Munten in Castricumse grond

MUNTEN

Munten zijn kleine objecten, makkelijk te vinden door het zeven van de grond of met een detector en leveren een schat aan informatie op.

De rol van munten in de archeologie:

1. ARCHEOLOGISCH objekt geeft als vondst informatie over:
*bewoning
*handel
*de datering van leefomgeving

2. NUMISMATISCH objekt geeft als studieobjekt informatie over:
*ontwikkeling van muntslag
*historische gebeurtenissen
*determinatie en datering

Numismatische kennis geeft informatie over:

De waarde van de munt – denominatie of type:

Denarius (AR) = 16 assen, ca. 1.7-2.0 cm, ca. 3.3 gr
Denarius (AR) = 16 assen, ca. 1.7-2.0 cm, ca. 3.3 gr
Sestertius (Br) = 4 assen, ca. 3.0-3.8 cm, ca. 20-30 gr
Sestertius (Br) = 4 assen, ca. 3.0-3.8 cm, ca. 20-30 gr
Dupondius (Or) = 2 assen, ca. 2.6-3.0 cm, ca. 10-12 gr,  Keizer draagt stralenkroon
Dupondius (Or) = 2 assen, ca. 2.6-3.0 cm, ca. 10-12 gr,
Keizer draagt stralenkroon
As (AE), ca. 2.6-3.0 cm, ca. 10-12 gr
As (AE), ca. 2.6-3.0 cm, ca. 10-12 gr

 

De datering aan de hand van type, heerser, muntplaats en mogelijk afbeelding:

As (AE), ca. 2.6-3.0 cm, ca. 10-12 gr
As (AE), ca. 2.6-3.0 cm, ca. 10-12 gr
Armenia Capta (veroverd)        IUDEA CAPTA, de verovering van door Tiberius voor Augustus        Jerusalem (Vespasianus and Titus               in 20 v.C.
Armenia Capta (veroverd) door Tiberius voor Augustus
in 20 v.C.

 

IUDEA CAPTA,         Jerusalem (Vespasianus and Titus               in 20 v.C.   70/71 n.C.)
IUDEA CAPTA, de verovering van Jerusalem (Vespasianus and Titus
in 20 v.C. 70/71 n.C)

of stads- of provinciewapens:

Provincie Holland voor 1702
Provincie Holland voor 1702
Provincie Holland na 1702
Provincie Holland na 1702
Provincie Holland  enkel op VOC munten
Provincie Holland enkel op VOC munten

 

 

 

 

LATE IJZERTIJD
KELTEN
(100-30 v.C.)

Er hebben nooit echt Kelten in Nederland gewoond. Hun invloedsfeer, met name vanuit België (de stam der Nervii), reikte tot aan de grote rivieren. Terwijl op verschillende plaatsen losse Keltische munten zijn gevonden (ook in Castricum en omgeving) zijn Keltische muntschatten enkel in Limburg gevonden.
De vondst van Keltische munten in Castricum en omgeving duidt op aktieve handel voor de komst van de Romeinen en voordat de Keltische munt verdween en werd vervangen door Romeins geld.

De bekendste Keltische munt is de Stater, een gouden munt die ook in Castricum is gevonden

Gouden Stater van de Nervii  (58-57 v.C.)
Gouden Stater van de Nervii (58-57 v.C.)

Keltische Munten: Potins (80-30 v.C.)

11

 

 

 

12

 

 

Potin: Is niet een muntnaam, maar verwijst naar
de legering van brons, tin en lood.

 

 

De Romeinse grens of limes-zone langs de Rijn. 1. Het fort Flevum (Velsen) Hier is ook een haven gevonden.
De Romeinse grens of limes-zone langs de Rijn.
1. Het fort Flevum (Velsen) Hier is ook een haven gevonden.

ROMEINSE PERIODE
INHEEMS ROMEINS
(12 v.C. – 450 n.C.)

Een schatting van het inwoneraantal van huidig Nederland in de Romeinse tijd bedraagt 150.000 tot 200.000 mensen. Circa 100.000 inheemse mensen woonden daarvan in de limes-zone (de Romeinse grens), waarbij de circa 20 Romeinse forten bemand werden door rond de 10.000 militairen. Vanaf 50 v.C. werden voornamelijk Romeinse munten als betaalmiddel gebruikt.

 

 

DE BELANGRIJKSTE ROMEINSE MUNTEN VAN 10 TOT 250 NA CHRISTUS

De Denarius (zilver) = 4 Sestertii (brons)
De Sestertius (brons) = 2 Dupondii (brons)
De Dupondius (brons) = 2 Asses (koper)

 

Denarius
Denarius
Sestertius
Sestertius

In de eerste eeuw na Christus verdiende een gewone soldaat in het Romeinse leger ca 900 sestertii per jaar. Tijdens de regering van Domitianus (81-96 n.C.) werd het loon verhoogd naar 1200 sestertii per jaar (ongeveer 3,3 sestertii per dag).
De helft werd hiervan ingehouden voor levensonderhoud en er bleef, als er geld was, ongeveer 1.65 sestertius per dag over om te besteden.
Rond 250 n.C. was het dagloon van een ongeschoolde arbeider gelijk aan 400 assen (ca. 6 denarii). (Hetzelfde dagloon was rond de jaartelling één denarius.)

 Dupondius
Dupondius

Het maandloon voor een leerkracht was 800 asses (= 12 denarii)
De kapper kostte 32 asses (= 2 sestertii)
Eén kilo varkensvlees = 380 as (= 6 denarii)
Een kilo druiven = 32 asses

Het geld in het Romeinse Rijk devalueerde soms vrij snel.
Een voorbeeld is de verlaging van het zilvergehalte van de denarius, die na 250 verdwijnt en wordt vervangen door de antoninianus, die in 30 jaar verandert van zilver naar verzilverd koper en tenslotte gewoon koper.

De devaluatie van de Antoninianus van 240-270 n.C.
De devaluatie van de Antoninianus van 240-270 n.C.

 

VROEGE MIDDELEEUWEN
MEROVINGEN EN KAROLINGEN
(481-751 n.C.) en (751-987 n.C.)

In Nederland werden in de Merovingische periode munten geslagen in Maastricht en Dorestad. Van 580 tot 670 waren dit met name gouden Tremisses en later Triens. Na 760 werden voornamelijk zilveren munten geslagen – Denarii. Daarnaast kennen we de Anglo-Saksische en Friese Sceattas (Stekelvarken type). Toch werden ook hier vroegere Merovingische Triens gevonden:

Triens van laag goud gehalte.  Merovingen (450-750 n.C.),  AR = Clermont Ferrand.  Mogelijk Belgische imitatie
Triens van laag goud gehalte. Merovingen (450-750 n.C.),
AR = Clermont Ferrand. Mogelijk Belgische imitatie
Sceatta Friesland (vóór 730 n.C.).  Stekelvarken type Onbekende variant, mogelijk invers geslagen
Sceatta Friesland (vóór 730 n.C.). Stekelvarken type
Onbekende variant, mogelijk invers geslagen

Uit de Karolingische periode zijn vooral de munten geslagen te Dorestad bekend.

Zilveren denarius van Karel de Grote (ca 771) geslagen te Dorestad
Zilveren denarius van Karel de Grote (ca 771) geslagen te Dorestad

LATE MIDDELEEUWEN
HOLLANDSE GRAVEN
(1100-1350)

Al tijdens de Karolingische periode ontstond het Graafschap Holland met Gerolf (850-896) als eerste graaf van West Frisia en Holland (885-896). Van hem en de daarop volgende graven tot Floris I zijn geen munten bekend.

Vanaf Floris I (1049-1061) begint de muntslag in het Graafschap Holland.

Denier Floris I (1049-1061)
Denier Floris I (1049-1061)
Denier Dirk V (1061-1091)
Denier Dirk V (1061-1091)

 

 

 

 

 

 

Penning Floris II (1091-1121)
Penning Floris II (1091-1121)
Penning Floris III (1157-1190)
Penning Floris III (1157-1190)

 

 

 

 

 

 

Penning Dirk VII (1190-1203)
Penning Dirk VII (1190-1203)
Penning Willem I (1203-1222,       broer van Dirk VII)
Penning Willem I (1203-1222,
broer van Dirk VII)
Penning Floris IV (1222-1234)
Penning Floris IV (1222-1234)
Penning Floris V (1256-1296)
Penning Floris V (1256-1296)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met Jan I (1296-1299), die op jonge leeftijd sterft, eindigt het oude Hollandse huis. Het graafschap Holland blijft echter bestaan.

BOURGONDISCH EN SPAANSE NEDERLANDEN
(1380-1584)

NIEUWE TIJD
REPUBLIEK DER ZEVEN PROVINCIËEN
(1584-1795)

Louis Oppenheimer – Stichting Werkgroep Oud-Castricum – 2015

 

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email