in 1860 met Dirk Bruin, sinds 1857 weduwnaar van Trijntje van Bruijnswaard en zij gaat bij hem in Bakkum wonen.

Gerrit Willems heeft nog de goede jaren van het project meegemaakt. Jaarlijks worden op Johanna’s Hof veeverkopingen gehouden die enkele duizenden guldens opbrengen.

Johannes Vasseur vlucht naar Amerika

Na het overlijden in 1858 van Gerrit Willems komt op 1 februari 1859 Johannes Bernardus Vasseur inwonen op Johanna’s Hof en hij staat te boek als landbouwer en zaakwaarnemer. Hij is dan twintig jaar, geboren in Velsen en zoon van Paulus Vasseur, genees- en verloskundige. In 1860 trouwt deze Johannes met Dirkje Willems, dochter van Gerrit Willems en wordt na het vertrek van zijn schoonmoeder in dat jaar hoofdbewoner van Johanna’s Hof. In 1863 wordt Vasseur benoemd tot strandvonder.

Johannes Vasseur is op 3 januari 1869 stiekem naar Amerika vertrokken, daarbij zijn zwangere vrouw Dirkje Willems met haar vier kinderen in de steek latend. De toedracht is dan onbekend. Dominee Van der Laan krijgt op 13 januari het verzoek van de officier van justitie een onderzoek in te stellen naar de redenen van het heimelijk vertrek van Vasseur en of het vermoeden op waarheid berust dat hij zich gelden uit de diaconiekas, die aan hem als administrerend diaken waren toevertrouwd, heeft toegeëigend. Een bericht van 20 januari meldt dat Vasseur in Londen op de veemarkt gezien zou zijn en ook dat op de stoomboot via Londen veedrijvers met hem hebben gesproken.

Een bericht van 12 februari meldt: “De voortvlugtige heeft een brief aan zijn vrouw geright, waarin hij zou hebben medegedeeld dat hij 3.000 gulden, toebehoorende aan Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden, uit zijn zak zou hebhen verloren en toen op de vlugt was gegaan. Dat hij leed gevoelde over zijn vlugt en wel weer terug wilde komen. Jhr. Jacob Rendorp van Marquette, commissaris aan de duinontginning van Z.K.H. had een brief van Vasseur ontvangen uit New York, waarin hij mededeelde te laat berouw gevoeld te hebben, over den ondoordachten stap.”

Pieter Kuijs, arbeider, landbouwer en schelpenvisser, werkt na het vertrek van Johannes B. Vasseur als knecht voor Dirkje Willems. Omstreeks 1871 gaan Pieter Kuijs en Dirkje Willems samen wonen aan de Heereweg in Bakkum; voordat zij in 1876 kunnen trouwen, worden hun kinderen geboren: Pieter (1871), Gerrit (1872) en Jacob (1874), die nog de naam Vasseur krijgen. Het huwelijk van Johannes B. Vasseur met Dirkje Willems wordt pas na het vonnis van de rechtbank op 1 oktober 1875 ontbonden vanwege kwaadwillige verlating. J.B. Vasseur woont dan in Patterson in de staat New Jersey (Amerika).

Arie Docter

Arie Docter is opgegroeid in de duinontginning. Zijn ouders Hendrik Docter en Guurtje Bleeker wonen op de Brabantsche Landbouw. Als Arie op 23-jarige leeftijd in 1872 trouwt, gaat hij in mei van dat jaar met zijn bruid Antje van der Sluis op Johanna’s Hof wonen. Hier worden in de jaren die volgen hun drie kinderen geboren. Na 21 jaar vestigt Arie zich in mei 1893 met zijn gezin in Heemskerk.

Willem Twisk

Na het vertrek van Arie Docter zijn Willem Twisk in 1893 met zijn vrouw Agie Levering en drie kinderen de nieuwe bewoners van Johanna’s Hof. Willem is in 1859 geboren, woont in zijn jeugd op de Bleumerweg en is een zoon van de rijke boer Kees Twisk en Wilhelmina Kuijs.

Boerderij Johanna 's Hof omstreeks 1895.
Boerderij Johanna ’s Hof omstreeks 1895.

Jaarboek 27, pagina 8

Volgens een lijst uit 1898 staat er dan bij de boerderij een schuur, een schaapskooi en een vijzelberg.

Johanna's Hof was een lange boerderij en lag evenwijdig langs Zeeweg en vaart. De voorgevel staat op het oosten. Hier de zuid- en oostgevel.
Johanna’s Hof was een lange boerderij en lag evenwijdig langs Zeeweg en vaart. De voorgevel staat op het oosten. Hier de zuid- en oostgevel.
De west- en zuidgevel; de dorsdeuren zaten aan de zuidwestkant. Aan de westzijde stond ook lange tijd een hooiberg.
De west- en zuidgevel; de dorsdeuren zaten aan de zuidwestkant. Aan de westzijde stond ook lange tijd een hooiberg.
Dit was de aanblik van de boerderij vanaf de Zeeweg; op de voorgrond is nog net iets van de vaart te zien.
Dit was de aanblik van de boerderij vanaf de Zeeweg; op de voorgrond is nog net iets van de vaart te zien.

De eerste kampeerders zetten vanaf 1914 hun tenten op in het bos tegenover boerderij Johanna’s Hof. Voor water, melk of stro kloppen zij aan bij Willem Twisk, die het goed kan vinden met het kampeerdersvolkje en al spoedig ontstaat met hen een hechte band. Ook komen kampeergasten op de boerderij logeren. Het kamperen in het bos tegenover de boerderij neemt dusdanige vormen aan dat in 1920 door de Provincie een vergunning tot kamperen wordt verstrekt aan in totaal twintig personen. In de jaren die volgen, neemt dat aantal vergunningen explosief toe. In 1927 komen er enkele sanitaire voorzieningen, waarna in 1928 de officiële opening van het kampeerterrein Bakkum volgt. (Zie 25e jaarboekje Kampeerterrein Bakkum.)

Het vullen van de strozakken op kampeerterrein Bakkum.
Het vullen van de strozakken op kampeerterrein Bakkum. Vroeger sliep je niet op een matras maar op een strozak. Aan het begin van het seizoen moest je hem wel zelf vullen. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Agie Levering, de vrouw van Willem Twisk, overlijdt eind 1921. Als haar jongste zoon Hendrik een half jaar later trouwt met Dieuwertje Schouten, wordt hij de hoofdbewoner op Johanna’s Hof en woont zijn 62-jarige vader bij hen in. Hendrik Twisk speelt in op de ontwikkelingen van het kampeerterrein en richt op het erf een theetuin in voor de verkoop van koffie, thee, frisdrank en versnaperingen en dat was niet alleen voor de kampeerders, maar in die tijd ook voor fietsers. De verharding van de Zeeweg eindigde bij boerderij Johanna’s Hof. De fietsers die naar strand wilden, stalden hun fiets bij de boerderij en liepen verder naar het strand. Bij het ophalen van de fiets hadden de meesten best dorst gekregen. In 1925 is de Zeeweg volledig bestraat.

Boerderij Johanna's Hof.
Boerderij Johanna’s Hof i 1922. De bewoners waren de fam. Willem Twisk en zijn vrouw Agie Levering. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Aankoop Landgoed Bakkum door Provincie Noord-Holland

Koning Willem I, eigenaar van het eerder genoemde duingebied binnen de gemeente Castricum, overlijdt in 1843. Bij de boedelscheiding gaan deze bezittingen niet naar de troonopvolger koning Willem II, maar naar diens broer Willem Frederik Karel, bekend als Prins Frederik der Nederlanden, die in 1825 trouwde met prinses Louise van Pruisen. Uit dit huwelijk worden de dochters Louise en Marie geboren. Louise trouwde met Koning Karel XV van Zweden en Marie met de Prins von Wied. Na het overlijden van Prins Frederik in 1881 worden zijn Castricumse bezittingen geërfd door dochter Marie, Prinses von Wied, geboren Prinses der Nederlanden en wonende te Neuwied (Duitsland).

In 1902 had de Provincie Noord-Holland deze prinses bereid gevonden om een deel van haar grondgebied, ter grootte van ruim 80 hectare, te verkopen om het mogelijk te maken hier binnen de provincie een tweede psychiatrische inrichting te stichten die de naam ‘Duin en Bosch‘ zou krijgen. Een jaar later doet Hare Koninklijke Hoogheid von Wied het aanbod aan de Provincie Noord-Holland om al haar overige bezittingen in Castricum te verkopen voor 240.000 gulden. De uiteindelijke overdracht vindt plaats op 31 december 1903 en omvat het duinterrein van ruim 967 hectare, inclusief de duinboerderijen waaronder Johanna’s Hof. Uit een voor de koop opgesteld overzicht van de opbrengsten blijkt Willem Twisk 260 gulden per


Jaarboek 27, pagina 9

jaar aan pacht te betalen.
Nu de Provincie Noord-Holland eigenaar is geworden, moeten allerlei besluiten rond het Landgoed door Gedeputeerde Staten (GS) worden genomen. Voor het beheer wordt een rentmeester aangesteld die moet rapporteren aan GS. Deze rapportage, de stukken over allerlei besluiten en de eigendomsbewijzen, worden bewaard in de archieven van de Provincie Noord- Holland.

Hendrik Twisk met familie en schoonfamilie aan de westzijde van de boerderij. V.l.n.r. zwager Petrus Beentjes met echtgenote Catharina Schouten en zoontje Bank, vader Willem Twisk, Dieuwertje Schouten en echtgenoot Hendrik Twisk en schoonzus Maria de Winter - Schouten.
Hendrik Twisk met familie en schoonfamilie aan de westzijde van de boerderij. Van links naar rechts zwager Petrus Beentjes met echtgenote Catharina Schouten en zoontje Bank, vader Willem Twisk, Dieuwertje Schouten en echtgenoot Hendrik Twisk en schoonzus Maria de Winter-Schouten.

In april 1924 rapporteert rentmeester Vogelenzang dat de boerderij Johanna’s Hof in slechte staat verkeert en dat het bij stormweer niet zonder gevaar is. De pachter Twisk is bereid om 100 gulden per jaar meer te betalen mits een en ander wordt verbeterd en hersteld.

Nadat een commissielid van GS ter plaatse de situatie heeft bekeken, worden voorstellen ter verbetering van de Provinciale Waterstaat afgewacht. In augustus van dat jaar ligt er een schetsontwerp met verbouwing van de boerderij. De kosten hiervan worden begroot op 3.500 gulden. Vanwege de verkoop van versnaperingen en frisdrank op Johanna’s Hof wordt in een begeleidend schrijven opgemerkt dat, indien men er toe zou overgaan om Johanna’s Hof als theehuis in te richten, de kosten dan zo hoog zouden worden dat het beter zou zijn om het bestaande gebouw te slopen en een nieuw theehuis te bouwen.

Sloop in 1927 van de boerderij Johanna’s Hof

Ook de Provincie kijkt met een kritisch oog naar de kosten van de verbouwing. In een schrijven van de rentmeester geeft zij aan dat de huidige huur 390 gulden bedraagt en dat een verbouwing van 3.500 gulden een huurverhoging zou eisen van 240 gulden, wat zij als een te grote stijging aanmerkt. Er is echter een huur van 2.000 gulden per jaar geboden voor de boerderij als café met circa 20 logeerkamertjes. Volgens de rentmeester zou er van Johanna’s Hof veel meer gemaakt kunnen worden. Er zou in een hier algemeen gevoelde behoefte worden voorzien door deze boerderij te bestemmen voor bijvoorbeeld theehuis met speeltuin, enzovoorts. Hij bepleit een nader onderzoek door de Provinciale Waterstaat naar de beste bestemming voor Johanna’s Hof. Uit dit onderzoek volgt een besluit over de sloop van de boerderij en de uitgifte van het terrein in erfpacht aan een geschikte ondernemer; de Provincie wil niet zelf investeren in een horecaonderneming.

In maart 1927 wordt gemeld dat het huurcontract in september afloopt en dat direct daarna de oude boerderij gesloopt kan worden, zodat het terrein per 1 januari 1928 in erfpacht uitgegeven kan worden met de verplichting op dat terrein een ‘ververschingshuis of theehuis’ te bouwen. Inmiddels laat de familie Twisk aan de Bleumerweg een nieuwe boerderij bouwen waar Hendrik Twisk in 1928 met vrouw, vader en dan 3 kinderen gaan wonen; de weilanden bij Johanna’s Hof huurt hij nog een aantal jaren.

Johanna’s Hof is een van de laatste boerderijen uit het grote ontginningsproject van rond 1830 die nog als boerderij werd gebruikt. De landbouw in het duingebied leverde bij lange na niet die opbrengsten op die ervan werden verwacht. Als oorzaken werden genoemd de slechte waterhuishouding, met afwisselend wateroverlast en droogte tot gevolg, mesttekorten en te lage prijzen voor de landbouwproducten door internationale concurrentie.

Schets van de ligging van de boerderij met hooiberg en schuurtje en de aan de overzijde van de weg gelegen jachtopzienerswoning. De Johanna's weg maakte toen nog een knik. Voorafgaande aan de bouw van het theehuis is de weg rechtgetrokken. Naast de boerderij nog percelen bouwland en grasland die door de familie Twisk werden gepacht.
Schets van de ligging van de boerderij met hooiberg en schuurtje en de aan de overzijde van de weg gelegen jachtopzienerswoning. De Johanna’s weg maakte toen nog een knik. Voorafgaande aan de bouw van het theehuis is de weg rechtgetrokken. Naast de boerderij nog percelen bouwland en grasland die door de familie Twisk werden gepacht.

Vele plannen voor een horeca bestemming

Toch gaat het niet zoals GS het voor ogen heeft. Er blijken geen gegadigden te zijn voor erfpacht. Nu – februari 1928 – wordt de tijd te kort om voor het begin van de kampeertijd een definitief gebouw op Johanna’s Hof te hebben en omdat het zeer gewenst is, dat er toch iets verkrijgbaar is, wordt het terrein verpacht aan Gerrit Zonneveld, die allerlei waren gaat verkopen in de houten jachtopzienerswoning, genaamd ‘Cock Cock’, die staat naast de gesloopte boerderij.

De jachtopzienerswoning 'Cock Cock'.
De jachtopzienerswoning ‘Cock Cock’.

In de tussentijd gaat het plannen maken door. De rentmeester stelt voor om op kosten van de Provincie een theehuis te laten bouwen met een huursom die voor de Provincie geen schade oplevert en waarvoor wél huurders te vinden zijn. Eerst doet GS nog een poging om onder gunstiger erfpachtvoorwaarden iemand te vinden. Als dit opnieuw mislukt, geeft GS opdracht aan de Provinciale Waterstaat om een eenvoudig plan op te maken voor het bouwen van een ‘ververschingsgebouwtje’ ter hoogte van het voormalige Johanna’s


Jaarboek 27, pagina 10

Hof. GS wil alleen tot de bouw besluiten als de zekerheid bestaat dat het verversingshuis voor een aantal jaren op voor de Provincie bevredigende voorwaarden kan worden verhuurd.

Eind oktober 1928 worden drie verschillende plannen besproken, waarvoor bouwkosten worden genoemd van 9.500, 17.000 en 22.000 gulden. Omdat het aanbieden van logeergelegenheid door GS niet gewenst wordt geacht, komt alleen het goedkoopste plan in aanmerking. Ook voor het exploiteren vaneen ‘verversingschgebouw zonder logeergelegenheid’ blijken er geen gegadigden te vinden. GS maakt nu niet langer bezwaar tegen een nieuw te bouwen Johanna’s Hof met logeergelegenheid.

Voor het zomerseizoen 1929 wordt net als in 1928 het terrein verhuurd voor een bescheiden ’theehuis – winkeltje’ bestaande uit een uitneembare houten tent. Verder wil GS voor 1.000 gulden per jaar het bij de voormalige boerderij horende bouwland en grasland ter grootte van 6 hectare verhuren voor een periode van 10 jaar.

Inmiddels zijn er gegadigden voor de huur van een door de Provincie te bouwen Johanna’s Hof, uit onze gemeente met name Hendrik Twisk, Jan Brasser, Nicolaas Peijs en Willem Borst. De heer J.W. Kockx van de NV Noordzeebad uit Egmond aan Zee wil wel Johanna’s Hof huren met minimaal twaalf 2-persoonskamers op voorwaarde dat ook een door de Provincie te bouwen hotel nabij het strand voor een periode van 15 jaar kan worden gehuurd. Hiertoe is de Provincie niet bereid.

Locatie van het te houwen theehuis met de te bouwen schuur.
Locatie van het te houwen theehuis met de te bouwen schuur.

De bouw van het theehuis in 1933

Op 28 december is er goedkeuring van GS voor de bouw van het theehuis met schuur. De aanbesteding is gesteld op 19 januari 1933. De bouw wordt gegund aan de firma Henselmans uit Noord-Scharwoude voor een bedrag van 15.978 gulden. De bouwtekeningen laten een fraai ontwerp zien van een gebouw met een grondoppervlak van 10 x 20 meter met op de begane grond onder andere een entree, theekamer, eetkamer, keuken en buffet en op de eerste verdieping 7 slaapkamers, waarvan zes 2-persoons. Bij het theehuis hoort ook een garage/schuur van ca. 6 x 9,5 meter.

Bouw van het theehuis Johanna's Hof.
Bouw van het theehuis Johanna’s Hof, 1933. Collectie PWN en Oud-Castricum. Toegevoegd.

Cornelis Willem Heck

Op 20 september 1933 wordt een huurcontract ‘met betrekking tot hotel-café-restaurant-gebouw Johanna’s Hof’ opgesteld met de nieuwe pachter Cornelis Willem Heck. De huur wordt vastgesteld op een bedrag van 1.600 gulden per jaar en is gebaseerd op 7,5 procent van de totale bouwkosten. Cornelis Willem Heck komt van Zandvoort, was daar vleeshouwer en gehuwd met Johanna Margaretha van Tetterode. Hun enige kind, dochter Cateau, is in 1924 in Haarlem geboren.

Heck heeft grote plannen. Al kort na de opening richt hij een verzoek aan de Provincie om 1 of 2 tennisbanen aan te laten leggen tegen een extra huur van 7,5 procent van de aanlegkosten. De Provincie heeft hiertoe niet besloten. De grote plannen heeft Heck toch snel moeten laten varen, zo blijkt uit zijn verzoek eind 1935 aan GS om een vermindering van de huur met 25 procent, dit vanwege de slechte bedrijfsresultaten door de crisistijd. Dit verzoek wordt ingewilligd. Het theehuis is bekend om zijn voortreffelijke keuken; in 1936 heeft men er al voor 3,50 gulden volledig pension met stromend water op alle kamers en is het pension het gehele jaar geopend.

De oorlogsjaren

In de oorlogsjaren komt Johanna’s Hof in handen van de bezetter en wordt geheel gecamoufleerd. In het hotel verblijven hoge Duitse officieren. Enkele maanden voor de bevrijding brandt op 31 januari 1945 het gebouw tot de grond toe af; er werd verteld om de administratie


Jaarboek 27, pagina 11

te vernietigen. Nooit is bewezen dat de Duitsers dit met opzet hebben gedaan. Alleen de garage bleef bij de brand gespaard.

In de oorlogsjaren moeten Cor Heck, zijn vrouw en dochter Cateau evacueren en komen terecht in de Friese gemeente Tietjerksteradeel. In deze gemeente woont ook de familie De Hoop. Vader De Hoop heeft een flink boerenbedrijf annex veehandel. Het duurt niet lang of zoon Theun krijgt meer dan gewone belangstelling voor Cateau Heck. Als dan ook de familie Heck direct na de oorlog weer terugkeert naar Bakkum, volgt Theun na enkele maanden en trouwt in 1946 met Cateau.

Theehuis Johanna's Hof met nog juist zichtbaar achter twee rijen bomen de schuur annex garage.
Theehuis Johanna’s Hof met nog juist zichtbaar achter twee rijen bomen de schuur annex garage.
Het prachtige theehuis Johanna's Hof.
Het prachtige theehuis Johanna’s Hof.
Een blik in het interieur van het theehuis.
Een blik in het interieur van het theehuis.
Restanten van het theehuis na de brand in 1945.
Restanten van het theehuis na de brand in 1945.
Voortzetting van het theehuis na de oorlog in de schuur; het grote terras compenseerde het ruimtegebrek binnen.
Voortzetting van het theehuis na de oorlog in de schuur; het grote terras compenseerde het ruimtegebrek binnen.

Direct na de oorlog is Cor Heck in de garage weer begonnen om het bedrijf op te bouwen. De Provincie heeft wel in de jaren na de oorlog overwogen om tot herbouw over te gaan, maar concludeert dat vanwege de zeer hoge bouwkosten dit voorlopig onverantwoord zou zijn. In principe heeft de Provincie geen bezwaar tegen de plannen van Heck om zelf een nieuw pand te laten bouwen en wil daartoe ook het terrein voor een lange periode aan Heck in erfpacht gegeven. Ook Heck moet vanwege de hoge kosten afhaken en huurt de garage en de rijwielstalling die bij de brand gespaard zijn gebleven. De garage wordt ingericht als theehuis. Bij de beperkte welvaart van toen en de geringe verplaatsingsmogelijkheden, voldeed het de eerste jaren goed aan de toenmalige behoefte van het relatief nog gering aantal bezoekers aan duin of strand.


Jaarboek 27, pagina 12

Theun de Hoop

Cor Heck heeft er op een gegeven moment genoeg van en gaat een theehuis exploiteren aan het Uddelermeer. Hij meent dat zijn schoonzoon Theun de Hoop als boerenzoon minder geschikt is voor de horeca. Theun echter heeft ondernemersgeest en voelt er best voor om dit werk te gaan doen en het bedrijf uit te bouwen. Hij solliciteert en het lukt hem de nieuwe pachter te worden. Daarbij heeft het meegeholpen dat zijn vrouw meegegroeid is met de horeca-activiteiten op Johanna’s Hof.

Theun sluit in 1949 met de Provincie een contract voor een bedrag van 1.650 gulden per jaar voor de pacht van “de overkapping van de rijwielbergplaats, de waranda, de keuken en de garage met het bijbehorende terrein van de vroegere uitspanning ‘Johanna’s Hof’ aan de Zeeweg te Bakkum”. Verder vermeldt het contract nog dat de pachter het gepachte zelf moet gebruiken voor het uitoefenen van het café-restaurantbedrijf, het houden van de fietsenstalling en het verkopen van provinciale wandelkaarten.

Theun de Hoop vertelt: “In de garage (de vroegere paardenstal) ben ik met mijn bedrijf begonnen. Alles was voor mij bijzonder vreemd, maar als je van dit werk houdt, zakelijk bent aangelegd en het wil allemaal een beetje lukken … och, dan krijg je er heus wel aardigheid in. Een deel van de garage werd ook als woonkamer gebruikt. Ik ben in 1946 met 100 stoelen begonnen en langzamerhand zijn dit er 300 geworden. Tot en met 1950 was het hier niet zo erg druk. Door de week deed ik alles zelf, terwijl in de weekenden een paar kelners kwamen helpen. Ik moest het wel alleen doen, want de omzet was toen nog niet zo groot. ’s Nachts kwamen er wel eens jachtopzieners koffie drinken.”

Advertentie op een plattegrond van Castricum en Bakkum. Uitgave VVV van omstreeks 1950.
Advertentie op een plattegrond van Castricum en Bakkum. Uitgave VVV van omstreeks 1950.

Verbouwing in 1952

Het uitoefenen van het café-restaurantbedrijf zoals het pachtcontract dit vermeldt, is nog heel kleinschalig en vindt nog steeds plaats in de voormalige garage van het vroegere, luxe theehuis. Wel was er inmiddels achter dit gebouwtje een kleine keuken aangebouwd. Theun de Hoop heeft plannen voor een flinke uitbreiding en wil er een zijvleugel aan bouwen. Hierbij speelde ook dat zijn vergunning tot de verkoop van sterke drank na 1 juli 1952 niet meer zou worden verlengd, omdat zijn ‘lokaliteit niet aan de eisen voldeed’. Theun wil graag machtiging van GS voor de verbouwing van Johanna’s Hof.

In 1952 werd aan de zuidzijde een zijvleugel aan Johanna's Hof gebouwd.
In 1952 werd aan de zuidzijde een zijvleugel aan Johanna’s Hof gebouwd. Collectie PWN en Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hij krijgt daarbij steun van de Gemeente Castricum en van het PWN. Het gemeentebestuur schrijft aan GS: “Er bestaat een zeer grote behoefte aan een inrichting waar sterke drank wordt verkocht, niet alleen met het oog op het drukke bezoek van het terrein bij Bakkum door badgasten en vakantiegangers, maar ook ten behoeve van hen die in het jachtseizoen de jacht beoefenen en als regel dan enige tijd in Johanna’s Hof vertoeven. Een andere gelegenheid daartoe is ter plaatse niet aanwezig.” Op 12 maart 1952 komt er een machtiging van GS om over te gaan tot de verbouwing die wordt uitgevoerd door P. Buis uit Oudorp. De totale kosten bedragen 17.500 gulden  waardoor de huur wordt verhoogd van 1.650 naar 2.350 gulden. Op 20 december 1952 wordt het theehuis officieel heropend.

Hoog bezoek op Johanna's Hof aan het einde van de jacht. Onder andere prins Bernhard kwam hier vele jaren minstens twee keer per jaar.
Hoog bezoek op Johanna’s Hof aan het einde van de jacht. Onder andere prins Bernhard kwam hier vele jaren minstens twee keer per jaar.
Johanna's Hof speelde een belangrijke rol bij de jachtheren. Hier werd na afloop van de jacht het wild verzameld en op een tableau uitgestald en werd de inwendige mens niet vergeten.
Johanna’s Hof speelde een belangrijke rol bij de jachtheren. Hier werd na afloop van de jacht het wild verzameld en op een tableau uitgestald en werd de inwendige mens niet vergeten.

Johanna’s Hof speelde een belangrijke rol bij de jachtheren. Hier werd na afloop van de jacht het wild verzameld en op een tableau uitgestald en werd de inwendige mens niet vergeten.
Onder andere prins Bernhard kwam hier vele jaren minstens twee


Jaarboek 27, pagina 13

keer per jaar. Theun de Hoop: “Dan gebeurde het wel dat Prins Bernard geen trek had in de traditionele erwtensoep maar bij hem in de keuken zelf een lekker maaltijd met een biefstukje uitzocht.”

In 1952 werd aan de zuidzijde een zijvleugel aan Johanna 's Hof' gebouwd.
In 1952 werd aan de zuidzijde een zijvleugel aan Johanna ’s Hof’ gebouwd.
Het interieur van de nieuwe zijvleugel.
Het interieur van de nieuwe zijvleugel.

Pannenkoeken

In de jaren (negentien) zestig neemt het aantal bezoekers van Johanna’s Hof enorm toe. Op zomerse dagen is er sprake van een ware invasie van dagjesmensen, strandbezoekers, kampeerders, ruiters en plaatselijke inwoners. Op die dagen heerst er een ongekende drukte in de keuken, want door toedoen van de Nederlandse Spoorwegen zijn de pannenkoeken van Johanna’s Hof een begrip geworden.

Theun de Hoop: “In 1960 zijn de Nederlandse Spoorwegen begonnen met dagtochten. Hoe men toen bij Johanna’s Hof gekomen is? De directie van het PWN en de NS kwamen bij me dineren. Men bestelde onder adere erwtensoep en pannenkoeken. Een paar maanden later werd ik door het PWN opgebeld of ik er iets voor voelde om mee te doen aan de dagtochten. Dat meedoen bestond uit het bakken van pannenkoeken. Ik heb geen nee gezegd. Kort daarna bezocht Bert Garthof me. Hij stelde een radiopraatje samen. Enkele dagen later werd dat programma ’s morgens om half tien gebracht. Een uur later zaten hier de eerste pannenkoekeneters. ’s Middags was het helemaal mis. Johanna ’s Hof zat afgeladen vol met mensen, die pannenkoeken wilden hebben. En dan te bedenken dat we moesten bakken in een noodkeukentje. In 1961 bouwden we een nieuwe keuken.”

Het visitekaartje van Johanna's Hof: een groot terras in een prachtige omgeving.
Het visitekaartje van Johanna’s Hof: een groot terras in een prachtige omgeving.

De kosten voor de uitbreiding van de keuken- en toiletaccommodatie in 1961 worden gedragen door het PWN met een verhoging van de huur als gevolg. De uitbreiding is vooral noodzakelijk geworden door de steeds groeiende vraag naar warme maaltijden en pannenkoeken, ook in het kader van de NS-dagtocht ‘Duinwandeling Castricum’.

Het bedrijf blijft groeien. In de jaren (negentien) zestig krijgt Theun de Hoop toestemming om achter het restaurant een houten bungalow te plaatsen, waardoor de woonruimte in de voormalige garage als onderkomen voor het personeel beschikbaar komt. Hier woont hij met zijn tweede echtgenote Grietje Kater, die eerder een hotel exploiteerde in Callantsoog.


Jaarboek 27, pagina 14

Het terras van Johanna's Hof.
Het terras van Johanna’s Hof. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Abel en Trijn Oortgijzen hebben vele jaren gewerkt als ober en hulp in de keuken op Johanna’s Hof. Zij hadden geen kinderen en waren hier bijna altijd te vinden. Ook Cor Kolenbrander was nadien vele jaren de ober van Johanna’s Hof. Er zijn in de loop der jaren vele obers, koks en ander personeel op Johanna’s Hof werkzaam geweest.

Theun de Hoop met zijn liefhebberij: het fokken en houden van Shetland pony's.
Theun de Hoop met zijn liefhebberij: het fokken en houden van Shetland pony’s.

Het boerenbloed is Theun nooit kwijtgeraakt. Niet alleen had hij destijds stallen, waar ongeveer 12 paarden konden worden ondergebracht als de ruiters iets wilden consumeren, hij heeft zich ook intensief beziggehouden met het fokken, houden en verhandelen van Shetland pony’s. Meerdere keren behaalde hij bij landelijke evenementen van fokkers een eerste plaats.

In 1968 is er opnieuw provinciaal overleg over Johanna’s Hof. Van Marie, directeur van het PWN, is van mening dat een sanering van de gebouwen van Johanna’s Hof dringend noodzakelijk is, omdat deze niet meer aan de eisen van de tijd voldoen en voor de exploitant zeer oneconomisch zijn ingericht. Hij vindt uitbreiding van Johanna’s Hof echter onaanvaardbaar, omdat dit strijdig is met de belangen van waterwinning, natuurbehoud en de verkeerssituatie. Hij pleit voor een opvangcentrum annex dagcamping met restaurant op de gronden van de voormalige boerderij Diederik nabij de gemeentegrens met Egmond-Binnen om daarmee Johanna’s Hof te ontlasten. De beide restaurants zouden bij voorkeur door één exploitant moeten worden gedreven om ongewenste onderlinge concurrentie te voorkomen; voor deze functie bestaat tegen de persoon van de heer De Hoop geen enkel bezwaar.

De ideeën van Van Marie worden niet overgenomen. GS besluit niet meer zelf te investeren in het horecabedrijf, maar de opstallen te verkopen aan de heer De Hoop en het terrein van Johanna’s Hof ter grootte van 1360 vierkante meter voor een periode van 50 jaar vanaf 31 december 1968 aan hem in erfpacht uit te geven.

De nieuwe uitbreiding.
De nieuwe uitbreiding.

Bouw van een nieuwe zaal in 1969

Johanna’s Hof mag zich inmiddels verheugen in een grote bekendheid en populariteit bij de steeds grotere groep bezoekers van duin en strand en bij de bewoners in de wijde omtrek. Daardoor wordt een uitbreiding van het theehuis-restaurant steeds urgenter. Uiteindelijk worden in 1969 de plannen gerealiseerd. Aan het bestaande restaurant wordt een nieuwe zaal van 9 bij 18,5 meter bijgebouwd, die ook voor bruiloften en partijen uitstekend geschikt is. Daartoe wordt de zaal in Oud-Hollandse stijl ingericht met eikenhouten balken, een schouw en een open haard. Johanna’s Hof krijgt verder een nieuwe ruime hal, een nieuwe keuken en personeelsruimte.

Theun de Hoop en echtgenote Grietje Kater zijn vanaf 1970 directeuren van de te Bakkum gevestigde NV Café-restaurant Johanna’s Hof. De NV gaat eind 1972 over in een BV. Zij hebben het eigendom van het erfpachtrecht van de grond.
In 1978 besluit Theun de Hoop om te stoppen met zijn horecawerkzaamheden en het geheel te verhuren aan Antonius Gerhardus Boersema, restauranthouder in Reeuwijk, inclusief – met toestemming van het PWN – het erfpachtrecht. Theun woont inmiddels vanaf 1978 aan de Achterlaan.

Met de bedrijfsvoering door de heer Boersema ging het niet goed en toen een faillissement nabij was, werd in overleg met de bewindvoerder van de in surseance verkerende BV en met het PWN in 1981 besloten om de huur en exploitatie in handen te geven van het echtpaar Hiemstra-Kuiper, dat op dat moment Motel Hardegarijp exploiteerde.

Gerrit Dokter

In 1986 hebben huurder Dirk Hiemstra en echtgenote besloten om de exploitatie van Johanna’s Hof te beëindigen. Voor de bedrijfsleiding hadden zij al vanaf 1981 Gerrit Dokter aangesteld. Door eigenaar Theun de Hoop wordt nu Gerrit Dokter als de nieuwe exploitant aan het PWN voorgesteld. Het PWN heeft hiertegen geen bezwaar en GS geeft officieel op 3 februari 1987 schriftelijk toestemming voor de wijziging in exploitatie.

Gerrit Dokter is geboren op Ameland, woonde op het eiland tot zijn achttiende en ging toen in Friesland werken. Het is puur toeval dat er eerder op (boerderij) Johanna’s Hof een Docter woonde; van een familierelatie is geen sprake. Gerrit Dokter heeft op heel professionele wijze het café-restaurantbedrijf vanaf 1981 geëxploiteerd en verder uitgebouwd. Naast de horeca is voor hem de paardensport een grote passie. Hij zit zelf graag in het zadel en stapt regelmatig in het aangespannen rijtuig om de omgeving te verkennen. Hij is ook een van de mensen die van hét jaarlijkse evenement voor paarden in Noord-Holland, ‘de 4,5 kilometer van Alkmaar’, een enorme publiekstrekker wist te maken door een grootscheepse sponsoring te organiseren.

De brand op 2 december 1999.
De brand op 2 december 1999.

De brand in 1999

Op 2 december 1999 brak ’s nachts een felle brand uit in Johanna’s Hof, waarbij een flink deel van het bestaande gebouw in de as werd gelegd. Het betrof de gezellige jachtzaal, de keuken, het kantoor en de stallen. Gelukkig bleven de grote zaal met de prachtige tegelschouw, afkomstig uit een Noord-Hollandse stolpboerderij, en de wintertuin behouden. De brand was ontstaan door kortsluiting in de spoelkeuken. Binnen twee maanden ging de zaak met allerlei noodvoorzieningen al weer open en konden er bezoekers worden ontvangen.


Jaarboek 27, pagina 15

De restanten na de brand.
De restanten na de brand.

Nadat Gerrit Dokter de opstallen van Theun de Hoop in eigendom had verkregen, werden plannen voor herbouw en nieuwbouw ontwikkeld waarin allerlei wensen en ideeën konden worden meegenomen. Zo werd Johanna’s Hof flink groter en behield onder andere door de rieten daken dezelfde uitstraling en het landelijke en intieme karakter.

Op 29 juni 2001 gaven Gerrit en echtgenote Foekje Dokter een groot feest om de heropening van het restaurant te vieren. Hiermee werd een periode afgesloten waarin hard is gewerkt aan de realisatie van de plannen. Er is nu veel meer ruimte gekomen om de toenemende stroom bezoekers te kunnen ontvangen.

Het nieuwe partycentrum (foto Kees Koot).
Het nieuwe partycentrum (foto Kees Koot).

De uitbreiding, die Johanna’s Hof tevens de functie van partycentrum geeft, bestaat uit een nieuwe vleugel met vijf zalen in Engelse jachtstijl, een binnenterras en een kleedruimte voor artiesten. In totaal is er binnen plaats voor 550 mensen. Daarnaast zijn de paardenstallen uitgebreid en is ook het buitenterras sterk vergroot met plaats voor nog eens 350 mensen. Om een snelle bediening op het buitenterras mogelijk te maken worden door de obers de bestellingen doorgeseind naar het buffet. Er werken zo’n 80 mensen, van wie 25 in vaste dienst en de overigen parttime.

Een begrip in de wijde omgeving

Johanna’s Hof is een begrip in de wijde omgeving. Dit getuigen ook de vele bezoekers die ’s winters maar vooral zomers hier neerstrijken: fietsers, wandelaars, joggers en ruiters die hier graag even pauzeren, maar ook automobilisten, zakenlieden, bewoners uit de regio en vakantiegangers die hier komen om iets te gebruiken en van de sfeer te genieten.

Gerrit Dokter met zijn vrouw Foekje; al vele jaren runnen zij samen Johanna's Hof (foto Kees Koot).
Gerrit Dokter met zijn vrouw Foekje; al vele jaren runnen zij samen Johanna’s Hof (foto Kees Koot).

Gerrit Dokter: “Wij hebben een lage drempel. Je kunt hier zowel in trainingspak binnenkomen als in een chique outfit. De ligging midden in de natuur en de nabijheid van Bezoekerscentrum ‘De Hoep’ spelen natuurlijk een grote rol. Maar er is hier ook meerwaarde gecreëerd: de speeltuin voor de kleintjes, de mogelijkheid om paarden te stallen – waar vind je dat hier in de omgeving? – en de vijver met de sierwatervogels. Er lopen maar liefst tachtig verschillende soorten rond bij de vijver en in de tuin bij het terras.”

Johanna's hof.
Johanna’s hof. Na de hevige brand op 2 december 1999 is er met man en macht gewerkt om de zaak weer op te bouwen. Op 1 februari 2000 ging de zaak weer open.. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Johanna’s Hof kent een lange en rijke historie, het staat bij velen bekend als een gezellig en gastvrij café-restaurant, als de plaats van bruiloften en partijen en het is op zomerse dagen heerlijk genieten op het grote terras met uitzicht op een prachtige omgeving van bos en duinen. Dat Johanna’s Hof in deze sfeer nog een lange toekomst mag hebben!

Simon Zuurbier

Bronnen:

  • Archieven:
    – Koninklijk Huisarchief: archief koning Willem 1.
    – Nationaal Archief: archief Staatssecretarie 1813-1840, archief geslacht Gevers.
    – Regionaal Archief Alkmaar: archief gemeente Castricum en bevolkingsregisters en burgerlijke stand van Castricum.
    – Rijksarchief Haarlem: Archieven Provinciaal Bestuur Noord-Holland.
  • Belonje, mr. J.; Het Zeeveld te Noord-Bakkum, 7e Jaarboekje
    Werkgroep Oud-Castricum, 1984.
  • Jelles, J.G.G.: Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands duinreservaat, Instituut voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur, mededeling nummer 87, Arnhem, 1968.
  • Kistermann, H.: Aspekten van de gebruiksgeschiedenis van het duinterrein Bakkum, Amsterdam, januari/maart 1989.
  • Roos, Rolf: Bewogen Kustlandschap; Duinen en polders van Noord- Kennemerland, 1995.
  • Ruijter, Q. de: Over duinboerderijen en haar bewoners, 4e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1981.
  • Ruijter W. Jzn., Q. de: Schippers van het Stet, 1974.

Met dank aan:

Th. de Hoop, G. Dokter, H.H. Posthuma (PWN) en W.J. Twisk (Biddinghuizen).

10 maart 2021

Drukkerij en uitgeverij Dante Alighieri

Door: Eric Bor

Op 15 juli 1921 richtte Louis Winkeler in Castricum de drukkerij en uitgeverij ‘DanteAlighieri’ op.  Zijn doel was het drukken en uitgeven van “boekwerken en geschriften, waarvan de inhoud niet in strijd is met de rooms-katholieke geloofs- en zedenleer”. Het liefst wilde hij boeken uitgeven die eraan meewerkten het rooms-katholieke geloof te verbreiden. Uiteraard zou het bedrijf ook familiedrukwerk en zakelijk drukwerk verzorgen. In 1921 gaf hij aandelen uit. Zijn bedoeling was 500 aandelen van ƒ 200,– uit te geven, maar hij kon er slechts ƒ 150,– kwijt, plus ƒ 27,– eigendomsbewijzen.

8 maart 2021

Kalkovens (Jaarboek 21 1998 pg 13-18)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 21, pagina 13

De kalkovens

Zicht op de Klompenbuurt. Let op de schoorstenen van de kalkovens aan het Stet.
Van der Mijleweg vanaf het duintje. Zicht op de Klompenbuurt. Let op de schoorstenen (rechts bovenin) van de kalkovens aan het Stet. Op de achtergrond ligt de Van de Mijleweg en de plaatwerkerij van de firma Schaap. Van der Mijleweg 13 in 1938. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In het vorige artikel werd uitvoerig ‘de schelpenvisserij’ in onze gemeente belicht. Dit artikel sluit hierbij aan en gaat vooral in op de verdere verwerking van de schelpen tot schelpkalk, omvattende een stukje geschiedenis over de toepassing van schelpkalk, de ontwikkeling van de kalkovens, het brand- en blusproces van de schelpen en tenslotte over de kalkovens in Akersloot en Castricum.

Kalkovens met bedrijfsgebouw.
Kalkovens met bedrijfsgebouw. Aannemer C. de Groot heeft deze twee kalkovens met bedrijfsgebouwen gebouwd. Op last van de bezetter zijn ze in de Tweede Wereldoorlog gesloopt. Met een transporteur werden de schelpen op een grote hoop gestort. Met behulp van een Jakobladder werden ze naar een hoger deel van de kalkoven gevoerd en in de oven gestort. Schulpstet 1943. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De schelpkalk

Vanaf de dertiende eeuw werd in toenemende mate baksteen gebruikt voor het bouwen van kerken, kastelen, vestingwerken en stadsmuren. Voor het bouwen in baksteen werd in Nederland in die tijd voornamelijk schelpkalk als metselkalk gebruikt. Schelpkalk werd geproduceerd door het verhitten van schelpen in kalkovens, waarna de gebrande schelpen geblust werden met water en uiteen vielen in schelpkalk.
In het buitenland werd veel kalksteen verwerkt voor de productie van metselkalk. In Nederland was alleen kalksteen te vinden in de Achterhoek en in Limburg. Omdat zowel op de Noordzeestranden als op de Wadden de schelpen in zulke grote hoeveelheden beschikbaar waren, was het gebrek aan kalksteen hier geen probleem.

Het gebruik van schelpkalk gaat al ver terug in de geschiedenis. Al in de Romeinse tijd werd schelpkalk gebruikt, zoals is gebleken uit de in Nederland gevonden restanten van Romeinse gebouwen; een voorbeeld hiervan is de tempel van Nehalennia, gevonden in de Oosterschelde, nabij Colijnsplaat. Bovendien is te Koudekerke een viertal kalkovens opgegraven uit omstreeks het jaar 75 na Christus. Na de Romeinse tijd wordt door de inheemse bevolking overgegaan op het bouwen in hout en voor speciale gebouwen soms in natuursteen, afkomstig uit het buitenland. De techniek van het bouwen met baksteen en mortel lijkt met het vertrek der Romeinen verdwenen. Pas na de dertiende eeuw lijkt het bouwen in baksteen weer op te komen.

Prent van Jan Luyken met schelpkalkovens uit 'Het overvloeijende Herte' uit 1767.
Prent van Jan Luyken met schelpkalkovens uit ‘Het overvloeijende Herte’ uit 1767.

De behoefte aan schelpkalk nam in de loop der eeuwen gestaag toe, vooral nadat de houten huizen steeds meer werden vervangen door bakstenen huizen. De schelpkalk was bijzonder geschikt voor het verkrijgen van een goede samenhang en hechting bij het bouwen in baksteen, waarbij de specie nog vaak met zand en baksteengruis werd vermengd. Aan de aanwezigheid van kleine schelpdeeltjes in voegen van oude muren kan men het gebruik van schelpkalk nog herkennen.
Doordat schelpkalk ook onder water verhardt, bleek hij heel geschikt voor het gebruik voor funderingen, keldermuren en waterwerken. Nadeel van de schelpkalk was de niet constante kwaliteit, wat werd veroorzaakt door een ongelijkmatig brandproces in de kalkovens. Ook nadelig was op den duur de hoge kostprijs, mede door het arbeidsintensieve proces om de schelpen te verzamelen en te transporteren naar de kalkovens.

Schelpenvissers aan het werk.
Schelpenvissers aan het werk. Vele inwoners van Bakkum en Castricum hebben vooral in de voorgaande eeuwen het beroep uitgeoefend van schelpenvisser. De schelpen werden door de schelpenvisser met een beugelnet uit het water geschept en in een schelpenkar geladen. Deze kar werd door een paard voortgetrokken en als de kar eenmaal vol was, volgde een tocht via een zandpad over en door de duinen naar het Schulpstet, waar de schelpen op hopen werden gestort. Het Schulpstet lag aan de Schulpvaart. Van hier werden de schelpen in schuiten geladen, die de schelpen over de Schulpvaart naar de kalkovens van Akersloot vervoerden. Gedurende relatief korte perioden hebben ook in Castricum kalkovens gestaan; in die perioden werden de meeste schelpen in deze kalkovens tot schelpkalk verwerkt. De schelpkalk werd in de vorige eeuwen veelal gebruikt als metselkalk bij de bouw van huizen, kerken of kastelen. De schelpenvisserij , het vervoer over de Schulpvaart en de kalkovens hebben een enorme betekenis gehad in het dagelijks leven van de Castricummers. Velen waren er voor hun bestaan van afhankelijk; het was zeer zwaar werk waar weinig voor werd betaald, velen hadden dan ook een arm bestaan.

Aan het einde van de achttiende eeuw kreeg de schelpkalk concurrentie van de buitenlandse steenkalk. De steenkalk, geproduceerd uit kalksteen, was goedkoper en constanter van kwaliteit. De invoer van deze steenkalk nam zeer sterk toe, waardoor de kalkbranders en de schelpenvissers het steeds moeilijker kregen vanwege deze concurrentie. Zij werden voor hun langdurige en zware arbeid toch al zeer slecht beloond. In deze eeuw werd de schelpkalk meer en meer verdrongen door de steenkalk, die vervolgens in de jaren (negentien) zestig plaats moest maken voor beton en de snel hardende cement. De sterke behoefte in de moderne tijd om vlug en massaal te bouwen maakte een snel hardende cement belangrijk. De eeuwenoude schelpen nering loonde niet meer toen de schelpprijs van 50 cent (red: 0,50 gulden) per mud in de goede tijd, zakte tot 18 cent tijdens de crisisjaren (red: jaren 1930-1939).
De ouderwetse schelpkalk werd bij het bouwen niet zo hard, waardoor de muren zich beter konden zetten en minder scheuren optraden. Alleen voor restauratiewerk en voegwerk was er nog enige behoefte aan schelpkalk. Deze wordt echter in metselspecie nooit meer als enig bindmiddel gebruikt, altijd wordt Portland-cement toegevoegd om stevige verharding mogelijk te maken.

Een afbeelding van een Katwijker kalkoven uit 1629 op een schilderij door Jan van Goyen.
Een afbeelding van een Katwijker kalkoven uit 1629 op een schilderij door Jan van Goyen.

De oudste kalkovens

Reeds in 1522 stonden in Alkmaar nabij het Luttik Oudorp twee kalkovens. Nadien worden op meerdere plaatsen in de stad kalkovens gebouwd. Het oudste type kalkoven is de zogenaamde Hollandse of Katwijker oven, die de vorm heeft van een afgeknotte kegel, al of niet geplaatst op een cilinder. De ovens waren gebouwd van baksteen. De kalkbrander liep over een oplopend houten plankier, waarmee hij de opening aan de bovenzijde bereikte en de manden afwisselend met schelpen en turf in de oven omkeerde, totdat de oven vol was. Om het vuur op gang te brengen werd eerst een laag takkenbossen neergelegd. Lucht en daarmede zuurstof werd aangevoerd door grote openingen in de zijwand en door een luchtkanaal in het midden van de oven. Na een periode van 2 tot 3 weken werden de schelpen via de openingen in de muur uit de oven gehaald en in het blushuis met water overgoten. Door onregelmatig branden was het resultaat wel eens een onregelmatig product, soms bestaande uit onbruikbare, niet bindende kalk.


Jaarboek 21, pagina 14

In de tweede helft van de 19e eeuw werden bij kalksteenbranderijen in het buitenland kalkovens in gebruik genomen, die geschikt waren voor continu bedrijf; het vullen met schelpen en brandstof geschiedde hoog in de schacht van de oven, de ongebluste kalk werd tijdens het branden aan de onderzijde weggehaald. Ook in Nederland werden de ovens geschikt gemaakt voor continu bedrijf. Zo werden hier de zogenaamde Stoelovens bekend, die waren ontworpen door de Alkmaarse kalkfabrikant W.F .Stoel.

Kalkovens stonden over heel Nederland verspreid, veelal gelegen aan vaarwater om gemakkelijk de schelpen en de turf aan te voeren en de kalk als het eindproduct af te voeren. Turf werd tot in de negentiende eeuw als brandstof gebruikt. Daarna werd de turf vervangen door steenkoolgruis; ook werden extra luchtkanalen in de ovens aangebracht, waardoor de verbranding gelijkmatiger werd. Door verdere mechanisatie en verbeteringen aan de ovens konden de meeste fabrieken zich nog lang handhaven. Het definitieve einde van de kalkovens werd vooral veroorzaakt door de toenemende cementproductie. Ook door de komst van het aardgas en de daarmee gepaard gaande sluiting van de kolenmijnen, werd de aanvoer van kolengruis voor het branden van de schelpen zeer moeilijk.

De kalkovens aan het Schulpstet in Bakkum, 1937.
De kalkovens aan het Schulpstet in Bakkum, 1937. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Kalkovens waren bijna altijd in een groepje van vier opgesteld en vormden met de naastgelegen turfloods en kalkschuur een karakteristiek beeld in het Hollandse landschap; inmiddels zijn ze nagenoeg verdwenen. In 1930 werkten er nog 300 kalkovens in Nederland, in 1945 was dat aantal al teruggelopen tot 180 en dertig jaar later waren er nog 5 in bedrijf. De laatste nog echt functionerende schelpkalkbranderij stond in Hasselt. In het jaar 1990 is ook deze gestopt. Zij zijn daarmee museumstukken geworden.

De kalkovens uit Akersloot zijn in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen herbouwd.
De kalkovens uit Akersloot zijn in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen herbouwd. Pentekening van Tjalk Castor, 5 juli 2010. Aangeleverd door Hans Goedhart. Toegevoegd.

De vier kalkovens van Akersloot werden steen voor steen in 1976 afgebroken en van dit materiaal konden in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen drie ovens weer worden opgebouwd. Eerder in dat jaar beëindigde de firma Ruigewaard haar kalkbranderij in Akersloot; als een gevolg van de toenemende loonkosten en de stijgende brandstofprijzen was de productie van schelpkalk niet meer rendabel.

Het kalkbranden

Kalkovens waren onze oudste chemische fabrieken. Voor de vervaardiging van schelpkalk werden schelpen in deze ovens verhit tot een temperatuur tussen 900 en 1.200 graden Celsius. Schelpen bestaan uit koolzure kalk ofwel calciumcarbonaat CaCO3. Door de verhitting van de schelpen kwam koolzuurgas vrij CO2 en bleef ongebluste kalk over CaO. Deze ongebluste kalk werd daarna in het blushuis, ook wel leshuis geheten, overgoten met een bepaalde hoeveelheid water met het gevolg dat de schelpen uiteenvielen en gebluste kalk ofwel calciumhydroxide CaOH2 werd gevormd. Bij dit blussen kwam ook warmte vrij. Het brand- en blusproces ging met veel rook, stank en stoom gepaard, waardoor reeds in de vijftiende eeuw veel stadsbesturen verordonneerden, dat de ovens op voldoende afstand van de stad gebouwd dienden te worden.

Een schoolplaat van de bekende Jetses met daarop getekend alle werkzaamheden rond de kalkovens.
Een schoolplaat van de bekende Jetses met daarop getekend alle werkzaamheden rond de kalkovens.

De ovens werden met turf aangemaakt; de turf werd bij de stookgaten gelegd, daarop kwamen de schelpen gemengd met de brandstof, waarvoor doorgaans antracietgruis werd gebruikt. De mengverhouding brandstof en schelpen was 1 op 10.

De turf werd met petroleum aangestoken. Het stoken van de ovens vereiste de nodige deskundigheid. Wanneer de ovens eenmaal goed brandden, werden de gebrande schelpen iedere morgen uit de gaten onder in de ovens gehaald. Men werkte met twee man, die tegelijkertijd tegenover elkaar gelegen gaten leegden. De acht gaten werden met de klok mee leeggehaald. Van tijd tot tijd werd door de baas boven in de oven gekeken of het vuur er nog steeds goed bij lag. Indien nodig werd het vuur gespreid, waarna ’s middags de ovens met schelpen en brandstof werden bijgevuld. De vier ovens waren meestal gelijktijdig in gebruik.

Na het branden werden de schelpen geblust. Dit gebeurde in het blushuis of leshuis. Het blussen gebeurde meestal met de hand: twee emmers water over de inhoud van een kruiwagen gebrande schelpen, waarna deze werd omgewerkt en het blusproces kon beginnen. De vrijkomende stoom kon tussen de pannen van de kap van het blusgebouw wegtrekken.


Jaarboek 21, pagina 15

Daartoe was de kap onder de pannen niet beschoten. Het werken in de kalkbranderijen was zeer zwaar, vaak werd er per week 60 uur gewerkt in een werkomgeving met rondstuivende ongebluste kalkdeeltjes, die op de bezwete huid kleine brandwondjes veroorzaakten. Om zich enigszins te beschermen droegen de kalkbranders zakdoeken voor hun mond en doeken om hun nek en vetten ze hun huid goed in.

Het brandproces boeide wel en inspireerde Jacob Cats tot het volgende gedicht:

“Als de kallick wort begoten
Met een kouden waterstroom
Dan wort hare kracht ontsloten
Als ontsprongen uyt een droom
Dan wort eerst haer vier ontsteken
Dat in haer verholen lagh,
Dan begint ‘et uyt te breken
Dat men noyt te voren sagh.”

De kalkovens in Akersloot bereikbaar voor de grote schelpenschepen.
De kalkovens in Akersloot bereikbaar voor de grote schelpenschepen.

De kalkovens van Akersloot

In 1901 was ene Gerrit Ruigewaard een kalkbranderij aan de Hoevervaart in de Egmondermeer begonnen. In de jaren (negentien) twintig nam de hoeveelheid schelpen langs de Noord-Hollandse Noordzeekust af, terwijl er daarentegen op de wadden veel schelpen waren. Rond 1920 ging hij over op de verwerking van schelpen uit de Waddenzee, die met grote zuigerschepen werden gewonnen. De gemotoriseerde vrachtschepen, waarmee deze zuigerschelpen werden aangevoerd, konden de kalkbranderij in de Egmondermeer niet bereiken. Daarom liet Ruigewaard in 1921 vier kalkovens bouwen in Akersloot aan het Alkmaardermeer die via het Noordhollands kanaal direct bereikbaar waren.
Het ontwerp van deze oven was gebaseerd op een Stoeloven, dat omstreeks 1900 door Van der Wallen was verder ontwikkeld en verbeterd. Deze continu-oven bestond uit een stookruimte, een rookvang en een schoorsteen. De stookruimte was voorzien van een gemetselde kegel en er waren verschillende luchtkanalen aangebracht, die het mogelijk maakten de oven continu te voeden.

De schelpenvissers uit Egmond, Castricum, Bakkum, Noordwijk en Katwijk leverden vele kleine ladingen strandschelpen. De schelpenzuiger uit Harlingen bracht incidenteel grotere hoeveelheden. Jarenlang werden te Akersloot strand- en zuigerschelpen gebrand.
De laatste hadden het voordeel, dat ze gemakkelijker te winnen en te vervoeren waren, maar de strandschelpen waren van betere kwaliteit en leverden in verhouding meer kalk.
Het bedrijf in Akersloot heeft zich door het leveren van een goed product en vroegtijdige mechanisatie nog tot 1976 kunnen handhaven.

Kalkovens op het Schulpstet.
Kalkovens op het Schulpstet. Van links naar rechts Cor Vendel, Jacob Admiraal, Siem Admiraal en Frans Zonneveld. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De kalkovens in Castricum

Al in de 18e eeuw hebben in Castricum kalkovens gestaan. Nicolaas Geelvinck, ambachtsheer van Bakkum en Castricum tot 1764, heeft bij het Schulpstet vermoedelijk omstreeks 1760 kalkovens laten bouwen. Deze ovens zijn niet lang in bedrijf geweest, want een akte uit 1818 vermeldt dat de kalkovens zijn afgebroken. Bovendien werden in datzelfde jaar als een van de argumenten om het reglement op de schelp nering aan te passen de afgebroken kalkovens gebruikt. Over deze kalkovens zijn verder geen gegevens bekend.

De kalkovens langs de Schulpvaart.
De kalkovens langs de Schulpvaart.

De kalkovens van Cees de Groot aan het Schulpstet

Omstreeks 1925 begon Johan Ruigewaard samen met de aannemer Cees de Groot uit Bakkum een bouwmaterialenhandel naast de kalkovens in Akersloot. In 1929 kwam er onenigheid. Cees de Groot begon toen elders in Akersloot een bouwmaterialenhandel en hij bouwde twee kalkovens op het Schulpstet te Bakkum.

Cees de Groot, bouwer en eigenaar van de kalkovens op het Schulpstet.
Cees de Groot, bouwer en eigenaar van de kalkovens op het Schulpstet.

Gerard de Groot weet nog veel te vertellen van zijn vader en het kalkovenbedrijf op het Schulpstet: “Mijn vader Cees de Groot was in 1886 in Castricum geboren; hier heeft hij ook het metselvak geleerd en heeft daarna bij andere firma’s in de directe omgeving en in Velsen en Beverwijk gewerkt. Toen hij ongeveer 19 jaar was begon hij een eigen metselbedrijfje; zijn eerste klus was het bouwen van een w.c. bij Jan Kuijs op de hoek van de Haagscheweg-Heereweg.

Deze kaart is reclame van Cees de Groot, metselaar, aannemer en handelaar in bouwstoffen, hij exploiteerde tot de 2e wereldoorlog de kalkovens aan de Stetweg.
Deze kaart is reclame van Cees de Groot, metselaar, aannemer en handelaar in bouwstoffen, hij exploiteerde tot de 2e wereldoorlog de kalkovens aan de Stetweg. Collectie Ger van Geenhuizen. Toegevoegd.

Cees trouwde in 1908 met Trijntje Twisk; zij woonden aan de Bakkummerstraat in de Klompenbuurt. Bijna elk jaar werd daar een kind geboren en zo kwam er een groot gezin van acht zonen en drie dochters, waarvoor brood op de plank moest komen. Cees ontplooide allerlei activiteiten, zo werden er op het erf aan de Bakkummerstraat regenputten gemaakt en andere betonwerken. Door zijn contacten met de firma Ruigewaard raakte mijn vader ook betrokken bij de steenhandel en de kalkbranderij. Samen met Johan Ruigewaard kocht hij in 1925 een terrein in Akersloot aan het Alkmaardermeer voor de bouwmaterialenhandel.


Jaarboek 21, pagina 16

Schelpkalkbranderij en bouwmaterialen C. de Groot.
Schelpkalkbranderij en bouwmaterialen C. de Groot.

In 1929 gingen beide partijen uit elkaar en heeft Cees de Groot een nieuw terreintje in Akersloot gekocht van de weduwe Terluin. Dit terrein was gelegen aan een groot vaarwater en diende voor de steenhandel. Hier heeft hij een haventje gebouwd; de stenen werden gekocht van de steenfabrieken.

In 1930 werd een stuk grond met het woonhuis gekocht van de familie Admiraal op het Schulpstet dat grensde aan de Schulpvaart en spoorlijn. Op deze plaats werden twee kalkovens gebouwd. De eerste oven is voor de eerste keer aangestoken door mijn moeder Trijntje Twisk; dat moet in 1931 geweest zijn, want ze is in februari 1932 op 46-jarige leeftijd overleden.
Voor de schelpenvoorziening werd gezorgd door de toen in totaal acht aanwezige schelpenvissers; zij hadden daarnaast ook nog een stukje tuinderij om in hun dagelijks brood te voorzien.”

Gerard Admiraal weet zich nog veel te herinneren van zijn jeugd op het Schulpstet en bij de kalkovens: “Mijn vader, Simon Admiraal, heeft omstreeks 1930 het huis en een groot stuk grond aan het Schulpstet verkocht aan Cees de Groot. Mijn ouders en de kinderen bleven eerst nog enkele jaren in het voorste gedeelte van het huis wonen; het achterste gedeelte van het huis werd gebruikt om de gebrande schelpen te blussen. Dit huis stond direct naast de kalkovens, later is door Cees de Groot op enige afstand een nieuw woonhuis gebouwd, waarin wij gingen wonen.”

Uitreiking van het 21ste jaarboekje in het Gemeentehuis, onder meer over de kalkovens. In het midden Gerard de Groot. Raadhuisplein 1 in Castricum. 1998. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Gerard de Groot vertelt verder over de verwerking van de schelpen in de kalkovens: “Een schelpenkar met een inhoud van 8,5 hectoliter schelpen werd in een bak gestort van de zogeheten transporteur. Dit was een vaste opstelling, waarmee de bak op wielen en gevuld met schelpen over rails omhoog werd gereden en op het hoogste punt werd leeg gekiept in het midden van een hoop schelpen. Aan de voet van een jakobsladder, welke zorgde voor het transport van de schelpen in de kalkoven, werd kolengruis toegevoegd in een verhouding van één deel kolengruis op tien delen schelpen. Dit kolengruis was een restproduct van de diverse kolenboeren, wat overbleef na het zeven van de kolen (antraciet), die bestemd waren voor verwarming van woningen.

Met een transporteur werden de schelpen op een grote hoop gestort. Met behulp van een Jakobsladder werden ze naar een hoger deel van de kalkoven gevoerd en in de oven gestort.
Met een transporteur werden de schelpen op een grote hoop gestort. Met behulp van een jakobsladder werden ze naar een hoger deel van de kalkoven gevoerd en in de oven gestort.

Het mengsel schelpen en kolengruis werd, nadat het in de oven was gestort, met een soort hark aan een lange steel via een luik vlak gemaakt. Het vuur brandde in het midden van de oven. Het was een continu proces, 24 uur per dag. Op de bodem in het midden van de oven was een kegel gemetseld, waardoor de schelpen naar de gaten werden geleid, die over de omtrek van de kalkoven waren aangebracht. De gaten werden door dammetjes tot aan de kegel van elkaar gescheiden. Op geregelde tijden werden de gebrande schelpen via deze gaten uit de oven geschept. Dit werd gat voor gat heel gelijkmatig verricht. Dit uitscheppen werd zolang voortgezet, totdat het vuur zichtbaar werd en inmiddels de gehele lading een stukje was gezakt. Daarna kon het vullen van de oven weer beginnen.”

De gebrande schelpen zagen er wat bleekjes uit, aldus Gerard de Groot. “Ze werden op de blusplaats in het oude huis gestort en met emmers water geblust. De emmers werden gevuld in een ernaast staande put, die met water uit de Schulpvaart werd volgepompt. Ten gevolge van een chemische reactie vielen de schelpen dan als ‘puddingpoeder’ uit elkaar; het was dan gloeiend heet: je kon er wel eieren in bakken. Bij dit blussen met water werd heel veel stoom gevormd, dat via het dak verdween. Het dakhout van het oude huis had hier veel van te lijden; later is dit hout verwijderd en kon de stoom gemakkelijk door de openingen tussen de dakpannen verdwijnen.


Jaarboek 21, pagina 17

Na 24 uur was het blusproces ten einde en was per kalkoven in totaal 50 hectoliter gebluste kalk geproduceerd. Deze kalk werd eerst nog met de hand in een ronddraaiende zeefmachine geschept om ongebrande schelpdeeltjes te verwijderen. Boven deze zeefmachine was een afzuiginstallatie aangebracht, omdat het bij het zeven enorm stoof. De kalk werd bij het zeven in kruiwagens opgevangen. die werden geleegd in een hoek van het gebouwtje, waar het verder kon afkoelen. Hier bleef de kalk soms ook wat langer liggen, omdat er niet altijd afnemers waren, dat hing af van de bouwactiviteiten en of mijn vader het op de beurs kon verkopen.

Vroeger werd veel kalk gebruikt in de woningbouw voor het vervaardigen van metselspecie en zogenaamde raapspecie ten behoeve van stucwerk van wanden en plafonds met toevoeging van een geringe hoeveelheid cement. De wanden en plafonds werden dan afgewerkt met natte steenkalk en gips; dit gips moest voor verharding zorgen. Onze kalk ging veelal naar de bouwmaterialenhandel in Alkmaar, soms ook wel naar Rotterdam. Eerst werd de kalk vervoerd in jute zakken. vanaf 1935 gingen we over op papieren zakken.

Het personeel bij de kalkovens. V .l.n.r.: Dirk Verdwaald, Frans Zonneveld (van Engel), Jaap Zonneveld en Simon Admiraal en nog twee kinderen.
Het personeel bij de kalkovens. Van links naar rechts Dirk Verdwaald, Frans Zonneveld (van Engel), Jaap Zonneveld en Simon Admiraal en nog twee kinderen.

Het was hard werken rond de ovens. Er waren twee mensen noodzakelijk om de ovens aan de praat te houden. Dit waren als vaste krachten Simon Admiraal en Frans Zonneveld. Zij deden ook het blussen en het zeven en alles wat er dagelijks moest gebeuren. De ovens gingen niet stil, vakantie was er niet bij. Soms waren er ook wel losse krachten, bijvoorbeeld als een grote vrachtwagen van de firma Zuiddam uit Rotterdam 300 zakken kalk kwam halen van elk 50 kilogram. Dan moest er dus maar liefst 15 ton worden geladen. Wij verkochten toen de schelpkalk voor 1,05 gulden per zak van 50 kilogram. De schelpen werden gekocht voor 15 cent per hedctoliter schelpen. Op een schelpenkar werd 8,5 hectoliter schelpen van het strand gehaald. Een schelpenvisser kreeg dus voor een kar schelpen 1,30 gulden. In het meest gunstige geval kon hij 3 karren op een dag ophalen en kon hij dus zo een dagloon van 3,90 gulden verdienen. Daarvoor moest hij wel zijn paard voer geven, als zijn wagen stuk was, deze laten repareren en hij moest er met zijn gezin nog van leven: het was een zuinig bestaan”.

De kalkovens grensden aan de oostkant tegen de spoorlijn. Links op de foto de blusschuur.
De kalkovens grensden aan de oostkant tegen de spoorlijn. Links op de foto de blusschuur.

Het einde van de kalkovens

Na het uitbreken van de tweede wereldoorlog brak een moeilijke tijd aan. Het strand werd tot verboden gebied verklaard en er werden dus geen schelpen meer aan het strand gevist. Cees de Groot moest zijn toevlucht nemen tot de aanvoer van baggerschelpen. Gerard de Groot vertelt hierover het volgende: “Deze schelpen werden gewonnen door de rederij Doeksen in de Waddenzee , die met een baggermachine op een schelpenbank wel 500 hectoliter in een uur opviste, terwijl een schelpenvisser, als alles meezat, voor deze hoeveelheid ongeveer twintig dagen nodig had. De baggerschelpen werden in een groot schip met 2.500 hetoliter schelpen aan boord gevaren naar Akersloot over het Alkmaardermeer en werden gelost vlak bij het sluisje, alwaar de kleine vletschepen vanaf het Schulpstet konden komen. Die kleine vletschepen waren deels nog in het bezit van Gees de Groot en eerder gebruikt in 1935 voor het zandtransport bij de aanleg van de weg vanaf de spoorlijn naar Limmen. Zo’ n schip met schelpen lossen was een gigantisch karwei: met tien tot twaalf mensen waren ze drie dagen bezig om het schip leeg te krijgen. Mijn vader had ook de beschikking over de motorboot ‘de Koet’ , voorheen van de familie Lute. Deze motorboot was geladen met 10 kubieke meter schelpen en trok drie vletten, die elk met 15 kubieke meter schelpen waren geladen. Zo werd per keer 55 kubieke meter schelpen naar het Schulpstet gebracht in ongeveer drie uur vaartijd.”

De afbraak van de kalkovens in 1943 op last van de bezetters. De foto is op het moment genomen dat juist de eerste kalkoven omvalt, nadat aan de onderkant aan een zijde een groot deel is weggehakt.
De afbraak van de kalkovens in 1943 op last van de bezetters. De foto is op het moment genomen dat juist de eerste kalkoven omvalt, nadat aan de onderkant aan een zijde een groot deel is weggehakt.

Het kalkbranden werd nog tot 1943 op het Schulpstet voortgezet, toen was het afgelopen. Op last van de bezetter moest het gebied rond het Schulpstet inclusief de kalkovens worden afgebroken. Cees de Groot wilde de afbraak zelf doen om zoveel mogelijk van het materiaal te behouden teneinde eventueel later de ovens weer op te bouwen. De kalkovens werden dus niet met springstoffen opgeblazen,


Jaarboek 21, pagina 18

maar met de hand omgehakt. “Dit was een delicate kwestie”, aldus Gerard de Groot: “in de oven werd aan de voorzijde in de valrichting een groot gat gehakt. In dit gat werd een buigzame lat geplaatst, die zou gaan bollen en daarmee verraden wanneer de oven om ging vallen. Enkele mensen stonden er vlak bij om toezicht te houden, anderen maakten het gat zijdelings groter tot de lat zich spande … en toen was het snel weg wezen.”

Er worden hier stenen weggehakt om de eerste schoorsteen van de kalkovens te laten omvallen.
Er worden hier stenen weggehakt om de eerste schoorsteen van de kalkovens te laten omvallen. Let op de lat in het midden van de opening. Schulpstet in 1943. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Cees de Groot had een terrein van circa 1 hectare gekocht aan de Lagendijk in Uitgeest; dit terrein werd gebruikt voor de productie en opslag van septic tanks (red: voor opvang van afvalwater). Op dat terrein werd het overgebleven materiaal van de kalkovens opgeslagen en na de oorlog in 1946 werd hiervan een kalkoven opgebouwd en in gebruik genomen.

Na het overlijden van Cees de Groot in 1959 is het bedrijf gesplitst in meerdere gedeelten (het bouwkundige deel, de steenhandel en de betonfabricage) en per gedeelte over een of meerdere zoons verdeeld. Herman, Willem en Theo hadden de bouwmaterialenhandel in Akersloot en de kalkoven in Uitgeest. Nadat Herman de Groot in 1967 bij een ongeluk om het leven is gekomen, is kort daarna dit bedrijf opgeheven. De kalkoven is rond 1969 afgebroken; nu kunnen we op die plek aan de Lagendijk in Uitgeest nog de opslag en verkoop van boten aantreffen.

S.P.A. Zuurbier

Bronnen:

  • Gemeente archief Castricum.
  • Regionaal Archief Alkmaar.
  • Bronner, Cootje: De Egmondse schelpkalkovens, 1996.
  • Heefding, A.: Cement in Nederland, 1971.
  • Jong de, Cornelis: Uit schelpen gebrand in Enkhuizen, Noord-Holland, 4e jaargang nummer 8 (1985).
  • Neef, C: Kalkovens in Alkmaar en omgeving, 1991.
  • Reichwein, Gusta: Schelpkalkbranderijen, Industriele Archeologie nummer 15 (1985).
  • Reichwein, Gusta: De schelpkalkovens uit Akersloot, Industriele Archeologie nummer 16 (1985).
  • Vroom, Udo: Stoomwasserij en Kalkbranderij, Moussault, Bussum, 1983.
  • Informatie van de heren G. Admiraal, G. de Groot