18 maart 2024

Castricum en Bakkum 1919, de gebeurtenissen (Jaarboek 43 2020 pg 109-112)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 43, pagina 109

Castricum en Bakkum 1919, de gebeurtenissen

In het jaar 1919 zijn gemeenteraadsverkiezingen gehouden volgens de nieuwe kieswet, waarbij een volledige gemeenteraad wordt gekozen voor vier jaar en de kandidaten zich verkiesbaar stellen via lijsten (politieke partijen). In Castricum kan op drie lijsten worden gestemd. Vanaf nu hebben ook vrouwen kiesrecht en de plicht om te stemmen wordt ingevoerd.

Vele inwoners hebben via handtekeningenlijsten het gemeentebestuur verzocht om zo spoedig mogelijk te worden aangesloten op elektriciteit. De gemeente besluit om een Gemeentelijk Electrisch bedrijf op te richten en het elektrisch net binnen de gemeente over te nemen van het Provinciaal Electriciteitsbedrijf Noord-Holland.

De gebeurtenissen in Castricum van honderd jaar geleden zijn vooral ontleend aan de gemeenteraadsnotulen, de inkomende en uitgaande stukken van de gemeente Castricum, dossiers in het gemeentearchief, de provinciale bladen, de registers van de burgerlijke stand enzovoorts.

1 januari 1919

Het gemeentebestuur bestaat uit burgemeester Lommen en de wethouders Cornelis Spaansen en Petrus Valkering. De raadsleden zijn: Gerrit Kuijs, Petrus Kuijs, Pieter Twisk, Gerard Louter en Jacob Schuijt. Hendrikus Oostveen is de gemeentesecretaris en Bernardus Res is de gemeenteontvanger.

Op 1 januari 1919 telt Castricum 4.185 inwoners. Dit aantal is op 31 december toegenomen tot 4.418. In het jaar 1919 vestigen zich in onze gemeente 667 personen, terwijl er 405 naar elders vertrekken. Er worden in dit jaar 118 kinderen geboren, er overlijden 147 inwoners en er worden 27 huwelijken gesloten.

In het Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch zijn op 1 januari 635 patiënten aanwezig en dat aantal is op 31 december toegenomen tot 753.
Aantal kiezers voor de gemeenteraad: 754.

Eerste steen van de ambtswoning aan de Stationsweg 3.
Eerste steen van de ambtswoning aan de Stationsweg 3.

15 januari 1919

Aanbesteding van de burgemeesterswoning aan J. Weel. Op 10 maart daarop legt burgemeester Lommen de eerste steen.

Rechts de ambtswoning van burgemeester Lommen en de daarnaast gebouwde witte villa’s.
Rechts de ambtswoning van burgemeester Lommen en de daarnaast gebouwde witte villa’s.

Deze morgen is door de stoomtram Alkmaar-Haarlem een wagen met aardappelen aangereden; er zijn geen persoonlijke ongelukken. Paard en wagen werd bereden door Hendrik Twisk, 21 jaar, landbouwer, komende vanuit de Schoolstraat op de Rijksstraatweg. De wagen werd door de tram in elkaar geduwd tegen een telefoonpaal.

Het postkantoor aan de Dorpsstraat hoek Cieweg.
Het postkantoor aan de Dorpsstraat hoek Cieweg, circa 1905. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In de gemeenteraad wordt opgemerkt dat de tram vaak te snel rijdt in de kom van het dorp. Een bepaling wordt opgenomen in de politieverordening, waarbij voorgeschreven wordt dat vanaf het postkantoor (hoek Cieweg) tot aan het perceel bewoond door A. van Benthem (ingang Burgemeester Mooijstraat) een beambte van de maatschappij vóór de tram loopt.

Links de stoomtram die stapvoets door het dorp rijdt met een persoon met een luid rinkelende bel, die 'vooruitloper' werd genoemd.
Links de stoomtram die stapvoets door het dorp rijdt met een persoon met een luid rinkelende bel, die ‘vooruitloper’ werd genoemd. Dorpsstraat in Castricum rond 1907. Collectie Ger van Geenhuizen. Toegevoegd.

29 januari 1919

G. Kuijs, G. Louter en J. Schuijt worden benoemd tot leden van de Werkloosheidscommissie; J. Egmond wordt aangewezen tot ambtenaar ter secretarie.

Een statiefoto van Burgemeester Lommen.
Een statiefoto van Burgemeester Lommen, 1918. Zittend eerste links Jacob Schuijt. Zittend helemaal rechts Gerrit Kuijs en Gerrit Louter. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

14 februari 1919

Door Gedeputeerde Staten is het presentiegeld voor de leden van de Raad vastgesteld op 2,50 gulden per lid per vergadering.

12 maart 1919

Verzoek van het bestuur van de Algemeene Nederlandschen Timmerliedenbond om in bestekken van werken, die door de gemeente zullen worden uitgevoerd, de volgende bepalingen op te nemen:

  1. dat niet langer dan acht uur per dag mag worden gewerkt;
  2. dat de werkzaamheden op zaterdag om 12:00 uur eindigen;
  3. dat de maximum arbeidsduur per week niet langer dan 45 uur zal zijn.

De heer Schuijt vreest bij invoering van de 8-urige werkdag voor grote concurrentie aan de middenstand. De arbeiders kunnen in hun vrije uren, die ten gevolge van de invoering van de 8-urige werkdag vermeerderen, veel werk doen dat anders aan de patroons werd opgedragen. Een besluit op het verzoek wordt uitgesteld.


Jaarboek 43, pagina 110

Besluit om het personeel van het distributiebedrijf met ingang van 1 juni aanstaande te ontslaan. Dit in verband met het einde van de Eerste Wereldoorlog.

22 april 1919

De plaatselijk commissie van toezicht op het lager onderwijs adviseert niet over te gaan tot de instelling van een zevende leerjaar, omdat het grootste gedeelte van de inwoners van deze gemeente tot de landbouwende bevolking behoort en het niet wenselijk is om de kinderen langer dan nodig is aan de school te verbinden. De voorzitter kan zich niet verenigen met het rapport van de commissie; er zullen toch verschillende ouders zijn die hun kinderen wel het zevende leerjaar willen laten volgen. Besloten wordt niet over te gaan tot instelling van het zevende leerjaar.

De lommerrijke Dorpsstraat met links de openbare lagere school.
De lommerrijke Dorpsstraat met links de openbare lagere school, het raadhuis 1911 en de winkel van M. de Haas, circa 1920. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Secretaris Oostveen is benoemd tot burgemeester van Blokker. Hij neemt afscheid van de gemeenteraad. Zijn ontslag gaat in per 1 mei 1919.

Dorpsstraat met rechts café Van Benthem.
Dorpsstraat met rechts café Van Benthem. Schilder: Ton Revers. Foto Jacques Schermer. Toegevoegd.

Opgave aan de inspecteur der directe belastingen te Alkmaar van de vergunninghouders voor de verkoop van sterke drank en de huurwaarde voor het bedrijf:

  1. R. van Benthem, De Vriendschap: 217,00 gulden wijk A, nummer 121
  2. J.B. Koopman, De Rustende Jager: 211,25 gulden wijk A, nummer 71
  3. Ant. van Benthem, Hoek Dorpsstraat-Burgemeester Mooijstraat: 165 gulden wijk A, nummer 31
  4. P. Schotvanger, De Harmonie Burgemeester Mooijstraat: 169,75 gulden wijk A, nummer 49
  5. C. Stuifbergen, De Landbouw Dorpsstraat: 102,75 gulden wijk A, nummer 29a
  6. K. de Vries, Duinzicht Beverwijkerstraatweg: 71,25 gulden wijk B, nummer 198
  7. L.A. Burgering, Bakkummerstraat: 54,50 gulden wijk C, nummer 356
  8. W. Borst, Nu Fase Fier: 63,00 gulden wijk E, nummer 473
  9. G. van Egmond, Café De Onderneming (nu Heereweg nummer 12): 85,50 gulden wijk E, nummer 463
  10. C. Castricum, De Goede Verwachting aan de Heereweg: 100,00 gulden wijk E, nummer 449

20 mei 1919

De verkiezing van de leden van de gemeenteraad wordt gehouden volgens de nieuwe kieswet.
In Castricum zijn drie lijsten: de rooms-katholieke Staatspartij (RKSP) haalt vijf zetels, de combinatie CHU+ARP een en de SDAP ook een zetel. Er worden 695 stemmen uitgebracht.

Uitslag verkiezingen:

  • lijst 1 (CHU+ARP), vier kandidaten, honderd stemmen; gekozen Geert Middelveld.
  • lijst 2 (RKSP), tien kandidaten, 515 stemmen; gekozen Jacob Schuyt, Cornelis Spaansen, Pieter Kuijs, Gerrit Kuijs en Hendrik Johannes Zandbergen.
  • Lijst 3 (SDAP), vier kandidaten, tachtig stemmen; gekozen Hendrik Schipper.

De raadsleden worden gekozen voor een periode van vier jaar. Op de eerste dinsdag in september van het verkiezingsjaar worden de raadsleden geïnstalleerd in de gemeenteraad. Daarna worden de wethouders uit de raad gekozen.


Jaarboek 43, pagina 111

28 mei 1919

Instelling van een commissie ter vaststelling van een werkliedenreglement voor de werklieden in dienst van de gemeente. Deze commissie moet ook een algemene salarisverordening ontwerpen om meer uniformiteit te brengen in de salarissen van de gemeenteambtenaren en werklieden.

In de gemeenteraad van 19 september wordt het werkliedenreglement, dat 35 artikelen omvat, uitvoerig behandeld. Over aanpassingen wordt telkens gestemd en vervolgens wordt het betreffende artikel goedgekeurd.

De St. Josephwoningen aan de Mient zijn gebouwd in 1919.
De St. Josephwoningen aan de Mient zijn gebouwd in 1919. Op de achtergrond de spoorwegovergang Ruiterweg-Vinkebaan.

De rooms-katholieke bouwvereniging (RKB) St. Joseph krijgt een voorschot van 57.400 gulden voor de bouw van twaalf arbeiderswoningen aan de Mient.

Reinier de Ruijter is benoemd tot directeur van het Levensmiddelenbedrijf. Dit bedrijf verzorgt de distributie van brood, suiker, kousen en sokken.

Jan Verdwaald (1879) wordt per 1 juli aangesteld tot vast arbeider aan de wegen en per 1 januari 1920 benoemd tot gemeentewerkman.

13 juni 1919

Nicolaas Aloysius van Lunen (1890), commies eerste klas op het secretarie van Hoofddorp, is benoemd tot gemeentesecretaris. Hij wordt op 16 juli beëdigd.

1 juli 1919

Opening van de St. Augustinusschool. Als hoofd is M.J. Leijers (1869) aangesteld. De school staat onder bestuur van het rooms-katholieke kerkbestuur van de St. Pancratius te Castricum.

Augustinusschool en toren Pancratius Kerk aan de Rijksstraatweg.
Augustinusschool en toren Pancratius Kerk aan de Rijksstraatweg, 1924. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De afzonderlijke betrekkingen van klokkenist, klokluider, onderhouder van het torenuurwerk, bode bij de brandweer en aanplakker zijn opgeheven en deze werkzaamheden zijn aan de gemeentebode C. Bakker opgedragen.

16 juli 1919

Bouwvereniging Goed Wonen verzoekt om de in aanbouw zijnde woningen te voorzien van muntgas. Het betreft tien woningen aan de Bakkummerstraat en tien aan de Zeeweg. Een gelijkluidend verzoek komt van Bouwvereniging St. Joseph voor de twaalf arbeiderswoningen die aan de Mient worden gebouwd. De gemeenteraad geeft goedkeuring voor aansluiting aan het gasbuizennet onder voorwaarden dat in de woningen alleen gewone meters mogen worden geplaatst.

Zeeweg met huizen van Goed
Wonen.
Zeeweg met huizen van Goed Wonen. De huizen zijn in 1920 gebouwd voor Duin en Bosch personeel. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

28 juli 1919

De heer Schuijt stelt voor om in verband met de ontaarding van het kermisvermaak en in verband met de zondagsheiliging te besluiten de kermissen in Castricum en Bakkum zodanig te veranderen, dat in het vervolg de kermis in Castricum gehouden zal worden op maandag, dinsdag en woensdag na de eerste zondag in september en in Bakkum op maandag en dinsdag na de tweede zondag in oktober. Het voorstel wordt met één stem verschil verworpen.


Jaarboek 43, pagina 112

Burgemeester Lommen trouwt in Den Haag met de 22-jarige Emma Maury. Ze vertrekken voor een korte huwelijksreis. In verband met de terugkomst van het jonge paar worden in het dorp feestelijkheden op touw gezet. Een comité van vooraanstaande burgers krijgt 200 gulden van de gemeenteraad voor de organisatie. De Castricumse gemeenschap zorgt voor een warm welkom.

Burgemeester Lommen met zijn echtgenote worden op het bordes van het raadhuis verwelkomd.
Burgemeester Lommen met zijn echtgenote en zijn moeder worden op het bordes van het raadhuis verwelkomd. Op zijn uniform draagt hij de onderscheiding van het Oostenrijkse Rode Kruis, die zowel aan hem als aan zijn echtgenote was toegekend. Mevrouw Lommen krijgt de bloemen. Foto genomen bij het 12,5-jarig ambtsjubileum. Dorpsstraat 65 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

29 augustus 1919

Vergunning is verleend voor de bouw van een stoomwasserij en strijkinrichting ‘Blanka’ aan de nu zo geheten Gasstraat.

Stoomwasserij Blanka.
Stoomwasserij Blanka. Gasstraat 1 in Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

2 september 1919

Beëdiging en installatie van de raadsleden: de heren: P. Kuijs, J. Schuijt, C. Spaansen, H.J. Zandbergen, G. Middelveld, G. Kuijs en H. Schipper.
De heren G. Louter en P.J. Valkering uit de oude raad keren niet terug, de heren H.J. Zandbergen en G. Middelveld zijn nieuw. C. Spaansen en P. Kuijs worden benoemd tot wethouder.

12 september 1919

Oprichting van de vereniging ‘Castricum Vooruit’ met als doel: de bevordering van de vooruitgang van de gemeente Castricum.

19 september 1919

Verzoek aan het gemeentebestuur ondertekend door 145 hoofdbewoners om zo spoedig mogelijk zowel voor bedrijf als voor verlichting te worden aangesloten op elektriciteit. Zij hebben kennis genomen dat het gemeentebestuur onderhandelingen voert met het Provinciaal Electriciteitsbedrijf Noord-Holland (P.E.N.) om dat bedrijf in onze gemeente in eigen beheer over te nemen. Dit verzoek wordt op 4 oktober nog vervolgd met een enquête met circa 250 handtekeningen.

Voor een proeftijd van drie maanden wordt aan H. Beentjes vanaf 1 oktober het ophalen van vuilnis voor 6 gulden per week opgedragen.

Besloten wordt om aan een gehuwde onderwijzeres met ingang van de dag van haar huwelijk eervol ontslag te verlenen onder toekenning van een maand salaris.

23 oktober 1919

Een subsidie van 75 gulden wordt verleend aan de rooms-katholieke geitenfokvereniging St. Pancratius.

De rooms-katholieke geitenfokvereniging Castricum in 1920.
De rooms-katholieke geitenfokvereniging Castricum in 1920. Menig Castricummer is nog met geitenmelk groot gebracht. Achter de tafel Zonneveld, kapelaan Leesberg, burgemeester Lommen, Jan Zonneveld, Willem Schermer. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

P. de Graaf is door de Commissaris van de Koningin benoemd tot buitengewoon veldwachter.

Besloten wordt om met ingang van 1 januari 1920 het elektrisch net binnen de gemeente over te nemen van het P.E.N. en tot uitbreiding over te gaan van het net tot een maximum uitgave van 65.000 gulden. Voor de financiering van het op te richten Gemeentelijk Electrisch bedrijf wordt besloten een lening aan te gaan ter grootte van dit bedrag.

4 november 1919

De exploitatie van het telegraaf- en telefoonkantoor wordt per 1 januari 1920 overgenomen door het Rijk.
Het personeel wordt ontslagen uit gemeentedienst; dat betreft Jacob Res en zijn plaatsvervangster Cornelia Josephina Res als telefoon- en telegraafkantoorhouder en Jacobus Lute als telegrambesteller.

Het gezin van Jacob Res.
Het gezin van Jacob Res en Gisebertha Maria Zonjee. Dorpsstraat 87 in Castricum, 1912. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Verzoek aan Gedeputeerde Staten om goedkeuring voor het verhogen van het presentiegeld naar 5 gulden per raadslid voor elke bijgewoonde raadsvergadering.

Besloten wordt met ingang van 1 januari aaanstaande het distributiebureau op te heffen en de werkzaamheden op de secretarie te doen verrichten. Aan de directeur Reinier de Ruijter en controleur Pieter Bleijendaal van het distributiebureau wordt eervol ontslag verleend.

2 december 1919

C. Bregman is benoemd tot eerste ambtenaar ter secretarie.

18 december 1919

Op 1 januari 1920 loopt het contract af van het ophalen van haardas en vuilnis. De proef is geslaagd en daarom wordt besloten tot uitbreiding over te gaan en wel zo dat de Mient en de Bakkummerweg tot de woning van rijksveldwachter Koelewijn daarin vallen.

Motorbrandspuit Otto.
Motorbrandspuit Otto bij de tentoonstelling Castricum vroeger en nu. Otto staat nog steeds bij de brandweer en is daar vanaf buiten te zien. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Burgemeester Lommen schrijft aan de Commissaris van de Koningin dat de brandweerdienst in deze gemeente moet worden gereorganiseerd of liever wordt georganiseerd, want van organisatie is thans geen sprake. “Ik heb de overtuiging dat indien een brand zou uitbreken, de brandweer niets zou kunnen verrichten om te blussen of om de brand te beperken. De brandspuit zelf verkeert in vrij goede staat, veel bijbehorend materieel ontbreekt echter. Brandputten ontbreken geheel, zonder welke de brandspuit onmogelijk enige dienst kan bewijzen. Een algehele organisatie van de brandweer alhier zal ik dan ook zo spoedig mogelijk ter hand nemen”.

Gemeenteopzichter G. Slop meldt dat de transformatorzuil op de kruising van Bakkummerstraat en Stetweg uit oogpunt van verkeersveiligheid wordt verplaatst.

31 december 1919

De gemeenterekening over het jaar 1919 telt aan ontvangsten 384.464 gulden en aan uitgaven 392.383 gulden. Er is een nadelig saldo van 7.919 gulden.

Simon Zuurbier

18 maart 2024

Van Peperstraat naar Dr. Jacobilaan: huizen en bewoners (zuidzijde) (Jaarboek 43 2020 pg 81-87)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 43, pagina 81

Van Peperstraat naar Dr. Jacobilaan: huizen en bewoners (zuidzijde)

Oude woning van Mattheus Dekker aan de Peperstraat.
Oude woning van Mattheus Dekker aan de Peperstraat in Bakkum. Gesloopt in 1932. Schilder Sijf Portegies.

In het 42e Jaarboek is uitvoerig aandacht besteed aan de Dr. Jacobilaan met zijn huizen en bewoners. De geschiedenis van de Dr. Jacobilaan, die vroeger Peperstraat heette, is beschreven vanaf de start van het Kadaster in 1832. In dat jaarboek werden de percelen en woningen aan de noordzijde behandeld, nu komt de zuidzijde aan bod.

De Peperstraat in 1832

Voorafgaande aan de start van het Kadaster in 1832 zijn alle percelen opgemeten en op kaart gezet. Ook zijn per perceel enige gegevens vastgelegd, zoals het soort perceel (bos, weiland, bouwland, huis en erf), de grootte van het oppervlak en de naam, beroep en woonplaats van de eigenaar. Zo kunnen we ons van de percelen die grenzen aan de Peperstraat, een nauwkeurig beeld vormen rond het jaar 1832. Aan de Peperstraat stonden twee huizen, nummer 19 aan de zuidzijde en nummer 20 aan de noordzijde.

Historische ontwikkeling na 1832 van de percelen aan de zuidzijde van de Peperstraat

Hierna volgt per kadastraal perceel langs de zuidzijde van de Peperstraat de historische ontwikkeling. Het begint bij de start van het Kadaster in 1832 tot de komst van de nog bestaande woningen. In het daarna volgende deel van dit artikel wordt per woning een overzicht gegeven van bouwjaar en opeenvolgende bewoners en eigenaren.

Zuidzijde Peperstraat: perceelnummers 239 tot en met 244

Het huis van Krijn Koper [perceel 242]

Volgens de volkstelling van 1830 woonde in huis nummer 19 Krijn Koper, 44 jaar, schelpenvisser van beroep en geboren in Zandvoort, zijn vrouw Kaatje Zaanman, 56 jaar, geboren in Akersloot, de 12-jarige Gerritje Asjes en de 8-jarige Jannetje Koper, beiden geboren in Castricum. Kaatje Zaanman was eerder gehuwd in 1802 met Pieter Parlie en in 1810 met Jannes Asjes.
Als boerin en weduwe van Jannes Asjes koopt zij in 1818 van de Armmeesters van de Algemene Armen het huis en erve aan het duin in de Peperstraat nummer 19. Kaatje trouwt in 1819 met Krijn Koper (1787-1835).

De percelen in 1832 die direct grenzen aan de Peperstraat
De percelen in 1832 die direct grenzen aan de Peperstraat

Het bezit aan de Peperstraat omvat volgens de kadastrale registers van 1832 de volgende percelen (zie kaartje) in sectie B: nummer 241 bouwland, nummer 242 huis en erf, nummer 243 bos en nummer 244 boomgaard, met een totaal oppervlak van 5.390 vierkante meter. Het staat dan op naam van Krijn Koper; hij overlijdt in Castricum in 1835. Kaatje met haar drie dochters uit haar huwelijk met Jannes Asjes verkoopt dit bezit in 1837 aan Pieter Veldt; daarbij wordt bedongen dat Kaatje Zaanman (1774-1851) haar leven lang het achterste woonvertrek van het huis mag bewonen, zonder lasten of huur te hoeven betalen.


Jaarboek 43, pagina 82

Pieter Veldt (1803-1847) is eerst schelpenvisser, later landbouwer, woonde op het Noordend, waar hij in 1847 overlijdt. Pieter is gehuwd met Marijtje Mijzen; zij krijgen zes kinderen. Pieter verkoopt zijn bezit aan de Peperstraat: het huis met erf en de percelen bouwland, bos en boomgaard onderhands in 1846 aan Pieter Telleman.

Pieter Telleman (1820-1883) is geboren in Egmond aan Zee, is landbouwer, dagloner en trouwt in 1846 met Dirkje Stierp. Volgens het bevolkingsregister wordt het huis in 1850 in tweeën bewoond. Aan de voorzijde woont Pieter Telleman met zijn vrouw en hun twee pas geboren kinderen. Aan de achterzijde woont de 75-jarige Kaatje Zaanman en haar dochter Jannetje Koper, die in 1850 trouwt met Cornelis Schoen; deze trekt bij hen in en hier wordt hun oudste zoon Klaas in juni 1851 geboren. Kaatje overlijdt vijf maanden later; haar dochter Jannetje gaat met haar man Cornelis Schoen in de Kerkbuurt wonen.

Dirkje Stierp overlijdt in 1865; Pieter hertrouwt in 1867 met Maartje de Graaf, weduwe, boerin en wonend in Heemskerk. Pieter gaat met zijn twee kinderen in 1869 in Heemskerk wonen. Pieter, samen met zijn kinderen als erfgenamen van hun moeder, verkopen het huis en de drie genoemde percelen in 1877 aan zijn broer Gerrit Telleman (1818-1891), landbouwer die woont op Rinnegom met zijn vrouw Guurtje Apeldoorn.

Gerrit overlijdt kinderloos in 1891. Zijn vrouw krijgt het bezit aan de Peperstraat toebedeeld. Zij blijft op Rinnegom wonen en verhuurt dit Bakkummer bezit. In 1898 woont hier Cornelis van den Berg (1874) en echtgenote Hillegonda van de Poll; zij zijn twee jaar eerder gehuwd.

De oude woning van Thijs Dekker aan de Peperstraat.
De oude woning van Thijs Dekker aan de Peperstraat. Deze woning is gesloopt in 1932. Het is de enige woning aan de zuidzijde, die op de kadasterkaart van honderd jaar eerder is vermeld.

Guurtje Apeldoorn verkoopt het geheel op 12 december 1899 aan Mattheus (Thijs) Dekker Simonszoon (1867-1955), landbouwer, tuinder, geboren en wonende in Castricum. Thijs trouwt in 1900 met Catharina (Trijn) Zonneveld. Zij krijgen acht kinderen in de periode 1901-1915 die in dit huis aan de Peperstraat worden geboren.

Thijs Dekker (1867-1955).
Thijs Dekker (1867-1955) woonde in het oude huis aan de Peperstraat. Hij was tuinder en bollenkweker en bezat het tuingebied ten zuiden van de Peperstraat. Omstreeks 1931 laat hij een nieuwe woning bouwen, nummer 10. Hij was gehuwd met Trijn Zonneveld en zij kregen acht kinderen. Mattheus Dekker was voor die tijd een grote man, had een rooie baard dat hem de bijnaam ‘Rooie Thijs’ gaf. Hij ventte de groente uit met de handkar en trekhond en leverde veel aan Duin en Bosch.

Als de meeste kinderen het huis uit zijn, verkoopt de 64-jarige Thijs Dekker in 1931 nagenoeg zijn hele bezit aan de aannemerscombinatie Borst-De Groot. Het omvat het oude woonhuis nummer 19, dat inmiddels in twee huisgedeelten is opgesplitst. Thijs koopt van hen een perceeltje van 285 vierkante meter, dat deel uitmaakt van het oostelijk aangrenzende terrein dat de aannemerscombinatie in 1925 had opgekocht. Het oude huis wordt in 1932 gesloopt en Thijs gaat wonen in het op zijn nieuwe stuk grond gebouwd huis nummer 10.

Bosland Kralenkroft [perceel 240]

Hendrik Beugeling (1774-1831), timmermansbaas, woont in de Kerkbuurt en heeft vele bezittingen en landerijen. Rond 1830 bestaat zijn bezit uit drie huizen en bijna 28 hectaren land, waaronder de percelen 239 en 240 aan de Peperstraat. Hendrik is getrouwd met Johanna Bakker en overlijdt in 1831 met achterlating van twee volwassen kinderen.

Vele jaren na zijn overlijden verkoopt zijn echtgenote Johanna Bakker en de mede-erfgenamen in 1850 op een openbare veiling een groot aantal percelen land, waaronder perceel 240. Koper is Jan Schotvanger. Dit staat dan omschreven als een stuk bosland met houtgewassen, begroeiingen en beplantingen genaamd ‘in de Peperstraat’, nummer 240, groot 4.140 vierkante meter.

Hetzelfde perceel maakt een gedeelte uit van het land, genaamd Kralenkroft. Hendriks vader Hermanus Beuge-


Jaarboek 43, pagina 83

ing koopt in 1808 een stuk weiland, genaamd Kralenkroft dat later kadastraal is opgenomen in de twee percelen 239 en 240. Hij kocht dat toen van de heer François Tayspil Janszoon, wonende in Amsterdam.

De familie Tayspil is een rijke koopmansfamilie uit Amsterdam. Ze heeft onder andere een koffieplantage in Suriname. Deze familie was omstreeks 1585 afkomstig uit Antwerpen. Jan Tayspil Franszoon koopt in april 1766 het stuk land ‘de Kralencroft’ en nog vier kleine akkertjes rond de Bakkummerstraat en Schelgeest. Twee maanden later koopt hij een strook duingebied, dat zich uitstrekt vanaf de Noordzee tot de omgeving van wat nu de Bakkummerstraat is. Ten noorden van deze strook lagen de duinen van Joan Geelvinck, ambachtsheer van Castricum en ten zuiden de duinen van de familie Deutz van Assendelft van kasteel Marquette in Heemskerk.
Dit duingebied van de familie Tayspil met het duinmeiershuis is dan verhuurd aan duinmeier Cornelis Jeroenszoon Zonneveld en is vooral van belang vanwege de konijnenpopulatie. In 1791 wordt dit duingebied verkocht aan Gerrit Abbink. De aan de zuidzijde aangrenzende stukken bosland aan Kralenkroft, de nummers 245 en 246, worden nog in de 19e eeuw Tayspil genoemd.

In 1850 is, zoals hierboven vermeld, Jan Dirkszoon Schotvanger (1805-1878) eigenaar geworden van nummer 240. Jan is boer, heeft veel land, woont aan de Kooiweg en is in 1833 gehuwd met Grietje Kuijs; zij overlijdt in 1861 met achterlating van zeven kinderen. Jan hertrouwt daarna nog twee keer. Na zijn overlijden houden de erfgenamen op 22 oktober 1878 een openbare verkoping van de boerderij en een aantal percelen land, waaronder nummer 240. Koper van het merendeel van de percelen is Klaas Gerritszoon Brakenhoff. Klaas Brakenhoff (1847-1901) is boer en in 1874 gehuwd met Neeltje Kuijs. Zijn bezittingen, waaronder het perceel bosland nummer 240, worden in 1886 gekocht door mr. Jacobus Petrus Kraakman (1830-1907), advocaat en procureur, wonend in Alkmaar, gehuwd met Maria Geertruida Ibink Melenbrink.

Kraakman heeft boerderijen en vele stukken weiland ter grootte van ongeveer 95 hectaren, vanaf 1882 opgekocht vooral in Bakkum-Noord. Na zijn overlijden worden in 1908 zijn vele bezittingen verdeeld onder zijn vier kinderen.
Perceel 240, dat inmiddels als bouwland (tuingrond) in gebruik is, wordt toegedeeld aan zijn dochter Geertruida Kraakman (1876-1959), gehuwd met Theodoor Janzen, houthandelaar, beiden wonend in Haarlem. Geertruida houdt het perceel vele jaren in bezit en gaat het vervolgens verhuren. In 1925 verkoopt zij perceel nummer 240 aan de aannemerscombinatie Antoon Borst, timmerman en Cornelis de Groot, metselaar.
Vanaf de jaren (negentien) dertiger wordt hier een begin gemaakt met de bouw van woningen.

Antoon Borst.
5e van links Antoon Borst (in pak). Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Bouwland [perceel 239]

Zoals hierboven reeds gemeld is perceel 239 in 1830 in bezit van Hendrik Beugeling. Het perceel is ruim 1 hectare groot en enkele jaren later wordt een klein deel ter grootte van 620 vierkante meter afgesplitst en verkocht aan Cornelis van den Berg (1801-1881), die hierop een huis laat bouwen aan de Bakkummerstraat even ten zuiden van wat nu de ingang Tetburgstraat is.
Cornelis van den Berg, schulper (schelpenvisser) en landbouwer, trouwt in 1827 met Geertje van Bruijnswaard en na diens overlijden in 1841 met Almoed Rebecca Eckhart. Cornelis heeft alleen uit het tweede huwelijk kinderen.
In 1850 koopt hij land van de erfgenamen van Hendrik Beugeling en heeft nu het gehele perceel 239 in bezit.
Uit een boedelbeschrijving uit 1869 blijkt dat Cornelis naast een paard en een schulpkar ook drie melkkoeien heeft en een pink.

Schelpenvisser Klaas van den Berg.
Schelpenvisser Klaas van den Berg (geboren op 23 januari 1843 en overleden op 27 april 1931) Hij was ook strandvonder.

In 1871 verkoopt de 70-jarige Cornelis zijn huis en land (geheel nummer 239) aan zijn oudste zoon Klaas.
Klaas van den Berg (1842-1931) is landbouwer, schelpenvisser en vanaf 1869 aangesteld als strandvonder; hij trouwt in 1872 met Antje Prins. Op dit perceel nummer 239 groeien hun zeven kinderen op.
Klaas is strandvonder gedurende zeer vele jaren; tot in 1914. Hij brengt de aangespoelde strandgoederen, voornamelijk bestaande uit balken, planken en rondhout op zijn erf bij zijn huis aan de Bakkummerstraat. Als er na verloop van tijd veel strandgoederen zijn opgeslagen, wordt na verkregen goedkeuring van Gedeputeerde Staten een openbare verkoping op het erf van Klaas gehouden.

In 1907 laat Klaas op zijn erf langs de Bakkummerstraat vijf huizen bouwen, die hij in 1917 afzonderlijk verkoopt (nu de nummers 68, 70, 72, 74 en 76). Ook verkoopt hij dan een perceel tuingrond van 630 vierkante meter langs de Peperstraat aan zijn schoonzoon Gerrit van den Akker. Ook verkoopt hij een nog direct daarachter gelegen perceel tuingrond van 423 vierkante meter aan Gerrit Zonneveld.

De Peperstraat omstreeks 1920.
De Peperstraat omstreeks 1920. Rechts nog een deel van woning nummer 15. Achter de bomen het eerste huis van Goed Wonen nummer 17. Door de duinen op de achtergrond is links op de foto het huis van Thijs Dekker, dan het enige huis aan de zuidzijde, moeilijk zichtbaar.

In maart 1924 verkoopt Klaas het overgrote deel van zijn resterende bezit in perceel 239 aan de aannemerscombinatie Borst-De Groot, namelijk een bouwterrein van ongeveer 4750 vierkante meter. Het perceel tuingrond langs de Peperstraat, dat Gerrit van den Akker in 1918 van zijn schoonvader Klaas van den Berg heeft gekocht, blijft vele jaren als tuin in gebruik. Gerrit (1882-1957) is eerst spoorwegbeambte, daarna portier op Duin en Bosch. Na zijn overlijden verkopen zijn erfgenamen in 1959 nagenoeg het gehele perceel tuingrond aan Jac. de Nijs (1901), metselaar en aannemer en aan zijn zoon Thijs (1933), timmerman en aannemer, elk voor de helft. Beide aannemers kopen er dan ook nog 272 vierkante meter grond bij van het achterliggende perceel, sinds 1956 eigendom van Hein Zonneveld, groentehandelaar.

Een kleine witte woning. Dr. Jacobilaan nummer 4 in Bakkum.
Een kleine witte woning. Dr. Jacobilaan nummer 4 in Bakkum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Op deze grond verrijzen de huizen van Dr. Jacobilaan met nummers 2, 4 en 6. Er blijft nog een klein bouwterreintje over van 185 vierkante meter, waarop in 1981 het dubbel woonhuis met nummers 6a en 6b wordt gebouwd.

Aannemerscombinatie Borst-De Groot

Bij de realisatie van woningen in het gebied rond de Peperstraat is nauw samengewerkt door Antonius (Toon) Borst, timmerman en aannemer en Cornelis (Kees) de Groot, metselaar en aannemer, beiden wonend in Bakkum. Dit betrof vooral het gemeenschappelijk bezit van bouwter-


Jaarboek 43, pagina 84

reinen, de bouw van woningen en de verkoop van percelen aan nieuwe bewoners.
Bij een openbare verkoping in café ‘de Vriendschap’ aan de Dorpsstraat op 21 oktober 1919 wordt een boerenwoning met erf, tuin en weiland, met in totaal ruim 2,5 hectare grond nabij de Stetweg te koop aangeboden. Het wordt gekocht door een driemanschap, bestaande uit Gerrit Res, broodbakker en grondeigenaar en de beide aannemers.

Foto van omstreeks 1938 vanaf het land van Thijs Dekker.
Foto van omstreeks 1938 vanaf het land van Thijs Dekker. Links een zoon en kleinzoon, rechts een schoonzoon en kleindochter. Op de achtergrond links de woningen van Goed Wonen en rechts de achterzijde van de huizen nummers 12 en 10.

Een jaar later verkopen zij de boerenwoning en 1,5 hectare grond. Het driemanschap blijft in bezit van 1 hectare grond. Medio 1921 nemen de beide aannemers het aandeel over van Gerrit Res en is dit het begin van een lange periode dat deze aannemerscombinatie genoemde activiteiten ontplooit, vooral in de omgeving Stetweg, Bakkummerstraat en Dr. Jacobilaan.


Jaarboek 43, pagina 85

De aannemerscombinatie Borst-De Groot koopt in 1925 perceelnummer 240 met een grootte van 4.140 vierkante meter. In 1931 kopen ze van Thijs Dekker een perceel met het oude huis ter grootte van 5.150 vierkante meter. (oorspronkelijk de nummers 241 tot en met 244). Beide percelen zijn gelegen aan de zuidzijde van de Peperstraat.
Aan de zuidzijde van deze kavels is rond 1927 vanaf de Bakkummerstraat begonnen met de aanleg van de Tetburgstraat; hieraan worden door de aannemerscombinatie ook woningen gebouwd. Aan de oostzijde van perceel 240 wordt later de Van Renesselaan aangelegd.

Voorbereidingen voor de officiële opening op 24 juli 1949 van de speeltuin door burgemeester Smeets.
Voorbereidingen voor de officiële opening op 24 juli 1949 van de speeltuin door burgemeester Smeets.

Het terrein ten zuiden van de Dr. Jacobilaan blijft lange tijd een braakliggend gebied dat door de aannemerscombinatie voor de Bakkumse jeugd beschikbaar wordt gesteld. Door vrijwilligers is hier een speeltuintje gerealiseerd dat door burgemeester Smeets in 1949 officieel wordt geopend. Tot midden jaren (negentien) vijftig hebben kinderen van Bakkum hier kunnen spelen.
Voor dit terrein geldt ongeveer twintig jaar lang een bouwstop in verband met de projectie van de westelijke randweg. Als deze wordt ingetrokken, wordt voor dit gebied uitbreidingsplan Bakkum-West actueel, waarin in totaal twintig woningen zouden worden gebouwd. In 1967 is gestart met de bouw van de eerste zes woningen.
In de jaren (negentien)n tachtig worden hier woningen gebouwd die nu zijn gelegen aan de Van Renesselaan en aan de Dr. Melchiorlaan.

De huizen aan de zuidzijde van de Dr. Jacobilaan

Dr. Jacobilaan 2

In 1959 verkoopt Hein Zonneveld, groentehandelaar en wonend aan de Bakkummerstraat, een stuk grond van 272 vierkante meter, dat ligt achter zijn huis aan de zuidzijde van de Dr. Jacobilaan, als bouwterrein aan de aannemers Jac. de Nijs (1901) en zijn zoon Thijs (1933). Na de bouw verkopen de aannemers in 1961 de woning met schuur aan de Dr. Jacobilaan nummer 2 aan Willem Stadt (1918), kassier van het girokantoor der gemeente Amsterdam. Willem is gehuwd met Johanna Christina Schmidt.

In 1966 heeft Willem een garage op een klein aangekochte uitbreiding van zijn erf gebouwd. In 1977 verkoopt hij het geheel aan Henk van der Meer (1933- 1988), metaalbewerker, gehuwd met Gijsbertha (Bep) van Brenk; zij wonen er vanaf eind 1977. Kinderen: Robert, Henriëtte en John. In 1994 gaat Bep naar de Admiraal de Ruyterlaan en woont haar dochter Henriëtte hier met haar echtgenoot Peter Klut, procesingenieur en met hun drie kinderen: Stefan, Jelmer en Merijn.

Dr. Jacobilaan 4

Op het bouwterrein van 600 vierkante meter, dat door de aannemers Jac. en Thijs de Nijs in 1959 van de erfgenamen van Gerrit van den Akker is gekocht, worden twee woonhuizen gebouwd: nummer 4 en nummer 6. Na de realisatie worden deze verkocht aan de toekomstige bewoners.

Kobus Veldt woonde met Jansje Fokker en hun vijf kinderen op 4.
Kobus Veldt woonde met Jansje Fokker en hun vijf kinderen op 4. Hier Kobus met kinderen van links naar rechts Joke, Bert, Gerda, Jaap† en Bets.

In 1961 is nummer 4, woonhuis met garage op 263 vierkante meter grond, verkocht aan Kobus Veldt (1915), tuinder, dan wonend aan de Kooiweg en in 1949 gehuwd met Jansje (Jo) Fokker; hun vijf kinderen: Bets, Jaap†, Joke, Bert en Gerda zijn hier opgegroeid. Kobus werk later bij de gemeentereiniging en is overleden in 1983. Jo is vertrokken in 1988 naar de Heereweg en overleden in 2010. De volgende bewoners vanaf 1989, Hella den Dunnen en Dirk Zeeman, werken beiden in een ziekenhuis, respectievelijk als vaatlaborante en als afdelingsassistent; zij zijn de huidige (in 2020) bewoners.

Op 7 april 1961 is nummer 6, woonhuis met garage op 264 vierkante meter grond verkocht aan Arnoldus Gerardus van der Maat (1900), dan wonend in Zandvoort en gehuwd met Wilhelmina Maria Bernarda Kleene. Arnoldus is overleden in 1987.

In 1987 koopt Dick Schermer (1960), it-manager, de woning. Hij woont hier met Ellen Wijdekop en hun kinderen Mirte en Niek. In 2007 wordt het huis verkocht aan Remy Vels en Judith Kaandorp. Remy handelt in papier en karton en Judith Kaandorp is onderwijskundige.

Dr. Jacobilaan 6a en 6b

Op een nog resterend naastgelegen stukje bouwterrein wordt in 1982 door de firma Borst een dubbel woonhuis gebouwd, 6a en 6b, waarvan de eigenaren in 1983 worden:
6a: William Bruce Jamieson (1942), systeemcoördinator, gehuwd met Marijke de Boer, verpleegkundige;
6b: Hans van Schoor (1949), bedrijfsdirecteur, gehuwd met Dora Piek, verpleegkundige. Hans is van 1990 tot 2006 raadslid en fractievoorzitter geweest van D66.


Jaarboek 43, pagina 86

Dr. Jacobilaan 8

Andries Nicolaas Groeneveld, slager en wonend in Heiloo, koopt bouwgrond in 1981 van de aannemerscombinatie Borst-De Groot. In september 1982 gaat hij wonen in het nieuwe huis nummer 8 samen met zijn vrouw Jacqueline Kriek. Zij vertrekken in 1984 naar Dirkshorn (eigen slagerij) en verkopen het geheel aan Simon Petrus (Siem) Ruiter, die woont op Dr. Jacobilaan 15 en nu met zijn vrouw Truus Stam verhuist naar nummer 8. Truus overlijdt in 1991 en Siem in 2015. Sindsdien woont er zijn dochter Alette Ruiter, GGZ leidinggevende met haar man Hans Hofstra, theatertechnicus.

Dr. Jacobilaan 8a

Wilhelmus Cornelis (Will) Glorie (1957) koopt in 1981 een stukje bouwterrein van de aannemerscombinatie Borst-De Groot. Hierop wordt een huis met garage gebouwd. Will gaat hier in 1982 met Jolanda Groot wonen; hij heeft een loodgietersbedrijf en verkoopt het pand in 1991 aan Bernard Jäger (1965), sales engineer, en echtgenote Anne Claire Honing. In 1999 verkopen zij het huis en gaan in Limmen wonen. De nieuwe eigenaar is Hans Molenaar (1965), financieel planner, die het huis in 2010 verkoopt aan de huidige bewoners.

Dr. Jacobilaan 10

De aannemerscombinatie Borst-De Groot verkoopt een stuk grond (deel van nummer 240), groot 250 vierkante meter aan de Peperstraat in 1931 aan Mattheus (Thijs) Dekker (1867-1955), die in dezelfde transactie het huis met erf en tuin aan de Peperstraat, groot 5.150 vierkante meter, aan de combinatie verkoopt. Het oude huis wordt in 1932 gesloopt, terwijl op het nieuwe stukje grond van Thijs een huis met een schuur wordt gebouwd, nummer 10. Thijs is tuinder en gehuwd met Trijn Zonneveld, die in 1939 overlijdt. Kort daarna in 1940 verkoopt Thijs, dan inmiddels 73 jaar, dit huis aan Dirk de Winter (1890).

Dirk de Winter is wagenmaker en woont naast de Beatrix-klok aan de Bakkummerstraat; hij is maatschappelijk heel actief als gemeenteraadslid, bij de brandweer is voorzitter van ‘Onderlinge Hulp’. Het huis aan de Dr. Jacobilaan nummer 10 gaat Dirk verhuren; eerst aan Johannes Castricum (1901), die daarvoor met zijn gezin woonde in het huis van zijn vader op Dr. Jacobilaan 5. Na de ontruiming in 1943 keert Johannes hier niet meer terug.

Jo Zentveld en Jans Schermer woonden met hun kinderen op nummer 10.
Jo Zentveld en Jans Schermer woonden met hun kinderen op nummer 10.

Dirk de Winter verhuurt het huis direct na de oorlog aan Jacob (Jo) Zentveld (1906). Jo is chauffeur, ziekenfondsbode en lid van het kerkbestuur. Hij is in 1932 gehuwd met Jans Schermer. In dit huis groeien hun kinderen op. Jo koopt het huis van Dirk de Winter in 1962 en overlijdt in 1965. Jans gaat in 1969 wonen aan de Martin Luther Kinglaan. Het huis nummer 10 wordt dan overgenomen door hun dochter Hannie Zentveld (1939) met haar man Joop Tromp.

Joop (1937) is chauffeur; rangeerder en later gescheiden van Hannie Zentveld. Hij woont hier tot zijn overlijden in 2018. De erfgenamen verkopen het huis in 2018 aan Joris Kramer en Rose-Anne Dotinga, beiden zijn ontwerper. Zij zijn de huidige bewoners samen met hun kinderen Quinten en Philou.

Dr. Jacobilaan 12

In maart 1925 verkoopt Thijs Dekker een stukje grond van 230 vierkante meter (perceel nummer 241) aan Cornelis (Kees) Orij (1884-1935). Kees is tuinder, werkt later op de centrale bij Duin en Bosch en is getrouwd in 1910 met Adriana (Jane) Hollenberg, toen weduwe van Antonie Orij, een oudere broer van Kees.

Kees laat op dit perceel een huis bouwen en gaat hier wonen met Jane en hun gezin dat weldra zou bestaan uit elf kinderen, waarvan twee uit het eerste huwelijk van Jane. Kees overlijdt in 1935 op 51-jarige leeftijd en het huis komt op naam van Jane Hollenberg (1885-1967). Twintig jaar later in 1955 woont Jane in de Dr. Leenaersstraat en verkoopt het huis aan haar zoon Niek Orij (1916-1990).

In aansluiting op dit artikel zijn de voorouders van Niek Orij in de vorm van een kwartierstaat opgenomen. Dit om aan deze vorm van presentatie meer bekendheid te geven. Niek is kraandrijver bij Hoogovens en gehuwd met Lena Diemel; zij krijgen zes kinderen: Cees†, Hans, Marianne, Rineke†, Rob en Ron. Van Niek Orij wordt in dit jaarboek een overzicht van zijn voorouders gegeven.

In 1979 verkoopt Niek Orij het huis aan Marten Eveleens (1946), personeelsfunctionaris uit Sint-Pancras, die drie jaar later in 1982 het huis verkoopt aan Jikke van der Meulen (1923) uit Ouderkerk aan de Amstel. Opnieuw na drie jaar, in 1985, is er een nieuwe eigenaar; de bewoners worden Erik Gelauff, jeugdbeschermer en Heidi van Brussel, verpleegkundige. Zij wonen hier tot 2003 met hun drie kinderen, Piene, Bente en Fleur.

Daarna blijven de opeenvolgende bewoners relatief kort: vanaf 2003 Bastiaan Kroes, manager bij KLM en Marinke van der Windt, massage-pedicure met hun kinderen Romée, Pim en Mees; vanaf 2010 René Mogge, ondernemer, samen met Stephanie Hain en tenslotte de huidige bewoners sinds 2012 Erick Bakker, regiomanager NS en Bente Akkerman, psycholoog met hun twee kinderen.


Jaarboek 43, pagina 87

Dr. Jacobilaan 14

De aannemerscombinatie Borst-De Groot verkoopt in 1940 twee stukken grond van hun bouwterrein tussen Dr. Jacobilaan en Tetburgstraat en wel 666 vierkante meter aan aannemer Gerard Convent uit Zaandam en 449 vierkante meter aan Gerrit van den Born, beambte van Duin en Bosch. Hierop zullen later de huizen nummers 14 en 16 worden gebouwd.

Aannemer Convent heeft hier in de oorlogsjaren geen bouwactiviteiten ontplooid en dat is niet zo verwonderlijk met de vele afgebroken en leegstaande huizen in de omgeving. Hij verkoopt hetzelfde bouwterreintje in juni 1947 aan Frederik Arnoldus Hoogsteder (1895), een gepensioneerd West-Indische ambtenaar, die dan al in de gemeente woont. Ook Hoogsteder verkoopt het stuk grond als bouwterrein in november 1948 aan Dirk Kaper (1908).

Kaper staat als architect te boek en is hoofd van de Bouwkundige Dienst van Duin en Bosch. Hij is vanaf 1962 in totaal twaalf jaar gemeenteraadslid. Al veel eerder verkoopt hij in 1955 hetzelfde bouwterrein van 666 vierkante meter door aan Jan Smit, boekhouder, die in 1918 in Indonesië is geboren en uit Uitgeest komt. Jan Smit laat omstreeks 1957 het huis met garage bouwen. In dit nieuwe huis woont hij met echtgenote Sjoerdje Hellinghuizer en hier groeien hun zeven kinderen op: Jan, Theo, Carla, Anja, Fred, Arie en Hiltje. Jan Smit verkoopt het geheel in 1975 aan Cornelis van Dijk (1938) uit Beverwijk. Van Dijk is adjunct-accountant en gehuwd met Suzanna Maartje de Jager. Zij wonen er vanaf 1975. Suzanna is in 2015 overleden. Cornelis woont hier nog steeds.

Dr. Jacobilaan 16

Gerrit van den Born (1893) is beambte van Duin en Bosch, verkoopt het bouwterrein in 1953 aan Marie Susanna Bronkhorst (1885), lerares M.O. Engels.
In 1954 wordt op dit perceel een huis, schuurtje en atelier gebouwd, reeds op kosten van de nieuwe eigenaar Maurits Désiré Cappel (1905), gemeenteambtenaar, die de grond met het huis in 1954 koopt. Maurits woont hier tot zijn overlijden in 1980 met zijn echtgenote Johanna Wilhelmina Beukers; zij krijgen zes kinderen. Johanna blijft er na zijn overlijden nog kort wonen. Hun zoon Arthur Herman Cappel (1941), statisticus is vanaf 1984 de bewoner met echtgenote Maria Catharina (Ria) Sijmons; zij hebben twee kinderen.

Dr. Jacobilaan 18

De aannemerscombinatie Borst-De Groot verkoopt in 1937 een stukje grond van 426 vierkante meter aan Pieter Heida (1898), verpleger op Duin en Bosch. Pieter laat hier in 1937 een huis bouwen en gaat hier wonen met echtgenote Lien van Apeldoorn (1904), waarmee hij in 1929 in Castricum trouwt. Lien is verpleegster en is vanaf 1937 pensionhoudster. In dit huis groeien hun vier kinderen op: Lineke, Henk, Piet en Wim. Zoon Henk wordt in 1959 in de atletiek Nederlands kampioen op de 800 meter, daarna ook op de 1000 meter. Hij was vele jaren Nederlands recordhouder op deze afstanden.

Pieter overlijdt in 1980. Lien blijft hier wonen tot 1997; zij is overleden in 2000 in een verpleeghuis in Heemskerk. In 1997 wordt het huis verkocht aan de huidige bewoners Johannes (Jan) Pater, beeldhouwer en Karin Haker, projectleider bij een thuiszorgorganisatie. Zij hebben twee kinderen: Lisette en Maarten. Karin woonde daarvoor op Dr. Jacobilaan 27.

De huizen van de families Heida en Noordover op 18 en 20.

Dr. Jacobilaan 20

Pieter Dorjeé (1880), ambtenaar uit Zaandam, koopt in 1936 een stukje grond van 405 vierkante meter van de aannemerscombinatie Borst-De Groot. Hierop wordt kort daarna het huis nummer 20 gebouwd, waar Pieter gaat wonen met echtgenote Harmke de Jager; hij is dan zonder beroep en overlijdt in 1949. Zijn erfgenamen verkopen het huis met erf en tuin enkele maanden later aan Reinier Cornelis van den Bosch, adjudant rijkspolitie uit Zaandam. Deze is inmiddels gepensioneerd en woont in dit huis als hij het in 1952 verkoopt aan Petrus Lodewijk Dikkes (1891), loodgieter uit Amsterdam. Die gaat hier met zijn vrouw Lena Schipper wonen; zij overlijdt hier eind 1958. In 1962 woont Dikkes in Leiden en verkoopt de woning aan Aad Noordover (1936), timmerman bij Jac. de Nijs, in 1961 gehuwd met Rie Schermer, dochter van Bertus Schermer van de Dr. Jacobilaan 3; zij gaan er in mei 1962 wonen en Aad woont er nog steeds; zijn vrouw is in 2006 overleden. Hier zijn hun drie kinderen geboren: Annemiek, René en Jeroen.

Simon Zuurbier

Bronnen:

  • Archief Gemeente Castricum aanwezig op het Regionaal Archief te Alkmaar;
  • Bevolkingsregisters en Burgerlijke Stand;
  • Kadastrale bronnen over Castricum;
  • Notariële archieven te Alkmaar en Haarlem.

Met dank aan: de (oud-)bewoners van de Dr. Jacobilaan en hun relaties voor de verstrekte informatie.

18 maart 2024

Transportbedrijf Lute; een veelzijdig familiebedrijf (Jaarboek 43 2020 pg 71-75)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 43, pagina 71

Transportbedrijf Lute; een veelzijdig familiebedrijf

In Castricum was het transportbedrijf van Lute een begrip. De vele zandauto’s die ‘s morgens vanaf Schoutenbosch vertrokken en ’s middags weer terugkwamen, waren een vertrouwd gezicht en menigeen kende wel iemand die daar werkte. Het bedrijf verkocht niet alleen zand, maar vervoerde het ook en deed het grondwerk met behulp van onder andere draglines, later hydraulische kranen, diepladers, bulldozers en shovels.

De oprichter Baltus Lute.
De oprichter Baltus Lute.

De oprichter Baltus Lute

Het transportbedrijf Lute heeft zijn wortels in Castricum. Het bedrijf is in 1907 opgericht door Baltus Lute, in het dorp bekend als Bal. Hij wordt op 21 oktober 1878 geboren als zoon van Pieter Lute en Maartje Kaas. Bal koopt in 1907 een stuk grond aan de Kramersweg, groot 760 vierkante meter, waarop dan al een nieuw woonhuis is gebouwd (locatie zuidzijde van de Burgemeester Mooijstraat nummer 8). Hij trouwt in datzelfde jaar met de in Uitgeest opgegroeide Catharina Duijn en zij krijgen elf kinderen, waarvan er twee jong overlijden. In 1910 ruilt Bal met zijn vader Pieter Lute van huis en krijgt dan diens woonhuis met wagenhuis en stalling, erf, tuin en weiland op Schoutenbosch, samen groot 7055 vierkante meter. Dit richt Bal in als een klein melkfabriekje met woning.

Voor de woning op Schoutenbosch staan Bal Lute en Catharina Lute-Duin met op haar arm Marie. Op de stoeltjes Emma en Piet.

Bal start met melk rijden van de boer naar zijn bedrijfje. Dat ging toen nog met paard en wagen. Hij leent regelmatig geld, waarschijnlijk voor investeringen in de melkfabriek. Door achterstallige betalingen wordt hij in 1922 failliet verklaard. Zijn bezittingen en met name de woning, de melkfabriek en de tuingrond met houten loods worden in het openbaar verkocht aan Jan Pieter Baas, directeur van de stoomzuivelfabriek ‘De Holland’. Hij gebruikt het gebouw voor opslag van oude materialen en laat de woning in tweeën bewonen.

Pieter Lute, de vader van Bal, koopt in 1924 een stukje grond aan de Oudeweg nabij Schoutenbosch van Johannes Twisk, groot 170 vierkante meter, en laat op dit stukje grond een woonhuis bouwen. Dit huis is ongetwijfeld bestemd voor zijn zoon Bal, die het na Pieters overlijden in 1927 erft.

Transportbedrijf Firma Lute aan het Schoutenbosch 91 in Castricum.
Transportbedrijf Firma Lute aan het Schoutenbosch 91 in Castricum. Voor de auto Gerrit Lute. Op deze plek staat nu een appartementengebouw. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Dit woonhuis, inmiddels uitgebreid met een schuur en wagenloods, draagt Baltus in 1933 over aan zijn zoon Piet.

Crisisjaren en oorlog

Begin jaren (negentien) dertig is er door de crisis weinig werk. Bal Lute begint met schep, kruiwagen en ander klein materiaal werk te zoeken in het grond-


Jaarboek 43, pagina 72

verzet. Dat doet hij heel succesvol, want al snel heeft hij aardig wat werk en koopt hij enkele vrachtauto’s.

De vier Chevrolets voor de oude garage op Schoutenbosch.
De vier Chevrolets voor de oude garage op Schoutenbosch.

In 1934 heeft hij een Chevrolet uit 1928 en een Morris uit 1933. In de jaren die volgen tot het uitbreken van de oorlog koopt hij er jaarlijks een Chevrolet bij. De auto’s worden met de hand geladen en gelost. Ook gaat hij weer melk rijden van de boer naar de melkfabriek aan de Breedeweg. De fabriek werkt met een stoommachine en daarvoor zijn kolen nodig. De kolen worden aangevoerd per trein en door Lute naar de melkfabriek vervoerd.

Een vennootschap onder firma vanaf 1943

Inmiddels zijn de zoons oud genoeg om mee te werken: Piet (1910), Maarten (1914), Gerrit (1915), Pé (1916), Joop (1920) en Co (1925). Door de inzet van zijn zoons kunnen er moeilijke transportklussen worden aangenomen en het bedrijf groeit.

De broers Lute.
De broers Lute. Van links naar rechts Piet, Maarten, Gerrit, Pé, Joop en Co.

Op 12 november 1943 wordt bij notaris Van Cranenburgh een vennootschap onder firma opgericht, die is gevestigd in Castricum onder de naam Expeditiebedrijf B. Lute en Zonen. In de oprichtingsakte wordt het doel van de firma omschreven: “het vervoeren van goederen en de verhuizing van inboedels door paard of motortractie, het verslepen van materialen door tractors of anderszins in het algemeen het expeditiebedrijf en al wat daartoe behoort in de meest uitgebreide zin des woords.” Behalve de oprichter Bal worden de zoons Piet, Maarten, Gerrit, Pé en Joop, allen expediteurs, ook als vennoten aangesteld. Ingebracht worden het huis, schuur, wagenloods op een perceel grond van 913 vierkante meter aan de Oudeweg 6.

Links het woonhuis van Bal Lute.
Links het woonhuis van Bal Lute. In de oude houten garage staat de Studebaker en voor de garage de Chevrolet.

Door de oorlog stagneren de werkzaamheden en auto’s worden gevorderd door de bezetter. Paard en wagen worden weer van stal gehaald om er voor te zorgen dat in ieder geval de melk naar de fabriek kan worden vervoerd. Tijdens de oorlogsjaren worden er vijf paarden ingezet. De in 1940 gekochte Opel Blitz is in een hooiberg verstopt en deze wordt na de oorlog ingezet voor het melk rijden, met Siem Klaver als chauffeur.

Na de oorlog heeft vader Bal de zaak overgedragen aan zijn zoons. Hij overlijdt op 9 april 1947. Piet wordt dan directeur en Maarten, Gerrit en Pé worden chauffeur. Joop is de dragline-machinist. Na zijn tijd in Nederlands-Indië wordt Co ook chauffeur. Zij gaan allemaal op een steenworp afstand van de garage wonen.

De wederopbouw

De wederopbouw na de oorlog zorgt ervoor dat veel gemeentewegen aangelegd of verbeterd moeten worden. Ook worden er veel woningen gebouwd en moet veel zand aangevoerd worden. Hiervoor worden landerijen afgezand en wordt het duin afgegraven bij de Geversweg, waar in de oorlog een radarpost stond.

Transportbedrijf Lute van Oudeweg 6 verhuisde het vierkant van een kapberg vanaf de Oudeweg naar Jan Twisk loonbedrijf op schoutenbosch in Castricum.
Transportbedrijf Lute van Oudeweg 6 verhuisde het vierkant van een kapberg vanaf de Oudeweg naar Jan Twisk loonbedrijf op schoutenbosch in Castricum, 1947-1948. Links Joop Lute rechts Piet Lute. Zij voerde een heel apart werk uit. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Er worden GMC-trucks (Amerikaanse legerwagens) aangeschaft en omgebouwd tot kiepauto’s, later volgen


Jaarboek 43, pagina 73

de REO-trucks (Amerikaanse 2,5 tonner). De firma Van Etten in Beverwijk bouwt er cabines op. De eerste dragline wordt gebouwd door Olof Borst, die een machinefabriek heeft in Bakkum. De dragline wordt gebouwd op een half-truck. Het merk is OLBO. Het bijzondere van deze dragline is, dat hij een cabine aan de linker- of aan de rechterkant heeft.

De wederopbouw gaat gestaag door en zo groeit ook de firma Lute. Tijdens de watersnoodramp in 1953 zijn er twee vrachtwagens gevorderd door de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Co Lute en chauffeur Evert van den Born hebben meegewerkt aan het dichten van de dijken in Zeeland.

Veel werk op het Hoogoventerrein

In 1953 komt er een aanvraag van aannemingsmaatschappij De Kondor om voor deze firma grondwerkzaamheden te verrichten op het Hoogoventerrein. Dit is voor de firma Lute een mooie stap, want de Hoogovens gaan fors uitbreiden en daar plukt Lute ook de vruchten van. De thuisbasis van de firma Lute is nog steeds aan de Oudeweg. Joop en zijn vrouw Coba Zonneveld wonen in het huis en de naastgelegen houten garage wordt vervangen door een stenen garage. De werkplaats verhuist naar de garage en de opslagruimte wordt verbouwd tot kantoor.

Vanwege een tekort op de betalingsbalans kondigt de regering in 1957 een bestedingsbeperking aan ter bevordering van de export. De binnenlandse bestedingen worden teruggebracht en het werk wordt minder. De firma Lute krijgt eind jaren (negentien) vijftig de kans om grondwerk aan te nemen in Hagestein voor de bouw van een stuw in de Lek. Voor dit werk moet het personeel daar in de kost.

Als later de economie aantrekt krijgen ze in de jaren (negentien) zestig veel grondwerkzaamheden voor de bouw van Hoogoven 6 en 7, Oxystaalfabriek 2, Warmbandwalserij 2 en Blokwalserij 3.

Herinneringen van de neven Bal en Bal Lute

Het is in die periode dat Bal van Piet en Bal van Maarten, nu allebei 76 jaar oud, in dienst treden bij het familiebedrijf. “Dat was vanzelfsprekend en we wilden ook niet anders”, vertelt Bal van Piet. Beide mannen haalden hun rijbewijs zodra dat kon en dat ging hen vrij makkelijk af, want: “We hadden natuurlijk al stiekem geoefend.” Bal van Piet werd draglinemachinist, uitvoerder/planner en de zoon van Maarten is zijn leven lang vrachtwagenchauffeur geweest. “De mooiste tijd was op Schoutenbosch”, vertelt hij. “Toen was het nog echt een bedrijf met een familieband. Dan kwamen alle jongens ’s morgens vroeg samen en ’s middags kwamen ze rond dezelfde tijd terug.”

De contacten waren onderling hecht en de mannen hadden plezier in het werk. “Er werd eigenlijk nooit geklaagd”, vervolgt Bal van Piet. En dan met een lach: “Ik herinner mij een keer dat mijn vader mij ‘s morgens wakker riep en dat we het gek vonden dat er niemand op kwam dagen, maar pa had zich een uurtje vergist; het was nog maar kwart voor vijf. En een andere keer was ik per ongeluk met mijn pantoffels nog aan op pad gegaan. Of mijn vader stuurde mij naar Bedum in Groningen om een wagen weg te brengen voor een kraanopbouw en als ik mij dan afvroeg hoe ik terug moest komen, zei hij heel nuchter: ‘Met de bus, want heen ga je en terug moet je. Je zit niet op een eiland’.”

De garage aan het Schoutenbosch.
De garage aan het Schoutenbosch. Naast de vijf Bedfords staan een Chevrolet en een Daf.

Bouw garage en woningen op Schoutenbosch

Door de uitbreiding van het wagenpark en de werkzaamheden wordt in 1961 besloten om op Schoutenbosch nog een garage te bouwen met twee woningen, de huisnummers 60 en 62. In een van die woningen gaat Maarten met zijn gezin wonen en later zoon Bal van Piet in de andere woning. “Daar is een keer een vrachtwagen binnengereden door een fout van een chauffeur”, vertelt Bal van Maarten. “Mijn moeder zat klaar aan tafel met een pan gekookte aardappels, want het was rond etenstijd. Alles zat onder het glas.” De nieuwe garage is groot genoeg om alle auto’s te stallen. Het is voor de buren niet altijd leuk: om kwart voor zes ‘s morgens worden de auto’s naar buiten gereden en staan daar met ronkende motoren te wachten op de chauffeurs die om zes uur wegrijden. De andere garage wordt volledig gebruikt voor reparaties die door eigen monteurs worden uitgevoerd.

Maarten Lute (1914-1968) leunt tegen de Chevrolet uit 1936 aan.
Maarten Lute (1914-1968) leunt tegen de Chevrolet uit 1936 aan. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

In 1960 krijgt Lute het dealerschap van het vrachtwagenmerk Praga, een Tsjechisch fabricaat. Hiermee wordt een garagebedrijf gestart. Na enkele jaren stopt men met dit dealerschap.

Het expediteursbedrijf B. Lute en Zonen wordt op 2 december 1965 omgezet van een vennootschap onder firma in een Naamloze Vennootschap. De zes zoons zijn leden van de Raad van Bestuur.

Dramatisch is het overlijden van Maarten in 1968 op slechts 54-jarige leeftijd. Zijn broer Piet, directeur, overlijdt in 1971. Broer Joop wordt zijn opvolger.
De overige leden besluiten om in augustus 1972 de NV om te zetten in een BV met beperkte aansprakelijkheid. Bal van Piet stelt dat het zakelijk een topbedrijf was: “We konden er allemaal een goede boterham verdienen.”

Bal van Maarten weet nog dat hij samen met Jaap Brakenhoff naar Rotterdam reed om een legervoertuig uit de dump op te halen. Hij vertelt lachend: “Het was een voertuig


Jaarboek 43, pagina 74

zonder cabine of bak, alleen met een stuur. Jaap koppelde het aan onze wagen en ik moest achter het stuur van onze nieuwe aanwinst zitten om veilig thuis te komen met drie leren jassen aan tegen de kou.” Jaap wordt door beide mannen een grote steun in alle tijden genoemd.

In de lange geschiedenis van het familiebedrijf heeft een keer een ernstig ongeval plaatsgevonden in de strenge winter in 1963 in Westzaan. “En het is ook eens gebeurd dat Jaap en ik op de randweg reden bij Amsterdam toen we een kraan verloren die niet goed was bevestigd”, aldus Bal van Maarten. “Dat liep goed af. De kraan kwam terecht in de berm. We moesten alleen een boete betalen voor de beschadiging van de vangrail en we kregen natuurlijk flink op ons donder van de baas.”

Het graven van de vijver langs de Helmkade in 1955.
Het graven van de vijver langs de Helmkade in 1955. Op de achtergrond de spoorlijn en de huizen aan de Schelgeest. De chauffeur in de dragline is Joop Lute, de man met de schep links is Maarten Lute en naast hem staat zijn broer Pé.

Werkzaamheden in Castricum en de regio

Buiten de werkzaamheden voor Hoogovens heeft Lute ook veel werk verricht in Castricum en andere plaatsen. Dit zijn bijvoorbeeld:

1948 Vervoer van een vierkant van Oudeweg naar Schoutenbosch voor Jan Twisk, stalhouder op de Oudeweg, vanaf 1948 veehouder met een loonbedrijf op Schoutenbosch.
1952 In september van dit jaar wordt een woning van de Koningin Wilhelminalaan verrold naar de hoek nu Dorpsstraat – Prinses Beatrixstraat. Dit bijzondere experiment is uitgevoerd door Biesterbos. De firma Lute heeft hieraan meegewerkt.
1955 Uitgraven van een vijver aan de Helmkade.
1958 Grondwerk voor de stuw in de Lek bij Hagestein.
1970 Aanleg van een parkeerterrein met tweeduizend parkeerplaatsen bij het strand in opdracht van Biesterbos.
1970 Transport van grond naar Molendijk, die afkomstig is van het uitgraven van een spuisluis in IJmuiden, voor het bouwrijp maken van plan Molendijk-Noord.
1972 Ontgraven van twee grote bouwputten voor het binnen- en buitenbad van het Beverwijkse sportfondsenbad.
1973 Grondwerk voor de aanleg van een koelwaterleiding van de PEN-centrale.
1976 Voorbereidend grondwerk voor de Hemspoortunnel, zowel aan de Amsterdamse als aan de Zaandamse zijde.
1977 Aanleg van kunstduinen in Wijk aan Zee. Dit werk duurt drie maanden; in deze periode wordt er in totaal bijna 100.000 kubieke meter zand naar toe gereden. Deze rij kunstduinen moet de fabriekshallen en schoorstenen van Hoogovens aan het zicht van de inwoners van Wijk aan Zee onttrekken.
1982 Grondwerk voor de spoorlijn Amsterdam-Schiphol.

Zand wordt gelost uit een schip.
Zand wordt gelost uit een schip.
Jaarboek 43, pagina 75


Door de uitbreiding van Hoogovens, die voor 80 procent van de omzet zorgt, worden er steeds meer kranen, shovels en bulldozers aangeschaft en groeit de firma Lute uit tot een tamelijk groot bedrijf. Daarnaast worden er vaak auto’s bij collega’s ingehuurd om het vele werk te verrichten. In 1974 wordt nog een overslagkraan met vier trechters aangekocht voor het zand dat per schip wordt aangevoerd in Beverwijk. Omdat het bedrijf zo groeit, zoekt men naar een pand waarin alles ondergebracht kan worden en dat vindt men in Beverwijk.

Nieuwe bedrijfsruimte aan de Lijndenweg in Beverwijk

De onderneming wordt met ingang van 1 april 1975 verplaatst naar Beverwijk; op 26 april 1975 is de officiële opening en wordt een open huis gehouden in de nieuwe vestiging. De bedrijfsruimte bestaat uit een grote garage, kantoorpanden en een ruime parkeermogelijkheid voor het autopark. De onderneming presenteert zich nu als B. Lute en Zonen BV, Aannemings-, Transport- en Overslagbedrijf, Zandhandel en Grondverzet.

Door de enorme ruimte in de garage gaat het bedrijf ook voor derden repareren en zo wordt het in 1978 dealer voor de bedrijfswagens van Iveco. Deze werkzaamheden worden verricht onder de naam Truck Centrum Beverwijk BV. Bal van Maarten: “Ik heb dertig jaar door weer en wind naar Beverwijk gefietst. De andere chauffeurs werden vervoerd met een busje. In die periode werd er wel geklaagd, bijvoorbeeld als de jongens op elkaar moesten wachten voordat ze naar huis werden gebracht. Er zijn toen ook chauffeurs opgestapt.”

Dan overlijdt directeur Joop in 1983 en komt de volgende generatie aan bod. Bal van Pé wordt directeur en die splitst het bedrijf in verschillende onderdelen. Het bedrijf gaat vanaf 1989 verder onder de bedrijfsnamen Lute Transportbedrijf BV, Lute Aannemingsbedrijf BV en Lute Recycling BV. Voor dit laatste bedrijfsonderdeel is er een bijzondere machine aangeschaft: de ‘slagbreker’. Deze mobiele recyclingbreekinstallatie van zo’n 55 ton is de enige in Nederland en breekt grove brokken steen, gewapend beton of asfalt tot kleine kubische korrels. Voorts kan de machine verschillende materialen scheiden. De korrelmix wordt weer toegepast in de wegenbouw. Een vaste opdrachtgever is Hoogovens.

Het bedrijfsterrein wordt in 1991 anders ingedeeld. Aan de kant van de Zuiderkade wordt een kantoorpand gebouwd en het oude kantoorpand wordt verhuurd aan derden. Vanaf 1 mei 1991 is het bedrijf gevestigd op de Zuiderkade 9 in Beverwijk.

Het wagenpark in Beverwijk.
Het wagenpark in Beverwijk.

In de jaren (negentien) negentig vinden er weer veranderingen plaats. Truck Centrum Beverwijk wordt verkocht aan Tom Twisk, de chef monteur, en die gaat door onder de naam Twisk Truck Service.

Familiebedrijf

Buiten de oprichter van het bedrijf Bal Lute en zijn zonen Piet, Maarten, Gerrit, Pé, Joop en Co werkten ook van de volgende generatie familieleden in het bedrijf en met name:

– van zoon Piet:
Bal, uitvoerder;
Jan, monteur.

– van zoon Maarten:
Hennie, op het kantoor van de Hoogovens;
Bal, chauffeur;
Joop, chauffeur.

– van zoon Gerrit:
Theo, administrateur en later bedrijfswagenverkoper.

– van zoon Pé:
Bal, directeur;
Peter, boekhouding.

Bedrijf Lute verkocht aan Buko BV

Na lang wikken en wegen besluit directeur Bal Lute begin 1999 om het bedrijf te verkopen aan Buko BV te Beverwijk. Andere mogelijkheden waren om zelfstandig verder te groeien of het bedrijf op de bereikte sterkte te handhaven. Daarvoor is niet gekozen. Op dat moment werken er van de familie bij het bedrijf alleen nog Bal en Joop, zoons van Maarten. Zij gaan ook over naar Buko. De overname vindt plaats in februari 1999.

Slotwoord

Het is niet alleen het einde van de twintigste eeuw, maar ook het einde van een mooi bedrijf dat bijna zeventig jaar heeft bestaan. Wat rest zijn de foto’s en de herinneringen.

Marja Lute-Stet

Bronnen:

  • Familiearchief Lute;
  • Kamer van Koophandel.

Met dank aan: Bal van Piet Lute; Bal van Maarten Lute.

18 maart 2024

Tachtig jaar bridgen in Castricum (Jaarboek 43 2020 pg 68-70)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 43, pagina 68

Bricas, bridgeclub Castricum.
Bricas, bridgeclub Castricum.

Tachtig jaar bridgen in Castricum

Wat doe je als een groep mannen, die dagelijks gebruikmaakt van de trein, te maken krijgt met regelmatige vertragingen? Dan ga je met een aktetas op schoot samen een potje kaarten. Tenminste, zo ging dat in 1940. Toen brak het moment aan dat een van de mannen voorstelde een club op te richten. Dat was het begin van Bricas, de grootste bridgeclub in de regio. Bricas werd op 10 september 1940 opgericht en viert dit jaar het tachtigjarige bestaan.

De originele uitnodiging voor de oprichtingsvergadering.
De originele uitnodiging voor de oprichtingsvergadering in het toenmalige hotel Bakker, nu steakhouse De Buurvrouw.

De officiële oprichting vond plaats op een dinsdag als een klein protestsymbool tegen de Duitsers die Nederland sinds mei 1940 bezetten. Op dinsdag 17 september 1940 zou het Prinsjesdag moeten zijn, met de opening van de Staten-Generaal, de troonrede van de koningin en een rijtoer per koets door Den Haag. Maar nu was Nederland in handen van de Duitsers. De oprichters van Bricas, oranjegezind zoals velen destijds, kozen juist voor die datum, zodat ze de derde dinsdag van september van start konden gaan in clubverband. Tot vele jaren na de oorlog is de derde dinsdag van september de start geweest van het nieuwe seizoen.

Bestuur Bricas 1940.
Bestuur Bricas 1940. Van links naar rechts J. Teerink, C. Peters, W. Padt, G. Klaasse, B. Hopman en J. Morelis.

Het bestuur bestond bij de oprichting uit J. Teerink, C. Peters, W. Padt, G. Klaasse, B. Hopman en J. Morelis. De echtgenotes van de bestuurders Morelis en Teerink hebben tot op zeer hoge leeftijd gebridged; beiden zijn ruim zestig jaar lid geweest. De naam Bricas is een samenvoeging van bridgeclub en Castricum.


Jaarboek 43, pagina 69

Voorzitters van 1940 tot heden

1940-1952 meneer B. Hopman
1952-1952 meneer H. Broksma
1952-1955
meneer W. Wemmers
1955-1956 meneer G. Schutter
1956-1974 meneer J. de Vries
1974-1980
meneer H. Smalt
1980-1984
meneer H. Galavazi
1984-1992
meneer R. de Beer
1992-1996 meneer G. Bremer
1996-2006 meneer J. Braams
2006-2007
meneer E. Castelein
2008-2012
meneer Th. Rakké
2012- 2017
meneer Ph. Breedveld
2017- 2018
meneer E. Castelein
2019-heden
(=2020) meneer F. van Gool

Eerste drive

In het huishoudelijk reglement werd ook voorzien in een ballotagecommissie, waarmee nieuwe aanmeldingen geweigerd konden worden als ze bijvoorbeeld Duitsgezind waren. Na enige weken meldde een echtpaar zich aan, lid van de NSB. Het echtpaar werd toegelaten en bij de herenclub werden voortaan ook dames welkom. Het is niet bekend of er door de avondklok in de oorlog nog gebridget werd of dat er in die tijd gewoon te weinig leden in Castricum waren. Maar in het najaar van 1945 schoven de meeste leden weer aan en werd het spel hervat.

De uitslagen in de krant van 4 oktober 1940.
De uitslagen in de krant van 4 oktober 1940.

De eerste drive werd gehouden in wat toen café Roozendaal heette op de Dorpsstraat 75. De prijswinnaars gingen met een mud kolen, een pakje boter of een stukje kaas naar huis. Na elke speelavond werden de uitslagen gecontroleerd en de volgende ochtend afgeleverd voor plaatsing in de krant en opgehangen in de etalage van juwelier Plas in de Burgemeester Mooijstraat. De eerste bridgers kwamen al voor 9.00 uur langs om te kijken hoe ze gespeeld hadden.

Café Roozendaal.
Café Roozendaal. Links de Doorrijstal. Dorpsstraat 75 in Castriucm, rond 1960. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Bricas heeft na café Roozendaal gespeeld in café Broksma (nu Okawari), hotel Kornman (nu Bij de Buurvrouw) en sinds 45 jaar in cultureel centrum Geesterhage.

Klassenfoto van de Augustinusschool, met op de onderste rij 2e van links Meester Piet Bouwen.
Klassenfoto van de Augustinusschool, met op de onderste rij 2e van links meester Piet Bouwen. Dorpsstraat in Castricum, 1962. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Meester Bouwen van de Augustinusschool was lange tijd lid van de bridgevereniging. Tijdens de laatste periode maakte hij gebruik van een zuurstoftank in een tas, tot hij in 2002 overleed. Er wordt met plezier aan hem teruggedacht. “Het was een fijne tegenstander en hij probeerde je altijd op een leuke manier pootje te lichten. Als je tegen hem speelde en iets fout deed, zei hij steevast: ‘Ja jongen, jij hebt op de verkeerde school gezeten’. Een andere keer begon hij plotseling slecht te spelen. We keken een beetje verbaasd tot hij zei: ‘Aha, ik zie het al. Mijn zuurstoftank stond nog dicht.’ Het antwoord luidde: ‘Mooi, dan weten nu hoe we de volgende keer kunnen winnen’.

Ereleden

1952 meneer B. Hopman (+ Erevoorzitter)
1955 meneer J. Teerink
1955 mevrouw A. Teerink
1965 meneer W. Padt
1965 meneer A. van Kluyve
1984 meneer J. Morelis
1984 mevrouw H. Morelis
1995 meneer J. Bruijnse
2005 meneer R. de Beer
2013 meneer K. Gregorius

Het vijftigjarig bestaan in 1990.
Het vijftigjarig bestaan in 1990. Op de voorgrond toenmalige voorzitter Rob de Beer, direct daar achter de toenmalige voorzitter van de NBB, André Boekhorst. Hij kwam een koffertje met gouden spellen overhandigen. Dat kregen alle clubs die vijftig jaar bestonden.

Jaarboek 43, pagina 70

Gemiddelde leeftijd

In de jaren (negentien) tachtig zond de AVRO een bridgecursus uit op televisie en dit zorgde voor een enorme aanwas van bridgers. In de hoogtijdagen in de jaren (negentien) negentig had de club 375 leden en was daarmee de derde grootste club van het land. Deze aanwas zorgde ook voor een breed kader binnen de club: wedstrijdleiders, arbiters, docenten en veel vrijwilligers werden ingezet. Het aantal speelmomenten breidde zich door de jaren heen uit naar vijf. Veel spelers bridgeten op meerdere dagen en sommige ook nog bij andere clubs. In de directe omgeving waren nog vijftien bridgeclubs actief. Vroeger zag de bridgezaal blauw van de rook, maar in de loop der jaren is de rookstrijd beslecht.

De feestcommissie ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan.
De feestcommissie ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan. Van links naar rechts Loes Fris, Ans Eichhorn, Rita ten Broek, voorzitter Jan Braams en Marjan ter Laare.

Marjan ter Laare (1939) is inmiddels veertig jaar lid van Bricas en zij heeft zich altijd met veel plezier ingezet voor de club, zoals ze vertelt: “Dat begon met het uitrekenen van de scorekaartjes na het spelen, bridgelessen geven en het vervullen van diverse bestuursfuncties, waaronder die van secretaris. Mijn hoogtepunten waren echter het mede-organiseren van de jubileumdrives.”

Bricas organiseert sinds 1950 jubileumfeesten en Marjan was betrokken bij diverse lustra. Zij vervolgt: “Dat was een geweldige ervaring en toen mij later werd gevraagd dit evenement te helpen organiseren, was ik zeer vereerd. In 1995 vierden we het 55-jarig bestaan. Ik zat toen in het bestuur met Gert-jan Bremer en samen regelden wij na de middagdrive een buffet voor leden met hun partner.

In 2000 organiseerden voorzitter Jan Braams en ik met de toenmalige ‘Lief en Leed commissie’ een boottocht over de Vecht met een bridgedrive. We huurden drie Engelse bussen, waarmee de leden werden gebracht en gehaald. Op de kade in Utrecht stond een doedelzakspeler om ons te verwelkomen. Tijdens de boottocht genoten we van een lunch en een High Tea.

In 2005 vierden we het 65-jarig bestaan in Geesterhage in het bijzijn van de burgemeester. We hadden een heus casino ingericht en in de bridgezaal trad een Ierse groep op met volksmuziek.

Vijf jaar later was ik voor de laatste keer actief in het bestuur. Onder voorzitterschap van Theo Rakke maakten we de plannen voor het 70-jarig bestaan, die echter gedeeltelijk in duigen vielen; het duo dat zou optreden met bridgegrappen was op het laatste moment verhinderd en de muzikale act kwam in afgeslankte vorm. Er werd toen besloten om tijdens de lustrumdrives mensen, die veel voor de club deden, in het zonnetje te zetten met een bronzen tulp als Lid van Verdienste. In 2005 waren dat Gert-Jan Bremer en Liesbeth Aarnts. Na ons aftreden werden Theo en ik ook vereerd met deze onderscheiding.”

Spelende leden van Bricas.
Een gemiddelde speelmiddag bij Bricas. Een ieder is geconcentreerd aan het spelen en toch is het gezellig.

Op dit moment telt de vereniging 290 leden. De gemiddelde leeftijd op de bridgeclub is hoog. Het oudste lid is nu 88 en er lopen meer krasse tachtigers rond die nog op een redelijk hoog niveau strijden. In samenwerking met de Nederlandse Bridge Bond worden activiteiten georganiseerd om bridge bekender en aantrekkelijk te maken voor de jeugd. De leden van Bricas hopen ondertussen aan het tachtigjarig bestaan nog eens tachtig jaar toe te voegen, want zo wordt gesteld: ‘Bridge is een sport die de hersenen fit en actief houdt. Bridge houdt je jong’.

Gert-Jan Bremer

Bronnen:

Met dank aan: Marjan ter Laare-van den Abeele.

18 maart 2024

CasRC al vijftig jaar een bloeiende rugbyclub (Jaarboek 43 2020 pg 52-67)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 43, pagina 52

CasRC al vijftig jaar een bloeiende rugbyclub

CasRC Castricumse Rugby Club 50 jaar.
CasRC Castricumse Rugby Club 50 jaar.

De jaren (negentien) zestig worden in Castricum gekenmerkt door groei van het dorp en het ontstaan van allerlei initiatieven vanuit de bewoners. Tot dan toe wordt sport in het dorp vooral bepaald door de gymnastiek– en voetbalverenigingen, maar daar komt snel verandering in. Sinds 1968 wordt ook de rugbysport hier beoefend, waardoor ons dorp ook internationaal op de kaart is gezet.

Opgericht door Kees Kabel

In ons dorp heeft Kees Kabel het voortouw genomen om veel nieuwe sporten uit de grond te stampen. De Telegraaf van 14 september 1968 publiceert een uitgebreid artikel over deze ‘verenigingsoprichter’ waarin meer dan vijftien sportverenigingen in Castricum worden opgesomd.

Het initiatief om een rugbyvereniging in Castricum op te richten komt ook uit de koker van Kees Kabel. Op de eerste krantenoproep in november 1967 komen weinig reacties. Voorjaar 1968 zijn er maar drie spelers aan het oefenen: Piet Zonneveld, Bob Hofstee en Dirk Groot.

De spelers komen bijeen op het grasveld bij Johanna’s Hof, waar nu De Hoep staat. Het water van de ijsbaan wordt als douche na de wedstrijd gebruikt. Om spelers te ronselen gaat Kees met een auto vol voetbalschoenen en broekjes de cafés langs. Dat levert een groep jongens op die in de zomer van 1968 het rugbyteam ’De Kannibalen’ vormen.

Er zijn op dat moment maar vijftien rugbyclubs in Nederland, vooral studentenclubs en clubs in enkele grote steden. Castricum is het eerste ‘dorp’ dat zich met een eigen rugbyclub bij de Nederlandse Rugby Bond aanmeldt en vooral in het begin worden ze nogal meewarig aangesproken als bollenrapers of duinkonijnen. Maar al binnen enkele jaren wordt duidelijk dat Castricum niet meer weg te denken is van de Nederlandse rugbytop.

Zomer 1968. Eerste wedstrijd tegen RC ’t Gooi op het grasveld bij Johanna’s Hof.
Zomer 1968. Eerste wedstrijd tegen RC ’t Gooi op het grasveld bij Johanna’s Hof.

Van Kannibalen naar Castricumse Rugby Club

Uiteindelijk wordt de eerste wedstrijd in oktober 1968 gespeeld tegen ‘t Gooi op het sportveld bij Johanna’s Hof. Helaas is deze met 8-36 verloren. Theo Lute drukt de eerste try voor Castricum. Er wordt nog in verschillende T-shirts gespeeld. En ook de eerste serie identieke shirts, gekregen van de eerste clubsponsor Hovor-mode, overleven hun eerste rugbywedstrijd niet.

Later wordt de naam van de vereniging op verzoek van de NRB (Nederlandse Rugby Bond) van ’Kannibalen’ gewijzigd in ’Castricumse Rugby Club’ (CasRC). In het eerste seizoen worden vier wedstrijden gewonnen en CasRC eindigt op een zevende plaats in de C poule van de Nederlandse Rugby Bond. Tannie Doorn, de vrouw van medeoprichter Piet Zonneveld, maakt de allereerste teamfoto op 18 mei 1969 in Hilversum. De club bestaat uit zestien leden en speelt haar wedstrijden op het Kroftveld in het duin bij de Zeeweg.

De dorpsclub trekt al snel publiciteit: De Telegraaf schrijft over het initiatief en Harry Vermeegen publiceert in De Tijd een groot artikel over ’De Kannibalen’, de eerste en enige rugbyclub in de kop van Noord-Holland. De publiciteit zorgt ervoor dat er regelmatig publiek komt kijken bij de thuiswedstrijden, gevolgd door supporters die zelfs meerijden naar uitwedstrijden in heel Nederland.

Ondertussen heeft bijna elke speler ook een organisatorische taak binnen de vereniging. De club gaat steeds meer op een echte vereniging lijken. Er moet een bestuur gevormd worden en de bond wil een vaste wedstrijdsecretaris die ook telefoon thuis heeft. Iemand moet de trainingen organiseren, het vervoer, enzovoorts.

Eerste buitenlandse spelers

Langzaam dringt het besef door dat Castricum een echte rugbyclub heeft, zelfs bij het buitenlandse personeel van Fluor in Zandvoort en de Hoogovens. Diverse Engelse spelers komen zelfs in ons dorp wonen: Dennis Williams en Mike Clements spelen jaren bij CasRC en verzorgen ook de training.

Gerrit Borst.
Gerrit Borst, geheel rechts. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Gerrit Borst is de eerste voorzitter en Piet van de Schilde de eerste wedstrijdsecretaris. Als clubhuis fungeert de schuur achter de boerderij van Bram Borst aan de Alkmaarderstraatweg. Ondertussen beginnen de
(tekst loopt door op pagina 54)


Jaarboek 43, pagina 53

Mei 1969. Eerste teamfoto.
Mei 1969. Eerste teamfoto. Van boven naar beneden van links naar rechts Nico Zijlstra,
Jos Zonneveld, Ben Borst, Frans Borst, Piet Hollenberg, Frank Hack, Dick Hamel, Theo Lute, Wim Peperkamp, Martin Baltus, René Stevenhage, Kees Zonneveld, Jaime Escriva, Has Beentjes, Nico Zijp en Piet Zonneveld.
Wethouder Baltus hijst de clubvlag bij een demonstratiewedstrijd op het CSV-terrein op 30 april 1971.
Wethouder Baltus hijst de clubvlag bij een demonstratiewedstrijd op het CSV-terrein op 30 april 1971.

Jaarboek 43, pagina 54

gesprekken met de gemeente over een eigen rugbyveld met de juiste maten en over de wens van eigen kleedkamers en een clubhuis.

September 1972. Laatste wedstrijd op het Kroftveld.
September 1972. Laatste wedstrijd op het Kroftveld.

In 1970 speelt de vereniging intussen thuis nog op het Kroftveld. De toenmalige voetbalclub CSV (na fusie met SCC is dat nu FC Castricum) stelt zijn kleedruimtes beschikbaar. Bij gebrek aan een eigen clubhuis speelt de ‘derde helft’ zich nog steeds af in de Anita Bar van Siem ’Beer’ Scheerman. Daar worden vele rugbysongs uitgewisseld en de wedstrijden nabesproken onder het genot van een vloeibare consumptie. Frank Hack wordt de eerste officiële scheidsrechter van de club. Al snel is een tweede team voor de competitie ingeschreven en de eerste echte rugbyshirts komen nu uit Engeland: okergeel met één zwarte balk over de borst.

Vergeefse poging damesteam op te richten

Als eerste club in Nederland probeert CasRC in 1970 ook al vroeg een damesteam van de grond te krijgen. Een groep enthousiaste vriendinnen van spelers begint zelfs met trainingen, maar er worden helaas geen tegenstanders gevonden. De vrouwen van Amstelveen trekken zich na een eerste toezegging terug, omdat te veel van hen net zwanger zijn geworden.

Ondertussen wordt Jan Kuijpers als eerste echte trainer aangesteld. Hij gaat de club meerdere jaren trainen. Om nog meer dorpsgenoten van het rugbyspel te laten genieten wordt besloten om op Koninginnedag een demonstratiewedstrijd op het CSV-terrein te organiseren. Wethouder Baltus, vader van twee spelers, is bereid gevonden om de eerste clubvlag te hijsen, die nog met de hand door de moeder van Ben Borst is gemaakt.

Jeugdtrip naar Boisfort België in maart 1975. Van links naar rechts Mats Marcker, Evertjan Velzeboer, Fred Borst, Henk Zonneveld, Karel Pons, Wiet van Duin, Peter Marcker, Paul Visser, Lex Veen en André Marcker.

Jaarboek 43, pagina 55

In 1971 stelt de gemeenteraad 20.000 gulden krediet beschikbaar om een tijdelijk rugbyveld aan de Duinenboschweg aan te leggen. Dat is nodig omdat de club zo hard gegroeid is. Dit vooral doordat binnen CasRC, als een van de weinige verenigingen in Nederland, onder leiding van Ben Borst ook een jeugdrugbyteam is opgericht.

Buitenlandse trips

De eerste buitenlandse trip gaat met een volle bus naar de vijflandenwedstrijd Frankrijk-Engeland in Parijs. De Castricummers spelen zelf nog niet in Parijs, maar het zal niet lang meer duren of een traditie van vele tientallen trips van senioren en/of jeugd naar het buitenland ontstaat, met vele wedstrijden tegen lokale clubs.

Een andere traditie wordt gestart door Ben Borst, die het eerste Nederlands Jeugd Seven-a-side-toernooi in ons dorp organiseert. De club gaat dit meer dan 15 jaar volhouden en vele honderden jeugdteams gaan de weg naar Castricum vinden. Aan die toernooien doen soms wel tachtig teams mee en daarom is soms wel uitgeweken naar het Vitesse-complex. Het jeugd Seven-a-side toernooi is ook één keer bij ADO20 in Heemskerk gespeeld vanwege de slechte velden in Castricum.

Van Kroftveld naar Duinenboschweg

Met weemoed wordt afscheid genomen van het Kroftveld, waar de lijnen niet van kalk zijn vanwege het waterwingebied: ze moeten met touwen worden uitgezet. En de hoge steigerpalen moeten telkens opnieuw worden vastgezet aan het voetbaldoel.

Complex aan de DuinenBoschweg.
Complex aan de DuinenBoschweg.

Op 10 september 1972 wordt het veld aan de Duinenboschweg ingewijd met een wedstrijd tegen de Utrechtse Rugby Club. Ondertussen heeft de club voor 1.500 gulden een oude bouwkeet gekocht en deze is met een dieplader naar de duinrand verhuisd. Om dit te bekostigen wordt een sponsorfietstocht georganiseerd en met eigen mensen wordt het eerste clubhuis neergezet en geschilderd. Ook wordt een sponsorbosloop met 285 deelnemers georganiseerd, die 2.000 gulden oplevert.

Om de kas te vullen schrijft het eerste team zich in bij de radioquiz ’Steiger B’ van de Tros met legendarisch resultaat: ze slagen erin om niet één vraag goed te beantwoorden. Maar de stemming zit er wel goed in.

Het bestuur in augustus 1972.
Het bestuur in augustus 1972. Van links naar rechts staand Piet Hollenberg, Piet Zonneveld, oprichter Kees Kabel en Jan Kuijpers; knielend Wim Peperkamp, Ben Borst, Theo Lute en Frank Hack.

Er ontstaan meer tradities: met Pasen komen drie Engelse teams in Castricum spelen, Old Reigatians, St Nicolas Grammar School en Oxford Old Boys. Daarbij blijkt dat de ‘derde helft’ eigenlijk het belangrijkste van de hele gebeurtenis is en de clubkas goed gespekt wordt door de omzet van consumpties.

Geselecteerd voor het Nederlandse team

Een andere legendarische gebeurtenis in 1973 is de wedstrijd aan de Duinenboschweg tussen het Nederlands jeugdteam en RFC Cleve uit Bristol. Bondscoach Dennis Power heeft Castricum-speler Wim Peperkamp gevraagd om met het Nederlands jeugdteam als gastspeler mee te doen. Wim maakt in die wedstrijd zoveel indruk dat hij direct voor het officiële Nederlands Rugbyteam wordt geselecteerd. Dat maakt bij het nationale team een bijzondere indruk, omdat zijn club Castricum op dat moment niet eens in de nationale top meespeelt.

Wim Peperkamp in een interland tegen West Duitsland in oktober 1977.
Wim Peperkamp in een interland tegen West Duitsland in oktober 1977.

Wim Peperkamp is de kleinzoon van Cor Peperkamp, de dorpssmid en oprichter van de eerste voetbalclub in Castricum. Wim is vanaf het begin lid van CasRC en zeer actief betrokken bij de vereniging. Hij speelt achttien jaar in het eerste team van CasRC, van 1968 tot 1986. Hij is bestuurslid geweest en haalt zijn diploma trainer A en B. Wim is trainer/coach van de jeugd, de senioren en de dames. Hij wordt geselecteerd voor het Nederlands team


Jaarboek 43, pagina 56

en zijn eerste interland is op 2 juni 1973 in Zoetermeer tegen Polen. In totaal komt hij 54 wedstrijden voor het Nederlands team uit, waarvan 22 officiële interlands.

In 1987 wordt hij benoemd tot Lid van Verdienste van de Castricumse Rugby Club en op 18 december 2010 wordt hij door de Rugby Bond benoemd als Lid van Verdienste van de NRB.

Dit laatste heeft hij niet alleen te danken aan zijn inzet als rugbyspeler, maar ook aan zijn bijdrage als eerste rugbycoach voor het nationaal damesrugbyteam, dat op 13 juni 1982 de allereerste damesinterland ter wereld tegen Frankrijk speelt. Zijn jarenlange enthousiasme en professionele inzet als sportfotograaf voor Rugby World, persbureau ANP, de NRB en het Internationaal Amsterdam Sevenstoernooi hebben ook hiertoe bijgedragen. Tevens maakt hij deel uit van de redactieraad Van Rugby Nieuws. Wim maakt ook faam vanwege zijn uitgebreid en gedetailleerd archief van rugbyfoto’s en rugby krantenartikelen.

Er zijn vraagtekens of Wim Peperkamp die top wel aan zou kunnen. Maar na zijn eerste interland tegen Polen staat de keuze niet meer ter discussie. Wim gaat meer dan 22 officiële interlands voor Nederland spelen en de naam van Castricum is definitief niet meer weg te denken uit het nationale rugby.

Na Wim zijn in de loop der jaren meer dan tweehonderd spelers en speelsters van Castricum geselecteerd voor een nationaal (jeugd)team.

Het eerste team in november 1974.
Het eerste team in november 1974. Van links naar rechts staand Kees Schmalz, Gerard Bakker, Herman de Graaf, Dennis Wiliams, Nico Zijlstra, Peter Bakker, Mike Clements, Has Beentjes en Martin Stengs; knielend Piet Zonneveld, Wim Peperkamp, Wim Molenaar, Piet Hollenberg, Jan van Ekeren en Theo Lute.

Eerste lustrum met promotie

Het eerste lustrum wordt afgesloten met een kampioenschap en promotie naar de B-poule. Trainer Jan Kuijpers vertrekt naar Alkmaar om daar een nieuwe rugbyclub op te richten en de Engelsman Mike Clements volgt hem op. Castricum gaat zelf ook in Engeland spelen tegen Old Reigatians en Oxford Old Boys. Omgekeerd komen in het paasweekend soms niet minder dan acht Engelse teams aan de Duinenboschweg spelen.

In Glasgow speelt zich nog een mooie gebeurtenis af. Tijdens een van de vele bezoeken van buitenlandse teams aan Castricum is de clubvlag van CasRC ’meegenomen’. Normaal zou die wel zoek gebleven zijn, maar niets bleek minder waar. Als Wim Peperkamp met Nederland B tegen Schotland B moet spelen, gaan tijdens de volksliederen in het stadion drie vlaggen omhoog: Schotland, Nederland en de clubvlag van moeder Borst/CasRC!


Jaarboek 43, pagina 57

De Schotten hebben in het programma gelezen dat er een speler uit Castricum mee gaat doen, dus zij nemen zich voor om bij het diner na de wedstrijd die vlag aan Wim te overhandigen. Maar bondscoach Dennis Power heeft een reservespeler een speciale opdracht gegeven: haal die clubvlag terug en stop die in de koffer van Wim. De Schotten kunnen slechts hun excuses aanbieden, maar het stukje huisvlijt van moeder Borst wappert daarna weer in Castricum.

Eerste vrouwenwedstrijd in Nederland op 5 oktober 1974. Van links naar rechts staand Jolein Laarman, Marjan Verhage, Naomie Morriën, Chrisan Laarman, Marijke de Kool, Paul Schekkerman en Marieke Haytema; knielend Martijn Raimond, Ingrid van Santen, Marcella Nebbeling, Marlies van Elst, Hannie Betz, Agnes Lute, Ellen van Leeuwen en Frouwina Pronk.

Start damesrugby

Op 4 oktober 1974 wordt eindelijk een damesrugbywedstrijd in Castricum gespeeld. Bij gebrek aan vrouwelijke tegenstanders – er was in Nederland veel weerstand tegen vrouwenrugby, omdat het gezien werd als een ‘echte mannensport’ – hebben de vriendinnen van onze spelers zelf maar een wedstrijd georganiseerd ter gelegenheid van de opening van jongerencentrum De Bakkerij. Meiden van De Bakkerij spelen op het rugbyveld van CasRC tegen een team van de Wereldwinkel uit Castricum. Onder leiding van onze eigen bondsscheidsrechter Ben Borst wordt deze allereerste damesrugbywedstrijd in Nederland gespeeld. Het gaat nog zeven jaar duren voordat de rugbybond niet meer om de enthousiaste meiden heen kan en eindelijk ook een officiële competitie voor hen gaat organiseren.

Eerste damesteam van CasRC op 12 april 1980.
Eerste damesteam van CasRC op 12 april 1980. Van links naar rechts staand Wim Peperkamp (trainer), Liesbeth van de Boogaard, Moniek Kuys, Adria van Voorst, Joke Stengs, Wil Broekhoff, Wilma van Hal, Annelies Veldman, Myrna Rühl, Genette Brakenhoff. Nancy Coté, Cora Elbers, Syvia Houtenbosch, Yoan Borst, Yvonne van der Molen en Nel van Jelgerhuis; knielend Jolanda Joosse, Annelien Glorie, Annemiek Verhage, José Welboren, Leontien Hendriks, Nicoline van Rijn, Marcella Nebbeling, Tine Hagedoorn en Marian Verhage.

Na zes jaar met vele pogingen lukt het CasRC eindelijk om op Koninginnedag 1980 de eerste dameswedstrijd tussen clubteams te spelen tegen de vrouwen van RC Den Helder. Ook doen de vrouwen mee aan het toernooiweekend bij rugbyclub Greate Pier in Friesland. Ze winnen het eerste damestoernooi in Castricum en ze worden tweede bij het nationaal kampioenschap in Nijmegen. De vrouwen uit Castricum komen erg veel in de publiciteit op radio en televisie, in het bioscoopjournaal en in dag- en weekbladen.

Op 13 juni 1982 wordt zelfs internationaal rugbygeschiedenis geschreven vanwege de allereerste damesinterland ter wereld, die in Utrecht wordt gespeeld tussen Nederland en Frankrijk. Het Nederlands team wordt mede getraind door Wim Peperkamp. Niet minder dan zes Castricumse speelsters zijn daarvoor geselecteerd: Cora Elbers, Jacqueline van der Lem, Divera Twisk, Marga Haentjes Dekker, Leontien Hendriks en Mirjam Baars. De laatste twee speelsters halen ook nog het rugbytrainersdiploma.


Jaarboek 43, pagina 58

Improviseren

Ondertussen gaat de groei van de club gestaag door. Er worden demonstratiewedstrijden in Noord-Holland georganiseerd, bijvoorbeeld in Ilpendam en tijdens de kermis in ’t Veld, waar tot hilariteit van de toeschouwers een hoge doelpaal tijdens de wedstrijd afbreekt. In Castricum doet CasRC mee aan de carnavalsoptocht met een eigen praalwagen ‘de scrumbok’.

Het onderkomen van de Rugbyclub aan de Duin en Boschweg/Duinpad.
Het onderkomen van de Rugbyclub aan de Duin en Boschweg/Duinpad. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

De spelers improviseren rond het veld in Castricum een ’lichtinstallatie’ van oude lantaarnpalen en bouwlampen. In 1976 besluit de gemeente om verplaatsbare kleedunits voor de club aan te schaffen, omdat er nog steeds provisorisch gedoucht wordt in een keetwagen. Maar de situatie wordt steeds meer onhoudbaar door gebrekkige verlichting en slechte hygiëne. Omdat het terrein officieel nog bollengrond is en de rugby slechts tijdelijk gedoogd wordt op die plek, zijn echt goede investeringen niet toegestaan. De gemeente kan geen definitieve plaats voor de rugbyvereniging in Castricum vinden en uiteindelijk verlengt zij met tegenzin de bestaande situatie aan de Duinenboschweg voor vijf jaar. Dat betekent voor de club nog langer improviseren. Terwijl CasRC in Nederland steeds hoger gaat spelen en er aan de accommodatie meer eisen worden gesteld.

De vele publiciteit en de stijgende prestaties van CasRC zorgen er mede voor dat de gemeente besluit om verplaatsbare kleedunits aan te schaffen, om tegemoet te komen aan de onhoudbare situatie aan de Duinenboschweg.

Ben Borst haalt in 1976 zijn scheidsrechter-B-diploma en mag dan in Nederland op het hoogste niveau fluiten. In 1977 wordt voor het eerst een Engelse tegenstander in Castricum verslagen: CasRC-Harwell RFC 36-0.

De door de gemeente gekochte kleedunits worden op het terrein aan de Duinenboschweg geplaatst en dan kunnen de spelers eindelijk na tien jaar normaal douchen. Het terrein krijgt echter nog niet definitief de bestemming van sportveld, tot teleurstelling van de club, omdat zij graag verder wil investeren in haar accommodatie. Maar op sportief niveau gaat het steeds beter. CasRC bereikt de kwartfinale van het nationale Sevenstoernooi in Amsterdam. Aan het nationaal jeugd Seven-a-side-toernooi in Castricum doen inmiddels een recordaantal van 72 teams mee. Piet van der Himst komt de club versterken als speciale conditietrainer.

De zes Marcker broers, van links naar rechts Wim, Mats, Theo, Hans, Peter en André.

Familie Marcker is rugbyfamilie geworden

Hans Marcker wordt in 1974 als eerste jeugdlid van CasRC voor een nationale jeugdselectie opgesteld in een wedstrijd tegen Duitsland. Heel veel jeugdleden van CasRC gaan hem volgen.

De eerste wedstrijden worden in 1974 in Engeland gespeeld tegen Old Reigatians en Oxford Old Boys met een bezoek aan vijflandenwedstrijd Engeland-Wales in Twickenham.
Aan het jeugdsevenstoernooi van Castricum doen inmiddels Boisfort en Avia uit België mee. Wim Peperkamp haalt zijn diploma rugby-oefenmeester B.

Twee jaar later debuteert Hans Marcker voor het eerst als eigen jeugdspeler samen met Frans de Graaf in het eerste team van CasRC. De eerste ’eigen kweek’ is gerealiseerd.

In 1978 wordt Hans Marcker door de bond uitgenodigd voor een rugbystage in Engeland. De familie Marcker valt steeds meer op in Rugby Nederland. Het nationale bondsorgaan besteedt een speciaal artikel aan vader Mats Marcker met zijn zes zonen uit Castricum.

Het tweede lustrum wordt onder grote publieke belangstelling gevierd op het grasveld waar nu het gemeentehuis staat. Dertig tegen dertig spelers geven een enerverende demonstratiewedstrijd oude stijl, zoals rugby ooit ontstaan is in Engeland. De ledenaanwas zorgt ervoor dat een derde team geformeerd kan worden.

Op nieuwjaarsdag 1980 wordt een nieuwe traditie gestart met een wedstrijd tussen Jong Castricum en Oud Castricum. Medeoprichter Piet Zonneveld speelt zijn laatste rugbywedstrijd en gaat verder als wedstrijdsecretaris en als bondsscheidsrechter. In die laatste hoedanigheid mag hij op het hoogste niveau fluiten, met als hoogtepunt de interland Nederland-Zweden.

Het Coltsteam uit 1981.
Het Coltsteam uit 1981. Van links naar rechts staand John Diepeveen, Paul van de Boogaard, Jeroen van Waas, Tinus Hopman, Stef Huisman, Bart Wierenga, John Dam, Rick Verhoeven, Wiet van Duin, Ian Deaville, Michael Diepeveen en Frans Groenland; knielend Olaf Borst, Marco Martens, André Marcker, Graham Shepley, Henk Heinen, Mats Marcker, Jurgen van de Port en Paul Tol.

Talenten bij de jeugd

Ook de jeugd rugbyclub begint naam te maken in Nederland. André Marcker wordt door de bond gekozen tot jeugdspeler van het jaar en John Dam mag op stage naar Engeland. Het Colts-team wint in 1981 alles wat er voor hen te winnen valt: ze worden Nederlands kampioen, kampioen van het nationale jeugdtoernooi en nationaal kampioen Seven-a-side.

De hechte vriendenclub die dit team vormt, heeft opvallend veel super rugbytalenten in zich, die het gezicht van de club tot op heden bepalen. Onder hen Wiet van Duin, John Dam en Peter Marcker. Velen worden international voor Nederland. Ze vormen nu al jarenlang het rugbyhart van de club bij de vele kampioenschappen die zouden volgen. Later worden ze trainer en ook de vader van jeugdspelers. Zo wordt het eerste team kampioen van de promotieklasse en promoveert naar de ereklasse in Nederland.


Jaarboek 43, pagina 59

Bouwteam op politiebureau

De relatie met de gemeente is langzamerhand nogal wispelturig aan het worden. De club is meer dan teleurgesteld dat de gemeente haar geen definitieve locatie toekent. Men zit nog steeds op de tijdelijke locatie aan de Duinenboschweg, waar het veld niet aan de officiële eisen voldoet en de provisorische veldverlichting met oude bouwlampen niet verbeterd mag worden. Ze schrijft daarover een brandbrief naar de gemeenteraad. De gemeente wil vervolgens de tijdelijke gedoogconstructie verlengen en opnieuw een tijdelijk clubhuis daar toestaan. Maar die bouwvergunning voor het tweede clubhuis wordt plotseling weer ingetrokken door de gemeente.

Dit leidt ertoe dat alle vrijwilligers die met de bouw bezig zijn (zij stortten net beton voor de fundering) een avond op het politiebureau moeten doorbrengen. De gemeente wil nu ook de club beperkingen opleggen in het gebruik van haar nog te bouwen kantine, waardoor er zelfs bezwaarprocedures tot bij de Raad van State gevoerd moeten worden. Bij het derde lustrum in 1983 wordt daarom huis-aan-huis een jubileumkrant verspreid om meer druk op de gemeente uit te oefenen. Aan de Duinenboschweg wordt uiteindelijk toch het tweede tijdelijke clubhuis geopend door Henk Heinen senior, die Theo Lute als voorzitter is opgevolgd.
Op dit terrein spelen zowel de heren als de dames oefenwedstrijden tegen het Nederlands team.

Het eerste team speelt al jaren aan de top in de ereklasse en het zo begeerde Nederlands kampioenschap komt steeds dichterbij. Vooral de strijd tegen DIOK uit Leiden en regerend landskampioen Hilversum leidt tot grote publieke belangstelling vanuit Castricum. De club weet sensationeel te winnen van Hilversum, maar wordt net geen landskampioen door verlies in de slotfase van Den Haag.

Dag en nacht zelf bouwen aan nieuwe rugbyaccommodatie in 1985.
Dag en nacht zelf bouwen aan nieuwe rugbyaccommodatie in 1985.

Eindelijk naar Wouterland

De gemeente stelt uiteindelijk in 1984 voor om de rugbyclub op Noord-End te vestigen, maar komt daar ook weer op terug. Het Overlegorgaan van de Sport (toenmalige voorganger van de huidige gemeentelijke Sportraad) raakt daardoor in conflict met de gemeente over het gebrek aan besluitvorming over de rugbyclub. Ze vraagt zich zelfs af of CasRC het ongewenste kind van de Castricumse sport is: ze zijn het gesol met de vereniging beu. De gemeente besluit daarop om te gaan onderzoeken of de club naar Wouterland kan verhuizen. In maart 1985 besluit de gemeenteraad om het rugbyveld inderdaad definitief naar Wouterland te verplaatsen. In overleg met de gemeente neemt de club zelf de regie over de aanleg van het nieuwe complex.


Jaarboek 43, pagina 60

Een scrum op Wouterland.
Een scrum op Wouterland. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Club legt zelf nieuw rugbycomplex aan op Wouterland

In maart 1985 besluit de gemeente dat de rugbyclub naar Wouterland moet verhuizen. De gemeente zal de velden aanleggen en twee units beschikbaar stellen als kleedkamers. De club besluit op haar beurt echter, na overleg met de gemeente, om deze hele operatie in eigen hand te nemen en een grote accommodatie met kantine, fitnessruimte en bestuurskamer te bouwen.

Door dit alles met eigen vrijwilligers te doen wordt heel veel geld bespaard en de door de gemeente begrote bedragen komen ten goede aan de club, die ook de aanleg van de velden in eigen regie realiseert Een zeer groot bouwteam onder leiding van voorzitter Henk Heinen senior (leraar bouwkunde), Hans Marcker en Hans van Balgooi heeft 1,5 jaar bijna dagelijks aan deze hele grote klus gewerkt. Er zijn zaterdagen bij dat er meer dan veertig vrijwilligers op het bouwterrein actief zijn.

Alles, maar dan ook alles, is zelf gedaan: gravelbaan verwijderen, bomen verwijderen, grond diepspitten, toegangswegen aanleggen, nutsvoorzieningen over 300 m aanleggen, het hele clubgebouw van 40×10 meter neerzetten, veldverlichting aanleggen, doelen maken en plaatsen, enzovoorts. Dit alles onder slechts gemeentelijk toezicht, maar vooral door de enorme inzet van heel veel vrije tijd en energie van de eigen leden. Na anderhalf jaar dagelijks bikkelen kan in september 1986 het droomcomplex worden geopend. De Castricumse Rugby Club heeft eindelijk na achttien jaar een volwaardige, eigen rugbyaccommodatie, waar in de sportwereld en bij de rugbybond met trots en jaloezie naar gekeken wordt.

Ondertussen spelen zeven vrouwen van Castricum mee in de interland in Malmö en levert Castricum drie mannen in de interland tegen Duitsland. Het eerste team wordt onder leiding van coach Ben Manshanden weer tweede (runner up) in de finale om het landskampioenschap. Piet Zonneveld wordt scheidsrechter in de ereklasse en nu mag Peter Marcker op rugbystage naar Engeland. Er wordt een tweede damesteam gevormd en een vierde herenteam wordt ingeschreven voor de competitie. De dames worden zelfs Nederlands kampioen Seven-a-side-rugby.

De Castricumse Rugby Club begint in Nederland steeds meer aan de weg te timmeren; de landelijke krant NRC prijst CasRC voor het verhogen van het peil van het Nederlandse rugby.

Het terrein aan de Duin en Boschweg is vervangen door het nieuwe rugbycomplex op Wouterland.
Het terrein aan de Duin en Boschweg is vervangen door het nieuwe rugbycomplex op Wouterland.

Afscheid van de Duinenboschweg

In 1986 wordt de laatste ledenvergadering in het clubhuis aan de Duinenboschweg gehouden. Ondertussen wordt hard gewerkt aan de bouw van het nieuwe complex op Wouterland en met ingang van het seizoen 1986-1987 wordt daar voor het eerst gespeeld tegen twee Canadese teams: Stoney Creek bij de heren en The Bangees bij de dames. Wethouder Postma opent het nieuwe clubhuis. Op het openingsfeest wordt de muziek verzorgd door ’The strange hands in my pants band’, die gevormd werd door eigen spelers van de club.

De "strange hands in my pand band" op het rugbyveld
De “strange hands in my pand band” op het rugbyveld. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Het nieuwe complex wordt vol bewondering ontvangen door de Nederlands Rugby Bond en de eerste twee interlands worden aan Castricum gegund. Op de klanken van het Wilhelmus worden zowel de heren als de dames uit Zweden ontvangen met ieder vier spelers en speelsters uit Castricum. Piet Zonneveld mag daar zijn eerste interland fluiten. De wedstrijden worden op Wouterland zo spannend en door zoveel publiek bezocht dat zelfs NOS Studio Sport besluit om voor het eerst een rugbycompetitiewedstrijd op zondagavond op de televisie uit te zenden.

Mei 1987. Eindelijk Nederlands Kampioen.
Mei 1987. Eindelijk Nederlands Kampioen. Van links naar rechts staand Norbert Verhofstad, Aad Hanekamp, Erik Tabak, Hans van Oel, Paul Tol, Peter Bakker, John Dam, Peter Marcker, Peter Wopereis, Hans Marcker, Jan Beentjes, Jan Heinen en Ben Manshanden; knielend Hans van Amersfoort, Bart Wierenga, Bernd Verhofstad, Erik Gelauff, Erik van der Laan, Ben Scheerman, Sean Mallon en Mats Marcker.

Eerste landskampioenschap

In mei 1987 wordt Castricum dan eindelijk landskampioen tijdens een uitwedstrijd in Utrecht die overtuigend met 3-74 wordt gewonnen. Onder grote belangstelling van meegereisde supporters en burgemeester Schouwenaar wordt de kampioensbeker in ontvangst genomen. Het daaropvolgende feest wordt tot in de late uurtjes in Castricum voortgezet. De vele internationale contacten worden uitgebreid met de ontvangst van de Wasp ladies uit Engeland en St. Mary’s College uit Dublin. Het eerste team van Castricum gaat op zijn beurt, gekleed in clubblazers, op trip naar Frankrijk.

Het tweede landskampioenschap wordt in 1988 behaald in een memorabele thuiswedstrijd die met 15-6 van DIOK gewonnen wordt. Meer dan tweeduizend supporters langs de lijn, begeleid door een echt dweilorkest, zijn getuige van deze wedstrijd die door de NOS wordt uitgezonden. Castricum wint zelfs de nationale titel Seven-a-side-rugby met 36-12 tegen opnieuw DIOK uit Leiden.
Voor het eerst in de geschiedenis speelt Castricum, als kampioen van Nederland, tegen ASUB, de kampioen van België. CasRC wint die wedstrijd met 21-0.


Jaarboek 43, pagina 61

Het twintigjarig bestaan in 1988 viert de club onder andere door de gemeente drie rugbydoelen aan te bieden, die de club zal plaatsen op speelveldjes in Castricum en Bakkum.

Het Nederlands sevensteam wint in april 1989 in Hongkong de Bowl met zes CasRC spelers.
Het Nederlands sevensteam wint in april 1989 in Hongkong de Bowl met zes CasRC spelers. Van links naar rechts Hans Marcker, Sander Hadinegoro, André Marcker, Karel Dinkla, Mats Marcker, Dennis Power, Peter de Bruijn, Bernd Verhofstad, Marcel Eman, Bart Wierenga en Peter Marcker.

De club gaat internationaal

Op het internationale toernooi in Leiden verliest Castricum nog wel van de Franse kampioen Toulon, maar het wordt hofleverancier van de Nederlandse selecties. Niet minder dan zes spelers maken deel uit van het Nederlands Sevensteam dat in Hongkong op het grote internationale Sevenstoernooi mag spelen. Ze spelen zich internationaal sterk in de kijker door spectaculair te winnen van Italië en Spanje. Met het winnen van de Silver Bowl in Hongkong worden zij daar voorpaginanieuws.

In eigen land halen ze als eerste Nederlandse club de halve finale van het internationale Heineken-Sevenstoernooi. In de finale in Hannover verslaan ze Vilnius uit Litouwen. Thuis winnen ze van de Engelse promotieklasser Salisbury met 14-10. Maar helaas verliezen ze van Locomotiv Moskou. Maar dat zijn profspelers uit een land met 200.000 rugbyers en dat is niet te vergelijken met de nietige aantallen rugbyspelers in Nederland.


Jaarboek 43, pagina 62

Ontvangen buitenlandse teams in Castricum:

1972 Engeland
1974 België
1986 Canada
1986 Zweden
1987 Ierland
1989 Rusland
1990 Frankrijk
1992 Wales
1993 Zuid-Afrika
1995 Chili
1995 Georgië
1996 Schotland
1998 Australië
2004 Denemarken
2008 Duitsland
2013 Litouwen
2014 Nieuw Zeeland
2015 Oezbekistan
2016 Italië
2016 Spanje
2018 Roemenië

Op Wouterland wordt de derde interland gespeeld tegen rugby grootheid Frankrijk. De dames, met de Castricumse Divera Twisk in hun midden, verliezen helaas met 0-10. Onder de geuzennaam ’De Kannibalen’ spelen de veteranen van CasRC tegen een team van de Sussex Police. Na een legendarische ‘derde helft’, waarin menige consumptie met de Engelse politie wordt genuttigd, is die uitslag ’onbeslist’ gebleven.

Bloedstollend daarentegen is de finale van het grote Heineken-Sevenstoernooi tussen Castricum en de Backstabbers. Castricum verliest helaas met 8-6, waarbij André Marcker maar 50 centimeter tekort komt om de winnende try te scoren. Zijn broer Mats wordt tot de beste speler van dat toernooi benoemd. Sandra Lodewijks haalt als eerste dame haar scheidsrechtersdiploma en Divera Twisk speelt weer met Nederland voor de Worldcup in Wales.

Lief en leed rond het rugbyveld

Theo Lute neemt in 1990 het voorzitterschap van Henk Heinen over na de jaren van verhuizen en nieuwbouw. Bij de club wisselen de feesten zich af met grote persoonlijke verliezen. De club moet in hetzelfde jaar afscheid nemen van bestuurslid Mary Brouwer die aan kanker overlijdt. In 1991 sluit burgemeester Schouwenaar, op het veld tussen de palen, het huwelijk tussen Mats Marcker en Margreet Korsman.

rik van der Laan overlijdt op 1 november 1992 op het rugbyveld.
Erik van der Laan overlijdt op 1 november 1992 op het rugbyveld.

Het absolute dieptepunt doet zich voor als Eric van der Laan, speler van Castricum en het Nederlands team, op 1 november 1992 op het veld tijdens de wedstrijd tegen Hilversum, plotseling ineen zakt. De reanimatie op het veld, die al direct na enkele seconden wordt ingezet door de aanwezige arts en verzorgers, mag echter niet meer baten. Achteraf wordt vastgesteld dat Eric een fatale hartafwijking had. Hij wordt opgebaard in het clubhuis en na een indrukwekkende plechtigheid wordt hij door vele rugbyvrienden uit Castricum en de rest van Nederland op Onderlangs begraven.

Voor zijn vele verdiensten krijgt Mats Marcker senior op 4 september 1993 een koninklijke onderscheiding van burgemeester Schouwenaar.

Het bestuur CasRC in mei 1995.
Het bestuur CasRC in mei 1995. Van links nara rechts Jan Beentjes, Kees Steevens, Marina Marcker, Theo Lute, Divera Twisk, Johan Stuifbergen en Jan Feeke.

Na 25 jaar zorgen om gebrek aan opvolging

Castricum is zo succesvol dat de club zich zorgen gaat maken om het vervolg na deze bloeiende periode. Ben Manshanden stopt als coach van Castricum en als bondscoach na het wereldbekertoernooi voor Sevens in Schotland. Ook daar doen weer zes spelers van Castricum aan mee. Hans Marcker gaat met Dave Chilton samen de selectie trainen. Het 25-jarig bestaan wordt in 1993 uitgebreid gevierd met veel wedstrijden en toernooien en zelfs een


Jaarboek 43, pagina 63

zangwedstrijd. Hoogtepunt is de wedstrijd tegen Blakes RFC uit het Zuid-Afrikaanse Stellenbosch.
Naast het landelijk bekende Castricumse Jeugd-Sevenstoernooi is op initiatief van Peter Bakker ook een vriendentoernooi opgezet. Daaraan nemen vriendengroepen uit de omgeving van Castricum met maximaal twee rugbyspelers deel, om kennis te maken met de rugbysport. Vooral vanuit Heemskerk is daar grote belangstelling voor. Aan het vijfde vriendentoernooi doen 24 teams mee. Castricum gaat eigen jeugdtrainers opleiden en stuurt jeugdleden op stage naar Engeland. Na een terugval tot zeventien jeugdleden stijgt het aantal weer naar 37 jeugdspelers.

Mats Marcker is aanvoer- der van Nederland tegen Engeland in november 1998.
Mats Marcker is aanvoerder van Nederland tegen Engeland in november 1998.

Mats Marcker krijgt de eervolle uitnodiging van de FIRA om aan grote internationale toernooien deel te nemen in Punta del Este in Uruguay en Mar del Plata in Argentinië. Hij scoort tegen het Nieuw-Zeelandse team de winnende try en wint daarmee de plate. Hij speelt met de Samurais mee op het Heineken-Sevenstoernooi en wint met hen de finale. In Castricum wordt hij tot sportman van het jaar gekozen.
Zijn rugbydroom gaat in vervulling als captain van het Nederlands team tegen Engeland. Een wedstrijd die zeer ruim verloren wordt maar die hij, ondanks een gebroken pink, wel uitspeelt.

CasRC in nieuwe shirts van John Moen.
CasRC in nieuwe shirts van John Moen (opticien). Bovenste rij staand van links naar rechts John Moen, ?, Chris Kaptein, Theo de Jong, Maarten Kat, Joeri Peperkamp, Jacob Meiboom, Rob Niesten, Wiet van Duin, Alex van Timmeren, Ben Scheerman en Ton Liefting. Knielend van links naar rechts Arno Vos, Steve van Dijk, Maarten Snijder, Bart Min, Lex Muller, Henk Zonneveld, Jeroen Stuifbergen, Mark Allan en Mats Marcker. Foto Wim Peperkamp. Toegevoegd.

Ambitieus toekomstplan

In 1998 draagt Theo Lute de voorzittershamer over aan Mart Kat en onder zijn leiding wordt gewerkt aan een nieuw ambitieus toekomstplan. De club kiest ervoor om actief buitenlandse rugbyspelers naar Castricum te halen om het spelniveau van de vereniging nog meer te verbeteren. Met behulp van vele sponsors worden niet minder dan zeven spelers uit Nieuw-Zeeland gehaald. De mentaliteit van de All Blacks, de wereldkampioenen rugby, laat zich direct binnen de club voelen. Sommigen van de Kiwi’s, de bijnaam van de spelers uit Nieuw-Zeeland, vormen nu nog steeds een ware kolonie in Castricum, compleet met Castricumse vrouwen en kinderen.

Een periode van enorme verbetering van het rugbyspel bij CasRC breekt aan. Er volgen nog zes jaren waarin de Castricumse Rugbyclub Nederlands kampioen zal worden.


Jaarboek 43, pagina 64

Op 9 april 2000 wordt het kampioenschap behaald door met 29-15 van DIOK te winnen op Wouterland in een wedstrijd met 1500 toeschouwers en een dweilorkest. Ook deze wedstrijd wordt door NOS Studio Sport uitgezonden.

Renovatie sportpark Wouterland

In 2001 besluit de gemeente het sportpark te renoveren. Alle sportclubs op Wouterland protesteren tevergeefs tegen de gemeentelijke plannen om een afvaldepot voor grofvuil bij het park aan te leggen. Ondanks de daardoor ontstane krapte op het complex krijgt CasRC twee volwaardige rugbyvelden met verlichting. Maar het trainingsveld moeten ze inleveren, terwijl de hockeyclub er twee kunstgrasvelden bij krijgt. Dankzij een schenking van Bernard Shaw (een gulle gever die al jaren in Castricum woont) kan de club zelf met eigen handen een echte tribune langs het hoofdveld bouwen, waardoor de accommodatie steeds completer en publieksvriendelijker wordt.

Reüniegangers van het eerste uur in april 2002.
Reüniegangers van het eerste uur in april 2002. Van links naar rechts Nico Borst, Martin Stengs, Wim Molenaar, Marja Stet, Piet van der Schilde, Keja van der Schilde, Christin Marcker, Frank Hack, Laura van Kessel, Peter van Kessel, Lia Meijne, Anneke de Graaf, Yvonne Stadt, Wim Peperkamp, Nel van Jelgerhuis, Liesbeth Holleberg, Piet Hollenberg, Theo Lute, Ben Borst, Has Beentjes, Piet Zonneveld, Hans van Balgooi, Frans de Graaf, Herman de Graaf, Joke Stengs en Wolfgang Gnichwitz.

Op 23 april 2005 wordt er een grote reünie georganiseerd. Daar komen enkele honderden spelers en supporters uit de eerste verenigingsjaren bij elkaar. Ze halen alle herinneringen op en bezoeken plekken die verbonden zijn met spectaculaire acties van CasRC uit het verleden. Met name deze rondgang door Castricum langs legendarische plekken staat vele bezoekers ook na jaren nog bij, met als hoogtepunt de opgraving op het Kroftveld door Wim Peperkamp van ’de botten van de gesneuvelde speler’ uit Hilversum.

Castricum wint ING-cup

Niemand heeft in het begin kunnen bedenken dat het clubje uit het dorpje in de duinen zo’n grote club in Nederland zou worden met zoveel internationale contacten.
In de Europese cup speelt de club onder andere wedstrijden tegen het Franse Pont-a-Mousson en Ottignies, het Deense Frederiksberg, het Belgische Boisfort uit Dendermonde en ASUB uit Brussel. Uiteindelijk wordt door CasRC in 2005 de Europese ING-cup gewonnen.
Tijdens het EK in 2008 voor dames in Amsterdam is Castricum, met drie interlands op Wouterland, tevens gastheer voor het Franse team.

Marina Marcker.
Marina Marcker.

Binnen de vereniging wordt in 2004 Marina Marcker-Feeke benoemd tot erelid vanwege haar inzet voor de club.

Marina Marcker-Feeke (1960-2013) is meer dan 25 jaar zeer actief als vrijwilliger voor de Castricumse Rugby Club en Rugby Nederland. Via haar partner Hans Marcker komt zij in contact met de rugbysport.
Bij de CasRC vervult zij vele functies, maar zij is vooral bekend geworden als PR-functionaris en secretaris van het bestuur. Die functies heeft zij meer dan twintig jaar bekleed, waarvoor zij in 2004 wordt benoemd tot erelid.

Daarnaast heeft Marina zeer veel betekend voor de PR van de rugbysport in Nederland. Rugby Nederland heeft haar daarvoor de Hans Brian Media Award 2011 toegekend.
Zij heeft meer dan 1000 persberichten gemaakt en talloze interviews gegeven, waardoor Marina een icoon is geworden voor de PR van de rugbysport in Nederland.

Na een periode van inzinking van het damesrugby bij CasRC, waardoor er uiteindelijk zelfs geen team meer is, wordt vanaf 2004 weer met veel enthousiasme gewerkt aan een eigen vrouwenafdeling. In 2005 spelen de dames weer mee in de competitie en zelfs speelsters uit Australië en Zweden spelen bij Castricum. Ze winnen het beachrugbytoernooi van Oemoemenoe in Middelburg en doen mee aan het Ameland-toernooi en de Sevens. Ondertussen is het aantal jeugdleden bij CasRC opgelopen tot 130 jongens en meisjes. Het nationale jeugd-Sevenstoernooi wordt voor de laatste keer in Castricum gespeeld. Het verhuist naar het Nationaal Rugby Centrum in Amsterdam, omdat de twee velden in Castricum niet meer voldoende zijn voor dat toernooi.

Andere rugbyfamilies

Na de zonen Henk en Kees van oprichter Piet Zonneveld, dient zich nu met Dale Zonneveld de derde generatie zich aan. Dale weet – in opa Piets voetsporen na 40 jaar – ook zijn draai te vinden bij de jeugdafdeling van Castricum. Dankzij zijn talenten wordt hij zelfs met meerdere jeugdspelers van Castricum geselecteerd bij de nationale jeugdselecties. Hij behoort inmiddels tot de vaste krachten in de rugbytop. Van de familie Schermer uit Bakkum spelen ook drie zonen mee. Vader en moeder zitten in de organisatie van de club. Vooral de jongste zoon Roy valt op omdat hij vanaf zijn geboorte doof is. Ondanks die handicap speelt hij gewoon in de Nederlandse rugbytop mee, waar medespelers ook op het veld kunnen communiceren met gebarentaal. Hij wordt zelfs het middelpunt van speciale reportages bij de NOS en RTVNH over de integratie van gehandicapten in de sport.

Jan Beentjes met zijn vader Henk Beentjes.
Jan Beentjes met zijn vader Henk Beentjes. Zonen, kleinzonen en achterkleinzonen van Henk speelden bij CasRC.

Dat CasRC soms een echte familieclub is geworden, blijkt ook wel uit het feit dat alleen al van de familie Beentjes dertien familieleden meegespeeld hebben. De broers Jan, Anton, Theo en Jaap Beentjes vormen met hun kinderen Vincent, Kees, Tim en Matthijs, neef Frank met dochter Meike en de kleinkinderen van Jan, Wieger, Petter en Stella al jaren een harde kern van rugbyspelers.


Jaarboek 43, pagina 65

En dan de familie Wierenga. Opa Piet speelde in de jaren (negentien) zestig al rugby in het nationale team en later ontwierp hij als architect het Nationaal Rugby Stadion in Amsterdam en de clubhuizen van AAC en CasRC. Zijn beide zoons gingen ook op rugby. Bart en Bob speelden bij CasRC en Bart ging onder andere met Nederland naar de Hong Kong Sevens. Ook de kleinkinderen Pieterbob, Job, Dirk, Bart junior en Lotte werden lid van CasRC, waarvan Bart junior inmiddels bij een topclub in Frankrijk meespeelt. Bart senior is de tot nu toe laatste voorzitter van de Castricumse Rugby Club.

Onderaan de sportvelden van de Rugby club, Handbal en de Hockey Club.
Onderaan de sportvelden van de Rugby club, Handbal en de Hockey Club.

Uitbreiding clubhuis bij veertigjarig bestaan

Het veertigjarig bestaan van CasRC in 2008 wordt groots gevierd. De club publiceert een zeer dik en zwaar fotoboek over de geschiedenis van de club vanaf 1968. Er wordt een hele week vol met activiteiten georganiseerd. Onder meer Zinzane Brook, de vermaarde speler van de All Blacks uit Nieuw-Zeeland, luistert het feest op.

In de grote feesttent beëindigt een indrukwekkende Haka het achtste lustrum. De Haka is de beroemde traditionele Maori dans om de tegenstander uit te dagen. De dans wordt uitgevoerd samen met de Nieuw-Zeelandse Kiwi’s in het team van CasRC.

Niek Valk neemt in 2008 het voorzitterschap van Mart Kat over.

Voorzitters

1967-1968 Gerrit Borst
1969-1972 Frank Hack
1973-1974 Wolfgang Gnichwitz
1975-1976 Piet Zonneveld
1977-1978 Wim Peperkamp
1979-1981 Theo Lute
1982-1990 Henk Heinen senior
1990-1997 Theo Lute
1998-2001 Mart Kat senior
2002-2003 Peter Bartels
2003-2008 Mart Kat senior
2008-2012 Niek Valk
2012-2015 Graham Sheply
2016-2018 Niek Valk
2018-heden (=2020) Bart Wierenga

Willem Peperkamp, Hans van Balgooi, Frank Hak, Willem Molenaar, Niek Valk.
Op de foto van links naar rechts Willem Peperkamp, Hans van Balgooi, Frank Hak, Willem Molenaar, Niek Valk. Willem Peperkamp was de eerste Castricummer die in het Nederlands elftal speelde. Hans van Balgooi is nog steeds actief, na zijn spelers carrière, met allerlei zaken voor de club. Frank Hak was voor de gelegenheid over gekomen uit Noorwegen, daar woont hij al tientallen jaren. Hij wordt gezien als de eerste speler die de kroegen langs ging om meerdere spelers te zoeken. Willem Molenaar is lang zeer actief geweest binnen de club en is nog steeds bij veel wedstrijden aanwezig. Niek Valk is als voorzitter aangetreden in 2008 nadat Mart Kat het stokje wilde overgeven.

De club breidt in hetzelfde jaar het clubhuis op Wouterland nog verder uit. Er wordt een grote luxe keuken gebouwd met een aparte koel- en vriesruimte. De kantine wordt tweemaal zo groot en tussen het clubhuis en het hockeyveld worden twee extra kleedkamers aangebouwd. Zoals gewoonlijk wordt ook deze verbouwing uitgevoerd door een grote groep leden van CasRC.

Er breekt een periode aan waarin de vereniging geconfronteerd wordt met het verlies van mensen van het eerste uur van de club. Hans Beentjes wordt plotseling door een hartaanval getroffen en Theo Lute overlijdt onverwacht na een ernstige ziekte. Van Jan van Ekeren moet afscheid worden genomen en oprichter Kees Kabel komt te overlijden. De club wordt hard getroffen door een verkeersongeluk in Wijk aan Zee, waarbij jeugdspeler Duncan Niesten dodelijk verongelukt na terugkomst van een rugbytraining.

Regionaal Trainings Centrum

Mede op initiatief van Mats Marcker wordt gestart met een Regionaal Trainings Centrum. Dat biedt getalenteerde jeugdspelers de mogelijkheid om intensieve trainingen te volgen in combinatie met een aangepast schoolprogramma. Vanuit deze opleidingen worden met name de jeugdspelers voor de nationale jeugdteams geselecteerd. CasRC mag op 9 november 2013 op Wouterland haar achtste interland organiseren tussen Nederland en Litouwen, die door Nederland met 34-25 gewonnen wordt.

Het wereldkampioen sevensteam van de All Blacks demonstreert in juli 2014 de Haka-dans voor vijfduizend rugbyliefhebbers op Wouterland.
Het wereldkampioen sevensteam van de All Blacks demonstreert in juli 2014 de Haka-dans voor vijfduizend rugbyliefhebbers op Wouterland. Foto Hans Boot.

Wereldkampioen sevensrugby op Wouterland

Na jaren van lobbyen door Mats Marcker, die daarvoor ook drie maanden naar Nieuw-Zeeland was gegaan, lukt het hem uiteindelijk om de absolute wereldkampioen sevensrugby naar Castricum te krijgen. De All Blacks uit Nieuw Zeland blijken bereid om hun trainingsstage voor de Commonwealth Games in Schotland naar Castricum te verplaatsen.
Van 15 tot en met 21 juli 2014 komen zij naar Wouterland om zich voor te bereiden op hun trip naar Glasgow.
De rugbyclub pakt deze unieke gebeurtenis aan om een groots en publieksvriendelijk programma op te stellen, daarbij actief gesteund door een groot aantal vrijwilligers, die zich graag hiervoor in willen zetten. Na een traditioneel Maori-ontvangst met een legendarische Haka door de jeugd van CasRC is de ontvangst van officials van ambassade, regering, gemeente, rugbybond en massaal aanwezig


Jaarboek 43, pagina 66

publiek indrukwekkend. De All Blacks trainen niet alleen voor henzelf, zij verzorgen ook clinics en demonstraties voor rugbyliefhebbers uit heel Nederland.Ook de nationale en internationale pers is in grote getale aanwezig.
Op zondag zijn twee grote demonstratiewedstrijden gepland, voorafgegaan door een professioneel muziekkorps, dat een spetterende show op het veld geeft, compleet met een Haka.
Onder toezicht van ruim vijfduizend mensen mag de Castricumse Rugby Club, als regerend sevenskampioen van Nederland, onder coach Rodney Hermans, een demonstratiewedstrijd tegen de All Blacks spelen. Een evenement om nooit meer te vergeten. De All Blacks showen dat zij niet voor niets wereldkampioen zijn. De Castricumse rugbyers kunnen alleen hun respect tonen in een fraaie maar eenzijdige wedstrijd.
De All Blacks vinden de ontvangst in Castricum groots en kijken met volle tevredenheid terug op de trainingsstage in Noord-Holland.

De ambassade van Uzbekistan in Brussel benadert CasRC, kennelijk onder de indruk van de internationale publiciteit rond de trainingsstage van de All Blacks. Ze vragen of het nationale dames-Sevensteam van Uzbekistan in Castricum mag komen trainen. Opmerkelijk, omdat Uzbekistan een van de weinige islamitische landen is die een nationaal damesteam hebben. In 2015 heeft het team een week lang getraind op Wouterland met als hoogtepunt een wedstrijd tegen het Nederlands damesteam en een toernooi tegen vier andere teams, waaronder de dames van CasRC. Dat levert opnieuw internationale publiciteit op voor CasRC.

De “Nieuw Zeeland Ambassadors” te gast bij de Castricumse rugbyclub om zich voor te bereiden op het WK sevens.
De “Nieuw Zeeland Ambassadors” te gast bij de Castricumse rugbyclub om zich voor te bereiden op het WK sevens.Dit is een rugby wedstrijdvariant met 7 spelers in plaats van 15 spelers. Wouterland 18 juni 2016. Het is een invitatieteam uit heel Europa en de spelers zijn semi of prof. De Ambassadors worden ook wel gezien als opstap naar de echte grote jongens, de All Blacks. Op de foto wordt door de spelers waarschijnlijk de Ka Mate gedanst. (De Haka is een verzamelnaam voor meerdere ceremoniële dansen om onder andere hun voorvaderen aan te roepen). Nieuw Zeeland speelde tegen een samengesteld team van de beste Nederlandse seven spelers waaronder een aantal spelers uit Castricum. In de week voorafgaand op dit unieke spektakel werd er door de “Nieuw Zeeland Ambassadors” voluit getraind op sportpark Wouterland. Foto Theo Beentjes. Toegevoegd.

Rugbybond bijna failliet

Zo goed als het met de club CasRC gaat, zo slecht gaat het financieel bij de Nederlandse Rugby Bond. Eind 2014 moet het bestuur van CasRC er zeer veel tijd aan besteden om de bond van de financiële ondergang te redden. Met name dankzij de notariële deskundigheid van CasRC-voorzitter Graham Shepley wordt, tezamen met de andere rugbyclubs in Nederland, een financieel reddingsplan bedacht. Met onder meer een lening van 17.000 euro van de Castricumse Rugbyclub kan het slechte tij nog net op tijd gekeerd worden. Sindsdien doet de Bond weer pogingen om financieel gezond te worden.


Jaarboek 43, pagina 67

Groei van de rugbysport

Vooral mede dankzij de televisie-aandacht – ook in Nederland – voor de World Cup Rugby 2015 in Engeland, is de populariteit van de rugbysport in Nederland sterk gestegen. Op dit moment zijn er meer dan 11.000 spelers en speelsters van elke leeftijd vanaf drie jaar actief. Naast de vrouwen doen tegenwoordig ook meisjes intensief mee. En nog steeds levert Castricum enige tientallen jeugd- en seniorspelers en -speelsters voor de nationale selecties.

De Cas Ladies promoveren in 2018 naar de ereklasse.
De Cas Ladies promoveren in 2018 naar de ereklasse. Van links naar rechts Debbie Geurts, Brigitte Willems, Simone Kamphuijs, Lydia van Amersfoort, Lynn Koelman, Lotte Rendering, Jitske van Bruggen, Merel van Velzen, Tessa van der Brink, Martine Mooij, Linde van der Velden, Sophie Touber, Lisa Tempelaar, Hiske Blom, Inge van der Velden, Liesbeth Meijer, Anna Kat en Nathalie Admiraal. Foto Theo Beentjes.

In 2016 wordt het eerste meisjesrugbytoernooi op Wouterland gespeeld. En in 2018 promoveert het eerste damesteam naar de ereklasse. Linde van der Velde is zelfs de eerste rugbyvrouw die een semi-prof contract aangeboden krijgt van Toulouse, een van de topclubs in Frankrijk. Het wordt ook steeds gebruikelijker dat spelers uit Castricum tijdens een sabbatical gaan trainen en spelen in het buitenland, zoals in Nieuw-Zeeland, Frankrijk of Engeland.

De jubileum poster van CasRC.
De jubileum poster van CasRC. Op 1 september 2018 hield de Castricumse rugbyclub zijn 50-jarig jubileumfeest. het is op deze datum exact 50 jaar geleden dat ze zich inschreven als vereniging bij de rugbybond.

50 jaar rugby in Castricum

Met een groot feest is in 2018 het tiende lustrum (50 jaar) van de club op gepaste wijze gevierd. Niet minder dan vijf leden van het eerste uur zijn officieel bedankt voor hun inzet met een speciale herinneringsspeld. En Ben Borst wordt met zijn 77 jaar vereerd met een erelidmaatschap voor zijn inzet voor rugby in Castricum de afgelopen vijftig jaar.

Voorzitter Niek Valk overhandigt op 24 juni 2017 Ben Borst het erelidmaatschap voor vijftig jaar inzet voor CasRC.
Voorzitter Niek Valk overhandigt op 24 juni 2017 Ben Borst het erelidmaatschap voor vijftig jaar inzet voor CasRC.

Zo is de opmerking van Kees Kabel, bij de oprichting in 1968 tegen de Rugby Bond, toch echt uitgekomen: “Rugby is in Castricum niet meer weg te denken.”

Hans van Balgooi

Bronnen:

  • Foto- en krantenarchief Wim Peperkamp;
  • Jubileumboek 40 jaar Castricumse Rugby Club.

Met dank aan: Wim Peperkamp.

18 maart 2024

Met Name Castricum (Jaarboek 43 2020 pg 44-51)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 43, pagina 44

Met Name Castricum

Castricum
Het onderstaande artikel is ook leesbaar in de volledige versie.

Eerder heeft Oud-Castricum over de betekenis van de naam Castricum gepubliceerd in de jaarboeken 23 en 35. Met name het eerste deel Castr- was aanleiding te denken aan castra (legerplaats), of castor (bever) en een van de redeneringen was ‘dat het zo Latijns klinkt’. Zelden is in de betekenisgeving gelet op plaatsnamen die ook op –icum eindigen.

Naar het moment van ontstaan van deze plaatsen is niet gekeken. En naar bewijzen vanuit de archeologie al helemaal niet. In dit verhaal is gezocht in het kustgebied van de landen om de Noordzee naar plaatsnamen met -icum of -inghem. Er is daarbij gelet op volk, taal en vondsten. Zou deze werkwijze leiden tot een verklaring van die aparte naam Castricum of levert het juist meer vragen op?

Volksverhuizingen

Het spreken van talen heeft onder andere geleid tot plaatsnaamgeving om elkaar te vertellen waar en van wie het grondgebied is. De zoektocht naar de naamgeving Castricum begint met de volken die hier hun invloed hebben uitgeoefend in de eerste tien eeuwen van onze jaartelling.

Romeinen

Het Romeinse rijk kwam tot aan de Rijn, de Limes (betekent grens). In onze Noordzee-omgeving waren tussen 43 en 410 na Christus Engeland, België, Frankrijk en delen van Duitsland en Nederland bezet door de Romeinen. In vele plaatsnamen is hun taalinvloed herkenbaar aan Latijnse woorddelen als –castra dat legerkamp betekent en in Engeland is verbasterd tot –chester zoals in Winchester of –caster zoals in Lancaster. Andere Romeinse woorddelen zijn bijvoorbeeld colonia (-coln) kolonie, zoals in Keulen of Lincoln, of porta (-port) poort, portus (-port) haven, of strata (strat- of -street) zoals in Stratford. Caster en Castricum lijkt daarom een mogelijke verklaring.

Noordzee-Germanen of Ingvaeones

De Ingvaeones zijn beschreven in Tacitus boek Germania uit 98 na Christus. De Romeinen streden tegen en handelden met dit volk. De Ingvaeones behoorden tot een West-Germaanse groep met eenzelfde cultuur die langs de Noordzeekust leefde in de gebieden Jutland, Holstein, Friesland en de Deense eilanden. Naderhand werden ze de Friezen, Angelen, Saksen en Juten genoemd. Hun taal is bekend als Noordzee-Germaans en omvat Oudfries, Oudengels en Oudsaksisch. Deze taal wordt beschouwd als een groep klankverwante dialecten én als bakermat van onze Germaanse talen.

Angelen, Saksen, Juten en Friezen

Eind vierde eeuw vertelt de geschiedschrijver Eutropius dat de ‘Saxones’ van de Noord-Duitse laagvlaktes de zee tussen het vasteland en Engeland onveilig maakten. In het jaar 380 na Christus beginnen Romeinse nederzettingen aan de Engelse kust te veranderen in Saksische kustforten. De Angelen uit Sleeswijk-Holstein, Saksen uit Nedersaksen, Juten uit Yulland en sommige Friezen trokken het Britse eiland vanaf 400 na Christus binnen. Zij dreven de Keltische bevolking naar Cornwall, Wales en Schotland en stichtten tussen 550 en 1066 na Christus hun eigen koninkrijken, waaruit het Angelsaksisch Engeland is ontstaan. De Angelsaksische monnik Beda (672-735 na Christus) zag het Engels als voortkomend uit de taal van de Angelen, de Saksen en de Juten. De naam Engeland is in het Oudengels Ænglaland en genoemd naar de Angelen. Woorddelen die duiden op de Noordzee-Germaanse dialecten en herkenbaar zijn in de Nederlandse taal, zijn bijvoorbeeld burna een moeras (Borne); dun een heuvel (duinen); eg, ey en oog een eiland (Schiermonnikoog, Callantsoog); leah, -ley of -loo een open ruimte in een bos (Heiloo); tun en later town verwant met Zaun en tuin met de betekenis omheind erf.

Doordat de Romeinen langer in Brittannië bleven en hun schrijfkunst konden doorgeven, is er veel genoteerd. De monnik Beda beschrijft in zijn werk Historia ecclesiastica gentis Anglorum (Engelse kerkhistorie) de geschiedenis van het Angelsaksische volk vanaf Julius Caesar tot aan het jaar 731 na Christus. Zo weten we dat Saksen hun naam gaven aan Essex (Oost-Saksen), Wessex (West-Saksen), Sussex (Zuid-Saksen) en de Angelen veel namen achterlieten in Norfolk en Suffolk. Vooral in het gebied van de Angelen komen veel driedelige plaatsnamen voor: een persoonsnaam gevolgd door -ing en dan gevolgd door -ham. Het deel met –ing stamt van het Oudengelse -ingas en betekent ‘horend bij een persoon of volk van’. Het laatste deel -ham(-heim) of –ton (-tuin) betekent woonplaats of boerderijplaats. Bijvoorbeeld Dersingham in Norfolk is ontstaan uit Deorsige+ingas+ham en betekent woonplaats van Deorsige’s mensen. Keddington in Lincolnshire ontstaat uit Cydda+ingas+tun en betekent de boerderijplaats


Jaarboek 43, pagina 45

van Cydda’s mensen. Vele -ingham plaatsen in Norfolk en Suffolk zijn ontstaan in de vroege Angelsaksische periode (410-660 na Christus) en zijn door taal en volk verbonden.

Kaart met gebieden Salische Franken.
Kaart met gebieden Salische Franken.

Salische Franken

Vanaf ongeveer 300 na Christus trokken de Salische Franken vanuit de omgeving Groningen naar het zuiden en westen. Zij begaven zich naar het gebied in en rond de Betuwe. In 358 na Christus gaf de Romeinse keizer Julianus de Saliërs toestemming zich in het gebied te vestigen. Rond 440 na Christus trokken zij, verdreven door Saksen, naar een gebied dat nu West-Vlaanderen en Artois heet. Zij vermengden zich daar met de oorspronkelijke Keltoromaanse bevolking. Zij stichtten een koninkrijk met als centrum Tournacum of Doornik en vormden de bakermat voor het latere Merovingische Rijk. Waar zich in Vlaanderen een Frankische stamvader vestigde, ontstonden plaatsnamen met het achtervoegsel –ingem, zoals in Alveringem.

Vikingen

De Vikingen koersten vanaf 789 na Christus richting Engeland en vanaf 810 na Christus richting Nederland. Het Engelse Norfolk en Suffolk moesten zelfs gehoorzamen aan de zogenaamde Danelaw of Denenwet.

De Oudnoorse en Oudengelse taal hebben ook veel overeenkomsten. Denk aan –by met de betekenis boerderij en dorp zoals in Grimsby, gathr is een yard of een gaard, lundr is een bosje (Lunteren), thorpe is een dorp en thveit (-thwaite) is de weide (’t weid).

Tussen 856-863 na Christus waren er Denen in Kennemerland. Tijdens het bewind van Rorik van Friesland bestonden er nauwe banden tussen Engeland en West-Nederland. Wellicht zijn er in Kennemerland ook Oudnoorse en Deense taalinvloeden. Vele –inghem plaatsen worden in Engeland al genoemd voordat de Vikingen daar zijn. Ze zijn dan ook bij ons zeker niet de nalatenschap van de Vikingen …

Samengevat hebben de nagelaten plaatsnamen in het westelijk Noordzeegebied dus een oorsprong in de Keltische, Romeinse, Frankische of Angelsaksische taal. Een van deze volken heeft de naam Castricum of Castringhem en andere –inghem plaatsnamen als immaterieel erfgoed nagelaten.

Onderzoeksvragen

Welke schriftelijke bronnen zijn te raadplegen?

Om de meest oorspronkelijke betekenis van een plaatsnaam te vinden, is het belangrijk de alleroudste geschreven spelling te achterhalen. De Engelsen gebruiken daarvoor onder andere kloosteroorkonden en het Domesday Book uit 1086. In Nederland worden geschriften uit een klooster of kerk zoals de Annalen (Jaarboeken) van de Egmondse Abdij gebruikt.

De naam Castrichem in annalen van Abdij Egmond.
De naam Castrichem in annalen van Abdij Egmond.

In het jaar 993 na Christus werd de naam Castricum voor het eerst vermeld in de boeken van de Abdij van Egmond. Er wordt dan melding gemaakt van een schenking van graaf Arnulf, de zoon van Dirk II, aan de abdij van Egmond. De schenking betrof: ‘in Castrichem duas mansas excepta quarta parte unius manse’. Vertaald: één en driekwart mansa (oppervlaktemaat) gelegen in ‘Castrichem’.

Andere bronnen zijn gegevens van de plaatsnaamdeskundigen als Blok en Gysseling die informatie leveren op het gebied van taal en etymologie (waar de woorden van afgeleid zijn). En tenslotte is internet een bron.

Welke spellingsvormen heeft Castricum gehad?

Men schreef vóór 993 de naam Castricum als Castrichem, Casterchem (rond 1083), Castringhem (tot 1120), daarna als Casterkem en Kasterkem en in 1644 als Castricum. En dan zijn er ook nog vele varianten met c en k verwisseling. De middeleeuwer nam het niet nauw met de spelling. Als het gelezene maar klonk als wat men bedoelde …

Welke verklaringen heeft de naam Castricum tot op heden gehad?
Castricum is afgeleid van castra wat legerplaats betekent. Castricum zou dan in de Romeinse tijd een naam hebben gehad. Er zijn zeker archeologische vondsten uit die periode, maar nog niet van dien aard dat hier een Romeinse nederzetting zou zijn geweest. Een andere verklaring komt uit 1796 als Lieve van Ollefen schrijft dat de naam afkomstig is van de Griekse god Castor. Castors-hum is verworden tot Castercum. Ook deze verklaring zou duiden op een ontstaan in de Romeinse Tijd. In 1858 vraagt de


Jaarboek 43, pagina 46

Commissaris des Konings om opheldering over de betekenis van de naam Castricum: de Castricumse burgemeester blijft echter het antwoord schuldig. Er wordt ook gedacht dat de naam van castor fiber (bever) afgeleid kan zijn. Castricum heet dan Castorhem en zou zelfs een verlatijnsing van Bevorhem (Beverwijk) kunnen zijn. Ook Castriacum, een Gallo-Romaans dorpje in Frankrijk, zou een aanknopingspunt zijn. De uitgang is -acum en is later in taal verworden tot -ik, net als Tournacum in Doornik. De -acum plaatsen zijn van Keltische oorsprong.

Analyse van de plaatsnaam laat in ieder geval zien dat Castricum sinds het jaar 993 bestaat uit drie klankgrepen: Castrichem.
De meest recente uitleg is Castrik-heem, zoals door Simon Zuurbier wordt beschreven in Jaarboek 23.

Plaatsen met -inghem rond de Noordzee

Vanwege de kleine verschillen zijn plaatsnamen met achtervoegsel –ingham/-inghem/-gem/-ichem/-icum verzameld. Een volledige lijst met 213 -inghem namen staat op de website van Oud-Castricum. De betekenis van de eerste klankgreep wordt vermeld en indien bekend de oudste schriftelijke vermelding. De lijst laat ons beseffen dat de naam Castricum niet zo uniek is als hij klinkt. Er zijn veel klankovereenkomsten met Engelse, Noord- Franse en Vlaamse plaatsnamen.

Nederzettingen van Angelen, Saksen en Juten in circa 600 na Christus.
Nederzettingen van Angelen, Saksen en Juten in circa 600 na Christus.

De plaatsen met –ingham in Engeland

De belangrijkste namen zijn:

  • Antingham (Norfolk). De naam Antingham betekent de plaats van de mensen van Anta.
  • Birmingham (West Midlands) van de mensen van Beor.
  • Gillingham (Dorset) afgeleid van Gylla.
  • Immingham (kust bij Grimsby) van Imma.
  • Nottingham (East Midlands) van Snot.
  • Saxlingham (Norfolk) van Saksen.
Kaart met Engelse -ingham namen.
Kaart met Engelse -ingham namen.

Hierboven zes van de 53 namen. De oudste namen zoals Birmingham (660) en Immingham (679) worden genoemd in de zevende eeuw. Archeologische vondsten zijn er al uit de zesde eeuw.

Kaart met Franse inghem-namen.
Kaart met Franse inghem-namen.

De plaatsen met –inghem in Artois in Noord-Frankrijk

Het noordelijke deel van Artois (Graafschap Artesië, 2019) was heel lang Nederlandstalig. In dit gebied komen toponiemen voor met uitgang -inghem of –inghen, die in geschriften al vermeld worden in de Karolingische periode (8e tot 10e eeuw). Uit studie naar de 21 plaatsnamen in dit gebied blijkt dat Franse plaatsnaamdeskundigen de driedeling hanteren: persoonsnaam-, gevolgd door –ing (volk van) en –hem (plaats).


Jaarboek 43, pagina 47

De belangrijkste namen zijn:

  • Ebblinghem. De oudste vorm is Humbaldingahem uit 826. Verklaard als het gebied, volk van Humbald of Ebbl.
  • Eringhem van Eberso.
  • Ruminghem. Volk van Rumo.

De plaatsnamen bestaan dus al grofweg vóór het jaar 800 na Christus. Er zijn veel klankovereenkomsten tussen plaatsnamen in Noord-Frankrijk en Engeland en ook dit duidt op overeenkomst in taal en bevolkingsgroep. Bijvoorbeeld Balinghem en Ballingham; Barminghem en Birmingham.

Kaart met Belgische gem-namen.
Kaart met Belgische gem-namen.

De plaatsen in België met –inghem en –eg(h)em

De 103 plaatsen met –eg(h)em blijken in hun oudste schrijfwijze vaak een –inghem uitgang te hebben en liggen in het Nederlandstalige gebied. Veel namen worden door Belgische historici toegewezen aan de Franken. Veel plaatsen worden vermeld in geschriften uit begin negende eeuw. Belgische plaatsnaamkundigen spreken over bewoning in de vierde, vijfde, zesde en zevende eeuw. Archeologisch bewijs nemen ze echter niet mee in de plaatsnaamverklaringen.


Jaarboek 43, pagina 48

De belangrijkste namen zijn:

  • Adegem is van Addingahem uit Addinga en haim ‘woning van de lieden van Addo’.
  • Alveringem.
  • Egem van Haid, Hait of Heit.
  • Hillegem van Hildin’ (hildjō- ‘strijd’). Denk ook aan het Nederlandse Hillegom.
  • Kobbegem.
  • Nossegem.
  • Petegem van Pettingehem. Denk aan het Noord-Hollandse Petten.

Plaatsen met een oorsprong in de zesde en zevende eeuw zijn: Zomergem, Zerkegem, Wommelgem, Volkegem, Rollegem, Oudegem, Meuzegem, Markegem, Evergem en Beerlegem.

Plaatsnamen met –ik(um) of –ing(hem/um/em/hum) in Denemarken, Duitsland (kust) en Friesland

Het zou voor de hand liggen dat in het gebied waar de Angelen, Saksen, Juten, Friezen of Salische Franken vandaan komen, vele plaatsen met suffix –ingham zouden bestaan. Het tegenovergestelde blijkt: er zijn géén –inghem plaatsen. Als het land in de volksverhuizingperiode van rond 400 door emigratie leeg is, dan hebben de nieuwkomers wellicht hun naam gegeven aan de plaatsen die er nu liggen.

Kaart met Nederlandse -inhem namen.
Kaart met Nederlandse -inhem namen.

Plaatsnamen met –ik(um) of -ing(hem/um/em/hum) in Nederland

Er zijn 36 plaatsnamen gevonden en ook bij ons is de deling in (persoons)naaminghem aanwezig. Vele plaatsen duiden op een eerste vermelding in geschriften uit de elfde of twaalfde eeuw. Het ontstaan van de plaatsen wijst vaak op de vijfde tot achtste eeuw. Er zijn plaatsnamen die opvallende klankgelijkenis tonen met plaatsen in Vlaanderen, Noord-Frankrijk en Engeland. Bijvoorbeeld: Berlicum (Noord-Brabant) en Birlingham.

Enkele belangrijke namen zijn:

  • Blaricum (Het Gooi) van de persoonsnaam Bladheri.
  • Doetinchem (IJssel) van Dutto.
  • Gorcum/Gorinchem (Boven-Merwede) van Goro.
  • Petten (Noord-Holland) van Pettinghem.
  • Rodinchem (Waal).
  • Sassenheim (Zuid-Holland).
Kaart met Kennemerlandse inghem-namen.

Kaart met Kennemerlandse inghem-namen.

Plaatsen met -inghem in Kennemerland

Belangrijke namen zijn:

  • Adrichem bij Beverwijk van Adrik.
  • Hegginghem bij Santpoort-Noord of Heemskerk, afgeleid van Emeken of -heg.
  • Gisleshem tussen Velsen-Noord en Heemskerk van Gyssa.
  • Ob(b)inghem bij westzijde strandwal tussen Heiloo en Limmen.
  • Rinnegom bij Egmond: afgeleid van Rinno.

Alle -inghem plaatsen liggen bij het duin- en strandwalgebied van Kennemerlands kust.


Jaarboek 43, pagina 49

Waar liggen plaatsen met de uitgangen –ingham/- inghem/-ichem/-icum?

De overeenkomst met andere –inghem en -icum plaats- namen kan leiden tot een betekenis voor Castricum. De verspreiding van de plaatsen met klankverwantschap en specifiek met achtervoegsel -inghem levert prachtige over- zichtskaarten op. In Engeland zijn de -ingham plaatsen niet gelegen in het Saksengebied zoals Essex, Wessex en Sus- sex, maar concentreren ze zich in en rond Suffolk en Nor- folk, het Angelengebied. De Belgische en Noord-Franse –inghem namen liggen vooral aan de kust in West-Vlaanderen en Artois. Op de Nederlandse kaart liggen de –inghem namen aan de westkust tussen Den Haag en Wieringen. Het groepje -inghem namen rond de Betuwe kan het gevolg zijn van de Salische Franken die daar rond 400 na Christus hebben gewoond. Zij zijn door andere volken verder zuidwaarts gedreven richting Vlaanderen en Artois en, gelet op de -ing- hem namen aan de kust, mogelijk ook naar de Hollandse duinstreek en specifiek naar Kennemerland toe.

Zijn er in de verzamelde reeks van -inghem namen verklaringen voor de eerste klankgreep?

Gysseling denkt dat de -inghem namen zijn ontstaan in de late vijfde en zesde eeuw. Volgens Blok zou dat zijn gebeurd in de periode vanaf de zesde eeuw. In bijna alle gevallen wordt het eerste deel van de plaatsnaam verklaard als ach- ternaam, via de mannelijke lijn doorgegeven. De naam van een stamvader, leidsman van het volk uit de periode van de volksverhuizing, leidt tot de naamgeving van de plaats waar zij wonen. De voorkeur naar de oorsprong van de naamge- vers van achtervoegsel -inghem gaat inmiddels logischerwijs uit naar twee groepen: de Angelsaksen en Salische Franken.

Welke datering kan worden genoemd uit schriftelijke bronnen?

De datum van oudste vermelding wordt ‘terminus ante quem’ genoemd en betekent dat de plaats in ieder geval ouder is dan het moment dat het genoemd wordt.
Uit 993 na Christus dateert de oudste schriftelijke vermelding van Castricum. Andere -inghem plaatsen worden eerder vermeld: Birmingham in 660 na Christus, Immingham in 679 na Christus, Hillegem in 811 na Christus en Ebbinghem in 826 na Christus. Hieruit is af te leiden dat de naamgeving van de -inghem plaatsen ligt in de periode van de achtste eeuw en eerder. In Engeland is de naamgeving in ieder geval van vóór 660.

Welke dateringen kunnen worden afgeleid uit de archeologische vondsten in Kennemerlandse –inghem– nederzettingen?

Kan de beoogde ontstaansperiode van een plaats uit archeologisch onderzoek worden bevestigd?
In geschriften worden de plaatsen met uitgang -ingham, -icum voor het eerst vermeld in de vroege negende eeuw. De plaatsen zijn dus ouder dan de vermelding. Het is om deze reden van belang de periode tussen de start van de volksverhuizing en de negende eeuw in de archeologische schijnwerper te zetten.

Een indicatie voor Angelsaksische bewoning is handgemaakt én versierd aardewerk uit de vijfde eeuw. Men gebruikte voor een beter bakresultaat klei gemengd met bijvoorbeeld schelpengruis, fijn grind en in bovenstaand geval hiervoor kaf van het koren. Men treft dit aan in Vlaanderen, Angelsaksisch Engeland, Den Burg op Texel. Friesland, Groningen en Drenthe en (nog) niet in het Noord-Hollandse gebied.

Wel is in de vijfde-eeuwse strandwalnederzetting Uitgeest-Dorregeest voornamelijk ‘Frankisch’ ruwwandig draaischijfaardewerk gevonden uit Mayen in Duitsland. Dit verraadt een intensief netwerk van de bewoners met het Frankisch gebied Kennemerland via de Vecht, het Almere en het waterrijke Oer-IJ-gebied, over vaarwater goed bereikbaar als eindbestemming. Blijkbaar gingen de vijfde-eeuwse Angelsaksische volksverhuizers West-Nederland voorbij en dreven Saliërs naar het zuiden én onze kant op. Twee van de drie vroegmiddeleeuwse fibulae (mantel- of kledingspelden) uit Dorregeest kunnen als `Frankisch` bestempeld worden.

Het draaischijfaardewerk uit de vijfde, zesde en zevende eeuw is afkomstig uit het Frankische gebied en ook het type huisplattegrond (tweebeukig) uit het duingebied ’Groot Olmen’, bij Bloemendaal, kent vooral duidelijke parallellen in het zuiden. Ook hierin liggen aanwijzingen voor de herkomst van de kolonisten die het gebied in de late vijfde eeuw bevolkten.

Jan de Koning, archeoloog, schrijft: “De heemnamen Castricum en Scupildhem worden ook naamkundig in verband gebracht met Frankische persoonsnamen. Deze personen zijn al vaak in verband gebracht met zogenaamde homines franci, vrije Franken, die onder bescherming stonden van de Frankische koning.

Toekomstige opgravingen kunnen leiden tot bewijs dat vroege bewoners sterke banden hadden met de Franken, hun taal en naamgeving. Castricum zou dus heel goed een Frankische naamgever kunnen hebben?

Zijn er genetische bewijzen van de migratie te vinden in ons DNA? Is er een kans dat er in de -inghem plaatsen DNA-verwantschap is?

Er bestaat een duidelijke overeenkomst tussen DNA-materiaal uit Friesland met Denemarken 100 procent, uit Oost-Duitsland 51 procent, uit Saksen 49 procent. DNA-materiaal uit graven in Engeland uit de zesde eeuw, kort na de immigratie van de Angelen en de Saksen, vertoont een duidelijke analogie met Noord-Duitsland. Er is geen onderzoek bekend over de overeenkomst tussen Salische Franken en bevolking uit bijvoorbeeld Engeland, Noord-Frankrijk en Kennemerland.

Zijn de Angelen, Friezen, Saksen, Juten over land en/of over zee naar hun nieuwe woonoorden getrokken?

Het verhaal, volgens Beda, gaat dat de Angelen varend over de Noordzee vanuit de omgeving Sleeswijk-Holstein afkomstig zijn. Er zijn echter veel plaatsen in de omgeving van de Veluwe die het woord Angel of Engel in zich hebben zoals Engelanderholt, Engelenburg, Angerlo en Angelestein. Ook het Warnenvolk komt uit contreien van Sleeswijk-Holstein en in Gelderland liggen Warnsborn en Warnsveld.


Jaarboek 43, pagina 50

De Saksen, Angelen, Warnen en ook Chauken en Chamaven zouden de Salische Franken hebben verdreven naar het zuiden en wellicht ook richting Kennemerland. In België zijn geen plaatsen bekend met een Angelen of Warnen herkomst in de naam. Het blijft wel een aandachtspunt dat de Angelen met hun –inghem namen in Norfolk en Suffolk woonden. Is die groep dan deels wél over zee gegaan?

Welke rol hebben de Salische Franken gespeeld in de volksverhuizing?

De Saliërs vestigen zich rond de Betuwe al voordat Angelen en Saksen deze kant op komen. Rond 450 na Christus vestigen zij zich meer richting Vlaanderen en Artois. In dezelfde vijfde eeuw dringen Saksen onze kuststreek binnen. De -inghem plaatsen met een persoonsnaam ervoor, dateren uit de vijfde tot zevende eeuw. Gysseling denkt dat de -inghem namen zijn ontstaan uit een samensmelting van Angelsaksische en Frankische talen, die vervolgens naar Brabant, Holland en Engeland zijn uitgestraald of door immigratie werden verspreid.

De Salische Franken lijken dus wat betreft verblijfplaats en taal een bron te kunnen zijn voor de plaatsnaam met een -inghem achtervoegsel. Verklaring van de Kennemerlandse -inghem plaatsen kan zijn dat de Salische Franken richting Kennemerland en kust getrokken zijn vanwege, of samen mét de Angelen en Saksen. In de woongebieden van de Salische Franken vanaf 400 na Christus komen veel -inghem namen voor.

Wat kan de betekenis van Caster zijn als het een persoonsnaam is?

In de oude Noordzeetalen komt het woord kasta voor, in het Middelengels cast, in het Zweeds kasta, in het Deens kaste en in het Noordfries kastin. In Nederland bestaat kastiebal als naam voor een balspel waarbij gegooid en gevangen wordt. In het Noors betekent kaster gooien. Alle betekenissen duiden op gooien, werpen. Kaster zal de naam van een stamvader zijn geweest met de betekenis werper.

Conclusie

De -inghem namen in Kennemerland ontstaan mogelijk vanaf 450 na Christus. Als de -inghem namen het ontstaan te danken hebben aan de Salische Franken vermengd met de Angelsaksen, dan startte de -ingham naamgeving in Engeland rond 450 na Christus, toen de volksverhuizing deels migreerde naar Engeland. De plaatsnaamdeskundigen bevestigen in hun onderzoek dat nederzettingsnamen met -heem, hun naamsoorsprong vinden in de vijfde tot tiende eeuw. Plaatsnaamdeskundigen nemen aan dat stamvaders hun naam gaven aan het eerste deel van de -ingham plaatsnaam. Castricum zou ontstaan kunnen zijn uit Kaster-inghem. Kaster zou de naam van de Castricumse stamvader geweest kunnen zijn.

De schriftelijke vermelding van plaatsnamen levert voor de -inghem namen als oudste vermelding op 993 na Christus voor Castricum en 660 na Christus voor Birmingham. Uit de beweging van de volkeren en met name Salische Franken zou de naam Castricum mogelijk al in de vijfde eeuw en zeker in de zesde eeuw het licht hebben gezien.

Archeologische aanwijzingen voor bewoning in Castricum in het eerste millennium duiden op sporen uit de Late IJzertijd, de Romeinse tijd, de Merovingische en Karolingische periode. Het gaat in het kader van naamgeving om de Merovingische periode. Het ons bekende draaischijfaardewerk uit de vijfde, zesde en zevende eeuw komt uit het Frankische gebied. Of de bewoners in het Castricum van toen Salische Franken waren, lijkt aannemelijk. Het duingebied in Castricum zou op archeologisch gebied nog vele antwoorden kunnen bevatten. DNA-verwantschap vraagt nog om onderzoek bij de bevolking uit ‘Salische Franken’-gebieden en Kennemerland.

Uit de route waarlangs migratie plaatsvond kunnen twee mogelijkheden afgeleid worden voor het ontstaan van de naam Castricum.

De eerste is dat de -inghem namen zijn ontstaan in Noord-Frankrijk en in de zevende eeuw uitgewaaierd over Engeland, Kennemerland, enzovoorts.

De tweede mogelijkheid is dat de namen zijn blijven hangen ten tijde van migratie van de Salische Franken richting België en Artois en Kennemerland in de vijfde eeuw.

In combinatie met het ontbreken van Angelsaksisch aardewerk en het wel aantreffen van aardewerk uit het Rijngebied in onze omgeving, is het meest aannemelijk dat er tussen de vijfde en zesde eeuw een Frankische oorsprong is van onze plaatsnaam.

Castricum de nederzetting van de Frankische stamvader Kaster.

De voorlopige conclusie van dit onderzoek is dat Castricum, naar analogie met al die andere -inghem plaats- namen, de nederzetting is van de Frankische stamvader Kaster.

Rino Zonneveld

Bronnen

  • Blok, D. (1979). De Franken in Nederland. Haarlem.
  • De Jonge, W., Bazelmans, J., en De Jager, D. (2006). Forum Hadriani: van Romeinse stad tot monument. Utrecht: Matrijs.
  • Domesday Book. (1086).
  • Erren, H. (sd). Frankische volksverhuizing 400-440. Eigen werk.
  • Gillingham, Dorset. (2019).
  • Graafschap Artesië. (2019).
  • Gysseling, M. (1960). In Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226).
  • Gysseling, M. (1978). De geschiedenis van onze taal. Twintig eeuwen Vlaanderen, deel 9, pagina’s 12-43.
  • Hamerow, H., Hollevoet, Y., & Vince, A. (1994). Migration Period Settlements and Ánglo-Saxon’Pottery from Flanders. Medieval Archaeology, 38, pagina’s 1-18.
  • IJpelaan. (sd).
  • Koene, B., Schweitzer, F., & Morren, J. (2003). In Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen (pagina 100). Hilversum: Verloren.
  • Kol, J., Op zoek naar de oorsprong van de naam Castricum in Jaarboek 35 pagina 16.
  • Koning, J. d. (2012). De betekenis van Noord-Holland binnen vroegmiddeleeuws Frisia. It Beaken, pagina’s 3-24.

Jaarboek 43, pagina 51

  • Koning, J. d. (2016). Terug naar Dorregeest … Zaandijk: Batenburg.
  • Ockely, J. (sd).
  • Ordbog over det danske sproch. (sd).
  • Pirenne, H. (sd). Geschiedenis van België. Eerste Boek. Het Romeinsch en Frankisch tijdvak.
  • Quak-Stoilova, J. (1994, September 29). Waar komen de Friezen vandaan? NRC.
  • Volksverhuizing in de Lage Landen (Frankische_tijd). (2019).
  • Vrankrijker, A. d., & Koning, H. d. (1985, mei). De oude kerk van Blaricum. Tussen Vecht en Eem, 2(3e jaargang), pp. 53-60.
  • Vries, J. d. (1959). In Etymologisch Woordenboek. Waar komen onze woorden en plaatsnamen vandaan. Utrecht: Het Spectrum.
  • Zuurbier, S. (2000). De herkomst van de naam Castricum. Jaarboek 23 Oud-Castricum, pagina 15.