Pijpenkoppen

0Algemeen

Pijpenkoppen; soms vind je ze nog op akkers, bij wegenaanleg of bebouwing. Vooral in de Randstad, in de provincies Utrecht, Groningen en Friesland moeten er rond 1960 nog zo’n 300.000 te vinden zijn geweest. Sindsdien is dit aantal rap minder geworden. In dit artikel wordt in vogelvlucht de geschiedenis, de verschijningsvormen en de determinatie van de pijpenkoppen behandeld. Er is al veel geschreven over pijpenkoppen, vooral door F.H.W. Friederich in zijn boekje Pijpelogie. Aan het eind van dit artikel staan de geraadpleegde bronnen.

Geschiedenis

Toen Columbus en zijn bemanning op zoek waren naar een westelijke route naar Indië landde hij op 12 oktober 1492 op een van de eilanden van de Bahama’s in het Caraïbisch gebied. Hij dacht echter dat hij Indië bereikt had en noemde de mensen die hij daar aantrof dan ook indianen. Toen hij zijn reis vervolgde kwam hij, in wat nu de staat Virginia is, in aanraking met indianen die gedroogde tabaksbladeren rookten in handgemaakte houten pijpen. De zeelieden namen deze gewoonte over en op lange zeereizen (met slecht voedsel en brak water) werd de hongerstillende werking van het roken al snel gewaardeerd. Via de zeevaart werd het roken geïntroduceerd in de Europese havensteden. Vastgesteld is dat in de 2e helft van de 16e eeuw het roken bekend was in Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen.

Het roken van een pijp werd al snel door velen nagevolgd en er ontstond een bloeiende pijpnijverheid. Gebruikte de indianen houten pijpen, in Europa werd gewerkt met witbakkende klei als grondstof. Vanaf ongeveer 1600 ontstaan er overal pijpmakerijen.

Foto 1 - Kleipijp uit ca. 1590 - 1595 - Vindplaats Benes
Foto 1 – Kleipijp uit ca. 1590 – 1595 – Vindplaats Benes, Uitgeest

Het pijp maken en de handel in rookartikelen werd zo omvangrijk dat het van groot economisch belang werd. Amsterdam werd zelfs een toevluchtsoord van de eerste generatie pijpmakers die uit Engeland kwam. Gedurende een bepaalde periode is er zelfs een wekelijkse pijpenmarkt geweest. Amsterdam kende toen tientallen pijpmakerijen. Het maken van pijpen onderging een groeiproces, de kwaliteit en vormgeving kreeg meer aandacht. Vooral Gouda pakte dat goed op en nam de leidende positie van Amsterdam over. De Amsterdamse handelaren probeerden dit proces nog te keren door belasting te heffen op Goudse pijpen die in Amsterdam verkocht werden. Gouda neemt uiteindelijk toch de leidende rol over (tot ca. 1750) en sticht een eigen pijpenmarkt.

Na 1750 werd het maken van kleipijpen te duur en verschoof de interesse meer naar snuiftabak en sigaar. Later werd de sigaret een gangbaar genotsmiddel. Het maken van kleipijpen gebeurt nu alleen nog zeer kleinschalig en hoofdzakelijk als toeristische attractie.

Foto 2 - Klei pijp uit ca. 1650 - Vindplaats Benes
Foto 2 – Klei pijp uit ca. 1650 – Vindplaats Benes, Uitgeest

Terminologie

Het pijpmakersgilde ontwikkelt een groot aantal eigen benamingen voor de diverse onderdelen van de pijp. (zie onderstaand figuur).

Figuur 3. - Kleipijp benaming
Figuur 3. – Kleipijp benaming

1 = Pijpenkop (kop of ketel), het dikste deel wordt de “buik” genoemd.

2 = Ketelopening, kan een vertande versieringsrand hebben.

3 = Wand (dikte).

4 = Hiel, eerst plat, voor het kunnen neerzetten van de pijp, later ontstaan ook puntige vormen. Weer later werd vaak een hielmerk aangebracht.

5 = Pijpensteel (ook wel “steel” of “rookkanaal”).

Het maken van kleipijpen

Het basismateriaal is witbakkende klei, afkomstig uit België, Duitsland of Engeland. Voordat de klei verwerkt kan worden moet de klei eerst gezuiverd en gemalen worden. Hierna volgt een tijd van rust (besterven) en daarna werd de klei gerold. De “roller”, rolde met de hand de klei tot een sliert van de juiste dikte met een prop aan het einde. Na een paar dagen aanstijven, was dit halffabricaat geschikt voor verdere verwerking. Met een ijzerdraad werd het toekomstige rookkanaal gemaakt en werd het geheel in een metalen pijpmal geplaatst. De mal bestaat uit 2 helften die samen werden geklemd in een soort bankschroef en met een persvorm werd de holte van de pijpenkop erin geperst.

Figuur 4: Voorbeeld pijpenmal
Figuur 4: Voorbeeld pijpenmal

De geperste pijp heeft nu zijn grove vorm gekregen en vervolgens werden oneffenheden weggewerkt en werd de pijp eventueel voorzien van een hielmerk, kartelrand of ander versiersel. De volgende stap is het bakken van de kleipijpen. Aangezien in die tijd ovens zeer prijzig waren, werd het bakken meestal door pottenbakkers gedaan. De laatste stap in het fabricageproces is de verpakking, meestal per gros en in papieren wikkels met de stempel van de maker erop.

De vormgeving

De vorm van de kleipijp is afhankelijk geweest van een aantal factoren, nl.: de prijs van de tabak, de vaardigheid van de maker, de mode en de kwaliteit van de gebruikte materialen. In de 16e eeuw was ingevoerde Virginia-tabak nog erg prijzig en waren de pijpen dus klein. Naarmate deze tabak goedkoper werd, werd ook de diameter van de kopopening groter. Voorbeeld: rond 1580 – 1600 was de gemiddelde diameter van de kopopening ca. 9,5 mm. Rond 1700 was dit toegenomen tot ca. 16 mm. Ook was de techniek van het maken van een rookkanaal in de 16e eeuw nog in een pril stadium, dus waren de stelen toen overwegend dik en de diameter van het rookkanaal groot. Voorbeeld: rond 1580 -1600 was de gemiddelde diameter van het rookkanaal ca. 3,5 mm. Rond 1800 was deze afgenomen naar gemiddeld ca. 1,5 mm. Het eerste model is het type met een conische kop dat tot ca. 1670 gebruikt werd. Het zijn eenvoudige modellen met weinig versiering. Soms is een merkteken van de maker aangebracht of een eenvoudige versiering in de vorm van een roos aan de zijkant van de ketel. Op de volgende bladzijde staat een overzicht van de verschillende pijpvormen en de daarbij behorende (globale) datering.

Figuur 5
Figuur 5
Foto 6: Vanaf 1670 komt het trechtermodel op.
Foto 6: Vanaf 1670 komt het trechtermodel op.
Foto 7:Van 1710 tot 1870 worden de meeste pijpen volgens het ovale model gemaakt.
Foto 7:Van 1710 tot 1870 worden de meeste pijpen volgens het ovale model gemaakt.
Foto 8: Vanaf 1720 tot 1880 wordt de z.g. kromkop geproduceerd.
Foto 8: Vanaf 1720 tot 1880 wordt de z.g. kromkop geproduceerd.

Versieringen en merken

In het begin hadden de pijpen geen merktekens en/of versierselen, later toen men de techniek beter in de hand had, begon men de pijpen van een eigen merkteken te voorzien. In eerste instantie betreft het vaak een eenvoudig figuur onder de hiel van de pijp, later ontwikkelde men stempels met de initialen van de maker en/of een afbeelding van bloem (roos) of een weegschaal. Ook wordt er wel eens een kroontje boven de initialen toegevoegd.

Foto 9: Hielmerk: LK met kroon
Foto 9: Hielmerk: LK met kroon
Foto 10: Hielmerk: MG met kroon
Foto 10: Hielmerk: MG met kroon

 

 

 

 

 

 

 

De Ketelmerken

In de periode van 1725 tot 1825 werd de ketel vaak voorzien van een versiering. Vooral de roos werd veelvuldig toegepast. Op duurdere pijpen werden deze versieringen niet toegepast omdat het polijsten van de pijp dan zeer moeizaam werd.

Foto 11: Ketelmerk roos
Foto 11: Ketelmerk roos
Foto 12: Ketelversiering: bloemmotief.
Foto 12: Ketelversiering: bloemmotief.
foto 12
Foto 13: Ketelversiering: Mary
Foto 14: Ketelversiering: Stadhouder Wilem III
Foto 14: Ketelversiering: Stadhouder Willem III

De steelmerken

Tamelijk schaars zijn de steelmerken, toch komen ze regelmatig voor. Naast de namen van de makers zijn er ook vaak reclameboodschappen te lezen.

Foto 15: Steelmerken
Foto 15: Steelmerken

Een mooi voorbeeld is de zgn. Jonaspijp. De steel stelt de vis voor terwijl op de ketel het gezicht van de nog niet verorberde Jonas prijkt. Dit model werd hoofdzakelijk in de 17e eeuw gemaakt en gebruikt door zeelui. De pijp stond hierin symbool voor een behouden vaart.

Foto 16: Jonaspijp uit ca. 1625 – 1650
Foto 16: Jonaspijp uit ca. 1625 – 1650

Als laatste nog een aantal pijpenkopjes in de vorm van gezichten. De grote Jacobs pijp is gemaakt in Parijs door Gambier.

Foto 17. Pijpen koppen.
Foto 17. Pijpen koppen.

Het dateren van kleipijpen.

Er is veel studie verricht aan de ouderdomsbepaling van kleipijpen. Omdat de pijpen in grote aantallen gemaakt zijn, is er veel studiemateriaal aanwezig.
In grote lijnen kan men de navolgende indeling maken:
1. vergelijking aan de hand van bestaand bekend materiaal

2. bepaling aan de hand van de lettermerken in de hiel
3. bepaling aan de hand van het model
4. bepaling aan de hand van de diameter van het rookkanaal
5. bepaling aan de hand van de diameter van de ketelopening

6. bepaling aan de hand van de inhoud van de pijp

Ad 1: Spreekt voor zichzelf

Ad 2: Aan de hand van de hielmerken kan men al een goede inschatting van het fabricagejaar maken. Bijvoorbeeld: hielmerk Haan – jaar 1725 -1730.

Ad 3: Aan de hand van het model kan men een grove tijdsbepaling maken.

Ad 4: De allereerste kleipijpen hadden een diameter van het rookkanaal van bijna 4 mm. In de loop der eeuwen kreeg men het proces van pijpenmaken beter onder controle en nam de diameter van het rookkanaal gestaag af tot ca. 1,5 mm in 1800. Als men dus de diameter van het rookkanaal opmeet krijgt men een indicatie van de ouderdom van de pijp.

Ad 5: De allereerste kleipijpen uit 1590 hadden een ketelopening van 9 mm. Rond 1700 was deze al toegenomen tot 16 mm. Door het opmeten van de ketelopening krijgt men dus een indicatie van de ouderdom van de pijp.

Ad 6: Het product van Hoogte x Breedte x Opening geeft een inhoudsmaat in mm3. Rond 1590 was dit bijvoorbeeld 9 – 10 maal zo weinig als in 1900.

Conclusie

Door opmeting en het ruimschoots aanwezige vergelijkingsmateriaal kan men de ouderdom van de pijpenkoppen redelijk nauwkeurig inschatten.

Ouderdomsbepaling van andere objecten aan de hand van kleipijpen

Omdat kleipijpen eenvoudig te dateren zijn, kan men hier ook gebruik van maken om bijvoorbeeld een schilderij te dateren. Op het zelfportret van Gerard Dou staat hij afgebeeld met een pijp.

G.Dou (1613 - 1675); Zelfportret ca. 1630; Rijksmuseum Amsterdam.
G.Dou (1613 – 1675); Zelfportret ca. 1630; Rijksmuseum Amsterdam.

De afgebeelde pijp werd omstreeks 1625 geïntroduceerd. Het schilderij moet dus na deze datum gemaakt zijn. De datum van ca. 1630 is hiermee in overeenstemming.

Geraadpleegde bronnen:

• De Nederlandse klei pijp, handboek voor dateren en determineren. D.H.Duco

• Opgravingen in Amsterdam. J.Baart
• Pijpelogie. F.H.W.Friederich
• Merken van Goudse pijpenmakers. D.H.Duco
• Kleipijpen, drie eeuwen Nederlandse kleipijpen in foto’s W.Krommenhoek en A.Vrij

• Beeldbank Vereniging Oud Uitgeest
• Privé collectie T. de Kleijn
• Jaarboek Historische stichting “de Cromme Leeck” te Wognum T van Baar.

UitgeestVereniging Oud Uitgeest  – Februari 2014.

Print Friendly, PDF & Email