Scouting in Castricum (Jaarboek 28 2005 pg 26-40)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Verenigingen in Castricum:
amateurtuindersBakkerijbiljartcarnavalfanfare (muziek)gymnastiek (atletiek) – hengelsport –Kennemer ijsbaan – Perspectief – scoutingtennistoneelvoetbalvolleybal


Jaarboek 28, pagina 26

Zestig jaar scouting in Castricum

Direct na de bevrijding kwam de Amsterdamse hopman Herman Slot met zijn vrouw in Castricum wonen. Hij leidde op dat moment twee padvindersgroepen in de hoofdstad. Nadat hem gevraagd werd of hij in Castricum een groep wilde starten, moest hij daar dan ook wel even over nadenken. Op zekere dag stonden er zes enthousiaste jongens voor zijn deur en toen besloot hij dat hun wens om padvinder te worden in vervulling kon gaan. Hopman Slot stond voor de niet eenvoudige taak om van deze jongens, die nauwelijks wisten dat padvinders korte broeken en hoeden met brede randen droegen, verkenners te maken.

Grondlegger Baden-Powell

Scouting, het Engelse woord voor padvinderij, bestaat in ons land sinds 1916. Een padvinder wordt door de ‘dikke Van Dale’ als volgt omschreven: “Knaap die aangesloten is bij de vereniging der boy-scouts, die ten doel heeft jongens door oefening op te leiden tot moedige, vaardige, opofferende, zelfstandige mannen.” Over scouting zijn de meningen altijd verdeeld geweest. De een ziet het als een leuke, leerzame en nuttige vrijetijdsbesteding voor de jeugd en de ander heeft er wat moeite mee dat deze liefhebberij oorspronkelijk op militaire leest geschoeid is. Het laatste is niet zo vreemd omdat de grondlegger, Robert Baden-Powell, generaal-majoor in het Engelse leger was. Vooral vroeger waren orde en netheid dan ook belangrijke onderdelen van scouting. Feit is echter dat scouting, na de start in Engeland in 1908, al snel een internationaal fenomeen is geworden. Ook in ons land sloeg de padvinderij aan.

De Castricumse groepen

De eerste openbare jongensgroep, die in mei 1945 werd opgericht, kreeg de naam ‘Die Bogeheimers’. Ongeveer gelijktijdig ontstonden in de maand daarop de katholieke jongensgroep ‘St. Wilfried’ en de katholieke meisjesgroep ‘St. Clara’.
Spoedig daarna volgden er nog twee. In 1946 zag de openbare meisjesgroep ‘Juliette Low’ het levenslicht. Deze groep werd vernoemd naar de oprichtster van de Girl Scouts die in 1912 in Amerika was opgestart. Daarnaast kende men in die tijd de christelijke ‘Abel Tasmangroep’, genoemd naar de ontdekkingsreiziger. Die Bogeheimers en de Juliette Lowgroep gingen in 2001 samenwerken en zijn vanaf 1 januari 2005 gefuseerd. De nieuwe groep is de enige die nu nog actief is onder de naam ‘Scouting JL Die Bogeheimers’.

Padvinders en leiding van Die Bogeheimers in 1946 voor hun onderkomen op Duin en Bosch.
Padvinders en leiding van Die Bogeheimers in 1946 voor hun onderkomen op Duin en Bosch.
De nummers vermelden, voor zover bekend, de volgende personen: 1. Henk van Elven?, 2. Rob Teeuw 3. Dolf Verhoeven, 4. Sijbrand Bakker 5. Huib van der Woude, 6. Piet van Maarleveld 7. Kees Blokdijk 8. Bob van Aalst 9. Jan-Jaap van Muijlwijk 10. Gert-Jan van Muijlwijk 11. bagheera Rie Boesenkool 12. ?, 13. Martien Smit 14. Henk van der Woude 15. chil Loes Kieft 16. Jacques van Eik 17. Theo van Straaten 18. Gerard van Straaten 19. akela Attie Slot 20. Jan Bakker 21. Sjaak Burgering 22. Jaap Mosterd 23. Paul Broekhuizen 24. Leo Bartels 25. Kees Verhoeven 26. Harrie van Diggelen 27. Ben Jacobs 28. Ben Smit?, 29. Koos van de Berg 30. ? 31. ? 32. Bob Wilhelm 33. Johan Schouten, 34. Puck Wouters 35. Bob Terol 36. Fred Baljé 37. George Jacobs 38. Nico Bettink 39. Bert de Vries 40. Bob van Gulik? 41. Jan Duinker 42. ? 43. Ed van Aalst en 44. Ton Kroonenburg.
De nummers vermelden, voor zover bekend, de volgende personen: 1. Henk van Elven?, 2. Rob Teeuw 3. Dolf Verhoeven, 4. Sijbrand Bakker 5. Huib van der Woude, 6. Piet van Maarleveld 7. Kees Blokdijk 8. Bob van Aalst 9. Jan-Jaap van Muijlwijk 10. Gert-Jan van Muijlwijk 11. bagheera Rie Boesenkool 12. ?, 13. Martien Smit 14. Henk van der Woude 15. chil Loes Kieft 16. Jacques van Eik 17. Theo van Straaten 18. Gerard van Straaten 19. akela Attie Slot 20. Jan Bakker 21. Sjaak Burgering 22. Jaap Mosterd 23. Paul Broekhuizen 24. Leo Bartels 25. Kees Verhoeven 26. Harrie van Diggelen 27. Ben Jacobs 28. Ben Smit?, 29. Koos van de Berg 30. ? 31. ? 32. Bob Wilhelm 33. Johan Schouten, 34. Puck Wouters 35. Bob Terol 36. Fred Baljé 37. George Jacobs 38. Nico Bettink 39. Bert de Vries 40. Bob van Gulik? 41. Jan Duinker 42. ? 43. Ed van Aalst en 44. Ton Kroonenburg.

Die Bogeheimers

Voor velen is het een raadsel hoe men aan de naam Bogeheimers is gekomen. Volgens schrijver W.J. Hofdijk stond ‘Bogeheim’ in de tijd van Karel de Grote voor Bakkum.
Het eerste onderkomen van de groep was ook in Bakkum te vinden en bestond uit twee houten werkkeetjes op het terrein van Duin en Bosch. Spoedig brandden deze echter af, waarna de scouts in de mandenmakerij van het provinciaal ziekenhuis werden gehuisvest. In 1946 verhuisden zij naar het oude boerderijtje op het terrein, dat later dienst deed als theehuis en museum.
Bij de oprichting werden de volgende jongens onder leiding van Herman Slot direct padvinder: Jan Bakker, Nico Bettink, Guus


Jaarboek 28, pagina 27

Glass, Ben en George Jacobs, Ton Kronenburg, Jaap Mosterd, Jan-Jaap van Muijlwijk, Gerrit Ronk, Gerard en Theo van Straaten, Kees Verhoeven en Puck Wouters. In het bestuur zaten in de beginjaren onder anderen de heren Van Gulik en Van Keeken. Later namen de heren Meyer, Van Goudoever, Van Aalst, Bakker en Bets daarin zitting. Chris van Keeken, zoon van de voorzitter, werd vaandrig en trouwde met akela Loes Kieft. Gré Tates was in die tijd ook akela. Zij is later getrouwd met Gerard van Straaten, die lid van het eerste uur was.

Nadat Die Bogeheimers zo rond 1947 niet meer op Duin en Bosch terecht konden, kregen zij hun onderkomen aan de rand van het duin en de Zanderij, waar ze nog steeds zijn gevestigd. De grond was vroeger eigendom van een Alkmaarder, die het terrein aan de padvinders verpachtte. Op een gegeven moment wilde deze de grond verkopen aan de bollenboeren die de omliggende velden in hun bezit hadden. Dankzij inzamelacties door de groep en donaties van ouders is er toen veel geld bij elkaar gebracht en konden de scouts de grond kopen. Daarnaast hadden ze nog dertig jaar een stuk in bruikleen van een Amsterdammer. Ook dit stuk is nu eigendom van Die Bogeheimers en zodoende zijn zij altijd de enige groep in Castricum gebleven die over eigen grond beschikte. Op hun stek verrees als eerste de verkennershut. Later werden hier nog het hordehol, stamhok, de keuken en de rowanbasis aan toegevoegd.

Die Bogeheimers maken voor het eerst een treinreis en poseren voor het oude station van Castricum.
Die Bogeheimers maken voor het eerst een treinreis en poseren voor het oude station van Castricum. V.l.n.r.: akela Attie Slot, Kees Verhoeven, Ben Jacobs, Ton Kroonenburg, Ben Smit, Puck Wouters, Bob Wilhelm, George Jacobs, Ed van Aalst, Ben Willems, Fred Baljé, Sjaak Burgering, Jaap Mosterd en Jan Ronk.

In de beginperiode met Hopman Slot waren de aspirant-padvinders al spoedig erg enthousiast over het scoutinggebeuren. Ze voelden zich belangrijk omdat ze konden worden ingezet voor karweitjes zoals houthakken en zorgen voor de dagelijkse kost. Natuurlijk wilden ze ook van alles aanpakken wat met pionieren, woudlopen en kamperen te maken had. Dit enthousiasme werkte aanstekelijk en het duurde niet lang voordat vele Castricummers en ook jongeren uit Limmen en Uitgeest zich bij de groep aansloten. Om een goede padvinderstroep op te bouwen besloot de hopman tijdens de eerste opkomst een aantal jongens versneld op te leiden, zodat die later hun kennis konden doorgeven. Drie patrouilles van 7 man achtte hij ruimschoots voldoende voor een goede troep en het was niet gewenst dat deze zich onbeperkt zou uitbreiden. De goedgetrainde kern moest de geestkracht en capaciteiten bezitten


Jaarboek 28, pagina 28

om de padvindersgedachte in praktijk te brengen. De jongens die geschikt werden geacht om patrouilleleider te worden, waren Nico Bettink, Ben Smit en Kees Verhoeven. Zij werden met hun assistenten opgeleid en daar had hopman Slot zijn handen vol aan. Hij moest namelijk het opleidingsmateriaal overal vandaan halen. Ook bestonden er in die tijd nog geen uniformen, dus de groep liep in een allegaartje en het was al prachtig als je iets van de ‘Canadezen’ wist te bemachtigen. Met wat fantasie kon men een Bogeheimer als padvinder herkennen; het uniform was gemaakt uit stoffen in alle kleurnuances tussen bruin en groen en degene die een Canadese battledress had weten te veroveren was spekkoper. Na enige maanden werd een groot gedeelte van de troep ge√Įnstalleerd en na een paar jaar konden de patrouilleleiders hun leden opleiden tot ‘verkenner 2e klasse’, een rang die inmiddels niet meer bestaat. Vooral tijdens de districtwedstrijden bleek dat de jongens goed waren opgeleid, want zij sloegen tussen oudere en dus meer ervaren groepen een goed figuur.

Zomerkampen

In het oprichtingsjaar van Die Bogeheimers ging men direct al op zomerkamp naar Texel. Het kamp duurde twee weken voor de verkenners en een week voor de welpen. Dat was voor de leiding een buitengewone onderneming. De jongens waren immers onervaren en ook viel het niet mee om vlak na de oorlog aan voedsel en spullen te komen. Gelukkig wisten akela Attie Slot (de echtgenote van de hopman) en chil Loes Kieft het een en ander buiten de distributiebonnen om te bemachtigen. Het meeste van de kampuitrusting werd geleend, tot aan de achtpersoonstent en de pannen toe. Voor het koken werden naast de pannen van Duin en Bosch ook biscuitblikken gebruikt. Er werd overigens comfortabel geslapen op de zolder van de boerderij van boer Roeper. Het vervoer geschiedde per veewagen.
Een jaar later werd er weer op Texel gekampeerd. De kampuitrusting was inmiddels zodanig uitgebreid dat er een patrouille in tenten kon slapen en de rest in een hut van strobalen. Er waren nu ook meer pannen, maar de biscuitblikken werden ook nog steeds gebruikt. Omdat de scouts in een jaar geleerd hadden om ‘vuurtafels’ (zie betekenis veelgebruikte scoutingwoorden op pagina 29) te maken, trok het vuur beter en hadden ze geen last meer van schroeiplekken op de grond.
Tijdens de kampen moest er altijd hard gewerkt worden om het benodigde brandhout bij elkaar te krijgen. Na een dag van houthakken, sporten, stoken en spoorzoeken had men dan ook weinig lust tot keetschoppen en viel iedereen meestal als een blok in slaap. Het zomerkamp bleek echter ieder jaar weer een hoogtepunt van de activiteiten te zijn en Die Bogeheimers, die ook kampen in Bergen aan Zee, Schoorl en Overasselt hebben meegemaakt, zien hier met plezier op terug.

Guus Glass was een van de hopmannen na het vertrek van Herman Slot.
Guus Glass was een van de hopmannen na het vertrek van Herman Slot.

Tienjarig bestaan

Hopman Slot vertrok in 1947 naar Nijmegen. Daarna wisselde de troep voortdurend van leiding en men zag ook vele verkenners gaan en komen. Guus Glass was in die tijd een van de hopmannen. Het Nieuwsblad voor Castricum schreef in zijn krant van 19 oktober 1949 over de feestelijke ingebruikneming van het nieuwe troepenhuis van Die Bogeheimers. De openingsrede werd in dichtvorm uitgesproken door de heer Van Keeken. Hij memoreerde de ontzaglijke moeilijkheden die overwonnen moesten worden. Van harte betrok hij hierin de architect Kaper, de heer Brandwijk voor een jaar lang vakkundige bijstand en de heer Van Gulik voor het bijeenbrengen van de benodigde gelden. Tot slot vermeldde de krant dat de uit hun bunker verdreven meisjespadvinders ook zo’n troepenhuis wilden hebben.

Feestelijke ingebruikneming van het nieuwe troepenhuis van Die Bogeheimers in 1949.
Feestelijke ingebruikneming van het nieuwe troepenhuis van Die Bogeheimers in 1949.

In 1955 bestonden Die Bogeheimers tien jaar en dat moest natuurlijk gevierd worden. Op de uitnodiging voor de viering van dit heuglijke feit stond: “Zoals U vermoedelijk al weet, zullen we het 10-jarig bestaan vieren door een bonte avond te geven. Komt allen en brengt vrienden en kennissen mee, om zodoende mee te helpen aan het welslagen van onze tweede lustrumviering.” Men kampte in die tijd al met een tweetal problemen, die eigenlijk altijd zijn blijven bestaan. Dat is in de eerste plaats een tekort aan leiding en in de tweede plaats een gebrek aan geld.

De activiteiten

Bij scouting hebben van oudsher activiteiten plaatsgevonden die elk jaar terugkwamen. De jongensgroepen vieren altijd een midwinterfeest in december en Sint-Jorisfeest in april. Laatstgenoemd feest is opgehangen aan het ridderverhaal ‘Sint-Joris en de draak’. Elke feestdag wordt in het teken geplaatst van een thema, zoals een bepaald land. De scouts krijgen dan opdrachten of spelen die op dat land betrekking hebben. Aan het eind van de dag wordt er met de hele groep gegeten en wordt de avond afgesloten met een kampvuur.


Jaarboek 28, pagina 29

Tegenwoordig worden er in oktober in √©√©n weekend twee speciale activiteiten gehouden: de JOTA (Jamboree on the Air) en de JOTI (Jamboree on the Internet). Beide activiteiten hebben als kerndoel andere scouts van over de hele wereld te spreken. Bij de JOTA gaat dit via radiozenders en daarvoor is het nodig dat er een grote zendmast geplaatst wordt en er medewerking is van zendamateurs. Bij de JOTI ligt dit wat eenvoudiger, omdat er dan gewerkt wordt met speciale chats op de computer. Voor alle duidelijkheid: een jamboree is een term die al sinds jaar en dag bij de scouting voorkomt en staat voor “internationaal padvinderskamp”. Het hoogtepunt voor de jongere scouts is nog altijd het jaarlijkse zomerkamp. De invulling hiervan verschilt per onderdeel (in scoutingtermen ‘speltak’ genoemd). De kleinste kinderen vanaf 7 jaar (esta’s genaamd) verblijven in een clubhuis en de scouts (11 tot 14 jaar) gaan kamperen. De wat oudere sherrows (15 tot 18 jaar) trekken er vaak met bepakking op uit in het buitenland. De esta’s kent men overigens pas sinds 2001. Daarvoor heetten ze bij de jongensgroepen welpen en bij de meisjesgroepen kabouters. De voorlopers van de sherrows waren weer de rowans en de sherpa’s bij respectievelijk de jongens en de meisjes.
Naast deze activiteiten is er verschillende keren een vossenjacht in het dorp georganiseerd. Dit gebeurde onder andere in 1985, 1999 en recentelijk in februari van 2005 ter ere van het 60-jarig jubileum. Om scouting te promoten konden hieraan ook kinderen van buitenaf meedoen.
Ook wordt er door de scouts jaarlijks aan wedstrijden in regioverband deelgenomen.
Vanzelfsprekend zijn er in de loop der tijd nieuwe activiteiten bijgekomen, die in het tijdsbeeld passen. Ook zijn er gebruiken afgeschaft, omdat ze verouderden. Een voorbeeld hiervan is de al lang verdwenen actie ‘Heitje voor een Karweitje’. Hiervoor gingen de padvinders de straat op om klusjes te doen en de opbrengst daarvan was bestemd voor de verenigingskas.


Betekenis van veel gebruikte scoutingwoorden

bivak = plaats waar de tenten worden opgezet (ook kamp genoemd)
hike = speurtocht
horde = troep welpen
hordehol = lokaal waarin horde speelt en werkt
hut = clubhuis
installatie = plechtige opneming in de vereniging
kring = groepje binnen onderdeel (bijv. bij kabouters)
logboek = boek waarin verslag wordt gedaan van activiteiten
opkomst = wekelijkse bijeenkomst op een vaste dag
overvliegen = overgaan van een groep naar een oudere groep
patrouille = groep verkenners
pionieren = van alles ontdekken en jezelf redden
platte rust = verplicht een uur rust tijdens kamp
sjorren = stokken of palen stevig vastmaken met touw
speltak = onderdeel van de groep (bijv. sherpa’s)
stam = eenheid jongeren uit diverse groepen die te oud zijn voor scouting
troep = eenheid verkenners of padvinders
vuurtafel = tafel met aarde waarop gestookt werd (in feite ‘verhoogd’ kampvuur)


Vijfendertig jaar in vogelvlucht

Er was begin jaren (negentien)zeventig een grote belangstelling om welp te worden, waarvoor veel jongens op een wachtlijst stonden. Daarom werd besloten om de bestaande horde ‘De Bossluipers’ uit te breiden met een tweede horde, die de naam ‘De Duinklimmers’ kreeg. Tussen deze twee groepen bestond altijd een grote rivaliteit, want tijdens bijna elke opkomst moest er beslist worden wie de sterkste of beste was. Meestal wonnen de Bossluipers. Een spelletje vlaggenroof was doorgaans oorlog.
De uit die tijd bekende akela’s zijn Gr√© Tates, Margreet Bakker en Willem Huising (die later ook hopman werd). Bij de verkenners werden de namen genoemd van hopman Prins en zijn opvolger Nico Papineau Salm.
In 1972 werden de ouders van de welpen voor een ouderavond bijeen geroepen. Er moest namelijk een nieuw hordehol gebouwd worden en daarvoor was geld nodig. Voor extra inkomsten werd vooral door het ophalen van oude kranten gezorgd. Ze werden verzameld in een speciaal daarvoor gemaakt hok.
Ter ere van het 30-jarig bestaan werd er in 1975 een groepsweekend in Limmen gehouden, dat een enorm succes was. In hetzelfde jaar werd Paul van Beek als hopman bij de verkenners ge√Įnstalleerd. Vanaf 1970 kende men bij scouting ook periodes waarin een ‘stam’ actief was. Een stam werd gevormd door de jongeren uit de diverse groepen die in feite te oud waren om nog langer tot de rowans of sherpa’s te behoren. Zij hadden echter nog wel behoefte om elkaar te zien of te spreken en daarvoor werden er speciale avonden georganiseerd.
In 1984 bestond Scouting Nederland 75 jaar. Die Bogeheimers grepen deze gelegenheid aan om hun activiteiten ook lokaal te promoten en boden burgemeester Gmelich Meijling een taart aan om hem mee te laten delen in de feestvreugde.
Het 45-jarig jubileum (van Die Bogeheimers) werd gevierd met een ouderdag op 19 en 20 mei 1990. In een clubblad uit dat jaar wordt een vergelijking gemaakt tussen scouting uit de oprichtingsperiode en die in 1990. Een citaat hieruit: “In de ogen van Lord Baden-Powell was scouting een voorbereiding van het leger. Tegenwoordig vind je hier gelukkig weinig van terug. Het uniform en de opening met de vlag zijn nog gebleven, maar het spel is niet meer te vergelijken met vroeger.” Opnieuw werd er stilgestaan bij een jubileum in 1995 en dat was uiteraard het 50-jarig bestaan. Ter gelegenheid daarvan vond er een groepsweekend plaats in IJmuiden en als thema maakten de leden met behulp van een tijdmachine een reis door het verleden van Die Bogeheimers.
Rond 2000 bereikte de groepsraad het bericht dat de buren, de Juliette Lowgroep, te kampen hadden met te weinig leiding. Die Bogeheimers toonden zich daarop bereid om samen te gaan werken met deze meisjesgroep en na een proefperiode van een jaar werd besloten tot een fusie van de twee groepen onder de naam ‘Scouting JL Die Bogeheimers’.
Op dit moment (in 2005) bestaat de groep uit ongeveer 70 leden en met hun leiders en bestuursleden vierden zij in 2005 hun 60-jarig bestaan. Kaderlid Sander van Scheepen dook voor het jubileum in het archief


Jaarboek 28, pagina 30

van de groep om de geschiedenis zo goed mogelijk in beeld te brengen en de Werkgroep Oud-Castricum liftte daarop mee. Omdat er rond de jaren (negentien)zestig op de zolder van het clubhuis brand uitbrak, ging een deel van het archief echter helaas verloren en daardoor is het verhaal niet compleet.

Bewijs van lidmaatschap van Gré van Diepen van de St. Wilfriedgroep uit 1947.
Bewijs van lidmaatschap van Gré van Diepen van de St. Wilfriedgroep uit 1947.

St. Wilfried

Op 25 juni 1945 werd de R.K.-scoutinggroep St. Wilfried opgericht. Sint-Wilfried, die in ons land beter bekend staat als Bonifatius, werd rond 672 in Engeland geboren en was de eerste zendeling die Nederland bezocht. Hij werd tot bisschop gewijd en in 754 bij Dokkum vermoord.
Een van de eerste welpenleidsters was Gr√© van Diepen. Zij werd ge√Įnstalleerd op 8 juni 1946 en op die dag kwamen de volgende zes jongens voor de eerste keer naar de horde: Piet Klaasse, Wim Groot, George Bon, Frans Zaal, Ber Castricum en Jan Kaandorp. Twee weken later kwamen Piet Wester en Loek Kuijs daar nog bij. Op zondag 13 oktober van dat jaar werden de eerste twee welpen door Gr√© van Diepen ge√Įnstalleerd en het Hoofdkwartier berichtte daarover in een krant: “Een dag om trotsch op te zijn. Ook zij hebben zich gesteld onder de veilige hoede van onzen patroon St.-Wilfried. Welpen hoe is ‘t ook weer: Akela, wij doen ons best. Daar rekenen we dan ook op. Nu volgen er meer.”
In een snel tempo kwamen er ook meer, zodat er in twee hordes moest worden gedraaid. Akela Van Diepen leidde de ‘Kanhiwara-horde en akela Truus Veldt de ‘Limmershin-horde’.
Het onderkomen voor de welpen was in de beginjaren de zolder van het Jeugdhuis (nu De Kern).
Bij de installatie kregen de nieuwe welpen hun insignes opgespeld en werd de witte das vervangen door een rood-groene (rood = aardbeien en groen = duinen). Een welp die nog niet ge√Įnstalleerd was, noemde men teerpoot; daarnaast kende men nog de grijsbroer. Dat was een welp die eigenlijk al zou moeten ‘overvliegen’ naar de verkenners, maar daar nog geen zin in had. De grijsbroers mochten de leiding helpen met allerlei kleine klusjes. Andere welpen die de leiding hielpen, waren de gidsen en de hulpgidsen.
Aan het begin van iedere opkomst werd er heel formeel geopend. Dit bestond uit het hijsen van de vlag en een uniforminspectie.
Dat hield in dat de dassen recht moesten hangen, de schoenen er netjes moesten uitzien en dat er gekeken werd wat de welpen in hun broekzakken hadden.
De opkomst op zaterdagmiddag bestond uit pionieren, seinen, kompas leren lezen, volksdansen, veel zingen en heel veel in het duin spelen. Met het uitvoeren van speciale opdrachten, bijvoorbeeld EHBO of seinen, kon de welp een ster voor op zijn pet verdienen.

Het eerste zomerkamp van de welpen in 1947 in Schoorl.
Het eerste zomerkamp van de welpen in 1947 in Schoorl.

De activiteiten

Ook voor de welpen van St. Wilfried was het hoogtepunt het zomerkamp. Samen met kapelaan Van der Zalm en burgemeester Smeets zocht de leiding in 1947 de eerste geschikte kampplek. Er werd gekozen voor Schoorl, waar gedurende vijf dagen in augustus onderdak werd gevonden bij een boer. Voor het vervoer van alle bagage zorgde expeditiebedrijf Stet. Tijdens het kamp werden er allerlei leuke bezigheden en uitstapjes georganiseerd en de welpen genoten hiervan volop. Per groep gingen er 3 leidsters mee en een kookster, die voor al het eten moest zorgen, zodat de leiding alle aandacht en tijd aan de welpen kon geven. Dat eerste kamp was al, zoals de meeste zomerkampen die nog zouden volgen, een themakamp.

Behalve de wekelijkse opkomsten en de zomerkampen waren er nog diverse andere activiteiten waar de welpen en de leiding aan meededen, zoals:

  • de maandelijkse groepsmis, waar alle leden in de kerk om 6.45 uur op de eerste vrijdag van de maand in volledig uniform aanwezig dienden te zijn;
  • de jaarlijkse sinterklaasviering;
  • correspondentie met de strijders tijdens de oorlog in Indi√ę;
  • oude mensen helpen oversteken en boodschappen doen voor de goede daad;
  • het eerdergenoemde ‘Heitje voor een Karweitje’;
  • de herdenkingsdagen van St.-Wilfried, St.-Joris en Baden-Powell.

De welpen hadden ook een districtsdag. Dat was een themadag, waar alle welpen van de omliggende scoutinggroepen aan mochten deelnemen. Ook St. Wilfried heeft deze dag een keer georganiseerd. Toen kwamen de groepen uit Akersloot, Uitgeest, Velsen etc. naar het schietterrein van de Castricumse politie. In de loop der jaren is de invloed van de kerk afgenomen en zijn de kerkelijke activiteiten verdwenen.


Jaarboek 28, pagina 31

Het ‘Heitje voor een Karweitje’ werd later omgedoopt in een ‘Knaak voor een taak’, omdat het wat moderner klonk en er nog steeds mensen waren die de welp maar een kwartje gaven na het uitvoeren van zijn karwei.

De St. Wilfriedwelpen met hun leiding in 1949 op de Kaasmarkt in Alkmaar.
De St. Wilfriedwelpen met hun leiding in 1949 op de Kaasmarkt in Alkmaar. V.l.n.r, op de 3e rij de akela’s Truus Veldt, Gr√© van Diepen, Nel Sneekes en Tini de Nijs. Op de 2e rij: Aad de Graaf, Ber Castricum, Piet Westen, Piet Klaasse, Ron Boeraart, Gerard Glorie, Nico van de Boogaard, Wim Groot en Jan Castricum. Tussen de 2e en 1e rij: Jan van Amsterdam. Op de 1e rij: Jan Kaandorp, Andr√© Bakker, Jan Res, Theo van der Himst, Frans Zaal, Theo Groot en Jaap Liefting.

Hoe verging het de Wilfriedwelpen verder?

Na de grote groep in de beginperiode liep het ledenaantal terug zodat de Kanhiwara-orde moest worden opgeheven. In het begin van de jaren 1960 kwam er echter alweer een tweede horde bij om aan het ledenaanbod plaats te kunnen bieden. Men koos toen voor een nieuwe naam: de ‘Sioni-horde’. Omdat er maar √©√©n hordehol was, draaide de ene horde op woensdagmiddag en de andere op zaterdagochtend.

De Massuahut naast De Kern die tot 1995 door de Wilfriedwelpen werd gebruikt.
De Massuahut naast De Kern die tot 1995 door de Wilfriedwelpen werd gebruikt.

Na ruim 20 jaar op de zolder van het jeugdhuis te hebben vertoefd, werd op 4 februari 1967 een nieuwe hut betrokken. Dit was de Massuahut aan de Leo Toepoelstraat (naast De Kern).
Aan het begin van de jaren 1970 werden de twee hordes samengevoegd en daarna is er steeds één horde geweest.
Er is in de loop der tijd veel leiding gekomen en gegaan. Naast de vrouwelijke leiding waren er ook mannen die zich hiervoor beschikbaar stelden. Alleen waren die op één hand te tellen.
Toen er in 1994 opnieuw een tekort was, vroeg men aan oud-akela Gré Portegies РLiefting of ze de kampleiding zou willen helpen en begeleiden, totdat ze alles zelf konden regelen. Ze heeft die taak drie jaar op zich genomen.
De Massuahut is in 1995 verruild voor de oude hut van de St. Claragroep (achter de kerk in Bakkum).
Ondertussen werd de hut in het duin (links van de twee andere gebouwen) verbouwd met als doel de welpen daar samen met de verkenners en rowans onder te brengen. Uiteindelijk is dit ook gelukt, maar aan alles kwam een einde toen de St. Wilfriedgroep in de zomer van 2002 ophield te bestaan.

De verkenners

In augustus 1945 heeft men op verzoek van de Pancratius-parochie de verkennerij St. Wilfried opgezet. De beginselen van de verkennerij zijn de leiders bijgebracht door Wil Seignette, districtscommissaris uit Beverwijk. Niek de Graaf en Kees Steeman gaven in het begin leiding aan een groep van 10-12 jongens.
Op 6 december 1945 werd hopman Niek de Graaf ge√Įnstalleerd door kapelaan Van der Zalm. Ondertussen waren er twee troepen gevormd, de Jan Hobergtroep en de Jan van Hoofftroep. De eerste troep werd geleid door o.a. Niek de Graaf, vaandrig Kees Steeman en later de vaandrigs Andr√© Hurkmans en Nico Zonneveld. De tweede troep stond onder leiding van o.a. hopman Joop Zijlstra en de vaandrigs Theo Tromp en Jan Groot. De twee troepen waren vernoemd naar twee verzetshelden uit de Tweede Wereldoorlog. De eerste was de Castricummer Jan Hoberg (zie artikel ‘Wie waren … Leo Toepoel, Jan Hoberg en Huibert van Ginhoven, in dit jaarboekje) en de tweede, Jan van Hooff, was een verkenner uit Nijmegen die meehielp om de Waalbrug voor de geallieerde strijdkrachten te behouden en daarbij sneuvelde. Uit het feit dat deze namen zijn gekozen door de verkenners zelf, blijkt wel dat de oorlog een diepe indruk op de jongens had gemaakt.
De eerste uniformen werden vanwege gebrek aan betere materialen gemaakt van o.a. Zweedse meelzakken die kaki werden geverfd. Dassen waren mitella’s die een rood en groen verfje kregen. Rood staat hierbij voor de liefde en groen voor de hoop. De hoed werd gemaakt van een oude herenhoed, die werd voorzien van 4 deuken en waarvan de rand plat werd gemaakt. Het verschil in uniform tussen de twee troepen was minimaal. Bij de Jan Hobergtroep zat er een gele stip op de punt van de das. De jongens die witte dassen droegen, waren nog niet ge√Įnstalleerd.
Cursussen voor de leiding werden gehouden in Heliomare, waar men werd bijgespijkerd in vaardigheden als pionieren en koken. Ook werd deelgenomen aan de zogenaamde kamp- of Gilwellcursus in het Overijsselse Ommen.
De bijeenkomsten van de verkenners waren in het allereerste begin in een schuur van Niek Steeman op de Overtoom. Deze schuur was echter een bouwval en spoedig verhuisde men ook naar het jeugdhuis. Eerst zaten ze beneden in de Burchtzaal en daarna werd de zolder betrokken. Deze was gedeeltelijk betimmerd en dan had je natuurlijk altijd wel een paar jongens die langs de zijkant op de balken liepen. Toen Chris Dijkman dat een keer deed, belandde hij op tafel bij de gezellen, die een verdieping lager een kaartje aan het leggen waren. Ook de verkenners hielden zich op zaterdagmiddag of zaterdagavond met allerlei activiteiten bezig. Pionieren gebeurde achter het jeugdhuis op een grasveldje. De jongens maakten ook zelf kalenders, die aan de bevolking werden verkocht. Vaak trok hopman De Graaf


Jaarboek 28, pagina 32

de duinen in om met de troep te gaan ‘sluipen’. Hiervoor had men een vergunning aangevraagd bij het PWN, waarvoor maar liefst 50,- gulden moest worden betaald.
In augustus 1946 gingen de twee troepen samen op kamp in Wijk aan Zee, waar men op de fiets heen ging. Later trok men ook naar Bergen op Zoom en toen was de vrachtauto van Stet weer het vervoermiddel. Op kamp ging er altijd een aalmoezenier mee en elke eerste vrijdag van de maand was er ‘s morgens een verplichte groepsmis. Naast genoemde kapelaan Van der Zalm was ook kapelaan Bakker in die beginperiode van de partij.


De betekenis van de totem

Vlak na de oprichting van de verkenners heeft vaandrig Groot een totempaal voor de groep gemaakt uit een lindeboom die in Castricum heeft gestaan. Na het uitsnijden is de paal bewerkt met lijnolie voor het conserveren. Hij is dan ook meer dan 50 jaar intact gebleven. De totempaal bestond uit een franse lelie met daarachter een kruis, dat staat voor de katholieke verkennerij. Daaronder volgden drie zuilen die de verkennersbeloften symboliseerden. Hieronder stond het devies van de verkenners: “Weest Paraat”, dan volgden een wereldbol, de tekst “Eretotem van de verkenners van de St. Wilfriedgroep Castricum”, het wapen van Castricum en tot slot twee blazende windgoden waarmee de roerige tijd werd aangeduid.
Ook de welpen droegen in een processie hun totem mee. Deze werd beschouwd als een soort familiewapen en betekende voor de scouting wat een vlag of vaandel voor iedere andere vereniging betekent. Aan de totem werden herinneringen gehangen, bijvoorbeeld aan de installatie van een welp of de viering van St.-Joris, ouderavond, bivak, enz.


De leiders van de welpen en de verkenners van St. Wilfried in 1949.
De leiders van de welpen en de verkenners van St. Wilfried in 1949. V.l.n.r, staand: Jan Groot, Cornelia Castricum, Tini de Nijs, Niek Zonneveld, Ben van de Berg, Tini Res, Agatha Welboren en Engel Zonneveld; zittend: Gré van Diepen, Niek de Graaf, kapelaan Cees Bakker, Joop Zijlstra en Truus Veldt.
De installatie van een verkenner van de St. Wilfriedgroep in de jaren vijftig. Kapelaan Van der Linden kijkt toe.
De installatie van een verkenner van de St. Wilfriedgroep in de jaren vijftig. Kapelaan Van der Linden kijkt toe.
Het onderkomen van de verkenners en rowans van de St. Wilfriedgroep.
Het onderkomen van de verkenners en rowans van de St. Wilfriedgroep.

Het Nieuwsblad voor Castricum van 11 mei 1949 maakte melding van de installatie van de twee aspiranten Cees Castricum en Gerard Borst als verkenner bij de Jan Hobergtroep.
De hopmannen De Graaf en Zijlstra vertrokken in het begin van de jaren 1950 om plaats te maken voor vers bloed in de personen van Siem Plijter en Jan Groot.
In het begin van de (negentien)zestiger jaren verhuisden de verkenners van de dan geheten St.-Jorisgroep naar de blokhut ‘De Kanninefaten’ aan de Zanderij.
Er werd in die tijd één keer per jaar een ouderavond georganiseerd in de toneelzaal van Piet Roozendaal. Op die avond deden de patrouilles toneelstukjes en dansten of zongen de jongens iets.
Een ander evenement was het districts-weekend ‘Distorama’, waar de verkenners uit het district Beverwijk aan meededen. In 1965 organiseerde St. Wilfried onder leiding van groepsleider Schreuder, hopman Maas en vaandrig Van de Avoort de derde Distorama en dat werd een enorm succes.
Op 11 oktober 1979 was er voor het eerst via Scouting Nederland contact met de Engelse scoutinggroep ‘1st Burgess Hill‘, omdat de Wilfriedgroep een buitenlandse groep wilde leren kennen. Er werd vervolgens door 3 leiders van de Engelsen een bezoek gebracht aan


Jaarboek 28, pagina 33

Een groep Wilfriedverkenners in 1950.
Een groep Wilfriedverkenners in 1950. V.l.n.r, helemaal achteraan staand: hopman Jan de Groot en kapelaan Cees Bakker; daarvoor staand: Nico Rozemeijer, Hans de Nijs, Piet Deen, Johan Zonneveld, Kees Bakker, Alfons van Westen, Co van de Ven, hopman Joop Zijlstra, Mats de Nijs, André Bakker, Kees de Nijs en Jan Nebeling: gehurkt: Chris Dijkman, Kees Tromp, Nico de Graaf, Jan Louwe, Jan Beentjes, Jan Hoebe, Wim Nanne, Mats Kaandorp, Kees de Nijs (in het gips), Joop Marcker, Jan van Amsterdam en Henk Poel.

hopman Brakenhoff, groepsvoorzitter Lambers en de vaandrigs Theissling en Brakenhoff. In 1984 stonden de 1st Burgess Hill en St. Wilfried op een terrein in West-Sussex, waar 2400 scouts uit 23 landen bijeenkwamen op het ‘WS84 Camp’. De patrouilles waren tijdens dat kamp gemengd. De Castricumse deelname werd grotendeels bekostigd door de verkenners zelf. Zij hadden in de voorafgaande seizoenen auto’s gewassen op de parkeerterreinen van het Bakkerspleintje en winkelcentrum Geesterduin.
Daarna waren de verkenners nog geruime tijd actief tot ook voor hen het doek viel in 2002.

De rowans

In 1964 werd de rowanafdeling opgezet, waaraan de oudere verkenners vanaf 15 jaar konden deelnemen. Daarvoor was het fiat nodig van het landelijk comit√© van Scouting Nederland. De eerste acht rowans werden in Egmond aan den Hoef bij de Zusters Carmelitessen ge√Įnstalleerd. Piet Hein van Cranenburgh werd chef van de rowanafdeling en aangezien deze groep de 72e was in Nederland, kreeg die de naam ‘RA 72’.
De rowans kregen hun eigen plek in de blokhut op de Zanderij, maar daarvoor moest de hut wel worden uitgebreid. In de hut hadden ze de ruimte voor allerlei hobby’s en zelfs hun huiswerk mochten ze er maken. Een van de activiteiten was fotograferen en ontwikkelen. Dit groeide uit tot het ‘Film-Dia-Foto-Weekend-Castricum’, waaraan andere groepen uit de omgeving ook meewerkten.
Andere projecten in die tijd waren het maken van een speelfilm ‘De Gevangene’ en het maken van kunststof kano’s. Ook werd er veel gesport en de rowans hielden zich regelmatig bezig met ori√ęnteren en kaartlezen.

De Rowans op trektocht door het Sauerland in 1965.
De Rowans op trektocht door het Sauerland in 1965.

Op een van de eerste rowankampen werden de jongens met de vrachtwagen (ook van Stet) naar Limburg gebracht, vanwaar ze verder gingen naar Belgi√ę. Tegen het einde van de vakantie bleek echter dat het geld op was en werd er in kleine groepjes naar Limburg gelift, waar Stet ze weer oppikte. Later werd er per trein, autobus of een personenbusje gereisd en dat was wat makkelijker. Tijdens de vakantie werd er met de rugzak van de ene plaats naar de andere gelopen en er werd gekampeerd bij een boer, kerk of school.
‘s Avonds werd er vaak een kampvuur gebouwd, waarbij werd gezongen en gitaar gespeeld. Deze loopvakanties zorgden voor een goede groepssfeer en een nauwe band tussen de jongens. Een goed voorbeeld hiervan was de trektocht door het Sauerland in 1965. Er werden toen vanuit Duitsland eigengemaakte ansichtkaarten naar het thuisfront gestuurd.

De rowankampen waren vaak zwaar, maar er zijn nooit grote ongelukken gebeurd.
Aan het eind van de vakantie werd er een rowanraad voor het nieuwe seizoen gekozen.
In 1978 kreeg Piet Hein van Cranenburgh versterking in de leiding met Marcel de Geest. Het begin van dat jaar was echter niet de beste tijd voor de rowans, want de sfeer en motivatie waren minder geworden. Op 21 juni kreeg men ook nog eens met een geweldige tegenslag te maken. Toen werd de hut door vandalen in brand gestoken en was de stemming begrijpelijk erg down. Na het zomerkamp zetten de rowans en leiding de schouders er echter onder en er kwam een strijdplan om de hut weer op te bouwen. In vier zaterdagen lukte het om, met behulp van ouders, vrijwilligers en bouwbedrijf M.J. de Nijs, een heel nieuw pand uit de grond te stampen. Zo kon op 17 december 1978 de nieuwe hut officieel geopend worden. Toen bleek dat, hoe raar het ook klinkt, deze brand had bijgedragen aan het herstel van het saamhorigheidsgevoel en teamverband binnen de groep.

In 1979 gaf Piet Hein van Cranenburgh, na ruim 15 jaar leiding te hebben gegeven, het stokje over aan Marcel de Geest.
Ook de rowans hielden zich in de loop van hun bestaan met diverse activiteiten bezig. Ieder jaar werd er vlak voor Kerstmis een kersttocht georganiseerd. Na de kerstviering werd dan iedereen naar het strand gereden en liep men naar ‘het licht’. Eerst gebeurde


Jaarboek 28, pagina 34

dat van Wijk aan Zee naar de hut en later van Castricum naar de vuurtoren in Egmond. Daarna was er dampende erwtensoep in de hut om weer warm te worden.
Direct vanaf de oprichting van de rowans ging een krantenactie van start. Dat gebeurde vooral om wat geld bij elkaar te krijgen voor bijvoorbeeld een zomerkamp. Men kreeg al gauw vaste ophaaladressen en op het laatst werden er maandelijks drie containers met oud papier gevuld. In 1991 werden de rowans beloond voor hun jarenlange inzet en ontvingen ze uit handen van wethouder Rouwhorst de milieuprijs.

Piet Hein van Cranenburgh met zijn rowans, waaraan hij ruim 15 jaar leiding gaf.
Piet Hein van Cranenburgh met zijn rowans, waaraan hij ruim 15 jaar leiding gaf.

Behalve ‘De Gevangene’ werden er nog twee films gemaakt. Ook werden er ruim 200 clubbladen door de groep uitgegeven onder de naam ‘Ronderons’ (rowans onder ons).
In de leiding deed zich in de loop der jaren een aantal mutaties voor. Sjors Molenaar en Fred Duineveld namen in 1984 na het 20-jarig jubileum de leiding over van Marcel de Geest. Na het zomerkamp in 1986 trad Sjef de Nijs tot de leiding toe en omdat Sjors Molenaar en Fred Duineveld in de zomer van 1991 afscheid namen, kreeg hij versterking van Jemmy van der Putten en Bas Windt.
Vanaf 1995 nam de belangstelling voor de rowans steeds meer af en dit had tot gevolg dat deze groep begin 2002 werd opgeheven.

Scouting bij de St. Wilfriedgroep in de jaren negentig.
Scouting bij de St. Wilfriedgroep in de jaren negentig.

De vlam gedoofd

In januari 1949 kwam het eerste clubblad van de St. Wilfriedgroep uit onder de titel ‘De laaiende vlam’. Het was bestemd voor verkenners en welpen en werd in de pastorie gestencild en ingekleurd. De stukjes gingen over nieuwe leden, installaties, activiteiten etc. Voor zover bekend is het blad 4 jaar verschenen. Ook van het verkennerskrantje ‘De Zanderijkoerier’ werden enige exemplaren uitgegeven en dat gebeurde in 1962.

In 1971 werd er een poging gedaan om een echt groepsblad te maken onder de naam ‘Roverwelp’. Dit blad, waarin stukjes stonden van zowel de leiding als het oudercomit√© en de leden zelf, was echter geen lang leven beschoren.
Het 50-jarig bestaan van St. Wilfried werd in 1995 groots gevierd. Voor het feest beschikte men over een ledenlijst die vanaf 1945 zo’n 300 namen telde. Daarna keerde het tij en de vlam van St. Wilfried doofde tenslotte medio 2002. De groep was dusdanig uitgedund dat er geen bestaansrecht meer was en men besloot zichzelf op te heffen. Wel hield men de stichtingsvorm in tact om het beheer te kunnen blijven voeren over de hut, die nog steeds aan groepen wordt verhuurd.

St. Clara

Vrij kort na de oprichting van St. Wilfried kwam er een groep voor katholieke meisjes onder beheer van de Pancratiusparochie, die de naam St. Clara kreeg. Helaas zijn er uit de beginjaren van het bestaan van deze groep zeer weinig gegevens te vinden. Wel is bekend dat de eerste groepsruimte een lokaal was van de St.-Bernadette-kleuterschool. Daarna kwamen de meisjes in de bollenschuur van Arie Castricum achter het Corso-theater terecht en rond 1950 verkasten ze naar de verkennershut van de St. Wilfried aan de Leo Toepoelstraat achter het jeugdhuis. Vervolgens kregen ze een hut in de tuin van de pastorie van de Pancratiuskerk.
Op 13 november 1945 werd de eerste leidstersbijeenkomst gehouden en op 13 juni 1946 werden voor het eerst gidsenleidsters benoemd. Volgens aantekeningen in de agenda van kapelaan Saulenn is de groep waarschijnlijk ook op laatstgenoemde datum officieel opgericht. Uit deze aantekeningen blijkt dat er jaarlijks vele bijeenkomsten waren, waarop werd vergaderd of installaties van leidsters plaats vonden.

Het is jammer dat er voor het verkrijgen van informatie geen beroep meer kan worden gedaan op Simone Martin, die op 20 mei 2004 is overleden. Zij werd in maart 1961 als groepsleidster aangesteld en heeft tot 1981 voor een groot deel de kar getrokken van de St. Claragroep. Een krant schreef in het voorjaar van 1961: “Na lang zoeken heeft de aalmoezenier dan eindelijk een groepsleidster gevonden. Hij was veel te ver van huis gegaan, want tot slot heeft hij ze in huis gevonden.” Simone Martin was namelijk de huishoudster van de pastorie. Guido Simone, de scoutingnaam waaronder zij bekend stond, liet een aantal logboeken en foto-albums na aan leidsters die ook jarenlang bij de groep waren betrokken. In een van haar logboeken uit 1961 wordt vermeld waaruit het bestuur van (red: tekst loopt door op pagina 36)


Jaarboek 28, pagina 35

Simone Martin als groepsleidster van de St. Claragroep aangesteld in 1961.
Simone Martin als groepsleidster van de St. Claragroep aangesteld in 1961.
Simone op kamp met aalmoezenier Herman Schrama.
Simone op kamp met aalmoezenier Herman Schrama.
Groepsfoto van de kabouters en gidsen ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van St. Clara.
Groepsfoto van de kabouters en gidsen ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van St. Clara. Naast kapelaan Graafmans en Guido Simone waren de volgende namen op de foto te achterhalen: Lia Adrichem, Colien Alleman. Wlima Alleman, Paula Bouwen, Winnie Braakman, Agnes Breetveld, Carla Bijman, Ineke Bijman, Annelies Dijkman, Marion Fisscher, Marian de Geest, Corrie Groentjes, Lida Groot, Anneke de Groot, Joke de Groot, Karin de Groot, Marijke de Groot, Karin Haker, Annet Heere, Lida Hes, Renée Hillebrink, Carla Klomp, Marijke Kooijman, Marga Korsman, Marie-Louise Linden, Truset Linden, Joke Lute, Anneke Peperkamp, Ineke Poppen, Petra Poppe, Toos Res, Sybille Speekman, Francis Stet, Carla Theissling, Cecille Vlaarkamp, Liesbeth Vlaarkamp, Yvonne Vlaarkamp en Linda Weel.

Jaarboek 28, pagina 36

de groep toen bestond. In het bestuur waren meerdere geestelijken vertegenwoordigd. Ook worden er diverse bijnamen van de leiding in genoemd. ‘Rea’ was bijvoorbeeld een kabouterkringleidster en de assistente daarvan heette ‘Radi’. De Claragroep telde toen 70 leden, waarvan 18 gidsen en 52 kabouters. De leiding bestond verder uit Gr√© Baltus, Lies Borst, Corrie de Zeeuw, Els Briefjes, Ineke van Riel en Ans Borst. Om alle zaken door te nemen kwam men regelmatig als ‘Groepsraad’ bij elkaar. Het ging om onderwerpen als op kamp gaan, de financi√ęn en het vieren van Palm-Pasen, wat altijd een grote gebeurtenis was.
Het logboek van Simone vertelt ook dat de opbrengst van de actie ‘Heitje voor een Karweitje’ in april 1961 ruim 200,- gulden was. Alle gidsen en kabouters kregen een reep chocola voor het harde werken. De helft van de opbrengst was voor eigen kas en de andere helft ging naar het District.
Op 6 juni 1961 werd Guido Simone officieel ge√Įnstalleerd als groepsleidster voor de gidsen en kabouters. Daarbij waren onder andere pastoor Minnebo en de kapelaans Van der Linden, Groot en Schrama aanwezig.
Als onderdeel van de scouting organiseerde Simone rond 1963 reizen naar Lourdes. Door middel van spaaracties maakte zij het mogelijk dat voor veel zieke mensen hun wens in vervulling ging door deze Franse bedevaartsplaats te kunnen bezoeken.
Ook was zij actief betrokken bij de verhuizing van de St. Claragroep in de (negentien)zestiger jaren naar een gebouw naast de Pancratiuskerk. Dit onderkomen kreeg de naam ‘El Cabana’ (dat betekent strohut of stulpje).

Net als bij de andere groepen werd er veel plezier beleefd aan de zomerkampen van de St. Claragroep.
Vooral het 9-daagse kamp van de gidsen in een oud klooster in het Belgische Wernhout in 1967 was een groot succes. Marijke Bodewes – De Groot en Anneke Beentjes – De Groot kijken daar nu nog met veel plezier op terug. Zij zijn beiden lid geweest van de groep vanaf de periode dat Simone Martin de leiding kreeg en waren ook kabouterleidster of gidsenleidster tot 1977. Zij hebben heel veel creatieve activiteiten met de meisjes ontplooid, waarvan de plakboeken zeer goed getuigen. Er werden toen door de gidsen en sherpa’s ook veel leuke avonden georganiseerd voor de ouderen in het dorp, die daar echt van genoten. Ook de kerst-inns stonden in het teken van de senioren. In de hut naast de kerk werd dan de mis opgedragen en men kon een maaltijd nuttigen.
De gidsen van St. Clara boekten ook succes tijdens wandel wedstrijden voor scoutinggroepen. Op 5 mei 1967 wonnen zij de eerste prijs in Bergen, waar zij meededen aan de jaarlijkse St.-Jorismars.
In de tweede helft van de jaren (negentien)zeventig moest ‘El Cabana’ plaats maken voor de vestiging van een rouwcentrum. Zodoende kreeg de groep haar vijfde onderkomen in een houten gebouw achter de Cuneraschool in Bakkum.

St. Clara werd officieel een stichting op 6 juli 1977. Nico Meijne was toen voorzitter van het bestuur.
Trudy Glorie werd begin jaren (negentien)tachtig voorzitter en die functie zou zij zo’n 10 jaar bekleden.
Op 25 oktober 1985 werd de St. Claragroep dakloos door een fikse brand in het clubhuis. De Castricumse brandweer slaagde er weliswaar in om het vuur in bedwang te houden voor het gebouw helemaal in de as werd gelegd, maar men ontkwam er niet aan om het gehele onderkomen te slopen. De groep hoefde haar activiteiten gelukkig niet te staken, want zij kon voorlopig gebruik maken van de accommodaties van de zustergroepen. Al het foto- en archiefmateriaal van de jaren daarvoor was echter in vlammen opgegaan.
Met behulp van de leiding, scouts, ouders en een aannemer werd de hut spoedig herbouwd en ingericht. De opening van de nieuwe hut vond plaats op 24 mei 1986. Vanaf dat moment draaiden de kabouters, gidsen en sherpa’s weer volop op de zaterdagmorgen of de vrijdagavond, maar in de loop van de jaren (negentien)negentig bleek het steeds moeilijker om zelfstandig het hoofd boven water te houden.
Dit had tot gevolg dat de kabouters in september 1994 overgingen naar de St. Wilfriedgroep. Uiteindelijk zag men zich genoodzaakt om de meisjesgroep na een bestaan van bijna een halve eeuw met ingang van 1 januari 1995 op te heffen.

Juliette Low

De openbare meisjesgroep Juliette Low ging op 13 augustus 1947 van start. Echter nog niet onder deze naam, want die kreeg de groep pas in 1956. Eerst heeten zij ‘Woudlopers’ en waren een onderdeel van de Beverwijkse scouttinggroep ‘Wiawaha’.
De groep was onderverdeeld in twee leeftijdsgroepen, te weten de kabouters (t t/m 10 jaar) en de padvindsters (11 t/m 14 jaar). De meisjes vanaf 15 jaar werden seniorenpadvindsters (later sherpa’s) genoemd.
In de beginperiode was het maar behelpen wat de huisvesting betreft. Het eerste onderkomen was een bollenschuur die op het terrein van Die Bogeheimers stond. Deze schuur werd in 1958 vervangen door een houten gebouwtje met een oppervlakte van 50 m2, dat in 1971 werd uitgebreid. Hierdoor verdubbelde de oppervlakte. In 1990 was er sprake van een riante verbetering toen er op dezelfde plek een stenen gebouw kon worden gerealiseerd. Bij de opening roemde wethouder Postma de zelfwerkzaamheid van ouders en andere direct betrokkenen. De groep beschikte vanaf dat moment over een onderkomen met aparte verblijven voor kabouters, padvindsters en sherpa’s. De bouw had ruim 300.000,- gulden gekost en werd voor een groot deel gefinancierd via de zogenaamde ‘derde geldstroom’, bestaande uit gemeentelijke en provinciale subsidies en bijdragen van acties als Jantje Beton.

Bouk Riethorst, die ruim 40 jaar het boegbeeld is geweest van Juliette Low, wordt hiervoor onderscheiden in 1998 door districtsvoorzitter Bert Colijn.
Bouk Riethorst, die ruim 40 jaar het boegbeeld is geweest van Juliette Low, wordt hiervoor onderscheiden in 1998 door districtsvoorzitter Bert Colijn.

De kabouters

De vrouw die ruim 40 jaar het boegbeeld is geweest van de Juliette Lowgroep is Boukje Riethorst – Nijhuis. Zij begon op 20 april 1958 als leidster van de kabouters onder de bijnaam ‘Oehoe’, die staat voor wijze bruine uil. In 1969 werd ze groepsleidster en vanaf die tijd tot haar afscheid in juni 1999 was ze in feite de mentor van deze scoutinggroep. Vanaf 1969 kende men haar als ‘Wing’, omdat ze twee vleugels onder haar hoede had. Het was dan ook meer dan terecht dat zij op 10 maart 1990 de eerste steen mocht leggen voor de nieuwbouw.
Boukje Riethorst was geknipt voor de padvinderij. “Ik heb het altijd een geweldig leuke tijd gevonden en mis het nog steeds”,


Jaarboek 28, pagina 37

vertelde ze in het voorjaar van 2005. Ze betreurde het echter dat er altijd een tekort aan hulp was en bovendien dat er vele wisselingen waren in de leiding. Toen ze erbij kwam in 1958, werden de groepen gesplitst en kreeg zij, samen met leidster Wil Hensbergen, de leiding over de ‘paddestoelenkring’.

Kringvakantie van de kabouters in 1958.
Kringvakantie van de kabouters in 1958.

Aan talloze activiteiten met haar kabouters heeft ze dierbare herinneringen, zoals:

  • De ‘kringvakantie’; dat was een lang weekend in de blokhut, dat meestal in april of mei werd gehouden. Elk weekend had een thema en dat was vaak gebaseerd op een boek.
  • De Districtsdag die eenmaal per jaar plaatsvond en waar alle groepen uit de omgeving aan meededen. Ook de Juliette Lowgroep mocht die dag een keer organiseren en daarvoor werd een grote speurtocht met opdrachten in Castricum uitgezet.
  • De jaarlijkse oliebollenactie, waar ook de padvindsters bij betrokken waren. Dit evenement hield in dat er in de keuken van Johanna’s Hof door de moeders van de kabouters een flinke hoeveelheid oliebollen werd gebakken. Voorafgaand aan de verkoop ging men met intekenlijsten de straat op en de opbrengst ging uiteraard in de clubkas.
  • De ‘pannenkoekenfuif’, waarmee elk jaar werd afsloten. Alle ouders werden dan uitgenodigd en nadat er ‘s middags toneelstukjes waren opgevoerd, werd de dag sfeervol met een gezamenlijke maaltijd be√ęindigd.

Vermeldenswaard is zeker ook dat Boukje Riethorst gedurende 15 jaar speladviseur voor de districtsleiding was.
Op 22 februari vierden de kabouters en de padvindsters jarenlang Baden-Powelldag, ter nagedachtenis aan de geboortedag van de grondlegger van de scouting. Die begon steevast met een opening om 7.00 uur op het terrein bij de vlag, waar ‘Hoort zegt het voort’ werd gezongen. E√©n keer werd van deze locatie afgeweken en heeft men dit gebeuren gezamenlijk met de meisjes van St. Clara op de Brink laten plaatsvinden. Op Baden-Powelldag droegen de leden van Juliette Low een klimopblad met drie sneeuwklokjes op het uniform. Ze gingen ook in uniform naar school en kregen daarover de nodige vragen van leerkrachten en leerlingen, ‘s Avonds was er een maaltijd in het clubhuis om de dag af te sluiten.
Verder is er natuurlijk nog van alles te vertellen over gebruiken die lange tijd bij de kabouters bestonden. Zo ging het er bij de installatie vroeger zeer plechtig aan toe. Een kabouter deed dan de belofte, waarbij twee vingers van de rechterhand omhoog werden gestoken en de linkerhand op de paddestoel moest worden gelegd. De belofte luidde: “Ik zal mijn best doen een echte kabouter te zijn, iedereen te helpen waar ik kan, vooral thuis.” Het was een van de 12 ‘mensenkindeisen’, waaraan volgens het zakboekje van de kabouters moest worden voldaan.

De padvindsters

De kabouters die de leeftijd van 11 jaar hadden bereikt, mochten ‘overvliegen’ naar de padvindsters. Dat gebeurde symbolisch met behulp van een touw. Aan de ene kant stonden de kabouters die via het touw naar de padvindsters aan de andere kant ‘vlogen’. Over ‘t algemeen zagen de kabouters en de padvindsters elkaar echter niet vaak, omdat de opkomsten van de padvindsters op zaterdag waren en die van de kabouters op woensdagmiddag.
Om padvindster te worden moesten de meisjes opnieuw een eed afleggen. Deze was iets uitgebreider dan bij de kabouters en de linkerhand werd nu op de vlag gelegd. De eisen waar een padvindster in verschillende klassen aan moest voldoen, stonden op een kaart, waarop werd aangetekend wanneer een onderdeel werd afgerond en wie dat had afgenomen. Voorbeelden van eisen voor een 2e klas-padvindster waren: geschiedenis van de vlag kennen, sokken kunnen stoppen, een spoor van een mens of dier kunnen volgen, mitella kunnen aanleggen en stamppot kunnen bereiden.
Net als bij de kabouters spraken de padvindsters hun leidsters met hun bijnaam aan, die vaak door creatieve afkortingen tot stand was gekomen. Zo heetten de twee leidsters van het eerste uur, Stien van Goudoever en Joke Sinnema, respectievelijk ‘Abev’ (Altijd blij en vrolijk) en ‘Aatip’ (Altijd aardig tegen iedere padvindster’). Deze twee leidsters hebben overigens samen de naam ‘Juliette Low’ voor de groep voorgesteld.

De padvindsterswet uit 1959.
De padvindsterswet uit 1959.

Men kende in die tijd ook een wet, die omschreef wat een padvindster allemaal moest zijn. De eerste zin was: “Een padvindster is eerlijk” en de laatste regel luidde: “Een padvindster is rein in gedachten, woord en daad.” Achterop een uit 1959 bewaard gebleven wet staat getypt: “Onze Wet is voor ons een staf die ons steunt. Als een lamp die ons pad verlicht. Haar te volgen is vreugd, al valt het soms zwaar om te doen onze Padvindersplicht.”
Het klinkt bijna afgezaagd, maar ook de padvindsters van de Juliette Low hadden veel plezier tijdens hun zomerkampen. Soms waren dit ook lange weekenden die in de eigen blokhut plaatsvonden. Vanuit de hut ging men dan op pad en werden er verschillende leuke en nuttige opdrachten uitgevoerd.

Marion Boot beschreef zo’n kampdag in 1960:
“Om tien uur ‘s morgens begon ons kamp. Na de vlaggenparade vertelde Abev dat ons kamp in het teken van het Veilig Verkeer stond. Abev vertelde ook dat ons kampmotto was:”Ga zo geruisloos mogelijk door het verkeer.” Daarna gingen we tenten opzetten. En toen koken. Per ronde kregen we andijvie, aardappels en spek. Eindelijk waren alle vuurtjes aan. Toen het eten klaar was kregen twee rondes ieder een leidster te eten. Toen de afwas klaar was


Jaarboek 28, pagina 38

kregen we platte rust. Na de platte rust hadden we totemtijd. In totemtijd kon je allerlei dingen maken waarmee je een plakkertje verdienen kon. De corvee-ronde maakte alvast brood klaar. Na totemtijd kregen we thee met koek van Tineke Swart. Voor het avondeten gingen we sjorren. Een driepoot moesten we maken om een bakje met water in te zetten om onze handen te wassen. Toen avondeten en na de afwas optocht voor ‘heitje voor een karweitje’. We moesten allemaal naar de Brink, daar begon de optocht. We moesten een stuk het dorp door, we kregen onze boekjes en toen op weg naar het kamp en ‘slapen’. De eerste nacht lukte het slapen niet z.o. Maar och wat geeft ‘t.”

De padvindsters en kabouters van Juliette Low en St. Clara.
De padvindsters en kabouters van Juliette Low en St. Clara.
Op weg naar het Vitesse-terrein op een zomeravond in juni 1961 voor het maken van een film.
Op weg naar het Vitesse-terrein op een zomeravond in juni 1961 voor het maken van een film.

Op een zomeravond in juni 1961 waren de padvindsters en de kabouters van de Juliette Lowgroep, evenals die van St. Clara, aanwezig op het Vitesse-terrein voor het maken van een film.

De modernisering

Na de (negentien)zestiger jaren veranderde er ook bij de Juliette Lowgroep het nodige en het werd wat informeler. De installatie van een padvindster bleef echter een plechtige aangelegenheid, waarbij familie werd uitgenodigd om er een feestelijk tintje aan te geven. Pas na de installatie mocht het offici√ęle tenue gedragen worden: een beige scoutingblouse en een geruite das met het JL-logo en een dasring. De rok werd verruild voor een spijkerbroek. Op de blouse zaten het regioteken, het speltakteken en het JL-naambandje. Andere badges die erop bevestigd konden worden, moesten eerst verdiend worden, zoals insignes voor koken of kampvuur stoken. Ook konden er badges op van scoutingkampeerterreinen of speciale evenementen.
De opkomsten verliepen lange tijd volgens een vast schema. Er werd geopend met het openingslied en vervolgens werd het logboek voorgelezen. Iedere week kreeg een andere padvindster het logboek mee naar huis en beschreef daarin de activiteiten van de laatste opkomst. Deze waren heel verschillend. Ze konden leerzaam zijn, creatief, sportief of heel scoutinggericht.


Jaarboek 28, pagina 39

Een nieuw stenen gebouw voor de Juliette Lowgroep, gerealiseerd in 1990.
Een nieuw stenen gebouw voor de Juliette Lowgroep, gerealiseerd in 1990.

Ook het kamp in de eerste week van de zomervakantie bleef een traditie en stond altijd in het teken van een speciaal thema. Een voorbeeld hiervan was ‘Robin Hood’. De padvindsters moesten tijdens dit kamp onder andere een pijl en boog maken en ze leerden boogschieten. De ‘platte rust’ werd ook gehandhaafd. Bovendien moest worden voldaan aan een aantal kampeisen, zoals het bouwen van een hut, twee uur zwijgen of een stukje voor het eindfeest bedenken.
Daarnaast was de speurtocht een vast onderdeel van het kamp, die ‘hike’ werd genoemd. De groep was dan gezamenlijk een dag op pad met een telefoonnummer van het eindpunt in een gesloten envelop voor noodgevallen. Uiteraard gingen er dan ook brood, drinken en snoep mee.

Een nieuw begrip in de loop der jaren werd de ‘kampdoop’, die werd ondergaan door degenen die voor het eerst een kamp meemaakten. Na twee uur slapen werden deze padvindsters wakker gemaakt en daarna moesten ze geblinddoekt allerlei opdrachten uitvoeren. Was hieraan naar tevredenheid voldaan, dan vond de doop plaats met een lepel koud water.

Als verschil met vroeger kan ook de toename van de oudere padvindsters (15-18 jaar) genoemd worden. Eerst heetten ze sherpa’s en sinds het samengaan met Die Bogeheimers maken ze deel uit van de gemengde groep die de naam ‘Sherrows’ kreeg. Zij hebben geen leiding meer en bedenken hun eigen programma, zoals het organiseren van spelavonden of een weekend met een andere groep van dezelfde leeftijd.

Omdat sommige padvindsters het ook op 18-jarige leeftijd moeilijk vonden om de scouting vaarwel te zeggen, werden zij zelf weer leidster bij een jongere speltak en dat werd vanzelfsprekend door het kader van harte toegejuicht. Desondanks ontstond er ook bij de Juliette Lowgroep rond de eeuwwisseling een tekort aan leiding, dat resulteerde in de recente fusie met de buren.

De welpen van de Abel Tasmangroep in 1947.
De welpen van de Abel Tasmangroep in 1947. V.l.n.r, staand: Kees Doekes, Pim Luttik, Hans van Weeren, Simon Kelder, Hans van Netten en akela Wil Grijze; geknield: bagheera Lien van Ginhoven, Ad Bastiaan, Pieter Hiemstra, Ruud van Jaarsveld en Folkert de Bruin; zittend: Sjaak Tuijn, Martin van Ginhoven, Frans van Netten en Dries Dikkeboom.

Abel Tasman

Helaas is er van de geschiedenis van de Abel Tasmangroep weinig te achterhalen. Dat is ook niet zo vreemd, want zij heeft maar een korte tijd bestaan. Zeer waarschijnlijk is deze groep, die viel onder de Nederlandse Christelijke Vereniging van Padvinders, opgericht in 1946 en in ieder geval voor 1954 weer opgeheven. In het begin waren de opkomsten in de schaftkeet genaamd ‘Goudsbergen’. Deze keet stond vlakbij het voetbalveld van Duin en Bosch. Later konden zij terecht naast het museum van het provinciaal ziekenhuis. Bekend is ook nog dat de jongens van de Abel Tasmangroep heel nette oranje dassen droegen en dat zij samen met Die Bogeheimers en de St. Wilfriedgroep Sint-Jorisdag vierden. Zij kwamen dan voor schooltijd bij elkaar op het kermisterrein in het dorp en ontvingen allen een rode tulp.

De leiding van de groep was in handen van hopman Kelder, die werd bijgestaan door groepsleider Siem Mooij en de vaandrigs Butijn en Verbaan. Van de vrouwelijke leiding waren de namen van akela Wil Grijze en haar assistente bagheera Lien van Ginhoven (dochter van verzetsman Huibert van Ginhoven) terug te vinden.
Ongetwijfeld kwamen er bij de Abel Tasmangroep diverse activiteiten voor die andere groepen ook deden.

Epiloog

Gedurende de afgelopen zestig jaar (red: gerekend vanaf 2005) hebben vele Castricumse jongens en meisjes de hobby padvinderij of scouting kunnen beoefenen. Lange tijd hebben zij kunnen kiezen uit vier en enige tijd zelfs uit vijf padvindersgroepen. De padvinderij is van grote betekenis geweest binnen het jeugdwerk in ons dorp.
Zoals de meeste verenigingen kreeg scouting echter ook te maken


Jaarboek 28, pagina 40

met teruglopende ledenaantallen. De belangstelling voor het oorspronkelijke doel van de padvinderij nam af en men moest meer concurreren met vele andere clubs. De belangrijkste oorzaak van de opheffing van de meeste groepen is echter een tekort aan leiding. Het uiteindelijke resultaat is dat de jongeren in 2005 hier alleen nog maar bij de groep ‘Scouting JL Die Bogeheimers‘ terechtkunnen. Gelukkig is deze vereniging kerngezond gebleven. De leiding bestaat uit een aantal enthousiaste vrijwilligers en zodoende blijft de mogelijkheid van scouting voor de Castricumse jeugd behouden.

Hans Boot

Bronnen:

  • Archiefmateriaal van Die Bogeheimers, Juliette Lowgroep en St. Claragroep.
  • Castricum-Bakkum in vervlogen jaren, 1996.
  • De Sint Wilfriedgroep in 50 jaar van Kruisvaart tot scouting, 1995.
  • Heideman, H., School- en jeugdherinneringen van Bakkum en Castricum (1940-1959).

Met dank aan:

Sander van Scheepen , George Jacobs, Loes van Keeken – Kieft, Theo van Straaten, Bert de Vries, Marcel de Geest, Fred Weda, Marijke Bodewes – De Groot, Anneke Beentjes – De Groot, Trudy Glorie – Molenaar, Boukje Riethorst – Nijhuis, Marion van der Velden – Boot, Linda van de Velde en Henk Heideman.

De in 1989 nog vier bestaande Castricumse scoutinggroepen bijeen.
De in 1989 nog vier bestaande Castricumse scoutinggroepen bijeen.
Print Friendly, PDF & Email