30 januari 2023

Kranten en drukkers (Jaarboek 36 2013 pg 28-41)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 36, pagina 28

Over kranten en drukkers gesproken …

Jan Boesenkool op zoek naar foto’s en documenten uit zijn verleden.
Jan Boesenkool op zoek naar foto’s en documenten uit zijn verleden.

Alsof het gisteren was, herinnert Jan Boesenkool (92) zich dat zijn vader besloot dat ze naar Castricum zouden verhuizen. Het was in 1941, het tweede oorlogsjaar. Vader Klaas, bedrijfsleider van een drukkerij in Middelburg, had een paar maanden gevangen gezeten. Hij was opgepakt door de Duitsers om onduidelijke redenen en kon niet meer terugkomen in zijn oude functie. In dezelfde drukkerij werkte Jan als leerling en voor hem dreigde uitzending naar Duitsland.

Aan de Geelvinckstraat in Castricum stond de drukkerij van Johan Eriks te koop. De drukkerij lag stil en Klaas Boesenkool slaagde er in die over te nemen. Zo begon het bedrijf dat het Nieuwsblad voor Castricum ruim 40 jaar in handen heeft gehad. Een flinke episode, maar het is slechts een deel van het verhaal, dat begon lang voor drukkerij Boesenkool zich over de krant ontfermde. De druktechnieken evolueerden snel, zetmachines namen het handzetten over en tenslotte veranderde alles door de komst van de computer. Voor Jan Boesenkool gaat er nog steeds niets boven de oude ‘Heidelberger’.

Weekblad voor Castricum

In november 1918 kwam er een einde aan de Eerste Wereldoorlog. Betere tijden braken aan. In 1919, het jaar waarin het Weekblad voor Castricum voor het eerst verscheen, werd op initiatief van de jonge burgemeester Lommen de VVV ‘Castricum Vooruit’ opgericht. Elektriciteit, ‘knoppies licht’ zoals de mensen zeiden, was in aantocht. De krant berichtte dat het gas- en elektriciteitsbedrijf telefonisch bereikbaar zou worden en wel onder nummer 16. Ook goed nieuws was dat de hond van caféhouder Piet Schotvanger weer thuis was gekomen na een paar dagen zoek te zijn geweest.

Het oudste in het Regionaal Archief aanwezige Weekblad voor Castricum van 3 januari 1920.
Het oudste in het Regionaal Archief aanwezige Weekblad voor Castricum van 3 januari 1920.

Het ‘Weekblad voor Castricum’, de voorganger van het tegenwoordige Nieuwsblad voor Castricum, werd ruim 94 jaar geleden (april 1919) uitgegeven door Drukkerij De Kennemer, gevestigd in de Peperstraat in Beverwijk.

Het vignet van Drukkerij De Kennemer die gevestigd was aan de Peperstraat in Beverwijk.
Het vignet van Drukkerij De Kennemer die gevestigd was aan de Peperstraat in Beverwijk.

Het bedrijf verhuisde in 1936 naar de Breestraat en is in 1952 opgeheven. De abonnementsprijs van de krant bedroeg 65 cent per drie maanden. De kop van de krant vermeldde dat J. Stuifbergen de vertegenwoordiger was, zowel voor


Jaarboek 36, pagina 29

nieuws als voor abonnementen, advertenties en de bezorging. In de loop van 1920 werd hij opgevolgd door Jac. Lute en in 1921 door Jan Brakenhoff.

Het laatst bekende nummer van het Weekblad dat in het Regionaal Archief in Alkmaar wordt bewaard, is van 30 december 1922. Hoe lang het heeft bestaan, weten we niet. Door de ‘N.V. Electrische Drukkerij, voorheen A.W. van der Hoek te Uitgeest, werd tussen 1926 en 1937 ook nog een Weekblad voor Castricum uitgegeven, maar het was anders uitgevoerd en veel advertenties waren vooral op Uitgeest gericht.

Het bedrijfspand aan de Korte Cieweg, waar tussen 1919 en 1946 achtereenvolgens vijf drukkerijen gevestigd waren.
Het bedrijfspand aan de Korte Cieweg, waar tussen 1919 en 1946 achtereenvolgens vijf drukkerijen gevestigd waren.

De eerste drukkerij in Castricum

Op 26 november 1919 richtten Leo Coret, boekdrukker uit Alkmaar en Johan Schuijt, zaadhandelaar in Limmen, ‘N.V. Coret’s Electrische Handelsdrukkerij’ op. De nieuwe onderneming werd gevestigd in een bedrijfsgebouw aan de (Korte) Cieweg, dat waarschijnlijk omstreeks 1916 is gebouwd op de plaats waar nu de Prins Marijkestraat begint.

Dat gebouw was ook de plaats waar de zaad- en kunstmesthandel van Jaap Schuijt zich bevond. Die woonde er vlak naast in het nu nog bestaande pand van de familie Poel. Schuijt, tevens raadslid en veilingmeester, vertrok in 1920 naar Veur in Zuid-Holland, wegens zijn benoeming tot veilingmeester aldaar. Piet Kuijs, die zich later in de Dorpsstraat vestigde, zou de zaak hebben overgenomen.

Wapenfeiten van Coret’s drukkerij zijn de uitgifte van een gids voor Castricum en de ingebruikneming van een rotatiepers in het jaar 1920.
In december 1920 berichtte de krant dat een combinatie van ‘Amsterdamse heren’ de drukkerij, gevestigd aan de (Korte) Cieweg 81, telefoonnummer 15, had overgenomen om er een groot en modern bedrijf van te maken. De naam werd ‘Boek- en Handelsdrukkerij Brederode’. Volgens advertenties waren in mei 1921 de drukkerij en een kunstmesthandel nog steeds op hetzelfde adres te vinden.

Dante Alighieri geeft de ‘Castricummer Courant’ uit

Drukkerij Brederode was bepaald geen blijvertje. Op 15 juli 1921 richtte Louis Winkeler de drukkerijen uitgeversmaatschappij ‘Dante Alighieri’ op en ‘Brederode’ werd overgenomen. In 1922 koopt hij het bedrijfsgebouw van Jaap Schuijt waar de drukkerij dus al in zit.

Het doel van het nieuwe bedrijf werd als volgt omschreven:
“Het drukken en uitgeven van boekwerken en geschriften, waarvan de inhoud niet in strijd is met de rooms-katholieke geloofs- en zedenleer, bij voorkeur met een apologetische (verdedigende) strekking, het exploiteren van een drukkerij en het verrichten van alles wat tot het grafische vak behoort.”

Het aandeel in drukkerij Dante Alighieri.
Het aandeel in drukkerij Dante Alighieri.

Het maatschappelijk kapitaal bedroeg 100.000 gulden en er werden aandelen van 200 gulden per stuk uitgegeven.

De kleinzoon Lodewijk Winkeler zei over zijn grootvader:
“Hoe hij in Castricum verzeild geraakt is, is onbekend. Castricum was toch niet echt een plaats om een prestigieuze drukkerij te beginnen.”

Louis Winkeler had in 1915 aan de Haarlemmerstraat in Amsterdam de rooms-katholieke Boekcentrale opgericht, die later naar de Keizersgracht is verhuisd en tenslotte belandde in een monumentaal pand aan de Herengracht. De onderneming was vooral gericht op het uitgeven van stichtelijke literatuur voor rooms-katholieken.


Jaarboek 36, pagina 30

Louis Winkeler die in 1924 de Castricummer Courant uitgaf.
Louis Winkeler die in 1924 de Castricummer Courant uitgaf.

Louis Winkeler zag ook kansen voor een plaatselijke krant. In april 1924 verscheen de nieuwe krant iedere zaterdag onder de naam ‘Castricummer Courant’. Deze werd onder abonnees verspreid in Castricum, Heiloo, Limmen en Heemskerk tegen de prijs van 1 gulden per drie maanden. Een kopie van een exemplaar van 14 juni 1924 is bewaard gebleven. De krant werd bijzonder gewaardeerd. Volgens overlevering werden de verslagen en de commentaren van Winkeler op de vergaderingen van de gemeenteraad door iedereen verslonden.

Bij het einde van de eerste jaargang schreef Winkeler:
“Een vol jaar, week aan week hebben wij getracht u bekend te maken wat in onze omgeving is voorgevallen. Wij hebben naar ons beste vermogen gewezen op verkeerde toestanden of dank gebracht voor verbeteringen. Wij hebben een weinig kunnen meewerken tot het verkrijgen van de belangrijkste dingen als een strandweg en waterleiding, in één woord, wij trachten nuttig te zijn voor iedereen. De Castricummer Courant is een deel van Castricum’s leven geworden. Men wacht des Zaterdags op haar en wil haar lezen. Dat is voor ons een mooie voldoening. Het vergoedt enigszins de zorgen en moeite aan het redigeren van een blad verbonden.”
Vervolgens drong hij wel aan op meer abonnees en meer adverteerders om de krant in stand te kunnen houden.

Dirk Schotvanger.
Dirk Schotvanger. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het eerste baantje na de lagere school van de in 2010 overleden Dirk Schotvanger was bij deze drukkerij. Dirk vertelde:
In 1924 kwam de Castricummer uit en daar ging ik toen abonnees voor zoeken. Ik was ook bezig in de afdeling boekbinderij en ik vouwde kranten. Er stonden twee grote drukpersen en een kleine voor kaartjes en zo. De zetters van de krant kwamen met de trein uit Alkmaar. Directeur Winkeler was een bekende man in het dorp. Hij zat altijd in de cafés want daar deed hij alle dorpsnieuwtjes op. Hij schreef ook grappige stukjes, in de rubriek ‘Langs de Dorpsstraat’ onder de naam ‘Barbertje.”

Louis Winkeler raakte tijdens zijn cafébezoeken bevriend met een andere trouwe klant, kapitein Rommel en hij kreeg het voor elkaar dat de kapitein voor de krant het vervoer per schip beschreef van hadjis (bedevaartgangers) naar Mekka. Rommel leverde ook een paar foto’s, maar die konden alleen in de drukkerij door abonnees bezichtigd worden (zie voor kapitein Rommel 12e Jaarboek, 1989).

In 1925 rolde er nog een bijzonder mooi drukwerkje van de pers: een VVV-gids voor Castricum met een beschrijving van het dorp en prachtige foto’s. Alle inspanningen ten spijt ging Dante Alighieri eind 1926 failliet. Een staking van de typografen vanwege achterstallig loon ging er aan vooraf. Louis Winkeler en zijn gezin vertrokken naar Amsterdam en verhuisden vervolgens naar Rijswijk. Daar werd hij drukker voor een religieuze lekencongregatie, de Kruisvaarders van Sint Jan. In 1936 overleed hij op 47-jarige leeftijd.

Drukkerij aan de (Korte) Cieweg.
Drukkerij aan de (Korte) Cieweg.

N.V. Castricumsche Drukkerij

Op 1 april 1927 startte aan de (Korte) Cieweg een nieuwe onderneming onder de naam N.V. Castricumsche Drukkerij. Inmiddels is dat dan al de vierde drukkerij in hetzelfde gebouw. De eerste directeur is Henricus Mathijs Maria Bettonviel. In 1930 werd hij opgevolgd door Jacob Polak, die tot 1934 op het adres Geelvinckstraat 13 woonde en vervolgens terugkeerde naar Amsterdam. Johan Houbaer heeft de directeursfunctie nog enige jaren waargenomen. De onderneming zette de activiteiten van Dante Alighieri op de oude voet voort, zoals onder andere door de uitgifte van VVV-gidsen en de Castricummer Courant.

De drukkerij kwam in 1928 in het nieuws vanwege een inbraak. De buit bestond uit een fiets en enige sigaren.

De gevechten tussen Russische en Engelse troepen tegen de Bataafse en Franse troepen, tijdens de slag bij Castricum.
Schilderij van de gevechten tussen Russische en Engelse troepen tegen de Bataafse en Franse troepen, tijdens de Slag bij Castricum op 6 oktober 1799. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1932 verscheen de geschiedenis van ‘De Veldslag bij Castricum in 1799’ als vervolgverhaal in de krant. Vanwege het succes gaf de drukkerij de feuilleton in 1935 in boekvorm uit.

Carel J. Brensa

Op 10 november 1936 verspreidde de N.V. Castricumsche Drukkerij een bijzonder rouwnummer van de Castricummer Courant in verband met het overlijden van burgemeester Lommen. Het hoofdartikel, dat de hele voorpagina besloeg, was ondertekend door Carel J. Brensa.

Het bleek het pseudoniem te zijn voor Arie de Geus van den Heuvel. In 1933 was hij in Castricum komen wonen. Hij was toen al een bekend publicist. Arie was getrouwd met Cornelia J. Brens, vandaar het van de naam van zijn vrouw afgeleide pseudoniem Carel J. Brensa of zelfs dr. Carel J. Brensa.

Brensa was ook artiest en trad op voor de radio met ‘liedjes aan de vleugel’. Hij werkte in 1933 mee aan een revue van producent Frits Stapper. De revue heette ‘Kom mee! Hij weet het!’ Hollandse tekst en liederen van Carel J. Brensa.


Jaarboek 36, pagina 31

Het optreden in Carré zal ongetwijfeld een hoogtepunt geweest zijn voor hem, ook al omdat zijn geboortejaar 1887 toevallig ook het jaar is waarin Carré werd geopend. Helaas, volgens de recensies was de revue een mislukking en een zouteloos allegaartje.

Carel Brensa schreef twee detectives, een boek over een reis naar Zuid-Amerika en boeken op het gebied van de wielersport.

Carel J. Brensa (midden-boven) aanwezig bij de ondertekening van de overeenkomst tussen uitdager Max Euwe (met de pen in zijn hand) en de - toen nog wel - wereldkampioen schaken Aljechin in 1935.
Carel J. Brensa (midden-boven) aanwezig bij de ondertekening van de overeenkomst tussen uitdager Max Euwe (met de pen in zijn hand) en de – toen nog wel – wereldkampioen schaken Aljechin in 1935.

In 1935 verscheen van zijn hand het boek ‘Tachtig dagen schaak’ met een populair-historische rapportage van de tweekamp Euwe – Aljechinom het wereldkampioenschap schaken.

In Castricum was Carel Brensa actief als voorzitter van de Vereniging voor Forensenbelangen die later met de VVV ‘Castricum Vooruit’ fuseerde.

Hette Woudstra oprichter Nieuwsblad voor Castricum

Intussen was er nog een drukkerij in het dorp bijgekomen. Rond 1930 verhuurde bloemist en kweker Jan Kehl een bollenschuur aan Hette Woudstra aan de Dorpsstraat 72. Woudstra had een papiergroothandel en een drukkerij in Alkmaar en was uitgever van een krant onder de naam ‘De drie Egmonden’.

Hij begon in april 1936 met het ‘Nieuwsblad voor Castricum’ en is dus de oprichter van de nu (in 2013) nog bestaande krant. Het 75-jarig bestaan is – uitgaande van een eerste plaatselijke krant in 1924 – al in 1999 herdacht, maar het jubileum had feitelijk in 2011 gevierd moeten worden. Met de komst van het Nieuwsblad kreeg de door Winkeler opgerichte Castricummer Courant een onverwachte concurrent. Uit het programma voor een feestweek in de zomer van 1936 blijkt dat beide kranten vertegenwoordigd waren in een grote optocht van verenigingen en neringdoenden’. De twee kranten visten in dezelfde kleine vijver en dat bleek moeilijk vol te houden.

Drukkerij Nagengast

Hette Woudstra was de wegbereider voor drukkerij Nagengast. Piet Nagengast was zijn stiefzoon. Hij hielp veel mee in het bedrijf van zijn tweede vader en volgde een opleiding tot typograaf. Piet trouwde in 1936 met Catharina Henselmans en betrok de woning Dorpsstraat 107 vlak naast het Zusterhuis bij de rooms-katholieke kerk.

Het was kennelijk de bedoeling dat hij het filiaal van zijn stiefvader zou leiden, maar de verstandhouding was heel slecht en het liep al snel uit op ruzie. Hij verhuisde voor korte tijd met de drukkerij van Dorpsstraat 72 naar een schuur op het adres Dorpsstraat 38.

Per 1 oktober 1936 nam hij het filiaal en de uitgifte van het Nieuwsblad voor Castricum officieel over. Nog in hetzelfde jaar vestigde de drukkerij zich aan de Cieweg in het pand van de N.V. Castricumsche Drukkerij waarvan alle schulden en eigendommen werden overgenomen. Drukkerij Nagengast was al het vijfde grafisch bedrijf aldaar.

Door die overname kwam dus ook de Castricummer Courant in handen van Nagengast. Aan het eind van de jaren (negentien) dertig werd in de kop van het Nieuwsblad vermeld dat de Castricummer Courant erin was opgenomen.

Kop van het Nieuwsblad na de samenvoeging met de Castricummer Courant.
Kop van het Nieuwsblad na de samenvoeging met de Castricummer Courant.

Oorlogsjaren

Nagengast zette de uitgifte van het Nieuwsblad enthousiast voort. Zelf was hij in de eerste plaats drukker en geen journalist. De hoofdredacteur van de krant was J. Burger uit Beverwijk. Zo af en toe klom Nagengast zelf in de pen. In een hoofdartikel in 1941 gaf hij duidelijk te kennen dat hij van het nationaal-socialisme niets moest hebben. Zo schreef hij onomwonden:
“Het is een bekend feit, dat van NSB-ers gezegd wordt, dat voor hen de touwen klaar liggen en dat de bomen zijn aangewezen, waaraan zij zullen bengelen.”

Hij wilde het zelf zogenaamd niet over politiek hebben, maar over een levenshouding en over principes en benadrukte: “Wij zijn en blijven vrije menschen; wij zijn en blijven vrije Nederlanders en we kiezen zelf onze weg.” Hoe ‘voorzichtig’ hij zijn mening ook geformuleerd had, de krant werd enige tijd verboden, door Seyss Inquart op verzoek van NSB-burgemeester Sloet tot Everlo.


Jaarboek 36, pagina 32

Piet Nagengast met de antieke trapdegel-drukpers (1961).
Piet Nagengast met de antieke trapdegel-drukpers (1961).

In een terugblik op zijn Castricumse jaren van 1936 tot 1946 vermeldde Nagengast dat er niet minder dan zeven andere bladen in die tijd ook hun geboortedag hebben gevierd, doch na een kort leven ten grave werden gedragen: “Het meest funeste blad was ‘De gemeentebode’, onder redactie van de NSB-burgemeester. Schouder aan schouder hebben wij gestreden tegen dit unfaire blaadje.”

De drukkerij, die hoofdzakelijk haar bestaansrecht had gevonden in het uitgegeven van kranten en periodieken, lag in de oorlogsjaren praktisch stil. Krantenpapier was niet meer verkrijgbaar. Met moeite kon hij nog wat druk-orders voor de Distributiekring Castricum en Uitgeest uitvoeren. Daarvoor kreeg de drukkerij in januari 1945 alleen nog stroom op woensdag en donderdag van 9.00 tot 16.00 uur.

Het Nieuwsblad voor Castricum gecombineerd met het illegale blad ‘Strijd’.
Het Nieuwsblad voor Castricum gecombineerd met het illegale blad ‘Strijd’.

Vanaf oktober 1944 verscheen het illegale blad ‘Strijd’. Het was een stencil dat na lezing zo snel mogelijk moest worden doorgegeven aan ongeveer tien adressen. Veel berichten kwamen van luisteraars van her en der verstopte radio’s.

De Stencilmachine die gebruikt is voor het illegale blaadje De Strijd in de Tweede wereldoorlog.
De Stencilmachine die gebruikt is voor het illegale blaadje De Strijd in de Tweede wereldoorlog. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De krantjes kwamen van een stencilmachine die in het kleine huisje stond van tante Sientje, mevrouw Gesina Veldt-Van der Hurk aan de Kooiweg.

Strijd gaat over in Nieuwsblad

Direct na het eind van de oorlog blies Nagengast zijn bedrijf weer nieuw leven in. Op 14 mei 1945 verscheen er al een bijzondere uitgave van het blad Strijd en vervolgens werd het Nieuwsblad voor Castricum in de eerste maanden uitgegeven in combinatie met het voorheen illegale blad. Als redactionele medewerkers werden genoemd: V. de Groot, J. Bliek, J. Krom, J.C. Krom en H. Nijdam.

De eerste zinnen van het hoofdartikel getiteld ‘Bij onze terugkomst’ in de editie van 30 mei 1945 luidden:
“Het doet ons bijzonder veel genoegen weer ten toneele te mogen verschijnen. Zooals u aan ons uiterlijk ziet, zijn wij door de oorlog ook vermagerd. Jarenlang hebben de moffen en hun vuige trawanten ons het zwijgen opgelegd; thans zullen wij onze oude functie de spiegel van Castricum’s openbare mening weer hervatten.”

Op 10 augustus 1945 werd wel een heel bijzondere uitgave van het Nieuwsblad bezorgd. Deze bestond uit een aan één kant bedrukt A4-tje met in grote letters de bekendmaking van de capitulatie van Japan.
Onder meer door papierleveranties aan verzetsorganisaties en het drukken van bonkaarten hield Nagengast uit de oorlogsjaren veel relaties over. Een grote toename van orders was het gevolg, waardoor het pand aan de (Korte) Cieweg te klein werd.

In april 1946 kondigt Piet Nagengast in zijn krant het vertrek van de drukkerij uit Castricum aan. Het was hem naar zijn zeggen niet snel genoeg gelukt medewerking van de gemeente te krijgen voor nieuwbouw, maar waarschijnlijk had het ook met opdrachtgevers te maken. In Alkmaar slaagde hij erin aan de Laat een pand met twee verdiepingen te bemachtigen. Het bovenste gedeelte werd verhuurd aan een modeatelier.

Het personeel dat in Castricum voor het bedrijf werkte, ging mee naar de nieuwe vestiging en ook het Nieuwsblad werd er nog enkele jaren gedrukt. Op zaterdag 7 september 1946 opende Nagengast zijn nieuwe bedrijfsruimte.


Jaarboek 36, pagina 33

Data uit de krantengeschiedenis:

1919 Weekblad voor Castricum uitgegeven door drukkerij De Kennemer in Beverwijk.
1919  N.V. Coret’s drukkerij gevestigd aan de (Korte) Cieweg.
1920  Drukkerij Brederode neemt Coret over.
1924 Nieuwe drukkerij Dante Alighieri van Louis Winkeler start de Castricummer Courant.
1927 De Castricumse Drukkerij volgt Dante Alighieri op en neemt de krant over.
1930 Hette Woudstra opent een drukkerij aan de Dorpsstraat.
1936 Hette Woudstra begint met het Nieuwsblad voor Castricum. De krant wordt in hetzelfde jaar overgenomen door stiefzoon Piet Nagengast die ook de Castricumse drukkerij aan de Korte Cieweg en de Castricummer krant overneemt.
1941 Nieuwsblad voor Castricum verboden.
1941 Drukkerij Boesenkool en zoon vestigt zich aan de Geelvinckstraat. Huis-aan-huis blad ‘De Faam’ wordt enige jaren uitgegeven.
1946 Drukkerij Nagengast verhuist naar Alkmaar en particulieren gaan het Nieuwsblad exploiteren.
1949 Drukkerij Boesenkool koopt het Nieuwsblad voor Castricum.
1966 Onze Krant opgericht. Het Nieuwsblad wordt ook huis-aan-huis verspreid.
1976 Drukkerij Boesenkool betrekt het pand van de voormalige zuivelfabriek aan de Breedeweg.
1986 Nieuwsblad voor Castricum doorverkocht aan de uitgeverij van de Verenigde Noord-Hollandse Dagbladen.
1989 De Castricummer opgericht.
2006 Nieuwsblad voor Castricum stapt over op tabloidformaat.

Stichting Nieuwsblad voor Castricum

Door zijn vertrek uit het dorp zag Nagengast geen kans meer het Nieuwsblad te leiden. Hij slaagde erin enkele plaatsgenoten te interesseren voor een overname van het blad en de Stichting ‘Nieuwsblad voor Castricum’ werd opgericht. Het nieuwe redactieadres per 1 mei 1946 was bij J. Wahlen, Geelvinckstraat 26.

Het was geen geringe opgave om de krant twee keer per week op woensdag en zaterdag te laten verschijnen. De kopij moest een dag van tevoren bij drukkerij Nagengast in Alkmaar worden aangeleverd. Wahlen hield het na ruim een jaar voor gezien. In de krant van 30 november 1949 verklaarde Wahlen uitvoerig zijn vertrek. Hij bedankte alle medewerkers: Karel Vermeulen (tevens onderwijzer) voor de administratie, Bram Borst voor zijn werk als verslaggever, Ger van Weel die veel aandacht besteedde aan de herdenking van de Tweede Wereldoorlog en Joop Boot die de uitwedstrijden van CSV versloeg. Ook bedankte hij Ab van Kluyve voor zijn pittige actuele poëzie, zuster Bots voor de gevoelige verzen en nestor Stolk die vanuit het huis van ouden van dagen af en toe ook nog eens ‘zijn harp liet ruisen.’

In juli 1947 verkocht hij de krant aan de effectenmakelaar Johan Bos, Karel Vermeulen (onderwijzer) en Hein Groot (schoenenwinkel), maar ook voor hen werd de last al snel te groot. Per 1 december 1949 nam Klaas Boesenkool het Nieuwsblad voor Castricum over.

Bram Borst, metselaar, kolenboer, pompbediende, conciërge, zanger en verslaggever.
Bram Borst, metselaar, kolenboer, pompbediende, conciërge, zanger en verslaggever.

Bram Borst (1919-2007)

Van 1 januari 1949 tot 1953 werkte Bram Borst voor het Nieuwsblad. Hij was de opvolger van Jan Stuifbergen (bijnaam: de Koet), wiens eigenlijke beroep verzekeringsagent was en die de functie in 1947 en 1948 vervulde. Jan stond ook bekend als een ‘halve advocaat’ die voor de mensen in de bres sprong.

De ontdekker van het schrijftalent van Bram Borst was Johan Bos. Bram Borst had wel eens wat geschreven voor ‘Het katholiek Thuisfront’ voor de soldaten overzee en was daarmee opgevallen. Hij werkte eerst als metselaar bij het bedrijf van zijn vader, aannemer Gerrit Borst, maar op doktersadvies was hij aan het werk gegaan bij de Hoogovens. Bos haalde hem over om voor de krant te gaan werken en dat deed hij tenslotte met veel plezier. Borst schreef niet alleen, hij wierf advertenties en abonnees, vouwde kranten, bezorgde ze en haalde het abonnementsgeld op van 70 cent per maand.

Door onenigheid over een door Klaas Boesenkool voorgestelde salarisverlaging keerde hij weer terug bij het bedrijf van zijn vader. Daarna was hij nog zeker 10 jaar werkzaam bij de kolenhandel Steeman en vervolgens 17 jaar conciërge bij het Jac. P. Thijsse College. Hij was een uitstekend zanger en lid van diverse koren. Op 27 december 2007 overleed Bram Borst op 88-jarige leeftijd.


Jaarboek 36, pagina 34

Klaas Boesenkool, oprichter van drukkerij Boesenkool en Zoon.
Klaas Boesenkool, oprichter van drukkerij Boesenkool en Zoon.

Boesenkool naar Castricum

Klaas Boesenkool had in een vakblad gelezen dat er een drukkerij in Castricum te koop stond. Het was de drukkerij van Johan Eriks in de Geelvinckstraat, die daar nog maar een paar jaar (vanaf november 1936) gevestigd was.De toen 26-jarige Eriks verbleef in Duitsland en de drukkerij lag stil.

Het woonhuis van de familie Boesenkool in de Geelvinckstraat met daarachter het pand waar de drukkerij gevestigd was.
Het woonhuis van de familie Boesenkool in de Geelvinckstraat met daarachter het pand waar de drukkerij gevestigd was.

Jan Boesenkool (geboren in 1920) vertelt:
“Mijn vader kwam oorspronkelijk uit Staphorst, mijn moeder uit Yerseke. Zelf ben ik geboren in Rotterdam. Ik ben er nog eens een kijkje wezen nemen. De straat, een zijstraat van de Maashaven, is er nog. Wij zijn in 1941 naar Castricum gekomen. Zo gauw mijn vader zich kon verbeteren, kwam de verhuiswagen en daar gingen we weer. We hebben achtereenvolgens in Mijdrecht gewoond, een half jaar in Soest, in Rotterdam en in Meppel. In Rotterdam was hij in 1920 zelf nog een drukkerij begonnen. Van 1934 tot 1941 hebben we in Middelburg gewoond. Mijn vader was bedrijfsleider bij drukkerij De Boer. Ik was daar leerling.

De stad was op 17 mei 1940 gebombardeerd door de Duitsers, de drukkerij brandde af en mijn vader werd overgeplaatst naar Vlissingen. Hij heeft nog een half jaar vast gezeten. Toen hij weer thuis kwam, was een herplaatsing in het bedrijf een probleem. Voor mij dreigde uitzending naar Duitsland. Er moest wat gebeuren. In Castricum stond een drukkerij te koop. Daar heeft mijn vader de hand op weten te leggen en zodoende zijn we dus vanuit Middelburg naar Castricum verhuisd.

De inventaris van de drukkerij bestond uit letterkasten (zetbokken), een trapdegel en een ‘Johannisberger snelpers’ met motoraandrijving. In de Geelvinckstraat was mijn vader de zetter en ik de drukker. We hadden ook een zetter, waarmee we ook in Middelburg werkten. Ik vergeet nooit dat de eerste klant die binnenstapte slager Lakeman uit Bakkum was, die wat nota’s liet drukken. We hadden geluk dat we veel werk meekregen uit Middelburg vandaan. We konden zeker een half jaar vooruit en hier verder de boel opbouwen.

Mijn vader had het idee om naast het handelsdrukwerk een krant uit te geven. Dat is het blad ‘De Faam’ geworden dat in september 1941 voor het eerst verscheen. Op vrijdag werd het gratis huis aan huis bezorgd. Het Nieuwsblad bestond al, maar dat werd alleen onder abonnees verspreid. Je had misschien 2.500 kranten, meer niet. Na het drukken pakte je je fiets en ging je ‘s avonds de krant nog bezorgen. Met een lantaarntje liep je tot middernacht met de kranten door het dorp. Mijn vader hielp ook mee. Rond 1943 was het afgelopen. De bezetter besloot geen papier meer toe te staan voor plaatselijke blaadjes. In augustus 1945 zijn we weer begonnen met ‘De Faam’, waarin ook het rooms-katholieke blad ‘Nieuwe Banen’ was opgenomen. Die krant heeft niet lang bestaan.

De eigenaren Bos, Vermeulen en Groot kwamen vader vragen of hij interesse had het Nieuwsblad over te nemen. In december 1949 zijn wij daarmee begonnen. We drukten de krant eerst op de Johannisberger snelpers waar we het papier met de hand in moesten leggen. Enkele jaren later kochten we een ‘Heidelberger’. Eerst werd de krant halfautomatisch gevouwen. Als deze uit meerdere bladen bestond, moest er ingestoken worden. Vroeger werd er met de hand gezet. Ik heb nog een zethaak, waarin de letters geplaatst werden. Toen kwamen de loodzetmachines. We hadden er twee staan. Later kwamen er twee nieuwe bij. Je tikte een letter aan en dan kwam de matrijs aan draden naar beneden. Vervolgens kwam de loodpot naar voren. Als je ziet hoe nu een krant gemaakt wordt en vroeger … Dat kan je je niet meer voorstellen; we hebben wat afgesappeld.

In 1947 kwam Tinus Zijp bij ons werken. Ik zie hem nog komen. Hij werd door zijn vader gebracht op zijn klompies. Hij kreeg een grafische opleiding in Alkmaar en werd zetter en ook drukker. Tinus heeft 43 jaar bij ons gewerkt. Hij was als een broer voor me. Helaas is hij in 2011 overleden.”

Tinus Zijp achter de computer.

Tinus Zijp (1933-2011)

“Na de lagere school ging ik naar Boesenkool. Het was in 1947 en ik was 14 jaar. Mijn vader had wel gewild dat ik net als hij schilder werd, maar hij had al snel in de gaten dat dat niets voor mij was.

Op zaterdagmiddag ging ik naar de ambachtsschool en daar leerde ik het grafische vak. Normaal werkten we zaterdag de hele dag nog, maar omdat ik dat diploma moest halen, kreeg ik vrij. Tot 12.00 uur moest ik werken, dan thuis eten en vervolgens op de fiets naar Alkmaar, waar ik om 13.00 uur moest wezen. Zo heb ik hard leren fietsen.


Jaarboek 36, pagina 35

De opleiding, een halve dag per week, duurde 4 jaar. Maar ik had al een jaar ervaring voor ik met de opleiding begon.

Eerst moest ik de letterkast leren kennen. Daar kreeg ik twee of drie uurtjes de tijd voor. Na een week stond ik net als een volleerd handzetter te werken. Ik leerde handzetten door het maken van gebedenplaatjes voor pastoor Goes. Klaas Boesenkool kon het linkshandige schrift van de pastoor niet lezen.

We waren met z’n drieën, de oude Boesenkool, zijn zoon Jan en ik. Later kwam er nog een drukker bij, André Götz. Je leerde het hele vak, want je moest zowel zetten als drukken.

In het begin drukten we nog geen kranten, het was zuiver particulier werk. Ook boekbinden heb ik bij Boesenkool nog geleerd van meneer Haaske.

Toen ik er acht jaar werkte, kreeg ik het diploma voor leermeester. Ik had een paar leerlingen gehad en van de tien slaagden er acht. Van de grafische bond, wat toen een machtige organisatie was, kwamen ze vragen hoe dat kon, want de drukkerij had officieel geen leermeester. Toen hebben ze mij het diploma gegeven. Eerst hebben we de krant nog een paar jaar met de hand gezet. Met de zethaak in je hand pakte je letter voor letter. Dat was toen we in 1949 het Nieuwsblad overnamen van de toenmalige eigenaren.

Rond 1952 kregen we ook een loodzetmachine. Joop Kibbelaar, die getrouwd was met Riet Boesenkool, werkte daarmee. Joop had gaten in zijn knieën van de warmte van de loodpot. Het lood in de machine werd kokend heet. Je tikte de letter aan dan ontstond de regel en dan kwam de loodpot er naar toe.

Op de Breedeweg heb ik ook nog met de hand gewerkt, maar dat was zuiver het particuliere werk. De zetmachines werden voor de krant gebruikt.

Dat fotografisch zetten vond ik een afgrijselijk iets. Tegenwoordig is het 2 uur werken en dan een kwartier eraf. Wij zaten ‘s morgens om 6 uur en ‘s avonds om 6 uur ging je er achter vandaan. Eerst woog ik 60 kilo en toen werd ik 70 kilo. Ik vond het een verschrikking dat werken met die computer. Je had geleerd goed te letten op het afbreken van woorden, maar nu doet de machine het en dan erger ik me vaak aan de fouten die gemaakt worden. Al ben ik nu al 20 jaar weg, ik let er nog op. Het stoort me echt. De Nederlandse taal moest je beheersen.

Tinus Zijp was het oude handzetten nog niet verleerd.
Tinus Zijp was het oude handzetten nog niet verleerd.

Het grootste aantal collega’s waarmee we in de Geelvinckstraat werkten, was een man of 12. Op de Breedeweg maximaal 28. Ik heb 43 jaar bij Boesenkool gewerkt. Eerst bij Klaas, toen bij Jan en tenslotte bij Ton Karels.”

Jan van der Schaaf, die vanaf zijn schooltijd het liefst muziek maakte.
Jan van der Schaaf, die vanaf zijn schooltijd het liefst muziek maakte.

Jan van der Schaaf

“Ik heb mijn eerste opleiding als drukker van Tinus Zijp gehad. Toen ik een jaar of 14 was omstreeks 1955, nam mijn vader me aan de hand mee naar Klaas Boesenkool. Om te beginnen moest ik het ABC in letters opzoeken en


Jaarboek 36, pagina 36

tegen elkaar leggen. Ze haalden wel grappen met me uit. Dan moest ik een letterzeef halen bij de smid bijvoorbeeld. Dan bleef ik mooi de hele middag weg, dus daar stopten ze mee. Ik weet nog dat ik eens een bidprentje heb gezet. Dat is met het kleinste lettertje dat er is. Normaal gesproken moet dat wel in twee of drie uur lukken. Ik liet het uit mijn handen vallen. Nu word ik ontslagen, dacht ik, maar ze vonden het niet erg. Het hoorde bij het leerproces.

Voor afbeeldingen in de krant maakte je van loodautotypen of clichés. We hadden een groot gasstel en daar zetten we een pan op. De oude clichés gingen er in en dan kreeg je dus een pan met gesmolten lood. Dat lood werd in een matrijs gegoten. Het spatte soms tegen het plafond aan. Je moest dus gieten zonder te kijken met je hoofd afgewend en hopen dat het goed ging. Bij de machine van de typograaf, die werkte met letters aan een draadje, ging ook vaak iets mis. Dan riep de typograaf: onderuit! Dan gingen we gebukt staan, want dan spoot de machine lood.

Invouwen en insteken van de krant, we hielpen met alles mee. Als de krant uitkwam, wist je nooit hoe laat je thuis kwam. Het moest allemaal maar net goed lopen. Het was heel hard werken. Ik heb ook bij verschillende andere grafische bedrijven gewerkt, maar vanaf mijn schooltijd is muziek voor mij toch het belangrijkste geweest.”

Cor Lof van drukker tot acquisiteur

Mijn vader Cor Lof werd hoofdzetter bij Boesenkool en ik rolde er vanzelf in. Eerst als bezorger van het Nieuwsblad in Heemskerk. Ik begon in de jaren (negentien) zestig als krullenjongen bij Boesenkool en volgde één dag per week een opleiding als boekdrukker. Ik maakte de overgang mee van het loodtijdperk naar het fotografisch zetten. Dat werken met lood was niet erg gezond. Veel melk drinken was een remedie tegen de looddampen, zo werd gezegd.

De redactie van het nieuwsblad voor Castricum.
Dit is de redactie van het nieuwsblad voor Castricum. Het blad bestaat in 1999 75 jaar. Links Cor  Lof, Ad van de Velde en in het midden Tanya de Goede. Dorpsstraat 35 in Castricum, 1999. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Langzamerhand nam ik het ophalen van advertenties over van Ad van de Velde. Ik kreeg een goede band met de adverteerders en maakte met de gegevens die ik van ze kreeg, de advertentie zelf op. Door de vereenvoudiging van het drukproces en de grotere mogelijkheden kwamen er in de jaren (negentien) negentig steeds meer eigen folders en verminderde de hoeveelheid advertenties. Toen er nog abonnementsgeld werd geheven, was de verhouding 40 procent tekst en 60 procent advertenties. Toen de krant gratis werd, veranderde dat in 25 procent en 75 procent.

De overgang naar tabloidformaat in november 2006 veranderde ook de berichtgeving. De hoeveelheid nieuws bleef minstens gelijk, maar de tekst werd korter en puntiger. Zo konden we meer berichten op dat kleinere formaat kwijt. In mei 2012 ben ik na 48 jaar gestopt.

Verslaggever Huug Kortekaas (1922-1966) in actie bij de start van een wielerronde voor de jeugd: de Tour de Flevo.
Verslaggever Huug Kortekaas (1922-1966) in actie bij de start van een wielerronde voor de jeugd: de Tour de Flevo.

Redacteuren

Huug Kortekaas volgde in 1953 Bram Borst op. Kortekaas kwam oorspronkelijk uit Wassenaar en kwam in de hongerwinter in Heiloo terecht. Oorspronkelijk werkte hij bij een loodgietersbedrijf, maar hij kreeg ernstige longklachten. Zwaar werk kon hij dus niet meer doen. Net als Bram Borst combineerde Kortekaas de verslaggeverij met het werven van advertenties en alles wat er verder te doen viel. Hij maakte ook foto’s en ontwikkelde ze in zijn huis aan de Leo Toepoelstraat. Kortekaas werd in het dorp ‘Volle maan’ genoemd vanwege zijn kaalhoofdigheid. Huug overleed al op 43-jarige leeftijd in 1966.

Quirinus de Ruijter
Quirinus de Ruijter

Zowel Bram Borst als Huug Kortekaas werkten wel samen met andere freelancers zoals de onderwijzer meester Kattestaart en de oer-Castricummer Quirinus (Rinus) de Ruijter. De Ruijter werd geboren in het duin in een uit 1836 daterende stolpboerderij die de Kroftwoning werd genoemd.

De Kroftwoning.
De Kroftwoning. Kroftlaan, duinen in Bakkum, 1916. Deze stolp stond in het duin. De boerderij is in 1916 gesloopt. De boerderij werd bewoond door de familie Willem de Ruijter en de familie Zonneveld (Piet van Sien). De Krochtlaan (ook wel Kroftlaan) is een zijweg van de Zeeweg tegenover het voetbalveld. Na enige honderden meters zien we links een groot veld. Een goed opmerker zal zien dat ongeveer twintig meter daarvoor de sloot langs de weg door een dam wordt onderbroken. Deze dam was de toegang tot de Kroftwoning die in 1836 in het kader van de ontginning werd gebouwd. Grafiettekening van Mijne Krist. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hij verzorgde onder andere de loonadministratie voor de Dienst Uitvoering Werken (DUW) belast met werkverschaffingsprojecten. Hij schreef graag over historische onderwerpen. Zijn authentieke volksverhalen heeft hij gebundeld in het boek ‘Schippers van het Stet’, dat hij in 1975 ten doop hield.

De plaatselijke verslaggevers verdeelden de taken; de een ging bijvoorbeeld naar het toneel en de ander naar de gemeenteraad. Ze gebruikten carbonpapier en op het station, vanwaar hun producten naar de diverse redacties werden vervoerd, wisselden ze de doorslagen uit.

Karel Hille begon zijn carrière in 1965 bij het Nieuwsblad voor Castricum.
Karel Hille begon zijn carrière in 1965 bij het Nieuwsblad voor Castricum.

Karel Hille

In de loop van 1965 betrad de toen 20-jarige Karel H. Hille de Castricumse arena. Hij had zich al verdienstelijk gemaakt voor het Nieuwsblad met het verzorgen van een rubriek voor


Jaarboek 36, pagina 37

tieners, ‘Monitor’ genaamd, waarin nieuwe grammofoonplaten werden besproken. Karel gooide zich als verslaggever voluit in de politieke strijd die rond woningbouw in Molendijk losbarstte. Ingezonden stukken, rechtsgedingen, pamfletten, satirische krantjes, het kon niet op. Onder andere het bekende raadslid ir. Willem Stam weerde zich geducht.

Karel Hille stapte in augustus 1967 over naar concurrent ‘Onze Krant’. In de plaatselijke muziekwereld had hij intussen zijn sporen verdiend. Hij was oprichter van ‘De Paloma’s’, deed nadien de public relations voor de in Castricum en omstreken beroemde band ‘The Frogs Ltd’, schreef teksten en organiseerde festivals in het dorp.

Geen jaar later trad hij als pr- en publiciteitsmanager in dienst van platenmaatschappij EMI-Bovema, waar hij in 1969 de eerste grote hit voor Robert Long en Unit Gloria schreef: ‘The last seven days’, een jaar later gevolgd door een tweede topvijf song ‘Our Father’. Voor Mieke Telkamp schreef hij het onsterfelijke begrafenis en crematielied ‘Waarheen, waarvoor …’, goed voor een ‘Diamanten Award’ wegens verkoop van 1 miljoen stuks. Ook voor zijn tekst ‘Als de dag van toen’, vertolkt door Reinhard Mey, ontving hij gouden en platina platen.

Nadien was hij elf jaar als journalist werkzaam voor De Telegraaf / Privé en sinds 2000 maakt hij deel uit van de redactie van het weekblad Story. Daarnaast is Hille verantwoordelijk voor de productie van tientallen tv-documentaires, waaronder de wereldwijd uitgezonden en opzienbarende documentaire over Rudolf Hess, ‘De moord op de dubbelganger van Spandau’. Deze documentaire werd genomineerd voor de Nipkowschijf.

Ad van de Velde werkte 34 jaar voor het Nieuwsblad.
Ad van de Velde werkte 34 jaar voor het Nieuwsblad.

Ad van de Velde 34 jaar Nieuwsblad

De opvolger van Karel Hille als redacteur van het Nieuwsblad werd in 1967 Ad van de Velde, toen 23 jaar oud met als enige ervaring de schoolkrant. In een gesprek in maart 1999 vertelde hij:
“Ik werkte bij de Arbeiders Pers, die naast het Vrije Volk ook veel boeken uitgaf. Rooie boeken, maar ik had in die jaren wel affiniteit met rood. Ik was gewoon administratief medewerker, maar raakte geboeid door de dynamiek van het krantenbedrijf. Ik kende Karel Hille die ook bij ons in de Geelvinckstraat had gewoond. Hij keek uit naar een opvolger en dacht dat dat baantje ook wel wat voor mij zou zijn. Ach, die gedachte was niet vreemd. We hadden op de Ulo samen al eens een aantal keren een schoolkrant gemaakt.
Ik denk dat we 14 dagen samen gewerkt hebben, voordat hij naar ‘Onze Krant’ overstapte.

Behalve met schrijven werd ik ook opgezadeld met de acquisitie. Ik denk dat ik een jaar of tien die dubbelfunctie heb gehad. Ik heb me nooit tot die advertentieafdeling aangetrokken gevoeld en dan moest je ook nog een stukje over een zakelijke activiteit schrijven.

Het brengen van nieuws heeft voor mij altijd voorop gestaan. Bij Boesenkool werd niet naar de verkochte millimeters gekeken. We maakten elke week weer een krant van 10 tot 12 pagina’s. Ook als er eigenlijk tekort advertenties waren. Het Nieuwsblad fungeerde gewoon als visitekaartje van de drukkerij.

Foto’s heb ik lange tijd zelf gemaakt en ‘s avonds en ‘s nachts ontwikkelde ik ze thuis en drukte ze af. Ook nu de krant in andere handen is, na ruim dertig jaar, ga ik nog elke dag met plezier naar mijn werk.

De werkomstandigheden zijn wel verbeterd. Ik begon zittend achter een bureautje boven op de overloop van de woning van de familie Boesenkool.

Over het vooruitzicht van de VUT zei Ad: “Het zal niet eenvoudig zijn om helemaal geen pen meer te hanteren. Ik kijk er niet naar uit, maar zal het – als de tijd rijp is – toch wel kunnen accepteren. Dan word ik graag lid van de Werkgroep Oud-Castricum.”

Het mocht niet zo zijn. In 2000 werd Ad van de Velde ziek en op 6 september 2001 overleed hij op 57-jarige leeftijd. Ruim 34 jaar had hij voor de krant gewerkt. Zijn collectie foto’s liet hij na aan Oud-Castricum.

Onze Krant

‘Onze Krant’ werd in 1966 opgericht door een voormalig medewerker van drukkerij Boesenkool, typograaf Steeman. Deze krant met als redacteur Werner Spruit zette zich nog wel eens af tegen vermeende misstanden.


Jaarboek 36, pagina 38

Het Nieuwsblad kwam in maart 1967 met een ludieke felicitatie van ‘Onze Krant’ in de vorm van een collage van de sappige koppen die het blad hadden gedomineerd. Het kantoor van ‘Onze Krant’ was eerst hier aan de Dorpsstraat en later aan de Rijksstraatweg in Limmen gevestigd. In1977 nam de uitgever van de Verenigde Noord-Hollandse Dagbladen de krant over.

In de jaren (negentien) zestig verscheen het Nieuwsblad nog twee keer per week en je moest er op geabonneerd zijn om de krant in de bus te krijgen. Het abonnement kostte een tientje per jaar. Als groeigemeente kreeg het dorp een ware invasie van nieuwe inwoners binnen haar grenzen. De meesten van die nieuwkomers zagen een abonnement niet zo zitten en toen ook nog de gratis huis-aan-huiskrant (Onze Krant) werd geïntroduceerd moest Boesenkool mee, of hij wilde of niet. Het Nieuwsblad werd in 1966 een gratis huis-aan-huisblad.

Drukkerij Boesenkool barst uit zijn voegen

In de jaren (negentien)vijftig gaf Boesenkool zelf drie kranten uit. Behalve het Nieuwsblad waren dat de Assendelfter ende Heemskerker. Vervolgens kwamen er steeds nieuwe opdrachten bij. Speciaal voor de krantendruk werd een tweedehands rotatiepers gekocht, waarvoor eerst aan de achterkant de drukkerij werd vergroot. Ook aan de zijkant werd er uitgebouwd. Die uitbreiding werd in een weekend gerealiseerd. Nood breekt wet …

Toen Klaas Boesenkool in 1963 op 67-jarige leeftijd overleed, nam Jan Boesenkool de leiding over.

De overvolle drukkerij in de Geelvinckstraat.
De overvolle drukkerij in de Geelvinckstraat. Van links naar rechts Jan Boesenkool, Cor Lof, Ron Wagenaar, Jaap Koopman, Ton Karels en Tinus Zijp.

Het bedrijf ontwikkelde zich voorspoedig. Het pand aan de Geelvinckstraat werd veel te klein. Behalve kranten werd er natuurlijk ook nog ander drukwerk in de krappe werkruimte vervaardigd.

Van 1976 tot 1987 was de voormalige zuivelfabriek aan de Breedeweg het domicilie van drukkerij Boesenkool.
Van 1976 tot 1987 was de voormalige zuivelfabriek aan de Breedeweg het domicilie van drukkerij Boesenkool.

De voormalige zuivelfabriek aan de Breedeweg 1 werd gekocht. Op 19 januari 1976 werd dat veel grotere gebouw in gebruik genomen. De drukpers uit de Geelvinckstraat werd uitgebreid van twee naar vijf units en kon nu 12 pagina’s in dagbladformaat aan. Inmiddels was Ton Karels (zoon van de zuster van Jan Boesenkool) in de directie gekomen en per 1 juli 1979 volgde hij Jan Boesenkool op. Harm Noordhoorn kreeg de leiding over de handelsdrukkerij en was ook verantwoordelijk voor de grafische vormgeving.

In 1986 verkocht Ton Karels het Nieuwsblad voor Castricum aan de Noorderpers, een onderdeel van de Verenigde Noord-Hollandse Dagbladen. De offset-rotatiedrukkerij Boesenkool, inmiddels gespecialiseerd in krantendruk, verhuisde in 1987 naar de Castricummer Werf. Het was een mooi gebaar dat Tinus Zijp de opening mocht verrichten.

Het handelsdrukwerk en het familiedrukwerk was per 1 december 1986 al overgenomen door Harm Noordhoorn en Flip van Aalzum onder de bedrijfsnaam Tipos Vormgeving en drukwerk.

Al het personeel van drukkerij Tipos.
Al het personeel van drukkerij Tipos. Anna Paulownastraat 30 in Castricum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Het bedrijf werd gevestigd in de voormalige kruidenierswinkel van Jan Tervoort op de hoek van de Anna Paulownastraat. De gepensioneerde Jan Boesenkool trad in begin jaren (negentien) negentig weer in dienst bij Tipos, waar hij tot de overname en verplaatsing van het bedrijf naar Alkmaar op 1 april 2008 de oude Heidelberger-drukpers trouw bleef bedienen.

Na de verkoop van het Nieuwsblad voor Castricum, kregen Cor Lof, Veroni Peereboom, later opgevolgd door Tanya de Goede en Ad van de Velde, een nieuwe kantoorruimte aan de Van Egmondstraat. In 1992 verhuisde het team naar een meer centraal aan de Dorpsstraat gelegen kantoor.


Jaarboek 36, pagina 39

Ad Bom liep voor het Nieuwsblad tien jaar in zijn vrije tijd het vuur uit zijn sloffen.
Ad Bom liep voor het Nieuwsblad tien jaar in zijn vrije tijd het vuur uit zijn sloffen.

Ad Bom, columnist 1968-1978

In 1968 verhuisde ons gezin van Amsterdam naar Castricum waar wij een huis betrokken in de nieuwbouwwijk Molendijk. Omdat ik (Ad Bom) al eerder journalistiek werk had gedaan en graag wilde inburgeren, nam ik contact op met het Nieuwsblad voor Castricum. Mijn aanbod om mee te werken werd aanvaard. Er moest veel werk verzet worden om wekelijks al het dorpsnieuws te brengen. Er moest overal aandacht aan besteed worden.

Er gebeurde ook heel veel in die tijd: een nieuw zwembad, een winkelcentrum, de aanleg van uitvalswegen, een nieuwe bibliotheek, voorbereiding van een nieuw raadhuis, een jongerencentrum, enzovoorts.

De gemeenteraadsvergaderingen waren in het leuke oude raadhuis. Grote opwinding als ir. Willem Stam het woord voerde. Er zou een boek over te schrijven zijn. Politieke discussies die vaak tot na middernacht duurden. Ik vond het fijn een eigen kritische column te hebben onder de titel ‘Raedspraet’. In het begin anoniem, maar tenslotte zag ik mij genoodzaakt mijn naam bekend te maken.

Herinneringen ophalen is moeilijk, het zijn slechts flitsen. Persoonlijk denk ik met plezier terug aan de activiteiten van de door wethouder Jacques Mulder opgerichte Culturele Werkgroep Castricum, waaraan ik mocht meewerken. Veel bekende artiesten en musici kwamen naar Castricum en alle verenigingen konden zich op een speciale avond in De Clinghe presenteren. Het was een zeer boeiende tijd.

De Clinghe.
Oorspronkelijk was de huidige De Clinghe een personeelsziekenhuis, ook wel paviljoen 4 genoemd. In 1967 is het gebouw geïntegreerd in het sociaal centrum De Clinghe. Het gebouw heeft daarna diverse verbouwingen ondergaan. Op de foto de entree van het gebouw. Oude  Parklaan (Duin en Bosch) 50-52 in Bakkum, 2014. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Castricummer

Als een donderslag bij heldere hemel verscheen er in oktober 1989 opnieuw een concurrent van het Nieuwsblad voor Castricum. Voor de tweede keer in de geschiedenis werd de naam ‘Castricummer’ gekozen.

Door een overname van zijn werkgever, verzekeringsbedrijf ‘Het Hooge Huys’, was Cees de Ruyter op zoek naar een andere baan. Geen eenvoudige opgave gezien de tijd waarin dat gebeurde. Cees de Ruijter was al jaren bekend met het krantenvak. Hij schreef onder andere voor Dagblad Kennmerland en het toen nog bestaande Noord-hollands Dagblad en ook voor het Nieuwsblad voor Castricum.

Hij vertelde hoe zijn plan voor een eigen krant tot stand kwam:
“Op mijn verjaardag sprak ik met mijn broer Jan, mijn vaste gesprekspartner. Ik zei: “Jan ik moet wat, misschien kan ik een krant beginnen. Ik heb tenslotte ervaring opgedaan.“
Mijn broer verloste mij van alle twijfel. Voordat ik in oktober 1989 van start ging, heb ik mij terdege voorbereid. Voor het Nieuwsblad voor Castricum verzorgde ik een special voor de middenstand van Limmen, zonder dat zij wisten dat ik later zelf van start zou gaan met een krant en hun concurrent zou worden. Het werd een uitstekende start.

Een krant beginnen is niet niks. Je moet een drukker hebben, een verspreider en personeel. Drukkerij Boesenkool werd mijn drukker en de firma Argus ging de verspreiding verzorgen. In het begin werkte ik vanuit mijn eigen huis. Veroni Pereboom en Elly de Nijs assisteerden mij. Later verhuisden we naar de Torenstraat waar ik een kantoor kreeg. Rob van Keulen verrichtte de opening op deze locatie. Niet lang daarna konden we een pand kopen aan de Dorpsstraat. Henny Huisman was het die onder grote belangstelling ons kantoor opende en dat tevens deed voor de buren, Landschap Noord-Holland.

Naast eerder genoemde dames kwamen Martine de Ruijter, Hannie Vendel en Mirjam Bevendorp ons team versterken. Trots ben ik nog steeds op een schitterende nummer dat wij verzorgden voor winkelcentrum Geesterduin, naar aanleiding van de renovatie van het winkelcentrum. In samenwerking met onder anderen Hans Koomen en Joop Hollenberg van Boesenkool werd het een geweldige krant.

Naast dit succesnummer werden er ook kranten gemaakt voor de Castricummer Werf en diverse bedrijven. Helaas moest ik in mei 1998 stoppen vanwege mijn gezondheid. Drukkerij Boesenkool nam de krant over, waarna deze in handen kwam van Kennemerland Uitgevers B.V. Tot 1 januari 2011 werd de krant op de Castricummer Werf gedrukt op de persen van de voormalige drukkerij Boesenkool en daarna bij een drukkerij in Gennep. Terugkijkend stel ik vast dat de Castricummer door het nieuws en de sportbijdragen een graag geziene gast was in de huisgezinnen.

Drukkerij Boesenkool die tot 2011 op de Castricummer Werf gevestigd was.
Drukkerij Boesenkool die tot 2011 op de Castricummer Werf gevestigd was.

Jaarboek 36, pagina 40

Vooral het voetbalnieuws was een voltreffer. Naar de rubriek ‘Pluim van de week’, waarin mensen of instellingen die goed werk deden in het zonnetje werden gezet, werd het eerst gekeken.

Dankzij de vele adverteerders is de krant een succesvolle onderneming geworden. Met tegenzin deed ik afstand van het blad dat mijn geesteskind was en dat anno 2013 nog steeds bestaat.”

Burgemeester Koos Schouwenaar krijgt in 1989 het eerste exemplaar van ‘de Castricummer Uw regiokrant’ van Cees de Ruijter.
Burgemeester Koos Schouwenaar krijgt in 1989 het eerste exemplaar van ‘de Castricummer Uw regiokrant’ van Cees de Ruijter. Links Rob van Keulen, rechts Ton Borst en Leny de Ruijter-Tuynman.

Redactie en acquisitie verhuisden vervolgens van de Dorpsstraat naar de Castricummer Werf in het pand van Boesenkool Krantendruk. In 2008 volgde een samenvoeging met de redacties van andere bladen in IJmuiden. Sinds dat jaar is de redactie van de Castricummer in handen van Anneke Zonneveld. Ze streeft ernaar zoveel mogelijk lokaal nieuws te brengen en iedereen een plaatsje in de krant te geven.
“Ik ben van mening dat het niet uitmaakt wie er tegenover je zit; werkelijk iedereen heeft een mooi verhaal te vertellen.”

Het zaalvoetbalteam van het Nieuwsblad dat onder leiding van Jan Boesenkool in 1975 / 1976 kampioen werd in zijn klasse.
Het zaalvoetbalteam van het Nieuwsblad dat onder leiding van Jan Boesenkool in 1975-1976 kampioen werd in zijn klasse. Van links naar rechts staand Billy Brouwer, Ton Karels, Hans Boot, Hein van der Wal en Jan Boesenkool; zittend Cor Lof, Henk Biesterbos, Nico Klinkenberg en Ad van de Velde.

Nieuwsblad voor Castricum nu in Alkmaar

In 2005 ging het Nieuwsblad voor Castricum over naar de Holland Combinatie. Deze organisatie van 100 huis-aan-huisbladen is onlangs (in 2013) samengegaan met de Hollandse Dagblad Combinatie. Beide bedrijven maken deel uit van de Telegraaf Media Groep. De ene reorganisatie volgde de andere op.

Taetske Grendelman, vanaf 2008 verantwoordelijk voor de redactie van het Nieuwsblad voor Castricum, stelt vast dat het schrijven meer tijd in beslag neemt dan het drukken van 17.500 kranten.
Taetske Grendelman, vanaf 2008 verantwoordelijk voor de redactie van het Nieuwsblad voor Castricum, stelt vast dat het schrijven meer tijd in beslag neemt dan het drukken van 17.500 kranten.

De redactie van het Nieuwsblad voor Castricum verhuisde in 2005 naar Beverwijk en is sinds maart 2013 in Alkmaar te vinden.
Na het overlijden van Ad van de Velde wisselden zijn opvolgers zich snel af. Zo waren onder anderen Yvor Balke, Marjolein Heidema, Bert Westendorp en (vanaf 2008) Taetske Grendelman werkzaam op de redactie.

Meerdere correspondenten hebben in heden en verleden ook hun bijdragen geleverd. Er wordt steeds meer geschreven voor het web in samenwerking met de redactie van dichtbij.nl. Hoe lang zal de papieren krant nog bestaan, vraagt Taetske zich wel eens af. De geboren Vlielandse is inmiddels goed thuis in haar woonplaats Castricum.


Jaarboek 36, pagina 41

Samenspel

Het is een samenspel van mensen en apparatuur, waardoor de krant uiteindelijk van de persen rolt. Ooit werden kranten helemaal uit loden zetregels opgebouwd. Letter voor letter en teken voor teken moest de handzetter bijeen rapen. De voorbereiding van de krant tot de aflevering nam dagen in beslag. Met de digitale technieken van tegenwoordig kost het een fractie van die tijd. De opmaak van de pagina’s gebeurt op het beeldscherm. De journalist heeft aan het artikel zo nodig zijn wensen voor de opmaak toegevoegd.. Advertenties moeten week in week uit de juiste vorm krijgen en op de juiste plek in de krant geplaatst worden en zo komt er nog heel wat vakmanschap bij kijken voordat de drukpers aan de gang kan.

De gigantische persen moeten zoveel mogelijk in bedrijf blijven en draaien bijna dag en nacht door. In hooguit een half uur tot drie kwartier wordt het Nieuwsblad voor Castricum met een oplage van ruim 17.500 exemplaren en 56 bladzijden gedrukt. In die tijd is er zo’n vijfduizend kilo papier met een snelheid van ruim 10 meter per seconde door de rollen gejaagd. De kranten worden vervolgens gestapeld, omsnoerd en ingepakt. Dan staan de vrachtauto’s klaar en gaan de volle pallets meteen naar het verspreidingsgebied en nemen de bezorgers het over. Helaas is dat laatste voor alle kranten soms een zwakke schakel in het totale hightech proces.

Jan Boesenkool met de Heidelberger aan het werk bij galerie Sopit. Op de achtergrond Harm Noordhoorn.
Jan Boesenkool met de Heidelberger aan het werk bij galerie Sopit. Op de achtergrond Harm Noordhoorn.

Jan Boesenkool is nog niet uitgedrukt

Ooit waren er Castricum twee of soms drie drukkerijen en nu geen enkele meer. De schaalvergroting en de moderne technieken zijn zo toegenomen dat orders overal op de aardbol kunnen worden geplaatst. De oude drukpersen, zetmachines, loden letters, matrijzen, het is allemaal verleden tijd en ze zijn alleen nog in musea te bewonderen.

Het enthousiasme van Jan Boesenkool voor het drukkersvak is onverminderd en nog steeds doet de 92-jarige op dat gebied vrijwilligerswerk voor de voetbalclub, waar hij vroeger zijn mannetje stond als rechtsback. Nog steeds is hij actief op de antieke Heidelberger bij zijn oud-medewerker Harm Noordhoorn. Die is nu (in 2013) grafisch kunstenaar en eigenaar van galerie en grafisch atelier ‘Sopit’ in het pand van de voormalige handelsdrukkerij aan de Anna Paulownastraat. Daar komen ambacht en kunst samen en zal Jan Boesenkool hopelijk nog lange tijd zijn oude vak in ere houden.

Niek Kaan

Bronnen:

  • Archief Werkgroep Oud-Castricum;
  • Regionaal Archief Alkmaar;
  • Noord-Hollands Archief Haarlem.

Met dank aan:

Jan Boesenkool, Ad Bom, Hannie Borst-Zijlstra, Taetske Grendelman, Karel Hille, Ton en Anneke Karels, Bert Kortekaas, Cor Lof, George Nagengast, Harm Noordhoorn, Cees de Ruijter, Jan van der Schaaf, Barbara van de Velde, Lodewijk Winkeler en Anneke Zonneveld.


17 januari 2023

Gereformeerde kerk (Jaarboek 36 2013 pg 18-27)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 36, pagina 18

De gereformeerde kerk van Castricum (1931-2005)

Het ‘lokaal’ aan de Beverwijkerstraatweg in september 1920 met de heer Cornelis Baart, zijn echtgenote Helena Nuis en dochter Trijntje tussen hen in.
Het ‘lokaal’ aan de Beverwijkerstraatweg in september 1920 met de heer Cornelis Baart, zijn echtgenote Helena Nuis en dochter Trijntje tussen hen in.

Castricum telde ongeveer 11.000 inwoners toen in 1955 aan de rand van de toenmalige bebouwing op de hoek van de Prinses Beatrixstraat en de Kleibroek de Maranathakerk werd gebouwd. Tot 2006 was het gebouw van de gereformeerde kerk en nu (in 2013) behoort het tot de protestantse gemeente Castricum. Achthoekig van vorm, omringd door bijgebouwen en met in top het hugenotenkruis, ook wel het kruis van de calvinisten genoemd. De ombouw dateert uit 1978. Het achthoekig centrum werd in 1955 gebouwd ter vervanging van de kerk aan de Beverwijkerstraatweg 32, nu een zakenpand.

Het lokaal

Vroeg in de vorige eeuw had zich een klein aantal gereformeerden in Castricum gevestigd. Zij hadden hun werk veelal op Duin en Bosch en behoorden tot de kerk van Beverwijk. Sinds december 1918 hielden zij hun kerkdiensten bij een van hen thuis.

Twee jaar later bouwt de kerk van Beverwijk aan de Beverwijkerstraatweg in Castricum een ‘lokaal’ ten behoeve van haar Castricumse leden. Vanaf september 1920 houden zij daar hun zondagse diensten.

Ruim tien jaar later, op 18 januari 1931, wordt ‘het lokaal’ door dominee F. Kramer van de kerk in Beverwijk geïnstitueerd tot de gereformeerde kerk van Castricum. Dat heeft tot gevolg dat per die datum 89 leden worden overgeschreven van de kerk van Beverwijk naar die van Castricum. De familienamen van die leden zijn: Baart, Bakker, Bokelman, Bontan, Brandsen, Brug, Van Dalfzen, Doekes, Eikelenboom, Eilander, Fey, Hellinga, Hendrikse, Ineke, De Jong, Van Kerkhof, Krösschell, Kuperus, Van der Meulen, Moes, Oortgijsen, Procee, Rozemuller, Visser, Wessels, Witbaard en Woudenberg.

De kerkenraad gaat bestaan uit de ouderlingen Cornelis Baart en Age Kuperus en diaken Jan Hendrikse. Al gauw ontstaat behoefte aan een eigen voorganger. Die wordt gevonden in theologisch kandidaat D.B. Lengkeek uit Rotterdam, die vanaf februari 1932 als hulpprediker wordt aangesteld. Per 1 november van dat jaar vertrekt hij naar Rotterdam-Delfshaven. Een jaar later neemt dominee Johannes Krüger uit Elburg het beroep aan dat op hem was uitgebracht.

Het interieur van de Gereformeerde kerk aan de Beverwijkerstraatweg in 1934.
Het interieur van de gereformeerde kerk aan de Beverwijkerstraatweg in 1934.

Binnen de landelijke organisatie van de gereformeerde kerken behoort die van Castricum tot de ‘hulpbehoevende kerken’. Met dat stempel ondernemen de Castricummers acties tot geldwerving voor uitbreiding van de kerkruimte. Die is niet alleen nodig vanwege de groei van het aantal leden, maar ook voor de opvang van zomerse vakantiegangers.

In mei wordt begonnen met het vergroten van de zaal en wordt in De Standaard (een landelijk gereformeerd dagblad) een advertentie geplaatst voor het verkrijgen vaneen lening. Aldus wordt de verbouw gefinancierd. Op22 juli 1934 volgt de intrede dienst van dominee Krüger in het zojuist van 50 tot 140 zitplaatsen vergrote kerkgebouw. Inmiddels heeft dominee Krüger een aannemer opdracht gegeven tot de bouw van zijn huis aan de Beverwijkerstraatweg 140 dat de naam ‘Nieuw Silvold’ (zie noot 1) krijgt, een verwijzing naar Silvolde-Gendringen waar Johannes Krüger, 28 jaar oud, op 9 januari 1910 predikant werd. Tegen het einde van 1934 betrekt hij de pastorie.

Dominee Krüger komt in een kleine kerkgemeenschap vol activiteiten. De kerkenraad was al eerder ingegaan op het verzoek van het gemeentebestuur mee te helpen


Jaarboek 36, pagina 19

in het gemeentelijk crisiscomité. Alle hens aan dek was nodig om hulpbehoevende burgers bij te staan. Dat was een zorg die de diaconie in haar kerkenwerk al volop kende, ‘stille hulp’ aan leden die het financieel niet meer konden bolwerken.

Bij de Nederlandse Zuivelcentrale wordt een aanvraag ingediend voor het beschikbaar krijgen van vet, reuzel en margarine als kerstgift aan degenen die die hulp hard nodig hebben. De meisjes- en jongelingsverenigingen zijn volop actief, de evangelisatiecommissie verspreidt wekelijks het blad de ‘Goede Tijding’ en intern wordt veel tijd besteed aan huisbezoek, dat toeneemt met de groei van het aantal leden. Eind december 1934 is dat aantal op 125 gekomen en zal in 1939 tot 210 stijgen.

In 1937 behandelt de kerkenraad het synodale rapport over de NSB en de CDU (Christen Democratische Unie; pacifistisch). De synode spreekt daarin uit: “Dat er geen plaats is voor leden onzer gereformeerde kerken in organisaties die uitgaan van het leidersbeginsel, van de nationalistische totalitaire machtstaat en van de antimilitaristische verwerping van de oorlog.” Dit rapport zal van invloed geweest zijn op de houding van veel gereformeerde Castricummers.

Op 29 september 1938 wordt een dienst van gebed gehouden vanwege de kritieke internationale situatie. Duitsland dreigt verder te gaan dan de bezetting van Oostenrijk: het is bezig troepen samen te trekken bij Sudetenland.

Dominee Johannes Krüger.
Dominee Johannes Krüger.

De oorlogsjaren

Op 10 mei 1940 vallen Duitse legers Nederland binnen.Tijdens de kerkenraadsvergadering op 3 juni van dat jaar zegt voorzitter Krüger:
“Er is reden om de adem in te houden van schrik, maar dat Gods Woord nog gebracht mag worden, daarvoor is dankbaarheid en wij bidden dat wij het getrouw mogen blijven doen.” Er wordt een collecte gehouden ten behoeve van de ‘zwaar geteisterde gereformeerde kerken in Rotterdam’.

Regelmatig ontvangt de kerkenraad een circulaire van de Generale Synode. Deze dragen vaak het stempel ‘Niet voor publicatie bestemd’. In een eerste brief roept de Synode op ‘uw inzicht te laten bepalen door Gods Woord en dat u waakt tegen elke machtsuitoefening van de Staat’. Samenwerking met de door de Duitsers ingestelde ‘Winterhulp’ wordt de kerkenraad afgeraden in een circulaire van de Centrale Diaconie: de actie Winterhulp houdt geen rekening met de aard en de bedoeling van de kerkelijke armenzorg en bevestigt de vrees van inmenging in onze aangelegenheden.

In juni 1941 wordt dominee Krüger door de Duitse politie van huis gehaald. De kerkenraad spreekt er zijn vreugde over uit dat hij nog dezelfde dag vrij komt. Ook gemeentelid Krösschell wordt gearresteerd, zit een tijd gevangen en komt 5 oktober in dat jaar de kerkenraad begroeten.

Organist van de kerk is Van Ginhoven. Al langere tijd wordt hij wegens afwezigheid vervangen door de reserve-organisten Doekes, Kuperus jr. en Van de Vliet. Op 8 mei 1941 wordt Van Ginhoven (zie noot 2) in Amsterdam door de bezetter gearresteerd wegens spionage en sabotage. Bijna twee maanden later, op 30 juni, wordt Age Kuperus in Schoorl gevangen gezet en later naar Buchenwald overgebracht (zie noot 3). Ook Belgraver wordt gevangen genomen. Op 18 december 1942 komt Kuperus weer thuis. Belgraver zou pas kort voor de bevrijding vrij komen. Naast Huibert van Ginhoven hebben ook Gerrit Krösschell, Simon Belgraver en Age Kuperus, leden van de gereformeerde kerk, zich actief afwerend tegenover de bezetter opgesteld.

Huibert van Ginhoven

Op 4 oktober 1941 hoorde Huibert van Ginhoven in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam het doodvonnis tegen zich uitspreken. Na de uitspraak hief mevrouw Van Ginhoven, bijgevallen door anderen, het Wilhelmus aan.

Op 11 november 1941 schrijft Huibert van Ginhoven vanuit zijn gevangenis in Amsterdam aan de leden van de gereformeerde kerk in Castricum (zie noot 4) : “Ruim vijf jaar (zie noot 5) mocht ik onder u verkeren. Mijn werk als organist was mij lief. Ik zou dit allen wel willen inhameren. Besef toch welke zegeningen gij wekelijks ontvangt in de bediening des woords, in catechisatie en vereniging.


Jaarboek 36, pagina 20

Bij mij was ook veel sleur, gewoonte. Hoeveel psalmen speelde ik niet voor u, zonder recht de woorden te verstaan. Zeker, ik las ze steeds na voordat ik ze speelde, maar o zo vaak alleen uit muzikaal oogpunt. Hoe moet ik ze spelen. Nu weet ik beter. Nu zou ik zo graag elke psalm goed doordacht willen spelen, wat er gezongen wordt.
In dit gehele halve jaar hoorde ik tweemaal een preek. Deze tijd heeft mij veel geleerd, vooral na 4 oktober. Geen uwer weet, Goddank, wat een doodvonnis betekent en ik zal niet proberen u dit duidelijk te maken. Ik wil alleen u schrijven, wat ik voel, hoe alles in mij stukgeslagen werd, alle trots en eigen waan geknakt, tot er niets meer overbleef. Of niets, nee veel. Een totaal gebroken mens met een volkomen gebroken geest. Na veel worstelen en gebed werd mij duidelijk dat ik voor grote zegeningen danken kon; nee, moest. God gaf mij rust en vertrouwen in Zijn leiding met mij en de mijnen. Hij gaf mij vrede met de mensen. Hij leerde mij bidden ook voor hen, die mij verraden hebben. Hij nam alle haat en wrevel uit mij weg. Hij gaf mij de lust Hem mijn zonden, verkeerde daden en gedachten te belijden. Hij gaf mij troost mij vast te klampen aan Christus’ verlossingswerk. Het is heel moeilijk geweest om zover te komen. Bedenk hoeveel ik achter moet laten als het vonnis voltrokken moet worden, wat Hij genadiglijk verhoede. Vrees en benauwdheid zijn in ruime mate mijn deel geweest en nog slaan ze soms als een vloedgolf over mij heen. Dan moeten we God danken een rots te hebben waar we tegen kunnen leunen.

Deze week zong een andere gevangene op één der luchtplaatsen: ‘Veilig in Jezus armen’. Zo is het. Maar wij beseffen het vaak niet, vooral als ons leven gewoon verloopt. Laten wij allen het ons bewust worden, dat wij in zijn armen veilig zijn, maar ook alleen daar en nergens anders. Nog weet ik niet wat God over mij besloten heeft, maar ik kan nu rustig afwachten. Gemeente van Castricum, blijf mij en de mijnen in uw gebeden gedenken. We hebben het nodig. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, maar Zijn bedoeling is goed, hoe dan ook en Zijn doen is majesteit.
Ik neem geen afscheid van u en wij zullen elkaar eens weer zien. God weet alleen of dat hier beneden of hierboven zal zijn. Mocht het Zijn wil zijn mij op te nemen, dan bid ik de genade te mogen ontvangen, om de woorden van psalm 43-4 tot de mijne te maken. God zegene u. Tot weerziens, uw broeder Ginhoven.“ (zie noot 6)
Op 17 maart 1942 wordt Huibert van Ginhoven op de schietbaan van Laren gefusilleerd (zie noot 7).

In augustus wordt dominee Krüger uitgenodigd aanwezig te zijn bij de ambtsaanvaarding van de NSB-burgemeester. Hij gaat daar niet op in.

De Synode schrijft in een circulaire dat zij heeft moeten constateren, dat pogingen aangewend worden om haar laatste besluiten niet als wettig te erkennen. In juni 1942 heeft de Synode met overgrote meerderheid een besluit genomen over de betekenis van de doop. Een minderheid kan zich daar niet bij neerleggen en blijft de kerken oproepen tot het niet erkennen van het genomen Synodebesluit. Twee weken later spreekt de Synode over de bezwaren van die minderheid, verwoord door de professoren Schilder en Greijdanus. Deze bezwaren zouden in 1944 tot een scheuring in de gereformeerde kerken leiden. Tot april1947 zouden 13 leden van de gereformeerde kerk Castricum overgaan naar de vrijgemaakt gereformeerde kerk.

Verspreiding gemeente

In december 1942 eist de Duitse bezetter evacuatie van een groot deel van de bevolking van Castricum en Bakkum. Dominee Krüger wijst erop dat de evacuatie de gemeente sterk zal verspreiden. Velen zullen gedwongen moeten verhuizen naar plaatsen buiten Castricum. Hij spoort iedereen aan de nieuwe adressen zo veel mogelijk door te geven en er ook voor te zorgen dat de kerkelijke bijdrage gehandhaafd blijft. Voor de geestelijke verzorging van de Castricummers mogen een pastoor, een kapelaan en de hervormde dominee blijven. Pogingen van dominee Krüger om ook te blijven, hebben geen resultaat. Hij vertrekt met zijn gezin naar Beverwijk.
In mei 1943 wordt de kerk in beslag genomen. De kerkenraad vergadert in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam. Eind augustus komt een deel van de kerk weer voor de gemeente beschikbaar, inclusief de bovenwoning.

Heroriëntatie en groei

Vanaf voorjaar 1944 worden geen kerkenraadsvergaderingen meer gehouden. In de eerste vergadering van na de oorlog op 15 september 1945 herdenkt voorzitter Krüger dat ons land door Gods hand weer bevrijd is. Tijdens de evacuatie zitten drie kerkenraadsleden in Amsterdam, een in Medemblik en de vijfde (C.J. Baart) wordt als noodouderling voor Castricum benoemd.
Per januari 1946 wordt een nieuwe kerkenraad bevestigd: Simon Belgraver en Jelle van der Meulen als ouderling, Klaas Bakker en Leendert Vaalburg als diaken.

In de eerste gemeentevergadering van na de oorlog (mei 1946) geeft dominee Krüger een terugblik op de afgelopen vier jaren. In het verslag daarvan is nieuw dat de kerk voor wapenopslag wordt gebruikt en dat op kamp Bakkum samenkomsten met OT-werkers (zie noot 8) worden georganiseerd. Opvallend is dat geen melding wordt gemaakt van de fusillade van Huibert van Ginhoven en van de gevangenneming van dominee Krüger’s zoon Theodoor bij de razzia op 1 oktober 1944 in Putten (zie noot 9). Theodoor Krüger, geboren in mei 1914 in Silvolde, was een van de vele honderden die vanuit Putten werden afgevoerd naar Neuengamme; hij overleed daar op 12 maart 1945. Zijn naam staat geschreven in de muur van de Gedachtenisruimte ‘Oktober44’ in Putten.

Op 26 februari 1950 neemt dominee Krüger afscheid van Castricum wegens emeritaat. Theologisch kandidaat A.G. Kornet volgt hem op vanaf 5 maart 1950; Torenstraat 24 wordt de pastorie.


Jaarboek 36, pagina 21

In 1951 wordt een bouwcommissie ingesteld die alle gereformeerde kerken in Nederland een circulaire toestuurt met het verzoek eenmalig een collecte te houden ten behoeve van de kerkbouw in Castricum. Aan dat verzoek gaat vooraf: “In ons dorp vindt men, behalve twee grote rooms-katholieke kerken en een oude Nederlands hervormde kerk nog een klein, onaanzienlijk gebouwtje, dat niet als kerk kenbaar zou zijn, indien dit niet op een naambord was vermeld. Hier vergadert, nu ongeveer 30 jaar (nota bene!), de gereformeerde kerk. Dit gebouwtje verkeert in staat van bouwvalligheid. Noodgedwongen zullen wij op vrij korte termijn tot nieuwbouw moeten overgaan.

Er worden allerlei geldwervingsacties ondernomen, zoals orgelconcerten in omliggende steden. Als dominee Kornet elders gaat preken, gaat er een brief naar die gemeente met een verzoek tot geldelijke steun, zoals op 8 juni 1952: “Wij wonen in een omgeving, waarin de macht van Rome steeds meer toeneemt. Er staan twee prachtige roomse kerken in Castricum. De hervormde kerk heeft een vrijzinnige predikant. Onze kerk is klein; wij behoren tot de hulpbehoevende kerken. Het kerkje is bouwvallig. Zoudt u in ernstige overweging willen nemen een collecte te houden ten bate van kerkbouw in Castricum?”

In diezelfde maand richt een gemeentelid zich tot de classis Haarlem:
De kerk van Rome bouwt ook, en hoe? In het bisdom Haarlem moeten binnen afzienbare tijd 30 kerken worden gebouwd, en die komen er, want het gehele bisdom offert elke zondag in de eerste collecte voor nieuwe kerken. In Castricum is de 7e van de 30 kerken in 1951 gereed gekomen. Daar kan het Calvinisme iets van leren. Diep doordrongen van de noodzaak, dat in het door en door Roomse Castricum ook het Calvinisme de mogelijkheid moet worden geboden zich te ontplooien, vertrouw ik dat u allen, hoofd voor hoofd, met deze zaak ernst zult maken, zodat in 1953 in Castricum geen hagenpreken maar kerkdiensten kunnen worden gehouden in een kerkgebouw, dat geen aanfluiting is voor de wereld en het papisme.
Eind 1952 zeggen de kerken in de classis (regionale vergadering) Haarlem aan Castricum elk een jaarlijkse collecte toe gedurende vijf jaar.

Bijzondere hoorcommissie

In 1953 heeft de kerk geen predikant. Het jaar daarvoor is dominee Kornet naar Sint-Annaparochie vertrokken. Een nieuwe predikant is nog niet in zicht, hoewel de hoorcommissie, die als eerste in Nederland ook vrouwen telt, uit alle streken preken hoort.

Vanaf begin 1954 komen brieven binnen, waarin dominee A. A. Leenhouts uit Soest wordt aanbevolen. De kerkenraad doet daar onderzoek naar en belegt een gemeentevergadering, waarna de raad hem per 1 april van dat jaar met algemene stemmen benoemt tot hulppredikant. Hij gaat wonen op Koningin Julianastraat 18. Op zondag 19 december 1954 vindt de bevestiging plaats van dominee Leenhouts als predikant van de gereformeerde kerk van Castricum en komt er een einde aan zijn korte periode van hulppredikantschap.

Omdat meer dan in voorafgaande jaren de kerk aan de Beverwijkerstraatweg in de zomermaanden overbezet is, worden de morgendiensten in zaal Roozendaal (zie noot 10) gehouden. De twee ochtenddiensten kunnen zo beperkt worden tot een. Dat heeft tot gevolg dat de kerk dan ’s morgens niet wordt gebruikt. Als de Doopsgezinde Kring vraagt de kerk voor haar zondagse dienst te mogen gebruiken, weigert de kerkenraad dat, ‘omdat op grond van verkregen inlichtingen moet worden gevreesd dat de prediking niet de Christus der Schriften tot inhoud zou hebben.’ Dit besluit heeft afkeurende reacties van gemeenteleden tot gevolg en krijgt vermelding in het Nieuwsblad voor Castricum, in het Doopsgezind Weekblad en in het Centraal Weekblad.

Kerkenraad en bouwcommissie december 1955.
Kerkenraad en bouwcommissie december 1955. Van links naar rechts zittend K.Bakker, A. Kuperus, ds. A. A. Leenhouts, H. Knol en J. C. Baart. Staand B. Moes, A. Eikelenboom, J. A. van der Meulen, D.Sixma, S. van Weeren en G. A. Sneep.

Jaarboek 36, pagina 22

Een nieuwe kerk

In oktober 1953 zoekt de bouwcommissie contact met architecten. Dat leidt tot de keuze voor het architectenbureau Hink Eldering uit Leeuwarden, ontwerper van verschillende na de oorlog gebouwde kerken.

Eind januari 1954 komt de commissie in gesprek met het gemeentebestuur over een stuk grond in het uitbreidingsplan ‘Noord-Oost’. Het perceel (sectie B, nummer 5459 ) is driehoekig van vorm en 5.650 vierkante meter groot. Een kleine 3.000 vierkante meter daarvan wil de gemeente verkopen ten behoeve van kerkbouw.

Verschillende ontwerpen passeren de revue, inclusief die waarbij naast de kerk een kosterswoning en een pastorie staan getekend. In oktober 1954 komt het definitieve ontwerp gereed op 715 vierkante meter gekochte grond en geeft de gemeente de bouwvergunning af. De bouw van de kerk wordt opgedragen aan de Friese aannemer Van der Woude uit Twijzel, die daarmee in maart 1955 begint.

Toespraak van burgemeester C.F. Smeets op vrijdag 23 december 1955 bij de ingebruikname van de kerk.
Toespraak van burgemeester C.F. Smeets op vrijdag 23 december 1955 bij de ingebruikname van de kerk.

Op 23 december 1955 wordt de nieuwe kerk in gebruik genomen. De kerk krijgt de naam ‘Maranatha’, een Aramees woord dat de roep om de terugkomst van Jezus aanduidt.

Ruim vijfendertig jaar heeft ‘het lokaal’ aan de Beverwijkerstraatweg dienst gedaan. Het wordt verkocht voor tienduizend gulden. De nieuwe kerk staat niet meer afzijdig, maar aan de noordrand van het dorp, waar plannen tot bouw van nieuwe wijken in ontwikkeling zijn.

De Maranathakerk.
De Maranathakerk.

Door de nieuwe plaats is de kerk komen te liggen aan het parcours van de ‘Ronde van Castricum’, die in 1956 op zondagmiddag 29 juli verreden zou worden. Zonder medewerking van de kerk kan de burgemeester op grond van de Zondagswet geen toestemming voor de Ronde geven. Hij vraagt daarom of de kerkdienst van vijf uur naar de avond kan worden verplaatst. De kerkenraad antwoordt daarop dat dat om principiële redenen niet kan: “De kerkenraad is van oordeel, dat de zondag als de dag des Heren moet worden gevierd; dat daarom alle sport op deze dag in strijd is met de Bijbelse opvatting van de zondagsheiliging; dat op grond hiervan de kerkenraad niet in het minst kan meewerken aan hetgeen naar zijn inzicht ontheiliging van de van Godswege ingestelde rustdag is.

Al eerder was de Zondagswet actueel geweest.In 1938 vraagt de burgemeester of er bezwaar is om de avonddienst op kermiszondag te laten vervallen. De kerkenraad schrijft terug: “Het zal u niet bevreemden, dat het onmogelijk is, om ter wille van de kermis de gewone avonddienst te doen vervallen. Afgezien dat dit zou strijden met de onder ons bestaande zeer ernstige bezwaren tegen de kermis in het algemeen en in het houden daarvan op zondag in het bijzonder, zou dit ook een afwijking zijn van de roeping tot prediking, die naar onze belijdenis de Kerk des Heren heeft op Zijn dag.

Dominee Leenhouts legt zijn ambt neer

In april 1957 meldt dominee Leenhouts de kerkenraad dat de kerk van Heerlen een beroep op hem heeft uitgebracht en dat hij dat beroep wil aannemen. Briefschrijvers willen graag dat Leenhouts blijft. Eind september besluit een gemeentevergadering dat Leenhouts nog tot september 1958 de kerkdiensten blijft leiden. Opnieuw nemen gemeenteleden de pen om hun diepe teleurstelling uit te spreken over het vertrek van dominee Leenhouts. Er ontstaat een sfeer die de gemeente verdeelt. Ook binnen de kerkenraad is verschil van mening. Allerlei pogingen om de verstandhouding met de dominee te verbeteren hebben geen resultaat.


Jaarboek 36, pagina 23

Een briefschrijver zegt dat de kwestie tussen dominee Leenhouts en de kerkenraad niet te benoemen is. Van ‘zondige wandel’ of van dwaalleer is geen sprake. Het is meer een kwestie van geloofsgevoelen. Hij ziet de oplossing in het vervangen van de hele kerkenraad. Er vormt zich een groep die kerkscheuring vreest en zich tot de classis richt met het verzoek de kerkenraad te bewegen af te treden.

De pastores Leenhouts, Papineau Salm (hervormd) en Heemskerk (rooms-katholiek) konden het blijkbaar goed met elkaar vinden, want in de zomer organiseren zij bij Johanna’s Hof een openluchtspel rond de vraag, wat God en godsdienst betekenen in de realiteit van het dagelijks leven.

In januari 1958 deelt dominee Leenhouts de kerkenraad mee dat hij zijn ambt neerlegt en stuurt hij elk gemeentelid persoonlijk een herderlijk schrijven ten afscheid:
Er moet mij nog iets van het hart: blijf om Christus wil trouw aan de Gereformeerde Kerk. Ga niet weg, ik doe het ook niet. Nergens zullen we een volmaakte kerk aantreffen, nergens volmaakte leden, nergens volmaakte predikanten. Wat mijn toekomstige arbeid betreft, neem dit van mij aan: ik blijf bij dezelfde BAAS, bij dezelfde PATROON. Ik blijf mijn leven lang dienaar van het goddelijk Woord.”

Als eind februari een geheel nieuwe kerkenraad wordt gekozen, laat ds. Leenhouts weten het daar absoluut niet mee eens te zijn. De tegenstellingen tussen de medestanders van de predikant en die van de kerkenraad verscherpen zich.

Op 20 augustus 1958 verschijnt in de Friese Koerier een artikel onder de kop ‘Schisma in gereformeerde kerk Castricum’. Ook in andere bladen waaronder Trouw verschijnen dergelijke berichten.
Op diezelfde dag neemt Leenhouts in hotel Borst afscheid van vrienden en bekenden, onder wie veel leden van de Gereformeerde Kerk. Omdat persberichten de indruk wekken dat het om een officieel afscheid van de Gereformeerde Kerk gaat, laat de kerk de kranten weten dat daarvan geen sprake is.

Al maandenlang was Leenhouts voorgegaan in diensten buiten de Gereformeerde Kerken, zoals in bioscoop Corso en in de Vrije evangelische gemeente Beverwijk. Eind augustus vertrekt hij met zijn gezin naar Amsterdam. Hij had zich, zoals hij bij zijn afscheid in hotel Borst had meegedeeld, onttrokken aan de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Een tientallen jaren later gemaakte analyse van de kwesties uit de tijd van Leenhouts zegt:
‘Uiterlijk werden deze toegespitst op de onwilligheid van Leenhouts om kerkleden, die regelmatig de middagdiensten verzuimden, onder kerkelijke tucht te plaatsen.’

Eerder, in 1965, had Leenhouts de kerkenraad geschreven:
Doorslaggevend om het ambt neer te leggen was dat er geen openheid was voor het fungeren van de bijzondere gaven des Geestes.” (zie noot 11) Leenhouts was ervan overtuigd dat hij de bijzondere gave had om rechtstreeks boodschappen van God(s Geest) te ontvangen. Hij meende dat de kerkenraad hem te weinig ruimte gaf om vanuit die geloofservaring als predikant werkzaam te zijn.

Eind 1958 stuurt de kerkenraad brieven naar leden die in verband met de gemeentelijke onenigheid de laatste tijd de kerkdiensten niet hebben bijgewoond: “… wil de kerkenraad u ernstig vermanen om in de kerkelijke weg der gehoorzaamheid terug te keren”. Dat geeft tegen reacties:
Ik weiger mij aan ambtsdragers te onderwerpen die de eenheid der Kerk stuk voor stuk in de weg staan!” en “Ons verstand staat er bij stil, hoe durft u ons te vermanen.” Na een uitspraak van de Generale Synode keert de kerkelijke rust langzaam terug.

Oecumenische ontwikkelingen

In 1966 vinden de rooms-katholieke en de protestantse kerken elkaar in de oprichting van de Interkerkelijke Commissie Kerk-Recreatie ten behoeve van het evangelisatiewerk op kamp Bakkum. Tien jaar later blijkt uit een enquête dat de vakantiegangers de daar gehouden kerkdiensten op prijs stellen, vooral vanwege het oecumenisch karakter.

In november 1967, precies een jaar na de oprichting van het IKV (Interkerkelijk Vredesberaad), vindt er in de kerkenraad een discussie plaats over kernbewapening. Na overleg met de andere Castricumse kerken leidt dat tot invoering van de Vredesweek.

Bij de kerkenraad komen in die periode kritische brieven binnen over allerlei ontwikkelingen in de kerk (samenwerking met de hervormde kerk, vrouw in ambt, liturgische vernieuwingen, veranderde gezangmelodieën). Ook de sterke groei van de kerk levert bedenkingen op: het bezwaar tegen toetreding tot de kerkenraad van mensen die onbekend zijn voor de hier al lang wonende kerkleden. “Moeten we leden in de raad kiezen die wij niet kennen?”

Passend bij de bestaande interkerkelijke activiteiten als evangelisatie en vredesberaad (gereformeerd, hervormd, rooms-katholiek), vinden de drie kerken elkaar in 1967 in de werkgroep Oecumene Castricum (zie noot 12), waaraan aanvankelijk ook kerken uit de IJmond meedoen. Deze samenwerking krijgt in 1976 de naam ‘Voorlopige Raad van Kerken’, totdat eind 1986 de toevoeging ‘Voorlopig‘ vervalt en de Raad van Kerken Castricum ontstaat (formeel per 1 januari 1987).

Nieuw elan

Ds. Y. Stienstra is in februari 1963 als predikant bevestigd in de Maranathakerk. In augustus 1967 is hij vertrokken naar Zuidland. De commissie, die een opvolger zoekt voor dominee Stienstra, komt in april 1969 de naam van drs. B. Boelens, predikant bij de Christian Reformed Church in de VS, ter ore. Al snel begint correspondentie, waarin de kerkenraad hem informeert over Castricum, over de kerkelijke situatie en over de samenwerking met andere kerken die vrij gering is:
Niet uit onwil, noch van deze, noch van andere zijde, maar meer door gebrek aan stimulansen.”

Op 31 augustus van dat jaar wordt B. Boelens bevestigd als predikant van de gereformeerde kerk van Castricum. Dat gebeurt in de rooms-katholieke kerk in Bakkum. De Maranathakerk biedt daarvoor te weinig ruimte. Koningin Wilhelminalaan 3 wordt de pastorie.


Jaarboek 36, pagina 24

Omdat de Maranathakerk regelmatig overbezet is, wordt onderzoek gedaan naar de toekomstige behoefte aan kerkruimte. Dat onderzoek concludeert dat forse uitbreiding nodig is als gevolg van de sterke groei van het aantal inwoners, het relatief hoge percentage gereformeerden daarin en de wens de kerk ook als ontmoetingscentrum te gebruiken. Het idee om samen met de rooms-katholieke Bethlehemparochie een kerkelijk centrum (Geesterhage) te bouwen, strandt eind 1974, omdat de kosten voor de kerk te hoog worden geacht.

Intussen hadden enkele kerkleden zich gegroepeerd in ‘De Club van Zes’ (zie noot 13) rond de vraag of de huidige organisatie van de kerk in staat is slagvaardig te reageren op de snelle veranderingen in de maatschappij. Daarover wordt met een groot aantal gemeenteleden gediscussieerd met als resultaat dat in februari 1973 een nieuwe organisatiestructuur wordt gepresenteerd. Die houdt in dat de kerkelijke activiteiten worden ondergebracht in een twaalftal werkgroepen, zoals pastoraat, diaconie en interkerkelijke samenwerking.

Geconstateerd wordt dat het jeugdwerk ‘de gebouwen uitgroeit.’ Bij de diverse clubs zijn vele tientallen jongeren aangesloten. Daarnaast bereikt de oecumenische werkgroep Kerk en Recreatie met kinderkerkdiensten op kamp Bakkum tientallen binnen- en randkerkelijke kinderen. Maar waar de evangelisatie samenwerking van de kerken op kamp Bakkum hecht is, is die tussen beide gemeenten nog maar weinig aanwezig. Totdat de vraag opkomt of alles samen gedaan wordt wat samen gedaan kán worden. Die vraag blijft niet zonder resultaat, want eind 1972 ligt er een beginnend stuk op tafel over samenwerking tussen gereformeerd en hervormd Castricum. Dat document schuift de tot dan toe stroeve samenwerkingspogingen opzij en opent elkaars zicht op de ander.

Het interieur van de Maranathakerk gezien vanuit het liturgisch centrum.
Het interieur van de Maranathakerk gezien vanuit het liturgisch centrum.

Eind 1975 gaat een gemeentevergadering enthousiast akkoord met een schetsplan voor de uitbreiding van de Maranathakerk. Het kostenniveau is de helft van het vorige plan (deelname in bouw Geesterhage). Aan architect H. Blansjaar uit Leiderdorp wordt de opdracht verstrekt tot het maken van een schetsontwerp met begroting. Er worden allerlei doe-het-zelfacties op touw gezet die tienduizenden guldens opbrengen. Nadat de bouwvergunning was verkregen, presenteert de architect in april 1977 het bestek met tekeningen en wordt de bouw in juni opgedragen aan het aannemersbedrijf Gebroeders Terlingen in Amsterdam.

In maart 1978 wordt de met zalen uitgebouwde Maranathakerk in gebruik genomen met naast de ingang – die nu (in 2013) aan de noordkant in plaats van aan de westkant ligt – het oudchristelijk symbool van de vis. De werkgroep kerkbouw (zie noot 14) had na ruim twee jaar haar doel bereikt.

Het grondvlak van de kerk na de uitbreiding in 1978. Oorspronkelijk de kerkzaal met rechts (westkant) de entree en links de grote vergaderzaal met toneelpodium en daartussen een ‘sluis’ van vergaderkamer en buffet. Het overige werd aangebouwd in 1978: twee ontmoetingsruimten, de entree aan de noordkant en drie vergaderruimten aan de westkant.
Het grondvlak van de kerk na de uitbreiding in 1978. Oorspronkelijk de kerkzaal met rechts (westkant) de entree en links de grote vergaderzaal met toneelpodium en daartussen een ‘sluis’ van vergaderkamer en buffet. Het overige werd aangebouwd in 1978: twee ontmoetingsruimten, de entree aan de noordkant en drie vergaderruimten aan de westkant.

Weer klinkt de vraag: “Wat doen we nog niet gemeenschappelijk?” Dat zet tot verdere initiatieven aan. Zo wordt besloten tot gezamenlijke kerkenraadsvergaderingen in voor- en najaar en tot het ingrijpende besluit om een gezamenlijke jeugdpredikant aan te stellen. Per 1 januari 1978 wordt dat theologisch kandidaat H. J. Westmaas. Twee jaar eerder had dominee Boelens zijn boek ‘Tussen mens en onmens’ uitgegeven met als ondertitel ‘Een poging tot interpretatie van het woordje God’. De inhoud was ontleend aan onderwerpen die de afgelopen jaren in


Jaarboek 36, pagina 25

een tiental gespreksgroepen aan de orde waren geweest. Het boek had kritische reacties opgeroepen van predikanten, van de classis en van (ook Castricumse) kerkleden; er wordt een bezwaarschrift naar de Synode gestuurd en de discussies rond het boek krijgen uitgebreid aandacht in de kerkelijke pers en in ‘Trouw’. Daarin verschijnen ook ingezonden brieven van Castricummers die het opnemen voor dominee Boelens.

Eind 1978 besluit de Synode niet te voldoen aan het verzoek van dominee H. J. Hegger om Boelens het predikantschap te ontnemen en krijgt een synodecommissie opdracht het boek van Boelens ‘te beoordelen ten aanzien van de wijze waarop deze de centrale geloofsinhoud probeert te vertolken voor mensen van deze tijd.’ Die beoordeling loopt uit op wat te benoemen is als een schikking.

De uitbouw aan de westzijde van de Maranathakerk.
De uitbouw aan de westzijde van de Maranathakerk.

Veranderingen

Niet alleen het boek van Boelens, maar ook de vorm van de kerkdiensten houdt leden van de Maranathakerk bezig. De inkleding van de kerkdiensten maakt sommige kerkgangers ongerust, zoals blijkt uit binnengekomen brieven. Brieven die zich keren tegen de bijzondere diensten, tegen de steeds wijzigende liturgie en tegen het gebruik van de ouwel in plaats van brood bij het Avondmaal. Andere leden laten weten met deze veranderingen juist gelukkig te zijn. Op een gespreksavond over dit onderwerp worden de bezwaren niet weggenomen, maar wordt opgeroepen elkaars geloofsbelevingen te accepteren.

De Vredeswerkgroep heeft enkele jaren geleden een politiek avondgebed georganiseerd rond het thema ‘Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland’. In november 1980 komt de Hervormde Synode met een rapport over kernbewapening, dat enkele leden in de Hervormde Gemeente aanzet tot het leggen van contact met de Evangelische Gemeente in Erfurt. Doel ervan is iets te doen aan de spanning tussen Oost en West en mogelijk het wederzijds vijand denken te doorbreken. Die inzet vindt weerklank in Erfurt, zoals blijkt uit een brief naar de inmiddels in Castricum ontstane hervormd-gereformeerde werkgroep DDR. Vanaf dat moment gaan er jaarlijks delegaties uit beide gemeenten naar Erfurt. Na de val van de Muur komt er in mei 1990 voor het eerst een delegatie naar Castricum. Die wordt door de burgemeester ontvangen op het gemeentehuis, waar de DDR-vlag naast die van Nederland zou wapperen.

In september 1991 gaat een delegatie van de werkgroep uit Erfurt met een aantal leden van de Martini Gemeinde naar de Evangelische Gemeente in Cluj (Roemenië), waarmee Erfurt in contact stond. In Cluj zijn gemeenteleden bezig met de oprichting van wat het Medisch Kinderdagverblijf ‘Bethania’ zou worden. In1992 wordt dat geopend. Vier jaar later zou de nieuwbouw worden opgeleverd. Sindsdien ondersteunt de Castricumse werkgroep Cluj het Medisch Kinderdagverblijf ‘Bethania’.

De heer F. W. Hutter, voorzitter van de kerkenraad, drukt dominee Boelens en echtgenote de hand ter gelegenheid van zijn afscheid van Castricum op 31 oktober 1982.
De heer F. W. Hutter, voorzitter van de kerkenraad, drukt dominee Boelens en echtgenote de hand ter gelegenheid van zijn afscheid van Castricum op 31 oktober 1982.

In Trouw van 18 februari 1982 verschijnt een advertentie waarin Castricum contact zoekt met een opvolger voor dominee Boelens, voor wie aan het eind van het jaar het emeritaat wacht. Een paar maanden later wordt dominee drs. H. Appers uit Heerhugowaard beroepen. Als gastpredikant was hij meer dan eens in de Maranathakerk voorgegaan.

Op zondag 31 oktober 1982 neemt dominee Boelens afscheid van Castricum. De afscheidsdienst vindt plaats in de veel ruimte biedende rooms-katholieke Sint-Pancratiuskerk. Enkele maanden later wordt dominee Appers bevestigd als predikant van de Maranathakerk.

Dominee Boelens heeft niet lang van zijn emeritaat kunnen genieten. Hij overlijdt op 20 augustus 1984 en wordt onder overweldigende belangstelling vanuit de Maranathakerk begraven bij de hervormde kerk in Castricum.


Jaarboek 36, pagina 26

Samen-Op-Weg

Tijdens Pinksteren 1961 roepen achttien gereformeerde en hervormde predikanten op om tot eenheid te komen, het begin van het Samen-Op-Wegproces (SOW), dat in 2004 zou eindigen.
In aansluiting daarop overleggen beide Castricumse kerken over mogelijkheden van samenwerking. Zij besluiten tot gezamenlijke viering van de hervormingsdag en van de kerstnacht.

Die samenwerking was vroeger geheel afwezig. Toen de kerk van Beverwijk in 1924 overwoog een hulpprediker aan te trekken, verzochten de Castricummers die voor Castricum in te zetten vanwege onder meer de positie van die hervormden, ‘die in hun kerk geen bevrediging vinden voor hun geestelijke behoeften naar de begeerten van hun hart’.

Van contacten tussen gereformeerd en hervormd is in de eerste helft van de vorige eeuw geen sprake, niet in Castricum, ook elders niet (zie noot 15). Wel was er enig contact met de Hervormde Evangelisatievereniging.

Van bewuste toenadering tot elkaars gemeenten is pas sprake na het begin van de jaren zestig, toen het SOW-proces op gang kwam. Sindsdien werden de contacten tussen beide kerken steeds steviger.

Begin 1964 beoogt een gezamenlijke kerkenraadscommissie gesprekskringen en zangdiensten te organiseren. Als deze onderwerpen op een ledenvergadering aan de orde worden gesteld, wordt de vrees uitgesproken dat dit leidt tot eenwording met de Hervormde Kerk. De kerkenraad antwoordt daarop dat de besprekingen met de Hervormde Kerk alleen bedoeld zijn om elkaar beter te leren kennen en dat daarbij ‘voorop staat dat aan de waarheidsvraag niet getornd zal worden.’ Het handhaven van de ware leer was sinds haar ontstaan de eerste prioriteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Het is niet gebruikelijk dat de kerk zich over politieke kwesties uitspreekt. Dat de gezamenlijke kerkenraad dat wel doet in 1986 benadrukt haar dringend beroep op de Tweede Kamerfracties om de zorg van de zwakken in de samenleving ernstig te nemen, gezien de voorgenomen herziening van het zorgstelsel. Gezamenlijke vergaderingen zijn er ook over godsdienstonderwijs op openbare scholen, over Duin en Bosch, over het jeugdwerk van dominee Westmaas.

Op weg naar fusie

De kerkenraad constateert dat het Samen-op-Weg-proces stokt. Op het uitvoerend vlak wordt door veelwerkgroepen intensief samengewerkt, maar niet op beleidsniveau. Tussen de kerkenraden is er soms sprake van gebrekkige communicatie die tot misverstanden en irritaties leidt. In 1992 gaan zij daarom over tot een hechtere vorm van samenwerking, aangeduid met de ‘Verenigde Kerkenraad’. De VKR komt in de plaats van ongeveer de helft van het aantal jaarlijkse vergaderingen van de kerkenraden.

De VKR bestaat intussen uit twee niet geïntegreerde helften. Er zijn verschillen in cultuur, in kerkelijke gebruiken en tussen personen onderling. Verschillen die spanningen veroorzaken en uiteindelijk uitlopen op het opschorten van de VKR-vergaderingen.

In 1995 viert de Maranathakerk zijn veertigjarig jubileum. Daar wordt werk van gemaakt. Zo worden de banken vervangen door stoelen en werkt Wim van Doorn met anderen aan het Jubileumboek ‘40 Jaar Maranathakerk’. Het boek wordt op de feestdag van zaterdag 16 december gepresenteerd. Een orgelconcert door Bram Kuperus en een optreden van het jongerenkoor ‘Connection’ verhogen het feestgevoel.

Dominee Bert Appers.
Dominee Bert Appers.

Al vergaderen de kerkenraden dan weer apart, de dagelijkse besturen houden de gezamenlijkheid in het oog via de stevig in stand gebleven samenwerkende werkgroepen. In de zomer van 1997 verschijnt de Samen-op-Wegwijzer en brengt een gemeentevergadering nieuwe initiatieven voort: Taizé-diensten, Open Kerk en Sacred Dance.
In januari 2000 geven de pastores Bert Appers (gereformeerd), Theo Haitjema (hervormd) en Gerard Huisman (rooms-katholiek) in discussie met een volle Maranathakerk hun visie op de opgave voor de Castricumse kerken in de komende 10 jaar.

Het oudste aandachtsgebied van de diaconie is ‘stille hulp ’ aan kerkleden die het sociaal en/of financieel niet meer kunnen bolwerken. Vanaf de jaren (negentien) zeventig was tussen de beide diaconieën een steeds steviger samenwerking ontstaan en van daaruit later ook met de parochies en de burgerlijke gemeente.

Na de vorming van de nieuwe gemeente Castricum worden de per dorp uiteenlopende samenwerkingsvormen tussen de kerken en de plaatselijke gemeente op elkaar afgestemd en besluiten de protestantse diaconieën en de parochiële caritatieve instellingen in 2003 tot de oprichting van de Stichting Noodfonds Gemeente Castricum. Doel ervan is om daarmee daadwerkelijk


Jaarboek 36, pagina 27

hulp te verlenen in het kader van de ‘arme kant’ van Castricum. De burgerlijke gemeente Castricum ondersteunt het noodfonds administratief.

Op 21 mei 2003 gaat de (gereformeerde) gemeentevergadering akkoord met de verdere opbouw van een gezamenlijke protestantse gemeente. Beleidsplannen worden opgesteld en in het voorjaar van 2004 stelt de protestantse kerk van Castricum in oprichting een gezamenlijk dagelijks bestuur aan.

De snelle ontwikkeling naar de fusie van beide gemeenten was ook al tot uiting gekomen in de samenstelling van een beroepingscommissie voor het aantrekken van een opvolger voor dominee Bert Appers, die wegens emeritaat afscheid zou nemen. Die commissie werd voor de helft samengesteld uit gereformeerden en voor de andere helft uit hervormden. In een gezamenlijke dienst op 6 juni 2004 neemt dominee Bert Appers in een overvolle Maranathakerk afscheid als predikant van de Gereformeerde Kerk.

In september gaat de kerkenraad over tot de benoeming van dr. D. van Arkel, hervormd predikant in Voorthuizen. Het is, misschien wel landelijk, een historisch besluit: de gereformeerde kerk trekt een hervormde predikant aan. Op 28 november 2004 vindt de bevestiging plaats door dominee M. Beitler, sinds 2002 predikant van de hervormde gemeente castricum.

Predikanten van de gereformeerde kerk van Castricum:
1932-1932 Paul Bastiaan Lengkeek (kandidaat)
1934-1950 Johannes Krüger
1950-1952 Adrianus Gerardus Kornet
1954-1958 Abraham Adriaan Leenhouts
1958-1962 Ynze van der Zee
1963-1967 Iense Stienstra
1969-1982 Boelo Boelens
1982-2004 Hilbert Appers
2004-2005 Dick van Arkel

Eind 2004 besluiten de gereformeerde kerk en de hervormde gemeente zich te verenigen tot de protestantse gemeente Castricum. Op 10 november 2005 houdt de gereformeerde kerk van Castricum haar laatste vergadering. Per 1 januari 2006 verenigt zij zich met de hervormde gemeente tot de protestantse gemeente Castricum.

Meerten Ritzema

Noten:

  1. Uit Register Gemeentelijke Monumenten: Expressionistische bouw. Asymmetrisch tegen elkaar gezette volumes, elk met een eigen vorm van overkapping. De unieke waarde en de cultuurhistorische waarde zijn beide hoog. Architect R.G. Rodenburg uit Oldebroek.
  2. In het 28e Jaarboek Oud-Castricum (2005) is van Huibert van Ginhoven een levensbeschrijving opgenomen.
  3. Zie ook ‘Koninkrijk der Nederlanden’, dr. L. de Jong, deel 5, bladzijde 130 en verder.
  4. Opgenomen met instemming van nabestaanden.
  5. In april 1936 was hij met zijn vrouw en vijf kinderen van de kerk in Watergraafsmeer overgekomen naar de kerk van Castricum.
  6. De toevoeging ‘Van’ liet hij weg. Psalm 43:4: ‘Dan ga ik op tot uw altaren, tot U o bron van zaligheid’.
  7. Zie ook ‘Het Koninkrijk der Nederlanden’, dr. L. de Jong, deel 5 bladzijde 835.
  8. Werkers die gedwongen werden tot de aanleg van Duitse verdedigingsstellingen, vaak graafwerk.
  9. Zie ‘Het Koninkrijk der Nederlanden’ van dr. L. de Jong, deel 10b, bladzijde 43.
  10. Café Roozendaal stond op de plaats van het Eihof aan de Dorpsstraat.
  11. Ds. A. A. Leenhouts schreef verschillende boeken en kreeg ruime aandacht in de dissertatie van Ds. W. van Herwijnen, gereformeerd predikant in Zwijndrecht. Onder de titel ‘Profetie van Leenhouts eindelijk getoetst’ recenseert J. Greven de dissertatie ‘Rentree van de profetie’ in Trouw van 5 oktober 2010. Hij besluit zijn recensie met de opmerking dat hij sceptisch tegenover Leenhouts staat, hoe fascinerend hij zijn levensverhaal ook vindt.
  12. Aanvankelijk A.P. Schaffers (hervormd), G. B. Borst (rooms-katholiek), J.H. Beekman (gereformeerd).
  13. J. Deuring, W. van Doorn, F. W. Hutter, L .J. de Lange, G.J. van Oostende en H. A. Leenstra als voorzitter
  14. J. Graafland, P. Blom, D. Broer, J. Hummel, S. de Jong, C. J. Krist-Brons en D. Visser.
  15. Zoals bijvoorbeeld blijkt in maart 1911 toen de doopsgezinde kerk in Beverwijk de Gereformeerde Kerk daar uitnodigde voor de feestelijke opening van hun nieuwe kerkgebouw aan de Meerstraat. De gereformeerde kerk bedankt voor de uitnodiging: “Betrof het alleen de inachtneming van een burgerlijke beleefdheid, dan zou er geen twijfel zijn of uw uitnodiging werd gaarne aanvaard. De gereformeerden echter hebben niet de gewoonte op dergelijke wijze gemeenschap te oefenen met andere kerkelijke gezindten.”

Bronnen:

  • Archief Gereformeerde Kerk Castricum;
  • Ÿ Boelens Czn., drs. B., Tussen mens en onmens; een poging tot interpretatie van het woordje God, Kampen, 1976.
  • Ÿ Doorn, W. van en anderen, Jubileumboek 40 jaar Maranathakerk, 1995;
  • Ÿ Ginhoven, M. J. van, voorjaar 2012;
  • Ÿ Heideman, J., Castricum en Bakkum tijdens de Tweede Wereldoorlog, Deel 1 1939-1942, 2011;
  • Ÿ Herwijnen, ds. W. van, Recensie van J. Greven over het proefschrift ‘Rentree van de profetie’, 2010;
  • Ÿ Jong, dr. L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog;
  • Ÿ Register Gemeentelijke Monumenten (internet);
  • Ÿ Stichting Werkgroep Oud-Castricum: 8e Jaarboek (1985) en 28e Jaarboek (2005).

Dit artikel is een verkorte versie van het boek: De Gereformeerden van Castricum / Eigenzinnig en betrokken / Een geschiedenis.

20 december 2022

Brabantse Landbouw, boerderij (Jaarboek 35 2012 pg 92-93)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 92

De Brabantse Landbouw was eens de grootste boerderij van Castricum

De boerderij De Brabantse Landbouw.
De boerderij De Brabantse Landbouw nog met de schuur erachter.

Jachtopziener Cees Schoen, geboren en getogen in het Geversduin, heeft in 1938 op uitnodiging van het PWN opgeschreven wat hem bekend was over de boerderij ‘De Brabantse Landbouw’.

Zijn verhaal begint als volgt:
“Wie tegenwoordig een wandeling maakt door het Castricumse duinterrein – voorheen Geversduin – en ongeveer halfweg tussen ‘Kijk Uit’ en het strand ‘de Brabantse Landbouw’ passeert, zal zich nauwelijks kunnen voorstellen dat dit nog het woonhuis is van een van de grootste boerderijen van Castricum, zo niet de grootste.”

De Brabantsche Landbouw Oude Schulpweg 8.
De Brabantse Landbouw. Oude Schulpweg 8 in Castricum.

Ooit omvatte het bedrijf zo’n 250 hectare duingebied tussen Kijk Uit en Johanna’s Hof. De Amsterdammer Andries A.Deutz van Assendelft, tevens eigenaar van kasteel Assumburg, was in de 18e eeuw eigenaar van het Castricumse duingebied. Deze familie heeft de boerderij omstreeks 1763 gesticht.

Het bedrijf gold als bewijs voor de stelling dat verdere ontginning van de duinen goed mogelijk zou zijn. Er was wel een goede afwatering nodig. Een staartmolen maalde het winterwater uit de vallei van de daar stromende Hoepbeek en voerde het af naar de Schulpvaart.

Bij de Brabantse Landbouw ...
Bij de Brabantse Landbouw …

Bij de boerderij hoorde een stal voor ruim 30 koeien, die zo was ingericht dat de koeien met de koppen naar elkaar stonden, zodat over een middelgang daar tussendoor gelopen kon worden. Het vee werd overdag geweid in de duingraslanden en ’s nachts werd het weer binnengehaald. De mest die ’s nachts werd geproduceerd, werd vermengd met stro, waardoor de hoeveelheid toenam. Aan deze Brabantse wijze van boeren dankt de boerderij zijn naam.

Korenschoven op het land van de Brabantse Landbouw.
Korenschoven op het land van de Brabantse Landbouw. Oude Schulpweg in Castricum, 1941. De regering had een roggeplan ontwikkeld om de voedselvoorziening te verbeteren. Daarvoor werd in opdracht van het PWN duinen tussen Heemskerk en Egmond-Binnen in cultuur gebracht. Dit werd ook gedaan in het belang van de werkverschaffing. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op 13 hectare bouwland, waarvoor de mest hard nodig was, werden naast granen zoals tarwe, rogge, haver en gerst ook peulvruchten en aardappelen geteeld.

Naast een stal voor 8 paarden, waren er ook kalverenhokken, verder een gedeelte waar kaas gemaakt werd, een groot vierkant voor hooi- en zaadberging en een ‘dorsch’ van ongeveer 15 bij 8 meter waar het verbouwde graan bewerkt werd.

Schaapherderswoning.
Schaapherderswoning. Oude Schulpweg in Castricum. Na enkele honderden meters langs de Oude Schulpweg zag men ooit de schaapherderswoning van 1852. Het was een soort van schuurtje achter een jachtopzienerswoning. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op enige afstand, zuidelijk van de boerderij, stond de schaapherderswoning, waarbij een schaapskooi van vijftig bij vijftien meter hoorde. Eenzelfde kooi was op enige afstand ten noorden van de boerderij gebouwd. Dagelijks trokken twee schaapherders met hun kudde van 300 schapen de zeeduinen in die achter de weilanden lagen.


Jaarboek 35, pagina 93

Jan Kops, hoogleraar en landbouwcommissaris, schreef in 1796 in ‘De Letterbode’ een artikel getiteld ‘Berigt wegens ene schone Bouw-Boerderij, in het midden der Catrikommer Duinen aangelegd’.

Citaat: “Behalve de Boer, genaamd Evert Asjes en zijne Vrouw, die nog jonge kinderen hebben vinden hier drie knegts, éne meid en twee jongens, hun werk; en vier melkbeesten leveren voor dit huisgezin genoegzaam zuivel op.”

Dat hij goed ‘boerde’ blijkt wel uit het feit dat hij in 1812 tot de hoogst aangeslagen en in de directe belastingen behoorde. Evert was de overgrootvader van Albert Asjes, die zijn vader en daarvoor zijn grootvader opvolgde op de boerderij Albert’s hoeve en die hij in 1939 naliet aan de hervormde kerk. De wijk Albert’s hoeve is grotendeels op die grond gebouwd.

De voorzijde van de boerderij.
De voorzijde van de boerderij.

Jan Kops was onder de indruk van De Brabantse Landbouw, eenzaam gelegen te midden van woeste duingronden, want hij eindigde zijn artikel als volgt:
“Ik durf mijne Medeburgers uitnodigen, om deze Boerderij te gaan bezichtigen. Noorddorp, de wisselplaats der Postwagens van Haarlem op Alkmaar, ligt één uur van deze plaats af.”

Noorddorp was een buurtschap aan de Rijksstraatweg in Heemskerk en de wisselplaats van de paarden lag ter hoogte van de nog bestaande boerderij Halfweg.

Ter wille van de landbouw moesten de konijnen worden uitgeroeid. Jan Kops gebruikte daarvoor het fraaie woord ‘depeupleren’, maar bedoelde ongetwijfeld hetzelfde. Iedereen die dat wilde, kreeg vanaf 1782 vergunning om konijnen te vangen.

Boerderij De Brabantse Landbouw.
Boerderij De Brabantse Landbouw. Pentekening Nico Lute. Scan van Kijk-Uit kalender 1994. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Toen in 1853 Hendrik Docter als pachtboer De Brabantse Landbouw betrok, was het bedrijf al enigszins geslonken. Omstreeks die tijd is de schaapskooi ten noorden van de boerderij afgebroken. Van het bouwplan werden sommige akkers niet meer gebruikt en zijn toen bebost. Na 42 jaren de boerderij bewoond te hebben, overleed Hendrik in 1895.

Het bedrijf was toen tot ongeveer de helft verminderd en met de schapenhouderij was het helemaal afgelopen.

Zoon Dirk Docter werd de nieuwe pachter. Hoewel er nog vee gehouden werd, moest het benodigde hooi worden aangevuld van land in de polder en van hooiveilingen. Na 1900 werd in de duinen geen hooi meer gewonnen. Op het nog overgebleven weiland konden een gedeelte van het jaar nog een tien of twaalf koeien gehouden worden; de andere graasden in de polder. Toen Dirk Docter in 1917 de boerderij verliet, had De Brabantse Landbouw als boerderij afgedaan.

Bank en Marij Beentjes.
Bank en Marij Beentjes. Bank Beentjes was de laatste pachter van de Brabantse Landbouw. De boerderij was eigendom van Jonkheer Gevers en werd verkocht aan de Provincie die er een dienstwoning van maakte, thans eigendom van het PWN. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na een jaar te hebben leeg gestaan werd het huis nog betrokken door Bank Beentjes, die er een paar koeien hield en wat aardappelen verbouwde. Tenslotte werd het bedrijf in 1921 voorgoed opgeheven.

Gedenksteen ter herinnering aan het verblijf van prof. De Hartog.
Gedenksteen ter herinnering aan het verblijf van professor De Hartog.

In 1923 werd het woonhuis verbouwd voor Cees Schoen. In 1934 werden de stallen afgebroken. Het veranderde woonhuis is daarna ook nog enige tijd als zomerverblijf gebruikt door prof. dr. A.H. de Hartog, vader van de schrijver Jan de Hartog. Een gedenksteen in de voorgevel herinnert nog aan het verblijf van deze bekende theoloog.

Luchtfoto Brabantse Landbouw.
Luchtfoto Brabantse Landbouw. Duinen in Castricum, 26 februari 1945. In het midden de Oude Schulpweg met de boerderij de Brabantse Landbouw en het voormalig roggeveld. Foto Royal Air Force. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Behalve het woonhuis zijn verder nog als enige overblijfsels van het bedrijf, de vroegere omheiningen van de uitgestrekte weilanden te zien. Die bestaan uit opgeworpen wallen, hier en daar met doornstruiken beplant.

Schoolpad, duinen in het Geversduin.
Schoolpad in het Geversduin. Duinen in Castricum, 1920. Pad tussen de Brabantse Landbouw en Kijk Uit. Waarschijnlijk weg waarlangs in het duin wonende kinderen naar school gingen. Het loopt parallel aan de Oude Schulpweg. Het Schoolpad bestaat grotendeels niet meer. Alweer jaren geleden (bij schrijven is het 2014) heeft het PWN het pad parallel aan de Oude Schulpweg dichtgegooid met grote takken en boomstammetjes, zodat het niet gebruikt kon worden en overwoekerde. Dit omdat er te veel paden door het gebied lopen. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

Onder het motto ‘Zonder verleden geen heden’ heeft het PWN een wandeling van 8,5 kilometer uitgezet die langs de voormalige boerderij en landbouwgronden loopt (in 2018 bestaat deze PWN wandeling niet meer). De start is vanaf het parkeerterrein aan de Geversweg, maar vanaf de ‘wisselplaats der postwagens’ is De Brabantse Land-bouw ook nog steeds te bereiken.

Niek Kaan

Bronnen:

  • Schoen, C: De Brabantsche Landbouw, mei 1938;
  • Kops, J: Bericht ener Bouw-Boerderij, De Letterbode 1796.

20 december 2022

Bakkum, einde gemeente (Jaarboek 35 2012 pg 87)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 87

Tweehonderd jaar geleden einde gemeente Bakkum

De vroegere Cunerakapel.
De vroegere Cunerakapel. Schets van Andries Schoemaker in 1726 (’s-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek).

Op 1 januari 2012 was het tweehonderd jaar geleden dat Bakkum en Castricum werden samengevoegd. Tot dat moment was Bakkum een zelfstandige gemeente met ongeveer 110 inwoners en een eigen gemeentebestuur. De grens tussen beide gemeenten liep ter hoogte van de huidige Zeeweg en de Schulpvaart. Het grondgebied van de toenmalige gemeente Bakkum is het gedeelte van de gemeente Castricum dat wij nu Bakkum-Noord noemen.

Het gemeentebestuur van Bakkum vergaderde in het rechthuis; dat stond aan de oostzijde van de Heereweg bij de Achterlaan. Het rechthuis was ondergebracht in de voormalige Cunerakapel; de geschiedenis van deze kapel gaat vele eeuwen terug (zie hiervoor het uitvoerige artikel van Chris ten Raa in het 25e Jaarboek van Oud-Castricum).

De Cunerakapel afgebeeld op een geaquarelleerde pentekening.
De Cunerakapel afgebeeld op een geaquarelleerde pentekening. Heereweg in Bakkum, 1439. Getekend door Pieter Bruin, periode 1592-1643.

In 1576 was de kapel verlaten en in het begin van de 17e eeuw werd zij ingericht als ‘regthuys’ voor bestuur en rechtspraak door schout en schepenen en tevens als schooltje. Tot in de Franse tijd, in 1812, heeft het gebouw als zodanig dienst gedaan. Nadien was het nog geruime tijd als woonhuis in gebruik. Omstreeks 1870 werd het pand gesloopt.

De gemeentelijke samenvoeging vond plaats in de Franse tijd. Bij keizerlijk decreet werden per 1 januari 1812 meerdere gemeenten in onze regio samengevoegd en wel naast Bakkum bij Castricum ook Wimmenum bij Bergen, Limmen bij Heiloo, Groet bij Schoorl en Veenhuizen met Oterleek bij Heerhugowaard.

Na de Franse overheersing werden op 1 mei 1817 deze samenvoegingen weer teniet gedaan. Dat gold alleen niet voor de samenvoeging van Bakkum en Castricum, wat niet zijn oorzaak vond in het geringe inwoneraantal van Bakkum. Wimmenum werd namelijk ook weer zelfstandig met 68 inwoners.

Wapen van de ambachtsheer van Bakkum.
Wapen van de ambachtsheer van Bakkum, 1695. Dit is het wapen van Perné, Jacob vanaf 1695, Isaac vanaf 1748, Abraham vanaf 1748-1749. Een ambachtsheer oefende in een plaats of dorp het gezag uit namens de graaf of na de middeleeuwen namens de Staten van Holland. Een dorp waar de graaf het gezag erfelijk in leen had uitgegeven aan de ambachtsheer werd een (ambachts) heerlijkheid genoemd. Het gezag in Bakkum werd tot het begin van de 17e eeuw uitgeoefend door de machtige heren Van Egmond, die zetelden op het ‘Slot op den Hoef’ te Egmond aan den Hoef. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het kwam vooral doordat Bakkum toch al nauw verbonden was met Castricum, vanwege het feit dat we al sinds 1749 toebehoorden aan dezelfde ambachtsheer en dezelfde schout hadden. Ook zou het opnieuw inrichten van een plaatselijk bestuur voor Bakkum wel eens lastig geweest kunnen zijn.

Nog in 1811 wordt Jan van Bruijnswaard benoemd als burgemeester van Bakkum. Direct na zijn aanstelling heeft hij hemel en aarde bewogen om hem dit niet aan te doen, want hij achtte zich door zijn hoge leeftijd, zijn slechte gehoor, zijn onvoldoende opleiding en het niet beheersen van de Franse taal niet capabel om dit ambt te vervullen. Desondanks werd hij niet ontslagen.

Op 1 januari 1812 ging de nieuwe gemeente officieel heten: Castricum en Bakkum. Tot burgemeester werd Jacob Nuhout van der Veen benoemd, zoon van de voormalige schout.

Joachim Nuhout van der Veen.
Joachim Nuhout van der Veen was van 1780 tot 1814 schout van Castricum en Bakkum. Het ambt van schout is het best te vergelijken met dat van burgemeester. Hij woonde in de nog bestaande boerderij het Knophuis aan de Overtoom in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op 5 januari daaropvolgend werd de nieuwe gemeenteraad op het raadhuis van Castricum geïnstalleerd.

De raadsleden zijn Wouter de Bie, Fulps Ranke, Gerrit Brasser, Evert Asjes, Pieter Schavemaker, Arie Admiraal, Simon Duinmaijer, Albert Knaap en Willem Brakenhoff. Van hen hebben de laatste vier deel uitgemaakt van het bestuur van de opgeheven gemeente Bakkum.

Simon Zuurbier

Een verordening van het dijksbestuur over het houden van vee op de dijk.
Een verordening van het dijksbestuur over het houden van vee op de dijk. Castricum, 1807. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Vertegenwoordigers van Castricum en Bakkum in het bestuur van de Sint-Aagtendijk:

Heemraad voor Castricum:
tot 1833 meester Joachim Nuhout van der Veen
1833 Pieter Kieft
1836 Pieter Schotvanger
1859 Johannes F. Rommel
1878 Cornelis Mooij Janszoon
1916 Joseph M. Goes

Heemraad voor Bakkum:
tot 1837 meester Jacob Nuhout van der Veen
1837 Jan de Quack
1836 Pieter Schotvanger
1853 Klaas Stet
1860 Cornelis Schermer
1878 jonkheer meester J.W.G. Boreel
1888 Johannes Kuijs Pieterszoon
1913 Johannes Mooij

Hoofdingeland voor Castricum:
Pieter Duijneveld
1833 Fulps Ranke

1861 Johannes Louter
Adrianus van der Park
1892 Wulbert Melker
1905 Cornelis Spaansen

Hoofdingeland voor Bakkum:
Simon Duijnmeijer
1833 Bartholomeus N. Rommel
1870 Jan Schotvanger

20 december 2022

Biljartverenigingen (Jaarboek 35 2012 pg 75-86)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 75

De Castricumse biljartverenigingen

Interieur van het café Spoorzicht van 'Kouwe' Bal Lute met de biljartclub.
Interieur van het café Spoorzicht van ‘Kouwe’ Bal Lute met de biljartclub. Kramersweg 11 in Castricum, 1938. Op de achterste rij van links naar rechts Gerrit Kuijs (Poentje), Bal Lute en moeder Trijn. Zittend Jan Nijman, Freek Stuifbergen, Cor Nijman, Tinus en Cor Brakenhoff (van Oppie), Cor Brakenhoff, Doris Lute en Gerrit Tromp (Kwik). Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De oudste foto van biljarters in Castricum dateert van rond 1900. Deze is genomen in hotel-café-restaurant ‘De Rustende Jager’ aan de Dorpsstraat. Ook in café ‘Spoorzicht’ aan de Kramersweg in de tijdens de oorlog gesloopte buurt De Duinkant werd deze sport al beoefend. De oudste biljartvereniging in ons dorp is ‘Onder Ons’, die in 1935 werd opgericht.

Aanvankelijk bestonden er zes verenigingen. Nu zijn dat er nog vijf, waarvan ‘Onder Ons’ en ‘Willen is Kunnen’ bij de landelijke bond zijn aangeslotenen in dat verband ook aan districtswedstrijden meedoen. De andere drie verenigingen, te weten de ‘Biljartclub voor Ouderen’, ’t Steegie’ en ’t Stetje’ spelen alleen onderling wedstrijden. ‘De Doorschieter’ is in 2011 opgeheven. Naast deze verenigingen hebben zich in Castricum nog diverse caféclubs gevormd.

Al in 1985 was er een damesclubje dat elke maandagavond de biljartkunst in Hotel Borst beoefende onder leiding van Jos Bijl, die hier onder vuur wordt genomen.
Al in 1985 was er een damesclubje dat elke maandagavond de biljartkunst in Hotel Borst beoefende onder leiding van Jos Bijl, die hier onder vuur wordt genomen. Van links naar rechts Tiny Zonneveld-Van der Zwan, Els Liefting-Hopman, Ellen Borst, Hermien de Waard, Hetty Doekes-Brugsma, Vera Glorie-Post, Annemiek Glorie-Steevens, Gré Weerstand en Karin Borst-Glorie.

Geschiedenis van het biljartspel

Er is geen land ter wereld waar de biljartsport zo intensief beoefend wordt als in Nederland en België. De ouderdom van het spel is niet met zekerheid bekend, maar waarschijnlijk vond de geboorte van het biljarten ergens in het begin van de twaalfde eeuw plaats. Wat het land van herkomst betreft blijven de meningen eveneens verdeeld. De Fransen beweren dat het woord ‘billard’ een samenvoeging is van ‘bille’ en


Jaarboek 35, pagina 76

‘art’ en dus betekent ‘de kunst van het balspel’. De Engelsen beweren dat het een Engelse uitvinding is, omdat Bill Kew voor het eerst de bal met zijn ‘yard’ (ellestok) op de tafel zou hebben gespeeld. Biljarten was trouwens een spel van de betere standen en wordt daarom wel ‘het spel der koningen’ genoemd.

De uitvinding van de pomerans (leren dopje van de keu) in 1827 betekende een ware omwenteling inde biljartsport. Daardoor werd het mogelijk de nieuwe techniek van trekstoten toe te passen. Er zouden doorlopend nieuwe technieken toegepast worden en ook het materiaal werd steeds meer geperfectioneerd. Voor de tafelbladen ging men over op leisteen en de ballen werden gemaakt uit ivoor, dat later weer door kunsthars werd vervangen.

De meest beoefende spelsoorten zijn het libre-, het kader- en het driebandenspel.

Biljarten is een mannensport geworden sinds het hoofdzakelijk beoefend wordt in cafés. De laatste decennia hebben echter ook meer vrouwen de keu ter hand genomen. Omdat je het tot op hoge leeftijd kunt doen, zijn er momenteel nog heel veel ouderen die biljarten. Daarbij kampen de meeste verenigingen met het feit dat de aanwas van jongeren achterblijft.

21 december 1950: stand van de onderlinge competitie van biljart vereniging Onder-Ons.
21 december 1950: stand van de onderlinge competitie van biljart vereniging Onder-Ons.

De voorzitters van 1935 tot 2012

1935-1946 Henk Broksma
1946-1955 Piet Kuijs
1955-1961 Gerrit Twisk
1961-1963 Cor Theissling
1963-1965 Jaap Bregman
1965-1978 Cor Brinkhuijsen
1978-1992 Ber Zonneveld
1992-2000 Jan Levering
2000-2003 Ab Aarsman
2003-2006 Wim Kerssens
2006-heden (=2012) Hans Gosselink

Het voormalige ‘Bondshotel’, dat later bekend stond als het ‘biljartpaleis’ van Joop Leferink.
Het voormalige ‘Bondshotel’, dat later bekend stond als het ‘biljartpaleis’ van Joop Leferink.

Onder ons (1935)

De eerste Castricumse biljartvereniging werd in 1935 opgericht door de heren Broksma en Daniels. Er werd gespeeld in het voormalige ‘Bondshotel’ op de hoek Burgemeester Mooijstraat-Dorpsstraat, waarvan Henk Broksma de eigenaar was. Dit pand stond later bekend als het ‘biljartpaleis’ van Joop Leferink. De vereniging sloot zich aan bij de Nederlandse Biljart Bond (NBB). Deze bond werd in 1911 opgericht en stond vanaf 1951 bekend als Koninklijke Nederlandse Biljart Bond (KNBB).

Na de oorlog heeft Onder Ons ruim 50 districtskampioenen en 12 nationale kampioenen in de annalen mogen bijschrijven. De meest bekende daarvan is Jan Feeke, die in de periode van 1969 tot en met 1976 vijf keer Nederlands kampioen in het onderdeel kader 57/2 hoofdklasse werd.

Jan Feeke, biljartfenomeen.
Jan Feeke, biljartfenomeen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Piet en Arie Liefting behaalden beiden ook een nationale titel in respectievelijk de libre overgangsklasse in 1968 en kader 38/2 2e klasse in 1992. In latere jaren waren ook mannen als Frans Peperkamp, Jan Levering en Jan Visser meer dan eens succesvol tijdens districts- en gewestelijke kampioenschappen.


Jaarboek 35, pagina 77

Jan Feeke, vele malen kampioen

Jan Feeke in zijn glorietijd.

Jan Feeke (1928) is onbetwist de beste speler die Onder Ons heeft voortgebracht. Hij was een natuurtalent dat talloze wedstrijden op zijn naam schreef. Jan beoefende zijn sport zeer serieus en speelde beslist niet alleen voor de gezelligheid. Toen hij 13 jaar was, leerde hij het biljarten kennen:

“In 1941 ben ik begonnen. Ik woonde in Burgerbrug en de vader van een vriendje van me had een tafelbiljart. Al snel bleek ik aanleg voor het spelletje te hebben en mocht ik niet meer meedoen, omdat ik steeds won.

Toen ben ik bij de vereniging ‘Het groene laken’ in mijn woonplaats gaan spelen en nam daar vanaf mijn 18e deel aan de clubwedstrijden. In 1947 zocht ik het hogerop bij ‘Excelsior’ in Alkmaar. Vanaf mijn trouwen in 1953 ben ik gestopt en in 1957 ging ik met mijn vrouw in Zuid-Afrika wonen. In Pretoria kon ik aan de slag als boekhouder, maar na onenigheid met mijn werkgever kwamen we in 1967 toch weer terug en konden een huis kopen in de Prins Hendrikstraat. Er woonde hier al wat familie en bovendien werd ik hoofdadministrateur bij Unilever in Wormerveer.

Het biljarten heb ik toen weer opgepakt. Henk Marcker, die ik nog van vroeger kende, vroeg me om lid te worden van Onder Ons en dat deed ik. In 1968 speelde ik mijn eerste nationale kampioenschap en promoveerde naar de hoofdklasse. Een jaar later volgde de eerste titel in het ankerkader 57/2 en die prolongeerde ik vier jaar achter elkaar. Ook in de nog moeilijker eerste klasse kader 47/2 ben ik kampioen geworden. Dat was in 1979 in Rotterdam en was mijn mooiste titel. Ik heb in die jaren tegen diverse biljarttoppers gespeeld, zoals Piet van de Pol, Hans Vultink en Christ van der Smissen.”

In de periode van ca. 1930 tot 1948 droeg het pand links de naam ‘Bondshotel Broksma', naar de eigenaar Hendrik Broksma. Daarna werd het bondshotel Meijer, tot in 1959 Joop Lefering de zaak overnam en in het cafégedeelte het Biljart
paleis ging exploiteren met enkele echte wedstrijdtafels, waarvan dan ook door biljartvereniging 'Onder Ons' druk gebruik werd gemaakt.
In de periode van ca. 1930 tot 1948 droeg het pand links de naam ‘Bondshotel Broksma’, naar de eigenaar Hendrik Broksma. Daarna werd het bondshotel Meijer, tot in 1959 Joop Leferink de zaak overnam en in het cafégedeelte het Biljartpaleis ging exploiteren met enkele echte wedstrijdtafels, waarvan dan ook door biljartvereniging ‘Onder Ons’ druk gebruik werd gemaakt.

Van de Pol en Feeke speelden op 11 december 1947 een demonstratiepartij bij Broksma ten bate van de Nederlandse militairen in Indië (NIWIN). Het Nieuwsblad voor Castricum schreef er uitgebreid over. Wereldkampioen Van de Pol kwam die avond te laat aan, maar dat belette hem niet om in zes beurten 700 punten te maken. Feeke was uiteraard kansloos, maar dat mocht de pret niet drukken.

De opbrengst van het evenement was netto 173,65 gulden, waar de penningmeester van het NIWIN erg blij mee was. Na afloop van de wedstrijd roemde Van de Pol nog even het zuivere biljart van Broksma, want Piet had bij andere demonstratiepartijen dikwijls op tafels moeten spelen die hij ‘hobbelpaarden’ noemde …

Voor de KNBB heeft Jan Feeke in diverse commissies gezeten. Ook was hij opleider-instructeur en begeleider van nationale en internationale arbiters. Om die reden werd Jan door de bond benoemd tot lid van verdienste.

Jan Feeke beschikt over diverse plakboeken die getuigen van zijn indrukwekkende biljartcarrière. In zijn glorietijd waren partijen in één beurt (250 caramboles) geen uitzondering voor hem. Naarmate zijn leeftijd vorderde, moest Jan echter een stapje terug doen:

“Vroeger lag mijn gemiddelde om en nabij de 50. Nadat ik in 1991 stopte met nationale wedstrijden, is dat gedaald tot ongeveer vijf. In juni 2011 ben ik ook gestopt bij Onder Ons, omdat ik de eerste verschijnselen van de ziekte van Parkinson kreeg en ook mijn ogen achteruit gingen. Tijdens de jaarvergadering heb ik afscheid genomen en werd ik benoemd tot erelid. Alles bij elkaar heb ik een prachtige tijd gehad bij Onder Ons. Het is een prestatiegerichte vereniging en die paste bij mij. Inmiddels ben ik 84 en op die leeftijd mis je de clubavonden niet meer. Ter compensatie ben ik een schildercursus gaan volgen bij Perspectief.”

De leden van Onder Ons in 1984.
De leden van Onder Ons in 1984. Van links naar rechts staand Henk Woudenberg, Nico Tessel, Ber Zonneveld, Piet Liefting, Willem Baltus, Cor Brinkhuijsen, Jan Visser, Dick Pruis, Willem Schermer, Ber Veldt, Kees Lute, Nico de Jong, Frans Peperkamp, Cees Liefting, Jan Feeke, Hans Smit, Jan Hemmer en Sjef van Opstal; zittend Arie Liefting, Jan Veldt, Piet de Graaf, Marieke Schigt-Van Duin en Joop Tuynman.

Biljartlocaties

Tot 1980 kon de vereniging terecht in het ‘biljartpaleis’ van Joop Leferink.

Het biljartpaleis.
Het biljartpaleis van Leferink. Hoek Dorpstraat-Burgemeester Mooijstraat 42 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Toen dat een andere bestemming kreeg, verhuisde Leferink naar het oude veilinggebouwtje dat even verderop stond.

Links het voormalige veilinggebouw, hier in gebruik als café-biljart.
Links het voormalige veilinggebouw, hier in gebruik als café-biljart. Dorpsstraat 40 in Castricum, 1980. Daarnaast op 40a winkel ‘De Kijkdoos’ en tenslotte het hoekpand Dorpsstraat-Mooijstraat, waarin toen was gevestigd bloemenhandel ‘De Kruyff. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Dat kwam het spelpeil niet ten goede. Omdat Leferink er al binnen twee jaar mee stopte, moest worden uitgeweken naar een andere locatie. De club kreeg onderdak in de biljartsociëteit van Cees Kaandorp aan de Westerweg in Heiloo, waar wel weer goede resultaten werden behaald. Een vereniging als Onder Ons hoorde echter in Castricum thuis en daarom werd naarstig gezocht naar een nieuw onderkomen in ons dorp. De oplossing werd in december 1981 gevonden toen de gebroeders Ber en Jan Veldt aankondigden een biljartcentrum te willen beginnen in een leegstaand pand aan de Jacob Rensdorpstraat.

Ber Veldt (1942): “De voormalige werkplaats van schildersbedrijf Zoontjes kwam daar vrij en die voldeed aan de eisen voor eventuele horeca. De gemeente zag het ook wel zitten, alleen raadde men ons aan eerst de buren van onze plannen in kennis te stellen. Die hadden er gelukkig niet veel problemen mee en zo konden de benodigde vergunningen worden aangevraagd.

Ik had al een vestigingsvergunning en moest alleen nog even een horeca papiertje in de avonduren halen. Eind van de zomer 1982 gaf de


Jaarboek 35, pagina 78

Burgemeester Gmelich Meijling verrichtte de openingsstoot in het biljartcentrum aan de Jacob Rensdorpstraat.
Burgemeester Gmelich Meijling verrichtte de openingsstoot in het biljartcentrum aan de Jacob Rensdorpstraat.

gemeente toestemming en werd met de verbouw van de garageboxen begonnen. Vele zaterdagen en avonden is er keihard gewerkt, want we wilden alles voor de start van het nieuwe biljartseizoen in september af hebben en dat lukte allemaal.

Burgemeester Gmelich Meijling verrichtte onder grote belangstelling de afstoot op 27 april 1982. Tevens werd zijn naam aan een wisselbeker verbondenen die heeft hij vele malen uitgereikt, zelfs toen hij allang geen burgemeester van Castricum meer was.”

Ber, Gonnie en Jan Veldt tijdens de afscheidsreceptie op 2 juli 2011.

Voor Ber en Jan Veldt was het realiseren van dit biljartcentrum natuurlijk heel bijzonder, want de broers financierden het en hadden er naast hun werk zomaar een horeca zaakje bij.

Jan (1946): “Ook de biljartvereniging was met de vier biljarttafels in haar nopjes. Naast de clubavond op maandag was het zaaltje ook op zaterdagmiddag open en dat trok veel biljartliefhebbers. Zo kwamen er binnen niet


Jaarboek 35, pagina 79

al te lange tijd twee verenigingen (De Doorschieter en ’t Steegie) bij en werd het zelfs druk.

Het biljartpaleis.
Het biljartpaleis. Raadhuisplein 21 in Castricum, 2001. Rechts de Vomar van Winkelcentrum Geesterduin. Collectie Makelaarsbriefje. Toegevoegd.

Na zeven jaar werd om diverse redenen de locatie verruild voor een nieuw onderkomen bij het winkelcentrum Geesterduin, waar mijn broer Ber en ik ook eigenaar van werden. Daar kon op donderdag-, vrijdag- en zaterdagmiddag worden gespeeld. Op 1 september 1989 werd het centrum feestelijk geopend en we hebben dat met veel plezier bestierd tot 1 juli 2011.

Toen vonden wij het na 29 jaar wel goed zo en is het beheer overgedragen aan de nieuwe Stichting Belangenbehartiging Biljartsport Castricum (SBBC). Deze stichting, die wordt gevormd door de verenigingen Onder Ons en ’t Steegie, huurt het pand voorlopig voor vijf jaar en alles wordt nu gerund door vrijwilligers. De Doorschieter is per 1 juli vorig jaar opgehouden te bestaan, maar sommige leden zijn in Geesterduin blijven spelen.

Ik ben overigens nog gewoon lid van Onder Ons en speel zelf op de maandagavond. Daarnaast draaien mijn broer en ik bardiensten. Het is wel even wennen om er niet meer dagelijks naar toe te moeten. Dat geldt ook voor mijn vrouw Gonnie. Zij ging bijna altijd met me mee om de boel schoon te maken en alles op te ruimen. We hebben in het winkelcentrum een schitterende tijd gehad en vele toernooien gehouden, zoals het Henk Marckertoernooi en het Geesterduintoernooi.”

Leden

Onder Ons mag zich al jaren verheugen over leden die de club heel lang trouw zijn. Op dit moment (in 2012) telt de vereniging rond de 25 leden. Mensen als Jan Hemmer, Cees Liefting, Ber Zonneveld, Jan Feeke en Ber en Jan Veldt zijn al tussen de 40 en 50 jaar lid. Henk Marcker is zelfs meer dan 70 jaar bij de vereniging en was maar liefst 50 jaar secretaris.

Het niveau van de club is de laatste jaren wel een stuk minder geworden. Had Onder Ons voorheen nog tien kaderspelers, nu moet de club het doen met nog maar één speler in deze spelsoort en 23 spelers in de klasse libre. Het is wel heel bijzonder voor de vereniging dat Marieke Schigt al 32 jaar het enige vrouwelijke lid is.

Erelid en bondsridder

Henk Marcker (1922) verhuisde op vijfjarige leeftijd met zijn ouders van Amsterdam naar Castricum. Zijn moeder was een vriendin van de vrouw van eigenaar Henk Broksma van het Bondshotel. Zodoende kwam Marcker in aanraking met de biljartsport en werd in1940 lid van Onder Ons.

Marcker: “Ik speelde onder anderen met ‘Slappe’ Piet Kuijs van de zaadhandel, Bank Beentjes, Piet Res en Jan Visbeen. Een hoogvlieger was ik niet, maar wel een gemiddelde speler. Eén keer (in 1976) ben ik districtskampioen geworden in de hoofdklasse libre. Op bestuurlijk gebied was ik ook behoorlijk actief. Bij Onder Ons ben ik secretaris geweest van 1945 tot 1999. Daarnaast was ik 25 jaar districtsbestuurder en 23 jaar districtsarbiter.”

Henk Marcker biljartte in 1961 met een sigaar in zijn mond.
Henk Marcker biljartte in 1961 met een sigaar in zijn mond.

Tijdens de viering van het 75-jarig bestaan in 2010 werd hij lid van verdienste. Daarvoor was hij al tot erelid benoemd. Ook werd hij lid van verdienste en erelid van het district Alkmaar. Hier bleef het echter niet bij, want de Castricumse biljarter werd op 17 april 1990 ook nog eens door KNBB-voorzitter Maarten Hendriks tot bondsridder geslagen.

De fel begeerde onderscheiding van de carnavalsvereniging.
De fel begeerde onderscheiding van de carnavalsvereniging. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Aan het eind van ons gesprek in zijn woning liep Henk nog even naar de gang en toonde de oorkonde van de ‘Luie bul’ die hij in 1985 kreeg van Prins Carnaval.

De enige vrouw van Onder Ons

Marieke Schigt-Van Duin (1955) rijdt al 32 jaar elke maandagavond van haar woonplaats Zuid-Scharwoude naar het biljartcentrum in Geesterduin om de onderlinge wedstrijden van Onder Ons te regelen. Zij doet dat echter met veel plezier:

“Ik ben al jaren arbiter voor het district Alkmaar en daardoor kwam ik in de jaren (negentien) zeventig ook op bezoek bij Onder Ons. Dat leek mij een leuke vereniging om bij te spelen en daarom ben ik in 1980 lid geworden en nooit meer weggegaan. Ik voel mij hier heerlijk thuis en heb alle mannen onder de duim. Ze doen ook alles voor me en ik kreeg al gauw de bijnaam ‘Koningin van de vereniging’.

Voor het vele vrijwilligerswerk bij de club en voor de bond in 31 jaar werd ik onderscheiden. Daarnaast ben ik lid van verdienste van zowel de club als het district. Ook ben ik gehuldigd voor 30 jaar lidmaatschap van Onder Ons.

Voor het district ben ik nog steeds actief als docent arbitersopleiding en gewestelijk arbiter. Bij de vereniging maak ik roosters voor de onderlinge wedstrijden en de finales. Ik geniet elke maandagavond ten volle als alles draait en ik zie dat iedereen het naar zijn zin heeft!”


Jaarboek 35, pagina 80

75-jarig bestaan.
75-jarig bestaan. Van links naar rechts Marieke Schigt-Van Duin, Jan Hemmer, Cees Suurmond, Ber Zonneveld, Henk Marcker, Jan Levering en Hans Gosselink.

Jubilea

In 1985 vierde Onder Ons het gouden jubileum. Naar aanleiding daarvan verscheen een boekwerkje, waarin aandacht werd besteed aan diverse hoogtepunten. Burgemeester Gmelich Meijling feliciteerde in zijn voorwoord de vereniging met het 50-jarig bestaan en wees erop dat biljarten niet alleen ontspanning brengt, maar ook inspanning en training vergt. Het programma omvatte een receptie op 2 maart in het clublokaal en de volgende dag was er voor de leden en partners een feestavond in Uitgeest.

In 2010 stond de vereniging stil bij het 75-jarig bestaan en recipieerde (red: ontving genodigden) ter ere daarvan op 2 maart in het biljartcentrum van de gebroeders Veldt. Tijdens deze bijeenkomst werden Henk Marcker (70 jaar lid), Jan Hemmer (55 jaar lid), Ber Zonneveld (50 jaar lid) en Marieke Schigt (30 jaar lid) benoemd tot lid van verdienste. Tenslotte werd secretaris Jan Levering door Jan Visser, afgevaardigde van de KNBB, benoemd tot lid van verdienste van het district Alkmaar.

Ledenvergadering Onder Ons op 29 mei 2012.
Ledenvergadering Onder Ons op 29 mei 2012. Van links naar rechts staand Wim Schermer, Ber Zonneveld, Jan Veldt, Arie Liefting, Gert Jonkman, Ber Veldt, Ferry Rommel, Ab Schuit, Herman Mooij, Frans Peperkamp, Dick Pruis, Jan Hemmer, Aart Waterman en Cees Liefting; zittend Jan Feeke (erelid), Jan Levering (secretaris), Marieke Schigt-Van Duin (wedstrijdleider), Hans Gosselink (voorzitter), Cees Suurmond (penningmeester) en Henk Marcker (erelid).

Willen is kunnen (1965)

Op 15 oktober 1965 werd in De Rustende Jager een nieuwe biljartclub opgericht, die dezelfde naam kreeg als het etablissement. Daar speelden Cees Burgmeijer, Anton Steij en Nico de Jong hun wekelijkse potje biljart. De Jong hanteerde ook als eerste de voorzittershamer. Al snel telde de club ruim 20 leden.

Biljarten in de Rustende Jager.
Biljarten in de Rustende Jager. Dorpsstraat 62 in Castricum, 1915. De oudste foto van biljarters in Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Jaarboek 35, pagina 81

Enkele maanden na de oprichting trad de vereniging toe tot de KNBB en ging spelen in district Alkmaar, waar menig kampioenschap werd behaald.

Het kampioensteam van WIK in 1967.
Het kampioensteam van WIK in 1967. Van links naar rechts Anton Steij, Nico de Jong, Cees Burgmeijer en Gert Lute.

Bovengenoemd drietal werd met Gert Lute erbij zelfs in 1967 Nederlands kampioen in de vierde klasse libre. Een unieke prestatie voor zo’n jonge club.

Bij de huldiging kregen de Castricummers een compliment van de voorzitter van de bond voor hun kleding. In die tijd was het namelijk de gewoonte om in een zwarte trui te spelen, maar de biljarters van ‘De Rustende Jager’ deden dat in een zwart vest.

Na de sloop van De Rustende Jager in 1976 moest de vereniging naar een andere locatie uitzien en kwam toen terecht in het biljartpaleis van Leferink. Vanwege het verdwijnen van ‘De Rus’ besloot men de naam te veranderen in ‘Willen Is Kunnen’ (WIK). Mede door meer biljartmogelijkheden kon ook het aantal leden worden uitgebreid.

Biljarters van WIK in actie aan de Stetweg.
Biljarters van WIK in actie aan de Stetweg.

Evenals Onder Ons verhuisde de club in 1980 naar het voormalige veilinggebouwtje in de Dorpsstraat. Samenwerking met enkele andere verenigingen, waaronder een aantal bridgeclubs, leidde ertoe dat WIK in 1982 opnieuw verkaste.

Het onderkomen van het bridge en biljartcentrum aan de Stetweg
Het onderkomen van het bridge en biljartcentrum aan de Stetweg 34a in Bakkum. Het pand is gebouwd door aannemer de Nijs. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Toen werd het onderkomen gevestigd in het biljart- en bridgecentrum aan de Stetweg, waar men nu nog speelt. Daar beschikt de club ook over vier prachtige wedstrijdtafels. Op 27 oktober 1990 hield de vereniging daar een receptie ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum.

De vereniging kende tot nu toe slechts vier voorzitters. Daarvan is Peter Vos de langst zittende.

De voorzitters van 1965 tot heden

1965-1973  Nico de Jong
1973-1978 Ko van Maldegem
1978-1980 Jaap van der Himst
1990-heden (=2012) Peter Vos

Plezier

WIK is geen vereniging meer die op hoog niveau speelt. Enkele spelers zijn naar een club gegaan die beter bij hun ambities paste. Van de drie oprichters speelt momenteel Cees Burgmeijer(1939) nog steeds bij WIK.

Cees merkte het volgende op: “Met Gert Lute, die er vlak na de oprichting bij kwam, ben ik inmiddels 47 jaar lid; wij beiden zijn erelid. Verschillende spelers zijn al meer dan 30 jaar lid, want over ’t algemeen zijn Wikkers honkvast. Het ledenaantal is ongeveer 25 en dat blijft constant. Elk jaar doen verschillende spelers mee aan districtswedstrijden in diverse spelsoorten en af en toe wordt een mooi succes gehaald.

Het belangrijkste is echter dat de leden veel plezier beleven aan hun hobby en daar iedere week naar uitzien. WIK is naast een biljartclub ook een gezelligheidsclub, want meerdere keren per jaar worden ook de partners van de leden uitgenodigd om samen aan een activiteit deel te nemen.”


Jaarboek 35, pagina 82

WIK-leden tijdens het 30-jarig bestaan in 1995.
WIK-leden tijdens het 30-jarig bestaan in 1995. Van links naar rechts achterste rij Theo Bijman, Rob Tijms, Henk Smolenaars, Ber Beentjes, Peter Vos, Gert-Jan Beentjes en Peter Groenendaal; middelste rij Anton Steij, Cees Burgmeijer, Cor Stroet, Klaas Ulder, Hans Beijersbergen, Piet Liefting, Hans Gosselink en Gerard Ursem; voorste rij Jan Plug, John Heeze, Peter Ent, Jan Kamp, Jan van der Zon en Gert Lute.

Theo de Graaf deed poging werelduurrecord biljarten

Café Duinzicht.
Café Duinzicht. Beverwijkerstraatweg 6 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het biljarten in Castricum kwam in de zomer van 1971 volop in het nieuws. Binnen de biljartclub Duinzicht, die in het gelijknamige café aan de Beverwijkerstraatweg speelde, was namelijk het idee ontstaan om een aanval te doen op het wereldrecord non-stop biljarten, dat op dat moment stond op 67 uur en 32 minuten. Theo de Graaf (1951) wilde wel een poging doen om dat record te verbreken en startte met zijn marathon op donderdag 15 juli om 16.00 uur, nadat de acquitstoot was verricht door niemand minder dan zanger Johnny Jordaan.

Theo de Graaf aan het begin van zijn recordpoging, waarbij Johnny Jordaan eregast was.
Theo de Graaf aan het begin van zijn recordpoging, waarbij Johnny Jordaan eregast was.

Theo: “In het begin had ik nogal last van zenuwen, wel weer. Voor deze poging had ik van biljartfabriek Feller uit Hoorn een mooie keu gekregen die goed in de hand lag. De medische verzorging was prima geregeld. Huisarts Van den Bergh controleerde regelmatig mijn conditie en fysiotherapeut Rob Schouten masseerde mij van tijd tot tijd. Ook waren leden van de Castricumse EHBO onafgebroken aanwezig om een oogje in het zeil te houden. Ik moest mij daarbij aan een uitgekiend dieet houden met zo weinig mogelijk calorieën, dat onder andere bestond uit een appel, zuurkool, beschuit, thee, bouillon, citroen en karnemelk.

Uiteindelijk hield ik het vol tot zondag 18 juli 12.03 uur en toen vond ik het na 68 uur en 3 minuten welletjes. Daarmee werd het oude record dus verbeterd met 28 minuten. Overigens hing dat succes nog even aan een zijden draadje, toen ik in de nacht van zaterdag op zondag een black-out kreeg. De slaap overviel me en ik dreigde volkomen in elkaar te zakken. Na een massage, een rondje hardlopen in de frisse buitenlucht en een koude douche wisten ze mij echter weer klaar te stomen voor de slotfase.

Toen het moment eenmaal daar was, bleek dat ik in totaal 3.725 caramboles had gemaakt, oftewel een gemiddelde van 1,04. Dat was hoger dan mijn algemeen gemiddelde bij de club! Tijdens deze marathon speelde ik trouwens tegen mijn eigen clubleden die steeds rouleerden.

Na afloop was het tot diep in de nacht groot feest met optredens van de Wico’s en de Amsterdamse zanger Bolle Jan. Ik werd bedolven onder de bloemen.


Jaarboek 35, pagina 83

Daarna maakte ik met Willem Harder, de toenmalige uitbater van Duinzicht en organisator van dit biljartspektakel, een rondedans voor de enthousiaste supporters, familieleden, vrienden en vele andere belangstellenden. Ook mocht ik diverse geschenken en een geldbedrag in ontvangst nemen.

De enige smet op mijn prestatie is dat het record niet erkend kon worden door het Guinness Book of Records, omdat de poging door twee spelers dient te worden ondernomen. De tweede kandidaat van Duinzicht haakte echter af. Toen besloot ik het maar in mijn eentje te doen. Met veel plezier kijk ik hierop terug en ik sta nog steeds achter mijn uitspraak vlak na het behalen van het record: “Dit was eens, maar nooit weer!”

Biljartclub voor ouderen (1981)

Begin jaren 1980 bleek er draagvlak te zijn voor een nieuwe biljartvereniging, omdat ook de vergrijzing in ons dorp sterk was toegenomen. Op 23 maart 1981 zag de ‘Biljartclub Voor Ouderen’ (BVO) het levenslicht. Ko van Maldegem was de eerste voorzitter.

Het eerste bestuur van de Stichting Biljart- en Bridge Centrum.
Het eerste bestuur van de Stichting Biljart- en Bridge Centrum. Van links naar rechts achterste rij Maarten Voogt, Jaap van der Himst, Piet van der Maaten, Jan Edam; voorste rij Theo Bijman, Ko van Maldegem en Jaap van der Werf. Dit zijn vertegenwoordigers van Bridgekring 1966, Biljartvereniging WIK en de Biljartvereniging voor Ouderen.

Ook deze vereniging vond in de eerste dagen van haar bestaan onderdak bij café Leferink. De leden waren aanvankelijk blij hier te kunnen biljarten, maar misten toch wel een eigen accommodatie. Die werd gelukkig vrij snel gevonden boven de nieuwgebouwde bakkerij van Kuilman aan de Stetweg.

Samen met enkele andere verenigingen ging de BVO deel uitmaken van de Stichting Biljart- en Bridge Centrum. Uit de beginjaren komen namen voor als die van Ko van Maldegem, Anton Ellermeijer en Jan Edam, bestuurders van het eerste uur, die met hun enthousiasme en doorzettingsvermogen de vereniging door de eerste roerige jaren hebben geloodst.

De voorzitters van 1981 tot heden

1981-1990 Ko van Maldegem
1990-1994 Joop Lamers
1994-2003 Jan van der Vliet
2003-2009 Andy van Ollefen
2009 heden (=2012) Rob Smit

Een van de oprichters

Jan Edam (1919-2012) was met Ko van Maldegem (1921-2004) een van de oprichters van BVO. De inmiddels overleden Jan vertelde daar het volgende over:

“Er waren rond 1980 zoveel ouderen die wilden biljarten dat er behoefte was aan een nieuwe club. In De Kern vond de oprichtingsvergadering plaats en in het begin hebben we nog even bij Leferink gespeeld tot we overstapten naar het pand van Kuilman aan de Stetweg.

Dat heeft ons, maar ons niet alleen, vele slapeloze nachten bezorgd. Er was een bedrag van 120.000 gulden nodig voor de inrichting van de speelruimte en voor de aanschaf van materialen. Dat bedrag hadden we niet en de beide andere verenigingen, de biljartvereniging WIK en Bridgekring 1966 evenmin. Op subsidie van de gemeente hoefden we niet te rekenen. Een verzoek aan een van de Castricumse banken om een lening had ook geen resultaat. De bank liet weten dat er onvoldoende onderpand zou zijn om, als we het niet zouden redden, bij het opheffen van de stichting de lening terug te betalen. Over de helft van het bedrag zou eventueel te praten zijn. We hebben toen een obligatielening uitgeschreven en binnen 14 dagen was dankzij het enthousiasme van de verenigingen en hun leden het benodigde bedrag van 60.000 gulden binnen. De bank ging toen ook overstag en de Stichting Biljart- en Bridgecentrum kon van start. BVO had als deelnemende vereniging een eigen home!

De eerste jaren waren mager en elke cent werd omgedraaid. Over een koekje bij de koffie moest in het stichtingsbestuur worden gestemd … Ik weet ook nog goed dat we geen personeel in dienst konden nemen voor buffet- en schoonmaakwerkzaamheden, omdat er dan belasting was verschuldigd over de betalingen. Daarom vroegen we maar vrijwilligers via een advertentie en daar kwamen voornamelijk vrouwen op af. Zij kregen dan een vergoeding van maximaal 1.500 gulden per jaar en als ze dat bedrag hadden bereikt, moesten ze van de boekhouder vertrekken en mochten pas het jaar daarop weer terugkomen … Toch is alles op zijn pootjes terechtgekomen en na 10 jaar waren alle schulden afgelost en was de gehele inventaris afgeschreven.

Ik heb bij BVO een hele leuke tijd gehad. We speelden onderlinge wedstrijden, maar ook tegen Alkmaar en Heemskerk. Toen ik in 2006 in De Santmark ging wonen, vond ik het mooi geweest en ben ik gestopt met biljarten. Mijn keu heb ik echter nog steeds bewaard.


Jaarboek 35, pagina 84

De BVO voorzag in een grote behoefte, want het ledental steeg jaar na jaar. In 1994 moest er zelfs een ledenstop worden ingevoerd, omdat het toen ingestelde maximum van 154 leden was bereikt en dat aantal dreigde behoorlijk te worden overschreden.

Het grote voordeel van deze vereniging is dat er wekelijks op zeven verschillende dagdelen in clubverband kan worden gebiljart. Daarnaast kan er op twee middagen vrij worden gespeeld.

BVO-voorzitter Rob Smit (rechts) feliciteert Gert Lute met het behalen van het clubkampioenschap in 2012.
BVO-voorzitter Rob Smit (rechts) feliciteert Gert Lute met het behalen van het clubkampioenschap in 2012.

Bij het 30-jarig jubileum in 2011 blikte de huidige (in 2012) voorzitter Rob Smit (1946) terug en zei tot slot:
“De BVO is een club met een groot aantal trouwe leden. Het overgrote deel biljart voor zijn plezier in een gemoedelijke sfeer, soms ook wel fanatiek, maar zonder het ‘mes op tafel’. Gelukkig maar, de biljartlakens gaan hier dan ook vrij lang mee.

Er zijn heel veel leden, zonder hier namen te noemen, die in het verleden een enorm actieve rol hebben gespeeld binnen de vereniging. Maar één naam springt er nadrukkelijk uit en dat is Anton Ellermeijer, die in 2000 wegens zijn grote verdiensten voor de vereniging gedurende 15 jaar werd benoemd tot erelid. Hij is tot nu toe ook de enige die deze eer ten deel viel. En als ik Anton Ellermeijer heb genoemd, mag ik ook de naam van Jan van Vliet niet vergeten. Met een ongelooflijk goed humeur en geduld wist hij veel lastige ledenvergaderingen tot een goed einde te brengen, Hij was negen jaar voorzitter en hij bleef altijd vrolijk.

Goed vandaag dus 30 jaar BVO, op naar het volgende lustrum. Al die jaren zijn wij al een bloeiende vereniging en dat willen wij graag blijven. Aan het bestuur zal het niet liggen, aan u ongetwijfeld ook niet, want er wordt nog steeds veel plezier aan het spelletje beleefd. Ik heb zojuist gememoreerd dat wij in 1994 over 154 leden beschikten. Nu schommelt het ledenaantal rond de honderd, 109 om precies te zijn. Van die leden is een kwart 80 jaar en ouder, sterker nog, drie zijn er over de 90.
Het is wel zaak om het ledenaantal vast te houden en liefst nog wat te vergroten!”

De Doorschieter (1982)

De Doorschieter werd op 1 september 1982 opgericht door en voor biljarters van allerlei pluimage: jong en oud; beginner en gevorderde; man en vrouw. De eerste voorzitter was Nico Tessel, die werd bijgestaan door secretaris Jan de Jong en penningmeester Jaap Brugman. Ook deze club begon in de garageboxen aan de Jacob Rensdorpstraat en verhuisde in 1989 mee naar het nieuwe biljartcentrum in Geesterduin. Daar werden elke woensdagavond de wedstrijden gespeeld.

Marcel Klomp werd in 1999 eerste in de 5e klasse libre. Links clubgenoot Eric Hansman.
Marcel Klomp werd in 1999 eerste in de 5e klasse libre. Links clubgenoot Eric Hansman.

De nadruk van De Doorschieter lag op de gezelligheid in combinatie met het streven naar een zo goed mogelijke prestatie. Daarom werd er vanaf 1985 voor de bond in het district Alkmaar in diverse disciplines gespeeld. De kampioenen deden daarna mee aan de gewestelijke wedstrijden. Zo was Marcel Klomp succesvol in november 1999 door in Lisse de finale te winnen van de 5e klasse libre. Hij was ook de enige Doorschieter die mee mocht doen aan een landelijk kampioenschap, overigens zonder daarbij in de prijzen te vallen.

Het KNBB-team van De Doorschieter in het seizoen 2006-2007.
Het KNBB-team van De Doorschieter in het seizoen 2006-2007. Van links naar rechts staand Cees van Oostrom, Joop van der Wijst, (sponsor) Marc van Delden en Janhans Berg; zittend Eric Hansman, Frans Lute, Theo Zentveld en Tiddo Luttjeboer.

In de discipline ‘teams’ werd één keer gewestelijk meegedaan door De Doorschieter en wel in 2001. Het team stond onder leiding van Gerard van Oostrom, het enige lid van deze biljartvereniging die in 2007 werd benoemd tot erelid vanwege zijn vele bestuursfuncties en zijn 25-jarig lidmaatschap. Voor velen was deze club namelijk een doorgangshuis, want in al die jaren werden in totaal 77 leden genoteerd (waaronder circa 10 dames) , terwijl het ledental jaarlijks varieerde van 16 tot 25.

De leden die tijdens wedstrijdavonden nog niet aan de beurt waren, verveelden zich overigens nooit, want er werd veel geklaverjast en dat werd vaak tot in de kleine uurtjes voortgezet. Eens per jaar werd het gezelligheidstoernooi ’10 over Rood’ gespeeld, waarbij om de clubbokaal werd gestreden. Ook werden er meerdere feestjes gehouden, zoals in 1992 en 2007 tijdens de vieringen van respectievelijk het 10-jarig en 25-jarig bestaan.

Toch zag deze club geen kans te overleven, nadat de gebroeders Veldt per 1 juli 2011 stopten met hun biljartcentrum. Toen viel ook het doek voor


Jaarboek 35, pagina 85

De Doorschieter. Vele leden zegden dat jaar hun lidmaatschap op om verschillende redenen, waarvan er een was dat men geen verplichtingen wilde aangaan ten opzichte van de stichting die per die datum het centrum in Geesterduin ging beheren. Omdat er nog maar zes leden overbleven, heeft het bestuur onder voorzitterschap van Frans Lute toen maar besloten om de vereniging op te heffen.

De eerste acht van ’t Steegie in 1996.
De eerste acht van ’t Steegie in 1996. Van links naar rechts staand Nico Scheerman, Bert Zonneveld, Piet Glorie en Toon Stuifbergen; zittend Huib Moot, Pé Zonneveld, Jan Glorie en Arno Nooij.

’t Steegie (1988)

Van een vereniging met een historie van 24 jaar mag je toch verwachten dat er een en ander op papier is terug te vinden. Dat geldt echter niet voor ’t Steegie, dat als vijfde Castricumse biljartvereniging op 28 november 1988 het levenslicht zag. Voorzitter Martin Res (1936) kon dat echter wel verklaren en wist gelukkig nog veel te vertellen:

“Ik kwam in de jaren 1980 nog wel eens een biljartje maken bij de gebroeders Veldt aan de Jacob Rensdorpstraat. Jan Stet vroeg me op een gegeven moment of ik er iets voor voelde om mee te helpen een club op te richten. We wilden namelijk niet bij Onder Ons spelen, want dat niveau was te hoog voor ons. Al snel hadden we 10 mannen die mee wilden doen en onder leiding van voorzitter Verner Oussoren gingen we van start. De naam ‘t Steegie werd bedacht door Klaas Tessel die zich liet inspireren door het feit dat je alleen via een steeg tegenover het zwembad de garageboxen van Veldt kon bereiken.

Toen het biljartcentrum daar werd opgeheven, gingen we natuurlijk mee naar de nieuwe vestiging in Geesterduin. Ondertussen waren we uitgegroeid tot 22 leden. In 2005 wilde Oussoren onmiddellijk weg bij Veldt, omdat de gebroeders lieten doorschemeren dat ze wilden stoppen. De voorzitter schreef op dat moment zonder overleg of inspraak een brief aan alle leden, waarin hij meedeelde dat er vanaf september in het biljartcentrum aan de Steweg zou worden gespeeld.

Dat veroorzaakte tweespalt binnen de vereniging, met als gevolg dat ongeveer de helft opstapte en een nieuwe vereniging oprichtte. De andere leden bleven bij Veldt spelen en doen dat nu nog. Ik werd na de breuk de nieuwe voorzitter van ’t Steegie en binnen anderhalf jaar zaten we weer op 22 leden. Waarschijnlijk heeft Oussoren, die inmiddels is overleden, alle papieren meegenomen en is er daarom bijna niets meer terug te vinden. Ook hebben we nog geen website, omdat de gemiddelde leeftijd 65 is en er niemand staat te dringen om ermee aan de gang te gaan. Ons jongste lid is ongeveer 55 jaar en ikzelf ben met 75 jaar zo’n beetje de oudste.

We spelen alleen onderlinge wedstrijden op de donderdagavond. Kenmerkend is de hoge opkomst. Er zijn veel avonden waarop iedereen er is en dat is voor een groot deel te danken aan de gezelligheid die bij ons voorop staat. Zo organiseren we op een vaste avond tussen kerst en nieuwjaar een spelletjesavond. Aan het eind van elk seizoen vindt de prijsuitreiking plaats en in juni hebben we een feestavond. Zo hou je het lang vol, alleen zou ik zo langzamerhand wel willen aftreden om plaats te maken voor een jonge voorzitter. Maar waar vind je die vandaag de dag?”

De leden van ’t Steegie in 2008.
De leden van ’t Steegie in 2008. Van links naar rechts achterste rij Piet Bakker (Castricum), Joop Mooij, Piet Bakker (Heiloo), Herman Rab, John Sallehart, Ed Huitinga, Nico Veldt, Hans Oudejans en Ton Res; middelste rij Gerard Borst, Jaap Spek, Piet Veldt, Jan van Zilt, Piet Duin, Bert Hooft, Piet Glorie en Toon Stuifbergen; voorste rij Giel de Reus, Bert Zonneveld, Martien Res, Rob Stet en Nico Scheerman.

’t Stetje (2005)

De jongste biljartvereniging van Castricum heet ’t Stetje. Zoals al beschreven onder ’t Steegie, werd Verner Oussoren voorzitter van deze nieuwe vereniging die op 25 juli 2005 werd opgericht. Met 14 leden ging men puur als gezelschapsgroep van start in het biljartcentrum aan de Stetweg, waar


Jaarboek 35, pagina 86

vanzelfsprekend de naam van de vereniging mee verbonden is. Sinds het overlijden van Jan van de Kerkhof in april 2012 wordt de functie van voorzitter bekleed door Hans Molenaar. Momenteel (in 2012) telt de club alweer 20 leden die op vrijdagavond bij elkaar komen. In het voorjaar van 2011 werd het clubtenue, bestaande uit een zwarte of donkerblauwe broek en een wit overhemd, uitgebreid met een rood vestje dat werd voorzien van een geborduurd embleem.

Groepsfoto van ’t Stetje uit 2010.
Groepsfoto van ’t Stetje uit 2010. Van links naar rechts achterste rij Huib Moot, Jeroen van de Kerkhof, Siem Castricum, Jan van de Kerkhof, Henk Revers, Jaap de Boer, Piet Castricum, Jos Hes, Ronald Bijwaard, Jan Elting, Johan van Venetiën, Siem Groentjes en Kees Rörik; voorste rij Piet Nieuwenhuizen, Stefan Castricum, Harm Regts, Cees Brouwer en Eugene Burgzorg.

‘t Stetje organiseert elk jaar drie toernooien, waarvoor ook andere verenigingen worden uitgenodigd. Verder wordt veel aandacht besteed aan de onderlinge band door middel vaneen clubblad en het jaarlijks organiseren van een barbecue of een andere gezellige avond. In november 2009 is men zelfs met de hele groep en partners drie dagen op stap geweest.

Nastoot

In Bakkum en Castricum wordt er anno 2012 nog door circa 200 biljarters in clubverband gespeeld. Ondanks het feit dat de oorspronkelijke biljartsport door de opkomst van pool- en snookerbiljarts fors aan populariteit heeft moeten inboeten, telt ons dorp toch vijf gezonde verenigingen die deze edele sport beoefenen. Daarom is de verwachting dat er hier nog lange tijd wordt gekrijt!

Hans Boot

Bronnen:

  • Archiefmateriaal en websites biljartverenigingen;
  • Castricum-Bakkum in vervlogen jaren, 1996;
  • Heideman H., Dorpje aan de duinkant, 1986.

Met dank aan: Cees Burgmeijer, Jan Feeke, Hans Gosselink, Theo de Graaf, Eric Hansman, Jeroen van de Kerkhof, Jan Levering, Henk Marcker, Gerard van Oostrom, Martin Res, Marieke Schigt-Van Duin, Rob Smit, Ber Veldt, Jan Veldt, Maarten Voogt en Peter Vos.


19 december 2022

Koningsbosch, jeugdherberg (Jaarboek 35 2012 pg 63-74)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 63

Van jeugdherberg Koningsbosch naar Stayokay Bakkum

Koningsbosch, de eerste door de NJHC gebouwde jeugdherberg. Gebouwd in 1932, gemeentelijk monument.  Tegenwoordig is dit een restaurant en hotel genaamd Huize Koningsbosch.
Koningsbosch, de eerste door de NJHC gebouwde jeugdherberg. Gebouwd in 1932, gemeentelijk monument.  Tegenwoordig is dit een restaurant en hotel genaamd Huize Koningsbosch.

Aan de Heereweg te Bakkum, omgeven door het duinrandbos van het Noordhollands Duinreservaat staat de vroegere jeugdherberg Koningsbosch. Vanwege de architectonische vormgeving is het gebouw geplaatst op de gemeentelijke monumentenlijst.

Maar ook om een andere reden is het een bijzonder gebouw. Het is de eerste speciaal gebouwde jeugdherberg in opdracht van de Nederlandsche Jeugdherbergcentrale.

Na vele jaren jeugdherberg Koningsbosch werd Stayokay Bakkum de nieuwe benaming. In 2012, het jaar waarin het gebouw tachtig jaar bestaat, is het einde van Stayokay Bakkum in zicht gekomen.

De Nederlandsche Jeugdherbergcentrale (NJHC)

Naar Duits voorbeeld ontstaan in de jaren (negentien) twintig van de vorige eeuw de eerste jeugdherbergen in Nederland. Op particulier initiatief wordt in 1927 de eerste jeugdherberg geopend in Ouderkerk aan de Amstel. Nog voordat de NJHC is opgericht, zijn er in totaal al twee jeugdherbergen bijgekomen: in Petten en Amersfoort. Ze zijn klein en zeer eenvoudig.

Uitnodiging voor de opening van jeugdherberg Koningsbosch.
Uitnodiging voor de opening van jeugdherberg Koningsbosch. Heereweg 84 in Bakkum, 1932. De officiële opening is op 26 maart 1932 nadat de eerste steen op 1 oktober 1931 is gelegd. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De NJHC gaat op 5 april 1929 officieel van start. Het doel is om goedkope en veilige overnachtingsgelegenheden voor de jeugd te bieden en om tot een goed netwerk van jeugdherbergen te komen. Voor de NJHC wordt een plaats ingeruimd in het kantoor van het Nederlandsch Jeugdleiders Instituut in Amsterdam. Een van de eerste taken van de nieuwe stichting is het uitgeven van eigen Nederlandse trekkerskaarten.

Inlegkaart trekkerskaart van de jeugdherbergen.
Inleg-trekkerskaart van de jeugdherbergen. Afgestempeld op 19 december 1970 te Koningsbosch bij het afscheid van Joop en Saar Richter. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1929 verschijnt de eerste jeugdherberg gids en worden huisregels opgesteld, waarin rechten en plichten van de bezoekers van jeugdherbergen zijn beschreven. In het eerste jaar vinden er in de jeugdherbergen 8.575 overnachtingen plaats. De NJHC heeft dan nog geen eigen jeugdherbergen. Ze is een overkoepelend orgaan dat naast de uitgifte van trekkerskaarten en de jeugdherberg gids, ook landelijke propaganda maakt.

De Zevensprong te Petten. Geen comité van notabelen, oproep om geld, besprekingen over statuten en dergelijke. Enkele jongelieden huurden een ‘huis’ voor 1 gulden per week en met een groep jonge vrienden besteedden zij hun vakantie om dit krotje te vertimmeren. De heer en mevrouw Wiese, de ouders van een van de initiatiefnemers, werden daar de eerste jeugdherbergouders.
De Zevensprong te Petten. Geen comité van notabelen, oproep om geld, besprekingen over statuten en dergelijke. Enkele jongelieden huurden een ‘huis’ voor 1 gulden per week en met een groep jonge vrienden besteedden zij hun vakantie om dit krotje te vertimmeren. De heer en mevrouw Wiese, de ouders van een van de initiatiefnemers, werden daar de eerste jeugdherbergouders.

Enkele huisregels vermeld in de jeugdherberggids van 1929

Wanneer men ’s avonds moe en stoffig na een langen tocht in een Jeugdherberg aankomt, beginne men zich geheel te wasschen. Liefst neme men een douche. Het nemen van een voetbad is echter voor ieder verplicht.

De ledikanten worden niet als bergplaats voor rugzakken en stoffige kleeding gebruikt. Deze wordt opgeborgen op daarvoor bestemde plaatsen. Ieder brenge zijn eigen lakens mee.

Alles is ingericht op het zich zelf helpen onder leiding van den Herbergvader. Ieder heeft daarom de plicht, waaraan hij zich nimmer mag onttrekken, om ervoor te zorgen, dat de slaapzalen vóór het vertrek den volgenden morgen wederom zijn schoongemaakt, de bedden opgemaakt en de keuken en waschgelegenheden in hun ouden toestand zijn teruggebracht.

Alcoholgebruik en rooken zijn ten strengste verboden. Om 10 uur ’s avonds moet iedereen stil zijn om allen in de gelegenheid te stellen een goede nachtrust te genieten.

Wanneer men ’s avonds na een lange tocht moe en stoffig in een Jeugdherberg aankomt, bestaat de mogelijkheid om een douche te nemen. Het nemen van een voetbad is echter voor ieder verplicht. De ledikanten mogen niet als bergplaats voor rugzakken en kleding worden gebruikt.

Zowel verenigingen als individuele personen kunnen bij de NJHC ingeschreven worden. Voor individuele personen bedraagt de contributie 3 gulden, inclusief het mededelingenblad. Voor jongeren bedraagt de contributie 1 gulden en voor gezinnen 1,50 gulden. De jeugdherberggids van 1930 vermeldt al 24 jeugdherbergen. In bijna alle jeugdherbergen zijn uitsluitend vegetarische maaltijden verkrijgbaar.


Jaarboek 35, pagina 64

Boerderij Zeeveld omstreeks 1930.

Boerderij Zeeveld

Een plaatselijke comité onder voorzitterschap van mevrouw Aukes, die ook lid was van Provinciale Staten, onderneemt actie om tot een jeugdherberg in Castricum te komen. Er wordt geld ingezameld onder meer door het organiseren van een bazaar en het werven van donateurs. De boerderij Zeeveld, bezit van de provincie Noord-Holland, zou als jeugdherberg ingericht kunnen worden. In 1930 verleent Gedeputeerde Staten van Noord-Holland toestemming.

Naast het naambord van de boerderij hangt de driehoek van de Nederlandsche Jeugdherberg Centrale.
Naast het naambord van de boerderij hangt de driehoek van de Nederlandsche Jeugdherberg Centrale.

Op 9 juli 1930, op een mooie zomermiddag, vindt de opening plaats. Genodigden worden ontvangen op de dors, een ruimte waar tijdens de hooitijd de hooiwagens naar binnen worden gereden. De ontvangstruimte is sober versierd met enig groen, enkele dahlia’s en rozen.

“Toen we allen op de toegeschoven banken waren gezeten en ons konden steunen tegen het pas geborgen hooi, opende mevrouw Aukes, voorzitster van het plaatselijke comité de bijeenkomst, (…)”, zo schrijft een verslaggever van de Alkmaarsche Courant om daarna zijn artikel te vervolgen met:

“In haar openingswoord wees zij er op hoe hier in korten tijd getracht en hopelijk gelukt is, om een jeugdherberg te kunnen openen, waar de reizende en trekkende jeugd goed en goedkoop een frissche slaapplaats kan worden verschaft (…).”

Boerderij Zeeveld.
Boerderij Zeeveld. Noorderstraat 2 in Bakkum. Deze mooie boerderij is gelegen aan het oude stukje Heereweg. Het gedeelte van de Heereweg langs de jeugdherberg is pas in 1930 aangelegd. Zeeveld is een tamelijk riant boerenbedrijf. Het is gebouwd in het begin van de vorige eeuw en de boerderij heeft tot 1962 als zodanig dienst gedaan. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na het openingswoord wordt een rondgang gemaakt en geeft de verslaggever een indruk van de tot jeugdherberg ingerichte boerderij. “Zeker er zijn geen ruime en luchtige slaapgelegenheden als in een hotel kunnen worden geboden, maar de reizende en trekkende jeugd vraagt dat niet, die heeft genoeg aan een sober maar helder gespreid bed, met eenvoudige waschgelegenheid en vraagt geen luxueuze ingerichte waschtafel.”

In de stal, waar in de winter de koeien staan, slapen de meisjes. Voor de jongens zijn de slaapplaatsen ondergebracht in twee tenten op het erf en ook op de zolder. Achter in de boerderij, in de paardenstal, is de keuken, waar ieder zijn eigen potje kan koken.

De dors deed dienst als ‘dagverblijf ’. Piet Mooij (staand) was naast boer ook twee seizoenen ‘jeugdherbergvader’ (1930).
De dors deed dienst als ‘dagverblijf ’. Piet Mooij (staand) was naast boer ook twee seizoenen ‘jeugdherbergvader’ (1930).

Vanaf die dag kunnen 14 meisjes en 10 jongens bij vader Piet Mooij terecht.

Het plaatselijk comité legde in oktober verantwoording af over het eerste seizoen, waarbij eraan wordt herinnerd dat gezien het weinige geld dat beschikbaar was. Er waren in die eerste maanden toch nog 195 overnachtingen, waarvan 2 uit Castricum zelf, 144 uit Noord-Holland, 43 uit andere provincies en 6 uit het buitenland.

In 1931 is het aantal gasten gestegen tot 985, dus is het bezoek meer dan vervijfvoudigd. Ten opzichte van 1930 is het aantal jeugdherbergen in 1931 inmiddels toegenomen tot 33 en daar zal spoedig een nieuw te bouwen jeugdherberg in Bakkum bij opgeteld kunnen worden.

Jeugdherberg Koningsbosch

Koning Willem I.
Koning Willem I. Bakkum, 1829. Koning Willem I, geboren in 1772 in Den Haag als prins Willem Frederik, werd na de Franse tijd in 1813 koning der Nederlanden (Nederland en België). Koning Willem I kocht in 1829 het Bakkumse duingebied uit de nalatenschap van Abraham Barnaart, grootgrondbezitter. Ook het aan de zuidzijde grenzende terrein van jonkheer Lucas Boreel werd aangekocht. Verschillende namen verwijzen naar het vroegere koninklijk bezit. Een stuk duingebied wordt Koningsduin genoemd. De waterloop langs de Zeeweg, tussen het fietspad en de rijweg, draagt de naam Koningskanaal. Een noordelijker gelegen stuk bebost duinterrein heet Koningsbosch, waarnaar de vroegere jeugdherberg Koningsbosch werd vernoemd. Een van de bospaden in het duingebied achter Bakkum draagt de naam Van Wiedlaan, zo genoemd naar prinses Von Wied die ook eigenaresse van de Bakkumse duinen is geweest en een kleindochter was van koning Willem I. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1829 verwierf koning Willem I het duingebied bij Bakkum. Daarna is het enkele generaties lang in het bezit gebleven van leden van de koninklijke familie. Sinds 1903 is de Provincie Noord-Holland eigenaresse.

Het bollenland achter de duintjes, tegenover jeugdherberg Koningsbosch.
Het bollenland achter de duintjes, tegenover jeugdherberg Koningsbosch. Heereweg in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hiertoe behoort ook het gebied Koningsbosch in de binnenduinrand. Daar wordt in 1931 begonnen met de bouw van een nieuwe jeugdherberg, die ook de naam ‘Koningsbosch’ zal dragen. Het is de eerste jeugdherberg die in opdracht van de NJHC zal wor-


Jaarboek 35, pagina 65

den gebouwd. De bouw wordt door de Provinciale Staten van Noord-Holland mogelijk gemaakt door uitgifte van grond in erfpacht en een garantstelling tot een bedrag van 50.000 gulden  voor een geldlening.

Voor de eerste speciaal gebouwde jeugdherberg Koningsbosch wordt op 1 oktober 1931 de eerste steen gelegd.
Voor de eerste speciaal gebouwde jeugdherberg Koningsbosch wordt op 1 oktober 1931 de eerste steen gelegd door de gedeputeerde van Noord-Holland, de heer A.H. Gerhard. Hij staat met de hoed in de hand achter de zittende dame, links op de foto. Piet Mooij van Zeeveld was er ook.

De Amsterdamse architect Den Tex krijgt opdracht het gebouw te ontwerpen en hij volgt daarbij de stijl van de Amsterdamse School. Het gebouw zal ruimte bieden aan 76 bedden en een inpandige woning voor de herbergouders. De bouw wordt gegund aan de firma G. & J. Broertjes te Heemstede en Bloemendaal. In tegenwoordigheid van een grote groep genodigden wordt op 1 oktober 1931 de eerste steen gelegd door de heer Adrien Henri Gerhard, gedeputeerde van Noord-Holland.

Opening jeugdherberg Koningbosch.
Opening jeugdherberg Koningsbosch. Foto Ger van Geenhuizen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op paaszaterdag 26 maart 1932 is de officiële opening van jeugdherberg Koningsbosch. De eerste spreker is Dr. C.P. Gunning, voorzitter van de NJHC. Hij memoreert hoe in 1929 bij rentmeester Vogelenzang van het PWN het idee rijpte om dit terrein aan de Heereweg te gebruiken voor het stichten van een jeugdherberg en dat een in dat jaar gevormd comité ervoor heeft gezorgd dat de jeugdherberg er is gekomen.

Architect Den Tex roemt de artistieke bijdragen van mevrouw Ten Raa, lid van het plaatselijke comité en ontwerpster van een tweetal glas-in-lood ramen naast de open haard in het dagverblijf. Ook wijst hij op de vierkante mozaïekzuil die de luifel bij de ingang draagt. Het mozaïekwerk toont de figuren van een meisje, een haan, een uil en een boom.

De ingang met luifel en vierkante mozaïekzuil van jeugdherberg Koningsbosch.
De ingang met luifel en vierkante mozaïekzuil van jeugdherberg Koningsbosch. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na het hijsen van de vlag is er gelegenheid om de jeugdherberg te bezichtigen. Vanwege een sterke wind ziet men af van het ontsteken van een groot paasvuur.

Vader en moeder Mooij bedanken voor de eer om de eerste jeugdherberg ouders van Koningsbosch te worden, zij geven de voorkeur aan voortzetting van het boerenbedrijf. Het zijn Jan en Sien Reinders die in volledige dienst als jeugdherberg ouders worden geïnstalleerd. Zij zullen door de bezoekers met ‘vader’ en ‘moeder’ worden aangesproken.

Adrien Henri Gerhard werd op 7 april 1858 te Lausanne geboren. Hij stamde uit een geslacht van kleermakers. Ook zijn vader Hendrik Gerhard was kleermaker, maar was daarnaast een vakbondsleider en een pionier van de sociale beweging.

Adrien volgde de Rijksnormaalschool te Hoorn en werd in 1882 op 24-jarige leeftijd hoofd van een school in Amsterdam. Hij was een Nederlands politicus, vrijdenker, onderwijsspecialist en mede-oprichter van de SDAP. Hij kwam in 1913 in de Tweede Kamer en werd een alom gewaardeerd onderwijswoordvoerder. Hij sprak met een onvervalst Amsterdams accent. Hij bleef Kamerlid tot 1931. Van 1913 tot 1935 was hij lid van Provinciale Staten van Noord-Holland. Van 1916 tot 1935 was hij tevens gedeputeerde van die provincie.

Gerhard was lid van het plaatselijke jeugdherbergbestuur. Hij overleed te Bakkum op 3 juli 1948 op 90-jarige leeftijd.

Vele jongeren geven gehoor aan de oproep om zaterdag voor Pasen naar Koningsbosch te komen, de opening mee te maken en er het paasweekend door te brengen. Onder hen is ook Leo de Wolff. Aan hem wordt gevraagd om voor het maandblad ‘De Trekker’ een artikel over de opening te schrijven. Dat doet hij, maar hij betrekt daarin ook zijn herinneringen aan Zeeveld.

“ (…) Ik keerde me om, daar lag nu die modeljeugdherberg, waarvan reeds talrijke wonderlijke sprookjes de ronde deden. Fantastische verhalen waren in omloop over de inrichting van dit jeugdpaleis. In de verte achter wat hooge boomen moest de oude jeugdherberg liggen, ‘Zeeveld’, waar we zoo’n menig gezellig uurtje hadden doorgebracht. In die oude boerderij had je je thuis gevoeld, juist door de intieme primitiviteit van de inrichting. Waar boer Mooij en zijn vrouw je des avonds in het dagverblijf of buiten op het erf aan de babbel hielden, waar je de geur van het hooi opsnoof, waar de vogels je gratis op muziek tracteerden,


Jaarboek 35, pagina 66

’s morgens vroeg en in den avond. En nu, vlak voor ons een model-jeugdherberg (…).”

De in 1932 in gebruik genomen modeljeugdherberg Koningsbosch. In de beginjaren krijgt de jeugdherberg van de trekkers de bijnaam ‘halftonsherberg’, een verwijzing naar de bouwkosten.
De in 1932 in gebruik genomen modeljeugdherberg Koningsbosch. In de beginjaren krijgt de jeugdherberg van de trekkers de bijnaam ‘halftonsherberg’, een verwijzing naar de bouwkosten.

Groei

In 1932 stijgt het aantal jeugdherbergen tot 41. Overnachten voor gasten tot en met 18 jaar kost 0,30 gulden, voor gasten tot en met 21 jaar 0,40 gulden en voor gasten boven de 21 jaar 0,50 gulden. Voor een broodmaaltijd wordt 0,30 en voor een warme maaltijd 0,50 gulden gerekend. Het huren van een slaapzak kost 0,15 gulden. Bakkum verstrekt koude douches gratis. Wil men er warm water bij, dan moeten er 5 centen op tafel komen. De rijwielstalling is echter kosteloos.

In 1936 betrekt de NJHC een eigen kantoor in de Professor Tulpstraat. Daarmee is een einde gekomen aan de inwoning in het gebouw van het Nederlands Jeugdleiders Instituut.

In 1939 wordt het 10-jarig bestaan van de NJHC gevierd. Er zijn dan 64 jeugdherbergen.

Tussen 10.00 en 15.00 uur waren de jeugdherbergen gesloten. Op een poster werd dit in rijmvorm aan de gasten kenbaar gemaakt. De R. in de rechter benedenhoek doet vermoeden dat het ontwerp van de hand van de Bakkumse herbergvader Jan Reinders is.
Tussen 10 en 15 uur waren de jeugdherbergen gesloten. Op een poster werd dit in rijmvorm aan de gasten kenbaar gemaakt. De R. in de rechter benedenhoek doet vermoeden dat het ontwerp van de hand van de Bakkumse herbergvader Jan Reinders is.

Jeugdherbergouders

Het ‘vader’ en ‘moeder’ zijn van een jeugdherberg was geen bestaand beroep. Veelal werden echtparen gevraagd die bereid waren tegen een kleine vergoeding het beheer van een jeugdherberg op zich te nemen. Meestal waren vrij wonen en een gedeeltelijke kostvergoeding voldoende om de jeugdherberg als bijbaan te accepteren.

Jan Reinders schrijft daarover in het boek ‘Een kwart eeuw jeugdherbergen 1929-1954’ het volgende:
“Nergens kun je een diploma halen voor het vak herbergvaderen en -moederen. En toch moet je van alles kunnen, een soort duivelskunstenaar zijn. Kok, directeur, administrateur, je technische knobbel moet een zekere omvang hebben bereikt, … en dan nog een beetje pedagogie, wat psychologisch inzicht, … o ja, een beetje kennis van de levende natuur verdient wel aanbeveling, terwijl enige bekwaamheid in het volksdansen en musiceren, wat kennis van land en volk niet ongewenst zijn. En dan nog vader en moeder zijn, snapt u wat ik bedoel?”

Zegel jeugdherberg Koningsbosch.
Zegel jeugdherberg Koningsbosch, circa 1950. Jan Reinders maakte van alle jeugdherbergen in Nederland steunzegels. Hij keerde na de oorlog niet terug naar de jeugdherberg en richtte zich volledig op muziek en tekenen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat uit de kring van jeugdherbergouders de behoefte naar voren komt om meer contact met elkaar te hebben en aan scholing. Op de School voor Maatschappelijk Werk te Amsterdam wordt die mogelijkheid geboden. Jan Reinders vindt dat er ook wat moet gebeuren met hun rechtspositie. De jeugdherbergouders richten een eigen belangenorganisatie op.


Jaarboek 35, pagina 67

De oorlogsjaren

Al in 1939 krijgt het jeugdherbergwerk te maken met de oorlogstoestand in Europa. Een bericht in ‘De jeugdherberg’ meldt dat de in april geplande cursus voor jeugdherbergouders niet zal doorgaan, omdat een aantal jeugdherbergen voor de legering van militairen is gevorderd. Ook voor andere jeugdherbergen wordt dit verwacht.

De in 1939 afgelaste cursussen vinden nu van 8 tot 13 april 1940 plaats in Koningsbosch. Tijdens die bijeenkomst ontstaat een gespannen sfeer vanwege de Duitse aanval op Denemarken en Noorwegen. Een aantal deelnemers verlaat de cursus vroegtijdig.

Op 10 mei 1940 komt de oorlog over Nederland. Het met zoveel zorg opgebouwde jeugdherbergwerk wordt uiteindelijk onder nationaal socialistische leiding gesteld. Op een bijeenkomst op 7 mei 1941 in Utrecht krijgen de jeugdherbergouders van de nieuwe ‘leiding’ te horen welke nieuwe wegen er zullen worden gegaan.

Jeugdherbergouders hoeven geen lid van de NSB te worden en de huisregels worden niet veranderd. Alleen de toegang voor Joden wordt verboden! Na afloop van de bijeenkomst staat het voor enkele herbergouders vast dat ze ermee stoppen. Zij verliezen hun baan, maar ook hun woning, zonder enige garantie op financiële hulp. Anderen proberen het nog een poosje, maar verlaten dan ook het werk of worden door de nieuwe leiding ontslagen. De rest doet zijn best om het werk zoveel mogelijk door de beroerde tijden heen te loodsen.

Koningsbosch 10 jaar

Ook voor Koningsbosch breken moeilijke tijden aan. In de periode 1940-1941 wordt de jeugdherberg regelmatig voor korte perioden gevorderd voor legering van Duitse militairen. Ook moet enkele weekenden gastvrijheid worden verleend aan jeugdgroepen van organisaties die de Duitse ideologie uitdragen.

Bunker complexen in het duingebied van Castricum, 1941. Rechts bovenaan de kaart is er een groot complex met 31 bunkers ten oosten van de Heereweg in de driehoek Duinweg, Doornduin en de jeugdherberg Koningsbosch. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Toch wordt in april 1942 door een honderdtal trekkers het 10-jarig bestaan van Koningsbosch gevierd. Op de avond van paaszaterdag houdt ‘vader’ Reinders een lezing met lichtbeelden over Kennemerland. Paaszondag maken de bezoekers ’s morgens een excursie door het Geversduin onder Castricum en de middag wordt besteed aan sport en spel. ’s Avonds wordt door de trekkers een revue opgevoerd.

Het aantal jeugdherbergbezoekers loopt drastisch terug, mede omdat het vooral voor jonge mensen steeds gevaarlijker wordt om op pad te gaan. Bovendien hebben de Duitsers, evenals vele andere jeugdherbergen, uiteindelijk ook Koningsbosch gevorderd. Daarmee komt in 1942, het jubileumjaar van Koningsbosch, ook een einde aan het jeugdherberg ouderschap van de familie Reinders, maar daarmee zal Jan Reinders nog niet van het jeugdherberg toneel verdwijnen.

Nieuwe start

Na de bevrijding krijgen de jeugdherberg besturen hun in oorlogstijd onteigende panden weer terug. Slechts enkele plaatselijke stichtingen maken gebruik van dit rechtsherstel. Anderen zien van hun recht af, omdat zij de kosten van achterstallig onderhoud aan gebouwen en inventaris financieel niet kunnen opbrengen.

De NJHC, die voor de oorlog uitsluitend een overkoepelend orgaan was en de exploitatie van de meeste jeugdherbergen aan de plaatselijke stichtingen overliet, krijgt in 1945 als erfenis een gehavend en verwaarloosd net van jeugdhergbergen.

Van de overgebleven 39 jeugdherbergen kunnen er in 1945 slechts 9 weer gasten ontvangen. De andere 30 zijn ingezet voorde geallieerde militairen, evacués, terugkerende arbeiders uit Duitsland enzovoorts. Het is in het eerste jaar improviseren en dat zal nog enkele jaren zo blijven. De NJHC organiseert werkkampen voor hen die bereid zijn om hun vakantietijd te besteden aan timmeren, metselen en schilderen.

Bakkum, Pinksteren 1946. De corveeploeg. Het derde meisje van rechts is Erna Meijer. Zij had er toen nog geen vermoeden van dat ze in 1954 een seizoen in Koningsbosch als assistente zou werken en daardoor een speciale band met deze jeugdherberg zou krijgen.
Bakkum, Pinksteren 1946. De corveeploeg. Het derde meisje van rechts is Erna Meijer. Zij had er toen nog geen vermoeden van dat ze in 1954 een seizoen in Koningsbosch als assistente zou werken en daardoor een speciale band met deze jeugdherberg zou krijgen.

Reinders opgevolgd

Het echtpaar Leo Rommerts en Alie Muller wordt gevraagd om de jeugdherberg te gaan leiden. Koningsbosch staat op dat moment leeg. Het hele pand is door de Duitsers uitgewoond. Er moet van alles opgeknapt worden. Zodra de jeugdherberg te Bakkum gereed is, trekken zij erin en kunnen zij in 1946 de eerste gasten, vooral afkomstig uit Amsterdam, ontvangen. Er moet veel geïmproviseerd worden, want er is in die jaren weinig geld.

Jeugdherberg ouders Leo en Alie Rommerts
Jeugdherberg ouders Leo en Alie Rommerts (1945 tot en met 1960). Heereweg 84 in Bakkum, 1955. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

“Ik moest in de zomer vaak koken voor honderd mensen, maar ik had maar een paar pannen. De gasten kregen overigens nooit vlees in die tijd, want dat was veel te duur. Alleen seizoensgroente en aardappelen. Als er scholen kwamen deden we vaak een kwartje op de prijs en dan kochten we worst die we in plakken sneden en dan bakten, zodat de kinderen wel wat vlees kregen”, aldus de 86-jarige Alie Rommerts in een kranteninterview uit 2002.

Vader en moeder Rommerts krijgen drie kinderen; Floris, Marjolijne en Charlotte. De laatste twee zijn in de jeugdherberg geboren. Het gezin bewoont de bovenverdieping van de rechtervleugel. Het verlangen van Leo om zanger te worden is met het jeugdherbergouderschap niet op de


Jaarboek 35, pagina 68

achtergrond geraakt. In de herfst, de winter en het vroege voorjaar ziet hij kans om aan zijn zangcarrière te werken. Een paar maal per week reist hij naar Amsterdam om zangles te nemen. In 1948 zingt hij voor het eerst mee in de Mattheus-Passion. Sindsdien wordt hij de zingende jeugdherbergvader genoemd. Dit alles lokt veel zang- en muziekliefhebbers naar Koningsbosch. Als actieve voorbereiding voor het luisteren naar een grote uitvoering van de Mattheus-Passion organiseert hij voor geïnteresseerde trekkers Mattheus-weekenden, maar ook met zijn grote liefde voor volksliederen maakt hij van Koningsbosch de jeugdherberg van de zang. Een en ander heeft zelfs geleid tot de vorming van het zangkoortje ‘Jan Pierewiet’, dat enkele jaren in het radioprogramma ‘Boanopstekken’ van de VARA heeft gezongen. Het zingen bij de haard is voor moeder Rommerts een van haar mooiste herinneringen. Daarover zegt ze in het eerder genoemde interview:

“Mijn man had een hele mooie stem en volgde, toen we vlak na de oorlog kwamen wonen in Koningsbosch, nog een zangstudie. Al snel wisten de trekkers van de zangkwaliteiten van mijn man en hij moest bijna iedere avond zingen. Dan zaten wij in het hoekje naast de haard en de bezoekers zaten dan in een grote kring om ons heen. Dat was zo gezellig altijd, we waren eigenlijk één groot gezin.”

Rond de open haard was het gezellig vertoeven als de zingende Leo Rommerts zichzelf op zijn gitaar begeleidde.
Rond de open haard was het gezellig vertoeven als de zingende Leo Rommerts zichzelf op zijn gitaar begeleidde.

Nadat in voorgaande jaren opvallend veel ouderen de jeugdherbergen ontdekken als een goedkoop ‘pension’, besluit de NJHC in 1952 de leeftijd voor het verkrijgen van een trekkerskaart op maximaal 35 jaar te stellen.

In 1954 bestaat het jeugdherbergwerk vijfentwintig jaar. In dat jaar wordt het verbod voor toegang van berijders van bromfietsen, scooters en motoren opgeheven. Bezoekers met auto’s worden gedoogd, maar bij de jeugdherbergen bestaan nog geen parkeerterreinen. In 1955 start de ons bekende Jan Reinders met een serie artikelen ‘Wèg van de grote weg’, een poging om de bezoekers langs mooie binnenwegen van jeugdherberg naar jeugdherberg te leiden. Later werden deze artikelen in boekvorm uitgegeven en verkocht voor slechts 0,25 gulden.

De haardzaal waarin werd gegeten en werd gerecreëerd.
De haardzaal waarin werd gegeten en werd gerecreëerd.

Een trekkersechtpaar

Erna Fopma-Meijer (84) en Ger Fopma (85) vormen een trekkersechtpaar, bovendien is Erna een van de assistenten van vader en moeder Rommerts geweest.

Erna en Ger Fopma.
Erna en Ger Fopma koesteren herinneringen aan hun trekkerstijd en aan Koningsbosch.

Erna vertelt: “Ik ben geboren in Den Haag en Ger in Amsterdam. Mijn eerste trektocht was op een geleende herenfiets. Ik kende Ger toen nog niet.” Ger: “Mijn eerste kennismaking met jeugdherbergen was een weekend met Ons Huis in Koningsbosch. Ons Huis was een club op socialistische grondslag.

Erna vervolgt:“Ger en ik ontmoetten elkaar in 1951 voor het eerst in de jeugdherberg aan de Kloveniersburgwal te Amsterdam. Wij hielpen het ‘Comité 25 jaar Jeugdherbergen’ bij verschillende acties om geld in te zamelen voor een nieuwe jeugdherberg. Ik meen dat dit de jeugdherberg in Sittard is geworden.

Het bezoeken van jeugdherbergen trok ons aan, omdat je zo van de ene naar de andere kon trekken en dus heerlijk onderweg was. Ook de omgang met andere jonge mensen vonden we fijn. De geldende regels vonden we heel normaal. We hebben ons nooit beknot gevoeld. We waren een oorlog gewend met veel meer beklemmende regels.

We kwamen regelmatig in Koningsbosch, zoals met de Mattheus-weekenden. Leo Rommerts studeerde dan met ons de koralen in en zong zelf met wat collega’s de bas-aria’s. Zo werkten we de hele Mattheus-Passion door. Heerlijke weekenden waren dat. Ook deden we mee aan werkweekenden, niet alleen in Bakkum, maar ook in andere jeugdherbergen in het land.”

Erna was van half mei tot in oktober 1954 jeugdherberg assistente in Bakkum. Het was een voorstel van Alie Rommerts dat zij samen met Ger intern zou komen wonen. Ger kon dan vanuit Bakkum op en neer reizen naar zijn werk in Amsterdam. Zij namen het aanbod aan, maar er werd wel eerst getrouwd, want dan zouden zij sneller in aanmerking komen voor een woning in Amsterdam.

“Ik heb het aanbod aangenomen om met Ger samen te kunnen zijn, niet omdat ik zo gek ben op huishoudelijk werk. Het was eigenlijk ‘van de nood een deugd maken’, ook al was onze woonruimte in het zogenaamde ziekenkamertje zeer


Jaarboek 35, pagina 69

beperkt. Er was alleen ruimte voor een bed en een open kast voor de bagage. Ik was de enige assistente. Alleen in het hoogseizoen mocht er een kracht bijkomen. In oktober konden we een paar kamers huren in het Betondorp te Amsterdam en was mijn assistentschap bij Koningsbosch voorbij”, vertelt Erna.

In 1959 zijn zij in Castricum komen wonen. Ger en Erna raakten bevriend met de familie Rommerts. Als Leo Rommerts voor een zanguitvoering het land in ging, nam Ger de leiding van avondwandelingen met de trekkers van hem over. Ook werden ze wel gevraagd om waar te nemen als Alie en Leo met vakantie gingen of anderszins weg moesten.

Eldert Kortenoever.
Eldert Kortenoever bezig met de uitleg tijdens een duinexcursie bij Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Ger kan zich de natuur-educatieve presentaties van Eldert Kortenoever nog goed herinneren. In een van de loodsen op het kampeerterrein had hij een kleine natuurhistorische tentoonstelling ingericht. Later kreeg hij de beschikking over een houten gebouw tegenover het kampeerterrein. Toen Kortenoever door het PWN was aangesteld als voorlichtingsambtenaar, organiseerde hij onder andere excursies voor scholen en hield hij presentaties, ook in Koningsbosch. Hij zat ook in het plaatselijke bestuur van de jeugdherberg.

Ger onthult een bijzondere herinnering aan die bijeenkomsten:
“Een vriend van de familie Rommerts, kunstschilder Cor Heeck, kwam ook wel naar de presentaties van Kortenoever. Hij bracht dan zijn schetsboek mee om daarin, tijdens de voordracht, portretten van aanwezigen te schetsen. Ik heb nog altijd het schetsje dat hij van mij heeft gemaakt.”

Het echtpaar Fopma kijkt met veel genoegen terug op deze jaren.
“Wij zeggen altijd dat die trekkerstijd ons gevormd heeft tot de mensen die we nu zijn en er zijn veel vriendschappen voor het leven uit voortgekomen”, zo besluit Erna.

Veranderingen

Vanaf 1960 vinden grote veranderingen in het jeugdherbergwerk plaats. In een tijd van opkomende vrijheidsbeleving blijkt uit een onderzoek dat de huisregels als star en streng worden ervaren. De huisregels dienen niet te verdwijnen, maar een soepelere omgang hiermee is wel gewenst. Het merendeel jeugdherbergouders is wel voor veranderingen, maar zij beseffen ook dat die een verzwaring van hun taak met zich zullen meebrengen. Er zullen meer assistenten moeten komen.

Als in 1964 de familie Richter 25 jaar in het jeugdherbergwerk werkzaam is, wordt deze unieke foto gemaakt met de vier echtparen die achtereenvolgens de jeugdherberg te Bakkum hebben gediend.
Als in 1964 de familie Richter 25 jaar in het jeugdherbergwerk werkzaam is, wordt deze unieke foto gemaakt met de vier echtparen die achtereenvolgens de jeugdherberg te Bakkum hebben gediend. Van links naar rechts de heren Reinders, Rommerts, Richter en de dames Reinders, Rommerts en Richter. Het echtpaar Mooij, dat de eerste boerderij-jeugdherberg beheerde, staat rechts.

Het echtpaar Rommerts wacht al die veranderingen niet af. Het is altijd hard werken en dat kunnen zij na vijftien jaar niet langer volhouden. De familie Rommerts stopt in 1960 en verhuist naar de Prins Bernhardstraat. Leo blijft de zangkunst beoefenen en blijft werken voor de Stichting Schoolconcert. Eén huisgenoot keert naar de jeugdherberg terug: hond Flappie.

“Hij vond het niks in het dorp, moest ineens aangelijnd uitgelaten worden. Nadat hij twee keer naar de jeugdherberg was teruggelopen, hebben we hem hier maar gelaten, bij de nieuwe jeugdherbergouders”, zo vertelde Alie Rommerts.

Na het vertrek van het echtpaar Rommerts komen in 1960 Joop Richter en Saar Niesing met hun zoon Joost naar Bakkum. Joop en Saar zullen het beheer van de jeugdherberg overnemen. Eerder werkten zij in de jeugdherbergen te Blaricum en Axel.

De verkoop van frisdranken en het vervallen van de vleesloze maaltijden zijn veranderingen die in 1961 in de jeugdherbergen worden doorgevoerd. Er wordt voortaan vlees of vis bij de maaltijd verstrekt. De prijs stijgt daarmee met 60 cent naar 1,75 gulden. Om het imago van de NJHC te verbeteren verandert in 1965 de naam van het maandblad ‘De Trekker’ in ‘Toer’.

De Bakkumse Corrie Meijne-Olthoff werkt al vanaf 1952 op Koningsbosch en is de steun en toeverlaat van Joop en Saar Richter. Sytze de Vries, een van de assistenten, herinnert zich dat Corrie er in 1969 nog werkte. Haar man Kees Meijne zorgde ervoor dat de voedselresten bij zijn varkens terecht kwamen.


Jaarboek 35, pagina 70

De jeugdherberg is uitgebreid met onder andere een grotere eetzaal.
De jeugdherberg is uitgebreid met onder andere een grotere eetzaal.

Uitbreiding

In 1967/1969 wordt Koningsbosch uitgebreid en gerenoveerd. Links van het voorplein wordt een beheerderswoning gebouwd. Aan de achterkant van het bestaande gebouw wordt een slaapvleugel en een bijkeuken met kelderen aan de noordvleugel een eet- en recreatiezaal gerealiseerd.

Jan Hillebrants is de architect. Vele jaren was hij compagnon van Frans Den Tex. Per 1 april 1968 wordt Sytze de Vries door het echtpaar Richter als assistent aangenomen en komt hij midden in de verbouwing terecht. Op 1 mei krijgt Sytze gezelschap van Geke Winius uit Drachten en op 1 juni komt Greetje van Gelder uit Groningen. Tijdens het hoogseizoen wordt er gewoon doorgewerkt aan de verbouwing, zodat er door de assistenten veel geïmproviseerd moet worden om de jeugdherberg ‘normaal’ te laten draaien.

“Je liep de hele dag met een natte lap in je handen, want alles wat je beet pakte was in principe vies. Ook vegen was een groot bestanddeel van je dagtaak. Zeker in het begin moest je, voor dat het donker werd, even goed kijken hoe het terrein er bij lag, zodat je ’s avonds in de duisternis je weg kon vinden”, aldus Sytze de Vries.

Na de uitbreiding en grondige renovatie kunnen gasten ondergebracht worden in twee-, vier-, of achtpersoonskamers met eigen douche en toilet. De slaapzalen blijven als vanouds, want groepen vinden bij elkaar slapen toch het leukst.

De slaapzaal van jeugdherberg Koningsbosch.
Een kijkje op de slaapzaal van Koningsbosch aan de dameskant in 1968. Er waren nog streng gescheiden afdelingen wat betreft jongens en meisjes. Het bed opmaken moest je wel zelf doen, daar was de prijs ook naar. Foto JosPe. Collectie RAA. Toegevoegd.

Tegen het eind van het seizoen verhuist de familie Richter naar de bungalow en wordt het inpandige oude woongedeelte verbouwd tot een woon- en slaapgedeelte met plaats voor zeven assistenten. Hiermee komt een einde aan de situatie dat de assistenten deel uitmaken van het gezin Richter.

Nu de capaciteit tot 150 gasten is vergroot, is ook het aantal assistenten toegenomen. Naast zes nieuwe assistenten en een extra huishoudelijke hulp is een ervaren kracht voor het echtpaar Richter erg welkom. Halverwege mei kan Sytze de Vries voor een tweede seizoen beginnen, maar nu als assistent-beheerder.

“Er was op dat moment in de jeugdherberg nog geen vijfdaagse werkweek. Buiten het seizoen ging je een keer per twee weken een weekend naar huis. In het seizoen was dat een keer per drie weken”, aldus Sytze.

Op 7 juni 1969 wordt de jeugdherberg officieel heropend. In dat jaar bezoekt prins Claus Koningsbosch, alwaar hij begroet wordt door een NJHC-delegatie. Na bezichtiging van de verbouwde jeugdherberg gaat het gezelschap per fiets door de Noord-Hollandse duinen naar jeugdherberg Slot Assumburg.

In de tijd van vader en moeder Richter was het verrichten van corvee nog heel gewoon.
In de tijd van vader en moeder Richter was het verrichten van corvee nog heel gewoon.

40 jaar NJHC

In 1969 worden alle jeugdherbergen van frisdrankautomaten voorzien. De extra kosten voor warme douches en het gebruik van de trekkerskeukens zijn komen te vervallen. In dat jaar wordt ook het 40-jarig jubileum van de NJHC gevierd.

In 1970 wordt een najaarsbijeenkomst voor jeugdherbergleiding in Bakkum gehouden. Deze bijeenkomst dreigt te mislukken wanneer een van de inleiders op het laatste ogenblik de eis stelt pas zinnig over drugs te kunnen praten, als niet tenminste 15 à 20 personen met hem praktische ervaring willen opdoen. Voor hem komt een andere inleider en de cursus, met nog vele andere onderwerpen die zich in de jongerenwereld afspelen, kan toch doorgaan.

Voor het eerst wordt gesproken over ‘jeugdherbergleiding’, er komt blijkbaar een einde aan het jeugdherbergouderschap. Het als experiment begonnen ‘gespreid ontbijten’ wordt na


Jaarboek 35, pagina 71

twee jaar in alle jeugdherbergen doorgevoerd. De gasten hoeven niet meer om 8 uur gezamenlijk te ontbijten, maar kunnen dit nu doen tussen 7.30 en 9.30 uur.

De dansleden in zelf vervaardigde kostuums.
De dansleden in zelf vervaardigde kostuums. Van links nar rechts zittend op de vloer Gerda van Tuijl, Ellen van den Akker, Anneke Mulder en Nel Verkaar. Daarachter Ans van der Molen, Walter Roozendaal, Ans Kuijs, Frank Dirkse, Dick Roozendaal, Ernst Mooij, Ronald Borstlap (op de kruk), Henk Schipper en Wim Hendrikse.

Volksdansen

Jeugdherbergen en volksdansen waren nauw met elkaar verbonden. Daar kon ook de plaatselijke jeugd van profiteren. In 1947 werd de volksdansvereniging Koningsbosch opgericht, die een lange reeks van jaren haar thuisbasis in de jeugdherberg zou hebben. Na het vertrek van de familie Rommerts en de komst van de familie Richter blijft dat zo. Het volksdansen brengt zoveel gezelligheid met zich mee dat de jeugd het geen probleem vindt naar de afgelegen jeugdherberg toe te komen. Siem Mooij, jawel een zoon van de al eerder genoemde Piet Mooij, draagt na vijftien jaar het voorzitterschap over aan Jan Pel. Daarna volgen de voorzitters elkaar snel op. Het dansseizoen in verenigingsverband wordt afgesloten als het trekkersseizoen weer begint, maar het volksdansen gaat door. Onder leiding van Joop Richter mogen de leden op de zaterdagavonden met de trekkers meedansen.

Volksdansen op het plein onder de kastanjeboom.
Volksdansen op het plein, onder de kastanjeboom bij jeugdherberg Koningsbosch in 1955, met onder anderen links met handen op de rug Siem Mooij. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na verloop van tijd wordt er een tweede volksdansvereniging opgericht, Tarantella, die voor haar dansavonden terecht kan in een minder afgelegen onderkomen. Zo ontstaan er twee wekelijkse dansavonden, waar de leden over en weer naar toe gaan. Ook worden er gezamenlijke activiteiten georganiseerd.

In 1967 beleeft volksdansvereniging Koningsbosch haar 20-jarig bestaan. Het jubileum wordt in september gevierd met een weekend in jeugdherberg Teun de Jager in Schoorl en in november met een feestelijke dansavond in de vertrouwde haardzaal van Koningsbosch.

In de krant verschijnt over de feestavond een verslag van Truus Gorter, een van de senior-dansers. Een citaat uit dit verslag:
”Vergeet ik nog te vermelden dat dit alles bij het open haardvuur plaatsvond, waarbij menig traantje werd weggepinkt, al was dit dan door de vele rook, de schoorsteen was te vochtig.”

In 1971 gaan Koningsbosch en Tarantella fuseren en wordt Igram opgericht. Met een dansfeest wordt de fusie een feit en komt er ook een einde aan een lange periode van gastvrijheid in jeugdherberg Koningsbosch.

Eenhoofdige leiding

Na 31 jaar komt in december 1970 een einde aan het tijdperk van de Richters. Ze worden opgevolgd door het echtpaar Ferwerda. Willem (Wim) Ferwerda was voor een korte tijd jeugdherbergbeheerder in de Stadsdoelen te Amsterdam. Daarna is hij met zijn vrouw naar Koningsbosch gekomen, maar enkele jaren later volgt een echtscheiding. Wim blijft als beheerder met zijn dochtertje in de naastgelegen bungalow wonen. Een nieuwe vriendin zal zijn vrouw en moeder voor zijn kind worden.

Wim Ferwerda (1943-2011).
Wim Ferwerda (1943-2011).

Per 1 januari 1976 wordt de eenhoofdige leiding ingevoerd. De ‘manager’ is geboren. Wim Ferwerda wordt door de oudere generatie gasten nog wel met ‘vader’ aangesproken, maar door de jongeren met ‘meneer’. Hij wordt in zijn werk bijgestaan door een hoofdassistent en enkele assistenten.

Kees Verbeek was een van de assistenten. Hij was inwonend en bewaart aan zijn tijd op Koningsbosch goede herinneringen.
Ik was er precies in die tijd (in het begin van de jaren 1980) dat de keuken compleet veranderd werd. De oude keuken bestond uit ouderwetse terrazzo aanrechten met grote spoelbakken, daterend uit de tijd dat de gasten nog zelf moesten afwassen en corveeën. Na de verbouwing mochten wij alles doen.”

De keukenverbouwing was een ramp. Voor 150 gasten koken in een bouwkeet was geen pretje, het afwassen nog minder. Een sauna was er helemaal niks bij. Ik heb er wel leren werken en niet terugschrikken voor onmogelijke opdrachten. Met het Amsterdamse hoofdkantoor bestond grote onenigheid. Zoals altijd had men daar totaal geen feeling met wat er op de werkvloer moest gebeuren. Piepers schrappen en ontpitten voor 150 man was een dagtaak. Wat denk je van sla wassen of 150 kippenpoten braden in een bouwkeet! Maar al met al heb ik een prima tijd op Koningsbosch gehad.”

Op 7 april 1995 viert Wim zijn 25-jarig dienstverband met de NJHC. In het medewerkersblad NJH Cursief wordt daarvan verslag gedaan. Hij vertrouwt de verslaggeefster toe dat het werk wel anders is dan toen hij 25 jaar geleden begon.

“Alleen al omdat ik ouder ben. De afstand in leeftijd tussen mij en mijn collega’s in de herberg is groter en


Jaarboek 35, pagina 72

dat merk je. Er is ook geen lol meer aan om achter de bar te staan. Niet voor mij, maar ook niet voor de gasten. Die zien liever iemand van hun eigen leeftijd. Dus ik sta nu achter de bar, wanneer er middelbare dames in de herberg zijn.”

Als Wim geconfronteerd wordt met de plannen om de jeugdherberg in Bakkum en die in Egmond onder te brengen bij één beheerder, houdt hij het voor gezien. Met een afvloeiingsregeling wordt het hem mogelijk gemaakt om op 58-jarige leeftijd met pensioen te gaan. Na een kort ziekbed komt hij op 17 juli 2011 te overlijden.

Dochter Marieke heeft haar hele jeugd op Koningsbosch doorgebracht:
“Ik heb er een fantastische tijd gehad en heb me er als enig kind nooit eenzaam gevoeld. Ik ben opgegroeid in een mooie omgeving met veel bos en veel mensen om me heen. Ik kon me kostelijk vermaken met de kinderen van de gasten. Ik had een goede band met mijn vader. Hij hield van kunst, architectuur en geschiedenis. We hebben met z’n tweeën veel musea bezocht.”

Frank van Vught gereed voor het serveren van de soep.
Frank van Vught gereed voor het serveren van de soep.

Managers

Wim Ferwerda wordt op 1 januari 2001 door Frank van Vught opgevolgd. Van Vught kan meteen aanpakken, want Koningsbosch ondergaat opnieuw een flinke opknapbeurt. De entree wordt vernieuwd en een open balie vervangt een klein kantoortje met een luikje waar de bezoekers zich voorheen moesten melden. Verder is direct achter de receptie een bar geplaatst en de eetzaal wordt ook geschikt gemaakt als feestzaal, met discolichten en een mobiele bar.

In de gemoderniseerde jeugdherberg zijn gelukkig enkele oude details behouden gebleven. Zo is de open haard met aan beide zijden de glas-in-lood raampjes in ere gehouden. De vuurplaats van de open haard is verhoogd om de schoorsteentrek te verbeteren. De muurschilderingen, die Jan Reinders had aangebracht, zijn verdwenen. In de haardzaal staat zelfs een bar, want het alcoholverbod is allang geleden opgeheven.

Groep tieners aan de bar in jeugdherberg Koningsbosch.
Groep tieners aan de bar in jeugdherberg Koningsbosch. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op zondag 24 maart 2002 is het feest. Koningsbosch bestaat zeventig jaar en dat wordt gevierd. De jaarlijkse reünie van jeugdherbergleiding wordt ter gelegenheid van het jubileum in Bakkum gehouden.’s Middags is er een open huis met onder meer een foto-expositie en een theaterworkshop voor kinderen.

De verbondenheid van de familie Mooij met Koningsbosch: Devra Mooij heeft er gewerkt als assistente, haar oom Siem en vader Ernst hebben er gevolksdanst, oom Nico was kind aan huis bij de familie Richter en haar grootvader Piet was de eerste jeugdherbergvader op boerderij Zeeveld.
De verbondenheid van de familie Mooij met Koningsbosch: Devra Mooij heeft er gewerkt als assistente, haar oom Siem en vader Ernst hebben er gevolksdanst, oom Nico was kind aan huis bij de familie Richter en haar grootvader Piet was de eerste jeugdherbergvader op boerderij Zeeveld.

Devra Mooij, een kleindochter van de eerder genoemde Piet Mooij van boerderij Zeeveld, is in 2001 op 16-jarige leeftijd als oproepkracht in jeugdherberg Koningsbosch begonnen. Over haar eerste baantje zegt ze het volgende:
“Ik vond het in het begin natuurlijk heel spannend, maar lieve collega’s hebben mij goed opgevangen. Al gauw had ik het er erg naar mijn zin en ging ik meer voor de gezelligheid naar het werk dan voor het geld. Bijna elke maand hadden we een borrel of een uitje. We hadden een goede band met elkaar en dat zag je duidelijk in het werk terug. In het begin assisteerde ik vooral’s avonds bij het diner en ’s ochtends bij het ontbijt, zoals


Jaarboek 35, pagina 73

het buffet klaarzetten, afwassen, tafels afnemen, de zaal en de keuken schoonmaken. Later werd ik ook ingezet bij het schoonmaken van de kamers en op het laatst werkte ik als receptioniste.”

Koningsbosch wordt vooral door groepen bezocht, zoals van basisscholen uit Nederland, maar ook uit het buitenland. Artsen zonder Grenzen komt ook regelmatig. In de weekenden zijn er vooral Nederlandse families.

Devra: “Ik moet eerlijk zeggen dat ik niet heel veel contact met de gasten had. Als ik klaar was met afruimen van het ontbijtbuffet en het werk in de keuken, waren de meeste mensen al uitgecheckt of vertrokken om er een gezellige dag van te maken.”

Stayokay

Sinds 2003 is het begrip ‘jeugdherberg’ vervangen door het meer internationaal klinkende ‘hostel’ en is ‘Koningsbosch’ vervangen door ‘Stayokay Bakkum’.

Stayokay Bakkum.
Stayokay Bakkum.

Het hoofdkantoor van de Stayokay bevindt in Amsterdam en beschikt nu over 26 hostels. Ongeveer de helft van de bezoekers komt uit het buitenland. Er hoeft al lang geen corvee meer te worden gedaan. De trekkerskaart is vervangen door de stayokaycard, de eetzaal wordt nu restaurant genoemd en de eenvoudige maaltijden zijn vervangen door driegangendiners.

Sander met een deel van zijn team.
Sander met een deel van zijn team. Van links naar rechts Leonie Zandbergen, Cecilia Gatti, Veronica Pool, Kim de Jongen, Sander Bodegraven.

Frank van Vught is alweer een aantal jaren manager van de Kennemer Duincamping Geversduin en na een interim periode is Sander Bodegraven in november 2009 manager van Stayokay Bakkum geworden. Omdat hij zowel manager van Stayokay Bakkum als van Stayokay Egmond is, moet hij zijn aandacht verdelen over een tamelijk groot team medewerkers. Wat de open haard in de haardzaal betreft, heeft volgens Sander de verhoging van de vuurplaats niet tot verbetering geleid.

“Alleen met heel langzaam opstoken krijgt de schoorsteen voldoende tijd om op te warmen en ontstaat er voldoende trek voor een knap vuur. Maar zodra er deuren open gaan en er valse trek ontstaat, is het mis.”

Jeugdherbergvaders en -moeders

1932 Jan en Sien Reinders
1942 Leo en Alie Rommerts
1960 Joop en Saar Richter
1971 Wim Ferwerda
2001 Frank van Vught
2009 Sander Bodegraven

Het einde van Koningsbosch / Stayokay Bakkum.
Het einde van Koningsbosch-Stayokay Bakkum.

Tegenwoordig is iedereen welkom. Schoolklassen komen op werkweek, maar ook groepen uit het bedrijfsleven weten Stayokay Bakkum te vinden. Er kunnen ruimten worden gehuurd, ook voor ‘all inclusive’ feesten. Individuele gasten, gezinnen, opa’s en oma’s met kleinkinderen worden de laatste jaren zoveel mogelijk naar Stayokay Egmond verwezen. De meeste gasten komen niet meer op de fiets en al helemaal niet lopend met een zware rugzak op de schouders. Om aan het autogebruik tegemoet te komen, ligt naast de jeugdherberg nu een ruim parkeerterrein.

Stayokay is nog steeds een organisatie die tegen een zeer schappelijke prijs een comfortabel verblijf biedt, maar voor Stayokay Bakkum is dat na 80 jaar voorbij. Volgens Sander Bodegraven is het een moeilijke afweging geweest.
“Er moest zowel op de locatie Bakkum als Egmond worden geïnvesteerd. De renovatiekosten voor het gebouw


Jaarboek 35, pagina 74

in Bakkum kwamen veel hoger uit dan die voor Egmond en omdat Egmond meer overnachtingen oplevert, is voor het openhouden van die locatie gekozen.”

Jeugdherberg Koningsbosch. Na 60 jaar is de boom groot en het plantertje dood?
Jeugdherberg Koningsbosch. Na 60 jaar is de boom groot en het plantertje dood?

Sinds 15 april 2012 is Koningsbosch formeel gesloten, alleen als Stayokay Egmond onvoldoende plaatsen voor groepen beschikbaar heeft, wordt nog van Koningsbosch gebruik gemaakt. Zo zal de situatie blijven totdat een nieuwe eigenaar of huurder is gevonden. De majestueuze kastanjeboom, voorafgaand aan de opening in 1932 als een klein boompje geplant, heeft het (jeugd)herbergtijdperk overleefd.

Ernst Mooij

(Toegevoegd: De kastanjeboom is gekapt)

Bronnen:

  • Anoniem, Geïllustreerde gids met wandelkaart van het provinciaal landgoed te Castricum, uitgegeven door de directie van het badhotel (1932);
  • Bolman, J., Meilink, L., Warffemius M.G., Eem kwart eeuw jeugdherbergen 1929-1954;
  • Bookelmann, W.W., NJHC Inlichtingen Jeugdherbergen, 50 jaar dienstbaar aan de jeugd (1979);
  • Eikman, M., Dagblad Kennemerland, 1-3-2002, Jeugdherberg betekende saamhorigheid;
  • Heideman, J., Castricum en Bakkum tijdens de Tweede Wereldoorlog, Deel I 1939-1942;
  • Koninklijke bibliotheek, digitale raadpleging van verschillende edities van Het Vaderland: staats- en letterkundig nieuwsblad en het Haarlem’s Dagblad;
  • Kortenoever, H., Wie was … Eldert Kortenoever, 29e Jaarboek Oud-Castricum (2006);
  • Krantenknipsels over onder andere de zangcarrière van Leo Rommerts;
  • Nieuwsblad voor Castricum, 20 maart 2002, Koningsbosch stond bij iedereen bekend als de muziekherberg;
  • NJH Cursief, mededelingenblad nummer 6 (1995);
  • Noord-Hollands Archief, digitale raadpleging van het Haarlems Dagblad;
  • Regionaal Archief Alkmaar, digitale raadpleging van verschillende Alkmaarsche Couranten;
  • Vries, S. de, Koningsbosch Bakkum (2011) en 80 jaar Koningsbosch Bakkum (2012);
  • www.stayokay.com

Met dank aan: Erna en Ger Fopma, Kees Verbeek, Marieke Ferwerda, Devra Mooij, Sander Bodegraven en Nina de Wildt.