Toepoel, Hoberg en van Ginhoven (Jaarboek 28 2005 pg 60-70)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2: Castricum in oorlogstijd – Dagboek kapelaans – De dood van Arie Hageman – Duin en Bosch, evacuatie – Duinkant, een verdwenen dorpje – Oorlogsherinneringen Nardus Bos – Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot – verzetsstrijders – Leenaers, dokter – tante Sientje

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, GrĂ© – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 28, pagina 60

Wie waren … Leo Toepoel, Jan Hoberg en Huibert van Ginhoven

Drie Castricummers, die ieder op hun eigen wijze deelnamen aan het verzet in de Tweede Wereldoorlog, hebben de bevrijding niet mogen beleven. Leo Toepoel, Jan Hoberg en Huibert van Ginhoven waren respectievelijk 23, 18 en 45 jaar toen vuurpelotons op verschillende plaatsen in het land een einde maakten aan hun leven. Jan Hoberg werd opgepakt wegens een overval op het stadhuis van Alkmaar en Leo Toepoel toen hij wilde overlopen naar het bevrijde zuiden. Huibert van Ginhoven werd gearresteerd wegens spionage en als organisator van pogingen tot Engelandvaart. Ze kregen alle drie terecht een straatnaam in de eerste na-oorlogse nieuwbouwwijk in Castricum. Nu, 60 jaar na het einde van de oorlog, willen we via de persoonlijke geschiedenissen van deze mannen het leed dat zovelen is aangedaan in herinnering roepen.

Vrijdagochtend 10 mei 1940, om acht uur, kwam de radionieuwsdienst met het volgende bericht:
“Goedemorgen dames en heren. Hier is Hilversum, Nederlandse Omroep algemeen programma. Wij vragen uw aandacht voor het ANP. Het Algemeen Hoofdkwartier deelde ons hedenmorgen om kwart over vijf het volgende mede: Van drie uur af hebben Duitse troepen de grens overschreden. Vliegaanvallen zijn geprobeerd op enkele vliegvelden. Weermacht en afweer zijn paraat bevonden. Inundaties voltrekken zich volgens plan. Voorzover bekend zijn tenminste zes Duitse vliegtuigen neergehaald.”
Alom verbijstering en ontzetting: Nederland was in oorlog. In de nacht van 9 op 10 mei hadden de Duitsers het vliegveld Bergen al gebombardeerd, wat in Castricum goed te horen was. Van de 13 daar gestationeerde jachtvliegtuigen werden er 12 buiten gevecht gesteld.

Ook op die 10e mei werd een leegstaand paviljoen van het ziekenhuis Duin en Bosch ingericht voor de verpleging van herstellende en lichtgewonde militairen.
Castricum was door de regering als vluchtoord aangewezen voor de gemeenten Ankeveen en Kortenhoef, die in het gebied lagen dat in verband met de verdediging mogelijk onder water gezet zou worden. De gemeente richtte in de R.-K. Bewaarschool naast de pastorie een noodziekenhuis in. Vrijwilligers vulden dagenlang strozakken voor de 4706 mensen die verwacht werden. De eerste treinen met geĂ«vacueerden kwamen op 2e Pinksterdag 13 mei ‘s morgens om zes uur aan. Gemeenteambtenaren, politie, Luchtbeschermingsdienst en het Rode Kruis, afdeling Castricum-Limmen hadden de handenvol aan de inkwartiering. Een paar dagen na de capitulatie op 15 mei 1940 werden de mensen weer naar hun woonplaatsen teruggebracht.

In het dorp verschenen steeds meer Duitse soldaten. De bezetter vorderde huizen en gebouwen. De pastorie van de Hervormde kerk kreeg een nieuwe bewoner, in de persoon van de Ortskommandant, bijgenaamd ‘de bommenwerper’. De consternatie rond zijn gedwongen vertrek uit de pastorie greep dominee Seulijn zo aan, dat hij plotseling overleed.

Eind 1940 werd het persoonsbewijs verplicht gesteld. Personen van Joodse afkomst kregen in de zomer van 1941 een grote ‘J’ in hun persoonsbewijs gestempeld. De burgemeester verordonneerde dat met ingang van 1 september 1941 Joodse kinderen niet meer op de scholen mochten worden toegelaten. Gelukkig bleken er uiteindelijk geen kinderen te zijn die als Joodse leerlingen werden aangemerkt. In juni 1942 moesten alle patiĂ«nten Duin en Bosch verlaten. Zij vertrokken met een deel van het personeel naar andere psychiatrische inrichtingen. Joodse patiĂ«nten onder hen, die in Den Dolder en Rosmalen waren geĂ«vacueerd, zijn het slachtoffer van de terreur geworden.

In november 1942 volgde het bericht dat alle bewoners van Bakkum moeten evacueren. Alleen degenen wier verblijf noodzakelijk was, konden blijven. De bezetter liet een groot aantal huizen en boerderijen afbreken voor verruiming van het schootsveld. Bakkum was alleen nog toegankelijk met een speciale pas. De hele gemeente Castricum werd uiteindelijk tot ‘Sperr-gebiet’ verklaard, waar uitsluitend nog bezitters van een speciale vergunning mochten komen. Op grote schaal begon de bouw van honderden bunkers, een tankmuur en een tankgracht om zo een eventuele geallieerde aanval te kunnen afweren. Ruim 5000 inwoners werden uiteindelijk gedwongen naar een andere woonplaats te vertrekken.

Leo Toepoel omstreeks zijn 17e jaar.
Leo Toepoel omstreeks zijn 17e jaar.

Leo Toepoel

De familie Toepoel, vader, moeder en drie kinderen, had zich in 1934 vanuit Amsterdam in Bakkum gevestigd. Ze hadden vier kinderen, maar de oudste zoon Theo bleef in Amsterdam wonen. Vader Toepoel was een heel goede kleermaker en zette hier zijn bedrijf voort. Gedwongen door de evacuatie koos het gezin in januari 1943 opnieuw Amsterdam als tijdelijke woonplaats. Ze betrokken een woning aan de Tweede Jan van der Heijdenstraat, vlak bij het Sarphatipark.

Leo was de jongste van de vier kinderen. Hij was geboren op 14 maart 1922. Zijn levensverhaal kan worden verteld aan de hand


Jaarboek 28, pagina 61

van gegevens die zijn ouders hebben verstrekt bij de aanmelding van hun zoon voor de Erelijst van gevallenen. Een belangrijke bron vormt ook een in 1977 verschenen boek over de slachtoffers van de fusillade bij Rozendaal (Gld). Informatie van nog in Castricum wonende familieleden en andere (oud-)inwoners completeren de dramatische geschiedenis.

Op een filmpje uit 1942 van de kermis in Castricum herkennen we Leo Toepoel (rechts) en zijn broer Twan tijdens het verorberen van een paling.
Op een filmpje uit 1942 van de kermis in Castricum herkennen we Leo Toepoel (rechts) en zijn broer Twan tijdens het verorberen van een paling.

Religieus zuster Matthea Bakker heeft herinneringen aan de kinderjaren van Leo. Zij vertelt:
“Het was in het begin van de jaren (negentien)dertig dat de familie Toepoel uit Amsterdam een huis kocht aan de Eerste Groenelaan, bestemd voor vakantiehuis. Het was een ruim huis met drie kamers en een uitbouw voor keuken, berging e.d. en voor en achter een stukje grond. De zomer bracht de familie in het huis door. Mijn zuster was getrouwd met Co Jenstra, een timmerman, die in dienst was van mijn oom aannemer Arie Buur in Alkmaar. Die ging de huizen aan de PernĂ©straat bouwen. Co Jenstra en zijn gezin zochten daarom woonruimte in Castricum. Zij mochten tijdelijk in het huis van de familie Toepoel wonen. Toen Co Jenstra plotseling overleed bleef mijn zuster achter in het huis. In de zomer had ze er een kleinere kamer en (zo) kon de familie Toepoel er toch de vakanties doorbrengen. Omdat wij ook in de Eerste Groenelaan woonden kwam ik er dikwijls om met Leo te spelen. Hij was een tengere jongen met een fijn besneden gezicht, van mijn leeftijd omstreeks 10 jaar. In de tuin stonden een rekstok en een schommel en we konden het goed met elkaar vinden. Hij las veel boeken vooral over indianen en het wilde westen. Dat speelden wij dan ook. Hij wilde later een dappere cowboy worden. Hij was ook bij de padvinderij, een goede voorbereiding op de toekomst, zijn verdere leven. Het was een dappere jongen dat zat er toen al in.
Helaas zijn we elkaar in de oorlogsjaren uit het oog verloren. Hij in het verzet en ik als religieus in de opleiding voor verpleegkundige en later als missiezuster in Borneo.”

Leo had de lagere school in Amsterdam al doorlopen, toen de familie definitief in het huis aan de Eerste Groenelaan ging wonen. Hij bezocht vanuit zijn nieuwe woonplaats de R.-K. Mulo in Beverwijk. Mevrouw Annie Lute-Borst vertelde: “Een grote groep jongelui, onder wie Leo Toepoel, trok dagelijks op de fiets naar Beverwijk. Leo maakte zijn huiswerk dikwijls samen met Bertus Borst. Ze zaten dan op kamer 4 van Hotel Borst. Als het even kon waren ze natuurlijk ook bij de biljarttafel in het cafĂ© te vinden.”
Zowel Tinie Wulp – Vergouw als Trudy Vos – Baltus herinneren zich Leo als een uitstekende danspartner. Trudy en Leo moesten vaak de tango voordansen op de soirees van de dansschool van Jack en Tinie Smit aan de Van Egmondstraat.

Na de Mulo bezocht Leo de MTS (vanaf de zestiger jaren HTS genoemd) in Haarlem. Hij slaagde in augustus 1942 op 20-jarige leeftijd voor het eindexamen, studierichting vliegtuigbouw. Twee dagen daarna moest hij zich al melden op het Arbeidsbureau in Beverwijk om te werken in Duitsland. Zijn ouders regelden een onderduikadres voor hem. Kennissen, de familie Hopman aan de Vinkebaan, werden bereid gevonden hem in huis te nemen. Tinus Hopman: “Leo gedroeg zich meer als kostganger dan als onderduiker, want hij ging gewoon zoveel mogelijk op stap met zijn vrienden. Hij zag de ernst van de oorlog nog niet in.”

Arbeidsinzet

De eerste twee jaar van de bezetting was er nog sprake van een zekere ‘vrijwillige’ tewerkstelling in Duitsland. Zij het dat werklozen weinig keus hadden, omdat werkweigering intrekking van de uitkering ten gevolge had. Naast werklozen vertrokken ook duizenden mannen vrijwillig. Zij lieten zich verleiden door de propaganda-acties waarin de aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden en hoge inkomens aanlokkelijk werden gepresenteerd. Vanaf 1942 maakte ‘vrijwilligheid’ plaats voor dwang. Iedere Nederlander van 18 tot 40 jaar kon in Duitsland tewerk worden gesteld. Mannen die geen gehoor gaven aan een oproep, konden rekenen op strafvervolging.

Leo heeft zijn vertrek naar Duitsland weten te rekken tot oktober 1942. De zucht naar avontuur en de uitdaging zullen bij hem misschien ook een rol hebben gespeeld om zijn onderduiktijd te beëindigen. Hij kreeg werk in het Scheikundig Laboratorium van Leichtmetall Werke in Hannover.

Voor de Erelijst van gevallenen heeft de moeder van Leo een verslag opgesteld dat wij hierna laten volgen:
“Op 15 januari 1943 werd Leo in Hannover gevangen genomen wegens sabotage, verspreiding van valsche geruchten en verraden van fabrieksgeheimen, zoals de beschuldiging luidde.
Op 15 maart werd de doodstraf geĂ«ischt. Een maand later werd de beschuldiging wegens gebrek aan bewijs vervallen verklaard. Wel veroordeelde de rechtbank hem tot 4 maanden cel met aftrek van voorarrest. Op 15 mei kwam hij uit de gevangenis met in zijn paspoort de aantekening ‘Staatsgevaarlijk’. Terugkeer naar het bedrijf was natuurlijk onmogelijk. Hij vroeg toen om terug te mogen keren naar Holland. Dat werd geweigerd. Toch wist hij met behulp van een onbekend gebleven Nederlands meisje, dat daar aan een of ander kantoor werkzaam was en hem papieren en stempels bezorgde, de grens over te komen.
Op 17 mei kwam hij weer thuis in Amsterdam. Hij woog geen 100 pond meer. Zijn benen waren tot op het bot veretterd door de wonden die hem bij zijn verhoor in de eerste maand van zijn gevangenschap waren toegebracht. In zijn cel kreeg hij slechts 1 boterham, 1 liter waterige soep en een liter water per dag om zich te waschen, zijn kleren te waschen en om te drinken. Zijn benen had hij verbonden met een natte zakdoek die hij in die liter water waste en nat verbond. Hij is in Amsterdam nog twee maanden onder doktersbehandeling geweest.”

Op voorspraak van een klant van vader Toepoel vond Leo een baan als tekenaar op het constructiebureau van Fokker. Hij wilde zelfstandig wonen en huurde een kamer aan de Amstellaan (later Vrijheidslaan genoemd), niet ver van zijn ouderlijk huis. Tijdens de oorlog viel er weinig te doen bij Fokker. De voornaamste bezigheid was dan ook zorgen niet uitgezonden te worden naar Duitsland. Maar al na enkele maanden kamde de bezetter het bedrijf uit, zodat Leo moest onderduiken. In die periode gaf hij ook les in jiu-jitsu bij een sportschool. Waarschijnlijk had hij daar deze toen populaire zelfverdedigingssport zelf ook geleerd.

In 1943 nam Wim de Bode, een vriend en mede-kamerbewoner, hem mee naar zijn ouders in Nijmegen. Daar leerde hij Connie kennen, een meisje uit Elst dat bij de familie De Bode een nieuw thuis had gevonden.


Jaarboek 28, pagina 62

Hij werd tot over zijn oren verliefd op haar. Met de kunstzinnige onderwijzer Reyer van de Haar raakte hij bevriend.
Reyer volgde hem naar Amsterdam en huurde een kamer in het kosthuis van Leo aan de Amstellaan.

Eind november 1943 heeft de Sicherheitspolizei Leo weer gearresteerd, waarna hij tot begin februari 1944 in Amersfoort gevangen werd gehouden. Vervolgens werd hij op transport gesteld naar Gevelsberg (Nordrhein-Westfalen). Hij wist daar te ontsnappen en drie weken later stond hij weer bij zijn ouders voor de deur. Hij had zo’n 175 km aan Ă©Ă©n stuk gelopen en zijn voeten waren helemaal stuk. Ook al omdat hij met zijn kaalgeschoren hoofd te veel opviel, is hij toen twee maanden ondergedoken in Spanbroek. Met een persoonsbewijs ten name van Veldman keerde hij daarna terug naar Amsterdam om opnieuw les te gaan geven bij de sportschool.

In die periode kwam hij in contact met de Amsterdamse illegaliteit. Vader Louis Toepoel leefde in de veronderstelling dat het illegaal werk van zijn zoon bestond uit bonkaarten rondbrengen en krantjes bezorgen. Pas later krijgt hij te horen, dat Leo in contact stond met leden van een groep die ook munitie en wapens transporteerde. Welke rol hij bij de groep vervulde is onduidelijk.

Gevangenschap

Op 6 juni 1944, D-day, landden geallieerde troepen op de kust van Normandië. Het zuiden van Nederland kreeg vanaf 17 september haar vrijheid terug. De troepen konden Arnhem echter niet bereiken. Het duurde Leo allemaal te lang en hij besloot om begin oktober 1944 samen met zijn vriend Reyer van de Haar op een of andere manier te proberen naar Nijmegen te komen. Het is niet de enige reden voor Leo voor deze onderneming. Connie, het evacué-meisje uit Elst, dat hij bij de familie De Bode had ontmoet, wilde hij ook graag terugzien. Hun vriend Wim de Bode gaf het tweetal geografische kaarten mee voor de tocht naar het zuiden, daarbij adviserend via de Biesbosch door de linies te gaan. Het was na Dolle Dinsdag en het moest volgens hem dan ook mogelijk zijn langs die route het bevrijde zuiden te bereiken.

Helaas hebben de twee dat advies niet opgevolgd. Ergens tussen Opheusden en IJzendoorn langs de rivier de Waal werden ze onder een regen van kogels door de Engelsen teruggestuurd, waarna ze in de armen liepen van de Duitsers. Die troffen bij de twee de gedetailleerde kaarten aan die ze van Wim de Bode hadden gekregen, waardoor ze voor spionnen werden aangezien. Leo en Reyer werden op 22 oktober 1944 opgesloten in de politiecellen van Bureau Woudoord in Velp. Daar werd niet zachtzinnig met gevangenen omgesprongen. Wegens de vermeende spionageactiviteiten en de verdenking over te willen lopen naar de geallieerde troepen werd Leo 14 uur lang aan een stevig verhoor onderworpen.

Uit de getuigenis van een mede-gevangene Piet Spek is er ook over de laatste maanden van Leo Toepoel veel bekend. Met zes lotgenoten zat Leo in cel 2 van het politiebureau en Reyer in cel 3. Gemiddeld waren er telkens zo’n 26 gevangenen verdeeld over twee kleine en een grotere celruimte. Soms was het zo vol dat ze ‘s nachts kop-staart op de zij sliepen. Naast het gevangenisrantsoen kregen ze door bemiddeling van een kinderarts, die ook gevangen zat, nog wel eens extra broodbeleg en vlees vanuit het ziekenhuis in Velp.
Om de moed er in te houden werd er veel gezongen. Vooral Leo en Reyer konden heel mooi zingen. Het was cel 2, die altijd de grootste en beste bijdrage leverde tijdens zanguitvoeringen, aldus Piet Spek. Hij herinnerde zich nog het volgende tekstfragment:

“Daar in die droge sloot
daar lag de FĂĽhrer dood,
een eindje verderop
lag Von Ribbentrop”

In november 1944 beraamde een van de gevangenen een ontsnappingspoging. De poging mislukte waarbij Piet Spek een kogel dwars door zijn lichaam kreeg. Er volgde geen behandeling in het ziekenhuis, maar hij werd provisorisch verzorgd door een huisarts. Vrijwel onmiddellijk na de mislukte ontsnappingspoging werden de gevangenen overgebracht naar een gebouw van de Rotterdamse Bank aan de Hoofdstraat in Velp, dat als gevangenis dienst deed. Hier was een strenge Duitse bewaking waardoor ontsnappen onmogelijk was. ObersturmfĂĽhrer Huhn kreeg de leiding over de nieuwe gevangenis.

Tekening gemaakt door Reyer van de Haar van Leo Toepoel, gemaakt op de muur van zijn cel op 10 december 1944, drie dagen voor zijn dood.
Tekening gemaakt door Reyer van de Haar van Leo Toepoel, gemaakt op de muur van zijn cel op 10 december 1944, drie dagen voor zijn dood.

Op de muren van de kluisruimte waar ze waren opgesloten, maakte Reyer een tekening van Leo. Van die tekening is na de oorlog een foto gemaakt. De handtekening van Reyer staat er onder en de datum 10 december 1944. Naar later zou blijken is de tekening drie dagen voor hun beider dood gemaakt.

Zwarte dag

De divisiecommandant van de 6e Divisie Fallschirmjager, gelegerd in Velp, verlangt strenge maatregelen tegen de burgerbevolking, omdat posten van de Fallschirmjager zijn beschoten. Acht mannen zullen standrechtelijk worden doodgeschoten. Verder worden de huizen in brand gestoken waar overvallen hebben plaatsgevonden. ObergruppenfĂĽhrer Rauter wijst acht mannen aan die ervan zijn beschuldigd, dat zij naar de vijand willen overlopen. In de namiddag van de 12e december worden de acht arrestanten weggevoerd onder wie Leo Toepoel en Reyer van de Haar. Volgens mededeling van achtergebleven gevangenen heeft Leo Toepoel, die weet dat hij gefusilleerd zal worden, zijn colbertjasje nog mee willen nemen, maar de Duitsers vertellen hem dat dat niet nodig is.
De acht mannen worden opgehaald door de GrĂĽne Polizei; waarheen kunnen de achtergebleven gevangenen niet vertellen.

Emmapyramide

De plaats waar de executies hebben plaatsgevonden en de plaats waar de acht mannen begraven zijn, bleef lang een raadsel. Op een


Jaarboek 28, pagina 63

schriftelijk verzoek in augustus 1945 van Leo’s moeder, die ook nog hoopte op de mogelijkheid dat haar zoon ergens in Duitsland verbleef, stelde de rijkspolitie een nader onderzoek in. Wachtmeester Van Beusekom had uit informatie wel kunnen afleiden dat de gevangenen gefusilleerd moesten zijn, maar de plaats kon hij niet ontdekken. Eind oktober 1946 woonde hij een lezing bij van de helderziende Gerard Croiset. De politieman vroeg hem te helpen bij het zoeken naar de plaats waar de slachtoffers begraven zouden zijn. Op grond van de aanwijzingen van Croiset is vervolgens gezocht in de omgeving van een houten uitkijktoren in de omgeving van Rozendaal, bekend onder de naam Emmapyramide. Het onderzoek op het uitgebreide terrein leidde niet onmiddellijk tot succes en de zoektocht werd afgebroken.

Uiteindelijk wees de, inmiddels zelf gevangen genomen, voormalige gevangeniscommandant Huhn, in maart 1947 de exacte plaats aan waar op 13 december 1944 in de ochtenduren de acht jonge mannen waren omgebracht en begraven. Het was inderdaad in de buurt van de Emmapyramide, de plaats die Croiset had aangewezen. Leo en zijn vriend Reyer werden beiden geĂŻdentificeerd.

Herbegrafenis

Op 17 mei 1947 is Leo Toepoel opnieuw begraven op de R.-K. begraafplaats bij de Pancratius kerk. De plechtigheid werd volgens een verslag in het Nieuwsblad voor Castricum bijgewoond door familie en vrienden, burgemeester Smeets, een afvaardiging van de Vereniging van Oud-Illegale Werkers en een deputatie van de Hubertus-Zeeverkennersgroep uit Amsterdam, waarvan Leo lid was geweest. Vier zeeverkenners droegen de baar met bloemen.

Gedenkteken voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in de hal van de HTS te Haarlem.
Gedenkteken voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in de hal van de HTS te Haarlem.

In november 1947 besloot de gemeenteraad op voorstel van de Vereniging van Oud-Illegale Werkers een straat naar Leo Toepoel te noemen en ook Jan Hoberg en Huibert van Ginhoven op die manier te eren.
In de hal van Leo’s vroegere Technische School in Haarlem, is in 1948 een gedenkteken onthuld met de namen van 31 omgekomen leraren en leerlingen, waaronder Leo Toepoel.

Het onthulde monument op de plaats van de fusillade, bij de Emmapyramide in Rozendaal.
Het onthulde monument op de plaats van de fusillade, bij de Emmapyramide in Rozendaal.

In Rozendaal leek de geschiedenis van de acht jongens, die aan de voet van de Emmapyramide op 13 december 1944 hun leven hadden verloren, te zijn vergeten. Een oud-verzetsman stelde het gemeentebestuur in 1996 voor om een gedenkteken op te richten. Nadat eerst nog een gedegen onderzoek naar alle achtergronden was uitgevoerd door de amateurstreekhistoricus Jan van der Wal, werd definitief tot de oprichting besloten.
Nabestaanden, schoolvrienden en oud-medearrestanten kwamen precies 53 jaar na de executie, op 13 december 1997, samen bij de Rozendaalse Emmapyramide, voor de onthulling van een monument met de namen van de gefusilleerden.

Het gezin Hoberg achter hun woning in de Pernéstraat.
Het gezin Hoberg achter hun woning in de PernĂ©straat. V.l.n.r. Hen(nie), vader Johannes, Jan, Ans, moeder Hoberg – Kuilboer en de jongste zoon Dirk in het begin van de oorlog. Twee dochters Lenie en Atie staan niet op de foto.

Jan Hoberg

Net als de familie Toepoel koos de familie Hoberg Castricum in de jaren dertig als woonplaats. Ze kwamen uit Ouder-Amstel. Het gezin bestond uit 6 kinderen: drie meisjes Anna (geboren in 1929) en een tweeling Lenie en Atie (1926) en drie jongens, Hennie (1924), Jan (1925) en Dirk (1936).
Alleen de jongste zoon Dirk werd in Castricum geboren. Ze waren in september 1934 de eerste bewonders van de nieuwe gebouwde woningen aan de PernĂ©straat, aangetrokken door het aanbod van gratis huur gedurende de eerste maanden. Vader Johannes Hoberg was commissionair in effecten en hij behoorde tot een groepje van zo’n 10 forensen dat dagelijks naar Amsterdam reisde.

In 1934 telde Castricum omstreeks 6000 inwoners. Het dorpje groeide gestaag met zo’n 200 a 300 inwoners per jaar. Behalve wat lintbebouwing aan eeuwenoude dorpswegen is er in de (negentien)dertiger jaren gebouwd aan enkele nieuw aangelegde straten, zoals genoemde PernĂ©straat en ook de Geelvinckstraat, de Jacob Catsstraat, de Prinses Julianastraat, de Prins Bernhardstraat en een deel van de Koningin Wilhelminalaan. Nieuwe uitbreidingsplannen waren in voorbereiding. Een snelle uitgroei tot een flink forensendorp lag in het verschiet, maar voorlopig lagen Castricum en Bakkum nog vredig temidden van natuurgebied, uitgestrekte weilanden en tuinbouwgrond.


Jaarboek 28, pagina 64

Jan en zijn een jaar oudere broer Hennie Hoberg schoven in 1934 aan op de R.-K. Jongensschool Sint-Augustinus aan de Dorpsstraat. Vader Hoberg was niet katholiek (Evangelisch Luthers) en zijn vrouw Alida Kuilboer wel. Ze hadden bij hun huwelijk moeten beloven kinderen een katholieke opvoeding te geven en daar hielden zij zich trouw aan; vader Hoberg was daar misschien nog wel nauwgezetter in dan zijn vrouw. Na de lagere school bezochten beide jongens een R.-K. Muloschool in Alkmaar, waar ze vervolgens ook lid werden van de padvinderij.

De verkenners op excursie in de duinen kort voor de opheffing van de padvinderij op 12 april 1941. In het midden met de lichte overhemden Hopman Herman Wagenaar en links van hem Jan Hoberg.
De verkenners op excursie in de duinen kort voor de opheffing van de padvinderij op 12 april 1941. In het midden met de lichte overhemden Hopman Herman Wagenaar en links van hem Jan Hoberg.

Verkennersgroep ‘Don Bosco’

In 1938 werd in Alkmaar de R.-K. Verkennersgroep ‘Don Bosco’ opgericht. In oktober 1938 kwam Herman Wagenaar, die een belangrijke rol zou spelen in de verkennerij, met groot verlof uit militaire dienst. Samen met zijn broer, Emile Wagenaar, zorgden zij voor de eerste aanwas van de groep. Volgens een verslag van een van de bijeenkomsten heeft Herman Wagenaar op 5 november 1938 aan vader en moeder Hoberg toestemming gevraagd voor de deelname van Hennie en Jan. Op 9 november werd de eerste troepavond georganiseerd op het zolderkamertje van hopman Herman aan de Stationsweg in Alkmaar. Op 22 februari 1939 kwam het nieuwe houten clubhuis aan de Zandersloot achter het huidige AZ-terrein gereed en was het zolderkamertje niet meer nodig.
De verkenners hebben niet lang van hun nieuwe hoofdkwartier kunnen genieten. Op 2 april 1941 verboden de Duitse bezetters de padvinderij. NSB-jongeren namen het clubgebouw van de groep onmiddellijk in gebruik.

De verkennersgroep bleef toch doordraaien, alleen het uniform bleef in de kast. Een troep van 24 verkenners ging ook nog op zomerkamp. De verschillende patrouilles waren ondergebracht op locaties onder schuilnamen als: Knor Knor, Tok Tok en Boe Boe. In de loop van 1942 en 1943 kwam aan de meeste activiteiten een einde, behoudens enkele geheime patrouille-bijeenkomsten. Tijdens deze bijeenkomsten werden plannen gesmeed om het de NSB’ers en Jeugdstormers zo lastig mogelijk te maken.

Jan Hoberg op 17-jarige leeftijd.
Jan Hoberg op 17-jarige leeftijd.

De broers Hennie en Jan Hoberg, inmiddels 18 jaar geweest, kwamen beiden in aanmerking voor tewerkstelling in Duitsland. Hennie volgde een opleiding tot machinist en Jan had een administratieve baan bij het Hoge Huys in Alkmaar. ‘Das ganze Hohe Haus ist eine Oranienbande’ volgens de Alkmaarse Ortskommandant, toen drie personeelsleden gearresteerd waren wegens het doorgeven van illegale lectuur.

Hennie en Jan hadden hun houding tegenover de bezetter niet van een vreemde. Vader Hoberg stak zijn gevoelens bepaald niet onder stoelen of banken. Als het NSB-blad ‘Volk en Vaderland’ werd rondgebracht, stond hij al bij het hek in de voortuin om duidelijk te maken dat de bezorgers geen poot op zijn grond mochten zetten. Ook na de verplichte evacuatie in februari 1943, waarbij het gezin in een woning aan de Zuideramstellaan 126H in Amsterdam terechtkwam, liet hij zijn afkeer van het nieuwe bewind dikwijls blijken. Hij ging zelfs in discussie met de Sicherheitspolizei, die enkele malen langs kwam op zoek naar Hennie en Jan. Toen die met betrekking tot de jodenvervolging naar de bijbel verwezen, vroeg hij hatelijk of er ook bij stond dat zij daar een rol in hadden. De familie had zelf onderduikers in huis, waaronder Sal en Flip, twee Joodse jongens van omstreeks 16 jaar. Er werden in huize Hoberg oefeningen gehouden waarbij de onderduikers zo snel mogelijk onder de vloer verdwenen en anderen in hun warme bedden kropen.


Jaarboek 28, pagina 65

De anti-Duitse gevoelens die ze van hun vader hadden meekregen, maakten voor Hennie en Jan de beslissing vanzelfsprekend om onder te duiken en de oproep voor arbeidsinzet te negeren. Hennie verdween in Amsterdam en Jan vond onderdak bij de broer van de hopman, Emile Wagenaar, waar hij ook op kantoor werkte. Later had hij een onderduikadres in Amsterdam. Vanuit Amsterdam schreef Jan in 1943 een brief aan Hennie. Een zin daaruit: “We zullen met zijn allen knokken om de heeren eruit te trappen, op onfatsoenlijke manier.”

De ondergrondse acties met de verkenners in Alkmaar gingen intussen gewoon door. Een van de leden van de groep, AndrĂ© van Elburg, heeft de verschillende escapades mooi beschreven. Ze stalen strozakken en een kachel uit hun oude clubgebouw. Zelfs pikten ze een schrijfmachine uit het kantoor van een Duitse instantie en ze ontvoerden een geitje van een NSB’er. Na elke geslaagde actie stuurden ze een pesterig briefje ondertekend met ‘Cupido’ aan de slachtoffers of aan de politie.

Overval

In 1944 veranderde de toon van AndrĂ©s memoires. Onder leiding van hopman Herman Wagenaar beraamden hij en enkele andere verkenners een overval op het bevolkingsregister in hun stad. Wekenlang had AndrĂ© gespioneerd op het stadhuis en hij had – met hulp van een ambtenaar- een gedetailleerde plattegrond van het stadhuis gemaakt. Het doel was om de kluis open te breken, het bevolkingsregister te vernielen en formulieren, zegels en stempels voor persoonsbewijzen mee te nemen. Het padvindersmes werd opeens vervangen door een pistool en handgranaten. Op 15 februari 1944 was het zover. De groep opereerde bij nacht en was gemaskerd. Hopman Wagenaar droeg zijn marine-uniform om daarmee ‘als vertegenwoordiger van de wettige regering in Londen’ indruk te maken op de gemeentesecretaris, die ze in zijn woonhuis wilden gijzelen en van wie ze de sleutels van het stadhuis zouden eisen.

De actie loopt aanvankelijk volgens plan. De secretaris, een ‘goede’ Nederlander, geeft de sleutels af. Tijdens de eerste minuten van de overval heeft de man het licht in de vestibule laten branden. Dat kan iemand in de verduisterde stad zijn opgevallen – bijvoorbeeld de ‘overbuurman’, een door de Duitsers gevorderd garagebedrijf. Hennie Hoberg blijft bij de secretaris achter met een op scherp gezette handgranaat. De anderen fietsen naar de volgende ambtenaar in de Emmastraat. Ook hier bemachtigen zij een sleutel en Jan Hoberg blijft bij deze ambtenaar achter, ook met een handgranaat in zijn hand. Bij het verlaten van het huis kunnen zij door twee voorbijgangers zijn gezien, maar helemaal zeker is AndrĂ© van Elburg er niet van. Nadat hij ze even heeft gevolgd, laat hij ze verder gaan.

In het stadhuis wordt de kluisdeur geopend. Blikken trommels en waardevolle papieren zetten de overvallers klaar om mee te nemen. Als alles is verzameld, zal het bevolkingsregister met benzine worden overgoten en in brand worden gestoken. Dan blijkt er nog een sleutel te ontbreken van een brandvrije kist, waarin zich de nieuwe persoonsbewijzen bevinden. De hopman besluit de ontbrekende sleutel in de Emmastraat te gaan halen.
Plotseling komt de hopman weer buiten adem binnenstormen: ‘Alarm, alarm’. Haastig vertelt hij dat de jongens alles zo snel mogelijk mee moeten nemen en het gebouw moeten verlaten. Vlug wordt alles ingepakt. De een na de ander komen de jongens op de afgesproken plaats, het kantoor van Emilie Wagenaar, aan. Ze


Jaarboek 28, pagina 66

zijn er allemaal op een na. Jan Hoberg, die bij de ambtenaar in de Emmastraat op post is gezet, is er nog niet. Hij zal ook niet meer komen, nooit meer.

De hopman vertelt wat hij heeft meegemaakt. Als hij de sleutel gaat halen ziet hij dat het huis aan de Emmastraat omsingeld is door politie en nadat hij Hennie op de Kennemerstraatweg heeft gewaarschuwd, is hij zo vlug mogelijk teruggegaan naar het stadhuis. Het verband tussen het brandende ganglicht, de late voorbijgangers en wat volgt zal nooit te bewijzen zijn, maar op een of andere manier is de politie gewaarschuwd, die vermoedelijk meent met een gewone inbraak te maken te hebben.

Tot zover is het verslag gevolgd van André van Elburg. Hij worstelde de rest van zijn korte leven met de vraag of hij de dood van zijn broeder-verkenner had kunnen voorkomen, als hij de onbekenden niet had laten passeren. Op 1 juli 1946 sneuvelde hij als militair op Java. Herman Wagenaar stierf in 1995, zijn leven verziekt door een schuldgevoel over het verlies van een van zijn jongens.

Ik breek mijn woord nooit.
Ik breek mijn woord nooit.
Tekst bidprentje.
Tekst bidprentje.

Ter dood veroordeeld

Na zijn arrestatie zou Jan zijn mishandeld in Alkmaar. Zijn ouders hadden daar geen zekerheid over, zoals blijkt uit de mededelingen van zijn vader bij de opgave voor de Erelijst van gevallenen. Van Alkmaar werd Jan overgebracht naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. Zijn ouders hebben nog eens een briefje van hem gekregen waarin met een nagelrand de boodschap was geprikt: “Ik breek mijn woord nooit”, zoals op zijn bidprentje is vermeld.

Op 12 april 1944 werd hij overgeplaatst naar de gevangenis in Scheveningen. Op 13 april 1944 sprak na een zitting van een half uur het Polizeistandgericht drie doodvonnissen uit. Op 14 april 1944 werd hij – 18 jaar oud – samen met de twee anderen gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte. De laatste nacht bracht hij met zijn lotgenoten door op Ă©Ă©n strozak en 4 dekens, zoals een van hen schreef.

Officiële bekendmaking van de voltrekking van het doodvonnis aan Jan Hoberg en twee lotgenoten.
Officiële bekendmaking van de voltrekking van het doodvonnis aan Jan Hoberg en twee lotgenoten.

Indrukwekkend is de afscheidsbrief van Jan aan zijn ouders, broers en zusters, geschreven nadat hij op 13 april zijn doodvonnis had gehoord. Deze brief ontvingen zijn ouders pas na de executie. Toen zijn vader op de ochtend van de 14e april de krant uit de brievenbus haalde, las hij daarin de officiële bekendmaking van de voltrekking van het vonnis.


Afscheidsbrief van Jan Hoberg aan zijn ouders, broers en zusters

Lieve Pa, Moe, Hen, Aat, Leen, Ans en Dick,

Tot mijn grote verwondering werd ik gisteren 12 April overgeplaatst naar. Scheveningen. Vandaag 13-4-1944 wend ik uit mijn cel gehaald en moest ik mijn vonnis aanhoren.
Ik had niet gedacht dat het zo zwaar zou zijn, altijd heb ik nog gedacht dat ik er met gevangenisstraf vanaf zou komen, het heeft echter niet zo mogen zijn en met nog twee andere goeie Nederlanders heb ik mijn doodvonnis aangehoord.
Het vaderland eist zware offers. Ik hoop dat U het moedig zal dragen. Het ergste is zoo ‘n straf voor de achterblijvers en de familiededen.
Moeder, ik heb me voorbereid voor deze laatste reis en vertrouw dat ik U allemaal in het hiernamaals mag ontmoeten. Wilt U alle bekenden mijn laatste groet overbrengen. Mijn laatste gedachten zijn bij jullie allemaal. Ook tijdens mijn gevangenschap heb ik vaak aan jullie gedacht.
Wilt U ook een speciale groet overbrengen aan Tiny, die ik nooit heb kunnen vergeten. Ik zit nu in een cel met nog 2 veroordeelden. Pa en Moe ik wil U bedanken voor alles en alle moeite die U altijd voor me gedaan hebt. Als ik ook terug had gekomen, had ik me voorgenomen dat ik alles zoveel mogelijk had vergoed wat betreft hartelijkheid. Daar heb ik nooit in uitgeblonken, dat weet ik. Nu voor allen een zoen en een stevige hand voor ‘t laatst. Houdt U goed. Ik heb het ook moedig gedragen.

Leve de Koningin en Vaderland.
Jan


Lenie, een van de zusters van Jan, weet dat haar moeder op 13 april plotseling ernstig ziek was geworden. Zo ernstig dat de huisarts er een specialist bijhaalde, maar ook die kon geen oorzaak vinden. Op de ochtend van de 14e april was de kritieke toestand weer voorbij. Het moest haast wel dat ze de laatste uren van haar zoon zo heeft meebeleefd. Zijn dood heeft ze nooit goed kunnen verwerken. Ze had het gevoel het verdriet alleen te dragen.
Hennie Hoberg zette zijn illegale werk voort. Hij heeft er na de oorlog niet of nauwelijks over willen praten. Hij heeft een keer aan zijn vrouw verteld dat hij met hulp van illegale werkers in een lijkkist uit een politiebureau heeft kunnen ontsnappen. Angstdromen heeft hij zijn hele leven gehad. Met o.a. Joodse kinderen was hij in 1944 ondergedoken op een groot bovenhuis boven de Rotterdamse bank in Zutphen. Ondanks het feit dat hij vanwege de overval op het stadhuis in Alkmaar werd gezocht, bleef hij toch actief in het verzet. Vanaf het voorjaar van 1944 tot de bevrijding heeft hij samen met andere onderduikers een illegaal blad gemaakt, genaamd ‘De Frontloupe’, waarin berichten van de dagelijks beluisterde BBC over het verloop van de oorlog werden opgenomen en o.a. activiteiten van de Sicherheitsdienst en de Gestapo werden vermeld.

Vader Hoberg heeft na de oorlog de stoffelijke resten van zijn zoon Jan kunnen identificeren aan de hand van zijn boordje. De herbegrafenis vond plaats met militaire eer. Lenie weet nog dat ze met familie de stoet uit Den Haag hebben opgewacht bij de grens met Limmen en dat een heilige mis werd opgedragen in de St.-Pancratiuskerk. Padvindersgroepen in Alkmaar en Castricum namen als eerbetoon de naam van Jan Hoberg aan.

De Oorlogsgravenstichting verzorgde het graf en wilde het in 1986 met toestemming van de familie overbrengen naar de erebegraafplaats


Jaarboek 28, pagina 67

in Loenen. Helaas bleek bij de opgraving dat de stoffelijke resten waren geruimd. De grafsteen, die er nog wel stond, werd op verzoek van de stichting verwijderd. Enkele jaren later ontdekte de oud- hopman Herman Wagenaar, inmiddels in Valkenburg wonend, deze situatie. De verdwijning van het graf was voor hem onacceptabel en overeenkomstig zijn wens werd door het kerkbestuur een gedenksteen bij de ingang van de begraafplaats aangebracht.

Gedenkplaat voor Jan Hoberg bij de ingang van de R.-K. begraafplaats.
Gedenkplaat voor Jan Hoberg bij de ingang van de R.-K. begraafplaats.
Links op de foto Huibert van Ginhoven met zijn vader en moeder, broers en zusters. Vader J.A.J. van Ginhoven was achtereenvolgens hoofd van de christelijke lagere school in Marken, Oude Wetering en Barendrecht. De foto is genomen ter gelegenheid van zijn 25-jarig huwelijksfeest en zijn 25-jarig jubileum als schoolhoofd.
Links op de foto Huibert van Ginhoven met zijn vader en moeder, broers en zusters. Vader J.A.J. van Ginhoven was achtereenvolgens hoofd van de christelijke lagere school in Marken, Oude Wetering en Barendrecht. De foto is genomen ter gelegenheid van zijn 25-jarig huwelijksfeest en zijn 25-jarig jubileum als schoolhoofd.

Huibert van Ginhoven

Ook Huibert van Ginhoven wilde zijn aandeel leveren in de strijd tegen de vijand. Hij was er zich van bewust dat dat grote risico’s meebracht. Ondanks het feit dat hij een gezin had met zes kinderen, zag hij het als zijn plicht alles te doen wat in zijn vermogen lag. Zoals in het vonnis van het ‘Feldgericht’, de Krijgsraad, staat, heeft hij zich planmatig en intensief tegen Duitsland verzet. Hij deed alles wat in zijn vermogen lag om jonge mannen die naar Engeland wilden uitwijken te helpen en hij verzamelde zoveel mogelijk informatie over alles wat met het Duitse leger verband hield.

Zijn inzet kwam waarschijnlijk voor een groot deel voort uit zijn geloof. Hij was van huis uit lid van de Gereformeerde Kerk. De kerk verwierp de totalitaire staat en de beginselen van de NSB werden onverenigbaar verklaard met de geloofsbelijdenis.
Het Castricumse kerkgebouw stond aan de Beverwijkerstraatweg. In het voormalige kerkgebouw is nu (in 2005) een Body Slen-centrum gevestigd. Van Ginhoven bespeelde er van 1936 tot 1941 tijdens de kerkdiensten het bescheiden Liebig orgel. Hij was sinds 1931 lid van de Anti-revolutionaire partij en bestuurslid van de plaatselijke kiesvereniging.

Sociale zaken

Huibert van Ginhoven werd geboren op 26 december 1896 op het eiland Marken, waar zijn vader hoofd was van de christelijke lagere school. Daarna vervulde vader Van Ginhoven deze functie ook in Oude Wetering en Barendrecht.
In Barendrecht volgde Huib voortgezet onderwijs en vervolgens bezocht hij de kweekschool om net als zijn vader onderwijzer te worden. Korte tijd stond hij voor de klas, waarna hij van 1915 tot 1918 zijn dienstplicht vervulde. Daarna ging hij opnieuw lesgeven. Blijkbaar was dat toch niet wat hij zocht, want in Amsterdam ging hij op een boekhoudkantoor werken. Weer later vestigde hij zich als zelfstandig boekhouder en in 1932 ging hij aan het werk bij de dienst sociale zaken van de gemeente Amsterdam.

In 1922 trouwde hij met Carolina Cornelia Feij. In 1936 verhuisden ze van Amsterdam naar Castricum. Eerst woonde het gezin aan de Ruiterweg en in november 1938 betrokken ze een groter huis op het adres Torenstraat 69. Het echtpaar had toen zes kinderen, vijf zoons en een dochter. Het oudste kind was geboren in 1922 en de jongste in januari 1938 in Castricum.

Door zijn kerkelijke activiteiten en zijn politieke contacten raakte Van Ginhoven snel ingeburgerd. Afkomstig uit Amsterdam ervoer hij in Castricum toch wat conservatieve opvattingen en hij stak zijn mening dan niet onder stoelen of banken. Met kennissen Adrianus Eikelenboom, lid van de Kerkenraad van de Gereformeerde kerk en met Co Baart, die een wasserij had aan de Ruiterweg, ging hij graag in discussie over allerlei onderwerpen. Hij liet zich duidelijk gelden.


Jaarboek 28, pagina 68

Huibert van Ginhoven omstreeks 35 jaar.
Huibert van Ginhoven omstreeks 35 jaar.

Engelandvaart

Alles in hem verzette zich tegen het Duitse regiem. De maatregelen tegen de Joodse medeburgers wakkerden zijn weerzin nog meer aan. Al in het eerste oorlogsjaar zette Van Ginhoven zich in voor het vinden van onderduikadressen. Hij zou zelf ook mensen van Joodse afkomst in huis hebben gehad. Als vanzelfsprekend ontwikkelden zich zijn verzetsactiviteiten, waarbij hij vaak de hulp in riep van mensen uit zijn eigen kring van gereformeerden of leden van de Anti-revolutionaire partij. Hij verzamelde zoveel mogelijk informatie die van belang zou kunnen zijn voor de Nederlandse regering in Engeland. Ook riep hij daarbij de hulp in van anderen die bijvoorbeeld door hun werk van bepaalde bewegingen op de hoogte waren.

De Bakkummer Simon Belgraver op 60-jarige leeftijd in Australië. Als laborant leverde hij de stoffen die nodig waren voor het maken van vliegtuigbenzine.
De Bakkummer Simon Belgraver op 60-jarige leeftijd in Australië. Als laborant leverde hij de stoffen die nodig waren voor het maken van vliegtuigbenzine.

Een van de mensen die zich in 1940 bij zijn groep aansloot, was Simon Belgraver die aan de Stetweg in Bakkum woonde. Belgraver kwam in contact met G.J. Krösschell, woonachtig aan de Torenstraat, die weer in contact stond met de uitvoerder van de werkzaamheden voor de ombouw van het vliegveld Bergen. Op die manier kon Belgraver een tekening maken, die hij, volgens zijn eigen verklaring aan een contactpersoon van Van Ginhoven, bij een van de uitgangen van het Centraal Station in Amsterdam overhandigde. Die zou dan weer voor het verdere transport zorgen. Ook maakte Belgraver voor Van Ginhoven een schets van de werf in Haarlem waar Duitse onderzeeboten werden gerepareerd.

In het vonnis van de Krijgsraad van 4 oktober 1941 zijn veel details opgenomen van de bewezen geachte illegale activiteiten van Huibert van Ginhoven.
Hij stond kennelijk al in wijdere kring bekend als een tegenstander van de nieuwe machthebbers, want via een tussenpersoon werd in december 1940 de toen 22-jarige chemicus Lambertus Ligtvoet uit Amstelveen in zijn huis ondergebracht. Deze Lambertus, een vaandrig uit het Nederlandse leger, wilde hoe dan ook proberen in Engeland te komen om zich daar bij de krijgsmacht te voegen. Van Ginhoven wilde er alles aan doen om de overtocht mogelijk te maken, waarbij dan ook zijn verzamelde materiaal naar Engeland kon worden overgebracht. Ligtvoet verbleef bij hem van midden december 1940 tot begin maart 1941.

Van Ginhoven steunde nog twee andere mannen die naar Engeland wilden: elektrotechnicus Andreas Kop-Jansen uit Haarlem, die Van Ginhoven nog uit zijn jeugd kende en de vrachtwagenchauffeur Christian van ‘t Schip. Door bemiddeling en op zijn kosten zorgde hij steeds voor onderdak en levensonderhoud. Van Ginhoven riep met succes ook verschillende andere mensen op om de goede zaak met geld te steunen.

Begin februari 1941 hoorde Van Ginhoven van plannen om een vliegtuig naar Engeland te laten vertrekken. Er was vertraging omdat er niet genoeg benzine was. Ligtvoet zag als chemicus wel kans om gewone benzine te verbeteren tot vliegtuigbenzine. Van Ginhoven vroeg Simon Belgraver, die op het laboratorium van de Bataafse Petroleum Maatschappij (later Shell) werkte, om hulp. Die wist het benodigde materiaal uit het laboratorium te smokkelen en leverde het bij Van Ginhoven af. Nu het probleem van de brandstof was opgelost, konden de voorbereidingen worden vervolgd. De vlucht werd op het laatste moment vertraagd door de weersomstandigheden en tot overmaat van ramp verscheen in de hangar een onbekend gebleven man, die waarschuwde dat de Duitsers achter de plannen waren gekomen. Besloten werd de onderneming voorlopig af te blazen. Het door Van Ginhoven verstrekte pakket informatie dat meegenomen zou worden, werd weer bij hem teruggebracht.

V-Männer

Ligtvoet zag nu bij Van Ginhoven geen mogelijkheid meer om met diens hulp in Engeland te komen en nam in Amsterdam andere hulp in de arm. Tijdens deze escapade verscheen er een jonge man ten tonele, die zich voorstelde als Stellbrink. Die maakte Ligtvoet wijs dat er elke twee weken een vliegtuig tussen Engeland en Holland vloog. Maar hij moest wel spionagemateriaal meenemen en overdragen aan de officiële instanties in Engeland. Het betrof een


Jaarboek 28, pagina 69

gedetailleerde plattegrond van de Fokkerfabriek in Amsterdam. Tot 27 maart verbleef Ligtvoet in de woning van Stellbrink in Leiden en op die dag werd hij door een auto afgehaald voor zijn zogenaamde tocht naar Engeland. Het bleek een valstrik. In Wassenaar werd hij aangehouden en gearresteerd.

In deel 5 van het boek ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ onthult dr. L. de Jong dat Stellbrink lid was van de Abwehr, een dienst die zich bezig hield met contraspionage. Vier NSB’ers, waaronder Stellbrink, bekend onder de naam V-Männer, vormden het groepje Nederlandse verraders, dat de opdracht had steeds dieper in te dringen in de illegale groepen waarmee zij in contact kwamen.

Ligtvoet werd in de gevangenis van Scheveningen onder druk gezet om alle details van de plannen voor de Engelandvaart te onthullen. Van Ginhoven zette zich, onwetend van dit alles, nog steeds in voor de overtocht van Kop-Jansen en Van ‘t Schip. Op 8 mei 1941 ontmoette Van Ginhoven de twee in cafĂ© Central in Amsterdam. Vandaar vertrokken ze in een vrachtwagen naar Den Haag. In de buurt van Haarlem werden ook zij gearresteerd. Op de 8e mei zijn alle anderen die hulp hadden verleend of onderdak hadden geboden, ook opgepakt. In totaal 18 mannen werden in afwachting van hun vonnis in Scheveningen gevangen gezet.

Bij huiszoekingen werd bij de buurvrouw van Van Ginhoven een pakketje gevonden met de tekening die Belgraver had gemaakt van de veranderingen op het vliegveld Bergen en berichten bestemd voor Engeland. Dat pakketje was in de pedaalkast van de piano verstopt. Een zoon van Van Ginhoven had haar gevraagd er goed op te passen. In het gerechtelijk vonnis worden voorbeelden gegeven van de inhoud van de berichten zoals:

  • Marinetroepen uit Noord-Holland op zondagmiddag om 05.00 uur vertrokken volgens informatie van een luitenant op weg naar Spanje.
  • In een confectiefabriek in Noord-Brabant worden Turkse uniformen gemaakt.
  • Van de U88 staan 16 stukken in de duinen bij Bergen.
  • Langs de weg tussen Chaussee en Bio zijn betonnen startbanen gebouwd.
  • De oude werf van Conrad aan de Paul Krugerkade wordt vermoedelijk een basis voor torpedoboten.
  • Het Russenduin wordt een meteorologische post voor het leger.

De aanklager had het niet moeilijk om het bewijs te leveren dat Van Ginhoven geheime informatie verzamelde.

Van Ginhoven in de luchtvel van het huis van bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. De foto is gemaakt door een gevangenisbewaarder.
Van Ginhoven in de luchtvel van het huis van bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. De foto is gemaakt door een gevangenisbewaarder.

Doodvonnis

Op 29 september werden alle 18 mannen van de groep Van Ginhoven van het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen overgebracht naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. Het proces vond plaats op 2, 3 en 4 oktober 1941. Het ontkennen van de feiten was vanwege alle bewijsmateriaal zinloos.
Van Ginhoven en Ligtvoet kregen de doodstraf wegens begunstiging van de vijand in combinatie met verraad van staatsgeheimen. Uit het vonnis: “Derartige verantwortungslose Personen mĂĽssen nach der Ăśberzeugung des Gerichtes erbarmungslos ausgerottet werden.” De andere aangeklaagden werden veroordeeld van levenslange tuchthuisstraf tot tenminste drie jaren. Simon Belgraver, die componenten voor de verrijking van de benzine had geleverd en ook hulp had verleend bij het onder dak brengen van Ligtvoet en Van ‘t Schip, kreeg vier jaar tuchthuisstraf die hij in Duitsland onder verschrikkelijke omstandigheden doorbracht. In 1951 emigreerde Belgraver naar AustraliĂ«, waar hij opnieuw werk vond op een laboratorium. Hij heeft zijn hele verdere leven geleden onder zijn oorlogservaringen.
Krösschell werd vrijgesproken omdat zijn spionageactiviteiten verborgen bleven en hij volhield helemaal niets van de intenties van Van Ginhoven af te weten.

De uitvoering van de doodvonnissen van Van Ginhoven en Ligtvoet zou op 17 november 1941 plaatsvinden, maar deze werd uitgesteld omdat Ligtvoet een revisieproces zou krijgen. Bij dat proces moest Van Ginhoven als getuige optreden. Ligtvoet werd op de dag van het revisieproces, 11 februari 1942, opnieuw ter dood veroordeeld, maar op 16 maart kreeg hij gratie en werd zijn straf veranderd in levenslange gevangenisstraf, waarvoor ook hij naar Duitsland werd overgebracht.
Op 17 maart 1942 werd Van Ginhoven om twee minuten over vier ter dood gebracht op de schietbaan van Laren. Aan zijn vrouw en aan ieder kind persoonlijk heeft hij een afscheidsbrief geschreven.

Kees van Ginhoven: “Ik zat op de school met de Bijbel en werd door mijn zusje opgehaald en naar Amsterdam gebracht, waar wij op de Lekstraat op 1-hoog in aanwezigheid van familie, mijn moeder, broertje en zusje het tijdstip van vaders executie meemaakten.”

Johan van Ginhoven: “Mijn vader heeft er zeer onder geleden dat hij vijf maanden als ter dood veroordeelde in de gevangenis zat zonder dat er verandering in de toestand kwam, maar aan de andere kant was hij er God dankbaar voor dat hij een zo lange tijd kreeg om zich voor te bereiden, in tegenstelling tot vele anderen.”

Herinneringen

Kees van Ginhoven: “GeĂ«xecuteerden werden gecremeerd, de urn werd door een militair (die kreeg daarvoor een paar dagen extra verlof) naar Duitsland gebracht. In mijn vaders geval naar een begraafplaats ten oosten van Berlijn (de zogenaamde Franse begraafplaats). Na de oorlog werden de urnen opgespoord door de Oorlogsgravenstichting en overgebracht naar Erebegraafplaatsen. Het graf van mijn vader is op het Kriegsfriedhof in OsnabrĂĽck.


Jaarboek 28, pagina 70

Een paar weken na onze vaders dood moesten wij wegens de grootscheepse evacuatie onze woning aan de Torenstraat verlaten. Met een vrachtwagentje werd ons huisraad naar Friesland gereden; mijn zusje en ik zaten in de cabine naast de chauffeur. Mijn oudste broer (ook 6 maanden in de gevangenis opgesloten geweest) dook onder in Surhuisterveen; de op een na oudste dook onder op een boerderij in Ellecom de derde broer trok in bij een oom (tevens voogd) in de De Steeg (Gelderland).

Moeder, dochter en de jongste werden opgenomen door een boer Reinder de Vries in Opeinde (Smallingerland) en ik kwam op een kleine boerderij ook in Opeinde. Op de zolder van de school werden onze bezittingen opgeslagen. Die zolder is in 1944 in brand geraakt en daarbij verloren wij alle privé-spullen. Medio mei 1944 vond mijn moeder het te gevaarlijk worden op de boerderij en vertrok met de kinderen naar een ander adres. Zij kreeg op een verschrikkelijke manier gelijk; de boerderij van De Vries was het onderkomen van de leden van de knokploeg Smallingerland en het opvangcentrum voor neergeschoten geallieerde vliegers. Die familie De Vries bestond louter uit helden. Op 21 november 1944 vond er een overval plaats door Duitse militairen. Er volgde een schietpartij, waarbij ook twee zoons Jan en Marten de Vries het leven lieten. De boerderij ging in vlammen op. Er is veel gebeurd in Friesland.

Kees van Ginhoven en zijn moeder Cornelia Feij (1902-1990) bij het graf van Huibert in OsnabrĂĽck.
Kees van Ginhoven en zijn moeder Cornelia Feij (1902-1990) bij het graf van Huibert in OsnabrĂĽck.

In 1947 keerden moeder en de drie jongst en terug naar Castricum, om kort daarna te verhuizen naar Amsterdam in verband met de studie van de kinderen. Moeder kon het heen en weer gereis niet betalen.
Na de oorlog zijn alle kinderen geëmigreerd naar Canada. Ik ben teruggekeerd; emigratie had alles te maken met de treurige naoorlogse situatie in Nederland en veronachtzaming (door de gemeenschap, ook de kerk) van het leed dat ons gezin is overkomen.

Ligtvoet was in mei 1940 bij ons gezin ingekwartierd, evenals Jan, de later omgekomen oudste zoon van Pake de Vries. Ligtvoet is na de oorlog (tijdens de oorlog in de gevangenis in Duitsland) teruggekeerd naar Amsterdam, werd arts en heeft nog enkele jaren bij ons ingewoond in Amsterdam. Hij leed zeer onder zijn schuldgevoel (hij had het gevoel ten onrechte overleefd te hebben). Een aantal Van Ginhoven’s heeft de Yad Vashem-onderscheiding gekregen. Een aangetrouwde oom (Wijntje uit Vlaardingen die deze onderscheiding ook kreeg) heeft mijn oom Dick van Ginhoven (de dominee, broer van mijn vader) gewapenderhand uit de gevangenis bevrijd (zou anders ook geĂ«xecuteerd zijn). Mijn hele familie heeft in het verzet gezeten en Joden ondergebracht en gered.
De meesten van ons gezin en ikzelf ook hebben de nare ervaringen een eigen intieme plaats gegeven. Er werd niet over gepraat, het gezin was uit elkaar gespat. Emotioneel (het was allemaal te erg) is het contact tussen broers en zus nooit meer hersteld. Ook mijn moeder is overgegaan tot de orde van de dag; zij heeft tot op hoge leeftijd voor haar dagelijks brood moeten knokken en heeft het beste (resterende) deel van haar leven aan de opvoeding van haar thuiswonende kinderen gewijd (zij verdient de Militaire Willemsorde); zij heeft argwaan, jaloezie, kerkelijke bemoeizucht en gebrek aan steun van de Stichting 40-45 (ook uit trots) weerstaan.”

In 1946 werd bij de gemeentelijke sociale dienst in Amsterdam een gebrandschilderd gedenkraam geplaatst ter nagedachtenis aan Joodse ambtenaren en verzetsmensen van deze dienst, die in de oorlog omkwamen. Oud-collega’s brachten het geld daarvoor bij elkaar. Op dat raam staat ook de naam van Huibert van Ginhoven en de datum van zijn executie.

In Castricum zijn er de straatnamen die aan hem en aan zijn lotgenoten Jan Hoberg en Leo Toepoel herinneren. Bij de Hervormde kerk vinden we 36 oorlogsgraven van bemanningsleden van geallieerde vliegtuigen. In het park Noordend staat het herdenkingsmonument voor de gevallenen, vlak bij de plaatsen waar bij wijze van represaille 20 mannen werden doodgeschoten.
Zij mogen niet worden vergeten !

Niek Kaan

Bronnen:

  • Jong, L. de: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog o.a. delen 3 en 5.
  • Wal, J.Q. van der: Slachtoffers van de Rozendaalse Emma- pyramide.
  • Baarda S. en Valk G: Alkmaar in oorlogstijd 1940-1945.
  • Don Bosco Groep Alkmaar: Wat een tijd … gedenkboek 50 jaar Don Boscogroep 1991.
    Elburg, A. van: V erslag activiteiten Don Boscogroep in de oorlogsjaren.
  • Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie: uitspraak Feld- gericht inzake Van Ginhoven en 17 anderen d.d. 4-10-1941.
  • Opgaven Erelijst voor gevallenen.
  • Streekarchief Alkmaar: archief gemeente Castricum.
  • Gemeentearchief Amsterdam: gezinskaarten.
  • Informatie van: de heer en mevr. C L . Toepoel, Zr. Matthea Bakker, M. Hopman, mevr. A. Lute-Borst, mevr. T. Vos-Baltus, mevr. T. Wulp-Vergouw, D.J. Hoberg, mevr. H.C. Hoberg, mevr. M. Hoberg-van der Ven, H.R. Hoberg, mr. C.H. van Ginhoven, G. Eikelenboom, C.J. Baart, Th. S. Belgraver en mevr. S. Winter- Belgraver (AustraliĂ«).
Print Friendly, PDF & Email