Bakkum in de 18e eeuw (Jaarboek 25 2002 pg 14-19)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Bakkum:
Bakkum, de Heerlijkheid en zijn ambachtsheren – Bakkum, einde gemeenteBakkum in de 18e eeuwBakkum omstreeks 1830Bakkum na 1930, de huizen en hun bewonersBakkum, vijftig jaar kerkBewoningsgeschiedenis Bakkum NoordBoenstraatje te BakkumCafĂ©s en kasteleins in Bakkum – Kampeerterrein BakkumKermis in BakkumKlompenbuurt in BakkumKoninklijk Landgoed Bakkum (deel 1)Koninklijk Landgoed Bakkum (deel 2)Ongevallen in Bakkum


Jaarboek 25, pagina 14

Bakkum in de 18e eeuw

Inleiding

De Ambachtsheerlijkheid Bakkum was in de 18e eeuw een zelfstandige gemeente, toen banne genoemd, met een eigen bestuur bestaande uit schout en schepenen, groot 889 bunder (hectare) en gelegen tussen Egmond en Castricum. Het algemene beeld van de I8e eeuw in Holland was er een van economische neergang met verminderde handel, nijverheid en visserij, oplopende prijzen en belastingdruk, waardoor vooral kleine neringdoenden in de verdrukking kwamen en werkeloosheid en armoede toenamen. Het einde van de eeuw bracht politieke onrust: met de komst van de Fransen nog meer armoede, zorg en onrust met als climax de strijd tussen het Frans-Bataafse leger en de Engels-Russische invasiemacht, gevolgd door verwoestingen en plunderingen.

'Baccum' op de kaart van Noord-Holland (kaartfragment omstreeks 1748 getekend door Robert Celles).
‘Baccum’ op de kaart van Noord-Holland (kaartfragment omstreeks 1748 getekend door Robert Celles).

De grenzen van de banne Bakkum

Als we de kaart van Johannes Dou uit 1745 aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen, dan zien we dat van het afgebeelde wegen- en dijkenpatroon in het huidige landschap van Bakkum nog veel is terug te vinden. Met behulp van de hierbij afgebeelde detailkaartjes zullen we het Bakkum van toen in beeld brengen.
Het duingebied werd in vroeger eeuwen als wildernissen bestempeld. De grenzen tussen de opeenvolgende gemeenten volgen in het duingebied kaarsrechte lijnen die door onderlinge afspraken tot stand zullen zijn gekomen. Dit geldt voor de noordgrens met de toenmalige gemeente Egmond-Binnen en voor de zuidgrens met de gemeente Castricum. De rechte zuidgrens vanaf het strand door het duingebied valt nabij de Heereweg samen met de Nollenbeek. Deze beek is het duinbeekje dat juist ten noorden van en direct naast het witte huis uitkomt en onder de Heereweg door naar de Schulpvaart stroomt. In dit witte huis is Neeltje Groentjes tijdens de Slag bij Castricum in 1799 doodgeschoten; dit huis is in 1993 gesloopt en lag toentertijd nog juist in de Banne van Castricum. De zuidgrens van Bakkum met Castricum werd verder gevormd door de Schulpvaart.

De rechte noordgrens van Bakkum vanaf het strand liep over enkele uitgestrekte duinvlakten die ‘Het Vogelwater’ en ‘het Cleijne Vogelwater’ werden genoemd. Bij de Heereweg liep de grens verder over een afstand van ca. 250 meter langs de oostzijde van de Heereweg om daarna in noordoostelijke richting uit te komen op de ‘Schou Sloot ofte Toght’ die de grens vormt met de gemeente Heiloo. De grens tussen Bakkum en Limmen liep nogal grillig en volgde de opeenvolgende polder- en kavelsloten en kwam uit bij de Schulpvaart op een afstand van ca. 450 meter vanaf de Limmervoort.

Zuid-Bakkum

Opvallend op de kaart van Johannes Dou is de aanwezigheid van drie dijkjes die min of meer evenwijdig van het westen naar het oosten lopen. Gerekend vanaf het zuiden komt eerst in het verlengde van de Achterlaan ‘De Zuydt dyck’. Noordelijk en parallel daaraan in het verlengde van de Bleumerweg ligt de ‘Zuydt Baccummer Dyck’ en ten noorden daarvan ‘het Zee Rydts dyckie’.
Volgens deze kaart liep het verlengde van de Bleumerweg toentertijd zelfs door tot aan de Westerweg in Limmen, iets ten zuiden van de huidige Burg. Nieuwenhuijsenstraat. Bij de start van het kadaster in 1830 is deze verbinding tot in Limmen op de toen vervaardigde nauwkeurige kaarten niet meer aanwezig.

In het 9e jaarboekje is reeds uitvoerig geschreven over de strijd tegen het water en de verschillende dijkjes die in de Middeleeuwen in onze gemeente zijn aangelegd. Deze dijkjes waren vooral aangelegd om de woongebieden tegen het opdringende water te beschermen, maar hadden tegelijkertijd ook een wegfunctie om de aangrenzende landerijen te kunnen bereiken of de verschillende woongebieden te verbinden. De op hoger gelegen gronden gebouwde huizen langs de Heereweg in Zuid-Bakkum werden vanuit het oosten opdringende water vooral beschermd door het Zeerijdtsdijkje en het Zuiddijkje. Deze dijkjes zijn aangelegd aan het einde van de 12e eeuw. Het is goed denkbaar dat in een eerste fase de bescherming werd gerealiseerd door het Zuiddijkje en het Zuid-Bakkummerdijkje en dat met een gewenste vergroting van het gebied dat voor veeteelt of landbouw gebruikt kon worden, in een tweede fase het Zeerijdtsdijkje werd aangelegd dat de waterkerende functie van het Zuid- Bakkummerdijkje daarmee overbodig maakte.

De bewoning in Zuid-Bakkum, zoals aangegeven op de kaart van Dou, beperkt zich tot een tiental huizen, vooral gelegen langs de Heereweg. Opvallend zijn de door bossingels omgeven buitenplaatsen Blauhoeff aan de Achterlaan, Gaeff aan de Bleumerweg en het meer naar het noorden in de duinen gelegen Zeeveldt.
Over de buitenplaats Starburg of Gaeff is door mr. Belonje reeds uitvoerig geschreven in het 10e jaarboekje. De buitenplaats heette Gaeff naar de naam van de toenmalige eigenaar die een vertegenwoordiger was uit het gelijknamige Amsterdamse patriciërsgeslacht. De bezitting bestond uit een hofstede met 11 morgen land. Belonje stelt dat het herenhuis er aantrekkelijk gelegen moet hebben temidden van een kwadraatvormig bossage, beschermd en afgesloten door een gelijkvormige gracht.


Jaarboek 25, pagina 15

Wapens van de ambachtsheren van Bakkum. Een ambachtsheer oefende in een plaats of dorp het gezag uit namens de graaf of na de Middeleeuwen namens de Staten van Holland. Een dorp waar de graaf het gezag erfelijk in leen had uitgegeven aan de ambachtsheer werd een (ambachts) heerlijkheid genoemd. Het gezag in Bakkum werd tot het begin van de 17e eeuw uitgeoefend door de machtige heren Van Egmond, die zetelden op het ‘Slot op den Hoef’ te Egmond aan den Hoef. (De heerlijkheid Bakkum en zijn ambachtsheren zijn uitvoerig beschreven in het 3e jaarboekje.)

Hieronder de wapens van de ambachtsheren van Bakkum.
Hieronder de wapens van de ambachtsheren van Bakkum
Van Egmond 862-1618.
Van Egmond 862-1618
Van Oldenbarneveld Mr. Johan 1618-1619 Maria van Uijtrecht 1619-1625
Van Oldenbarneveld Mr. Johan 1618-1619 Maria van Uijtrecht 1619-1625
Van der Meijle Mr Cornelis 1625-1658 Adriaan 1658-1664 Johan 1664-1695
Van der Meijle Mr Cornelis 1625-1658 Adriaan 1658-1664 Johan 1664-1695
Perné Jacob 1695 Isaac 1748 Abraham 1748-1749
Perné Jacob 1695 Isaac 1748 Abraham 1748-1749
Geelvinck van Backum Mr. Nicolaas 1749-1765 Mr. Joan 1765-1802
Geelvinck van Backum Mr. Nicolaas 1749-1765 Mr. Joan 1765-1802
Schuijt van Castricum Mr. Albertus Cornelis 1803-1814 Adelbertus Johannus 1814-1855 Henri Corneille 1855-1899
Schuijt van Castricum Mr. Albertus Cornelis 1803-1814 Adelbertus Johannus 1814-1855 Henri Corneille 1855-1899
Brakenburg van Backum Lambertus Johannes Appolonius 1899
Brakenburg van Backum Lambertus Johannes Appolonius 1899

Jaarboek 25, pagina 16

De Baccummer Ban (gemeente Bakkum). Fragment van de kaart van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West- Friesland, getekend in 1745 door Johannes Dou.
De Baccummer Ban (gemeente Bakkum). Fragment van de kaart van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West- Friesland, getekend in 1745 door Johannes Dou.

In het begin van de 19e eeuw is de buitenplaats geheel verdwenen en doet de bijbehorende boerderij Starrenburg, gelegen aan de overzijde van de Bleumerweg, nog herinneren aan de buitenplaats.

Volgens de kaart van Dou waren de verbindingen met Noord-Bakkum voetpaden in het verlengde van de Heereweg en van het Jan Miessenlaantje die door en langs het duingebied liepen. Naar de boerderij Zeeveld ten westen van de Heereweg in het duingebied loopt ook een voetpad. (De geschiedenis van deze boerderij staat uitvoerig beschreven in het 7e jaarboekje.)

Noord-Bakkum

De huizen in Noord-Bakkum zijn bijna uitsluitend gesitueerd tussen de Baccummerweg (nu Hoogeweg geheten) en de Limmerweg. Beide wegen werden door meerdere paden of wegen verbonden, waarvan tegenwoordig overgebleven zijn: de Duinweg en het Groenelaantje. Dit laantje wordt ook nu nog oostelijk voortgezet door het Zuiderdijkje. Het op de kaart van Dou aangegeven voetpad en weg in het gebied tussen Heereweg en Hoogeweg wordt op de kadasterkaarten van 1830 niet meer vermeld.

De Heerlijkheid

De rechten verbonden aan het bezit op de vrije Heerlijkheid ‘Noordt ende Suijt Baccum’ bestonden uit het aanstellen van de baljuw, schout en het bodeambt, alsmede het verlenen van het recht van visserij, zee- en strandvonderij, vogelrij (het vangen van vogels) en pluimgraafschap (het toezicht op gevogelte).
De Heerlijkheid Baccum werd kort voor het begin van de 18e eeuw, in 1695, door het geslacht Van der Mijle verkocht aan Jacob Perné, een bemiddeld Amsterdams koopman, die zitting had in de vroedschap van Haarlem. In die tijd was Gerrit Gertner baljuw, schout en secretaris van Bakkum.
De Heerlijkheid bleef in handen van het geslacht Perné tot 1749 toen Abraham Perné de Heerlijkheid voor 4000 Carolus Gulden verkocht aan mr. Nicolaas Geelvinck.
In 1803 worden de Heerlijke rechten overgedragen aan de familie Schuyt van Castricum.

Het bestuur

In de 18e eeuw had het dorp een dorpsbestuur, bestaande uit een schout en vijf schepenen die eigen wetten en voorschriften uitvaardigden. De schepenen werden voor een periode van Ă©Ă©n jaar benoemd, waarbij de schout de voordracht bij de Heer van Bakkum deed.
Na goedkeuring door de Heer van Bakkum volgde de benoeming en ging het dienstjaar in, dat liep van Pasen tot Pasen.
Als raadhuis (rechthuis) werd de oude St.-Cunerakapel, op de hoek van Achterlaan en Heereweg in het centrum van Bakkum, gebruikt. In dit raadhuis was ook lange tijd een school gevestigd met Ă©Ă©n schoolmeester, maar in 1800 was deze school al vervallen en gingen de kinderen naar Castricum, Limmen of Egmond-Binnen naar school.

Als schout traden in Bakkum in de 18e eeuw op:

  • Adriaan van Coevenhoven van 1696 tot 1720, met “den regenten alle den behoorlijcken eede afgenomen den meij 1706” de volgende schepenen:
    Pieter Lourisse, Aalbert Janse Stoutend, Pieter Dircksz Knaap voor het tweede jaar, Jan Doetse en Aalbert Walenburgh, beiden voor het eerste jaar.
    Verder Bancris Heijndrickse en Steffe Jansen als armenmeester. Jan Lourisse als kerkmeester en Cornelis van Coevenhoven was in deze periode de secretaris.
  • Cornelis van Coevenhoven, werd vermeld vanaf 1721 en 1731-1736.
  • Jan Barrevelt, werd vermeld in 1736, 1737 en 1743 en is overleden in 1744.
  • Jacob Adriaan van Leeuwarden van 1744 tot 1749, in 1756 en 1762.
  • Leonardus Tempelaar was vanaf 1749 de (baljuw) schout en tevens schout van Castricum en in het jaar 1760 en na 1762.
  • Joachim Nuhout van der Veen vervulde deze functie vanaf 1778.

Jaarboek 25, pagina 17

De functie van bode werd ook vervuld: in 1702 was het Gerrit Jansz, die “een erfje van de Schoolwerf koopt van regenten, omme een schuur op te timmeren, belent ten zuijden Jonker C. v. Egmont” en in 1751 was Dirk Brouwer de bode, die ook oppasser was van de konijnenheining in het duingebied.

Van een aantal jaren zijn de jaarrekeningen van het dorpsbestuur bewaard gebleven. Deze rekeningen bestaan uit de inkomsten en uitgaven van de gemeente Bakkum.

Hierbij het overzicht van 1760:

Inkomsten en uitgaven van 1760.
Inkomsten en uitgaven van 1760.

Hieruit blijkt dat in dit jaar eigenlijk maar twee gulden meer werd uitgegeven dan ontvangen, maar dat het tekort van 1759 de overschrijding veroorzaakte. Het tekort over 1760 werd op de rekening van 1761 gebracht.

De verordeningen, keuren en voorschriften die werden uitgevaardigd door het dorpsbestuur van Bakkum, waren gering in aantal, eenvoudig opgesteld en werden soms naderhand weer aangepast; zij werden vastgelegd in het Keurboek van Baccum, 1650-1777, aangelegd 1747, met 26 artikelen, waaruit hierbij enkele voorbeelden:

Op hoogtijdagen geen uijterlijke werken te doen, zoals Sonnedagen, Hoogtijden ende biddagen als Paaschen, Pinxter, Garstijd telkens twee dagen, Nieuwjaarsdag ende Heemelvaartsdag.
Niet te tappen op biddagen. Met uitzondering van “den Reijsende man ende verre geseten huijsluijden, die om haren dorst te lissen eens staande sullen mogen drinken”.
Waart ofte waardinne sal gehouden wezen op heijlige dagen of te biddagen hare huijze te openen voor den heer Baljuw.
Wat booter ofte brood men binnen de Heerlijkheijd verkopen ofte ter merkt willen, sal moeten hebben tenminste alsulken gewigten als ‘t behoort te hebben.
Doode beesten ofte krengen moeten worden begraven zonder die in ‘t water te smijten ofte brengen.
Dat mede van gelijke geen personen haar buurschap behoorlijk niet opgeseijt te hebbende ende nogtans tot eenige office ‘t sij scheepen, waarschap, schotgaarder ofte anders ge-eelegeert zijnden, zijne woonplaats buijten den selven banne en zal mogen veranderen en sij ‘t selve officie in de zelve bannen eenjaar lang voldient sal hebben.
Dat niemant van de ingesetenen hem en vervordere te spelen, dobbelen met teerlingen, hutsen (met muntstukken dobbelen) ofte landeren spel om eenig gelt. Dan wert wel den rijke ende vermogenden toegelaten te speelen voor tijtskorting en hij bier een vaam ofte meer, een pinte ofte kanne wijn, in ‘gelag offte twee’.
Dat niemant eenige hecken te steeken op den heeren wegh, nog eenige veersloten ofte vaart die men dagelijks moet gebruijken te versperren ende dezelve hecken en versperringen van watertogten op te nemen ende te ruijmen.

Fragment van de kaart van het Graafschap van Egmont in 1665 getekend door Jan Dirksz Zoutman.
Fragment van de kaart van het Graafschap van Egmont in 1665 getekend door Jan Dirksz Zoutman.

Jaarboek 25, pagina 18

Naast de wetten en voorschriften die op de dorpelingen van toepassing waren, waren er ook nog regels en voorschriften voor de eigenaren van het duingebied over de beplanting in de duinen en de konijnen- en hertenheining. Deze oude heining diende om schade aan gewassen door konijnen- en hertenvraat tegen te gaan en was heel vaak een onderwerp van problemen betreffende aanleg, gebruik, schade, onderhoudskosten e.d.
Naar aanleiding van klachten over verstuiving van de duinen en schade door konijnen wordt een klacht in de Heerlijkheid Bakkum van 1757 door de Gecommitteerde Raden gegrond geacht: zij adviseren de Staten aan ingelanden voor de tijd van 15 jaar toestemming te verlenen om de overlopende konijnen met netten op te vangen, mits dit uitsluitend zal geschieden in het bijzijn van een gezworen koddebeier, door henzelf te salariëren. Dat had tot gevolg dat het onderhoud verminderde en weldra waren er klachten over de gevolgen van nalatigheid.
In 1759 worden Schout en Schepenen door Gecommitteerde Raden erop gewezen de konijnenheiningen behoorlijk te onderhouden en de nalatigen schuldig te verklaren en boeten op te leggen.
In 1763 waren er problemen met konijnen die door de gaten in de heining heen kwamen, zoals dit gemeld werd door Gerrit Dirksz Sonnevelt, op verzoek van de duinmeijer (pachter) Claas Jansz Schuijt. In 1777 besluiten de Staten om tegemoet te komen aan wensen van de ingelanden, dat de overgelopen konijnen ook zonder toezicht van de koddebeier (veldwachter) mogen worden weggevangen en herhalen het verbod aan de duinmeiers tot het maken van konijnengaten dicht bij de heining.
Het wegvangen van konijnen door ingelanden ging gewoon door, ook als de vangst voor de duinmeiers was verboden.

De inwoners

De bevolking van Bakkum leefde vooral van de landbouw, maar ook van de konijnenvangst (de pels en het vlees) en de schelpenvisserij en had daardoor een redelijk bestaan. Er was een aantal boerderijen en kleine behuizingen, een totaal van omstreeks 25, waarin de inwoners (boeren, kleine zelfstandigen, ambachtslieden en arbeiders) woonden en werkten. In het algemeen leefden de mensen vrij in een rustig dorp.
Het aantal inwoners is ook in deze eeuw klein geweest en heeft ongeveer 100 bedragen; zij woonden vooral in Zuid-Bakkum, waar ca. 20 huizen stonden. De rooms-katholieke inwoners behoorden tot de statie van Castricum. Het aantal inwoners in Noord-Bakkum, waar een vijftal huizen stond, bedroeg ongeveer 20. Zij gingen veelal ter kerke in Egmond. Vandaar dat de betreffende gelovigen ook bijdroegen in de kosten van de pastoor te Egmond.
De hervormden, die een minderheid vormden, behoorden tot de gereformeerde (hervormde) gemeente Castricum / Heemskerk.

De armen

Er waren echter ook minder gelukkigen en zij konden in deze tijd van toenemende werkeloosheid en armoede een beroep doen op ondersteuning van de Armenvoogden, die voor de gevallen van persoonlijke armoede oplossingen vonden die in de allerergste nood konden voorzien.
De armenvoogden werden voor een periode van 6 jaar door de Baljuw en Schepenen aangesteld en kregen hiervoor aanvankelijk 2 gulden en aan het eind van de eeuw 5 gulden per jaar vergoed.
De verantwoording van armengelden, bestaande uit inkomsten en uitgaven uit deze tijd, is voor een deel bewaard gebleven in een boek: “de rekeningen der arme goederen van Baccum beginnende met het jaar 1728.” Uit deze bron, die met jaarlijkse inkomsten en uitgaven is opgezet, kunnen veel gegevens gehaald worden.
De inkomsten kwamen onder andere uit de verhuur van stukjes land en akkertjes (de armenlanden), geldleningen tegen een rente van meestal 4%, jaarlijkse bijdragen van de stad Alkmaar in de vorm van armengelden en rente op uitstaande gelden, verkoop van hout uit het beheerde armenbosje en paardenland, hooigeld, verkoop van verkregen meubelen, gereedschappen en dergelijke.
Die inkomsten in de eerste helft van de eeuw bedroegen per jaar circa 200 gulden. Soms was dit een hoger bedrag : “nog gelt erbij dat den baljuw op interest heeft uijtgeset gehad in de Beverwijk”, zoals in 1741 het geval was.
Er werd over een jaar ook wel geld overgehouden als hoge huren van voorgaande jaren werden ontvangen, zoals in 1743 toen 607 gulden in kas was en kon worden overgegaan tot de aankoop van een stuk land ‘Waijenburg’, gelegen in Castricum, voor 490 gulden. Dit stukje land kon weer verhuurd worden voor 34 gulden per jaar, maar er moest ook verponding voor betaald worden en wel 9 gulden, 19 stuivers en 11 penningen per jaar.
In 1774 was de omvang van het landbezit van de armen van Bakkum 4 morgen en 231 roeden, bestaande uit 8 stukjes land, waarvan het Paardenland het grootste was (917 roeden).
Bij de uitgaven vinden we ondersteuning aan inwoners voor huur, kostgeld, scheerloon, reparatie van schoenen, levering van tabak, kleding, zoals 2 hoeden voor de kinderen van Jan Gerritse, 2 paar kousen voor Klaas Jansze in 1766 en in 1770 2 gulden ‘kerke regt en luijen van de klok’ te Egmond-Binnen voor de overleden Dirk Jansz en 5 gulden aan Klaas Schoorl, een doodkist voor Dirk Jansz.
Betaald werd ook voor geleverde goederen aan de armen, zoals meel, brood, kaas, olie voor verlichting, erwten, gort, turf en hout voor het stoken, koffie en thee en soms bier. Deze goederen werden geleverd door plaatselijke neringdoenden:
Jacob Kuijs leverde brood, Aalbert Knaap kaas, Meijns Pieterse tabak, Frans Brakenhoff de benodigde medicijnen, Willem Jacobsz Sop het brood en Jan Sinnige was meester kleermaker. Turf werd geleverd door Willem Leendersz en Willem Hendriksz.

Door de gehele eeuw heen was er veel zorg voor de armen in de kleine dorpsgemeenschap en hoewel de bijdragen meestal vrij klein waren, groeide in de loop van vooral de tweede helft van de eeuw de omvang van de uitgaven en gelukkig ook die van de inkomsten. In 1798 werden door de armen voogden de uitgaven 1796 vastgelegd op 683 gulden en de ontvangsten op 715 gulden; de hogere inkomsten waren het gevolg van de verkoop van het huisje van Cornelis Schoon. Dit huisje was na zijn overlijden in 1795 vervallen aan de armen en werd verkocht aan Jan Tromp voor 35 gulden. Ook door de verkochte meubelen van de weduwe van Cornelis Schoon die 88 gulden opbrachten, stegen de inkomsten. De hogere uitgaven werden veroorzaakt door het betalen van een jaar kostgeld aan Jan Schoon, de zoon van Cornelis Schoon en het kostgeld van Jacob Mayns, dat 132 gulden bedroeg. In dit jaar werd dus meer ontvangen dan uitgegeven, waaraan ook weer goedkeuring door de Baljuw-Schout en het Gemeentebestuur werd gegeven.
De armenvoogden beheerden gedurende deze eeuw de gelden op een passende wijze naar de opvattingen van die tijd. Meestal sloten zij de jaarrekening, die liep van Pasen tot Pasen, af met een ‘batig saldo’, maar het was wel passen en meten gezien de beperkte mogelijkheden die zij hadden.


Jaarboek 25, pagina 19

Wie waren aangesteld tot armenvoogd en over welke periode? In de 18e eeuw waren de armenvoogden:

Armenvoogden in de 18e eeuw.
Armenvoogden in de 18e eeuw.

De verponding

Er moest ook belasting of contributie betaald worden. Voor de inning ervan was de pondgaarder aangesteld.
Landerijen waren voor de verponding in een viertal categorieën verdeeld, waarbij de hoogste categorie 4 gulden, 6 stuivers en 5 penningen (4.6.5) per morgen moest opbrengen, aflopend naar 3.4.5, 2.3.5 en 1.3.5. Per jaar betaalde Bakkum in deze tijd ca. 500 gulden aan verponding.
In de verpondingslegger van Bakkum is het grondbezit vanaf 1793 vastgelegd en daarbij komen behalve de eigenaren zoals Sijmen Duijnmaijer, Willem Brakenhoff, Jan van Boven, Klaas Duijn, Jacob Stuifbergen, Jan Florisz Twisk, Pieter Gerritsz Kuijs, Jan van Bruijnswaard, Cornelis Breedveld en Gerrit Arendsz Apeldoorn, ook de veldnamen van de stukken land voor, zoals De Agter Mosch, het Heitje, de Crogt van Pieter Bruijne, het Campje van Huibert Jansse, De Dorenduin, het Buktje, de korte Pollen, de Pollen, de Memorie Camp, Het Seelriet, de Rijm, het Almoesackertje aan de Lage weg, het Almoesackertje en de Staalcamp, maar er zijn er nog veel meer genoemd.

Daarnaast waren er de betalingen voor het dijkonderhoud, waarvan de lasten veelal verdeeld werden over de verschillende dorpen. Voor de St.-Aagtendijk, die liep van Beverwijk, waarde ‘Sint-Aechtenkerck’ stond, naar Krommenie, waren de beschermde landen op een kaart van het schuldplichtig gebied vastgelegd en werd het totaalbedrag van de jaarlasten omgeslagen over 381 morgen en 630 roeden, gebaseerd op een contributie van 10 stuivers per morgen. Voor 1778 was het een bedrag van 190 gulden, 17 stuivers en 14 penningen. Ook voor de Hondsbosche diende contributie betaald te worden op basis van dezelfde 381 morgen en 630 roeden, tegen 15 stuivers per morgen. Voor 1778 moest daarom 286 guldens, 6 stuivers en 8 penningen betaald worden. Later, in 1792, werd de contributie verhoogd naar 24 stuivers per morgen.
Mr. Joachim Nuhout van der Veen, in 1777 benoemd tot schout van Bakkum en Castricum, was vanaf 1778 de ontvanger van beide contributies. Hij sloot ook de jaarrekeningen af, die daarna werden geaccordeerd door schepenen en ingelanden op het Raadhuis van Bakkum. In 1792 werden de rekeningen getekend door Simon Duijnmaijer, Klaas van Bruijnswaard, Klaas Duijn, Klaas Wagemeester, Jan Twisk en Joachim Nuhout van der Veen. Jacob Stuifbergen tekende met een kruisje, omdat hij niet kon schrijven.

Slotwoord

In het algemeen kan geconcludeerd worden dat de bewoners in Zuid- en Noord-Bakkum een rustig leven leidden en een redelijk maar soms wel karig bestaan hadden. Uit de beschikbare bronnen komt naar voren dat de inkomsten en uitgaven van de gemeente Bakkum in de loop van de eeuw wel toenamen, evenals die van de Armenzorg, maar dat een verwachte sterke stijging van de uitgaven aan het eind van de eeuw mede ten gevolge van de komst van de Bataafse Republiek is uitgebleven.
Bij decreet van Napoleon van 21 oktober 1811 wordt Bakkum, omdat het als zelfstandige gemeente geen bestaansrecht meer heeft, gevoegd bij de gemeente Castricum.

Tonny Sminia
Piet Blom

Bronnen:

  • Archief Baccum, aanwezig op het Regionaal Archief Alkmaar.
  • Baars, F, De strijd tegen het water, 9e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1986.
  • Blonk, Dirk, Wijst, Johanna van der, Hollandia Comitatus, een kaartbibliografie van Holland, Utrecht, 2000.
  • Danner, H.S. e.a., … die water keert, 800 jaar regionale dijkzorg in Hollands Noorderkwartier, Wormerveer 1994.
  • Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl 1973.
  • Hespe, W., Arm en Rijk in Castricum in de 18e eeuw, 20e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1997.
  • Hespe, W., Slag bij Castricum: Franse tijd Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap in Castricum, 22e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1999.
  • Jelles, Ir J.G.G. Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands Duinreservaat, Arnhem, 1968.
  • Lambooij, Herman, Getekend land. Nieuwe beelden van Hollands Noorderkwartier, Alkmaar, 1987.
  • Mooij, Ernst, Midden-Kennemerland rond het jaar 1000, 23e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 2000.
  • Scholtens, Mr H.J.J., Uit het verleden van Midden-Kennemerland, Den Haag, 1947.
  • Westenberg, J., Kennemer dijkgeschiedenis, Amsterdam-Londen 1974.
  • Zuurbier, S.P.A., De Heerlijkheid Bakkum en zijn ambachtsheren, 3e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1980.
Print Friendly, PDF & Email