Klompenbuurt in Bakkum (Jaarboek 20 1997 pg 34-41)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Straten in Castricum en Bakkum: BakkummerstraatBrakerswegBreedeweg noordBreedeweg zuidBurgemeester MooijstraatDorpsstraatDr. Jacobilaan noord – Dr. Jacobilaan zuid – GroenelaanHeemstederwegKooiwegMientNieuwe wegOldenbarneveldweg, vanPeperstraat noord -Peperstraat zuid – SchoolstraatSchulpstetVinkebaanWeg naar Beverwijk

Verschenen artikelen over Bakkum:
Bakkum, de Heerlijkheid en zijn ambachtsheren – Bakkum, einde gemeenteBakkum in de 18e eeuwBakkum omstreeks 1830Bakkum na 1930, de huizen en hun bewonersBakkum, vijftig jaar kerkBewoningsgeschiedenis Bakkum NoordBoenstraatje te BakkumCafĂ©s en kasteleins in Bakkum – Kampeerterrein BakkumKermis in BakkumKlompenbuurt in BakkumKoninklijk Landgoed Bakkum (deel 1)Koninklijk Landgoed Bakkum (deel 2)Ongevallen in Bakkum


Jaarboek 20, pagina 34

De Klompenbuurt, het hart van Bakkum

Bij de splitsing van de Bakkummerstraat en de van de Mijleweg vinden we de Beatrixklok.
Bij de splitsing van de Bakkummerstraat en de van de Mijleweg vinden we de Beatrixklok. Foto JosPe, 1960 Collectie RAA. Toegevoegd.

In de laatste jaarboekjes is aandacht geschonken aan de bewoning en de geschiedenis van een bepaalde straat of buurt. Zo zijn artikelen verschenen over de Vinkebaan, de Mient, en de omgeving van de Eerste en Tweede Groenelaan en de Kooiweg. In dit jaarboekje wordt aandacht besteed aan de Klompenbuurt in Bakkum. De Klompenbuurt was het hart van Bakkum en omvatte een aantal winkeltjes en bedrijven.

Hotel-Café Borst, Van Oldenbarneveldweg 25 in Bakkum, 1989.
Hotel-Café Borst, Van Oldenbarneveldweg 25 in Bakkum, 1989. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Deze buurt begon in de Bakkummerstraat ongeveer vanaf de Beatrixklok en ging over in de Van Oldenbarneveldweg tot even voorbij hotel Borst. Over de herkomst van de naam Klompenbuurt bestaat geen zekerheid. Deze buurt bestond vooral uit kleine neringdoenden met talrijke kinderen, die zonder uitzondering op klompjes liepen. Het verhaal gaat dat zo de naam Klompenbuurt is ontstaan.

Het deel van Bakkum dat eigenlijk geen Bakkum was

De huizen in de Klompenbuurt en de omliggende straten zijn voor het merendeel gebouwd na het begin van de twintigste eeuw. In de negentiende eeuw stonden in dit gebied slechts enkele huizen.
Aan de hand van de kaarten die in de vorige eeuwen zijn gemaakt, is een beeld te schetsen van de bewoning in dit gebied. De oorspronkelijke banne (gemeente) Bakkum is vanaf 1811 bij Castricum gevoegd. Bakkum werd gevormd door het gebied ten noorden van de Schulpvaart en een afwateringssloot uit de duinen.

Het witte huisje aan de Heereweg 8 in Bakkum.
Het witte huisje aan de Heereweg 8 in Bakkum. 1980. De woning is in 1993 gesloopt. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Deze afwateringssloot liep ten noorden langs het witte lage huisje, dat was gelegen aan de westzijde van de Heereweg, even voorbij de Zeeweg en dat enkele jaren geleden is af gebroken. Het gedeelte ‘Bakkum-Zuid’, gelegen ten zuiden van de Zeeweg heeft nooit behoord tot de ‘gemeente’ Bakkum. De enkele huizen die hier stonden, waren gelegen in de toen zogenoemde Duinderbuurt. Het gebruik van de naam Bakkum voor dit gebied dateert hoogstwaarschijnlijk uit de tweede helft van de vorige eeuw, nadat dit gebied door de aanleg van de spoorlijn van de rest van Castricum werd afgescheiden.

Fragment van de Kaart van 't Hoogh-Heemraetschap van de Uytwaterende Sluysen in Kennemerlandt en West- Vrieslandt', getekend door Johannes Dou.
Fragment van de Kaart van ‘t Hoogh-Heemraetschap van de Uytwaterende Sluysen in Kennemerlandt en West- Vrieslandt’, getekend door Johannes Dou.

Op een fragment van de kaart van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland getekend door Johannes Dou in het jaar 1680 zien we onder andere dat de Cleybroeckerweg (nu Ruiterweg en Vinkebaan) overgaat in de Heereweg (nu Bakkummerstraat). Op deze kaart (zie afbeelding) staan in dit gebied 6 huizen, namelijk op de hoek Vinkebaan-Bakkummerstraat; twee aan de Dr. Jacobilaan, twee in de Klompenbuurt en Ă©Ă©n nabij het lage huisje tegenover hotel Borst. Op deze kaart zijn ook de beide Groenelanen aangegeven.
Opvallend is de ligging van een voetpad evenwijdig aan en ongeveer 200 meter ten oosten van de Bakkummerstraat; dit pad loopt na het passeren van de Stetweg (ter hoogte van de huidige straat ‘Schulpstet’) als Boslaantje door tot op de Heereweg nabij de toenmalige grensscheiding van Bakkum met Castricum. Op de kadastrale kaarten uit 1830 zijn geen overblijfselen meer te vinden van dit pad.

Bakkum-Zuid omstreeks 1830

Zoals reeds eerder vermeld, stonden er in het gebied tussen de huidige Zeeweg en Vinkebaan slechts enkele huizen. De oudste, meest gedetailleerde kaart is opgetekend rond 1830 bij de oprichting van het kadaster. Aan de hand van een overzichtskaartje wordt in dit artikel wat nader ingegaan op de bewoning van dit gebied omstreeks het jaar 1830. Vanaf de Vinkebaan volgde de Bakkummerstraat het huidige tracé overgaande in wat nu de Van Oldenbarneveldweg heet, die vervolgens voor het huidige Fochteloo (kantoor van PWN) sterk naar het westen liep en daarna met een sterke kromming terugboog naar het oosten en aansloot op de huidige Heereweg. Deze scherpe bocht is omstreeks 1840 aanzienlijk afgekort.

De eerste Groenelaan richting Kooiweg.
De eerste Groenelaan richting Kooiweg., 1950. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Aan de oostkant had de Bakkummerstraat de zijstraten Eerste en Tweede Groenelaan, die in die tijd niet veel meer waren dan zandpaden, die dienden om de aanliggende landerijen te bereiken; huizen stonden hier toen nog niet.


Jaarboek 20, pagina 35

Doorkijk Stetweg 9-11-13 in Bakkum.
Doorkijk Stetweg 9-11-13 in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Verder was er een zijweg in oostelijke richting, nu de Stetweg geheten, die aansloot op de Brakersweg en die veel door de schelpenvissers werd gebruikt om hun schelpen naar het Schulpstet te brengen. Op het Schulpstet werden deze overgeladen in schuiten, die hun lading over de Schulpvaart vervoerden naar de kalkovens in Akersloot.

Foto uit 1901 van het huisje, dat lange tijd werd bewoond door Gerrit van Velzen. Het huisje stond langs een zandpad, toen de Peperstraat, nu de Dr. Jacobilaan geheten.
Foto uit 1901 van het huisje, dat lange tijd werd bewoond door Gerrit van Velzen. Het huisje stond langs een zandpad, toen de Peperstraat, nu de Dr. Jacobilaan geheten.

Vanaf de westzijde van de Bakkummerstraat liep er een zandweg de duinen in. Deze weg heette de Peperstraat; in deze eeuw werd deze straat bij een raadsbesluit in 1930 omgedoopt tot Dr. Jacobilaan, naar de eerste geneesheer-directeur van Duin en Bosch. Een tweede zandweg splitste zich af en liep voor het lage huisje langs (in 1997 tegenover hotel Borst, naast de patatkraam) de duinen in; het korte stukje straat van nu is nog een restant van dit oude zandpad.

Bakkummerstraat in 1960.
Bakkummerstraat in 1960. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het gebied ten westen van de Bakkummerstraat was voor slechts enkele honderden meters in cultuur gebracht en was in gebruik voor de tuinbouw of als bosperceel. Ten westen daarvan strekte zich het duingebied uit, dat in die tijd veelal ‘de wildernis’ werd genoemd. Het duingebied was in particuliere handen. Het was verboden voor de burgers van Castricum om zich in dit gebied te begeven. Hierop werd streng toegezien door de duinmeiers, later jachtopzieners genoemd. Het hier bedoelde duingebied was in handen van de families Boreel en Deutz van Assendelft. Deze gronden werden in 1829 aangekocht door Willem I met het doel om deze duingronden verder te ontginnen en voor de landbouw geschikt te maken.

Fragment van 'Bakkum Zuid' op de kadastrale kaarten uit 1832.
Fragment van ‘Bakkum Zuid’ op de kadastrale kaarten uit 1832.

Het kaartje geeft de situatie weer omstreeks 1830 en beperkt zich tot het gebied dat nu tot Bakkum wordt gerekend en voor 1811 nog bij de banne (gemeente) Castricum hoorde. De hoofdweg in dit gebied is de toen zo geheten Bakkummerweg, die kwam vanuit het centrum van Castricum en door liep tot aan de Heereweg in Bakkum-Noord. De Bakkummerweg werd pas in de huidige eeuw bij raadsbesluit van 1930 opgesplitst in achtereenvolgens Torenstraat, Ruiterweg, Vinkebaan, Bakkummerstraat en Van Oldenbarneveldweg.
Aardig is om eens even na te gaan wie hier ruim honderdvijftig jaar geleden in 1830 woonden.

Er stonden in dit hele gebied slechts 12 huizen; aan de huidige Bakkummerstraat stond toen nog geen enkel huis. Het bijgevoegde kaartje geeft de situatie weer omstreeks 1830; de huizen zijn genummerd 1 toto en met 12. De Vinkebaan volgend vinden we in de hoek met de Bakkummerstraat direct tegen de duinen aan twee huizen. In huis nummer 1 (zie het kaartje) woonde de 28-jarige uit Egmond Binnen afkomstige schelpenvisser Cornelis van den Berg met zijn vrouw Geertje van Bruijnswaard en haar 13-jarige nichtje Lijpje van Bruijnswaard. Op nummer 2 woonden Cornelis Knaap, dagloner, zijn vrouw Marijtje Baars en hun vier jonge kinderen.

In de Peperstraat woonde op nummer 3 de 44-jarige Krijn Koper, schelpenvisser en geboren in Zandvoort. Krijn woonde hier met zijn vrouw Caatje Zaman, hun kind Jannetje en met Gerritje Asjes, dochtertje uit het eerste huwelijk van Caatje met Jannes Asjes. Op nummer 4 woonde dagloner Cornelis Stuifbergen met zijn vrouw Marijtje van Beek, ook Marijtje Peperlaan geheten, met hun vijf kinderen.

Even voorbij het einde van deze straat aan de Van Oldenbarneveldweg vinden we in totaal vijf huizen. Op nummer 5 woonde Cornelis Morsch, landbouwer en geboren in Velsen, met zijn vrouw Catharina Veldt en hun twee jonge kinderen. Hiernaast en wat achteraf woonde op nummer 6 de 60-jarige weduwe Marijtje de Wit en haar ongehuwde 21-jarige zoon Hendrik, schelpenvisser en haar 14-jarige dochter Trijntje, beiden uit haar huwelijk met Jan Kramer. Bij hen woonde de 29-jarige ongehuwde werkbode Marijtje Stierop afkomstig uit Uitgeest. Op nummer 7 woonden de 47-jarige schelpenvisser Jan Knaap, zijn vrouw Marijtje Brasser van Akersloot en hun zes kinderen.


Jaarboek 20, pagina 36

Foto van de boerderij van de weduwe Asjes. Deze boerderij is voor 1914 gesloopt en stond bij Fochteloo, het huidige PWN-kantoor.
Foto van de boerderij van de weduwe Asjes. Deze boerderij is voor 1914 gesloopt en stond bij Fochteloo, het huidige PWN-kantoor.

Meer dan honderd meter verder stonden nog twee huisjes op een plaats die nu gelegen is tegenover de ingang van hotel Borst. Op nummer 8 woonde hier de 38-jarige uit Heiloo afkomstige schelpenvisser Jan Schipper met zijn vrouw Aaltje Orij en hun drie kinderen. Het naastliggende huisje nummer 9 was van Frans Limmen. Ook Frans was schelpenvisser; hij woonde hier met zijn vrouw Aaltje Schavemaker en hun vier kinderen. Dit huisje bestaat nog en is het hele lage huisje waar nog tot kort geleden de ongetrouwde broers Ko en Piet Zonneveld (Boon) woonden.

Op nummer 10 in de scherpe bocht van de Bakkummerweg stond aan de oostkant van de weg een boerenwoning die hoorde bij het uitgestrekte duinterrein van Bakkum-Noord en tot 1829 eigendom was van Abraham Barnaart, rentenier en wonende in Sassenheim. In deze boerenwoning woonde de 56-jarige, uit Egmond aan den Hoef afkomstige jachtopziener Cornelis Bakker en zijn nog relatief jonge vrouw, de 28-jarige Sijtje de Graaf met hun dochtertje Aaltje. Verder woonden hier zijn zoons Klaas en Cornelis Bakker, kinderen uit zijn eerste huwelijk met Aaltje van Bruijnswaard en ook nog de 20-jarige werkbode Jannetje Asjes. Omstreeks 1840 is de scherpe bocht uit de weg gehaald, waardoor de boerenwoning aan de westzijde van de weg kwam te liggen.

In het duingebied ligt een nu (in 1997) nog bestaande boerenwoning (nummer 11), die nu als museum is ingericht op het terrein van het provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch. Deze boerenwoning hoorde destijds bij de uitgebreide bezittingen van het duingebied van Lucas Boreel, houtvester en wonende in ‘s-Gravenhage. In 1830 woonde in deze boerenwoning Klaas van Bruijnswaard, jachtopziener en schelpenvisser, met zijn vrouw Maartje Koene, hun twee kinderen en Jacob Slikker, een 26-jarige ongehuwde boerenknecht uit Egmond Binnen. We zien dat het toezicht in het duingebied vooral een aangelegenheid was van de familie Van Bruijnswaard. Naast Klaas vinden we zijn broer Jelgert van Bruijnswaard, jachtopziener, woonachtig op boerderij ‘Zeeveld’ op Noord-Bakkum en hun eerder genoemde zwager Comelis Bakker op de boerenwoning bij Fochteloo (nummer 10).

De hiervoor genoemde huizen nummers 5 tot en met 11 vielen in 1830 onder de buurt ‘Duyn’ en waren destijds genummerd 21 tot en met 27. De in totaal 116 huizen in Castricum hadden een doorlopend volgnummer tot en met 116. Het oorspronkelijke Bakkum had nog een eigen nummering voor zijn 18 huizen (nummer 1 tot en met 18). Het laatste huis, nog juist in het oorspronkelijke Castricum, gelegen aan de Heereweg had nummer 29 (op het kaartje nummer 11); het ernaast gelegen huis was nummer 1 van Bakkum. In het genoemde huis met nummer 29 woonden de 32-jarige boer Pancras Groentjes, zijn vrouw Teunisje Mors met hun dan nog enige zoon Jan en de 36-jarige ongehuwde broer Barend Groentjes. Tijdens de oorlog van 1799 is in dit huis hun zusje Neeltje Groentjes door een Russische soldaat doodgeschoten. Het huis is enkele jaren geleden afgebroken.

Opvallend is dat er omstreeks 1830 geen neringdoenden of ambachtslieden in ‘Bakkum-Zuid’ woonden. Bijna uitsluitend werd hier het beroep van schelpenvisser uitgeoefend. Overigens had elke schelpenvisser ook zijn eigen tuintje en soms ook wel enkele stuks vee. Ook de Peperstraat was een route die door de schelpenvissers werd gebruikt; in 1850 vinden we nog een melding dat dit ‘zandpad’ door de schelpenvissers werd onderhouden.

De bouw van Duin en Bosch

In de vorige eeuw is er in het gebied van ‘Bakkum-Zuid’ weinig veranderd. De aanleg van de spoorlijn rond 1866 vormde hierop een uitzondering. De grote veranderingen kwamen met de bouw van het provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch omstreeks 1909. Naast de bouw van de paviljoens en andere gebouwen op het terrein van het ziekenhuis werden ook dokterswoningen gebouwd aan de Van 0ldenbarneveldweg en broederwoningen aan de daarvoor aangelegde Dr. Ramaerlaan en Van Duurenlaan. Ook voor ander personeel en voor neringdoenden, die met de komst van zovele mensen hier hun brood dachten te kunnen verdienen, verrezen vele huizen, onder andere in de Klompenbuurt.

 Een elftal van de Klompenbuurt bij het 'zomeravondvoetbal' aan het einde van de vijftiger jaren. V.l.n.r. staand: Ber Twisk, Jan Groot, Dr. van der Werf; Dirk Groot, Floor Twisk, en Kroon; gehurkt: Cor Orij, Nic. de Zeeuw, Dirk Hopman, Twan Toepoel en Cor Huiberts.
Een elftal van de Klompenbuurt bij het ‘zomeravondvoetbal’ aan het einde van de jaren (negentien) vijftig. Van links naar rechts staand: Ber Twisk, Jan Groot, Dr. van der Werf, Dirk Groot, Floor Twisk, en Kroon; gehurkt: Cor Orij, Nic. de Zeeuw, Dirk Hopman, Twan Toepoel en Cor Huiberts.

De bewoners van de Klompenbuurt in l940

In een kort overzicht schetsen wij de bewoners van de Klompenbuurt in het jaar 1940, zoals wij dat ook hebben gedaan bij voorgaande artikelen in de rubriek over straten en buurten in onze gemeente. Beginnen we de Klompenbuurt in de Bakkummerstraat aan de kant met de oneven nummers (oost-zuidzijde) op nummer 95 (zie schets hieronder). Hier woonde Klaas Dekker, timmerman op Duin en Bosch, daarnaast was de groentewinkel van Bertus Buter (nummer 97); dan kwam Jan van Ravenzwaaij, verpleger op Duin en Bosch (nummer 99), Jan Tervoort met een melkzaak op nummer 101 (nu – in 1997 – de zaak van de firma Stolk), Willem Jacobs, boekhouder en kassier bij PWN op nummer 103. Hiernaast de rijwielzaak van Herman Twisk op nummer 105. Twisk had de alleenverkoop van Gazelle-rijwielen (de alleenverkoop was in die jaren ‘heilig’). Naast Twisk volgt de kapperszaak van Chris Heijne (nummer 107) en

De huizen in en rond de Klompenbuurt in 1935. De nieuwe zaak van Peijs op de hoek Stetweg-Van Oldenbarneveldweg is nog niet gebouwd.
De huizen in en rond de Klompenbuurt in 1935. De nieuwe zaak van Peijs op de hoek Stetweg-Van Oldenbarneveldweg is nog niet gebouwd.

Jaarboek 20, pagina 37

de kruidenierszaak (Coöp) van Kees Lute (nummer 109). Naast deze winkel was een stukje grond, dat als opslagterrein in gebruik was door de aan de overkant wonende aannemer Cornelis de Groot. In 1961 is op deze grond een dubbel woonbuis gebouwd (nummer 111 en 111a). In de ernaast gelegen burgerwoningen woonden Nicolaas Beusman, winkelier van beroep met echtgenote Nellie Hoogland (nummer 113) en het gezin van Jobannes Bakker, tuinman bij Duin en Bosch, op nummer 115. Dit is het einde van de Bakkummerstraat met de oneven nummers; de straat gaat hier over in Stetweg. Aan dezelfde zijde stonden tot de hoek van de huidige Brederodestraat nog twee huizen, die ook bij de Klompenbuurt hoorden. Op nummer 1 vinden we de wijnhandel van Hendrik Mandjes (Hendrik was tevens postbode) en op nummer 3 de groentezaak van Ab Hogenstijn.
Van hieruit vinden we aan de overkant van de Stetweg het begin van de Van Oldenbarneveldweg (red: tekst loopt door op pagina 39)

De huizen voor de bocht van de Bakkummerstraat te beginnen rechts bij drogisterij 't Jagertje van David Keetbaas; links de af slag naar de Van der Mijleweg.
De huizen voor de bocht van de Bakkummerstraat te beginnen rechts bij drogisterij ‘t Jagertje van David Keetbaas; links de af slag naar de Van der Mijleweg.
Rechts de rijwielzaak van Herman Twisk (nr 105), links de Beatrixklok. De Beatrixklok werd ter herinnering aan de geboorte van Prinses Beatrix op zaterdag 30 april 1938 als geschenk van de Oranjevereniging aan de gemeente Castricum door de heer F.J. Aukes plechtig onthuld. Nog in 1997 is het omliggende plantsoentje opnieuw ingericht; op 19 april 1997 werd dit feestelijk opengesteld door burgemeester Schouwenaar.
Rechts de rijwielzaak van Herman Twisk (nummer 105), links de Beatrixklok. De Beatrixklok werd ter herinnering aan de geboorte van Prinses Beatrix op zaterdag 30 april 1938 als geschenk van de Oranjevereniging aan de gemeente Castricum door de heer F.J. Aukes plechtig onthuld. Nog in 1997 is het omliggende plantsoentje opnieuw ingericht; op 19 april 1997 werd dit feestelijk opengesteld door burgemeester Schouwenaar.
De groentewinkel van Bertus Buter (nr 97).
De groentewinkel van Bertus Buter (nummer 97).
De kapperszaak van Chris Heijne (nr 107) stond naast de rijwielzaak van Herman Twisk.
De kapperszaak van Chris Heijne (nummer 107) stond naast de rijwielzaak van Herman Twisk.

Jaarboek 20, pagina 38

Links op de foto de kruidenierswinkel van Kees Lute (nr 109) naast de kapperszaak.
Links op de foto de kruidenierswinkel van Kees Lute (nummer 109) naast de kapperszaak.
Aan het einde van de Bakkummerstraat stond een PEN-huisje (rechts op de foto ). Dit gebouwtje moest voor het toenemende verkeer wijken. Rechts nog een braakliggend terreintje dat diende als opslagplaats van bouwmaterialen van de aan de overkant wonende aannemer Cornelis de Groot.
Aan het einde van de Bakkummerstraat stond een PEN-huisje (rechts op de foto ). Dit gebouwtje moest voor het toenemende verkeer wijken. Rechts nog een braakliggend terreintje dat diende als opslagplaats van bouwmaterialen van de aan de overkant wonende aannemer Cornelis de Groot.
De huizen aan de oostzijde van de Van Oldenbarneveldweg. V.r.n.l. bloemenverkoper Hendrik de Haan (nr 5), de garage van de weduwe Castricum (nr 7), de manufacturenzaak van Gerrit Peijs (nr 9), Cornelis de Groot (nr 11), Mijndert van Tiggelen (nr 13) en Pieter Vasseur (nr 15).
De huizen aan de oostzijde van de Van Oldenbarneveldweg. Van links naar rechts bloemenverkoper Hendrik de Haan (nummer 5), de garage van de weduwe Castricum (nummer 7), de manufacturenzaak van Gerrit Peijs (nummer 9), Cornelis de Groot (nummer 11), Mijndert van Tiggelen (nummer 13) en Pieter Vasseur (nummer 15).
Dit pand hoorde nog bij de Klompenbuurt; hier gaat de Bakkummerstraat over in de Stetweg; rechts op nr 1 is de wijnhandel van Hendrik Mandjes en links op nr 3 is de groentezaak van Ab Hogestijn.
Dit pand hoorde nog bij de Klompenbuurt; hier gaat de Bakkummerstraat over in de Stetweg; rechts op nummer 1 is de wijnhandel van Hendrik Mandjes en links op nummer 3 is de groentezaak van Ab Hogestijn.
Drogisterij en postkantoor 'De Posthoorn' van Freek Peijs op de hoek van de Stetweg en de Van Oldenbarneveldweg.
Drogisterij en postkantoor ‘De Posthoorn’ van Freek Peijs op de hoek van de Stetweg en de Van Oldenbarneveldweg.
Tussen de ingang naar de Van Uytrechtlaan en hotel Borst woonden in het dubbele woonhuis rechts Jan Mooij (nr 19) en links Jan Verdwaald (nr 21); daarnaast (links) de kruidenierszaak van Klaas Groot (nr 23).
Tussen de ingang naar de Van Uytrechtlaan en hotel Borst woonden in het dubbele woonhuis rechts Jan Mooij (nummer 19) en links Jan Verdwaald (nummer 21); daarnaast (links) de kruidenierszaak van Klaas Groot (nummer 23).

Jaarboek 20, pagina 39

en staan we bij de Posthoorn, postkantoor en drogisterij, bewoond door Freek Peijs. Zijn buurman op nummer 3 was Hendrik van Kleef, verpleger. Hiernaast woonde de bloemenverkoper Hendrik de Haan (nummer 5). Bij de naastgelegen garage (nummer 7) woonde Maria Steeman, weduwe van Petrus Castricum; zij hertrouwde in 1933 met Dorus Schermer. Vanaf 1945 betrokken zij nummer 5 en woonde Chris Broekhuizen, die als knecht in de garage werkte op nummer 7. Naast het garagebedrijf vindt men in 1940 een manufacturenzaak met bedden en vloerbedekking van Gerrit Peijs (nummer 9); nadien is deze zaak overgegaan op zijn schoonzoon Gerrit Ronk junior. Nu – in 1997 – vinden we hier een chinees restaurant. Onze weg voortzettend komen we op nummer 11, waar in 1940 metselaar Cornelis de Groot woonde, op nummer 13 woonde Mijndert van Tiggelen, los werkman, op nummer 15 Pieter Vasseur, een gepensioneerde spoorwegarbeider. In het eerstvolgende dubbele woonhuis, nu gelegen voorbij de afslag naar de Van Uytrechtlaan, woonden Jan Mooij, tuinder (nummer 19) en Jan Verdwaald, stoker bij de gasfabriek (nummer 21 ). Vervolgens komen we bij de kruidenierszaak van Klaas Groot (nummer 23) en het cafĂ©-restaurant van Willem Borst (nummer 25). Om de hoek is er nog de bakkerij van Remment Pronk, die later overgenomen werd door bakker Beerse (nummer 31) en tenslotte het winkeltje met galanterieĂ«n (red: luxe voorwerpen, snuisterijen) en wol van Sipke Hellinga, dat door Leonardus Kroon werd voortgezet (nummer 33).

Hotel Borst in recenter jaren. Direct daarnaast is de bakkerij van Beerse, de in het oog springende onderwijzerswoning en de Openbare Lagere School.
Hotel Borst in recenter jaren. Direct daarnaast is de bakkerij van Beerse, de in het oog springende onderwijzerswoning en de Openbare Lagere School.
De inmiddels gesloopte boerderij van Frans Limmen in de bocht van de Van Oldenbarneveldweg.
De inmiddels gesloopte boerderij van Frans Limmen in de bocht van de Van Oldenbarneveldweg.

Dezelfde weg terug volgend maar dan langs de huizen en bewoners aan de overkant, beginnen we bij de banketbakkerij van Ben Kuilman met daarnaast op Van Oldenbarneveldweg nummer 24 de woning en werkplaats van Jo Borst, aannemer van bronbemaling. Het volgende huis (nummer 22) is de slagerij van Seger Lakeman; na 1945 werd het achtereenvolgens de slagerij van Huiberts, Snel, Webbe en nu Goudsblom. Naast de slagerij stond een klein huisje (nummer 20) waarin Eiltjo Jager woonde, deze dreef een tweedehands zaakje. Op nummer 18 stond de boerderij van Frans Limmen en op nummer 16 vinden we rijwielhersteller Jan Rozemeijer, die de alleenverkoop had van Union-rijwielen. Jan had een kleine winkel aan huis; zijn werkplaats stond apart tegen de naastgelegen woning en winkel van Daatje van de Poll (nummer 12). Daatje had een speelgoedwinkeltje en aanverwante artikelen en was gehuwd met de schelpenvisser Cornelis van den Berg.

Voor het huisje 'De Klomp' met v.l.n.r. ene Gosseling uit Rotterdam, de kruidenier Jan Groot en de slager Jan Snel.
Voor het huisje ‘De Klomp’ met van links naar rechst ene Gosseling uit Rotterdam, de kruidenier Jan Groot en de slager Jan Snel.
De rijwielzaak van Jan Rozemeijer (nr 16) met rechts nog juist de boerderij van Frans Limmen en links het pand van Daatje van de Poll.
De rijwielzaak van Jan Rozemeijer (nummer 16) met rechts nog juist de boerderij van Frans Limmen en links het pand van Daatje van de Poll.

Jaarboek 20, pagina 40

De winkel van Daatje van de Poll met speelgoed, keukengerei en aanverwante artikelen (nr 12) In vroeger tijd was dit de kruidenierswinkel 'De kleine Bazar' van Floor Twisk, zoals nog in de winkelpui is aangegeven (in 1997 pizzeria Maratea). Op de foto rechts nog juist zichtbaar de fietsenzaak van Jan Rozemeijer.
De winkel van Daatje van de Poll met speelgoed, keukengerei en aanverwante artikelen (nummer 12) In vroeger tijd was dit de kruidenierswinkel ‘De kleine Bazar’ van Floor Twisk, zoals nog in de winkelpui is aangegeven (in 1997 pizzeria Maratea). Op de foto rechts nog juist zichtbaar de fietsenzaak van Jan Rozemeijer.
 De kruidenierswinkel van Floor Twisk (in 1997 restaurant ’Le Baron', nr 6)
De kruidenierswinkel van Floor Twisk (in 1997 restaurant ’Le Baron’, nummer 6)

Door een steeg naast het winkeltje van Daatje kwam men bij de iets achteraf gelegen woningen van Simon Admiraal (nummer 10) en van Jan Koper (nummer 8). Naast Daatje aan de andere kant van de steeg was de kruideniers-winkel van Floor Twisk (nummer 6). Op nummer 4 woonde Lammert de Winter, vrachtrijder en loonwerker en in het laatste huis op de Van 0ldenbameveldweg (nummer 2), woonde Nicolaas Peijs met een zaak in tabak en rookwerk. Voordien woonde zijn vader Klaas Peijs in dit pand, dat doorliep tot in de Bakkummerstraat. Klaas deed in manufacturen en had een postkantoortje; het eerste werd overgenomen door zijn zoon Gerrit en het laatste door zijn zoon Freek Peijs, die zich beiden, zoals eerder vermeld, hadden gevestigd aan de overzijde van de Van 0ldenbarneveldweg.

In dit grote witte gebouw had Klaas Peijs zijn café, dat in 1911 afbrandde. Voor het café staat de familie Peijs. Op deze plek zou kort daarna een textielzaak en hulppostkantoor verrijzen. Deze activiteiten gingen in de dertiger jaren over op respectievelijk de zoons Gerrit en Freek Peijs, die zich vestigden aan de overzijde van de Van Oldenbarneveldweg.
In dit grote witte gebouw had Klaas Peijs zijn café, dat in 1911 afbrandde. Voor het café staat de familie Peijs. Op deze plek zou kort daarna een textielzaak en hulppostkantoor verrijzen. Deze activiteiten gingen in de jaren (negentien) dertig over op respectievelijk de zoons Gerrit en Freek Peijs, die zich vestigden aan de overzijde van de Van Oldenbarneveldweg.

Nu zijn we weer terug in de Bakkummerstraat en staan voor een boekenzaak (nummer 110) van Reinier Stet. Reinier had de zaak in 1940 overgenomen van Anton Schmidt en werkte zelf bij PWN; de boekenzaak werd gerund door zijn vrouw en dochter. Vanaf 1946 woonde hier Jan Hoeben, klokkenmaker en verkoper. In het hiernaast gelegen pand vinden we de schoenenzaak van Johannes van Heijningen (nummer 108), vervolgens het grote en met sierlijk metselwerk uitgevoerde pand van de aannemer Cornelis de Groot, dat in tweeën werd bewoond. Op nummer 106a woonde onder andere Chris Heijne, later vanaf 1945 Lou Hoebe; op nummer 106 woonde Cornelis de Groot zelf.

De kalkovens gezien vanaf de spoorwegovergang bij de Brakersweg.
De kalkovens gezien vanaf de spoorwegovergang bij de Brakersweg. Schulpstet in Bakkum 1943. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hij was ook eigenaar van de kalkovens, welke in de oorlog zijn afgebroken. De naastliggende huizen zijn achtereenvolgens van de timmerman Ber van Benthem (nummer 104), de smid Jan Hoebe (nr 102) en de wagenmaker Dirk de Winter (nummer 100). Vooral de smid en de wagenmaker werkten als naaste buur hier veelvuldig samen bij het leggen van ijzeren banden om de wielen van de boerenwagens.
Zo zijn we aangekomen aan het einde van de Klompenbuurt;


Jaarboek 20, pagina 41

De zaak van tabak- en rookwerk van Nicolaas Peijs op de plaats van het vroegere café op de hoek van de Bakkummerstraat en de Van Oldenbameveldweg (nr 2).
De zaak van tabak- en rookwerk van Nicolaas Peijs op de plaats van het vroegere café op de hoek van de Bakkummerstraat en de Van Oldenbameveldweg (nummer 2).
De beide huizen op de foto zijn de schoenenzaak van Johannes van Heijningen (nr 108) en de boeken uitleen van Reinier Stet (nr 110).
De beide huizen op de foto zijn de schoenenzaak van Johannes van Heijningen (nr 108) en de boeken uitleen van Reinier Stet (nummer 110).
Uiterst links de smederij van Jan Hoebe (nr 102), daarna de timmerman Ber van Benthem (nr 104) en aannemer Cor de Groot in het met fraai metselwerk versierde pand. Op de foto de man met het onderstel van een wagen is Jan Hoebe en de man met de fiets is Herman Twisk van de rijwielzaak, die rechts op de foto is te zien.
Uiterst links de smederij van Jan Hoebe (nummer 102), daarna de timmerman Ber van Benthem (nummer 104) en aannemer Cor de Groot in het met fraai metselwerk versierde pand. Op de foto de man met het onderstel van een wagen is Jan Hoebe en de man met de fiets is Herman Twisk van de rijwielzaak, die rechts op de foto is te zien.

het huis van Dirk de Winter is het laatste huis bij de Beatrixklok en de afslag naar de Van der Mijleweg. Ter plaatse van deze afslag stond in de jaren (negentien) twintig het café van Frans Metzer. Zijn café gaat in 1929 bij een brand verloren en zal niet meer worden opgebouwd. In datzelfde jaar gaat bij met zijn gezin wonen in Hamburg, alwaar zijn vrouw geboren was. Een jaar later werd de Van der Mijleweg aangelegd.

Dit overzicht van de bewoners van de Klompenbuurt omstreeks het jaar 1940 is slechts een momentopname. Ook in die periode verhuisden de mensen nog al eens of verkochten ze hun huis of winkel. Dit hart van Bakkum kenmerkte zich door een hechte gemeenschap van vooral hardwerkende kleine middenstanders.
Na de oorlog wordt Bakkum sterk uitgebouwd met in 1948 de aanleg van straten als Schelgeest, Vondelstraat en Poelven, in 1962 Prof. van der Scheerlaan, Renesselaan en Dr. Benderslaan en tenslotte de laatste uitbreiding in 1966 met de Van Uytrechtlaan, Van Haerlemlaan en tussenliggende straten.

Van de sterke groei van ‘Bakkum-Zuid’ in de naoorlogse jaren kon de middenstand in Bakkum niet in voldoende mate profiteren, waardoor vele panden inmiddels hun winkelfunctie hebben verloren.

J.J. Stuifbergen
L. Zonneveld
S.P.A. Zuurbier

Bewoningsgeschiedenis Bakkum Noord (Jaarboek 17 1994 pg 37-41)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Bakkum:
Bakkum, de Heerlijkheid en zijn ambachtsheren – Bakkum, einde gemeenteBakkum in de 18e eeuwBakkum omstreeks 1830Bakkum na 1930, de huizen en hun bewonersBakkum, vijftig jaar kerkBewoningsgeschiedenis Bakkum NoordBoenstraatje te BakkumCafĂ©s en kasteleins in Bakkum – Kampeerterrein BakkumKermis in BakkumKlompenbuurt in BakkumKoninklijk Landgoed Bakkum (deel 1)Koninklijk Landgoed Bakkum (deel 2)Ongevallen in Bakkum


Jaarboek 17, pagina 37

De bewoningsgeschiedenis van het gebied tegenover jeugdherberg Koningsbosch

In het artikel ‘Boenstraatje te Bakkum‘ in het vorige jaarboekje wordt het vermoeden uitgesproken dat het gebied vlak achter de duintjes, tegenover jeugdherberg ‘Koningsbosch’ al rond het begin van de jaartelling bewoond moet zijn geweest. Met meer zekerheid wordt aangenomen dat er vanaf de vroege middeleeuwen bewoning heeft plaats gevonden. Dit zijn echter veronderstellingen die gedaan zijn aan de hand van raapvondsten uit een groter gebied. Het gebied dat in dit artikel behandeld wordt, is echter beperkter van omvang en omvat meer de directe omgeving van het boenstraatje. De daar aangetroffen aardewerkresten getuigen van bewoning rond het einde van de 15e tot in de 16e eeuw. De oudste bewoningssporen, die hier door Herman Zomerdijk zijn waargenomen, dateren evenwel uit de 12e eeuw. Behalve een asplek met kogelpotscherven vond hij ook twee 12e eeuwse munten.

In de loop der jaren is uit dit gebied nog meer bewoningsmateriaal te voorschijn gekomen, onder andere bij het sorteren van bloembollen. Bovendien heeft Herman Zomerdijk het land met een metaaldetector onderzocht, hetgeen hem een aantal munten en andere metalen voorwerpen, zoals knoopjes, gespjes en kledinghaakjes, heeft opgeleverd. Als hij dit niet gedaan zou hebben, zouden de munten en de overwegend kleine metalen voorwerpen zeker onopgemerkt gebleven zijn. Los vondstmateriaal is over het algemeen niet zo geschikt om de bewoningsgeschiedenis van een bepaald gebied te bepalen. Het materiaal kan immers in het verleden met de bemesting van het land van elders opgebracht zijn. Toch is het interessant om de bewoningsgeschiedenis van dit gebied te toetsen aan de hand van onder andere muntvondsten.

Volgens waarneming waren in het veld drie plekken met een hoge concentratie bewoningsmateriaal aanwezig. Deze locaties leverden hem dan ook de meeste vondsten op. We kunnen derhalve aannemen dat de betreffende locaties vroegere huisplaatsen zijn geweest en dat het vondstmateriaal voor een belangrijk deel in relatie gezien kan worden met de voormalige bewoning. EĂ©n van die locaties is in het voorgaande artikel beschreven. Munten en andere metalen voorwerpen zijn toen onopgemerkt gebleven.

Het perceel bollenland met de concentraties bewoningsafval en het verdwenen gedeelte van het Jan Miessen-laantje.
Het perceel bollenland met de concentraties bewoningsafval en het verdwenen gedeelte van het Jan Miessenlaantje.

Een verdwenen landweg

Afbeelding pag. 24 van het 16e jaarboekje.
Afbeelding pagina 24 van het 16e jaarboekje.

Behalve de al eerder genoemde drie plekken met een hoge concentratie bewoningsafval, werden bij het ploegen nog andere verschijnselen in het veld aangetroffen. Dwars door het perceel bollenland tekenden zich twee donkere banen met daartussen een lichte strook af. Dit moet de landweg zijn geweest, die de Baccummer Dyck en het Zee Rydts dyckie met elkaar verbond en tot achter de duintjes doorliep. Dit gegeven is terug te vinden in het kaartboek van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland van 1745 (zie afbeelding pagina 24 van het 16e jaarboekje). Het nu nog bestaande gedeelte is het Jan Miesenlaantje, welke aansluiting vindt op de Bleumerweg, de vroegere Baccummer Dyck. Van het verdwenen gedeelte moel de genoemde lichte strook het weglichaam zijn geweest en de donkere stroken aan weerszijden daarvan de bermsloten.

Op de eerst kadastrale kaart in de periode 1825 – 1830 getekend door F.J. Nautz, landmeter van de eerste klasse, staat deze landweg nog aangegeven. De schaarse bebouwing, alsmede de overige weggedeelten vlak achter de duintjes, zijn dan echter verdwenen. Van de laatstgenoemde weggedeelten werden geen sporen teruggevonden. Het is niet uitgesloten dal de bebouwing in oktober 1799 door oorlogshandelingen tussen de Nederlandse-Franse troepen en het Brits-Russische invasieleger schade opliep. De vele tientallen loden kogels, die hier gevonden zijn, zijn de stille getuigen van deze strijd. Onder de overwegend ronde loden kogels bevinden zich ook cilindervormige loeien munitie met een tamelijk vlakke kegelvormige punt. Behalve dal er een hevige strijd is gevoerd, is het ook bekend dat in de weken na de slag de soldaten

Detail van het kaartblad omstreeks 1825 getekend door F.J. Nautz, landmeter van de eerste klasse.
Detail van het kaartblad omstreeks 1825 getekend door F.J. Nautz, landmeter van de eerste klasse.

Jaarboek 17, pagina 38

hevig aan het plunderen zijn gegaan, waarvan ook Bakkum niet gespaard is gebleven.

Detail van de kaart uit de Grote Historische Provincie Atlas met kaartmateriaal uit de periode 1849 - 1859.
Detail van de kaart uit de Grote Historische Provincie Atlas met kaartmateriaal uit de periode 1849-1859. Met de pijl wordt het landweg gedeelte met geboomte aangegeven.

Hoewel de bebouwing rond 1800 lijkt te zijn verdwenen, is op de eerste officiĂ«le topografische kaart van dit gebied (1849-1859) te zien dat de landweg door de duintjes is doorgetrokken naar de Heereweg. Op deze kaart staat het thans verdwenen stuk aangegeven als een onbestrate landweg met sloten en aan weerskanten een bomenrij. Het is aannemelijk dat vanwege die bomenrijen deze landweg met ‘laantje’ werd aangeduid. Het gebied is verder ingekleurd als weidegrond met tegen de duintjes enkele perceeltjes bouwland.

De situatie in 1931. De pijl verwijst naar de bermsloot, die toen nog als perceelsafscheiding bestond.
De situatie in 1931. De pijl verwijst naar de bermsloot, die toen nog als perceel afscheiding bestond.

Op een in 1931 bijgewerkte kaart van 1875 is te zien dat het Jan Miessenlaantje bekort is tot aan het vroegere Zee Rydts dyckie en derhalve geen aansluiting meer heeft met de rechtgetrokken Heereweg. Waarschijnlijk werd nog wel Ă©Ă©n van de bermsloten als perceelafscheiding gehandhaafd. Blijkens een wijziging in 1976 is in het kader van veranderd landgebruik en perceelindeling ook deze oude perceelafscheiding komen te vervallen. Hiermede is de laatste markering van het in onbruik geraakte gedeelte van het Jan Miessenlaantje uit het landschap verdwenen.

Het Jan Miessenlaantje in Bakkum.
Het Jan Miessenlaantje in Bakkum, 1990. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Een pijpaarden beeldje

Bij het bollen sorteren is ook een klein pijpaarden beeldje aangetroffen, dat afkomstig is van het huidige bollenland. Hoewel het bovenste stukje van het beeldje ontbrak, was het duidelijk dat het twee menselijke gestalten moest uitbeelden. Ongeveer twee jaar later vond Herman Zomerdijk, alweer bij het bollen sorteren, het ontbrekende fragmentje met de twee hoofdjes!

Het beeldje (6 cm hoog) dat tijdens het bollen sorteren aangetroffen werd; het fragmentje met de hoofdjes werd twee jaar later gevonden.
Het beeldje (6 centimeter hoog) dat tijdens het bollen sorteren aangetroffen werd; het fragmentje met de hoofdjes werd twee jaar later gevonden.

Samengevoegd leveren de twee fragmentjes een beeldje op van ongeveer 6 centimeter. Het beeldt twee vrouwelijke figuren uit. Vanaf de voorkant gezien draagt de rechter figuur een hoofddoek tot op haar rug. Haar linkerhand lijkt schuil te gaan achter de voorschoot van haar gewaad. Ook de linker figuur lijkt een hoofddoek te dragen en het vage reliëf van het gelaat doet aan dat van een vrouw denken. Beide figuurtjes dragen ruim vallende kleding met zware plooien. Helaas is het beeldje aan de voorzijde beschadigd, waardoor niet vast te stellen is of er nog meer elementen aan de voorstelling toegevoegd waren.
Het is bekend dat in de 15e en 16e eeuw op grote schaal pijpaardenbeeldjes en reliĂ«fs met religieuze voorstellingen geproduceerd werden. De term pijpaarde is ontstaan, nadat in de l6e eeuw uit witbakkende klei de eerste tabakspijpjes werden vervaardigd. De klei moest geĂŻmporteerd worden uit onder andere Keulen, Luik en Engeland. In Nederland was naast Kampen vooral Utrecht een belangrijk productiecentrum. Maar ook in verschillende andere steden bestonden ‘beeldendrukkers’ of ‘heiligenbakkers’, zoals de makers van pijpaardenbeeldjes werden genoemd.

Hun producten zijn te onderscheiden in drie categorieën, namelijk beelden van 30 tot 100 centimeter, kleinere beeldjes die zelden groter waren dan 10 centimeter en reliëfs met een platte achterkant. De vrijstaande beeldjes werden gemaakt in twee helften, die ieder in een mal werden gevormd; naderhand werden de twee delen samengevoegd en de lasnaad weggewerkt. De producten werden gebakken bij een temperatuur van circa 1000 graden Celsius. De grotere beelden waren hol, de allerkleinste beeldjes zullen merendeels massief zijn geweest. In Amsterdam zijn dergelijke kleine massieve beeldjes gevonden. Het verspreidingsgebied van deze pijpaarden beeldjes was zeer groot. Ze dienden als handelswaar en souvenirs van bedevaartsplaatsen; ze werden door reizende kooplieden en gildeleden op zak gedragen en zo tot ver over de landsgrenzen verspreid. Aan Utrechtse heiligenbakkers toegeschreven producten zijn aangetroffen in onder andere Frankrijk, Spanje en Denemarken. Later (in de 16e-17e eeuw) richtte de pijpaarde-industrie zich vooral op de uitbeelding van profane onderwerpen zoals spelende kinderen en dieren. De productie duurde voort tot in de 19e eeuw.


Jaarboek 17, pagina 39

Evenals de in Amsterdam gevonden beeldjes is het Bakkumse exemplaar massief. Er zijn geen sporen van een lasnaad zichtbaar gebleven. Wanneer we aan het beeldje een religieuze betekenis willen toekennen, zou het de ontmoeting van Elisabeth met Maria kunnen symboliseren. Tijdens die ontmoeting was Elisabeth zwanger van Johannes de Doper en Maria van Jezus. Toen Elisabeth de groet van Maria hoorde voelde ze haar kind in haar schoot bewegen (Lucas 1:39-45). De rechter vrouw, met haar linkerhand onder haar voorschoot, zou Elisabeth kunnen zijn; met dit handgebaar zou dan deze gebeurtenis tot uitdrukking gebracht zijn.
Het is niet uitgesloten dat meer beeldjes van het Bakkumse type bestaan. Hopelijk komt naar aanleiding van dit artikel meer informatie over het beeldje beschikbaar.

Overzichtskaart , met de Bleumerweg, het Jan Miessenlaantje en de totaal gewijzigde kavelstructuur van de gronden achter de duintjes.
Overzichtskaart, met de Bleumerweg, het Jan Miessenlaantje en de totaal gewijzigde kavelstructuur van de gronden achter de duintjes.

Muntvondsten

Het is niet de bedoeling een gedetailleerde beschrijving van de gevonden munten te geven, maar wel om met de verkregen informatie het verleden tastbaarder te maken. Mogelijk illustreren de muntvondsten ook iets over de bewoningscontinuĂŻteit van het behandelde gebied. Op dit perceel bollenland zijn geen munten uit de Romeinse tijd gevonden. Na de Romeinse tijd lijkt tot in de 7e eeuw de bevolkingsdichtheid in westelijk Nederland enorm te zijn afgenomen. Het vondstmateriaal uit die periode is in ieder geval schaars. In de 8e – 9e eeuw lijkt het kustgebied weer meer voor bewoning in aanmerking te komen. Hoewel in de wijdere omgeving van de hier behandelde huisplaatsen oudere middeleeuwse munten gevonden zijn, worden in dit artikel slechts de muntvondsten uit de directe omgeving genoemd.

Een zilveren kopje met de beeltenis van Floris III. De munt is ongedateerd, maar moel tussen 1157-1190 geslagen zijn.
Een zilveren kopje met de beeltenis van Floris III. De munt is ongedateerd, maar moel tussen 1157-1190 geslagen zijn.

In het behandelde gebied zijn twee 12e eeuwse muntjes gevonden. De Ă©Ă©n is een anoniem muntje met op Ă©Ă©n zijde een leeuw en wordt daarom ook wel ‘Leon’ genoemd. In de buurt van de asplek met de kogelpotscherven is een zilveren kopje met de beeltenis van Floris III gevonden. Floris bekleedde van 1157-1190 het grafelijk ambt over Holland. Ook van zijn opvolgers, respectievelijk Willem I (1203-1222), Floris IV (1222-1234), Floris V (1256-1296) en Jan I (1296-1299) zijn zilveren kopjes gevonden. Van Jan I is bekend dat hij in Engeland opgevoed werd en huwde met Elizabeth, dochter van Edward I van Engeland. Het toeval wil dat onder de


Jaarboek 17, pagina 40

gevonden 13e eeuwse munten zich ook een in Londen geslagen Engelse sterling van koning Edward I bevindt.
Alleen Dirk VII (1190-1203) ontbreekt hier in de reeks, maar op een stuk bouwland elders in de omgeving is wel een muntje van hem gevonden. Dat Willem II (1234-1256) in deze reeks ontbreekt is maar schijn, want voor Willem II werd gemunt op naam van regent Floris de Voogd. Hiervan zijn twee zilveren kopjes gevonden met op de ene zijde de tekst Holland en op de andere zijde de naam Floris. Van Willem II zijn geen munten op eigen naam bekend.

Onder de gevonden munten is de 14e en de 15e eeuw nauwelijks vertegenwoordigd. De meest duidelijk herkenbare munt is een zilveren halve ‘groot’ van Jan van Arkel, bisschop van Utrecht ( 1341-1364). Het betreft een verknipt muntje, waarschijnlijk bedoeld als wisselgeld. Vroeger werd de muntwaarde immers niet bepaald door de munteenheid, maar gold het feitelijke gewicht van het muntmateriaal als betaalwaarde.

Een oord of een dubbele duit geslagen in naam van Philips II, koning van Spanje. Op de rechter keerzijde staat het jaartal 1579 afgebeeld. De Ă©Ă©n en de vijf op de beide hoekpunten, de zeven en negen onderaan aan weerskanten van de rondingen van het wapenschild.
Een oord of een dubbele duit geslagen in naam van Philips II, koning van Spanje. Op de rechter keerzijde staat het jaartal 1579 afgebeeld. De Ă©Ă©n en de vijf op de beide hoekpunten, de zeven en negen onderaan aan weerskanten van de rondingen van het wapenschild.

De oudste 16e eeuwse munt is een ongedateerde koperen ‘korte’ met de beeltenis van Philips II. Philips II was van 1555 tot 1598 koning van Spanje en onder andere heer der Nederlanden. De munt moet dus in die periode geslagen zijn. Een oord of dubbele duit met het jaartal 1579 en geslagen door de stad Utrecht verwijst in het randschrift naar Philips II. Een bijzonder detail is dat op 23 januari 1579 door enkele gewesten te Utrecht een militair verdrag gesloten werd (de Unie van Utrecht) om zich gezamenlijk te verdedigen tegen de opnieuw opdringende macht van de Spaanse koning.
Een zilveren stuiver met het jaartal 1583, eveneens geslagen door de stad Utrecht, draagt het (vertaalde) opschrift “God is onze kracht”. Een Zwolse koperen duit uit 1596 of 1598 is uitgegeven in naam van de Duitse keizer Rudolf II.

Onder de gevonden 17e eeuwse munten is elk decennium vertegenwoordigd; de oudste is een zilveren Zwolse stuiver van ongeveer 1600. Een mooi exemplaar is een koperen Friese oord of dubbele duit met de beeltenis van een Friese boer met een geschouderd zwaard naar rechts en de letters F en O (Frisia-Ordines  redactie: Friese staat) en met het (vertaalde) opschrift “Tenzij de Heer met ons is”. Deze munt moet tussen 1608 en 1648 geslagen zijn.
Een andere interessante munt is een koperen duit uit 1617 met het stadswapen van Deventer, maar geslagen in naam van de Duitse keizer Matthias II, die van 1612 tot 1619 aan de macht was. Verder zijn er munten gevonden van West-Friesland, Zeeland, Overijssel, Gelderland en de steden Utrecht en Zutphen. De jongste 17e eeuwse munt is een zilveren dubbele stuiver uit 1699 van Zeeland.

Een vergelijkbaar exemplaar van een Hollandse duit. Op de linker keerzijde staat binnen een gesloten tuin, de Hollandse Leeuw mei de vrijheidshoed op een speer afgebeeld.
Een vergelijkbaar exemplaar van een Hollandse duit. Op de linker keerzijde staat binnen een gesloten tuin, de Hollandse Leeuw mei de vrijheidshoed op een speer afgebeeld.

Onder het vijftal l8e eeuwse munten is vooral de Hollandse duit uit 1715 een interessant exemplaar. Op Ă©Ă©n van de zijden staat in een gesloten tuin de Hollandse Leeuw met vrijheidshoed en speer afgebeeld. De jongste 15e eeuwse munt is een Overijsselse duit uit 1754 met een ooievaar als muntmeestersteken.

Een zwaargewicht onder de gevonden munten is een Russisch koperen Kopeke van 1770. De munt heeft een diameter van 4 centimeter en een dikte van 3 millimeter en weegt 60 gram. Op de munt staat onder andere een dubbelkoppige adelaar met Mercuriusstaf en rijksappel afgebeeld.


Jaarboek 17, pagina 41

Middels deze munt worden we herinnerd aan de Slag bij Castricum, waarbij ook Russische soldaten betrokken waren. Het vermoeden bestaat dat na de oorlogshandelingen van oktober 1799 de schaarse bebouwing achter de duintjes is verdwenen. Op de eerste kadastrale kaart van rond 1830 staat geen bebouwing aangegeven; het betreffende gebied is ook nadien niet meer voor bewoning in gebruik genomen. Toch zijn er ook 19e en zelfs 20e eeuwse munten gevonden. Dit materiaal moet dus tijdens het werk of met de bemesting op het land terecht gekomen zijn.

Besluit

Tot besluit van dit artikel spreek ik mijn dank uit aan Herman Zomerdijk voor het tonen van zijn vondstmateriaal en het verstrekken van informatie over z’n terreinwaarnemingen en de munten. Zonder zijn medewerking had dit artikel niet tot stand kunnen komen.

E. Mooij

Literatuur:

  • Baart, J.en andere” Opgravingen in Amsterdam, Amsterdam 1977, Pijpaarden voorwerpen, bladzijde 472; Fibula-van Dishoeck, Haarlem.
  • Bakels, A., en Van Lit, R., Pijpaarden beeldjes en reliĂ«fs uit Wassenaar; Westerheem XXXVII-2-1988, bladzijde 141.
  • Chijs, P.O. van der Beeldenaar: De Munten uit de periode voorafgaande aan die der Republiek, herdruk, 1982.
  • Enno van Gelder, Dr. H. De Nederlandse Munten, Het Spectrum, Utrecht 1968.
  • Hengel, C. van, De munten van Holland in de 13e eeuw, Amsterdam 1986.
  • Manning, Prof. Dr. A.F., Erfgoed van Nederland; Samen verder in de Unie, bladzijde 104.; The Reader’s Digest, Amsterdam 1979.
  • Steeman, W., Op zoek naar Castricums Verleden; De slag bij Castricum, bladzijde 113 en 120; Pirola, Schoorl 1992.
  • Wolters-Noordhoff, Grote Historische Provincie Atlas, Noord-Holland 1849-1859, bladzijde 65; Groningen 1992.

Boenstraatje te Bakkum (Jaarboek 16 1993 pg 22-25)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Bakkum:
Bakkum, de Heerlijkheid en zijn ambachtsheren – Bakkum, einde gemeenteBakkum in de 18e eeuwBakkum omstreeks 1830Bakkum na 1930, de huizen en hun bewonersBakkum, vijftig jaar kerkBewoningsgeschiedenis Bakkum NoordBoenstraatje te BakkumCafĂ©s en kasteleins in Bakkum – Kampeerterrein BakkumKermis in BakkumKlompenbuurt in BakkumKoninklijk Landgoed Bakkum (deel 1)Koninklijk Landgoed Bakkum (deel 2)Ongevallen in Bakkum


Jaarboek 16, pagina 22

Een boenstraatje te Bakkum

 Het bollenland achter de duintjes, tegenover jeugdherberg 'Koningsbosch'.
Het bollenland achter de duintjes, tegenover jeugdherberg ‘Koningsbosch’.

Inleiding

Tot nu toe kwamen in het Castricums jaarboekje uitsluitend archeologische vondsten aan de orde, die in de dorpskom of in de oostelijke uitbreidingen van Castricum werden gedaan. In de na-oorlogse jaren werd Bakkum veel minder getroffen door omvangrijke uitbreidingsplannen. Het dorpskarakter is daardoor aardig behouden gebleven. Het feit dat in Bakkum dus veel minder grondverzet heeft plaatsgevonden ten behoeve van woningbouw, is Ă©Ă©n van de redenen waarom Bakkum archeologisch minder bekend is geworden.
Bakkum, zo dicht tegen de binnenduinrand gelegen, bevatte vroeger meer tuinbouwgronden dan nu het geval is. Deze tuinbouwgronden zijn nu voor een deel bezet met woningen. Aan de oostkant, op de overgang van hoger naar lager gelegen gronden, wisselen tuinbouwpercelen, bollenland en weidegronden elkaar af. Het laag gelegen land bestaat uitsluitend uit weidegronden. Dit laag gelegen gebied, tussen de binnenduinrand en de strandwal waarop Limmen ligt, is een voormalige strandvlakte, die nu deel uitmaakt van de Groot-Limmerpolder. Tuinbouw- en bollengronden worden, in tegenstelling tot weidegronden, intensief bewerkt. Vooral door het diepploegen worden grondsporen vernietigd en gaan archeologische voorwerpen, die zich daarin bevinden, verloren.

Toch kan het intensief bewerken van tuinbouw- en bollengrond ook archeologisch vondstmateriaal opleveren. Dit is zowel in Castricum als in Bakkum gebeurd en het vondstmateriaal werd aan de Werkgroep Oud-Castricum afgestaan. Hoewel deze losse vondsten iets illustreren over de bewoningsgeschiedenis, is het oorspronkelijke verband, waarmee zij zich in de bodem bevonden hebben, verloren gegaan en daarmee ook belangrijke informatie. Grondsporen en archeologisch materiaal, veilig onder de grasmat, blijft beter bewaard voor archeologisch onderzoek, mits beroeps- en amateurarcheologen verandering van grondgebruik nauwlettend in de gaten houden. Verandering van grondgebruik heeft geleid tot de Bakkumse vondst die nu beschreven gaat worden.

De locatie

Toen de gebroeders Zomerdijk het weiland achter de duintjes, aan de oostkant van de Heereweg in eigendom verkregen, werd het omgezet in bollenland. Het was Herman Zomerdijk, zelf lid van de Werkgroep Oud-Castricum, die enkele leden van deze werkgroep op het spoor van een mogelijke archeologische vondst bracht. Op de akkers, achter de genoemde duintjes, tegenover jeugdherberg Koningsbosch, werd tijdens ploegwerkzaamheden last ondervonden van puin. Op de scheiding van het eerste en het tweede perceel, ongeveer 10 meter vanaf de duinrand, bevond zich een plek met een hoge concentratie puin.

Zomerdijk had het voornemen deze plek van puin te zuiveren. Bakstenen en aardwerkscherven kwamen te voorschijn. Op een diepte van ongeveer 75 centimeter werd een bakstenen vloertje aangetroffen. Naar aanleiding hiervan werden op 9 december 1972 enkele leden van de werkgroep in de gelegenheid gesteld waarnemingen te doen.

De vondstlocatie van het bakstenen vloertje.
De vondstlocatie van het bakstenen vloertje.

Het vondstmateriaal

Behalve scherven en bakstenen kwamen er ook enkele fragmenten van rode vloertegels tevoorschijn. De dikte van de grote vloertegelfragmenten bedroeg 4 centimeter. De kleinere tegels waren 16 centimeter in het vierkant en 2,5 centimeter dik. Voorts bevatte de grond veel mortel, houtskool, verbrande houtresten, spijkers enz. Een aanzienlijke hoeveelheid scherven bevond zich direct op het vloertje. Dit aardewerk dateert uit de l6e eeuw of zelfs eind 15e eeuw. Een belangrijk gegeven is dat dit overwegend roodgebakken aardewerk aan de binnenzijde geglazuurd is en aan de buitenzijde slechts morsvlekken vertoont. Alleen een driepoot kannetje van crĂšmekleurig aardewerk is zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde met groene glazuur overtrokken.

Het meeste vaatwerk is voorzien van drie pootjes. Onder twee potten met bolle bodems, zijn lage standringen aangebracht. Sommige potten hebben het randprofiel, dat karakteristiek genoemd wordt voor nagenoeg de gehele 16e eeuw. De buitenzijde van de rand bestaat dan uit twee min of meer even zware


Jaarboek 16, pagina 23

Gedeeltelijk gerestaureerd aardewerk.
Gedeeltelijk gerestaureerd aardewerk.

horizontale ribbels. Ook de potvorm wordt dan minder rond. In een soort kan werd een harde crĂšmekleurige materie aangetroffen.
Op een schaal van rood aardewerk is met witgele kleislib een vogelmotief, waarschijnlijk een duif, aangebracht. Het geheel is overdekt met geelgroene transparante glazuur. Deze schaal, met een diameter van 28 centimeter, is aan de onderzijde van standlobben voorzien. Helaas werd maar de helft van de schaal teruggevonden.

Het glazuur op het gevonden aardewerk was blijkbaar door grote hitte, mogelijk van een brand, hier en daar gaan sinteren. Ook werd er een spinsteentje van het hardgebakken steengoed gevonden. De twee keien die hier eveneens aangetroffen werden, doen erg denken aan verzwaringsstenen die vroeger bij de inmaak van groenten gebruikt werden. Door de heer D. van Deelen, oprichter van de Werkgroep Oud-Castricum, werden deze stenen herkend als een graniet en vermoedelijk een gneis (red: gelamineerd of in lagen gespleten metamorf gesteente).

Het bakstenen vloertje met de uitsparing, waarschijnlijk om het schrobwater kwijt te kunnen.
Het bakstenen vloertje met de uitsparing, waarschijnlijk om het schrobwater kwijt te kunnen.

Het stenen vloertje

Nadat het losse vondstmateriaal verwijderd was, kwam er een rechthoekig vloertje tevoorschijn, van willekeurig op de platte kant neergevlijde, roodgeel gevlamde baksteentjes. De maten van deze steentjes waren 18 x 9 x 4,5 centimeter. Er was geen mortel gebruikt.

De vondst situatie.
De vondst situatie.

Jaarboek 16, pagina 24

Ergens, willekeurig in het vloertje, bevond zich een rechthoekige uitsparing. De daarom liggende steentjes werden op hun plaats gehouden door een viertal plankjes van slechts 10 centimeter breed, die op hun kant gezet waren. Door paaltjes op die vier hoeken werden op hun beurt de plankjes op hun plaats gehouden.
Over de functie van het stenen vloertje met deze uitsparing kan men slechts gissen. Het geheel doet echter denken aan een boenstraatje. De grondverkleuringen rond het stenen vloertje duiden op funderingssleuven. Enkele stenen werden nog in situ (red: op zijn plaats) aangetroffen en wel op een diepte van ongeveer 18 centimeter beneden het vloeroppervlak. Blijkbaar maakte het vloertje deel uit van een bouwsel, waarvan het muurwerk tot op de fundering toe is weggebroken. Het is mogelijk dat de stenen hergebruikt zijn.

De bewoningsgeschiedenis

Na deze vondst werd in de zeventiger jaren nog meer verspreid voorkomend schervenmateriaal uit het bollenland verzameld. Enkele scherven dateren van rond het begin van de jaartelling, hetgeen een aanwijzing is dat er toen al in dit gebied gewoond werd. Badorfscherfjes en kogelpotfragmenten, gemagerd met granietgruis en voorzien van lipvormige randen, duiden op bewoning in de vroege middeleeuwen (7e toto en met 10e eeuw). De grijze kogelpotscherven met geprofileerde randen, flauwe dekselgeulen en horizontale ‘bezemstreek-versieringen’wijzen erop dat de bewoning hier ter plekke gedurende de late middeleeuwen werd voortgezet.

Ook het steengoed is rijkelijk onder het verstrooide vondstmateriaal vertegenwoordigd. Verschillende lichtgrijze bodemstukken met geschulpte standringen zijn afkomstig van producten uit het Duitse Siegburg en omgeving. Deze producten zijn beter bekend als 13e – 14e eeuwse ‘Jacobakannetjes’. Ook vroegere en latere steengoedfragmenten werden op het land gevonden. Een 16-tal koekenpanstelen vertoont een grote variatie. Deze stelen van rood aardewerk vormden Ă©Ă©n geheel met de koekenpannen waarvan ze afkomstig zijn. De enige korte en holle steel, waarin een stok gestoken kon worden, vertegenwoordigt een vroeg type koekenpan met lensvormige bodem. Koekenpannen met echt vlakke bodems komen pas in de 15e eeuw voor. Deze koekenpannen waren voorzien van platte massieve stelen. In de loop der eeuwen trad er een geleidelijke verandering in de vorming van de stelen op. Aardewerk koekenpannen bleven tot in de 19e eeuw in gebruik.

Rood en grijs aardewerk komt tot het eind in de 15e eeuw naast elkaar voor, daarna verdwijnt het grijze aardewerk. Ook dit grijze aardewerk bevindt zich tussen het vondstmateriaal.
Het vervaardigen van roodbakkend aardewerk, het opbrengen van loodglazuur en slibdecoraties, zet zich tot ver in de 19e eeuw voort. Het is dan ook niet eenvoudig om dit gewone gebruiksaardewerk exact te dateren. Op het land werden ook enkele majolicafragmenten gevonden. Majolica is crĂšme- of witbakkend aardewerk, overtrokken met een wit fond met daarop blauwe of meerkleurige decoraties. Dit type aardewerk komt vooral in de 16e – 17e eeuw in de huishoudens terecht.

De grote kaart van “t Hoogh-Heemraetschap van de Uytwaterende Sluysen in Kennemerlandt en de West-Vrieslandt” van 1680, getekend door Johannes Jansz Douw, laat op deze locatie enige bewoning zien. Opmerkelijk is dat de kaart op deze locatie nog vele aanknopingspunten biedt met de huidige situatie, zoals het huidige wegenpatroon en de duintjes aan de oostzijde van de Heereweg.

E. Mooij

Detail van een kaart naar de situatie in 1680.
Detail van een kaart naar de situatie in 1680.

Jaarboek 16, pagina 25

Geraadpleegde literatuur

  • Groeneweg, G.C., Bergen op Zooms aardewerk (IV); de pottenbakkerij “Croonenburg”. Westerheem XXXVII-5-1988, bladzijde 261.
  • Renaud, J.G.N., Middeleeuws ceramiek. A.W.N.-monografie nummer 3, 1976, bladzijde 93.
  • Steenhouwer, K.J. en Warringa, A.H.C., Archeologie in de praktijk. Fibula – van Dishoeck, Weesp, 1985, bladzijde 147.
  • Voskuil, J.J. , Van vlechtwerk tot baksteen. Geschiedenis van de wanden van het boerenhuis in Nederland. Stichting Historisch Boerderij-Onderzoek, Arnhem; Uitgeverij Terra, Zutphen 1969, bladzijden 118-119.
De boerderij, die vroeger aan de Heereweg te Bakkum heeft gestaan tegenover jeugdherberg 'Koningsbosch', maar door omstandigheden het veld heeft moeten ruimen.
De boerderij, die vroeger aan de Heereweg te Bakkum heeft gestaan tegenover jeugdherberg ‘Koningsbosch’, maar door omstandigheden het veld heeft moeten ruimen.

Op den ouden grond

Dit is de titel van een gedicht, gemaakt in 1984 als herinnering aan de boerderij van de familie Twisk, die tegenover jeugdherberg Koningsbosch stond en die enkele tientallen jaren geleden is gesloopt.

Waar eens de boerderij toch stond,
met bomen er om heen.
Staat nu ons huis wel nieuw en mooi,
maar het leven ging ook heen.

Het erf, de stal en ook de dors,
dat alles is voorbij.
Het land en vee dat werd verkocht,
gesloopt de boerderij.

Al was de dag soms zwaar en lang,
het gaf het leven kleur.
Want ieder jaargetijde bracht,
zijn eigen klank en geur.

Het voorjaar op ‘t land, het jonge gras,
de zomer met het hooi.
En herfst met nevel over het land,
zelfs ‘s winters was het nog mooi.

Dan stond het vee weer in de stal,
in langen rij geschaard.
En in de dors de paardenstal,
sliep rustig dan het paard.

Maar wat geweest is, is niet meer,
al het ouden is voorbij.
Het nieuwe huis staat op de grond,
van den ouden boerderij.

mevrouw J. Twisk – Wassenaar

Bakkum de Heerlijkheid en zijn Ambachtsheren (Jaarboek 03 1980 pg 3-18)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 3, pagina 3

De Heerlijkheid Bakkum en zijn Ambachtsheren

Wapen van Heeren van Backum, 1700
Wapen van Heeren van Backum, 1700 (toegevoegd).

1 Het oorspronkelijke dorp Bakkum

Het oorspronkelijke dorp Bakkum was gelegen ten noorden van de huidige Zeeweg en was al vroeg in de middeleeuwen verdeeld in twee kernen Zuid-Bakkum en Noord-Bakkum. Zuid-Bakkum vormde het eigenlijke dorp, hier stond in later tijd het raadhuisje. De bebouwing was gesitueerd rond de driehoek Bleumerweg, Achterlaan en Herenweg. Het gehucht Noord-Bakkum omvatte een tiental huizen in de omgeving van de huidige Hogeweg.
De ambachtsheerlijkheid Bakkum besloeg een totale oppervlakte van 353 ha; het bestuur bestond uit een schout en 5 schepenen.
Afgezien van de geografische ligging, vóór 1749 bestond er geen enkele binding van Bakkum met Castricum: Bakkum behoorde tot het baljuwschap (gebied waarin de baljuw de rechtspraak uitoefende) van de Egmonden en Castricum tot dat van Kennemerland. Bakkum was van oudsher op het noorden georiënteerd, haar ambachtsheer kwam gedurende vele generaties uit het machtige geslacht van Egmond en zetelde op het Slot aan de Hoef.
In 1749 echter kocht Nicolaas Geelvinck als ambachtsheer van Castricum ook de heerlijkheid Bakkum. Deze aankoop luidde een tijdperk in, waarin Bakkum steeds meer met Castricum werd verbonden (vanaf 1749 o.a. gemeenschappelijke schout) om tenslotte in 1812 tijdens de Franse overheersing bij Castricum gevoegd te worden en als zelfstandig dorp ophield te bestaan.

Dat deel van de gemeente wat nu in de volksmond ook Bakkum wordt genoemd en wat gelegen is ten zuiden van de Zeeweg en ten westen van de spoorlijn (rond de straten Poelven, Bakkummerstraat en Stetweg) heeft altijd tot Castricum behoord en is pas na de stichting van het ziekenhuis Duin en Bosch in 1905 bebouwd.

Dit voor de Castricummers buitengewest aan de andere kant van “het spoor” heette gemakshalve ook maar Bakkum.

Grondgebied Heerlijkheid Bakkum.

afb. 1 Grondgebied Heerlijkheid Bakkum.


Jaarboek 3, pagina 4

2 De rechten en plichten van de ambachtsheer

Het gezag berustte in de middeleeuwen bij de graaf van Holland, die als leenheer een groot deel van zijn graafschap in leen had uitgegeven. Zo had de graaf niet alleen burchten, maar ook landerijen of dorpen al of niet erfelijk in leen uitgegeven. Een plaats of dorp, waarvan de graaf geheel of ten dele afstand van het gezag had gedaan, werd een heerlijkheid genoemd.

Na de Spaanse overheersing ging het hoogste gezag berusten bij de Staten van Holland en West-Friesland. De “Staten” werden gekozen door de adel en de steden. Het in leen geven van heerlijkheden kwam nu bij de Staten te liggen; het leenstelsel werd voortgezet en de rechten en verplichtingen voor de ambachtsheren bleven gelden.

De verplichtingen van de ambachtsheer bestonden uit:
* het in goede staat houden van de ambachtsheerlijkheid
* het voldoen aan de heergewade (gift aan de leenheer (de Staten) in geld of goederen, telkens als het leengoed door vererving of anderszins in andere handen overging)
* het voldoen van de hofrechten (o.a. administratieve kosten bij het overgaan van het leengoed in andere handen).

Aan het in leen houden van de ambachtsheerlijkheid Bakkum waren de volgende rechten verbonden:
* De hoge en lage jurisdictie d.w.z. de berechting van civiele zaken en kleine misdrijven.
* Het recht van aanstellen van plaatselijke ambtenaren, als de baljuw, de schout en de bode. Vaak werden meerdere ambten door dezelfde persoon uitgeoefend. De benoemde ambtenaren moesten meestal aan de ambachtsheer een jaarlijkse retributie betalen.
* Het recht van visserij, van pluimgraafschap (toezicht op het gevogelte), en van vogelarij (het vangen van wild gevogelte of het houden van eendenkooien).
* Het recht van zee- of strandvonderij.

Voor de hoge rechtspraak viel Bakkum tot het begin van de 17e eeuw onder het baljuwschap van de Egmonden; in later tijd had het een eigen baljuw en was Bakkum een zogenoemde “vrije” heerlijkheid. Het dorp Castricum viel onder het baljuwschap van Kennemerland.

Het dagelijks bestuur van een ambachtsheerlijkheid bestond uit de schout, die fungeerde als de vertegenwoordiger van de ambachtsheer. De schout trad veelal op als een soort politieman en vonniste ook bij kleine vergrijpen namens de ambachtsheer.
De vertegenwoordigers van de bevolking in het dagelijks bestuur waren de schepenen (het beste te vergelijken met wat wij nu wethouders noemen). De schepenen werden gekozen uit de betere stand; stemgerechtigd waren ook alleen zij die over grond beschikten.
In Bakkum bestond het ‘gemeente’bestuur aanvankelijk uit schout en 3 schepenen. Het aantal schepenen werd met toestemming van de Staten van Holland op 9 maart 1629 uitgebreid tot 5.

3 De ambachtsheerlijkheid Bakkum – begin en einde

De eerste vermelding van Bakkum is te vinden in een schenkingsacte van graaf Dirk II aan de abdij omstreeks het jaar 980 van twee hoeven gelegen te Bakkum: “in Bacchem 2 mansi”.
De eerste keer voor zover bekend dat Bakkum als heerlijkheid in leen wordt uitgegeven is in het jaar 1431; er is dan reeds sprake van een zekere eenheid, banne, ambacht of dorp. Het in leen geven in genoemd jaar van de heerlijkheid Bakkum aan de Heer van Egmond sproot voort uit de steun die hij verleende aan de kabeljauwse partij tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten.
In de strijd tussen Jan van Beieren en Filips de Goede (van Bourgondië) tegen Jacoba van Beieren om het bezit van de graafschappen Holland en Zeeland was Jan van Egmond fel aanhanger van de partij van Jan van Beieren en Filips de Goede (kabeljauwen).
Zijn grote rijkdom stelde hem in staat om de strijd tegen Jacoba van Beieren gedeeltelijk te financiëren, waardoor hij het slot en de heerlijkheid Leerdam en Buren in onderpand kreeg. Hoogtepunt van de strijd, die vanaf 1418 werd gevoerd, speelde zich af tussen 1425 en 1428.
In 1425 komt Jan van Beieren waarschijnlijk door vergiftiging om het leven. Jacoba van Beieren en Filips de Goede sluiten in 1428 vrede bij de “Zoen van Delft”, waarbij Filips erkend werd als ruwaard van Holland en Zeeland.
In 1429 werd in een afrekening met Filips de Goede de schuld aan de Heer van Egmond bepaald op het aanzienlijke bedrag van 40.000 schilden.
Als vereffening van deze schuld werd in een verdrag van “Heere Jan van Egmond met den Hertog van Bourgonje over al het geene hy van de Graaflykheid van Holland te eisschen hadt” op 12 mei 1429 vastgesteld dat Heer Jan van Egmond o.a. de heerlijkheid Bakkum zal krijgen:
“Item, sall die Heere van Egmonde hebben die Herlichede van Backom, ende van Outkerspel mit all, dat der Graeflicheit up dese tyt dair aff toe behoirt”.

Nauwelijks twee jaar later op 29 februari 1431 werd Bakkum officieel in erfelijk leen gegeven door Jacoba van Beieren, gravin van Holland aan Jan, Heer van Egmond:
“ende daer toe noch de Heerlicheden, ende goeden van Bachem in hoge, ende in lage, en in den selve schyn, dat van de dorpe van Oudtkarspel hier vooren geroert staet, mette zee vonden, ende anders alles, dat onser Graeflichede voorsz. tot deser tyt aldaar toebehoort binnen der bepalinge, als ‘t van oudts gelegen, en bepaelt is geweest, te weeten tusschen der Heerlicheyt van Egmont aen de Noortsyde die dorpen van Heylo, Oesdom, ende Limmen aen de Oostsyde, ende Castrechem aen de Zuytsyde, ende voorts streckende langens der zee Suytwaerts twintich roeden verre ‘t einde der Heerlickheyt van Egmont, die de Heeren van Egmont, voorsz. ende syn ouders tot haer toe beseten, ende gebruyckt hebben gehadt”.

Gedurende bijna 200 jaar en tijdens het bewind van 9 verschillende ambachtsheren zou de heerlijkheid Bakkum in het machtige geslacht van de Heren van Egmond blijven. In 1613 werd de heerlijkheid Bakkum verkocht aan Johan van Oldenbarnevelt. Na diens onthoofding in 1619 kwam het achtereenvolgens aan de geslachten van der Mijle, Perné en Geelvinck.

In de periode dat Mr. Joan Geelvinck ambachtsheer van Bakkum was (1764 – 1802) brak de Franse revolutie uit. De heerlijkheden en heerlijke rechten werden in 1798 ten tijde van de Bataafse Republiek afgeschaft. Het wetsartikel luidde letterlijk:
“Alle eigenlijk gezegde heerlijke regten en titels, waardoor aan een bijzonder persoon of lichaam zou worden toegekend eenig gezag omtrent het bestuur van zaken in eenig stad, dorp of plaats, of de aanstelling van deze of gene ambtenaren binnen dezelve, worden, voor zooverre die niet reeds met de daad zijn afgeschaft, voor altijd vernietigd”.
Bakkum werd bij keizerlijk decreet van 21 okt. 1811 per 1 jan 1812 ondergebracht bij Castricum. Na de Franse overheersing werden in 1814 door de latere koning Willem I de heerlijke rechten gedeeltelijk hersteld. De schout (burgemeester) werd echter nu door de Koning benoemd, maar nog wel op een voordracht van de ambachtsheer. De Provinciale Staten benoemden de periodiek aftredende leden van de raad, alsmede de secretaris eveneens op voordracht van de ambachtsheer.


Jaarboek 3, pagina 5

Bij de grondwetsherziening van 1848 werden tenslotte de heerlijke rechten ten aanzien van de voordracht of aanstelling van personen in openbare ambten afgeschaft. De ingezeten van de gemeenten krijgen direkte invloed op de samenstelling van het gemeentebestuur.
Dit betekende ook voor Bakkum het einde van de uitoefening van de heerlijke rechten, alleen het recht om de titel Heer van Bakkum te voeren en om het wapen van Bakkum in het familiewapen op te nemen is nog voor de ambachtsheer blijven bestaan.

4 Het wapen van Bakkum

Het wapen van Bakkum is een schild waarop in zilver een klimmende blauwe eenhoorn op een groene grond staat afgebeeld. Dit wapen werd door koning Willem I bij kon. besluit van 26 jan. 1817 nr. 3 verleend aan Albertus Johannes Schuyt, de toenmalige ambachtsheer van Bakkum.

Het wapen van Bakkum.
afb. 2 Het wapen van Bakkum.

5 De ambachtsheren van Bakkum

In deze paragraaf worden de opeenvolgende ambachtsheren van Bakkum behandeld. In het bijzonder zal daarbij, voor zover bekend is, aan de orde komen datgene wat zij in relatie tot Bakkum betekenden, of zij door koop of vererving in het bezit waren gekomen van de heerlijkheid Bakkum, de maatschappelijke positie die zij bekleedden etc.
De eerste ambachtsheer van Bakkum was Jan van Egmond. Op 29 febr. 1431 werd de heerlijkheid Bakkum officieel aan Jan van Egmond in erfelijk leen gegeven. Zoals hiervoor reeds uitvoerig is beschreven was dit een vereffening van de schuld, die Filips de Goede had bij de Heer Jan van Egmond. Deze schuld was ontstaan door de steun die de Heer van Egmond leverde in de strijd tegen Jacoba van Beieren.

JAN VAN EGMOND
1e ambachtsheer van Bakkum 1431-1451

Jan van Egmond stamde uit het adellijke geslacht van Egmond, dat in de 2e helft van de 12e eeuw zijn oorsprong had in de advocaten van de abdij van Egmond. Het geslacht had zijn zetel op het slot “op den Hoef”. Jan van Egmond, geboren ca. 1385 was een zoon van Arent van Egmond en Jolanda, gravin van Leiningen. Hij werd veelal genoemd Jan met de Bellen, omdat hij in de strijd een met bellen versierde gordel droeg.
Na de dood van zijn vader in 1409 erfde hij diens bezittingen in Egmond en IJselstein en werd daardoor een van de machtigste edelen in het graafschap Holland. Hij trouwde in datzelfde jaar met Maria van Arkel, waardoor het geslacht Egmond werd verrijkt met vele Arkelse bezittingen. In 1423 kwam bovendien het hertogdom Gelre aan het geslacht Egmond, doordat de toenmalige hertog Reinoud IV van Gelre kinderloos stierf; hij was een neef van Maria van Arkel.
De Heer Jan van Egmond is overleden op 4 jan. 1451 en begraven in de kapel bij het Slot op den Hoef, nalatende de zoons:
* Arnold, hertog van Gelre
* Willem, heer van Egmond, Leerdam, Haastrecht, Schoonderwoerd,IJsselstein en Bakkum.

WILLEM VAN EGMOND
2e ambachtsheer van Bakkum 1451-1483

Willem van Egmond, geboren op 26 jan. 1412 was een zoon van Jan van Egmond en Maria van Arkel. Na het overlijden van zijn vader in 1451 erft hij na deling met zijn broer Arnold de heerlijkheden Egmond, Leerdam, Haastrecht, Schoonderwoerd en Bakkum. Van zijn oom Willem van Egmond erfde hij eveneens in 1451 de heerlijkheid IJsselstein.
Samen met zijn broer en een groot gevolg ging hij in 1450 naar het Heilige Land en werd op deze reis te Rome door paus Pius II plechtig ontvangen. Na de dood van zijn broer Arnold in 1473 werd hij door Karel de Stoute aangesteld tot stadhouder van het hertogdom Gelre.

Willem van Egmond trouwt op 22 jan. 1437 met Walburga van Meurs, vrouw van Baer en Lathum. Hij is overleden op 19 jan. 1483 te Grave en aldaar bij zijn broer, hertog Arnold van Gelre, begraven nalatende o.a. de zoons:
* Jan, 1e graaf van Egmond.
* Frederik, heer van IJsselstein, graaf van Buren en Leerdam.
* Willem, heer van Herpen en Boxmeer.
Het portret van Willem van Egmond komt voor op een glas in de St.Romboutskerk te Mechelen (zie afb. 3)

JAN VAN EGMOND
3e ambachtsheer van Bakkum 1483-1516

Jan van Egmond, geboren te Hattum op 3 april 1438, was een zoon van Willem van Egmond en Walburga van Meurs.
Hij was vurig kabeljauws gezind en daarom aanhanger van Maximiliaan van Oostenrijk, wiens kamerheer hij met zijn beide broers in 1477 geworden was. Hij leverde in het tijdvak 1479-1492 als hoofd der kabeljauwen veelvuldig strijd tegen de hoeken; vele wapenfeiten kwamen op zijn naam. In 1492 sloeg hij de opstand van het Kaas en Broodvolk in Noord Holland neer. Jan was van 1483 tot 1515 stadhouder in Holland; hij werd hierin opgevolgd door graaf Hendrik van Nassau. In 1486 werd hij door keizer Maximliaan tot graaf verheven.

Na het overlijden van zijn vader in 1483 werd hij Heer van Egmond, door koop in 1481 heer van Baer, Lathum en Purmerend, door koop in 1504 heer van Hoogwoud en


Jaarboek 3, pagina 6

Willem van Egmond 2e ambachtsheer van Bakkum.
afb. 3 Willem van Egmond 2e ambachtsheer van Bakkum.

Aartswoud. Zijn bijnaam was “Manke Jan” (zie afb. 4). Jan trouwt in mei 1484 op het Hof in Den Haag met Magdalena, gravin van Werdenberg en is overleden op 21 aug. 1516 op het Slot te Egmond en in de slotkapel begraven onder een koperen tombe, welke hij tijdens zijn leven had laten maken.
Hij liet o.a. de volgende kinderen na:
* Jan, 2e graaf van Egmond
* George, bisschop van Utrecht, heer van Hoogwoud en Aarswoud.
* Walburga, 1e vrouw van Willem van Nassau – vader van Willem van Oranje.

JAN VAN EGMOND
4e ambachtsheer van Bakkum 1516-1S28

Jan van Egmond, geboren in 1499 was een zoon van Jan, 1e; Graaf van Egmond en Magdalena, gravin van Werdenberg. Hij was de onafscheidelijke volgeling van Karel V, die hij op al diens reizen en krijgstochten als kamerheer vergezelde. In 1527 werd hij benoemd tot generaal der lichte ruiterij van het koninkrijk Napels en het hertogdom Milaan.

Jan trouwt in 1516 te Brussel met Francoise van Luxemburg, gravin van Gavre, vrouw van Fiennes, ArmentiÚres, Auxy en Zottegem in Vlaanderen en Hamaßde in Henegouwen. Na het overlijden van zijn vader in 1516 erft hij o.a. de heerlijkheden Baer, Lathum, Hoogwoud, Aartswoud en Purmerend. Jan wordt in Italië ziek en overlijdt op 29 jarige leeftijd in 1528 te Ferrara; zijn lijk wordt in de St.Marcuskerk te Milaan begraven en zijn hart naar de Egmondse abdij gevoerd. Hij liet o.a. de volgende kinderen na:
* Karel, 3e graaf van Egmond.
* Lamoraal, 4e graaf van Egmond.

KAREL VAN EGMOND
5e ambachtsheer van Bakkum 1528-1541

Karel van Egmond, geboren in ca. 1520 op het kasteel La HamaĂźde in Henegouwen, was een zoon van Jan, 2e graaf van Egmond en van Francoise van Luxemburg.
Hij erfde na de dood van zijn vader in 1528 behalve de grafelijke waardigheid ook o.a. de heerlijkheden Bahr en Lathum (beide in de gem. Angerlo-Gelderland), Hoogwoud, Aartswoud en Purmerend in Holland en Fiennes, Zottegem, Dondes, ArmentiĂšres en Auxy in Vlaanderen.
Hij volgde zijn vader op als kamerheer van keizer Karel V. Met zijn jongere broer Lamoraal vergezelde hij in 1541 de keizer op de tocht naar Afrika en stierf op de terugreis te Carthagena op 7 dec. 1541. Karel was niet gehuwd.

LAMORAAL VAN EGMOND
6e ambachtsheer van Bakkum 1541-1568

Lamoraal van Egmond, geboren op 18 nov. 1522 op het kasteel La HamaĂźde in Henegouwen, was een zoon van Jan, 2e graaf van Egmond en van Francoise van Luxemburg. Lamoraal kreeg door de dood van zijn oudere broer Karel in 1541 naast de grafelijke waardigheid ook diens vele bezittingen

an van Egmond 3e ambachtsheer van Bakkum.
afb. 4 Jan van Egmond 3e ambachtsheer van Bakkum.

Jaarboek 3, pagina 7

en heerlijkheden in Holland, Vlaanderen en Henegouwen. Hij werd in 1553 door keizer Karel V verheven tot prins van Gavere. Hij volgde keizer Karel V op vele van zijn krijgstochten. Hij trouwde op 8 april 1544 tijdens de rijksdag te Spiers in het bijzijn van vele rijksvorsten met Sabina van Beieren, dochter van de paltsgraaf Johan, graaf van Spanheim.

Maximiliaan, de echtgenoot van Maria van BourgondiĂ«, verhief in 1484 de Heer van Egmond (Jan) en zijn nakomelingen in de Rijksgravenstand. Tot meerdere glorie van het graafschap werd de Heer van Egmond eveneens beleend met de hoge heerlijkheden Purmerend, Neck, Purmerland en Ilpendam. Gedurende een lange periode is er een meningsverschil geweest tussen de heer van Egmond en de stadhouder van de lenen van Holland over de vraag of de genoemde heerlijkheden gezamenlijk Ă©Ă©n leen zijn of zovele afzonderlijke; deze vraag is van belang bij de betaling van heergewade en hofrechten. Bij gelegenheid van de belening van Lamoraal besliste keizer Karel V, dat de heerlijkheden Purmerend, Neck, Purmerland en Ilpendam met die der Egmonden en bovendien die van Bakkum, Warmenhuizen, Haringkarspel, Oudkarspel, Petten en Huisduinen Ă©Ă©n onversterfelijk leen, te verheergewaden met 3 ons fijn goud of 50 ÂŁ Vlaams van 40 groten ‘t stuk en 6 schellingen. Bovendien stelt hij voor dit leen een speciaal en hoger tarief vast voor de hofrechten.
Dit wordt nu drievoudig betaald, een bewijs dat het meningsverschil reeds bij de belening van Lamoraals vader en oudste broer onbeslist bleef.

Lamoraal werd in 1546 opgenomen als ridder van het Gulden Vlies. Hij wist als bekwaam veldheer vele overwinningen te behalen o.a. in de veldslagen te St. Quentin (1557) en bij Grevelingen (1558).
Als beloning werd hij in 1559 door Filips II, zoon van Karel V, verheven tot stadhouder en kapitein-generaal van Vlaanderen en Artois, tot lid van de Raad van State en tot bevelhebber van het Spaanse krijgsvolk.

In 1557 is hij begonnen met de bedijking van een gebied aan Spui en Oude Maas, wat naar zijn gemalin Beijerland werd genoemd.
Bij het verzet van de hoge edelen tegen de regeringswijze van Filips II vormde hij met Willem van Oranje en de graaf van Hoorne een driemanschap, dat zich tegen kardinaal Granvelle verzette.

Lamoraal, allesbehalve diplomaat, betuigde bijval met het verzet van de Edelen, maar was tegen gewapend optreden van de verbonden Edelen. Hij werd door Alva op 9 sept. 1567 samen met Hoorne gevangen genomen en onschuldig na een schijnproces ter dood veroordeeld, wat op 5 juni 1568 op de Grote Markt te Brussel voltrokken werd. Zijn lijk werd te Zottegem, een van zijn heerlijkheden bijgezet.
Hij liet 12 kinderen na, waaronder:
* Filips, 5e graaf van Egmond.
* Sabina, vrouwe van Beierland, gehuwd met George, graaf van Solms.
* Lamoraal, 6e graaf van Egmond.
* Karel, 7e graaf van Egmond.

De goederen van Lamoraal werden in 1568 verbeurd verklaard. Sabina van Beieren blijft met haar kinderen in kommervolle omstandigheden achter. Zij krijgt later van de koning een jaargeld.

FILIPS VAN EGMOND
7e ambachtsheer van Egmond 1576-1579

Filips van Egmond was geboren in 1558 en oudste zoon van Lamoraal, 4e graaf van Egmond. Na de dood van zijn vader zocht hij aanvankelijk bescherming in Duitsland bij de keizer, maar keerde later in de Zuidelijke Nederlanden terug. Hier koos hij de zijde van de Staten.
Na de Pacificatie van Gent (1576) was hij weer in het bezit gekomen van de goederen van zijn vader, die bij diens onthoofding waren verbeurd verklaard.
Zo werd Filips graaf van Egmond, prins van Gavere en Steenhuijse, baron van Gaasbeek, Fiennes, HamaĂźde, Vierves en Auxy, heer van ArmentiĂšres, Arquingem en Zottegem. In 1576 werd hij kolonel van een regiment in dienst van de Staten Generaal en tekende in 1577 de Unie van Brussel. Toen in het zuiden de katholieken meer en meer afkerig werden van de weldadige opstand van de calvinisten en zich weer aansloten bij Spanje koos Filips, die katholiek was gebleven, eveneens de zijde van Spanje.
Hierop confiskeerden de Staten Generaal bij resolutie van 20 aug. 1579 alle goederen, die Filips in Holland had.

Voor zijn vele krijgskundige verrichtingen aan Spaanse zijde beloonde Filips II hem met het ordeketen van het Gulden Vlies en het stadhouderschap van Artois. In 1590 werd hij door de koning met een hulpleger naar Frankrijk gezonden, waar hij op 14 maart 1590 in de slag bij Ivry dodelijk gewond werd. Filips werd begraven in Hierges; hij had geen kinderen en was gehuwd met Maria van Hoorne, dochter van Maarten, graaf van Houtkerke.

Lamoraal van Egmond 6e ambachtsheer van Bakkum.
afb. 5 Lamoraal van Egmond 6e ambachtsheer van Bakkum.

LAMORAAL VAN EGMOND
8e ambachtsheer van Bakkum 1590-1607

Lamoraal van Egmond, geboren in ca. 1562, was een zoon van Lamoraal, 4e graaf van Egmond. Hij studeerde te Keulen en Mainz en volgde in 1590 zijn broeder Filips op als 6e graaf van Egmond, prins van Gavere etc.


Jaarboek 3, pagina 8

Lamoraal huwde in ca. 1605 met Maria de Pierrerive, een nicht van de hertog van Rohan, en overleed kinderloos op 23 mei 1617 in Brugge (Brussel?). Hij hield zich achtereenvolgens op aan de hoven van Kleef en Parijs en verbleef daarna eerst in Brabant en later in Holland op de restanten van het Slot te Egmond.

Na confiscatie van de goederen van Filips van Egmond in 1579 door de Staten-Generaal behielden zij het toezicht op de Egmondse goederen in Holland. Het financieel beheer kwam in handen van een door de Staten aangestelde rentmeester. De zuivere inkomsten kwamen allereerst aan de drie in Holland verblijvende dochters van Lamoraal, 4e graaf van Egmond, geheten Francoise, Eleonora en Sabina. Na 1589 is Sabina van dit drietal als enige nog in leven en genoot nu geheel alleen de inkomsten van de Egmondse goederen.

Toen graaf Filips van Egmond in 1590 sneuvelde volgde Lamoraal, een jongere broer hem op als graaf van Egmond en deze trachtte al spoedig daarna de Egmondse goederen in Holland in bezit te nemen. Lamoraal verbleef vaak in Engeland en Frankrijk, was overladen met schulden en leefde zeer verkwistend. De vele schuldeisers wilden steeds tot executie van het bezit van Lamoraal overgaan.

De Staten echter wilden Lamoraal niet in het bezit van de Egmondse goederen stellen omdat zij bezwaren maakten tegen de persoon Lamoraal en zijn levenswijze en bovendien omdat hij als een der eerste edelen toegang tot de Statenvergadering zou krijgen en ook bekleed zou worden met het hoge overheidsgezag verbonden aan de hoge heerlijkheden.
Het liefst hadden de Staten,dat hij naar Frankrijk of een neutraal gebied vertrok. Herhaaldelijk hebben zij grote sommen reisgeld aangeboden en verstrekt, maar Lamoraal bleef of keerde binnen zeer korte tijd weer naar Holland terug.

Om de vele schulden te betalen en om over de grote geldbedragen te beschikken, die aan Lamoraal verstrekt werden, waren reeds vele landerijen, tiendrechten e.d. verkocht. Het bleek langzamerhand niet voldoende te zijn om uit de financiële moeilijkheden te komen.
Met toestemming van de Staten werden in 1599 de heerlijkheden Hoogwoud en Aartswoud verkocht; daarna volgde Huisduinen en in 1601 vervolgens Spanbroek en Spierdijk.

Ook de oude stamgoederen, de hoge heerlijkheid der drie Egmonden en die van Bakkum kwamen nu voor verkoop in aanmerking. Hieraan wilde Lamoraal echter niet zijn medewerking verlenen.
Op 13 dec. 1604 vroeg hij aan de Staten om deze verkoop op te schorten en zou deze verkoop toch moeten geschieden, dan zou Egmond bij Holland ingelijfd moeten worden. Lamoraal wilde voorkomen dat een “vreemde” de naam Egmond zou kunnen dragen.

De Staten beslisten echter op 5 jan. 1605 dat de drie Egmonden als andere goederen zouden worden verkocht met ontbinding van het graafschap. Door weigering van Lamoraal was een gerechtelijke uitspraak nodig; aangeklaagd door een drietal crediteuren werd Lamoraal veroordeeld en de goederen verkocht. De eigendomsoverdracht voor de leenkamer geschiedde nu bij onwillig decreet van het Hof van Holland van 22 en 23 okt. 1607.

In dit decreet stond o.a.:
“Soo is ‘t, dat voors. Hoff met rijpe deliberatie van Rade,deurgesien ende overgewegen hebbende alle tgene ter materie dienende is, in den name ende van wegen der Hoge Overicheyt ende Graeffelicheyt van Hollant, Zeelant ende Vrieslant geapprobeert ende geratificeert heeft, approbeert ende ratificeert mitsdesen de voors.vercoopinge ende proceduyren, in desen gedaen ende gehouden, onterft den voorn, heere gecondemneerde ende alle andere die eenich recht, actie ofte toeseggen aen ofte opte voors. heerlicheyt van Backum ende andere gerechticheyt daer aen dependerende,in hooge ende lage gerechte, met sijne appendentiĂ«n ende dependentiĂ«n als vooren, soude willen pretenderen; ervende, vestigende ende decreterende daerinne, mitsdesen den voors. cooper, zijnen erven, ende nacomelingen ofte actie op hem hebbende … ontbieden ende bevelen daeromme den voors. heere gecondemneerde ende alle anderen, desnoot ende behoorlijck sijnde, haer handen te houden ende te trecken van de voors. heerlicheyt van Bacckum.”

Koopster is Sabina van Egmond;voor de heerlijkheid der Egmonden betaalt zij 26.000 gulden en voor de heerlijkheid Bakkum 4.200 gulden.

SABINA VAN EGMOND
9e ambachtsheer[vrouwe] van Bakkum 1607-1613

Sabina van Egmond, geboren in ca. 1560, was een dochter van Lamoraal, 4e graaf van Egmond. Zij woonde eerst in ‘s Gravenhage en huwde op 14 mrt. 1595 te Delft met George Everhard, graaf van Solms. Zij stierf kinderloos te Delft in 1614 en werd begraven in de kerk te Oud-Beierland. Door de confiscatie van de goederen van Filips, haar oudste broer, kwam zij met haar eveneens ongehuwde zuster Francoise in grote financiĂ«le moeilijkheden. Ze waren hier te lande gevestigd en protestant geworden. De Staten van Holland waren hun goed gezind en kende hun bij resolutie van 19 sept. 1579 een bedrag van 2.000 gulden toe voor kleding en onderhoud, later kregen zij eveneens het vruchtgebruik van de goederen van het huis van Egmond.

Het wapen van het geslacht van Egmond "zijnde van goud (geel) beladen met zes kepers van keel" (rood).
afb. 6 Het wapen van het geslacht van Egmond “zijnde van goud (geel) beladen met zes kepers van keel” (rood).

Jaarboek 3, pagina 9

Nadat in 1589 Francoise gestorven was, werd aan Sabina vooral op aandringen van prins Maurits van Nassau in 1593 alle bezittingen met de heerlijkheidsrechten van Beierland teruggegeven.
Om de inkomsten uit haar heerlijkheden te vergroten had Sabina de nog resterende meren in haar heerlijkheden Warmenhuizen, Harenkarspel en Oudkarspel doen bedijken.

Op 22 en 23 okt. 1607 koopt zij van haar broer Lamoraal de heerlijkheid der Egmonden en de heerlijkheid Bakkum; de belening geschiedde op 31 jan. 1608. Sabina heeft niet lang genot gehad van haar voorvaderlijk goed. Reeds in 1613 op 26 jan. verkoopt zij wegens insolventie de beide heerlijkheden, samen met tiendrechten enz. aan Johan van Oldenbarnevelt, ridder, heer van Berkel, Rodenrijs etc. voor 66.000 gulden.

Johan van Oldenbarnevelt 10e ambachtsheer van Bakkum.
afb. 7 Johan van Oldenbarnevelt 10e ambachtsheer van Bakkum.

JOHAN VAN OLDENBARNEVELT
10e ambachtsheer van Bakkum 1613 – 1619

Johan van Oldenbarnevelt was geboren op 14 sept. 1547 te Amersfoort en zoon van Gerrit van Oldenbarnevelt en Deliana van Weede.
Hij studeerde rechten in verschillende Europese steden. Bij het uitbreken van de opstand in 1572 sloot hij zich aan bij prins Willem van Oranje en speelde in de beginjaren van de opstand een belangrijke rol.
In 1576 werd hij benoemd tot pensionaris van de stad Rotterdam en had daarbij een vooraanstaande positie in de Staten van Holland.
In 1586 werd hij landsadvocaat van Holland en West-Friesland; hij kreeg hierdoor de leiding in de Statenvergaderingen en in de buitenlandse politiek.
Door de militaire successen van Maurits en Willem Lodewijk en door het diplomatieke raffinement van Johan van Oldenbarnevelt ontstond vanaf ca. 1588 een levenskrachtige staat met een volkomen nieuwe staatsvorm: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

In het godsdienstig conflikt van remonstranten en contra-remonstranten koos hij evenals de Staten van Holland de zijde van de eerste partij en prins Maurits die van de laatste partij.

Op voorstel van Oldenbarnevelt werd in 1617 door de Staten van Holland een scherpe resolutie aangenomen, waarbij aan de stedelijke regeringen werd toegestaan om waardgelders in dienst te nemen tot handhaving van de openbare orde en het voorkomen van relletjes naar aanleiding van het godsdienstig conflikt. In aug. 1618 werd echter prins Maurits opgedragen door de Staten-Generaal om de waardgelders in heel Holland af te danken.
Een poging van militair verweer tegen deze afdanking werd door van Oldenbarnvelt gesteund. In aug. 1618 liet prins Maurits hem gevangen nemen en op 13 mei 1619 werd van Oldenbarnevelt op een schavot voor de Haagse Ridderzaal onthoofd.

Johan van Oldenbarnevelt door de koning van Engeland tot ridder verheven, was hoogheemraad van Delfland (1595), heer van Berkel en Rodenrijs (1600), van Gunterstein (1611) en van de Egmonden en Bakkum (1613).

Hij trouwde in 1575 met Maria van Uytrecht, geboren omstreeks 1552 en overleden te Amersfoort op 19 maart 1629. Zij was de natuurlijke dochter van Magdalena Jandr. van Uytrecht en van Adriaen Willemsz. Plas. Bij resolutie van het Hof van Holland op 14 nov. 1675 werd zij gelegitimeerd. Haar ouders bleven ongehuwd. Haar grootvader was Johan van Uytrecht, heer van den Tempel en dijkgraaf van Delfland. Door dit huwelijk legde van Oldenbarnevelt de grondslag van zijn later zo groot fortuin.

Op 26 jan. 1613 koop Johan van Oldenbarnevelt van gravin Sabina van Egmond de heerlijkheden van Egmond, de heerlijkheid Bakkum en tienden in de heerlijkheid Wimmenum voor een bedrag van 66.000 gulden. Op 29 jan. daarnaanvolgend wordt hij met de heerlijkheid Bakkum beleend.

Het wapen van Johan van Oldenbarnevelt "zijnde in rood een zilveren ankerkruis".
afb. 8 Het wapen van Johan van Oldenbarnevelt “zijnde in rood een zilveren ankerkruis”.

Jaarboek 3, pagina 10

Nog in datzelfde jaar maakte hij een reis door Noord Holland. In een memorie van hem schrijft hij hierover o.a.:
“Die vaert tot Backum gestopt, dient datelijck geopent, als jegens het octroy ende recht gestopt; zij moghen de zijl op haer vaert leggen. Off men mitten heere van Marquette nyet zoude kunnen handelen bij offstandt van een partye jurisdictie van Backum jegens een party duynen”.

Na zijn dood in mei 1619 was de rentmeester op 19 juni 1619 in Bakkum gekomen en heeft in aanwezigheid van de baljuw, schout, schepen en oud-schepen van Bakkum instructies gegeven, hun beloften gevraagd en salaris uitbetaald.

Johan had bij Maria van Uytrecht 5 kinderen:
* Jan overleden op 7-jarige leeftijd in 1584.
* Geertruyd overleden in 1601, gehuwd met Reinout van Brederode.
* Maria gehuwd met Mr. Cornelis van der Mijle.
* Reinier onthoofd op 29 maart 1623 voor een mislukte aanslag op prins Maurits.
* Willem vluchtte naar Brussel na deze aanslag.

Maria van Uytercht - ambachtsvrouwe.
afb. 9 Maria van Uytercht – ambachtsvrouwe.

MARIA VAN UYTRECHT
ambachtsvrouwe 1619-1625

Na het overlijden van Johan van Oldenbarnevelt werd zijn echtgenote Maria van Uytrecht in 1619 ambachtsvrouwe van Bakkum.
Op 18 juli 1623 verkoopt zij aan en ten behoeve van haar dochter Maria van Oldenbarnevelt o.a. de heerlijkheid Bakkum.
Twee jaar later op 20 juni 1625 wordt de heer Cornelis van der Mijle, ridder, heer van der Mijle, Dubbeldam etc. als man en voogd van vrouwe Maria van Oldenbarnevelt, zijn erven en nakomelingen beleend met de heerlijkheid Bakkum.

Cornelis van der Mijle 11e ambachtsheer van Bakkum.
afb. 10 Cornelis van der Mijle 11e ambachtsheer van Bakkum.

CORNELIS VAN DER MIJLE
11e ambachtsheer van Bakkum 1625-1642

Cornelis van der Mijle was geboren in 1578 te ‘s-Gravenhage en zoon van Mr. Adriaan van der Mijle, heer van Bleskensgraaf en Dubbeldam, en Magdalena van Egmond van de Nijenburg. Cornelis ging in 1591 letteren studeren in Leiden. Hij bezocht na zijn studie verschillende buitenlandse universiteiten, studeerde o.a. in Geneve. In 1603 kwam hij terug van een reis door Frankrijk, ItaliĂ« en Duitsland. Direkt na zijn terugkeer trad hij op 4 febr. 1603 te ‘s Gravenhage in het huwelijk met Maria Johanna van Oldenbarnevelt. Op deze bruiloft waren de aanzienlijksten uit het land aanwezig: Louis de Coligny, prins Maurits en prins Frederik Hendrik.
Verwant met de invloedrijkste geslachten, bevriend met de prinselijke familie en met geleerden van Europese naam, stond hem een schitterende toekomst te wachten. Onder leiding van Oldenbarnevelt, die zijn schoonzoon zeer op prijs stelde, werd hij ingewijd in de geheimen der diplomatie.

Eind 1603 werd hij benoemd in de raad van prins Maurits en curator van de Leidse Universiteit. Hij leidde diverse diplomatieke missies naar buitenlandse vorsten, was ambassadeur te Parijs en Venetië. Hij werd in 1609 door de koning van Frankrijk verheven tot ridder.
Cornelis van der Mijle volgde zijn vader op als heer van Bleskensgraaf en Dubbeldam en volgde zijn neef op als heer van de Mijle en St. Anthonispolder. Hij werd in 1613 lid van de Ridderschap van Holland en West-Friesland, in 1614 lid van de Raad van State.


Jaarboek 3, pagina 11

Hij was een overtuigd voorstander van de binnenlandse politiek van zijn schoonvader. Na diens gevangenneming vertrok hij veiligheidshalve tijdelijk naar Parijs. Door zijn ongeoorloofd vertrek werd hij in 1619 uit al zijn functies ontheven en na zijn terugkeer verbannen naar Goeree.
Hij bleef zeer bemind; door toedoen van zijn binnen- en buitenlandse invloedrijke vrienden wist hij gedaan te krijgen, dat hij naar Beverwijk mocht verhuizen en enkele jaren later op 4 juli 1625 kreeg hij door invloed van zijn vriend, de stadhouder Prins Frederik Hendrik, zijn volledige vrijheid terug.
Ook werd hij pas in deze periode op 20 juni 1625 beleend met de heerlijkheid Bakkum, terwijl de heerlijkheid al enkele jaren eerder door zijn echtgenote van haar moeder was gekocht. Hij verkreeg volledig eerherstel, nam in 1632 weer zitting in de Staten van Holland, werd in 1640 opnieuw benoemd tot curator van de Leidse Universiteit. Op 21 nov. 1642 is hij overleden en op 25 nov. daaraanvolgend begraven in de Hofkapel te ‘s-Gravenhage.

Uit zijn huwelijk met Maria van Oldenbarnevelt sproten de volgende kinderen:
* Adriaan, heer van Bakkum, enz.
* Johan ongehuwd overleden in 1633.
* Magdalena gehuwd met Charles de Rechignevoisin.
* Geertruida overleden voor 1655.
* Arent overleden voor 1640.
* Cornelia zeer jong overleden.

MARIA VAN OLDENBARNEVELT
ambachtsvrouwe 1642-1657

Na het overlijden van Cornelis van der Mijle in 1642 werd zijn echtgenote Maria van Oldenbarnevelt ambachtsvrouwe van Bakkum.

Maria van Oldenbarnevelt overleed in febr. 1657 en werd de 23e van die maand begraven in de Grote kerk te ‘s-Gravenhage.
Zij werd opgevolgd door haar zoon Adriaan van der Mijle, die op 16 maart 1658 door de Staten van Holland en West-Friesland werd beleend met de heerlijkheid Bakkum.

Het wapen van het geslacht van der Mijle "in zilver een klimmende zwarte eenhoorn met gouden hoorn en manen".
afb. 11 Het wapen van het geslacht van der Mijle “in zilver een klimmende zwarte eenhoorn met gouden hoorn en manen”.

ADRIAAN VAN DER MIJLE
12e ambachtsheer van Bakkum 1658-1664

Adriaan van der Mijle was geboren omstreeks 1604 en was zoon van Cornelis van der Mijle en van Maria Johanna van Oldenbarnevelt.
Adriaan studeerde in Leiden. Hij maakte na zijn studie de voor zijn stand gebruikelijke buitenlandse reis, die zich uitstrekte tot Italië. Na terugkeer trad hij in militaire dienst, was in 1629 kapitein der Infanterie.
Door stadhouder Frederik Hendrik werd hij aangesteld tot gouverneur van de door prins Willem gestichte vesting Willemstad. In 1654 werd hij kolonel van het Noord-Hollandse Regiment en vervolgens luitenant-generaal der Artillerie.

Adriaan was eveneens hoogheemraad van Delfland, lid van de Ridderschap van Holland en West Friesland en ambachtsheer van Van der Mijle, Dubbeldam, Bakkum, Alblas, Bleskensgraaf en Sint Anthonispolder.
Na het overlijden van zijn moeder, Maria van Oldenbarnevelt, werd Adriaan op 16 maart 1658 door de Staten van Holland en West Friesland beleend met de heerlijkheid Bakkum.

Evenals zijn vader voelde hij zich aangetrokken tot de beoefening der letteren en onderhield hij briefwisseling met o.a. Huygens.
Adriaan trouwde voor de eerste maal in 1634 te Wassenaar met Agatha van Raephorst, dochter van Hendrik, heer van Raephorst en Cornelia van den Eijnde. Na haar dood trouwde Adriaan op 9 dec. 1646 te ‘s Gravenhage met Petronella van Wassenaar, dochter van Johan, heer van Duivenvoorde, ‘t Woud, Starrenburg, Veur en Voorschoten en van Jonkvrouwe Clara de Hinojosa.
Adriaan is op 29 april 1664 overleden; op 29 jan. 1665 koopt zijn vrouw Petronella van Wassenaar voor 33.333 gulden het kasteel Marquette te Heemskerk van Maximilliaan de Hertaing Petronella overleed te Rijswijk in 1702.

Kinderen uit het eerste huwelijk:
* Maria Cornelia gehuwd met baron Philips Jacob van den Boetzelaer.

Kinderen uit het tweede huwelijk:
* Cornelis geb. in 1649 en jong overleden.
* Johan, heer van Bakkum enz.
* Clara Elisabeth gehuwd met Frederik Hendrik van Reede.
* Maria Agatha bleef ongehuwd, vanaf 1702 vrouwe van Marquette.
* Anna Magdalena ongehuwd overleden in 1689.

Na het overlijden van Adriaan werd op 13- jarige leeftijd zijn zoon jonkheer Johan van der Mijle beleend met de heerlijkheid Bakkum.

JOHAN VAN DER MIJLE
13e ambachtsheer van Bakkum 1664-1671

Johan van der Mijle was geboren te ‘s Gravenhage en aldaar gedoopt op 18 aug. 1651 en was zoon van Adriaan van der Mijle en Petronella van Wassenaar.
Na het overlijden van zijn vader werd hij op 30 dec. 1664 beleend met de heerlijkheid Bakkum. In verband met de onmondigheid van Johan (13 jaar) legt zijn moeder, vrouwe Petronella van Wassenaar, als moeder en voogdes hulde, eed en


Jaarboek 3, pagina 12

manschap af in handen van Johan de Witt, raadspensionaris, als stadhouder en registermeester van de leenkamer.
Johan werd eveneens heer van der Mijle, Dubbeldam en St. Anthonispolder. In het najaar van 1671 werd hij tijdens een duel gedood door Willem Albrecht, graaf van Dohna.

PETRONELLA VAN WASSENAAR
14e ambachtsvrouwe van Bakkum 1672-1695

Na de dood van haar zoon Johan van der Mijle werd op 10 jan. 1672 vrouwe Petronella van Wassenaar, weduwe van Adriaan van der Mijle (12e ambachtsheer), beleend met de heerlijkheid Bakkum.
Op 14 sept. 1695 verkoopt baronesse, vrouwe Petronella van Wassenaar, douariĂ©re van der Mijle, vrouwe van Marquette, van Oud-Albas en van Andelst voor 4500 gulden de heerlijkheid Bakkum aan de heer Jacob PernĂ©, koopman en wonende te Amsterdam. Twee maanden later op 30 nov. 1695 koopt Petronella van Wassenaar echter het recht van zee – en strandvonderij weer terug van Jacob PernĂ© voor een bedrag van 2000 gulden.

Het wapen van het geslacht Perné "in goud een steigerend zwart paard".
afb. 12 Het wapen van het geslacht PernĂ© “in goud een steigerend zwart paard”.

JACOB PERNÉ
15e ambachtsheer van Bakkum 1695 – ?

Jacob Perné was gedoopt op 23 okt. 1653 in de Oude Kerk te Amsterdam en was een zoon van Benjamin Perné, kaardemaker (werkman in weverij), uit Sandwich (Gr. Brit.) en van Maria Jans uit Amsterdam. Op 16 mei 1674 trouwt Jacob Perné met Maria Verbiest, dochter van Isaak Verbiest en Cornelia van Beeck. Jacob Perné was koopman te Amsterdam en woonde o.a. op de Vijgendam en Kloveniersburgwal. Van het geslacht Perné is weinig bekend; zelfs het overlijden van Jacob is op dit moment (nog) niet te achterhalen.

Op 14 sept. 1695 koopt Jacob PernĂ© voor 4500 van vrouwe Petronella van Wassenaar de heerlijkheid Bakkum met de conditie dat hij Gerrit Gertner, die op dat moment baljuw, schout en secretaris van Bakkum was, niet eerder zal ontslaan vóór hij Gerrit Gertner aan een betere betrekking had geholpen. Op 14 april 1696 staat Gerrit Gertner zijn functies af aan Jacob PernĂ©, die daaraan voorafgaand op 30 nov. 1695 het recht van zee – en strandvonderij weer had teruggegeven aan Petronella van Wassenaar voor het bedrag van 2000 gulden.

Uit zijn huwelijk met Maria Verbiest worden 7 kinderen geboren, waarvan de meesten zeer jong zijn gestorven. Zijn zoon Isaac Perné zal de heerlijkheid Bakkum erven.

ISAAC PERNÉ
16e ambachtsheer van Bakkum ? 1748

Isaac Perné werd op 9 nov. 1681 in de Zuiderkerk te Amsterdam gedoopt en was een zoon van Jacob Perné en Maria Verbiest. Hij trouwde te Haarlem op 26 april 1707 met Johanna Akersloot. Uit dit huwelijk werden 7 kinderen geboren, terwijl Johanna bij de geboorte van het jongste kind overleed; zij werd op 10 dec. 1715 te Haarlem begraven.

Op 30 maart 1709 koopt Isaac Perné een huis in de Barteljorisstraat. Bij de verkoop van dit pand op 3 dec. 1711 aan Mr.Jacob Akersloot, raadspensionaris van Haarlem (waarschijnlijk zijn grootvader) wordt Isaac drossaard van Eindhoven en Cranendonk genoemd. In Haarlem bekleedde Isaac o.a. de functie van commissaris van de Kleine Bank van Justitie en luitenant van de St.Jorisdoelen en van de Kloveniersdoelen.

Eind 1747, als Jacob Perné al enige jaren is overleden, bemerkte zijn zoon Isaac Perné dat hem de heerlijkheid Bakkum is nagelaten. Isaac begaf zich naar de Rekenkamer om er verlij of erfrecht over te vragen, maar dit werd hem door de griffier der lenen geweigerd. In de leenwet stond namelijk geschreven, dat iemand binnen 6 maanden na het overlijden van een leenman verlij moet vragen van het goed, dat hij geërfd heeft, terwijl zijn vader reeds enige jaren was overleden. Isaac Perné wendde zich nu tot de Staten van Holland en West Friesland en beriep zich op zijn onbekendheid met de leenwet. De bewaarder van het grootzegel en stadhouder-registermeester der lenen de heer Adam Adriaen van der Duijn was genegen hem de Heerlijkheid Bakkum in leen af te staan, mits hij als boete dubbele heergewaden en hofrechten betaalde. Dit werd op 17 jan. 1748 door de Staten goedgekeurd en het verlij werd gegeven.

Isaac Perné overleed op 8 okt. 1748 te Haarlem en werd op 15 okt. 1748 aldaar begraven. Hij werd opgevolgd als ambachtsheer van Bakkum door zijn zoon Abraham Perné.

ABRAHAM PERNÉ
17e ambachtsheer van Bakkum 1748 – 1749

Abraham Perné wordt op 18 mei 1714 te Haarlem gedoopt en was zoon van Isaac Perné en Johanna Akersloot. Net als zijn vader werd ook hij commissaris van de Kleine Bank van Justitie en luitenant van de Kloveniersdoelen en de St.Jorisdoelen. In 1743 en 1744 was hij schepen in de stad Haarlem. In 1748 werd hij lid van de vroedschap van de stad, maar werd in datzelfde jaar weer ontslagen. Abraham overleed in 1761 te Haarlem en wordt op 12 okt. van dat jaar begraven. Voor zover we kunnen nagaan bleef hij ongehuwd.

In 1748 erft hij de heerlijkheid Bakkum van zijn vader. Reeds op 18 nov. 1749 verkoopt hij voor 4000 gulden de heerlijkheid Bakkum aan Mr.Nicolaas Geelvinck, heer van Castricum, met


Jaarboek 3, pagina 13

bovendien alle rechten verbonden aan de heerlijkheid met uitzondering van het recht van zee – en strandvonderij.

Het wapen van Geelvinck (van Backum) "1 en 4 in blauw een gouden vink, 2 en 3 in zilver een groene rechterschuinbalk met in het hartschild het wapen van Bakkum".
afb. 13 Het wapen van Geelvinck (van Backum) “1 en 4 in blauw een gouden vink, 2 en 3 in zilver een groene rechterschuinbalk met in het hartschild het wapen van Bakkum”.

NICOLAAS GEELVINCK
18e ambachtsheer van Bakkum 1749 – 1764

Nicolaas Geelvinck is geboren op 11 okt. 1706 en een zoon van de machtige Lieve Geelvinck, een van Amsterdams burgemeesters, en van Agatha Theodora van Bambeeck. De familie Geelvinck was reeds in 1664 in het bezit gekomen van de heerlijkheden Castricum en Cronenburg.

Op 8 nov. 1749 koopt Mr. Nicolaas Geelvinck voor 4000 gulden de heerlijkheid Bakkum van Abraham Perné. De dorpen Bakkum en Castricum hadden nu voor het eerst in de geschiedenis dezelfde ambachtsheer. De dorpen bleven echter nog als zelfstandige eenheden voortbestaan, met elk een eigen college van schout en schepenen.

Nicolaas Geelvinck was in Amsterdam een machtig man; door zijn huwelijken werd hij zeer gefortuneerd. Hij trouwde op 20 sept. 1729 te Amsterdam met Johanna Jacoba Graafland, geboren op 8 okt. 1711 te Amsterdam en overleden aldaar op 5 juni 1740, dochter van Gilles Graafland, heer van Mijnden en de beide Loosdrechten en van Anna de Haze (na de dood van Gilles hertrouwde zij met Lieve Geelvinck, heer van Castricum) Op 23 jan. 1743 trouwde Nicolaas Geelvinck voor de 2e maal met Hester Elizabeth Hooft, geboren op 12 aug. 1718 te Amsterdam en overleden op 31 maart 1743, dochter van Mr. Gerrit Hooft o.a. burgemeester van Amsterdam en van Hester Hinlopen.
De ongelukkige Nicolaas verloor na ruim twee maanden na zijn huwelijk zijn tweede vrouw. Op 19 febr. 1747 trouwde hij voor de 3e en laatste maal met Maria Margaretha Corver, geboren te ‘s Gravenhage op 24 okt. 1723 en gestorven op 26 april 1777. Zij was weduwe van Jan Hooft en vrouwe van Velsen en Santpoort. Als enig dochter van Gerrit Corver, o.a. burgemeester van Amsterdam, en van Margaretha Munter, had ze de heerlijkheden Velsen en Santpoort en de prachtige buitenplaats Watervliet te Velsen geĂ«rfd.

Mr. Nicolaas Geelvinck bekleedde in Amsterdam vele functies, hij was schepen vanaf 1735 en burgemeester vanaf 1747; bij de omwenteling in Amsterdam in 1748 werd hij door prins Willem IV echter al afgezet. Nicolaas was eigenaar en woonde vanaf 1744 aan de Herengracht noordzijde in het kapitale huis nr 509 en 511.
Op 3 april 1742 kocht hij voor 25.000 gulden van zijn zuster Anna Elisabeth Geelvinck, weduwe van Jean Lucas Pels, de hofstede Akerendam te Beverwijk. Na haar dood in 1757 erfde Nicolaas bovendien de daarnaast gelegen buitenplaats Scheybeeck te Beverwijk.

Nicolaas hield in 1742 o.a. 7 dienstboden, een koets met 4 paarden en werd geschat op een inkomen van 15.000 gulden. Hij ontving van Anna de Haze als weduwe van Lieve Geelvinck en bovendien zijn schoonmoeder uit zijn 1e huwelijk de heerlijkheden Stabroek, Mijnden en de beide Loosdrechten. Deze heerlijkheden zijn later overgedragen aan zijn schoonzuster vrouwe Margaretha Helena Graafland, die trouwde met Mr. Jacob Alewijn.
Nicolaas overleed te Amsterdam op 15 juni 1764; zijn vrouw Maria Margaretha Corver overleed bijna 13 jaar later op 26 april 1777 een vermogen achterlatend van ruim 3 miljoen gulden, een voor die tijd ongekend fortuin.

Kinderen uit zijn eerste huwelijk:
* Mr. Lieve Geelvinck, o.a. schepen van Amsterdam, trouwde met Catherina Elizabeth Hasselaer en overleed 1 jaar na zijn huwelijk in 1757.

Kinderen uit het tweede huwelijk:
* Mr. Nicolaas Geelvinck erfde de buitenplaats Scheybeeck te Beverwijk en de heerlijkheid Stabroek. Hij was stichter van Georgetown – hoofdstad van Brits Guyana – in de hoedanigheid van gouverneur-generaal der West-Indische Compagnie. Hij trouwde voor de 1e maal met Johanna Geertruij van de Poll en voor de 2e maal met Magdalena Sophia Elisabeth Juliana, gravin van Rechteren tot Gramsbergen.
* Anna Jacoba gehuwd met Abraham Dedel, koopman, bankier en assuradeur.
* Joan welke de heerlijkheid Bakkum erfde.
* Agatha Theodora voor de 1e keer gehuwd met Dirk Wolter van Lijnden, heer van Hoevelaken en voor de 2e keer met baron von Thielmeijer.

Kinderen uit het derde huwelijk:
* Margaretha Levina erfde van haar moeder in 1777 de buitenplaats Watervliet te Velsen en de heerlijkheden Velsen en Santpoort; zij trouwde met Mr. Hendrik Hoeufft, raadsheer in het hof van Brabant en het land van Overmaas.
* Agnes Maria Gehuwd met Daniël Hooft, vrijheer van Vreeland, o.a. lid van de 2e kamer en eigenaar van de hofstede Velserbosch te Velsen.

JOAN GEELVINCK
19e ambachtsheer van Bakkum 1764 – 1802

Joan Geelvinck werd geboren te Amsterdam op 7 aug. 1737 en was een zoon van Mr. Nicolaas Geelvinck en Johanna Jacoba Graafland. Op 5 juni 1764 worden bij testament de rechten van de heerlijkheden Bakkum, Castricum en Cronenburg aan Joan Geelvinck overgedragen.

Joan Geelvinck had rechten gestudeerd in Leiden en promoveerde aldaar in 1759. In Amsterdam bekleedde hij verschillende ambten; hij was o.a. schepen in 1765, baljuw en dijkgraaf van Amstelland. Van 1768 tot 1773 was hij Minister-Plenipotentiaris van Hare Hoog Mogenden aan het Hof te Brussel. Op 5 juli 1787 werd hij door de patriotten tot burgemeester van


Jaarboek 3, pagina 14

Amsterdam benoemd, na de onwettige afzetting van de burgemeesters Beels en Dedel. Enkele maanden later op 27 nov. 1787 werd hij echter al door prins Willem V van zijn functie ontheven. Joan was toen reeds uitgeweken naar het buitenland.

Joan Geelvinck trouwde op 22 jan. 1760 te Amsterdam met Maria Elisabeth Beck, geboren te Amsterdam in 1739 en overleden aldaar op 1 april 1774, zij was een dochter van Pieter Beck en Anna Albertina Karsseboom.
Op 18 april 1784 trouwt Johan voor de tweede maal te Amsterdam met Margaretha van Loon, geboren te Amsterdam op 30 okt. 1754; zij was weduwe van Mr. Abraham Muyssart en dochter van Mr. Jan van Loon en Maria Hacker. Margaretha van Loon overleed op 4 nov. 1801 en haar 2e man Joan Geelvinck een half jaar later op 2 juli 1802 te Amsterdam.

Kinderen uit zijn eerste huwelijk:
* Johanna Albertina, die in 1782 trouwde met Albertus Cornelis Schuyt.
* Maria Petronella, die in 1787 trouwde met Franz Anton Tschiffly, vrijheer van Neyenstadt en Cudefrin, o.a. lid van de Grote Raad van de Stad en Republiek Bern.

Na het overlijden van Mr. Joan Geelvinck kwamen zijn dochters met echtgenoten op 28 okt. 1802 op het buitenhuis van Albertus Cornelis Schuyt “de Vlotter” te Heemskerk bijeen. Hier werd besloten dat de heerlijkheden Bakkum, Castricum en Cronenburg zouden overgaan op Albertus Cornelis Schuyt en de heerlijkheid Stabroek op Franz Anton Tschiffly.

Met deze twee dochters stierf het roemruchte geslacht Geelvinck uit.

Het wapen van Schuyt "1 en 4 in goud een rode dwarsbalk beladen met een gouden schuit en vergezeld van drie vliegende zwarte vogels, geplaatst 2 boven en 1 onder de balk - 2 het wapen van Castricum - 3 het wapen van Bakkum".
afb. 14 Het wapen van Schuyt “1 en 4 in goud een rode dwarsbalk beladen met een gouden schuit en vergezeld van drie vliegende zwarte vogels, geplaatst 2 boven en 1 onder de balk – 2 het wapen van Castricum – 3 het wapen van Bakkum”.

ALBERTUS CORNELIS SCHUYT
20e ambachtsheer van Bakkum 1803-1814

Albertus Cornelis Schuyt was geboren op 18 juni 1760 te Amsterdam en zoon van Albertus Schuyt en van Johanna Cornelia van Gheel van Spanbroek.
Op 16 juni 1782 trad hij in het huwelijk met Johanna Albertina Geelvinck, geb. op 6 maart 1762 te Amsterdam en overleden op 8 jan. 1815 en dochter van Mr. Joan Geelvinck en Maria Elisabeth Beck.

Albertus Cornelis Schuyt werd op 27 nov. 1787 door de prins Erfstadhouder Willem V aangesteld als Raad in de vroedschap van Amsterdam en bleef dit tot 1795; werd in 1788 en 1791 Schepen. In 1788 woonde hij op de Leidse gracht en ging kort daarna op de Herengracht wonen. Op deze gracht heeft hij in de loop der jaren meerdere huizen bewoond (o.a. nr. 458, 491 en 619).
Albertus was in 1808 Ă©cuyer (stalmeester) van Koning Lodewijk Napoleon, terwijl zijn echtgenote in die periode Dame du palais van Koningin Hortense was.

Op 1 febr. 1803 werden de heerlijkheden Bakkum, Castricum en Cronenburg van Mr. Joan Geelvinck overgeschreven op Albertus Cornelis Schuyt. Al eerder waren op 28 okt. 1802 de rechten verbonden aan de heerlijke titel van de ambachtsheerlijkheid Bakkum in de geest van die tijd aan de meest biedende publiekelijk verkocht voor de somma van duizend gulden. Dit bedrag was getaxeerd door de schepenen van Bakkum.

Albertus was eigenaar van de hofstede Jagerslust, eerder het huis de Vlotter geheten en gelegen aan de Rijksstraatweg te Noorddorp (gemeente Heemskerk). Bij de strijd tegen de Engelsen en Russen in 1799 leed hij aldaar een schade van ruim tienduizend gulden. Hij was in 1804 tot jagermeester benoemd en een van de oprichters van het St. Hubertus Gilde. Hij overleed te Amsterdam op 21 jan. 1814.

Kinderen uit zijn huwelijk:
* Albertus Johannes, zijn opvolger als ambachtsheer van Bakkum
* Johanna Elisabeth op 9 jarige leeftijd overleden.
* Maria Nicoletta gehuwd met Adolf Brandt, kapitein in Hanoverse dienst.
* Anna Isabella Maria zeer jong overleden.
* Clasina Elisabeth op 19 jarige leeftijd overleden.
* Anna Isabella Maria Johanna gehuwd met George Daniel Renneberg, luitenant-kolonel in Hanoverse dienst.

 Albertus Johannes Schuyt 2Ie ambachtsheer van Bakkum.
afb. 15 Albertus Johannes Schuyt 2Ie ambachtsheer van Bakkum.

ALBERTUS JOHANNES SCHUYT van CASTRICUM
21e ambachtsheer van Bakkum 1814-1855

Albertus Johannes Schuyt was geboren op 2 maart 1783 te Amsterdam en zoon van Albertus Cornelis Schuyt en van Johanna Albertina Geelvinck.
Op 12 aug. 1810 trad hij te Amsterdam in het huwelijk met Maria Henriëtte Muilman, geb. te Amsterdam op 21 okt. 1771 en overleden aldaar op 16 febr. 1813; zij was een dochter van Mr. Hendrik Muilman, heer van Haamstede, Koudekerke en Weiland, schepen en raad te Amsterdam en van Susanna Cornelia Hartsinck.

Albertus Johannes Schuyt trouwde voor de 2e maal op 17 aug. 1815 met Susanna Maria Johanna van Marselis Hartsinck, geb. te Amsterdam op 25 april 1792, eveneens Dame du palais van Koningin Hortense, overleden te Parijs op 20 april 1846; zij was een dochter van Pieter Cornelis Hartsinck, schepen en raad te Amsterdam, koopman en bankier en van Maria Petronella van Marselis.


Jaarboek 3, pagina 15

Albertus Johannes Schuyt was heer van Bakkum, Castricum en Cronenburg en had bovendien de heerlijkheid Stabroek weer verkregen. Hij was stalmeester van Koning Lodewijk Napoleon (net als zijn vader), later jagermeester en opperstalmeester. In Amsterdam was hij lid van de Raad en kolonel der schutterij. Hij was Ridder in de Orde van de Ned. Leeuw en woonde op de Herengracht te Amsterdam (o.a. nr. 491 en 605).

Kort na het overlijden van zijn vader deed koning Willem I bij besluit van 26 maart 1814 voor een deel de heerlijke rechten herleven. Zo kregen in de voormalige heerlijkheden de vroegere heren het recht van voordracht van schouten, secretarissen en bestuurders van gemeenten en het benoemingsrecht van kleinere gemeentebedieningen, ook werd het recht van visserij hersteld. Ogenblikkelijk na de afkondiging van dit besluit voerden de vroegere bezitters of hun opvolgers hun heerlijke titels weer in de officiële stukken en zo voerde ook Albertus Johannes Schuyt de titels van heer van Castricum, Bakkum, Cronenburg en Stabroek.

Door zijn eerste huwelijk was Albertus Johannes Schuyt eigenaar van de hofstede Hilverbeek te ‘s Graveland. Hij overleed op 10 dec. 1855 te Hanau.

Kinderen uit zijn huwelijk:
* Susanna Albertina zeer jong overleden.
* Albertus Petrus geb. 1816 te Amsterdam, overleden in Batavia.
* Elisa Maria Petronella gehuwd met Prof. Dr. Jan Justus van Toorenenbergen, prof. theologie te Amsterdam.
* Henri Corneille de opvolger als ambachtsheer van Bakkum.
* Francois Jean gehuwd met Louise Regine Henriëtte Hamel, welk gezin zich in Frankrijk vestigde.

Henri Corneille Schuyt 22e ambachtsheer van Bakkum met op schoot de huidige ambachtsheer David Johannes Menno Asse Braakenburg.
afb. 16 Henri Corneille Schuyt 22e ambachtsheer van Bakkum met op schoot de huidige ambachtsheer David Johannes Menno Asse Braakenburg.

HENRI CORNEILLE SCHUYT van CASTRICUM
22e ambachtsheer van Bakkum 1855-1899

Henri Corneille Schuyt was geboren op 6 nov. 1820 te Amsterdam en zoon van Albertus Johannes Schuyt van Castricum en van Susanna Maria Johanna van Marselis Hartsinck.
Op 27 juni 1861 trad hij te Stein bij Gouda in het huwelijk met Cornelia Clara Wilhelmina Sclirijver, geb. op 11 maart 1832 te Krimpen aan de Lek en overleden op 12 april 1895 te Amsterdam, dochter van Jacobus Gerardus Catharinus Schrijver en Wilhelmina Spaan.

Henri Corneille was burgemeester van achtereenvolgens Pernis, Sluijpwijk en Steijn en later van Lisse. Hij was ambachtsheer van Bakkum, Castricum, Cronenburg en Stabroek. In 1855 volgde hij zijn vader in de heerlijkheden op en deed hiervan afstand ten behoeve van twee zijner schoonzoons in 1899. Hierbij ontving Jhr. mr. Carl Adolf Elias de heerlijkheden Castricum en Stabroek en Lambertus Johannes Apollonius Braakenburg de heerlijkheden Bakkum en Cronenburg. Henri Corneille Schuyt overleed te Zaandam op 15 sept. 1915.


Jaarboek 3, pagina 16

Kinderen uit zijn huwelijk:
* Wilhelmina Susanna Johanna Maria gehuwd met Jhr. Scato Gockinga, burgemeester van ‘t Zandt, Appingedam en later Hoogkerk.
* Albertine Marie Jeanne gehuwd met Carel George Reinhold van Marselis Hartsinck, assuradeur.
* Jacobus Gerardus Catharinus zeer jong overleden.
* Jacobus Johannes was gehuwd, genaturaliseerd als Engelsman en woonde in Zuid Afrika.
* Alida Arendina Jeannette gehuwd met Jhr. mr. Carl Adolf Elias, burgemeester van Zaandam en Heer van Castricum en Stabroek.
* Elise Jeanne Justine gehuwd met Lambertus Johannes Apollonius Braakenburg arts en opvolger als Heer van Bakkum en Cronenburg.
* Cornelia Clara Wilhelmina was o.a. verpleegster op Soerabaya en gehuwd met J. Waldemaier.

Het wapen van Braakenburg van Backum "in zilver een rode keper, met in het hartschild het wapen van Bakkum".
Afb. 18 Het wapen van Braakenburg van Backum “in zilver een rode keper, met in het hartschild het wapen van Bakkum”.

LAMBERTUS JOHANNES APOLLONIUS BRAAKENBURG VAN BACKUM
23e ambachtsheer van Bakkum 1899-1918

Lambertus Johannes Apollonius Braakenburg was geboren op 8 maart 1862 te Assendelft en zoon van Dr. David Johannes Braakenburg, geneesheer en van Helena Gerarda Sabelis. Op 20 febr. 1895 trad hij in het huwelijk met Elise Jeanne Justine Schuyt van Castricum, geb. op 21 juni 1872 te Lisse en overleden op 101-jarige leeftijd op 9 april 1974 te Heemstede, dochter van Henri Corneille Schuyt van Castricum en Cornelia Clara Wilhelmina Schrijver.

Lambertus J. A. was geneesheer te Leiden, officier van gezondheid der Leidsche Schutterij en vanaf 1904 controlerend geneeskundige van de Rijksverzekeringsbank voor Limburg, vervolgens voor Noord-Brabant en in 1914 voor Noord-Holland. Hij was lid van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap sedert 1318 te ‘s Hertogenbosch. Op 12 juli 1899 verkreeg hij van zijn schoonvader Henri Corneille Schuyt van Castricum de heerlijkheden Bakkum en Cronenburg. Lambertus J.A. overleed op 20 febr. 1918 te Haarlem.

Kinderen uit zijn huwelijk:
* Helena Gerarda Cornelia ongehuwd overleden.
* Elise Jeanne Justine zeer jong overleden.
* Henri Corneille David, koopman gehuwd met Karola Katharina Martinek.
* Elise Jeanne Justine Helena Cornelia, ongehuwd.
* Richard Albert, arts en bacterioloog, eerder adj. dir. Juliana Ziekenhuis te Bandoeng, gehuwd met Elisabeth Jacoba de Menthon Bake.
* Davina Johanna Henriëtte Assa jong overleden.
* David Johannes Menno Asse opvolger als ambachtsheer van Bakkum en Cronenburg.

ELISE JEANNE JUSTINE SCHUYT VAN CASTRICUM
ambachtsvrouwe 1918-1950

Na het overlijden van Lambertus J.A. Braakenburg van Backum werd zijn echtgenote Elise J.J. Schuyt van Castricum in 1918 ambachtsvrouwe van Bakkum.
In 1950 droeg zij bij onderhandse acte de heerlijkheid Bakkum over aan haar jongste zoon David Johannes Menno Asse Braakenburg van Backum.
Zij overlijdt op 101-jarige leeftijd op 9 april 1974 te Heemstede.

D.J.M.A. Braakenburg 24e ambachtsheer van Bakkum.
afb. I7 D.J.M.A. Braakenburg 24e ambachtsheer van Bakkum.

DAVID JOHANNES MENNO ASSE BRAAKENBURG VAN BACKUM
24e ambachtsheer van Bakkum 1950 – heden

David Johannes Menno Asse Braakenburg is geboren op 25 jan. 1915 te Haarlem en zoon van Lambertus J.A. Braakenburg van Backum en van Elise J.J. Schuyt van Castricum. David J.M.A. trouwde voor de 1e maal met Louise Daniëla de Jong Schouwenburg, dochter van Mr. J.L.H. de Jong Schouwenburg en van A. J. Parker en trouwde voor de 2e maal op 28 juni 1968 met Johanna Jacoba ten Cate, dochter van Johannes ten Cate en J.J. Kortenbout van der Sluijs en weduwe van L.M. de Jong Schouwenburg (broer van zijn 1e echtgenote).

David J.M.A. was secretaris van enige bedrijfsorganisaties en van een bedrijfspensioenfonds. In 1950 verkreeg hij bij onderhandse acte van zijn moeder de heerlijkheden Bakkum en Cronenburg. Evenals zijn vader is hij lid van de Illustre Vrouwe Broederschap. Momenteel is hij gepensioneerd en woont te Leusden.

Kinderen uit zijn 1e huwelijk:
* Davina Johanna Helena Assa gehuwd met Richard Gerard van Wel, drs. fys.


Jaarboek 3, pagina 17

* Mr. David Johannes Richard Menno, advocaat en procureur te Rotterdam, gehuwd met Henriëtte Johanna Muller.

Uit dit laatste huwelijk is dit jaar op 3 febr. 1980 een zoon geboren, geheten Arthur Menno David, die waarschijnlijk in de wat verdere toekomst de titel “Heer van Bakkum” gaat dragen.

6 Bakkum in het kort

In de voorgaande hoofdstukken heb ik geschreven over de Heerlijkheid Bakkum en zijn ambachtsheren in hoofdzaak de periode, dat Bakkum nog als zelfstandig dorp bestond. Dit dorp gelegen ten noorden van de huidige Zeeweg had zijn eigen dorpsbestuur, bestaande uit schout en 5 schepenen, zijn eigen wetten en voorschriften en zijn eigen rechthuis.

De oude en in onbruik geraakte Cunerakapel, welke in 1351 was gesticht, was reeds in de 16e eeuw ingericht als rechthuis; het stond in het “centrum van het dorp in de omgeving van de Herenweg – Achterlaan.
In het rechthuis, ook wel raadhuis genoemd, was ook de dorpsschool ondergebracht, waaraan slechts Ă©Ă©n schoolmeester was verbonden.

Nadat vanaf 1812 Bakkum bij Castricum was gevoegd, verloor het rechthuis, raadhuis of school haar functie; het is nog een poos verhuurd als woonhuis en is omstreeks 1872 gesloopt.

Zoals eerder genoemd was de eerste vermelding van Bacchem omstreeks 980. In de loop der jaren komen we de naam in verschillende vormen tegen Bachem, Backom, Backum, Baccum en tenslotte de huidige schrijfwijze Bakkum.

Het dorp en zijn inwoners kende in de loop der eeuwen vele tegenslagen en ellende. Zo zou Bakkum veel schade hebben geleden door verwoesting en plundering door Spaanse troepen tijdens het beleg van Alkmaar in 1573 en door de Frans/Bataafse troepen in 1799. In het dorp werd ook armoe geleden; het had zijn eigen armenbestuur.

Bakkum telde in de 16e, 17e en 18e eeuw ongeveer 110 inwoners; er stonden ca. 25 huizen. De landbouw en de schelpen visserij waren er de belangrijkste middelen van bestaan.

Dit kleine dorp ten noorden van de Zeeweg had een uitgesproken dorpskarakter; de echter dorpssfeer is nu verdwenen, wel heeft dit gebied zijn landelijke karakter kunnen behouden. Moge tenslotte dit landelijk karakter wat nu nog herkenbaar is, niet verder worden aangetast, zoals dat helaas reeds is geschied door de nieuwbouw van een aantal bungalows aan de Achterlaan.

S.P.A. Zuurbier

BRONNEN

Algemeen:
* Wijs, Dr. J.J.A., Bijdrage tot de kennis van het leenstelsel in de Republiek Holland, ‘s Gravenhage 1939.
* Blécourt, A.S. de en H.F.W.D. Fischer, Kort begrip van het oud-vaderlandsch burgerlijk recht, Groningen-Djakarta 1950.
* B.(raakenburg) v.(an) B.(ackum), L.J.A., Ambachtsheerlijkheid Backum, Leiden 1901.
* Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, Schoort 1973.
* Woordeloos P ., Heerlijkheden in West friesland, West Friesland Oud en Nieuw 26e bundel (1959) – blz. 51 t/m 118.

Geslacht van Egmond
* Dek, Dr. A.W.E., Genealogie der Heren en Graven van Egmond, ‘s Gravenhage 1958.
* Geus, J.P., Het afpalen van de meren in de heerlijkheden Warmenhuizen, Oudkarspel en Harenkarspel, Holland, 9e jrg blz 49 ev.
* Nieuw Ned. Biografisch Woordenboek, dl III blz. 322 t/m 343.
* Mieris, F. van, Groot Charterboek der Graaven van Holland en Zeeland, 4 dln., Leiden 1754-1756.
* Renson, G., Wetenswaardigheden betreffende de goederen van Lamoraal, graaf van Egmont na zijn decapitatie. Eigen Schoon en De Brabander, XLVIIIe jrg nr 3-4.

Johan van Oldenbarnevelt
* Veenendaal, Dr. A .J., Johan van Oldenbarnevelt – bescheiden betreffende zijn staatkundige beleid en zijn familie 3e deel 1614 – 1620, Rijks Geschiedkundige PublicatiĂ«n, nr. 121, ‘s Gravenhage 1967.
* Nieuw Ned. Biografisch Woordenboek, dl V blz. 384 t/m 386.

Geslacht van der Mijle
* Belonje, Mr. J., Het Ambacht van de Mijle met zijn leenkamer, Hollandse StudiĂ«n dl 3, ‘s Gravenhage 1972.
* Duijn, D. van, De nakomelingen van Johan van Oldenbarnevelt, Ned. Leeuw, 85e jrg (1968) blz. 382 t/m 386.
* Nieuw Ned. Biografisch Woordenboek, dl VIII blz. 1190 t/m 1198.
* Vecht, van der, Cornelis van der Mijle, Sappermeer 1907.

Geslacht Perné
* Gemeentearchief Haarlem:
– Doop, trouw – en begraafregisters
– Magistraat van Haarlem
– Transportregisters: nr 9-44 fol. 126, nr 9-46 fol. 92.
* Gemeentearchief Amsterdam: Doop, trouw – en begraafregisters
* Ned. Leeuw, 1954 blz. 151.
* Kon. Ned. Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde – afd. Handschriften, aanwinst Roosegaarde Bisschop.


Jaarboek 3, pagina 18

Geslacht Geelvinck
* Elias, Joh.E., De vroedschap van Amsterdam, 1578 – 1795, 2 dln, Haarlem 1905.
* Elias van Stabrouck, Jhr. A.P.A., Polder en Kempen – bijdrage tot de geschiedenis van Stabroeck, Antwerpen 1938.
* 4 Eeuwen Herengracht, Amsterdam 1977.

Geslacht Schuyt
* Braakenburg van Backum, L.J.A., Braakenburg en Braakenburg van Backum in Zeeland en Holland en Schuyt en Schuyt van Castricum in Amsterdam, Amsterdam 1899.
* Elias, Joh.E., de vroedschap van Amsterdam, 1578-1795, 2 dln, Haarlem 1905.
* Elias van Stabrouck, Jhr. A.P.A., Polder en Kempen – bijdrage tot de geschiedenis van Stabroeck, Antwerpen 1938.
* 4 Eeuwen Herengracht, Amsterdam 1977.
* Groesbeek, Mr. J.W., Heemskerk onderweg van verleden naar heden, Heemskerk 1978.
* Ned. Leeuws, 1910 blz. 23 t/m 25.
* Ned. patriciaat, 2e jrg (1911) blz. 454 t/m 457.

Geslacht Braakenburg
* Braakenburg van Backum, L.J.A., Braakenburg en Braakenburg van Backum in Zeeland en Holland en Schuyt en Schuyt van Castricum in Amsterdam, Amsterdam 1899.
* Ned. Patriciaat, 3e jrg (1912) blz. 31 t/m 37.
* Persoonlijke mededelingen heer D.J.M. A . Braakenburg van Backum,

AFBEELDINGEN
afb. 1 Kaartfragment van de kaart van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en Westfriesland, 1730.
afd. 3, 5, 7 en 10 zijn ontvangen van het Iconografisch bureau Den Haag.
afb. 4 aanwezig in het Metropolitan Museum of Art te New Y ork.
afb. 9 aanwezig in het Rijksmuseum – Amsterdam.
afb. 15, 16 en 17 zijn ontvangen van de heer D.J.M.A. Braakenburg van Backum.

De overige afbeeldingen zijn gefotografeerd door M.B.C. Arends en zijn genomen van de wapenborden van de ‘Heren van Backum’, welke aanwezig zijn in het museumgebouwtje van de Werkgroep Oud-Castricum.

Cafés en kasteleins in Bakkum (Jaarboek 39 2016 pg 57-67)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Bakkum:
Bakkum, de Heerlijkheid en zijn ambachtsheren – Bakkum, einde gemeenteBakkum in de 18e eeuwBakkum omstreeks 1830Bakkum na 1930, de huizen en hun bewonersBakkum, vijftig jaar kerkBewoningsgeschiedenis Bakkum NoordBoenstraatje te BakkumCafĂ©s en kasteleins in BakkumKampeerterrein BakkumKermis in BakkumKlompenbuurt in BakkumKoninklijk Landgoed Bakkum (deel 1)Koninklijk Landgoed Bakkum (deel 2)Ongevallen in Bakkumï»ż

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architectbakkersbioscoopbouwbedrijfcafĂ© / hotelcafĂ©s en kasteleins in Bakkum –  drukkersexpeditiegasfabriekgroenteboerengroenteveilingkruideniersmelkboerenmelkfabriekmolenaarrestaurantschelpenvissersschilder – schildersbedrijf – slagerssmidsmederijstoomwasserijstrandvonderveldwachtersvrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 39, pagina 57

Cafés en kasteleins in Bakkum

Net zoals de vele winkels die Bakkum heeft gekend, verdwenen er in deze dorpskern ook verschillende cafés. Alleen hotel-café-restaurant Borst wist zich 100 jaar te handhaven. Voor zover was na te gaan in archieven of via familieleden van vroegere eigenaren, passeren in dit artikel alle Bakkumse cafés de revue.

De vertrouwde kermis in de jaren 1980.
De vertrouwde kermis in de jaren 1980.

Kermis

Hoewel Bakkum ruim 100 jaar geleden een veel kleiner aantal inwoners had dan Castricum, werden er in Bakkum in verhouding meer drankvergunningen verleend. Ook de bouw van ‘Duin en Bosch’ (1904-1909) was aanleiding voor de opening van meer cafĂ©s. Een vestiging aan de Bakkummerstraat droeg zelfs enige tijd de naam van het provinciaal ziekenhuis.
Op basis van de drankwet van 15 oktober 1904, houdende bepalingen tot regeling van de kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschap, stelde de gemeenteraad van Castricum op 22 februari 1905 een verordening vast regelende het heffen van vergunningsrecht voor de uitoefening van de kleinhandel in sterke drank. Het recht bedroeg jaarlijks 12,50 gulden voor elke 50 gulden huurwaarde met een minimum van 25 gulden.

Bakkummer kermis in 1947 voor café Borst.
Bakkummer kermis in 1947 voor café Borst. V.l.n.r. Floor de Graaf, Jaap Borst, Ber van Benthem, Cees Cornelisse, Rie Strik, Cees Duijn, Han Brakenhoff en Jaap Tiebie.

CafĂ©bezoek en kermisviering waren toen al nauw met elkaar verbonden. Een druk bezochte kermis betekende voor de kasteleins een aanzienlijke verhoging van hun inkomen. Vandaar dat de cafĂ©houders er alles aan was gelegen om zoveel mogelijk publiek te trekken. En ondanks de bescheiden omvang van de Bakkummer kermis kon het er in die tijd, als het weer meezat, bijzonder druk zijn. De kermis was lange tijd berucht om de vechtpartijen en stond daarom bekend als ‘Bakkummer oorlog’. Het verhaal gaat ook dat er tussen de kasteleins ten noorden en ten zuiden van de Zeeweg tijdens de kermisdagen een felle concurrentiestrijd woedde. Dit was met name aan de orde toen Cees Castricum naast zijn zaak aan de Heereweg een grote feesttent liet zetten om de dansende kermisvierders wat ruimte te geven. De Zuid-kasteleins wisten burgemeester Mooij zodanig te bepraten dat de tent van Castricum werd verboden. Cees trok zich daar echter niets van aan en zette, volgens Rinus de Ruijter in zijn boek ‘Schippers van het Stet’, een nog grotere tent neer. De burgemeester is toen met de kermisdagen maar bij zijn dochter in Amsterdam gaan logeren en liet het handhaven van de openbare orde over aan veldwachter Koelewijn, die veel gezag had in Bakkum. Met veel tact wist hij de vrede te bewaren en de danstent kwam elk jaar terug …

Café De Hoop in 1905.
Café De Hoop in 1905.

Borst, Van Oldenbarneveldweg 25

De voorganger van Hotel Borst was cafĂ© ‘De Hoop’, waarmee Wub Joosten in 1903 startte. Eind 1904 verkocht hij het cafĂ© aan zijn broer Jacobus Joosten, die bakker was in Beverwijk. In 1911 verkocht Jacobus het geheel weer door aan zijn broer Martinus, winkelier van beroep. Enige tijd later kocht Jacobus er nog een stuk grond bij, maar in 1915 had hij een grote betalingsachterstand opgebouwd en kwam daardoor in acute geldnood. Als gevolg daarvan werd hij gedwongen om zijn gehele bezit te verkopen. Op 16 september vond er in het lokaal van Van Benthem in Castricum een openbare verkoping plaats en kocht land-


Jaarboek 39, pagina 58

bouwer Willem Borst (1887-1974) voor een bedrag van 2.215 gulden het café dat toen het adres Duinbuurt 473 had, maar later werd omgedoopt in Van Oldenbarneveldweg 25. De volledige inventaris bestond uit 16 stoelen, vier houten tafeltjes, zes kelkjes en twee kop en schotels. De caféruimte was niet groter dan zes bij acht meter, dus alles paste er net in.

Willem Borstï»ż
Willem Borst

Willem, die in 1918 met Heintje de Winter trouwde, nam de exploitatie van het café zelf ter hand. Aanvankelijk woonde het gezin in een kleine kamer met keuken achter de schuifdeuren van het café. In 1921 werd er aan de zuidkant van het café een serre gebouwd en aan de westkant een veranda. Nadat er voor de serre een gezellige theetuin was ingericht, veranderde de naam café De Hoop definitief in café W. Borst.

CafĂ© Borst kreeg rond 1928 een theetuin en heette tijdelijk ‘Bondshotel Berg en Bosch’. Vader Willem poseert hiervoor met links op de foto zijn kinderen Dirk en Annie.
CafĂ© Borst kreeg rond 1928 een theetuin en heette tijdelijk ‘Bondshotel Berg en Bosch’. Vader Willem poseert hiervoor met links op de foto zijn kinderen Dirk en Annie.

Toen de jongste zoon Dirk in 1928 was geboren, werden zowel het woonhuis als het cafĂ© verbouwd. In deze periode breidde Willem het aantal logeerkamers eveneens uit en presenteerde zijn hotel en theetuin trots als ‘Bondshotel Berg en Bosch’. Twee jaar later werd ook de open veranda aan de voorkant in een serre veranderd.
Het naastgelegen woonhuis van de familie Zonneveld werd door Willem in 1931 gekocht en afgebroken voor de bouw van een toneelzaal. Langzamerhand kreeg de zaak de aanblik die vele jaren in stand werd gehouden.

Vader Willem was een inventieve en handige man. Het bier bewaarde hij koel in de kelder onder de gelagkamer. Om niet steeds het trappetje af te moeten, ontwierp hij een stok met daaraan een haak, waarmee hij de flesjes achter


Jaarboek 39, pagina 59

de kroonkurk kon aanhaken en daarna ophijsen.
Tijdens een openbare verkoping tikte Willem een orgel met echte pijpen op de kop. Dat orgel kwam naast de grote kolenkachel te staan en zou jarenlang de dansliefhebbers begeleiden.
De vijf kinderen van Willem en Hendrika hielpen van jongs af aan mee in de zaak. Dochter Trien (1920-2006) en zoon Kees (1919-1996) assisteerden moeder in de bediening en zoon Dirk (1927-2004), die aanvankelijk voor aannemer Borst werkte, ruilde op een gegeven moment zijn troffel om voor het koksmes in de keuken. Later ging hij zich met zijn vrouw Corrie (1928) meer richten op het hotelbedrijf.

Tante Trien achter de bar.
Tante Trien achter de bar.

Trien Borst, die voor heel Bakkum bekend was als Tante Trien, vertelde in het Noord-Hollands Dagblad van 31 maart 1998:
“Vanaf mijn dertiende werkte ik mee en ik heb dat vijfenzestig jaar volgehouden. Sinds kort doe ik het wat rustiger aan. Ik ben een nachtmens. Het was in de kleine uurtjes voordat ik naar huis kon, want we hadden altijd wel een paar klanten die ook na sluitingstijd bleven zitten. Dan gingen de deuren op slot en praatten we na totdat soms de politie met grote zaklampen door de ramen scheen. Hoewel we dan buiten zicht trachtten te blijven door onder het biljart te kruipen of achter de bar, werden we wel eens gesnapt. Ik werd daarom verscheidene keren bij de burgemeester op het matje geroepen. Ook gebeurde het wel dat ik mijn echtgenoot Dirk, die veehandelaar was, ’s morgens vroeg op straat tegen kwam. Hij ging dan de ene kant op naar de veemarkt en ik de andere kant, naar bed…”

In het verleden heeft het nabijgelegen psychiatrisch ziekenhuis Duin en Bosch een flinke stempel gedrukt op de exploitatie van café Borst. Als de patiënten tussen de middag moesten eten, ging de familie vaak voor de lunch naar Borst. Daar zat het iedere zondag stampvol.

Een biljartgroep bij Borst in 1994.
Een biljartgroep bij Borst in 1994. V.l.n.r. achterste rij: Jan Castricum, Wil Castricum en René Glorie; tweede rij: René Hooijschuur, Jan Reijnders, Karel Glorie, William Borst, Nol van Wandelen, Erik Zonneveld en Rick Weerstand; geknield: Hans van der Himst, Nico Mooij, Dick Zonneveld, Wil Lute, René Hoogeboom en Jan Willem Zonneveld.

Omdat de inrichting jarenlang ouderwets knus was, werd Borst vaak ‘de grootste huiskamer van Bakkum’ genoemd. Talloze vergaderingen, optredens, bruiloften en andere feesten hebben in zaal Borst plaatsgevonden en deze fungeerde soms ook als bioscoop. Artiesten als Snip en Snap, Kees Stet, De Mounties, Rudi Carell en Tom Manders hebben er in de jaren 1950 en 1960 op het podium gestaan en ook de plaatselijke toneelverenigingen hadden hier jarenlang hun domicilie. Bovendien was de Castricumse popgroep The Frogs vanaf 1964 daar acht jaar lang elke zondag van 20.00 tot 23.00 uur goed voor een enorme publieke belangstelling. Hotel Borst werd in die tijd de belangrijkste poptempel in de regio genoemd (zie ook het artikel over de popmuziek in het 31e Jaarboek, 2008).

Een andere ‘artiest’ die opviel, zoals Trien Borst in een artikel in het Noord-Hollands Dagblad van 31 maart 1998 vertelt, was pater Henri de Greve. Hij was een gedreven man en goed verteller, die zeer bekend was geworden door zijn radio-praatjes in het programma ‘Lichtbakens’ van de KRO. De Greve richtte in 1938 de ‘Bond zonder Naam’ op, een beweging gericht op naastenliefde, los van geloofsovertuiging of levensbeschouwing. Toen hij in 1949 naar Borst kwam, liep heel Bakkum uit. Zowel de grote zaal als de kleine zijzalen zaten tot aan de nok toe vol. Er waren zelfs mensen die een ladder tegen het gebouw zetten en op het platte dak klommen om via de geopende ramen van de twee glazen koepels mee te kunnen luisteren naar de wondermooie moralistische verhalen van deze pater.

De naam Borst is sinds mensenheugenis gekoppeld aan de Bakkummer kermis. Op de tweede zondag van oktober ontmoeten jong en oud elkaar voor de terrassen en kan je spreken van een heuse reĂŒnie. Weer of geen weer, elk jaar is het een gedrang van jewelste en vloeit het bier rijkelijk.


Jaarboek 39, pagina 60

Vogelschieten bij Borst

Het ouderlijk huis van Cor Mooij, waar hij in 1920 is geboren, bevond zich vlak achter Hotel Borst. Zijn vader had daar zijn tuinderij.
Cor herinnerde zich dat in de (negentien)twintiger jaren achter het hotel twee keer per jaar schietwedstrijden werden gehouden:
“Op twee palen werd dan een houten vogel geplaatst. Die had een romp met een kop, een staart en twee vleugels. Er zat een klein blikken bandje aan. Als je meedeed met schieten betaalde je per schot. Dat geld kreeg je dan weer terug als je er wat vanaf schoot. Je moest het doel in het midden raken, anders draaide de vogel gewoon een slag in de rondte. Wij jongens zochten de loden kogels op en verkochten die dan weer voor een paar centen aan de schutters. Het zorgde voor aardig wat klandizie bij Borst. De schutters kwamen overal vandaan; eentje zelfs helemaal uit de Haarlemmermeer. De inleg werd verdeeld. Voor ieder onderdeel van de vogel was een bedrag bepaald. Het meeste geld kreeg de schutter die de romp eraf schoot.”
Nog niet zolang geleden vond iemand op het land bij de Van Tienhovenhoeve een bijzondere kogel. Natuurlijk wist Cor Mooij direct waar die vandaan kwam …

Na de kermis van oktober 2015 onderging het café-restaurant een metamorfose en verdween na een verbouwing van vijf weken Borst-in-oude-stijl voorgoed. Het nieuwe restaurant kreeg een eigentijdse uitstraling met veel hout en een bruinleren interieur. De twee zalen werden samengevoegd tot één, met in totaal 80 zitplaatsen. Dat het café verleden tijd was, deed de huidige eigenaars William Borst (1960) en zoon Fabian (1989) zeer. William reageerde in het Dagblad Kennemerland van 29 oktober 2015 als volgt:
“Toen ik vijf jaar was zag alles er al uit zoals het hier tot en met de kermis was. Dus het was wel even slikken. Ik ben opgegroeid in het cafĂ©. Er was altijd gekkigheid, gasten die dansten op het biljart. Een heel breed publiek kwam hier. Van clochards tot miljonairs; een doorsnee van de bevolking van Bakkum. De hotelfunctie blijft en dat geldt ook voor evenementen als de kermis, popquiz, ringsteken en Jazz in Bakkum”.

De familie- en personeelsleden van Fase Fier Eten & Drinken voor de opening in november 2015
De familie- en personeelsleden van Fase Fier Eten & Drinken voor de opening in november 2015. V.l.n.r. staand: Suzanne van de Ven, Jolanda Groot, Sharon Clarke, Thimo van der Meij, Ella Zijlstra, Connor Smith, Fabian Borst, Ranil Vergonet en William Borst; gehurkt: Tamara Molenaar, Ellen Borst, Nikki Groenheide en Saskia de Wit.

Per 23 november 2015 werd er nog een grote verandering ingevoerd. Sindsdien draagt de ruim een eeuw oude horecavestiging de naam ‘Fase Fier Eten & Drinken’. De betekenis hiervan werd op die dag door Fabian onthuld:
“Omdat het roer volledig is omgegaan, vonden we een nieuwe naam passend bij een nieuwe start. Fier staat niet alleen voor de vier generaties Borst, maar ook voor trots en zelfverzekerdheid die we graag willen uitdragen.”

Café De Duinstreek in 1937.
Café De Duinstreek in 1937.

De Duinstreek, Bakkummerstraat 75

Het pand Bakkummerstraat 75, dat tot 1930 alleen diende als brandstoffenhandel, liet Willem de Groot (1888-1959) in 1930 verbouwen tot cafĂ© dat de naam ‘De Duinstreek’ kreeg. Achter het pand bleef de opslag van kolen, briketten en turf gehandhaafd.
Willem was getrouwd met Trijntje Borst (geen familie van Hotel Borst) en hun inmiddels overleden jongste dochter Agaath (1922-2016) wist nog veel over de zaak te vertellen:
“Mijn vader had een volledige vergunning. Dat hield in dat hij mocht tappen en tegelijkertijd sterke drank mocht verkopen. Wij woonden ernaast op nummer 75a. Met mijn broers en zuster heb ik altijd geholpen in de zaak. Dat begon met eenvoudige klusjes als glazen spoelen en later mocht ik ook serveren. Het cafĂ© was niet groot en telde ongeveer 30 stoelen. Vooral in de winter was het er rustig. Vaak kwamen er vertegenwoordigers koffie drinken die hun eigen brood meenamen. Er werden ook veel vergaderingen gehouden van bijvoorbeeld de VVV, Vrouwenbond, Middenstandsvereniging en de Postduivenclub. We waren dagelijks open en gingen nooit op vakantie. Af en toe was er tijd voor een familiebezoekje, maar meer ook niet.


Jaarboek 39, pagina 61

Het bier, dat we inkochten bij drankenhandel Koop uit Beverwijk, werd in houten vaten geleverd en ’s zomers gekoeld met ijsblokken van de melkfabriek.
Van concurrentie met Borst was totaal geen sprake. Zij hadden een grote zaal en er kwam ook ander publiek. Het café was ook niet de grootste bron van inkomen voor ons gezin. In de eerste plaats hield vader de brandstoffenhandel aan en daarnaast vervoerde hij met paard en wagen aardbeien naar Beverwijk. Vader had trouwens wel een hekel aan schenken op de pof, want dat kostte klanten, zei hij altijd. Als iemand in het krijt stond, was hij namelijk bang dat die naar een ander café zou gaan.

In 1953 hield de VVV hield haar ledenvergadering in café W. de Groot te Bakkum.
In 1953 hield de VVV hield haar ledenvergadering in café W. de Groot te Bakkum.

We hadden veel vaste klanten die een kaartje kwamen leggen of een biljartje maakten. Ook zagen we steeds dezelfde gasten van kampeerterrein Bakkum. Dat waren rasechte Amsterdammers, waar je ontzettend mee kon lachen. Op een keer kwam eens een stel kampeerders binnen met een jongetje van een jaar of zes dat moest plassen. In die tijd legden we altijd een schijfje citroen in het urinoir voor de frissigheid. Toen het jongetje terugkwam zat hij lekker te sabbelen op het citroenschijfje …

Ik kan mij niet herinneren dat er problemen zijn geweest door dronkenschap of dat de politie erbij moest komen. Vader kon goed met mensen overweg en had bovendien handen als kolenschoppen. Vaak ging hij ’s morgens om een uur of tien met een bak koffie op de veranda zitten. Op een gegeven moment kwam er een man aanrennen die op weg was naar de kerk. Vader hield de man staande en zei tegen hem dat hij zich niet hoefde te haasten, omdat de kerk pas om 11.00 uur zou beginnen. Toen bleek dat de voorbijganger op weg was naar de gereformeerde kerk, waar vader natuurlijk nooit aan gedacht had!

Van de oorlogsjaren weet ik niet veel meer, alleen dat het cafĂ© een aantal jaren werd gesloten en volgens mij was dat tijdens de evacuatieperiode. De kermistijd staat mij nog wel helder voor de geest. Dat betekende een hogere omzet, maar ook meer kosten. Zo hadden we speciaal voor die dagen twee kelners in dienst. Dat waren Ber Schermer en Joop Zentveld. Om de sfeer te verhogen hadden we ook de toen alom bekende kermisband ‘De drie musketiers’ van Cees Nat ingehuurd en dat kostte ook wel een paar centen. Nee, het was een onzeker avontuur, want de opbrengsten waren ook erg afhankelijk van het weer. Als het droog en zonnig was gingen de mensen een rondje lopen langs alle cafĂ©s en daar moest je het tenslotte van hebben.

Ook hebben we de nodige bruiloften en partijen meegemaakt. Die werden vanaf het begin in een bovenzaal gehouden, wat heel wat voeten in de aarde had. Tijdens het gebruik moest de zaal namelijk gestut worden om de vloer meer draagkracht te geven. Een nadeel was ook dat we steeds de trap op moesten met eten en drinken en dat was geen pretje. Mijn vader is na een jaar of zeven gestopt met de bovenzaal, omdat het toch praktischer was om alles beneden te houden. Maar dat had weer tot gevolg dat het loodzware biljart er elke keer uit moest om te worden opgeslagen in de schuur. Dat gebeurde dan met behulp van acht mannen.

De mensen konden overigens wel feesten in die tijd. Een bruiloft begon meestal na de kerk om een uur of elf met koffie en een broodmaaltijd. Daarna een borreltje, receptie en aan het eind van de middag een driegangendiner. De gasten leverden zelf het eten als groente, vlees, aardappelen, broodjes etc. en wij bereidden alles in onze keuken. Na het diner begon de feestavond en ging men weer vrolijk verder. We hebben zelfs op zaterdagavonden meegemaakt dat de mensen ’s nachts door wilden gaan tot de volgende morgen als het kerk- of melkerstijd was. In ieder geval werd elk feest afgesloten met koffie en broodjes. Daarna konden wij weer aan de gang om alles schoon te maken. Het afrekenen ging heel eenvoudig, want de borreltjes werden per fles betaald. De aangebroken flessen mocht men mee naar huis nemen. Het was zo’n andere tijd, je kunt je dat nu bijna niet meer voorstellen.

In 1955 koos De Groot voor de slijterij in plaats van een café.
In 1955 koos De Groot voor de slijterij in plaats van een café.

In 1955 splitste de gemeente alle drankvergunningen en moest vader kiezen waar hij mee door wilde gaan. Hij koos voor de slijterij, dus vanaf dat moment is het cafĂ© opgeheven en werd het interieur verbouwd tot winkel.”

Agaath ging de slijterij samen met haar zus leiden. Zij stopten daarmee in 1970 en vanaf dat jaar verhuurden zij de zaak aan Paul Nolet, die het pand in 1980 kocht van de twee zusters. Nolet had daar zijn drankwinkel tot 1998 en verplaatste zijn slijterij toen naar de Stationsweg, waar Taxi Tervoort voorheen was gevestigd. Het pand heeft daarna nog tijdelijk een winkelfunctie gehad, maar die werd spoedig opgeheven en omgezet in een woonbestemming.

De Dukdalf, Van der Mijleweg 1

De Dukdalf is het jongste café dat Bakkum heeft gekend. Cees Lute was daarvan de eerste eigenaar. Hij kocht het


Jaarboek 39, pagina 62

pand rond 1975 van Niek Bakker, die er een kapperszaak annex sigarenwinkel runde. In de jaren 1930 en 1940 was daarnaast garage Dijkhuizen gevestigd. Lute verbouwde het pand tot cafetaria ‘De Vluchtheuvel’ en in het linkerdeel begon hij een bar onder de naam ‘De Dukdalf’.

De Dukdalf sponsorde in 1982 het B2-team van Vitesse ’22.
De Dukdalf sponsorde in 1982 het B2-team van Vitesse ’22. V.l.n.r. staand: Ron Scholten, Bob Res, reserveleider Jaap Veldt, Arend Koet, Jeroen Konijn, Dennis Lammers, Jeroen de Swart, Falco van der Miesen, Frans Schermer en trainer Peter Lambert; zittend: Marcel Zoontjes, Dave Jonker, Jeroen de Jonge, Otto Spaan, Sander van der Klei en leider Arie Glorie.

In 1977 kregen de broers Jan en Ben Castricum het beheer over de horecavoorzieningen. Jan (1947), die getrouwd is met Marry, dochter van de vroegere caféhouder Jaap Tuin aan de Heereweg, vertelde over De Dukdalf:
“In 1980 hebben we het pand overgenomen van Cees Lute. Alles bij elkaar hebben mijn broer en ik met onze echtgenotes 27 jaar in de zaak gestaan. Het cafĂ© is in de loop der tijd wel van functie veranderd. In het begin deed het alleen dienst als bar en discotheek. In 1983 hebben we de zaak verbouwd en is er een zaaltje bijgekomen voor feesten en partijen.

Een advertentie uit 1983.
Een advertentie uit 1983.

In de beginperiode hadden we veel vaste gasten, zoals de leden van de reddingsbrigade en een klaverjasclub. Ook kwamen vaak dezelfde mensen langs om een biljartje te maken. Tijdens het ‘eerste deuntje’ van de Bakkummer kermis was het extra druk en huurden we een muziekduo in. In de zomer hadden we ook bezoekers van de jeugdherberg en het kampeerterrein.
Onze biervaten, geleverd door de groothandel Noord-Holland Noord uit Alkmaar, werden in de kelder onder de voorbar opgeslagen.

Cafetaria De Vluchtheuvel met links café De Dukdalf begin jaren 1990.
Cafetaria De Vluchtheuvel met links café De Dukdalf begin jaren 1990.

De laatste jaren werd het darten populair en dat trok nogal wat publiek. We organiseerden toen een aantal keren een toernooi dat ging om het kampioenschap van Castricum. Per 31 december 2004 verkochten we de zaak aan snackbarketen Family. De vroegere caféruimte werd vanaf die tijd af en toe nog gebruikt voor feesten en klaverjassen, totdat het omstreeks 2009 werd opgeheven en de ruimte bij het cafetaria werd getrokken. Family is daar trouwens nog steeds gevestigd.
Natuurlijk hebben we in al die jaren een hoop leuke en gekke dingen meegemaakt. Ik herinner mij dat er een keer een jongen in De Vluchtheuvel zat en een taxi bestelde. In de auto vroeg de chauffeur waar hij naartoe moest, waarop het antwoord luidde: naar De Dukdalf …”


Jaarboek 39, pagina 63

Menno Twisk als diskjockey.
Menno Twisk als diskjockey.

Herinneringen van Menno Twisk

Menno Twisk (1957) was diskjockey in De Dukdalf van 1976 tot 2000. Bij hem kwamen de volgende her naar boven:
“De eerste DJ was Ron Lute. Daarna draaiden Co Wiendels en Uke Rorije platen en ben ik ‘aangeschoven’. We hebben vanaf midden (negentien)zeventiger jaren samen ook tijdens kermissen gedraaid voor de nieuwe eigenaren, de gebroeders Castricum. Daarnaast ben ik ook nog een aantal jaren in de Voem Voem als diskjockey gaan werken, maar bleef dat ook altijd doen (totaal meer dan 20 jaar) bij bruiloften en partijen in De Dukdalf.

In die tijd was het nog de kunst om niet te mixen maar de muziek ‘aan elkaar te praten’ om het zo maar te noemen en op die manier de bezoekers te ‘entertainen’. Met kermissen of grote feesten moest er altijd flink geĂŻmproviseerd worden. De stoppen sloegen geregeld door of de vinylplaten op de draaitafels moesten ‘nat’ gedraaid worden. Met verzwaring van een voorwerp op de kop van de naald in de arm van de pick-up werd het ‘overslaan’ van de muziek in het feestgedruis voorkomen. De kermissen werden toen nog gevierd met drank in glas en het kon er wel eens om spannen als er een knokpartij uitbrak tijdens ‘de ‘Bakkummer oorlog’. Meestal konden we dit soort spanningen binnen De Dukdalf met de vaste bezoekers in de kiem smoren door trucjes als het draaien van ‘verkeerde’ muziek of het aandoen van de grote lichten. In tegenstelling tot wat sommigen denken was het juist de onrustige situatie buiten de horecagelegenheden en op het kermisterrein zelf dat het afschaffen van het eerste deuntje op de maandag in de hand werkte.

Kenmerkend voor onze manier van platen draaien in De Dukdalf was, dat bijvoorbeeld een bruiloft met een (stijl)dansavond gepaard kon gaan, zonder dat er een band ingehuurd hoefde te worden. Daar werden dan gelijk (dans)ruimte en budget mee gewonnen. Hiervoor moesten we wel noodgedwongen ook wat Engelstalige en modernere hitsingles gebruiken, waar men niet zo aan gewend was om op te stijldansen. Het kwam dan ook wel eens voor dat ik samen met Marry van Jan Castricum, of met de bruid een quickstep of Engelse wals op een stukje popmuziek moest voordansen, wat vaak tot grote hilariteit leidde. In veel gevallen hebben we naast het huwelijksfeest ook het 12,5-jarige huwelijksfeest voor hetzelfde echtpaar verzorgd en in twee gevallen werd zelfs nog het zilveren huwelijk gevierd.

De fijnste herinneringen heb ik aan de belevenissen tijdens de lange samenwerking met de altijd optimistische en humoristische Dirk Heintzberger die op feestavonden als barkeeper of ober werkte. In mijn ogen een geboren entertainer die helaas in 2015 plotseling en te vroeg overleden is. Wat hebben wij met hem veel meegemaakt en enorm kunnen lachen. Daarover zouden we een boek op zichzelf kunnen schrijven. Misschien komt dat er nog een keertje van. Dirk zou dat in ieder geval verdienen.”

Café 'De Goede Verwachting' van Willem Castricum aan de Heerweg 38 te Bakkum in 1920.
CafĂ© ‘De Goede Verwachting’ van Willem Castricum aan de Heerweg 38 te Bakkum in 1920.

De Goede Verwachting, Heereweg 36

aldus een verhaal van Jan Castricum, dat is opgetekend in De Castricummer van 30 juni 1999.

Van oorsprong was het pand Heereweg 36 een boerderij, waarin Lammert Hageman een herberg annex cafĂ© begon. In 1859 werd deze uitspanning, die ‘De Roskam’ heette, voortgezet door Dirk de Winter sr. (1828-1902). Volgens het boek ‘Historie van Castricum en Bakkum’ van Derk van Deelen zou de herberg op 2 juli 1860 door brand geheel verloren zijn gegaan. Na de herbouw werd Dirk de Winter jr. (1859-1937), onder andere jachtopziener en tuinder van beroep, eigenaar van de zaak van 1902 tot 1905. Het cafĂ© werd vanaf 1905 gerund door Dieuwertje Stroomer, die getrouwd was met schelpenvisser en vrachtrijder Cees Castricum (1861-1925). Het echtpaar woonde vanaf dat jaar aan de Heereweg. Cees, later ook bekend als kastelein, kocht het pand in 1905 en gaf het de naam ‘De Goede Verwachting’. Na zijn overlijden verkocht Dieuwertje het in 1926 aan Johan van der Velden, een cafĂ©houder uit Leiden. Een jaar later kwam hij in financiĂ«le problemen en kocht Dieuwertje het cafĂ© alweer terug tijdens een openbare verkoping. Het pand kwam in 1928 in handen van haar zoon Willem (1887-1953), die achter het cafĂ© een transportbedrijf had.

De familie Castricum met personeel voor De Goede Verwachting rond 1915.
De familie Castricum met personeel voor De Goede Verwachting rond 1915. In het midden met donkere blouse Dieuwertje Stroomer en geheel rechts haar man Cees Castricum.

De crisis trof ook de familie Castricum. ‘De kamers boven het cafĂ© werden in die tijd verhuurd, waardoor de gezinsleden soms op het biljart in slaap moesten zien te raken’,


Jaarboek 39, pagina 64

Een foto uit de jaren 1930, nu met duidelijk de speeltuin in beeld en daarachter de theetuin.
Een foto uit de jaren 1930, nu met duidelijk de speeltuin in beeld en daarachter de theetuin.

Bij het cafĂ© hoorden ook een open terras en een speeltuin. Op een aangrenzend landje kon men tijdens de kermis ‘katknuppelen’. Dit oude volksvermaak was toen echter al niet zo wreed meer als de naam doet vermoeden. Tussen twee palen hing een vat, waarin zich – in plaats van oorspronkelijk een kat – een stukje hout bevond dat ‘de kat’ werd genoemd. Naar dit vat werd gegooid met knuppels of staven. Winnaar werd degene die de kat losgooide van het vat. Tijdens dit spel ging de fles kwistig rond en als toeschouwer kon men maar het beste op een flinke afstand blijven. Tijdens de kermis werd er uiteraard volop gedanst. Dat gebeurde op de klanken van een bijzonder mooi elektrisch pierement. Er stond dan rechts van het cafĂ© een grote tent en de kermisgangers liepen heen en weer tussen cafĂ© Borst en De Goede Verwachting.

Een ploeg die tijdens de kermis meedeed aan het katknuppelen naast De Goede Verwachting.
Een ploeg die tijdens de kermis meedeed aan het katknuppelen naast De Goede Verwachting. Namen voor zover bekend: staand vierde van links Dirk Koppes en vijfde van links Cor de Winter; zittend tweede van links Piet Borst.

Jaarboek 39, pagina 65

Siem Castricum (1926-1992), een van de elf kinderen van Willem en echtgenote Mien Mors, zwaaide met echtgenote Ans Swart de scepter over het café van 1948 tot 1960. Wij spraken met hun oudste zoon Piet (1951), die zich nog een en ander wist te herinneren:
“Mijn vader werkte ook voor het transportbedrijf van de familie, totdat de zaak in 1977 failliet ging. Moeder stond er dus vaak alleen voor, maar zij werd wel met allerlei werkzaamheden geholpen door haar schoonzusters. Als het Bakkummer kermis was moest ik vanwege de drukte met mijn oudste zus Ria uit logeren naar familie in Zijdewind. Voor de muziek huurde mijn vader dan een duo in. Dat pakte elk rondje graag aan, met als gevolg dat de muzikanten aan het eind van de avond zo lam waren dat ze nog maar Ă©Ă©n nummertje konden spelen. Toen heeft vader ze voorgesteld om de jenever maar stiekem achter zich met behulp van een trechtertje in flessen te gieten. Zodoende gingen ze met een aardige voorraad naar huis toe …

Ik weet ook nog goed dat wij een van de eerste waren die televisie hadden die in het cafĂ© stond. Op woensdag- en zaterdagmiddag kwamen de kinderen uit de buurt dan kijken, terwijl hun ouders gezellig aan de bar gingen zitten. Omdat ik boven het cafĂ© sliep en het erg gehorig was, hoorde ik regelmatig bijzondere geluiden als de gemoederen beneden soms wat verhit werden. Er waren in die tijd al gasten die met de auto kwamen. Als die te veel hadden gedronken, eiste mijn moeder hun sleutels op en vervolgens werd taxi ‘Jan Pret’ gebeld om ze naar huis te brengen. Ook mijn ouders hadden het niet breed en daarom gingen we niet echt op vakantie, maar soms wel dagjes weg, bijvoorbeeld naar de Julianatoren in Apeldoorn.
Verder kan ik mij herinneren dat mijn vader onbreekbare glazen had gekocht. Dat was iets nieuws, maar het werd een fiasco want als er een koud biertje in de zon stond spatte het glas in duizenden stukjes uiteen.

Mijn ouders stopten met het cafĂ© in 1960, aangezien mijn moeder het niet meer aankon. Toen werd de zaak overgenomen door de familie Tuin en verhuisde ons gezin naar Heereweg 15. Vanaf die tijd stond het cafĂ© bekend als ‘CafĂ© Tuin’. Jaap Tuin haalde het biljart eruit en plaatste er een grote bar in.”

Een suikerzakje van café Tuin.
Een suikerzakje van café Tuin.

Henk Snabilie werd in 1973 de laatste eigenaar, die het cafĂ© verwaarloosde en gebruikte voor de opslag van speelautomaten. In augustus 1998 werd het pand gesloopt om plaats te maken voor de bouw van een restaurant met bovenwoningen. In 1999 opende barbecuerestaurant Gonzales daar haar deuren. Sinds 2008 was hier restaurant ’t Mirakel van Bakkum’ gevestigd, waarvan Renato Holshuijsen de uitbater was.
Per 1 april 2016 ging de huur van het pand over op Arnold Nijen Twilhaar, die het restaurant voortzette onder de naam ‘De Heerlijkheid van Bakkum’.

Gert van Egmond voor zijn herberg annex café De Onderneming in 1920.
Gert van Egmond voor zijn herberg annex café De Onderneming in 1920.

De Onderneming, Heereweg 12

Over dit pand is aan de hand van verkoopaktes bekend dat er sinds 1905 een ‘koffiehuis’ was gevestigd, waarmee toen ook een cafĂ© werd aangeduid. Uitbaters, die in vergunningen uit die periode worden genoemd, waren Johannes Kamp en Klaas Brantjes. Jo Borst, een broer van Willem Borst, werd in 1913 eigenaar van de woning met winkel en koffiehuis op dit adres. Zijn zwager Gert van Egmond, een tuinder uit Heemskerk, kocht het geheel in 1917 en runde vanaf die tijd samen met zijn vrouw de herberg annex cafĂ© ‘De Onderneming’. Gert werkte op het land en hield zich vooral met de aardbeienteelt bezig.

In 1925 verkocht Van Egmond het huis aan de achterzijde aan Jan Wester, die er een bakkerij begon.
Het horecabedrijf werd beëindigd in 1928. Vanaf 1930 tot 1974 woonden hier achtereenvolgens de bakkers Jan Wester, Toon Huisman en Harry Matze.


Jaarboek 39, pagina 66

Café Duin en Bosch is nog net links achteraan zichtbaar.
Café Duin en Bosch is nog net links achteraan zichtbaar.

Duin en Bosch, Bakkummerstraat tussen 98 en 100

Aan de Bakkummerstraat, op de plaats waar nu de Van der Mijleweg begint, werd in 1905 een cafĂ© gebouwd dat ‘Duin en Bosch’ heette. De eigenaar was Leonardus Burgering, die in de notariĂ«le stukken koffiehuishouder en melkverkoper werd genoemd. Leonardus kreeg al in 1906 financiĂ«le problemen, want op 28 december van dat jaar vond op verzoek van een bank de openbare verkoop van het pand plaats tengevolge van wanbetaling. Het bezit, dat bestond uit een koffiehuis, woonhuis met erf, een doorrijstal en een perceel bouwterrein, werd voor een bedrag van 4.885 gulden gekocht door Albertus Leonardus Burgering, een broer van Leonardus.
Heel veel meer is er over de periode Burgering niet bekend, behoudens dat uit vertellingen van Wim Kuijs (zie 35e Jaarboek, pag. 4) blijkt dat er in het café in 1916 de eerste filmvertoningen plaats vonden.

The Willy Jazzband die in het café van Metzer speelde.
The Willy Jazzband die in het café van Metzer speelde. V.l.n.r. Jaap Castricum, Wim Jacobs, Klaas Nobel en Cees Blei.

Het café werd eind 1925 overgenomen door Anthonius Metzer uit Arnhem. De uitspanning stond bekend door optredens van de in die tijd bekende accordeonist Kees Kranenburg, die tijdens de kermisdagen veel belangstellenden trok. Ook de eerste Bakkumse jazzband met de muzikanten Jaap Castricum, Wim Jacobs, Klaas Nobel en Cees Blei was daar te beluisteren.

Op 15 september 1928 kwam er een einde aan het hotel-café, toen het in brand vloog. In een verhaal van Derk van Deelen over de Bakkummerstraat in het Nieuwsblad voor Castricum van 21 maart 1969 staat hierover:
“De eigenaar, de heer Metzer, was alleen thuis en plotseling stond het pand in lichterlaaie. Metzer stond in zijn ondergoed voor een bovenraam te schreeuwen. De brandweer was snel ter plaatse maar ze kon niets uitvoeren, ze hadden geen water. De heer Metzer sprong uit het bovenraam op de serre en werd door de brandweer op de begane grond geholpen. De burgemeester had angst voor het ontploffen van koolzuurflessen. De kastelein kon hem echter geruststellen, want de flessen waren opgeborgen in de kelder.”

Metzer verhuisde in 1929 met zijn vrouw naar Hamburg en vanwege de aanleg van de Van der Mijleweg werd het pand niet meer herbouwd.
De restanten van het café met de grond werden in hetzelfde jaar in het openbaar verkocht op last van de schuldeisers en de brandverzekering. Een van de schuldeisers was Albertus Leonardus Burgering, die eigenaar was voor Metzer de zaak overnam. Burgering werd door de openbare verkoop opnieuw eigenaar en verkocht het geheel enkele maanden later aan de gemeente.

In dit huis aan de Heereweg 8, dat in 1993 is afgebroken, was café Het Haasje gevestigd.
In dit huis aan de Heereweg 8, dat in 1993 is afgebroken, was café Het Haasje gevestigd.

Het Haasje, Heereweg 8

Dit pand, afgebroken in 1993, stond bekend als de woning van de familie Groentjes, waar dochter Neeltje op 6 oktober 1799 tijdens de Slag bij Castricum werd doodgeschoten. Nadat het huis een paar keer was doorverkocht, werd Pieter Zonneveld eigenaar in 1870. Hij verhuurde het pand aan zijn broer Hendrik, die er een cafĂ© begon. Nadat Hendrik Zonneveld overleed in 1875, werd het cafĂ© door zijn vrouw Trijntje Boon voortgezet tot 1888. Toen nam Floris Twisk het van haar over en gaf daaraan de naam ‘Het Haasje’. Op de buitenmuur zou volgens het boek van Derk van Deelen te lezen zijn geweest:

‘Het Haasje geswint.
Kom binnen mijn vrind.
Wie niet met droge keel wil lopen,

Kan in ’t Haasje een borreltje kopen.’


Jaarboek 39, pagina 67

Floris Twisk overleed in 1889 en vanaf die tijd werd de zaak gerund door zijn echtgenote Bet Castricum. Het cafĂ© heette toen in de volksmond ‘CafĂ© van Bet van Floor’. Ondanks de krappe ruimte werd er ook tijdens de kermis gedanst. In 1903 nam Jan Zonneveld de huur van het cafĂ© van Bet over, tot de zaak in 1908 werd opgeheven. De drankvergunning werd verkocht aan Jan Kamp, die de vergunning gebruikte voor eerdergenoemd cafĂ© De Onderneming aan de Heereweg 12.

Hendrik Zonneveld, zoon van de eigenaar Pieter Zonneveld, trouwde in 1908 en ging wonen in het voormalige café. Hendrik bleef er wonen tot 1936. Direct daarna werd het pand bewoond door Jan de Ruijter, die het in 1957 kocht en er tot 1974 woonde. Het pand kwam daarna nog in handen van twee leden van de familie De Ruijter.

Café Peijs in 1907.
Café Peijs in 1907.

Peijs, Van Oldenbarneveldweg 2

Klaas Peijs (1876-1939) was sigarenhandelaar, koopman, manufacturier, brievengaarder en caféhouder.
Vanaf 1905 bewoonde hij op de hoek van de Bakkummerstraat en de Van Oldenbarneveldweg (toen Bergerweg geheten) een groot wit woon- en winkelhuis, waarin Klaas een café had. Dat brandde af in 1911, waarna hij op deze plek een nieuw pand met daarin een textielzaak en een hulppostkantoor liet bouwen. Het café heeft dus maar zes jaar bestaan. In de loop der tijd waren er diverse winkels in het pand gevestigd, zoals een sigaren- en een groentezaak. Al geruime tijd wordt het volledig als woning gebruikt.

De laatste ronde

Dit artikel laat zien dat Bakkum in vroegere tijden een bloeiende cafétijd heeft gekend. Nu vinden we er alleen nog restaurants en hotels. Zelfs de bruine kroeg van Borst heeft het onderspit moeten delven. Het is alweer lang geleden dat men van café tot café kon gaan en er in De Goede Verwachting de volgende spreuk boven de bar hing:
“Toen Mozes op de rotsen klopte, gebeurde het wonder dat het water dropte. Maar een groot wonder gebeurt er hier, want als men klopt dan komt er bier.”

Hans Boot
Arend Bron

Bronnen:

  • Archief gemeente Castricum (drankvergunningen).
  • Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, 1973.
  • Edities Alkmaarsche Courant, De Castricummer, Nieuwsblad voor Castricum en Noord-Hollands Dagblad.
  • Heideman H., De oude generatie van Bakkum en Castricum (1900-1940), 1982.
  • Heideman H., De oude generatie van Bakkum en Castricum Deel 2 (1900-1950), 1994.
  • NotariĂ«le archieven.
  • Ruijter W. Jzn., Q de, Schippers van het Stet, 1974.
  • Ruyter, L. de, Hotel Borst 100 jaar, 2015.
  • Stichting Werkgroep Oud-Castricum, Castricum-Bakkum in vervlogen jaren Deel 1, 1996.

Met dank aan:
William Borst, Jan Castricum, Marry Castricum – Tuin, Piet Castricum, Agaath de Groot, Cor Mooij en Menno Twisk.

Koninklijk Landgoed Bakkum deel 2 (Jaarboek 39 2016 pg 17-22)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Bakkum:
Bakkum, de Heerlijkheid en zijn ambachtsheren – Bakkum, einde gemeenteBakkum in de 18e eeuwBakkum omstreeks 1830Bakkum na 1930, de huizen en hun bewonersBakkum, vijftig jaar kerkBewoningsgeschiedenis Bakkum NoordBoenstraatje te BakkumCafĂ©s en kasteleins in BakkumKampeerterrein BakkumKermis in BakkumKlompenbuurt in BakkumKoninklijk Landgoed Bakkum (deel 1)Koninklijk Landgoed Bakkum (deel 2)Ongevallen in Bakkum


Jaarboek 39, pagina 17

Koninklijk Landgoed Bakkum (deel 2)

Het aanzien van het duingebied is het resultaat van natuurlijke processen en menselijk handelen. Er werd gejaagd, er vond akkerbouw plaats, vee graasde in de duinen en er werd zand afgegraven. Voor dit alles was toestemming nodig van de duineigenaar, veelal van adel of een rijk geworden koopman.
In 1829 kocht koning Willem I het duingebied achter Bakkum aan voor ontginningsdoeleinden. Vooral in die periode is het menselijke ingrijpen in het duinmilieu groot geweest. Na koning Willem I was landgoed Bakkum nog twee generaties lang koninklijk bezit.

Prins Frederik der Nederlanden (1797-1881).ï»ż
Prins Frederik der Nederlanden (1797-1881).

Prins Frederik der Nederlanden (1797-1881)

Na het overlijden van koning Willem I in 1843 te Berlijn is bij de verdeling van de nalatenschap de Bakkumse bezitting eigendom geworden van zijn tweede kind prins Willem Frederik Karel. Deze prins Frederik werd in 1797 in Berlijn geboren. Tijdens zijn leven bekleedde hij meerdere militaire functies. Zo nam hij ook deel aan het beleg van Brussel in 1830. In 1825 trouwde hij met zijn nicht Louise van Pruisen. Uit dit huwelijk werden vier kinderen geboren, waarvan zijn twee zonen jong zijn overleden. In 1840 trok hij zich terug uit het openbare leven en ging op zijn landgoed De Paauw in Wassenaar wonen. Hij heeft daar tot aan zijn dood in 1881 gewoond. Prins Frederik bezat behalve landgoed De Paauw nog veel meer buitenplaatsen. Zo bemachtigde hij in die tijd ook de Drie Papegaaien, Ter Horst, Groot Haesebroek, Backershagen, de Hertekamp, Raaphorst en Eikenhorst.

Voorzijde van het in classicistische stijl gebouwde landhuis De Paauw. Na de aankoop door de gemeente Wassenaar in 1925 is het landhuis in gebruik als raadhuis.
Voorzijde van het in classicistische stijl gebouwde landhuis De Paauw. Na de aankoop door de gemeente Wassenaar in 1925 is het landhuis in gebruik als raadhuis.

Het vervolg

Over 1843 en de verdere eigendomsperiode van prins Frederik zijn niet zulke uitvoerige gegevens over het landbouwbedrijf op landgoed Bakkum bekend als daarvoor. De schaarse gegevens die wel beschikbaar zijn, zijn van belang omdat daarmee de voorspelling waaraan Gevers zich in zijn bekroonde verhandeling had gewaagd, globaal is te toetsen. Volgens Gevers waren de duinbezittingen tot rentegevende bezittingen te maken. Geconcludeerd kan worden dat de Bakkumse onderneming boven de koopsom van rond 23.000 gulden en gedurende de jaren 1829-1849 een investering van 100.000 gulden, vijftig jaar na het ontginningsavontuur als de hoogste netto-opbrengst 3.000 gulden opleverde. Dat is gerekend over het gehele areaal van rond 1000 hectare gemiddeld 3 gulden per hectare.
Over de resultaten van de exploitatie van het aangrenzende duinterrein van Gevers zijn ook geen reeksen gegevens over een langere periode bekend. Ook Gevers zal hier nauwelijks voor zijn energie en durf beloond zijn geworden met rentabiliteit van zijn bezitting. Gevers is in zijn duinterrein niet overgegaan tot stichten van nieuwe landbouwbedrijven met gebouwen. De uit omstreeks 1770 daterende boerderij De Brabantse Landbouw is in het Geversduin dan ook de enige gebleven. Ook heeft Gevers de schapenhouderij op het grondgebied van de koning


Jaarboek 39, pagina 18

bevorderd. Uit een brief aan Van Lennep blijkt dat Gevers ten noorden van de boerderij in 1852 wel een nieuwe schaapskooi heeft laten bouwen. Aan de veeverkopingen op Johanna’s Hof werd ook met vee uit het Geversduin deelgenomen en de houtverkopingen werden eveneens gezamenlijk gehouden. Omdat de ontwatering en aanleg van duinwegen op elkaar waren afgestemd, kan gesproken worden van Ă©Ă©n groot exploitatieplan van de valleien in een aaneengesloten duingebied van rond 1700 hectare groot. Het is daarmee het grootste ontginningsexperiment dat ooit in de duinen is ondernomen. De duinontginningen onder Bakkum en Castricum hebben nog een voortzetting gehad tot in het zuiden van het duingebied van Egmond, op de gronden nabij de nu nog bestaande duinboerderij Berwout. Schapenhouderij en akkerbouw leverden hier eens een bestaan op. Echt florerend zijn de duinboerderijen nooit geweest.

Prinses Marie von Wied en haar echtgenoot, geportretteerd in 1896 (Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie).
Prinses Marie von Wied en haar echtgenoot, geportretteerd in 1896 (Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie).

Marie, prinses Von Wied, Prinses der Nederlanden (1841-1910)

Na het overlijden van prins Frederik in 1881 ging het totale Bakkumse bezit naar zijn dochter, prinses Marie von Wied. Prinses Marie (Wilhelmina Frederika Anna Elisabeth Maria), geboren op 5 juli 1841 in Huize De Paauw te Wassenaar, was de tweede en jongste dochter van prins Frederik en zijn vrouw prinses Louise van Pruisen. Haar ouders hoopten haar uit te huwelijken aan de prins van Wales, de latere Britse koning Eduard VII. Maar die verbintenis ging niet door. Op 30-jarige leeftijd huwde prinses Marie in 1871 met prins Wilhelm Adolph Maximilian Carl von Wied (1845-1907), de vijfde vorst van Wied en een Duits militair. Het paar kreeg vier zonen, waarvan één jong is overleden, en twee dochters. Hun twee dochters zijn ongehuwd gebleven. Marie en Wilhelm woonden afwisselend in Duitsland, op het familieslot Neuwied en op Huize De Paauw in Wassenaar, dat Marie van haar vader had geërfd.

Schloss Neuwied in 1860. Het landhuis is nog steeds van de familie Von Wied. (P.Vogel, sammlung Alexander Duncker)
Schloss Neuwied in 1860. Het landhuis is nog steeds van de familie Von Wied. (P.Vogel, sammlung Alexander Duncker)

Als derde in de lijn van opvolging kon prinses Marie aanspraak maken op de Nederlandse troon. Dat was eind 19e eeuw geen formaliteit, want het Huis Oranje-Nassau dreigde uit te sterven. In de opvolgingskwestie kwam verandering door de geboorte van prinses Wilhelmina. Na de dood van koning Willem III zou zijn dochter Wilhelmina op de troon komen. Na de geboorte van Juliana vervielen ook voor de zonen van prinses von Wied de aanspraken op de troon.

Jachthuis Fochteloo, gebouwd in 1890.
Jachthuis Fochteloo, gebouwd in 1890.

Ook over de periode dat prinses Von Wied eigenaresse was van landgoed Bakkum is weinig bekend. Prinses Marie had de jacht verpacht aan baron Van Zuylen van Nijevelt. Aan de rechterkant aan het begin van de Zeeweg staat het voormalige jachthuis, dat in 1890 in opdracht van de baron als jachthuis en woning voor de jachtopziener werd gebouwd. Blijkbaar had de bouw de instemming van de prinses. Het huis droeg de naam Fochteloo, de geboorteplaats van deze jachtopziener, Albertus van der Wolff.

Landgoed Bakkum te koop

In 1903 werden haar omvangrijke goederen in Nederland te koop aangeboden, zo ook landgoed Bakkum. De provincie Noord-Holland had eerst alleen belangstelling voor een langs de binnenrand gelegen gedeelte, ongeveer 80 hectare groot. Die belangstelling had te maken met de voorgenomen bouw van een provinciaal ziekenhuis voor zwakzinnigenverpleging, het latere Duin en Bosch. Midden 1903 kwam de aankoop tot stand voor 54.000 gulden. De provincie kreeg echter ook de gelegenheid een bod uit te brengen op het overige deel van het landgoed, 970 hectare groot. Het kwam tot een akkoord. Op de laatste dag van hetzelfde jaar vond de eigendomsoverdracht plaats voor de som van 240.000 gulden. Na meer dan 70 jaar kwam daarmee een einde aan het koninklijk bezit van landgoed Bakkum.


Jaarboek 39, pagina 19

In het begin veranderde er weinig. Het vaste personeel, een opzichter en twee werklieden die in dienst waren van de prinses, werd door de provincie overgenomen. Marie, prinses Von Wied, is in 1910 te Neuwied overleden. In 1925 verwierf de gemeente Wassenaar landhuis De Paauw en een gedeelte van de gronden. Het landhuis werd als raadhuis in gebruik genomen en die functie heeft het nog steeds.

Het einde van het agrarische duingebruik

Na overname van landgoed Bakkum is het jachthuis Fochteloo gedeeltelijk in gebruik geweest als kantoor van de Provinciale Landgoederen. Later is die naam overgegaan op het PWN-kantoor op de hoek Van Oldenbarneveldweg-Zeeweg, de vroegere geneesheer-directeurswoning van het Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch. Aanvankelijk werd de exploitatie van landgoed Bakkum door de provincie op dezelfde voet voortgezet, maar het einde van het agrarische gebruik van de ontginningsgronden kwam al in zicht. De veehouderij op Van Lennepsoord, zo genoemd naar commissaris van Lennep, werd al in 1880 beëindigd. Ook de akkerbouw liep terug. Latere bewoners van de boerderij hebben nog bijverdiensten gezocht in de schelpenvisserij en ongeoorloofde wildvangst. De boerderij werd een tijd in tweeën bewoond door twee verschillende families Zonneveld. Als laatste bewoners verlieten zij in 1929 de boerderij die spoedig daarna is afgebroken. Met het bedrijf, dat eens op de gronden bij het Commissarishuis werd uitgeoefend, is het niet veel beter gegaan. De bewoners hebben eerst nog enige gronden buiten het duingebied in gebruik gehad en ook een nevenverdienste in de schelpenvisserij gezocht. In de jaren 1923-1925 is de zandweg, nu de Zeeweg, bestraat. Toen het gedeelte van de Zeeweg tot aan het Commissarishuis gereed was, kwam de recreatieve trek naar het strand op gang.

De zuidwesthoek van boerderij Johanna’s Hof. De boerderij is hier nog in agrarisch gebruik.
De zuidwesthoek van boerderij Johanna’s Hof. De boerderij is hier nog in agrarisch gebruik.

Gerrit Zonneveld en zijn gezin hebben van deze ontwikkelingen kunnen profiteren door de verkoop van verfrissingen aan passanten. Buiten gezette stoelen, tafeltjes en banken gaven aan het Commissarishuis in die dagen het aanzien van een geïmproviseerde uitspanning. Na de bestrating van de Zeeweg tot aan het strand en de opkomst van strandexploitatie bij Castricum aan Zee liepen de inkomsten terug. Ook het in opdracht van de provincie gebouwde restaurantbedrijf Johanna’s Hof leidde bij het Commissarishuis tot omzetverlies. In de oorlog moest het Commissarishuis op last van de bezetter worden ontruimd. Na de bevrijding kwamen er geen nieuwe bewoners en vond in 1946 afbraak plaats. Boerderij Johanna’s Hof was omstreeks 1920 agrarisch niet meer van belang. Het pand werd het laatst bewoond door de familie Twisk en werd in 1927 gesloopt. In de plaats van de boerderij kwam in 1933 aan de overkant van de Johannisweg het hiervoor al genoemde gelijknamige restaurant.

Foto van omstreeks 1908 van de familie Mooij bij de ‘Schaapherderswoning’.
Foto van omstreeks 1908 van de familie Mooij bij de ‘Schaapherderswoning’.

De Kroftwoning was al in 1914 onder de slopershamer gevallen. De laatste bewoners waren de families De Ruijter en Zonneveld. Het grote speelveld aan de Van Speykweg behoorde bij deze boerderij. In 1908 verhuisde de familie Mooij van de ‘Schaapherderswoning’ naar boerderij Zeeveld. Tot de sloop in 1914 werd de ‘Schaapherderswoning’ door de familie Brasser bewoond. Tot deze boerderij behoorde de grote open vlakte die nog steeds de ‘Wei van Brasser’ wordt genoemd, naar de laatste pachter van dit boerenbedrijf. Tot ver in de 20e eeuw werd de grond nog als los bouwland verpacht aan landbouwer Lanser uit de Haarlemmermeer. In het begin van 1997 is er een natuurbouwproject gerealiseerd. De door bemesting ontstane monotone begroeiing van voornamelijk duinriet werd verwijderd door het afgraven van de toplaag tot aan het schrale kalkrijke duinzand. Daarna werd meer reliĂ«f in het gebied aangebracht, op enkele plaatsen tot op het grondwaterniveau.


Jaarboek 39, pagina 20

Het voormalige boerderijtje De Kwekerij op het terrein van Duin en Bosch. De open kapberg, voor opslag van hooi, is verdwenen.
Het voormalige boerderijtje De Kwekerij op het terrein van Duin en Bosch. De open kapberg, voor opslag van hooi, is verdwenen.

Het boerderijtje de Kwekerij was tot de beginjaren van de 20e eeuw een gemengd bedrijfje met wei- en akkerland. Het werd bewoond door de familie Hogenstijn. Toen het gebied werd bestemd voor de bouw van een psychiatrische inrichting, bleef het boerderijtje voor de slopershamer gespaard en heeft het verschillende functies gehad. Het is een opslagplaats geweest voor landbouwproducten en tuingereedschap, een theehuis voor patiĂ«ntenbezoekers en na een restauratie bij het 60 jarig bestaan van Duin en Bosch in 1969 zelfs in gebruik genomen als museum. In dit museum kon de collectie worden bekeken die betrekking had op de geschiedenis van de psychiatrische inrichtingen Medemblik en Duin en Bosch. De collectie is later overgegaan naar het nationaal museum van de psychiatrie Het Dolhuys in Haarlem. Vanaf 2008 tot eind 2013 is het boerderijtje in gebruik geweest als een kleinschalige horecavoorziening onder de naam Het Oude Theehuys. In 2015 is de voormalige boerenwoning verbouwd en uitgebreid tot woonhuis.

Berwout bestaat nog en houdt daarmee de herinnering levend aan vroegere bedrijvigheid in het zuidelijke gedeelte van het terrein Egmond. In het begin van de 21e eeuw is in het kader van natuurontwikkeling het aanliggende voormalige landbouwgebied, het Doornvlak, van de bovenlaag ontdaan en van een meer natuurlijk reliëf voorzien. Schotse hooglanders komen er hun dorst lessen aan de rand van een gegraven plas.

Schotse hooglanders in het Doornvlak.
Schotse hooglanders in het Doornvlak.

Het langst heeft veehouderijbedrijf Zeeveld stand gehouden. Het voortbestaan van dit bedrijf was echter niet uitsluitend gebaseerd op het gebruik van duinland, maar vooral op weidegronden in de polder, ook in eigendom van de provincie. Uiteindelijk was het in 1968 ook met boerderij Zeeveld als agrarisch bedrijf gedaan. De gronden die bij deze boerderij behoorden, inclusief de gronden achter Zeeveld, zijn deel gaan uitmaken van het agrarische bedrijf Van Tienhoven Hoeve. De familie Mooij verhuisde van Zeeveld naar deze vergrote boerderij aan de Heereweg. Nadat Zeeveld zijn agrarische bestemming had verloren, was het pand een aantal jaren in gebruik als Amsterdams kindervakantieverblijf. Daarna was het een poos gekraakt. Met behulp van de Mobiele Eenheid vond op maandag 4 juni 1984 ontruiming plaats. De ontruiming had te maken met de verkoop door de provincie aan de Amsterdamse Stichting Meditatiehuis Jan 17. Sinds 1984 is deze stichting onder de veranderde naam van Stichting Jan 17 in Zeeveld gehuisvest.

Een mysterieuze boerderij

Er stond ook een boerderij achter de voormalige directeurswoning van Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch, nu Fochteloo, op de hoek Zeeweg-Van Oldenbarneveldweg. Een boerderij daar, gelegen aan de binnenduinrand en zover van de zeereep, met de naam Zeeduin ligt niet


Jaarboek 39, pagina 21

voor de hand. Toch wordt deze boerderij in een akte van 3 oktober 1829 zo genoemd en ook nog met vermelding van de kadastrale aanduiding sectie B, nummer 11. Hiermee is de boerderij op de kadastrale kaart terug te vinden en blijkt bovengenoemde locatie te kloppen. Deze boerderij bestond dus al voor de aankoop van landgoed Bakkum door koning Willem I.
Opmerkelijk is dat Jelles in zijn ‘Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands Duinreservaat’ het Zeeduin drie keer noemt, maar deze boerderij niet op het kaartje in zijn boek staat aangegeven. Van Deelen noemt de boerderij in zijn ‘Historie van Castricum en Bakkum’ (1973) de boerderij van de weduwe Asjes en anderen zijn hem daarin gevolgd. De boerderij werd echter niet het laatst door de weduwe Asjes bewoond, want na haar vertrek in 1900 wordt Jacob Jacobsz Kuijs de nieuwe huurder.

Boerderij Zeeduin, ook wel de boerderij van de weduwe Asjes genoemd. De weduwe Asjes staat links op de foto. De boerderij stond aan het begin van de Zeeweg nabij de voormalige directeurswoning van Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch, nu Fochteloo. De foto zou dateren van 1892.
Boerderij Zeeduin, ook wel de boerderij van de weduwe Asjes genoemd. De weduwe Asjes staat links op de foto. De boerderij stond aan het begin van de Zeeweg nabij de voormalige directeurswoning van Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch, nu Fochteloo. De foto zou dateren van 1892.

Jacob Kuijs betaalde 600 gulden aan pacht. Dit was verreweg de hoogste pacht die door een duinboer moest worden betaald. Voor boerderij Johanna’s Hof werd toen door Willem Twisk 200 gulden aan pacht betaald. Het grote verschil tussen de pachtsommen kan te maken hebben met het feit dat Kuijs de beschikking had over veel goede grond in de polder.
Voorafgaand aan de verkoop van grond aan de provincie schrijft op 13 oktober 1902 de zaakwaarnemer (notariskantoor Dietz en Verkoren in Den Haag) van prinses Von Wied aan mr. G. van Tienhoven, commissaris der Koningin in de provincie Noord-Holland, dat als de provincie kiest voor de bouw van een nieuwe boerderij voor Kuijs en de afbraak van de oude woning, de provincie een bedrag van 5.000 gulden moet betalen. Kiest de provincie voor de bouw van een nieuwe boerderij en het ter beschikking houden van de bestaande woning, dan moet een bedrag van 5.500 gulden worden betaald.

Hieruit kan begrepen worden dat de prinses, op haar eigendom, een vervangende boerderij laat bouwen die door de provincie wordt (mede)gefinancierd. Op 2 november 1902 meldt de zaakwaarnemer van de prinses aan de provincie dat de heer Kuijs bereid is af te zien van de huur van de te verkopen bezittingen, nodig voor de bouw van Duin en Bosch. Uit het concept koopcontract d.d. 4 juni 1903 blijkt dat de verkopende partij het belang van boer Kuijs niet uit het oog heeft verloren door het opnemen van de bepaling:
“Dat de koopster (de Provincie) haar gekochte onder gestanddoening der loopende huurovereenkomsten van enkele percelen, op heden aanvaardt, met uitzondering van de woning en verdere opstal, zich bevindende op het kadastrale perceel nummer 567 en van het daarbij gebruikt wordende erf, dat bij den tegenwoordigen bewoner Jacob Kuijs Jacobszoon in gebruik moet blijven uiterlijk tot den eersten September negentienhonderd drie of zooveel vroeger als de woning, welke elders op de bezittingen van de Hooge Verkoopster (de prinses) voor hem gebouwd wordt, ter bewoning gereed zal zijn.”

Met de aanleg van wat nu de Van Oldenbarneveldweg is, is in de eerste helft van de 19e eeuw de grote bocht in


Jaarboek 39, pagina 22

de route Castricum-Egmond eruit gehaald. Daardoor is de boerderij Zeeduin ten westen van de doorgaande weg komen te liggen en is het kadasternummer gewijzigd in sectie B 698. In 1882 vinden er enkele perceelscorrecties plaats en worden de percelen ten westen van de Heereweg overgeheveld naar sectie D; de boerderij krijgt nummer 567. Hiermee is het raadsel van de wijzigende kadastrale nummers opgelost.

De ligging van boerderij Zeeduin op de kadastrale kaart van 1832, getekend door F.J. Nautz, met daarop de voor 1841 gewijzigde route van Castricum naar Egmond, waardoor de boerderij aan de westkant van deze wegverbinding is komen te liggen.
De ligging van boerderij Zeeduin op de kadastrale kaart van 1832, getekend door F.J. Nautz, met daarop de voor 1841 gewijzigde route van Castricum naar Egmond, waardoor de boerderij aan de westkant van deze wegverbinding is komen te liggen.

Aanvankelijk zou de Van Tienhoven Hoeve op 1 augustus 1903 opgeleverd worden, maar wegens een spoorwegstaking in dat jaar moet later met de bouw worden begonnen en wordt de oplevering gesteld op 1 september 1903. Lang heeft Jacob Kuijs niet op de Van Tienhoven Hoeve gewoond, want in 1906 wordt de boerderij door de familie Beentjes bewoond

.In 1907 werden op de hoek van de Zeeweg-Van Oldenbarneveldweg de directeurswoning en de tuinbaaswoning gebouwd. Na opheffing van de agrarische functie heeft Zeeduin enkele jaren dienst gedaan als bergplaats en als onderkomen voor het tuinpersoneel van het ziekenhuis. Omdat de boerderij niet paste tussen de directeurswoning en de tuinbaaswoning, zou deze al voor 1914 zijn gesloopt.

Besluit

De verdroging als gevolg van de drinkwaterwinning zal zeker bijgedragen hebben aan de beĂ«indiging van het agrarische duingebruik. In 1924 kwam het hoofdpompstation achter Johanna’s Hof gereed en in het Bakkumse en Castricumse duingebied werden kleine pompstations in gebruik genomen die het grondwater uit de duinen gingen onttrekken. Door andere waterwin- en zuiveringstechnieken, waarbij voorgezuiverd water uit het IJsselmeer wordt ingelaten, is aan de verdroging van de duinen een einde gekomen. Maar ook zonder verdroging zouden de agrarische duinbedrijven door hun kleinschaligheid niet meer hebben kunnen bestaan.

Sporen uit het landbouwverleden zijn in het Bakkumse en Castricumse duingebied nauwelijks nog te vinden. De oplettende duinbezoeker vindt hier en daar nog een sloot of restanten van wallen. Een groot gedeelte van de voormalige landbouwgronden is in de jaren (negentien)dertig van de vorige eeuw in het kader van werkverschaffing met bomen beplant. Een gedeelte van het voormalige Castricumse ontginningsgebied is ingericht als infiltratiegebied voor de drinkwaterwinning. De overgebleven duinakkertjes kregen de bestemming ‘speelveld’ en grotere vlakke terreingedeelten zijn recentelijk omgevormd tot ‘natte’ natuur. In het Koningskanaal zijn dammen gelegd om het water zo lang mogelijk in de duinen vast te houden.

Als onderdeel van het project Schoonwatervallei is de Diepe Sloot in het najaar van 2012 uitgebaggerd en van een schone zandbodem voorzien. Het doel hiervan is dat helder duinwater via deze sloot, een pijpleiding en een klein aquaduct wordt geleid naar de natuurgebieden Zeerijdtsdijkje en de Hooge Weide, gelegen in de duinrandpolder aan de oostkant van Bakkum. Voor het overige hebben mens en natuur de omvangrijke ontginningsactiviteiten van weleer toegedekt. Het Bakkumse en Castricumse duingebied is nu een onderdeel van het uitgestrekte Noordhollands Duinreservaat.

Ernst Mooij

Bronnen:

  • Blom, P., De stolpboerderijen in Castricum en Bakkum (7e deel), 33e Jaarboek Oud-Castricum (2010);
  • Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (Prins Frederik);
  • Jelles, ir. J.G.G., Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands Duinreservaat (1968);
  • Kistermann, drs. H., Aspekten van de gebruiksgeschiedenis van het duinterrein Bakkum. Een historische verkenning ten behoeve van het natuurbeheer (1989) Archief PWN, Velserbroek;
  • Ruijter, Q. de, Over duinboerderijen en haar bewoners, 4e Jaarboekje Oud-Castricum (1981);
  • Zuurbier, S., De geschiedenis van Johanna’s Hof, 27e Jaarboek Oud-Castricum (2004);
  • Zuurbier, S., Beschikbaar gestelde kadastrale gegevens en aantekeningen, o.a. uit het Provinciaal archief Noord-Holland te Haarlem.