Castricum en de komst van de waterleiding (Jaarboek 43 2020 pg 32-38)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 43, pagina 32

Castricum en de komst van de waterleiding

Potloodtekening Sijf Portegies van de pomp bij boerderij Van Lennepsoord.
Potloodtekening Sijf Portegies van de pomp bij boerderij Van Lennepsoord.

Het had nogal wat voeten in de aarde voor de pomp buiten bedrijf kon worden gesteld en er water uit de kraan kwam. Die luxe bestond niet in Castricum tot ver in de vorige eeuw. Water haalde je uit de regenwaterton of uit de welput. Dirk Bakker vermeldde dat ook in 1911 in zijn bouwaanvraag voor café De Landbouw in de Dorpsstraat. In 1899 was de welput bij de school en het raadhuis nog eens uitgediept en van een pomp voorzien. De aansluiting van de gemeente Castricum op het waterleidingnet kwam moeizaam tot stand. Toch is er in ons dorp nog steeds een huis zonder aansluiting. De wethouder die een beslissende bijdrage leverde aan de komst van de waterleiding woonde er zelfs.

De meeste mensen zullen wel vinden dat drinkwater, na lucht en veiligheid, een eerste levensbehoefte is. In de vorige eeuw waren de Castricummers er niet zo van overtuigd. Natuurwater was goed genoeg. Dat het niets kostte was wel belangrijk, maar er waren er ook die om andere redenen geen ander water wilden hebben. De weerstand van de burgers klonk door in de Castricumse gemeenteraad. Lang werd de invoering van de verplichting tot aansluiting van woningen op het waterleidingnet tegengehouden. Het lukte burgemeester Lommen niet verandering te brengen in het standpunt van een kleine meerderheid van de raadsleden. En dat in de gemeente waar de waterleiding voor een groot deel van de provincie begon.

Tyfus en cholera

In de middeleeuwen haalden de mensen op het platteland water uit een put of uit rivieren en meren. In de steden werd water uit de gracht gebruikt. Ziekten verspreidden zich snel en in dichtbevolkte steden heersten regelmatig tyfus en cholera. De volksgezondheid kreeg wel meer aandacht van de overheden. Vanaf 1850 werd aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om maatregelen te nemen tegen de verspreiding van besmettelijke ziekten. In 1866 stierven in Nederland nog 20.000 mensen aan cholera.

Watertoren van Duin en Bosch.
Watertoren van Duin en Bosch. Foto G.J. Dukker. Collectie Rijksdienst voor cultureel erfgoed. Toegevoegd.

Geleidelijk groeide de overtuiging dat schoon drinkwater een oplossing zou betekenen, maar bij het ingaan van de twintigste eeuw beschikten alleen enkele steden, waaronder Alkmaar, Beverwijk en Zaandam over een waterleiding van een particuliere onderneming. Van een waterleidingnet was in Castricum nog steeds geen sprake. Ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) stagneerde de ontwikkeling, hoewel Duin en Bosch deze moderne drinkwatervoorziening al vanaf 1909 had.

Jacob van Lennep (1802-1868)

Het initiatief voor een waterleiding is in de 19e eeuw ontstaan op de buitenplaats Woestduin in Heemstede, het zomerverblijf van de schrijver en rijksadvocaat Jacob van Lennep. Volgens overlevering verzuchtte zijn echtgenote, na het drinken van een glas duinwater, dat het toch heerlijk zou zijn om zulk water ook thuis te hebben in Amsterdam (hun huis stond aan de Keizersgracht). Van Lennep was bevriend met een Engelse ingenieur die hem wel wilde helpen met het maken van een plan. De familie Van Lennep stelde een terrein beschikbaar waar water kon worden opgepompt. Met hulp van Engelse financiers werd het astronomische bedrag van 2,9 miljoen gulden bijeen gebracht. De Amsterdamsche Duinwater Maatschappij maakte een feestelijke start met de werkzaamheden. De jonge prins Willem van Oranje, zoon van koning Willem III, stak de eerste spade in de grond en schrijver en dichter Nicolaas Beets las een gedicht voor.

Bij de Haarlemmerpoort in Amsterdam staat een beeld van Jacob van Lennep.
Bij de Haarlemmerpoort in Amsterdam staat een beeld van Jacob van Lennep als eerbetoon voor zijn initiatief voor de aanleg van een waterleiding.

Twee jaar later konden de Amsterdammers bij de Willemspoort, de huidige Haarlemmerpoort, het eerste duinwater kopen voor een cent per emmer. Vanaf 1853 pompte de Duinwatermaatschappij steeds meer kubieke meter schoon duinwater naar de hoofdstad. Het eerbetoon voor Jacob van Lennep kwam laat.


Jaarboek 43, pagina 33

Boerderij van Lennepsooord.
Boerderij van Lennepsooord in de Duinen van Castricum, 1930. Potloodtekening van Sijf Portegies. Toegevoegd.

Pas in 2016 is voor hem een standbeeld onthuld. De familienaam is in Castricum verbonden met de duinboerderij Van Lennepsoord. De boerderij is vernoemd naar Jacobs vader David, die een van de commissarissen was bij de uitvoering van het grote ontginningsproject en het beheer van het zogenoemde ‘Landgoed Bakkum’.

Het uitzicht op het Koningsduin.
Het uitzicht op het Koningsduin. Johannisweg in Castricum, 2009. Dit zijn de duinen gelegen in de omgeving van Johanna’s hof. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Naar een centrale drinkwatervoorziening

De in 1902 ingestelde regionale gezondheidscommissie rapporteerde herhaaldelijk over de relatie tussen besmettelijke ziekten, hygiëne en de toestand van bodem, water en lucht. De commissie, waarvan de Castricumse huisarts Schoonhoff ook lid was, drong aan op aanleg van een drinkwaterleiding. In 1911 is voor Castricum, Akersloot, de Egmonden, Heemskerk, Heiloo en Uitgeest een plan gemaakt. Het plan voorzag in een waterbekken in het Koningsduin ten noorden van de Zeeweg. De provincie had het landgoed, zij het nog niet voor waterwinning, in 1903 van prinses Von Wied gekocht. Een tweede en een derde plan voor het duingebied volgden, ook met een waterwinplaats of ‘prise d’eau’, zoals het ook wel werd genoemd. Geen enkel plan werd uitgevoerd.

Dit onderzoeksrapport vormde de basis voor de drinkwatervoorziening in onze regio.
Dit onderzoeksrapport vormde de basis voor de drinkwatervoorziening in onze regio.

In 1914 kreeg het Rijksbureau voor de Drinkwatervoorziening met directeur Johannes van Oldenborgh (1875-1940) opdracht voor een studie naar een centrale drinkwatervoorziening voor 39 gemeenten in het midden van Noord-Holland, waaronder Castricum. Een geologisch en hydrologisch onderzoek moest uitwijzen of van het water uit de Castricumse duinen deugdelijk drinkwater gemaakt kon worden. Uit het gedegen rapport dat in 1915 verscheen, bleek dat water van goede samenstelling beschikbaar was. De aanlegkosten van pompstation en leidingnet werden geraamd op 1.947.000 gulden.

PWN (Provinciaal Waterleidingbedrijf Nederland) 50 jaar.
PWN (Provinciaal Waterleidingbedrijf Nederland) 50 jaar. Uitnodiging voor (oud) personeelsleden van de PWN, voor het 50 jarig bestaan (1920 -1970). Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Provinciaal waterleidingbedrijf Noord-Holland 100 jaar

Geschiedenis PWN

1920 Oprichting PWN, directeur Van Oldenborgh.
Overname Zaanse en Alkmaarse bedrijven.
1924 Hoofdpompstation Castricum gereed.
1926 Inrichting kampeerterrein Bakkum.
1934 Beheer duinreservaat door PWN.
1952 Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland opgericht.
1956  Nieuw hoofdpompgebouw Castricum.
1957  Infiltratie water uit de Lek.
1968 Waterwinstation in Andijk. IJsselmeerwater na voorzuivering via infiltratie naar productie in Bergen en Wijk aan Zee.
2014  Opening innovatieve waterfabriek in Andijk.
2015  Opening gerenoveerde hoofdkantoor.

Enkele stedelijke gebieden hadden in de jaren (negentien) twintig water van particuliere bedrijven. Om ook het platteland van drinkwater te voorzien, stelde Gedeputeerde Staten van Noord-Holland in 1919 aan Provinciale Staten voor om, op basis van het onderzoek van het Rijksbureau, een waterleidingbedrijf te stichten. Het voorstel werd overgenomen.

Op 1 januari 1920 is het PWN opgericht. De eerste directeur Johannes van Oldenborgh (1875-1940) heeft een belangrijke rol gespeeld bij de voorbereiding en uitvoering van de eerste plannen.
Op 1 januari 1920 is het PWN opgericht. De eerste directeur Johannes van Oldenborgh (1875-1940) heeft een belangrijke rol gespeeld bij de voorbereiding en uitvoering van de eerste plannen.

Per 1 januari 1920 kwam het Provinciaal Waterleidingbedrijf Noord-Holland (PWN) tot stand, waarin de Alkmaarse en Zaanse bedrijven werden geïntegreerd. Johannes van Oldenborgh werd de eerste directeur. Hij was inmiddels een belangrijk deskundige en had een grote stem bij de introductie van de drinkwatervoorziening in de provincie. Onvermoeibaar haalde hij de ene na de andere gemeente over om tot aansluiting te besluiten.


Jaarboek 43, pagina 33

Als eerste gemeente kreeg Heiloo in 1920 waterleiding. Daarna zou het nog tien jaar duren voordat Warder als laatste gemeente de strijd opgaf. Op 19 april 1930 mocht de dochter van Van Oldenborgh daar de kraan opendraaien. Castricum was niet de enige tegenstribbelende gemeente.

Metselaar en aannemer Cees de Groot(1886-1959) uit Bakkum leverde en plaatste waterputten.
Metselaar en aannemer Cees de Groot(1886-1959) uit Bakkum leverde en plaatste waterputten.

Verplichte aansluiting

Er werd pas tot de levering van water overgegaan als in de gemeentelijke bouwverordening aansluiting verplicht werd gesteld voor woningen die op minder dan veertig meter afstand van het waterleidingnet stonden. Burgemeester en wethouders konden hiervan alleen ontheffing verlenen als uit onderzoek was gebleken dat het beschikbare bron- of regenwater dezelfde kwaliteit had als het leidingwater. Het kwam dus feitelijk neer op een verplichting tot aansluiting en dat schoot menigeen in het verkeerde keelgat.

De aangeslotenen moesten een bedrag betalen dat afgestemd was op de afname van een bepaalde hoeveelheid water. Het plaatsen van watermeters zou het alleen maar duurder maken en de eigenaren moesten de kosten van de verbinding met de hoofdwaterleiding ook al voor hun rekening nemen. Die kosten zouden desgewenst in een periode van tien jaar gespreid betaald kunnen worden.

Familie Weda.
Familie Weda achter hun huis aan de Bakkummerstraat 96 in 1934. Op deze foto zien we dat in die tijd het toilet buiten was. Water werd gehaald uit de regenput en binnen was een waterpomp aanwezig voor het koken en wassen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Water uit de put

De Castricummers waren gewend aan hun watervoorziening. Gebrek aan water was er in periodes van droogte wel. Daarom opperde wethouder Spaansen in 1921 de mogelijkheid dat dorpelingen gebruik maakten van water uit de pomp die naast het raadhuis op het schoolplein stond. Op de Vinkebaan werd bij droogte water met een nortonpomp opgepompt. Het weekblad voor Castricum berichtte in 1921: “Sommigen moeten nu wel een heel stuk loopen, maar dat heeft men er wel voor over.”

De mensen klaagden niet. Velen waren tevreden met de watervoorziening. Alberdina en Henk Heere vertelden erover uit de tijd dat ze met hun ouders op de Zanderij woonden: “Lekker water altijd. De stenen van de put stonden los op elkaar en je zag zo het water naar boven komen. Eens per jaar werd de put schoongemaakt en dan kwam er een nieuw zandbed in. De regenton gebruikten we voor de was, ramen lappen en zo.”

Duinboerderij Klein Johanna’s hof.
Duinboerderij Klein Johanna’s hof (gesloopt in 1920) met regenton en welput. Aquarel van Jan Reinders.

In 1978 memoreerde Henk Twisk (1897): “Ik woonde op de boerderij Johanna’s Hof. Tot 1924 aan toe hebben we het kampeerterrein voorzien van water. We hadden een ontzettend beste wel (bron). Er was geen beter water dan bij ons.”

Trien Winkelman (1930) die in het ‘boshuisje’ aan het Onderlangs heeft gewoond, vertelde dat veel kinderen die vanaf het klimduin kwamen, om water uit hun put vroegen. Kee Louter en haar broer Jan van de boerderij Brakersweg 24 bleven, ook toen ze wel een aansluiting hadden, water gebruiken uit de eigen put.

De meest rechtse boerderij van de drie gratien. Brakersweg 24 in Castricum.
De meest rechtse boerderij van de drie gratien. Brakersweg 24 in Castricum, 1965. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Een argument dat vroeger nog al eens werd gehoord, was dat het PWN-water ‘dood’ water zou zijn, in tegenstelling tot het ‘levende’ regenwater.

De strijd in de gemeenteraad

In september 1922 werd directeur Van Oldenborgh uitgenodigd om in een besloten vergadering van de gemeenteraad voorlichting te komen geven. Er stond wel wat druk op de ketel. Het Castricums weekblad meldde dat men bij het station druk bezig was om wagons met buizen voor het te bouwen pompstation te lossen. Er moest eens een besluit over deelname worden genomen. Ondanks de inzet van de PWN-directeur kwam op 21 maart 1923 het opnemen in de bouwverordening van de verplichting tot aansluiting er niet door. Met algemene stemmen besloot de raad er niet toe over te gaan: ‘omdat de kosten voor de inwoners te bezwarend werden geacht’. Men wilde de beslissing helemaal aan de huiseigenaren overlaten.

Waterpompstation in de duinen.
Waterpompstation in de duinen. Duinen van Speyklaan in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De economische omstandigheden en werkloosheid maakten het leven in de jaren (negentien) twintig zwaar, maar misschien had het ook wel wat te maken met behoudzucht van de volksvertegenwoordigers. De belangen van de volksgezondheid en het argument van de burgemeester dat het tegenover andere gemeenten onbillijk zou zijn aansluiting tot een vrije keuze te maken, konden de raadsleden niet overtuigen. Sommigen hoopten dat een stevig standpunt tot gunstiger voorwaarden voor de waterlevering zou leiden.


Jaarboek 43, pagina 35

SDAP-raadslid Schipper: “Hoe wenselijk aansluiting ook is, de financiële bezwaren zijn overwegend. Mocht in de toestand een gunstige verandering komen, dan kan nog tot aansluiting worden overgegaan …”


In 1918 werd burgemeester Lommen geïnstalleerd. De raadsleden die bij de komst van de drinkwaterleiding een hoofdrol zouden spelen, zijn op deze feestelijke bijeenkomst vreedzaam bijeen. Zittend van links naar rechts: Jacob Schuijt, Piet Kuijs, gemeentesecretaris Oostveen, Kees Spaansen, mevrouw Lommen (moeder van de burgemeester), burgemeester Lommen, Piet Valkering, Gerrit Kuijs en Gerrit Louter. Staand van links naar rechts: huisarts Yeb Schoonhoff, dominee Van Poelgeest, Joseph Goes, oud-burgemeester Mooij, een familielid van burgemeester Lommen, mevrouw Van Benthem en Herman van Benthem.

De gemeenteraad telde in 1922 nog zeven raadsleden, waarvan vijf namens de Rooms Katholieke Staatspartij (RKSP), een lid namens de CHU/ARP en een lid namens de SDAP. De RKSP-wethouders waren Pieter Kuijs (bloemkweker en koopman) en Kees Spaansen. Vooral Spaansen verzette zich hevig tegen verplichte aansluiting en zijn partij volgde hem daarin.

De samenstelling van de bevolking veranderde door de nieuwe inwoners als gevolg van de vestiging van het provinciaal ziekenhuis. Vanaf september 1923, bij het passeren van de grens van 3.000 inwoners, werd het aantal raadsleden uitgebreid tot elf en de rooms-katholieke Bond van Overheidspersoneel deed met twee leden zijn intrede. De SDAP verdubbelde haar zetelaantal tot twee, maar met zeven leden had de RKSP toch nog ruim de overhand. Namens die partij bleef Spaansen wethouder maar hij kreeg een nieuwe collega, landbouwer en tuinder Gert Kuijs van de Bleumerweg. Die liet zich door burgemeester Lommen overtuigen van het belang van de waterleiding. Hij trotseerde collega-wethouder Spaansen. Nu was er binnen het college van burgemeester en wethouders een meerderheid en kon de raad voorgesteld worden de verplichte aansluiting in de bouwverordening op te nemen. Vervolgens was er ook in de raad een meerderheid voor.

Spaansen gaf zich nog niet gewonnen. Tijdens de behandeling op 24 juli 1924 stelde hij voor in de bouwverordening de woorden: ‘met goed leidingwater gelijk te stellen drinkwater’ te vervangen door ‘goed drinkwater, hetwelk geen schadelijke bestanddelen voor de gezondheid bevat’. Een ontheffing zou verleend worden als deskundigen de zuiverheid van het water bevestigden. Spaansen zag in zijn voorstel waarschijnlijk meer mogelijkheden voor ontheffingen.


Jaarboek 43, pagina 36

De burgemeester wees op de belangen die in het geding waren en dat de provincie mogelijk geen genoegen zou nemen met deze afwijking van de uniforme regeling. Raadslid Hemmer van de RKSP ging daarin mee en wees ook op de verantwoordelijkheid van de gemeente voor de beschikbaarheid van bluswater en brandkranen. Voor het voorstel van burgemeester en wethouders stemden twee leden van de RKSP Hemmer en Kuijs, twee leden van de SDAP, Hellinga en Schipper en van de rooms-katholieke Bond van Overheidspersoneel De Vries. Vier leden van de RKSP, Twisk, Zandbergen, Liefting en Spaansen waren tegen. Met een stem meerderheid was het voorstel dus aangenomen en daarmee verviel het wijzigingsvoorstel van Spaansen. Toch was het spel nog steeds niet gespeeld.

Het provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch had vanaf 1909 een moderne drinkwatervoorziening.
Het provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch had vanaf 1909 een moderne drinkwatervoorziening. De watertoren is nu een rijksmonument.

Wel een watertoren

Een voorbeeld van een goede watervoorziening konden de raadsleden toch niet over het hoofd zien. Als sinds 1909 had het ziekenhuis Duin en Bosch een eigen watervoorziening met een 33 meter hoge watertoren.

Het duinwater werd uit vijf diepe boorputten opgepompt en kon na zuivering naar het reservoir van de watertoren worden geperst.
De toren heeft tot eind jaren (negentien) zeventig dienst gedaan, waarna alle gebouwen op het leidingnet van het PWN zijn aangesloten. Nu is het een industrieel monument met de bestemming ‘eenkamerhotel’; riant uitzicht verzekerd.

Lommen trekt aan het langste eind

In de raadsvergadering van 26 augustus 1924, toen de nieuwe bouwverordening op de agenda stond, stelde Kees Spaansen het betreffende artikel opnieuw aan de orde, nu met een wat aangepaste ontheffingsmogelijkheid. Burgemeester Lommen wond zich erg op en voerde aan dat het besluit in de vorige vergadering al genomen was. Hij vroeg de aanwezige vertegenwoordiger van de krant hier nota van te nemen. Daar trok Spaansen zich helemaal niets van aan. Hij stelde, net als in de vergadering van juli, zijn redactie van de voorwaarden voor een ontheffing aan de orde en hij kreeg zijn zin. Op 11 december 1924 stond de bouwverordening weer op de agenda en de redactie van de provincie over de aansluiting op de waterleiding ging weer van tafel.

Burgemeester Lommen.
Burgemeester Lommen in ambtsuniform en met ambtsketen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Lommen richtte zich vervolgens in een vertrouwelijke brief van 16 december 1924 tot het college van Gedeputeerde Staten en schreef: “Ik acht waterleiding van zoo’n groot algemeen gemeentebelang, dat niets onbeproefd mag worden gelaten om de gemeente te doen aansluiten. Een der tegenstanders heeft mij in zoverre een concessie gedaan, dat hij bij een ondergeschikte wijziging in het thans vervallen artikel voor aansluiting bij het PWN zal stemmen. De vereischte meerderheid is daardoor in de raad te verkrijgen. De woorden ‘in hoedanigheid met goed leidingwater gelijk te stellen’ zullen vervangen worden door ‘water, geen schadelijke bestanddelen voor de gezondheid bevattende’. Indien uw college zich met deze wijziging zou kunnen vereenigen, twijfel ik er niet aan of er bestaat groote kans, dat Castricum zich bij het PWN zal aansluiten.”

Bij dit voorstel, dat door de PWN-directeur Van Oldenborgh werd ondersteund, legde de provincie zich neer en op 10 februari 1925 ging de gemeenteraad eindelijk overstag. De goedkeuring door Gedeputeerde Staten volgde op 15 februari en de verordening trad op 16 maart 1925 in werking.

De firma Jo Borst uit Bakkum werd ook ingeschakeld bij de aanleg van de hoofdwaterleiding.
De firma Jo Borst uit Bakkum werd ook ingeschakeld bij de aanleg van de hoofdwaterleiding.

Jaarboek 43, pagina 37

Het pompstation in het Koningsduin.
Het pompstation in het Koningsduin werd, in aanwezigheid van vele genodigden, op 27 juni 1924 door de Commissaris van de Koningin jhr A. Röell (zittend vierde van links) geopend. Links van hem directeur PWN Van Oldenborgh.

Op 30 maart 1925 gaf het PWN de firma P. de Ruiter uit Haarlem opdracht tot aanleg van buisleidingen in de gemeenten Castricum en Heemskerk. In april 1925 lagen de buizen tot het hulppostkantoor in Bakkum, terwijl ook in Castricum aan de leiding gewerkt werd. In het Koningsduin nabij Johanna’s Hof was in 1924 een hoofdpompstation gebouwd dat gevoed werd met water uit zestien bronnen. In augustus 1925 kon met de waterlevering worden begonnen. Op 31 december 1925 waren 207 abonnementen afgesloten en vier jaar later waren 360 van de 830 woningen aangesloten. Erg snel ging het dus niet.

Verdroging van de duinen

De wateronttrekking in het duingebied had grote gevolgen voor veel Castricummers die er een stukje land pachtten. Klaas Veldt (1901) in 1978: “Er werd ontzettend veel uit de duinen gehaald; hoe meer je er bracht hoe meer je er vandaan haalde. Tot 1924 was het allemaal even best. Toen het pompstation kwam, verdroogden de duinen. Het is wel nooit erkend door deskundigen, maar wij die altijd in het duin gewoond en gewerkt hebben,, wisten wel beter. Het agrarisch gebruik daalde snel. De meeste mensen vertrokken al gauw en de laatsten misschien na een jaar of tien.”

Klaas Veldt in boerenkiel en Henk Twisk (wethouder).
Klaas Veldt in boerenkiel en Henk Twisk (wethouder). Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1934 kwamen ruim driehonderd raadsleden en burgemeesters bijeen in hotel De Rustende Jager in Castricum. Van Oldenborgh verweerde zich tegen de klacht dat het waterbedrijf nadelig was voor de tuinders. Diepboringen, die de hogere grondlagen ongemoeid lieten, zouden dat ondervangen. Het overtuigde de mannen van de praktijk niet. Die erkenning kwam pas later.

Voor de rechter

Jarenlang bleven sommigen zich verzetten tegen de aansluiting op het waterleidingnet. In september 1931 stonden elf weigerachtigen voor de Alkmaarse kantonrechter. Het waren tuinders, winkeliers, een schoenmaker, een rentenier, een pensionhoudster en zelfs een brievengaarder (postbode) uit Bakkum. De pensionhoudster betoogde dat ze scheikundig onderzoek had laten doen. Bij anderen was het de schrale beurs of ziekte die ze van aansluiting afhield. Ook was er iemand die geen ander water wilde hebben. De kantonrechter had volgens een bericht in de Alkmaarsche Courant heel wat te stellen met de ontevredenen. Hij veroordeelde tien van hen tot twee gulden boete of twee dagen hechtenis. De pensionhoudster kwam er vanaf met een gulden boete of een dag hechtenis. Het gezelschap zal vast verongelijkt huiswaarts gegaan zijn.

Tot in de jaren (negentien) tachtig waren enkele woningen aan de Eerste Groenelaan nog niet op het waterleidingnet aangesloten. In het eerste huis bij de spoorlijn woonde tuinder en schelpenvisser Cor Zonneveld, die nooit iets anders had gekend dan het water uit zijn eigen put.

Zelfs tot in de jaren (negentien) tachtig waren er nog enkele kleine huisjes aan de Eerste Groenelaan bij de spoorwegovergang niet aangesloten. In het eerste huis bij de spoorlijn woonde de ruim tachtigjarige Cor Zonneveld, bekend onder de bijnaam Cor van Lijp. Hij was tuinder en schelpenvisser geweest. Ook hij had alleen een welput (bron) en vond dat doodnormaal. De meteropnemers van het PWN sloegen hem over. PWN en gemeente maakten zich niet druk over de laatste gebruikers van welwater.


Jaarboek 43, pagina 38

Het laatste huis

De Castricumse raad trok in 2012 tijdens een opschoning van de bouwverordening het voorschrift in om een aansluiting op de waterleiding te hebben. Daar hoorde je niemand over, maar het was een bijzonder moment tegen de achtergrond van de hele geschiedenis.

Voor water, stroom en gas hoeven de nutsbedrijven hier nog steeds niet langs te komen. Bleumerweg 51 is niet aangesloten op de drinkwaterleiding en ook stroom en gas regelt de bewoner zelf.

In ons dorp staat aan de Bleumerweg nog steeds een huis dat niet is aangesloten op de waterleiding en ook niet op stroom en gas. Met een bron, aggregaat, gastank, windmolen en zonnepanelen wordt in alle behoeften voorzien. Wonderlijk dat wethouder Gert Kuijs, die in 1924 grote invloed had op het besluit van de gemeenteraad, daar toen woonde en ook de eigenaar was van het huis dat er in die tijd stond. Tot een monumentje voor zijn inzet en voor die van burgemeester Lommen komt het vast niet meer. Een bloemetje bij het gedenkteken voor Jacob van Lennep in Amsterdam zou al mooi zijn.

Niek Kaan

Bronnen:

  • Archief gemeente Castricum: bouwvergunningen;
  • Archief Oud-Castricum: Interviews uit de afgelopen vijftig jaar;
  • Archief PWN, Eelco Schrijver, documentatie;
  • Gedenkboeken ter gelegenheid van vijftig en tachtig jaar PWN;
  • Hespe, Wim; 17e Jaarboek: Gezondheidszorg in Castricum 1880-1950;
  • Kaan, Niek; 34e Jaarboek: Wie was burgemeester Lommen;
  • Noord-Hollands Archief Haarlem: archief provincie;
  • Regionaal Archief Alkmaar: krantenarchief;
  • Zuurbier, Simon; 31e Jaarboek en 33e Jaarboek: Het gemeentebestuur tussen twee fusies.

Met dank aan: Ed Kijzers voor de schenking van het onderzoeksrapport uit 1915 over de drinkwaterleiding dat de aanzet gaf voor dit artikel.

Print Friendly, PDF & Email
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties