18 mei 2026

Een Castricummer in de Arbeitseinsatz

Na de herdenkingen van 4 en 5 mei staan wij stil bij een hoofdstuk uit de oorlogsgeschiedenis: de Arbeitseinsatz.

Eén van hen was de heer Maas, geboren in Uitgeest. Oud-Castricum kreeg door een schenking zijn persoonlijke verhaal dat laat zien hoe diep de gevolgen van de Arbeitseinsatz (een vorm van dwangarbeid) ingrepen in het leven van gewone dorpsgenoten. Hij overleed op 28 mei 2015.

Lörrach (Duitsland) ligt iets ten noordoosten van Bazel (Zwitserland).

Lees hieronder zijn herinneringen 1.


M.J. Maas
De Santmark
Castricum 

22 januari 1999

Ik, Martinus Jozef Maas, ben geboren in Uitgeest op 16 juli 1924 als oudste zoon uit het op 6 september 1925 gesloten huwelijk tussen Martinus Maas, geboren te Druten op 19 augustus 1891 en Lucia Jacoba Henneman, geboren te Bergen op november 1895.

Op 22 juni 1943 werd ik vanuit de Hoogovens te IJmuiden gedeporteerd naar Duitsland en verplicht tewerkgesteld als hulpmonteur bij de vliegtuigmotorenfabriek “Argus” in Berlijn-Wilhelmsruh. Daar werkten alle nationaliteiten van Europa door elkaar en er heerste een ijzeren discipline en een soort van schrikbewind om alles draaiende te kunnen houden. Ik werkte samen met een andere gedeporteerde Hollander, Piet van Oosten uit Delft, die reeds langer als monteur daar werkte. Dankzij deze heb ik nog kunnen genieten van culturele evenementen in Berlijn, zoals operettes en variétévoorstellingen waarvoor hij kaarten kon bemachtigen.

Een medegedeporteerde uit Uitgeest, genaamd Cor Schouten, werd ernstig ziek. Samen met een vriend uit Castricum, Cor Stet, brachten wij hem naar een ziekenhuis. Voordat hij daar zou worden opgenomen, rookte Cor nog gauw buiten een cigaretje. Dit werd vanuit het ziekenhuis opgemerkt en men weigerde toen om hem toe te laten. Hij kon weer terugkeren naar zijn woonbarak. Op 22 mei 1945 is hij overleden.

Op 30 augustus 1943 kwam het eerste grote bombardement op Berlijn. Enkele weken daarna werd de fabriekshal, waarin ik werkte, getroffen door brandbommen en brandde geheel uit. De vliegtuigmotoren waren als gevolg van de grote hitte, die werd veroorzaakt door de fosforbommen, bijna geheel gesmolten en vervormd. De woonbarakken van de Hollandse gedeporteerden brandden tot de grond toe af bij een hevig bombardement. Wij verhuisden naar een barakkenkamp in Berlijn-Köpenick. Ook daar werd gebombardeerd. Vooral de langdurige bombardementen in de nachten van 24 op 25 december 1943 en van 6 op 7 januari 1944 staan nog diep in mijn geheugen gegrift. Toen heb ik echt doodsangsten uitgestaan, omdat we ons bevonden midden in het door fosforbommen gemarkeerde gebied, dat werd bestookt met brisantbommen, urenlang. Een R.K. geestelijke, kapelaan Wim Vroom, ging ons in de schuilloopgraaf voor in gebed, want nood en angst leert bidden. Ook tijdens ons werk werden er bommen gegooid, overdag vanaf grote hoogte vanuit Amerikaanse vliegtuigen. Tijdens zulke bombardementen vluchtten wij meestal het vrije veld in, omdat wij ons daar veiliger voelden dan in de buurt van fabrieken. Vooral de luchtdruk van hele zware bommen richtte grote schade aan.

Op 12 juli 1944 vluchtte ik met Herman van Eerden, afkomstig uit Uitgeest, Adriaan Adrichem en Wim Vendel uit Heemskerk vanuit Berlijn naar Lörrach dicht bij de Zwitserse/Franse grens. Wij werden daarbij geholpen door mejuffrouw Rika Zonneveld, die namens de R.K. Geestelijkheid in het dekenaat Beverwijk voor valse papieren voor ons van het Arbeidsbureau in Beverwijk had gezorgd.

Vanaf 14 juli 1944 tot 12 december 1944 werkte ik als collectorenmaker bij de collectorenfabriek van Kautt & Bux in Lörrach, zes dagen per week. Naarmate de geallieerden in Frankrijk dichterbij kwamen, nam ook het oorlogsgeweld toe. Wij, de buitenlanders, maar ook de Duitse vrouwen, werden verplicht om op de zondagen loopgraven te graven oostelijk van de Rijn. Hierbij werden wij om de haverklap beschoten door geallieerde jachtvliegtuigen. Ook het geschut bij Colmar werd steeds vaker gebruikt om de loopgraven en de dorpen en steden oostelijk van de Rijn te beschieten.

Omdat ik nog steeds erg angstig werd bij al dit oorlogsgeweld hetgeen ik in Berlijn had meegemaakt, besloot ik om naar Zwitserland te vluchten en met de collectorenfabriek mee te verhuizen naar de hoofdvestiging van Kautt & Bux in Stuttgart-Vaihingen.

Bij mijn vluchtpoging op 12 december 1944 ben ik geweldig geholpen door de Duitse familie Sturm uit Lörrach, waarmee ik tot op de dag van vandaag nog steeds goede banden heb. Ongelukkigerwijs werd ik bij mijn vluchtverzoek per Zwitserse trein, die bij Lörrach over Duits grondgebied rijdt, ontdekt en gearresteerd door de Gestapo, die was belast met grensbewaking. Ik werd ogenblikkelijk overgebracht naar de strafgevangenis in Lörrach en naar mij later werd meegedeeld tot 3 maanden detentie veroordeeld. Ik belandde in een cel met 2 Franse jongemannen, die net als ik ook hadden geprobeerd om naar Zwitserland te vluchten. De bedden in de cel waren ’s morgens opgeklapt tegen de muur en met een slot vastgezet, zodat het niet mogelijk was om op de dag te gaan liggen. Er moest ook nog worden gewerkt. Grote brokken dik pantsermica moesten in dunne velletjes worden gesplitst. Het eten in de gevangenis was ronduit slecht en pover. Tijdens mijn gevangenschap ben ik dan ook 60 pond afgevallen en zat ik onder de huiduitslag en vol met zweren. In de laatste maand van mijn gevangenschap had ik last van flauwtes als gevolg van zwakte. Ik woog nog slechts 120 pond bij mijn vrijlating op 13 maart 1945 en dook een paar dagen onder bij Wim Vendel uit Heemskerk die op een boerderij werkte en mij te eten kon geven van de fabriek K.B.O., waarin het collectorenfabriekje was ondergebracht, een Zwitser, zorgde goed voor mij.

Na enkele dagen van mijn vrijheid te hebben genoten werd ik echter door de Duitse politie ontdekt en op de trein gezet naar Stuttgart-Vaihingen. Daar heb ik nog van 19 maart 1945 tot 6 april 1945 in de hoofdvestiging van de collectorenfabriek gewerkt en ben daarna toch naar weer teruggekeerd naar Lörrach.

Tijdens en na mijn gevangenschap heb ik constant blootgestaan aan allerlei oorlogsgeweld, zoals kanonbeschietingen vanuit Frankrijk, beschietingen en bombardementen door vliegtuigen. Vooral een voltreffer op een gebouw in Stuttgart, waaronder ik schuilde, maar gelukkig met elkaar in verbinding staande gangen en kelders kon ontsnappen, staat mij heel duidelijk voor de geest en doet mij nu nog af en toe huiveren.

Nadat ik nog enkele dagen in Lörrach verbleef en eten kreeg bij mensen die ik hielp bij het repareren van stukgeschoten dakbedekkingen, werd mij op een dag plotseling meegedeeld dat het Zwitserse en het Duitse Rode Kruis waren overeengekomen, dat de vele buitenlanders die in een  klein gebied in de Zuid-Westpunt van Duitsland waren toegestroomd, gevlucht voor het naderende oorlogsgeweld, naar Zwitserland mochten gaan.

Zo ben ik dus bevrijd !

Meteen daarna ben ik vanuit Basel met nog enkele Hollandse jongemannen per trein naar Mulhouse gereisd en na daar te zijn ontluisd doorgereisd in een trein met louter Fransen. We zijn via Strasbourg, Metz en Reims naar Parijs gereden. Deze reis zal ik mijn hele leven niet vergeten. Het was de eerste trein, die volgeladen was met Franse ex—krijgsgevangenen die na ruim vijf jaar krijgsgevangenschap in Duitsland terugkeerden naar huis. De trein stopte bijna bij ieder station onderweg en niet alleen de Fransen werden toegesproken en welkom geheten, maar ook wij. De wijn en de champagne vloeiden rijkelijk en ik weet me nog heel goed te herinneren hoe ik heel innig werd gekust en omarmd door menige mooie Française en hoe we bij elk station dansten onder de tonen van de ook toegestroomde muziekgezelschappen. Na de triomfantelijke aankomst en ontvangst in Parijs en nadat de film “De Dictator” met Charley Chaplin voor ons was vertoond, ging ieder zijns weegs.

Ook ik meldde mij bij de Nederlandse ambassade in Parijs, vooral omdat ik graag naar mijn familie in Oirschot en Liempde in het reeds bevrijde Noord-Brabant wilde gaan. Dit bleek echter onmogelijk omdat de oorlog nog in volle hevigheid woedde. Vervoer naar Nederland was daarom niet mogelijk. Ik werd ondergebracht ergens aan de rand van Parijs onder de tribunes van een hondenrenbaan. Na de geweldige en uitbundige ontvangst door de Franse bevolking en autoriteiten was het optreden van de Nederlandse ambassade een koude douche. Het leek wel of men ons Hollanders, die gedwongen waren om voor de Duitse oorlogsmachine te moeten werken, als collaborateurs beschouwde. Dit was, tenminste voor mij, die zoveel had moeten lijden onder het Duitse juk, een verschrikkelijke gewaarwording. Toen het Amerikaanse leger dan ook personeel kwam werven om bewakingsdiensten voor ze te verrichten, heb ik geen moment geaarzeld om mij aan te melden.

Omdat ik tijdens mijn detentie in Lörrach drie maanden lang uitsluitend Frans had gesproken en een Duitse medegevangene, die corveewerk verrichtte de Engelse taal had bijgebracht met behulp van kranten, sprak, las en schreef ik behoorlijk Frans, Engels en Duits. De eerste beginselen van deze talen had ik al tijdens mijn opleiding op de M.U.L.O. geleerd. Voor de Amerikanen, de Engelsen, de Fransen en de Duitsers, waarvan er slechts enkelen één andere dan hun moedertaal machtig waren, was ik een talenwonder. Mede hierdoor werd ik meteen bevorderd tot sergeant en ontving ik ook het bij deze rang geldende salaris. Ik had een pracht leven en nadat de oorlog in Europa echt was afgelopen, genoot ik met mijn Amerikaanse vrienden volop van het uitgaansleven in Parijs. Ik heb met hen dan ook bijna alle theaters, musea, tentoonstellingen en monumenten in de lichtstad bezocht. In juli 1945 ging ik, na vanaf 22 juni 1943 weg te zijn geweest, met verlof naar huis. Daar werd ik, gekleed in een prachtig uniform van het Amerikaanse leger, gesierd met de sergeantsstrepen, bijna als een held ontvangen. Over alle ellende, die ik had meegemaakt, werd niet zoveel gesproken, want de bewoners in het arme Nederland hadden het een stuk slechter dan ik.

Tot aan het vertrek van de Amerikaanse militairen naar huis heb ik als tolk/ krijgsgevangenenbewaker en soms ook als chauffeur of als Militaire Politie nog dienst gedaan in Fontainebleau, in Melun en in Courances. Ook ben ik nog enkele maanden werkzaam geweest al tolk bij het Internationale Transportbedrijf Henri Walbaum in Parijs. Na herhaalde smeekbeden van mijn ouders, ben ik in mei 1947 weer teruggekeerd naar huis. Ik kon daarna mijn werkzaamheden bij de Hoogovens in IJmuiden weer hervatten na een onderbreking van bijna 4 jaar.

Behalve met de herinneringen, mooie en beroerde, bleef ik natuurlijk ook zitten met het feit, dat het bijna onmogelijk was om met anderen over mijn oorlogservaringen te spreken, omdat er geen hulpverlenende instanties bestonden voor dat doel.

De Santmark
CASTRICUM


  1. In de herinneringen van dhr. Maas stond zijn volledige adres en zijn telefoonnummer. Uit privacy-overwegingen hebben we deze gegevens hier weggelaten. ↩︎
0 Reacties
Nieuwste
Oudste