Kortenoever, Eldert (Jaarboek 29 2006 pg 53-60)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem РJacobs-Wentink, Gré РKieft, Pieter РKortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 29, pagina 53

Wie was … Eldert Kortenoever

De naam Kortenoever zal bij veel Castricummers herinneringen oproepen. Misschien aan kinderspelen op het kampeerterrein, volksdansen, het Wegwijsmuseum, een excursie in het duingebied of de jaarlijkse paddestoelententoonstelling. Eldert Kortenoever woonde in een kleine idyllische woning bij de Kruisberg in Heemskerk, maar zijn arbeidzame leven speelde zich vooral in Castricum af. In zijn jonge jaren leverde hij verrassend grote sportieve prestaties. Hij nam het initiatief voor de oprichting van de Vogelwerkgroep Castricum en was vanaf het eerste uur lid van de werkgroep Oud-Castricum. Hij had een fabelachtige kennis van de natuur en hield ervan die wetenschap uit te dragen en ook anderen enthousiast te maken. Voor zijn werk ontving hij de ere-medaille van de provincie en werd hem de Heimans- & Thijsse-prijs toegekend.

Een nog jonge Eldert leidt een excursie in het duingebied.
Een nog jonge Eldert leidt een excursie in het duingebied.

Eldert Kortenoever werd op 30 november 1913 in Naarden geboren. Hij was de zoon van Johannes Kortenoever en Annie Appels. Vader Kortenoever had het gymnasium doorlopen en studeerde enige jaren medicijnen. Door een val in een zwembad venninderde zijn concentratievermogen zodanig dat hij zijn studie niet meer kon vervolgen. Zijn ouders, leden van een vooraanstaande familie uit Gouda, kochten in Naarden een kwekerij voor hem.

Zij zorgden er ook voor dat Johannes een huishoudster kreeg. Dat werd Annie Appels. Er groeide een relatie tussen hen en in 1913 trouwden ze. Nog in hetzelfde jaar werd Eldert geboren en in de jaren daarna kreeg hij nog drie broers, Jan, Kees en Nico. Eldert logeerde regelmatig bij zijn Goudse familie. Hij heeft altijd met plezier ternggekeken op die periode uit zijn leven. De familie kenmerkte zich door een beschouwende, filosofische en religieuze instelling, eigenschappen die bij Eldert terug te vinden waren in zijn manier van enthousiasmeren van anderen waar het om natuurbeleven en natuurschouwen ging.

In 1923 moest de kwekerij van zijn ouders plaatsmaken voor een snelweg. Het gezin week uit naar ‘s-Graveland. De nieuwe kwekerij lag op een prachtige plek, het was een terrein dat omsloten werd door landgoederen als het Corversbosch en Gooilust. De omgeving was en is nog steeds bijzonder vogelrijk. Als jongetje van 12 jaar ging Eldert in elk gat of elke spleet op zoek naar vogelnesten.

Hij volgde een opleiding aan de tuinbouwschool in Boskoop. Opnieuw werd de familie uit Gouda belangrijk, want vanuit deze plaats ging Eldert naar school. Na zijn opleiding ging hij in de boomkwekerij van zijn vader aan het werk.
De mooie omgeving van de boomkwekerij, met in de maand mei rondom zingende nachtegalen, is als bakermat te zien voor de jaarlijkse nachtegalen excursies die Kortenoever later in het duingebied van Castricum organiseerde.

Jaap Taapken, publicist en fotograaf, een vriend van Kortenoever uit hun NJN-tijd (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie), vertelde daarover het volgende: “Voor de oorlog werd ‘s nachts met zware ingewikkelde apparatuur door radiomensen de zang van nachtegalen opgenomen. Deze nachtegalen zang kon men later bij veel radiohoorspelen beluisleren. Het fragment was herkenbaar aan het geluid van een tijdens de opname met grote snelheid passerende oude Ford.”

‘s-Graveland heeft een waterrijke omgeving. Een omgeving vol sportieve uitdagingen. De gebroeders Kortenoever namen uitbundig deel aan diverse sporten. Zomers veel zeilen en zwemmen en in de winter schaatsen. Broer Jan werd in de (negentien)vijftiger jaren schaatstrainer en was betrokken bij de oprichting van de internationale sportbond voor rodelen. Kees, architect van beroep, werd een bekende ijs- en strandzeiler, waarover later meer.

Eldert specialiseerde zich in schoonspringen, de schoolslag en pop-duiken. Hij nam zowel deel aan plaatselijke, regionale als landelijke wedstrijden. Een blikje vol ouderwets mooi uitgevoerde medailles vormen een herinnering aan zijn prestaties. Hij was lid van zwemvereniging ‘de Zuwe’ in Kortenhoef. Later toen hij in Heemskerk woonde, heeft hij zich nog ingezet voor de realisering van een zwembad; een buitenbad in het water rond Fort Veldhuis en in zijn vrije tijd heeft hij nog als badmeester gewerkt.

Natuurstudie bleef zijn voornaamste hobby. In 1931 richtte hij met de bioloog Herman van Genderen en de scheikundige, tevens vogelwaarnemer Be Wolff, in Hilversum een afdeling op van de NJN. Eldert Kortenoever viel toen al op door zijn enthousiasme, organisatievermogen en vogelkennis. In 1936 maakte hij plannen voor een natuurhistorische tentoonstelling voor de afdeling Hilversum van de NJN. Het werd een enorm succes. De tentoonstelling trok een voor die tijd opvallend groot aantal bezoekers. Er was een prachtige catalogus uitgebracht, waarin behalve een bijdrage van Eldert, bijdragen van de bioloog Victor Westhoff en de eerder genoemde Be Wolff en Herman van Genderen waren opgenomen. Het werd voor hem een start van een leven dat in het teken stond van natuureducatie en waarin hij vele tentoonstellingen op dat gebied zou vormgeven.

In 1938 begon Kortenoever met het ringen van vogels. Hij heeft dat meer dan 50 jaar volgehouden. Het is mogelijk dat er nu nog koolmezen rond de Kruisberg vliegen die door hem geringd zijn.
Ook in het jaar 1938 ging hij met ornitholoog Luuk Tinbergen, jongere broer van de latere Nobelprijswinnaars Jan en Nikolaas Tinbergen, op Schouwen de daar broedende Grote Sterns ringen. Er


Jaarboek 29, pagina 54

kwamen bijzondere terugmeldingen. Deze terugmeldingen vormden de sleutel voor de onthulling van geheimen over de plaatsen waar de vogels overwinteren. Zo kwamen er berichten uit. West-Afrikaanse kustzee√ęn: Dakar, Senegal, Kreta, Ghana, Port Etienne (Mauritani√ę).

PWN

In de moeilijke jaren voor de Tweede Wereldoorlog, de crisistijd, vond Kortenoever op de Volkshogeschool Allardsoog te Bakkeveen als leider van praktische werkzaamheden voor jongeren, een zeer veelzijdige werksituatie. De taken die hij moest uitvoeren waren vormend. De sfeer in Bakkeveen werd gekenmerkt door een grote mate van inspirerende saamhorigheid. Werken en vorming gingen hand in hand. Er ontstond een voedingsbodem voor samenwerking en communicatie. Kortenoever heeft in latere uitdagingen die hij aanging veel gehad aan zijn in Bakkeveen opgedane ervaringen.

Per 1 april 1940 werd Kortenoever aangesteld bij de afdeling terreinen van het Provinciaal Waterleiding Bedrijf van Noord-Holland (PWN) en aanvankelijk belast met toezicht op de werkzaamheden in het Heemskerkse duinterrein. Vervolgens werd hij ingezet op de kwekerij aan de Zeeweg, werk waarvoor hij een opleiding had genoten en waarin hij de nodige ervaring had opgedaan.
Op 7 mei 1942 trouwde Kortenoever met Betty Frapon. Betty werkte als verpleegster in een kinderziekenhuis in Baarn. Tijdens een volksdansfeest in Hilversum heeft Kortenoever Betty leren kennen. Slechts kort verbleef het jong paar in het Gooi.

Het Voerhuis bij de Kruisberg in Heemskerk, waar de Kortenoevers ruim zestig jaar hebben gewoond.
Het Voerhuis bij de Kruisberg in Heemskerk, waar de Kortenoevers ruim zestig jaar hebben gewoond.

Het PWN bood woonruimte aan in het duingebied bij de Kruisberg in Heemskerk. Dit huis droeg de naam ‘Voerhok’, omdat baron Van Tuyll van Serooskerken, de voormalige eigenaar van het duingebied, het huis gebruikte om voer op te slaan voor de fazanten, die voor de jacht waren gekweekt. Kortenoever verbouwde de schuur tot een woning, waardoor het ‘voerhok’ kon worden omgedoopt tot ‘voerhuis’. Tot vandaag de dag draagt het huis die naam.

Het huis was aanvankelijk nauwelijks geschikt als woning. Een stenen vloer, een pomp, geen elektriciteit, het was niet eenvoudig om te starten. Het gemis aan comfort werd ruimschoots gecompenseerd door de prachtige natuur rondom het huis. Vlakbij stonden nog enige woningen, waaronder het jachthuis van baron Van Tuyll van Serooskerken, dat door het echtpaar Baltus werd bewoond. De baron kwam er regelmatig logeren en nam dan deel aan jachtpartijen. Verder woonden er nog drie gezinnen, onder andere het gezin van Bruinekool, een jachtopziener die nog in dienst was geweest van de baron en daarna in dienst trad van het PWN.

Oorlog

De leden van deze kleine gemeenschap konden gedurende de oorlogsjaren in het duingebied blijven wonen. Als tegenprestatie voor dit woonrecht moesten de mannen wachtlopen om zo te voorkomen dat de bossen gekapt werden. Dit ging soms met een knipoog naar de naar hout op zoek zijnde dorpsbewoners. Het was spannend, maar op de een of andere manier waren alle partijen tevreden. Het wachtlopen bij het pompstation van het PWN was extra moeilijk, omdat rondom de brandbommen naar beneden kwamen. Alle bewoners van de Kruisberg hebben deze moeilijke situaties overleefd. Ook werden er dennen geplant bij de Weierij aan de Bredeweg in het Bakkumse duingebied. Een deel van deze dennen is op dit moment als volgroeid bos, rijp voor de kap, terug te vinden.

Op 28 juni 1943 werden de huizen aan de Kruisberg getroffen door granaten afkomstig van zwaar geschut dat voor de jeugdherberg Koningsbosch stond. Daar vandaan werd er geoefend met als doel een vlot dat in zee lag. Er was duidelijk sprake van afzwaaiers. De bewoners van de Kruisberg ontkwamen ternauwernood. Kortenoever vertelde over dit incident dat ze voor het huis een Duitse wacht heen en weer zagen lopen. Ineens zagen Betty en hijzelf die wacht hard wegrennen. Een onbekend geluid drong het huis binnen. Na een korte discussie besloten ze het huis te verlaten, in strijd met de geldende richtlijn om bij onraad een schuilplaats binnenshuis te zoeken. Het is maar goed geweest dat ze dat advies niet opgevolgd hebben. Samen zijn ze zijn het duin uitgerend en achter hen sloegen granaten kraters in de grond. De achterkant van het Voerhuis werd eraf geschoten. Een stuk muur bungelde alleen nog aan een kraan.
Na deze ‘miniramp’ kregen de Kruisbergbewoners enkele uren de tijd om zich tijdelijk te vestigen op het Duinerwalletje, een gedeelte van het dorp Heemskerk dat vlak bij het duingebied ligt. Toch konden de bewoners hier niet blijven. De gezinnen kregen een evacuatie adres toegewezen op de Oosterweg, totdat hun woning bij de Kruisberg weer hersteld was.

In december 1943 kwam er een Lancaster bommenwerper neer boven de Kruisberg. Het vliegtuig spatte gewoon uit elkaar. Jan Zonneveld, buurman van de familie Kortenoever, vertelt erover: “De dennen rond de Kruisberg achter de boerderij waren in √©√©n klap zonder top.” Zonneveld herinnerde zich dat hij samen met Kortenoever de massieve banden van het staartwiel van de Lancaster heeft kunnen bemachtigen. Uit dit wiel sneden ze rubberen stroken die ze als banden voor fietsen konden gebruiken. Toen de Duitsers lucht kregen van deze onderneming, hebben Zonneveld en Kortenoever de resten van het rubber begraven in de kippenren bij het Voerhuis. Na de oorlog is Jan Zonneveld nog op zoek gegaan naar het rubber; het was onvindbaar.
Heel veel jaren later, na de dood van de heer Kortenoever, brak diens zoon Dirkjan de volière af in diezelfde kippenren. Bij het uitgraven van de palen kwamen resten rubber te voorschijn. Voor Dirkjan was de hoeveelheid rubber niet te verklaren. Nu anno 2006, door het relaas van Jan Zonneveld, valt het kwartje. Het rubber maakte ooit deel uit van het staartwiel van een neergestorte Lancaster.

Dat het duingebied ook een schuilplaats kon zijn voor onderduikers is moeilijk voor te stellen. Op de zolder van het Voerhuis logeerden regelmatig mannen die een onderduikadres nodig hadden. Het waren oud-NJN’ers, die de naam ‘oude sokken’ kregen, nadat ze 23 jaar geworden waren en de NJN verlieten. De ‘oude sokken’ kregen in het Voerhuis een tijdelijk onderkomen.
Een van hen, Pieter Groot uit Westzaan, vertelt over deze tijd: “De Moffen hielden voor in het duin iedereen tegen. Maar ondanks de oorlogstijd was de omgang met de Duitsers soms soepel. Het gedrag was onvoorspelbaar en wie toch het duin in wilde gaan, nam een groot risico.”
Jaap Kaal, een andere oud-NJN’er, en Pieter Groot reden langs de versperring van de Duitsers. Ze werden niet aangehouden en konden


Jaarboek 29, pagina 55

doorgaan naar de Kruisberg. Eenmaal in het duin bleef het mogelijk vanuit het duin de polder in te gaan om bij boeren voedsel te vragen. Het hebben van genoeg voedsel is het grootste probleem naast de vomtdurende angst voor het onvoorspelbare gedrag van de Duitsers.

Pieter Groot vertelde ook de volgende geschiedenis:
“Kortenoever voerde een handeling uit die in oorlogstijd voorstelbaar was, maar die helemaal niet paste bij een natuurliefhebber. In het duingebied, het voormalige jachtgebied van baron Van Tuyll van Serooskerken, leefden naar verhouding veel fazanten. Vlees was¬†heel schaars en het vangen van fazanten werd heel aanlokkelijk. Kortenoever zag een groot en een klein exemplaar. Hij sprong van zijn fiets en gooide zijn jas over de beide fazanten, draaide de nekken om en nam de fazanten mee naar huis. De dikste werd door de familie Kortenoever en de gasten opgegeten en met de kleine fazant reisde de heer Kortenoever naar zijn schoonmoeder in Utrecht. Nog voor Kortenoever kon aanbellen bij zijn schoonmoeder, werd de deur opengedaan. “Ik weet wat je bij je hebt, in de tas zit een fazant, maar het is wel de kleinste.” Schoonmoeder heeft ‘s nachts gedroomd hoe haar schoonzoon de fazanten ving. Het was wel heel frappant dat ook de informatie over de kleinste fazant in de droom terugkwam.”

Dit verhaal is waarschijnlijk aan heel veel vrienden verteld, want in veel gesprekken kwam dit bijzondere voorval naar voren.

Gezinsuitbreiding

In 1946 werd dochter Hanneke geboren en drie jaar later zoon Dirkjan. De drukke werkzaamheden: de zorg voor het museum, lezingen, excursies, activiteiten voor het kampeerterrein Bakkum, maakten dat Kortenoever niet veel aanwezig was in het gezin. De kinderen kregen op een andere manier zijn aandacht. Zo maakte hij bijvoorbeeld een boorinstallatie van blikken, je kon de boorinstallatie echt in werking stellen. Ook zorgde hij voor veel speelhuisjes en hutten, een juk waaraan je echt emmers kon hangen, enzovoort; attributen waaraan ze veel plezier beleefden.
Tijdens de volksfeesten in Heemskerk maakte Kortenoever versierde wagens, waarin alle kinderen van de Kruisberg een plaats konden vinden.
Er was in het dorp Heemskerk geen openbare school. De maatschappij tot Nut van het algemeen heeft ervoor gezorgd dat er in 1954 een school gesticht kon worden. Kortenoever zette zich ook daarvoor in en werd in 1954 de eerste voorzitter van de oudercommissie.

Vele jaren werd in de herfst de grote paddestoelen tentoonstelling gehouden, waarvoor bij Johanna's Hof een tent werd neergezet.
Vele jaren werd in de herfst de grote paddestoelen tentoonstelling gehouden, waarvoor bij Johanna’s Hof een tent werd neergezet.

Kindercircus

Na de oorlog kreeg Kortenoever een andere taak. Hij werd aangesteld om de recreatieve activiteiten op het PWN-kampeerterrein Bakkum te organiseren. De activiteiten waren heel divers: kinderspelen, volksdansen enzovoort. Op het terrein was een duinpan die ingericht werd als theaterkuil.

Er werd ook een kindercircus opgericht. Kortenoever speelde de rol van circusdirecteur, gekleed in jacquet met een hoge hoed kondigde hij onder andere het circusorkest van ‘groenpetters’ (boswachters) aan. De kinderen traden op als clowns, acrobaten, leeuwen, dansers enz. Een keer toen de leeuwen gevoerd werden met stukken kantkoek, gafeen klein leeuwtje in plaats van de gebruikelijke grauw in plat Amsterdams het antwoord: “Ik ben al geweest, mijnheer.”
Het paard Arabel, gemaakt van jute zakken, maakte zo’n echte indruk dat kleine kinderen op de voorste rij dachten dat het paard echt was. Later gingen ook de kinderen van de kinderkolonie St. Antonius meedoen met het kindercircus; het werd een grote organisatie. Een van de kleine danseresjes, toen negen jaar, heeft een professionele carri√®re als danseres gemaakt en werd later directeur en artistiek leider van het Nederlands Danstheater. Haar naam: Marianne Sarstadt.

De act met de 'vallende' blikken in het kindercircus op kamp Bakkum.
De act met de ‘vallende’ blikken in het kindercircus op kamp Bakkum.

Peter de Heer vertelde: “Samen met Dirkjan Kortenoever vormden wij in onze lagere schooltijd een clownsduo voor het kindercircus. We traden op in een grote tent, die later als kerk dienst deed. Onze zeer succesvolle hoofdact was niet eenvoudig en vereiste de nodige training. Kortenoever had een constructie gemaakt, bestaande uit een stok met een plateau, waarop conservenblikken waren opgestapeld. Met die stok moesten we dan balanceren boven de hoofden van de kinderen, die begonnen te schreeuwen als iedereen verwachtte dat de blikken zouden vallen. Dat gebeurde natuurlijk niet, want Kortenoever had een dusdanig mechanisme ontworpen dat de blikken niet naar beneden kwamen. Ook werd ik wel geschminkt om als tijger mee te doen.”


Jaarboek 29, pagina 56

Loods 5

Op het kampeerterrein stonden grote loodsen die in de winter gebruikt werden als opslagplaats voor kampeerhuisjes. ledere loods had een nummer. Kortenoever richtte in een gedeelte van de nog bestaande loods 5 een kleine natuurhistorische tentoonstelling in. De loods had een grote open ruimte met een klein zijkamertje, dat in de oorlog de slaapkamer was geweest van de Duitse oppasser van paarden die in de loods gestald waren. In dat zijkamertje werd eerst de vlinderverzameling van Kortenoever tentoongesteld. Zijn toenmalige assistent, Klaas Zwart, herinnert zich de kasten met laden, waarin de verschillende verzamelingen getoond konden worden. Er kwamen naast vlinders, laden met eieren en schelpen en andere strandvondsten. In de grote open ruimte was een klein diorama te zien met door Kortenoever zelf geprepareerde vogels. Die techniek hadden zowel Klaas Zwart als Kortenoever geleerd van een preparateur van Artis.

Het museum was ‘s avonds tot 22.30 uur open, omdat de meest kampeerders overdag op het strand waren. Dat betekende dat Kortenoever vele avonden moest opofferen. Cor Mooij en Klaas Zwart vielen nog wel eens voor hem in. De activiteiten voor het museum werden door het PWN formeel niet erkend. Die werkzaamheden werden min of meer gedoogd, zodat de uren dat er toezicht werd gehouden niet ‘geschreven’ mochten worden.

Klaas Zwart was niet alleen betrokken bij de activiteiten in loods 5, maar deed allerlei taken die seizoensgebonden waren. In de winter maakte hij nestkasten met de heer Wentink, de timmerman van het PWN, die op Fochteloo woonde. Die nestkasten werden binnen het PWN-terrein opgehangen, wat gezien de grootte van het terrein een flinke klus was.

Op een keer fietsten Kortenoever en Klaas Zwart nog voor zonsopkomst naar de Verbrande Pan in Bergen om daar kasten te gaan plaatsen. Het werk liep flink uit en om 13.30 uur besloten de mannen te gaan lunchen in een door het PWN geplaatste directiekeet. Ze zaten nog nauwelijks of Kortenoever vloog weer overeind, pakte de nestkasten en riep naar Klaas Zwart: “De baas … kom op aan het werk.”
De heer Duinker en ir. Vogelenzang kwamen eens kijken hoe het werk er voor stond. Kortenoever, zich bewust van de niet gebruikelijke lunchtijd, wilde geen verkeerde induk maken en koos ervoor om dan maar weer door te werken. De persoon van heer Duinker, hoofd van de PWN-terreinen, was een begrip in Castricum. Zijn wil was wet. Om aan materiaal uit zee te komen, voeren Klaas Zwart en Kortenoever ook wel mee met visser Leen Blok uit IJmuiden met de stoomtrawler IJmuiden 9. Grote zeesterren, zeemuizen, inktvissen en allerlei materiaal werd aan boord verzameld. Later kwamen deze dieren in potten met formaline en werden in loods 5 tentoongesteld.
Loods 5 werd ook bezocht door collega-natuurkenners. Er werden materialen uitgewisseld. Zo had Kortenoever contact met Gerrit Jan de Haan van Texel, de grondlegger van het latere ECO Mare en met Cees Sipkes, een plantenkenner van Oostvoorne. Van Sipkes is bekend dat hij op Voorne allerlei planten invoerde die daar niet-inheems waren. Van Kortenoever kreeg hij onder andere zaad van het slangenkruid.

Met Kortenoever op excursie.
Met Kortenoever op excursie.

Vanaf Loods 5 werden zeer regelmatig excursies georganiseerd met verschillende bestemmingen: de visafslag in IJmuiden, de Hoogovens, de abdij in Egmond en natuurlijk tochten in het duingebied rondom het kampeerterrein. Aan de excursies naar de Hoogovens en naar de abdij mochten alleen mannen deelnemen. Hoogovens vond het onverantwoord om vrouwen toe te laten en ook de monniken in de abdij hadden er kennelijk moeite mee.

Als bestuurder van de jeugdherberg Koningsbosch had Kortenoever volksdans cursusleider Chris de Vries uit de Zaanstreek leren kennen. Enthousiast gemaakt door Chris de Vries begon Kortenoever ook op het kampeerterrein met het aanbieden van voornamelijk Hollandse en Engelse dansen.
De functie van Kortenoever veranderde later opnieuw. Hij werd door het PWN aangesteld als voorlichtingsambtenaar. Zijn taak werd breder, er vonden meer excursies voor scholen en meer lezingen plaats en er werden tentoonstellingen in allerlei dorpen in Noord-Holland georganiseerd. Ook Cor Mooij zette zich voor de tentoonstellingen in. Hij herinnert zich wel dat het voor Kortenoever moeilijk was om zijn werk goed te plannen en alles op tijd klaar te hebben, maar met collegiale steun kwam het toch altijd weer in orde.

In de loop van de jaren (negentien)vijftig zag het PWN de permanente tentoonstelling toch ook als een belangrijk element van het voorlichtingsprogramma. Een noodgebouw, dat overbodig was geworden door de ingebruikneming van het kantoor in de villa Fochteloo,
werd verplaatst naar een terrein tegenover het kampeertenein Bakkum. In dat gebouw kon Kortenoever een nieuw natuurhistorisch museum inrichten, dat de naam ‘Wegwijsmuseum’ kreeg. Rond het gebouw werd een tuin aangelegd met typische duinplanten en allerlei voorwerpen die op het strand gevonden waren. Zelfs een mijn kreeg een plaats in de tuin, maar ook allerlei soorten drijvers van visnetten.
Vlak bij het gebouw werd een duinpan gegraven. In de duinpan bloeiden duinroosjes, parnassia, brunel en verschillende soorten orchidee√ęn.
De inrichting deed denken aan de inrichting van loods 5. Voor een diorama was minder ruimte, maar de verzamelingen werden uitgebreid met nieuwe onderdelen. Zo kreeg heemkunde een plaats in het museum. Informatie over de ru√Įne in Egmond, over de slag bij Castricum en over de vroegste bewoning van de duinstreek was er ook te vinden.


Jaarboek 29, pagina 57

 Wekelijks overleg medewerkers van het PWN in kantoor Fochteloo.
Wekelijks overleg medewerkers van het PWN in kantoor Fochteloo. Vl.n.r.: ir. H. Veenendaal (directie PWN terrein), J A.C. Klok (beheerder terrein Castricum), J. Joosse (administrateur), E.J. Kortenoever (Wegwijsmuseum), D. van der Zee (chef jachtopziener), W. van Hiele (hoofd terreinen), H. Donker (camping Geversduin), H. Hartman (camping Bakkum), JB. Verink (beheerder terrein Bergen, Egmond, Bakkum-Noord), H.J. van Elven (beheerder duingebied Heemskerk), C. Klaassen (administratie).

Vrienden voor het leven

Voor niet-katholieken was ‘het Nut’een belangrijke vereniging (red: Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen, een Nederlandse vereniging ter bevordering van het welzijn van individu en samenleving). Het Nut had een bibliotheek en organiseerde daarnaast veel activiteiten voor de leden. Een van die activiteiten was de duinexcursie, die twee keer per jaar plaatsvond. Aan die excursies namen ook heel jonge deelnemers van 12 jaar deel. E√©n van die jonge deelnemers of misschien zelfs de jongste, Jan Huisman, vertelde over die tijd: “Samen met een vriend Piet Honig ging ik vooraf aan de excursie op zoek naar nesten die tijdens de excursie getoond kunnen worden. Het ging om nesten van de nachtegaal en staartmees.”

Kortenoever nodigde de jongens uit om mee te gaan met een excursie naar het Zwanenwater. De excursie was bestemd voor leden van de Vereniging voor Vogelbeschenning. Op de fiets naar het Zwanenwater, een flinke afstand. De jongens bleken de enige jongeren en argwanend werd aan Kortenoever gevraagd of de jongens wel lid waren van Vogelbescherming. Kortenoever gaf als antwoord dat het jeugdleden waren. Waarschijnlijk zijn Huisman en Honig in naam de eerste jeugdleden geweest. De vriendschap tussen Kortenoever, Huisman en Honig bleef gedurende hun hele leven bestaan. Tot aan de dood van Kortenoever bleven ze samen genieten van staartmezen die vlak voor het raam van de verpleeginstelling kwamen.

Piet Honig heeft lange tijd in Canada gewoond. Kortenoever en Huisman zijn samen nog naar Vancouver gereisd om daar samen met Piet Honig te genieten van de rijke natuur. Vol verhalen over vogels die ze nooit hadden gezien, maar waarvan ze de namen wel kenden. Kortenoever had een uitgebreide postzegelverzameling met als thema flora en fauna.
Jaarlijks bezoekt Honig nu (in 2006) nog steeds het duingebied, meest in de tijd dat de nachtegalen zingen. Wie in de maand juli gaat wandelen bij de Kruisberg, kan op de hoogte van het Voerhuis een geel bloeiende plant vinden; een plant die veel lijkt op het zonneroosje dat in sommige tuinen staat. Het is een door Kortenoever meegenomen plant uit Canada, die zich in de ruige, kalkarme grond van de duinen goed thuis voelt.

Het ringen van een jonge vogel.
Het ringen van een jonge vogel.

De laatste ‘griel’

Naast de diverse taken die bij zijn baan hoorden, had Eldert ook als vrijwilliger een taak op zich genomen die dicht bij zijn werk lag. In 1945 slaagde hij voor het examen controleur vogelwet. De taak werd beschreven als ‘onbezoldigd rijksveldwachter’ van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk. Na het examen volgde een be√ędiging. Optreden kon deze bijzondere ambtenaar pas als de overtreder na diverse gesprekken niet wilde luisteren. In het bijzijn van de plaatselijke politie werd dan een proces-verbaal opgemaakt.

Kortenoever is actief geweest om de laatste ‘griel’, een bijzondere vogel, in Nederland van de ondergang te redden, wat helaas niet gelukt is. De griel komt nu alleen nog in Afrika voor. In het PWN-terrein werd deze vogel nog tot 1950 waargenomen. De vogel werd extra in de gaten gehouden en de eieren werden in het nest regelmatig geteld. Er werden steeds eieren gemist en Kortenoever kreeg in de gaten dat een man de eieren roofde voor een priv√©-verzameling. Samen met de plaatselijke politie werd een huiszoeking gedaan, waarbij ze maar liefst twintig eieren vonden. Het opmaken van een proces-verbaal en inbeslagname van de eieren volgde.

Elfstedentocht

Kortenoever bleef naast zijn drukke werkzaamheden tijd vrijmaken voor een van zijn sportieve hobby’s. In Bakkum, bij de Vereniging Kennemer IJsbaan, trainde hij samen met een groep mannen het hele jaar voor deelname aan een eventuele Elfstedentocht, maar ook voor de dorpentochten in Noord-Holland zoals de Molen-Merentocht. In de winter, als er voldoende ijs was, reden ze vele wedstrijden op de ijsbaan in Bakkum.
Om sterke benen te krijgen renden ze, gekleed in een voor die tijd opvallend strakke schaatsbroek, duin op duin af. In 1956 was het zover, de groep stond ingeschreven voor de Elfstedentocht en ondanks het slechte ijs en de strenge vorst wisten ze de tocht te volbrengen.


Jaarboek 29, pagina 58

Ook trainde hij wel alleen in het Heemskerkse duingebied. Tegenwoordig is het duinterrein vol mensen die voor de een of andere sport trainen en zijn er speciale parcoursen. In 1956 bleef een wandelaar nog staan om naar de ‘sportieveling’ te kijken.

Met de zelfgebouwde strandzeiler in actie op het strand tussen Castricum en Heemskerk.
Met de zelfgebouwde strandzeiler in actie op het strand tussen Castricum en Heemskerk.

Strandzeilen

Toen Eldert en zijn broer Kees in hun jeugd een ijszeiler bouwden met behulp van een oude strijkplank, hadden ze nog geen flauw idee dat dit de grondslag vormde voor de latere kleine ijs- en strandzeilers in Nederland en daarbuiten. Het is onduidelijk wie van de twee begonnen is met een vast zeil aan een draaiende mast, want beide broers vertelden hetzelfde verhaal over die eerste experimenten. Kees was gek op zeilen en hij specialiseerde zich ook in het ijszeilen. Hij maakte een ijszeiler op basis van tekeningen die hij uit Amerika had meegenomen. Het was van de zogenaamde DN, een ijszeiler die via een ontwerp-wedstrijd van de ‘Detroit News’ ontstaan was. In 1962 werd Kees de eerste Nederlands kampioen ijszeilen en in 1966 zelfs Europees kampioen. Hij richtte in 1963 de DN-ijszeilvereniging Nederland op.

Dirkjan, de zoon van Eldert, bouwde een karretje voor op het strand. Het karretje had een vierkant zeil en kon alleen met de wind in de rug een stukje rijden. Een DN-ijszeiler kon scherp aan de wind zeilen en Eldert besloot op basis van de tekeningen van broer Kees een DN te bouwen voor gebruik op het strand. Gebruik werd gemaakt van bekistingmateriaal van Hoogovens en oude bouten en ijzeren platen van het PWN. De wielen en de stuurinrichting werden bij de sloop gevonden. Broer Kees kwam met een mast en een zeil van een DN-ijszeiler langs, zodat eindelijk gekeken kon worden of een ijszeiler op wielen mogelijk was. Ze gaven het voertuig de naam ‘Akka’, vermoedelijk naar de leidster van de groep wilde ganzen uit het boek ‘Nils Holgerssons wonderbare reis’ van Selma Lagerl√∂f.

Ze sleepten de eerste Akka naar de strandopgang van Bakkum en tot hun groot genoegen bleek de nieuwe strandzeiler heel scherp tegen de wind te kunnen zeilen, zodat tochten naar Bergen of de Noordpier mogelijk waren.
Kees Kortenoever verbouwde intussen in ‘s-Graveland nog twee ijszeilers tot strandzeilers, zodat hij samen met Eldert aan wedstrijden kon deelnemen. Bij de Europese kampioenschappen in Denemarken in 1963 wisten de deelnemers niet wat ze zagen. Tussen de wagens met gigantische zeilen reed ineens een wagentje met een zeiloppervlak van 6 vierkante meter. De start was een sensatie. De Akka stoof na het startschot weg, zelfs voordat de eerste grote strandwagens op gang waren gekomen. Op de lange stranden lag de topsnelheid van de reuzen veel hoger, zodat de DN toch als laatste binnenkwam. Dat ritueel herhaalde zich elke wedstrijd. Toch was men internationaal onder de indruk. Vooral het scherp aan de wind kunnen zeilen en de lage bouwkosten speelden hierbij een rol. Toen ze in 1966 in Engeland meededen aan de Europese kampioenschappen was er al een aantal DN-strandzeilers gebouwd en bij de Europese kampioenschappen in Frankrijk was er een speciale klasse voor kleine strandzeilers. Wat ooit begon met een paar plankjes en onderdelen van de sloop, was tot een heuse sport uitgegroeid.

Vogelwerkgroep

In 1958 nam Kortenoever het initiatief voor de oprichting van de Vogelwerkgroep Castricum, samen met Koos Borstlap en Gerard Klaasse. Bij de oprichtingsvergadering op 10 april 1958 waren behalve de eerstgenoemden, P. Brakenhoff, D. van Deelen, J. Mulder en W. Verkerk aanwezig.
Nu heeft de werkgroep 210 leden. Inventarisatie van de vogelstand was de eerste activiteit van de werkgroep. Volgens de methode Tinbergen werd de zang van de mannetjes in kaart gebracht en werd er vervolgens gezocht naar nesten. In 1963 komt er na veel voorb reidende werkzaamheden in het duingebied een vinkenbaan voor het vangen en ringen van vogels.
In de jaren (negentien)zestig heeft Kortenoever contact onderhouden met veel ‘vogelvrienden’, zoals blijkt uit bewaard gebleven brieven. Men wisselde niet alleen informatie uit over vogels. Zo filosofeerde de bekende publicist Jan P. Strijbos met hem over het proces van ouder worden en meldde dat hij op zijn vijfenzestigste niet met pensioen zou gaan. Dat heeft Strijbos inderdaad waargemaakt; tot ver in de tachtig heeft hij artikelen geschreven. Cynisch merkte hij in een van zijn brieven op: “Oud worden vraagt een zekere bekwaamheid en talent in het oversteken van straten.”
Het was bijzonder dat een publicist van boeken over verre streken als IJsland of de Galapagos eilanden en die lange tijd ver van huis verbleef, in een brief zo dichtbij kon blijven.

Heimans- & Thijsse-prijs

Op 13 september 1969 werd Kortenoever onderscheiden met de Heimans-& Thijsse-prijs. De prijs werd uitgereikt door zijn oud NJN-vriend professor Victor Westhoff.
Het was dezelfde Westhoff waarmee hij in de jaren (negentien)dertig zijn eerste natuurhistorische tentoonstelling inrichtte. Westhoff benadrukte dat Kortenoever de prijs niet in de eerste plaats ontving om zijn grote deskundigheid op het gebied van natuurstudie. De prijs werd vooral aan hem toegekend op grond van een andere professionaliteit, namelijk de wijze waarop Kortenoever het publiek dat het Noord-Hollands duingebied bezoekt, voorlichtte over alles wat met natuur en natuurbehoud te maken heeft.
Prof. Westhoff: “ik kan daardoor uit eigen ervaring verklaren dat je niet alleen vanjongs af aan met hart en ziel natuurliefhebber en in de eerste plaats vogelman bent geweest, maar dat je ook altijd de roeping hebt gevoeld en de bijzondere gave hebt gehad, je medemensen belangstelling en bewogenheid voor onze medeschepselen bij te brengen.”

Oud-Castricum

In 1967 heeft Derk van Deelen aan Kortenoever gevraagd of hij deel wilde uit maken van de op te richten werkgroep Oud-Castricum. Zijn belangstelling voor archeologie was al gebleken uit de plaats die hij in het duinmuseum had ingeruimd voor bodemvondsten. Ook bij archeologisch onderzoek in de duinen was Kortenoever steeds te vinden. Tot op hoge leeftijd nam hij deel aan de activiteiten van de werkgroep. Hij kon heel goed kalligraferen en bij de eerste door de werkgroep verzorgde tentoonstellingen werd daar dankbaar gebruik


Jaarboek 29, pagina 59

van gemaakt. Veel door hem verzamelde bodemvondsten en gereedschappen, onder andere van schelpenvissers en het boerenbedrijf, schonk hij aan de werkgroep.

Interieur van het Wegwijs museum.
Interieur van het Wegwijs museum.

Bezoekerscentrum

In 1967 werkte Kortenoever mee aan een 1 aprilgrap. In het Nieuwsblad voor Castricum werd aangekondigd dat er in het Wegwijsmuseum een belangrijke aanwinst te zien zou zijn. Het was een op het strand gevonden zeldzame Kurkkuifstrandloper. Dit bijzondere dier was werkelijk te bewonderen in het museum. De vogel maakte Kortenoever van materialen die van het strand afkomstig waren. Een kop was van een drijver van een visnet en ook het lichaam was van kurk. De kuif was gemaakt van een boender. Velen kwamen voor de bijzondere vogel naar het museum.

Kortenoever en Klaassen in gesprek over het natuurpad bij het inmiddels al in bezoekerscentrum De Hoep omgedoopte Wegwijs museum.
Kortenoever en Klaassen in gesprek over het natuurpad bij het inmiddels al in bezoekerscentrum De Hoep omgedoopte Wegwijs museum.

In 1973 begon de ontwikkeling van natuurhistorisch museum tot bezoekerscentrum. De verzamelingen in natura werden geleidelijk vervangen door foto’s. De heer Rein Westra, de tekenaar van de prachtige boeken over diverse landschappen, ontwierp een nieuwe vitrine met tal van foto’s. Het nieuwe jasje van het museum trok inderdaad meer bezoekers. In 1973 waren dat er 22.850.
De familie Westra bleef bevriend met Kortenoever. Voor het boek over de duinen heeft Kortenoever planten verzameld, die zoon Chiel Westra fotografeerde en waar Rein Westra prachtige aquarellen van maakte. De familie Westra woonde in ‘s-Graveland, de plaats waar het ouderlijk huis van Kortenoever stond. Misschien mede door de extra binding met het prachtige bosgebied, het Spanderswoud, waar zowel de familie Westra als de familie van Kortenoever woonden, groeide er tussen Eldert en de familie Westra een hechte vriendschap.

Met deskundig advies van de heer Kortenoever stelde de gemeenteraad in 1974 straatnamen in de wijk Noordend vast, die gebaseerd waren op de in polder- en duingebied voorkomende planten, bloemen en vogels.

In 1978 kwam koningin Juliana naar het PWN-duingebied. Het was de bedoeling dat Kortenoever, vanuit het Voerhuis, een prachtige boeket van allerlei bessen die in het duin groeiden, zou aanbieden. De kinderen Dirkjan en Hanneke kregen het verzoek hun ouders die dag niet te bezoeken. Uiteindelijk werd het boeket aangeboden tijdens het bezoek aan het pompstation ‘Wim Mensink’; de koningin reed slechts langs het Voerhuis.
In november 1978 nam Kortenoever afscheid van zijn werkzaamheden wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Uit handen van de commissaris van de Koningin De Wit ontving hij de bronzen penning van de provincie voor het jarenlang uitdragen van de natuurbeschermingsgedachte. Bijzonder was dat de commissaris Kortenoever nog kende uit de NJN-tijd in Hilversum, de tijd waarin zij zich beiden inzetten voor de natuur.

Na zijn pensionering kon Kortenoever blijven wonen in het Voerhuis in zijn geliefde duingebied. Hierdoor kon hij zijn hobby, het ringen van vogels, voortzetten. Rond het huis plaatste hij diverse mistnetten, waarin kleine zangvogels gevangen werden. Ook het verzorgen van vogels die gewond waren geraakt, bleef doorgaan. In plaats van naar het museum brachten de mensen de vogels nu naar de Kruisberg. Als de vogels te groot waren voor de kleine kooien en de volière bij het Voerhuis, bracht hij de vogels naar het Vogelopvangcentrum in Bergen.
Door middel van de grote tuin bij het Voerhuis bleef Kortenoever contact houden met bezoekers van het duingebied. Wandelaars kregen tijdens hun tocht zomaar nestkasten met jonge vogels te zien. Als het ‘klikte’, nam hij de wandelaars mee naar een zanderig stuk land. In dit land zaten vaak wentels (red: holen) met jonge konijnen. Zo bleef Kortenoever nog lang zijn oude werkzaamheden beoefenen.

Kortenoever, begeleid door PWN-medewerker Posthuma, bij de opening van het nieuwe bezoekerscentrum in 1994.
Kortenoever, begeleid door PWN-medewerker Posthuma, bij de opening van het nieuwe bezoekerscentrum in 1994.

In 1994 werd het grote nieuwe bezoekerscentrum ‘De Hoep’ geopend. Het is een opvallend gebouw. Het dak is bedekt met mossen en planten. Kortenoever werd uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de opening van deze nieuwe expositieruimte. Om in het gebouw te


Jaarboek 29, pagina 60

komen, wandelde je door grote buizen van de vroegere WRK-leiding (red: Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland). Kortenoever herkende de buizen, maar in de expositieruimte zag hij weinig bekende dingen meer. Toch was hij blij dat hij de opening had meegemaakt.

Eldert op zijn geliefde plekje bij het zijraam van het Voerhuis met zijn echtgenote Betty.
Eldert op zijn geliefde plekje bij het zijraam van het Voerhuis met zijn echtgenote Betty.

Zijn leven werd door toenemende lichamelijke gebreken steeds moeilijker. Uiteindelijk was het voor hem niet langer mogelijk om op de Kruisberg te blijven wonen. Kortenoever ging naar het verpleeghuis in het Heemskerk. Zelfs daar was het mogelijk iets van de natuureducatie door te geven. Zoon Dirkjan plaatste bij het huis een vogelvoederplank. Vanafzijn stoel kon Kortenoever naar de vogels blijven kijken. Er kwamen staartmezen, groenlingen, vinken, diverse mezensoorten en wat extra leuk was, een winterkoninkje. Het winterkoninkje was en is het logo van de vogelwerkgroep Castricum, een vogel met een bijzondere betekenis. Kortenoever droeg dit teken als dasspeld. De winterkoning was uitgezaagd uit een Engelse munt, de farthing (1/4 penny). Tot aan zijn dood heeft Kortenoever de bewoners van het verpleeghuis uitleg gegeven over de vogels die rond het huis waren te horen of op de voederplank waren te zien.

Op 12 juni 1996 overleed Eldert Kortenoever op 82-jarige leeftijd. Zijn laatste levensdag werd opnieuw een dag waarin de winterkoning een bijzondere rol kreeg. Op de dag dat hij per ambulance naar het Rode Kruis ziekenhuis gebracht werd, was het daar erg druk. Er was geen plaats en Kortenoever werd gedwongen te wachten in de kelder van het ziekenhuis. Dochter Hanneke was bij hem. Ineens hoorde ze de schelle klanken van de zang van een winterkoning. Via een klein raampje kon je een met klimop begroeide wand zien. In de klimop zat het nest van een winterkoning. Het lange wachten werd een beetje minder erg doordat Kortenoever het in- en uitvliegen kon volgen vanaf zijn brancard. Een laatste groet van de vogel die voor Kortenoever vanaf zijn vroegste jeugd zoveel betekenis had.

De tekening van de winterkoning die gebruikt is voor het bronzen beeldje op het graf van Eldert Kortenoever op de begraafplaats Onderlangs.
De tekening van de winterkoning die gebruikt is voor het bronzen beeldje op het graf van Eldert Kortenoever op de begraafplaats Onderlangs.

Kortenoever werd volgens zijn eigen wens begraven op Onderlangs, de begraafplaats in Castricum aan de voet van de duinen, dichtbij het gebied dat in zijn leven zo’n grote plaats had ingenomen. Op het graf bloeien typische duinplanten als slangekruid en teunisbloem. Vlinders bezoeken de bloemen. Dochter Hanneke vroeg een kunstenaar uit Rotterdam een winterkoning in brons te maken om op de steen te plaatsen. De winterkoning, gemaakt naar een tekening van een vriend uit zijn NJN-tijd, staat in een vechthouding. Het is goed gelukt, want regelmatig komen levende exemplaren in gevecht met hun bronzen broeder.

In 2001 werd een vogelhut geopend bij het voormalig pompstation Castricum niet ver van het nieuwe bezoekerscentrum. De hut is gebouwd ter nagedachtenis aan Eldert Kortenoever. De naam van de hut: ‘De Winterkoning.’

Hanneke Kortenoever

Met dank aan: Dirkjan Kortenoever, Pieter Groot, Peter de Heer, Cor Mooij, Jan Zonneveld, Klaas Zwart en Niek Kaan.

Print Friendly, PDF & Email