Oud-Castricum geeft sinds 1978 elk jaar een jaarboek uit met met door onze vrijwilligers geschreven van bronnen voorziene artikelen over de geschiedenis van Castricum: over plaatsen, gebeurtenissen, organisaties en mensen. Alle artikelen uit de jaarboeken die ouder zijn dan 1 jaar, kunt u hieronder lezen. Daarnaast kunt u de jaarboeken bekijken in ons Historisch Informatiecentrum De Duynkant.
.
Bent u op zoek naar een speciaal onderwerp? Raadpleeg dan het door ons gemaakte register op al onze jaarboeken op titel/onderwerp.
Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.
Jaarboek 47, pagina 98
Jaarverslag
John Hommes draagt het voorzitterschap van Oud Castricum over aan Jan Frens.
In het jaar 2023 is bestuurlijk, vooral door de penningmeester, veel tijd besteed aan het herinrichten van de financiële administratie. Deze wordt steeds complexer, mede omdat we zijn begonnen met de energietransitie. Hiervoor zijn grote investeringen gedaan, waarop ook weer subsidies zijn ver kregen. Tel hierbij de BTW-administratie en dan is het duidelijk dat er voor de financiële administratie professionele hulp nodig is, welke dan ook is ingehuurd.
De nieuwe voorzitter begon met de situatie dat de secretaris (Folkert Bangma) een half jaar in het buitenland verbleef. Dat maakte het voor hem niet gemakkelijker om Oud-Castricum te doorgronden. De afwezigheid van de secretaris werd intern opgelost; maar ondanks de grote inzet van de overige bestuursleden was dit verre van ideaal.
De digitale nieuwsbrief wordt naar 944 geïnteresseerden gestuurd. Dat is een stijgend aantal.
Het aantal donateurs daalt echter verder. Dat baart wel zorgen, hoewel we nog steeds een financieel gezonde organisatie zijn. Het bestuur is in dit jaar negen keer bijeengeweest. Daarnaast zijn er een drietal avonden belegd met de vrijwilligers.
Bestuurssamenstelling 31 december 2023:
Jan Frens, voorzitter;
Folkert Bangma, secretaris;
Maarten Geerdes, penningmeester;
Rino Zonneveld, coördinator extern;
Albert Lourens coördinator intern.
Team Cultuurhistorie en Monumenten
Dit jaar is verder gewerkt aan de voorbereiding van een interactieve kaart van Castricum met eigendomssituaties vanaf de start van het kadaster in 1832. Het gemeentelijk beleid op gebied van ruimtelijke ordening is gevolgd door middel van raadsstukken en de officiële bekendmakingen. Er is deel genomen aan de ontwikkeling van een plan voor de omgeving van de dorpskerk als bijdrage aan een aantrekkelijk dorpscentrum. Ook is meegewerkt aan de organisatie van de jaarlijkse Open Monumentendag. In samenwerking met erfgoedorganisaties in de regio zijn we begonnen aan het ontwerpen van een fietsroutekaart met als centraal thema de Heereweg.
De gemeente heeft voorstellen voor nieuwe informatieborden bij enkele historische plaatsen in behandeling genomen. In samenspraak met Bouwbedrijf Borst loopt er een onderzoek naar de mogelijkheden tot restauratie van drie houten grafmonumenten bij de dorpskerk.
Drie Castricummers, namelijk Huibert van Ginhoven, Jan Hoberg en Leo Toepoel werden in de Tweede Wereldoorlog gefusilleerd wegens hun verzetsdaden. De familie Van Ginhoven richtte een stichting op om de herinnering aan Huibert levend te houden. In de voormalige gevangenis in Scheveningen, thans Nationaal Monument Oranjehotel, heeft de stichting symbolisch op 4 mei 2023 een cel geadopteerd. Oud-Castricum was bij deze plechtigheid aanwezig. Bij de gemeente is het verzoek ingediend om op de straatnaamborden bij de namen van de drie mannen het woord verzetsstrijder en de datum van de fusillade te vermelden.
Op 6 april vond overleg plaats tussen wethouder Brouwer en de erfgoedorganisaties in de gemeente. De wethouder gaf aan de oprichting van een erfgoedplatform te ondersteunen. Een Verwachtingskaart Archeologie, een uitvoeringsprogramma voor erfgoedzaken en een evaluatie van de in 2020 vastgestelde Erfgoednota werd in het vooruitzicht gesteld.
De gemeenteraad behandelde op 1 juni de Kadernota 2024 met een meerjarenperspectief voor de gemeentefinanciën. De voorzitter van Oud-Castricum heeft in deze vergadering ingesproken en aandacht gevraagd voor vele nog te behandelen onder werpen op het gebied van erfgoed in de gemeente. Hij heeft medewerking bepleit aan de restauratie van het voormalig Armenhuis; een gebouw met een indrukwekkende historie.
Het burgerlijk armenhuis. Overtoom 40-54 in Castricum in 1912. Hier woonden mensen die geen geld of onderdak hadden. Achter op de originele foto staan de namen van links naar rechts Guurtje Ooms, Tante Ma Gijzen, Trijn Ooms, Jan Baars en Dirk Stuifbergen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Jaarboek 47, pagina 99
Op 27 juni is aan de gemeenteraad de evaluatie aangeboden van de Erfgoednota. Het gemeentebestuur concludeerde dat vanwege capaciteitsproblemen geen uitvoering is gegeven aan welk voornemen dan ook en dat alleen wettelijk vereiste zaken behandeld zijn. Burgemeester en Wethouders (B&W) hebben de raad voorgesteld om gedurende twee jaar het aantal ambtelijke uren uit te breiden van 0.5 fte tot 1.0 fte (fulltime equivalent). Dit plan werd door Oud-Castricum onvoldoende geacht en kenbaar is gemaakt dat aan de betreffende vergadering niet zal worden deelgenomen. De gemeenteraad heeft met het voorstel van het college van burgemeester en wethouders ingestemd, zodat in ieder geval voor een korte periode een en ander mogelijk is.
De eerste bijeenkomst van het nieuwe erfgoedplatform was op 30 oktober. Het is een adviescommissie voor het gemeentebestuur waarin vertegenwoordigers van de erfgoed instellingen in de gemeente zitting hebben. De instellingen zijn Oud-Akersloot, Alkmaardermeeromgeving, Oud-Castricum, Oer-IJ en Historisch Limmen. In de eerste vergaderingen is gesproken over een onderzoek naar nieuwe bouwlocaties (lokale woonvisie) en is een aanzet gegeven tot de voorbereiding van een cultuurhistorische waardenkaart. Het eerste advies van het erfgoedplatform betreft het advies om het zogenaamde stinzenbos in Bakkum niet aan te tasten. De vergaderingen van het erfgoedplatform zijn openbaar toegankelijk.
Een belangrijk onderwerp voor het team C en M (Cultuurhistorie en Monumenten) is de ontwerp-omgevingsvisie van de gemeente Castricum. Samen met de hiervoor al genoemde organisaties en de Erfgoedvereniging Heemschut is een zienswijze ingediend. Hierin is de nadruk gelegd op het borgen van de kernkwaliteiten en het versterken van de identiteit van de gemeente. In de komende jaren wordt het Omgevingsplan voorbereid. De nog geldende bestemmingsplannen worden daarin verwerkt.
Het door de wethouder toegezegde uitvoeringsprogramma voor erfgoedzaken is dit jaar helaas nog niet tot stand gekomen. De invulling van de extra ambtelijke uren voor erfgoed wordt in 2024 verwacht. Wij gaan ervan uit dat het nieuwe Erfgoed platform in de komende tijd een belangrijke stimulerende rol zal vervullen.
Het project Castricum in Beelden is afgerond. Er zijn twee routes met samen 37 beelden. De routes kun je met hulp van de app IZI.travel lopen of fietsen.
Team Tentoonstellingen
Het jaar 2023 begon met de tentoonstelling “Castricum Spoort“ die er al vanaf september 2022 staat. Deze expositie over station, treinen en spoorlijnen is eind april opgeruimd. De geleende attributen, zoals modeltreinen, kleding en onder delen van treinen zijn weer bij de rechtmatige eigenaar terug. Het beeld Keramiek, dat in de stationshal hing, ging terug naar “Duin en Bosch” waar het op zolder bewaard wordt.
Van mei tot en met augustus 2023 werd de bezoeker getrakteerd op een uitgebreide archeologie-tentoonstelling “Goed Gevonden”. In deze tentoonstelling werd een presentatie gegeven van alle opgravingen die vanaf de jaren (negentien) vijftig in Castricum en Bakkum zijn uitgevoerd. Het team Archeologie heeft hier een zeer grote bijdrage aan geleverd.
Van september tot en met december 2023 kwam het thema “Monumentaal Landschap” aan bod. Deze tentoonstelling werd verzorgd door de Stichting Alkmaardermeeromgeving. Vrijwilligers van deze Stichting hielpen bij de open zondagen.
In 2023 is de tentoonstelling “Bakkummerstraat Uitverkocht” voorbereid. Dit betekende: verzamelen van attributen, zoeken van foto’s uit de beeldbank, afdrukken van advertenties en kinderen van Bakkummerstraatwinkeliers vragen hun verhaal te vertellen voor de film. De tentoonstelling en de film werden op 7 januari 2024 gepresenteerd.
Team Redactie Jaarboek
In januari 2023 is de jaarboekredactie aan de slag gegaan met het 46e jaarboek. Gestaag druppelden de artikelen weer binnen. De redactie bestond uit Jolanda Vermolen, Mary Hommes, Ton de Ruijter en Dick Lens. Begin van de zomer was het flink aanpoten. Het werk van corrigeren en beoordelen van artikelen en foto’s vraagt meer tijd van de redactieleden dan verwacht. Dick Lens besloot om de redactie te verlaten. Gelukkig is er in de persoon van Joop Looijenga een welkome aanvulling van het redactie team gevonden. Het concept Jaarboek werd in augustus naar de corrector Jan Buijsman en uitgeverij Pirola gestuurd. Jolanda presenteerde de highlights op 3 november 2023. Aan het einde van het jaar begon de redactie alweer met het werk aan jaarboek 47.
Jaarboek 47, pagina 100
Een artikel schrijven voor het jaarboek is niet voorbehouden aan de redactie. Regelmatig roept de redactie geïnteresseerden op om een verhaal te schrijven.
Team Archiefbeheer
Het hele jaar door wordt gewerkt aan het ordenen van het archief. Afgelopen jaar bood de bevolking weer vele foto’s aan. Vaak met afbeeldingen die de hiaten opvullen van welbekende situaties. In 2023 kregen we opnieuw een deel van de enorme collectie van Henk Heideman in bruikleen. Naast de foto’s die we nog niet in onze collectie hebben, is er informatie bij de foto’s die wij nog niet kenden, van bijvoorbeeld personen. Deze gegevens worden aan de beeldbank foto’s toegevoegd. Onze films zijn zo goed als allemaal omgezet naar een bruikbaar uniform formaat en daardoor ontsloten. Een deel van de films is te bekijken op ons YouTube-kanaal. Regelmatig wordt een nieuwe film toegevoegd.
Vanaf de oprichting van Oud-Castricum heeft Niek Kaan tientallen interviews met bekende en minder bekende Castricummers op cassettebandjes opgenomen. In de loop van de jaren gaat de kwaliteit van deze geluidsopnamen achteruit. Daarom is Oud-Castricum dankbaar voor de medewerking van Thea Stet-Winder die enthousiast het uittypen van de gesprekken heeft opgepakt. Veel informatie is of wordt gebruikt voor artikelen in ons jaarboek.
Wekelijks is er aan onze bibliotheek gewerkt. Nieuwe uitgaven worden toegevoegd alsook de door schenking verkregen boeken.
Aan de documentenbank werd bijna dagelijks gewerkt met het verwerken van oude krantenartikelen en documenten uit ons archief.
Nog steeds worden elke week objecten beschreven en vindbaar gemaakt door deze objecten in De Duynkant op een vaste locatie op te slaan. Naast objecten zijn er ook vele topografische of themakaarten die ontsloten worden. Uiteindelijk zal alles via internet te raadplegen zijn in databanken.
Team Archeologie
Het was weer een rijk archeologisch jaar met prachtige vondsten en belevenissen. In januari werd in Egmond een 12e-eeuwse bronzen kandelaar gevonden en een pommel van een dolk. Een pommel zit op het uit einde van het heft. Een klein appeltje zorgt ervoor dat het wapen niet uit de hand glijdt. Dit is mooi versierd met een vogelkop.
Pommel met vogelkopversiering.
Flyer voor archeologie-expositie.
Begin februari werd de aanleg van een drinkwaterleiding van PWN gemonitord.
In maart werd de lezing van paleontoloog Dick Mol over vondsten Doggerland in Huis van Hilde bezocht.
In april organiseerde Oud-Castricum samen met agrarische school Vonk een metaaldetectieochtend voor honderd leerlingen. Het zoekgebied was de Papenberg. Er werd door een van onze detectoramateurs een Sestertius gevonden, een Romeinse munt.
Op 7 mei is de tentoonstelling “Goed Gevonden” geopend. Castricums archeologiekwartet ziet het licht.
In juni bezochten we bij Historisch Egmond een lezing van Anton Cruysheer over muntslag door de graven van Holland.
Er werd ons een vreemdsoortig beeldje aangeboden dat werd gedetermineerd als een pijpaarden (klei voor pijpen) beeld van de heilige Valerie.
Op 18 juni was het Nationale Archeologiedag. Oud-Castricum liet kinderen met metaaldetector zoeken naar metalen voorwerpen. Ze konden daarbij een prijsje winnen.
Het monitoren van een verstuivingsgebied in de duinen leidde in augustus tot het vinden van stukjes van een Tutulusfibul. Het is een deel van een uitzonderlijke Romeinse fibula, die gebruikt werd als mantelspeld.
In september vonden we een 13e-eeuws zegelstempel en een munt van Floris V.
In oktober bezochten we Leiden om te luisteren naar de resultaten van het project Oral History. Een vrijwilliger van Oud-Castricum werd geïnterviewd over zijn ervaringen met (amateur)archeologie.
In november bezochten enkelen van ons het Rijksuseum voor Oudheden (RMO) te Leiden voor de lezing van Peter Vos over de achtergronden bij de grote omslag in het Nederlandse landschap rond 1000 na Christus. Er was een presentatie van het tweedelige boek ‘Noord-Holland in het 1e millennium’. Een rijk geïllustreerde boek over de archeologie, waarin Castricumse vondsten uit deze periode zeker niet ontbreken.
Castricums archeologiekwartet.
Een vreemdsoortig pijpaarden beeldje.
Jaarboek 47, pagina 101
Team Beheer en Onderhoud
De geplaatste energiebesparingsapparatuur als zonnepanelen en warmte pompen werken op enige fine-tuning na, naar behoren.
Door de zomerstorm 2023 werden er enkele bomen geveld. Deze zijn in stukken gezaagd en verwijderd. Met het hout van die bomen is – parallel aan de anti-tankmuur – de natuurvriendelijke houtwal verlengd.
Regelmatig is ons gebouw De Duynkant gebruikt door organisaties met gelijksoortige doelstellingen als onze Stichting.
In 2023 is glasvezel aangevraagd, de kabel is gelegd en het wachten is op de aansluiting.
Team Educatie
In 2023 is gebleken dat het extra openstellen van De Duynkant op de woensdagmiddagen, steeds in de week na de open zondag, op voldoende belangstelling van de teamleden, donateurs én passanten kan rekenen. Besloten is dit voort te zetten.
Een verrassing was de schenking van een kunstpaard door de Scheveningse Vlaggetjesdag organisatie. Kort daarop werd door de firma Stubenitsky een paardenhoofdstel en door de heer Jan Beukers een broek en borsttuig geschonken. Door omstandigheden is de demonstratie met kar en paard, opgeluisterd met verhalen en liedjes, in Scheveningen niet door gegaan. De demonstratie met de schelpenkar is wel door gegaan bij het Oer-IJ wandelevent, de Visserijdag van Egmond aan Zee en de viering van het 75- jarig bestaan van de Castricumse Reddingsbrigade.
Het team werd door scholen en instellingen gevraagd naar onderwerpen over de Castricumse geschiedenis en dit leidde tot afspraken met twee basisscholen voor een activiteit in 2024, waarbij de leerlingen zelf een specifiek onderwerp over onze Castricumse geschiedenis mochten kiezen. Hierover kregen zij in november 2023 een algemene presentatie in de filmzaal van De Duynkant.
Er zijn rondleidingen, presentaties en gastlessen verzorgd: vier keer in het gebouw De Duynkant en buiten ons dorp in Wijk aan Zee, Uitgeest, Beverwijk en Rockanje (Zuid-Holland).
Team PR en Website
Dit team zorgt voor de promotie van Oud-Castricum met als doel zoveel mogelijk mensen te betrekken bij de geschiedenis van onze dorpen.
Doorgaande activiteiten zijn: regelmatig berichten plaatsen op onze website. Onze Facebookpagina heeft 914 volgers. Er wordt soms ook gepubliceerd op de Facebookpagina van ‘Je bent Castricummer als’. Tentoonstellingen, lezingen enzovoorts krijgen een plaats op Facebookevenementen. De tentoonstellingen staan aangekondigd op digitale informatieborden langs de weg en in de agenda van De Castricummer. Ook de berichten voor de nieuwsbladen worden door een van onze vrijwilligers verzorgd.
De op de website gestelde vragen van lezers aan Oud-Castricum worden doorgestuurd naar een vrijwilliger die de vraagsteller snel kan beantwoorden.
De nieuwsbrief, die elk kwartaal uitkomt, bevat berichten van bestuur en teams en bereikt 944 mensen.
Sinds 2004 is het een rijksmonument. De begraafplaats is samen met de omringende duingronden eind 2018 door zorginstelling Parnassiagroep overgedragen aan de provincie, die het in beheer heeft gegeven aan PWN.
De registers van de begraafplaats bevinden zich in het Noord-Hollands Archief in Haarlem, zijn gedigitaliseerd en via internet te raadplegen. Ze blijken een schat aan informatie te bevatten over het funeraire verleden van deze bijzondere plek.
Aanleg
Uit stukken in het Regionaal Archief in Alkmaar blijkt dat de gemeente Castricum in 1909 vergunning heeft verleend voor de aanleg van de begraafplaats, maar daarbij is geen tekening meer aanwezig.
In het Noord-Hollands archief is van alles te vinden over het beheer van gebouwen, patiëntenzorg enzovoorts, maar ook daar ontbreekt een ontwerp van de begraafplaats.
Wel bevinden zich twee plattegronden in de collectie van Oud- Castricum: een ongedateerde, die van vóór 1930 moet zijn en een gedateerde plattegrond uit 1948.
Voor de aanleg van de begraafplaats werd een kleine duinvallei in de zuidwesthoek van het ziekenhuisterrein bestemd. Daar was al een gebouw gerealiseerd dat de dubbelfunctie had van mortuarium en anatomiegebouw. Een stuk van de achter liggende duinlaagte werd opgehoogd en vlakgemaakt.
De aanleg moet eenvoudig geweest zijn. Een middenpad vanaf het mortuarium naar de duinrand verdeelde het terrein in twee velden. Het gehele noordelijke veld en de oostelijke helft van het zuidelijke veld werden bestemd als algemene begraafplaats.
De westelijke helft van het zuidelijke veld werd bestemd als rooms-katholieke begraafplaats. Een ijzeren hekwerk scheidde het katholieke gedeelte van het algemene deel. Het katholieke gedeelte was in tweeën gedeeld met een pad naar een kleine calvarieberg. Een calvarieberg is een heuvel waarop een kruis is opgericht met de voorstelling van de gekruisigde Jezus. De rijen graven – rug aan rug, met graspaden tussen de voeteneinden – lagen voor alle klassen in alle compartimenten in dezelfde richting, namelijk dwars op de middenas.
Hiërarchie
Zowel de algemene als de rooms-katholieke begraafplaats waren onderverdeeld in compartimenten voor drie begraafklassen. Hierover staat in het reglement begrafenissen uit 1914, artikel 1 het volgende: “De begraafplaats is verdeeld in twee afzonderlijke gedeelten, waarvan één gedeelte is bestemd tot algemene begraafplaats, één gedeelte is bestemd voor Roomsch-Katholieke overledenen. Deze gedeelten zijn ieder verdeeld in drie klassen. De eerste klasse is bestemd voor hoofdbeambten en beambten, voor zoover zij in- of opwonend zijn, de tweede klasse voor het overige personeel, voor zoover zij in- of opwonend zijn, en de derde klasse voor verpleegden.”
In artikel 2 staat dat met toestemming van de Commissie van Bestuur ook overleden gezinsleden van in- of opwonenden op de begraafplaats begraven kunnen worden, met in achtneming van de klasseverdeling. Uit het begraafregister blijkt dat ook bij het gezin inwonende familieleden (ouders-schoonouders) hier begraven werden.
Jaarboek 47, pagina 17
In artikel 12 wordt beschreven voor wie de kosten van de begrafenis zijn: “De kosten eener begrafenis worden berekend volgens het bij deze bepalingen gevoegde tarief. De kosten worden, behoudens het bepaalde in Artikel 14 aan de bloedverwanten of betrekkingen der overledenen, of, voor zoover het de overleden verpleegden betreft, aan de gemeente- of armbesturen, voor welker rekening de lijders verpleegd werden, in rekening gebracht”.
Al voordat de begraafplaats werd aangelegd stond midden in de duinen het gebouw met de dubbel- functie van mortuarium en anatomiegebouw. In de omgeving lagen akkertjes. Een man met paard en wagen voert de oogst van het land af. Foto Collectie Noord-Hollands Archief/Oud-Castricum.
In een schrijven van 9 maart 1921 maakt de ‘Commissie van Bestuur van het Provinciaal Ziekenhuis Duinenbosch’ bekend dat begrafenissen van “tot den dienst van het Ziekenhuis behoord hebbende ambtenaren, opwonend of uitwonend,” nog steeds op de begraafplaats van het ziekenhuis begraven kunnen worden, maar dat dit niet meer zal zijn voor rekening van het ziekenhuis.
Het anatomiegebouw. Goudsbergen 12, Duin en Bosch, Bakkum. Collectie Oud-Castricum.
Jaarboek 47, pagina 18
Klasse-indeling van de begraafplaats volgens de kaart uit 1948 uit de collectie van Oud-Castricum (bewerkt).
Legenda.
Niet alleen de maatschappelijke status was bepalend in welk compartiment men werd begraven. De klasse-indeling kwam ook tot uitdrukking in de begrafenis. Op de eerste plaats in de drie tarieven voor grafkisten en op de tweede plaats door het aantal dragers met een voorganger.
Volgens het reglement uit 1914 kostte een eersteklas begrafenis 74,50 gulden, een tweedeklas begrafenis 38,50 gulden en een derde klasse begrafenis 25 gulden. De grafkisten waren daarbij inbegrepen. Daarna zijn wel tariefsverhogingen doorgevoerd. Een door het ziekenhuis zelf uitgevoerde begrafenis, inclusief grafkisten, kostte per 1 januari 1946 voor een eersteklas begrafenis 220 gulden een tweedeklas begrafenis 135 gulden en een derdeklas begrafenis 83 gulden.
In het hiervoor genoemde reglement staat dat overledenen in de eerste en tweede klasse door tien dragers naar het graf worden gedragen en bij begrafenissen van de 3e klasse door acht dragers. Overledenen jonger dan vijftien jaar en ouder dan één jaar, worden gedragen door de helft van het hierboven genoemd aantal dragers, terwijl overleden kinderen beneden één jaar door één persoon grafwaarts wordt gedragen.
Voorganger en dragers moesten in zwart gekleed gaan. “Ten gebruike bij de begrafenissen worden aan den voorganger en ieder der dragers een zwart lakensch pak, hoed, benevens een paar handschoenen verstrekt”. De dragers werden telkens voor één jaar door de Technische Adjunct-Directeur uit de tuinarbeiders aangewezen.
Volgens een niet gedateerde specificatie kostte een derdeklas grafkist van vurenhout en zwart gelakt afgerond 30 gulden. Een tweede klas kist, ook van vurenhout, aan de buitenzijde in eikenpatroon geschilderd en gelakt kostte afgerond 48 gulden. Een eerste klas kist met een vurenhouten bodem, eikenhouten zij- en eindstukken, een eikenhouten deksel en met was ingewreven, kostte afgerond 80 gulden.
Een bijzonder geval
Bijzonder is artikel 7 van het begraafreglement. Daarin staat: “Op verlangen van bloedverwanten of betrekkingen van overledenen, vallende in de 2e of 3e klasse, kan, na verkregen toestemming van de Commissie van Bestuur, de begrafenis dezer overledenen in een hoogere klasse geschieden dan die, waartoe zij volgens Artikel 6 behoorden, behoudens bijbetaling overeenkomstig het tarief, bedoeld in Artikel 12 dezer ‘Bepalingen’. Begrafenis in eene lagere klasse is voor hen, vallende onder het tarief voor de 1e en 2e klasse vastgesteld, niet toegelaten”.
Op de rooms-katholieke begraafplaats werden slechts twee patiënten in het tweede klasse grafveld begraven en één patiënt in het eerste klasse grafveld. Op de algemene begraafplaats hebben ruim veertig patiënten formeel een plek in de tweede klasse gekregen en nog geen tien patiënten in de eerste klasse.
Jaarboek 47, pagina 19
Bijzonder is het graf van ene Benjamin Gabriël, geboren op 10 januari 1883. Hij was ongehuwd en werd op 20 april 1917 opgenomen. Na acht dagen is hij op 34 jarige leeftijd op 28 april 1917 overleden. Zijn begrafenis vond plaats op 1 mei 1917. In het algemene register is de derde klasse aantekening vervangen door een eerste klasse vermelding.
De grafsteen van Benjamin Gabriël of Gabriël Benjamin is nog steeds op de begraafplaats aanwezig. Foto Ernst Mooij.
Zijn kortdurende verpleging kwam voor rekening van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Waarschijnlijk heeft deze overheidsbemoeienis of een weldoener ertoe bijgedragen dat deze Benjamin een eerste klasse begrafenis heeft gekregen én een grafsteen boven zijn graf. Hij ligt begraven in de nabijheid van het graf van dr. Jacobi. Blijkbaar bestond er enige verwarring over wat zijn voornaam en achternaam was, want op de grafsteen zijn de namen omgedraaid. Uit het opschrift van de grafsteen blijkt dat deze persoon afkomstig was uit Koerdistan.
Op de regel dat personen die onder het tarief voor de eerste klasse vielen niet in een lagere klasse begraven konden worden, zijn in het begraafregister uitzonderingen te vinden. Bij enkele verwanten van personeelsleden met eerste klasse aantekening staat genoteerd dat zij in de tweede klasse afdeling zijn begraven. Nabestaanden van verpleegden hadden de mogelijkheid om hun verwanten formeel in een hogere klasse te laten begraven. Uit een globale inventarisatie van de grafstenen blijkt echter dat verpleegden met de aantekening ‘derde klasse’ ook informeel in de tweede klasse afdeling liggen begraven.
Een aantekening uit 1941 op een los papiertje lijkt dit te bevestigen. Daarop staat: “Deze graven zijn 2e klas, doch waren indertijd gebezigd voor 3e klas patiënten”. Niet duidelijk is of dit is gebeurd uit ruimtegebrek op de derde klasse grafvelden en op welke graven deze notitie betrekking heeft. Wel is duidelijk dat er meer patiënten in de tweede klasse liggen begraven dan verwacht.
Aanleg
De dames Albers en Guinée, die in opdracht van PWN onderzoek hebben gedaan naar de aanleggeschiedenis van de begraaf plaats, gaan ervan uit dat de oorspronkelijke aanleg eenvoudig was en dat het padenpatroon later aangelegd zal zijn.
Zij dateren de aanleg omstreeks 1917 en vermoeden dat het een ontwerp van Gerard Bleeker is geweest. Deze in de nieuwe architectonische tuinstijl geïnteresseerde tuinarchitect werkte van 1906 tot 1924 op het bureau van zijn oom, de bekende tuinarchitect Leonard Springer. Springer is zeker met Bleeker op Duin en Bosch geweest. De tekeningen van de tuinen in ouderwetse landschapsstijl die Springer zelf in 1917 en 1919 ontwierp voor de paviljoens en het administratiegebouw van Duin en Bosch, worden in zijn archief in Wageningen bewaard.
Het aan Bleeker toegedachte ontwerp voor de begraafplaats lijkt op de vorm van een hand waarvan de duim naar binnen is gevouwen. Op de oudst bekende plattegrond zijn alleen derdeklas graven van 1909 tot 1920 ingetekend. Een aantal daarvan lag op de plek van een nieuw ontworpen pad. Dat pad kon dus niet zonder meer worden aangelegd.
Ongedateerde plattegrond van de begraafplaats. Daarop staan graven ingetekend die in 1930 geruimd zullen worden. Collectie Oud- Castricum.
De eersten
Volgens het ‘Register der Algemene Begraafplaats’ werd de ongehuwde Wilhelmina Johanna Schamper op 3 juni 1909 als eerste op het algemene gedeelte begraven. Zij werd geboren op 17 augustus 1824, opgenomen op 26 mei 1909 en is overleden op 1 juni 1909 in de leeftijd van 84 jaar. Zij werd voor die paar dagen verpleegd voor rekening van de gemeente Amsterdam. Haar graf is niet meer aanwezig.
Volgens het ‘Register der Roomsch-Katholieke Begraafplaats’ was het Johanna Meijer, echtgenote van J.J. de Harder, die op 21 november 1911 als eerste op het katholieke gedeelte werd begraven. Zij werd geboren op 19 december 1877, opgenomen op 6 september 1911 en is op 17 november in datzelfde jaar overleden op de leeftijd van bijna 34 jaar. Ook zij werd die korte opnameperiode verpleegd voor rekening van de gemeente Amsterdam. Haar graf is niet meer te traceren.
Jaarboek 47, pagina 20
In het reglement van 1914 staat in artikel 15: “Aan bloedverwanten of betrekkingen van overledenen, op ‘Duin en Bosch’ begraven, kan door de Commissie van Bestuur vergunning worden verleend, een gedenkteeken op een graf te plaatsen. Die vergunning wordt verleend voor een tijdvak van tien jaren, en tegen betaling van eene door de Commissie van Bestuur vast te stellen som.”
Voor tien jaar moest 5 gulden grafrechten worden betaald. In het hetzelfde artikel staat dat het grafrecht telkens met tien jaar kan worden verlengd. Een gedenkteken moest bestaan uit “solied materiaal (hardsteen, marmer enzovoorts)”.
Een grafsteen op het derdeklas grafveld van de algemene begraafplaats. Vermoedelijk werd volstaan met alleen een grafsteen of een houten grafteken. Foto Ernst Mooij.
In de eerste klasse en de tweede klasse mocht het grondvlak van een gedenkteken niet groter zijn dan één derde van het oppervlak van het gehele. graf. “Het onderhoud van het gedenkteeken geschiedt vanwege het gesticht”.
De grafsteen, opgericht in 1914, ter nagedachtenis aan Johanna Carolina Magdalena ten Pas is een van de weinige (nog ongeschonden) grafstenen op het rooms-katholieke deel van de begraafplaats. Johanna is slechts twee dagen opgenomen geweest en is op 74-jarige leeftijd overleden. Foto Ernst Mooij.
In het reglement staat niets waaraan een gedenkteken in de derde klasse moet voldoen, ook worden er voor geen enkele klasse de toegestane afmetingen van de grafstenen genoemd, wel in een losse notitie uit 1956. Grafstenen mochten de maximale afmetingen hebben van 185 x 75 centimeter.
Uit een overzicht van 1951 blijkt dat het innen van grafrechten geen eenvoudige zaak was. “Resultaat uitgaande brieven op 10 november 1951 gedeclareerde bedragen grafrechten. Aantal verzonden brieven 77 (gedeclareerd bedrag 750 gulden). Tot heden als ‘niet bekend, onbestelbaar’ terug ontvangen 37 brieven (gedeclareerd bedrag 400 gulden). Tot heden ontvangen grafrechten van 22 personen (175 gulden). Duin en Bosch, 8 December 1951”.
Jaarboek 47, pagina 21
Na 1942
In 1942 moest op bevel van de Duitse Wehrmacht het gehele ziekenhuis ontruimd worden voor de kustverdediging (Atlantikwall). De patiënten werden verdeeld over vier andere inrichtingen. Na de bevrijding in mei 1945 werd de inrichting enkele maanden gebruikt voor internering van ‘politieke delinquenten’.
Voorafgaand aan die periode vond op 9 juni 1942 de laatste begrafenis plaats en daarna de eerste begrafenis op 28 november 1945. In december 1958 richtte een natuursteenhandel uit Alkmaar een verzoek aan de directie adresgegevens van familieleden van overleden patiënten te verstrekken, om met de betreffende familieleden in contact te kunnen komen voor levering van gedenktekens.
De administrateur antwoordde namens de economisch directeur het volgende: “Naar aanleiding van Uw schrijven van 16 december jongstleden bericht ik U, dat wij als overheidsbedrijf geen bemiddeling kunnen verlenen met betrekking tot de levering van grafmonumenten in de door U gevraagde vorm. Hoogstens kunnen wij eventueel bij informatie door de familie van overleden patiënten ondermeer Uw adres doorgeven”.
Vanaf 1963 werden nieuwe paviljoens aan het ziekenhuiscomplex toegevoegd. Dit leidde tot een gebiedsuitbreiding naar het westen. Een nieuwe weg werd aangelegd om de gebouwen en de begraafplaats. De begraafplaats kreeg toen een achteruitgang aan het westeinde van de middenas. In dat jaar besloot het bestuur van Duin en Bosch evenwel om de begraafplaats formeel te sluiten.
De registers
Volgens het register van de algemene begraafplaats en het register van het rooms-katholieke gedeelte hebben op de begraafplaats van Duin en Bosch in totaal 1.812 overledenen een tijdelijke of eeuwige rustplaats gekregen: 1.624 op het algemene gedeelte en 188 op het katholieke gedeelte. Blijk baar heeft de Spaanse griep in de jaren 1918-1920 ook de ziekenhuispopulatie zwaar getroffen. De katholieke en niet-katholieke begrafenissen bij elkaar opgeteld vonden in 1918 66 begravingen plaats, in 1919 waren het er 78 en in 1920 nog eens 62.
Op het algemene gedeelte zijn achttien personeelsleden begraven, waaronder de eerste geneesheer-directeur dr. Jan Willem Jacobi. Jacobi werd op 31 mei 1865 geboren en overleed op 51-jarige leeftijd op 5 december 1916. Zijn graf is door de korte obelisk niet te missen.
Het op initiatief van Oud-Castricum in 2013 gerestaureerde grafmonument op het graf van de eerste geneesheer-directeur dr. Jan Willem Jacobi. Achter zijn graf ligt de zerk op het graf van zijn jong overleden zoon Willem Lodewijk. Hij werd geboren op 5 april 1903 en is op 12 jarige leeftijd overleden op 23 december 1915. Foto Ernst Mooij.
Zeventien volwassenen verwanten en twintig kinderen van personeelsleden hebben op het algemene gedeelte een laatste rustplaats gekregen. Van die twintig kinderen zijn zes baby’s levenloos geboren en zes kindertjes hebben het eerste levensjaar niet gehaald. Twee personeelsleden liggen op het katholieke gedeelte begraven.
Het in 1935 intacte graf van de eerstejaars inwonend leerling-verpleegster Sophia Dekker. In vervallen en overwoekerde toestand bestaat haar graf nog steeds. Sophia werd op 7 juli 1905 geboren, overleed op 29 april 1930 en moest in dat jaar nog 25 jaar worden. Collectie Noord-Hollands Archief.
Het katholieke register maakt melding van drie overleden kinderen van personeelsleden, waarvan één kindje het eerste levensjaar niet heeft gehaald.
Het grafmonument ter nagedachtenis aan Jan Blei in welstand. Op de gebroken zuil staat de tekst: “Op een duintop heeft hij z’n rust gevonden”. Die tekst verwijst naar het ongeluk dat daar heeft plaatsgevonden. (zie 34e jaarboek, 2011). Onder: Het graf van Jan Blei, in 1977 bezocht door een jong familielid. Foto’s ter beschikking gesteld door Loes Wormsbecher.
Jaarboek 47, pagina 22
In 1965 kreeg de vader van de zo jammerlijk omgekomen Jan Blei (geboren op 10 juli 1931 en overleden op 24 juli 1936) namens de economisch directeur en briefje met de volgende inhoud: “Hiermede bericht ik u, dat bij controle der graven de kettingen tussen de granieten stempels van het graf van wijlen Uw zoon J. Blei uit de bevestigingen los gelaten waren. Dit dient wel gerepareerd te worden. … ”. Of de reparatie heeft plaatsgevonden is niet bekend. Het graf van de vijfjarige Jan Blei is voor de kenner nog wel te traceren, maar er is weinig van over.
Het graf van Jantje Blei, gefotografeerd in 1977.
Ruimingen
Uit enkele losse notities in het begraafregister blijkt dat alleen op de algemene begraafplaats ruimingen hebben plaats gevonden. Op een los blaadje staat het volgende geschreven: “De grafnummers (graven) 1 tot en met 40 zijn na een tijdvak van 20 jaren in juli 1930 ‘geroerd’ en de restanten in een afgesloten deel van de begraafplaats begraven.” Daarbij staat aangetekend dat deze ruimingen in het register met een ‘R’ zijn aangeduid. Ook daarna hebben ruimingen plaatsgevonden.
Notitie uit 1931 over ruimingen op een losliggend blaadje in het begraafregister. Collectie Noord-Hollands Archief.
Volgens andere kladpapiertjes zijn in 1931 zevenendertig vrouwengraven en tweeënzeventig mannengraven geruimd; in 1935 drieënnegentig mannengraven en in 1937 nog eens vierentwintig mannengraven. In 1941 zijn tweeëntwintig graven geruimd, zonder vermelding of dit vrouwen of mannengraven waren.
Tot in 1946 hebben ruimingen plaatsgevonden. Volgens het register zijn in totaal 383 graven geruimd. De laatste notering betreft een graf uit januari 1928.
Bij leven werden mannen en vrouwen in aparte paviljoens ondergebracht (drie voor vrouwen en drie voor mannen). Deze scheiding werd zelfs tot na de dood doorgevoerd, want uit de notities over de ruimingen blijkt dat mannen en vrouwen in aparte grafrijen lagen begraven. Over ruimingen op het katholieke gedeelte is niets bekend, waarschijnlijk bestond daarvoor geen noodzaak.
Overbrengingen
Uit correspondentie met nabestaanden en uit de registers blijkt dat overledenen die eerst op de begraafplaats van Duin en Bosch werden begraven later naar begraafplaatsen elders zijn overgebracht. Voor overbrengingen moest toestemming verkregen worden van de burgemeester van Castricum. In het register van de algemene begraafplaats wordt melding gemaakt van elf overbrengingen; negen naar begraafplaatsen elders in de provincie Noord-Holland en twee overbrengingen op de algemene begraafplaats vanuit het eerste klasse grafveld naar het tweede klasse grafveld, onder andere om de broertjes Koeman in één graf samen te brengen. Eerste klasse graven waren enkelvoudig, in de tweede en derde klasse werd in twee lagen begraven. Vanuit het katholieke gedeelte heeft één overbrenging naar een begraafplaats elders plaats gevonden.
Jaarboek 47, pagina 23
Onderzoek
In 1959 vraagt een röntgenoloog uit Den Helder aan de burgemeester van Castricum verlof tot het opgraven van de stoffelijke resten van een in 1953 met name genoemde overledene voor het maken van enige foto’s ten behoeve van een geneeskundig onderzoek. Gehoord de toestemming van de eigenaar van het graf, de geneesheer-directeur van het Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch, wordt onder voorwaarden toestemming verleend.
De kist met de stoffelijke resten moet direct na het onderzoek in hetzelfde graf herbegraven worden. De opgraving en herbegraving moet plaatsvinden onder toezicht van de plaatselijke rijkspolitie die daarover een proces-verbaal zal opmaken. De opgraving dient plaats te vinden op vrijdag 2 oktober om 18 uur. In 1960 doet de geneesheer-directeur van het Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch in een schrijven aan de burgemeester van Castricum een gelijkluidend verzoek.
De reden daarvoor is het kunnen laten verrichten van een geneeskundig onderzoek door dezelfde röntgenoloog uit Den Helder onder dezelfde hiervoor vermelde voorwaarden. De opgraving dient plaats te vinden op 29 juli om 21.30 uur. In het register wordt van deze gebeurtenissen geen melding gemaakt omdat herbegraving in dezelfde graven heeft plaatsgevonden.
De laatsten
Op 12 september 1953 is het hoofd van de economische dienst, de heer Wilhelm Emanuel van Keeken, als laatste personeelslid op de begraafplaats van Duin en Bosch begraven. Van Keeken was medeoprichter van de Bakkumse tennisclub.
Het graf van Wilhelm Emanuel van Keeken bestaat nog. Oorspronkelijk zaten op de grafsteen bronzen letters. Nadat die eraf vielen is er een gedenkplaat voor in de plaats gekomen. Foto Ernst Mooij.
Aan Dieuwertje Vlug-Ooms komt de eer toe vermeld te worden als de laatste patiënte die daar op 14 november 1960 is begraven. Zij werd op 12 maart 1887 geboren en op 12 november 1915 in het ziekenhuis opgenomen. Na een verblijf van bijna 45 jaar is zij op 10 november 1960 op 93-jarige leeftijd overleden. Haar graf is niet meer te traceren.
Jaarboek 47, pagina 24
Het verval
In 1963 is het formele besluit genomen de begraafplaats te sluiten. De algemene begraafplaats is dan vrijwel vol. Gedurende 10 jaar moet een gesloten begraafplaats onaangeroerd blijven liggen. Na die tijd mag de grond voor bezaaiing of beplanting worden gebruikt. Dertig jaar na sluiting mag gegraven worden tot grotere diepte dan 0,5 meter. Aanvankelijk was het de bedoeling de begraafplaats terug te geven aan de natuur.
De op willekeurige plekken aangeplante beukenbomen dateren uit die tijd. De eerder genoemde Gerrit Schumm heeft de begraafplaats behoed voor bebossing en is de aanjager geweest voor het herstel van de padenstructuur in 1993. Voor zover mogelijk werden kapotte grafstenen provisorisch hersteld. Op de eerste en tweede klasse grafvelden van de algemene begraafplaats staan de meeste grafstenen.
Op de eerste en tweede klasse grafvelden van de algemene begraafplaats staan de meeste grafstenen. In april 2014 waren de iepen nog niet gekapt. Op de voorgrond het graf van Sophia Dekker. Rechts daarvan het dubbelgraf van de broertjes Koeman. Foto Ernst Mooij.
De nog aanwezige stenen op de het derdeklas grafveld van de algemene begraafplaats zijn merendeels klein van formaat. Zeker is dat overal grafstenen zijn verdwenen, maar vele graven zullen ook voorzien zijn geweest van houten graftekens en die zijn in de loop van de tijd vergaan. De leegte op de eerste en tweedeklas grafvelden van het rooms-katholieke gedeelte komt doordat daar weinig begrafenissen hebben plaatsgevonden. Op de derde klasse grafvelden is het aantal grafstenen gering.
De nog aanwezige grafstenen op de derdeklas grafvelden van de algemene begraafplaats zijn in het algemeen klein van formaat. Foto Ernst Mooij.
Het pad dat de middenas van de begraafplaats vormt, werd vanaf de opgang aan de oostzijde geflankeerd door hoog opgaande iepen. Wegens iepziekte zijn die in 2014 en 2015 gekapt. Dat lot trof ook de treuriep in de rotonde. Daarmee heeft de begraafplaats veel van zijn monumentale karakter verloren.
De ensemblewaarde van het mortuarium-anatomiegebouw met de begraafplaats is verloren gegaan sinds het mortuarium is verbouwd tot woonhuis en door erfbeplanting voor een belangrijk deel aan het zicht wordt onttrokken. De begraafplaats is aan de oostzijde via een pad langs het voormalige mortuarium te bereiken. De achteringang is voor wandelaars gemakkelijker te vinden.
Waardering
Zo nu en dan wordt de begraafplaats nog door nazaten bezocht en/of wordt bij Oud-Castricum informatie opgevraagd.
In het monumentenregister van de Rijksdienst voor het Cultureel staat als slotzin: “De begraafplaats uit 1909 is van algemeen belang als historisch-functioneel onderdeel van het ziekenhuiscomplex Duin en Bosch. Vanwege het ontwerp in decoratieve tuinstijl. Vanwege de inrichting met groenaanleg, padenstelsel, grafstenen en hekwerken.”
De verwachting is dat PWN als beheerder een goed evenwicht zal nastreven tussen het behoud van dit cultureel erfgoed en het behoud of versterking van de natuurwaarden.
Van het gietijzeren kruis op de calvarieberg resteert alleen nog het onderste deel. Een speurtocht op internet heeft een identiek kruis opgeleverd. Daarover verschijnt een artikel in het volgende jaarboek.
Albers Adviezen Historische Parken en Anja Guinée -Landschapsarchitectuur, Begraafplaats Duin en Bosch te Castricum, aanleggeschiedenis en waardenstelling, november 2021.
Register der Algemene Begraafplaats (van het Gesticht ”Duin en Bosch” te Bakkum, 1914). Noord-Hollands Archief.
Register der Roomsch-Katholieke Begraafplaats (van het Gesticht ”Duin en Bosch” te Bakkum, 1914). Noord-Hollands Archief.
Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.
Jaarboek 47, pagina 5
Muttathara 40 jaar
Kringloopwinkel steunt al jaren ontwikkelingslanden
Logo van Muttathara.
In 1983 werd de ‘Stichting Castricum helpt Muttathara’ opgericht met aanvankelijk als doel financiële hulp te verlenen aan projecten in het Indiase dorp met dezelfde naam (Muttathara). Later is die hulp uitgebreid naar andere ontwikkelingslanden. De stichting exploiteert nog steeds met succes een kringloopwinkel, met name dankzij de onvoorwaardelijke steun van een grote groep vrijwilligers.
Geschiedenis
Het begon allemaal in de jaren (negentien) zeventig, toen de Castricumse familie Oudejans de studie van een Foster Parents kind, genaamd Thomas Thekkedath, in India betaalde. Nadat hij zijn opleiding voor priester had afgerond, werd hij benoemd in Muttathara, een lepradorp in de zuid punt van India.
Thomas Thekkedath in studietijd. Foto familie Oudejans.
De familie Oudejans reisde begin jaren (negentien) tachtig naar India en bezocht Thomas in het dorp. Zij schrokken van de armoede en de omstandigheden waaronder vooral de leprapatiënten moesten leven. Terug in Castricum wilde de familie iets doen aan de hachelijke situatie. Er werden verschillende acties georganiseerd, waarmee steeds meer middelen werden geworven.
Aankomst Thomas op Schiphol in november 1970. Van links naar rechts Liedeke Oudejans, Thomas, Annie, Annette en Gerard Oudejans. Foto familie Oudejans.
Onbetaald
Hans Oudejans is van jongs af aan betrokken geweest bij Muttathara door de activiteiten van zijn ouders. Hij blikte als volgt terug: “Het lepradorp Muttathara is veranderd door de vele schenkingen en de belangeloos werkende vrijwilligers van Castricum en omstreken. De aanleiding was de door mijn vader Gerard en moeder Annie gesteunde priesteropleiding van Thomas Thekkedath. Tijdens zijn studie bracht Thomas diverse keren een bezoek aan Castricum en verbleef dan bij mijn ouders. Hij was er onder andere rond de kerstdagen in 1970 en leerde toen ook sneeuw kennen.
Thomas kreeg een eigen parochie na zijn opleiding in Chengannor, vlakbij genoemd lepradorp. Er was veel armoede en geen werkgelegenheid. Ook geen waterleiding, elektra of rioolaansluiting. Mede door stichting ‘KOOK’ vormde Gerard het idee om in India, bij het gebied waar Thomas werkzaam was, hulp te gaan bieden. Het dorp Muttathara moest eerst lepravrij worden gemaakt.
Door de steun van schenkingen en allerlei soorten giften werd hier in Castricum een tweedehands verkoop opgezet. Met de opbrengst daarvan werden in Muttathara de ontbrekende nutsvoorzieningen aangelegd. Ook kwam er een ziekenhuis voor leprapatiënten.
De vrijwilligersorganisatie werd groter, evenals de ontwikkelingssamenwerking en het hergebruik van goederen.
Het kenmerk van onze vrijwilligers is dat hun werk onbetaald is. Het is vrijwillig, maar niet vrijblijvend. Werken voor deze stichting geeft bevrediging in het doen van goed werk.
De gemiddelde leeftijd ligt vrij hoog, met als voordeel dat de levens- en werkervaring ruim aanwezig is. Door de samenwerking tussen de vrijwilligers wordt er zeer veel bereikt in ontwikkelingslanden, los van politieke partij of godsdienst, met inzet en wilskracht.”
Jaarboek 47, pagina 6
In december 1981 werd de Stichting ‘Wereldoriëntatie Castricum’ opgericht. Het doel van deze stichting was het bevorderen van de kennis bij de Castricumse bevolking over de derde wereld, zoals dat toen heette. Een onderdeel daarvan was de Werkgroep India, die bestond uit Gerard Oudejans, Miep Graafland en Ton Brugman. Deze werkgroep startte met het project Health for One Million (HOM) dat in India werd uitgevoerd door het Comité Muttathara onder leiding van Frater Thomas Thekkedath. In juni 1982 schreef de werkgroep naar diverse organisaties een brief om het draagvlak te toetsen voor het oprichten van een stichting. Dat werd op 4 mei 1983 een feit.
Doelstellingen
De Stichting Castricum helpt Muttathara heeft ten doel financiële hulp te verlenen aan projecten voor de bevolking van de ontwikkelingslanden India, Afrika en Latijns-Amerika. De doelen betreffen gezondheidszorg, educatie of de ontwikkeling van kleinschalige economische projecten. Het geld komt bijna uitsluitend uit het beheren van een kringloopwinkel, waarvan de medewerkers allen vrijwilligers zijn.
Overhandiging van een cheque van de opbrengst van Muttathara op de Castricummerwerf in 1993. Foto Ad van de Velde.
Veel inwoners uit Castricum en omgeving kiezen ervoor om spullen niet weg te gooien, maar naar Muttathara te brengen. Ook zijn er donateurs en ontvangt de stichting giften, bijvoorbeeld ter gelegenheid van een jubileum of huwelijk. De stichting heeft de ANBI-status (Algemeen Nut Beogende In stelling).
Een projectgroep buigt zich over de besteding van de gelden. Een van de doelstellingen is het stimuleren van bewustwording met betrekking tot ontwikkelingslanden. Daar naast wil men het hergebruik van goederen stimuleren, waarover elk jaar informatie wordt gegeven in de winkel en daarbuiten. De tweedehands goederen werden en worden ook regelmatig geschonken aan projecten dichterbij huis, zoals bijvoorbeeld voor hulp aan Roemenië of aan Oekraïne.
Organisatie
De aansturing van de stichting is in handen van het bestuur. Dat bestaat uit een dagelijks bestuur en vertegenwoordigers uit de winkel en de projectgroep. De eerste voorzitter was Gerard Oudejans, de grote pionier van de Castricumse hulpverlening aan India.
Tim Joosse vervulde die functie vanaf 1997 tot het 25-jarig bestaan. Hij stelde in het jubileumnummer: “De gemiddelde leeftijd van de vrijwilligers ligt boven de zestig jaar. Het zijn dus mensen die een behoorlijke levens- en werkervaring meenemen. Het uitgangspunt is dat de vrijwilligers een grote mate van zelfstandigheid hebben. Het is natuurlijk niet alleen maar vrijheid en blijheid, maar het plezier staat voorop.”
Zijn opvolger Hans Rook zei in het nawoord: “Gelukkig gaat het goed met Muttathara, we bevinden ons nog steeds in een opgaande lijn. Vastgesteld kan worden dat we op de goede weg zijn, maar het einddoel is nog lang niet in zicht.”
Hans Rook in 2008. Foto Hans Boot.
Voorzitters 1983 – 1986 Gerard Oudejans 1986 – 1997 Ton Brugman 1997 – 2008 Tim Joosse 2008 – 2013 Hans Rook 2013 – 2016 Karin Mulder 2016 – 2019 Elly Oude Elferink 2019 – heden Tim de Heer
Projecten en projectgroep
De projecten die worden ondersteund door de stichting zijn met name gericht op scholing en ontwikkeling van kansarme kinderen, structurele armoedebestrijding en gezondheidszorg. Er wordt bijvoorbeeld veel gedaan aan het slaan van putten voor het verkrijgen van schoon drinkwater.
Jaarboek 47, pagina 7
Daarnaast worden projecten voor jonge vrouwen en moeders ondersteund. De financiële steun heeft over het algemeen een tijdelijk karakter en is erop gericht om de mensen of de gemeenschap zelfvoorzienend te maken.
Aan de grote projecten gingen in de beginjaren allerlei acties vooraf, zoals oud-voorzitter Ton Brugman in zijn memoires beschreef: “In het jaar 1983 wordt gestart met het houden van een jaarlijkse huis-aan-huiscollecte. Miep Graafland heeft dit al die jaren begeleid. Ook werd er geld ingezameld door het wassen van auto’s, een fancy fair, verkoop van spullen op de braderie, samenwerking met de Wereldwinkel, sponsoracties, een benefietconcert en schooljeugd die fietst of hardloopt. Het eerste geld dat wij overmaakten aan India was bestemd voor uniformen en schoolboeken, zodat de kinderen naar school konden.”
De eerste jaren werd met deze acties een kleine 5.000 gulden verzameld en overgemaakt naar het Muttatharaproject. Er konden ongeveer vijftig kinderen per jaar van naar school. De projectgroep beoordeelt namens het bestuur alle donatieaanvragen en kent de verschillende donaties toe aan projecten die voldoen aan genoemde doelstellingen, zoals vermeld is op de website.
Eite Drent was voorzitter van de projectgroep van 1983 tot 2001. Zij liet in de jubileumuitgave van 2008 weten: “Toen ik afscheid nam van de projectgroep hadden we op de kop af zo’n 5.000.000 gulden naar projecten in India overgemaakt. Vele tienduizenden kinderen hebben we in die periode een betere kans op een volwaardig bestaan kunnen bieden. Het jaarverslag van 2006 vermeldt dat er alleen al in dat jaar 220.000 euro aan in totaal 39 projecten is overgemaakt. Een grote prestatie en een bewijs van het ijzersterke concept voor de Castricumse ontwikkelingshulp en het wereldburgerschap van de Castricummers.”
Jaarlijks steunt Muttathara ook vele projecten die opgestart zijn door (ex)inwoners uit Castricum en omgeving. Voorbeelden daarvan zijn Mariette’s Child Care, Grannies 2 Grannies Friesland en Stichting Maak Ethiopië Gezonder.
Hans Oudejans zei in het jubileumnummer van 2008 over het werk van de uit Castricum afkomstige Mariëtte Asagbo-Krouwel: “Zij is een zeer gemotiveerde vrouw die haar geluk in Ghana heeft gevonden. In 2004 ging zij als negentienjarige voor drie maanden vrijwilligerswerk doen in Ghana en berichtte het thuisfront dat ze daar wilde blijven werken en wonen. Ze trouwde met predikant Moses Asagbo en samen besloten zij een kindertehuis te stichten, waarvoor een woonhuis in Sunyani werd gehuurd. In 2008 openden zij een nieuw tehuis op een groot terrein. Het hoofdgebouw is gesponsord door Muttathara.”
Mariëtte Asagbo-Krouwel en Moses Asagbo te midden van de kinderen van hun tehuis.
Het kindertehuis dat de naam ‘Hanukkah’ (betekent ‘toewijding’) kreeg, wordt gefinancierd door de Stichting Mariëtte’s Child Care die is opgericht door Mariëttes ouders Marjo van Dijck en Gerrit Krouwel.
Lintje
De 83-jarige Frits Schreuder was vanaf 1997 actief voor Muttathara in verschillende functies, zoals hij vertelde: “Anton van Riel, de schoonzoon van Gerard Oudejans, vroeg of ik daarvoor iets voelde. Ik startte in de winkel en werd al gauw gevraagd lid te worden van de projectgroep. In 2004 volgde ik Hans Ploeg op als voorzitter daarvan. Van 15 januari tot 5 februari 2000 heb ik met hem een reis gemaakt naar India. Zo’n reis werd anderhalf jaar van tevoren voorbereid.
Locaties die we bezochten waren onder andere het Helen Keller Instituut in Bombay, het ziekenhuis in Assisi en diverse scholen. Het viel me vooral op hoe groot de tegenstellingen waren. Aan de ene kant waren er wijken die in grote armoede leefden en pal daarnaast lag een golfterrein. Ook was het typerend dat de leiders van de projecten ter plaatse een veel mooier verhaal vertelden over de besteding van onze gelden dan de lokale medewerkers. Daaruit bleek dat de situatie vaak veel genuanceerder was …”
Op 26 april 2021 ontving Frits uit handen van burgemeester Mans een lintje voor zijn verdiensten als vrijwilliger voor diverse organisaties, waaronder de Stichting Muttathara. Na het beëindigen van zijn voorzitterschap van de projectgroep, bleef Frits een trouwe kracht in de winkel totdat er in december 2023 afscheid van hem werd genomen.
Frits Schreuder. Foto Frits Schreuder.
Jaarboek 47, pagina 8
De kringloopwinkel
Eind 1983 werd Ruud Cooke door het bestuur ontvangen. Hij was al twaalf jaar verbonden aan de kringloopwinkel van de Stichting Kook in Alkmaar en stelde voor ook in Castricum een begin te maken met het inzamelen en verkopen van goederen met als doel ontwikkelingslanden te steunen.
Van links naar rechts de vrijwilligers Ruud Cook, Ina Bakker, Elly de Nijs en Ton Brugman in de winkel aan de Oude Haarlemmerweg in 1990. Foto Ad van de Velde.
Nadat met de gemeente overleg was gevoerd, werd hiervoor plotseling het pand van supermarkt B&W aan de Dorpsstraat beschikbaar gesteld. Omdat ook voldoende vrijwilligers bereid bleken te zijn om te helpen, stemde het bestuur op 2 mei 1984 in met de winkel. Hierna werden met een oude oranje bestelauto de goederen thuis bij de mensen opgehaald. Binnen een jaar verhuisde de winkel naar een oude Romneyloods aan de Oude Haarlemmerweg 77a. De opening van de winkel vond plaats op 14 juli 1984.
De kringloopwinkel in de loods aan de Oude Haarlemmerweg 7. Foto Ad van de Velde.
Jaarboek 47, pagina 9
De omzet steeg snel en in 1990 moest worden uitgekeken naar een ander en liefst groter pand met veel parkeerruimte. Met steun van de gemeente viel het oog op de Castricummerwerf, zodat op 16 januari 1993 het huidige pand in gebruik kon worden genomen. Zeer toepasselijk kreeg het de naam Muttathara.
De winkel heeft altijd de sympathie van de Castricumse bevolking gehad. Het dorp Muttathara werd dankzij de financiële opbrengsten al na een paar jaar zelfvoorzienend, waarna de hulp kon worden afgebouwd.
De dagelijkse leiding is in handen van winkelleiders met ondersteuning van assistenten en coördinatoren. Winkelleider Herman Bouwens lichtte toe: “In de winkel kan men heerlijk struinen tussen allerlei prachtige spullen. Er is voor ieder wat wils. We hebben een uitgebreide boekenhoek, mooie kleding, veel meubilair, prachtig servieswerk, elektra en veel snuisterijen. Men kan spullen afgeven tijdens de openingstijden. Die zijn nog steeds op dinsdag, donderdag en zaterdag van 10 tot 15 uur. Het is belangrijk dat de goederen schoon zijn en in goede staat. Onze winkel is niet zo groot en daarom nemen we geen bedden en matrassen meer in. Spullen kunnen ook thuis opgehaald worden met onze vrachtwagen, waarvoor tijdens de openingstijden telefonisch een afspraak kan worden gemaakt.”
Afrekenen bij de kassa. Foto Hans Boot.
Talloze vrijwilligers hebben in die ruim veertig jaar hun steentje bijgedragen aan het reilen en zeilen van de winkel. Mensen van het eerste uur zijn of waren Tineke Broekema, Truus van Tergouw, Klaas Zonjee, Toos en Truus Zwaan, Clara Scheerman, Betty Dijkstra, Wil de Vries, Ank van der Himst en Rina Kuijs.
Inname van goederen in de huidige winkel. Van links naar rechts Carla Dekker, Herman Bouwens en Nico Dekker. Foto Hans Boot.
Jaarboek 47, pagina 10
Naslagwerken
In de DVD ‘Inkijk bij Muttathara’ van Henk Waal uit 2011 vertelt Rina Kuijs als coördinator van de boekenhoek over deze afdeling: “Ik denk dat we hier inmiddels zo’n 10.000 exemplaren hebben staan. Er komen niet alleen ouderen en kinderen op af die het leuk vinden om een boek uit te zoeken, maar ook handelaren.
Regelmatig komen er mensen terug die specifieke boeken zoeken. Als boeken hier langer dan een jaar staan, gaan ze eruit. Er komen ontzettend veel streekromans binnen.
Je kunt niet alles in de stellingen zetten, dus veel dubbele exemplaren doen we weg. We hebben ook hele mooie naslagwerken. Die worden eerst opgezocht op internet en dan wordt er een prijs bepaald aan de hand van de prijs op internet. Wij gaan dan op een kwart daarvan zitten.
Omdat we in ’t algemeen lage prijzen aanhouden is de omzetsnelheid erg hoog. Als je de boeken op internet zou aanbieden ondergraaf je eigenlijk het principe dat men hier een leuk boek moet kunnen kopen.”
Ook Anny van der Hoek is al jaren een trouwe kracht. In de Castricummer van 10 mei 2023 vertelde ze: “Ik ben hier nu achtentwintig jaar actief. Uiteindelijk belandde ik in de boekenhoek en ben daar voor vast op de dinsdag gebleven. We hebben zowel onderling als met de klanten heel goed contact, dus het is elke keer weer een feestje om naar Muttathara te gaan!”
De dames van de boekenhoek. Van links naar rechts Astrid Koster, Anny van der Hoek, Mieke Doornbos en Henny Poeze. Foto Hans Boot.
Kan er niet wat van af?
Wim van Waveren maakt inmiddels ook al 27 jaar deel uit van de winkelmedewerkers. Zijn terugblik: “Nadat ik met pensioen ging bij de brandweer in Amsterdam, ben ik op verzoek van Henk de Graaf begonnen bij Muttathara in het net opgeleverde nieuwe gebouw. Eerst werd ik ingedeeld bij de afdeling technische dienst en hield ik mij bezig met het in elkaar zetten van kasten en het controleren van gastoestellen, wasmachines en drogers. Als die waren goedgekeurd voor de verkoop, werden ze door medewerkers van de technische dienst geprijsd en in de winkel gezet.
Later ben ik ingeschakeld als chauffeur van de vrachtwagen voor het ophalen en bezorgen van meubels enzovoorts. In feite moesten de spullen achter de voordeur van de woning klaar staan, maar het gebeurde ook dat het huis van iemand die was overleden, nog vol stond en de haringen nog in de koelkast lagen.
Toen ik rond 2014 hartproblemen kreeg, ben ik gestopt met transport en weer teruggekomen bij de technische dienst.
Daarover kan ik nog een aardige anekdote vertellen. Op een gegeven moment riep winkelleider Klaas Zonjee of ik even bij hem wilde komen met een handzaag. Hij was namelijk met een klant bezig die een tafel wilde kopen en vroeg of er niet wat vanaf kon, waarop Klaas vroeg of ik een stuk van de poten af kon zagen … De koop was daarna gauw gesloten!
Ik heb altijd met veel plezier gewerkt en het zilverwerk gepoetst totdat ik op 1 juni 2024 afscheid nam. Mijn echt genote Marijke is echter nog actief met het sorteren en repareren van sieraden.”
NB. Helaas heeft Wim het verschijnen van dit jaarboek niet meer mee mogen maken vanwege zijn overlijden op 26 juli 2024.
Wim van Waveren.
Jaarboek 47, pagina 11
Wim Noom is sinds 2013 verbonden aan de winkel en maakte twee bijzondere vondsten mee: “In 2014 kwam ik in een boek acht bankbiljetten van 250 gulden tegen. Daar zat een briefje bij waaruit bleek dat iemand dat geld had nagelaten aan een familielid of bekende, maar het nooit bij de begunstigde terecht is gekomen. Wij hebben het geld toen bij de Nederlandse Bank gebracht en vervolgens is het overgemaakt in euro’s en in onze goededoelenpot gestort.”
Tentoonstelling op Het Rinkelven in het najaar van 1982. Van links naar rechts Anton en Liedeke van Riel en Miep Graafland.
In april 2023 stuitte Wim met Henk de Smet op een brief van 28 maart 1946 van NSB-leider Anton Mussert: “Die zat op dat moment vast in de strafgevangenis van Scheveningen in afwachting van zijn doodvonnis. De brief, die gericht was aan minister-president Schermerhorn, was niet het origineel, maar wel een heel duidelijke kopie. We hebben toen direct contact opgenomen met het NIOD. Het instituut beschikte al over een kopie, maar die was in minder goede staat en dus was men erg blij met onze gift.”
Wim Noom (links) en Henk de Smet met de brief van Mussert. Foto Hans Boot.
Financiën
Geld heeft uiteraard altijd een belangrijke rol gespeeld om de hulpverlening door de stichting mogelijk te maken. Hans Oudejans beschreef in het jubileumnummer van 2008 hoe de eerste middelen werden verzameld nadat zijn ouders in 1979-1980 hun adoptiekind Thomas Thekkedath bezochten: “Er kwam een fancyfair in de Paulusschool, die 3.500 gulden opleverde. Vitesse ’22 en ook een paar scholen werden bereid gevonden acties te ondernemen en er werd een collecte georganiseerd. Die bracht toen al 5.000 gulden op en dat zette zoden aan de dijk!”
Daarna groeiden de inkomsten gestaag, vooral dankzij de opbrengsten van de winkel. Zo liet het financieel overzicht over het boekjaar 1991 een totaal aan inkomsten van bijna 231.000 gulden zien. Daarvan werd 207.510 gulden aan projecten besteed. In 2008 was dat bedrag al opgelopen tot circa 350.000 euro.
Krantenbericht Kort Allerlei.
Jaarboek 47, pagina 12
Hein Hilhorst was vanaf 2014 tot 2022 penningmeester en keek als volgt terug: “Met uitzondering van de coronajaren 2020 en 2021 hebben de winkelomzetten per jaar gedurende die periode gefluctueerd tussen de circa 300.000 en € 350.000 euro na afdracht van BTW. Gemiddeld werd per jaar circa 20 procent daarvan aan kosten (onderhoud pand, energie, verzekeringen, vrachtauto en vrijwilligers) gemaakt, zodat elk jaar tussen de 250.000 en 300.000 euro voor steunprojecten beschikbaar kwam. Jaarlijks werden tussen de dertig en vijftig goede doelen/projecten gesteund met bedragen van enkele honderden tot enkele duizenden euro’s per project. In uitzonderingsgevallen werden bedragen van ongeveer 10.000 euro toegekend. De steun ging hoofdzakelijk naar projecten in India maar in toenemende mate werd ook aan projecten in Zuid- Amerika, Afrika en andere delen van Azië gedoneerd.”
Volgens Hein was een van de punten van zorg de vraag of de fondsen van de stichting lokaal juist werden besteed: “Doorgaans kregen we goed onderbouwde aanvragen en verantwoordingsverslagen achteraf. Daarnaast reisden om de twee à drie jaar delegaties van Muttathara af naar India om een aantal projecten, waar steun aan was verleend, te bezoeken en om de besteding enigszins te kunnen controleren. Bij een van die reizen kwam ons team erachter dat een donatie van 10.000 euro zeer waarschijnlijk niet besteed was aan het doel waarvoor het was aangevraagd.
Na indringende correspondentie met de ontvanger van dit bedrag, hebben wij het overgrote deel van onze donatie weer terugontvangen. Hoge juridische kosten met een onzekere uitkomst van een eventuele procedure in India, hebben ons toen doen besluiten om genoegen te nemen met niet volledige terugbetaling. Uit de ons toegezonden verantwoordingsverslagen, foto’s van en fysieke bezoeken aan de diverse door Muttathara ondersteunde projecten kunnen we opmaken dat het geld eigenlijk altijd op de voorgestelde wijze juist werd en wordt ingezet en dat het onjuiste gebruik van onze fondsen tot de grote uitzonderingen behoort.”
Bezoek van Jan en Miep Graafland aan India in 1995.
Plakkaat
Oud-voorzitter Tim Joosse onder nam twee keer de reis naar India en vertelde daarover: “In 1999 en 2002 ben ik op eigen gelegenheid samen met mijn man en een vriendin in India geweest. Daar hebben wij een tiental projecten bezocht die door Muttathara werden ondersteund. Niet om te controleren wat daar gebeurde, maar om waardering te laten blijken voor het vaak moeilijke werk en om contacten te leggen. Wij ontmoetten daar onder andere bisschop Thekkedath, de man waar het allemaal mee begonnen is. Ook met dokter Jenkins, een Engelse zendingsarts die veel betekend heeft voor onze contacten in India, hebben we een aantal dagen opgetrokken.
Heel bijzonder was het bezoek aan een klein ziekenhuis in de deelstaat Tamil Nadu, een onherbergzaam bergachtig gebied in het uiterste zuiden van India. Dit ziekenhuis werd voornamelijk door Muttathara gefinancierd en kreeg de naam ‘Castricum Trust Hospital’. De gemeente Castricum had hiervoor een zwaar houten plakkaat beschikbaar gesteld. Dat enorme ding hebben wij door half India meegezeuld. Samen met een deelraadminister heb ik dat plakkaat onthuld ter opening van het ziekenhuis.Een feestelijke bijeenkomst. Vanuit dit hospitaal werd ook ambulante hulp aangeboden met een medische terreinwagen die eveneens gefinancierd was door Muttathara. Deze wagen met arts en verpleegkundigen deed op vaste tijden afgelegen nederzettingen aan waar patiënten hulp ontvingen. Uitzonderlijk dat we dat mee mochten beleven in dit ruige berglandschap.
Tenslotte kwamen we via de Vrije Universiteit in contact met twee antropologiestudenten die gedurende een half jaar op kosten van Muttathara voor dit project in Tamil Nadu onderzoek deden en het werk daar verder tot ontwikkeling hebben gebracht.”
Tim Joosse.
Jaarboek 47, pagina 13
Bezoeken aan projecten
Sinds de stichting actief is worden er ook regelmatig reizen gemaakt naar de landen en plaatsen waar de gesponsorde projecten zich bevinden. Enerzijds omdat het leuk is om te zien wat er tot stand is gebracht en anderzijds, zoals al eerder genoemd, om te controleren of de gelden naar behoren zijn of worden besteed. Nog steeds worden eens in de paar jaar enkele medewerkers voor bezoeken afgevaardigd.
Begin 2008 bezochten Hans Rook en Martin Kleverlaan India. Hans Rook zei daarover: “Wij kwamen in gebieden die zeker niet staan in de brochures van welke reisorganisatie dan ook, maar waar de meeste mensen wonen die voldoen aan de voorwaarden van Muttathara. Wij moeten ons er dagelijks van bewust zijn hoe vreselijk arm men in die gebieden is en hoe verschrikkelijk rijk wij toch zijn.”
In het verleden waren er ook Castricumse burgemeesters die de missie van Muttathara wel eens van dichtbij wilden meemaken en afreisden naar India. Na Aaltje Emmens-Knol bezocht Toon Mans in februari 2015 het district Kadapa. Hij werd daar aangekondigd als ‘Mister Toon Mans, lord mayor of Castricum – The Netherlands. Vanuit India liet hij weten: “Ik was in allerlei televisieprogramma’s en kranten te zien. Een heel bijzondere ervaring.” Daarna werd hij overal herkend en wilden mensen met hem op de foto.
Terugkijkend zei Castricums oud-burgemeester: “Ik heb hele mooie herinneringen aan het bezoek. We hebben veel verschillende projecten bezocht die Muttathara ondersteunt. Je ziet dat mensen hierdoor echt een beter leven hebben. En ik heb tot vandaag nog contact met mensen uit India. Een van de hoogtepunten was een bezoek aan de burgemeester en gemeenteraad van Kadapa.
Bijzonder was ook dat de inwoners voor mijn overnachtingen een speciaal bed voor me hadden getimmerd, omdat de standaardbedden qua lengte te kort voor mij waren …”
Toon Mans reisde begin 2015 af naar India en kreeg een hartelijk welkom.
Tussen 19 en 31 januari 2019 voerden Evert Hofland en Hein van der Kolk, respectievelijk als voormalig en huidig voorzitter van de projectgroep, een audit uit op een aantal Non Government Organizations (NGO’s) die Muttathara zowel projectmatig als structureel ondersteunt. Tijdens deze rondreis stond een bezoek van dertien organisaties en aanverwante projecten op het programma.
Evert en Hein schreven in hun rapportage: “Bij elk bezoek is zoveel mogelijk een vast patroon gehanteerd aan de hand van een standaard vragenlijst. Bij alle NGO’s zijn we feestelijk ontvangen met bloemenkransen, sari’s en soms zelfs geborduurde shirts met onze namen erop. Ook stond er meestal aan het begin van het dorp of projectlocatie een banner met een feestelijke verwelkoming en onze namen erop. Opvallend was de droogte in het deel van India waar wij waren. Wij hebben oude drooggevallen waterputten van tien meter diep gezien die vervangen waren door via Muttathara gefinancierde pompen, die vanuit een diepte van 120 meter en zelfs 250 meter water konden oppompen.”
De tot nu toe laatste reis vond plaats van 20 januari tot en met 3 februari van dit jaar. Toen brachten Tim de Heer en Hein van der Kolk een bezoek aan een tiental NGO’s in de regio’s Andhra Pradesh en Tamil Nadu in Zuid-Oost India. In hun verslag staat: “Door de klimaatverandering heeft India ook regelmatig te kampen met overvloedige regenval of langdurige droogteperiodes, met als gevolg een toenemende behoefte aan schoon drinkwater. Dit jaar stonden de projectbezoeken dan ook voornamelijk in dat teken. Onder de NGO’s die bezocht zijn, waren zestien projecten gericht op het slaan van putten en (hand)pompen. Daarnaast waren er projecten voor educatie van meisjes en vrouwen (naaiateliers), het verbeteren van sanitaire omstandigheden in de dorpen en een gezondheidscentrum voor leprapatiënten.
Oorspronkelijk waren er elf NGO’s aangeschreven, waarbij er één zich op het laatste moment afmeldde. Ondanks herhaalde verzoeken is dit bezoek niet gelukt en zal verdere sponsoring van deze organisatie gestaakt worden. Een andere NGO bleek de administratie niet op orde te hebben en kon daardoor het gesponsorde bedrag niet goed verantwoorden. Ook deze samenwerking zal worden gestaakt. De overige negen NGO’s hadden de zaken prima voor elkaar. Voor hen werd met voldoening vastgesteld dat het geld op juiste plek terecht gekomen was.”
Tim de Heer en Hein van der Kolk (rechts) tijdens een van hun bezoeken eind januari 2024.
Jaarboek 47, pagina 14
Voorzitter Tim de Heer voegde daar als persoonlijke beleving aan toe: “Vooral de eerste dagen was het wennen aan de ontvangsten, met muziek en bloemenkransen. Het leek echt wel alsof wij op staatsbezoek waren, werkelijk een overweldigende ervaring!“
Jubilea
Muttathara heeft inmiddels stilgestaan bij het vijfentwintig- en veertigjarig jubileum.
In mei 2008 werd er een fraaie brochure uitgegeven ter gelegenheid van het zilveren jubileum. Daarin werd er teruggeblikt op hoe het begon en wat er allemaal in die vijfentwintig jaar tot stand is gebracht. Uiteraard kwamen ook diverse vrijwilligers aan het woord.
Tekening 25-jarig bestaan.
Het heuglijke feit werd gevierd tijdens een feestweek van 2 tot en met 7 juni met diverse activiteiten. Het begon woensdag met een bijeenkomst voor de medewerkers en partner in de zaal van ’t Hoorntje in Akersloot. Naast een warm en koud buffet mochten zij genieten van Oud-Hollandse spelletjes.
(Oud)medewerkers en relaties werden uitgenodigd om vrijdagavond na de opening door burgemeester Aaltje Emmens-Knol kennis te nemen van een presentatie over de projecten van de stichting in India en Afrika. Frater Thomas Thekkedath was speciaal voor deze gelegenheid uit India naar Castricum gekomen. De avond werd opgeluisterd met muziek van het ensemble ‘Schmeychl’ en een West-Friese voordracht van Dick Groot.
De feestweek werd afgesloten met een veiling van topstukken en een spetterende modeshow op zaterdag in de kringloopwinkel.
Jaarboek 47, pagina 15
Begin mei 2023 was er weer reden voor een feestje vanwege het veertigjarig bestaan. Voor de bezoekers van de kringloopwinkel was daarom op zaterdag 6 mei de entree met ballonnen versierd en om 9.30 uur stond er al een kar van De Roset om gratis ijsjes te verstrekken.
’s Avonds werden de vrijwilligers in Fase Fier in het zonnetje gezet onder het genot van een drankje en een hapje. Voorzitter Tim de Heer opende de avond en stelde vast: “Onze stichting is in veertig jaar van een organisatie van vijfendertig vrijwilligers en een jaaromzet van circa 35.000 gulden gegroeid naar rond de tachtig vrijwilligers en een gemiddelde omzet van 250.000 euro.”
40 jarig jubileum in Fase Fier.
Nadat alle vrijwilligers waren bedankt werd Herman Bouwens extra in het zonnetje gezet, omdat deze vrijwilliger er bijna altijd is, ook bij calamiteiten of als er iets gerepareerd of geïnstalleerd moet worden.
Toekomst
Tijdens het veertigjarig jubileum zei Tim de Heer: “De kracht van onze organisatie wordt zonder meer gevormd door onze vrijwilligers. Zonder hen zouden we nergens zijn. Verder noem ik de goede naam die wij in al die jaren in de regio hebben opgebouwd. Gezien de vele veranderingen in de samenleving is de beschikbaarheid van voldoende vrijwilligers nog wel constant een punt van zorg, omdat het grootste deel van onze medewerkers een respectabele leeftijd heeft bereikt.”
In 2020 werd ook Muttathara overvallen door de corona pandemie. Een plaatselijke krant van juli in dat jaar meldde daarover: “Ruim drie maanden was de winkel dicht vanwege de risico’s voor het personeel. Die ging echter voorzichtig weer open na het nemen van maatregelen als het verbreden van de looppaden en het plaatsen van schotten die ‘coronaproof’ waren. Bezoekers werden ook tot een bepaald aantal toegelaten, waardoor er lange rijen tot aan de bouwmarkt ontstonden.” De conclusie was dat de stichting nog genoeg vlees op de botten had, zodat alle goede doelen voor dat jaar alsnog gehaald konden worden.
Tim de Heer voor de Muttathara winkel tijdens de corona pandemie.
Na ruim veertig jaar Muttathara constateerde de voorzitter tot slot: “Gelukkig ligt de coronaperiode alweer een tijdje achter ons. De inwoners zijn ons trouw gebleven en weten ons nog steeds te vinden. De inkomsten zijn weer op het normale niveau en dankzij de ongelooflijke inzet van onze vrijwilligers zie ik de toekomst dan ook vol vertrouwen tegemoet. Ook de komst van een tweede kringloopwinkel in ons dorp heeft Muttathara niet uit het lood geslagen. Dus: op naar ons vijftigjarig jubileum!”
Hans Boot
Met dank aan: Ilonka Albers, Tim de Heer, Hein Hilhorst, Tim Joosse, Hein van der Kolk, Rina Kuijs, Toon Mans, Wim Noom, Hans Oudejans, Frits Schreuder en Wim van Waveren.
Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.
Jaarboek 45, pagina 29
In gesprek met … Niek Kuijs
muzikale melkveehouder die honderd jaar werd
Niek Kuijs.
In februari 2009 raakten we aan de praat. De toen 91-jarige vertelde en vertelde alsof het gisteren was gebeurd. Zo af en toe in het Castricumse dialect dat je zelden meer hoort.
Niek Kuijs is geboren in 1917 op de boerderij Alkmaarderstraatweg 52. Hij overleed in 2018, honderd jaar oud, in het Verzorgingscentrum De Boogaert. Zijn echtgenote Ans Liefting, inmiddels ook bijna 100 jaar, mist hem enorm.
Niek, zoon van de zeer bekende organist en dirigent Piet Kuijs en Trijntje Brandjes, heeft samen met zijn broer Jan de melkveehouderij van hun vader voortgezet tot de uitbreiding van het dorp dat onmogelijk maakte. Daarna werkte hij tot zijn pensionering bij de agrarische dienst van de Willibrordusstichting in Heiloo.
Piet Kuijs met echtgenote Trijntje Brandjes, tussen hen in zoon Jan en Niek op de arm van dienstbode Guurt Poel voor de boerderij.
Schooltijd
“Ik ging naar de Augustinusschool tot mijn 13e jaar. Het was een jongens- en een meisjesschool. De kloosterzusters bestuurden de meisjesschool. Die gaven daar les met een paar onderwijzeressen. Ik mocht na de lagere school niet doorleren van mijn vader; ik moest hem helpen. Ik heb nog wel een jaar of vier op de avondschool gezeten en ook op de tuinbouwschool die hier ook was.
Mijn vader was vaak weg. De missen voor begrafenissen en huwelijksfeesten, de ‘rouwtjes en trouwtjes’, waren altijd voor de middag en mijn vader speelde orgel in Castricum, Uitgeest, Egmond-Binnen, Heemskerk en in Heiloo. Het is een keer gebeurd dat hij achter in het land aan het werk was en de klok van de Pancratius hoorde luiden. Hij begreep dat hij een dienst was vergeten, liet alles vallen en rende zo snel hij kon in een rechte lijn dwars door weilanden en sloten naar de kerk en was nog net op tijd bij het orgel. ‘s Avonds was hij altijd weg. Hij ging altijd op de fiets. Vroeger ging alles nog lopend of fietsend. Auto’s had je temet niet. Vader is in 1966 op 88 jarige leeftijd overleden.”
Vader Piet Kuijs achter het orgel. Alkmaarderstraatweg 52 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd,
Kleppermars
Niek’s vader Piet was vooral musicus, de veehouderij kwam op de tweede plaats. Oorspronkelijk zou Piet van zijn vader bakker moeten worden; de bakkerij van Kuijs was in de Dorpsstraat, tegenover café De Vriendschap. Bij het beroep van bakker lag zijn hart helemaal niet. Al op jonge leeftijd was zijn muzikaliteit opgevallen en kreeg hij piano- en orgelles. Hij werd organist in verschillende parochiekerken en leidde kerkkoren. Daarnaast was hij ook nog directeur/dirigent van Castricums fanfare Eendracht maakt Macht (later Aloysius en Emergo genoemd), van DIU (Duin en Bosch), St. Caecilea (Heemskerk) en ‘Eensgezindheid’ (Egmond-Binnen). Zijn zoons hebben het muzikale talent van hun vader meegekregen.
Vader Piet Kuijs dirigeert zijn zonen, van links naar rechts Cor, Niek en Jan. Alkmaarderstraatweg 52 in Castricum, 1920. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Jaarboek 45, pagina 30
Voor hun vader was het vanzelfsprekend dat ze van hun talent gebruik maakten. Ze hebben daar zelf weinig keus in gehad. Misschien is dat wel de reden dat geen van zijn kleinkinderen in zijn voetsporen is getreden.
Piet Kuijs in actie als dirigent van Castricums fanfare.
Niek heeft veertig jaar trombone gespeeld bij de Castricumse fanfare. Zijn broers Jan, Piet en Cor bespeelden er ook verschillende instrumenten. Jan en Cor waren meer dan zestig jaar lid van het kerkkoor. Jongste broer Piet (1928-2020), bekend als makelaar en oprichter van reisbureau Zonvaart, is dirigent geweest van het korps ‘Eensgezindheid’ van Egmond-Binnen en heeft ook bij de Castricumse fanfare zijn vader enige jaren opgevolgd. In Egmond-Binnen kwam het korps een trombone tekort en nadat hij eigenlijk al gestopt was, heeft Niek, om zijn broer een plezier te doen, daar nog enige jaren gespeeld.
Niek: “Ik ben gek van klassieke muziek en vooral van harmonie en fanfare. Van jazz hou ik niet, dan draai ik vlug de knop om. Emergo is een goed korps geworden. Die treden op in binnen- en buitenland en doen mee aan verschillende muziekconcoursen. Ik heb in die veertig jaar, behalve mijn vader, natuurlijk verschillende dirigenten meegemaakt, die ons muziekkorps heel ver hebben geholpen.
De kleppermars met fanfare Castricum onder leiding van Piet Kuijs. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
In 1933 wilde mijn vader de Kleppermars uitvoeren. Hij zei tegen meester Van Westen: ‘Piet ik moet honderd jongens van je hebben’. Van Westen: ‘Ik heb er dertig in de klas en daar heb ik al moeite mee. Daar moet je niet aanbeginnen’. Mijn vader zette toch door. Jan Houtenbos, de timmerman, heeft de kleppers gemaakt. Guurt Piepers, de vrouw van ‘Slappe’ Piet Kuijs, maakte witte mutsen. We hadden een muziekconcours hier in Castricum en we traden op bij het gemeentehuis. Aan de overkant had je die villa van Goes en daar stonden we dan met honderd jongens met begeleiding van de fanfare. Het was wel zo mooi! Hij heeft etter en bloed gezweten om dat er in te krijgen. Ik werd bij een repetitie naar huis gestuurd. Waarom? Je had er een linkse bij, die klepperde links. Ik weet het nog best, dat was Siem Groentjes en ik was rechts. Dus ik sloeg elke keer tegen hem op met klepperen. Ik gaf hem op lest een opdonder. Ik moest naar huis van mijn vader. Hij moest een slachtoffer hebben en toen pikte hij mij eruit. De uitvoering werd een succes. Van heinde en ver kwamen de mensen naar de Kleppermars luisteren. Wat was het mooi!”
Niek’s zoon Jan (1952) heeft een boekje gemaakt, waarin hij de familiegeschiedenis beschrijft en de glanzende muzikale loopbaan van zijn grootvader memoreert. Maar ook de keerzijde van de medaille laat hij niet ongenoemd: “Zijn enthousiasme en doorzettingsvermogen is voor velen een voorbeeld geweest. Hij kon dit alles uitvoeren door de steun van zijn vrouw en veel van zijn kinderen. Hij heeft daarbij het bestaan en de levensvatbaarheid van het familiebedrijf, wat hij van zijn vader heeft geërfd, nogal verwaarloosd.”
Samen met eigenaar neef René bewondert Niek de in 2010-2011 gerestaureerde boerderij.
Uit het leven van Niek Kuijs
Niek Kuijs (geboren op 20 september 1917) en zijn broer Jan zijn vanaf hun jeugd betrokken bij de veehouderij op de boerderij Alkmaarderstraatweg 52.
Grootvader kocht deze in 1908 voor zijn zoon Piet. Piet Kuijs (1877-1966) is oorspronkelijk werkzaam in de bakkerij van zijn vader (landbouwer en bakker) in de Dorpsstraat tegenover café ‘De Vriendschap’. Na het overlijden van zijn eerste vrouw trouwt Piet
Jaarboek 45, pagina 31
in 1914 met Trijntje Brandjes. In 1916, 1917 en 1918 worden Jan, Niek en Cor op de boerderij geboren. De passie van vader Piet ligt vooral bij de muziek en de drie zonen moeten daarom al snel meehelpen in het bedrijf waar zo’n dertig koeien worden gemolken.
In 1946 verhuizen vader Piet en Trijntje met hun nog thuiswonende drie kinderen naar de Burgemeester Mooijstraat. Hun zoon Jan en zijn vrouw Cornelia Veldt trekken in de boerderij. Niek trouwt in 1950 met Ans Liefting en gaat na enkele jaren tegenover de boerderij wonen in een huis dat zijn vader heeft gekocht.
Voor het land achter de oude stolp heeft de gemeente bouwplannen. In 1968 is het pand tegelijk met het resterende land aan de gemeente verkocht. Er wordt overeengekomen dat Jan er mag blijven wonen zolang er geen andere bestemming voor is. Jan en Niek moeten op zoek naar andere broodwinning. Jan vindt, net als eerder Cor, werk op een fabriek in de Zaan. Niek kan tot zijn 65e jaar aan de slag bij de agrarische dienst van de Willibrordusstichting in Heiloo en heeft tot hoge leeftijd genoten van tuinieren, biljarten en diverse kaartclubjes.
Veebedrijf
Niek: “Samen met mijn oudste broer Jan heb ik in 1950de veehouderij van mijn vader overgenomen. De boerderij met weilanden was sinds 1908 in onze familie. Broer Jan woonde op de boerderij en nu woont zijn zoon René er. De boerderij, die uit 1870 dateert, heeft hij prachtig laten herbouwen en restaureren met hergebruik van de oude stenen en dakpannen. Het oorspronkelijke karakter is door de architect Sander Douma goed bewaard gebleven, zodat het nog steeds een gemeentelijk monument is.
De boerderij van Kuijs. Alkmaarderstraatweg 52 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Het land zijn we door de uitbreiding van het dorp allemaal kwijtgeraakt. We hadden ook heel wat huurland. Wemolken dertig koeien en dat was in die tijd veel hoor! We werkten zeven dagen per week meer dan twaalf uur per dag. In 1968 zijn we gestopt. De boerderij werd aan de gemeente verkocht met de afspraak dat mijn broer Jan er kon blijven wonen totdat de gemeente de grond nodig had. We hebben heel wat afgemadderd door de uitbreiding van het dorp. Je kon ooit kiefteieren zoeken van huis uit. Tot de wijk Molendijk gebouwd werd, konden we in de verte Uitgeest zien liggen.
De broers Jan, Cor en Piet met hun instrumenten en op de voorgrond Niek Kuijs. De andere personen zijn niet bekend.
Mijn geheugen is nog goed. Ik kan het dorp zo uittekenen zoals het vroeger was. Vanaf de Torenstraat liep er een padje naar de boerderij van Frits Res. Dat noemden ze het padje van Pietje Rijs. Voordat je bij de boerderij kwam, had je een klein huisje waar Pietje woonde. Later heette het Klaverweidepad. Het land, waar mijn huis op staat, was van Brasser en die heeft het land voor bouwterrein gekocht. Het is door buurman aannemer Gerrit Borst en Gert Kabel gebouwd. Onze boerderij was ooit het laatste huis van het dorp en dan kreeg je verderop bij de Kooiweg de ‘molenhuisjes’, genoemd naar de meelmolen die ooit aan de Molendijk heeft gestaan. Verder stonden er aan de Alkmaarderstraatweg nog een boerderij van Co Vergouw (Spitsbergen) en eentje van Cornelis Al.
Ik had al vijf jaar verkering en ik wou wel trouwen, maar ik kon geen huis krijgen. Ik temet alle weken naar de gemeente, maar het ging niet. Er was natuurlijk in de oorlog erg veel afgebroken, waaronder de boerderij van Vergouw, die daarom in dit huis woonde. Hij ging weer bouwen op de oude plaats en dus wist ik dat Alkmaarderstraatweg 65 leeg zou komen. Ik weer naar de gemeente. Ik hoor ze nog zeggen: ‘Dat huis is geschikt voor een gezin.‘
Ik ben in 1950 getrouwd. Ik woonde eerst in de Burgemeester Mooijstraat, boven bakkerij Marjot. Daar heb ik twee jaar gezeten en toen mocht ik hier naar toe. Toen kocht mijn vader dit dubbele huis en konden wij er in. Hij woonde later naast ons met mijn zuster.
Jan Kuijs is aan het melken tegenover de boerderij. Alkmaarderstraatweg 52 in Castricum, 1933. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Ik had wel vervangende grond willen hebben, maar die was er niet. Veel boeren die verdreven werden, wilden vervangende grond. Mijn broer Jan ging naar een meelfabriek in de Zaan. Op het ogenblik zijn er in Castricum meer paarden dan koeien denk ik.
Willibrordusstichting
Om op je vijftigste ergens anders nog wat te beginnen, zag ik niet zitten. Ik solliciteerde hier en daar. Mijn moeder kwam toen aan met een advertentie van de Willibrordusstichting. Ik heb gesolliciteerd en werd uitgenodigd. Ik zat daar met een stuk of wat jongere jongens en ik moest wel driehonderd vragen op papier beantwoorden. Waarom solliciteer je, waar kom je vandaan, hoe was het thuis, enzovoorts. Het begon om 9 uur en om 13 uur was het pas afgelopen. Ik had mijn diploma’s meegenomen en ik vroeg aan het eind of ik dat moest laten zien. ‘Heb je diploma’s dan?,’ vroeg die broeder. Hij zei: ‘Ga jij eens mee’. Ik liep met hem mee door die gangen. Hij bracht me naar een kamer, waar een broeder zat met een lange habijt aan. Die stelde zich voor als broeder Amandus.Ik heb een uurbij hem gezeten. Hij zei tenslotte: ’Je krijgt van de week bericht.’
Jaarboek 45, pagina 32
Je kijkt natuurlijk de hele week naar de post uit. Op zaterdag was er nog geen post. Ik zei tegen moeder: ’Dat is wat, zo’n grote instelling en dan krijg je niet eens een berichie.’
We zitten met de kinderen zaterdagavond naar Rudi Carell te kijken. Gaat de bel. Een van de kinderen doet open. Ze komt terug en zegt: ‘Pappa, er is een meneer’. Ik zeg: ‘Laat die meneer maar binnenkomen.’ Hij stond in de deur met een hoed op en een leren jas aan. Hij zei: ‘Ken je me niet?’ Ik zeg: ‘Man al sla je me dood, ik ken je niet hoor.’ Hij doet zijn hoed af en ik zie het: broeder Amandus. Hij kwam tegen 21 uur en hij ging om 1 uur weg. We hebben zo lekker zitten praten. Op slot zeg ik:’ Wat kwam je hier doen?’ Nou hij zegt: ‘Je ben aangenomen. Kom morgenochtend, met je vrouw maar effe kijken hoe alles in mekaar zit.’
Je had de plantsoenendienst en de agrarische dienst. Alles hebben we met hem bekeken. Het was heel groot. Twee en een halve hectare boomgaard, 110 varkens, 1.700 kippen, het hertenkamp met alles erop en eraan. Toen zei hij: ‘Ik heb nog een vraag: Wil jij bij de plantsoenendienst of bij de agrarische dienst?’ Ik zeg: ‘Liever agrarisch, daar heb ik mijn hele leven in gezeten.’ ‘Nou dan kom je daarbij,’ zei hij ‘Dat betekent wel dat je zaterdags en zondags twee keer moet komen voor het voeren van de beesten en eieren rapen.’ Ik zeg: ‘Dat moest ik thuis ook, dat ben ik toch gewend.’
Niek in de weer bij de Willibrordusstichting.
Ik heb er vijftien jaar gewerkt en toen werd ik 65. Ik vroeg aan broeder Amandus of ik nog vijf jaar mocht bijtekenen. Maar dat mocht niet. Ik zei: ‘Minister Luns die is vier of vijf jaar ouder dan ik en die is nog wel in functie.’ Toen zei hij: ‘Dat is een andere cao,’ waarop ik zei: ‘Ik wil ook wel in die cao.’ Maar die vlieger ging niet op.
Toen was het over en dan mag je niets meer dan op MagereHein wachten. Dat is nu 25 of 26 jaar geleden en ik ben er nog. Ik zit op twee biljartclubs en vanmiddag moet ik nog weer te kaarten in Heiloo. Verder heb ik nog een grote tuin in de Oosterbuurt, waar ik allerlei groentes teel, waar ik mijn familie vaak een plezier mee kan doen.
Duinkant
Op de Zanderij heb ik nog wel zand geladen met (Grote) Bal Lute en Jan Twisk met paard en wagen voor de gemeente voor de aanleg van nieuwe wegen. Jan Twisk had ook Funadama en hij had een zoon, jonge Jan, die later bij de begrafenisvereniging was.
Niek vertelt honderduit over zijn herinneringen aan vroeger tijd.
De Zanderij was vroeger allemaal duin. We haalden zand van het Prikkelvlak, waar later het huis van Van Elven stond. Daar moest wel voor betaald worden aan de familie Gevers en later aan de provincie.
Toen stonden er een dertig, veertig huizen in het buurtje dat de Duinkant werd genoemd. Er was ook een cafeetje van (Kleine) Bal Lute. Nelis Stolk en Piet van Duin van de Duinkant heb ik ook wel gekend. Piet was kreupel. Ze waren goed bij de tijd op radiogebied en hadden allebei een draadomroep. Er was wel concurrentie tussen die twee hoor. De een was katholiek en de ander niet. Dat had je vroeger erg hoor, die scheiding. Op bepaalde uren hadden ze uitzending. Er was geen gids of zo.
Zendamateur Piet van Duijn. Slingerpad 1 in Castricum (bestaat niet meer). Radiopionier Piet van Duijn draaide ‘katholieke’ plaatjes. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.
Grote Jan Brakenhoff heb ik ook heel best gekennen. Gemeentesecretaris Van Lunen woonde er ook en tuinder Manus Zomerdijk.
Manus Hogenstijn en zijn vrouw Tanne. Kramersweg 37 in Castricum, 1940. Afgebroken in 1943. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.
Manus Hogenstijn heb er ook gewoond. Die is later mijn buurman geworden. Hij had hier aan de overkant nog een stukkie land. Hij was vroeger melkventer. Later kwam hij hier wonen. Een enige man. Hij molk maar een paar koetjes en er stonden een paar schuurtjes op zijn land. Als er een koe moest kalven, dan kwam hij altijd bij mij en zei: ’Niek d’r moet een koe kalven.’ Dan ging ik er naar toe. Maar zelf bleef hij in huis zitten. Hij kon het niet zien. Als ik de deur open deed van het schuurtje, het kalf was er, stak ik mijn hand op en dan kwam ie. Hij wou er niet bij wezen.
Hogenstijn ging naar zijn land via het Molendijkje. Hij ging lopend langs de molenhuisjes naar het Molendijkje met zijn karretje op twee luchtbanden. Daar konden drie of vier melkbussen op. Hij moest de koeien kraanwater geven; het slootwater was niet zo goed.
Jaarboek 45, pagina 33
Albert’s hoeve
Albert Asjes was een herenboer, een statige man die daar met zijn huishoudster op de boerderij aan de Molendijk woonde. Als het erg warm was, ging ik bij hem drinken. Hij had zulk heerlijk koud water van de pomp.
Albert Asjes met paard en wagen. Molendijk in Castricum, 1925. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Asjes heeft in 1937 de eendenkooi aan laten leggen. Toen heeft hij volgens mij ook een jachtgeweer gekocht. In het begin was het een echte eendenkooi met gangen en netten. De eenden die hij ving, gingen naar de poelier. Hij schoot ook wel op eenden als ze aan kwamen vliegen. Het was om het schieten een beetje te onderhouden. Hij schoot niet zoveel hoor. Hij was ook een echte dierenliefhebber. Paarden waren zijn grootste hobby. Hij heeft ook een tijdje een auto gehad. Dan reed hij de garage in en riep: ‘Ho…’. Dat gaf niet en toen kwam hij er aan de andere kant weer uit.
Rooie buurt
Vroeger was Castricum een heel mooi dorp. Mijn vrouw durft nu niet meer over de Dorpsstraat te fietsen. Dat nieuwe stuk bij de Rooie buurt is nog het gevaarlijkste. Ik weet niet hoe de Rooie buurt aan zijn naam komt. Dat het ‘Rooien’ waren van Duin en Bosch geloof ik niet. Ik heb al die mensen die daar woonden best gekend, maar er werkte er geen een bij Duin en Bosch.
Links de zogenaamde Rooie Buurt en rechts tramrails. Dorpsstraat 130-138 in Castricum, 1907. Op de weg loopt de bakker met zijn handkar. De Rooie Buurt dankt zijn naam aan het feit dat de huizen werden gebouwd met afgekeurde rode stenen die voor het Provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch bedoeld waren. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
De eerste op het rijtje was het scheerwinkeltje van Kleine Bertus Stuifbergen. Die had daar bijna geen achtertuin, maar op het plaatsje had hij wel een paar konijnenhokken. Was ie de hokken aan het uitmesten en hoorde hij de bel, dan kwam ie an en ging zo weer je haar knippen.
Kapper kleine Bertus Stuifbergen met zijn nichtje voor zijn winkel. Dorpsstraat 114 in Castricum, 1910. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
De huizen in de Rooie Buurt zijn allemaal precies hetzelfde. Ze hebben een smal steegje, zo smal dat je er niet naast je fiets kan lopen. Dezelfde huisjes staan in de Schoolstraat.
Toen ik op de Avondschool was, hoorden we dat aan de overkant van de school een paar publieke vrouwen zaten. Er was een dikke en een dunne vrouw. We noemden hen ook de Dikke en de Dunne. Dan kwamen er wel eens klanten en dan gingen wij met onze fietslampen, draaiendaan de voorwielen, in de ramen schijnen. We wisten van toeten nog blazen. Veldwachter Couperus, zoon van de kastelein van De Landbouw, stuurde ons weg.
De jacht
Van vader op zoon werd er getuind in het duin. Bonen, erwten, aardappelen. Toen het water werd opgepompt, werd het veel te droog. Een slechte tijd voor veel mensen.
Half oktober begon het jachtseizoen. Dan kon je in het land niet veel meer doen. De koeien stonden op stal. Ze kwamen vragen of ik drijver wilde worden. Ik heb het er met mijn broer over gehad. Die zei: ‘Dat moet je waarmaken.’ Ik kreeg er 45 gulden per dag voor en daar kreeg mijn broer de helft van. Allemaal koek en ei. Alsdie wat anders deed, kreeg ik daar de helft van.
Jagers en drijvers rond 1955.
Dat drijven heb ik vijftien jaar gedaan. Ik had het dan druk, want ik moest evengoed melken. Van der Zee was het hoofd van de jachtopzieners en ook temet onze baas. We waren met tien drijvers. Er kwamen er heel wat uit Egmond-Binnen, uit Limmen en uit Castricum. In Castricum had je Jan van der Park. Op lest was ik de enige Castricummer. Jongeren hadden geen tijd meer en stopten ermee.
Prins Bernhard jaagde hier ook. Dat was wel een stijve hark. Niet leuk. Hij kon wel goed schieten. Dan vroegen we hoeveel hij er had geschoten en dan noemde hij een getal. Hij ging meteen weer in de auto zitten. Mijn vader is in oktober 1920 nog eens voorgesteld aan prins Hendrik, ook bij een jachtpartij. Het fanfarecorps van Egmond-Binnen bracht een aubade aan de prins en die schonk alle muzikanten een paar konijnen. Aan mijn vader beloofde hij een reebok, zodra hij die geschoten zou hebben … Voor de zekerheid nam mijn vader ook maar drie konijntjes mee.
Jachtopziener de heer Benjamin overhandigt de snippentrofee van de jachtvereniging aan Prins Bernhard. Deze trofee krijg je uitgereikt bij een aantal geschoten snippen in een korte tijd. De Prins was een zeer goede schutter. Castricum, 1957. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Wij haalden met de hondjes het wild op. De honden volgden het spoor en dat duurde nog wel eens even. Het was een drukke maar wel een hele mooie tijd. Ik moest er ‘s morgens om 9 uur wezen. Soms was ik om vijf uur nog in Bergen aan Zee en ik moest ook melken. Ik ging met de brommer. Lange dagen. Erg gezellig.
Jagers en drijvers met geschoten konijnen. Duinen in Castricum, 1916. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Meestal waren er vier geweren bij een jachtpartij. De jagers moesten 300 gulden per geweer betalen. We begonnen in Wijk aan Zee op maandag, dinsdag in Heemskerk, woensdag Castricum, donderdag Bakkum, vrijdag Egmond-Binnen, maandag Bergen ten zuiden van de Zeeweg, dinsdag ten noorden van de Zeeweg en dan weer naar Wijk aan Zee. Dat ging zo het hele seizoen door. Er waren altijd twee jachtopzieners. Tussen twee driften kon wel twee kilometer liggen. De jagers stonden op zo’n twintig tot dertig meter van elkaar af, net hoe breed de drift was. Als ze net klaar stonden, hoorden ze ons al in de verte en vroegen ze zich af hoe we konden weten dat we konden beginnen. We kenden het duin precies. De driften hadden allemaal een naam.
Jaarboek 45, pagina 34
We karden zo met de brommerdoor het duin. Dat hebben we later met de auto ook nog gedaan. Ze mochten de helft van het wild houden, de rest ging naar de poelier. We liepen zo’n 25 meter bij elkaar vandaan en sloegen met stokken om het wild op te jagen. De kokken (mannetjes fazanten), de hennen en ook hazen en konijnen moest je proberen voor je te houden.
Jachtopziener Pier Woudsma brengt de geschoten konijnen naar de poelier Henk Wentink (met hoed), Hij hielp Cor en Wiet van Duin met het villen van de konijnen, en komt alvast de buit bekijken. Zoon Dirk Woudsma kijkt toe. De ingang van poelier Bakkummerstraat was naast nummer 31. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
In Castricum aten de jagers altijd bij Johanna’s Hof; in Bergen gingen ze bij De Pilaren eten. De leukste mensen vond ik de gebroeders Boskalis. Die hadden een baggerbedrijf dat over de hele wereld werkte. Dat waren zulke leuke lui. We kregen altijd twee flessen drank en een pakje sigaretten. We rookten vroeger allemaal als schoorstenen.
Duin en Bosch
De patiënten van Duin en Bosch liepen vaak in grote groepen door het dorp, allemaal met een grijs pak aan. Wij kwamen nooit op het terrein hoor. Je mocht er niet zomaar in. Op Duin en Bosch mocht je ook niet drijven, maar wel er omheen. Je zag die mensen wel eens aan het werk daar. Bos uitdunnen, takken opruimen.
Werkploeg van patiënten samen met begeleiders. Duin en Bosch in Bakkum. Gestichtskleding werd in 1940 afgeschaft. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Het werd eenvoudig het gekkenhuis genoemd en je had geen contact met de patiënten. In het begin was je er een beetje bang van. De mensen bleven er soms hun hele leven. Ik had wel medelijden met ze. Als ik nu nog wel eens op de Willibrordusstichting kom, dan zie ik nog mensen die er 25 jaar geleden, toen ik nog werkte, ook al waren.
Badgasten
We hebben ook badgasten gehad. Ik zette dan een advertentie. Op een keer kwamen er twee dames uit Amsterdam. Mijn broer Cor woonde hier aan het begin van ons rijtje huizen. Hij woonde eerst in de Nuhout van der Veenstraat. Later kwam hij hier en nam zijn huisnummer mee. Hoe dat precies is gegaan weet ik niet. Hij had nummer dertien. Erzaten twee huizen tussen zijn huis en mijn huis, maar ik heb nummer 65. Toen kwamen die badgasten, zagen nummer dertien en dachten dat ze nog een heel eind moesten lopen. Toen waren ze vlakbij de Molenhuisjes en toen vroegen ze het maar eens. Toen werden ze teruggestuurd. Slap van het lachen kwamen ze aan.
De Ciebeek met het waterhuis of pompgemaal. Het stond ter hoogte van wat nu ’t Strengh is. Cieweg in Castricum, 1950. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Ik heb ze nog eens laten wandelen over de Molendijk, die je temet hier vandaan kon zien. Dan loop je naar de boerderij van Ab Asjes. Daar kan je doorlopen en dan kom je op de Uitgeesterweg uit. Dan ga je rechtsaf op de Uitgeesterweg en dan kom je zo op de Cieweg. Dat was ook nog een oud dijkje. Op dat dijkje stond nog een gemaaltje en dan kon je over het kerkenpadje terug. De dames vonden het een prachtige wandeling en voordat ze weggingen hebben ze het nog een keer gelopen.
Oorlog
Voor de oorlog, in de mobilisatietijd, zaten er Hollandse soldaten in de school. Die kwamen in de zomer nog wel eens bij ons helpen. Op een zondagochtend had een koe gekalfd, heel achter bij Ab Asjes. Ik haalde dat kalf bij huis en deed de koe bij de andere koeien die bij huis liepen. Ik ben me aan het verkleden om naar de kerk te gaan. Ik sta voor het raam en toen zag ik de koe die gekalfd had door de sloot lopen. Die wou terug naar de plaats waar ze gekalfd had. Ik gauw mijn overall aan en het land in. Ik loop halverwege op het land toen er geschoten werd uit de school vandaan bij de kerk en ook vanaf de boerderij van Cor Spaansen aan de Breedeweg. Ik liet me meteen in een greppel vallen en bleef daar liggen. Toen kwamen die jongens eraan met hun geweren. Ze zeiden: ’Hé Niek ben jij het?’ Ze dochten dat ik een parachutist was. Ze hadden me hard zien lopen en zeiden: ‘We schoten eerst over je heen, maar als je doorgelopen was, hadden we gericht geschoten.’
Hooitijd in 1939. Boven op de wagen zus Corrie en naast haar met hoed Cor. Voorop Eef en met de leidsels in zijn hand Niek. De overige personen, onder wie militairen die hier gemobiliseerd waren, zijn niet bekend.
De oorlogstijd was treurig. We moesten toen land scheuren voor de voedselproductie en we moesten zaad telen. We teelden wel aardappelen en groente maar geen zaad. We hebben toen drie hectare grasland gescheurd achter het huis en daar hebben we tarwe op gezaaid.
In de verschrikkelijke hongerwinter kwamen er veel trekkers uit Haarlem en Beverwijk langs onze boerderij. Die gingen naar de Noord om voedsel. Dan kwamen ze ‘s avonds laat terug en vroegen of ze bij ons mochten overnachten. Dat mocht natuurlijk. We hadden stro en hooi. De karretjes werden naar binnen gereden. Achter de koeien was het warm.
Om kwart voor vijf stond ik altijd op om te melken. Toen kwam ik de stal in en zag ik het al. Onder elke kar een grote plas water. De aardappelen waren bevroren en ontdooiden. De mensen huilen, huilen … verschrikkelijk.
Jaarboek 45, pagina 35
Voor het dorsen kwam er een dorskast van Jan Kooi. Eerst moesten er schelven gebouwd worden. We hadden platte wagens met melkbussen onderin en als we de tarwe gingen opladen, dan gaven we de bossen allemaal een tik, zodat de tarwe eruit viel.
Alles gaat nog met de hand en het vervoer met paard en wagen. Castricum, 1957. Collectie Castricum. Toegevoegd.
Zo drukten we wel een mud of zes achterover, wat buiten de controle viel. Bij het dorsen kwam er een controleur bijstaan. Toen maakten we op een gegeven moment bekend dat iedereen een kilo tarwe kon komen halen. We zouden om 9 uur beginnen, maar om half acht stonden er al mensen op de dam hier. Weegschaal erbij en allemaal hadden ze een pannetje of potje mee. Ik denk dat we wel honderd mensen geholpen hebben hoor. Maar tenslotte raakt het op.
Later hoor je dan weer: ‘Die rotboeren’. Zoveel narigheid hebben we meegemaakt. Mijn moeder deed niets anders dan pap koken. De hele dag was ze aan het pap koken voor die mensen. Wat heb moeder toch aan de gang geweest. Verschrikkelijk, verschrikkelijk en gestolen werd er ook nog. Moeder gaf ze een bord met een lepel natuurlijk; waren die lepels weer weg.
We moesten voor de Wehrmacht ook palen wegbrengen die geplaatst werden om zweefvliegtuigen te weren. Cor Beentjes haalde vlak voor de capitulatie zulke palen uit een weiland en werd nog doodgeschoten.
Ik was in het duin met mijn vriend Lau Veldt, toen het paard, dat drie meter voor ons liep, op een landmijn stapte. Het hele paard was aan flarden. We kwamen er zelf best vanaf, maar dan gaat er wel wat door je heen.
Lau Veldt voor de boerderij. Hoogeweg 12 in Bakkum, 1960. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Er werd overal hout vandaan gehaald om te stoken. Kolen had je niet. Bomen werden omgezaagd en die lagen soms midden op de weg. We moesten voor de gemeente meel halen in Wormerveer voor de bakkers. We gingen met twee paard en wagens; een van Gerrit Veldt van de Kooiweg en een van ons. De politie zat naast je.
Vlees hadden we door clandestien te slachten. Kennissen hielpen ons daarbij. Op een keer hingen er twee halve varkens aan een ladder. De slager was net weg toen er controleurs kwamen, NSB-ers. Ze haalden het vlees weg en we kregen een bekeuring. Mijn vader huilde als een kind, man. De Duitsers hebben ook nog eens een koe bij ons uit het land gehaald. Het was een rottijd.
We hadden drie paarden en op een gegeven moment moesten we een paard inleveren. Ze konden niet met een dissel rijden; wel konden ze het met een lamoen (disselraam waarin een paard loopt om de kar te trekken). Die Duitsers waren hier allemaal met paard en wagen Castricumbinnengekomen.
Toen we een paard moesten inleveren, brachten we er twee naar de eendenkooi van Ab Asjes. Een paard schraapte een beetje met zijn hoef over de stenen; hij had wat aan zijn achterbeen. Daar gingen we mee naar de keur en die werd dus afgekeurd. Piet de Wildt, een NSB-er, vroeg: ‘Waar benne die andere twee?’ Ik zeg: ‘Ja joh, ik haalde ze uit het land, ik maakte ze los en ze vlogen weg.’ Hij wist het misschien wel, maar hij maakte er geen werk van.
Roele, die op de boerderij zat van de in 1939 overleden Asjes, was ook een NSB-er en we brachten de paarden dus bij hem in de eendenkooi. We konden het best met hem hebben. We hielpen hem met hooien; het was allemaal koek en ei. Hij verraadde niks hoor. De Wildt was ook geen beroerde kerel, maar ze hadden nu eenmaal dat standpunt. De Wildt dacht dat hij misschien nog wel eens burgemeester kon worden.
Boerderij Kleibroek. Prinses Beatrixstraat op ongeveer 100 meter vanaf de kruising met de Dorpsstraat in Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.
Tweehonderd meter bij ons vandaan had je de boerderij Kleibroek van Jan Dekker. De boerderij stond zo’n meter of zestig van de weg af. Die slachtte ook veel clandestien en hij maakt ook drank. Ik moest nog eens met de bakfiets een mud tarwe voor hem halen uit Oudorp om drank te stoken. Ik kreeg duizend gulden mee. Vrachtrijder Jan Lute bracht het vlees voor hem naar zijn klanten. Als je vroeger een vrachtrijder nodig had, dan zette je een kaartje voor je raam. Jan Lute werd aangehouden bij het Heilooër bos. Ze wisten uit hem te krijgen dat het vlees bij Jan Dekker vandaan kwam. Voordat de controleurs bij Dekker waren, had hij al bericht gehad. Ik zie Jan Dekker nog het huis uit rennen en die dook in de aardappels. Effe daarna kwam er een auto met een controleur het erf op. Het was verraden. Zijn schapen werden bij ons gebracht. Dan kreeg je zomaar twintig schapen in de schuur en die moesten we ‘s avonds over de straatweg weer naar de boerderij Kleibroek brengen. Dekker is later ondergedoken. Ik heb hem nog eens gezien in Amsterdam, waar we heen moesten voor een nieuw pak. Later is hij naar Frankrijk geëmigreerd.
Een man waar je mee praten kan
Ik heb zestig jaar gepandoerd met Lau Veldt, Cor Kuijs, Niek Brandjes en Niek Vergouw van de boerderij Spitsbergen die in de oorlog afgebroken is en later herbouwd. Later ging Vergouw naar Uitgeest en dan gingen we daar te kaarten. Alle vier zijn ze weg en ik heb alle vier naar het kerkhof gebracht. Ik was nog wel de oudste. Met Allerzielen kom ik op vijf kerkhoven: hier liggen er twee begraven en eentje in Uitgeest, Egmond-Binnen en Beverwijk.
Boerderij Spitsbergen. Alkmaarderstraatweg (niet meer bestaand deel) in Castricum, 1950. Gesloopt voor de bouw van Noordend. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Dan staan ik gewoon te praten tegen een steen en zeg bijvoorbeeld: ’Man wat hebben we toch lekker gekaart.’ Bij mijn oude buurman Manus Hogenstijn ga ik ook altijd effe langs. Ik vind het wel mooi dat ik oud word, maar het is wel moeilijk dat er om je heen zoveel wegvallen. Bij een verjaardag zeg ik wel eens: ‘Wanneer komt er nou eens een man waar je mee praten kan? De jongeren, ik vind het prachtig hoor, die hebben het over golfen en over tennissen. Mijn soort is er niet meer.‘
In Zorgcentrum De Boogaert worden Niek en Ans verwend.
Niek Kaan
Jaarboek 45, pagina 36
Met dank aan: Jan Kuijs (geboren in 1952, zoon van Niek Kuijs).
Niek is 100 jaar geworden en burgemeester Mans feliciteert het echtpaar.
Jan Kuijs (1844-1932) is opgegroeid in Castricum, is broodbakker, landbouwer, woont in een boerderij aan de Dorpsstraat (afbeelding 34e jaarboek, bladzijde 77), trouwt in 1870 met Neeltje Kraakman, die is opgegroeid op een boerderij aan de Limmerweg op Noord-Bakkum. Zij krijgen tien kinderen, waaronder zoon Pieter Kuijs.
Pieter (Piet) Kuijs (1877-1966), geboren in Castricum, veehouder, organist, dirigent, trouwt in 1904 met Anna Maria Stuijt van Uitgeest (1881-1905) en als weduwnaar in 1914 met Catharina (Trijntje) Brandjes (1888-1968) uit de Oosterbuurt.
Piet Kuijs, krijgt alleen uit zijn tweede huwelijk kinderen:
Jan Kuijs (1916-2004), veehouder, woont Alkmaarderstraatweg 52, trouwt in 1946 met Cornelia (Nel) Veldt (1920-2004); zij krijgen negen kinderen.
Nicolaas (Niek) Kuijs (1917-2018) zie hierna.
Cornelis (Cor) Kuijs (1918-2006), werkzaam op de linoleumfabriek, woont Alkmaarderstraatweg 13, trouwt in 1944 met Maria Brakenhoff (1921-2004); zij krijgen negen kinderen.
Eva Cornelia (Eef) Kuijs (1922), trouwt in 1947 met Hendrik Antonius Duin (1920) van Beverwijk, bloembollenkweker; zij krijgen zes kinderen.
Cornelia Maria (Corry) Kuijs (1924), hoofd huishouding in ‘de Santmark’, ongehuwd, woont Dorpsstraat 140.
Petrus Theodorus Joseph (Piet) Kuijs (1928-2020), makelaar, Brink 25, trouwt in 1954 met Catharina Geertruida de Wit (1932) uit Heiloo.
Dorothea Catharina (Doortje) Kuijs, geboren in september 1932, is een week later overleden.
Nicolaas (Niek) Kuijs (1917-2018), geboren in Castricum, veehouder, vanaf 1968 agrarisch medewerker bij de Willibrordusstichting te Heiloo, woont Alkmaarderstraatweg 65, trouwt in 1950 met Johanna Anna (Ans) Liefting (1922) van Egmond-Binnen.
Hun kinderen worden geboren in Castricum:
Catharina Johanna Alida Maria (Ineke) Kuijs (1951), trouwt in 1971 met Engelbertus Franciscus (Bert) van der Eng (1949).
Johannes Petrus Maria (Jan) Kuijs (1952) trouwt 1976 met Johanna Maria Anna Duijn (1953).
Alida Cornelia Maria (Lida) Kuijs (1953), overleden in 1957 in Amsterdam.
Eva Cornelia Maria (Eefke) Kuijs (1955), trouwt in 1984 met Hans van Wetering (1951).
Petronella Maria (Petra) Kuijs (1956), ongehuwd.
Alida Cornelia Maria (Lida) Kuijs (1957), trouwt in 1977 met Petrus Simon (Peter) Kok (1957).
Petrus Nicolaas (Piet) Kuijs (1959), partner van Anita Schrey (1961).
Nicolaas Johannes Gerardus (Nico) Kuijs (1961) trouwt 1989 met Karin Alexanderson (1964).
Catharina Petronella Johanna (Carolien) Kuijs (1968) partner van Bob Bruinis (1966).
Niek Kuijs met oudste zoon Jan, kleinzoon Joost en achterkleinkind Huub.
Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.
Jaarboek 45, pagina 83
Castricum en Bakkum 1921, de gebeurtenissen
De eerste openbare lagere school op de hoek van de Schoolstraat en de Dorpsstraat, gebouwd in 1854. Daarachter het oude raadhuis. Dorpsstraat 65-67 in Castricum, 1924. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.
In het jaar 1921 is de mogelijkheid geopend om subsidie te krijgen bij de bouw van een huis. Er is een grote behoefte aan woningen. Vele Castricummers hebben bij de gemeente subsidie aangevraagd en bouwtekeningen ingediend. De te bouwen huizen waren vooral gepland aan de Bakkummerstraat, de Ruiterweg en de Stetweg.
Er is besloten om de oude school hoek Dorpsstraat–Schoolstraat te gaan verbouwen. Een andere optie was om deze school en die aan de Van Oldenbarneveldweg te slopen en te vervangen door een halverwege beide scholen te bouwen nieuwe openbare lagere school.
De gebeurtenissen in Castricum van honderd jaar geleden zijn vooral ontleend aan de gemeenteraadsnotulen, de inkomende en uitgaande stukken van de gemeente Castricum, dossiers in het gemeentearchief, de provinciale bladen, de registers van de burgerlijke stand enzovoorts.
1 januari 1921
Het gemeentebestuur bestaat uit burgemeester Lommen, de wethouders Piet Kuijs en Cornelis Spaansen en de raadsleden Gerrit Kuijs, Geert Middelveld, Hendrik Schipper, Piet Twisk en Henderik Zandbergen. Klaas van Lunen is de gemeentesecretaris en Bernardus Res de gemeenteontvanger.
Castricum telt op 1 januari 1921 4.503 inwoners. Dit aantal is op 31 december toegenomen tot 4.639. In de gemeente worden er in dit jaar 124 kinderen geboren, er overlijden 128 inwoners en er worden 41 huwelijken gesloten.
6 januari 1921
C. Dijkhuizen en 31 anderen, allen ouders van schoolgaande kinderen op de openbare scholen, doen het verzoek om in het vervolg op katholieke feestdagen op die scholen onderwijs te geven.
Voor de functie directeur-administrateur van de Gemeentelijke Lichtbedrijven wordt Jacobus van Hoeve benoemd, die dan nog woont in Visby (Zweden) en de betrekking per 1 maart aanvaardt. Bij dezelfde onderneming wordt tot monteur-meteropnemer benoemd op een weekloon van 38 gulden: Hendrik van Amersfoort, dan nog wonend in Beverwijk.
16 februari 1921
In verband met de bepalingen van de Lager Onderwijswet van 1920 wordt de commissie van toezicht op het lager onderwijs opgeheven en de leden eervol ontslagen. Door de raad wordt een verordening vastgesteld regelende de inrichting en de samenstelling van de commissie van plaatselijk toezicht op het lager onderwijs in de gemeente Castricum. De Schoolcommissie bestaat uit negen leden en benoemt uit haar midden een voorzitter en secretaris; de leden worden voor drie jaar benoemd.
7 maart 1921
Het bestuur van de vereniging ‘Castricum Vooruit’ heeft een rapport uitgebracht over het tot stand brengen van een behoorlijk vaarwater. Dit rapport wordt door Burgemeester en wethouders (B&W) onderzocht.
Pieter Korn neemt ontslag als lid van het Burgerlijk Armenbestuur in verband met zijn vertrek uit de gemeente.
De gemeenteraad levert een bijdrage van 10 procent in de wachtgeldregeling van het werkloos wordend personeel, dat woont in onze gemeente en werkzaam is bij de Verenigde Koninklijke Papierfa- brieken van de firma Van Gelder en Zonen in Amsterdam.
Petrus Johannes Valkering was lid van de schattingscommissie Rijksinkomstenbelasting, woont niet meer in deze gemeente en krijgt als lid eervol ontslag. Als opvolger wordt benoemd Dirk Cornelis Twisk (1866).
Veldwachter Bleijendaal. In 1917 was Piet Bleijendaal een van de 84 sollicitanten voor politieman in Castricum. Zijn vader was afkomstig uit Heemskerk. Naast ordebewaarder was jij ook deurwaarder, bode en klokkenluider. Op 55 jarige leeftijd ging hij met pensioen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Tot gemeenteveldwachter is per 29 maart benoemd Pieter Bleijendaal, geboren in Den Helder (1884).
14 april 1921
De heer A. Jacobs en mevrouw M. Liefting-Duijker zijn benoemd als leden van het Burgerlijk Armenbestuur als opvolgers van de heer P. Korn en mevrouw A. Louter-de Weijer.
Van het Rijk wordt door de gemeente een gedeelte van het strand gehuurd nabij de strandweg om te kunnen verhuren aan personen die daar een tentje willen plaatsen, zodat bezoekers daar verversingen kunnen gebruiken. Huur van een lengte van 100 meter tegen een huurprijs van 5 cent per meter.
Uitvoerige discussie in de gemeenteraad over de toekomst van de twee openbare lagere scholen:
school 1 op de hoek van de Schoolstraat en Dorpsstraat;
school 2 in Bakkum aan de Van Oldenbarneveldweg.
De varianten zijn: a. beide bestaande scholen afdoende verbeteren; b. de oude school 1 afbreken en op die plaats een nieuwe school bouwen; c. beide scholen opheffen en halverwege een nieuwe school bouwen.
Jaarboek 45, pagina 84
De kosten van de verschillende varianten worden nog begroot en tekeningen worden gemaakt.
21 april 1922
Voor de benoeming van een schoolarts is een verzoek bij de gemeenteraad ingediend door P. Lommen en D. Commandeur, respectievelijk voorzitter en secretaris van de rooms-katholieke Vereniging Het Wit-Gele Kruis en door B.A. Res en N.A. Nijsen, voorzitter en secretaris van de Vereniging Het Witte Kruis te Castricum. Omdat de noodzakelijkheid niet is gebleken en ook in verband met de financiële toestand van de gemeente wordt dit verzoek door de gemeenteraad afgewezen.
Opgave geneeskundigen werkzaam in Castricum:
huisarts: Y. Schoonhoff; vijf geneesheren bij Duin en Bosch;
apotheker: mejuffrouw M.A. van der Vegte;
vroedvrouw: mejuffrouw J.J. Vahl.
Café ‘De Goede Verwachting’ van Willem Castricum. Van links naar rechts: onbekend, Cor Castricum, Nelis Castricum, Piet Sap, onbekend, Siem Morsch, Mien Morsch, Jo Col, Marie Col, in de auto Baas Wullem. Voorste rij: Dirk Castricum, Anton Castricum, Mien Castricum, Doris Castricum, Dieuwe Castricum. Nu (2010) staat hier een restaurant met daarboven een appartementencomplex. Heereweg 36 in Bakkum, 1920. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.
Opgave aan de inspecteur der directe belastingen te Alkmaar van de vergunninghouders voor de verkoop van sterke drank en de huurwaarde voor het bedrijf:
Rika van Benthem: 224 gulden, wijk A, nummer 216, De Vriendschap
H.Bischot/J. Blauw: 274,50 gulden, wijk A, nummer 157, De Rustende Jager
Ant. van Benthem: 262,50 gulden, wijk A, nummer 71, Dorpsstraat, hoek Burgemeester Mooijstraat
P. Schotvanger: 156 gulden, wijk A, nummer 134, Burgemeester Mooijstraat (De Harmonie)
C. Stuifbergen: 106,75 gulden, wijk A, nummer 67, Dorpsstraat (De Landbouw)
H. Kerkhoff: 160 gulden, wijk A, nummer 57, Dorpsstraat (Funadama)
P. Spanjaard: 71,70 gulden, wijk A, nummer 41, Beverwijkerstraatweg (Duinzicht)
A.L. Burgering: 57,50 gulden, wijk C, nummer 122, Bakkummerstraat
W. Borst: 79 gulden, wijk E, nummer 16, Nu Fase Fier
G. van Egmond: 93 gulden, wijk E, nummer 63, Heereweg 12 (Café De Onderneming)
C. Castricum: 106 gulden, wijk E, nummer 51, Heereweg 36 (De Goede Verwachting)
Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat) met links café De Landbouw. Duidelijk zichtbaar is de trambaan met wissel en rechts op de achtergrond de waterpomp voor de stoomtram. Café De Landbouw is in trek bij wachtende reizigers; dit geldt ook voor het iets verder gelegen café van Toon van Benthem.
20 mei 1921
Als een van de eersten verkrijgen Theodorus van Weenen, metselaar en Johannes Spil, timmerman, van de gemeente een hypotheek voor de bouw van een dubbele arbeiderswoning (Mient 47 en 49).
Aan de verschillende aanvragers voor de bouw van een woning wordt 80 procent hypotheek verstrekt. Naast de verstrekking van een hypotheek door de gemeente kan er ook in 1921 een subsidie door het Rijk worden verkregen.
Bij koninklijk besluit van 8 november 1920 kan de Minister van Arbeid premies toekennen ten behoeve van de bouw van particuliere woningen met een maximale inhoud van 450 vierkante meter. De premie bedraagt 20 gulden per vierkante meter woningoppervlakte (voor zolders geldt 10 gulden) met een maximum van 2.000 gulden per woning.
Van deze nieuwe regeling wordt in Castricum veel gebruik gemaakt. Er wordt in 1921 een groot aantal aanvragen voor premie ingediend met bijvoeging van bouwtekeningen. De premies worden alleen beschikbaar gesteld voor deugdelijke arbeiders- of bescheiden middenstandswoningen.
De aanvraagprocedure is veelomvattend. Verzoeken om premie worden gericht aan het gemeentebestuur. Dit bestuur vraagt aan de Minister van Arbeid goedkeuring voor de premieverstrekking met het overleggen van bouwtekeningen en een globale raming van de bouwkosten. Voor de bouw van woningen die voor premie in aanmerking komen, kunnen zo nodig door het Rijk aan de gemeente hypotheken worden verleend tegen een rente van 6 procent voor de tijd van 15 jaar.
Veel inwoners met bouwplannen doen een aanvraag voor toekenning van premie. De te bouwen huizen zijn vooral gelegen aan de Bakkummerstraat, Ruiterweg en Stetweg.
Jaarboek 45, pagina 85
Bouwtekening woning Piet de Baat (afbeelding 1).
Per te bouwen woonhuis moet een uitvoerige procedure voor toekenning subsidie worden gevolgd.
Als voorbeeld de subsidie voor Petrus de Baat (1899) aan de Kramersweg. Aanvraag op 11 april 1921 aan B&W van Castricum voor een woning die zal worden gebouwd op het terrein gelegen aan de Kramersweg.
Oppervlakte van de woningvloer buitenwerks gemeten 52 vierkante meter en van de zolderverdieping 40,5 vierkante meter. Indienen bouwtekeningen (afbeelding 1) in drievoud, stichtingskosten zonder grondprijs schatting 4.500 gulden; de grondprijs bedraagt 500 gulden.
P. de Baat ondertekent een verbintenis dat hij gedurende 15 jaar na voltooiing van de woning deze zal bewonen of ter bewoning doen gebruiken, bij verhuur geen sleutelgelden zal heffen met een eventuele huur van 6 gulden per week.
Advies van opzichter G. Slop van Gemeentewerken aan B&W om vergunning te verlenen tot het bouwen van het woonhuis. Bouwpremie kan bedragen 52 x 20 gulden en 40,5 x 10 gulden = 1.445 gulden.
Het echtpaar Piet en Trien de Baat. Petrus de Baat (1899-1987) geboren in Velsen, was werkzaam op Duin en Bosch, eerst in de keuken en later als portier, trouwt in 1921 met Catrina van Koot (1898-1980); zij woonden later op Torenstraat 26.
Brief van 4-5-1921 van Staatstoezicht op de Volksgezondheid, Hoofdinspectie Volkshuisvesting uit ’s-Gravenhage aan B&W met de mededeling dat aan de Minister van Arbeid is voorgesteld om een subsidie van 1.330 gulden toe te kennen en voor eenzelfde bedrag te verstrekken aan P. de Baat.
Brief van B&W aan P. de Baat dat een positief advies is uitgebracht aan de minister om een premie van 1.330 gulden te verstrekken.
Landelijke publicatie op 20-5-1921 van het Ministerie van Arbeid van het subsidiebedrag met de namen van de betrokkenen en ook de naam van P. de Baat.
Na ontvangen van de machtiging van de minister moet binnen drie maanden met de werkzaamheden worden gestart.
Brief van 12-8-1921 van B&W aan P. de Baat dat een premie zal worden uitgekeerd van 1.330 gulden, die zal worden uitgekeerd ineens, wanneer de woning glas- en waterdicht is, mits aan een aantal bouwtechnische voorwaarden is voldaan.
Woning van Piet de Baat aan de Kramersweg op de hoek met de Duin en Boschweg, vlakbij de spoorlijn en kort voor de afbraak in 1943.
Jaarboek 45, pagina 86
1 juni 1921
De gemeenteraad neemt het besluit om de oude school bij het raadhuis te verbouwen en niet te kiezen voor nieuwbouw. De inspecteur van het Lager Onderwijs oordeelde dat de bestaande school afdoende kan worden verbeterd om aan de geldende eisen te voldoen. Dit plan is aanzienlijk voordeliger dan de bouw van een nieuwe school. In het plan worden de lokalen langs de Dorpsstraat omgebouwd tot gymnastieklokaal en de lokalen langs de Schoolstraat worden drastisch verbouwd. Om de geluidshinder te verminderen, wordt de Schoolstraat geasfalteerd.
De Openbare Lagere School. Kinderen op de speelplaats, met onderwijzer. Dorpsstraat 67 in Castricum, 1923. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
Bestek en voorwaarden voor het slopen van gangen, het leggen van riolering, de bouw van privaten en het aanbrengen van tussenmuren is vastgesteld op 29 juli; de openbare aanbesteding volgt op 15 september.
De afdeling voor U.L.O heeft op de school geen reden meer van bestaan en wordt opgeheven.
1 juli 1921
Er wordt besloten om de gemeente aan te sluiten bij de Postcheque- en Girodienst.
Eervol ontslag aan onderwijzer Dirk Dekker na 42 jaar aan de dorpsschool verbonden te zijn geweest.
Meester Dirk Dekker (1856-1922), van wie vele Castricummers les hebben gehad.
27 september 1921
Leningen worden aangegaan voor de verbouw van de school en voor de uitbreiding van het gasbuizennet en het elektrisch net.
Raadslid Gerrit Kuijs vraagt om de Veldweg (Bleumerweg) te verbeteren met het laten aanbrengen van sintels tot zijn woning aan het einde van die weg, die dan nog onberijdbaar en onbegaanbaar is.
24 oktober 1921
De snelheid van de tram in de kom van het dorp wordt gemaximeerd. Op het gedeelte van de Rijksstraatweg (Dorpsstraat) tegenover de Burgemeester Mooijstraat en de weg ’t Over (Overtoom) maximaal 5,5 kilometer per uur en van de weg ’t Over tot de rooms-katholieke kerk maximaal 7,5 kilometer per uur.
De stoomtram passeert hier het huidige pand van het Eethuysje. Dorpsstraat 53 in Castricum, 1907. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.
B&W stelt een verordening voor op de heffing van schoolgeld voor het gewoon lager onderwijs en voor het vervolgonderwijs in de gemeente Castricum.
11 november 1921
Opgave 10e volkstelling van het aantal geheel of gedeeltelijk bewoonde huizen:
Wijk A Kerkbuurt, aantal huizen: 235
Wijk B Oosterbuurt, aantal huizen: 35
Wijk C Duinderbuurt, aantal huizen: 182
Wijk D Duin en Bosch, aantal huizen: 69
Wijk E Zuid-Bakkum, aantal huizen: 74
Wijk F Noord-Bakkum, aantal huizen: 20
Wijk G Schulpstet, aantal huizen: 49
Wijk H Noordeinde, aantal huizen: 24
Verspreide huizen, aantal: 30
In het Burgerlijk Armenhuis wonen acht personen, waarvan vijf oude lieden en drie gebrekkigen.
Opgave aantal personen die ondersteuning krijgen:
Burgerlijk Armbestuur telt 17 personen, waarvan 13 het gehele jaar; 16 vrouwen en 1 man, vier boven de 70
Het rooms-katholiek Parochiaal Armbestuur telt 12 personen, waarvan vier boven de 70.
De Diaconie der Nederlands Hervormde Gemeente telt zes personen: 3 vrouwen en 3 mannen; 1 het gehele jaar; geen boven de 70.
In 1963 verkoopt het bestuur van de diaconie het huisje aan Klaas Schoenmaker (1932). Breedeweg 59 in Castricum, 1957. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.
De gemeenteontvanger Bernardus Res neemt ontslag als secretaris-penningmeester van het Burgerlijk Armenbestuur.
Veel inwoners hebben het financieel slecht en doen een oproep aan de gemeente om meer te bezuinigen en daarmee de lasten te verlagen.
Een commissie wordt ingesteld die onderzoekt of de huren van de gemeentewoningen wel in overeenstemming zijn met de uitgaven van de gemeente.
Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.
Jaarboek 44, pagina 3
Boerderij in Oosterbuurt met een bijzonder verhaal
Boerderij familie Dam, Oosterbuurt, huidige opstallen.
Wie nu voor het eerst langs de woonboerderij op de hoek van de Doodweg en de Oosterbuurt komt, zal niet vermoeden dat dit perceel een lange historie heeft. Aan de huidige opstallen ging namelijk twee keer herbouw vooraf. Sinds 1893 mag de familie Dam zich eigenaar noemen, waarvan Piet in 1995 werd verrast door een opgraving in het gebied rond zijn boerderij. Twee jaar later ging de boerderij door brand reddeloos verloren.
Voorgeschiedenis
Voor zover volgens het Kadaster is na te gaan, stond het oorspronkelijke perceel in 1832 bekend als sectie B nummer 531 met een grootte van 2.570 vierkante meter met daarop een boerderij en een huisje (voor de knecht). Nadat het bezit werd uitgebreid en was overgegaan op verschillende veehouders of hun erfgenamen, werd Cornelis Dam (1864-1914) eigenaar in 1893. Hij liet meteen de oude boerderij met wagenhuis slopen en bouwde een nieuwe boerderij. Door verkleining van het erf werd het perceel weiland vergroot. De totale oppervlakte bedroeg toen 3.340 vierkante meter.
Na het overlijden van Cornelis en zijn echtgenote Catharina van der Park werd hun zoon Jan (1899-1970) bij de boedelscheiding in 1924 eigenaar. In hetzelfde jaar trouwde hij met Maria Groot (1897-1975).
De boerderij van Dam rond 1920. Jan staat links. Achter hem van links naar rechts Mantje Dam, Catharina Dam-Van de Park en Piet, de broer van Jan.
In 1930 werd de doorlopende huisnummering per wijk vervangen door een nummering per straat en zodoende kreeg de boerderij het adres Oosterbuurt 1. Jan bouwde er in 1933 een schuur bij en in 1948 nog een schuur met gierkelder. In 1969 werden de boerderij en het land samengevoegd tot één perceel.
De familie Dam in de jaren (negentien) dertig. Naast Piet (met trompet) vader Jan en geheel rechts moeder Rie.
Jan overleed in 1970, waarna het bedrijf werd opgedeeld over de zoons Cornelis (1928-2019) en Petrus (1931-2014), die de roepnamen Cees en Piet hadden. De laatste zou nog verschillende keren in het nieuws komen.
Jaarboek 44, pagina 4
Laat getrouwd
Piet woonde zijn hele leven aan de Oosterbuurt 1. Dat gold niet voor zijn broer Cees, zoals Nel Dam-Stuifbergen (1955), de weduwe van Piet, vertelt: “Cees heeft enige tijd met Piet geboerd, maar later ging hij bij bouwbedrijf Tromp aan de Breedeweg werken. Hij woonde tot zijn dood in het huis hiernaast op Oosterbuurt 3.”
Nel vertelt verder hoe zij Piet heeft leren kennen: “Ik werkte in de gezinsverzorging en kwam in 1974 op de boerderij terecht om het huishouden te doen. Rie, de moeder van Piet, woonde bij hem in. Ze lag op bed en werd verzorgd door de wijkverpleging. Piet was toen 42 en ik 19. Ik werd zijn eerste vriendin, want hij zei altijd dat hij voor vrouwen veel te verlegen was. Na het overlijden van Rie in november 1975 kregen we verkering na een gezellig avondje bij broer Cees.”
Trouwfoto van Piet en Nel op 26 mei 1976.
Spoedig werd de liefde bezegeld: “Op 26 mei 1976 zijn we getrouwd, voor Piet dus op late leeftijd. In hetzelfde jaar werden we verblijd met de geboorte van onze dochter Annemarie en daarna volgden Petra, Marleen en Jeanette in respectievelijk 1977, 1980 en 1986.
De vier dochters eind jaren (negentien) tachtig. Van links naar rechts Annemarie, Petra, Jeanette en Marleen.
Piet wasrond 1980 vanwege een ziekte genoodzaakt om met het boerenleven te stoppen en afscheid te nemen van zijn vijfentwintig melkveekoeien.
Piet begeleidt schoolkinderen op de pony in maart 1992.
Hij bleef nog wel druk in de weer met de andere dieren die rond de boerderij liepen. Zo ontving hij regelmatig schoolkinderen die een ritje op een pony mochten maken. Nadat de veeteelt was opgeheven, hebben we een deel van ons weiland langs de Polderdijk verkocht.”
Een unieke toevalstreffer
Tijdens de opgraving van 1995-1996 is in de Oosterbuurt een bijzondere vondst gedaan die niet in een archeologische publicatie terecht is gekomen, maar wel voorpaginanieuws was in het Nieuwsblad voor Castricum.
Een dankbare Piet bekijkt zijn teruggevonden zegelring.
‘Boer krijgt ring na veertig jaar terug’. Zo luidde de titel van het artikel in de krant van woensdag 8 november 1995. Het kleinood, dat boer Piet Dam ooit van zijn moeder had gekregen, werd tijdens de opgravingen in de Oosterbuurt gevonden. Dam was op 21-jarige leeftijd als parttime-knecht bij boer Spaansen werkzaam, die een boerderij aan de Breedeweg met omliggende weilanden had.
Jaarboek 44, pagina 5
Vermoedelijk is tijdens het strooien van kunstmest de zegelring uit zijn broekzak gevallen en werd deze niet meer teruggevonden. Tot zijn grote verbazing werd veertig jaar later zijn ring bij hem thuisbezorgd.
Op de locatie waar de ROB (de toenmalige Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek) en Werkgroep Oud-Castricum speurden naar Castricums verleden, werd de gouden ring met een metaaldetector gevonden. Zijn zwager Jaap Stuifbergen, die lid was van Oud-Castricum, bracht de nog goed uitziende ring (zonder steen helaas) naar de oude stolpboerderij aan de Oosterbuurt 1. Piet Dam was er zeer blij mee. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hij wel aan de onderzoekers gevraagd had om naar zijn ring uit te kijken. Tegenover Harry Vermanen, ook lid van Oud-Castricum, had hij bij aanvang van het bodemonderzoek gezegd: “Als jullie een zegelring vinden, is die van mij.” De vinders werden getrakteerd op gebak.
De boerderij in lichterlaaie in de nacht van 3 op 4 augustus 1997.
De brand
In de nacht van 3 op 4 augustus 1997 sloeg het noodlot toe in de 104 jaar oude stolpboerderij. Een fel uitslaande brand vernietigde zowel het woon- als bedrijfsgedeelte en dat zorgde voor hevige emoties. Nel: “Als ik niet op tijd wakker was geworden, waren er zeker ongelukken gebeurd. Onze slaapkamer bevond zich in de dors en die vatte al snel vlam. Gelukkig stonden we net op tijd buiten en bleef iedereen kalm. Zo’n brand is zo onwerkelijk. Het dringt niet tot je door en pas de dagen daarna komt het besef.”
De achterzijde van het pand na het blussen.
In het Dagblad Kennemerland van 7 augustus werd uitgebreid aandacht besteed aan de gevolgen van de ramp voor Piet en Nel en hun vier dochters in de leeftijd van tien tot en met twintig. Volgens de krant was de familie diep teleurgesteld in de gemeente, omdat zij na een bliksembezoek van burgemeester Schouwenaar niets meer vanuit het gemeentehuis zou hebben vernomen.
Dankzij een door een familielid aangeboden vouwcaravan kregen de bewoners onderdak, maar dat was natuurlijk niet ideaal, zoals Nel toen de krant liet weten: “Het mooie weer is misschien een geluk bij een ongeluk. Maar ’s avonds is het koud. En wat moeten we als het straks winter wordt?”
Het gezin bivakkeerde anderhalf jaar in deze bouwkeet.
Via de verzekering zou er een stacaravan op het terrein worden geplaatst, maar Nel zegt nu: “Die caravan is er nooit gekomen. Wel een bouwkeet die door aannemer Jan Tromp werd neergezet. Daar hebben we anderhalf jaar in gewoond. Er was een pipowagen aan vastgemaakt voor de sanitaire voorzieningen. In het begin waren we er blij mee en leek het of we in een villa kwamen. Naarmate het langer duurde ontstonden er echter irritaties, omdat we er met z’n zessen in moesten bivakkeren en helemaal geen privacy hadden.”
Piet lichtte in het artikel toe waarom een vervangend huis in een woonwijk niet haalbaar zou zijn: “We hebben op de boerderij zestien schapen en paarden, zodat we hier niet ver vandaan kunnen wonen.”
Over de brand zei hij: “Wij hebben nog geluk gehad. Een van de dochters lag in een kamer vlak naast de stal die in lichterlaaie stond. Gelukkig is daar na de oorlog een dikke stenen wand tussen gebouwd. Als het nog gewoon hout was geweest, waren de vlammen er dwars doorheen gegaan.”
De krant meldde verder dat de familie zich in de steek gelaten voelde, omdat de gemeente niemand stuurde die kwam informeren of er nog iets gedaan kon worden. Daarom moesten Piet en Nel zelf alle praktische zaken regelen, zoals het afsluiten van gas en elektra en dat terwijl ze geen telefoon hadden. Voor familie en vrienden was er echter niets dan lof: “Ze staan steeds voor ons klaar. Echt grandioos.”
Ook voor politie en brandweer had Piet alleen maar goede woorden over. Dat gold ook voor een toevallig passerende stewardess van Transavia: “Ze reed terug van Schiphol en zag vanaf de weg de vlammen. Toen is ze gaan kijken en heeft ons twee à drie uur geholpen. Fantastisch.”
Jaarboek 44, pagina 6
Na het onderzoek van de technische recherche liet een woordvoerster van de politie weten: “Door overbelasting is koperdraad in de stal waarschijnlijk heet geworden en zijn er vonken ontstaan.”
Herbouw in 1998.
Herbouw
Nel pakt vervolgens twee plakboeken die naast veel foto’s en knipsels over de brand het nodige materiaal bevatten over de periode daarna. “De sloop is gestart op 23 september 1997. Dat raakte ons echt, omdat er niets meer van de boerderij overbleef. Bouwbedrijf Tromp is op 1 juli 1998 met de nieuwbouw van deze woonboerderij begonnen, waarvoor bouwkundig bureau SV Consultants uit Heemskerk ongeveer de oorspronkelijke stijl heeft aangehouden. Het duurde nogal lang voordat we vergunning kregen van de gemeente, want ze stelden allerlei eisen. Ze waren ook bang dat de woning als twee-onder-één-kap gebruikt zou gaan worden, maar dat was absoluut niet de bedoeling. Ik ben toen een keer op een donderdag gaan klagen op het gemeentehuis en die maandag daarop lag de vergunning in de bus”, aldus Nel. De nieuwbouw werd een dag voor de Kerst in 1998 opgeleverd. Nel: “Het was in het begin erg wennen, want ons thuis was anders dan in de boerderij. Samen hebben we hier toch nog een aantal mooie jaren gehad.”
De splinternieuwe woonboerderij begin 1999. Van links naar rechts Rosalin Kuijs (vriendin van Jeanette), Jeanette, Piet, Nel en Annemarie.
Van het interieur van de oude boerderij was maar bitter weinig overgebleven, zoals ook het Nieuwsblad voor Castricum in de krant van 28 april 1999 meldde: ‘Er bleef nog één kastje behouden dat door de familie een beetje cynisch ‘rookkastje’ werd genoemd’. Daaraan werd toegevoegd ‘dat slechts de vijf oude koestalraampjes, die in de zijgevels zijn teruggeplaatst, aan vroeger herinneren’. Nel zegt daarop dat er ook nog twee schuifdeuren bewaard zijn gebleven die in een kast zijn verwerkt.
Piet als oorlogsverteller
In april 2010 kwam de film ‘Ik Wist Niet Wat Oorlog Was’ uit van de filmmakers Pauline van Vliet en Mariet Haverkamp over Castricum in de Tweede Wereldoorlog. Daarvoor gingen leerlingen uit groep acht van de Juliana van Stolbergschool en Augustinusschool op onderzoek uit en interviewden oudere plaatsgenoten over hun ervaringen. Piet Dam was een van hen en hij wist boeiend te vertellen over wat hij als jongetje op de boerderij beleefde: “Ik was negen jaar toen de Duitsers kwamen en had geen idee wat er gebeurde. Ik hoorde vreemd praten, wist ik veel dat het oorlog was. Mijn jeugd is daardoor totaal veranderd, want de Duitsers gingen niet meer weg. Ze sliepen in het hooi totdat ze bunkers hadden gebouwd en die gingen bewonen. Op ons erf werden er vijf gebouwd.”
Voetbal moment van Vitesse 22 achter de boerderij van Dam, de bunkers rechts deden dienst als kleedkamer. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had deze plek de naam Widerstandsnest 45. De bunker uiterst rechts deed toen dienst als w.c. bunker, de bunker ernaast was een woonschuilplaats voor de Duitsers. Doodweg 10 in Castricum, 1946-1948. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.
Piet vervolgt zijn verhaal in de film: “In één bunker woonden vier Duitsers. Ik vond het goede snuiters. Waarom? We waren kind en je had verschillende soorten Duitsers. Er waren hele goeie, goeie, slechte en hele slechte die geen geweten meer hadden. Je moest dus op je woorden passen. Langzamerhand ging je aan de Duitsers wennen en zochten ze contact met de kinderen. We mochten de bunkers schoonmaken en dat vonden we een hele eer. Onder een van de bunkers zat een kelderdie als wc werd gebruikt. Na de oorlog heb ik die bunker gesloopt, maar de kelder zit er nog steeds.”
Jaarboek 44, pagina 7
Aan het eind van de film zegt Piet: “Het bevrijdingsfeest was een fantastische dag. Onze bevrijders waren stoere binken met een helm op. We kregen chocola van ze en mochten ze een hand geven.”
Bevrijdingsfeest met Piet links naast de accordeoniste.
Oorlogsdeskundige John Heideman verklaarde waarom er zoveel bunkers op deze locatie zijn gebouwd: “Rondom de boerderij van Dam verrezen in totaal tien bunkers en één open geschutsopstelling. De Duitsers noemden dit complex ‘Widerstandsnest 45 (Wn45)’. Het bunkernest was gesitueerd rondom een knooppunt van wegen. Zodoende was vanuit alle windrichtingen het inkomende verkeer aan de zuidoostzijde van Castricum goed controleerbaar. In de bunker voor de boerderij had de bevelvoerend officier zijn onderkomen.”
Tot slot
Piet overleed op 30 juli 2014 op 82-jarige leeftijd. De kinderen zijn allang uitgevlogen, dus Nel woont alweer ruim zeven jaar alleen aan de Oosterbuurt 1.
Nel bladert met weemoed in een bijna verkoold trouwalbum. Foto Hans Boot.
Daarover zegt ze: “Ik heb het nog steeds erg naar mijn zin. Dat komt vooral door de plek, die ik altijd belangrijker heb gevonden dan de boerderij. Op dit moment heb ik nog twee paarden, twee pony’s en wat kippen lopen. Zolang mijn gezondheid het toelaat, wil ik hier graag blijven, want het zou me aan mijn hart gaan als ik moet verkassen. Dat zou mij het gevoel geven dat er voor de tweede keer brand uitbreekt …”
Hans Boot
Bronnen:
Bevolkingsregisters en Burgerlijke Stand;
Diverse regionale kranten;
Heideman, John (2016). Castricum en Bakkum tijdens de Tweede Wereldoorlog (Deel 2);
Ik wist niet wat oorlog was, Caleidoscoopfilm, 2010;
Kadastrale bronnen over Castricum;
Notariële archieven te Alkmaar en Haarlem.
Met dank aan: Nel Dam-Stuifbergen, John Heideman en Ernst Mooij.