Kieft, Pieter – burgemeester (Jaarboek 41 2018 pg 22-30)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 41, pagina 22

Wie was … Pieter Kieft

De gemeenteraad van Castricum heeft bij besluit van 25 april 1967 een straat naar Pieter Kieft vernoemd. Nietsvermoedend, want pas in 1975 is ontdekt dat hij een bijzonder negatieve rol heeft gespeeld in het plaatselijke bestuur. Deze ontdekking werd door ondergetekende gedaan in het archief van het Hof van Assisen in Haarlem.
Pieter Kieft werd in 1804 benoemd als onderwijzer. In 1814 werd hij schout van Castricum en Bakkum, een functie die later burgemeester werd genoemd. Daarnaast was hij ook ontvanger van diverse belastingen. Hij had het voor het zeggen in de schelpenhandel en dupeerde veel schelpenvissers ten eigen voordele. Verschillende grondbezitters betaalden gedurende een reeks van jaren te veel belasting, die hij niet afdroeg aan de betreffende instanties en in eigen zak stak. Hiervoor werd hij in 1836 uit zijn ambten gezet en tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Pieter Kieft in gevangenschap. Tekening door Fred Marschall.
Pieter Kieft in gevangenschap. Tekening door Fred Marschall.

Geboren in Westzaan

Pieter Kieft werd geboren in Westzaan op 20 juni 1782 als zoon van Cornelis Kieft en Neeltje Booij. Zijn vader is veehouder, eerst in Nauerna en vanaf 1778 aan het Zuidend in Westzaan. Pieter gaat op 21-jarige leeftijd in juni 1803 in Amsterdam wonen. Daar trouwt hij op 4 november van datzelfde jaar met Betje Smit uit Leer in Oostfriesland. Het echtpaar vertrekt medio 1804 naar Castricum na Pieter’s benoeming tot schoolonderwijzer aldaar.

Benoeming tot onderwijzer in 1804

De Castricumse schoolonderwijzer Jan Metz overlijdt op 22 februari 1803, nadat hij in ons dorp als enige onderwijzer meer dan 15 jaar heeft gewerkt. De school is ondergebracht in een afgeschot gedeelte van de oude dorpskerk. Zijn vrouw verkeert met haar zes kinderen in armoede. Het plaatselijke bestuur heeft haar toestemming gegeven om een ondermeester als vervanger in dienst te nemen, zodat zij het salaris van haar man kan behouden en niet met haar gezin ten laste komt van de armenkas. Vanaf 14 april 1803 is hier als zodanig Jacobus Elderbeek werkzaam, die al aan het einde van datzelfde jaar gaat werken in Stroe op Wieringen. Opnieuw ligt het schoolonderwijs in Castricum stil. Door het gemeentebestuur wordt in januari 1804 besloten tot de aanstelling van een vaste schoolonderwijzer en gerechtsbode, die tevens koster en voorzanger is. Er wordt een oproep in de Haarlemsche Courant geplaatst. Hierop komen in totaal 36 sollicitanten af. Van deze lijst worden er door districtsschoolopziener Beets uit Zaandam zes geselecteerd, die in Castricum worden geëxamineerd door een schoolonderwijzer uit Velsen. Van hen heeft Nicolaas Anslijn uit Leiden de beste papieren. Hij is de later zo bekend geworden onderwijskundige en schrijver van schoolboeken. Anslijn heeft zijn getuigschrift voorafgaande aan het examen teruggevraagd en dus moet een keuze uit de overige vijf kandidaten gemaakt worden. Pieter Kieft uit Amsterdam is de gelukkige. Op 21 maart 1804 wordt hij officieel benoemd. Een uitvoerige instructie voor deze functies is op deze datum opgenomen in het Resolutieboek van het gemeentebestuur en luidt letterlijk:

Instructie voor den School-onderwijzer, Gerechtsbode, koster en voorzanger te Castricum

  1. Hij zal zich, met alle oplettenheid en naarstigheid in het Schoolhouden en onderwijzen moeten gedragen naar de wetten en naar het Reglement van orde voor de openbare Scholen, binnen de Bataafsche Republiek, vastgesteld of nog nader vast te stellen; als mede naar zodanige instructie als aan hem, door het Gemeentebestuur van Castricum in het vervolg zal gegeven worden.
  2. Hij moet als Gerechtsbode den Schout, het Gemeentebestuur, Schepenen en den Secretaris altijd ten dienste staan, derzelver orders en alle exploicten naauwkeurig naar den form en inhoud ten uitvoer brengen, zonder enige verandering of oogluiking; voords moet hij (wanneer het gevorderd word) alle Publicatien en beveelen aflezen en aanplakken.
  3. Het Raadhuis moet hij rein en zuiver houden, waar toe de gereedschappen en al het benodigde aan hem ter hand zullen gesteld worden.
  4. Alle personen, die in enig Bestuur binnen deze Gemeente gesteld zijn, of die enig gezag voeren, moet hij met alle bescheidenheid bejegenen en

Jaarboek 41, pagina 23

behandelen; ook mag hij niet buiten Castricum gaan of blijven, dan met voorkennis en toestemming van den Schout.
5. Het uurwerk op den dorps Toren zal hij, alle dagen, naar behoren moeten opwinden en in orde houden, en daaraan enig gebrek bemerkende, dit terstond ter kennis brengen van den Schout.
6. Ten opzichte van den kerkedienst, zal hij zich naar de orders van den kerkenraad der gereformeerde gemeente moeten gedragen, en ook moeten naarkomen dat geene, het welk hem door kerkmeesteren dier kerk zal worden bevolen.
7. Hij zal naauwkeurig aantekening moeten houden van de personen, welke komen te overlijden, en van den dag van het overlijden en begraven, waartoe aan hem de quitantien van den betaalden impost op het begraven zullen worden vertoond, alvorens een lijk ter aarde besteld word.
8. Eindelijk zal hij zich in de aan hem opgedragene posten moeten regelen naar al dat geene het welk men van eenen braven man kan verwachten,

Aldus gedaan en vastgesteld bij den Schout en het Gemeente Bestuur van Castricum op den 21 maart 1804, en door den burger Pieter Kieft, beëdigd op den zelfden dag.

Een beeld van het dorp Castricum in 1807, drie jaar na de komst van Pieter Kieft. De hoofdweg vanaf het zuiden (nu de Oude Haarlemmerweg) was nog een mulle zandweg (aquarel van J.A. Cresent).
Een beeld van het dorp Castricum in 1807, drie jaar na de komst van Pieter Kieft. De hoofdweg vanaf het zuiden (nu de Oude Haarlemmerweg) was nog een mulle zandweg (aquarel van J.A. Cresent).

Het Departementaal School-Bestuur voor het noordelijk gedeelte van Holland heeft onderzoek gedaan naar de kunde en bekwaamheid van Pieter Kieft en heeft hem nagenoeg in alles zo zwak bevonden, dat het hem niet een volledig getuigschrift heeft kunnen geven, maar hem alleen heeft toegestaan de school gedurende één jaar waar te nemen, om zich dan in juni 1805 opnieuw te laten examineren. Het gemeentebestuur neemt het bericht op 7 juni 1804 ter kennisgeving aan; Pieter Kieft was al in maart officieel benoemd.
Pieter zakt in 1806 voor een examen voor de vierde rang. Een bezoek van de landdrost van Amstelland aan Beverwijk in 1808 wordt door een delegatie van het plaatselijke bestuur van Castricum aangegrepen om te klagen over de slechte toestand van het onderwijs in hun dorp. De landdrost bekleedde toen een positie overeenkomstig met die van de commissaris van de Koning van de provincie Noord-Holland.

Schoolopziener Pieter Beets krijgt de opdracht een onderzoek in te stellen. De toestand van het onderwijs was inderdaad slecht: Beets treft de onderwijzer voor zichzelf lezend aan, met ruim twintig kinderen in de klas: bij gebrek aan gevorderden zijn er slechts twee klassen, in plaats van de voorgeschreven drie; het lezen is stijf en eentonig, het spellen gebrekkig en het schrijven matig; de lees- en leerboekjes zijn daarentegen ‘zeer wel’ gekozen. De mening van Beets over Pieter Kieft luidt: “Het is een brave man, die gedienstig is en zijn kerkelijke en burger-


Jaarboek 41, pagina 24

lijke posten goed waarneemt, maar niet berekend is op zijn taak als onderwijzer. Bovendien kan ter verontschuldiging van meester Kieft worden aangevoerd dat de ouders de kinderen niet regelmatig naar school zenden.

Nevenactiviteiten

Het ambt van schoolmeester staat in die tijd maatschappelijk niet in hoog aanzien. Hij moet nevenactiviteiten hebben om zijn brood te verdienen. Zo was Pieter Kieft in 1804 voor onbepaalde tijd aangesteld als gerechtsbode. Zijn jaarsalaris als schoolmeester en gerechtsbode is 125 gulden.
Hij is ook koster en voorzanger in de Nederlands Hervormde Kerk en benoemd tot doodgraver.
Vanaf 1804 wordt Pieter Kieft ook ontvanger van de zogenoemde ‘Onbeschreven middelen’ te Castricum en Bakkum. Dit zijn allerlei soorten belastingen (accijnzen), zoals op wijn, bier, gemaal (korenmolen), zout, zeep, bestiaal (geslachte dieren), ronde maat (granen) en waag (wegen en meten).
Voor die functie heeft hij borgen nodig, die garant staan voor de ontvangen gelden. Op 13 april 1804 wordt notarieel vastgelegd dat Albert Dirkszoon Knaap, boer, en Fulps Ranke, metselaarsbaas, beiden wonende in Castricum, voor Pieter Kieft borg willen staan.

Vanaf 1 januari 1806 wordt de belasting op het recht van successie ingevorderd. Daartoe moeten lijsten worden aangelegd voor het aangeven van overledenen. De schoolmeester Pieter Kieft wordt binnen deze gemeente opgedragen om nauwkeurige aantekening van de te begraven overledenen te houden, om de af te geven toestemmingsbiljetten te verzamelen en alle weken de lijsten van begraven personen aan de baljuw van deze plaats te zenden. Als vervolg hierop wordt Pieter Kieft op 22 januari 1806 tot doodgraver binnen deze gemeente benoemd; zijn benoe- ming gaat vergezeld van een uitvoerige instructie met negen artikelen waaraan hij zich te houden heeft.
Dat zijn functie niet in hoog aanzien staat, blijkt uit zijn lage inkomen. Pieter Kieft valt in de vijfde belastingklasse en moet in 1812 12,60 gulden belasting betalen. In dat jaar zijn de belastingplichtigen verdeeld over acht belastingklassen variërend van 79,80 gulden tot 2,10 gulden per jaar.

Drie kinderen: Cornelis, Jan en Willem

Het echtpaar Pieter Kieft en Betje Smit krijgen drie kinderen: de zoons Cornelis, Jan en Willem, geboren in Castricum respectievelijk in 1804, 1807 en 1810.
Zoon Cornelis trouwt in 1827 met Christina Margaretha van Leeuwen, is graankoopman en gaat in Limmen wonen. Hier worden hun vijf kinderen geboren en wordt het geslacht Kieft voortgezet.
Jan is kantoorbediende, trouwt in 1832 met Johanna Maria Schuurman en woont in Amsterdam; hun enige dochter en de beide ouders overlijden aldaar voor 1837.
Willem is broodbakker, woont na zijn huwelijk in 1835 met Cornelia Koning eerst nog in Castricum, vanaf 1843 in Alkmaar en voor 1850 tenslotte in Haarlem, waar beiden op hoge leeftijd kinderloos overlijden.

Benoeming tot burgemeester

In 1810 wordt Nederland bij het Franse rijk ingelijfd. Ons land wordt vanaf 1 januari 1811 verdeeld in 7 departementen, elk onderverdeeld in arrondissementen. De gemeenten Castricum en Bakkum vallen uiteindelijk onder het arrondissement Alkmaar.
Bij Keizerlijk Decreet wordt bepaald dat met ingang van 1 januari 1812 Castricum en Bakkum zullen worden samengevoegd. Als burgemeester is benoemd mr. Jacob Nuhout van der Veen, de 32-jarige zoon van de afgetreden schout van Castricum en Bakkum mr. Joachim Nuhout van der Veen. De samenvoeging van Bakkum (110 inwoners) en Castricum (520 inwoners) is een onderdeel van een gemeentelijke herindeling in de Franse tijd die veel meer gemeentes treft. Op 5 januari 1812 wordt de nieuwe gemeenteraad op het raadhuis van Castricum geïnstalleerd. Deze bestaat uit burgemeester Jacob Nuhout van der Veen, wethouder Arie Admiraal en acht raadsleden.
Al op 7 maart 1812 doet Jacob Nuhout van der Veen in een brief aan de onderprefect een dringend verzoek om te wor- den ontslagen, omdat het hem onmogelijk is gebleken om het burgemeestersambt te combineren met dat van notaris (in Alkmaar). Voorlopig blijft hij echter in functie.

Per 1 januari 1813 zijn drie kandidaten voor de post van burgemeester genomineerd:

  1. Pieter Kieft, geboren in 1782, 29 jaar, woont in Castricum, gehuwd, drie kinderen, ontvanger der indirecte belastingen, persoonlijk bezit 300 gulden, omschreven als man met verstand, fatsoen en goede wil. Hij wordt nu tabaksverkoper genoemd, een functie die hij ook nog bekleedt.
  2. Arie Admiraal, wethouder, geboren in 1760, 52 jaar, woont in Bakkum, gehuwd, vijf kinderen, landbouwer, persoonlijk bezit 300 gulden, omschreven als man met beperkte capaciteiten voor zijn functie.
  3. Simon Duinmaijer, raadslid, geboren in 1762, 50 jaar, woont in Bakkum, gehuwd, zes kinderen, landbouwer, persoonlijk bezit 400 gulden, geschikt voor de functie.

Pieter Kieft als burgemeester van Castricum en Arie Admiraal als wethouder leggen op 6 januari 1813 de eed af en worden geïnstalleerd op het raadhuis te Castricum in het bijzijn van de afgetreden burgemeester Jacob Nuhout van der Veen; beide heren waren op 25 december 1812 door de prefect van het departement benoemd.

Het besluit van de Provincie Noord-Holland tot vorming van een nieuw bestuur voor de gemeente ‘Castricum & Bakkum’ op 3 april 1817.
Het besluit van de Provincie Noord-Holland tot vorming van een nieuw bestuur voor de gemeente ‘Castricum & Bakkum’ op 3 april 1817.

De installatie van een nieuw gemeentebestuur op 1 mei 1817

De schout wordt benoemd door de koning en de raadsleden door de Provinciale Staten, beiden op voordracht van de ambachtsheer. Het eerste gemeentebestuur dat volgens de nieuwe wetten is samengesteld, wordt in elke gemeente in Noord-Holland omstreeks 1 mei 1817 geïnstalleerd. Direct hieraan voorafgaand heeft Pieter Kieft, schout en secretaris der ‘Gemeente Castricum en Bakkum’, op 23 april 1817 de eed afgelegd ten overstaan van de heer Staatsraad Gouverneur van onze provincie. Bovendien hebben Gedeputeerde Staten eerder bij hun besluit van 3 april de leden van de raad benoemd, te weten: Gerrit Brasser en Simon Duinmaijer als


Jaarboek 41, pagina 25

assessoren (wethouders) en Evert Asjes, Cornelis Schrama en Floris Twisk als raadsleden.
Op 1 mei 1817 wordt op het gemeentehuis van Castricum om 10 uur ’s morgens voor de schout Pieter Kieft het oude bestuur ontbonden, treedt het nieuwe bestuur aan en wordt door de schout de eed voorgelezen, luidende:
Ik zweer dat ik den mij opgedragen post van lid der Gemeenteraad van de gemeente Castricum, met alle getrouwheid zal vervullen; dat ik mij van alle pligten mij in die betrekking opgelegd, eerlijk en opregtelijk zal kwijten, overeenkomstig de Grondwet, de algemeene landswetten, als mede met hetgeen bij het reglement van bestuur van het platteland van Holland is voorgeschreven.”
Vervolgens wordt de eed door elk raadslid afzonderlijk bevestigd met de woorden: “Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!”.
Door de schout is van deze installatie een proces verbaal opgemaakt dat door hem, de assessoren en de overige raadsleden is ondertekend.

Klachten van de schelpenvissers tegen de schout

Gedurende de ambtsperiode van de schout Pieter Kieft zijn er eigenlijk aanhoudend problemen met de schelpenvissers en zijn er klachten over het gedrag van de schout, die tevens als particulier koopman bij de schelpenhandel is betrokken. Dit gaat meerdere keren zelfs zo ver dat de schelpenvissers hun toevlucht zoeken bij het provinciebestuur. In 1818 beklagen zich enkele schelpenvissers onder aanvoering van Jacob de Graaf jr. over het willekeurig gedrag van de schout, die zich niet houdt aan het bij toerbeurt afleveren van de schelpen en bepaalde schelpenvissers uitsluit van levering, omdat zij hun schelpen niet voor een lagere prijs aan hem zouden willen verkopen.
De Staatsraad Gouverneur van Noord-Holland, die we tegenwoordig commissaris van de Koning noemen, neemt de klachten serieus. Hij stuurt de brief naar de gemeenteraad van Castricum en vraagt om commentaar. Bovendien geeft hij de heer Van Foreest opdracht om de klachten te onderzoeken. Deze komt na enig onderzoek met het voorstel om het reglement aan te passen, zonder uitsluitsel te geven of de klachten tegen de schout gegrond zijn. In datzelfde jaar wordt door de gemeenteraad een nieuw reglement vastgesteld, waarbij het kopen en afleveren van schelpen duidelijker zijn geregeld.

Enkele jaren later, in 1822, beklagen Dirk Nanne en Pieter Mors, beiden schelpenvissers, zich in een brief aan Gedeputeerde Staten, dat zij hun schelpen niet mogen verkopen, terwijl volgens artikel 12 van het reglement het aan een ieder vrij staat om schelpen van de schelpenvissers te kopen. Uit de vele klachten blijkt, dat de schout vooral zijn eigen belang dient en hij daarbij niet altijd eerlijk te werk gaat. Ook Hermanus Beugeling, koopman in schelpen, beklaagt zich dat hem wordt geweigerd zijn schelpen op zijn beurt te lossen. Anderen doen een oproep om nog eens te wijzen op het belang van de schelpenhandel en alles in het werk te stellen om de reglementen te doen naleven. Daarbij wordt bovendien gevraagd of de schout zich niet meer met de schelpenhandel wil bemoeien en wordt geklaagd over de oneerlijke handelwijze van de schout. Merkwaardigerwijze wordt na de vele signalen over de schout van hogerhand zijn functioneren niet ter discussie gesteld. Ook Dirk Wijnands schrijft een lange brief aan de Gouverneur, waarin hij een vurig pleidooi houdt voor de instandhouding van de schelpenhandel. Wijnands woont sinds 1818 in Castricum, heeft 24 schelpenvissers in dienst en is ook eigenaar van het ‘Lange Pannenhuis’ aan de Brakersweg. Er heerst grote vertwijfeling onder de schelpenvissers.


Jaarboek 41, pagina 26

Op 8 mei 1822 worden Joris Hageman, Jacob Veldt en Willem Castricum door een heel grote groep schelpenvissers gekozen om bij de Gouverneur diens bescherming in te roepen en het behoud van de schelpenhandel ten sterk- ste te bepleiten. Zij hebben vernomen dat de schout bij de Gouverneur heeft verzocht alleen aan hem de directie over de schelpenhandel op te dragen.
Dat wij ondergeteekenden voorts nederig verzoeken, het zijn Hoog Edele Gestrenge gunstig gelieve te behagen om het voorstel van gemelden schout te eenemale te verwerpen, daar wij ons niet dan met schrik en ijzing kunnen herinneren de jammer en ellende, die wij ondervonden tijdens hij schout in dien handel betrokken was en ons allen aan hem cijnsbaar (belastbaar) maakte, waardoor dan ook veelen onzer zich tot de diepste armoede vernederd zagen en het volkomen zeker is, dat zulks weder ons ongelukkig en als dan onherstelbaar lot zou zijn, daar de meesten onzer of tot den armenkas of den bedelstaf de toevlugt zouden moeten neemen, terwijl wij integendeel van harte verlangen zouden dat hij schout nimmer eenige bemoeying met dien handel zoude vermogen te hebben, hetzij direct of indirect”.
De brief is ondertekend door 37 schelpenvissers; 22 van hen tekenen met een kruisje, omdat zij het schrijven niet hebben geleerd.

Door de aanhoudende stroom klachten besluit de Gouverneur op 6 juni 1822 om het reglement op de schelpennering tot 31 december 1823 buiten werking te stellen en de schulpbazen (handelaren) uit hun posten te ontzetten. Op 22 november 1822 wordt er een lange brief, ondertekend door in totaal 75 schelpenvissers en schelpenvaarders uit Castricum, Bakkum en Akersloot gestuurd naar Gedeputeerde Staten. Zij wijzen op de vele intriges van verschillende personen, waarbij de koopman P. Kieft (zij willen hem niet de schout noemen) een voorname rol speelde, waardoor de Gouverneur werd misleid, met uiteindelijk het gevolg dat de schelpenhandel voor enige tijd vrij is geworden. De schelpenvissers doen een dringend beroep op de Gouverneur om het reglement weer in werking te stellen en de gecommitteerden weer in hun functies te herstellen. Tevens doen de schelpenvissers daarbij het verzoek om artikel 12 van het reglement van 1818 zodanig te wijzigen dat het aan eenieder verboden wordt schelpen te kopen, anders dan bij de schuit en per last en alleen in het winterseizoen.

De gemeenteraad is in zijn advies aan de Gouverneur van mening dat het verzoek tot wijziging kan worden ingewilligd: dat de reglementen en wijzigingen ‘zeer nuttig voor het belang der Ingezetenen kunnen zijn’. De schout Pieter Kieft reageert in een afzonderlijk schrijven aan de Gouverneur, omdat hij zich persoonlijk in zijn goede naam voelt aangetast door de brief van de schelpenvissers. Kieft meldt onder andere dat hij, terwijl hij gebruik maakte van zijn recht om zijn schelpen kwijt te raken, door een opgeruide menigte is mishandeld. Hiervan zijn drie belhamels door de rechtbank te Alkmaar gestraft (slechts met een gevangenisstraf van acht dagen). Pieter Kieft geeft de schuld van alle ellende aan Dirk Wijnands, die buitensporig veel geld zou verdienen aan het kopen en belenen van schelpen. Deze Dirk Wijnands hoort echter wel bij de grote groep ondertekenaren van het verzoek aan de Gouverneur en heeft dus dezelfde belangen als de schelpenvissers.
Door de Gouverneur worden er, na ingewonnen advies en een onderzoek door de heer Van Foreest, lid van GS, geen termen gevonden om enige wijziging in het reglement aan te brengen.


Jaarboek 41, pagina 27

De Dorpsstraat in 1819. Detail van de kaart van de weg van Castricum naar Heiloo, vervaardigd in 1819 door Chr.W.M. Klijn.
De Dorpsstraat in 1819. Detail van de kaart van de weg van Castricum naar Heiloo, vervaardigd in 1819 door Chr.W.M. Klijn.

Grootgrondbezitter

Pieter Kieft koopt gedurende tientallen jaren meerdere panden en vele stukken land. Hoewel hij allerlei leningen aangaat, moet gezegd worden dat hij, gelet op zijn toch beperkte traktement als schout, ver boven zijn stand leeft. Zo koopt hij in 1813 een huis, erf en tuin direct gelegen naast de herberg ‘De Rustende Jager’ aan de Dorpsstraat. In de loop van dat jaar koopt hij nog het naastgelegen huisje en diverse percelen weiland en zaadland met een totale grootte van 3,5 hectare.
Deze bezittingen worden grotendeels verkocht, voordat hij in april 1816 een deel van de bezittingen van de vroegere schout mr. Joachim Nuhout van der Veen koopt. Laatstgenoemde woont dan al enkele jaren in Alkmaar en is daar president van de rechtbank.
Het is het herenhuis van de schout met het koetshuis en paardenstal, met de achterliggende tuin, het bos (Schoutenbosch) en het boerenhuis, genaamd Compaan (de nu nog bestaande boerderij Compaan staat op die plek). De twee genoemde huizen staan op een terrein ter grootte van ruim 1,8 hectare.

Binnen drie jaar doet Pieter Kieft nog verschillende aankopen van zaadland en weiland onder andere aan de Brakersweg, bij de Beverwijkerstraatweg en op de Hoogevoort met een totale oppervlakte van ruim 7,2 hectare. Voor de verschillende aankopen van land en aflossing van schulden weet hij in mei 1819 een voor die tijd gigantisch geldbedrag van 8.000 gulden te lenen van de heer Albertus Johannes Schuyt van Castricum, ambachtsheer van de heerlijkheden Castricum en Bakkum en wonende in Amsterdam. Alle bezittingen van Pieter Kieft worden als onderpand opgevoerd. Daarbij hoort ook een pakhuis dat Kieft in 1816 aan het Schulpstet heeft laten bouwen en dat voor bewoning wordt verhuurd.

In de jaren die volgen leent Pieter verschillende bedragen van meerdere personen. Hij koopt nog wat land en laat twee arbeiderswoningen op het Schulpstet bouwen.
Op een gegeven moment kan Pieter Kieft – gegeven zijn vele leningen – het waarschijnlijk financieel niet meer bolwerken, want hij machtigt makelaar Christiaan Stumphius uit Beverwijk om op 28 april 1829 een groot deel van zijn bezittingen in het openbaar te verkopen. De verkoping wordt gehouden in de dorpsherberg, later De Rustende Jager genoemd. Zijn huis en het omliggende park (nu ten oosten en zuiden omsloten door het Schoutenbosch) wordt in de verkoopakte omschreven als:
Een buitenverblijf bestaande uit de Heerenhuizinge voorzien van onderscheidene kamers, koetshuis, stalling voor paarden en hoornvee, hooi- en stroozolders, erf, moestuin en boomgaard met exquise vruchtbomen, alles staande en gelegen te Castricum, de huizing gemerkt met nommer 84 en de grond, groot 45 roeden, belend ten noorden de algemeene weg, ten zuiden en oosten de verkooper en ten westen meester Joachim Nuhout van der Veen.
Een stuk boschland aangelegd met slingerlanen, bloempartijen, goudvischkom, moestuin en boomgaard, liggende te Castricum, groot twee bunders, belend ten noorden de verkooper, ten zuiden het Achterwegje, ten oosten het Haarlemmervoetpad en ten westen de Hollaan.

Dit geheel wordt gekocht voor 3.305 gulden door zijn grootste schuldeiser koopman Arie de Bruin uit Zaandijk.
De naastgelegen boerenwoning, genaamd Compaan, met stalling voor hoornvee en paarden en berging voor hooi, wordt voor 455 gulden gekocht door broodbakker Cornelis Schermer.

Na de openbare verkoping in 18292 heeft Pieter nog een huis en koepel met grond (1822 vierkante meter) aan de Dorpsstraat in bezit op de plaats waar nu het pand is van de firma De Graaf Tegels en Sanitair. Dit bezit verkoopt hij in 1830 onderhands aan zijn zoon Jan, die dan al in Amsterdam woont.
Door het overlijden van zoon Jan in 1835 en daarna ook van diens vrouw en enige dochter wordt dit bezit geërfd door Jan’s moeder Betje Smit en zijn schoonmoeder Johanna Brinkman, ieder voor de helft. Beiden verkopen dit erfdeel in 1837 aan Cornelis Kieft, koopman, wonende te Limmen, zijnde een andere zoon van Pieter Kieft en Betje Smit. Bij deze verkoop verklaart Betje dat haar huwelijk met Pieter Kieft, die zich dan bevindt in het huis van bewaring in Gouda, is ontbonden door de ‘infamerende straf, die haar man heeft ondergaan, hetwelk zijn burgerlijke dood ten gevolge heeft’, waardoor Betje nu weer uit eigen hoofde denkt te kunnen handelen. Na het overlijden van Betje Smit blijkt die verkoop niet rechtsgeldig, want haar man Pieter Kieft was ook erfgenaam en wel na het overlijden van Betje Smit voor de helft van huis en koepel. In november 1838 wordt het geheel door de ‘voogden’ van Pieter Kieft verkocht.
Op 17 juni 1836 worden in het Huis van Arrest te Alkmaar in het bijzijn van Pieter Kieft en Arie de Bruin, Cornelis Schermer en Jan Schavemaker, kopers van onroerende goederen, op de openbare veiling in 1829 de nog openstaande hypotheken afgesloten.

De schout heet vanaf 1825 burgemeester

Jaarlijks moeten de namen van de kandidaten voor de gemeenteraad worden voorgelegd aan de ambachtsheer. Na diens goedkeuring worden de raadsleden benoemd door Gedeputeerde Staten. Vanuit de nieuwe samenstelling worden dan vervolgens uit hun midden de wethouders gekozen.
Vanwege de omslachtige werkwijze wordt de korte raadsperiode dan ook aangepast bij het in werking treden van een nieuw ‘Reglement op het Bestuur ten Platten Lande in de Provincie Holland’ in 1825. De raadsleden worden in het vervolg voor zes jaar benoemd en elke twee jaar treedt op 2 januari eenderde af. De aftredende raadsleden zijn in principe weer herkiesbaar.
In dit nieuwe reglement is de eeuwenoude titel van schout afgeschaft en vervangen door die van burgemeester, die voor een termijn van zes jaar door de koning wordt benoemd. Na 1825 bestaat de gemeenteraad van Castricum uit een burgemeester, twee wethouders en vier raadsleden.


Jaarboek 41, pagina 28

Castricum tijdens het burgemeesterschap van Pieter Kieft (1813-1836)

Bij een opgave in 1812 heeft de gemeente 630 inwoners. Bij de volkstelling van 1830 is het totaal aantal inwoners toegenomen tot 791. In 1812 zijn er 41 schelpenvissers, 21 veehouders en 21 dagloners. Pieter Kieft wordt als onderwijzer in 1813 opgevolgd door Antonie van Rozenhagen. Het onderwijs wordt gegeven in een afgescheiden gedeelte in de oude dorpskerk. Vanwege herhaalde dronkenschap wordt Antonie ontslagen. Zijn opvolger is vanaf 1825 Cornelis Schut. Er zijn heel veel klachten van de ouders over het slechte onderwijs dat door meester Schut wordt gegeven. Hij is de enige leerkracht voor meer dan 100 kinderen. Er is geen geld voor een ondermeester.

In deze periode is 88 procent van de Castricumse bevolking rooms-katholiek en de overige 12 procent protestant. De rooms-katholieken gaan ter kerke in de schuilkerk aan de Breedeweg. In 1817 wordt Bernardus Piepers benoemd tot pastoor in Castricum. Hij zorgt ervoor dat het schuilkerkje nog eens grondig wordt vernieuwd en onder de druk van het stijgend aantal gelovigen vergroot. Een beschrijving uit 1826 over het interieur van de schuilkerk meldt circa 150 plaatsen. In 1824 wordt pastoor Piepers opgevolgd door Gijsbertus Ruijgrok van de Werve. Predikant van de Nederlands Hervormde Kerk is al sinds 1791 Ernst Willem Fabritius, een zwager van de vroegere schout Joachim Nuhout van der Veen. Hij wordt in 1828 opgevolgd door Coert Daniël Canne.

De gezondheidszorg in Castricum laat veel te wensen over. Na 1806 is hier niet meer een geneeskundige gevestigd. Pas in 1828 gaat de 29-jarige en nog ongehuwde Bernardus Res in Castricum werken als heelmeester. Hij trouwt twee jaar later met de dienstbode van de pastoor en zal zijn beroep tot zijn overlijden in 1845 uitoefenen. Hij is de stamvader van de Castricumse familie Res.

In 1820 wordt de straatweg nummer 1 aangelegd tussen Alkmaar en Beverwijk. De weg volgt deels de reeds bestaande weg. In Castricum wordt een gehele nieuwe weg aangelegd vanaf de afslag wat nu Burgemeester Mooijstraat heet aan de Dorpsstraat tot voorbij de grens met Heemskerk.

De handtekening van Pieter Kieft en de schepenen Brakenhoff en Tromp onder het document dat de grens tussen de gemeenten Castricum en Egmond-Binnen in 1821 vastlegde.
De handtekening van Pieter Kieft en de schepenen Brakenhoff en Tromp onder het document dat de grens tussen de gemeenten Castricum en Egmond-Binnen in 1821 vastlegde.

In 1821 worden in aanwezigheid van een landmeter met de schout Pieter Kieft en de schepenen Jan Franszoon Brakenhoff en Gerrit Tromp, vooruitlopend op de oprichting van het Kadaster, officieel de grenzen van het grondgebied van de gemeente Castricum bepaald. Beide schepenen zijn voor dit doel benoemd tot aanwijzers. De vaststelling van de grens geschiedt in aanwezigheid van en in overeenstemming met de schout en de twee aanwijzers van de aangrenzende gemeente. Achtereenvolgens wordt de grens vastgesteld met de gemeente Egmond-Binnen, Heiloo, Limmen, Uitgeest en Heemskerk.

Om te komen tot een rechtvaardige heffing van de grondbelasting wordt in 1832 het Kadaster opgericht. In een aantal jaren van voorbereiding worden alle huizen, erven, wegen en wateren, duinen en landerij- en opgemeten, genummerd en getekend op de zogeheten minuutplans. Van elk perceel worden naam, woonplaats en beroep van de eigenaar, de grootte van het perceel, de soort bebouwing, de belastingklasse en de belastbare opbrengst geregistreerd in de zogeheten oorspronkelijk aanwijzende tafels. Gecombineerd met de gegevens van de volkstelling van 1830 ontstaat voor het eerst in de geschiedenis een compleet beeld van bewoners, gezinnen, straten, huizen en percelen land.

In de periode 1830 tot 1835 is een groot project in het duingebied in uitvoering, dat tot doel heeft om uitgestrekte duinvalleien voor landbouw en veeteelt geschikt te maken. Dit gebeurt onder andere door de aanleg van wegen, kanalen en sloten, die moeten zorgen voor een goede waterhuishouding en door de bouw van meerdere duinboerderijen. Het brengt gedurende die periode werk voor vele tientallen grondwerkers.

Arrestatie van de burgemeester

Op 5 januari 1836 zijn voor de officier van justitie te Alkmaar verschenen Bartholomeus Nicolaas Rommel, Cornelis Kuijs en Jan Kabel, allen landeigenaren en wonende te Castricum. Zij klagen burgemeester Pieter Kieft aan voor het gedurende een aantal jaren verhogen van de omslagen voor de Hoogheemraadschappen van de Hondsbossche en Duinen tot Petten en ook voor de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland. Kieft heeft direct na aanvaarding van de taak als ontvanger der belastingen de


Jaarboek 41, pagina 29

omslagen verhoogd zonder de verhoging af te dragen aan de betreffende instanties, noch te storten in de gemeentekas, maar heeft zichzelf hiermee verrijkt. Inmiddels was de extra verhoging gestegen naar 0,20 gulden per hectare.
Als bewijsvoering hebben de drie landeigenaren de kwitanties voor de omslagen afgegeven over de jaren 1828 tot 1835 in de gemeenten Uitgeest, Limmen, Heemskerk en Castricum aan de officier van justitie overlegd.

Op 22 januari daaropvolgend hebben de rechter ter instructie, de officier van justitie en de griffier van de rechtbank zich naar het woonhuis van Pieter Kieft in Castricum begeven. Na verschillende ontwijkende en ontkennende antwoorden op vragen over de administratie over de omslagen, volgt een huiszoeking en worden allerlei documenten meegenomen. Pieter Kieft wordt op dezelfde dag overgebracht naar het Huis van Arrest te Alkmaar. Voor het afgeven van een verklaring melden zich op 27 januari landeigenaar en oud-wethouder Willem Melker, wethouder Pieter Muijs en gemeenteraadslid Klaas Stet bij de officier van justitie.
Zij verklaren als vertegenwoordigers van het gemeentebestuur dat de voorgaande acht jaren er nooit door Pieter Kieft als ontvanger der omslaggelden van zijn administratie rekening en verantwoording is afgelegd. Zij hebben te goeder trouw Kieft steeds ongemoeid gelaten. Zij hebben nu ontdekt dat de burgemeester hen schandelijk heeft bedrogen. Door het Kollegie der Hondsbossche is enkele dagen daarvoor een aanmaning gekomen tot betaling van de aanslag van 652,80 gulden voor Bakkum over het jaar 1835. Bij een bezoek aan de echtgenote van de burgemeester blijkt er geen cent meer in kas te zitten om de aanslag te betalen, terwijl de landeigenaren hun aanslag middels een kwitantie reeds hebben voldaan. Bij het bezoek hebben ze zelfs waargenomen dat begonnen was om de inboedel van de burgemeester buiten bereik van de vele schuldeisers te brengen. De gemeente Castricum blijft verantwoordelijk om de aanslag te betalen.

Naar aanleiding van deze verklaring van de vertegenwoordigers van het gemeentebestuur gaan dezelfde personen van de rechtbank opnieuw samen met Pieter Kieft een dag later naar Castricum om duidelijkheid te verkrijgen over de financiën. Pieter Kieft bevestigt dat de kas leeg is en dat hij de ontvangen contributies voor zijn eigen bijzondere zaken heeft besteed. Het is zijn voornemen om het tekort aan te zuiveren met behulp van zijn zoons Cornelis en Willem. Zij zullen ook nog zorgen voor het geld voor de Uitwaterende Sluizen, voor de Sint-Aagtendijk en eveneens voor het gedeelte van de Groot-Limmerpolder dat in Bakkum ligt.

Verklaringen van medebestuurders en dorpsgenoten

Op 12 februari 1836 zijn gedagvaard om te getuigen: de wethouders Pieter Schotvanger en Pieter Muijs, gemeenteraadslid Jan Louter en winkelier Hermanus van Keulen. Voor zover aan Pieter Schotvanger bekend, is Kieft als ontvanger nooit bevoegd geweest om voor dijklasten meer te vorderen dan waarvoor de gemeente Castricum voor elke hectare aangeslagen werd, zodat Kieft met een aanslag van twee gulden per hectare zeker acht centen meer ontving dan waarvoor hij gekwalificeerd was. Ook wordt gemeld dat Kieft wel eens omslag heft van landerijen die daarin niet hoeven bij te dragen. Het gebeurt als een stuk land in andere handen is overgegaan en de nieuwe eigenaar niet goed op de hoogte is. Dat is Hermanus van Keulen, winkelier, persoonlijk overkomen. Hij heeft twee stukken land gekocht die niet hoeven bij te dragen aan de omslag voor de Sint-Aagtendijk. Tot zijn verwondering bemerkt hij dat Pieter Kieft hem op zijn biljet hiervoor had aangeslagen. Met veel moeite krijgt hij het te veel betaalde uiteindelijk terug.

Op 16 februari wordt Pieter Kieft voorgeleid voor de rechtbank te Alkmaar voor verdere ondervraging over onder andere de beschuldigingen van de op 12 februari gehoorde getuigen.
Ruim een week later verschijnen op 24 februari te Alkmaar de opgeroepen getuigen Willem Melker, oud-wethouder, en Klaas Stet, gemeenteraadslid. Hierbij wordt opnieuw gemeld dat Kieft veel meer voor zijn werk als ontvanger in rekening bracht dan zijn voorganger deed en dat iemand van een naburige gemeente, die deze functie bekleedde, nog niet de helft in rekening zou durven brengen.

Veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf

Na uitvoering onderzoek volgt op 11 juni 1836 de akte van beschuldiging door de Procureur Generaal tegen Pieter Kieft. In dit vele pagina’s tellende document wordt de beschuldiging als volgt samengevat:

  1. van afpersing, zo door het in zijn betrekking van gaarder of ontvanger van onderscheiden gemeente omslagen, invorderen, als ontvangen van hogere omslagen en meerdere gelden, als hij wist door de omslagschuldigen verschuldigd te zijn;
  2. van het verduisteren van gelden, de som van drieduizend gulden en het eenderde der jaarlijkse ontvangsten te boven gaande, welke gelden uit krachte van zijn voormelde functies in zijn handen waren.

Op 2 augustus 1836 wordt door Het Hof van Assises voor de Provincies Holland, Noorderkwartier en Utrecht en zitting houdend te Amsterdam op basis van de akte van beschuldiging Pieter Kieft veroordeeld tot een gevangenisstraf gedurende vijf jaren in een tuchthuis, nadat hij op een openbare plaats in de stad Amsterdam openlijk op een schavot zal zijn gegeseld.

Van Pieter Kieft zijn geen afbeeldingen beschikbaar. Uit het vonnis blijkt wel zijn signalement:
Oud volgens zijne opgave 53 jaren, van beroep burgemeester en gaarder van onderscheidende omslagen, geboren te Westzaan, laatst woonachtig te Castricum, lang 1 el, 7 palm, 6 duim (176 cm), hebbende smal aangezigt, gezonde kleur, grijsachtig haar en wenkbraauwen, rond voorhoofd, donkerbruine oogen, spitse neus en ordinaire (=gewone) mond en kin, en grijsachtige baard en zijnde aan de regterzijde gebroken.”

Jan de Quack, de nieuwe burgemeester van Castricum

De gevangenneming, de getuigenverklaringen van medebestuurders en andere dorpsgenoten en ten slotte de ver-


Jaarboek 41, pagina 30

oordeling van burgemeester Pieter Kieft zal enorm veel tumult hebben gegeven bij de plaatselijke bevolking. Van zijn vertrek zal in Castricum met de nodige opluchting kennis zijn genomen. Na de komst op 6 februari 1837 van zijn opvolger Jan de Quack breekt een stabiele periode aan. Jan de Quack is een veelzijdig mens. Hij geniet landelijke bekendheid als toneelschrijver en dichter, is al sinds 1828 burgemeester van Beverwijk en neemt op 67-jarige leeftijd het ambt van burgemeester en secretaris van Castricum op zijn schouders. Hij heeft toestemming om in Beverwijk te blijven wonen.

De laatste jaren van Pieter Kieft

Pieter Kieft hertrouwt op 6 mei 1840 te Amsterdam met Maria Helena Korte, de huishoudster die al in 1830 bij het gezin Kieft in Castricum woonde. Zijn eerste vrouw, Betje Smit, was in 1838 in Castricum overleden. In 1842 wordt Pieter nog genoemd als kastelein, wonende te Amsterdam. Een jaar later, op 29 april, overlijdt Pieter Kieft in zijn woonhuis op de Oude Waal bij de Jonkerdwarsstraat op nummer 63. Zijn tapperij is ondergebracht in dit huurhuis. Bij de aangifte voor de successiebelasting blijken zijn bezittingen zich te beperken tot huisraad en de inboedel van de tapperij. De nog openstaande rekeningen voor geleverde jenever, de dokter en de begrafeniskosten overtreffen de waarde van het bezit.

Zo komt er een roemloos einde aan het leven van iemand die een enorme invloed heeft gehad op de Castricumse gemeenschap gedurende ruim dertig jaar aan het begin van de negentiende eeuw.

Simon Zuurbier

Bronnen:

Print Friendly, PDF & Email
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties