21 maart 2024

Mijn herinneringen aan Castricum – door IJsbrand van Amsterdam

In mijn in 2002 gereedgekomen “Familiegeschiedenis” heb ik ook aandacht geschonken aan de verschillende woonplaatsen van ons gezin. Zo heb ik ook het wonen in Castricum beschreven.
In een gesprek met de voorzitter van “Oud Castricum” toonde deze belangstelling voor datgene wat ik over Castricum geschreven had. Daarom laat ik dit hieronder onveranderd volgen:
Alvorens te vertellen over het wonen van ons gezin in Castricum, wil ik eerst een en ander vermelden over het dorp Castricum als zodanig.

Castricum was voor mij in het jaar van onze verhuizing in 1934, nog een onbekende plaats, ik had wel eens gehoord van Blaricum in ’t Gooi, maar Castricum? Waar lag dat eigenlijk?

Oorspronkelijk was Castricum vanuit het zuiden toegankelijk via de Oude Haarlemmerweg en de Oudeweg. Deze laatste ging over in de Dorpsstraat bij de kruising van Kramersweg (thans Burgemeester Mooijstraat) en Overtoom. Rond 1820 werd een nieuwe weg aangelegd, de Beverwijkerstraatweg, die tot 1899 nog een tolweg was. Toen wij er kwamen wonen was de toegangsweg uit het noorden nog via de oude Alkmaarderstraatweg.
Deze begon vanaf de Provincialeweg Uitgeest-Limmen ter hoogte van het na de oorlog geplaatste monument en slingerde zich langs ons huis naar de Dorpsstraat. Het was een weg met slechts twee rijstroken, vrij liggende fietspaden en omzoomd met grote iepenbomen. Van de Soomerwegh was nog niets te bekennen.
Aan de Alkmaarderstraatweg ter hoogte van de vroegere Kooiweg zou vroeger een korenmolen gestaan hebben. Ik heb die molen niet gekend. Wel weet ik dat het zogenaamde molenhuis er nog stond en bewoond werd door de familie Brakenhoff. Er tegenover stonden de boerderij van Mooij en de zogenaamde “Molenhuisjes” waarin de families Bot en Korsman woonden. Hier begon ook de Molendijk, ook wel Boogaardsdijk genoemd, deze liep vanaf de Alkmaarderstraatweg door de weilanden met de nodige bochten naar het Uitgeesterpadje, thans Uitgeesterweg geheten. Het was een rustiek paadje, niet veel meer dan een karrespoor. Dit alles is reeds jaren verdwenen, alleen de aldaar gerealiseerde nieuwbouwwijk draagt nog de naam “Molendijk”.

In deze omgeving stond wat achteraf, bereikbaar vanaf dat Uitgeesterpadje, de “Albertshoeve”. Dit was de boerderij van Albert Asjes, hij was ongehuwd en een wat eenzelvige figuur. Hij hield van jagen en had nabij zijn boerderij een eendenkooi aangelegd. In een eendenkooi, gelegen in bosjes worden eenden in een soort val gelokt en door de verdekt opgestelde jager gevangen. Overigens heeft deze Albert Asjes bij zijn dood zijn niet onaanzienlijke bezittingen aan de Kerkvoogdij van de Nederlands Hervormde Gemeente vermaakt. Die er het zogenaamde Albert Asjesfonds van stichtte en de boerderij met landerijen verpachtte. Door de uitbreidingsplannen van de gemeente was de boerderij niet meer exploitabel en werd door de laatste pachter verlaten.
Na enkele jaren te hebben leeg gestaan was de boerderij zo in verval geraakt dat deze gesloopt is. Kort daarna is de boerderij op vrijwel dezelfde plaats en geheel naar het oorspronkelijke uiterlijk herbouwd. Er zijn toen een aantal kleine appartementen voor alleenstaanden in onder gebracht. De naam “Alberts Hoeve” werd gehandhaafd en zo draagt de gehele nieuwbouwwijk ter plaatse thans deze naam. De eendenkooi is in verwaarloosde staat nog aanwezig.

Castricum had in 1934 ongeveer 6000 inwoners en was nog een echt boeren- en tuindersdorp. Het dorp was nog maar gedeeltelijk van een openbaar riool voorzien. Ook wij moesten het, weliswaar met een ingebouwde plee en een beerput met overloop naar de sloot redden. De middelen van bestaan waren in hoofdzaak veeteelt en het verbouwen van groente en vooral aardbeien.
Ook werden er langs het strand nog schelpen gevist.
De schelpen werden met netten langs het strand verzameld en vervolgens met karren, getrokken door een paard, naar het Schulpstet vervoerd. Het Schulpstet op Bakkum bestaat als straatje nog, evenals de nabijgelegen Schulpvaart. Aanvankelijk werden de schelpen met schuiten naar een kalkoven in Akersloot vervoerd, doch in 1934 stond aan het Schulpstet al een eigen kalkoven.
Hier werden de schelpen tot schelpkalk gebrand. Zowel de schelpenvisserij als de kalkoven zijn verdwenen. Het dorp bestond in hoofdzaak uit de Dorpsstraat (een doorgaande weg van Beverwijk naar Alkmaar), met aansluitend. de Beverwijker- en de Alkmaarderstraatweg, verder de Burgemeester Mooijstraat (vroeger Kramersweg geheten), Schoolstraat, Stationsstraat, Mient, Ruiterweg, Overtoom, en Kleibroekerweg (thans Torenstraat). Verder waren er de buitengebieden met o.a. de Duinderbuurt ten westen van de spoorlijn (die tijdens de Tweede Wereldoorlog vrijwel geheel gesloopt is), de Oosterbuurt met o.a. de Breedeweg en Doodweg, het Noordend met Kooiweg, Brakersweg en 1e-en 2e- Groenelaan en niet te vergeten Bakkum aan de noordwestzijde van de spoorlijn richting Egmond. Bakkum was oorspronkelijk een zelfstandige gemeente, maar werd in 1812 gevoegd bij Castricum.

Vóór onze tijd zou er nog een tram door de Dorpsstraat hebben gereden. Dan waren er natuurlijk de prachtige brede duinen met o.a. de Papenberg en het strand, wat voor ons een belevenis was die we in het geheel niet kenden. De Zeeweg was al aangelegd en het toerisme begon op te komen. Bij de strandafgang stond op het duin een heus Badhotel en in de zomer stonden op het strand al enkele strandpaviljoens.
Halverwege de Zeeweg was aan de noordzijde het Kampeerterrein gelegen, terwijl ongeveer te zelfde hoogte maar aan de zuidzijde restaurant Johanna’s Hof was. Dat Johanna’s Hof zag er overigens anders uit dan het huidige pand. Het stond meer evenwijdig aan de Zeeweg en had een rustiek aanzien met o.a. een rieten dak. In de oorlog is het door de Duitsers gesloopt, met uitzondering van de garage. Na de oorlog is de restaurateur zijn zaak in die garage weer begonnen. Na diverse verbouwingen en uitbreidingen is het etablissement ontstaan zoals het er thans uitziet.

De Dorpsstraat was de winkelstraat en hier was ook op nummer 65 het oorspronkelijke raadhuis van Castricum. Burgemeester was toen de heer Lommen. In 1937 werd hij opgevolgd door Baron van den Clooster Sloet tot Everlo. Ja, ja! In de dagelijkse omgang burgemeester Sloet genoemd. Alhoewel hij meen ik ook N.S.B.-neigingen had, werd hij in 1942 vervangen door een echte N.S.B.-er met de naam Masdorp. Na de oorlog werd de heer Smeets tot burgemeester benoemd. Een zeer sympathieke man, die vele jaren resideerde. Het gebouw is thans in gebruik als kantoor van Het Noordhollands Landschap.

Castricum had twee of eigenlijk drie kerken. De R.K. Sint Pancratius aan de Dorpsstraat/Alkmaarderstraatweg, de historische Nederlands Hervormde Kerk in het Dorpscentrum en de Gereformeerde Kerk in een groot woonhuis aan de Beverwijkerstraatweg.
De Pancratiuskerk (vernoemd naar een tot dan onbekende heilige voor ons), was en is een grote Gothische kerk en vormde destijds met de pastorie, kerkhof, scholen en zusterhuis een groot complex. Bij onze komst in Castricum was Van Oostwaard pastoor, een ziekelijke man die in 1936 overleed.
Hij werd opgevolgd door pastoor Goes. Een vrij kleine man met een gezond uiterlijk, hij resideerde dan ook meer dan 20 jaar. Kapelaans in die jaren waren o.a. Hoek, Bergman, Van der Zalm, Heemskerk, Holthuizen en Verheul. Met de Hervormde kerk in het dorpscentrum bezit Castricum een fraai monument. Deze kerk werd in de 11e-of 12e-eeuw als R.K. Sint Pancratiuskerk gebouwd.
Hij werd meerdere malen vergroot, werd in de 16e-eeuw met de beeldenstorm de katholieke eredienst ontnomen en kwam daarmee in protestantse handen. Voor de Gereformeerde Gemeente werd na de oorlog een nieuw gebouw gerealiseerd op de hoek van de huidige Kleibroek en Beatrixstraat met de naam Maranathakerk.

Bij de Pancratiuskerk waren twee Katholieke Lagere scholen, een jongens- en een meisjesschool, beiden onder de naam Sint Augustinusschool. De meisjesschool werd geleid door de “Zusters van het arme kind Jezus”. De jongensschool door meester Van Westen en zijn onderwijzers. Het gebouw waarin deze scholen waren ondergebracht is inmiddels gesloopt.
Hier staat thans een appartementengebouw. Achter het Zusterhuis stond en staat nog een Kleuterschool, destijds eveneens geleid door genoemde zusters. De zusters hielden in de kleuterschool op woensdagmiddag ook nog een naaischool. De openbare lagere school met onderwijzerswoning was gevestigd aan de Bakkummerstraat op de hoek van de Vinkenbaan. De “School met den Bijbel” stond aan de Van Oldenbarneveldweg, eveneens in Bakkum. In deze laatste oude school is thans het atelier “Perspectief” ondergebracht.

Aan het begin van de Dorpsstraat, vlak bij de spoorwegovergang naar de Beverwijkerstraatweg aan de vijver gelegen, had je café “Funadama” van de familie Twisk. Tijdens de kermis werd aansluitend aan het café over het water van de vijver een danstent gebouwd. Op de muziek van het hierin geplaatste grote draaiorgel kon dan gedanst worden. Later is het café verbouwd en uitgebreid tot een echt hotel-caférestaurant. Thans is hier het Chinees restaurant “Jasmin Garden” gevestigd.

Even verderop in de dorpsstraat bevond zich op nummer 30 Café “De Landbouw”. Het café is er nog maar heeft thans een andere naam. Aan de gevel bevond zich destijds een uithangbord met Friese vlag en de volgende tekst: “Fier Fan Hüs, (spreek uit hoes) Mar Hjir Us Thùs” (spreek uit Thuus). Omdat mij deze spreuk altijd is bijgebleven, heb ik een echte Fries gevraagd om de betekenis daarvan, en die is als volgt: “Ver van huis maar hier bij ons thuis” Eigenlijk vrij begrijpelijk.

Op Dorpsstraat nummer 40 bevond zich de groenteveiling “Ons Belang”. Hier is thans gevestigd het Italiaans Restaurant La Trattoria. De veiling was een zogenaamde doorrijveiling met veilingklok, waarvan de ingang zich bevond aan de Burgemeester Mooijstraat en de uitgang aan de Dorpsstraat. De groenten werden in hoofdzaak aangevoerd met handkarren. In de aardbeientijd stonden er lange rijen in de Dorpsstraat en de Burgemeester Mooijstraat.
Na de oorlog werd de veiling verplaatst naar de Duinenboschweg. Thans is hier het bedrijf van Dijkman Kaas in ondergebracht.

Het in de bocht van de Dorpsstraat en op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat fraai gelegen café, droeg de naam “Hotel Broksma”. De naam hotel was wel wat overdreven.

Het dorp bezat ook twee zogenaamde “doorrijstallen”. Van oudsher waren dit bij herbergen gelegen wisselplaatsen voor de paarden van postkoetsen en diligences.
Eén bevond zich bij hotel-café “De Rustende Jager” aan de Dorpsstraat op nummer 62. Bij laatstgenoemd etablissement bevond zich ook een toneel/danszaal, waar ik in mijn jonge jaren menig dansje heb gemaakt. Zowel de doorrijstal als de Rustende Jager zijn inmiddels verdwenen. Hier staat thans o.a. de RABO-bank.

Waar nu op de nummers 64 tot en met 68 enkele winkelpanden staan was het R.K. Jeugdhuis, waarin o.a. de Sint Jozefgezellen en de R.K. Bibliotheek waren ondergebracht. Het pand was eigenlijk een royaal herenhuis waarin vroeger de familie Goes gewoond zou hebben. Kort voor de oorlog is er een nieuw Jeugdhuis aan de Overtoom gebouwd en het oude fraaie pand helaas gesloopt.

Het Corso-theater werd kort voor de oorlog gebouwd. door aannemer Johan Res en geëxploiteerd door de familie Bettink. Mevrouw Bettink zag er uit als een Spaanse schone.

Bijzonder was ook “Hermana State”, een groot statig houten huis met grote voortuin op nummer 76 in de Dorpsstraat. Destijds woonde er de familie Heidemann, die een bedden, vloerbedekking en gordijnenzaak had aan de overkant van de straat, genaamd “De Zon”, waar nu Huitenga zit. Nog later woonde er notaris Van Cranenburgh. Het huis is helaas gesloopt en het terrein thans bebouwd met de ABN-AMRO-bank.

Ter plaatse van nummer 94 stond een fraaie oude stolpboerderij van de familie Schut, iets terug van de straat en als bijzonderheid met een ronde gemetselde schoorsteen op het dak. Helaas óók gesloopt. De toegang tot de Wilhelminalaan vanuit de Dorpsstraat is pas na de oorlog gerealiseerd. Hier lagen nog groentetuinen met ver naar achteren het huis van Frans Schut. Dit huis is later in zijn geheel verplaatst (verrold) naar de Beatrixstraat en staat daar nog steeds.

Op het einde van de even kant van de Dorpsstraat bevindt zich de zogenaamde “Rooie Buurt”. Waar deze benaming op slaat weet ik niet. Het is een rijtje vrijstaande huisjes van ongeveer hetzelfde type. Op nummer 114 had kleine Bertus Stuifbergen zijn barbierswinkel. Deze had een spreuk aan de wand hangen met het opschrift: “Wie wil borgen, komt morgen!”. Grote Bertus Stuifbergen was eveneens barbier en had zijn zaak aan de overkant van de Dorpsstraat op nummer 93. Zijn dochter Guurtje heeft na zijn overlijden jarenlang in hetzelfde pand een sigaren- en snoepwinkel gehouden.

Teruggaande naar de oneven kant van de Dorpsstraat beginnen we met nummer 1, een fraai royaal dubbel woonhuis. Een echt notarishuis. Hier woonde destijds notaris Stuyt, later opgevolgd door notaris Van Cranenburgh.

Het pleintje naast de Verlegde Overtoom is pas na de oorlog gerealiseerd, hier bevond zich het kermisterrein met geheel achter aan een muziektent. Hier werden jaarlijks de kermisattracties opgesteld en drie dagen kermis gevierd. Het terrein is geheel met woningen bebouwd evenals het oorspronkelijk daarachter gelegen voetbalveld van Vitesse. Ter plaatse van het pleintje vóór de Hervormde Kerk, stond de brandweergarage, een zeer primitief bouwsel.

Nummer 61, “Het Huis met de Kogel”, is een herinnering aan de slag bij Castricum in 1799 tussen de bij Camperduin gelande Engelsen en Russen en de Fransen en de Bataafse Republiek. Hier was de galanteriewinkel van Brandjes, thans Woninginrichting Piet Post. We komen nu op nummer 75 bij het café “De Vriendschap” destijds van de familie Beentjes, later Roozendaal. Het was een café met toneel/danszaal waar ik menig dansje maakte. Naast het café bevindt zich nog de al eerdergenoemde tweede doorrijstal. Deze is uiterlijk nog als zodanig herkenbaar, waarin thans een Argentijns Restaurant gevestigd is. Op nummer 81 stond een inmiddels gesloopte oude stolpboerderij van de familie Bos.

Ter plaatse van de nummers 107 bevond zich het winkeltje van Bartje van der Schaaf. Een zeer karakteristiek manufacturenwinkeltje. Hier zijn we dan aangekomen bij de reeds hiervoor genoemde Pancratiuskerk, met pastorie, zusterhuis, scholen en kerkhof. Destijds begon hier de Alkmaarderstraatweg. De pastorie is inmiddels parochiehuis geworden, het zusterhuis verpleeghuis “De Hooghe Aard” en de scholen zijn gesloopt.

Op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat en de Geelvinckstraat was het postkantoor. Aanvankelijk een zeer eenvoudig kantoortje. Later is hier een nieuw pand gebouwd met bovenwoning voor de kantoorhouder. Dit is jarenlang de heer Gerard Klaassen en echtgenote geweest. Thans bevindt zich hier een modezaak.

Eveneens in de Burgemeester Mooijstraat bevond zich het Kruis-gebouwtje, waar men indien nodig, allerlei hulpmiddelen bij ziekte kon verkrijgen, zij het als men lid van een kruisvereniging was. Thans bevindt zich daar het kantoor van makelaar Kloes. Bekende wijkzusters van het Wit Gele Kruis waren in die tijd zuster Boelrijk en zuster Van Beers en van Het Witte Kruis zuster Steilberg.

Buiten de twee reeds genoemde cafés aan de Dorpsstraat, kende Castricum nóg drie cafés en wel aan de Stationsweg, aan de Mient en aan de Kramersweg. Bovendien waren er in Bakkum ook nog een drietal, te weten Borst, Groot en Castricum. Derhalve elf cafés in het destijds door 6000 mensen bewoonde dorp. Er kon dus wel gedronken worden! Nu, met de kermis gebeurde dat dan ook wel. Op de hoek van de Stationsweg en de Burgemeester Mooijstraat bevond zich het café van de familie Kehl. Het café had een toneelzaal en werd wel de “Kellybar” genoemd. Later werd het café Ammeraal.

Thans is hier Chinees restaurant “Wong’s Palace” gevestigd. Op Mient nummer 1 was Hotel-Café-Restaurant “Kornman” gevestigd. Hier is thans restaurant “De Heerlijckheid”. Het aan de Kramersweg gelegen etablissement van de familie Lute was meer een kroegje. Het is in de oorlog gesloopt.

Nieuw voor ons in Castricum was de aanwezigheid van een station van de Nederlandse Spoorwegen. De spoorlijn was aangelegd in de jaren rond 1865 en in gebruik genomen op 1 mei 1867. Voor de aanleg was een groot gedeelte van de aldaar aanwezige duinen afgegraven waaraan de benaming “De Zanderij” nog herinnert. Ook doorsneed de spoorlijn het dorp en ontstonden er min of meer afgesloten delen, namelijk de zogenaamde Duinderbuurt en Bakkum. De rechtstreekse toegang tot de duinen ging verloren. Wel waren er meerdere spoorovergangen aangelegd, waarvan de voornaamste zijn die bij de Beverwijkerstraatweg, de Kramersweg en de Vinkenbaan. Achter het station was een los- en laadplaats voor goederentreinen die inmiddels verdwenen is ten behoeve van parkeergelegenheid voor auto’s. Castricum had in 1934 al redelijk goede treinverbindingen met Alkmaar, Amsterdam en Haarlem door middel van elektrische treinen.

De Mient was oorspronkelijk aan beide zijden bebouwd. Tijdens de oorlog zijn alle huizen aan de westzijde op last van de bezetter gesloopt. Ook de fraaie woning van onze dokter Leenaers. Ook de Vinkenbaan, lopende vanaf de spoorwegovergang bij de Ruiterweg naar de Bakkummerstraat, was oorspronkelijk aan beide zijden bebouwd. Tijdens de tweede wereldoorlog werden alle huizen aan beide zijden door de Duitsers gesloopt. Na de oorlog is alleen de noordwestzijde weer bebouwd. Vóór de spoorwegovergang, dus aan het einde van de Ruiterweg waar nu de Helmkade is, stond de bakkerij “De Hoop” van Hemmer. Over de overweg stond het spoorhuis voor de bediening met de hand van de spoorbomen. Van de aan de zuidoostzijde gesloopte panden kan ik mij nog goed herinneren de slagerij van Huibers, de timmerfabriek van Janus Hopman en de groentezaak van Willem Nanne.

De Overtoom, een wat vreemde naam voor een dorp waar zo weinig water is, begon vroeger recht tegenover de Burgemeester Mooijstraat, liep langs de aldaar nog staande panden en kwam uit tegenover het R.K. Jeugdhuis, thans “De Kern” geheten. De Verlegde Overtoom en de bebouwing aan de Dorpsstraat-zijde was er nog niet. Rechts van die oude Overtoom was geen bebouwing, maar lag het eerdergenoemde kermisterrein. Het geheel vormde een soort dorpscentrum dat helaas verloren is gegaan. Aan het thans nog resterende stukje Overtoom bij de Breedeweg stond ter hoogte van de huidige “Schakel” nog een groot huis van de dominee van de Hervormde Kerk. Het oorspronkelijke bejaardenhuis staat er nog wel, doch dient thans meer voor het onderbrengen van alleenstaande jongelui. Ook is hier nog de fraai gerestaureerde boerderij te zien, waarin ooit de kolenhandel van Steeman gevestigd was.

Tot het buitengebied behoorde zeer zeker de Kooiweg, een zeer landelijk weggetje, dat zich slingerde tussen boerderijen met weilanden en tuinderijen. Het liep vanaf de Alkmaarderstraatweg naar de Brakersweg, ongeveer waar thans de Oranjelaan ligt. Een klein stukje van de Kooiweg is nabij de Brakersweg nog aanwezig. Verderop lagen dan nog de Eerste en Tweede Groenelaan, eveneens zeer landelijke weggetjes, met tuinderijen en de daarbij behorende tuinderswoningen. Alhoewel de Eerste Groenelaan in naam nog bestaat, komt zij in het geheel niet meer overeen met de oorspronkelijke toestand. De Tweede Groenelaan was oorspronkelijk een voetpad en liep vanaf de vroegere Kooiweg naar de Bakkumerstraat. Een restant hiervan draagt nog de naam Tweede Groenelaan.

Castricum kende in die tijd enkele voetpaden. Zo was er in 1934 een voetpad dat vanaf de Ruiterweg, in het verlengde van de Torenstraat langs de aldaar gelegen kwekerij “Sumatra” van Klaas Bos, dwars door de tuinderijen naar de Eerste Groenelaan liep. Dit was het zogenaamde “zwarte padje”. Je moest daarbij middels een smalle plank de Watering oversteken. Waar het Zwarte padje was, ligt nu de brede Kleibroek. Een ander voetpad liep vanaf de Alkmaarderstraatweg, direct rechts naast de boerderij van Kuijs, eveneens naar de Eerste Groenelaan. Ook hier moest de Wetering middels een smalle plank worden overgestoken. Dit pad werd vooral zondags gebruikt door bewoners van de Eerste Groenelaan die naar de kerk gingen.

Ook vanaf het einde van de Hoogevoort, ter plaatse van de boerderij van Frits Res (waarin thans een lampenkappenzaak is gevestigd) liep een voetpad en wel naar de Torenstraat.

Een nog vrijwel in zijn oorspronkelijke staat verkerende weg is de Breedeweg. Een landelijk weggetje met verschillende fraaie boerderijen, aansluitend op het Uitgeesterpadje.

Toen wij in Castricum kwamen wonen had Castricum nog gaslantarens, waarvan er een vlak voor ons huis stond, en het had een eigen gasfabriek. Deze was gebouwd in 1914 en is in 1975 gesloopt. Hij stond direct naast de spoorlijn aan de Gasstraat/Oud-Haarlemmerweg. Het was een steenkolen gasfabriek die na de komst van het aardgas geen reden tot bestaan meer had. Een andere vorm van industrie was de melkfabriek “De Holland”. Deze stond aan het begin van de Breedeweg. Het was een zogenaamde Stoomzuivelfabriek. In 1963 werd hij opgeheven en nadat er eerst drukkerij Boesenkool was gevestigd, zijn er later woonappartementen in ondergebracht.

Iets bijzonders was de aanwezigheid van “Duin en Bosch”, het Provinciaal Ziekenhuis voor geesteszieken. Met meerdere paviljoens gelegen op een groot en fraai terrein in de duinen en bereikbaar via de Duinenboschweg. Oorspronkelijk heette het “Provinciaal Krankzinnigengesticht” en was het terrein niet vrij toegankelijk. Aan het eind van de Duinenboschweg was een slagboom met portiersloge. De afgelegen ligging en het idee dat er wellicht gevaarlijke gekken rondliepen maakte dat je er liever niet dicht in de buurt kwam. Er waren verhalen dat de patiënten als trekdieren voor karren gespannen werden en dat men hun water liet halen in manden. Gelukkig kijken we daar nu wat anders tegenaan en is het ziekenhuisterrein vrij toegankelijk, waarbij je ontdekt hoe fraai het terrein is. Ten behoeve van bezoekers van patiënten reed er langs de Duinenboschweg een trammetje vanaf het station Castricum. Dit was aanvankelijk een paardentram doch in 1934 was dat inmiddels geëlektrificeerd. Het was maar een primitief één rijtuig-trammetje en toen daar in 1938 mankementen aankwamen werd de verbinding overgenomen door taxibedrijf “De Zeemeeuw”. De trambaan heeft nog wel vrij lang dienstgedaan voor goederenvervoer. Van het aan de Duinenboschweg staande badhuis kon door de inwoners van het dorp tegen betaling gebruik worden gemaakt. Immers, niemand had in die tijd nog een douche, laat staan een bad. Castricum kende naast een jeugdherberg, twee kinderhuizen aan de Heerenweg in Bakkum. De jeugdherberg “Koningsbosch” en het kinderhuis “Sint-Antonius” zijn nog aanwezig.

Toen wij in Castricum kwamen wonen, werden Tbc-patiënten aldaar nog veelal thuis verpleegd. Een bekend verschijnsel daarbij was dat op het erf, van een meestal boerenwoning, een houten huisje was geplaatst met aan de voorzijde openslaande deuren voorzien van veel glas. De patiënten werden in volstrekte bedrust zoveel mogelijk blootgesteld aan de (toen nog) frisse buitenlucht. Het min of meer liggen in de openlucht van de patiënt was voor ons een onbekende remedie.

Iets wat wij niet kenden was het zogenaamde “diepspitten”. Iets wat in Castricum en Omgeving destijds nog veel werd gedaan. Het diepspitten hield in dat men bij het omspitten van een akker zo’n 3 á 4 steken diepging. De bedoeling daarvan was, dat men de lager gelegen en nog maagdelijke grond omhoog en de mager geworden bovengrond onderin bracht. Dit moest getrapt gebeuren, waarbij de spitter staande in de diepste voor, nauwelijks meer zichtbaar was.

Vreemd was ook dat de boeren bij het hooien een zogenaamde “ponder” gebruikten bij het bijeenhalen van het hooi. Dit was een lange paal of balk die allereerst werd gebruikt bij het op hopen verzamelen van het droge hooi. Daarbij werd de ponder met touwen op enige lengte achter het paard gespannen, de boer ging met het leidsel in de hand op de ponder staan en na een “vort” van hem ging het paard met vrij grote snelheid lopen en werd het reeds op rijen liggende hooi bijeengehaald. Na het hoog op de wagen laden van het hooi werd de ponder over het hooi gelegd en met touwen strak vastgebonden. Tenslotte werd het paard voor de hooiwagen gespannen en de rit naar de boerderij gemaakt.

Dan waren er ook nog de zogenaamde noodslachtingen van vee. Het vlees werd dan tegen gereduceerde prijs verkocht vanuit de slagerij van slager Castricum aan de Breedeweg. Dit werd door een omroeper langs de straten van het dorp bekend gemaakt met vermelding van dag en uur.

Het bleek ons dat er vele Castricummers dezelfde achternaam hadden. Veel voorkomende namen waren o.a. Admiraal, Beentjes, Brakenhoff, Castricum, Kuijs, De Nijs, Res en Zonneveld.

Verder gebruikten de Castricummers woorden en uitdrukkingen die wij niet kenden zoals: hutten (klompen), dranzen (huilen), glouwen (gluren), gnappies (netjes), passies (daarnet), vlook (ondiep), loof (vermoeid). Verder was een “thuishaalder” een pleegkind, “koetele” gezellig praten en bij elkaar zijn, “beekeme” een vuurtje stoken en “te warskip gaan” logeren.

Er waren ook enkele bijzondere figuren in Castricum, zoals Sijf Portegies. Aanvankelijk had hij samen met zijn broers Piet en Cor een schildersbedrijf. Piet maakte zich op een gegeven moment los van het familiebedrijf en begon in een deel van de grote schilderloods in de Burgemeester Mooijstraat een drogisterij. Hij legde daarmee de grondslag voor het huidige bedrijf aldaar met vele filialen. Ik heb de oude situatie van de winkel nog goed gekend.

Sijf ging zelfstandig verder op Dorpsstraat 20. Behalve dat hij huisschilder was, had Sijf ook artistieke kwaliteiten en tekende en schilderde hij diverse plekjes in Castricum en omgeving. Hij fietste dan met een schilderkist, een ezel en een krukje naar de in zijn ogen aantrekkelijke plekjes. Zo zullen er nog vele tekeningen of schilderstukjes in menige woning in Castricum aan de wand hangen. Hij kreeg een zekere faam en had met zijn sikje ook een artistiek uiterlijk. Dan was er smid Cor Peperkamp, die zijn bedrijf had waar zich thans de “Doe het Zelfzaak van Doeland” bevindt. Cor was nog een echte dorpsfiguur. Het was een ruimdenkende, welsprekende en humoristische man, sterk als een beer en omdat hij vlak bij het oude raadhuis woonde fungeerde hij nogal eens als getuige bij een geboorteaangifte. Ik heb de oude smidse nog goed gekend en menig paard er zien beslaan. Later werd de oude smederij verbouwd en ging Cor ook kachels en haarden verkopen. Mijn eerste kachel heb ik ook bij hem gekocht. Dat was in de winter en Cor al wat ouder, stond de kachel op zijn sokken bibberend op de koude betonvloer aan te prijzen.

Kapitein Rommel was ook een bijzondere figuur. Hij voer aanvankelijk op de grote vaart, later als kapitein-luitenant ter zee bij de Koninklijke Marine. Tijdens de tweede wereldoorlog voer hij op verschillende troepentransportschepen. Na omzwervingen over de wereldzeeën, trok hij na de scheiding van zijn vrouw en afzwaaien van de Marine in bij zijn moeder, die een fraaie villa bewoonde aan de Burgemeester Mooijstraat genaamd “Sonnevanck”. In de voortuin stond een fraai prieel, dat thans nog te zien is in de tuin van Bejaardencentrum De Boogaert. De villa is helaas gesloopt en op deze plaats staan thans enkele winkelpanden. Achter de villa lag en ligt nog een grote fraaie tuin, “de tuin van kapitein Rommel”. Toen hij een nieuwe levensgezellin vond bouwde hij achter Sonnevanck een kleine bungalow en noemde die “Achter Bornholm”, naar het eiland in de Oostzee waar schepen beschutting zoeken bij zwaar weer. Hij hield er van gezelligheid en vriendschap te zoeken in de plaatselijke cafés. Persoonlijk heb ik hem daar ook wel eens meegemaakt, waarbij hij met luide stem van al zijn reizen vertelde. Overigens zat hij bij zijn nieuwe partner kennelijk wel onder de plak. Toen ik hem daar meemaakte staakte hij plotseling zijn verhaal, stond abrupt op en verliet de gelagzaal hals over kop via de achterdeur van het café.

Waarom werd al snel duidelijk want direct daarna kwam zijn vrouw het café binnen en vroeg op hoge toon: “Waar is de kapitein? Waar is de kapitein?” Hij had haar kennelijk door één van de caféramen zien aankomen en wilde duidelijk niet ter plaatse gesnapt worden. Dan was er nog Jonkheer Gevers. Het fraaie en brede duinterrein bij Castricum was oorspronkelijk eigendom van de adellijke familie Gevers. Voor zover mij bekend is het rond 1930 aangekocht door de Provincie Noord-Holland, waarschijnlijk in verband met de drinkwatervoorziening. In hoeverre de familie Gevers de opbrengst van de verkoop erdoor heeft gejaagd weet ik niet. Een feit is in elk geval dat een nazaat van de familie, te weten Jonkheer Gevers in verhouding tot het oorspronkelijke bezit slechts zeer sober woonde en leefde. De duinen ingaande via de Kramersweg, woonde hij in niet veel meer dan een schuur, staande op een met hekken afgesloten terreingedeelte en wel recht tegenover de thans nog bestaande boswachterswoning “Kijk Uit”. Weliswaar was zijn terrein niet zó klein en met fraaie bomen van allerlei soort beplant, doch het geheel maakte toch een wat armoedige indruk. De Jonkheer was veelal schamel gekleed en reed op een oude fiets door het dorp. Ik had ook de indruk dat hij vrijgezel was.

Een type was ook Gurbe Veenstra. Aanvankelijk nog een vrij jonge man, eenvoudig gekleed, op klompen en met de pet wat schuin op het hoofd. Hij stond regelmatig roerloos op een been, net als een ooievaar op het trottoir dat nu ligt vóór Supermarkt De Boer aan de Dorpsstraat. Met zijn armen over elkaar rustig de voorbijgangers en het verkeer in de Dorpsstraat aanziend. Veel later heb ik vernomen dat hij niet goed gezond was en zoals we dat later zijn gaan noemen, arbeidsongeschikt was. Dan was er ook nog de heer Demoité. Een nogal corpulent heerschap dat woonde op de hoek van de Torenstraat en de Pernéstraat. Hij was kennelijk wel in goeden doen want hij bezat een glazen koets met paard. Daarmee ging hij veelal op zondagmiddag met vrouw en kinderen uit rijden. Hij zat dan zelf op de bok, terwijl zijn vrouw rechtop en deftig aangekleed, duidelijk zichtbaar achter het glas zat. Wat hij voor de kost deed weet ik niet, maar soms kwam hij lopend vanaf het station en dan had hij kennelijk een stevige borrel op. Hij tilde bij het lopen zijn benen dan hoog op alsof hij over een drempel moest stappen. Geleidelijk aan veranderde de samenstelling van de bevolking en wel omdat reeds vóór de oorlog zich vele stedelingen, vooral Amsterdammers, die hun werk in de Zaanstreek of Amsterdam hadden zich in Castricum vestigden. Dit waren de eerste forensen. Er werden huizen gebouwd en zo ontstonden o.a. de Geelvinckstraat, Jacob Catsstraat, Brakenburgstraat en Pernéstraat.

Print Friendly, PDF & Email
Abonneer
Laat het weten als er
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties