Arm en rijk in de 18e eeuw (Jaarboek 20 1997 pg 22-33)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over armoede: 18e eeuw, 19e eeuw, periode 1900-1940


Jaarboek 20, pagina 22

Arm en rijk in Castricum in de 18e eeuw

Lieve Geelvinck, ambachtsheer van Castricum (1676-1743).
Lieve Geelvinck, ambachtsheer van Castricum (1676-1743). Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op 11 januari 1744 schrijft de ambachtsheer van Castricum en Kronenburg, Nicolaas Geelvinck, die vooral bekend is geworden als bestuurder van Amsterdam, vanuit deze stad een briefje aan Leonard Tempelaar, de toenmalige schout van Castricum. Hij deelt mee belangstelling te hebben voor de aankoop van 2.000 roeden (ruim 2,5 hectare) hooiland nabij Kronenburg. Over de voorgenomen verkoop van dit stuk grond, de Breukeven, heeft hij een tip gekregen van de Castricumse pastoor Johannes Kerkman. De koop komt inderdaad tot stand en enige tijd later betuigt de aan Tempelaar ‘toegenegen’ Geelvinck in een briefje zijn tevredenheid met de aankoop.

Polderlandschap aan de Heemstederweg. Op de achtergrond zien we boerderij Kronenburg.
Polderlandschap aan de Heemstederweg. Op de achtergrond zien we boerderij Kronenburg. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Deze gang van zaken is illustratief voor een reeks van grondaankopen door de Amsterdamse familie Geelvinck, die daarmee in de 18e eeuw uitgroeide tot de grootste grondbezitter in Castricum. Rond 1765 was dit bezit alleen al in de circa 900 hectare grote Castricummer Polder, gelegen tussen Castricum en Uitgeest, gegroeid tot ruim 100 hectare aan weide en hooiland, vooral geconcentreerd ten zuiden en oosten van Kronenburg, met ook thans nog wel gebruikte veldnamen als Moriaan, Boneven en Goudtuinen. Het bezit aan land en boerderijen verschafte de familie Geelvinck inkomsten aan pachtgelden, maar voor hun financiƫle positie zal het waarschijnlijk niet van grote betekenis zijn geweest. Hun bron van fortuin was veeleer het bekleden van een aantal zeer lucratieve ambten en mogelijk ook handel, want Lieve Geelvinck, de vader van de reeds genoemde Nicolaas Geelvinck, was bewindhebber der Verenigde Oostindische Compagnie (VOC).

Ambachtsheer

Het begrip ‘ambachtsheer’ ontstond in de Middeleeuwen en had betrekking op vermogende personen aan wie de gezagsdragers, zoals de graven van Holland en later de Staten van Holland, hun burchten, landerijen en dorpen in bestuurlijke zin in leen gaven. Aan de titel van ambachtsheer, die men – als men geld genoeg had – kon kopen, waren rechten en plichten verbonden. Tot de verplichtingen behoorden het goed onderhouden van de ambachtsheerlijkheid en betalingen in geld of goederen aan de leenheer bij het overgaan in andere handen van het leengoed, bijvoorbeeld door vererving. Tot de rechten behoorden onder andere het aanstellen van plaatselijke ambtenaren zoals de schout, de rechtspraak in civiele zaken en kleine misdrijven, het innen van belastingen en het ondernemen van visserij, jacht en strandvonderij.

Wapen van Geelvinck van Backum.
Wapen van Geelvinck van Backum, 1749. Meester Nicolaas 1749-1765 en Meester Joan Geelvinck 1795-1802. Een ambachtsheer oefende in een plaats of dorp het gezag uit namens de graaf of na de Middeleeuwen namens de Staten van Holland. Een dorp waar de graaf het gezag erfelijk in leen had uitgegeven aan de ambachtsheer werd een (ambachts) heerlijkheid genoemd. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

EĆ©n van de belastingen, die de Geelvinck’s elk jaar mochten innen, bestond uit 96 zakken koren, die op Kronenburg moesten worden afgeleverd. Deze ‘pachtgerst’ kon ook worden afgedaan in de vorm van geld, volgens de omstreeks Pasen geldende tegenwaarde van het koren.
De naam Geelvinck was van 1664 tot 1802 met de heerlijkheid Castricum verbonden.
Het begon in 1664 met Comelis Geelvinck, die alle rechten op het bezit voor 33.000 gulden kocht van Anna van Renesse. Het eindigde met Joan Geelvinck, die twee dochters naliet, waardoor het recht van ambachtsheer in 1802 overging op zijn schoonzoon, Albertus Comelis Schuyt. Nicolaas Geelvinck kocht in 1749 de heerlijkheid Bakkum voor 4.000 gulden van Abraham PernƩ en werd daarmee de eerste ambachtsheer van Castricum en Bakkum.

De rijke, heersende klasse

De familie Geelvinck is kenmerkend voor het patriciaat, bestaande uit regenten, deels van adellijke afkomst, maar daarnaast ook rijk geworden kooplieden, herenboeren en gegoede burgers, die lange tijd de bevoorrechte, bezittende en heersende klasse vormde van de in 1648 opgerichte Republiek der Verenigde Nederlanden. De Republiek was allesbehalve een democratie. Door het bezit van een vermogen kon men zich een bestuurlijk ambt verwerven en door het bezit van dit ambt kon men vermogend worden; Bovendien waren bestuurlijke ambten veelal erfelijk en begunstigde men bij benoemingen familieleden, waardoor het fortuin zich opstapelde in bepaalde families. Een schatting die men wel aantreft is, dat de rijke elite, die de dienst uitmaakte, in het begin van de 18e eeuw uit ongeveer 9.000 personen bestond.

De poort van kasteel Marquette.
De poort van kasteel Marquette, Marquettelaan 34 in Heemskerk. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Een manier waarop deze rijken zich profileerden was het bezit van een buitenverblijf en in dat opzicht was de familie Geelvinck geen uitzondering. De familie bezat onder andere de buitenplaatsen Akerendam en Scheybeek in Beverwijk en verder een gedeelte van de zogenaamde duinen van Marquette, zodat men een verblijf op het buiten met de geliefkoosde jacht kon combineren.
Welke beweegredenen hadden de rijken om dergelijke buitenplaatsen te stichten?
Koopmansstad Amsterdam, met al in de 17e eeuw een groot aantal vermogende burgers, bood met het groeien der bevolking op den duur onvoldoende ruimte om er een huis met een weelderige tuin op na te houden en dus zocht men zijn heil buiten de stadsmuren, vooral in de Vechtstreek of in Kennemerland. Bovendien was sinds de 17e eeuw een romantisch gevoel opgekomen voor alles wat met de natuur te maken had, waarbij men steeds meer oog kreeg voor het landschap. Het zich bewegen in de open lucht werd als goed voor de gezondheid beoordeeld. Schrijvers, dichters, componisten en schilders hielden zich met de natuur bezig. Voor het aanleggen van landhuizen, lusthoven en plantagiĆ«n (red: beplanting, begroeiing) verschenen zelfs aanbevelingen, zoals die van Pieter de la Court van der Voort in 1737: “Het voornaemste omtrent de gelegentheid is, dat men daertoe eene gezonde luchtstreek verkiest en de gronden die digt aen zee leggen verwerpt, alzo de zeedampen zeer schadelyk zyn. Insgelyks niet omtrent moerassen en modderpoelen, ook niet na een groote volkrijke stad, dewijl dezelfs rook en uitwazemende dampen eene gezonde lucht zouden konnen besmetten. Daer bij komt dat de baldadigheden van het gemeene, zoo digt bij gelegen volk den bezitter veeltijds benadeelen, behalven dat hij, door bezoek van vrienden en kennissen veel ontrust word. Nogtans behoort men van eene aenzienlijke stad niet al te verre afgelegen te zijn, opdat men in de voordeelen welke zoo groote zamenwooning van welvarende mensen kan aenbrengen, mag deel hebben, daer onder voornamentlijk begrepen wordt, dat men het overvloedige ten dienste aldaer kan verkopen en het benodigde ten minsten prijze inkopen.”
Als het al zo was, dat hun bezittingen in Beverwijk in de invloedssfeer van kwalijk geachte zeedampen lagen, dan hebben de Geelvinck’s zich daarvan kennelijk niets aangetrokken.

Was men betrokken bij zijn ambachtsheerlijkheid?

Waren de leden van een dergelijke familie nu werkelijk geĆÆnteresseerd in de dagelijkse gang van zaken in hun ambachtsheerlijkheden en toonden ze een bij hun functie passende maatschappelijke verantwoordelijkheid?
Daar zijn weinig concrete gegevens over. Volgens de hiervoor geciteerde Pieter de la Court van der Voort, moest de koper van een buitenverblijf voor een locatie kiezen met niet te veel overlast van de ‘baldadigheden’ van het gewone volk. Als dit de gangbare mentaliteit was,


Jaarboek 20, pagina 23

moet men zich van het contact tussen de rijke families en het ‘gewone volk’ niet teveel voorstellen. Waarschijnlijk geldt dit ook voor de Geelvinck’s en verbleven zij weliswaar met een zekere regelmaat op hun buitens om gasten en zakenrelaties te ontvangen, terwijl ze er ook familieleden lieten wonen, maar vertoonden zij zich nauwelijks in Castricum en Bakkum en lieten zij het dagelijks bestuur en financiĆ«le beheer vrijwel geheel over aan de door hen aangestelde schout en zijn schepenen.
Zo vraagt de in het begin van dit artikel als koper van grond ten tonele gevoerde Nicolaas Geelvinck zich in zijn bedankbriefje aan schout Tempelaar af, hoe hij de 325 gulden, die met de aankoop waren gemoeid, in Castricum moet krijgen. Als hij daar regelmatig kwam, zou dat geen problemen hebben gegeven. Nu zal hij proberen om het geld met iemand mee te geven.

Over de geschiedenis van Akerendam wordt vermeld, dat de achtereenvolgende bewoners van deze buitenplaats, waaronder dus de Geelvinck’s, zich tot omstreeks 1800 nauwelijks met het nabijgelegen Beverwijk en zijn inwoners bemoeiden.

Castricum in vroeger tijden.
Castricum in vroeger tijden. De afbeelding is gemaakt door A.Zeeman rond 1720. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Niettemin wijzen sommige gedocumenteerde voorvallen er op, dat het wel en wee van hun dorpen de familie Geelvinck ook weer niet geheel onberoerd liet. Zo werd in 1756 in de grote kerk van Beverwijk het fraaie orgel, gebouwd door Christiaan Muller, in gebruik genomen, dat in 1753, aanvankelijk anoniem, was geschonken door de op Scheybeek wonende Anna Elisabeth Geelvinck, een zuster van Nicolaas Geelvinck. Een dergelijke schenking kon zij overigens gemakkelijk doen, want bij haar dood in 1754 liet ze aan de erven het voor die tijd enorme bedrag van ruim 1 miljoen gulden na.

In 1755 helpt Nicolaas Geelvinck het gemeentebestuur van Castricum met enkele duizenden guldens voor ‘zware’ reparaties aan kerk, pastorie en school. Deze hulp bij een acuut probleem kan als een vorm van medeleven met de plaatselijke bevolking worden gezien, maar ook eigenbelang of op zijn minst zakelijkheid lijkt in het spel te zijn, want het was geen schenking maar een lening. De kerkmeesters van de gereformeerde kerk, Casper Janssen Terbrinck en Leonard Tempelaar geven te kennen, dat deze schuld niet uit het geringe inkomen van de kerkelijke goederen kan worden terugbetaald en zij krijgen toestemming van de Staten van Holland en Westfriesland om extra plaatselijke belastingen te heften, op de landerijen, op het ‘gemaal van tarwe en rogge’ en op de slacht van koeien, varkens, schapen en lammeren.

Als een vorm van hulp aan individuele Castricumse burgers kan worden gezien de overname door Nicolaas Geelvinck in 1759 van een klein stukje grond in de Kerkbuurt met de smederij en alle gereedschap van de in 1758 overleden dorpssmid Casper Janssen Terbrinck. Weliswaar niet tegen contante betaling, maar de weduwe van de smid, Trijntje Jacobs, kreeg een lijfrente toegezegd van 80 gulden per jaar zolang zij zou leven en bovendien een eenmalige gift van 6 tonnen turf.
Van Deelen noemt in zijn bekende boek over de historie van Castricum de vele bezittingen van vooral Nicolaas Geelvinck, maar gunt hem wat betreft zijn motieven in de verwerving van dit bezit het voordeel van de twijfel: “Misschien als geldbelegging, maar het kan ook zijn dat hij de mensen die wat verkopen wilden, de behulpzame hand wilde bieden.”

Jonkvrouwe Margaretha Johanna Deutz van Assendelft.
Afbeelding uit 1829 van Margaretha Johanna Deutz van Assendelft. Jonkheer meester Daniƫl Theodore Gevers van Endegeest was geboren op 25 augustus 1793 in Rotterdam en zoon van jonkheer meester Dirk Cornelis Gevers en Maria Catharina de Leeuw. Hij trouwde in Amsterdam op 28 mei 1828 met jonkvrouwe Margaretha Johanna Deutz van Assendelft, geboren in Amsterdam 6-10-1807 en dochter van jonkheer meester Andries Adolph Deutz van Assendelft en Jacoba Margaretha Maria Boreel. Zijn schoonvader bezat duingebied in Castricum (860 morgen) en Heemskerk (554 morgen). Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Er waren naast de Geelvinck’s meer rijke Amsterdamse families in de 18e eeuw met landgoederen in Castricum en omgeving. Zo bezat de Amsterdamse koopmansfamilie Deutz verschillende stukken land in Castricum en Bakkum, waaronder een jachtgebied in het duin. Jean Deutz van Assendelft, Heer van Heemskerk, die resideerde op Assumburg, voegde in 1739 aan dit bezit nog toe de eendenkooi met toebehoren, gelegen in de Castricumse polder nabij de grens met Uitgeest, waarvoor hij 2.300 gulden betaalde.

Gerard Bicker van Swieten, lid van een machtige Amsterdamse regentenfamilie, bezat een duingebied met konijnen ‘gelegen onder de Banne of Heerlijkheid van Castricum’ en het Zeeveld ‘ een duin met konijnen wel gepopuleerd en met alles wat er op en aan groeit, gelegen in Bakkum met het duinmijershuis en landen’.

Afbeelding van het wapen van Rendorp van Marquette. et motto Virtute Duce betekent leef met de Moed als Gids. Hun buiten, het Huis Marquette onder Heemskerk, lag gunstig voor de jacht in de duinen. Van 8 januari 1850 tot 29 juni 1851 was jonkheer Jacob Rendorp van Marquette burgemeester-secretaris van Heemskerk en van 29 juni 1851 tot 1868 was hij burgemeester in Heemskerk. Joachim Rendorp (1728-1792), een van zijn voorvaderen was een Amsterdamse regent van het oude stempel. Jacob was getrouwd met Agneta Deutz van Assendelft. Hun dochter Paulina, die zowel Assumburg als Marquette had geƫrfd, huwde met Jan Hugo Gevers. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Joachim Rendorp, eveneens telg uit een Amsterdamse regentenfamilie, was vrijheer en bewoner van Marquette en bezat ook duinterrein. Hij kocht in het begin van de 18e eeuw verschillende akkers hooi- en weiland in Castricum.

Voor de wat minder welgestelden, die zich niet de aankoop van grote buitenverblijven en stukken duingebied konden permitteren, maar die niettemin geld over hadden voor een verblijf in de vrije natuur, was het grensgebied van de duinen aantrekkelijk. In dit opzicht toont reeds een gedetailleerde kaart vervaardigd door landmeter

Detail van de kaart 'De Heerlykheid van Castricum' uit 1737, waarop duidelijk is te zien hoe de tekenaar de individuele boerderijen, gelegen in de Kerkbuurt en Oosterbuurt op een lommerrijk erf, heeft aangegeven.
Detail van de kaart ‘De Heerlykheid van Castricum’ uit 1737, waarop duidelijk is te zien hoe de tekenaar de individuele boerderijen, gelegen in de Kerkbuurt en Oosterbuurt op een lommerrijk erf, heeft aangegeven.

Jaarboek 20, pagina 24

Johannes van Zwieten in 1661, verschillende bosrijke percelen aan de voorkant van de duinen tussen Heemskerk en Castricum. Met namen van eigenaars, die doen vermoeden dat zij geen vaste inwoners van de dorpen in het kustgebied waren: Frans Barense Cousebant, mijnheer de Geer, advocaat Brugsman, mijnheer Guldewagen. Een vrij uitgestrekt gebied, waarin veel bomen staan getekend, wordt de ‘Plantage van de heer Boijmans’ genoemd.

Van een welgestelde pastoor

Een wat betreft zijn welstand opvallende Castricumse figuur, die min of meer in het rijtje van rijke patriciƫrs thuishoort, was Johannes Kerkman, die van 1723 tot aan zijn dood in 1765 in Castricum pastoor was en die reeds aan het begin van dit artikel werd genoemd als tipgever over grondverkoop aan Nicolaas Geelvinck. Zijn rijkdom had deze pastoor zeker niet aan zijn kerkelijke activiteiten te danken, maar veeleer aan zijn rijke familie, waarmee wellicht omgekeerd weer zijn aanstelling in Castricum te maken had.

De Schuilkerk, Breedeweg 72 in Castricum, rond 1850.
De Schuilkerk, Breedeweg 72 in Castricum, rond 1850. Op het terrein naast de boerderij van Spaansen heeft de schuilkerk gestaan. De pastorie is tegen de schuilkerk aangebouwd. Onder leiding van deze pastoor wordt de kerk steeds meer verfraaid en komen besprekingen over de bouw van een nieuwe kerk op gang. In 1858 is de schuilkerk gesloopt. Zwart-wit tekening. Toegevoegd.

Hierbij is uiteraard opvallend, dat hij behoorde tot een kerkelijk gediscrimineerde bevolkingsgroep, die huisde in een schuilkerk, terwijl hij het met de protestantse Geelvinck’s toch niet slecht kon vinden. Over de relatie tussen de rooms-katholieke kerk en het officiĆ«le gezag in deze periode van de Castricumse geschiedenis valt meer op te merken, maar laten we ons beperken tot het feit, dat Kerkman in 1738 de buitenplaats Starburg in Bakkum kocht en deze tot aan zijn dood in bezit hield, waarna de rechten overgingen op zijn erfgenamen, die de buitenplaats circa tien jaar later verkochten.

Boerderij Starrenburg., Bleumerweg 33 in Bakkum.
Tegenover de buitenplaats Gaeff of Starburg is aan de Bleumerweg 33 in Bakkum de nu nog aanwezige boerderij Starrenburg gelegen. Het bouwjaar van deze boerderij is niet bekend. De oudst bekende akte is van 1827. Collectie Oud-Castricucm. Toegevoegd.

In transportakten treffen we de naam van pastoor Kerkman en zijn zuster Johanna Kerkman, die ook in Castricum woonde, als kopers en verkopers van grond regelmatig aan. Er komt ook een aantal akten voor, waaruit blijkt dat de pastoor en zijn zuster geld leenden aan inwoners van Castricum, maar dat wel steeds tegen een rente van over het algemeen 4 procent.
Van de persoon van pastoor Kerkman geven aantekeningen van Ć©Ć©n van zijn opvolgers de volgende indruk: “De eerwaarde heer Kerkman was zwaar van lichaam en had zeere beenen. Hy kwam des morgens heel laat uit het bed. De kerk, die des zondags om half negen moest aanvangen, begon te tien uur en soms nog later. Daarbij deed hy de kerkelyke diensten zeer langzaam. Dat verveelde de gemeente vooral des winters om tot tien uur in de kerk of op de kerkwerf te staan klappertanden en verkleumen. Een kapelaan begeerde hy niet.”

Het verpondingskohier uit 1731

Een indruk van de maatschappelijke situatie van de circa 550 inwoners van Castricum rond 1730 geeft het Castricumse Kohier der Verponding uit 1731. Het betrof de herziening van een directe provinciale belasting op huizen (een soort huurwaarde), verordonneerd door de toenmalige raadspensionaris Van Slingelandt (1727-1736) , in verband met de slechte financiƫle toestand van de Republiek. Het jaar 1731 is hiermee zeer geschikt als uitgangspunt voor de geschiedenis van arm en rijk in Castricum en Bakkum in de 18e eeuw, omdat er nauwelijks gegevens zijn uit vroegere perioden.

Deze tekening uit 1737 geeft een indruk van de kerk van Castricum en zijn directe omgeving zoals gezien in noordelijke richting vanaf een plek bezuiden de kerk.
Deze tekening uit 1737 geeft een indruk van de kerk van Castricum en zijn directe omgeving zoals gezien in noordelijke richting vanaf een plek bezuiden de kerk. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hoe Castricum er in die tijd uitzag kunnen we zien op een gedetailleerde kaart die Lieve Geelvinck in 1737 liet vervaardigen, waarop duidelijk de ligging van huizen en boerderijen is aangegeven, in een aantal gevallen gesitueerd op een lommerrijk erf, herkenbaar aan de ingetekende bomen.
Op de kaart tellen we op het Castricumse grondgebied ruim 100 woningen, wat goed overeenkomt met de 108 woningen genoemd in het verpondingsregister uit 1731.
De woningen zijn grotendeels geconcentreerd in bepaalde gebieden. In wat min of meer het centrum van Castricum is, treffen we circa 40 woningen aan in een gebied rond de huidige hervormde, toen gereformeerde kerk, vanaf de Kerkbuurt uitlopend tot in de Oosterbuurt, met Kronenburg ingetekend als de meest oostelijk gelegen hoeve.

Hoeve Kronenburg. Pentekening Jan Pasman, Kijk-Uit Kalender 1999. Toegevoegd.

Opvallend is, dat de andere woonkernen gelegen zijn langs de gemeentegrens van Castricum. In het noorden circa 20 woningen onder de Schulpvaart, de toenmalige grens tussen Castricum en het nog zelfstandige Bakkum, in het westen ruim 20 woningen langs het duingebied, met een concentratie ter hoogte van de huidige Geversweg en Dr. Jacobilaan en in het zuiden een rijtje woningen nabij de banscheiding met Heemskerk, langs de Maardijk (nu Korendijk).

Het wiel bij de Korendijk in Castricum.
Het wiel bij de Korendijk in Castricum. Potloodtekening Willem Hulsken. Toegevoegd.

Uit het verpondingskohier van 1731 kan men concluderen, dat circa 75 procent van de vermelde inwoners van Castricum, gezinshoofden of alleenstaanden, ook eigenaar was van het huis waarin men woonde. De overige 25 procent woonde in een gehuurd huis of een huis, dat door familieleden of de Algemene Armen ter beschikking was gesteld. Slechts 30 procent van de vermelde personen had volgens het kohier een substantieel bezit aan eigen grond; de overigen bezaten hoogstens een klein erf rond het huis of hadden grond gepacht.

Grond in bezit van niet-Castricummers en diverse instanties

Het totale oppervlak aan landbouw- en weidegrond, dat in 1731 eigendom was van inwoners van Castricum, taxeren we op hoogstens de helft van het beschikbare areaal, zodat er nog andere grondeigenaren moeten zijn geweest. Een eigenaar hebben we al leren kennen, de familie Geelvinck. De namen in de verpondingsregisters van sommige andere eigenaren van grond in Castricum doen vermoeden, dat we met elders wonende geldbeleggers uit de betere kringen van doen hebben. Daarnaast blijkt een aantal kleine en grote bestuurlijke instanties brood te hebben gezien in het kopen van Castricumse grond, om die dan te verpachten. Wat deze laatste categorie betreft noemen we de overheden van de steden Haarlem en Beverwijk, de Diaconie van Beverwijk, het gasthuis van Wijk aan Zee en de Kerk van Uitgeest. De Algemene Armen van Castricum konden eveneens bogen op een bescheiden grondbezit met een oppervlak van circa 25 hectare. Een der stukken grond had de toepasselijke naam ‘Aalmis Campje’.

Zicht vanuit de Oosterbuurt op het einde van de Kerkbuurt.
Zicht vanuit de Oosterbuurt op het einde van de Kerkbuurt. Breedeweg in Castricum, 1901. Voorbij de twee pas gebouwde huisjes aan de Schoolstraat en de boerderij staat de later afgebrande bakkerij van bakker Punt. Op de plaats van de afgebrande bakkerij is later het armenhuis gebouwd. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Ook het rooms-katholieke kerkbestuur van Castricum wist een grondbezit op te bouwen. Hoe dit laatste tot stand kwam, kunnen we volgen uit bewaard gebleven notities van Johannes Kerkman, die in 1734 aanvangen. Hij beschrijft onder andere een aantal schenkingen van grond, soms per testament, aan de kerk. Kerkman mocht dan zijn parochianen letterlijk wel eens in de kou laten staan, hij toont zich in zijn beschrijvingen van de schenkers soms een bewogen man, zoals bij het overlijden van Eva Hogenbreg: “Eva Hogenbreg rijk van duegde is gerust den 11 Mey 1751. Deeze vrouw heeft haar saligmaker door de weg van gequel vroom en stantvastig gevolgt, heeft haar man eijndelijk tot beeter leeve gebragt en nadat deselve Godvrugtig gestorve waar, belast haar den Heer met de kanker in de tong, waaraan deselve seer groote pijne met uiterste kloekhijdt heeft uijtgestaan. Deselve is seer naarstig in haar huijselijke saake geweest, daagelijks in de mis, niettegenstaende sy haere bouwery waarnam, heeft niet alleen haare genegenheid tot de kerk getoont met haare man een akker tot de tuyn gevende, maar bij haar overlijden heeft deselve het half morge, dat zij in de Telik bezat, aan de Rooms Catholyke Kerk geschonke.”

Het boerenbedrijf

Uit gegevens en statistieken blijkt, dat in Noord-Holland al vanaf circa 1500 de veehouderij sterk overheerste, met een belangrijke uitzondering, de dorpen in het zogenaamde Duinkavel, waar op de geestgronden achter de duinen ook in ruime mate akkerbouw werd bedreven. Deze akkerbouw omvatte voor sommige dorpen tussen Wijk aan Zee en Egmond wel 40 procent van de beschikbare grond.

Zicht op de Kramersweg in de Duinkant.
Zicht op de Kramersweg in de Duinkant. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Alkmaar was al in de 17e eeuw een belangrijke markt voor akkerbouwproducten uit het Duinkavel, waarbij men uit beschrijvingen van de aangevoerde producten een indruk krijgt van gewassen, die in de omgeving werden gekweekt: tarwe, rogge, haver, gerst, boekwijf, erwten, bonen, lijnzaad en kanariezaad.


Jaarboek 20, pagina 25

In beschrijvingen wordt ook de teelt genaamd van rapen in Castricum en Limmen en van aardappelen, boomvruchten en bloembollen in Uitgeest. Rond 1750 vond in Akersloot de teelt van asperges plaats.
Ondanks de betekenis van de akkerbouw voor het boerenbestaan in Castricum en omgeving was niettemin het grootste deel van de beschikbare grond weide- en hooiland.

Boerderij met melkbussen.
Boerderij met melkbussen, Breedeweg 80 in Castricum, 1975. Deze boerderij is van voor 1790 en werd bij een boedelscheiding in 1815 omschreven als een huismanswoning getekend met nr 70 en de hofstee van het Plattehuis, staande en gelegen te Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hierop werd veeteelt bedreven. Een boedelbeschrijving uit 1750 ten behoeve van de erfgenamen van Annetje Gerrits verschaft enig inzicht van hoe een dergelijk Castricums veebedrijf er in die periode uitzag.

Het betreft waarschijnlijk niet een gemiddeld bedrijf maar Ć©Ć©n van de grotere, wat we concluderen uit de status van de echtgenoot van Annetje Gerrits, Aalbert Valck, die schepen was in het Castricumse gemeentebestuur en uit het vrij grote bedrag van 3.615 gulden aan contant geld, dat bij het overlijden van Annetje werd aangetroffen. De erfenis omvatte een boerderij en hofstede in de Kerkbuurt met ruim 23 hectare aan weidegrond, hoewel niet aaneengesloten. Het bezit aan ‘levendig vee’ wordt omschreven als 12 koeien, 3 vaarsen, 2 pinken, 4 kalveren, 2 bulkalveren, 3 paarden, 2 zeugen, 21 biggen, 10 mestvarkens, 4 hennen en 1 haan. Een gemengde veestapel dus, zoals gebruikelijk was in die tijd.

Welvarende bestuurders en herenboeren

De relatie tussen bezit en macht beperkte zich niet tot een elite, waartoe de Geelvinck’s behoorden, maar komt ook tot uiting in de status van personen uit de bestuurslaag, die op de maatschappelijke ladder direct onder deze elite volgde. Dit gaat ook op voor Castricum en Bakkum, want uit akten met betrekking tot de aan- en verkoop van akkers en boerderijen kan worden vastgesteld, dat schout en schepenen van deze dorpen in de 17e en 18e eeuw veelvuldig als kopers en verkopers optraden. De eerder genoemde Leonard Tempelaar, van 1730 tot 1779 schout in Castricum, kocht bijvoorbeeld ruim 10 hectare land geconcentreerd in een gebied rond het huidige Uitgeesterpad. Verder was hij nog eigenaar van stukken land in Bakkum.
De meeste schepenen blijken afkomstig uit families met een relatief groot bezit aan land en boerderijen. Door hun maatschappelijke positie kwamen ze in aanmerking voor verkiezing in het gemeentelijk bestuur, waarbij ze omgekeerd als eersten over informatie beschikten over mogelijk voordelige grondtransacties.

Boerderij tussen de bomen verscholen. Breedeweg 40 in Castricum.
Boerderij tussen de bomen verscholen. Breedeweg 40 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op basis van het genoemde verpondingskohier uit 1731 en andere belastinggegevens zou men kunnen trachten een lijst samen te stellen van de Castricumse boeren en boerenfamilies gerangschikt naar afnemend bezit aan onroerend goed. In verband met onvoldoende inzicht in de samenhang van de diverse vormen van belastingheffing is dit niet goed mogelijk, maar namen van families waarvan we zeker meerdere leden aan de top van de lijst zouden aantreffen zijn: Capiteijn, Kuijs, IJpelaan en Roobeeck. Van individuele personen, die hoog op de lijst zouden scoren, noemen we IJsbrant Willem Broens, Willem Theunissen, Jan Maartse Kuijl, Cornelis Hogenbreg en Willem Claassen van der Pollen. Deze Castricummers bewoonden zonder uitzondering een als duur getaxeerd huis en hadden verhoudingsgewijs een aanzienlijk bezit aan grond, in de orde van grootte van 20 hectare of meer. Een aantal van hen bracht het tot schepen in het Castricumse gemeentebestuur.

Hoe moeten we de status van deze op het eerste gezicht welvarende Castricummers inschatten?
Wat de veehouderij betreft is in dit opzicht de informatie interessant van historici, die de schaarse gegevens van individuele boerenbedrijven in Friesland hebben geanalyseerd. Zij gaan er van uit, dat in de 18e eeuw een veehouder over het algemeen naast koeien ook schapen en varkens hield, wat het meest rendabel was.
Voor een dergelijk boerenbedrijf in de periode 1720-1730, met het naar toenmalige Castricumse maatstaven vrij grote oppervlak van 30 hectare weidegrond en een bestand aan dieren van 18 melkkoeien, 5 eenjarige runderen, 5 kalveren, 3 schapen, 8 lammeren, 2 varkens, 8 biggen en 2 paarden, worden de inkomsten getaxeerd op 925 gulden per jaar. Het grootste deel van deze inkomsten komt uit de verkoop van hooi, van kaas en van koeien voor de slacht. Zonder hooiverkoop vallen de inkomsten beduidend lager uit.

Laden van hooi op de wagen. Schulpstet in Bakkum, rond 1904.
Laden van hooi op de wagen. Schulpstet in Bakkum, rond 1904. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De productie, verkoop en export van hooi, onder andere als paardenhooi naar de Hollandse steden, wordt vooral een Friese aangelegenheid genoemd en was mogelijk door een vrij ruim grondbezit in verhouding tot de veestapel. Als de hooiverkoop zo lucratief was, is niettemin aannemelijk, dat ook de grotere boerenbedrijven in Holland er aan meededen.
Een aanwijzing hiervoor vormen rekeningen van het Bakkums armbestuur uit die periode, waarop ontvangsten uit hooiverkoop worden vermeld.
Om de uitgaven van het beschreven boerenbedrijf te taxeren, moeten andere historische bronnen te hulp worden geroepen. De arbeidskosten van een ongeschoolde arbeider bleven vrijwel de gehele 18e eeuw merkwaardig constant en lagen rond de 1 gulden per dag. In het boerenbedrijf zal overigens het dagloon in verband met kost- en inwoning aanzienlijk lager zijn geweest, terwijl de landarbeiders bovendien slechts een gedeelte van het jaar werden ingehuurd. Voor de kosten voor voeding van een huishouden van 5 personen, worden in de periode rond 1730 bedragen van een halve gulden per dag genoemd, maar dat lag in het boerenbedrijf waarschijnlijk ook lager, omdat men eigen producten of door ruil verkregen etenswaren kon consumeren. De druk van de diverse belastingen kon voor de boeren in relatie tot het inkomen tot wel 25 procent van de inkomsten oplopen. Zelfs als we geen rekening houden met de kosten van de eigenlijke bedrijfsvoering, omdat daarover gegevens ontbreken, suggereert deze beknopte analyse niettemin, dat zelfs de welvaart van Castricumse boeren, die hoog op de bezitterslijst scoren, niet te overdreven moet worden ingeschat. Voor een aantal van hen was het waarschijnlijk toch geen vetpot.


Jaarboek 20, pagina 26

Schelpenkarren op het strand. Castricum aan Zee, 1905. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

Schelpenvisserij

Al in 1514 wordt de schelpenvisserij als bedrijf in Hollandse kustgemeenten genoemd. Het branden van de schelpen tot kalk geschiedde aanvankelijk te Alkmaar. Later vond de verwerking ook in kalkovens te Castricum en vooral Akersloot, plaats.

Lange tijd heeft een deel der Castricumse en Bakkumse bevolking een bestaan gevonden in de schelpenvisserij. Men reed met paard en wagen naar het strand om de schelpen te verzamelen. De betekenis van de schelpenvisserij blijkt uit het opvallend grote aantal paarden, dat vele jaren in Castricum werd geregistreerd. De schelpenvisserij was de basis van een gehele tak van industrie, die veel werkgelegenheid bood. De aangevoerde schelpen werden gewogen en daarna opgeslagen op het Schulpstet voor verdere verwerking in plaatselijke kalkovens of voor transport langs de Schulpvaart. Het geheel stond onder toezicht van daartoe aangestelde opzichters, die de aanvoer van de schelpen administreerden, evenals de verdere verwerking, zoals het laden van de schuiten, terwijl bovendien een administratie werd gevoerd van ontvangsten en betalingen. Het transport van de schelpen met schuiten betekende werk, evenals het eigenlijke kalkbranden in de ovens en de bouw en het onderhoud van Ć©Ć©n en ander.

Commissarishuis met daarvoor een schelpenhoop en een aantal personen.
Commissarishuis met daarvoor een schelpenhoop en een aantal personen. Op de achtergrond een ijskarretje. De schelpen werden hier gebracht door schelpenvissers als de oogst goed was zodat zij snel weer konden vissen. Was de vangst minder dan werd direct naar het Schulpstet gebracht. Zeeweg in Bakkum, 1918. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

Een gebruikelijk clichƩ betreffende de schelpenvisserij, gestimuleerd door afbeeldingen van eenzame schelpenvissers met paard en wagen aan het strand is, dat het hard werken betekende voor weinig geld. De verdiensten vielen echter in verhouding tot die uit de landarbeid waarschijnlijk wel mee, gezien de populariteit waarin deze tak van nijverheid zich lange tijd, ondanks periodieke inzinkingen, mocht verheugen. Voor een aantal Castricumse boeren was de schelpenvisserij een nevenbedrijf in de stille perioden op het land.

Over hoe rond 1750 een dergelijk gemengd bedrijf in elkaar stak, geeft een boedelbeschrijving van de overleden Jan Pieterse Pontse een indruk. Het bezit omvatte een huis met erf en twee boomgaarden met appels en peren. Aan dieren worden genoemd: 5 koeien, 3 paarden, 5 schapen en lammeren en 4 varkens. Hoewel in de boedelbeschrijving niet vermeld, bezat Jan Pantse volgens enkele akten van aankoop eigen weidegrond, met een omvang van circa 5 hectare Men maakte zelf boter en kaas, wat kan worden opgemaakt uit de aanwezigheid van een karn als onderdeel van de keukeninventaris en het aantreffen van 48 ‘soetemelkse’ kazen.
Wat betreft de schelpenvisserij worden genaamd gereedschappen, zoals schulpharken, een wagen ‘met tuijgen’, terwijl er als resultaat van de arbeid 10 schuiten (een inhoudsmaat) schelpen zijn gelegen op het stet.

Zelfstandigen

Rond 1730 was welstand in Castricum en Bakkum uiteraard niet alleen voorbehouden aan regenten en herenboeren maar zij kon ook ten deel vallen aan personen uit bepaalde beroepsgroepen, ambachtslieden en kleine zelfstandigen.
Een voorbeeld van iemand die zich, waarschijnlijk mede door de vaste inkomsten uit zijn beroep, belegging van geld in land kon permitteren, was de Castricumse schoolmeester en dorpsbode Adriaan de Boer. In 1731 bezat hij een boerderij met circa 15 hectare land, welk bezit hij verhuurde aan de Castricummer Jan Remmen. Een voorbeeld van hoe hij succesvol speculeerde met grondbezit vormt zijn aankoop in 1732 van een stuk land in de Castricumse polder genaamd Lagenhem en Jellenbusch voor 390 gulden. Nauwelijks een jaar later verkoopt hij dit land voor 447 gulden aan de Beverwijkers Pieter Groen en Jacob Olofs, die nog meer grond in Castricum in bezit hadden.

Middenstanders in de eerste helft van de 18e eeuw te Castricum en Bakkum.
Middenstanders in de eerste helft van de 18e eeuw te Castricum en Bakkum.

Hoewel de meeste inwoners van Castricum en Bakkum een bestaan in de veeteelt, de landbouw en de schelpenvisserij vonden, treffen we niettemin in de eerste helft van de 18e eeuw al kleine neringdoenden in de dorpen aan. In Castricum waren deze geconcentreerd in de Kerkbuurt. Welke middenstanders meenden in kleine dorpen als Castricum en Bakkum, waarvan het aantal inwoners in de 18e eeuw nauwelijks veranderde en rond de 800 schommelde, een bestaan te kunnen vinden?
De tabel hierboven geeft hiervan wat betreft de 1e helft van de 18e eeuw een indruk, aan de hand van wat hierover in archiefstukken en andere historische bronnen werd gevonden.

Boerderij het Molenhuis [van de in 1812 afgebroken korenmolen aan de Molendijk] is nog lang bewaard gebleven en bewoond geweest. Op 20 december 1816 koopt Willem IJpelaan het molenhuis met de bijbehorende grond van Hermanus Beugeling. Willem, dagloner en schulpvisser, was op 25 mei 1815 getrouwd met Grietje Admiraal uit Egmond Binnen; vermoedelijk zijn zij kort na hun huwelijk in het molenhuis gaan wonen. Op 18 januari 1844 wordt het geheel vervolgens verkocht aan Johannes Frederik Rommel, kastelein van de Rustende Jager te Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.
Ā 

Niet opgenomen in de tabel is het beroep van molenaar, hoewel in Castricum reeds vanaf 1607 een korenmolen stond, ongeveer op de plaats van de huidige Molenweide. De molenaar was eigenlijk geen gewone middenstander, maar representeerde een vroege vorm van industriƫle activiteit.
In het verpondingsregister van 1731 wordt toepasselijk Pieter Maartse Moolenaar genoemd als beheerder van de Castricumse korenmolen. Hij werd aangeslagen voor niet minder dan 150 gulden, verreweg het hoogste bedrag dat in het betreffende verpondingsregister voorkomt. In het kader van een onroerendgoed-belasting, werd de molen met zijn kostbare machinerie kennelijk veel hoger gewaardeerd dan zelfs een dure woning.

Klassenstrijd?

In de jaren (negentien) zeventig schreef de toenmalige pastoor B. Voets regelmatig in het Nieuwsblad voor Castricum en Omstreken over de geschiedenis van Castricum, waarbij hij kon putten uit het archief van de Pancratiuskerk met de soms zeer persoonlijk getinte aantekeningen van vroegere pastoors. Als we Voets mogen geloven waren tuinders omstreeks 1730 in Castricum niet erg geliefd,


Jaarboek 20, pagina 27

wat hij baseert op conflicten uit die periode, waarover hij in het kerkarchief kennelijk vrij gedetailleerde aantekeningen had aangetroffen. Hij voert ter illustratie de tuinder Jan Hogenbreg ten tonele, die “niet au serieux werd genomen en speciaal zijn buren, die naast hem woonden op de Doodeweg, namelijk Klaasje Jacobs met haar schoonzoon Cornelis Ypelaan en haar dochter Maartje Kuijs maakten het hem nogal lastig. Jan gooide zijn kop in de wind en werd een dagelijkse klant in de herberg De Rustende Jager waar hij met iedereen sprak over de heerszucht van de Castricumse boeren. Hij vond gehoor bij de duinkanters, die om andere redenen gebeten waren op de rijkdom van de boerenbevolking en zo ontstond er in die jaren een begin van klassenstrijd.”

Interieur van hotel-cafƩ-restaurant De Rustende Jager aan de Dorpsstraat 62 in Castricum, 1915.
Interieur van hotel-cafƩ-restaurant De Rustende Jager aan de Dorpsstraat 62 in Castricum, 1915. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Sociale tegenstellingen en daaruit voortvloeiende conflicten tussen arme en rijke bevolkingsgroepen hebben altijd bestaan. Daarom is het beeld, dat Voets suggereert van sociale tegenstellingen tussen de economisch kwetsbare tuinders en relatief welvarende veeboeren, zeker aannemelijk.
Niettemin lijkt Jan Hogenbreg, omdat hij onder de boeren in Castricum ook gegoede familieleden telde, niet het beste voorbeeld van een slachtoffer van de plaatselijke sociale tegenstellingen. Voets doet het voorkomen alsof Jan Hogenbreg door problemen aan de drank geraakte, maar waarschijnlijk was het omgekeerd en was drankzucht de oorzaak van verwaarlozing van het bedrijf en de daaruit voortvloeiende conflicten met de buren. Volgens Voets werd Jan Hogenbreg door zijn gesprekken met de ontevreden duinkanters zo opstandig, dat hij ook niet meer naar de kerk ging. “Die pastoors spelen allemaal onder een hoedje en daarom kun je ze voor geen cent vertrouwen”, zo zou hij hebben verkondigd.
Jan werd echter door zijn vrouw, die het akkerbedrijf gaande hield, weer op het rechte pad geholpen, waarvan we in het voorgaande reeds kennis hebben kunnen nemen uit de beschrijving door Johannes Kerkman van Eva Hogenbreg, zoals die na haar overlijden werd opgetekend, in verband met een schenking aan de kerk.

Armen

Het reeds verschillende malen aangehaalde verpondingsregister van 1731 geeft ook een beeld van Castricummers, die onder aan de maatschappelijke ladder stonden of zelfs tot de armen konden worden gerekend.
De zorg voor de armen was in de 18e eeuw, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, wel degelijk een zaak van het plaatselijk bestuur, maar daarnaast speelden ook de kerkgenootschappen een rol. Castricum was te klein voor de grootschalige armenvoorzieningen die men in de steden aantrof, zoals een armenhuis, maar niettemin beschikte het toenmalige Algemene Armenbestuur over enkele huisjes waarin men armlastigen liet wonen. Dat blijkt uit typerende omschrijvingen als ‘Laurus Groenewater bewoont zijn huisje van de armen, geen huur’ en ‘Antje Ariaans bewoont haar huisje staande in duin, leeft van de armen, kan geen huur waardig worden getaxeerd’. We mogen aannemen, dat de huisjes, die aan de armen beschikbaar werden gesteld, tot de allerslechtste behoorden, want er stonden enkele huisjes van de armen leeg, die zo bouwvallig waren, dat ze eveneens geen huur waardig’ werden bevonden.
Van de 108 in het register genoemde Castricumse belastingplichtigen zijn er 4, waarvan uit omschrijvingen als hiervoor genoemd, opgemaakt kan worden dat ze van de bedeling moesten rondkomen.

Ouden van dagenhuis met bakkerij. Overtoom in Castricum, 1862.
Ouden van dagenhuis met bakkerij. Overtoom in Castricum, 1862. Het huis, met oorspronkelijk adres Kerkbuurt 123, stond op de hoek Overtoom-Schoolstraat, ongeveer op de plaats waar later een nieuw armenhuis werd gerealiseerd, dat thans nog in gebruik is als appartementengebouw (Overtoom 26-36). Pentekening Sijf Portegies. Toegevoegd.

Daarnaast zijn er inwoners waarvan weliswaar niet staat aangegeven, dat ze ondersteund werden, maar waarbij men niettemin uit de beschrijving kan opmaken, dat het niet al te best met ze gesteld was.
Omschrijvingen als ‘De weduwe Dilof Gerritse bewoont een huisje in duin, geen huur waardig, en ‘Pieter Maartse van Loenen bewoont zijn huisje, geen huur waardig’ doen dit vermoeden. Als we dergelijke gevallen meetellen komen we tot minstens 10 Castricummers, alleenstaanden of gezinshoofden, die in 1731 als behoeftig kunnen worden bestempeld. Van deze behoeftigen wordt verschillende malen vermeld, dat ze een huisje in het duin bewoonden. Zij zijn wellicht representanten van de duinkanters, die door pastoor Voets als een sociale onderlaag van de Castricumse bevolking werden gekarakteriseerd.

Voor het begrip ‘behoeftig’ ziet men in de economische en historische vakliteratuur vele definities, maar we beperken ons in dit verband tot de begrijpelijke en simpele omschrijving van behoeftig als ‘het voor zichzelf en eventueel gezin niet in staat zijn te voorzien in voldoende voedsel en onderdak’.
Voor de bedeling van de armen waren die leden van het gemeentebestuur verantwoordelijk, die als armenmeesters in een zogenaamde Algemeen Armenbestuur werden benoemd.
Over de gang van zaken in een dergelijk bestuur, hoe men bijvoorbeeld aan geld kwam en wat de ondersteuning, naast het beschikbaar stellen van een eenvoudige woning, nog verder inhield, daarover verschaffen Castricumse bronnen uit genoemde periode weinig duidelijkheid. Dat er collecten voor de armen plaatsvonden, wordt incidenteel vermeld, zoals in een missive van Mr. Jacob Deutz, hoogbaljuw van Kennemerland aan het Castricumse gemeentebestuur gedateerd 10 juni 1749, waarin hij voorstelt een collecte voor de armen te houden op 16 juni aanstaande. Omdat er ook armenzorg bedreven werd vanuit de rooms-katholieke en gereformeerde kerk in Castricum, vond Deutz een precisering van de inzameling noodzakelijk. Hoewel de katholieke gemeenschap in Castricum verreweg de grootste was, stelde hij voor de collecte in handen te geven van de diakenen van de officieel erkende Gereformeerde Kerk, “tot voorkoming van coftusien en disorders. De penningen dienen overgeleverd aan de schout en door deze te worden overgebracht ten Gemeene Lands Comptoire van de Stad waaronder U.E. ressorteert”.
Hier komt naar voren, hoewel gegevens over de rol van de kerkelijke armenzorg in Castricum in de betreffende periode ontbreken, dat de Gereformeerde Armenzorg het meest geĆÆntegreerd was met de Algemene Armenzorg. Dit wekt geen verbazing,


Jaarboek 20, pagina 28

gezien de achtergestelde positie van de rooms-katholieke gemeenschap en bijvoorbeeld het feit dat belangrijke bestuurders, zoals de schout Leonard Tempelaar, tot het overigens geringe aantal lidmaten van de gereformeerde kerk behoorde.
Wat vermeld wordt over het overleveren van de penningen suggereert dat de ingezamelde gelden verdwenen in een potje, een soort armenkas, beheerd door de overheid. De toewijzing van gelden aan de algemene armenbesturen zal dus logischerwijs ook vanuit deze kas hebben plaatsgevonden, zodat we dus kunnen spreken van een gecentraliseerd financieel beheer der algemene armenzorg.
Het Algemeen Armenbestuur van Castricum verkreeg ook inkomsten door het verpachten van grond, waarover het bestuur overigens ook belastingplichtig was.

Arm in Bakkum

Over onze periode van aandacht rond 1730 zijn meer gedetailleerde gegevens over de algemene armenzorg bekend voor Bakkum, omdat een door het Algemeen Armenbestuur van dit dorp bijgehouden register van ontvangsten en uitgaven, aanvangende in 1728, bewaard is gebleven.
In de eerste jaren worden als armenvoogden de schepenen Jan Miessen Vrolijck en Jacob Walenburg genoemd, waarvan zeker de laatstgenoemde kan gelden als een voorbeeld van de al eerder genoemde relatie tussen welstand en het verkrijgen van een bestuurlijke functie. De armenvoogden beginnen hun register op 3 juni 1728 met een bedrag in kas van 188 gulden. Over de periode van 1728 tot 1736 noteren zij ruim 1.000 gulden aan inkomsten en ca. 800 gulden aan uitgaven.

Als inkomsten worden onder andere genoemd de interest van leningen, de inkomsten van verhuur van land en hooigeld. Sommige inkomsten bevestigen het hiervoor geschetste beeld van een centraal beheer der algemene armengelden, zoals de jaarlijkse uitbetaling aan het armenbestuur door de trezorier der stad Alkmaar van de ‘arme duijten’ en van interest op bij het Comptoir der Stad Alkmaar uitstaande gelden, die in een soort staatsobligaties waren belegd.
Een aantal uitgavenposten in het register van de armenvoogden geven een beeld van de eetwaren, die aan de armen werden geleverd en van de leveranciers. Zo is Jacob Walenburg in zijn periode als armenmeester niet alleen een organisator van de bedeling, maar hij verdient er ook aan door het leveren van kaas. Een andere leverancier van kaas was Aalbert Knaap, een Bakkummer met vrij veel grondbezit, ook in Castricum. Brood werd geleverd door Willem Jacobs Sop. Als leveranciers van gort en meel worden genoemd Jacob Janse, Pieter Banckeris en Dirk Brouwer. De laatste leverde ook olie, boter, eieren en stroop.
De armen ontvingen als brandstof hout en ook turf, dat werd geleverd door de turfboeren Willem Leendertse en Willem Hendrixe. Zij kregen, als een ander in rook opgaand product, tabak, waarvan als leverancier wordt genoemd Meijns Pieterse.
Voor de Bakkumse armen werden ook kosten van medische hulp betaald. Zo krijgt in 1730 de Castricumse chirurgijn Daniel Toulouse een bedrag uitbetaald ‘wegens het been van Gerrit Dirkse’. Pieter Pieterse Langendijk, de wagenmaker, krijgt in hetzelfde jaar van het armenbestuur een vergoeding ‘voor de kost van Gerrit Dirkse’.

Het Knophuis is in de oude tijd dan ook bewoond geweest door vele ā€˜Herenā€™ zoals schouten, een chirurgijn en een predikant
Het Knophuis is in de oude tijd dan ook bewoond geweest door vele ā€˜Herenā€™ zoals schouten, een chirurgijn en een predikant. Overtoom 19-21 Castricum. Schilder: Sijf Portegies, 1935. Toegevoegd.

Mogelijk hebben we hier te maken met een vroege vorm van werkeloosheidsuitkering, als we veronderstellen, dat Gerrit Dirkse als inwonend knecht in dienst was bij Pieter Langendijk, maar door een letsel aan zijn been niet in staat was aan de inkomsten van zijn baas bij te dragen. Tijdelijk werkeloos zijnde, zou hij zijn baas dus alleen maar geld hebben gekost, als daarin door het algemeen armbestuur niet zou zijn bijgedragen.
We komen in het register ook uitgaven van het armenbestuur tegen voor kleding, zoals het maken en oplappen van muilen door Hendrik Prikhouwer en het maken van broeken en hemden. Tenslotte besteedde het armenbestuur ook geld aan het opknappen en in stand houden van het huizenbezit, gezien uitgavenposten als de aankoop van latten, spijkers en riet voor het dak.

Invloeden op de welvaartsverdeling in de 18e eeuw

In het voorgaande hebben we getracht een beeld te schetsen van de maatschappelijke verhoudingen in Castricum en Bakkum met het accent op een periode rond het jaar 1731.
We zullen nu de aandacht richten op omstandigheden die in de 18e eeuw de maatschappelijke verhoudingen hebben beĆÆnvloed en de vraag wat daarvan in Castricum en Bakkum is terug te vinden.

 Deze tekening toont het mesten van de kistkalveren, zoals die reeds in de 18e eeuw op de aangegeven wijze werden gehouden.
Deze tekening toont het mesten van de kistkalveren, zoals die reeds in de 18e eeuw op de aangegeven wijze werden gehouden.

De 18e eeuw wordt in het algemeen beschreven als een periode met economische achteruitgang. Aan het begin van de eeuw was de situatie nog redelijk, men plukte nog de vruchten van de Gouden Eeuw en de gemiddelde inwoner van de Republiek was nog altijd beter af dan inwoners van omringende landen. Dit hield zelfs een zekere toestroom van buitenlandse arbeidskrachten in stand, die echter na 1720 sterk afnam.

De toenemende malaise was een gevolg van de teruggang van koopvaardij, handel, nijverheid en visserij, waarbij het wegvallen van afzetmarkten door buitenlandse concurrentie en het niet tijdig onderkennen van nieuwe ontwikkelingen een rol speelden. De economische terugval uitte zich het eerst in de steden en had daar bijvoorbeeld gevolgen voor het aantal inwoners, dat in de periode 1730 tot 1755 terugliep met ruim 30 procent. Dit had onder meer te maken met de toenemende werkeloosheid, waarbij de ontslagen arbeiders elders hun heil zochten, soms tot in het buitenland. Wat Noord-Holland betreft sloeg het economisch verval onder andere toe in de Zaanstreek, waar de scheepswerven steeds minder te doen kregen en ook een groot aantal windmolens buiten bedrijf raakte. Een zekere mate van ontvolking trof ook het platteland, hoewel dat door het ontbreken van getallen voor Castricum en Bakkum niet duidelijk is. Uit de beschikbare cijfers blijkt, dat in de eerste helft van de 18e eeuw de bevolking van de beide dorpen zeker niet toenam en hoogstens constant bleef.

Oorlogssituaties; binnenlandse onrust

De inwoners van de Republiek werden geconfronteerd met oplopende belastingen en prijsstijgingen, die het gevolg waren van de inzakkende economie, nog aangewakkerd door diverse oorlogssituaties. In 1740 bijvoorbeeld werd de Republiek betrokken bij de Oostenrijkse Successie-oorlog, met als gevolg grote oorlogsuitgaven door gevechten met de Fransen in de Zuidelijke Nederlanden. Er werd een inkomstenbelasting ingevoerd op alle jaarinkomens boven de 600 gulden, wat volgens de historicus Israel ongeveer de scheidslijn was tussen de ambachtsman en de burgers met een bescheiden vermogen.

Gevechten tijdens de Slag bij Castricum tussen Russische en Engelse troepen tegen de Bataafse en Franse troepen op 6 oktober 1799.
Gevechten tijdens de Slag bij Castricum tussen Russische en Engelse troepen tegen de Bataafse en Franse troepen op 6 oktober 1799. Schilderij collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Voor de inwoners van Castricum en Bakkum bracht deze oorlog waarschijnlijk nog extra lasten met zich mee, want in 1747 vond hier en in enkele andere dorpen uit de omgeving een inkwartieringsplaats van het regiment van generaal Prince van Birkenfeld, ‘daarbij requirerend de nodige quartieren in gemelde plaatsen worden gereet gemaakt’.
Het creĆ«ren van een sfeer van rampspoed, waarin de burgers offerbereidheid moeten tonen en welvaart inleveren, werd nog aangewakkerd door oproepen als van hoogbaljuw Jacob Deutz vanuit Haarlem tot wekelijkse bidstonden in verband met de gevaarlijke conjunctuur ‘van tijde en zaaken, waarbij onlangs gekoomen vijandelijke inval van Trouppes van sijne Majesteit de Koning van Vrankrijk in het Territorium van de Staat’. Gebeden moet worden ‘om vergeving van Lands hooggaande zonden, en speciaal om de wapenen en die van haare geallieerde met zijn Goddelijke Hulp en bijstand te begenadigen’.

Rampen als straf van God

Hoewel niet valt te zeggen of de 18e eeuw daarin uitblonk, telt ze wel een aantal voor de boerenbevolking ongunstige omstandigheden, die niet zozeer het gevolg waren van politieke of economische ontwikkelingen, maar die te maken hebben met vormen van natuurgeweld.


Jaarboek 20, pagina 29

Zo sloeg in 1731 de paalworm toe, die lange tijd grote schade aanrichtte aan het paalwerk van de dijken, wat volgens gegevens uit die tijd tot enorme kosten voor de boerenbevolking leidde, omdat zij verantwoordelijk waren voor het herstel. Verder waren er overstromingen en perioden met voor het agrarisch bedrijf zeer slechte weersomstandigheden. Bijvoorbeeld het jaar 1740, waarin door zware plasregens de landerijen werden overspoeld, voorafgegaan door strenge vorst. Op 21 januari 1740 was het mogelijk om met paard en slede een reis van Stavoren naar Enkhuizen te maken.

Door de klimatologische omstandigheden ontstond een dusdanige noodsituatie met voedselgebrek voor vee en mens, dat de hoogbaljuw van Kennemerland, Jacob Deutz, weer eens in de pen klom. Niet om een hulpplan aan te kondigen, maar om in een resolutie de predikant van Castricum te manen boete en bekering te prediken en “sijn Goddelijke Majesteyt ernstelijk aen te roepen, ten eynde het deselve gelieve sijne slaande Hand van ons af te wenden, en sijn gunstig Aanschijn weder ‘t onswaards te wenden, ten eynde het lieve Vaderland voor alle verdere onheylen bewaard moge blijven”.
Men kan zich niet aan de indruk onttrekken, dat dit soort geschrijf, waarin Deutz sterk was, op berekening en zelfs schijnheiligheid was gebaseerd. Door de schuld van rampen, hongersnoden en armoede aan de goddeloosheid van de bevolking toe te schrijven, kon de overheid zich aan hulp en zorg onttrekken.

Schelpenvissers aan het strand van Bakkum.
Schelpenvissers aan het strand van Bakkum. Schilder: Dirk van Antje (Stuifbergen). Toegevoegd.

Wat rampen betreft kende ook de schelpwinning zijn tegenslagen, bijvoorbeeld in een periode rond 1730, in welk jaar de Staten van Holland en West-Friesland publiceren, dat sinds enige jaren de Noordzee veel minder schelpen naar de stranden voerde. Men is bang, dat de kalkbranderijen in de kustplaatsen stil komen te staan als er geen voorzieningen worden getroffen tegen de uitvoer van schelpen, die kennelijk een zekere omvang had, hoewel niet wordt genoemd waarheen.
De uitvoer werd voor 1 jaar verboden, op straffe van een boete van honderd gulden en het verbeuren van schepen, schuiten, paarden etc., die bij het vervoer van de schelpen dienst doen. Het is waarschijnlijk, dat een situatie van schaarste aan schelpen het bestaan van de schelpenvissers aantastte, hoewel misschien prijsstijgingen voor compensatie zorgden.

 Belerende rijmprent uit ca. 1745 verschenen ter gelegenheid van het nieuwe jaar waarin de runderpest wordt gezien als een straf van God.
Belerende rijmprent uit circa 1745 verschenen ter gelegenheid van het nieuwe jaar waarin de runderpest wordt gezien als een straf van God.

Runderpest

Van de ‘natuurrampen’ was voor de veeboeren vooral rampzalig de runderpest, die optrad in de perioden 1714-1720, 1744-1754 en 1768-1784. De tweede golf geldt als de meest ernstige, waarbij tussen de herfst van 1744 en het voorjaar van 1745 van de circa 78.000 geregistreerde runderen in het Noorderkwartier ruim 80 procent stierf. De derde epidemie maakte minder slachtoffers, hoewel nog altijd meer dan de helft van de koeien stierf en sleepte zich langer voort.
Men wist aanvankelijk niet wat tegen deze ziekte te doen, behalve te bidden.

Een zinnenprent uit 1745 naar aanleiding van de tweede golf van de runderpest, die de boeren in ons land vanaf 1744 teisterde en die ook in Castricum en Bakkum toesloeg.
Een zinnenprent uit 1745 naar aanleiding van de tweede golf van de runderpest, die de boeren in ons land vanaf 1744 teisterde en die ook in Castricum en Bakkum toesloeg.

Pas in de tweede helft van de 18e eeuw kreeg men enige greep op de situatie, door maatregelen als een invoerverbod, quarantaine en het begraven van aan de pest gestorven vee, terwijl er toen ook werd geƫxperimenteerd met inenting. Uit beschrijvingen over de ontwikkeling van de tweede runderpest-epidemie in Noord-Holland is zeker, dat zij ook in Castricum en Bakkum heeft toegeslagen, maar details heeft de schrijver van dit artikel niet gevonden. Aangenomen mag worden dat de gevolgen voor de lokale veeboeren niet minder ernstig waren dan elders in de provincie en dat ze in een aantal gevallen hebben bijgedragen aan de ondergang van een bedrijf.

Inzakkende grond- en pachtprijzen

De teruglopende economie werkte door in een daling van de grond- en pachtprijzen, waarbij in de periode tussen 1714 tot 1745 door historici zelfs gesproken wordt van een ineenstorting van deze prijzen, mede door de runderpest. Veel instanties en organisaties die geld in grond hadden belegd, zagen deze moeilijkheden aankomen en verkochten hun grond om over te gaan op de veiliger geachte belegging in obligaties. Anderen, vooral economisch sterke particulieren, zagen hun kans juist schoon om grond tegen een lage prijs op te kopen en hun grondbezit uit te breiden.

Voorbeeld van nieuwe arbeidsbesparende methoden, zoals die in de loop der 18e eeuw in de landbouw werden ingevoerd. De tekening toont een door paarden voortgetrokken dorsrol. Onder de opgebonden staarten droegen de geblindeerde paarden een ā£µskytbak'. Uitvindingen als de dorsrol maakten een belangrijke besparing op de arbeidskosten mogelijk, maar droegen tevens bij aan een toename der werkeloosheid onder de landarbeiders .
Voorbeeld van nieuwe arbeidsbesparende methoden, zoals die in de loop der 18e eeuw in de landbouw werden ingevoerd. De tekening toont een door paarden voortgetrokken dorsrol. Onder de opgebonden staarten droegen de geblindeerde paarden een ‘skytbak’. Uitvindingen als de dorsrol maakten een belangrijke besparing op de arbeidskosten mogelijk, maar droegen tevens bij aan een toename der werkeloosheid onder de landarbeiders.

Een voorbeeld van een instantie, die het op den duur veiliger vond zijn geld in obligaties te beleggen, was de gemeente Haarlem, die vanaf 1725 trachtte zijn grote grondbezit in Noord-Holland te verkopen. De gevolgen van dit beleid vinden we duidelijk terug in het Castricumse Oud-Rechterlijk archief, waar 1726 een topjaar is met betrekking tot grondtransacties. Deze top komt voor rekening van de gemeente Haarlem, die in Castricum veel grond bezat, waarbij een oud-burgemeester van deze stad, Matheus Gerards Raad, optrad als verkoper, gemachtigd door burgemeester Guldewagen van Haarlem. Zo wisselden in korte tijd een aantal akkers, met karakteristieke namen als Verkoertenland, Cralenkamp, Ellevoetsven, Boneven en Schoenmakerswerf, van eigenaar. Onder de kopers van vooral de grotere stukken land treffen we de namen aan van ons reeds bekende rijken en welgestelden, zoals Lieve Geelvinck, Joachim Rendorp en Baart IJpelaan.

Protesten

De boeren ondergingen de verslechtering van hun omstandigheden overigens niet lijdzaam, maar kwamen in protest tegen de belastingen, de pachtprijzen en de tolheffingen, omdat ze wel door hadden, dat niet goddeloosheid maar slecht bestuur hun verarming veroorzaakte. In 1747 kwam het tot relletjes in Groningen, Friesland en Holland, die soms vrij ernstig escaleerden, zoals de plundering in Haarlem van pachtershuizen.
De onvrede over de economische situatie, in samenhang met de hiervoor reeds genoemde geldverslindende oorlogssituatie, sloeg ook over naar groepen arbeiders, zoals de scheepstimmerlieden in Amsterdam, waarbij zich de woede openlijk keerde tegen de rijke Amsterdamse families. Er dreigde zelfs anarchie, maar door ingrijpen van het leger,


Jaarboek 20, pagina 30

waarbij slachtoffers vielen, kon de situatie door het officiƫle gezag nog in bedwang worden gehouden. Of het in Castricum en Bakkum ook tot onlusten kwam is niet bekend, maar er zijn wel aanwijzingen, dat men de lastenverhogingen niet zonder meer accepteerde.

Wat Castricum betreft werd de gemeente volgens een vanaf 1746 bijgehouden register der verpondingen geacht jaarlijks circa 7.700 gulden aan ordinaire en extra-ordinaire verpondingen aan de Gecommitteerde Raden van de Staten van Holland en West-Friesland af te dragen. In 1747 doen schout en regenten van Castricum aan genoemde staten het verzoek deze jaarlijks op te brengen belasting met 1.000 gulden te verminderen, wegens de uitgaven die noodzakelijk zijn voor de beplanting van het duingebied, het herstel en onderhoud van de ondergestoven konijnenheining en het onderhoud van de ondergestoven weg Alkmaar-Haarlem, die door Castricum liep. Als een extra argument voor de belastingvermindering wordt nog gewezen op de gevolgen van de veepest, de ‘allerbeklaagelijkste sterfte van het rundvee ‘.

Wanneer de Staten deze jaarlijkse vermindering van de verponding toestaan, zal het geld worden aangewend voor nieuwe duinbeplanting, volgens deskundig advies geschat op circa 5.000 gulden en voor de aanleg van een nieuwe konijnenheining, waarvan de kosten volgens een calculatie van meestertimmerman H. Amse 5.600 gulden zullen bedragen.
De bedoeling is overigens een deel van deze kosten ook op de betreffende grondeigenaren te verhalen. Inderdaad kreeg de gemeente Castricum in 1747 toestemming, nog eens in 1751 bekrachtigd, om gedurende perioden van 4 jaar 1.000 gulden per jaar aan de extra-ordinaire verponding te onttrekken voor het genoemde onderhoudswerk. Dit voorkwam echter niet, zoals we nog zullen zien, dat de gemeente verder in de financiƫle problemen verzeild raakte.

Failliete Castricummers

De agrarische depressie, gepaard aan de stijging van de belastingen en van de waterlasten, noopte vooral veel kleinere boeren om hun bedrijf op te geven, waarbij het Noord-Hollandse rechtsstelsel de mogelijkheid bood van het zogenaamde ‘spadesteken’. Dit kwam er op neer, dat men de betaling van de veelal achterstallige lasten kon ontlopen door vrijwillig afstand te doen van grond en eventueel ook behuizing, welk bezit dan aan de staat verviel. Deze kon vervolgens door verkoop trachten een deel van de belastingschuld alsnog te incasseren.

In Castricum deed zich een van de eerste gevallen van deze verhulde vorm van confiscatie voor in 1755. Het betreft de weduwe van Abraham Tessemaker, die vanaf 1743 een belastingschuld van 64 gulden had opgebouwd. Zij doet afstand van haar kleine stukje land, dat bij verkoop door de gemeente aan Nicolaas Geelvinck 55 gulden opbrengt. Dus was er in de afdracht van de achterstallige belasting aan de overheid nog altijd een tekort van 9 gulden.
Een jaar later is de situatie dramatischer en pakt de gemeente Castricum meerdere inwoners die een belastingachterstand hebben, soms al vanaf 1729, tegelijk aan.

Het gemeentebestuur kwalificeerde Leonard Tempelaar, “om de goederen, die op 14 April 1756 volgens vrijwillige overgave van Neeltje Pieters, weduwe van Willem Claassen van der Pollen, Jan Schippers, de weduwe Willem Jorisse, Jacob Beets en Hendrik Prikhouwer volgens order van de heeren Gecommitteerde Raden van de Staaten van Holland en West Friesland en den Noorder Quartiere, tot betaling van de daar op ten achter zijnde Gemeene Lands lasten zijn verkocht, desselve aan de respectieve kopers wettelijk te transporteren, de kooppenningen te ontvangen, kwitanties te passeren, vrijwaring te beloven en het meerdere te doen, dat naar rechte zal worden gerequireerd”.
Onder de kopers treffen we weer een aantal beter gesitueerden aan, zoals Nicolaas Geelvinck, Johanna Kerkrnan, de zuster van de vermogende pastoor Johannes Kerkman, de schepen Pieter Kuijs en Leonard Tempelaar zelf.
Sommige van deze wegens vrijwillige overgave van hun goederen genoemde personen komen we ook in het Castricumse verpondingsregister van 1731 tegen en konden toen op grond van hun aanslag reeds tot de armen worden gerekend. Hun situatie lijkt er dus niet beter op te zijn geworden, hoewel het opvalt dat de verkoop van hun goederen snel na de vrijwillige overgave plaatsvond, terwijl door historici is opgemerkt, dat de aan de staat door ‘spadesteken’ vervallen goederen vaak lang onverkocht bleven. Men kan hier weer de vraag opwerpen naar de betrokkenheid van mensen als Geelvinck, Tempelaaren de Kerkman’s bij het lot van de arme Castricummers. Was hun snelle aankoop van de bezittingen een vorm van hulp aan de getroffenen, zodat ze in hun huis konden blijven wonen en hun akker blijven bewerken, wellicht tegen een geringe pachtsom?

Een historicus als Van der Woude is hierover cynisch en noemt de welgestelde kopers profiteurs van de armoede van anderen.
Het blijkt uit de namen van personen wier bezit werd verkocht, dat de ongunstige conjunctuur niet alleen Castricummers trof die reeds arm waren. Er vielen ook slachtoffers onder aanvankelijk redelijk welgestelden. Een typisch voorbeeld is Willem Claassen van der Pollen, wiens weduwe in 1756 wordt
genoemd onder degenen, die zijn genoodzaakt om wegens belastingschulden afstand van goederen te doen, in dit geval een huis en 9 morgen grond. Een ander voorbeeld is Jan Maartse Kuijl, die sinds 1742 in gebreke bleef om belasting te betalen. In 1762 worden zijn huis en ruim 8 morgen land ‘volgens vrijwillige overgave voor de gemeene lands lasten’ verkocht.

Nieuwe rijken

De veronderstelling lijkt gewettigd, dat door de hiervoor geschetste ongunstige ontwikkelingen de omvang van de armoede onder de bevolking van Castricum en Bakkum in de 18e eeuw is toegenomen, in overeenstemming met de landelijke trend, hoewel er geen directe gegevens over de omvang van de armoede zijn. Niettemin stuit men


Jaarboek 20, pagina 31

ook op informatie, waaruit blijkt dat er Castricummers waren, die het steeds beter verging. Een voorbeeld is de kruidenier Jan Pieterse Moolenaar, die in 1751 als ‘cramer’ vergunning kreeg om in Castricum zout en zeep te verkopen en in 1754 om ook ‘droge koffie, thee en chocolade te verkopen en uijt te sleijten’. Na zijn dood in 1769 gaan de vergunningen over op zijn weduwe, Willemijntje Willems, die het bedrijf als ‘craameres’ voortzet. De winkel was dicht bij de kerk gevestigd, aan de oostkant van het Kerckeland. Het kruideniersbedrijf bracht wellicht ruim geld in het laatje, maar misschien waren er ook gelden uit een erfenis, want in een periode vanaf 1762 koopt Jan Pieterse Moolenaar, die inmiddels ook tot schepen van Castricum was benoemd, grote stukken land.

Noordend met uitzicht over de polder.
Noordend met uitzicht over de polder. Alkmaarderstraatweg (niet meer bestaande deel) in Castricum, 1968. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hij doet dit strategisch en verkrijgt zo een aaneengesloten weidegebied met een oppervlak van circa 20 hectare, dat als we de huidige kaart van Castricum als maatstaf nemen deels in Noordend en deels in Molendijk was gelegen. Hij creĆ«erde ook een soort buitenverblijf onder het duin bij de Heereweg door aankopen van kleine stukjes aaneengelegen bosland, zoals de Pottenhofstee, het Halve Hemelrijk en een ‘bos met een vinkeplaats’ Al met al dus een invloedrijke middenstander, zoals ook blijkt uit het feit, dat hij door de erfgenamen van pastoor Johannes Kerkman in 1766 wordt gemachtigd een deel van diens bezit aan grond te verkopen.

Nog verdere verarming?

De tweede helft van de 18e eeuw wordt volgens sommige historici gekenmerkt door een aanhoudend economisch verval van de Republiek, hoewel anderen het beeld minder zwart zien en spreken van economische verschuivingen, waarbij sommige bedrijfstakken nog verder in moeilijkheden kwamen of zelfs het loodje legden, maar waarbij andere takken van industrie zich konden handhaven en er zelfs nieuwe bijkwamen.
Voor de landbouw was een volgens de statistieken geleidelijke schaalvergroting van belang, gepaard aan doelmatiger bedrijfsvoering, waardoor er voor deze sector zelfs van een licht herstel wordt gesproken. Zeker is echter, dat het aantal werkelozen en daarmee ook het aantal armen in de tweede helft van de 18e eeuw sterk toenam.
Het Nieuw Nederlands Jaerboek in 1776 schreef “het gemeene arbeidsvolk vergaat van kommer en gebrek, de armenhuizen liggen opgepropt”. De historicus Schama schrijft over deze periode: “De meest erbarmelijke nooddruft was waarschijnlijk te vinden op het platteland, ondanks de geleidelijke verbetering van de Nederlandse landbouw.” Het jaar 1775 was door geweldige overstromingen bovendien nog het zoveelste rampjaar in de achttiende eeuw, waarbij onder andere de Haarlemmermeer buiten zijn oevers trad.

Bedelarij

De verarming uitte zich onder andere door een toename van bedelarij en landloperij, die als gevolg van bendevorming soms vrijwel onbeheersbare vormen schijnt te hebben aangenomen en allerhande maatregelen uitlokte.
Dat laatste was ook het geval in Castricum, waar in 1760 van de Staten van Holland en West-Friesland een ordonnantie voor een grootschalige aanpak wordt ontvangen “om de in en opgesetenen des te beter te bevrijden van de overlast van de bedelaars”. Verzocht wordt “om gedurende een maand Ć©Ć©n maal per week in uw banne een generale verificatie te doen, in de bossen en op andere plaatsen waar dit volk gewoon is zich op te houden en aan de justitie over te geven en deszelve visitatie zo in te richten, dat de regenten van de naast gelegen dorpen daarvan voorkennis hebben teneinde het overlopen uit de ene in de andere banne te beletten, ten welke wij aan de Regenten van de Dorpen naast ‘t uwe gelegen, gelijke aanschrijving hebben gedaan”.

Veel lijkt dit niet te hebben geholpen, want enige jaren later verschijnt een keur, een vorm van regelgeving, opgesteld door de schout van Castricum Leonard Tempelaar, betreffende de bedelarij “omdat de ingezetenen dagelijks niet tegenstaande de vele en ernstige Placaten en Publicatien en andere voorzieningen van de Hoge Overheid, op een onverdraaglijke wijze worden gekweld en geplaagd door een grote menigte landlopers en vagebonden. Dat het te duchten is, dat er brand kan worden gesticht, inbraken en dieverijen gepleegd, gelijk dat al niet is geschied, ja, behalve dat nog vele zak, pakdragers en ventjagerij plegenden zich somtijds hier bevinden, het platteland met allerhande koopmans rappe aflopende, tot merkelijk nadeel der ingezetenen, die de orde niet kunnen handhaven vrnl. door de uitgestrektheid van de heerlijkheid en balluage van Kennemerland, waaronder Castricum valt”.

Tot een reeks van maatregelen die worden genomen, behoort het aanstellen van een beĆ«digde dorpsdienaar, die een dagelijkse ronde zal doen in het dorp en daarbij speuren naar alle ‘vagebonden, bedelaars, zak en pakdragers en venters’. Hij dient hen buiten de jurisdictie van Castricum te begeleiden, met de aanzegging dat bij terugkeer in de banne ‘rigoureus naar de Landswetten zal worden gehandeld’. Wat dit inhield wordt niet nader omschreven, maar wellicht kon men uiteindelijk in een tuchthuis belanden om hout te kloven en te raspen en koperen tabaksdozen te maken.
Als de bedelaars, landlopers enzovoorts ‘zich op brutale wijze jegens de dorpsdienaar teweer stellen’ moet hij deze gevangen nemen en voorgeleiden bij de schout. Bij deze arrestatie moeten de ingezetenen van Castricum zo nodig assisteren, op straffe van een boete van 52,5 stuiver ten behoeve van de armen. Dat het probleem van de landlopers als zeer ernstig werd ondervonden, blijkt uit nog een andere ingrijpende maatregel. Alle Castricummer tussen de 18 en 60 jaar werden verplicht bij toerbeurt als nachtwakers op te treden. Dit kwam neer op het lopen van een voorgeschreven route door het dorp, waarbij moest worden gelet op ‘alle geweld, onraad, huisbraken, dietstallen en brand’ en ‘alle personen onderweg dienen te worden aangesproken om zich te informeren of ze van kwaad vermoeden zijn’.


Jaarboek 20, pagina 32

In geval van nood kon de dienstdoende nachtwacht ‘de ratel roeren’, om tot assistentie op te roepen. Als de inwoners deze assistentie niet ‘aanstonds’ zouden verlenen, kon hun dat een boete kosten. Opmerkelijk is nog, dat het nodig werd geacht in het reglement voor de nachtwakers de bepaling op te nemen, dat zij niet in beschonken toestand hun ronde mochten doen, opnieuw op straffe van een boete.

Naar aanleiding van het uitroepen van Willem IV tot stadhouder in 1747 verscheen deze zinnenprent. Zeker de boerenbevolking had grote verwachtingen van deze stadhouder, wat in de tekening tot uitdrukking is gebracht. Gezeten op zijn troon ziet de stadhouder op naar de hemel, waaruit de Vrede neerdaalt. Wat betreft de problemen, die Willem IV geacht werd op te lossen toont de prent linksonder twee personen, de Ć©Ć©n met een afbeelding van overstromingen, die de boeren teisterden en de ander met een met wormen doorboorde paal. Op een steen, met een tekening van de plundering der pachtershuizen, zit de 'dwaasheid van de handel, leunende op schijn, list en bedrog'. Midden onder is de sterfte door de runderpest afgebeeld.
Naar aanleiding van het uitroepen van Willem IV tot stadhouder in 1747 verscheen deze zinnenprent. Zeker de boerenbevolking had grote verwachtingen van deze stadhouder, wat in de tekening tot uitdrukking is gebracht. Gezeten op zijn troon ziet de stadhouder op naar de hemel, waaruit de Vrede neerdaalt. Wat betreft de problemen, die Willem IV geacht werd op te lossen toont de prent linksonder twee personen, de Ć©Ć©n met een afbeelding van overstromingen, die de boeren teisterden en de ander met een met wormen doorboorde paal. Op een steen, met een tekening van de plundering der pachtershuizen, zit de ‘dwaasheid van de handel, leunende op schijn, list en bedrog’. Midden onder is de sterfte door de runderpest afgebeeld.

Castricum in de financiƫle problemen

Werden aan het begin van de 19e eeuw steden en dorpen in de Republiek door rondreizende buitenlanders nog geprezen om hun properheid en de welvarende indruk die de bevolking maakte, in de loop van de eeuw veranderde dit beeld totaal. In 1760 schrijft een Engelsman vanuit Utrecht aan een vriend: “De meeste grote steden verkeren in een droevige staat van verval en in plaats van werk voor elke sterveling kom je harden arme drommels tegen die in ledigheid van honger omkomen. Utrecht is opmerkelijk verkommerd. Er zijn hele stegen vol stumpers die zich met niets anders in leven houden dan aardappelen, jenever en iets dat ze thee of koffie noemen …”

De historicus Schama schrijft over de verpaupering in deze periode: “Vele Nederlandse steden waren niet alleen verre van brandschoon, ze waren ronduit smerig. Dode katten en honden dreven in de Amsterdamse grachten; varkens en ander vee graasde onbekommerd over de pleinen van Utrecht. Enorme kwispedoors tooiden de straten, overlopend met de dagelijkse aanvulling op het volksvoedsel: tabak en jenever. In de dorpen op het platteland kon men vrouwen de mest van de vloer zien schrobben en hun handen daarna ongewassen in de melkbussen zien dompelen.”
Wat we uit dergelijke beschrijvingen kunnen opmaken is, dat een toenemende verarming van de bevolking op den duur ook gevolgen heeft voor de algemene toestand in een gemeente, al was het alleen maar dat er door het teruglopen van de belastinginkomsten minder kan worden gedaan aan het noodzakelijke onderhoud. Er treedt een verloedering op.

Uit archiefgegevens wordt duidelijk, dat dit scenario zich ook in het 18e eeuwse Castricum afspeelt en dat zich op den duur ‘een groot verval van zaken’ voordeed.
In september 1767 richt het Castricumse gemeentebestuur zich bij monde van de schepenen Jan Pieterse Moolenaar en Jan van Lente met een rekwest tot de Staten in Hoorn met het verzoek tot kwijtschelding van de zogenaamde desperate restanten van de verponding, dus achterstallige belastingen en van de restitutie van gelden, die zijn gespendeerd aan de beplanting van de duinen. De laatstgenoemde uitgaven waren ook al in 1747 als argument voor een vermindering in de afdracht van belastingen aangevoerd.
Volgens de beide schepenen is de schuld ontstaan, door het in Castricum ontbreken van vermogende ingezetenen, gepaard aan een groot verval van zaken.

De ontstane schuld van 6.800 gulden is uit verschillende bedragen opgebouwd. De verkoop van de goederen van failliete Castricummers, zoals hiervoor besproken, dekte niet het bedrag dat zij aan achterstallige belasting schuldig waren. Er bleef een gat van ongeveer 4.500 gulden. Daarnaast was een extra schuld ontstaan door het in gebreke blijven van de Algemene Armen om 2.000 gulden te betalen aan beplantingskosten van gronden, die zij bezaten in de voorduinen van Castricum en Bakkum. Om de beplanters toch te kunnen betalen, was door de schout en tevens gemeentesecretaris Leonard Tempelaar kennelijk geld uit de pot van de extra-ordinaire verponding gebruikt, waardoor de schuld van de Algemene Armen een belastingschuld was geworden.

Het rekwest blijkt een lange voorgeschiedenis te hebben gehad, want de indieners verontschuldigen zich, dat het in Castricum door verzuim en misverstanden en in tegenstelling tot andere dorpen zover heeft moeten komen “dat sy Supplianten door den gemeene lands Ontvanger tot Alkmaar zyn geĆ«xecuteerd geworden, en geen moogelykheid zynde om Geld te bekoomen, de Gyseling hebben moeten ondergaan.”

Tegenwoordig bestaat het wettelijk instrument van de gijzeling nog steeds en houdt het in, dat men gevangen gezet kan worden, tot men aan zijn verplichtingen voldoet.
Hoe de bovengenoemde gijzeling van de Castricumse bestuurders zich voltrok is niet duidelijk. Er zijn archiefstukken, waaruit men kan opmaken, dat een situatie van gijzeling van leden van het Castricumse gemeentebestuur vanwege schulden zich ook aan het begin van de 18e eeuw al eens heeft voorgedaan, waarbij men de indruk krijgt, dat de gegijzelden zich vrolijk in een herberg nabij Alkmaar ophielden en zich daarbij op kosten van het gemeentebestuur aan spijs en drank tegoed deden.
In dit geval kunnen we uit de tekst van het rekwest opmaken, dat men aan het bevel tot betaling heeft weten te voldoen door met grote moeite een lening af te sluiten. De gijzeling was hiermee beƫindigd en de belastingschuld voldaan, maar de opstellers van het rekwest vragen niettemin om kwijtschelding, eigenlijk dus restitutie, omdat uiteraard de financiƫle problemen van de gemeente bleven bestaan en door de interest op de lening alleen nog maar groter werden.


Jaarboek 20, pagina 33

Zware kritiek op het Castricumse gemeentebestuur

Het rekwest werd bestudeerd door een zevental statenleden, die eind 1768 een advies uitbrachten. Zij varen flink uit tegen het Castricumse gemeentebestuur, vooral tegen de schout, daarbij dankbaar gebruik makend van de zelfkritiek, die reeds in het rekwest tot uiting kwam. Het gemeentebestuur wordt verweten te weinig te hebben gedaan om orde op financiĆ«le zaken te stellen, niettegenstaande het feit dat Castricum onder de dorpen de ‘eerste in rang’ is als het gaat om de reeds toegestane vermindering van de extra-ordinaire verponding.

Akkersporen in het verstoven zand in waterwingebied in de duinen.
Akkersporen in het verstoven zand in waterwingebied in de duinen. Foto A. Schermer, 1962. Toegevoegd.

In tegenstelling tot de regenten van andere dorpen, deed het gemeentebestuur van Castricum geen pogingen de schulden af te lossen en bleven deze tot aan 1767 steeds maar oplopen. Niettegenstaande vermaningen en adviezen hieromtrent hebben de bestuurders van Castricum het op het uiterste laten aankomen, niet door onwil van de ingezetenen, maar ‘enkel uit nalaatigheid en wanbeleid, principaal van de Schout en Secretaris aldaar, die de directie van zaaken aan zig had getrokken’.
Waar het gaat om restitutie van kosten, die voor de duinbeplanting zijn uitgegeven, verwijst de commissie naar de omstandigheid, dat Castricum bij resolutie reeds in 1747 toestemming kreeg om hiervoor gelden uit de opbrengst van de extra-ordinaire verponding aan te wenden. Men heeft scherpe kritiek op het beplantingsprogramma, dat sindsdien werd uitgevoerd. ‘Men sloeg met geen hand aan het werk’, maar maakte problemen over de beplanting van de zeeduinen. De commissie constateert, dat sinds een resolutie uit 1751, waarin werd vastgesteld, dat de gemeente Castricum de kosten van beplanting van de zeeduinen niet zelf behoefde te dragen en uitsluitend moest zorgen voor beplanting van de binnenduinen en het maken van konijnenheiningen, niettemin onvoldoende voortgang werd gemaakt. Er was totaal niet voldaan aan de doelstellingen van de resolutie, om overstuiving van de naastgelegen landerijen te voorkomen en de weg tussen Haarlem en Alkmaar, die door Castricum liep, ‘passabel te houden’. Integendeel, de overlast van de zandverstuiving was sinds 1747 alleen maar toegenomen.

De commissie concludeert tenslotte, dat het tekort aan belastinginkomsten waarin niet kon worden voorzien door de verkoop van bezittingen van Castricummers met een belastingschuld, tot de ‘desparate restanten van de verponding’ moeten worden gerekend en derhalve in aanmerking komt voor restitutie.
Restitutie van het deel van de schuld ontstaan in verband met de duinbeplanting en konijnenheining komt echter niet van pas, omdat de gemeente Castricum zijn verplichtingen niet is nagekomen. Integendeel, de commissie geeft het advies de gemeente te gelasten, met de uitvoering van Ć©Ć©n en ander een aanvang te maken.

Sommige historische bronnen veronderstellen, dat het in genoemde periode van de Nederlandse geschiedenis financieel een dusdanige chaos was, dat lokale overheden meenden zich van alles te kunnen permitteren, zonder zich iets aan te trekken van de centrale overheid. Genoemde affaire waarin het Castricumse gemeentebestuur betrokken raakte, geeft voedsel aan deze gedachte, hoewel men uiteindelijk toch tot de orde werd geroepen.

Politieke onrust

In de tweede helft van de 18e eeuw beginnen in de Republiek binnenlandse politieke tegenstellingen in toenemende mate een rol te spelen. Achtergrond vormde enerzijds de economische problematiek en de dominante rol van de rijke families. Maar anderzijds kwam ook steeds meer in discussie het bestuurlijk functioneren van de Republiek, dat werd gedomineerd door bepaalde centra van macht, zoals Amsterdam en de voor een republiek merkwaardige constructie van het met tussenpozen meeregeren van een stadhouder. Ook werd de Republiek – en dat is achteraf, gezien zijn omvang niet zo verwonderlijk – meer en meer een speelbal van tegenover elkaar staande mogendheden als Engeland en Frankrijk en raakte daarbij ook in de oorlog betrokken.

In het kader van dit artikel zou het te ver voeren om op de diverse aspecten van deze gecompliceerde ontwikkelingen in te gaan, maar van betekenis was dat in dit klimaat van politieke onrust een door Frankrijk geĆÆnspireerde democratische beweging naar voren kwam, waarvan de aanhangers in alle lagen van de bevolking zich patriotten noemden en die een aantal hervormingen op maatschappelijk gebied voorstonden.
Zij waren fanatieke tegenstanders van enig erfelijk gezag, dus van een stadhouder als Willem V en dat werd ook geuit in de vorm van schotschriften in de ‘populaire pers’ van het laatste kwartaal der 18e eeuw.

Hoe verging het in deze roerige tijd de dorpen Castricum en Bakkum en vooral, wat was de invloed op de sociale verboudingen?
Waarschijnlijk stond de gemiddelde Castricummer vrij onverschillig tegenover de aard van het heersende bewind, paste bij zich aan en ging zijn interesse vooral uit naar de dagelijkse gevolgen voor de eigen portemonnee.
Hoewel daarover op lokaal niveau details ontbreken, mag op grond van algemene gegevens worden aangenomen dat de plaatselijke economische situatie door de politieke omwenteling, ondanks de patriottische slogans als ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’, weinig verbeterde.

Slag bij Castricum op 6 oktober 1799. Gevechten tussen Russische en Engelse troepen tegen de Bataafse en Franse troepen.
Slag bij Castricum op 6 oktober 1799. Gevechten tussen Russische en Engelse troepen tegen de Bataafse en Franse troepen. Pentekening collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Bataafse Republiek was in feite een vazalstaat van Frankrijk en ondanks een groot aantal bestuurlijke maatregelen, die men als een aanzet tot democratisering kan zien, verging het de gemiddelde burger financieel niet beter. De belastingen werden bijvoorbeeld herzien, maar tegelijkertijd ook uitgebreid, waarbij de lasten van de legering van 25.000 man aan Franse troepen en van de voortdurende Frans-Engelse oorlog zwaar drukten.

Een lichtpuntje, wellicht ook voor Castricum en Bakkum, was een volgens de statistieken na 1795 duidelijk verbeterde situatie in de landbouw en veeteelt, door achtereenvolgende jaren met voortreffelijke oogsten, waarbij ook goede prijzen werden gemaakt voor granen, boter en kaas.
Een aantal veranderingen, die zich in de zogenaamde Franse periode van de Nederlandse geschiedenis voltrokken en die doorlopen tot in de 19e eeuw kunnen overigens niet los van elkaar worden gezien en daarom bewaren wij wat bekend is over de sociale ontwikkelingen in Castricum na 1795 voor een toekomstig artikel.

W. Hespe

Bronnen:

  • Bieleman, J.: Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500-1950, Boom, Meppel, 1992.
  • Deelen, D. van: Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl, 1973.
  • Dijk, A. van: De Boer, de Koe en onze Zuivelindustrie, Elsevier, Amsterdam, 1983.
  • Israel, J.I.: De Republiek 1477-1806, deel II vanaf 1647, Van Wijnen, Franeker, 1996.
  • Jansma, K.; Schroor M.: 10.000 jaar geschiedenis der Nederlanden, Rebo 1991.
  • Lintum, C. te: Een Eeuw van Vooruitgang, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 1913.
  • Rijpma, E., Ontwikkelingsgang der Historie, deel II, Wolters, Groningen, 1939.
  • Schama, S.: Patriotten en Bevrijders, Agon, 1989.
  • Streekarchief Alkmaar:
    – Oud-Archief Castricum, L 1 tot en met L55.
    – Oud Rechterlijk Archief Castricum, nrs. 158, 159 en 160.
    – Archief Familie Geelvinck.
  • Voets, B., artikelen in het Nieuwsblad van Castricum en Omstreken, d.d. 26 januari, 20 juli en 20 augustus 1971.
  • Vries, J. de; Woude, A.M. van der: Nederland 1500-1815, Balans, Amsterdam, 1995.
  • Woude, A.M. van der: Het Noorderkwartier, Wageningen 1972.

Armoede; impressies uit de periode 1900 ā€“ 1940 (Jaarboek 30 2007 pg 43-50)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over armoede: 18e eeuw, 19e eeuw, periode 1900-1940


Jaarboek 30, pagina 43

 

Armoede in Castricum; impressies uit de periode 1900 – 1940

 

Het grootste deel van de inwoners van Castricum en Bakkum verdiende in het begin van de 20e eeuw zijn brood in de land- en tuinbouw en de veehouderij. Castricum telde nog geen 1900 inwoners en de samenstelling van de bevolking was feitelijk al eeuwen ongeveer hetzelfde gebleven.
De teelt van aardappelen, erwten en bonen ontwikkelde zich. Via de grove tuinbouw kwam men tot bloembollenteelt en tot de fijnere tuinbouw waaronder aardbeien en groenten. Akkers in de duinen waren nog volop in cultuur. Producten werden rechtstreeks of via handelaren aan de man gebracht. Pas in 1913 kreeg het dorp zijn eigen groenteveiling.
De eerste jaren van de vorige eeuw kenmerkten zich door een wat oplevende conjunctuur en iets meer werkgelegenheid. Castricum stond aan de vooravond van ontwikkelingen die het dorp voorgoed zouden veranderen: de stichting van het Provinciaal Ziekenhuis en de opkomst van het forensisme.

Een karig bestaan

Vanaf 1901 vulde het gemeentebestuur formulieren in die een inzicht geven in het aantal personen dat ondersteuning ontving, maar deze tonen een andere indeling en vraagstelling dan vroeger het geval was. Trachten we uit de cijfers toch een indruk te krijgen van het totaal aantal bedeelden, dan komen we voor bijvoorbeeld 1902 tot een bedeling van minstens 97 personen, deel uitmakend van 23 gezinnen. Castricum telt dan bijna 2000 inwoners, zodat het aantal bedeelden uitkomt op ca. 5 procent van de bevolking.
In het Algemeen Armenhuis verbleven vijf personen, te weten twee oude lieden, twee gebrekkigen en een kind. In 1906 is de situatie ten opzichte van  1902 weinig veranderd. Als oorzaken van de bedeling worden genoemd: ouderdom, ziekte en gebrek aan werk. In vergelijking met de situatie in vroegere perioden van de Castricumse geschiedenis valt het percentage bedeelden mee, maar dat neemt niet weg dat vele Castricummers, vooral de tuinders, maar een karig bestaan hadden.

In zijn boek ‘Schippers van het Stet’ schetst Quirinus de Ruijter de soms zeer primitieve woonomstandigheden in het begin van de vorige eeuw. Woninkjes, van 7 Ć  8 meter bij 4 meter, werden meestal langs de lengte van de weg gebouwd . Zij werden opgetrokken met een halfsteens muurtje; het dak dat niet hoger reikte dan 4 Ć  5 meter bestond uit op zogenaamde sparren getimmerde panlatten waarop de pannen werden gelegd. Vrijwel de gehele ruimte werd in beslag genomen door een woonkamer van 4 bij 5 meter met twee bedsteden. Door grote gezinnen werd een gedeelte van de zolder als slaapruimte gebruikt; tien kinderen op een lange rij was geen uitzondering. In 1928 laat de gemeentearts dokter Leenaers weten dat de slaapgelegenheden, in huizen bewoond door grote gezinnen, zeer te wensen overlaten. Onverluchte bedsteden in woonkamers schat hij op vijftig procent van het aantal woningen!

Tekening van Sijf Portegies van het huisje van Jan de Winter aan het Schoutenbosch.
Tekening van Sijf Portegies van het huisje van Jan de Winter aan het Schoutenbosch.

Uit het leven van een Castricumse tuinder omstreeks 1900

In 1947 en 1948 publiceerde het “Nieuwsblad voor Castricum, Limmen, Heemskerk en Uitgeest” regelmatig bijdragen van een niet met name genoemde Castricumse auteur, onder de naam ‘Samenspraak tussen Kris en Kras’, waarin met een karakteristiek taalgebruik plaatselijke toestanden op de korrel werden genomen. In een nummer uit 1947 haalt de auteur herinneringen op uit zijn jeugd, die een impressie geven van het moeizame bestaan van een Castricumse tuinder rond 1900.
“Toen ik nog kind was, dat is zestig jaar geleden, mocht ik dikwijls mee met vader naar de Wijk de kleine groentjes (erwten) of de Leidse hangers (tuinbonen) markten op de Meer. Dat was zo’n sensatie in mijn kinderleven of ik een kijk in de grote wereld mocht nemen. De sensatie bestond niet alleen, om boven op de zakken te zitten van de geladen handkar, bespannen met twee grote honden, maar er zat ook een tractatie aan vast. Mijn vader kwam nog niet eens het slechtst voor de dag, met twee honden bespannen wagen: de meeste bouwers van toentertijd moesten met de benenwagen achter de kar duwen naar de Wijk. Ons vertrek met dat gerei van Castricum werd dan ingeluid met zenuwachtig geblaf van Bello en Turk met een honderd pond of wat erwten of bonen, naargelang de tijden van het jaar. Elke bouwer markte zijn producten zelf, want veilingen bestonden er toen nog niet, men huurde een standplaats op de Meer en ging verkopen. Kwam er dan een koopman, ‘schagger’ genoemd, dan moest ik van vader zeggen Ome Sijmen of Ome Lou, dat scheelde een half centje in de prijs van het product. Als dan eindelijk de koop werd gesloten, dan kostte dat een glas jenever van de koper of van de bouwer bij Piet Verlee of Thijssen. Dan werd de stand gewogen op een bascule, waar de bouwer dan dik genomen werd in gewicht, want die had toch geen begrip van gewichten. Snapte deze iets van het wegen, dan was de handigheid van de Kaagridders, o.a. Pannetje Pap, Dikke Chris, Pak


Jaarboek 30, pagina 44

van B. dat de bouwers toch bedrogen werden. Wilde je dan toch christelijk behandeld worden, dan kostte dat enige glazen Schiedam. Er werd gewogen met jenever. Eer vader dan het armzalig poetje in handen had en hij rekende in stuivers en schellingen, dan bleek het dat hij nog geen plak voor het pond had, terwijl soms de marktprijs 3 Ć  4 centen bedroeg. De bouwers rekenden in ponden en de schaggers in kilo’s, vandaar het bedrog en misstanden in prijzen en gewicht. Voordat dan weer op Castricum aantrokken werd, is Jan Oud de bakker aangedaan voor vijf centen taaitjes, dat was een bekende traditie. Een bouwer, die geen taaitjes mee naar huis nam, was niet op de Meer geweest. Of de erwten nu veel of weinig hadden opgebracht, er moest taai mee naar huis. Ouwe Castricummer bouwers weten nog wel bij ondervinding, voor je van de Meer ging dat als regel de helft van de lege zakken was gestolen.

Ik zie nog al die hondenkarren, naast elkaar aan een palenhek met een horizontale balk er overheen, voorzien van ringen staan om de honden vast te zetten, het zogenaamde parkeerterrein.
Aan een ander hek stonden hitten en muilezels vast. De Heemskerker Jazz-muziek van tegenwoordig in vergelijking met dat concert van huilende honden, balkende ezels en gierende hitten is er niets bij.

Veel huisvaders gaven een groot deel van hun inkomen aan drank uit. Het wekt geen verwondering dat er dus indringende campagnes werden gevoerd om de vaders van de drank te houden. Een uitnodiging voor een openluchtmeeting in Velsen op 2 juli 1911 werd gevonden onder de vloer van het raadhuis aan de Dorpsstraat.
Veel huisvaders gaven een groot deel van hun inkomen aan drank uit. Het wekt geen verwondering dat er dus indringende campagnes werden gevoerd om de vaders van de drank te houden. Een uitnodiging voor een openluchtmeeting in Velsen op 2 juli 1911 werd gevonden onder de vloer van het raadhuis aan de Dorpsstraat.

Iedere bouwer ‘kon’ de ezel van dronken Teun boven het lawaai uit, als de dirigent van de marktkapel. Op de markt was het een krioelende, schreeuwende mensenhoop die niets anders, volgens mijn gedachte deden als borrels drinken, gooien en smijten met kisten en manden. Dat lawaai werkte wel zo op mijn kindergemoed, dat ik bang was in deze maalstroom te vergaan. Ik werd zo angstig, dat ik aan mijn vader bleef vast hangen, als een klit dat ik eindelijk blij was als wij de markt weer verlieten.

In februari 1897 werd het baanvak Beverwijk - Alkmaar geopend en sindsdien reed de stoomtram tussen Haarlem en Alkmaar dus ook door Castricum.
In februari 1897 werd het baanvak Beverwijk – Alkmaar geopend en sindsdien reed de stoomtram tussen Haarlem en Alkmaar dus ook door Castricum.

Gingen wij dan eenmaal weer rijden, dan vlogen de honden langs de Rijksweg als de wind, soms nog harder dan de ‘blokkendoos’ tram, Haarlem – Alkmaar. De honden stopten uit eigen beweging bij Piet Koopman te Noorddorp, daar werd onder leugenachtige verhalen door de bouwers van zoveel van de roe, weer grote borrels ingenomen.
Zo bleef er dan een teil erwten, een paar daalders over voor moeder, voor een pak winkelvet, terwijl er van die inkomens landhuur, zaadgoed, mest enz. betaald moest worden. Men dronk niet alleen uit gewoonte maar uit balorigheid, er was toch geen uitkomst, er was eenmaal een te kort aan verdienste – elke leverancier leefde op de zomer – en dat bleef een ware nachtmerrie van het tuindergezin.”

Burgerlijk Armenbestuur

Volgens de ‘Gids der Nederlandsche Weldadigheid’ uit 1899 waren er in Nederland ca. 7500 instellingen die zich met een of andere vorm van steun aan armen bezighielden. In 1912 kwam er een nieuwe Armenwet, waarin, evenals in de oude wet van 1854, was vastgelegd dat ingeval van nood eerst familie, dan kerkelijke of bijzondere instellingen en pas op de laatste plaats overheidsinstellingen moesten helpen. Tussen ouders en kinderen, grootouders en kleinkinderen en zelfs tussen schoonouders en aangetrouwde kinderen bestond er een onderhoudsplicht.
Er bestond ook volgens de nieuwe wet geen recht op ondersteuning. De wet stond wel ‘dubbele’ bedeling toe. Het Armenbestuur behoefde niet langer afzijdig te blijven waar kerken of particuliere instellingen ook een bijdrage verleenden.

De sociale wetgeving ontwikkelde zich langzaam. In 1901 werd de Ongevallenwet van kracht en vervolgens kwam de Ziektewet (1913) en de Ouderdomswet (1919). In 1913 ontving ongeveer een vijfde van de bejaarden een ouderdomspensioentje. Het Werkeloosheidsbesluit ( 1917) en de steunregelingen uit de jaren (negentien)twintig en (negentien)dertig ontlastten de armenzorg eveneens.

In het 27e jaarboekje (2004) van de Werkgroep Oud-Castricum is een schets gegeven van de armenzorg in de 19e eeuw, die in handen was van het Rooms-katholiek Armenbestuur en het Algemeen Armenbestuur. Ook de diaconie van de Hervormde kerk speelde een bescheiden rol.


Jaarboek 30, pagina 45

Het Algemeen Armenbestuur, later Burgerlijk Armenbestuur genoemd, was feitelijk een zelfstandige instelling die ook bezittingen had in de vorm van verschillende huisjes en grond en daaruit ook inkomsten had in de vorm van huur en pacht. Om ondersteuning te kunnen krijgen, moest wat men nog aan eigendommen had, worden ingeleverd. Op die manier ontstond het bezit van het Armenbestuur. Volgens kadastrale gegevens had(den) ‘de Algemene Armen’ in 1870 zes woningen in bezit en vele percelen land met een totale grootte van 27,44 ha.
Behalve de inkomsten uit het bezit kreeg het armenbestuur een financiƫle bijdrage van het gemeentebestuur en werd ambtelijke ondersteuning beschikbaar gesteld. De leden werden door de gemeenteraad benoemd.

Juffrouw Vahl verongelukte in 1931, toen ze met haar bromfiets onder de tram van het Provinciaal Ziekenhuis kwam. Een gebroken zuil op de begraafplaats bij de Hervormde kerk herinnert aan haar. Op het monument staat de tekst: "Deze grafsĀ·teen werd haar geschonken door de vrouwen van Castricum" .
Juffrouw Vahl verongelukte in 1931, toen ze met haar bromfiets onder de tram van het Provinciaal Ziekenhuis kwam. Een gebroken zuil op de begraafplaats bij de Hervormde kerk herinnert aan haar. Op het monument staat de tekst: “Deze grafsĀ·teen werd haar geschonken door de vrouwen van Castricum” .

Hulpverlening aan de noodlijdende was, volgens de voorzitter Gerrit Louter, de gezamenlijke doelstelling. Ook het beheer van het Armenhuis, tot 1923 Weeshuis genoemd, behoorde tot de taak van het bestuur. Tot bestuurslid en tevens notuliste werd in 1922 vroedvrouw juffrouw Vahl aangewezen.

Overtoom 40-54 ca. 1930: Burgerlijk Armenhuis gebouwd in 1912.
Overtoom 40-54 ca. 1930: Burgerlijk Armenhuis gebouwd in 1912.

Een nieuw armenhuis

Op 18 april 1906 werd er in de vergadering van de Castricumse gemeenteraad voor het eerst gesproken over de wenselijkheid van de bouw van een nieuw armenhuis. Een maand later werden de wethouders Goes en Spaansen benoemd in een commissie die een onderzoek zou instellen naar de toestand van het bestaande armenhuis. Van een advies van deze commissie is niets aangetroffen, maar aangenomen moet worden dat het bestaande armenhuis in slechte staat verkeerde, want de beslissing valt ten gunste van nieuwbouw.
In het schriftelijk overleg hierover met Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, dat in 1909 aanvangt, wordt de nieuwbouw gekoppeld aan toestemming tot aankoop van de naast het armenhuis gelegen boerderij, die door Portegies op enkele tekeningen is afgebeeld en waarin een bakkerij was gevestigd.
Welke rol deze bakkerij in de plannen speelde, is niet duidelijk, maar waarschijnlijk wilde men deze, evenals het bestaande bouwvallige armenhuis, daterende uit omstreeks 1862, slopen om grond vrij te krijgen voor de nieuwbouw.

Het armenhuis (dubbele puntdak) met bakkerij aan de Overtoom hoek Schoolstraat in 1862. In 1912 plaats moest het plaats maken voor nieuwbouw.
Het armenhuis (dubbele puntdak) met bakkerij aan de Overtoom hoek Schoolstraat in 1862. In 1912 plaats moest het plaats maken voor nieuwbouw. Pentekening van Sijf Portegies.

 

Het eerste Castricumse armenhuis - met het dubbele puntdak - naar een tekening van Sijf Portegies. Het werd in 1911 gesloopt. In de boerderij op de achtergrond en het naastgelegen schuurtje was een bakkersbedrijf gevestigd, dat ca. 1911 door brand werd verwoest.
Het eerste Castricumse armenhuis – vanaf de zijkant met het dubbele puntdak – naar een tekening van Sijf Portegies. Het werd in 1911 gesloopt. In de boerderij op de achtergrond en het naastgelegen schuurtje was een bakkersbedrijf gevestigd, dat ca. 1911 door brand werd verwoest.

In 1911 volgt een begroting voor een nieuw armenhuis van het Algemeen Armenbestuur. De totale uitgaven worden geschat op 11.500 gulden, met als belangrijkste post de bouwkosten Ć  6.400 gulden. Verder zal de bakkerij voor 3.450 gulden worden gekocht, te financieren uit een lening. Voor de aankoop van meubilair wordt een bedrag van 500 gulden opgevoerd en voor de aanleg van acetyleenverlichting 250 gulden.
Aan de inkomstenkant treffen we o.a. een geldlening door de gemeente van 5.800 gulden. Aannemer Holman zal 600 gulden neertellen voor een partij stenen die uit de sloopwerkzaamheden resteren. Intrigerend is de inkomstenpost ‘uitkering brandschade’ Ć  2.200 gulden. Waarschijnlijk betreft dit de inmiddels afgebrande boerderij/bakkerij. Volgens een bijschrift op de tekening van Portegies zou deze brand in 1914 hebben plaatsgevonden, maar waarschijnlijk vond de brand in 1911 plaats. Het samenvallen van de brand van een te slopen pand met nieuwbouwplannen en het incasseren van verzekeringspenningen is te toevallig om er niets achter te zoeken. Er circuleerden dan ook geruchten over een moedwillige brandstichting.

Uit het archief aanwezig in het Castricumse gemeentehuis, blijkt dat de bouwvergunning ‘voor oprichten van een gebouw door J. Tromp, bouwkundige te Castricum, aan het Overtoom met als bestemming Armenhuis’ op 7 april 1911 werd verleend. De bouwtekening toont een trapeziumvormig gebouw, met de gevelpartij zoals die thans nog bestaat. Op de begane grond waren gesitueerd: keuken, kamer voor de moeder, ziekenzaal, twee verblijfsruimten voor de bewoners en een ontvangstkamer. De (bouw)tekening toont ook een zolderverdieping met slaapruimten en onder een gedeelte van het huis een kelder.

Het nieuwe armenhuis werd op 16 mei 1912 geopend en in gebruik genomen. Na ruim 14 jaar werd besloten waterleiding te laten aanleggen. De moeder meldde dat er wormen in het putwater zaten en dat zou niet bevorderlijk zijn voor de gezondheid. In 1928 krijgt het huis ook elektriciteit.

Het nieuwe, in 1912 gereedgekomen 'Burgerlijk Armenhuis', zoals op het bord naast de ingang staat te lezen, thans appartementengebouw op de hoek Overtoom-Schoolstraal. Op het bord staan ook de beperkte bezoekuren.
Het nieuwe, in 1912 gereedgekomen ‘Burgerlijk Armenhuis’, zoals op het bord naast de ingang staat te lezen, thans appartementengebouw op de hoek Overtoom-Schoolstraal. Op het bord staan ook de beperkte bezoekuren. Voor het huis de eerste bewoners, v.l.n.r.: Guurtje Ooms, Trijntje Ooms, Maartje Knaap, Teunis Baars en Dirk Stuifbergen. Geheel rechts de eerste armenmoeder van het nieuwe tehuis, Keetje (moeder) de Winter.

Bewoners van het nieuwe armenhuis

De eerste ‘moeder’ van het nieuwe armenhuis was Keetje de Winter, een Castricumse, geboren in 1858. Zij wordt in 1923 opgevolgd door Anna Holt, op een wedde van 159,- gulden per jaar, benevens vrije kost en inwoning. Als eerste bewoners van het nieuwe armenhuis komen we tegen Teunis Oostermeijer, Maartje Knaap, Jacob de Graaf, Maartje Gijzen, Jan Vader, Frans Baars, Teunis Baars, Guurtje Ooms, Trijntje Ooms en Dirk Stuifbergen. In een kleine gemeenschap als de Castricumse kon het niet uitblijven of de bewoners van het tehuis werden bekend onder allerhande bijnamen, zoals Dirk de Stomme voor de doofstomme schoenmaker Dirk Stuifbergen,


Jaarboek 30, pagina 46

Kale Jaap voor de kennelijk weinig haar bezittende tuinder Jaap Beentjes en dronken Heert voor de nogal diep in het glaasje kijkende Heert Zonneveld.

Sommige bejaarde Castricummers, die bij het armenhuis hebben gewoond, konden zich de verschillende bewoners en hun eigenaardigheden nog goed herinneren. Zo is er het verhaal dat Kale Jaap er een genoegen in schepte te beweren blind te zijn, hoewel bij allerlei gelegenheden bleek dat hij wel degelijk kon zien. Zo protesteerde hij bijvoorbeeld, als zijn nog niet leeggedronken borrelglaasje werd weggepakt. Hij werd dan gesard met de opmerking: “Als je blind bent Jaap, hoe weel je dan dat er nog wal in je glaasje zit?”

 


 

Het Armenbestuur verdeelt de armoede

Ter illustratie een paar besluiten van het bestuur uit de jaren (negentien)twintig en (negentien)dertig in de notulen Burgerlijk Armbestuur 1923 – 1939:

  • Verzoek om ondersteuning door J.W. wordt goedgevonden. Voorlopig 3,- gulden per week.
  • Verzoek van P.B. wiens kind voor rekening van het Armbestuur wordt verpleegd, om vervoer van het kind per auto vergoed te krijgen, wordt afgewezen.
  • Verheugd wordt kennis genomen van de mededeling van de weduwe J. V. dat zij nu hoopte zonder steun te kunnen rondkomen.
  • Gesproken wordt over J.S. die op het ogenblik wat geld heeft. Er zullen pogingen in het werk gesteld worden om uitgaven te verhalen.
  • Verzoek van C.R. of hij in aanmerking kan komen voor melk voor zijn vrouw. Wordt goedgevonden voor 4 weken en twee liter per dag.
  • Verzoek van R.S. om melk en eieren voor zijn gezin. Wordt goedgevonden, voor zover dit nodig mocht zijn. Ook is hem een deken verstrekt.
  • Besloten wordt een stuk land, ‘de Armenhalen’ genaamd, niet te verpachten. De grasveiling zal vermoedelijk meer opbrengen.
  • Geen vergoeding wordt verstrekt voor het laten plomberen van een kies, tenzij het absoluut noodzakelijk is voor de gezondheid van de patiĆ«nt.
  • Op voorstel van mej. Vahl wordt aan M.G. die thans 25 jaar in het Armenhuis woont (waarvan 10 jaar in het vorige pand) 5,- gulden gegeven, waarvan ze de medebewoners kan trakteren.

 
Ook voor de kosten van verpleging in het ziekenhuis en de geneeskundige hulp wordt vaak een beroep gedaan op het Armenbestuur. In 1927 wordt aan 31 gezinnen, totaal 120 personen, vrije doktershulp toegestaan. Verder worden regelmatig kleding, schoenen en klompen verstrekt.

De armoede uitte zich in 1934 ook in de huisvesting, zoals hier de familie Verdwaald in de Peperstraat woonde. De kinderen sliepen op de bovenverdieping, die alleen via een ladder te bereiken was.
De armoede uitte zich in 1934 ook in de huisvesting, zoals te zien bij de familie Verdwaald, die in de Peperstraat woonde. De kinderen sliepen op de bovenverdieping, die alleen via een ladder te bereiken was. Pentekening Sijf Portegies.

 


 

Inleiding tot de crisis van de (negentien)dertiger jaren

De voortekenen van een grote wereldcrisis tekenden zich in onze land al omstreeks 1920 af. De gevolgen, die de ouderen onder ons, al was het maar uit de verhalen van vader of grootvader, zich nog kunnen herinneren, waren ingrijpend. Door stimulerende maatregelen in de tuinbouw, zoals investering in kassen en grondverbetering, was na 1924 nog wel een licht herstel in de agrarische sector opgetreden, maar dat was van korte duur. Een der oorzaken van de crisis was de overproductie in de akkerbouw en veehouderij, paradoxaal genoeg door ontwikkelingen die juist een verbetering van de productie beoogden, zoals een toename van het te betelen landoppervlak door droogmakingen. Daarnaast ondervond vooral de agrarische sector in toenemende mate concurrentie door de import van buitenlandse producten, die elders goedkoper konden worden geproduceerd en van plaatsvervangende producten, zoals margarine. De export werd gehinderd door importbeperkende maatregelen van buurlanden, waar eveneens een sterke stimulering van de landbouw en veeteelt had plaatsgevonden.

Het resultaat was een prijsdaling van agrarische producten, waardoor het boerenbedrijf steeds minder lonend werd. Dit had weer de uitstoot van arbeidskrachten en een toenemende werkloosheid onder de landarbeiders tot gevolg.

Regelingen voor werklozen

Tegen de financiƫle gevolgen van werkloosheid bestond er in de eerste helft van de 20e eeuw weliswaar geen verplichte sociale verzekering, maar vanaf de eerste jaren na de eeuwwisseling bestonden er wel mogelij kheden om zich vrijwillig tegen werkloosheid te verzekeren, waarvan echter vooral door de beter geschoolde arbeiders en ambtenaren gebruik werd gemaakt.
Tot de regering was doorgedrongen dat men niet alle werklozenzorg onder de armenzorg kon brengen.
Er ontstonden steunregelingen en er werden instanties in het leven geroepen voor steunuitkeringen, zoals arbeidsbureaus, waarbij steuntrekkers zich moesten inschrijven.


Jaarboek 30, pagina 47

In september 1932 hielden land- en tuinbouwers uit Noord-Holland een betoging in Amsterdam. De aandacht werd gevestigd op het verlies dat gemiddeld per hectare werd geleden door de scherpe daling van de prijzen voor agrarische producten. Verder werden producten getoond die deze zomer bij duizenden kilo's op de mestvaalt werden geworpen, het zogenaamde 'doordraaien'.
In september 1932 hielden land- en tuinbouwers uit Noord-Holland een betoging in Amsterdam. De aandacht werd gevestigd op het verlies dat gemiddeld per hectare werd geleden door de scherpe daling van de prijzen voor agrarische producten. Verder werden producten getoond die deze zomer bij duizenden kilo’s op de mestvaalt werden geworpen, het zogenaamde ‘doordraaien’.

Bedroeg de gemiddelde werkloosheid in 1930 landelijk nog 4 procent van de beroepsbevolking, in 1936 was die opgelopen tot 17,9 procent om daarna weer heel langzaam te dalen.

Het bedrag van de ondersteuning werd berekend volgens normen die nogal eens werden gewijzigd en die erop neer kwamen dat men nooit meer dan 65 procent van het laatstgenoten loon als steun kon ontvangen en dat bovendien nog voor een beperkte periode. Men moest, op straffe van inhouding van de uitkering, aangeboden werk waarvoor men geschikt was, accepteren. Een van de vervelendste maatregelen was dat men zich een- of tweemaal per dag op het gemeentehuis moest melden om aan te geven dat men inderdaad niet (zwart) werkte. De melding werd met een stempel op een naamlijst aangegeven. Dit dagelijks ‘stempelen’ door de werklozen werd een begrip.

De crisis slaat toe in Castricum

De wereldcrisis van de (negentien)dertiger jaren had voor vrijwel alle sectoren van de Nederlandse samenleving grote gevolgen. In een statistisch rapport uit 1931 werd aangetoond dat de agrarische sector in Nederland verliesgevend was geworden, waarbij vooral de toestand van de tuinders slecht werd genoemd.
Wat Castricum betreft werd inderdaad vooral de agrarische sector getroffen. Hoewel de werkloosheid in ons dorp al langere tijd een oorzaak van armoede en bedeling vormde, nam ze nu zulke vormen aan, dat de ‘klassieke’ armoede van weduwen, gebrekkigen en ouderen geheel naar de achtergrond werd gedrongen.
Reeds het jaarverslag van de gemeente over 1930 sprak van een slechte toestand in de tuinderij: “Waardoor de werkeloosheid een veel grotere omvang zal hebben dan in voorgaande jaren en dus gesproken kan worden van crisis-werkloosheid, omdat tuinders, die andere jaren hun werkkrachten in dienst konden houden, dit thans niet meer kunnen, maar een nooddruft (red: gebrek aan voedsel) zal ontstaan, waardoor de mensen zullen worden gedwongen zelf op werk uit te gaan of op andere wijze steun zullen moeten krijgen.”

Een gevolg van de crisis in Castricum tekende zich in de eerste plaats af in een scherpe stijging van het aantal door het Maatschappelijk Hulpbetoon gesteunde gezinnen: 5 in 1931, 6 in 1932, 22 in 1933, 35 in 1934 en 77 in 1935. De stijging van de gemeentelijke bijdrage aan het Maatschappelijk Hulpbetoon over genoemde periode is navenant: van 4.000 gulden in 1931 tot bijna 17.000 gulden in 1935. Deze sterke toename van het aantal bedeelde gezinnen en van de gelden hieraan gespendeerd was vooral toe te schrijven aan de stijging van de armoede onder de tuinders. De omvang van de traditionele armenzorg en de ondersteuning van armen door de kerken veranderde volgens beschikbare cijfers nauwelijks.

Dorpsstraat 70 ca 1943: achter deze (onbekende) jongens het distributiekantoor.
Dorpsstraat 70 ca 1943: achter deze (onbekende) jongens het distributiekantoor.

Ondervoeding

Bij het Armenbestuur kwamen in 1935 signalen binnen van de huisartsen Van der Sluis en Leenaers over ondervoeding onder schoolkinderen. Met name in de praktijk van dokter Leenaers zou dit vrij veel voorkomen. De directie van het ziekenhuis Duin en Bosch werd bereid gevonden om voor 13 cent per liter maaltijden te leveren. Volgens opgave van de hoofden van de lagere scholen ging het in de winter 1935/1936 om 40 kinderen van de jongensschool; 29 van de meisjesschool; 18 van de bewaarschool en 15 van de openbare school, totaal 106. Daar op de christelijke school geen kinderen uit de eigen gemeente voor voeding in aanmerking kwamen en men niet bereid was aan kinderen van buitengemeenten voeding te verstrekken, werd die school uitgesloten van deelneming.
Enkele werkelozen werd opgedragen te zorgen voor het halen van het eten en voor het opdienen en schoonmaken werd de Vrouwenbond ingeschakeld.
De regeling heeft in ieder geval tot de winter van 1938/1939 bestaan. In november 1939 wordt besloten om de schoolvoeding niet meer te verstrekken wegens de distributiemaatregelen, de verhoogde kostprijs en tenslotte omdat de verstrekking niet meer nodig is. De ondervinding heeft aangetoond dat de kinderen (vooral van de jongensschool) de voeding niet meer waarderen. Besloten wordt in plaats van schoolvoeding vet aan de personen die ondersteuning kregen te verstrekken en wel ter gelegenheid van Kerstmis. Alsdan zal accijnsvrij vet kunnen worden verkregen.

Stempelen in Castricum

De meeste kleine boeren in Castricum waren voor het overleven van de crisis aangewezen op de steunregelingen, die door rijk en gemeente in het leven werden geroepen. De diverse vormen van steun aan werklozen in Castricum, zoals men die in het archief kan terugvinden in verslagen en naamlijsten, tonen vanwege het ontbreken van inzicht in de onderlinge samenhang een wat chaotisch beeld van de organisatie. Duidelijk is in ieder geval dat de steuntrekkers werden ingeschreven bij het gemeentelijk bureau voor Steunverlening en Werkverschaffing. Zij moesten dagelijks op het gemeentehuis stempelen. Het raadhuis werd te klein voor al die mensen. Burgemeester en wethouders schreven in 1936: “De toestand is nu zoo, dat in de ochtenduren, wanneer de werkloozen komen stempelen, de secretarie vrijwel ontoegankelijk is voor andere personen, welke aldaar zaken te bespreken wat eveneens een onhoudbare toestand is. De gang van het raadhuis is gedegradeerd tot opslagplaats van de te verstrekken levensmiddelen, wat eveneens een onhoudbare toestand is.” Besloten wordt daarom om het gedeelte van het gebouw dat nog als woning werd gebruikt bij het raadhuis te trekken.

De door de regering vastgestelde steunnormen en regels, waaraan men moest voldoen om voor steun in aanmerking te komen, werden door Burgemeester en Wethouders van Castricum ‘vertaald’ in een reglement dat aan alle ondersteunde werklozen beschikbaar werd gesteld.
Onder de kop ‘Aan den gesteunde werklooze’ vangt het reglement aan met bangmakerij: “Toen onlangs Ć©Ć©n uwer werd geverbaliseerd.


Jaarboek 30, pagina 48

omdat hij gezinsinkomen had verzwegen, gaf deze voor niet met de bepalingen op de hoogte te zijn.” Vervolgens werd benadrukt dat dit niet als excuus mocht gelden en dat voortaan eenieder werd geacht op de hoogte te zijn van de steunregeling.
De overheid attendeerde gemeentebesturen op kwalijke praktijken van de werkloze.
Bijvoorbeeld met betrekking tot cafĆ©bezoek: “De regeering stelt zich op het standpunt, dat alleen naar behoefte wordt gegeven. Iemand, die zich veelvuldig aan cafĆ©bezoek schuldig maakt, zou het bewijs leveren, dat een te hoge steun wordt toegekend of dat hij op Ć©Ć©n of andere wijze de steunregeling saboteert.” Over het zogenaamde stempelverlof werd opgemerkt: “Het gebeurde wel dat in voorkomende gevallen verlof van stempelen werd gegeven 0m werkloozen in de gelegenheid te stellen om te visschen. Stempelverlof mag evenwel niet dan in de hoogst noodzakelijke gevallen worden toegestaan, dus zeker niet om te visschen.”

Het graven van het duinmeer 'het meertje van Vogelenzang' in 1934 was een van de werkverschaffingsprojecten. Het zand werd met lorries getransporteerd naar de Zeeweg voor de aanleg van het viaduct over de spoorl(jn.
Het graven van het duinmeer ‘het meertje van Vogelenzang’ in 1934 was een van de werkverschaffingsprojecten. Het zand werd met lorries getransporteerd naar de Zeeweg voor de aanleg van het viaduct over de spoorl(jn.

Ter bestrijding van de werkloosheid en armoede stelde de gemeenteraad al in 1922 geld beschikbaar om werklozen te werk te stellen in het provinciaal duingebied. Het uurloon was veel lager dan in het bedrijfsleven om de prikkel te laten bestaan daar weer zo spoedig mogelijk naar terug te keren.
Tot de werkverschaffingsprojecten, waarbij ook Castricumse steuntrekkers werden ingeschakeld, behoorden werkzaamheden in de duinen, de aanleg van een fietspad langs de Zanddijk en de aanleg van de Zeeweg, tussen de Provinciale weg en de Heereweg. Het duinmeertje, ook wel Karpervijver genoemd, werd in 1934 met handkracht uitgegraven en het zand werd met lorries getransporteerd naar de Zeeweg voor de aanleg van het viaduct over de spoorlijn.

In 1938 wordt nog besloten een rioleringsplan uit te voeren voor 1/3 in het vrije bedrijf en voor 2/3 gedeelte in werkverschaffing. In de raad is er een heftige discussie tussen degenen die het algemeen belang c.q. de gemeentefinanciƫn het zwaarste laten wegen en degenen die arbeiders niet meer willen laten werken voor de laagste lonen. Uiteindelijk wordt het compromis bereikt.

Vader Jacob Zonneveld.
Vader Jacob Zonneveld, bijnaam Jaap van Kees, geb. 11 mei 1888, overleden 19 juli 1970.

Herinneringen van Loek Zonneveld geboren op 10 december 1930 in Bakkum

“Het was in de (negentien)dertiger jaren, zoals in de meeste grote gezinnen, armoede troef. We waren met z’n veertienen en zestien met vader en moeder erbij. De oudste was het huis al uit die had een betrekking met kost en inwoning. Als je zo rond de 14 was, dan ging vader een baas voor je zoeken en moest je aan het werk en degenen die er onder kwamen moesten moeder thuis helpen. Of het een jongen of een meisje was dat maakte niet uit. Stofzuigers had je nog niet; er was ook geen stroom. Er was alleen gas in huis. We hadden zeil, balatum, dat werd bij elke verhuizing weer in mekaar gepast. Er viel natuurlijk steeds meer af. Op het laatst hadden we in het middenstuk geen zeil meer. Daar ging dan een kleed over. Het balatum ging dan in de goede kamer. Je woonde eigenlijk in de grote keuken. Alleen als er visite was, kwam ze in de goeie kamer. Daar stonden dan effe knappere stoelen. Gebruikt werden ze praktisch niet. Het was armoe troef. Vader Jaap ging ‘s morgens vroeg de deur uit als hij werk had en kwam ‘s avonds om zes uur, half zeven thuis en dan kon ie thuis nog een beetje aan de gang. In het voorjaar had hij altijd wel spitwerk. Hij ging achter mekaar door. Het was een ras-spitter. Grote tuinen omspitten 2 tot 3 steken diep. In de winter werkte hij als het half kon bij de PWN. In de zomer zat hij weer op de tuinen.

Bij het PWN ging hij delven (red: graven). Er waren veel te veel konijnen. Je moest een bepaald aantal konijnen op een dag hebben dan had je je loon. Alles wat meer was, werd niet meegerekend. Er werden een paar kanten van een hol dichtgemaakt, dan uitgraven en dan met een hondje die konijnen er uitjagen. De jachttijd was rond oktober tot januari. Dan mocht je geen konijnen meer jagen en dan was het weer delven. Een van mijn oudere zusters vertelde dan wel dat ze ‘s morgens voor schooltijd het duin in ging op de fiets. Dan ging ze vader opzoeken. Dan werden er twee of drie konijnen onder haar jurk op haar buik gebonden met een touwtje. Die konijnen bracht ze dan naar Cor van Duin en dan had moeder weer een paar centen. Hij had ook wel eens geen werk. Ik weet nog dat je met je stempelkaart naar het gemeentehuis ging om een pakje margarine te halen. Een pakje kostte, dacht ik, zo’n 11 cent.


Jaarboek 30, pagina 49

Je moest wel betalen natuurlijk maar heel weinig. Ze moesten twee keer per dag stempelen op het gemeentehuis en dan kreeg jeje steun van Maatschappelijk Hulpbetoon. Die wisten in wezen wie hulp nodig hadden. Ik kan me herinneren dat in 1937, iemand van die organisatie bij ons aan kwam. We zaten in de keuken om de tafel. Moeder sneed het brood en ieder kreeg twee sneden. Het brood werd gewoon verdeeld. Zij sneed het brood gewoon op de borst. Dat mens dat komt binnen en zegt dat ze even komt kijken. Ze loopt zo door naar de slaapkamer. Ik denk dat het op een maandag is geweest, de lakens lagen nog op zo’n kastje. Het waren juist de goeie lakens. Er was niks stuk hoor, zo arm als we waren. We hadden nooit kapotte kleren aan naar school. We hadden wel broeken waar een stuk ingezet was, maar het was nooit stuk. Dat was met het beddengoed precies hetzelfde. Ze keek naar de lakens en in de linnenkast. Ze deed de kast dicht en ging weg. Dat was het.

Moeder Cornelia M. Zonneveld - Bakker, geb. 17 maart 1892, overleden 18 oktober 1971.
Moeder Cornelia M. Zonneveld – Bakker, geb. 17 maart 1892, overleden 18 oktober 1971.

Ik kan me niet herinneren dat mijn ouders ooit iets van Maatschappelijk Hulpbetoon hebben gehad. Het was zelfs zo met aannemen (red: katholiek feest voor de eerste heilige communie). Ik zal toen een jaar of negen geweest zijn, er was helemaal geen geld voor een pakkie. Toen mocht ik van het kerkbestuur een pakkie halen bij Jaap Twisk op de Dorpsstraat. Toen had ik een soort plusfour. Normaal hoort zo broek op je enkels te zitten. De mijne kwam niet hoger als m’n knieĆ«n.
In 1945 werd het Maatschappelijk Hulpbetoon effe anders. Toen kwamen er andere mensen. Joop Zentveld kwam ertussen. Die kwam overal. Als er iemand dekens nodig had dan zorgde hij er wel voor. Ook zij van Bertus Stuifbergen, die kruidenier van Bakkum. Dat was allemaal in de naperiode maar toen hadden deze mensen niets meer nodig. De jongens waren allemaal groot. Toen ze klein waren, toen was het er niet. In 1960 kwam zij van Klaas Beentjes vragen of mijn vader soms een paar baaien (red: van wol of flanel) hemden moest hebben. Toen zei ik tegen haar dat had je  20 jaar terug moeten vragen. Het enige waar je die man nog een plezier mee kan doen dat is een bonkertje (red: jasje). De zijne is al 30 tot 40 jaar oud. Ze kwam later terug en toen heb ik met mijn vader bij Alleman een nieuw bonkertje mogen halen. Voor al die dingen die je toen gernist heb, heb je nauw dat bonkertje. Hij heb (red: heeft) er niet zo gek veel plezier van gehad, maar goed hij heeft dan toch dat bonkertje gehad. Dat was het Maatschappelijke Hulpbetoon zoals ik het gekend heb.”

Extra ondersteuning

In de crisisperiode stelde het gemeentebestuur via een Gemeentelijk CrisiscomitĆ© met als voorzitter wethouder P. de Vries en als secretaris W.J. Driessen bescheiden bedragen beschikbaar voor extra steun aan werklozen, welke extra steun overigens moest worden aangevraagd. Uit bewaard gebleven formulieren hieromtrent blijkt dat in 1933 door 49 en in 1934 door 91 Castricumse gezinnen een beroep op deze extra ondersteuning werd gedaan. Op het formulier stond duidelijk aangegeven dat het ging om ondersteuning in natura, tot een bedrag van maximaal 3 Ć  4 gulden per aanvraag. Men komt een bonte en ietwat wrange reeks van aanvragen tegen: een werkbroek, een werkjas, een jas voor de 15-jarige Wouter, een hemd en een borstrok (red: warm hemd), een stuk katoen voor lakens en slopen, een deken, werkschoenen, kindergoed. EĆ©n der aanvragers vult in dat hij het liefst geld wil: “Vier gulden, daar ik zelf wel van alles kan gebruiken, maar ik zou dit bedrag liever besteden aan mijn vrouw, die er veel nodiger om verlegen zit, zij kan doodgewoon de weg niet meer op.”

De situatie van vooral de kleine boeren en tuinders werd zo nijpend, dat er in 1932 een aparte commissie werd opgericht, belast met extra ondersteuning van de noodlijdende tuinders. In 1933 was door de gemeente voor deze extra ondersteuning 1.000 gulden beschikbaar gesteld en in 1934 was dat 2.000 gulden.
Deze ondersteuningsregeling voor tuinders en zijn uitvoering leidde tot politieke beroering in de Castricumse gemeenteraad.

De affaire P. de Wildt

Piet de Wildt, destijds secretaris van de r.-k. fractie in de Castricumse gemeenteraad, stelde de gang van zaken met betrekking tot de ondersteuning aan de tuinders, zoals besproken in de raadsvergadering van 16 oktober 1935, in de Castricummer Courant van vrijdag 1 november 1935 in een uitvoerig artikel aan de orde. Het voornaamste punt van kritiek van De Wildt was dat door het gemeentebestuur in 1934 slechts 2.000 gulden beschikbaar was gesteld, terwijl door Gedeputeerde Staten een bedrag van minstens 4.000 gulden was geadviseerd. Naar aanleiding hiervan had De Wildt in de raadsvergadering bij een betoog van de burgemeester, die volgens zijn zeggen altijd alles voor de tuinders had gedaan en de nood goed kende, de cijfers naar voren gebracht en uitgeroepen: “Is dat de nood goed kennen en daar naar te handelen ?”

De Castricummer Courant onderzocht de gang van zaken met betrekking tot de steun aan de tuinders uitvoerig. Het resultaat van dit onderzoek werd gepubliceerd, met als voornaamste conclusie dat in een twintigtal gemeenten met een nog intensievere tuinderij dan in Castricum, de tuindersteun niet anders of beter was geregeld. In deze gemeenten kregen de tuinders zelfs niets uit de gemeentekas, maar alleen rijkssteun via het CrisiscomitƩ.

Herstel

Dat het na 1936 met de economie langzaam beter ging en de werkloosheid afnam, had onder meer te maken met de devaluatie (red: minder waard worden) van de gulden, welke maatregel door Nederland als Ć©Ć©n van de laatste Europese landen werd genomen. Allerlei werkverschaffingsprojecten, waaraan een werkloze kon worden verplicht deel te nemen op straffe van verlies van uitkering, kregen nu de hoogste voorrang. In de verschillende werkverschaffingen in Castricum bedroeg het aantal manweken (red: weken dat totaal gewerkt werd) in 1938 nog 1642. Er stonden gemiddeld 102 werklozen bij het plaatselijk agentschap der arbeidsbemiddeling ingeschreven. In 2415 gevallen werd steun verleend tot een totaal bedrag van ruim 22.000,- gulden.

Het aantal zorggevallen bedroeg 100 in februari 1938 tegen 114 in 1937.


Jaarboek 30, pagina 50

De burgemeester hield de gemeenteraad in 1939 voor, dat nog steeds de grootste voorzichtigheid geboden was, hoewel de economische toestand in de gemeente verbeterd was.

Intussen was, gestimuleerd door de goedkope bouwgrond, door de uitvoering van diverse bouwprojecten – o.a. PernĆ©straat, Geelvinckstraat en Nuhout van der Veenstraat – het aantal inwoners op 1 januari 1939 gestegen tot 7527. Het aandeel van de agrarische bevolking was sterk verminderd. Velen waren naar andere plaatsen vertrokken, omdat er in Castricum geen bestaansmogelijkheid meer voor hen was.
In de jaren (negentien)dertig, met haar schrikbarende noodtoestanden, waarvan de herinnering velen nog altijd met huiver vervult, is het karakter van Castricum als stedelijk forensendorp bepaald.

Wim Hespe
Niek Kaan

De gemeenteraad in 1930.
De gemeenteraad in 1930. V.l.n.r.: staand: de heer B. Res Wzn, C. Kuijs, P. Twisk, J. de Nijs, H. Schipper; T. Hellinga, F.J. Aukes, P. de Vries, notulist C. Louter jr.; achter de tafel: de wethouders H. Hemmer en G. Louter sr., burgemeester P.H.L.J. Lommen, secretaris N.A. van Lunen en het eerste vrouwelijke raadslid mevr. G. Kuijs – Piepers.

Bronnen:

  • Archiefstukken betreffende Castricum in het Regionaal Archief te Alkmaar:
    – Maatschappelijke zorg, nrs. 618-662.
    – Algemeen Armbestuur, nrs. 785-799.
    – Pancratius Parochie Castricum.
    – Diaconie Hervormde Gemeente Castricum.
  • Bieleman, J., Geschiedenis van de landbouw in Nederland 19001950, Boom, Meppel 1992.
  • Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl 1973.
  • Loo, L.F. van, Arm in Nederland 1815-1990, Boom, 1994.
  • Rooy, P. de, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding 1917-1940, Van Gennep, 1978.
  • Notulen Maatschappelijk Hulpbetoon 1922-1940.
  • Ruijter W.Jzn., Q. de, Schippers van het Stet

Armoede; impressies uit de 19e eeuw (Jaarboek 27 2004 pg 16-25)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over armoede: 18e eeuw, 19e eeuw, periode 1900-1940


Jaarboek 27, pagina 16

 

Armoede in Castricum; impressies uit de 19e eeuw

 

Inleiding

Aan de sociale geschiedenis van Castricum werd eerder aandacht geschonken in een artikel gepubliceerd in het 20e jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum onder de titel ‘Arm en rijk in Castricum in de 18e eeuw‘. Kort samengevat kwam naar voren, dat de gemeente in de 18e eeuw in toenemende mate te kampen had met de gevolgen van de verslechtering van de economie. Vooral in de laatste decennia van de 18e eeuw was de Republiek in grote economische problemen verzeild geraakt door de voortdurende toestand van politieke onrust en oorlog. De overzeese handel en de visserij kwamen in deze periode vrijwel tot stilstand. Dat gold ook voor takken van nijverheid die aangewezen waren op de import en verwerking van grondstoffen.
Hoe men het economische beeld van de 18e eeuw ook inschat, zeker is dat het aantal werklozen en daarmee ook het aantal armen vooral in de tweede helft van de 18e eeuw sterk toenamen. Dat gold niet alleen voor de steden, maar zeker ook voor de agrarische gemeenschappen in Noord-Holland, waar niet zozeer de welgestelde boeren als wel de kleinere bedrijven en de seizoenarbeiders in de verdrukking kwamen.
De balans opmakend van het sociale beleid in de ‘Frans-Bataafse periode‘ van onze geschiedenis, de periode 1795 tot 1813, is de indruk dat in overeenstemming met het landelijke beeld, ook in Castricum de armoede onder de inwoners nog verder toenam. In het 22e jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum werden cijfers vermeld, ontleend aan de belastingheffing in 1812, die suggereren dat in Castricum wel ca. 40% van de bevolking in armelijke omstandigheden verkeerde. De verarming in deze periode had voor een groot deel te maken met de steeds toenemende financiĆ«le en materiĆ«le eisen die de Fransen stelden in het kader van hun oorlogsvoering en het invoeren van het zogenaamde Continentale Stelsel, dat poogde aan de handel met Engeland een einde te maken. Eind 1799 had zich in Noord-Holland bovendien nog een bloedige oorlog afgespeeld, die beslecht werd in een veldslag bij Castricum, waarbij de gemeente aanzienlijke schade opliep. In 1999 is aan deze veldslag, in het kader van de 200-jarige herdenking, ruime aandacht geschonken, onder andere in de vorm van een monument, dat nabij het gemeentehuis een plaats heeft gekregen.

Op deze prent vieren een Brit en een Hollander broederlijk het einde van de Franse tijd met zijn handelsbeperkingen: 'De zee is open en de koophandel herleeft'.
Op deze prent vieren een Brit en een Hollander broederlijk het einde van de Franse tijd met zijn handelsbeperkingen: ‘De zee is open en de koophandel herleeft’.

Nieuwe tijden

Na de aftocht der Fransen in 1813 werd Nederland een constitutionele monarchie met aan het hoofd een Oranjevorst, koning Willem I (1813-1840), een vrij eigengereide figuur, die het met de ontluikende democratie niet zo nauw nam. Niettemin was hij de inspirator van vele, vooral economische ontwikkelingen, waarvan hij hoopte dat ze de positie van Nederland en de welvaart van zijn inwoners zouden verbeteren. Slogans als: ‘De zee is open, De koophandel herleeft’ en ‘Elk dankt God, De oude tijden komen weerom, Oranje Boven’ deden opgang.
Bij zijn aantreden werd koning Willem I geconfronteerd met de Franse erfenis, onder meer een kwijnende industrie, een ingezakte buitenlandse handel en veel armoede. Hij nam inderdaad vele initiatieven ter verbetering van de maatschappelijke en economische situatie, waarvan in onze regio kunnen worden genoemd de aanleg van het Noord-Hollands kanaal (1819-1825), het tot stand komen van de eerste Nederlandse spoorlijn, Amsterdam-Haarlem in 1839 en grootscheepse ontginningen in onder andere de Castricumse duinen.

Castricum rond 1815

Pieter Kieft, die in 1814 burgemeester van Castricum was geworden, doet in 1816 voor het eerst schriftelijk verslag van de plaatselijke ‘Staat der gewassen en het vee’ aan de Commissaris van Landbouw in het 5e District van Noord-Holland te Alkmaar. De voorgedrukte rubrieken in het verslag melden, dat er in 1816 in Castricum zomergerst, rogge, haver, paardebonen, aardappelen en knollen werden geteeld. Genoemd wordt ook een geringe teelt van kool voor eigen gebruik. Er zijn ook vruchtbomen, maar die voorzien eveneens slechts in de persoonlijke behoefte. Onder ‘hakbossen’ wordt vermeld, dat ze om de 8 a 9 jaar worden gehakt, waarbij het hout in de gemeente wordt geconsumeerd. Het grasland wordt in 1816 schraal genoemd, terwijl de staat van het hooi door overmatige regenval slecht is en zelfs ‘deels op het veld verrot’. Als vee dat werd gehouden, noemt het verslag runderen, kalveren, varkens, schapen en paarden, waarbij wordt opgemerkt dat de dieren geen ziekten vertoonden. De schapen waren echter bij het slachten zeer mager, wat aan het natte weer wordt toegeschreven. Door de ‘schraalte in het gras’ was de productie van boter en kaas veel minder dan in andere jaren.


Jaarboek 27, pagina 17

In 1817 en 1818 was het weer kennelijk beter en de verslagen geven nu een wat optimistischer beeld, want de staat van het grasland wordt nu redelijk genoemd, aan hooi is ook geen gebrek en de productie van boter en kaas wordt normaal genoemd. Dergelijke verslagen geven weliswaar geen nieuw beeld van de sociale verhoudingen in Castricum, maar omdat er behalve slechte weersomstandigheden geen alarmerende opmerkingen in voorkomen, is men geneigd de situatie van althans de boerenbedrijven goed te noemen. Dat zou in overeenstemming zijn met wat bekend is over de algemene economische situatie in die periode, waarbij het boerenbedrijf wordt genoemd als Ć©Ć©n van de weinige bedrijfstakken, die zich aan de algehele malaise wist te onttrekken.

Een speciale commissie voor de armenzorg

Niettemin was er in Castricum, evenals in andere Noord-Hollandse gemeenten, nog steeds een groot aantal behoeftigen die aanleiding gaven tot zorgverlening. Dat blijkt uit een in 1816 door de Staatsraad Gouverneur van Noord-Holland aan de burgemeesters verstuurde brief, waarin hij de aandacht en de deelneming van alle vermogende mensenvrienden vraagt ‘om langs eenen geregelden en doelmatige weg te worden in staat gesteld, hunne behoeftigen natuurgenoten gedurende de naderende winter te hulp te komen’ en bovendien voorstelt om in overleg met “aanzienlijke bewoners uwer gemeente” een commissie op te richten voor de inzameling, aankoop en distributie van levensmiddelen.
De burgemeester van Castricum geeft gevolg aan het verzoek en antwoordt, dat om de nood der behoeftigen in Castricum te lenigen er een “commissie is opgericht van de voornaamste inwoners, aan het hoofd waarvan ik geplaatst ben, ten einde aan de behoeftige huisgezinnen wekelijks uit te delen 22 stuks brood benevens enige droge takkenbossen; wat de aardappelen betreft, hiervan zijn de meeste kunnen voorzien, doch zulke welke ze niet hebben krijgen nog een halve zak aardappelen”.

Uit een brief van de burgemeester van Castricum eind 1816 aan Gedeputeerde Staten wordt duidelijk hoe in dat jaar de armenzorg in Castricum was georganiseerd. De zogenaamde ‘gewone bedeling’ toonde de reeds lang bestaande structuur van een Algemeen Armenbestuur, een Gereformeerd Armenbestuur en een Rooms-katholiek Armenbestuur, welke laatsten uiteraard voornamelijk de lidmaten van hun kerken ondersteunden. Deze gewone bedeling schoot nu kennelijk te kort. Vandaar het in het leven roepen van wat in de brief ‘buitengewone bedeling’ wordt genoemd, die in handen was van de hiervoor genoemde, speciaal opgerichte commissie onder leiding van de burgemeester, die wekelijks voor 12 gulden aan roggebrood en aardappelen uitdeelde.

Koninklijke bezorgdheid

In een circulaire van Gedeputeerde Staten in Haarlem uit november 1816 aan de gemeentebesturen wordt in verband met de heersende armoede de ‘vaderlijke bezorgdheid’ van de koning uitgesproken, met name over de steeds toenemende duurte der levensmiddelen en er worden ook maatregelen aangekondigd. De uitvoer van aardappelen en boekweit wordt bij wet verboden. De buitenlandse graanhandel blijft echter ‘om zeer wijze redenen’ gehandhaafd. Rijkswerken en werken van plaatselijk nut dienen ook gedurende de winter zoveel mogelijk voortgang te vinden.
De bezorgdheid van de koning uitte zich soms in gedetailleerde voedseladviezen, zoals in een missive van de Minister van Binnenlandse Zaken uit november 1816, waarin wordt gesteld, dat het Zijne Majesteit aangenaam zou zijn om als voedsel voor de armen aan te wenden “het geleij van beenderen, in de godshuizen en andere gestichten van liefdadigheid; daar deze geleij aan het onderzoek van het Geneeskundig Bestuur over de Armee onderworpen geweest zijnde de nuttigheid van dezelve na herhaald gedane proeven heeft erkend”. Een soort bouillon voor de armen dus.

De niet meer bestaande duinboerderij 'Klein Johanna's Hof', die tijdens de duinontginning in de 19e eeuw in bedrijf was.
De niet meer bestaande duinboerderij ‘Klein Johanna’s Hof’, die tijdens de duinontginning in de 19e eeuw in bedrijf was. Gesloopt in 1920.

Tewerkstelling

Een initiatief om de toenemende armoede een halt toe te roepen was in 1818 de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid, die zich ten doel stelde om van de 190.000 armen in ons land er 150.000 in te schakelen bij ontginningsarbeid van natuurgebieden. In de geest des tijds, die armoede associeerde met luiheid, vonden velen dit een nobel plan en het kreeg dan ook grote steun, onder meer van koning Willem 1. In Drenthe werden zogeheten koloniƫn gesticht met namen als Willemsoord en Wilhelminaoord voor degenen die op vrijwillige basis wilden migreren. Landlopers en bedelaars konden aan het werk worden gezet in de afzonderlijke koloniƫn Veenhuizen en Ommerschans, namen die door hun geschiedenis ook thans nog vrij luguber klinken.
De gemeenten kregen nu de gelegenheid om tegen een vergoeding personen die daarvoor in aanmerking kwamen, te bewegen naar deze werkkampen te verhuizen. Hiervoor was in principe de medewerking van de betrokkenen nodig, maar vormen van dwang werden niet geschuwd. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een schrijven uit 1830 van de heer Feith, referendaris voor het Armwezen, aan de Castricumse burgemeester Kieft, die in een niet bewaard gebleven brief kennelijk advies had gevraagd, hoe hij twee van de bedeling levende Castricumse vrouwen naar Ommerschans kon krijgen. Feith antwoordde dat de twee vrouwen niet onder dwang naar de koloniĆ«n konden worden gezonden, maar adviseerde om hun bijstand in te trekken. “Niets bezittende zullen zij, naar alle gedachten bedelen, en alsdan zouden zij in de termen vallen van vagabondage, en alzoo kunnen opgenomen en naar de Ommerschans kunnen gerenvijeerd worden, echter altijd als zij niet gebrekkig of ziek zijn.”
De afloop van deze geschiedenis is niet bekend, maar uit de schaarse gegevens kan men opmaken dat er inderdaad Castricummers naar de werkkampen zijn gestuurd, hoewel het om incidentele gevallen lijkt te gaan.


Jaarboek 27, pagina 18

Boerderij 'De Brabantse Landbouw', de oudste in het duingebied. Gebouwd in 1770 in opdracht van Andries Deutz van Assendelft. De eerste huurder was Evert Asjes.
Boerderij ‘De Brabantse Landbouw’, de oudste in het duingebied. Gebouwd in 1770 in opdracht van Andries Deutz van Assendelft. De eerste huurder was Evert Asjes.

Ontginningsarbeid

Zoals reeds opgemerkt werden er tijdens de regeringsperiode van Willem I initiatieven ondernomen om op grote schaal de landontginning aan te pakken, want er was een relatief nog vrij groot oppervlak van ons land, dat daarvoor in aanmerking kwam. Men hoopte hiermee een aantal vliegen in Ć©Ć©n klap te slaan: een drastisch terugdringen van de werkloosheid en daarmee van de bijstand, omscholing van werklozen tot landarbeiders en het in cultuur brengen van woeste gronden ten bate van landbouw en veeteelt.
Directe gevolgen voor Castricum had de ontginning van het nabijgelegen duingebied, waarmee in feite al in de 18e eeuw een aanvang was gemaakt onder de naam ‘Brabantsche Landbouw’ maar waarvan het resultaat uiteindelijk tegenviel, omdat veeteelt er succesvoller bleek dan de eigenlijke landbouw.
Aan de latere, meer grootschalige ontginning van de duinen is de naam van jhr. mr. Daniƫl Theodore Gevers van Endegeest verbonden, die in 1824 plannen indiende om ten behoeve van de landbouw de duinvalleien te ontsluiten, waarbij hij werd gesteund door koning Willem I, die voor dat doel omvangrijke duinterreinen aankocht. In 1834 was een beperkt deel der plannen gerealiseerd. Ontgonnen was ongeveer 200 hectare duinterrein, waarop rogge, haver, gerst en aardappelen werden verbouwd, terwijl er ook runderen graasden.
Niettemin liep de ontginning langzamerhand vast. Berekeningen over de agrarische activiteiten lieten zien dat de kosten veel hoger waren dan de opbrengst, onder andere door de dure bemesting en dus bestonden de activiteiten op den duur alleen nog maar uit consolidatie, hoewel tot ver in de tweede helft van de 19e eeuw nog boeren een bestaan in het duingebied trachtten op te bouwen. Lange tijd werden in het duin ook schapen gehouden, maar daaraan kwam na 1880 een voorlopig einde. Elders in dit jaarboekje een artikel over de geschiedenis van Johanna’s Hof, naar welk artikel wij verwijzen voor veel meer details betreffende de duinontginning.
Succesvol of niet, de ontginning van het duingebied is ook voor Castricummers een bron van bestaan geweest. Hoewel de schade achteraf meevalt, illustreert de ontginningsgeschiedenis, hoe al in de vorige eeuw natuur werd opgeofferd aan de economie. Met een waardeoordeel moet men echter voorzichtig zijn, want de meeste armoedzaaiers waren ongetwijfeld meer geĆÆnteresseerd in een beter bestaan, dan in meer natuur.

Het feit dat de geboorteplaats als domicilie van onderstand kon worden aangemerkt, terwijl men elders woonde, betekende veel administratieve rompslomp. Veel gemeenten gingen er dan ook toe over elkaar aan te schrijven op voorgedrukte formulieren, waarvan hier een voorbeeld. In het archief van Castricum bevindt zich een map met honderden van dergelijke aanvragen voor vergoeding van ondersteuningskosten.
Het feit dat de geboorteplaats als domicilie van onderstand kon worden aangemerkt, terwijl men elders woonde, betekende veel administratieve rompslomp. Veel gemeenten gingen er dan ook toe over elkaar aan te schrijven op voorgedrukte formulieren, waarvan hier een voorbeeld. In het archief van Castricum bevindt zich een map met honderden van dergelijke aanvragen voor vergoeding van ondersteuningskosten.

Het ‘domicilie van onderstand’

In 1815 kwam een nieuwe Grondwet tot stand. Hierin was van een regeling der armenzorg nog geen sprake, maar wel eiste de wet, dat jaarlijks aan de Staten Generaal een uitvoerig verslag over de armoede zou worden uitgebracht. Op grond van de treurige toestand, die uit deze verslagen naar voren kwam, werd bij wet van 28 november 1818 het zogenaamde ‘domicilie van onderstand’ ingevoerd. Dit hield in, dat behoeftigen aanspraak zouden kunnen maken op de algemene armenzorg in hun verblijfplaats, als ze daar ten minste vier jaar hadden gewoond. Bij een kortere verblijfsduur kwamen ze ten laste van de armenzorg in hun geboorteplaats.
Deze regeling, die lang van kracht is geweest, kan achteraf een slechte regeling worden genoemd, want ze gaf een enorme ergernis bij de gemeentebesturen door de grote administratieve rompslomp en het geschuif met bedeelden tussen geboorte- en woonplaats, waarbij de situatie nog werd gecompliceerd, omdat de plaatselijke kerkelijke armenzorg zich niets aan de regeling gelegen liet liggen. We komen hierop nog terug.

Verslaggeving over 1821

In 1822 beschikken Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, dat de gemeenten een opgave van het aantal armen moeten doen, op voorgedrukte formulieren. In januari 1823 geeft de burgemeester van Castricum hieraan gevolg en stuurt hij gegevens in van het jaar 1821. Dat er verschillende overzichten zijn, met doorhalingen en verbeteringen, werkt verwarrend, maar de volgende reconstructie is aannemelijk.
Door de Algemene Armen, die waarschijnlijk nauw samenwerkten met de Gereformeerde Gemeente, werden 45 personen bedeeld. Door de ‘Armmeesteren’ der Rooms-katholieke Gemeente werden 84 personen gesteund, verdeeld over 19 families. Indien er geen overlapping van de beide vormen van armenzorg was, volgt uit deze verslaggeving, dat er in 1821 in Castricum 129 personen werden bedeeld, ca. 18 procent van de 724 inwoners in dat jaar. Als oorzaak voor de ondersteuning van 65 der 84 kerkelijke personen wordt genoemd gebrek aan werk van de kostwinner. De resterende groep bestond uit personen die niet konden werken, zieken, weduwen en bejaarden.
Uit deze cijfers spreekt in vergelijking met vroegere perioden een verschuiving in het patroon van de armoede. Werkloosheid gaat in toenemende mate de omvang van de armoede bepalen. Dat er, ondanks het feit dat het boerenbedrijf niet slecht rendeerde en ook de schelpenvisserij goede jaren beleefde, toch een grote werkloosheid was, gold voor de gehele agrarische sector. De historicus Van Loo constateert dat er in deze periode in de kustprovincies, door de modernisering van de landbouw en de vrij grote sociale tegenstellingen tussen loonarbeiders en herenboeren, regelmatig van werkloosheid sprake was, vooral buiten het drukke zomerseizoen. In de zomer was er volop werk en kon men op de boerenbedrijven zelfs buitenlanders gebruiken, vooral Duitsers, die in Nederland werk zochten omdat het in eigen land economisch nog slechter was gesteld. In de winter was er echter weinig werk en omdat er geen werkloosheidsregelingen bestonden, kwam dan een deel van de landarbeiders zonder inkomsten. Het was volgens Van Loo dus geen structurele, maar een periodieke werkeloosheid waardoor men in de moeilijkheden kwam en op de armenzorg een beroep moest doen. Van Loo merkt nog op, zoals ook uit de Castricumse gegevens is gebleken, dat het wekelijks brood de basis van de armenzorg was. Dit werd verstrekt in de vorm van grote roggebroden van 2,5 kg en alleen bejaarden die dat harde brood niet konden kauwen, kregen het fijnere tarwebrood.

De hongerjaren

In de periode 1837-1852 met Jan de Quack als burgemeester van Castricum, was het volgens Zuurbier, die deze periode in het 4e Jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum bespreekt, voor veel Castricummers nog steeds uiterst moeilijk om het hoofd boven water te houden. Castricum telde vele armen en ondersteuning behoevende personen. Het gemeentebestuur kreeg verschillende malen ten behoeve van het armbestuur financiĆ«le ondersteuning uit de provinciale kas. De armoede trof voornamelijk weer dezelfde groepen als voorheen, waaronder de landarbeiders. De veeboeren met een eigen bedrijf verging het niet zo slecht en zij hadden, als we de schrijver Nicolaas Beets mogen geloven, plezier in hun bestaan. Hij schetst onder zijn pseudoniem Hildebrandt de Noord-Hollandse veeboer als een vrij zorgeloos type: “Want de vrouw houdt van opschik en zoetigheid, en de man weet grof geld te verteren als hij uit is voor zijn plezier. In dit regenjaar 1841 is het hooi bitter slecht uitgevallen, maar toen de kermisklok te Alkmaar geluid had, kwamen er niet minder sjezen en wagens om binnen, langs alle wegen en door alle poorten, beladen met boeren en boerinnen, die er zich de witte wijn en de rode met suiker en al wat verder tot opscherping der levensgeesten ter tafel kon worden gebracht, en de pontekoek (red: goedkope soort stroopkoek met het gewicht van 1 pond) daarbij, niet minder om lieten smaken dan in enig vorig jaar…”

Lang niet voor iedereen was het feest. In de periode 1845-1848, wel als ‘hongerjaren’ aangeduid, werd het probleem van de armoede in de steden, maar ook op het platteland, zeer zorgwekkend. Hiervoor waren verschillende oorzaken. Sinds 1815 was de bevolking, die in de 18e eeuw nog stagneerde of zelfs terugliep, snel toegenomen. Dat geldt ook voor Castricum, waar het aantal inwoners van


Jaarboek 27, pagina 19

1815 tot 1846 toenam van 730 tot 1073. Omdat het grondgebruik nauwelijks was geĆÆntensiveerd, leidde deze bevolkingsgroei tot meer werkloosheid. Doordat de bouw van huizen geen gelijke tred had gehouden, waren ook de huurprijzen flink opgelopen. Verder heerste in geheel Europa de aardappelziekte, waardoor grote delen van de oogst mislukten. De teelt van de aardappel was in ons land in de 19e eeuw dusdanig sterk toegenomen, dat in 1845 de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken opmerkte: “Dat hij thans als het meest noodzakelijke voedingsmiddel voor de lagere en zelfs voor een gedeelte der middelstanden in Nederland te beschouwen is.”
De schimmelziekte was dus vooral voor de armere bevolkingsgroepen desastreus. Aardappelen werden vrijwel onbetaalbaar en ook de prijzen van vervangende voedingswaren stegen enorm. De ondervoeding nam toe en armen werden zelfs het slachtoffer van de hongerdood. Het kwam hier en daar tot hongeroproer, wat de regering grote zorgen baarde. De aardappelziekte zal zeker ook zijn gevolgen hebben gehad voor de toen reeds vrij omvangrijke aardappelteelt in Castricum, hoewel over de mate van de lokale schade en zijn gevolgen, gegevens ontbreken.

De armoede uitte zich ook in de huisvesting, zoals hier afgebeeld door Sijf Portegies: een armelijk huisje aan het duin, waar de familie Verdwaald woonde. De kinderen sliepen op de bovenverdieping, die alleen via een ladder te bereiken was.
De armoede uitte zich ook in de huisvesting, zoals hier afgebeeld door Sijf Portegies: een armelijk huisje aan het duin, waar de familie Verdwaald woonde. De kinderen sliepen op de bovenverdieping, die alleen via een ladder te bereiken was.

Als armoedegrens voor een gezin in de kustprovincies rond 1850 noemt de economische geschiedschrijving een inkomen van 300 gulden per jaar, dat kon worden verdiend door geschoolde ambachtslieden, middenstanders, handelaren en agrariƫrs met een eigen bedrijf. Het zomerdagloon lag in deze periode in Castricum volgens gemeenteverslagen voor een ongeschoolde landarbeider gemiddeld op 80 cent, zodat hij bij werkloosheid gedurende de winter gedoemd was om aanzienlijk beneden de armoedegrens te blijven. Had hij een gezin dan moest indien enigszins mogelijk de vrouw uit werken gaan, waarbij ze echter voor hetzelfde werk als haar echtgenoot nog niet de helft betaald kreeg. Noodgedwongen werkten dus veelal ook nog kinderen uit dergelijke gezinnen mee, om ongeveer 1 gulden per week te verdienen, genoeg voor de huishuur. Dit had uiteraard zijn negatieve effecten, zoals schoolverzuim.
Steeman schetste in een artikel over de geschiedenis van de Castricumse dorpsschool de moeilijkheden, waarmee Cornelis Schut, die van 1825 tot 1859 als schoolmeester in Castricum werkzaam was, werd geconfronteerd en noemt daarbij het schoolverzuim van “grote lummels, die wegens ‘doppers plukken’ en ander werk op de tuinen lange periodes uit school wegbleven”.
De reden voor het werken op het land van deze kinderen was waarschijnlijk toch niet van de veronderstelde avontuurlijke aard ‘om te ontsnappen aan het alle dagen opgesloten zitten in een benauwd ongezellig leerhok’, maar veeleer een bittere noodzaak om ook geld in het laatje te brengen. Gezien het hiervoor geschetste beeld is het niet verwonderlijk, zoals uit archiefgegevens blijkt, dat ook alleenstaande werkende vrouwen, met bijvoorbeeld een winkeltje, vaak nog ondersteuning nodig hadden.

Armenwet van 1854

In de regeringsperiode van koning Willem III (1849-1890) werd op 28 juni 1854 een nieuwe armenwet van kracht. Hoofdbeginsel was, dat de armenzorg werd overgelaten aan kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid en dat het Burgerlijk Armenbestuur of de gemeente alleen zouden bijspringen, als men niet voor ondersteuning door andere instanties in aanmerking kwam. Wel werd vastgelegd, dat armen die door de kerk werden ondersteund ook uit het Algemene Armenfonds een aanvullende ondersteuning konden krijgen. Met deze wet beoogde de overheid zich om financiƫle redenen zoveel mogelijk aan de armenzorg te onttrekken. De wet hield overigens wel bepalingen in over de samenstelling en het beheer van de burgerlijke instellingen, terwijl de kerkelijke besturen en bijzondere instellingen wat dit betreft volkomen vrij werden gelaten.
De definitie van ‘domicilie van onderstand’ uit de wet van 1818 bleef overigens gehandhaafd en leidde in de praktijk tot grote problemen. De wet kende ook een aparte regeling voor bedelaars en landlopers. Men kon worden gevangen gezet en vervolgens veroordeeld tot tewerkstelling in werkkampen als Veenhuizen en Ommerschans.

Verslaggeving 1857-1866

Na invoering van de Armenwet in 1854 werd door het Castricumse gemeentebestuur jaarlijks weer een nieuw type formulier bij het provinciaal bestuur ingediend met opgaven van het aantal bedeelden. Hoewel deze opgaven soms moeilijk interpreteerbaar zijn, door veranderingen en doorhalingen, komen we over een periode 1857 tot 1866, dus betrekkelijk kort na het tot stand komen van de armenwet, tot het volgende beeld. In de cijfers betreffende de door het Algemeen Armenbestuur bedeelde armen zijn niet begrepen de ingevolge de bepalingen van het ‘domicilie van onderstand’ elders bedeelde oud-Castricummers.
Van de nieuwe armenwet, met name de beoogde verschuiving van de algemene armenzorg naar de kerkelijke armenzorg, kwam niet veel terecht, omdat de kerkelijke instanties eenvoudigweg niet over


Jaarboek 27, pagina 20

voldoende financiƫle middelen beschikten. Dat blijkt ook voor Castricum op te gaan. De bedoeling om het Algemeen Armbestuur te ontlasten komt uit de cijfers zeker niet naar voren. Integendeel, de algemeen bedeelden vormen de meerderheid.

Tabel met het aantal door de verschillende vormen van armenzorg bedeelde Castricummers in de periode 1857-1866.
Tabel met het aantal door de verschillende vormen van armenzorg bedeelde Castricummers in de periode 1857-1866.

De tabel suggereert, dat over genoemde periode gemiddeld ca. 15 procent van de Castricumse bevolking in een of andere vorm werd ondersteund. Op grond van hiervoor vermelde gegevens kwamen we tot de conclusie, dat in 1821 ca. 18 procent van de Castricumse bevolking werd bedeeld. Ten opzichte van dat jaar is er van een essentiƫle vermindering in het percentage armlastigen dus nauwelijks sprake en blijkt er nog steeds een vrij omvangrijke en aanhoudende armoede in ons dorp. De jaarlijkse schommelingen in het totaalcijfer van de bedeelden, zoals die in de tabel tot uiting komen, worden toegeschreven aan de wisselende werkloosheid, die weer in verband wordt gebracht met de oogst. Een tegenvallende aardappeloogst wordt herhaaldelijk genoemd. Het verslag over 1865 accentueert de samenhang tussen armoede en werkloosheid door op te merken dat de vermindering van het aantal behoeftigen na de top in 1864 vermoedelijk het gevolg is van meer werk.

Enig inzicht in de financiĆ«le gang van zaken verschaft de schriftelijke verantwoording, die jaarlijks door het Algemeen Armenbestuur werd afgelegd. Nemen we als voorbeeld het jaar 1858, waarin door dit bestuur voor de bedeling werd uitgegeven: contant geld 540 gulden, etenswaar 160 gulden, ‘armlastige’ huishuur 200 gulden, brandstoffen 60 gulden, schoenreparaties 30 gulden en geneeskundige hulp 148 gulden. Over het jaar 1858 werd een bedrag van 124 gulden als inkomsten uit collecten verantwoord, wat dus verre van toereikend was om de opgesomde armenzorg te betalen. Het gemeentebestuur sprong dan ook bij met aanzienlijke subsidies om het tekort te dekken; in 1858 met 1.100 gulden.

Problemen met het ‘Domicilie van onderstand’

In 1855 was als reactie op de nieuwe armenwet door de bisschop van Haarlem een Reglement op het Armenwezen afgekondigd, dat voorzag in een betere structurering van de rooms-katholieke parochiale armbesturen. Dit reglement hield echter geen rekening met de wettelijke bepalingen over het domicilie van onderstand, want het was ondoenlijk de kerkelijke ondersteuning in een bepaalde plaats uit te breiden tot personen, die wel ter plekke waren geboren, maar inmiddels elders verbleven.


Jaarboek 27, pagina 21

Volgens de Gemeentewet van 1851 werden gemeentebesturen verplicht elk jaar verslag te doen van de toestand der gemeente aan de hand van een vragenlijst. Wat betreft Castricum klaagt burgemeester Jacob Rendorp, in 1852 opvolger van Jan de Quack, in deze verslagen voortdurend over de uitwerking van de armenwet met betrekking tot de bestaande regeling over het domicilie van onderstand.
Hij toonde daarbij een antipathie tegen de kerkelijke armenzorg, omdat die zich niets aantrok van de elders wonende ex-Castricummers, aan wie de gemeente verplicht was ondersteuning te verlenen. Als voorbeeld de volgende ontboezeming van de burgemeester in 1856:
“Deze gemeente voelt een zeer nadelige werking der Armenwet, daar oneindig veel meer behoeftigen dan vroeger uit andere gemeenten van heinde en verre ten laste van de gemeente komen, die vroeger bij de kanalisatie en ontginning der duinen hier Ć³f waren gehuwd Ć³f enige jaren verbleven en later weder elders hun bestaan zoeken. Dus komen de nieuwe Armenwet en de Reglementen der Kerkelijke Armenverzorging onze gemeente zeer duur te staan. Voorts is de toenemende bevolking onder de mindere klasse en de voortdurende duurte van de levensmiddelen, terwijl de daglonen niet verbeteren, een grote hinderpaal in het verbeteren van het lot der behoeftigen en de middelen om daarin te voorzien zijn buiten ons bereik.”

Een aantal jaren later, in 1863, is er nog weinig veranderd en schrijft de burgemeester:
“Toestand nagenoeg hetzelfde. Wij moeten alweder herhalen, wat reeds zo vele jaren is aangehoord: dat de armenwet tot zeer nadelige en kostbare werking en strekking is van de gemeenten ten platte lande, immers zo lang het verschil blijft bestaan tussen deze wet en de kerkelijke reglementen ten aanzien van onderstandsdomicilie en dat ook ten verschaffen van geneeskundige hulp, evenals schoolgelden en begrafeniskosten niet buiten verhaal wordt gesteld. Er zijn weinig mogelijkheden ter verbetering.”

Om welke aantallen elders verblijvende, maar door de gemeente Castricum ondersteunden, ging het nu eigenlijk? Het verslag over 1866 noemt als ‘elders ondersteund’ 10 gezinnen.
Een voorbeeld van de administratieve rompslomp die voortvloeide uit de bepalingen over het domicilie van onderstand treffen we aan in het jaar 1868.
Het armbestuur van Alkmaar had de ondersteuning van de aldaar woonachtige weduwe Maartje Essink naar Castricum doorgeschoven, omdat zij uit Castricum afkomstig was. De burgemeester van Castricum maakt hiertegen in september van dat jaar bezwaar in een brief aan de burgemeester van Alkmaar. Hij schrijft onder andere:
“De toestand der geldmiddelen van het armenbeheer alhier, uitgeput door de vele bedeelingen aan elders inwonende doch hier armlastige armen gedoogt niet dat cijfer voor buitenbedeeling steeds te vergrooten. Het komt mij voor dat eene weduwe met twee kinderen die gezond is om te werken en hare kinderen niet zo jong meer zijn en zelven welligt wat kunnen verdienen, niet zoo juist in de termen valt van onderstand.” En hij haalt nog eens uit: ‘Jammer dat de RK armen zich doorgaans van de zorg van armen geheel onttrekken.”

De kwestie wordt in handen gegeven van de voorzitter van het Castricumse Algemeen Armenbestuur, die een maand later aan zijn collega in Alkmaar schrijft, dat hij een gesprek met Maartje Essink heeft gehad. Hij vervolgt:
“Alhoewel Art. 144 der Armenwet ten haren opzigte is toegepast en zij het voorwerp welverdiende te zijn der Kerkelijke liefdadigheid, zoo is het een ongelukkig verschijnsel, dat men zulke personen aan het Algemeen Armenbestuur overlaat. Intussen schijnt deze vrouw liever te Alkmaar blijven wonen, en daarom zou ik u in bedenking geven dat voor haar een besluit werd genomen om onderstand in huishuur ten bedrage van 60 cent’s weeks, zijnde hoofdzakelijk de inhoud van haar verzoek.”
Hoe de kwestie afloopt weten we niet, maar duidelijk is dat het regelen van de bedeling van buiten Castricum verblijvende behoeftigen, met echter Castricum als het domicilie van onderstand, wel wat voeten in de aarde kon hebben. En dit was wellicht nog niet eens het moeilijkste geval.

Het restitutiesysteem, waarbij de gemeenten over en weer geld voor de armen aan elkaar overmaakten, was op den duur niet te handhaven. Bij wet van 1 juni 1870 werd dit dan ook afgeschaft en werd uitsluitend de gemeente waar men verbleef als domicilie van onderstand aangemerkt.

Het boerenbedrijf en de werkloosheid

Een belangrijke oorzaak van de armoede in de vijftiger jaren van de 19e eeuw was nog steeds, evenals in 1821, de werkloosheid. In provinciale verslagen over de periode 1850-1880 wordt herhaaldelijk opgemerkt, dat het aandeel van de dagloners in de winsten van het boerenbedrijf gering was en dat zij slechts met grote moeite in hun onderhoud konden voorzien. Toch krijgt men de indruk, dat het met het boerenbedrijf in Castricum in de jaren rond 1860 niet slecht gesteld was. Uit een verslag over 1858, dat ook representatief mag worden geacht voor de omliggende jaren, blijkt aardig wat bedrijvigheid. Voor land- en tuinbouw is 114 hectare grond in bedrijf, waarop rogge, gerst, haver, aardappelen, erwten en penen worden geteeld. De totale opbrengst in geld is 14.410,- gulden.
De teelt van bloembollen in Castricum wordt in de verslagen voor het eerst in 1855 genoemd en stelde in 1858 nog niet veel voor. Er is een halve hectare in gebruik en de handel wordt gering genoemd. Wat de veehouderij betreft is er nauwkeurig geteld en noemt het jaarverslag in 1858 de aanwezigheid op Castricums grondgebied van 786 koeien, 180 kalveren, 180 varkens, 639 schapen, 201 paarden, 6 bokken, 39 geiten en 2 ezels, terwijl er ook twee schaapskudden grazen in het duingebied. Vee werd vooral verkocht op de markt in Alkmaar, waar door de Castricumse boeren jaarlijks in de orde van 125 koeien en 25 varkens werden aangeboden. In de periode waarover we spreken waren typische prijzen die werden betaald: 55 gulden voor een koe en 30 gulden voor een varken.

Voorbeeld van landbouwmechanisatie omstreeks het midden van de 19e eeuw. De afbeelding toont een hekeldorsmachine, die werd aangedreven door paarden in een tredmolen. Het is aannemelijk dat ook in Castricum in toenemende mate gebruik werd gemaakt van door paardenkracht aangedreven werktuigen. Later in de 19e eeuw werd de paardenkracht vervangen door stoom.
Voorbeeld van landbouwmechanisatie omstreeks het midden van de 19e eeuw. De afbeelding toont een hekeldorsmachine, die werd aangedreven door paarden in een tredmolen. Het is aannemelijk dat ook in Castricum in toenemende mate gebruik werd gemaakt van door paardenkracht aangedreven werktuigen. Later in de 19e eeuw werd de paardenkracht vervangen door stoom.

Als een der oorzaken van de niettemin voortdurende werkloosheid, zowel landelijk als provinciaal, wordt genoemd het in toenemende mate in gebruik nemen van arbeidsbesparende machines, vooral in de landbouw, bij het zaaien, wieden, maaien en dorsen.


Jaarboek 27, pagina 22

Tekening door Sijf Portegies van het armenhuis, het huis met dubbel puntdak, dat in 1862 in gebruik is genomen en in 1912 plaats moest maken voor nieuwbouw. De boerderij links op de tekening was in gebruik als bakkerij en is later afgebrand, waarschijnlijk in 1911.
Tekening door Sijf Portegies van het armenhuis, het huis met dubbel puntdak, dat in 1862 in gebruik is genomen en in 1912 plaats moest maken voor nieuwbouw. De boerderij links op de tekening was in gebruik als bakkerij en is later afgebrand, waarschijnlijk in 1911.

Het eerste Castricumse armenhuis

Gebrekkige oudere alleenstaanden zonder inkomsten en weeskinderen waren waarschijnlijk voor de meeste armbesturen de duurste klanten, omdat zij voortdurend zorg en ondersteuning nodig hadden, terwijl de bijstand van veel werklozen een periodiek karakter had. Daarom ontstond het besef dat men voor de opvang en verzorging van deze groep voordeliger uit zou zijn, als ze in een gemeenschappelijk tehuis zouden worden opgenomen. In de grote steden zien we dat deze gedachte in de vorm van armentehuizen, bejaardentehuizen, weeshuizen en armenhofjes al in de 18e eeuw gestalte krijgt.
De weeskinderen als onderwerp van de armenzorg in Castricum hebben we tot dusver buiten beschouwing gelaten, omdat het probleem van de ondersteuning en verzorging van wezen in Castricum van beperkte betekenis was binnen de totale armenzorg. Niettemin bestond er al sinds de 18e eeuw in Castricum een keur met betrekking tot weeskinderen, die vooral hun rechtspositie en het beheer van geƫrfde bezittingen regelde. Meestal kwamen ze onder toezicht van familieleden en werden ze in een gezin van familieleden of adoptie-ouders opgenomen, waarvoor dergelijke gezinnen dan ondersteuning ontvingen.

In Castricum komt de stichting van een tehuis voor armen en wezen voor het eerst in 1861 aan de orde.
Dit blijkt uit een brief in dat jaar geschreven door de armenbestuurders J. Kuijs en J. Muijs aan het gemeentebestuur, waarin zij voorstellen doen om een wees- en armenhuis te stichten. Zij noemen de woning van de weduwe Barend Dubbeling, die reeds eigendom was van het Algemeen Armenbestuur, hiervoor geschikt: “Indien voor dit huis een kamer gebouwd wordt van dezelfde lengte en breedte, naar evenredigheid, zouden verscheidene personen kunnen worden geplaatst, terwijl in het bestaande gebouw een stookplaats komt en voor de moeder en een ziekekamertje gemakkelijk een plaats is te vinden. Het zal worden een huis met dubbele kap, kosten ca. 1.000,- gulden, volgens een deskundige van de gemeente.” Voorgesteld wordt om dit bedrag van de gemeente te lenen tegen behoorlijke rente en met jaarlijkse aflossing van 200 gulden. Men zet er vaart achter, want de streefdatum voor oplevering is 1 februari 1862. We mogen aannemen dat het volgens de plannen is gerealiseerd, want enkele tekeningen van Sijf Portegies tonen inderdaad een ‘huis van ouden van dagen’ met twee puntdaken, de ‘dubbele kap’.
Het huis, met oorspronkelijk het adres Kerkbuurt 123, stond op de hoek Overtoom-Schoolstraat, ongeveer op de plaats waar later een nieuw armenhuis werd gerealiseerd, dat thans nog in gebruik is als appartementengebouw (Overtoom 26-36).

De dagelijkse leiding van een armenhuis, een bezoldigde functie, werd meestal in handen gegeven van een zogenaamde weesmoeder. De eerste weesmoeder van het Castricumse armenhuis was de in Castricum geboren Hendrika Wielaards, die in 1862, op 68 jarige leeftijd, de leiding op zich nam en deze behield tot haar overlijden in februari 1871. De eerste bewoner van het armenhuis, waarmee zij te maken kreeg, was de 65-jarige Cornelis Duijn, die op 10 januari 1862 werd ingeschreven. Hendrika Wielaards werd opgevolgd door de 32-jarige, uit Alkmaar afkomstige, Maria Steeman, die de functie van weesmoeder tot juni 1881 uitoefende. Daarna kreeg een zekere Elisabeth Zwaan de leiding, voor slechts een vrij korte periode, want zij kwam in 1885 te overlijden. Tijdens haar bewind kwamen moeilijkheden met de bewoners van het armenhuis naar buiten.
Dit blijkt uit een nogal gepeperde brief, die de voorzitter van het Algemeen Armenbestuur, de armenvoogd D. Schotvanger, in maart 1882 van het gemeentebestuur ontving. Het schrijven is niet alleen interessant vanwege de nog steeds actuele problematiek van de besteding van gemeenschapsgeld, maar ook door de visie op armenzorg, die er uit spreekt: “Tot ons leedwezen is het ons ter oore gekomen, dat de bewoners van het Algemeen Armenhuis alhier als ook geen misbruik dan toch een ruim gebruik der herbergen en kroegen maken. Wij achten het onnodig om over het laakbare dezer handelswijze der bewoners van het Armenhuis uit te wijden doch meenen U het volgende ernstig onder het oog te moeten brengen. Zooals U bekend is verkeert de financieele toestand der Algemeene Armen in eenen alles behalve gunstige toestand, zoodat zelfs uit de gemeentekas herhaaldelijk zware subsidiĆ«n aan de kas der Algemene Armen toegestaan zijn. Deze ongunstige financieele toestand is vooral te wijten aan de zware kosten van het Algemeen Armenhuis. Wij hebben gemeend die geldelijke offers in het belang der bewoners van het Armenhuis te moeten brengen, opdat de ouden van jaren en zij die ten gevolgen van bizondere omstandigheden geene werkzaamheden konden verrichten den tijd die zij in het Armenhuis door moesten brengen het zoo goed mogelijk zouden hebben. En wanneer wij nu vernemen, dat diezelfde personen in wier belang zoveel gedaan en opgeofferd wordt, en die geheel en uitsluitend leven van de goedheid en mildheid van weldenkende ingezetenen dezer gemeente hunne spaarpenningen in herbergen enz. verteren, dan kunnen wij niet nalaten U mede te deelen, dat deze handelwijze ons diep grieft.

Het is daarom, dat wij gemeend hebben dit schrijven tot U te moeten richten en wij meenen er aan toe te moeten voegen, dat aan het Algemeen Armenbestuur alleenlijk de Sorg is opgedragen om te maken dat geene personen den hongerdood sterven; wanneer Uw bestuur nu met inachtneming van den financieele toestand aan de bewoners


Jaarboek 27, pagina 23

van het Armenhuis iets meer dan het hoognodige wilt geven, dan zullen wij onze goedkeuring hier niet aan onthouden. Mocht echter dit ons schrijven niet baten en wij weder vernemen dat dergelijke misbruiken voort blijven bestaan, dan zullen wij ons genoodzaakt zien om onze goedkeuring te onthouden aan alle uitgaven door Uw bestuur te doen, zoo niet van hoogst noodzakelijke aard. Wij achten het niet ondienstig dat Gij mededeling doet van dit schrijven aan de bewoners van het Armenhuis.”

Na 1880 is opvallend de gestage afname van het aantal personen dat in het armenhuis verbleef en van de gelden waarmee de gemeente deze instelling subsidieerde: in 1880 nog met 1.761 gulden voor de verpleging van 11 personen en in 1897 nog slechts met 343 gulden voor 2 resterende bewoners. Er was nog lange tijd een weesmoeder, Jannetje Duinmeijer. Zij volgde in 1885 Elisabeth Zwaan op en genoot in 1898 een jaarwedde 104 gulden.
De afnemende populariteit van het armenhuis had waarschijnlijk met een toenemende bouwvalligheid te maken, maar niettemin bleef het tot aan de nieuwbouw in 1913 functioneren.

Herman Ruscheblatt, pastoor in Castricum van 1876 tot 1883, die niet alleen de kerkbouw voortvarend ter hand nam, maar ook de rooms-katholieke armenzorg beter organiseerde. Later was Ruscheblatt onder meer werkzaam als deken in Alkmaar.
Herman Ruscheblatt, pastoor in Castricum van 1876 tot 1883, die niet alleen de kerkbouw voortvarend ter hand nam, maar ook de rooms-katholieke armenzorg beter organiseerde. Later was Ruscheblatt onder meer werkzaam als deken in Alkmaar.

De rooms-katholieke armenzorg

In een overheersend rooms-katholieke gemeente als Castricum speelde in vroeger tijd de rooms-katholieke armenzorg uiteraard een belangrijke rol.
Van deze armenzorg zijn gegevens over een groot aantal jaren bewaard gebleven, onder andere de notulen van de vergaderingen van het Rooms-katholiek Parochiaal Armenbestuur, die aanvangen in 1877 en een vrij gedetailleerd beeld geven van deze kerkelijke armenzorg.
Het initiatief om juist in 1877 met het notuleren van de vergaderingen van dit al veel langer functionerende armenbestuur te beginnen, was het gevolg van het in 1876 aantreden van de doortastend genoemde pastoor Herman Ruscheblatt, die orde op zaken moest stellen met betrekking tot zijn voorganger pastoor Meeuwsen, die wegens langdurige ziekte de kerkelijke zaken en de administratie had verwaarloosd.
De eerste genotuleerde vergadering van het Parochiaal Armbestuur dateert van 26 januari 1877, waarbij Ruscheblatt zijn visie op de armenzorg uiteenzette aan het bijeengekomen armbestuur, dat bestond uit C. Mooij, voorzitter, J. Kuijs, ondervoorzitter, J. Kabel, penningmeester en A. Dekker, secretaris. Hij achtte het noodzakelijk, dat het bestuur staten van ontvangsten en uitgaven zou gaan bijhouden en dat de penningmeester zou worden belast met de wekelijkse uitdeling aan de armen.
Er was al direct een probleem, want penningmeester Kabel bracht in het midden dat hij te hoogbejaard en te zenuwachtig was voor het contact met de bedeelden, waarbij er zich toch wel eens onaangenaamheden zouden kunnen voordoen. Hierop werd besloten ondervoorzitter Kuijs met de bedeling te belasten.
Het armenbestuur kwam eenmaal per maand bijeen, waarbij dan eerst de offerbus, met de opbrengst van de diverse kerkcollecten over de afgelopen maand, werd geleegd en telling van de inkomsten plaatsvond. Dit was begrijpelijk een spannend moment en soms treft men in de notulen uitingen van teleurstelling aan, als de opbrengst tegenviel. Het rooms-katholieke armbestuur was namelijk wat de inkomsten en dus de mogelijkheden tot bedeling betreft aanvankelijk uitsluitend aangewezen op de kerkelijke collecten. Dit blijkt in 1879 als de deken van het bisdom Haarlem, die namens de bisschop als controleur jaarlijks bij een gecombineerde vergadering van het Rooms-katholieke Kerk- en Armenbestuur aanwezig was, vraagt naar het bezit aan onroerend goed. Geantwoord werd dat de parochiale armen in Castricum niet in het bezit zijn van onroerend goed, maar wel van roerend goed, in de vorm van twee collectezakjes en een offerbus.

In een goed jaar bedroegen de inkomsten uit de collecten ruim 900 gulden, maar daar stonden magere jaren tegenover met inkomsten van nauwelijks 500 gulden. Aanvankelijk werden er vrijwel geen financiƫle reserves opgebouwd en werd het gecollecteerde bedrag nagenoeg geheel uitgegeven aan armenzorg, onder andere ondersteuning in geld, met bedragen van ongeveer 1 gulden per week, maar ook goederen, zoals brandstoffen, kleding, dekens en haverdoppen als matrasvulling. Aan zieken werd extra melk verstrekt en een vast terugkerende post was de jaarlijkse kleding voor arme kinderen ter gelegenheid van hun eerste Heilige Communie.

De verhouding tussen het Rooms-katholiek Armenbestuur en het Algemeen Armenbestuur was waarschijnlijk niet slecht, hoewel zich soms merkwaardige incidenten voordeden. Zo verzoekt tijdens een vergadering in 1883 ondervoorzitter Kuijs om de kosten voor de ondersteuning van een gezin van het Algemeen Armenbestuur over te nemen. De pastoor stelt voor om te wachten tot het Algemeen Armenbestuur daarom vraagt, waarop Kuijs opmerkt dat hij de aanvraag doet als lid van het Algemeen Armenbestuur.
Dit schijnt enige verbijstering te hebben gewekt en de pastoor merkt op “dat het met zijn gevoelen niet is overeen te brengen, dat een lid van het Rooms-katholiek Armenbestuur ook tegelijk lid kan zijn van het Algemeen Armenbestuur, want dat zodanige dubbele junctie moet leiden tot bevoorrechting van den Ć©Ć©n ten nadele van de andere corporatie”.
Hij stelt voor, dat Kuijs een der twee betrekkingen opgeeft. Na enige discussie geeft Kuijs hieraan gevolg en deelt hij mee, dat hij voor het Algemeen Armenbestuur zal bedanken.


Jaarboek 27, pagina 24

In 1884 wordt voor het eerst het plan geopperd om geld voor de armen te genereren door belegging in aandelen. Als het armenbestuur in 1885 van Wilhelmina Schermer een schenking ontvangt van 1.000 gulden koopt pastoor Spiekerman, opvolger van de in 1883 naar Alkmaar vertrokken Ruscheblatt, Russische effecten. Ook in latere jaren wordt met succes geld belegd in onder andere Portugese Tabak en Russische Spoorwegen en het is duidelijk, dat de regelmatige uitkeringen, die de pastoor incasseert door het inwisselen van coupons, een welkome aanvulling vormen op de inkomsten uit de collecten. Toch blijven de inkomsten van het armbestuur te gering om alle aan- vragen voor ondersteuning te honoreren en is een selectie noodzakelijk, waarbij men zich vooral concentreert op de ondersteuning van armlastige ouderen, weduwen en wezen. Het steunen van werklozen vindt men meer een zaak voor het Algemeen Armenbestuur.

Op de vergaderingen passeerde een lijst van armen die ondersteuning genoten of nodig hadden regelmatig de revue, met een discussie over hun situatie, om na te gaan of er personen konden worden geschrapt of toegevoegd. Het armenbestuur hield nauwlettend in de gaten of de ondersteuning wel echt nodig was. Men ging bijvoorbeeld op huisbezoek, maar in een klein dorp waren er uiteraard ook andere bronnen van informatie over het doen en laten van de inwoners. Illustratief is bijvoorbeeld de in een vergadering met betrekking tot een ondersteunde weduwe gemaakte opmerking, dat zij zich veelal te Beverwijk bevond en volgens geruchten bij een weduwnaar als huishoudster in dienst was. Haar ondersteuning werd dan ook ingetrokken. Een huwelijk was reden om de ondersteuning onmiddellijk te staken, zoals in 1890, als de steun van weduwe J. Kool van 1,- gulden per week wordt ingetrokken wegens huwelijk met een jongeman, F. Baars. Eenzelfde lot onderging in augustus 1894 C. de Vries, van wie in een vergadering van het Armenbestuur werd opgemerkt dat hij “bruidegom zijnde niet meer in aanmerking mag komen om door het RK-Armenbestuur te worden ondersteund.”
Veronderstellingen over iemands privĆ©-leven konden ook aanleiding zijn om juist wel steun te verlenen. Zo treffen we in de notulen van januari 1890 de wat cryptische mededeling, dat het nodig was “op zedelijk gebied een ledikant met toebehoren ten dienste voor een zoon van een weduwe ter beschikking te stellen, welke aan gebrek van slaapstede onbehoorlijk zijn nachtrust moest genieten”.

In 1887 maakt pastoor Spiekerman zich bijzonder ongerust over de algemeen armoedige toestand waarin velen in Castricum verkeren, vooral met het oog op de naderende winter en hij heeft daarover zelfs een onderhoud gehad met de heer Schotvanger van het Algemeen Armenbestuur. Penningmeester Kabel komt met het voorstel om in samenwerking met het Algemeen Armenbestuur wekelijks te gaan collecteren voor de armen. Dit voorstel wordt vervolgens aan het Algemeen Armenbestuur en de burgemeester voorgelegd, maar het wordt afgewezen met een argument, dat illustratief is voor het bevoogdende karakter van de armenzorg: sommige armen zouden dan zĆ³ op inkomsten uit de collecten gaan rekenen, dat ze in een periode met verdiensten minder spaarzaam zouden worden.

De notulen van de Castricumse rooms-katholieke armenzorg overziend, is de algemene indruk, dat men op een nauwgezette wijze deed wat men kon. Door de vrijwel steeds tekortschietende financiƫle middelen was men wel gedwongen een selectie toe te passen op de personen die voor de bedeling in aanmerking kwamen, met als gevolg dat hun privƩ-leven nauwlettend werd gevolgd.

Een eeuw van vooruitgang?

In tegenstelling tot de 18e eeuw, waarin van economisch verval sprake was, wordt de 19e eeuw vaak als een periode van economische vooruitgang aangeduid.
Wat de periode 1850 tot ca. 1875 betreft wordt zelfs van een gouden tijd voor het boerenbedrijf gesproken. Dat was in belangrijke mate het gevolg van een toenemende export van agrarische producten, waarbij verbeterde transportmogelijkheden, zoals de stoomvaart en spoorwegen, een rol speelden. De export van kaas, boter en vlees naar landen als Duitsland, Belgiƫ en Engeland, nam aanzienlijk toe.
De groei in de export van vee was zelfs spectaculair: in het topjaar 1864 het 20-voudige van de export in 1838. Ook de export van landbouwproducten als meekrap, vlas, haver, aardappelen en aardappelmeel groeide sterk.
De grotere boerenbedrijven konden aan de toenemende vraag voldoen door in te spelen op de nieuwste ontwikkelingen, zoals de grootschalige toepassing van kunstmest in de landbouw en van zogenaamd krachtvoer, voedergranen, maĆÆs en lijnkoeken, in de veeteelt. De mechanisatie van de landbouw nam toe, onder meer door toepassing van stoommachines. Gestimuleerd door de overheid kwam wetenschappelijk onderzoek van de grond naar verbeteringen in het boerenbedrijf, met onderwerpen als onkruidbestrijding, gewasveredeling en het fokken van koeien met een verbeterde melkgift. Ook organisatorisch onderging het boerenbedrijf de nodige veranderingen, zoals de opkomst van coƶperaties, met ook voor de kleine boeren betere mogelijkheden om producten af te zetten.
Vanaf ca. 1878 werden de gunstige agrarische ontwikkelingen doorkruist door een sterk toenemende import van graan uit de Verenigde Staten en Rusland, met als gevolg een sterke prijsval, waardoor vooral de grootschalige landbouw tijdelijk in een crisissituatie belandde. Ook in andere sectoren liet de buitenlandse concurrentie zich in toenemende mate gelden.

Niettemin nam volgens statistieken in het laatste kwart van de 19e eeuw de werkloosheid af door de toenemende industrialisering en de daarmee samenhangende uitvoering van grote werken, zoals de aanleg van het Noordzee-kanaal, dat in 1876 werd geopend. Er begon zich een industriƫle revolutie te voltrekken, waardoor men voor arbeid steeds minder op het boerenbedrijf was aangewezen. De bereikbaarheid van werk nam toe door de aanleg en verbetering van wegen en door de komst van de spoorweg in 1867.
In het boerenbedrijf werd de uitstoot van arbeid door de crisissituatie in de landbouw ten dele ook opgevangen door de intensivering van de kleinschalige tuinbouw, gericht op de afzet van groente en fruit in de steden. Volgens de historicus Van Loo hadden de diverse ontwikkelingen, als men belastinggegevens als maatstaf neemt, pas na 1890 een scherpe daling in de omvang van de armoede tot gevolg. In Castricum lijken de positieve ontwikkelingen wat sneller te zijn gegaan, want ondanks de hiervoor genoemde bezorgdheid van pastoor Spiekerman in 1887 over de armoedige toestand van vele Castricummers, blijkt uit staten betreffende de armenzorg, die over de periode 1880-1897 beschikbaar zijn, dat het totaal aantal bedeelden tussen 42 en 69 per jaar schommelde, wat veel minder is dan de aantallen over vroegere perioden. Opvallend is dat het voornamelijk gaat om een daling in het aantal door de algemene armenzorg bedeelden, want de getallen der kerkelijk bedeelden zijn ten opzichte van vroeger nog vrijwel onveranderd. Ongetwijfeld hangt dit samen met een vermindering van de werkloosheid, omdat vooral de algemene armenzorg zich met de ondersteuning van werklozen en hun gezinnen bezig hield en de kerkelijke armenzorg zich van deze categorie afzijdig hield. Dat het in Castricum met de armenzorg tegen het eind van de 19e eeuw beter ging, wordt bevestigd door een schrijven, gedateerd 2 mei 1893, aan burgemeester en wethouders van Castricum, van de hand van de heer Schotvanger, secretaris van het Algemeen Armenbestuur, waarin hij de verbeterde toestand van de armenkas accentueert. Hij kampt echter met andere problemen, zoals blijkt uit genoemd schrijven, dat wij hier grotendeels laten volgen, omdat het illustratief is voor de toenmalige visie van een armbestuurder op de problemen van de armoede.
“Het Algemeen Armenbestuur van Castricum in aanmerking nemende, dat geheele jaren door, deze gemeente door tal van bedelaars, landloopers enz wordt als overstroomd, en die jaarlijks een niet on- aanzienlijk bedrag in deze gemeente inzamelen, om die elders te verteeren, te verbrassen of aan sterken drank te besteden. Wel zullen er eenige onder zijn, die van die opgehaalde aalmoezen een goed


Jaarboek 27, pagina 25

gebruik maken, ook zullen er wel onder zijn, die niet meer kunnen werken, maar laten dan dezulken in de gemeenten hunner inwoning, zich aldaar waar zij thuis behooren, bij het armenbestuur aanmelden even zoo als onze huiszittende armen hier doen. Het is echter van algemeene bekendheid, dat er vele van die bedelaars zijn, die van Assendelft en Krommenie komen, en daar des winters bij de werkverschaffing werk kunnen vinden, doch daar de dagloonen hun te klein zijn willen zij liever de geest op om te bedelen, dus wel een bewijs dat het bedelen nog niet zoo kwaad is en meer opbrengt dan werken en het bewijs daarvan is, dat die eenmaal den bedelzak heeft opgenomen, dezelve bij hun dood nog niet slegt, maar als erfgoed aan een ander overgaat en alzoo de bedelarij, zoo daarin niet op eene afdoende wijze wordt voorzien, eer toe, dan afneemen zal.
Ook de gelden die door vreemde bedelaars in deze gemeente jaarlijks worden opgehaald leiden in het nadeel van onze eigen armen en behoeftigen, en ook tot groot nadeel van onze instellingen van weldadigheid, want bij aldien de bedelarij zooveel mogelijk door de politie word geweerd en tegengegaan, dan zouden voorzeker de giften bij te houden collectens of inschrijvingen milder en ruimer zijn dan thans en zouden de armenkassen aanmerkelijk worden gesteund, en zoo noodig, ruimer bedeeling aan onze armlastigen en behoeftigen kunnen plaatshebben. Wellicht zal ons worden geantwoord dat onze Algemeene Armenkas thans in eene niet ongunstige toestand verkeert, doch treden wij weinige jaren terug, dan ontwaren wij al dadelijk in welken benarden toestand de armenkas, en ook de gemeentekas terwille van de armen zich heeft bevonden door het brengen van zware offers. Wel is waar dat de toestand van de Algemeene Armenkas thans zeer bevredigend is, maar hoelang zal dat duren? Dat is onzeker en hangt van de omstandigheden af, want in het Algemeen Armenhuis zijn thans weinig verpleegden, doch hoe spoedig zoude dat getal weer kunnen klimmen? Het zij door sterfgevallen met achterlating van kinderen of door oude van dagen, die zich niet meer kunnen redden en zich mitsdien ter opneming in het armenhuis aanmelden.

Om nu echter, terwijl het nog tijd is, middelen aan te wenden om de algemeene armenkas zoveel mogelijk in een gunstige toestand te houden, nemen wij de vrijheid U edelachtbaren voor te stellen:
Dat de bedelarij en landlooperij zoveel mogelijk door politiezorg in deze gemeente worden tegengegaan en de burgerij worde aangespoord om aan vreemde of buiten deze gemeente wonende bedelaars geen aalmoezen te geven, maar als zij zich, alsdan vrijwillig wilde verbinden, tot eene 3 maandelijksche bijdrage tot ondersteuning van de algemeene armenkas, dan zoude daardoor de finantieele toestand dier kas veel kunnen verbeteren.”

Ondanks de zorg van Schotvanger is de toestand van de algemene armenkas in 1899 nog steeds gunstig. In augustus van dat jaar worden de leden Schermer en Velzenboer van het Rooms-katholiek Armenbestuur door penningmeester Franse gekritiseerd wegens ondersteuning van een Castricums gezin. Volgens Franse hadden zij deze ondersteuning beter aan het Algemeen Armenbestuur kunnen overlaten, dat er financieel goed voorstaat en in 1899 zeker 2.000 gulden zou overhouden.

De verbetering van de economische situatie, die kenmerkend is voor het einde van de 19e eeuw, met een afname van de werkloosheid en daarmee van de armoede, zette zich in de 20e eeuw aanvankelijk door. Hoewel Nederland neutraal bleef, werd de gunstige ontwikkeling pas onderbroken door de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918, met vrij ingrijpende gevolgen voor de welvaart van de bevolking. Na een herstel sloeg in een periode vanaf 1930 een ernstige economische crisis toe, met als gevolg een grote werkloosheid en groeiende armoede. Een enkele Castricummer zal zich deze moeilijke periode, die in Castricum en omringende dorpen vooral voor de tuinbouw ongunstig uitpakte, wellicht nog herinneren. In een toekomstig artikel hopen wij op de economische ontwikkelingen in de eerste helft van de twintigste eeuw en de consequenties voor Castricum nader terug te komen.

Wim Hespe

Bronnen:

  • Archiefstukken Castricum in het Regionaal Archief Alkmaar;
    – Maatschappelijke zorg, nr. 618- 662
    – Algemeen Armbestuur, nr. 785-799
    – Pancratius Parochie Castricum
    – Diaconie Hervormde Gemeente Castricum.
  • Bieleman, J.: Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500-1950, Meppel, 1992.
  • Bremer,J.T.:De Zijpe,deel II, 1813-1920, Schoorl, 1991.
  • Deelen, D. van: Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl, 1973.
  • Hildebrandt; De Noordhollandse Boer, Camera Obscura, Pandora, 1996.
  • IsraĆ«l, J.I.: De Republiek 1477-1806, deel II vanaf 1647, Franeker, 1996.
  • Jansma, K.; Schroor M.: 10.000 jaar geschiedenis der Nederlanden, Rebo 1991.
  • Jelles, J.G.G.: Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands duinreservaat, Instituut voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur, mededeling nr. 87, Arnhem, 1968.
  • Loo, L.F. van: Arm in Nederland 1815-1990, Boom, 1994.
  • Schama, S.: Patriotten en Bevrijders, Agon, 1989.
  • Steeman, W.A.M.: De dorpsschool van Castricum in de jaren 1800 tot 1860, 11e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1988.
  • Vries, J. de, Woude, A.M. van der: Nederland 1500-1815, Amsterdam, 1995.
  • Woude, A.M. van der: Het Noorderkwartier, Wageningen 1972.
  • Zuurbier, S.P.A.: Het dagelijks leven in Castricum omstreeks 1840 in: Op zoek naar Castricums verleden, Schoorl, 1992.
  • Zuurbier, S.P.A.: Wie was … Jan de Quack, 4e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1981.