Stolpboerderijen 2e deel (Jaarboek 28 2005 pg 16-25)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Stolpboerderijen:
deel 1deel 2deel 3deel 4 – deel 5deel 6deel 7


Jaarboek 28, pagina 16

 

Stolpboerderijen in Castricum en Bakkum (deel 2)

 

In het 26e jaarboekje werd in het kader van het ‘jaar van de stolpboerderij 2003′ een zevental boerderijen in Castricum en Bakkum onder de aandacht gebracht. Voor dit jaar is weer een zevental boerderijen min of meer willekeurig uitgekozen; een viertal gelegen in Castricum en drie in Bakkum. Ook deze boerderijen zijn niet meer in gebruik als bedrijfspand, maar zijn geschikt gemaakt voor bewoning. Een dergelijke verandering is meestal heel ingrijpend door de grootte van het pand en de algemene bouwkundige staat. Vaak leidt het tot omvangrijke werkzaamheden, zoals bij enkele boerderijen in foto’s tot uitdrukking is gebracht.

De boerderij in 2001 vanaf de zuidzijde, Oude Haarlemmerweg 46.
De boerderij in 2001 vanaf de zuidzijde, Oude Haarlemmerweg 46.
De ligging aan de Oude Haarlemmerweg.
De ligging aan de Oude Haarlemmerweg.

De boerderij aan de Oude Haarlemmerweg (nr 46)

Op 26 maart 1917 werd in opdracht van Simon Klaaszoon Beentjes een aanvraag ingediend door Gerrit Kabel, bouwmeester en werkbaas te Castricum, voor het bouwen van een burgerwoonhuis met boerderij ‘aan de oude weg, voorbij de gasfabriek’ te Castricum. Het perceel weiland waarop gebouwd werd, groot 6230 m2, had hij in 1914 gekocht voor 335,- gulden op een openbare veiling, gehouden in cafĂ© De Vriendschap te Castricum. Toen de boerderij, die gebouwd werd door Gerrit Kabel en Gerrit Borst, medio 1917 betrokken werd, verkocht Simon Beentjes zijn huis, schuur en erf, gelegen aan de Duynkant, achter het spoor. De gebouwde boerderij was toen wel gereed maar het woongedeelte nog niet, daarom werd de eerste tijd met de tien kinderen in de stal gewoond. Het afwerken van het woongedeelte betrof vooral het schilderwerk; vandaar dat Simon Beentjes een zoon opdracht gaf: “Haal jij even 5 kilo verf, dan schilder ik het zelf wel.”
Om meer melkvee te kunnen houden, werd in 1924 een houten schuur bijgebouwd en werden ook de stal en de dors vergroot, terwijl in 1929 de houten schuur vervangen werd door een grotere, gemetselde schuur.

In 1937 werd aan de zuidzijde van het woonhuis een serre geplaatst, waarvan de kosten toen op 125,- gulden waren begroot.
Na het overlijden van Simon Klaasz Beentjes, gehuwd met Hendrika Zonneveld, werd op 17 juli 1941 het onroerend goed over de kinderen verdeeld, ieder voor 14 onverdeeld aandeel: aan Maria Beentjes, Jacob Beentjes, Cornelis Beentjes en de nog minderjarige Simon Beentjes.
In 1942 werd ten overstaan van notaris Boerrigter te Alkmaar een nieuwe verdeling tot stand gebracht, waarbij Maria, Jacob en Simon Beentjes ieder 1/3 deel kregen toegewezen van het onroerend goed, dat toen bestond uit:

  • een woonhuis met schuur, aanhorigheden en teelland, groot totaal 17.578 m2;
  • een perceel weiland aan de Uitgeesterweg, groot 39.630 m2;
  • een perceel bouwland gelegen op de Zanderij aan de Gestichtsweg, groot 8398 m2.

 

In 1944 volgde na onderling overleg een nieuwe vastlegging van de toedeling, waarbij Maria Beentjes, wonende aan de Pernéstraat, gehuwd met Hendrikus Tavernen, tuinder te Castricum, het weiland aan de Uitgeesterweg kreeg toebedeeld. Jacob Beentjes, gehuwd met Annie Vennik en Simon Beentjes, gehuwd met Anna Cornelia Mors, beiden wonende aan de Oude Haarlemmerweg 46, kregen het woonhuis met schuur en teelland en het bouwland op de Zanderij toebedeeld.

Jaap Beentjes vertelde er nog wat van:
“We hadden een melkveehouderij met ongeveer 30 koeien en mijn broer Simon en ik hadden de taken verdeeld. Hij deed de handel en ik deed de melkveehouderij. Soms hadden we wel 60 koeien in het land. Een stier, een echte stamboekstier, hadden we ook, dekken deden we zelf, want die K.I., nee daar hielden wij niet zo van. Als de koe gekalfd had, verkochten we vaak de koe en het kalf samen. Dat bracht toch wat meer op. Het was eigenlijk wel een groot bedrijf zo af en toe, maar dan hielpen Kees van Duin en Wub van Weenen ons, dat ging goed. Twee paarden hadden we voor het normale werk, maar we konden er wel een paar, een stuk of vier, bij


Jaarboek 28, pagina 17

hebben voor de handel. Soms kochten we wel een spoorwagen vol paarden, afkomstig uit Duitsland, allemaal knipstaarten noemden we dat, want ze waren geknipt en geschoren omdat paardenhaar ook verhandeld werd.
In de oorlogstijd zaten hiernaast ook Duitse militairen, oudere soldaten van de Wehrmacht, waarmee we wel goede contacten hadden. Wij hadden voor 2 paarden vergunning en als we er meer hadden en er kwam controle, dan zeiden we dat het Duitse paarden waren en ja hoor, dat werkte.
In die tijd konden we hier in het ‘Sperrgebiet’ blijven wonen en werken, omdat het van belang was voor de voedselvoorziening. De meeste huizen waren toen leeg of bewoond door Duitse militairen. Jan Brakenhoff (Jan van Wub) en oom Jaap Beentjes (Kale Jaap van Gele Bank Beentjes) die mochten ook blijven. Kale Jaap Beentjes was al stokoud en woonde in het boerderijtje hier schuin tegenover naast het slootje; later zat Arie Molenaar er. Nu is het een parkeerterreintje. Gele Bank Beentjes woonde in het witte huisje hier in de straat.

In de jaren na 1970 kreeg ik allerlei lichamelijke problemen en het heeft eigenlijk jaren geduurd voor men er achter was wat er aan de hand was; nieren, bloedvaten. Maar het werk ging door, van de vroege ochtend tot de late avond, dat was je zo gewend. Tot ik op m’n knieĂ«n in de Zanderij een greppel probeerde open te graven en Arie Lute (blauwe Arie) dat zag: “Wat doe jij, stoppen en wegwezen!” Simon ging nog een tijdje door met een paar koetjes in de handel. Hij is in 1989 overleden door een ongeluk met een veewagen die werd aangereden, hier in Castricum in Molendijk. En ik rommel nog een beetje aan met wat geiten in de paardenbox, waarvoor een monitor met de hele dag beeld in de woonkamer is aangelegd, och man ik kan er de hele dag naar kijken. En een koppeltje kippen waar de vos soms op toeslaat als je ze even los laat lopen.
Het valt soms toch niet meer zo mee, ik kom niet verder dan de dam …”

Na het overlijden van Simon Beentjes in 1989 en het overlijden van Annie Vennik in 1999 is de boerderij in eigendom gekomen van Jacob (Jaap) Beentjes, die tot zijn overlijden op 10 september 2004 nog op de boerderij woonde. Annie Mors was inmiddels verhuisd naar Limmen.

In de serre woont Kim van Bellen, ‘opazegger’ van Simon Beentjes en achter de boerderij wonen Anita Mooij en Roy Beentjes, kleinkinderen van Jaap Beentjes.

Het woongedeelte van de boerderij aan de Breedeweg 77.
Het woongedeelte van de boerderij aan de Breedeweg 77.
De ligging aan de Breedeweg.
De ligging aan de Breedeweg.

De boerderij aan de Breedeweg (nr 77)

Uit de nalatenschap van Jan Glorie (1746-1813) kwam Nicolaas (Klaas) Glorie (1777-1835), veehouder te Castricum, in het bezit van ‘een huis en erf’, groot 1190 m2, gelegen aan de Breedeweg, met daarbij een weiland, groot 12.540 m2, een bos, groot 380 m2, een bos groot 410 m2 en een stuk weiland groot 37.930 m2. Klaas Glorie was in 1803 gehuwd met Antje Nanne en uit het huwelijk werden zeven kinderen geboren. Na het overlijden van Klaas Glorie in 1835 en zijn zoon Jan Glorie later in datzelfde jaar volgde een verdeling van de boedel. Antje Nanne bleef op de boerderij wonen; dochter Aafje kwam te overlijden in 1848 en na het overlijden van zoon Wulbert in 1852 volgde in 1853 een nieuwe verdeling van de goederen, zoals die op 20 juli bij notaris Willem Louis Sluyterman te Beverwijk werd vastgelegd ten behoeve van:

  • Antje Nanne, weduwe van Klaas Glorie, ‘doende boerenbedrijf’ te Castricum;
  • Frans Glorie, landman en als toeziend voogd over de minderjarige Maartje Glorie;
  • Aagje Glorie, huisvrouw van Andries Dekkers, landman te Heerhugowaard;
  • Aaltje Teeling, weduwe van Wulbert Glorie, ‘doende boeren- bedrijf’ te Heiloo;
  • Aagje Glorie, huisvrouw van Jan de Ruijter, wonende te Heemskerk;
  • Maartje Glorie, uit het huwelijk van Wulbert Glorie; Cornelis Glorie, landman wonende te Akersloot.

 

Frans Glorie, veehouder, geboren in 1813, verkreeg toen de boerderij als ‘huis en erf’ op 1290 m2 grond met bijbehorende weilanden en stukjes bos. Hij was gehuwd met Neeltje de Groot. In 1856 werd waarschijnlijk een schuurtje bijgebouwd en in 1892 is de boerderij overgegaan naar Wulbert Franszoon Glorie, geboren in 1854 te Castricum, gehuwd met Maartje Louter. Uit dit huwelijk werden aan de Breedeweg vier zoons geboren en als in 1928 Maartje Louter komt te overlijden, volgt een scheiding en deling van het eigendom, dat bestond uit een huis, hooiberging, erf en tuin aan de Oosterbuurt nr 23 en 24 op 2960 m2 grond.
Op 22 oktober 1928 werd bij notaris J.P. Stuyt te Castricum vastgelegd dat de erven Frans, Simon, Cornelis en Jan Glorie ieder 3/20 deel verkrijgen en de vader Wulbert Fransz Glorie 2/5 deel, dat het onroerend goed een waarde wordt toegekend van 6.000,- gulden en dat aan Jan Glorie delen worden uitgekeerd in contanten. De vier zoons oefenden verschillende beroepen in Castricum uit: Frans was winkelier, Simon tuinder, Cornelis bloemist en Jan was


Jaarboek 28, pagina 18

veehouder. Jan verkreeg de boerderij toen zijn vader in 1936 kwam te overlijden. In 1941 liet Jan Glorie een gierkelder en mestvaalt bijbouwen door aannemer Jac. de Nijs en Zoon en in 1945 volgde de bouw van een schuur. In 1955 werd het inwendige woongedeelte aangepast en is onder meer de voordeur verplaatst. Jan Glorie stopte met zijn melkveehouderij in 1966 en zijn zoon Piet, geboren in 1930, nam het bedrijf van hem over en in 1977 werd hij hoofdbewoner, omdat zijn vader naar ‘De Santmark’ ging. De boerderij aan de Breedeweg staat bekend als de boerderij van Glorie, met op nummer 77 de hoofdbewoner Piet Glorie en op nummer 75 zijn zuster GrĂ© Glorie met haar man Piet Idema.

De boerderij aan de Breedeweg 77 in 1950 vanaf de oostkant.
De boerderij aan de Breedeweg 77 in 1950 vanaf de oostkant.

Petrus Willebrordus Glorie

Gesprek met Piet Glorie in zijn geboortehuis, de boerderij aan de Breedeweg, vroeger ook Kerkweg geheten. Hij werd hier op 8 december 1930 geboren.

“Mijn vader was Johannes (Jan) Glorie, ook melkveehouder en mijn moeder Dorothea Buur en zij bracht drie kinderen ter wereld: mijn broer Willem was de eerste, toen kwam ik en daarna mijn zuster Rie. Mijn moeder is in 1934 overleden en in 1935 hertrouwde mijn vader, maar dat staat allemaal in het 7e jaarboekje beschreven. De lagere school heb ik doorlopen aan de Augustinusschool. Mijn broer ging na de Lagere School naar de Landbouwschool in Assendelft en toen ik van school kwam was het oorlogstijd en ik ging  niet verder naar school. Dat heb ik later wel ingehaald want toen was het noodzakelijk maar ook wel leuk om al die opleidingen en cursussen te doen. Een paar jaar geleden heb ik nog een cursus Engels gevolgd! Na de schooltijd hielp ik vader vaak in het bedrijf, melken had ik geleerd toen ik 12 jaar was, veel kijken en dan doen. Maar mijn handen waren niet zo groot en zijn altijd wel wat klein gebleven. Daarom vond ik de komst van melkmachines een uitkomst, veel gemakkelijker en vader deed het voor- en namelken. Die vond al dat nieuwe spul maar niks; hij heeft ook nooit op een trekker gezeten, “Geef mij maar een paard”, zei hij. Ja, die oorlogstijd, ik zie de Duitsers nog komen vanaf Uitgeest met paard en wagens, een hele stoet kwam eraan met veel oudere soldaten. Hier in de Oosterbuurt hadden ze erg veel paarden staan, wel een honderd bij Dam, Van der Hulst en bij Manus, Pieter en Trijntje Kuijs, die aan de overkant woonden. Wij hadden er ook een stuk of twintig op de dors staan. Die beesten trapten wel de houten vloer stuk en vraten het schot op, want paarden knagen graag. Die Duitsers om ons heen vonden wij als kinderen allemaal wel interessant, af en toe een snoepje, wisten wij veel. Erg veel last hadden we er in het begin eigenlijk niet van, later wel, er kwamen bunkers bij Piet Dam en een mitrailleuropstelling met soldaten uit de OekraĂŻne. En er werden boerderijen en huizen gesloopt om schootsveld te verkrijgen. Bij ons zijn toen veel iepen omgezaagd, we moesten het paard inleveren en af en toe een koe. Ook werd weiland gescheurd om aardappelen en vooral graan te verbouwen; dat moesten wij inleveren en iets ervan konden wij houden. Bieten verbouwden wij toen ook. Van school kregen wij in de zomer landbouwverlof om te helpen en zo groeide ik in dat boerenbedrijf met 16 stuks melkvee. Mijn broer Willem hielp ook wel mee, met melken en zo, maar hij is uiteindelijk naar de Hoogovens toe gegaan. In 1945 hadden we nog 12 melkkoeien over en ik was de boerenknecht, werkte mee en hielp ook wel bij Cor Spaans of bij Cor Kuijs met allerlei werk, ook met melken. Soms was dat niet zo leuk want dan kwam Thijs Schut, die had 5 of 6 koeien, bij vader langs met ‘Jan, kan je zoon niet effies helpen?’ en ja dan moest je wel.

Er kwam ook weer een paard, door vader zelf uitgekozen en op zondag gingen we uit rijden met de tilbury van Brandjes. Er kwam toen ook een stenen schuur, opgebouwd met gebikte stenen van de sloop van de Vinkebaan, daarin kon het paard gestald worden en 5 pinken.
In de jaren 1950 begon ik ook aan allerlei cursussen, landbouwtechniek, verloskunde, veeverzorging en dergelijke in Uitgeest, Heiloo of Alkmaar, op de fiets of op de brommer. Maar we gingen er ook wel uit hoor: met een koppeltje gingen we erop uit, op de fiets natuurlijk, weer of geen weer en we kwamen zelfs in Heerhugowaard terecht en ja, dan moet je weer terug ook!
Op de boerderij mooie tijden beleefd, vooral de hooitijd was prachtig. Willem hielp dan ook mee, een paar neven erbij en allemaal even sterk en werd er gewerkt hoor! En dan die geur van dat hooi, geweldig. Ja, hooi ruikt lekker kruidig, vooral als op het land natuurmest is gebruikt, het hooi is dan hard en ook een paard vindt dat lekker. Als je kunstmest gebruikt krijgt het gras een eenzijdige groei en wordt het slapper en ruikt minder lekker. We hadden 20 melkkoeien, 5 kalveren en 5 pinken, een normaal bedrijf, beperkt door de hoeveelheid land en stalruimte. En de melkopbrengst was redelijk goed.
Een paar varkens hadden we ook, meestal in de zomer als het paard in de wei liep, dan hadden we 2 varkens in de paardenstal, allesvreters, zelfs een kip die in het hok kwam werd opgevreten. We vonden alleen wat veren terug. Soms werd zo’n varken verkocht of geslacht. Ik ging dan mee naar het abattoir om het bloed op te vangen en dat ging naar de slager om er bloedworst van te maken.
In 1966, toen vader 68 jaar was geworden, is hij gestopt en heb ik het bedrijf overgenomen. Hard werken, dat wel en vrijgezel gebleven, maar die vrijgezellen zijn er meer hier in de buurt. Er kwam een trekker, een Ford, 17 pk, uit Schagen, gekocht bij Blauwboer en Kossen en later een tweede, weer een Ford, een 34 pk en dat waren goede machines. Je kon er alles aan hangen, de maaibalk of de cyclomaaier en die trekker moest wel sterk genoeg zijn. Dat werk met de maaibalk was moeilijker dan werken met de cyclo. Bij de maaibalk liepen de messen nog wel eens vast door vuil en proppen gras en dan moest je stoppen en achteruit. Met een trekker ging dat nog wel, maar


Jaarboek 28, pagina 19

als je er een paard voor had staan ging dat veel moeilijker. En de messen van de maaibalk raakten stomp en moesten dan geslepen worden en dat kostte weer tijd. Bij de cyclo kon je altijd doorgaan, een eenvoudige machine die wel veel lawaai maakte, dus altijd gehoorbeschermers op! Die laatste trekker heb ik nog, inmiddels 30 jaar oud en daar doe ik af en toe nog wel een klusje mee. De hooischudder die ik nog had, 15 jaar oud, is een tijdje terug met de ‘acrobaat’ naar een hobbyboer in de Haarlemmermeer gegaan en is daar in goede handen. Tegenwoordig is dat spul allemaal veel groter: trekkers van 100 pk, cyclomaaiers met 5 cyclo’s, 13 meter breed, schudders van 20 meter breed, ja hoe zich dat verder ontwikkelt en is het allemaal nodig?

Het bedrijf kon worden vergroot tot 25 stuks melkvee door ook wat land te pachten van Spaans. Ons land lag tot de Witte Brug aan weerszijden van de Uitgeesterweg: het Roobos aan de zuidkant en het Kuurveld aan de noordkant. Van de gemeente Limmen had ik het Kromme Stuk gekocht en dat is vorig jaar (2004?) door gebroeders Res overgenomen.
In de winter had je natuurlijk alle beesten binnen, zo rond de eerste november, alles bij de hand, gezellig, de buren kwamen vaak ‘effies buurten’. De gebroeders Castricum, Jan en Dirk van Pietje (ongehuwde zoons van Cornelis Castricum en Petronella (Pietje) Schermer), lieten hun vee wat langer buiten lopen, maar dan gaven die beesten ook minder melk. Die twee zaten op het land waar nu (in 2005) de volkstuintjes aan de Oosterbuurt zijn en zij woonden op het erf, waar de familie IJmker in 2002 woonde aan de Breedeweg, in het huisje wat nu garage is. De boerderij kon het allemaal aan, het is een grote stolp met 3 vierkanten en een staart en het is in de loop van de tijd aangepast. Er kwam een andere kamerindeling, de voorkant en ingang zijn gewijzigd, er kwam centrale verwarming en dergelijke. Ik woon hier nu een jaar of twintig, eerst woonde mijn broer hier in dit deel, maar hij ging naar de Marshallstraat, maar het woongedeelte was altijd opzij, waar nu mijn zuster woont. Het is een oude boerderij wel zo’n 200 jaar en vader zei vaak “een oude boerderij is voor een gulden nog te duur”. Je weet dat er veel onderhoud aan gedaan moet worden, maar hij is in goede staat. Er is wel wat houtworm, maar dat grenenhout kan wel wat hebben en je moet het goed in de gaten houden. In het dak is af en toe al een stuk vervangen en toen aan een kant de pannen wegzakten bleken de spijkers van de panlatten doorgeroest en dan moet je wel aan de gang. De pannen die er op liggen zijn oud Hollandse pannen en die gaan lang mee. Je kijkt er weliswaar doorheen, maar ze lekken niet, alleen bij stuifsneeuw en storm komt er wel eens wat sneeuw doorheen. Die rode pannen aan de zuidkant komen bij het Rode Kruisziekenhuis Beverwijk vandaan en alles ligt er knap bij. Klein onderhoud doen we zelf schoonmaken, schilderen, maar voor het grote werk heb je de vakman nodig,

Met de melkveehouderij ging het in de loop van de jaren steeds moeilijker: veel eisen, ingewikkelde regels over monstername, veel controle, administratie, mestproblemen, voorschriften, regels, andere regels, nieuwe regels. In 1992 moest er een mestsilo komen van 1000 m3, nee dat ging niet meer, een te grote investering. Na 1992 heb ik nog wel wat vetweiders gehad, maar toen de M.K.Z. (red; Mond en Klauw Zeer) crisis kwam heb ik er een streep onder gezet.

Nu besteed ik de tijd aan mezelf, genieten van de dingen om mij heen, ‘s morgens vroeg op de fiets de polder in, prachtig wat je dan ziet en die rust. En natuurlijk heb ik mijn tuin, ja ik red dat wel. En natuurlijk ben ik nog lid van de L.T.O. (red: Land- en Tuinbouw Organisatie) en voor het lezen van het vakblad ga ik rustig zitten.”

De zuidzijde van de boerderij aan de Breedeweg 75, waar P. Idema en Gré Glorie wonen.
De zuidzijde van de boerderij aan de Breedeweg 75, waar P. Idema en Gré Glorie wonen.
 De boerderij en schuren gezien vanaf de Breedeweg vanaf de noordwestzijde.
De boerderij en schuren gezien vanaf de Breedeweg vanaf de noordwestzijde.

De boerderij aan de Breedeweg (nr 75)

In de boerderij op nummer 75 aan de Breedeweg wonen Piet Idema en Gré Glorie al sedert 1986, toen haar ouders uit de boerderij naar de Santmark gingen. Pieter Idema werd op 16 februari 1938 te Alkmaar geboren als zoon van Thimotheus (Thijs) Idema, kruidenier en Anna Dekker; hij bracht zijn jeugd in Alkmaar door in de omgeving van de watertoren, volgde zijn vakopleiding aan de Ambachtschool aan de Bergerweg en werkte na zijn militaire diensttijd (in Alkmaar) o.a. bij machinefabriek Hulskamp aan de Frieseweg te Alkmaar.

Op 31 maart 1967 trouwde hij met GrĂ© Glorie, die hij had leren kennen in ‘het Wapen van Heemskerk’ te Alkmaar. Zij was geboren op 4 maart 1943 te Castricum, dochter van Johannes Glorie en Guurtje van Twuijver. Zij vertelden:

“Piet ging als elektrisch lasser werken bij Hoogovens, tegenwoordig Corus, bij de afdeling Sporenonderhoud en wij kregen een woning in Beverwijk toegewezen aan de ltaliĂ«laan, een flat op de derde etage met vier kamers. We hadden daar een gezellige tijd, leuke buren, veel Hoogovenmensen, een mooie ruime woning met een heel fraai uitzicht. Onze twee zoons zijn in Beverwijk geboren, Tim Idema in 1968 en Peter Idema in 1970.
Het beviel ons daar heel goed en na zes jaar konden wij op de eerste etage gaan wonen. Piet had altijd wel gezegd, stel toch dat je aan de Breedeweg in Castricum kon wonen, maar voor Gré hoefde dat


Jaarboek 28, pagina 20

niet echt. Tot in 1986 de mogelijkheid ontstond om in de boerderij aan de Breedeweg te komen wonen toen vader en moeder naar de Santmark gingen, ja, het is wel je geboortehuis.
Het was wel kleiner dan in Beverwijk en de jongens reageerden verdeeld op het plan. Maar in 1986 verhuisden we, tijdens de Elfstedentocht, naar Castricum.
En het is hier prettig wonen, fraai uitzicht, behalve in de periode van mei tot september als de maĂŻs op het land hiernaast wel tot meer dan drie meter hoogte komt, dan is je uitzicht weg. Piet heeft hier net als in Beverwijk een tuin, op het complex Breedeweg, het voormalige stuk weiland van Jan van Pietje, want de tuin hiernaast was helemaal in gebruik. GrĂ© werkt in Alkmaar als vrijwilliger in het Verzorgingstehuis voor Bejaarden ‘De Vleugels’ en ook Piet heeft zijn bedoening sedert zijn afscheid van Hoogovens. Het bevalt ons hier prima, we houden contact met de buurtjes, zoals de oude mevrouw Kuijs op nummer 74 en genieten van de ruimte, hoewel je er natuurlijk aan gewend bent.

Het is toch te hopen dat ons buurtje en de Breedeweg ook in de toekomst zo landelijk zullen kunnen blijven.”

De voorzijde van de boerderij aan de Breedeweg 49.
De voorzijde van de boerderij aan de Breedeweg 49.
De ligging aan de Breedeweg.
De ligging aan de Breedeweg.
De situatie omstreeks 1830.
De situatie omstreeks 1830.

De boerderij aan de Breedeweg (nr 49)

De ontstaansgeschiedenis van deze boerderij is vooral door de kleine stukjes grond en oude bebouwingen niet altijd duidelijk geweest. Daarom eerst de situatie omstreeks 1835 die hierbij is aangegeven.

Fulps Ranke, geboren in 1768, bekende metselaarsbaas wonende in de Kerkbuurt, kocht op 1 augustus 1806 van Maarten Groentjes een huis genaamd ‘het Klop’ en erf met tuinen gelegen in sectie B en wel een tuin: nummer 472 (groot 131 m2), een huis en erf: nummer 473 (groot 112 m2) en een tuin: nummer 474 (groot 380 m2), samen groot 623 m2 en gelegen aan de Oosterbuurt.
In 1835 kwam het geheel op naam te staan van zijn dochter Grietje Ranke, gehuwd met Arie Duijn, landman te Castricum. Grietje Ranke kwam in 1858 te overlijden, waarna op 16 december 1858, op verzoek van haar kinderen Maarten Duijn, Aaltje Duijn en Willemijntje Stuifbergen, weduwe van Jan Duijn, een publieke verkoping werd gehouden. Neeltje Hoefgeest, ongehuwd, afkomstig uit Heerhugowaard, werd voor 460,- gulden eigenaar van het huis toen genaamd het ‘Klopjeshuisje’ met de twee genoemde tuintjes.
In 1871 werd het huisje verkocht aan Gerrit Pietersz Gijzen uit Heemkerk, waarna het met de omliggende grond in 1872 eigendom wordt van Dirk Pietersz Schotvanger en 1078 m2 groot was. Hij bouwde een huis (boerderij) en schuur en verkreeg daardoor een nieuw kadastraal nummer: in sectie B nr. 1221.
In 1903 werd Dirk Schotvanger, bloemkweker en landman te Castricum, de eigenaar van het huis, erf en de schuur en van de tuin. Na enkele jaren volgde in 1911 de verkoop van het huis en de tuin aan Theodorus (Dorus) Kuijs, bloemkweker, die woonde aan de Breedeweg nr 29. Hij was gehuwd met Guurtje Stuijt. In 1920 volgde samenvoeging met een stuk bloembollenland van 2170 m2 en bouwland van 2070 m2, waardoor het geheel kwam te bestaan uit een huis, schuur, tuin en bouwland, groot 8096 m2.
Omdat Dorus Kuijs als eigenaar niet aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen van zijn in 1925 aangegane hypotheek werd op 21 april 1931 een openbare verkoping gehouden in cafĂ© ‘Funadama’ aan de Dorpsstraat. Hierbij werd het huis, erf en schuur aan de Breedeweg met 881 m2 grond geveild als een gedeelte van het gehele bezit, bestaande uit bouwland, weiland en tuin ter grootte van in totaal 23.326 m2.
De nieuwe eigenaar werd Pieter Jansz Kuijs, veehouder aan de Burgemeester Mooijstraat 21 te Castricum, die ook achterliggend tuinland verkreeg, waardoor de boerderij, erf en schuur 4285 m2 grond had. In 1953 verkocht Pieter Jansz Kuijs de boerenwoning met aanhorigheden, schuur, erf en tuinland, staande en gelegen aan de Breedeweg nr 49 voor 8.000,- gulden aan Adriana Engelina Hopman, echtgenote van Cornelis (Cor) Kuijs, landbouwer te Castricum, zoon van Dorus Kuijs en Guurtje Stuijt. Cor was op 12 mei 1920 in de boerderij geboren, was slager van beroep en trouwde in 1949 met Adriana Engelina Hopman, geboren op 18 november 1920 te Castricum, dochter van Adrianus Hopman en Antje Zonneveld.

Cor vertelde er over: “Ik wilde altijd bakker of slager worden en uiteindelijk ben ik bij slager Kees Admiraal begonnen. Moeder kocht 2 witte jasjes en voorschoten en 2 paar gele klompen en ben begonnen, je leerde het zo maar in het werk. In 1949 kregen wij een


Jaarboek 28, pagina 21

huis toegewezen in de Schoolstraat en bij mijn dagelijkse rondgang langs de klanten hoorde ik dat Piet Kuijs de boerderij, waar moeder nog in woonde, wilde verkopen en ik hoorde de prijs ook al! Ik naar huis en vertelde mijn vrouw dat en we besloten te kopen. Nou Piet keek wel op, maar we kochten het, op naam van mijn vrouw, mijn moeder ging met haar dochter naar de Schoolstraat en wij naar de Breedeweg. Daar ben ik ook met kippen begonnen, 28 kippen met hok gekocht van de overbuurman en de eerste dag had ik 26 eieren. Ja, wat moet je dan: die een eitje, en die, maar de volgende dag weer 25 eieren!

Zo begon Cor Kuijs met zijn kippen.
Zo begon Cor Kuijs met zijn kippen.
Cor Kuijs vent zijn eieren uit.
Cor Kuijs vent zijn eieren uit.

Iedereen werd ingespannen, lopend, met de fiets, met een brommer en zo is het met die kippen en eieren begonnen. Mijn vrouw hield overdag de kippen bij en ik deed dat ‘s avonds. Zonder mijn vrouw had ik dat echt niet gered.
In 1961 naam ik een schuur van Klaas Veldt over en mijn schoonvader bouwde er later nog eens 27 meter tegenaan. De kippen liepen aanvankelijk los, maar toen wij in Brabant legbatterijen hadden gezien, zeiden wij tegen elkaar, oh zo moet het dus. Stap voor stap werd het systeem gewijzigd en op het laatst had ik in de schuren, in legbatterijen, wel 5000 kippen; een echt hoenderparkbedrijf met een auto. De eerste auto, ik weet het nog heel goed, was een Ford Cortina, gekocht voor 6000,- gulden.
Daarnaast heb ik ook nog 8 melkkoeien gehad en ik deed ook in bollen op een stuk land van een bunder aan de Papenberg. En maar werken, maar je verdiende wat en dat verzachtte de arbeid. Dat werken ging door tot het in 1972-1973 niet meer ging en op doktersadvies ben ik gestopt. Da’s al een hele tijd geleden.

Sjaan Kuijs - Hopman met een vetweider die 'achter' liep.
Sjaan Kuijs – Hopman met een vetweider die ‘achter’ liep.

Mijn vrouw Sjaan Hopman was een geweldenaar, die ook in staat was veel werk te verzetten; zij is helaas op 7 september 1992 overleden. Onze vier dochters, die inmiddels getrouwd zijn en gelukkig in de buurt wonen, houden mij in de gaten, helpen mij en komen regelmatig langs.
En zo gaat het allemaal nog wel en ik zit hier aan de Breedeweg toch ook wel goed, vertrouwd, dat is het.”

Het zicht op de boerderij vanaf de Rollerusstraat.
Het zicht op de boerderij vanaf de Rollerusstraat.
De ligging aan de Rollerusstraat.
De ligging aan de Rollerusstraat.

Boerderij aan de Rollerusstraat (nr 1)

Jacobus Scholting verkoopt in 1842 een stuk land aan de Breedeweg ter grootte van 20.700 m2 aan Pieter Schotvanger, boer en landman, die sedert 1829 gebruiker/bewoner was van de bestaande oude boerderij. Hij was gehuwd met Arendje Kuijs en uit het huwelijk werden vier kinderen geboren.
Na het overlijden van Pieter Schotvanger in 1861 verkreeg Arendje Kuijs, landbouwster, met haar minderjarige kinderen Jannetje, Pieter, Klaas en Jacob het weiland en de boerderij met huis en erf. De oude boerderij werd in 1873 gesloopt en een nieuwe boerderij (groot 18 x 20 meter) gebouwd.
In 1886 werd Lucia Roskam, weduwe van Klaas Schotvanger, te Egmond-Binnen mede-eigenaar van het huis, samen met Arendje Kuijs en werden zij ook de nieuwe eigenaar van het weiland. In 1898 volgde een boedelscheiding en werd Gerrit Albrink, landman te Uitgeest, bij een openbare verkoping de eigenaar van het huis en erf, groot 4280 m2, die het kort daarna verkocht aan Wilhelmus Hendrikus de Wildt, landman te Uitgeest, wonend aan de Langebuurt.


Jaarboek 28, pagina 22

De zuidoostzijde van de boerderij aan de Rollerusstraat 1.
De zuidoostzijde van de boerderij aan de Rollerusstraat 1.

Jacob Pietersz Schotvanger werd de eigenaar van het weiland en zijn weduwe Grietje Kuijs verkocht het weiland in 1924 aan Wilhelmus Hendrikus de Wildt. Na zijn overlijden in 1934 kwam het geheel op naam te staan van zijn weduwe, Anna Maria Leek.

In 1941 vond verkoop plaats aan Jacobus Johannes de Wildt, wonende te Beverwijk die het door verkocht aan Lucas Aardenburg, directeur van de gelijknamige N.V. uit Beverwijk.
In 1942 werd de boerderij betrokken door de familie Dirk Brandjes, die de boerderij aan de Oosterbuurt 2 moest verlaten op gezag van de Duitse bezetter. De hele inboedel en de 28 melkkoeien moesten in twee dagen worden overgebracht en tot eind 1952 verbleven zij aan de Breedeweg, tot de herbouwde boerderij aan de Oosterbuurt kon worden betrokken.

Inmiddels was Theodorus W. de Wildt sedert maart 1954 de huurder/gebruiker van de boerderij geworden en oefende er zijn melkveehouderij uit tot 1970. In 1955 vond verkoop plaats van een perceel weiland aan Petrus C.W. de Wildt, veehouder te Castricum, die in 1959 nog een stuk weiland overnam met een gedeelte van een zomerhuis en in 1965 werd door Lucas Aardenburg weer een stuk weiland afgestaan, ditmaal ter grootte van 10.000 m2, voor een nieuwe straat, de Rollerusstraat, en voor woningbouw.

Op 20juli 1971 verkocht Lucas Aardenburg de boerderij, inmiddels aan de Rollerusstraat nr 1 gelegen, met ca. 2000 m grond aan Theodorus de Wildt, bloembollenkweker, geboren op 8 februari 1925, gehuwd met Wilhelmina Brendel. Na de overname maakte hij de boerderij geschikt voor bewoning en liet in de kap een dakkapel aanbrengen. Na het overlijden van Theodorus de Wildt op 30 december 1994 kwam de boerderij op naam te staan van zijn vrouw Wilhelmina Brendel en de vijf kinderen. De grote, statige boerderij, met een nokhoogte van ruim 16 meter, wordt nu bewoond door Wilhelmina de Wildt – Brendel en haar zoon Jan de Wildt, die ongehuwd is; het achterste gedeelte wordt bewoond door twee neven van de familie.

De boerderij aan de Schulpstet 7 vanaf de westzijde.
De boerderij aan de Schulpstet 7 vanaf de westzijde.
De ligging aan het Schulpstet.
De ligging aan het Schulpstet.
De situatie omstreeks 1830.
De situatie omstreeks 1830.

Boerderij aan het Schulpstet (nr 7)

De boerderij aan het Schulpstet dateert van voor 1820, is van oorsprong een Noord-Hollandse stolpboerderij en werd altijd door meerdere gezinnen bewoond. In 1830 werd de boerderij bewoond door de twee eigenaren: Pieter Ranke, geboren in 1785 te Bergen, schelpenvisser, gehuwd met Grietje Hollander, geboren in 1784 te Heiloo en Jan van Beek, ook schelpenvisser van beroep, gehuwd met Grietje IJpelaan; zij hadden zes kinderen.
Op 1 maart 1834 verkocht Grietje IJpelaan de boerderij, die zij verkregen had bij het overlijden van haar ouders, aan Lammert Nijman, die in Castricum woonde. In 1848 kwam het huis in bezit van de erfgenamen van Lammert Nijman en zijn vrouw Antje Lotten.

Doordat er sprake was van wanbetaling van de schulden volgde in 1860 een publieke verkoping en kwam het huis en erf in bezit van Dirk Belleman, wagenmaker, wonende te Egmond aan den Hoef, waarvan Dirk 1/3 deel overdroeg aan Hermanus Josephus Belleman, wonende te Castricum.
In 1864 werd het huis vergroot en in 1865 nam Hermanus Josephus Belleman, wagenmaker te Castricum, het 2/3 deel over van Dirk Belleman en bestond het bezit uit:
– een huis en erf, gelegen in sectie B, nr. 917, groot 27142m ;
– een huis, gelegen in sectie B,nr.918, groot 36 m2, tezamen 750 m2.
Herman Belleman had in 1861 een stuk bouwland gekocht ter grootte van 2450 m2, gelegen aan de zuidkant van het huis; in 1869 werd aan het huis een verbouwing uitgevoerd.

Floris Cornelisz Twisk jr., wagenmaker, timmerman en veehouder, kocht het huis, waarin een wagenmakerij, het erf en het bouwland aan het Schulpstet in 1883 en liet in het jaar 1892 een verbouwing in het huis uitvoeren en ‘een bijbouw’ plaatsen. Het geheel bestond toen uit een huis met erf en een huis, gelegen aan het Schulpstet, sectie B, nr. 1159, groot 750 m2.
Anthonie (Toon) Lute, geboren in 1861 te Castricum, arbeider, tuinder, vrachtrijder en schelpenvisser, kocht het huis op 19 juli 1916. Hij woonde vanaf 1884 in de boerderij en was gehuwd met Antje Sweeren. Uit het huwelijk werden aan het Schulpstet dertien kinderen geboren. (Zie het 8e jaarboekje.)
Toen Antje Sweeren in 1919 overleed, volgde een scheiding en verdeling van het onroerend goed. Zoon Toon Lute, landbouwer,


Jaarboek 28, pagina 23

De boerderij aan de Schulpstet 7 vanaf de noordzijde.
De boerderij aan de Schulpstet 7 vanaf de noordzijde.

werd in 1926 eigenaar van het woonhuis, toen hij het voor 4.000,- gulden kocht van zijn vader Toon Lute; hij nam toen ook van Floris Twisk een stuk bouwland en erf over, groot 931 m2. In oktober 1936 kwamen bij een openbare verkoping in cafĂ© Willem Borst te Bakkum ‘de drie woningen onder een dak’ ter grootte van 1681 m2 in bezit van Nicolaas Lute, geboren in 1914 te Castricum. Nicolaas Lute, gehuwd met Catharina Admiraal, ging er in 1942 met zijn gezin wonen.

In het oorlogsjaar 1944 werd op 1 februari een vordering ingesteld tot onteigening. Het huis zou worden gesloopt om schootsveld te verkrijgen voor de Duitse bezettingstroepen. Het gezin van Nicolaas Lute kon onderdak krijgen in Koog aan de Zaan en heeft daar een jaar gewoond. Medio 1945 konden zij weer terugkeren naar het Schulpstet, waar de boerderij gelukkig gespaard was gebleven. In 1946 volgde door de Staat weer de toewijzing van het eigendom van het huis met 3 woningen, bergplaats en erf, gelegen sectie B nr. 4231, groot 1408 m2 aan Nicolaas Lute, arbeider te Castricum. Een herkartering (red: opnieuw in kaart brengen) vond plaats in 1948 en het onroerend goed werd toen omschreven als huis met 3 woningen, bergplaats en erf aan het Schulpstet, gelegen in sectie A, nr. 1130, groot 1320 m2.

Aan het eind van 1949 werd de boerderij bewoond door 19 familieleden: op nr 7 het gezin van Nicolaas Lute en Catharina Admiraal met 6 kinderen, op nr 9 zijn broer Anthonie Lute en Johanna C. Zonneveld met 3 kinderen, op nr 11 zijn grootvader Anthonie Lute en op nr 13 woonden zijn vader Anthonie Lute en Cornelia Hollenberg met hun dochter. Rond 1960 waren er zelfs 25 familieleden ondergebracht.

Vader Toon Lute had zijn hart en ziel aan het strand verloren en heeft heel wat spullen van het strand gejut, vooral hout, waarvan ook de schuur werd gebouwd, waarbij later ook stenen van gesloopte woningen die langs het spoor stonden, werden verwerkt. Zijn zoon Nico was heel creatief, metselde en timmerde in zijn vrije tijd heel veel rondom het huis. Hij werkte bij Hoogovens, afdeling Transport en heeft lange tijd op de bekende stoomkraan 14, de laatste stoomkraan van het bedrijf, zijn specialistische hijswerk gedaan. Door het overlijden van Nicolaas Lute op 4 november 1974 werd in december daaraanvolgend een boedelscheiding doorgevoerd voor het woonhuis met daarin drie woningen (Schulpstet 7, 9 en 13) en omliggende grond. Catharina Admiraal, geboren in 1917 te Egmond-Binnen, weduwe van Nicolaas Lute, werd na afwikkeling van de boedelscheiding de eigenares.
In 1977 werd Wilhelmus (Wim) Lute, geboren in 1950 te Castricum, metselaar van beroep, eigenaar van de twee woningen, huis, erf en werkplaats, gelegen aan de Schulpstet 7, 9 en 13, met als mede-eigenaar voor Schulpstet 7 Catharina Admiraal, weduwe van Nicolaas Lute.


Jaarboek 28, pagina 24

Hij heeft erg veel gedaan om de oude boerderij in- en uitwendig op te knappen, de tuin om het huis aan te passen en heeft daarbij veel steun gehad van de familie, want de banden zijn zeer hecht!

Het huis wordt nu bewoond door Wim Lute, gehuwd met Lia Jacet op nr 9, zijn moeder Catharina Lute-Admiraal op nr 7 en zijn tante Anna Maria Lute, gehuwd met Willem Jacobus Jong op nr 13.

De noordkant van de boerderij aan de Heereweg 77.
De noordkant van de boerderij aan de Heereweg 77.
De ligging aan de Heereweg.
De ligging aan de Heereweg.

Boerderij aan de Heereweg (nr 77)

Aan het eind van de 19e eeuw lag een groot stuk weiland aan de Heereweg, kadastraal sectie A, nr. 622, groot 22.860 m2, dat sedert 1878 eigendom was van een adellijke familie wonende te Turijn, Italië. In het jaar 1899 werd als eigenaar aangegeven prins Emanuel Philibert van Savoye, hertog van Aosta, wonende te Turijn en mede-eigenaren prins Victor Emanuel van Savoye, graaf van Turijn en prins Louis van Savoye, hertog van de Abruzzen. In 1912 volgde verkoop van het stuk weiland aan Jean Marie de Sonnaville, rentenier te Alkmaar met als mede-eigenaren Jacques Francois Moens en Paulus Hendrik Burger.
In augustus 1912 volgde een splitsing van de goederen en daaruit verkreeg Dirk Cornelis Twisk een stuk weiland ter grootte van 15.600 m2. Dirk Twisk was geboren in 1866, landbouwer en koopman, en woonde in de boerderij aan de Heereweg, hoek Bleumerweg. (Zie hiervoor ‘De Castricumse Familie Twisk‘ in het 10e jaarboekje.) Op 12 januari 1918 diende Dirk Twisk een bouwaanvraag in bij de gemeente Castricum voor een boerderij annex woning aan de Bakkummerstraat, waarvoor hij op 14 februari 1918 toestemming kreeg. De boerderij, gebouwd door J. Weel, bouwmeester en werkbaas te Castricum, werd bestemd voor de melkveehouderij met 15.600 m2 grond. Omdat de ruimte voor het melkvee te klein was geworden, werden in 1927 twee schuurtjes bijgebouwd om o.a. kalveren te stallen.
In 1930 was de boerderij bewoond door Theodorus (Doris) Twisk, zoon van Dirk Twisk, geboren in 1899, veehouder en tuinder, gehuwd met Trijntje Borst, uit welk huwelijk acht kinderen werden geboren. In september 1936, nadat Dirk Twisk op 17 juli 1936 was overleden, volgde de verkoop van de boerderij aan de Stichting ‘Het Hofje van Nicolaas van Beeresteijn‘ gevestigd te Haarlem, die in 1938 een inwendige verbouwing liet uitvoeren, waarbij onder meer de dakkapel aan de voorzijde werd geplaatst. Later, in 1941, werd een gewapend betonnen gierkelder aangebracht. Een verbouwing werd uitgevoerd in 1962 in het kader van woningverbetering met herindeling door aannemer J. Borst, die het werk op 26 februari 1962 gereed meldde.
In 1969 werd de boerderij met schuren en weiland van de Stichting gekocht door Gerardus Theodorus Twisk, geboren in 1929, zoon van Doris Twisk. De melkveehouderij werd voortgezet met een 20- tal melkkoeien en ca. 12 kalveren.
In 1983 volgde na een hermeting de overname van een stuk weiland van 400 m2 door B.V. de Kennemerstaten Beheer te Alkmaar en werd een splitsing doorgevoerd, waardoor 2 perceelnummers ontstonden:
Heereweg, sectie A, nr. 1800, weiland, grootte 7820 m2, dat in 1983 verkocht werd aan B.V. Kennemerstaten Beheer;
Heereweg, sectie A, nr. 1801, huis, schuren en weiland, grootte 7313 m2, de huidige situatie.

In deze fraaie en goed onderhouden boerderij aan de Heereweg wonen nu (in 2005), behalve Gerard Twisk, tot 1975 veehouder en daarna terreinmeester bij de gemeente Castricum en zijn vrouw Pieternella Koens, ook hun zoon Paulus Twisk, bedrijfskundige, gehuwd met Theresa Budrini en hun twee kinderen.

De boerderij aan de Madeweg 2 in 1953.
De boerderij aan de Madeweg 2 in 1953.
De ligging aan de Madeweg.
De ligging aan de Madeweg.

Boerderij ‘op Hoop van Zegen’ aan de Madeweg (nr 2)

In 1878 werd te Castricum een publieke verkoping gehouden van onroerende goederen die in bezit waren van Marianne van Hogendorp, rentenierster, wonende te ‘s-Gravenhage, echtgenote van mr. Dirk Graaf van Hogendorp.
Een stuk bouwland, dat tot deze goederen behoorde, werd in 1881 gekocht door Jacobus Jansz Apeldoorn, kastelein en landman te Egmond-Binnen; het bouwland was gelegen in de gemeente Castricum, (Bakkum), kadastraal sectie A, nr. 106, groot 19.930 m2.
In 1898 verkocht Jacobus Apeldoorn dit perceel als weiland aan Jan Cornelisz Twisk, landman en veehouder te Castricum, die het doorverkocht aan Jan Cornelisz Meijne, landman en veehouder te Egmond-Binnen, die hier in 1898 een boerderij liet bouwen, die hij de naam gaf ‘op Hoop van Zegen’. Later zijn de weilanden ‘de eerste en de tweede Osseweide’ en ‘de Koeweid’ bijgekocht, waardoor het bedrijf ruim 32 hectare groot werd.
In 1928 is mevrouw Meijne – Vink overleden en in 1929 stopte Jan Meijne met boeren, waarna de boerderij werd verhuurd. De boerderij werd eerst verhuurd aan de familie Piet van Diepen, een groot gezin met 25 kinderen uit twee huwelijken: “Jan Meijne, die de nieuwe huurder ging opzoeken, telde 24 paar klompen voor de deur!” Door de crisisjaren heeft Piet van Diepen het niet lang volgehouden; na hem kwamen nieuwe huurders, de familie Johannes Renckens in 1938, Petrus Schipper, daarna Klaas Noort en vervolgens zijn zoon Willem Nooit, die in 1951 is overleden.


Jaarboek 28, pagina 25

De boerderij aan de Madeweg 2 in 2002.
De boerderij aan de Madeweg 2 in 2002.

Inmiddels stonden huis, schuur en weiland sedert 1941 op naam van Gerardus Twisk, bloemkweker en zijn de mede-eigenaren Thomas Meijne, bloemist te Alkmaar, gehuwd met Everdina Cornelia Lobbert, winkelierster en Maria Meijne, drogiste van beroep, weduwe van Abraham Kroon, wonende te Utrecht. Petrus Cornelis van der Voort betrok de boerderij in 1953 en in dat jaar werd ter vervanging van het giergat een gierkelder gebouwd, een loods bijgeplaatst en in 1959 een noodwoning, waar onder meer PĂ© Hes met zijn gezin verbleef na de brand van zijn bedrijf.
In 1973 kwamen huis, loods, schuren, noodwoning, erf en weiland aan de Madeweg in bezit van Jacobus Johannes van der Voort Sr., landman, geboren in 1927 te Den Helder, die toen in Odoorn woonde, gehuwd met Catharina J.M. Gouwenberg.

Co van der Voort vertelde:
“Mijn vader Petrus Cornelis van der Voort was in 1905 geboren in Warmond en is na zijn huwelijk in 1926 met Anna Zwetsloot uit Warmond naar Koegras bij Den Helder gegaan waar hij zich vestigde aan de Middenvliet 9. Hij had daar een veebedrijf, 7 hectaren groot met een vijfde deel akkerbouw, vooral voerbieten. Toen vader in 1953 naar Bakkum kwam, is mijn broer, een van de zes kinderen, in Den Helder gebleven. In Bakkum nam hij de melkveehouderij over van Willem Noort, een zoon van Klaas Noort, die op 32 jarige leeftijd is overleden.
Vader had 20 melkkoeien op de lange regel staan en toen in 1954 de keuken gebouwd werd, konden er nog 16 staan; op de korte regel stonden er 6, in de boet nog 13 en in de kapberg 10, vaarzen en melkkoeien bij elkaar; ja, dat was een heel bedrijf met zo’n 45 melkkoeien en hij had dan ook een aantal knechten die hielpen. Aanvankelijk werd het melken met de hand gedaan, later werd het mechanisch melken ingevoerd. We hadden voor het werk drie paarden, maar in 1955 kwam de trekker, een Mc. Cormick, een sterke machine van 20 pk. We hebben hem nog en hij is in 1958 met ons meegegaan naar Odoorn, toen wij daar tot 1969 een akkerbouwbedrijf hadden van 14,5 hectaren, voornamelijk teelt van fabrieksaardappelen. De kinderen zijn in Odoorn geboren en wij kwamen in 1969 met het gezin terug naar Bakkum. In 1971 werd het huurcontract van de boerderij op mijn naam gezet en aanvankelijk werd het bedrijf in dezelfde grootte voortgezet, maar later teruggebracht naar een 30 melkkoeien. In 1992, toen ik 65 jaar was geworden, ben ik gestopt, maar mijn zoons gingen niet in de melkveehouderij, die gingen andere dingen doen. En het is goed zo …”

Enige tijd was de boerderij niet meer als zodanig in gebruik geweest en (daarna) werd (de boerderij) in 1993 door Jacobus Johannes van der Voort jr. (Jeroen), gerechtsdeurwaarder, zoon van Jacobus van der Voort en Catharina Gouwenberg, gekocht en voor bewoning geschikt gemaakt, waarbij eerst de gehele kap moest worden aangepakt.
De begane grond kreeg een nieuwe indeling, waarbij de bestaande raamverdeling in de gevels zoveel mogelijk gehandhaafd bleef; ook inwendig werden, waar mogelijk, bestaande houten kamerwanden opgeknapt en in passende kleur afgeschilderd. Een nieuwe keuken werd in de lange regel aangebracht.
In 1998 werd in het vierkant een verdiepingsvloer aangebracht, waardoor een zeer grote bovenruimte ontstond, die met in het grote dakvlak aangebrachte dakramen goed kon worden verlicht.

De boerderij is met veel eigen inzet aan de tegenwoordige eisen van bewoning aangepast. Veel zorg is daarbij besteed aan het behoud van de aangetroffen historische en kenmerkende onderdelen.

Piet Blom

Bronnen:

  • Beentjes, J. Th., Genealogie van de familie Beentjes van 1791-1991, Sevenum 1991.
  • Gemeentearchief Castricum.
  • Jaarboekjes Stichting Werkgroep Oud-Castricum.
  • Kadaster, directie Noordwest, vestiging Alkmaar.
  • Regionaal Archief Alkmaar.
  • Voort van der, D., Terugblik op het geslacht Van der Voort uit Lisse, Lisse 1994.
Print Friendly, PDF & Email