Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.
Jaarboek 24, pagina 3
De strandvonderij in Castricum

Inleiding
Al in de Middeleeuwen behoorde het strandrecht toe aan de landsheer, vervolgens zijn deze ‘heerlijke rechten’ overgegaan op de ambachtsheren van de heerlijkheden. Dit recht hield in dat de ambachtsheer alles wat op het strand werd geworpen als eigendom mocht behouden.
In de praktijk werden de goederen die op strand werden gevonden, niet aangegeven bij de ambachtsheer, die veelal in Amsterdam woonde en zich niet met de dagelijkse gebeurtenissen in zijn ambachtsheerlijkheid bemoeide. Een aangespoelde scheepslading kon een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen en vormde dan een verbetering van het toch vaak zeer armoedige bestaan van de kustbewoners. De gestrande schepen werden geplunderd.
Enkele kustbewoners gingen in barbaarse tijden zelfs zo ver dat zij schepen door valse lichtsignalen op de kust lieten stuklopen. Zij deden dan pogingen niemand levend aan wal te laten komen om de lading dan volledig als hun eigendom te kunnen beschouwen. Al vanaf de 15e eeuw werden door de toenmalige overheden regels en wetten opgesteld om deze misdadige praktijken te beperken en om aan de rechtmatige eigenaren hun goederen terug te geven.
Dit artikel gaat in op deze voorgeschiedenis, vermeldt een aantal bijzondere gebeurtenissen en strandingen aan de kust en beschrijft de strandvonderij in Castricum, zoals die vanaf 1852 hier werd uitgeoefend.

Honderden schipbreukelingen
Naarmate ons land in de Gouden Eeuw een steeds belangrijker handels- en zeevaartnatie werd met vele overzeese gebiedsdelen, nam de scheepvaart met sprongen toe en daardoor ook het aantal scheepsrampen. Dit betekende een sterke toename van het aantal strandingen op de kust, verbrijzelde schepen en aangespoelde ladingen of drenkelingen. In de zestiende en zeventiende eeuw zijn aan de Noord-Hollandse kust vele honderden schepen vergaan of op volle zee of bij stormen van hun ankers geslagen.
Zo vergingen op kerstavond van 1593 op de rede van Texel 44 schepen, waarbij 1.050 mensen zijn verdronken. Eveneens zijn in 1638 nabij Texel 35 schepen vergaan. Op 16 december 1662 bleven op de rede van Den Helder van de 155 schepen er slechts 35 op hun anker liggen. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de vele scheepsstrandingen die in vroeger eeuwen hebben plaatsgevonden.

Dat bij scheepsrampen talrijke mensen het leven verloren, aanvaardde men vroeger als iets wat niet was te vermijden. Reddingsmiddelen waren er niet langs de kust. In de 19e eeuw kreeg de kustbevolking de beschikking over reddingboten, waarvan de vrijwillige bemanningen vaak met gevaar voor eigen leven hulp boden aan in nood verkerende schepen en mensen op zee. Dorus Rijkers uit Den Helder was één van die vele vrijwilligers. Aan zijn buitengewoon heldhaftig optreden gedurende een periode van bijna veertig jaar hebben meer dan vijfhonderd mensen hun leven te danken en (daardoor) is zijn naam een legende geworden.
Jaarboek 24, pagina 4
Strandroof in vroeger eeuwen
De aangespoelde ladingen konden een belangrijke waarde vertegenwoordigen, waarvan de kustbewoners een graantje probeerden mee te pikken. Tijdens een aanlandige storm hoopte menig kustbewoner op de vondst van een gestrand schip of op de lading van een schip dat was vergaan. Met een beetje geluk kon je dan aan soms waardevolle goederen komen, die het in die tijd toch al armoedige bestaan van de kustbewoners wat kon verbeteren.

Het is lang geleden voorgekomen dat arme kustbewoners door misleidende of valse seingeving van vuurbakens of andere lichten opzettelijk schepen op de kust hebben laten stuklopen. Zelfs pogingen van schipbreukelingen om het vege lijf te redden, probeerden ze te verijdelen, omdat een schip waarvan niemand levend aan wal kwam, als ‘goed zonder eigenaar’ werd beschouwd. Er werd vroeger na een schipbreuk geplunderd, geroofd en soms gemoord.
Reeds in de Middeleeuwen zijn er aanwijzingen dat het veel voorkomende plunderen van schepen als een onrechtmatige handeling werd beschouwd. Vanaf de twaalfde eeuw worden er onder anderen door Engelse koningen straffen ingevoerd op het plunderen van schepen. In die tijd was een op het strand geworpen schip een welkome buit voor de heer van de kuststrook. Omstreeks 1440 werd door Filips de Goede, hertog van Bourgondië, bepaald dat de van schipbreuk afkomstige goederen tegen betaling van bergloon aan de rechtmatige eigenaars moesten worden teruggegeven. De heren van de kuststrook waren dan aan de rentmeester financiële verantwoording schuldig over het door hen gevoerde beheer van de wrakgoederen. Dit beheer liet vaak te wensen over. Zo werd bijvoorbeeld in 1442 Heer Jan van Egmond uitgenodigd naar ‘s-Gravenhage te komen om rekenschap af te leggen van het onrechtmatig in bezit houden van strandgoederen.
Ook keizer Karel V was fel gekant tegen het gesignaleerde misbruik dat schipbreukelingen met schip, lijf en goed vervielen aan de strandheren. Hij regelde in 1529 de strandvonderij voor onze kust: in een plakkaat stelt hij dat degenen die goederen of zeedriften verdonkeremanen ’tot selfs eijgen baet ende prouffijt’, als dieven moeten worden aangemerkt. Hij voegt er evenwel aan toe, dat veel van dergelijke mensen worden gevonden onder de strandbewoners en hij gelastte de rentmeesters langs de kust te reizen ter voorkoming van strandroof. In de praktijk kwam hiervan weinig tot niets terecht. De rentmeesters konden dit voor de gehele kust niet controleren en de kustbewoners vonden het plunderen van gestrande schepen en het buit maken van aangespoelde goederen de natuurlijkste zaak van de wereld.
Vrouwe Elisabeth Dorothea strandt in 1767 te Petten
Twee eeuwen later is er nog niet veel veranderd. Herhaaldelijk ontving IJsbrand ’t Hoen als procureur- generaal in criminele zaken over Holland, Zeeland en West-Friesland klachten over schandelijke roofpartijen op gestrande schepen, het verdonkeremanen van strandgoederen en plundering van aangespoelde lijken.
Wel hadden de rentmeesters inmiddels in elk zeedistrict drie strandvonders onder zich die strandroof moesten beletten, maar vele waren oud of gebrekkig of woonden te ver van het strand. In de praktijk hadden de kustbewoners vrij spel. In december 1767 gelast ’t Hoen de heren Mr. Pieter van Nolst en Hendrik Collot d’Escury om in Petten een onderzoek in te stellen naar de ‘schandelijke rooverijen, excessen en onbehoorlijkheden’ door een tomeloze, op roofbeluste menigte gepleegd na de stranding van het Oost-Indisch Compagnieschip ‘Vrouwe Elisabeth Dorothea’. Vervolgens werden er 23 mensen gearresteerd, voornamelijk uit Petten, Egmond aan Zee en Wijk aan Zee. Maar niet minder dan 250 dorpelingen uit Petten en naburige dorpen onttrokken zich aan de justitie door de vlucht te nemen.
Tijdens dit onderzoek werd ook Leonard Tempelaar, schout van Castricum en baljuw van Bakkum, gehoord; bij de arrestanten zaten geen bewoners van ons dorp. Jacob van Foreest, Heer van Petten en Nolmerban, riep tien maanden later met succes de clementie in van het Hof van Holland. Er heerste namelijk bittere armoede in Petten ten gevolge van het feit dat het merendeel der kostwinners was ondergedoken. Zijns inziens was de publieke strafoefening op 25 maart 1768 al voorbeeld genoeg geweest.
Nieuwe ernstige gevallen van strandroof deden de Staten van Holland en West-Friesland besluiten om een Commissie onder leiding van IJsbrand ’t Hoen in te stellen met de opdracht een efficiënte regeling ter beteugeling van de excessen te maken. In het rapport van 13 oktober 1768 zegt deze Commissie onder andere: “dat de stranden dezer provincie een zeer slechte reputatie hebben, zo erg zelfs dat zeelieden, ingezetenen der provincie, liever op de kust van een naburig Koninkrijk, waar de kuststrook onder toezicht staat, zouden stranden dan hier.” En verder dat: “rooverijen, excessen en onbehoorlijkheden aan gestrande goederen gepleegt werdende, thans ten top zijn geresen, en bij ons slimmer zijn dan bij veele woeste volkeren, dat van alles, wat eenigsints tot redding van menschen en goederen konde strekken, genoegsaam niet op eenig zeedorp gevonden wierd.”
Naar aanleiding van de bevindingen van de Commissie volgde in 1769 een nieuwe regeling van de strandvonderij. Zo werden generale strandvonders aangesteld te Oostvoorne, Scheveningen, Zandvoort, Egmond aan Zee, Texel en Vlieland. Deze generale strandvonders beschikten over helpers, de zogenaamde ‘gequalificeerden’, waarvan er twee op ieder dorp moesten zijn, die dagelijks (bij stormweer ook ’s nachts), de één noordwaarts, de ander zuidwaarts, het strand moesten inspecteren.
Organisatie van de strandvonderij in de eerste helft van de 19e eeuw
Voor 1852 heeft Castricum in organisatorische zin geen bemoeienis gehad met de strandvonderij. Het is lastig te achterhalen hoe de strandvonderij na de Franse tijd vanaf 1814 in het Koninkrijk der Nederlanden was georganiseerd.

Jaarboek 24, pagina 5
Uit het provinciaal archief blijkt dat de Noord-Hollandse kusten langs de Noordzee, Waddenzee en Zuiderzee in meerdere ressorten of wel gebieden was verdeeld. Dit waren officieel tien ressorten en wel met name Haarlem, de Noorderstranden, Den Helder, Texel, Vlieland, Terschelling, Urk en de heerlijkheden Petten, Callantsoog en Bergen. Toentertijd hoorden de eilanden Vlieland, Terschelling en Urk nog bij de provincie Noord-Holland. De genoemde heerlijkheden vormden elk een eigen ressort, omdat aldaar de ambachtsheer nog rechten uitoefende op de strandvonderij.
In een ressort was het beheer van de strandvonderij aan een opperstrandvonder opgedragen. Deze functionaris had veelal een zeer groot kustgebied onder zijn beheer en delegeerde daarom het plaatselijke beheer aan substituut-strandvonders die aangesteld werden door de gouverneur (commissaris van de Koning) op voordracht van de opper-strandvonder.
Bij het in functie treden moest voor de gouverneur de eed worden afgelegd: “Dat zij met den meesten trouw, ijver en nauwgezetheid de belangen der regthebbenden op de in hun ressort aangebragt of aan- gespoelde strandgoederen zullen behartigen.”
De opper- en substituut-strandvonders moesten voor een ieder op het strand goed herkenbaar zijn. Zij moesten tijdens dienst een koperen plaatje dragen met het woord’ Strandvonderij’ daarop gegraveerd en moesten om de linkerarm een brede rode band of lint dragen. Aan weerszijden van het koperen plaatje moeten de letters O en S of S en S zo groot en duidelijk mogelijk met wit geplaatst zijn. In hun instructie staat onder andere vermeld dat de strandvonder verplicht is om vooral bij en na een storm de stranden in hun gebied gade te slaan en er voor te zorgen dat alles behoorlijk wordt geborgen en beheerd.
Castricum had aan de zuidzijde te maken met het ressort Haarlem met substituut-strandvonders in Zandvoort, Wijk aan Zee en Muiden. Ten noorden van onze gemeente was het ressort ‘de Noorderstranden, met als opper-strandvonder Zacheus van Foreest, woonachtig in Alkmaar (hij werd na zijn overlijden in 1824 opgevolgd door zijn zoon W.D. van Foreest); hij had substituut-strandvonders in Egmond aan Zee, Schoorl, Wieringen en Enkhuizen. Alles wat er in onze gemeente van waarde aanspoelde, viel onder de verantwoordelijkheid van de substituut-strandvonders van Wijk aan Zee of van Egmond aan Zee. Waar precies de grens lag tussen de ressorten van Haarlem en de Noorderstranden, heb ik nergens kunnen achterhalen.
Stranding van Zijne Majesteitsschip ‘De Wassenaar’ in 1827
In een verklaring die op 4 april 1827 voor burgemeester Jan Karshoffvan Wijk aan Zee en Duin wordt afgelegd, verklaarden de strandlopers Wouter v.d. Meij, Coendert van Duijn, Gerrit van Eeken en Engel Staten het volgende:
“In de nacht tussen 18 en 19 januari laatstleden bevonden zij zich als de wakers van de strandvonderij, voorzien van hunne sabel en armbanden tussen Wijk aan Zee en Egmond aan Zee in de nabijheid van de Castricummerweg. Zo nabij middernagt kwamen zij een groep personen tegen allen gewapend met stokken, sabels en tenminste één met een snaphaan (red: vuursteengeweer). Coendert van Duijn gebood hun van het strand te gaan hetwelk zij echter volstandig weigerden met te zeggen dat het strand vrij was. Daarop konden de strandwachters zich niet verder verweren of hun gezag doen gelden en keerden zij terug. Zij konden niemand onderscheiden, daar er die nacht een harde sneeuwjacht was en de kleren daardoor bedekte.”
De reden dat deze ontmoeting plaatsvond, was de stranding van een schip in de nacht van 16 op 17 januari. Er was nogal wat aangespoeld, zodat de autoriteiten waarschijnlijk jutters verwachtten.
Over de stranding en de gebeurtenissen van die nacht en de daaropvolgende dagen lezen we in de Alkmaarsche Courant van 22 januari 1827. Hierin staat een vervolgartikel over de stranding van Zijne Majesteitsschip De Wassenaar, waarin melding wordt gemaakt van de moeite en de zorgen, die de burgemeester en de burgers van de stad Alkmaar (zich) hebben gegeven om de geredde schepelingen, officieren, soldaten, matrozen enz. zonder onderscheid op te nemen en te verzorgen:
“De ijverige bereidwilligheid waarmede alle ingezetenen zijn toegeschoten om hem in zijne pogingen behulpzaam te zijn en bij te staan”. De burgemeester heeft er voor gezorgd dat de schipbreukelingen droge kledingstukken werden verstrekt, welke op zijn invitatie door de heren regenten van het correctioneel-gevangenishuis waren verstrekt met bijvoeging van 40 militaire capotten (hoofddeksels), welke door de commandant van het garnizoen waren afgestaan. Dit alles werd onder begeleiding van 2 officieren naar Egmond verzonden, met een invitatie van de secretaris van de heer Gouveneur om de geredden, om het even hoeveel, naar Alkmaar te expediëren, “alwaar men alles voor hunne receptie gereed zouden houden”. Met de expeditie reisden ook 4 chirurgijns naar Egmond, voorzien van alle nodige middelen en gereedschappen, die zowel voor het redden van drenkelingen als voor het verbinden van gewonden nodig waren. In diezelfde nacht waren in de grote zalen van het Burger Weeshuis “Kagchels en Fournituren geplaatst geworden, zodanig dat reeds in de zeer vroege morgen van de 17e de lokalen waren verwarmd en altijd warme en voedzame spijzen in gereedheid waren gebracht en gehouden zijn”.
Tegen de avond van de 17e waren in de hiervoor omschreven lokalen ruim 250 geredden bijeen, welke nog niets anders hadden genoten dan een enkele borrel. Zij werden na aankomst van warme spijzen voorzien “op welk zij met een gretigheid aanvielen”, daarna konden zij zich in de door en door verwarmde zalen ter ruste leggen.
Aan de zieken werd een afzonderlijke zaal toegewezen met alle mogelijke medicinale hulp bij de hand. Zwaar geblesseerden, onder andere een matroos wiens been bij het breken van de mast was gebroken en die enige dagen zonder hulp had gelegen, werden in het Burger Gasthuis opgenomen en dadelijk geholpen, zodanig dat ook van deze matroos binnen het uur het been was gezet en er nog alle hoop was op herstel.
Men heeft voor deze manschappen gezorgd tot zaterdagochtend de 20ste, de burgemeester zorgde ervoor dat de geredden ’s morgens brood, kaas en bier kregen en ’s middags voedzame spijzen, plus de nodige versnaperingen van tabak enzovoorts. In de morgen van de 20ste zijn alle manschappen met 17 wagens – en 3 dekens per wagen – vervoerd naar Haarlem; zij waren allen hoogst tevreden over hun onthaal. De matrozen waren reeds eerder met vaartuigen naar Den Helder getransporteerd aan boord van de Zeeland.
Tot zover het krantenartikel.
Jaarboek 24, pagina 6

De burgemeester werd strandvonder
In het jaar 1852 werden bij besluit van koning Willem III nieuwe bepalingen op de Strandvonderij wettelijk van kracht, waarbij de burgemeester verantwoordelijk werd voor het beheer van de strandvonderij en hij de officiële functie van strandvonder kreeg. Dit koninklijk besluit met daarin opgenomen 21 artikelen maakte deel uit van het Wetboek van Koophandel. Daarin werd onder andere gesteld dat de burgemeester: “Wanneer zoodanige schepen en goederen aan wal worden gebragt in tegenwoordigheid van den schipper, bevelhebber eigenaar der lading of geconsigneerde, zich, zoodra mogelijk, als hoofd van het gemeentebestuur kennen en verleent hij, zoo dit wordt begeerd, de noodige hulp en redding.”
… En verder: “Hij houdt het oog, of doet het oog houden op de stranden onder zijne gemeente. Hij zorgt dat hetgeen krachtens het Wetboek van Koophandel onder zijn beheer behoort, daaraan niet worde onttrokken. Hij waakt tegen ontvreemding of verduistering der onder zijn beheer zijnde goederen.”
Gedeputeerde Staten (G.S.) van de provincie spelen een belangrijke rol bij de strandvonderij. Zij machtigen de burgemeester om gestrande goederen te mogen verkopen als de rechtmatige eigenaar onbekend blijft. De burgemeester doet vervolgens ten overstaan van G.S. rekening en verantwoording over het financiële beheer.
Vanaf dat jaar werd op de gemeente een officieel door de provincie verstrekt register bijgehouden, waarvan de titel luidde:
“Register ter inschrijving van gestrande, aangespoelde, gevischte en geborgene goederen aan het strand der gemeente Castricum en Baccum bevattende 22 bladen en 42 bladzijden ter uitvoering van het KB van 23-8-1852 staatsblad no 141 op het beheer der Strandvonderij”.
In de periode van 1852 tot eind 1860 worden er vier scheepsstrandingen en het aanspoelen van een drenkeldode (zoals toen een verdronken iemand werd genoemd) in het register vermeld; registraties van aangespoeld hout of andere goederen zijn er in deze periode niet. Om een beeld te geven van wat er in die tijd zoal op de kust liep, volgt hier een volledige weergave van deze strandingen, zoals die in het register werden vastgelegd:
Stranding op 8 oktober 1852: het Zweeds schoenerschip ‘Frech Christine’, kapitein H.C. Kock, met 62 lasten tarwe van Strahlsund naar Poole. Bemanning gered door Egmonder loodsen, met de reddingsboot van Wijk aan Zee. Het schip verbrijzeld en lading weg. Onder beheer gebleven van de gezagvoerder.
Stranding op 27 augustus 1853: het Nederlands pleitschip ‘de Onderneming’, kapitein J.D. Laansbach, met steenkolen van Sunderland naar Vlissingen. Met dik weer gestrand, geen reddingsboten aanwezig, 4 man aan boord, waarvan 2 omgekomen. Het beheer is door de kapitein overgegeven aan G. de Groot te Egmond.
Stranding op 28 november 1856: het Nederlands Tjalkschip ‘het Toeval’, kapitein D.W. Graathuis, met 35 last haver, 2 last bonen van Hartingen naar Yarmouth. Bemanning van 4 man gered door de Egmonder reddingsboot, het schip verbrijzeld, lading weg. Onder beheer gebleven van de kapitein.
Een drenkeldode aangespoeld op 31 mei 1860: zijnde een manspersoon, oud 25 à 30 jaar, lang 1 el, 6 palm, hebbende lang krullend bruin haar, rosse baard onder de kin door, met blauw gestreept overhemd, wit flanellen hemd en onderbroek, en grijze kousen met witte tonen, alles ongemerkt. Is op het kerkhof van Wijk aan Zee begraven.
Stranding op 17 september 1860: een Nederlands driemast barkschip ‘Wilhelmina Frederica’, kapitein F. Beekhuis, van Suriname naar Amsterdam met suiker, rum en katoen. Bemanning 10 man en 4 passagiers door ingezetenen van Castricum en Wijk aan Zee met levensgevaar gered. Schip en lading onder beheer gebleven van de kapitein.
Een Castricumse strandrover
Van de laatstgenoemde stranding zijn we veel meer aan de weet gekomen, doordat een dorpsgenoot zich had schuldig gemaakt aan zeer ernstige strandroof. Zo schrijft de Heldersche en Nieuwedieper Courant nummer 77 op zondag 23 september 1860 dat op 17 september 1860 een Castricumse schelpenvisser was gearresteerd. Hij zou zich op diezelfde dag schuldig hebben gemaakt aan het zich meester maken van enige gestrande goederen van de bemanning van het barkschip Wilhelmina Frederica en voorts heeft hij de in levensgevaar verkerende bemanning aan hun lot overgelaten. De krant schrijft: “Deze onmensch beantwoordde het noodgeschrei der schepelingen en hunne bede om hulp, met hen te berooven van datgenen, wat ze gemeend hadden met de boot te redden, die, ongelukkig reeds met goederen beladen, omsloeg.

Jaarboek 24, pagina 7
Tevergeefs riepen zij hem, op geringen afstand toe, dat zij ook Hollanders waren; doch hij, die zich niet ontzag zijne medemenschen in zulk een jammerlijken staat te berooven, bekreunde er zich natuurlijk niet om, of zij zijnen landgenooten waren. De boosdoener zou echter niet ongestraft blijven, de ongelukkige schipbreukelingen merkten op, dat hij een kreupel paard had en deze aanduiding bragt hen op het spoor om den roover te ontdekken, dien zij dan ook spoedig en nog in het bezit van eenige der vermiste voorwerpen, gevonden hebben”.
Aan boord waren 10 opvarenden en nog een vrouw met 3 kinderen, die werden gered door inwoners van Wijk aan Zee.
Ook Egmonders hebben zich buitengewoon moedig gedragen. Dit was aanleiding voor de burgemeester van Castricum om zich te wenden tot het departement der ‘Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen’ om een openlijk huldebetoon te brengen ter ere van Cornelis Wijker en Arie Wagenaar. In de krant van 30 december 1860 wordt hiervan melding gemaakt, waarbij nog meer bijzonderheden over de gebeurtenissen tijdens de schipbreuk worden genoemd.
Zo zou de bewuste Castricummer zich niet alleen schuldig hebben gemaakt aan roof van de aangespoelde goederen: “die bovendien zijne schandaad bezoedelde, door het wreedaardig vermoorden van den hond des kapiteins, die, zijn leven zwemmende gered hebbende, het goed zijns meesters bewaakte; men vond het trouwe dier met de kop letterlijk van den romp afgesneden.
Gelukkig evenwel dat zoodanig verstompt menschelijk gevoel slechts bij uitzondering wordt aangetroffen en dat ook onder diezelfde kustbewoners mannen worden gevonden, die moed bij menschlievendheid paren en zelfs met eigen levensgevaar, dat van hunnen medemensch trachten te redden.
Diezelfde schipbreuk gaf ook hiervan het aangenaam bewijs en leverde alzoo een waardigen tegenhanger voor zooveel onedels. De verre afstand tusschen het punt van stranding en de dorpen Wijk aan Zee en Egmond, was oorzaak, dat men voor de schipbreukelingen, die den geheelen nacht op het voorste gedeelte van het reeds geheel uiteen geslagen schip in doodsangst hadden doorgebragt, van de reddingbooten geen spoedige hulp kon ve wachten, zoodat elk oogenblik over het leven van 14 menschen kon beslissen. De op het strand aanwezigen hadden bemerkt dat de schipbreukelingen een stuk hout aan eene tros hadden gebonden; doch door den stroom of door de zwaarte der tros, bleef dat stuk hout steeds op aanmerkelijken afstand van het strand.
De toeschouwers echter zoowel als de schipbreukelingen zelven, zagen te regt, in de bemachtiging daarvan, het eenige middel tot redding; in die overtuiging aarzelde Cornelis Wijker zich niet op zijn afgespannen paard in de hevige branding te begeven en mogt hij, na bij herhaling daarvan te zijn afgeslagen, het geluk smaken door na zijn doel te hebben bereikt eene gemeenschap daar te stellen tusschen het strand en de schipbreukelingen door welke allen, hoewel sommige meer dood dan levend van een anders wissen dood werden gered.”

Drenkeldoden en strandgoederen
In de periode 1861 tot 1905 is er nog maar één scheepsstranding in Castricum opgetekend: het schip ‘de Kinderdijk’ in 1881. Verder worden in het register drenkeldoden en vanaf 1861 ook het aanspoelen van partijen wrakhout, veelal balken, delen van een mast of ra, of touw enzovoorts opgenomen.
Elke melding werd in het register door de burgemeester ondertekend. Het aantal registraties per jaar varieerde heel sterk: van 1 tot 17 keer met een gemiddelde van 5 per jaar. In diezelfde periode van 1861 tot 1905 zijn in totaal 32 drenkeldoden aangespoeld. Het aantreffen van drenkeldoden moet veelal zeer choquerend zijn geweest; in enkele gevallen waren de lijken in een vergevorderde staat van ontbinding en werden dan in de duinen begraven. Zo is bijvoorbeeld een lijk aangespoeld, vermoedelijk een man, staat opgetekend: “zonder hoofd en armen, één der benen geheel ontvleesd en de schaamdelen niet te herkennen, geheel naakt”.

Meestal werden de drenkeldoden op de begraafplaats in het dorp begraven, er werd door de burgemeester een proces verbaal opgemaakt, waarvan we er verschillende in het archief van de gemeente kunnen aantreffen. Hier ter illustratie van burgemeester Boreel:
“Op heden den vier en twintigsten September des jaars achttienhonderd tachtig des namiddags ten vier Ure Compareerde voor ons Burgemeester van Castricum, Klaas van den Berg, substituut strandvonder voor deze gemeente en wonende alhier, te kennen gevende, dat op den vier en twintigsten dezer Maand des middags omstreeks twaalf ure op het strand onder deze gemeente bij mijlpaal nummer 47, is aangespoeld een drenkeldoode, zijnde manspersoon, oud naar gis tusschen dertig en veertig jaren lang een el vijf palm aanhebbende een zwarte zuidwester zonder bodem, een rood en een blaauw wollen hemd, leere visschers ondermouwen en een paar blaauwe koussen, alles zonder teekens of merken, verders niets meer aan, of bij zich hebbende, heeft hij het lijk doen vervoeren naar Castricum en naar behoorlijk te zijn gekist, op de Algemeene begraafplaats aldaar heeft doen begraven. Waarvan door ons Burgemeester voornoemd dit proces verbaal in duplo is opgemaakt op den eed bij de aanvaarding onzer bediening gedaan, het na voorlezing door den comparant benevens door ons is onderteekend”.

Substituut-strandvonder Klaas van den Berg
De substituut-strandvonders, later hulp-strandvonders genoemd, worden door de burgemeester voorgedragen bij de Commissaris van de Koning(in) en als deze akkoord gaat met de voorgedragen persoon, benoemt de commissaris de substituut-strandvonder na het afleggen van de eed op het provinciehuis.
Als eerste officiële substituut-strandvonder wordt op 9 mei 1854 Pieter Bol, wonende te Wijk aan Zee aangesteld. Na zijn ontslag wordt hij op 31 januari 1861 opgevolgd door Gerrit Termes, landman (boer of tuinder) wonende op Zuid Bakkum. Gerrit blijft het niet lang. Hij wordt op 20 januari 1863 opgevolgd door Johannes Bernardus Vasseur, landbouwer, waarvan gemeld wordt dat hij woont op Johanna’s Hof in de duinontginning onder Castricum. Vasseur heeft zijn vrouw Dirkje Willems en vier kinderen begin januari 1869 in de steek gelaten en is vertrokken naar Amerika. Dirkje hertrouwt in 1875 met Pieter Kuijs, die als boerenknecht reeds een aantal jaren op Johanna’s Hof werkte.
Burgemeester Zaalberg draagt in april 1869 Pieter Bol, dan nog steeds wonende in Wijk aan Zee, voor als de nieuwe substituut-strandvonder. De Commissaris van de Koning vindt dit te bezwaarlijk omdat Bol te ver van het uiterste punt van Castricum woont. Hij memoreert nog even dat dit bezwaar bij Bol’s ontslag in 1861 ook door de vorige burgemeester werd gezien.
Op 20 april 1869 wordt Klaas van den Berg, schelpenvisser, 27 jaar en dan wonende op het Schulpstet, als substituut-strandvonder aangesteld. Klaas van den Berg is gedurende een lange reeks van jaren tot in 1914 als zodanig in functie. Hij bracht de aangespoelde strandgoederen, voornamelijk bestaande uit balken, planken, rondhout en dergelijke op zijn erf bij zijn huis aan de westkant van de Bakkummerstraat. Als er na verloop van enige tijd veel strandgoederen waren opgeslagen, werd na verkregen goedkeuring van Gedeputeerde Staten een openbare verkoping op het erf van Klaas van den Berg gehouden.
Jaarboek 24, pagina 8
Er waren twee kijkdagen. De leiding van de openbare verkoping had de burgemeester, die belast was met het beheer van de strandvonderij in de gemeente. De verkoop geschiedde naar keuze van de burgemeester bij opbod, of bij opbod en afslag. De kopers moesten het gekochte hout binnen 24 uur van het erf hebben gehaald en contant betalen, waarbij op de verkoopprijs nog tien procent toeslag kwam ter dekking van de onkosten. Van de verkoping werd een proces verbaal opgemaakt dat in die tijd (rond 1880) mede ondertekend werd door makelaar Adrianus Dekker en gemeenteveldwachter Cornelis Bakker, die beiden als getuigen aanwezig waren.

Klaas van den Berg is bijna 76 jaar als hij in 1917 wordt opgevolgd door Engel Zonneveld. Engel woonde eerst in het duingebied op boerderij Van Lennepsoord, later aan de westzijde van de Heereweg en is bijna 20 jaar strandvonder geweest; Engel overleed op 71-jarige leeftijd op 12 juni 1937.

Enkele maanden later werd op 2 augustus Dirk Schermer benoemd tot de nieuwe hulp-strandvonder. Dirk Schermer woonde aan de Achterlaan in Bakkum.

De geschiedenis van een aangespoelde kist
Op 12 december 1880 spoelt hier een kist aan met een koperen naamplaat Dr. C.F. Eichler van Schwarzenborn. De kist is gevuld met 4 jassen, 7 vesten, 5 broeken, 5 overhemden, 6 borstrokken, 1 stofjas, 9 paar kousen, 5 zakdoeken, 3 sovereigns (ponden sterling), 2 halve sovereigns, één 5-mark stuk, 13 sixpennies, één 50-centime stuk, enig divers kopergeld, een doosje bevattende een koperen vingerhoed, een foto(grafie) en een caméebroche met oorbellen. Het geld heeft een waarde van ongeveer 50 gulden.
Door de burgemeester wordt daarvan onmiddellijk bericht gestuurd naar de Gouverneur (nu Commissaris van de Koningin) en naar de Consuls van Engeland en Duitsland. Bovendien wordt deze vondst in het Handelsblad gemeld. Op 27 januari 1881 ontvangt de burgemeester een schrijven van het Vice-Consulaat van het Deutschen Reiches waarin wordt meegedeeld dat de aangespoelde kist zou toebehoren aan Dr. Carl Ferdinand Eichler, die het slachtoffer was van een schipbreuk van de clipper Hydasper, waarop hij als arts werkzaam was, door een aanvaring met het uit Griekenland komende stoomschip Centaurio. Alle passagiers werden gered.
De afgifte van de kist aan de rechtmatige eigenaar duurt jaren. Begin mei 1887 stuurt de burgemeester een brief naar Gedeputeerde Staten (G.S.), waaruit blijkt dat de afgifte van de goederen van de heer Eichler nog steeds niet is geregeld en dat hij de kist wil opzenden. Enkele dagen later wordt de burgemeester door G.S. gemachtigd tot afgifte van de in 1880 aangespoelde kist.
Vervolgens schrijft de burgemeester aan het Duitse Vice-Consulaat in Den Helder en noemt voor de lange periode tussen het vinden en nu het afgeven als reden het uitblijven van een garantiestelling door de consul: “Voor het geval dat een beter rechthebbende aanspraak op de kist met deszelfs inhoud maakte.”
Het blijkt nu na zes jaar alleen nog te gaan om wat geld en kleine voorwerpen. De kleding in de kist is zodanig aangetast door het zeewater, dat ze waardeloos is geworden. De burgemeester is nu bereid om zonder garantiestelling de kist af te geven, mede omdat nu ook G.S. akkoord is gegaan.
Hierop krijgt de burgemeester het verzoek om de goederen in voornoemde kist direct op te sturen naar de broer van het slachtoffer A.F. Eichler, burgemeester van de plaats Horken in Duitsland. De burgemeester van Castricum stuurt echter de voorwerpen uit de kist op naar Den Helder en verklaart dat de kist met kleding geheel is vergaan. De verstuurde goederen hebben een waarde van ruim vijftig gulden.
Wet op de strandvonderij in 1931
Alle wettelijke bepalingen betreffende de strandvonderij waren ondergebracht in het Wetboek van Koophandel. In 1931 kwam hierin verandering. In dat jaar kwam er een afzonderlijke ‘Wet op de strandvonderij’ tot stand. In deze wet waren de voorschriften opgenomen die te maken hadden met de bemoeienis van de overheid met de hulpverlening, zoals de hulpverlening zelf en het beheren van de geredde zaken.
Jaarboek 24, pagina 9
De voorschriften die aangeven wanneer hulp mag worden geboden en door wie en aan wie de redders de geredde zaken moeten afgeven, bleven in het Wetboek van Koophandel opgenomen. Door de hiermee samenhangende bepalingen veranderde ook sinds 1931 de aard en de functie van de strandvonder. Volgens het vroegere recht was de strandvonder in zekere zin op één lijn gesteld met een gewone particuliere redder en kon hij aanspraak maken op een hulploon, terwijl de strandvonder sinds 1931 moet worden gezien als een ambtenaar, die als vertegenwoordiger van de overheid de leiding heeft over de hulpverlening veelal door derden en die de geredde zaken van de redders in ontvangst neemt en beheert. Een aantal bepalingen in de wet op de strandvonderij kwamen we ook al in de vroegere wetten en besluiten tegen. De belangrijkste zijn:
- Het beheer der strandvonderij wordt door de strandvonder uitgeoefend.
- De burgemeester bekleedt van rechtswege het ambt van strandvonder.
- Op aanbeveling van de burgemeester kan er door de commissaris van de Koningin een hulp- strandvonder worden aangesteld.
- De strandvonder heeft voor het beheer recht op beheerloon.
- Het verkopen van spoedig aan bederf onderhevige goederen door de strandvonder is toegestaan, mits hiervoor door G.S. een machtiging is gegeven.
- Binnen 8 dagen moet de strandvonder in de krant melding maken van de geborgen goederen en de rechthebbenden oproepen; na een maand zal hij de oproep moeten herhalen.
- Als na de tweede oproep er opnieuw een maand is verstreken en de goederen niet zijn opgeëist door de eigenaar, mogen ze door de strandvonder worden verkocht nadat hij hiervoor de machtiging van G.S. heeft ontvangen.
- De verkopingen moeten in het openbaar worden gehouden volgens de plaatselijke gebruiken.
- Uit de opbrengst keert de strandvonder de verschuldigde hulplonen aan de redders uit. Datgene wat aan geld overblijft, komt uiteindelijk in de schatkist.

De gebroeders Piet en Willem Zonneveld
Op 24 september 1952 schrijft de 74-jarige Dirk Schermer een brief aan de burgemeester om vanwege zijn gevorderde leeftijd te worden ontslagen als hulp-strandvonder. Dit ontslag wordt hem eervol verleend. Vervolgens worden de broers Piet en Willem Zonneveld, beiden ongehuwd en respectievelijk 43 en 37 jaar oud, op hun verzoek door de burgemeester voorgedragen bij de Commissaris van de Koningin om tot hulp-strandvonder te worden benoemd; hun officiële benoeming volgt op 15 oktober 1952.
Piet Zonneveld, bij velen beter bekend als ‘Piet Hoek’, is de eigenlijke strandvonder. Zijn broer vertrekt in 1954 naar Australië en blijft daar vele jaren wonen. Piet Zonneveld overlijdt in 1965 en wordt op 13 juli 1965 opgevolgd door Thijs Bakker. In 1980 blijkt uit de gemeentelijke administratie dat Willem Zonneveld nog steeds officieel als hulp-strandvonder is aangesteld, terwijl hij als zodanig nauwelijks ooit in functie is geweest. Navraag bij Willem bevestigt dat hij geen hulp-strandvonder (meer) wil zijn en dat hij al vele jaren eerder zijn onderscheidingstekens heeft afgegeven: hem wordt per 1 januari 1981 eervol ontslag verleend.

Op dit moment (in 2001) is Thijs Bakker nog steeds de officiële hulp-strandvonder van de gemeente Castricum. Thijs heeft zijn leven aan het strand doorgebracht, als jutter, strandpaviljoenhouder en strandvonder. Over zijn leven aan het strand en zijn belevenissen wordt elders in dit jaarboekje uitvoerig verteld. Ook wordt afzonderlijk aandacht besteed aan drie bijzondere strandingen aan onze kust: van de ‘Salamander’, een Duitse kanonneerboot, in 1910, van een vrachtschip de Wan Chun in 1972 en van een potvis in 1979.
Simon Zuurbier
Bronnen:
Archief Gemeente Castricum, aanwezig op het streekarchief te Alkmaar.
Archief Provinciaal bestuur Noord-Holland, periode 1814-1850, 1851-1943.
Beth, J.C., Wettelijke bepalingen betrekkelijk de strandvonderij, Alphen aan de Rijn 1927.
Booy, H. Th. de, Strandrovers jutters en redders, Ooievaarsreeks nummer 113, Den Haag 1959.
Dekker, P., De ramp met de Oost-Indië vaarder ‘Vrouwe Elisabeth Dorothea’ te St. Maartenszee, 39e bundel West-Friesland Oud en Nieuw, Hoorn 1972.
Moelker, H.P ., Strandvonderij langs de Noordhollandse kust, Noord-Holland, 4e jaargang nummer 8, juni 1985. Scheltema. Prof. mr. F.G., Hulpverleening en strandvonderij, behandeling van de wetten van 27 juli 1931, S. nummers 320 en 321 en de daarbij behorende uitvoeringsmaatregelen, Alphen aan de Rijn 1934.
Strandvonders van Castricum:
Datum van aanstelling – Naam (hulp) strandvonder – Bijzonderheden:
9 mei 1854 – Pieter Bol – woont in Wijk aan Zee
31 jan. 1861 – Gerrit Termes – landman op Zuid Bakkum
20 jan. 1863 – Johannes Bernardus Vasseur – landbouwer woont op Johanna’s Hof, verdwijnt met de noorder zon naar Amerika, zijn gezin achterlatend
20 april 1869 – Klaas van den Berg – schelpenvisser, woonde aan het Schulpstet, later aan de Bakkummerstraat
16 okt. 1917 – Engel Zonneveld – landbouwer en schelpenvisser, woonde aan de Heereweg nummer 18
2 aug. 1937 – Dirk Schermer – landbouwer en schelpenvisser, woonde aan de Achterlaan nummer 24
15 okt. 1952 – Piet en Willem Zonneveld – tuinders, woonden in Bakkum tegenover hotel Borst
3 juli 1965 – Mattheus (Thijs) Bakker – strandpaviljoenhouder, woonde aan de Stetweg 6