Jaren voor het verschijnen van het eerste jaarboek(je) van onze werkgroep in 1978, hield zich in ons dorp al iemand bezig met het regelmatig schrijven over de geschiedenis van Castricum, de in 1913 in Wognum geboren Bertus Voets, die hier in de periode 1968 tot 1976 als pastoor van de Pancratiusparochie was aangesteld. Hij is wat in de vergetelheid weggezakt maar verdient m.i. toch wel enig eerherstel voor zijn pionierswerk, vandaar dit stukje.
Nog nauwelijks in Castricum gevestigd begon Voets met zijn publicaties in het toen twee maal per week verschijnende Nieuwsblad voor Castricum, waarbij hij kon putten uit het nu onder zijn beheer gekomen kerkarchief. In 1969 trad hij toe tot de inmiddels twee jaar bestaande werkgroep Oud-Castricum, maar er zullen nog slechts enkele leden zijn, die zich zijn persoon herinneren. Over hoe hij gewaardeerd werd binnen de werkgroep kan ik dus geen uitspraak doen, maar wel is duidelijk dat hij zijn stukjes schreef op persoonlijke titel en nooit refereerde aan de werkgroep. Vanaf september 1969 komen we in vrijwel elk nummer van genoemde krant een stukje van zijn hand over de Castricumse geschiedenis tegen en hij heeft dit jaren volgehouden.

Voets was niet zomaar een stukjesschrijver. We kunnen hem welhaast een beroepshistoricus noemen want voor zijn vestiging in Castricum had hij al vele publicaties over historische onderwerpen op zijn naam staan en niet in de eerste de beste tijdschriften. In bijvoorbeeld het blad ‘Ons Amsterdam’, de jaargang van 1953, kwam ik een artikel van zijn hand tegen getiteld “De Lotgevallen van een Godshuis” dat ingaat op de geschiedenis van een Amsterdams weeshuis. Volgens het jaarboek uit 1995 van het Historisch Genootschap West-Friesland, een vereniging die Voets in 1984 tot erelid benoemde, omvatte zijn oeuvre niet minder dan een dertigtal boeken en talloze brochures. Het valt op, dat Voets vooral schreef over de kerkgeschiedenis van gemeenten, waarin hij kapelaan en pastoor werkzaam was. Dat waren vóór zijn Castricumse periode o.a. Wormerveer, Alkmaar en Amsterdam .In 1976 werd hij benoemd tot archivaris van het bisdom Haarlem, wat hem toegang verschafte tot het bisschoppelijk archief en hem inspireerde tot het schrijven van een boek over dit bisdom van niet minder dan 430 pagina’s, dat in 1981 verscheen en dat hij zelf zijn belangrijkste werk vond. In de stukjes die Voets over de Castricumse geschiedenis schreef valt een zekere lijn te ontdekken. Hij begint met de oudste geschiedenis, o.a. die van de oude Pancratiuskerk en Kronenburg, om vervolgens stil te staan bij gebeurtenissen in Castricum, die te maken hadden met de reformatie, gevolgd door beschouwingen over de schuilkerken en later over de bouw van de eerste en tweede Pancratiuskerk, waarbij vrij uitvoerig wordt ingegaan op de vele problemen rond de financiering. Het valt op dat Voets zich veelal kritisch uitlaat over het beleid van zijn kerkelijke voorgangers.
Met het oprakelen van allerlei gebeurtenissen, die zijn beschreven in de archieven van de roomse kerk was Voets in zekere zin zijn tijd vooruit, want de geschiedschrijving over Castricum kwam pas goed op gang in 1973 met het boek de “Historie van Castricum” door D. van Deelen en in 1974 met het boek “Schippers van het Stet” door Q. de Ruiter. Maar tegelijkertijd is er de tragiek van de eerste te zijn, want door het werk van deze geschiedschrijvers en ook door de latere publicaties in het jaarboek(je) – bijv. de uitstekende samenvatting van de historie van de Pancratiusparochie in 1983 door Frans Baars – kunnen we achteraf helaas nog maar weinig nieuws ontdekken in de artikelen van Voets.
Is Voets dus definitief achterhaald? Ik dacht van niet. Want waar hij wel in uitblinkt is het beschrijven van dagelijkse belevenissen van de Castrucmse burgers, zoals opgetekend in de diverse dagboeken van zijn Castricumse voorgangers en die doen vermoeden, dat in deze bronnen nog wel meer leuke informatie te vinden is.
Als voorbeeld een artikel dat Voets schreef over de Castricumse dorpskermis. Hij noemt een verslag, dat de Castricumse pastoor Kerkman in 1739 stuurde aan de kerkelijke overheid in Rome, iets wat Kerkman met betrekking tot het kerkelijk leven in Castricum wel vaker deed, gezien zijn band met Rome, waar hij aan het College van Propaganda had gestudeerd. Kerkman signaleerde het bestaan van een soort toneelvereniging (‘rederijkerskamer’) in Castricum, die optrad tijdens de kermis. Er werd tegen het oude kerkhof aan, vermoedelijk op de plaats waar later het raadhuis stond, een bühne opgebouwd, waarop toneel werd gespeeld. Om dit te kunnen zien moest men drie stuivers betalen, waarvan de helft voor het toneelclubje en de andere helft voor een goed doel. In 1758 voerde de dorpsvereniging het “Spel van de Notabele Verlossing van de Stede Leiden” op, een historische toneelstuk geschreven door een zekere Jacob Duyn, dat in die dagen nogal populair was, want men vindt het op verschillende kermissen terug.
Al in vroegere tijden werd er tijdens de kermis veel gedronken. Pastoor Bommer waarschuwde in een preek op de eerste zondag in augustus 1792 tegen vechtpartijen tijdens de kermis en maande tot kalmte. Hij had daarbij een gebruik op het oog, dat “bekkensnijden” werd genoemd, waarbij de een of andere vechtersbaas een mes meenam, zonder punt, dat hij prikte in de hanenbalk van de dorpsherberg. Degene die het mes er uittrok nam het in een vechtpartij tegen hem op buiten de herberg, waarbij wel eens een snijwond werd opgelopen.
Een van de meest voorkomende attracties op de kermissen, ook in Castricum, was het optreden van ridder Gozewijn. Het was een fier uitgedoste ridder met in zijn gezelschap een afschuwelijk opgetuigde draak, een soort houten geval op wielen, waarin een man zat, die de bek van de draak kon openen om vuur en afschuwelijke zwaveldampen uit te spuwen. In de voorstelling die werd opgevoerd poogde Gozewijn de draak te verslaan en wanneer dat aanvankelijk niet lukte, verzocht hij het publiek om bijval en om wat geld, dat hij in zijn helm verzamelde. Dan volgde een korte worsteling, waarbij de kop van de draak er werd afgerukt en de draak dus was verslagen, wat vooral op kinderen veel indruk maakte.
Tot zover Voets.
Hij woonde de laatste jaren van zijn leven in bejaardencentrum Sint Jozef in Alphen aan de Rijn en overleed in 2002.
Wim Hespe
