20 december 2022

Zanderij, oude duinbeek (Jaarboek 35 2012 pg 88-91)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 88

Oude duinbeek op de Zanderij

De kaart uit 1850 laat zien dat het duingebied zich uitstrekte tot de huidige Mient.
De kaart uit 1850 laat zien dat het duingebied zich uitstrekte tot de huidige Mient. Rechts is ter oriëntatie het tracé van de geplande spoorlijn ingetekend. Met de pijl wordt het gebied van de Zanderij aangegeven.

Op 20 mei 2009 vond een archeologische verkenning plaats in een bouwput gelegen aan de Duinenboschweg 28 te Castricum. Op de plaats van een gesloopte woning werd nieuwbouw gepleegd. Onder de nieuw te bouwen woning was een kelder gepland. Dit was aanleiding om hier een bijna drie meter diepe bouwput te graven. Deze situatie gaf ons een uniek kijkje op een stukje geschiedenis van de Zanderij. Het profiel van een duinbeek werd zichtbaar en getuigt van overstuivingen van rond de tiende eeuw na Christus.

In het duingebied zijn er vele duinbeken geweest om op natuurlijke wijze af te wateren naar het lagere gebied. Ook zijn er de met de hand gegraven duinrellen die dezelfde functie hadden. Dat de duinen zeer nat geweest zijn, is nog terug te vinden in toponiemen als Watervlak, Vennewater, Vogelwater, Swaensdal, Waterstall en Mareveldt.

Een commissie schetste in 1798 het volgende beeld:
Alle deeze vlakten zijn bedekt met eene meenigte van onderscheide grassen en planten, men vindt er zelfs telkens veel witte en ook roode klaver, zo dat wij van de meeste kunnen zeggen, ’t geen wij boven van de Meente op Texel verklaarden, dat zij als ongebruikte Weilanden moeten gerekend worden. Veele Greppels zijn ook door de Natuur gevormd, van welke de geenen die tusschen Noortdorp en de Beverwijk liggen haare uitloozing hebben door beekjes die na de binnenwateren vloeien. Indien dezelve slechts verbreed of tot slooten werden gemaakt, om het water betere afleiding te bezorgen; en de gronden naar behooren werden toegemaakt, zou hier eene aanzienlijke meenigte van Runder Vee zelfs, kunnen geweid worden.”

Hieruit blijkt dat het een zeer nat gebied geweest is, dat heden ten dage door grondwaterwinning en beplanting in vergelijking met vorige eeuwen een dorre boel is.

De toegenomen windactiviteit bracht vanaf de 11e eeuw grote massa’s door de zee aangevoerd zand in beweging. Het oude en tamelijk vlakke duinlandschap werd verstoven en er ontstond een hoge duinrand die zich steeds verder naar het oosten verplaatste. Uitlopers van de jonge duinen bereikten ook de dorpen Castricum en Bakkum. Pas in de 18e eeuw werd de zandzee getemd door helmaanplant en bosaanleg.

De omgeving van de opgraving; het zwarte vierkant geeft de contouren van de bouwput.
De omgeving van de opgraving; het zwarte vierkant geeft de contouren van de bouwput.

Door het afgraven van duinzand in de 19e eeuw heeft een deel van de duinrand in Castricum een heel ander aanzien gekregen en is de Zanderij ontstaan. Veel duinzand is indertijd gebruikt voor de aanleg van de spoorlijn tussen Alkmaar en Amsterdam rond 1860. Er is in het gebied twee tot acht meter hoog duin weggeschept. Op deze afgraving zal ter plaatse tuinbouw zijn bedreven. Een groot deel van de Zanderij is ook heden ten dage nog in gebruik als tuinbouwgrond, al zijn er tegenwoordig ook bedrijven en woningen te vinden.

Luchtfoto Zanderijweg
Luchtfoto Zanderijweg met huis en schuur van Arie Lute. Links boven kruispunt Mient-Ruiterweg in Castricum, 1976. Foto Pieter de Graaf. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Jaarboek 35, pagina 89

Deze afbeelding geeft de situatie van 1879 weer. Nog maar een beperkt deel van de Zanderij is afgegraven. Op een kaart uit 1900 bleek dit al wel het geval te zijn. Op alle bestudeerde kaarten is geen spoor van de gevonden duinbeek zichtbaar.
Deze afbeelding geeft de situatie van 1879 weer. Nog maar een beperkt deel van de Zanderij is afgegraven. Op een kaart uit 1900 bleek dit al wel het geval te zijn. Op alle bestudeerde kaarten is geen spoor van de gevonden duinbeek zichtbaar.

De opgraving

De verkenning is verricht in mei 2009 door Marc Harsveld van AWN Zaanstreek Waterland en Rino Zonneveld van Werkgroep Oud-Castricum en Werkgroep Oer-IJ.

In het noordelijke deel van de bouwput werd in de wand een verzande beek aangetroffen. Deze beek of duinrel tekende zich duidelijk af tegen het lichte duinzand en bleek gevuld met lagen zand. De verschillende lagen zand waren duidelijk van elkaar te onderscheiden, voornamelijk door de textuur en de kleur van de afzettingen. De situering van de bouwput bleek een gelukkig toeval, vooral omdat zowel een dwars- als een langsdoorsnede van de beek zichtbaar was.

Met name in het noordoostelijke profiel van de bouwput was een groot deel van de dwarsdoorsnede van de beek waar te nemen.
De noordwesthoek van de beek lag deels buiten de bouwput. Ongeveer tweederde deel van het dwarsprofiel van de beek kon worden gedocumenteerd. In het langsprofiel zijn de stroom- of overstuivingsrafelingen nog zichtbaar.

Op de foto zijn een dwars- en langsdoorsnede van de beek zichtbaar.
Op de foto zijn een dwars- en langsdoorsnede van de beek zichtbaar. Rechts op de foto Rino Zonneveld.

Jaarboek 35, pagina 90

Tekening van het noordoost-profiel.
Tekening van het noordoost-profiel.

De opeenvolgende grondlagen

De onderkant van de bouwput bestaat uit natte zandhoudende klei. Direct daarboven bevindt zich achtereenvolgens ongeveer 60 centimeter veenhoudende klei en ongeveer 40 centimeter verzadigd zand, dan volgt het nulpunt van het huidige NAP, daarboven ongeveer een meter aardvochtig zand en tot het maaiveld ongeveer 60 centimeter de bouwvoor.

De beek ligt in zand met fijne schelpdeeltjes die door de wind zijn afgezet. In de bovenste zandlaag zijn nauwelijks of geen schelpdeeltjes meer aanwezig. Op basis van de geomorfologie, de wetenschap die de vormingsprocessen van het landschap bestudeert, is bekend dat verstuivingen vanaf de achtste eeuw plaatsvinden.

Enkele vondsten: v.l.n.r. twee fragmenten Pingsdorf aardewerk,een stukje kogelpot en twee stukjes botschilfer.
Enkele vondsten: van links naar rechts twee fragmenten Pingsdorf aardewerk, een stukje kogelpot en twee stukjes botschilfer.

Archeologische vondsten in de duinbeek

In de beek zijn verschillende voorwerpen aangetroffen.Op de diepste plek (0 meter NAP) werden de kaak van een rund, botmateriaal en een aantal stukjes van een kogelpot uit de 8e of 9e eeuw gevonden. Ook zijn twee stukjes Pingsdorf en drie stukjes rood Andenne gevonden, waaronder een stukje lensbodem. Het aardewerk dateert uit de 12e en 13e eeuw.

Ook wat ondieper in de beek (0,4 meter boven NAP) werden stukjes Pingsdorf aardewerk, kogelpot en botschilfer gevonden.
Boven in de beek (0,9 meter boven NAP) is een gelige, grof gemagerde scherf gevonden. Dit is mogelijk de rand van een Pingsdorf baksel uit periode 1225-1250 na Christus.


Jaarboek 35, pagina 91

Wat zegt de vondst van de duinbeek over het verleden ?

De donkere cultuurlaag, die aanleiding was de bouwput beter te bekijken, is een laag veen met ingestoven zand. Of de laag door de mens bewerkt is, hebben we niet kunnen vaststellen. Het beekprofiel laat ons alsnog getuige zijn van de overstuivingen van rond de tiende eeuw na Christus. De vondsten wijzen zeker op duinbewoning hier in de periode van 1000 tot 1300 en mogelijk van de periode daarvoor. Gezien de omvang van de beek zal er veel water door gestroomd zijn. Tevens laat het zien dat de duinen zeer waterrijk zijn geweest. De beek ligt in de oude duinen en is dichtgestoven door het zand van de latere jonge duinen.

Rino Zonneveld

Literatuur:

  • Vos, P.C., R.A. van Eerden, J. de Koning, 2010: Paleolandschap en archeologie van het PWN duingebied bij Castricum.
  • Kops, J.: Tegenwoordige staat der duinen van het voormalig gewest Holland; zijnde het eerste deel van het algemeen rapport der Commissie van Superintendentie over het onderzoek der duinen. Leiden, 1798.

Dank: Met dank aan Gerard Graas voor het determineren van het botmateriaal.

Beleidsnota archeologie vastgesteld

Op 6 oktober 2011 heeft de gemeenteraad een Beleidsnota Archeologie vastgesteld. Daaraan zijn een waarden- en verwachtingenkaart en een maatregelenkaart gekoppeld.
De gemeenten hebben op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg tot taak het archeologisch erfgoed in de bodem te beschermen. Het uitgangspunt van de wet is dat archeologische waarden via ruimtelijke ordening worden beschermd. Zo kan de gemeente aan vergunningen voor ingrepen in de bodem voorwaarden verbinden om vindplaatsen te beschermen of, als dit niet mogelijk is, te laten opgraven. De beleidsnota en de kaarten dienen ertoe om het archeologiebeleid beter af te stemmen op de lokale situatie en de omstandigheden.

Aan de vaststelling van de nota is uitvoerig overleg met verschillende instanties en belangenorganisaties voorafgegaan. De Regionale Archeologische Werkgroep Oer-IJ heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld.

Castricum wordt wel een schatkamer genoemd van de archeologie in de provincie. Amateur-archeoloog Derk van Deelen en vervolgens de Werkgroep Oud-Castricum hebben zich er al vanaf de jaren (negentien) vijftig voor ingezet.

Bodemvondsten uit de eerste eeuwen worden in onze gemeente soms dicht onder het maaiveld al aangetroffen. Vandaar dat er een discussie is ontbrand over het voorstel van het gemeentebestuur een vrijstelling voor archeologisch onderzoek toe te staan tot 50 centimeter diepte. De werkgroep ‘Oer-IJ’ had graag 30 centimeter gezien voor specifieke gebieden. De monumentenraad heeft gepleit voor afstemming met de omliggende gemeenten. Uiteindelijk is de vrijstellingsgrens bijgesteld tot een diepte van 40 centimeter.

De nota met het kaartmateriaal is te raadplegen op de website van de gemeente onder het hoofdstuk Sport, Kunst en Cultuur. Uitvoerige informatie over de totstandkoming van de nota op de website van Oud-Castricum onder de taakgroep Archeologie.

20 september 2022

Victoriabeeldje (Jaarboek 34 2011 pg 4-9)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 34, pagina 4

De Victoria van Castricum

De Victoria van Castricum, voorzijde.
De Victoria van Castricum, voorzijde.

Ze lag bloot aan de oppervlakte. Hij zag meteen dat het een Romeins bronzen beeldje was. Niet mooi, maar wel nagenoeg intact. Victoria op de globe. Met een mooi patina (roestlaagje), niet te veel gecorrodeerd. Hij ging onmiddellijk naar huis om het beeldje in gedestilleerd water te leggen.

Pino Goduto uit Heemskerk, zoekt al jarenlang elke zondag met een metaaldetector naar munten. Steeds op hetzelfde perceel, een maïsveld in Castricum. Dat is zijn hobby. Hij is dan buiten, in beweging. Een fijne ontspanning na een werkweek in zijn kledingzaak. Het was maart 2009 en hij liep weer op dat perceel waar hij al zo vaak was geweest. Zijn metaaldetector had een mooi signaal gegeven. Direct pakte hij zijn schep om te gaan graven. Maar dat was niet nodig.

Pino Goduto: “Ze lag zo bloot voor mijn neus en was al schoon. Ik was stomverbaasd. Ik kwam er al jaren. Zelfs een maand daarvoor was ik er nog geweest. En had niets gevonden”.

Alsof het beeldje daar nu op hem lag te wachten. Het was ‘zijn lot’ om het te vinden. Al blijft het voor hem wel een raadsel waarom het juist toen naar boven was gekomen. Op een paar meter van de vindplaats vond hij ook nog een Romeinse munt met de beeltenis van keizer Tetricus (270-273 na Christus).

Aanvankelijk wilde hij het beeldje afstaan aan de Werkgroep Oud-Castricum. Enkele jaren eerder had hij ook een Romeinse munt geschonken, een Sestertius met Faustina, gemalin van keizer Marcus Aurelius, uit 154 na Christus En een Romeinse fibula, een mantelspeld. Beide op datzelfde perceel gevonden. Maar een collega vertelde hem dat bij Oud-Castricum zou zijn ingebroken. Daarom besloot Goduto het beeldje maar meteen op Marktplaats te koop te zetten. Achteraf spijt hem dat zeer.

Ik weet veel van Romeinse munten. Ik wist niet dat het beeldje grote historische waarde had. Het geld dat ik er voor ving is allang uitgegeven en het beeldje heb ik niet meer. Beeldje weg, geld weg. Achteraf heb ik niets meer.

Gelukkig wist de provincie Noord-Holland echter na enig speurwerk uiteindelijk de hand te leggen op het beeldje, zodat het nu ‘veilig’ is en niet zoek zal raken bij onbekende verzamelaars.

Victoria van Castricum

Het beeldje stelt de godin Victoria voor, de Romeinse godin van de overwinning. Het is van brons en heeft een hoogte van 8,5 centimeter. Haar gezicht is beschadigd, vooral aan de linkerzijde. Het hoofd is licht naar rechts gedraaid. Het haar heeft een middenscheiding en is in de nek bij elkaar gebracht. Aan de rechterzijde heeft het de vorm van een kroon. Het kledingstuk dat ze draagt is een chiton (oud-grieks kledingstuk). Dit geplooide gewaad laat de armen bloot. De rechterarm is gebogen om iets aan te reiken. Bij de elleboog is hij afgebroken. Ook de linkerarm, die langs het lichaam rust, is afgebroken, bij de pols.

De voor- en achterzijde van de chiton zijn op de rechterschouder vastgemaakt met een fibula (mantelspeld). De chiton heeft vele plooien en wordt gesloten met een ceintuur. Het gewaad bedekt de benen tot aan de enkels. Het linkerbeen staat iets gebogen naar voren. Die houding past bij de richting van de rechterarm.

De linkervoet maakt het meeste contact met de globe. Onderop de globe bevindt zich een pin, waarmee het beeldje kon worden vastgezet. Ze is zojuist van boven neergestreken. Ze heeft immers twee vleugels. Beide zijn echter afgebroken, de linker meer dan de rechter, die uit ongeveer een halve vleugel bestaat. Hier zijn naast vleugelveren ook staartveren zichtbaar.

De indruk dat zij zojuist op aarde is neergedaald, wordt versterkt door de stand van de vleugels en de wijze waarop de rechter voorvoet de globe raakt. Bovendien wappert de chiton langs haar benen aan beide zijden sterk naar buiten, terwijl de plooien daar naar achteren wijzen. Dat accentueert de afronding van de vlucht. De landingsplaats is een globe die nog voor ongeveer de helft aanwezig is en geen egaal oppervlak vertoont.

Mogelijk zijn er enkele hemellichamen op aangebracht, waarmee niet alleen de keizerlijke heerschappij van de wereld maar zelfs van het heelal zou worden verbeeld. De ontbrekende rechterhand reikte een lauwerkrans aan, het symbool van de overwinning. Het gezicht is daar naar toe gewend. De linkerhand zal een palmtak hebben omvat, die recht langs het lichaam omhoog stak en eveneens de overwinning symboliseerde.

De Victoria van Castricum, achterzijde.
De Victoria van Castricum, achterzijde.

Locatie

Het beeldje is gevonden op een groot perceel waarop maïs wordt verbouwd. Dit ligt ten zuid-oosten van Castricum, westelijk van de Heemstederweg en is het tweede perceel vanaf de spoorwegovergang.


Jaarboek 34, pagina 5

Ramon van Weenen deed onderzoek naar de inheems-Romeinse bewoning in het mondingsgebied van het Oer-IJ. Onder andere op basis daarvan kon aan dit perceel een hoge archeologische verwachting worden toegekend. Hij bekeek het perceel op een hoogtekaart en op een ‘bodemkaart van De Roo’, waarbij hem opviel dat deze plek zeer hoog ligt. Ramon stelde vast dat hier zeker scherven kunnen worden verwacht.

Verschillende instanties waren overigens bekend met de hoge archeologische waarde van dit terrein, maar een verbod om te ploegen was er niet. In zijn afstudeerscriptie vermeldt hij dat op dit perceel vaak is geploegd, onder andere op 24 september 2004. De dag daarna waren volgens hem archeologen actief met het rapen van scherven, onder andere daterend uit de late ijzertijd.

Over het gevolg van het ploegen aldaar schrijft hij: “Het enige dat men kon doen was het achteraf verzamelen van de hierdoor naar boven gewerkte scherven.
Door de bewerking van datzelfde maïsveld is zo – jaren later – uiteindelijk ook het beeldje van Victoria aan de oppervlakte gekomen.

Nike van Samothrace, Louvre.
Nike van Samothrace, Louvre.

Godin Victoria

De Romeinse Victoria lijkt in vele opzichten op de Griekse Nike (godin van de overwinning), die eveneens de verpersoonlijking was van de overwinning. Hiervan bestaat een even groot als indrukwekkend beeld van rond 200 voor Christus in het Louvre museum te Parijs. Het is de Nike van Samothrake.

Keizer Augustus met Victoria-beeldje in de hand.
Keizer Augustus met Victoria-beeldje in de hand.

Door dit beeld geïnspireerd zorgde keizer Augustus ervoor dat de godin Victoria grote bekendheid zou krijgen. Na de zeeslag van Actium en de overwinning op Antonius en Cleopatra in 29 voor Christus, liet hij uit de Zuid-Italiaanse plaats Tarente een standbeeld van de overwinningsgodin naar Rome overbrengen. Het was bijna vier meter hoog. Hij liet het uitgerekend plaatsen in de Curia Julia, in het raadhuis waar de senaat vergaderde. Daar had zij als verschijning een buitengewoon grote betekenis. Voor de vergaderingen van de senaat werden haar op een altaar offers gebracht. Naar dat grote voorbeeld zouden nog vele afbeeldingen en beeldjes worden gemaakt.

In de vierde eeuw werd het standbeeld door keizer Gratian verwijderd. Zo kwam er een formeel einde aan haar cultus. Die had heel lang geduurd, omdat ze zeer populair was onder de militairen. Aan het einde van de vierde eeuw was de gevleugelde Victoria getransformeerd tot de figuur van een engel, de tussenpersoon en boodschapper van God.

Voor de Romeinen was Victoria de godin van de overwinning. Zij sierde vele munten en gemstenen (halfedelsteen met ingegraveerde beeltenis) en werd meestal afgebeeld met een lauwerkrans in de rechter- en een palmtak in de linkerhand. Victoria wordt veel voorgesteld als een hemelse verschijning, die sierlijk neerdaalt op een globe. Aan haar kledij is te zien dat zij landt. Als een haastige boodschapster van succes. In de loop van de Romeinse keizertijd werd Victoria een geliefd symbool van macht en wereldheerschappij.

De Victoria van Fossombrone.
De Victoria van Fossombrone.

Simone Vogt (Duitse archeologe) deed gedetailleerd onderzoek naar een klein bronzen Victoria-beeldje dat was gevonden in de Italiaanse plaats Fossombrone. Zij schrijft dat veel van zulke beeldjes zich bevonden in privé heiligdommen (lararia – huiskapelletje met Romeinse godheden die het huis en het gezin beschermden). Maar vaak ook hadden standbeelden van keizers op openbare plaatsen overal in het rijk, in de rechterhand een beeldje van Victoria op de globe. De keizer, van marmer of metaal, levensgroot van formaat of nog groter, toonde zo de overwonnen wereld in zijn handpalm.

Romeinse godenbeeldjes

De Romeinse godenwereld speelde een zeer belangrijke rol in het dagelijkse leven en was zeer uitgebreid. In de tijden dat de Romeinse legers zich over grote gebieden van Europa verplaatsten, droegen de manschappen godenbeeldjes met zich mee. In of bij legerplaatsen bouwden de Romeinen vaak tempels of richtten ze altaren op om hun goden te dienen.

In de door hen veroverde gebieden maakte de inheemse bevolking, naarmate de bezetting langer duurde, ook kennis met de Romeinse goden. Buiten de grenzen van het Romeinse rijk drong de Romeinse beschaving natuurlijk minder door, zeker als de afstand tot de grenzen groter werd. Maar bekend is dat de Friezen in Romeinse legers dienst hebben gedaan en er zijn, zeker in bepaalde perioden, uitgebreide handelscontacten geweest, al is het bewijs daarvoor in Noord-Holland veel


Jaarboek 34, pagina 6

zwakker dan in de huidige provincie Friesland. Sommige Romeinse beeldjes zullen door de Friezen als inheemse goden zijn beschouwd. In ons land stelt het grootste aantal beeldjes Mercurius (Romeinse god van de handel, reizigers en winst) voor. Dan volgen Hercules, Jupiter en Apollo, die wellicht goed aansloten bij de inheemse goden Donar en Wodan.

Godinnen zijn wat schaarser, meldde Zadoks-Josephus Jitta (archeologe); zij kende een enkele naakte Venus en staande geklede figuren van Minerva en Fortuna. Wat opvalt, schrijft ze, zijn het aantal, de verscheidenheid en de verspreiding van deze beeldjes in Nederland. Maar nog meer dat zij, zeker grotendeels, uit particuliere woningen komen. Daaruit blijkt volgens haar hoe diep- en vergaand de Romeinse invloed hier is geweest, ook buiten de eigenlijke rijksgrens.

In onze streek is aan de rand van het rijk, op de plek van het Romeinse vlootstation te Velsen, in 1974 een bronzen beeldje van Hercules bibax (de drinkende) gevonden. Het is daar in de eerste helft van de eerste eeuw na Christus terechtgekomen. Zo’n precieze datering van een Romeins beeldje is uitzonderlijk.

De Victoria van Wijchen.
De Victoria van Wijchen.

Victoria’s in Nederland

Bijna alle Romeinse bronzen beeldjes uit Nederland zijn ‘losse vondsten’, waarbij de oorspronkelijke context waarin het beeldje werd achtergelaten niet bekend of niet beschreven is. Dat geldt ook voor het eerste Victoria-beeldje dat in Nederland gevonden werd: de Victoria van Wijchen. Zij is 12,7 centimeter hoog en kwam rond 1948 te voorschijn bij de aanleg van aspergebedden in de buurtschap Alverna onder de gemeente Wijchen.

De Victoria van Deventer.
De Victoria van Deventer.

De context van de vondst van het tweede Victoria-beeldje, de Victoria van Deventer te Colmschate in 2004, kon bij uitzondering wel goed worden onderzocht en gedocumenteerd. Het beeldje is 6,7 centimeter groot is en weegt 46 gram. Het kwam te voorschijn in een paalkuil die deel uitmaakte van een huisplattegrond, uit de 2e of 3e eeuw na Christus. Liggend met het gelaat naar boven werd het gevonden in de noordzijde van een paalkuil, in de lange zuidwand van het gebouw, een Germaans huis dat op een typisch Romeinse manier was gebouwd. Alles duidde erop dat het hier gaat om een bouwoffer. Daardoor hoopten de bouwers te bevorderen dat de bouw voorspoedig zou verlopen, dat het huis lange tijd mee zou gaan en ze als bouwers geen last zouden krijgen van kwade geesten. Het beeldje werd dicht bij de ingang van het gebouw aangetroffen.

Volgens Hermsen zijn uit de Romeinse tijd geen andere beeldjes bekend die als bouwoffer zijn gedeponeerd. Hij beweert dat de godin Victoria zou kunnen worden gelijkgesteld aan de vooraanstaande Germaanse (en dus ook Friese) vrouwelijke godheid Freija, de godin van huwelijk en liefde. Het beeldje kan zijn geofferd om over de huiselijke vrede te waken. Ook als de bezitter van het beeldje de antieke betekenis van Victoria niet kende, was volgens Hermsen de keuze om het als bouwoffer te gebruiken, begrijpelijk. Want naast haar rol als overwinningsgodin, zo stelt hij, treedt Victoria ook wel op als de godin die garant staat voor het welslagen van een onderneming, in dit geval bij Colmschate, de bouwonderneming.

Victoria’s in het buitenland

En zijn overeenkomsten tussen de Victoria’s van Wijchen, Deventer en Castricum, maar ook duidelijke verschillen. Zo heeft de Victoria van Castricum grotere vleugels, en veel meer details en dynamiek. De andere ‘engelen’ staan met beide voeten vast op de aarde. Daarom werd het interessant om na te gaan of er ook Victoria-beeldjes in het buitenland zijn gevonden met misschien nog treffender gelijkenis. Het British Museum antwoordde desgevraagd


Jaarboek 34, pagina 7

dat zich in zijn collectie vijftien Victoria-beeldjes bevinden, waarvan er enkele veel op de Victoria van Castricum lijken. Volgens Emma Durham, van Reading University, die onderzoek doet naar Romeinse beeldjes, zijn dat de Victoria van Lydney en die van Corbridge.

La Victoire d’Alès.
La Victoire d’Alès.

In de Zuid-Franse plaats Alès werd op 4 mei 1853 een Victoria-beeldje zonder sokkel gevonden te midden van talloze Romeinse munten uit de tweede eeuw na Christus. Later ontdekte men op dezelfde plek, maar veel dieper, de bijbehorende sokkel. De Villefosse (conservator Frans museum) vermeldt ook andere in Frankrijk gevonden beeldjes, maar niet een met zoveel allure en zo uitzonderlijk goed bewaard gebleven als die van Alès.

De Victoria van Xanten.
De Victoria van Xanten.

Ook in Duitsland, in de Romeinse stad Xanten, is een Victoria-beeldje gevonden, dat in zeer goede staat verkeert. Zo klein als het is, neemt het in het Romeinse museum van Xanten een centrale plaats in.

De Victoria van Lechenich.
De Victoria van Lechenich.

Verder is ook uit de plaats Lechenich een Victoria-beeldje bekend dat overeenkomsten vertoont met dat van Castricum. Voor zover nu bekend geeft de Victoria van Xanten wel het beste voorbeeld van de oorspronkelijke gedaante van de Victoria van Castricum. De stand en grootte van de vleugels is hetzelfde, evenals de houding van de rechterarm en de stand van de voeten op de globe. Wel zijn er ook hier verschillen in haardracht en kledij. De Victoria van Castricum gaat verzorgder gekleed en had voor de landing ook meer snelheid. Vanwege de gelijkenis met het beeldje in Xanten zou de Victoria van Castricum als 2e eeuws kunnen worden gedateerd.

Nederzettingen in de Oosterbuurt

Met de vondst van het Victoria-beeldje, is een belangrijk element toegevoegd aan de rijke archeologie van Castricum en in het bijzonder die van de Oosterbuurt. Daar werden bij de opgraving in 1995-1996 bewoningssporen gevonden uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen.

Er was een nederzetting uit de periode van circa 260-330 na Christus, die bestond uit ten minste twee boerderijen met bijgebouwen en een klein grafveld. In een van de paalkuilen van een boerderij uit 272 na Christus werd een gouden Keltische munt aangetroffen, geslagen rond 50 voor Christus. Dit was vermoedelijk een bouwoffer. Ook vond men het graf van een vrouw uit de 4e eeuw. Door gebruik te maken van haar schedel kon een gezichtsreconstructie worden vervaardigd die de naam ‘Hilde’ kreeg. Haar nederzetting ligt vlak bij het gebied tussen de Uitgeesterweg en de Heemstederweg, waar later de middeleeuwse kasteelplaats Cronenburg zou worden ontwikkeld.

Op een stroomrug bevinden zich hier cultuurlagen van diverse inheemse nederzettingen uit de late ijzertijd, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen. Een groot deel van dit gebied, dat vanaf ca. 200 v. Chr. werd bewoond, verkreeg op 18 februari 2003 de status van ‘eerste provinciaal archeologisch monument van Nederland’. En daar bleef het niet bij: in 2010 werd ook de ‘Geest van Heemstede’ provinciaal archeologisch monument. Op dit terrein is direct onder de bouwvoor een middeleeuwse akkerlaag aangetroffen en op een diepte van 50 cm een cultuurlaag uit de Romeinse tijd. Het ligt dicht bij de vindplaats van Victoria, aan de oostkant van de Heemstederweg.


Jaarboek 34, pagina 8

Opmerkelijke vondst

Van alle in Nederland gevonden en gedocumenteerde Romeinse godenbeeldjes zijn de Victoria-beeldjes wel heel bijzonder. Het zijn er maar drie, die bovendien nogal van elkaar verschillen.

De Victoria van Castricum is echter zonder meer het mooist. Het is niet compleet of het meest gaaf. Maar door de vormgeving en detaillering komt het wel het dichtst bij de voorstelling van de Victoria van Samothrake. De Victoria van Wijchen werd ten zuiden van de grens van het Romeinse rijk ontdekt. De beeldjes van Deventer en Castricum zijn ten noorden van de rijksgrens gevonden.

In de eerste helft van de eerste eeuw na Christus behoorde Noord-Holland vermoedelijk tot het Romeinse Rijk. In de periode daarna, tot aan het instorten van het Romeinse rijk in de 5e eeuw, lag Noord-Holland buiten het rijk en kwamen er slechts mondjesmaat Romeinse goederen in onze provincie. Economisch en sociaal zal er van de Romeinen geen of nauwelijks invloed zijn geweest.

Des te opmerkelijker is dit gevonden beeldje van Victoria. Voor Romeinse soldaten moet een Victoria-beeldje wel iets heel bijzonders zijn geweest: een godin, een vrouw, prachtig vormgegeven, dynamisch en levendig, van metaal dat een gouden glans had.

Voor de Friezen moet het al helemaal een hoogst waardevol en begerenswaardig object zijn geweest. Met zulke kunst van metaal waren ze immers niet vertrouwd, zeker niet met beeldjes, laat staan van godinnen. Bijzondere objecten, zoals bijvoorbeeld stenen, spijkers of schelpen werden door de Friezen vaak ritueel geofferd.

Locaties: opgraving Oosterbuurt (1996), Cronenburg (2003) en vindplaats Victoria (2009).
Locaties: opgraving Oosterbuurt (1996), Cronenburg (2003) en vindplaats Victoria (2009).

Oorspronkelijke omstandigheden

De bezitter van het Victoriabeeldje woonde in het mondingsgebied van het Oer-IJ op een land aan de weg die later Heemstederweg zou heten. Hij zal een zeer voorname Fries geweest zijn die in het leger had gediend en als erkenning het beeldje had ontvangen. Of hij was een Fries die als fortuinlijk handelaar het beeldje had gekocht of door ruil had verkregen. Hij kan het beeldje ook hebben buitgemaakt op een plundertocht.

De oppervlaktevondst roept vele vragen op: Was het beeldje bij de ingang van zijn nieuw gebouwde woning in de grond gedeponeerd als bouwoffer? Zoals ook bij de buren was gedaan met een gouden Keltische munt. Was deze plek in het Oer-IJ-gebied zo bijzonder dat het begrijpelijk is dat daar een vooraanstaande Fries woonde? Of werd het beeldje, zoals de Romeinen deden, door hem vereerd, maar dan als zijn eigen godin Freija?

We zullen het nooit meer te weten komen, omdat de omstandigheden waarin het beeldje is achtergelaten, zijn verwoest door de maïsteelt. Als die archeologische context in tact was gebleven, dan had het beeldje, mocht daar aanleiding voor zijn geweest, zorgvuldig opgegraven kunnen worden.

Gesteld dat dit dan onvermijdelijk zou zijn geworden. Dan zouden met de vondst van Victoria, in haar eigen cultuurlaag, in een nederzettingsspoor, op haar eigen plekje in de bodem, veel meer verhalen vrij zijn gekomen. Verhalen die in onze tijd door grondbewerking zijn vernietigd. In dit geval, op deze locatie, heeft de maïsteelt een deel van het bodemarchief vernietigd.


Jaarboek 34, pagina 9

Toekomst

Aan de Victoria van Castricum kan in de toekomst nog veel onderzoek worden gedaan. Onderzoeksvragen zijn bijvoorbeeld: Op welke van de in het buitenland gevonden Victoria-beeldjes lijkt dat van Castricum het meest? Kan uit vergelijking daarmee een nauwkeuriger datering volgen? Hoe is het beeldje vervaardigd? Van welk materiaal is het gemaakt? Is de herkomst van het gebruikte metaal na te gaan? Is het wel eens hersteld?

Hoe dan ook: het Victoria-beeldje zal straks een prominente plek krijgen in het nieuwe Archeologische Informatiecentrum, dat de provincie Noord-Holland nabij het station van Castricum ontwikkelt. Een plek die een godin waardig is. Inderdaad een prachtig signaal: Godin Victoria is terug op aarde, in Castricum. Zij is neergedaald in de lokale archeologie. Met evenveel gratie als opzien. Hoe klein ze ook is.

Hans van Weenen

Bronnen:

  • Durham, E., Persoonlijke communicatie, 17 mei 2011.
  • Elzinga, G., ‘Romeinse bronzen beeldjes in het Fries Museum’, de Vrije Fries. LXVII, 1987.
  • Hermsen, I., ‘De Victoria van Colmschate-Skibaan: een Romeins godenbeeldje als bouwoffer’, In: Overijssels Erfgoed. Archeologische en Bouwhistorische Kroniek 2003.
  • Hölscher, T., ‘Victoria Romana’, Mainz, 1967.
  • Lendering, J. en Bosman, A., ‘De rand van het Rijk. De Romeinen en de Lage Landen’, Amsterdam 2010.
  • Lith, S.M.E. van, ‘Een bronzen beeldje van Hercules bibax uit Velsen’, Westerheem, 32, 1983.
  • Menzel, H., ‘Die römische Bronzen aus Deutschland’, Band III, Bonn, 1986.
  • Peters, W.J.T., ‘De Victoria van Wychen’, In: Hermeneus 36 (1965).
  • Roo, H.C. de, ‘De bodemgesteldheid van Noord-Kennemerland’, Stichting voor Bodemkartering, Wageningen, 1953.
  • Villefosse, A.H. de, ‘Petite Victoire en bronze découverte dans les environs d’Alais (Gard)’, In: Comptes-rendus des séances de l’Académie des inscriptions et Belles-Lettres, 58e année, Numéro 6, 1914.
  • Vogt, S., ‘Siegesgöttin in Kaisers Diensten. Die Victoria von Fossombrone’. Staatliche Museen Kassel, 2004.
  • Weenen, R.D. van, ‘Inheems-Romeinse bewoning in het mondingsgebied van het Oer-IJ’, afstudeerscriptie Vrije Universiteit, Amsterdam, 2005.
  • Zadoks-Josephus Jitta, A.N., Peters, W.J.T., en Es, W.A. van: ‘Roman bronze statuettes from The Netherlands II. Statuettes found South of the Limes’, 1969.
  • Zadoks-Josephus Jitta, A.N., ‘Romeinse bronzen beeldjes uit Nederland’, De Romeinen in België en Nederland, Hermeneus, Tijdschrift voor antieke cultuur, nummer 52, 2, Den Haag, 1980.


5 september 2022

Archeologisch depot naar Castricum (Jaarboek 33 2010 pg 64-65)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 33, pagina 64

Provinciaal archeologisch depot naar Castricum

Schets van het archeologisch depot.
Schets van het archeologisch depot.

De provincie Noord-Holland beheert een archeologisch depot, waar archeologische vondsten uit de hele provincie worden bewaard. Het is gevestigd in het gebouw Mercurius in Wormerveer. De Werkgroep Oud-Castricum heeft daar ook veel vondsten ondergebracht. Het ziet er nu naar uit dat het materiaal weer naar Castricum terugkomt.

Vorig jaar verscheen het bericht in de kranten dat de provincie van plan is een nieuw depot te bouwen en dat Castricum als nieuwe vestigingsplaats is gekozen. Er zijn vier locaties bekeken en de plaats ten westen van het NS-station bleek het meest geschikt. De komst van een dergelijk instituut naar Castricum is natuurlijk geweldig nieuws. We maakten een afspraak met de provinciaal beleidsadviseur voor archeologie en cultuurhistorie, de Castricummer Rob van Eerden.

In ons gebouw aan de Geversweg vroegen we hem om de plannen toe te lichten.
Rob van Eerden: Het gebouw waar het depot nu is gevestigd wordt te klein, het ligt te ver van het openbaar vervoer en het heeft geen specifieke publieksruimte. Vanwege het vele glas in het gebouw loopt de temperatuur snel op en ‘s nachts daalt die weer snel. Het enorme fluctueren van de temperatuur is niet goed voor de kostbare vondsten. Onder meer worden er straks twee grote prehistorische kano’s bewaard van 8 meter lang. Besloten is naar een nieuw gebouw te gaan. Daar speelt ook in mee dat er toenemende belangstelling is voor historie en archeologie en in een nieuw gebouw zouden grotere groepen mensen kunnen worden ontvangen. Het is zeker de bedoeling ook vondsten te exposeren, al wordt het geen museum.
Het woord depot is eigenlijk niet het goede woord voor het nieuwe gebouw; ‘archeologisch informatiecentrum’ dekt de lading beter.
Het is de bedoeling om de informatie zowel voor de specialist als voor de gewone belangstellenden toegankelijk te maken. We willen dat het gebouw ook beschikbaar is om onderzoek te doen.

Zijn er al ideeën over het ontwerp van de nieuwbouw?

Rob van Eerden: “We zijn bezig met een aantal scenario’s en er zijn wat schetsontwerpen gemaakt. Het zal aan de zuidwest kant voor een deel onder de grond in een duin worden verwerkt, waar de bodemvondsten toch vandaan komen. Bovendien kunnen klimaatschommelingen op die manier beter worden opgevangen. De publiekskant komt meer aan de noord/noord-oost kant. Bij de entree zullen wat topvondsten worden getoond. Je loopt langs het gebouw in de richting van de duinen. Een horecavoorziening is zeker ook een mogelijkheid.”


Jaarboek 33, pagina 65

We hebben gehoord dat het oorspronkelijke idee was om samen te bouwen met het Clusius College en met Landschap Noord-Holland;
Het Clusius College is al in een eerder stadium afgehaakt en recent werd bekend dat ook Landschap Noord-Holland en enkele andere natuurbeherende instanties niet meer willen deelnemen. Het idee van het Groenhuis zoals het werd genoemd, lijkt daarmee jammer genoeg van de baan.

Rob van Eerden: “Het was een prachtige combinatie geweest. Er is een relatie tussen alles wat te maken heeft met cultuurhistorie, waaronder archeologie, natuur- en landschapsbeheer, recreatiebeheer, waterbeheer enzovoorts. Al die aspecten moeten veel meer integraal bekeken worden. Het Groenhuis was een ideale mogelijkheid daarvoor geweest. Ook zouden er goede mogelijkheden zijn voor samenwerking, zoals bijvoorbeeld een gezamenlijke ontvangstruimte, wat voor alle partijen kostenbesparend zouden werken. Het provinciaal bestuur is er van overtuigd dat een Groenhuis en Archeologisch depot samen een grote meerwaarde zouden hebben, maar mocht dat inderdaad niet doorgaan, dan komt het depot toch naar Castricum. Het is de bedoeling dat het bij het station op de plaats van de inmiddels afgebroken loodsen komt. Dat terrein zal door de provincie van de gemeente worden gekocht. Het is een prachtige locatie, waar de aandacht van een half miljoen treinreizigers per dag op het nieuwe centrum gevestigd kan worden.”

De locatie ligt ook dichtbij archeologisch interessante gebieden, wat wellicht ook een rol heeft gespeeld.

Rob van Eerden in actie bij de grote opgraving in de Oosterbuurt (1995).
Rob van Eerden in actie bij de grote opgraving in de Oosterbuurt (1995).

Rob van Eerden: “De duinen en het Oer-IJ zijn archeologisch zeer belangrijk. Mijn belangstelling voor de archeologie is hier ook gewekt, toen ik zag wat een spectaculaire resultaten in 1995 en 1996 het archeologisch onderzoek van de toenmalige Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in de Oosterbuurt in Castricum opleverde. Ik ben toen van meet af aan mee gaan doen en ben lid geworden van Oud-Castricum. Uit die opgraving is weer de tentoonstelling ‘Schatten onder je voeten’ en het boek ‘Het land van Hilde’ voortgekomen.”

Heb je altijd bij de provincie gewerkt ?

“Van 1984 tot 2002 werkte ik bij het Ministerie van Landbouw en had daar te maken met de bescherming van natuurgebieden. Ik had daar te maken met de zogenoemde ‘robuuste verbinding’ van kust tot kust, een oost-west verbinding in de provincie. Er is overigens net weer een besluit genomen dat er ruim 200 ha extra natuurgebied tussen het Alkmaardermeer en de duinen gerealiseerd kan worden.

Vanaf 2002 werk ik bij de provincie als beleidsadviseur archeologie. De aanwijzing van gebieden als archeologisch monument hoort ook tot mijn taak. Binnenkort zal de geest Heemstede, eigenlijk in aansluiting op Kronenburg en omgeving, als zodanig worden aangewezen. Zo rond het nieuwe centrum zijn er veel archeologisch belangrijke gebieden, zoals het Oer-IJ en historische hoogtepunten als de abdij van Egmond enzovoorts te bezoeken.”

Wanneer staat het gebouw er denk je ?

Rob van Eerden:”Als het allemaal loopt zoals het nu gepland is, kan het gebouw eind 2013 worden geopend.
Het wordt een pracht van een gebouw met een conferentiecentrum, studieruimtes enzovoorts.
Wij willen overigens in de provincie een breed draagvlak ontwikkelen voor het nieuwe centrum en de organisatie van een conferentie voor alle betrokkenen, waaronder de historische verenigingen, hoort daar zeker bij.”

De provincie Noord-Holland wordt al minimaal 6000 jaar bewoond en er zijn honderden vindplaatsen bekend en onderzocht, wat een grote hoeveelheid vondsten heeft opgeleverd. Daarvoor is voldoende opslagcapaciteit onder de juiste klimatologische omstandigheden noodzakelijk.

We zijn het helemaal met Rob van Eerden eens dat een nieuw goed toegankelijk gebouw een geweldige mogelijkheid is om in te spelen op de toenemende belangstelling voor de vroege historie van de provincie en het is helemaal mooi dat het in Castricum komt te staan.

Niek Kaan
Simon Zuurbier

5 september 2022

Schoolstraat ruiterspoor (Jaarboek 33 2010 pg 62-63)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 33, pagina 62

Een verloren spoor in de Schoolstraat

Het in de Schoolstraat aangetroffen ruiterspoor.
Het in de Schoolstraat aangetroffen ruiterspoor.

Tijdens het archeologisch onderzoek in de Schoolstraat in juni 2004 (zie 28e jaarboek) is een ruiterspoor aangetroffen. Vanwege de sloop van een woonhuis en timmerwerkplaats van de firma Res en geplande nieuwbouw kon het gebied van 650 vierkante meter ten oosten van de dorpskerk worden onderzocht. Het ruiterspoor bevond zich in een dertiende-eeuwse woonlaag. Deze laag wordt in verband gebracht met een vermoedelijk woonstalhuis uit de volle middeleeuwen (circa 1100-1300 na Christus).

Overzichtskaartje van de opgraving.
Overzichtskaartje van de opgraving.

Het ruiterspoor wordt gebruikt om het paard ‘aan te sporen’ en wordt gedragen aan de achterzijde van de voet, boven de hiel. De beugel gaat onder de enkel langs en wordt op zijn plaats gehouden door riemen over de wreef en onder de voetzool, waartoe de beugelarmen eindigen in één of twee ogen, waaraan de draagriemen worden bevestigd. Een ruiterspoor bestaat verder uit een schacht en een punt of een rad.

Het spoor dat in de Schoolstraat werd ontdekt, bestaat uit een U-vormige beugel met een rechte schacht die eindigt in een ronde punt. Daarmee behoort het tot de categorie van de priksporen. Het gevonden exemplaar bestaat uit gecorrodeerd ijzer.

Röntgenfoto van het spoor.
Röntgenfoto van het spoor.

Jaarboek 33, pagina 63

In opdracht van de Werkgroep Oud-Castricum heeft het bedrijf Restaura deze vondst gerestaureerd. Men heeft eerst röntgenfoto’s gemaakt.

Men stelde het volgende vast: “Het ruiterspoor is overdekt met corrosieaanslag. Bewegende delen zijn gecorrodeerd. In het voorwerp zijn breuken aanwezig. Het oppervlak is aangetast, er zijn putjes ontstaan. Het oppervlak laat laagsgewijs los. Fragmenten van het oppervlak ontbreken. Het voorwerp is niet compleet, aan één kant ontbreekt de gesp.”

Het gerestaureerde ruiterspoor.
Het gerestaureerde ruiterspoor.

In 2009 is de grondige restauratie voltooid en is er toch een zeer gaaf exemplaar te voorschijn gekomen.

Dankzij archeologische vondsten en afbeeldingen is de ontwikkeling van de middeleeuwse ruitersporen redelijk goed bekend. Tot aan het einde van de dertiende eeuw is het prikspoor in gebruik. Hiervan eindigt de schacht in een punt. In de Vikingtijd had men al priksporen.

Het in de Schoolstraat gevonden exemplaar lijkt een combinatie van een prikspoor met een gelijkmatig gebogen beugel. Datering is tussen 1300 en 1350. Het behoort tot een van de meest fraaie ruitersporen.

Hoe zo’n spoor, dat tot de uitrusting van een middeleeuwse ruiter behoorde, op een plek in de Schoolstraat terechtkwam, dicht bij de kerk en de dingstal waar men recht sprak, blijft een open vraag.

Rino Zonneveld

Bronnen:

  • Baart, J. en anderen, 1977: Opgravingen in Amsterdam, 20 jaar stadskernonderzoek, Haarlem, pagina 436-437.
  • R.A.M., Detector Magazine nummer 12, december 1993, Drachten, pagina 6-7.
  • Restaura, Restauratierapport 2009, Haelen.
  • Smulders, S., De Schoolstraat al in de 1e eeuw bewoond, 28e Jaarboek Werkgroep Oud-Castricum, 2005, pagina 3-10.
  • Weber, E., Heemskring nummer 32, Historische Kring Heemskerk, 2004, pagina 48.

22 augustus 2022

Aftrap Open Monumenten Dagen in Castricum

Oer-IJ

Dit jaar is het landelijk thema voor de Open Monumentendagen ’Duurzaam duurt het langst’. Om extra aandacht te besteden aan dit thema, houdt op Dr. Hans van Weenen vrijdag 2 september om 20.00 uur een bijzondere lezing in Cultureel Centrum Vredeburg in Limmen.

Een bijzondere lezing

De verandering van het klimaat wordt door steeds meer mensen gevoeld. Duurzaamheid gaat over ingrepen gericht op de toekomst. Van Weenen laat zien hoe het verleden daarvoor een inspiratiebron kan zijn. Hij verbindt duurzame ontwikkeling, landschap en erfgoed, en licht toe hoe aanpassing aan veranderingen in de omgeving al eeuwenlang een thema is voor Castricum. Welke kansen biedt het historisch landschap voor oplossingen van de huidige klimaatproblemen?

6 juli 2022

Pottenstapels uit de Romeinse tijd heel bijzonder

Door: Eric Bor

Afb. 1. De in 1969 gevonden pottenstapel

Pottenstapels uit de Romeinse tijd, zoals die in Castricum op verschillende plaatsen zijn opgegraven, zijn tot nu toe alleen ook in Velsen op het Hoogoventerrein aangetroffen.  In Alkmaar is een enkele vondst gedaan. Het lijkt erop, dat pottenstapels alleen in (Noord-)Kennemerland in gebruik waren.