Breedeweg, bezittingen Zijtje Rechtop (Jaarboek 30 2017 pg 61-63)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 40, pagina 61

Zijtje Rechtops bezittingen aan de Breedeweg bij haar overlijden in 1798

Hoe het huis van onze opa en oma (of werd ze, zoals de mijne, nog ‘opoe’ genoemd?) er vroeger uitzag, herinneren de ouderen onder ons zich misschien nog vaag. Mogelijk hebben ze er zelfs een duidelijk beeld van dankzij het verplichte zondagse bezoek. De kolenkachel, de leunstoelen links en rechts, allebei met een mooi gehaakt wit kleedje boven op de rug van de stoel; bij die van opa een groenteblik (de woorden antimakassar en kwispedoor kenden we niet, maar we bewonderden de precisie waarmee hij de uitgekauwde pruimtabak erin wist te spugen); een pendule, tafel met stoelen. Soms aan de muur een kruis met een palmtakje en misschien een schilderij van de Goede Herder. De keuken zie je misschien ook nog voor je: de geëmailleerde pannen, het petroleumstel, de pollepel waaruit je water dronk. Zo zag een eenvoudig huis er dus voor 1950 zo’n beetje uit.

De stalkant van de boerderij van Spaansen aan de Breedeweg 72. Let op de stalramen en de twee grotere ramen rechts.
De stalkant van de boerderij vanSpaansen aan de Breedeweg 72. Let op de stalramen en de twee grotere ramen rechts.

Hoe was dat 200 jaar geleden of meer? Met een beetje geluk kom je bij het zoeken in het archief of tussen je familiepapieren een inventaris tegen van het bezit van een voorvader of ‘voormoeder’. Het gaat dan in de meeste gevallen wel om een redelijk gegoed iemand. In zo’n inventaris, meestal na de dood van een langstlevende echtgenoot opgemaakt, vind je vaak per kamer opgetekend wat er werd aangetroffen. Later voegden ze er zelfs de geschatte waarde van alle spullen of van de belangrijkste stukken aan toe. Het is alsof je zo’n huis binnenloopt en alles zelf ziet. En heb je heel veel geluk, dan weet je waar dat huis stond en is het zelfs bewaard.

In het Regionaal Archief in Alkmaar bevinden zich de akten van de Castricumse schout en notaris Joachim Nuhout van der Veen uit de jaren 1778-1811. Daarin is ook de inventaris bewaard van de boedel van wijlen Zijtje Willemsdochter Rechtop, weduwe van veehouder Cornelis de Graaf. Hij is de stamvader van de Castricumse familie van die naam (zie 13e Jaarboek, 1990). Zijtje was in 1773 met hem getrouwd. Het was zijn tweede huwelijk. Bij zijn overlijden waren er vier minderjarige kinderen. Een jaar na zijn dood is Zijtje in 1790 opnieuw getrouwd met bakker Jan Schavemaker. Diens tweede vrouw was waarschijnlijk zojuist in het kraambed overleden. Hij had nog jonge kinderen. Na zijn dood in 1796 moet Zijtje zijn verhuisd naar de nog steeds bestaande boerderij aan de Breedeweg, met het huidige nummer 72, die naast de katholieke schuilkerk stond. Cornelis de Graaf had die boerderij in 1767 gekocht.

Ruim een jaar na haar overlijden (ze is op 1 februari 1798 begraven) is op 9 mei 1799 – op verzoek van de voogden van de minderjarige kinderen van wijlen Cornelis en Zijtje Willemsdochter Rechtop – door henzelf een inventaris opgemaakt. Deze twee, Jan Glorie en Pieter de Graaf, de oudste nog levende zoon van Cornelis, hebben die samen met de notaris en twee getuigen ondertekend.
De notariële akte met de titel ‘Staat en inventaris van alle zodanige goederen, effecten en schulden’ van Zijtje bestond uit drie onderdelen.
Eerst werd een overzicht gegeven van alle grondbezit. Zij bezat in Castricum 15 percelen land, die allemaal met hun


Jaarboek 40, pagina 62

van ouds bekende veldnaam werden aangeduid. Ze hadden een oppervlak van in totaal 15 morgen en ruim 380 roedensamen zo ongeveer 15 hectare. Het totale bezit bevond zich voor een deel aan de duinkant en een deel in de Oosterbuurt. Van de meeste percelen zijn de datum en de akte van aankoop door Cornelis de Graaf bekend.

Dan volgt een paginalange lijst, per kamer uitgesplitst, van alle spullen die in elk vertrek apart aangetroffen werden. Achtereenvolgens worden genoemd: het voorhuis, het vertrek aan de muur, de binnenwoning, de zomerwoning, het kamertje, de bovenkamer, de koeienstal en de zolder van de stal.

Het voorhuis moet de mooie kamer geweest zijn. Er stonden vier kasten in en een latafel met Zijtjes spullen.
Een gladde kast met dameskleding (boezelaars, strooien hoeden, boven- en onderrokken) en voornamelijk sieraden: een gouden oorijzer, een ketting van bloedkoraal met gouden haak en kruis, drie gouden haarnaalden, zes gouden ringen en nog meer gouden en vooral zilveren (gebruiks)voorwerpen.

Een rijglijf.
Een rijglijf.

Een kast met dekens, dameskleding (waaronder een rijglijf, wanten, boven- en ondermutsen, mouwen, halsdoeken en gazen kappen), 18 grote en 10 kleine Delftse tafelborden en zes stalen vorken.
Verder een latafel met diverse stoffen en kleden, beddengoed, tafellakens, glasgordijntjes en onderkleding en nog een hangkast met dameskleding, waaronder twee hoepelrokken, vier gestreepte rokken en een goede baaien rok, twee jakken, een schoudermantel en een keurslijf.
Tenslotte stond er nog een glazen kast met beddengoed, onderkleding, kleden, stoffen, bestek en eetgerei.

Een keurslijf.
Een keurslijf.

Het vertrek naast het voorhuis grenzend aan de buitenmuur was de enige ruimte waar tafels staan en veel Delftse en porseleinen borden en bestek aanwezig is.

De binnenwoning was een grote ruimte, waarin werd gestookt en gekookt. Hier was de haard, de provisiekast, een ‘rechtbankje’, een soort aanrecht, weer met vele tientallen borden. In de schoorsteen bleken in mei nog vier zijden spek te hangen en zes stukken rookvlees. In dit vertrek was het warm en dus werd er ook gewoond zolang het koud was en vochtig. Er was een spiegel, een grote slaande Friese klok met een hekje eromheen. Om dezelfde reden sliepen Zijtje en haar vier kinderen er ook. Naar het aantal matrassen, peluwen en dekens te oordelen waren er drie bedsteden.

De zomerwoning was of een gedeelte van de stal, waar men in de zomer woonde als het vee naar buiten was, of een apart vertrek, waar gekookt en in ieder geval gegeten werd. Er was weer veel bestek, tientallen borden, maar ook ketels. Stoelen worden in geen enkel vertrek genoemd. Er zullen vaste banken geweest zijn.
Het kamertje was een voorraadkamer met een kuip pekelvlees en een met spek en diverse potten en pannen.
De bovenkamer diende als opslagruimte voor minder bederfelijke waar (koren, erwten) en allerlei gebruiksvoorwerpen, waaronder een spinnenwiel met toebehoren.


Jaarboek 40, pagina 63

Of de koeien, kalveren, kalfvaarzen en pinken (in totaal 14 stuks), het paard, twee schapen en vijf varkens in mei werkelijk op de ‘koeienstal’ stonden, valt te betwijfelen. Voor de rest liepen er zes kippen en een haan rond en waren er diverse soorten werktuigen en wagens aanwezig.
Op de zolder van de stal lagen hooi, turf en pronkbonen en ook sliep waarschijnlijk hier de meid.

Als derde onderdeel werden het contante geld (18 gulden en tien stuivers), de schulden aan en van Zijtje (respectievelijk 488 en 1086 gulden) vermeld.

Zo moet ongeveer de plattegrond geweest zijn van de boerderij in 1799.
Zo moet ongeveer de plattegrond geweest zijn van de boerderij in 1799.

De stolpboerderij aan de Breedeweg 72 staat nog steeds op dezelfde plek. Terwijl de boerderij zelf bewaard is gebleven, is het van binnen, vooral na de laatste verbouwing in 2000, radicaal veranderd. De oude indeling is nog wel in grote lijnen herkenbaar. De plattegrond zal ongeveer overeengekomen zijn met die van een regelmatige stolpboerderij als afgebeeld op de bijgevoegde tekening. Als je voor het huis staat, liep de stal links over bijna de hele diepte van het huis. Het voorste gedeelte, herkenbaar aan de grotere ramen, was misschien de zomerwoning. Het voorhuis, de ruimte aan de voorkant, was, aan de inhoud van de kasten te zien, ook Zijtjes kamer. In het vertrek aan de muur rechts daarvan moet gegeten zijn. De binnenwoning is het grote vierkant van de boerderij, waar de haard was, waar gekookt, gewoond en geslapen werd (in bedsteden voor Zijtje en de vier kinderen De Graaf). Als het vee in het voorjaar naar buiten kon, werd voor de dagelijkse behoeften de zomerwoning gebruikt. De bovenkamer en de zolder waren de voorraadruimtes. De dieren en het gereedschap in de stal laten het gemengde karakter van het boerenbedrijf zien: het vee voor melk, boter, kaas en vlees, de ploeg en het zaad voor de land- en tuinbouw, de zagen, wiggen en bijlen voor het hout uit de eigen percelen bosgrond en de sjees voor de sociale contacten en andere verplichtingen.

Arnold van Gemert

Bronnen en literatuur:

  • Boedelbank van het Meertensinstituut van de KNAW; hierin zijn gegevens uit meer dan 3.000 boedelinventarissen integraal opgenomen;
  • Regionaal Archief Alkmaar, Notarieel Archief Castricum, notaris Joachim Nuhout van der Veen, inv. 3015 (1799);
  • Schuurman, A.J., J. de Vries en A.M. van der Woude (red.), Aards Geluk : de Nederlanders en hun spullen van 1550 tot 1850, Amsterdam 1997;
  • Klep, P.M.M. en andere (red.), Wonen in het verleden, 17e-20e eeuw: economie, politiek, volkshuisvesting, cultuur enbibliografie, Amsterdam 1987.
Print Friendly, PDF & Email
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties