De Salamander op het strand van Castricum

In het 24e jaarboek van Stichting Werkgroep Oud-Castricum  is onder de titel ‘Spectaculaire strandingen aan de Castricumse kust’  van de hand van Cor Smit een artikel verschenen, waarin o.a. aan de geschiedenis van de Salamander aandacht is besteed.

De geschiedenis van het schip tot de stranding

De Duitse kanonneerboot De Salamander in 1910

Seiner MajestĂ€ts ‘Salamander’ was een zwaar Duits ‘ramschip’, ook wel ‘Panzerkanonenboot’ genoemd, en werd gebouwd in 1880. Zij maakte deel uit van de Duitse Kaiserliche Marine onder Wilhelm I en Bismarck. In de tijd dat de Salamander dienst deed voor een offensieve kustverdediging, bestond de bewapening uit een kort zwaar kanon van 30,5 cm, twee kanonnen van 8,7 cm en aan beide kanten van de commandotoren zogenaamde revolverkanonnen (voorloper van de mitrailleur). Twee bronzen torpedolanceerbuizen waren in de boeg ingebouwd.

Boven- en zijaanzicht van de salamander (tekening C.J.W. Everts)

Het schip, 46 meter lang en 10,5 meter breed, had een diepgang van 3 meter en een waterverplaatsing van 1100 ton. De Salamander was in staat door zijn geringe diepgang bij hoog water op zandplaten aan te leggen. Ook gedurende laag water bleef het schip inzetbaar en paraat en kon bij hoog water weer weg varen. Deze amfibische mogelijkheden van het schip hebben wellicht bijgedragen tot de officiĂ«le naam ‘Salamander’. EĂ©n van de zusterschepen heette de ‘Krokodil’.

Spottend werden deze schepen ‘Wattwantzen’ en ‘Schlickrutscher’ genoemd, omdat zij op zandplaten konden aanleggen. De bepantsering was bevestigd op teakhouten balken en bestond uit smeedijzer;  het dekpantser had een dikte van 22 mm en het gordelpantser liep in dikte over de gehele lengte op de waterlijn op van 102 mm achter tot 203 mm voor.

De Salamander naar Nederland

Eind oktober 1910 stoomde de 500 pk sleepboot Zuiderzee van de firma Smit met achter zich de Salamander van Willemshafen in Noord-Duitsland over de Noordzee naar haar eindbestemming Dordrecht. Daar zou dit schip, dat ooit werd ingezet om samen met tien zusterschepen de mondingen van de rivieren Oder, Elbe en Weser te verdedigen, omgebouwd worden tot zandzuiger.

Op de sleepboot van de firma Smit werkten de bemanningsleden onder leiding van kapitein Karremans en op de getrokken Salamander zorgden nog drie mannen, zogenaamde runners, voor de besturing van het schip.

Al na enige dagen verslechterde het weer op zee. Sleepbootkapitein Karremans besloot met zijn sleep IJmuiden binnen te lopen. Vlak voor de pieren van IJmuiden deed een zware grondzee de sterke sleepkabel breken. De sleepboot voer alleen IJmuiden binnen. Pas de volgende morgen hoorde de sleepbootbemanning waar hun sleep gestrand was. In die nachtelijke uren hadden de drie runners op de Salamander vele angstige momenten gekend. Zij strandden die nacht met de Salamander ten zuiden van het Castricumse strand bij paal 45. De Egmondse reddingsbootbemanning slaagde er pas de volgende morgen in, nog steeds onder zeer zware weersomstandigheden, de runners van boord te halen.

De volgende dag ondernam de sleper Wodan een poging de Salamander los te trekken en het lukte om het schip iets zeewaarts te slepen. Volgens geruch­ten hadden de twee mannen aan boord van de Salamander de buiten­boord­kra­nen opengezet, zodat het schip met de boeg wegzakte in de zandbank en niet meer vlot te trekken was.

De eerste pogingen om de Salamander te bergen

Direct na de stranding probeerde bergingsspecialist Smit uit Rotterdam in opdracht van Rijkswaterstaat de Salamander vlot te trekken. Het bleek geen eenvoudige klus. Na vele maanden hard werken berichtte de hoofdingenieur, directeur van Rijkswaterstaat, in februari van 1911 dat verdere bergingsactiviteiten gestaakt werden. Het schip lag reeds zo diep in het zand dat slepen onmogelijk was geworden. Enkele jaren na de stranding werden opnieuw pogingen ondernomen om het schip te bergen. Tevergeefs.

Het schip trok als een magneet avontuurlijk ingestelde jongeren. Dat leverde vaak gevaarlijke situaties op. Toen in 1932 een zwemmer dode­lijk verongelukte in het wrak, benaderde de gemeente eerst de marine en daarna de genietroepen om het schip op te blazen.­ Omdat de kosten van f 24.000,‑ ten laste van de gemeentebegroting zouden komen, zag het toenmalige gemeentebestuur ervan af om het wrak op te ruimen. De kosten voor het opruimen van het schip waren ook te hoog voor Rijkswaterstaat en daarom werd besloten het schip te laten liggen op de strandingsplaats.

De toenmalige hulpstrandvonder Engel Zonneveld uit Castricum maakte mee dat meerdere nieuwsgierigen, meestal zonder officiële toestemming, de Salamander bezochten. Deze jutters sloopten alles wat maar iets van waarde had, zoals het dekhuis, de schoorsteen, de mast en de achterste verschansing en verkochten dat als schroot. De verantwoordelijke instantie, de gemeente Castricum, besloot dat het schip in verband met de gevaarlijke situatie ontoegankelijk moest worden gemaakt.

Klaren een Zaankanter en Bakkummer die klus?

Oud-ijzerhandelaar J. Bakker uit Zaandam, geholpen door J. Borst uit Bakkum, meende in 1938 de bergingsklus te kunnen klaren. Ze bouwden een speciale motor- en pompkamer die zij op de Salamander plaatsten. Zodra het half tij was, gingen zij met het houten vlot naar de Salamander. Zij zogen zo de vaak keiharde zandmassa uit de Salamander. Zij haalden het houtwerk van onder andere de officiersverblijven uit het schip. Meerdere malen vertoefden zij in de ruimen van het schip en kwamen daar soms in pikkedonker mosselen en krabben tegen. Vooral de grote noordzeekrab bezorgde hun een enorme schrik.

Bergingspoging in 1938

Tijdens een storm sloeg het speciale pomphuis van het schip. Zij maakten het pomphuis weer vast op het schip en gingen onverdroten verder. Nadat herhaalde stormen even zovele malen het pomphuis wegsloegen, stopten zij met de pogingen om de Salamander vlot te trekken.

Hulpstrandvonder en strandexploitant Thijs Bakker kan zich nog goed herinneren dat hij er voort­durend met z’n neus bovenop stond, of­schoon zijn vader het hem verbood: “De eerste slooppoging stamt uit 1938. Ik kwam bij die gelegen­heid ook de rui­men in. Overal hadden zich mosselen vastgezet. Favo­riet voedsel van krabbetjes. Maar als er geen water meer is, dan laten de krabbetjes zich val­len. Normaal komen ze dan weer bij water terecht. Maar ze vielen ook op mijn rug en klamp­ten zich dan vast aan de rand van m’n zwembroek. Nog mazzel dat zijn zwem­broekje goed dicht zat. Wie weet wat er anders gebeurd zou zijn? Net als mensen hebben krab­betjes moeders en grootmoe­ders. De over-overgrootmoe­der van de krabbetjes vertoef­de ook nog in het ruim. Ze kwam in de zuigpijp terecht, waar­mee het zand werd afge­zogen. Een krab van bijna een halve meter, een gigant in haar soort. Ik heb ze daarna nooit meer zo groot gezien.”

De Salamander werd jarenlang met rust gelaten.

De firma Scholte poogt in 1938 vergeefs de boot te bergen

Een nieuwe bergingspoging in 1958

In 1958 startte de firma Scholte, een echt familiebedrijf uit Diemen, de bergingswerkzaamheden aan de Salamander. Zij had ervaring met bergingen opgedaan op onder meer Texel. Op het strandplateau ter hoogte van badhotel Armeria hadden zij hun materieel opgeslagen. In die dagen ronkte een tot zandzuiger omgebouwd, Amerikaans amfibievaartuig op het strand. Deze zogenaamde Duc had in de oorlogsdagen dienst gedaan in waterrijke gebieden, was speciaal voor deze berging verbouwd en werd voorzien van een compressorinstallatie, een grote zuigpomp, een luchtinstallatie en een kraan met lier. Ze beschouwden de amfibiewagens als hun voor­naamste werktuig voor de berging. Daarnaast had men de beschikking over een grote kraanwagen, een kleine Œ tons vracht­wagen en tenslotte een jeep.

Zij plaatsten ronde kokers op het dek om ook bij hoogwater door te kunnen werken. Het lukte hen om de machinekamer zandvrij te krijgen. Het nog aanwezige koperwerk, leidingen en afsluiters, werd gesloopt en afgevoerd. Een interessante klus omdat zij vernamen dat naast de dikke stalen bepantsering ook koper aan boord was.

Thijs Bakker vertelt: “De tweede keer dat er een poging werd ondernomen was door de firma Scholte, eigenlijk een oud-ijzerhan­del. Na de oorlog hadden die het hele Noordzee­kanaal leeggevist. Daar lag een enorme hoeveelheid troep in van oorlogsmateriaal etc. Daarna begonnen ze met wrakken van schepen. Ze hebben vier van de zeven ruimen leeggezogen. Alie en ik zijn ook toen in de Sala­mander geweest. Het is een vreselij­ke misser voor die firma geworden; ze zijn er veel geld aan kwijt geraakt. Maar het was wel een enorm leuke tijd.”

Na enige tijd verbleven de ScholteÂŽs vaak bij Thijs en Alie. Thijs: “Uiteindelijk streek de hele groep bij ons neer. Tot zelfs de oudere vennoot aan toe, die niet meer meewerkte, maar met z’n vrouw overkwam om het weekein­de bij z’n kinde­ren door te brengen. Van de ploeg bleef de helft in het weekein­de over om op het werk te passen, terwijl de andere helft naar huis ging.”

Door stormen en woeste zeeën staakten de mannen van Scholte na maanden de berging van de Salamander. Opnieuw gebeurde er een hele tijd niets.

Garnalenkotter strandt op de Salamander

De vissers op de garnalenkotter ZK 10 uit Zoutkamp voeren op 9 december 1970 in rustig weer ÂŽs middag met uitstaande netten erg dicht langs de Salamander. Het was hen bekend dat met name gul (een zeevis) graag in en om wrakken zwemt. Een haal boven de Salamander zou een aardige portie vis opleveren. De netten haakten zich echter vast in de Salamander en de kotter kwam op de Salamander tot stilstand. Een schipper van een andere kotter seinde dat een kotter was gestrand.

Vanuit IJmuiden voer de reddingsboot Johanna Louisa en vanuit Egmond aan Zee vertrok de reddingsboot Ubbo met een lijnwerp- en wipperploeg. (Een wipperploeg schiet een sterk touw (lijn) naar een gestrand schip. De lijn dient zo hoog als mogelijk te worden bevestigd. Met behulp van een speciaal tuig (broek) kunnen mensen en materialen naar de redders worden gehaald). Door het lage tij kwam het schip droog te liggen en zakte op Ă©Ă©n kant. De lijnwerp- en wipperploeg was snel ter plaatste en bracht een lijn over, maar de twee opvarenden van de ZK 10 kozen ervoor aan boord te worden genomen van de Johanna Louisa en voeren mee naar IJmuiden.

Met een sleepboot wilde men de ZK 10 van de Salamander trekken. Dit gebeurde te ondoordacht en het schip scheurde open. Het behoorlijk gehavende schip was verloren en werd door de firma Kemp uit Santpoort gesloopt.

Nieuwste apparatuur ingezet om Salamander te bergen

De gemeente Castricum was blij dat de firma Hofland Salvage BV in 1980 brood zag in de berging van de Salamander. Het leek er op dat zij de Salamander vlot kon trekken. De verbeterde technische apparatuur, zware pompen en graafmachines en grotere kennis maakten het aannemelijk dat zij zouden slagen. De firma Hofland zette verschillende nieuwe, zelfbedachte en geconstrueerde machines in. De berging van de Salamander was voor Hofland een prima testcase voor de nieuwe apparatuur. Er werd een gesloten dam rondom de Salamander opgeworpen. In die binnenzee zogen zware pompen het zeewater weg. De Salamander lag nog voor het grootste deel in het zand. De speciaal ontwikkelde zandzuiger wist de Salamander verder zandvrij te maken en daar lag het schip zo goed als droog op de zandbodem.

Bert Snijders, wrakkenspecialist en betrokken bij de werkzaamheden van de firma Hofland, spreekt met weemoed over de bijna geslaagde poging het schip te bergen. Hij had tijdens de voorbereidingen voor de berging materiaalmonsters van de scheepswand voor onderzoek naar Duitsland gestuurd. De resultaten van dat onderzoek maakten de berging aantrekkelijk. Op de markt voor oud ijzer zou het schip toentertijd ongeveer ƒ 175.000,- hebben opgebracht. Daarnaast zouden de twee bronzen lanceerinrichtingen extra geld opleveren. Hofland leek meer geĂŻnteresseerd in de werking van de nieuwe apparaten dan het welslagen van de berging. Het was een slecht werkseizoen. Op de werkstaat noteerde Bert Snijder vele keren ‘Niet werkzaam weer’, meestal door storm of hevige regenbuien.

In een stevige storm vulde de zee de kuil rondom het schip en kon men weer van voren af beginnen. Toen overschietende vonken brand in de motor van de zandzuiger veroorzaakten, was de maat vol voor Hofland; de schadepost werd te hoog Ă©n er was voldoende getest; de werkzaamheden werden gestaakt. Daarna zijn er geen bergingspogingen meer ondernomen.

Nieuwsgierige duikers

De duikers van de Castricumse duikvereniging Lamentijn bezoeken jaarlijks de verschillende wrakken voor de Castricumse kust. Bert Zandbergen, voormalig lid van de duikvereniging, heeft al vele malen bij hoog water een duikbezoek aan de Salamander gebracht. De twee patrijspoorten die hij met zijn metgezellen vakkundig had losgemaakt, moest hij aan Jaap Hofland, de berger, overgedragen. De Salamander bezoekt hij niet zo vaak meer; echter wel andere wrakken voor de Castricumse kust, zoals de Deense Lotte Skou en de Sandbergen.

Het huidige wrak bij laag water

Ook in 2001 ligt de Salamander als een enorm amfibisch zeedier in het zeewater bij paal 45. Bij oostenwind en laag water is het mogelijk op het dek te lopen. De Salamander ligt er nog goed en zal er wel altijd blijven liggen.

 

Cor Smit

Een geschiedenis van de stranding van de Wan Chun vindt U hier.

Bronnen:

Archief gemeente Castricum

Met dank voor hun bijdragen aan:

Thijs en Alie Bakker-Bedeke, Kees Droog, C.J.W. Everts, Bert Snijders en Bert Zandbergen.

Print Friendly, PDF & Email