Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.
Jaarboek 47, pagina 46
Bertus Stuifbergen aan het woord
Herinneringen aan een leven als priester en echtgenoot

Pastor Bertus Stuifbergen (90) heeft enkele jaren geleden in de verhalengroep bij Oud-Castricum over zijn leven verteld. Nog altijd bezoekt hij die bijeenkomsten om samen met leeftijd- en plaatsgenoten herinneringen op te halen aan het wel en wee van het vroeger grotendeels katholieke dorp. Stuifbergen volgde na de lagere school de priesteropleiding. De jonge priester leverde in de jaren (negentien) zestig het grootste gevecht van zijn leven door zijn keuze om het celibaat los te laten en in het huwelijk te treden, wat het einde van zijn priesterschap betekende. Zijn persoonlijke geschiedenis roept de beklemmende sfeer op van de oorlogsjaren en de tijd daarna.
Voor zijn dorpsgenoten is zijn levensverhaal heel herkenbaar en Bertus (Lambertus Hermanus) Stuifbergen is een geweldige verteller. De Stuifbergens zijn een echte Castricumse familie met meerdere takken (zie: De Castricumse familie Stuifbergen, 9e Jaarboekje Oud-Castricum). Bertus legt uit: “Mijn vader heette Bertus en zijn vader heette ook Bertus: dat is dus mijn opa. Om nu goed te weten over welke Stuifbergen het ging werd er bij mijn opa bij gezegd wie zijn moeder was, namelijk ‘Ooitje’. Ooitje Zonneveld was getrouwd met Pieter Stuifbergen, mijn overgrootvader dus. Zo heet ik dus Bertus, van Bertus, van Bertus van Ooitje. Zo wist iedereen wie je bedoelde. Net zo sprak je bijvoorbeeld over Dirk van Antje. Mijn overgrootvader woonde op de boerderij Papenberg aan het Onder langs en later op een nieuwe boerderij aan de Puikman.”

Gevraagd naar zijn levensloop noemt Bertus twee belangrijke momenten in zijn leven: de priesterwijding in 1959 en zijn huwelijk met Will van der Heijden in 1966. Het één zou bepalend zijn voor zijn werkzaamheden. Het ander voor zijn familieleven. Bertus wordt vader van drie kinderen, twee zonen en een dochter. Ook zij huwen weer en Bertus en Will worden opa en oma. In 2000 sterft de moeder van zijn kinderen. In 2006 vindt hij een nieuwe levenspartner in Mieke Haggenburg. Zij over lijdt in 2022.
Bertus is geboren in Castricum op 28 juli 1933 en volgde daar de lagere school van 1940 tot 1947. Vervolgens begon hij aan zijn opleiding tot priester-kloosterling op het Klein Seminarie, een middelbare school, in Driehuis. In 1953 startte hij met twee jaar filosofie en vier jaar theologie op het Groot Seminarie in Brummen en Stein (1956-1960). In 1959 werd hij tot priester gewijd.
Veel uiteenlopende werkzaamheden volgden: voorganger en predikant in liturgische vieringen, docent godsdienst op middelbare scholen in Driehuis, Arnhem, Castricum, Beverwijk en bij de lerarenopleiding (pedagogische academie) in Beverwijk, Bergen en Alkmaar. Begeleiding van groeps activiteiten in de kinderbescherming in Arnhem, Amsterdam en in Heliomare. Tot op de dag van vandaag is hij pastor in de geloofsgemeenschap van Onze Lieve Vrouw van Goede Raad in Beverwijk.
Ervaringen uit de oorlog
Het grossiersbedrijf van vader Stuifbergen ging op de fles. Daar heeft Bertus nog sterke herinneringen aan: “Het werkgebied van mijn vader was van Egmond aan Zee tot Haarlem. Hij reed in een vrachtauto. Toen de oorlog uitbrak was het met de handel gedaan.
De Duitsers legden de handel stil. Hij kreeg geen benzine meer. Ik mocht nog één keer met hem mee. Toen zijn we naar de pont gereden; we reden eraf en meteen weer terug de pont op. Daarna reed hij terug naar Castricum door de Burgemeester Mooijstraat naar de garage. Hij zei: ‘Zo, dat was voor het laatst.’ Ik moest de deur van de garage openmaken.
In plaats van die vrachtauto heeft hij na het tochtje naar IJmuiden een personenauto gekocht. Het was een Fordje waar de achterbank uitgehaald was. Daar werd een klein vlondertje opgelegd voor eventuele handel. De winkel waar hij nog chocolade en koffie verkocht, moest dicht. Het uitbreken van de oorlog was natuurlijk een ramp voor hem. Voor mij leek het een spannende tijd. Er kwam een tank door de Dorpsstraat en de stoeprand werd helemaal naar beneden gedrukt. In april 1940 ging ik naar school. Juffrouw Kuipers sprak in haar gebed over de ernst van de oorlog. Toen dacht ik nog, mens dat is toch helemaal niet zo erg.
Jaarboek 47, pagina 47

Achteraf werd het natuurlijk allemaal wel erg. De zaak van mijn vader werd opgeheven; het huis heeft hij verkocht. Wij gingen naar de Burgemeester Mooijstraat 8. Daar woonden opa en opoe.
Die gingen in de voorkamer wonen en wij in de tussenkamer en in de keuken. Boven sliepen we allemaal. Hoe snap ik niet, want we hadden toen al zeven kinderen. Vanaf 1932 was er elk jaar een zusje of broertje bijgekomen.”
Pietje
Een tragische gebeurtenis speelde zich af in het begin van de oorlog. Bertus herinnert het zich als de dag van gisteren: “In 1941 was een broertje van me geboren, die heette Petrus maar werd Pietje genoemd. We moesten uit de Burgemeester Mooijstraat vertrekken want dat werd Sperrgebiet. Alle mensen die daar woonden, moesten verhuizen. Heel veel waren al vertrokken, onder andere naar de Zaan.
Tegen mijn moeder werd gezegd, rij met je fiets door het dorp en kijk of je een huis vindt. Er stonden nog al wat huizen leeg. Onder andere in de Prins Bernhardstraat, die door de bezetter omgedoopt was in Jan Evertsenstraat. Op nummer 17, huize De Meeuw, kwamen wij terecht. We hebben daar een jaartje gewoond. Een moeilijk jaar. Hoe moet je de kachel stoken: het enige was hout. We hadden een klein kacheltje en daar stond een pannetje met water op. Dat pannetje had een ronde bodem gekregen. Dat moest op de grond gezet worden, wilde je een blok hout in het kacheltje leggen. Op het moment dat dat pannetje weer op de kachel gezet zou worden, kwam de nog geen twee jaar oude Pietje binnen hollen en hij rolde over dat pannetje kokend water. Pietje heeft nog twee dagen geleefd. Op 25 januari 1943 stierf hij. Voor mij is hij een oorlogsslachtoffer.
Mijn moeder was in verwachting, wat ik niet wist. Op 28 juli 1943, op mijn 10e verjaardag, maakte mijn vader mij wakker. Hij zei: je hebt nog een cadeautje gekregen. Ik ging naar de slaapkamer en daar lag mijn tweede broertje Piet. Piet is geboren met horrelvoeten, maar hij kon ongelofelijk hard lopen. We hadden als kinderen natuurlijk ook wedstrijdjes. Er was een spelletje waarbij vlaggetjes van de ene naar de andere stoep gebracht moesten worden en Piet werd eerste.”
Afgeroomde melk
Natuurlijk was het niet zo ernstig als in de steden, maar sommige levensmiddelen werden toch schaars. Bertus: “Ik bedelde bij de boeren. Dan ging je erop af om melk te vragen. Ik heb echt heel wat melk te pakken gekregen. Dat kan ik je zeggen.
Het moet januari of februari 1945 geweest zijn. Achteraf weet ik nu waarom mijn moeder er zo op aandrong. Ze moet zwanger geweest zijn toen. Ik ging met Kees de Rooij op pad. Boer 1, boer 2 enzovoorts, overal ving ik bot. Het liep gewoon niet. Ik was ten einde raad. Ik loop bij de Pancratiuskerk en ineens krijg ik een inval. Kees de Rooij liet het afweten, die ging naar huis. Ik diende als misdienaar in de kerk, ‘s morgens vroeg om kwart voor zeven. Daar zat altijd een klein vrouwtje in de kerk, mevrouw Welboren. Die woonde op een boerderij aan de Kooiweg. Ik dacht, nu gooi ik alles in de strijd. Ik ga het over die boeg gooien. Ik kom achterom. Of ik volk heb geroepen dat weet ik niet meer, maar in elk geval kwam dat vrouwtje te voorschijn en ik vroeg om melk. ‘Ssst’, siste ze. Ze troonde me mee naar een schuur en daar stonden op de vloer hele grote brede schalen met melk. Daar lag room op. Dat stond natuurlijk klaar om te karnen. Ik had maar 1 fles bij me. Ze pakte zo’n maatje en duwde room opzij en haalde daar wat melk vandaan en goot het met een trechtertje in mijn fles. Met een halve fles melk ben ik toen naar huis gegaan. Dat was het achttiende adres waar ik toen was en ik had een half litertje afgeroomde melk.”
Jaarboek 47, pagina 48
Nachtspiegel
Om aan melk te komen heeft Bertus ook eens een succesvol handeltje opgezet: “Achter de Torenstraat was de firma Bos met kwekerij Sumatra gevestigd. Die had gezegd dat ik twee liter melk kreeg als ik aan een nachtspiegel kon komen. Wist ik veel wat een nachtspiegel was. Ik vroeg het aan mijn moeder en die wist dat het een pispot was. Oh, dat kwam mooi uit, want ik wist er wel eentje en nog wel van porselein.

Achter het huis Burgemeester Mooijstraat 8 stond een schuur van 22 meter lang. Daarin werden vroeger rauwe eieren met gebluste kalk geconserveerd. In de oorlogsjaren is die schuur gebruikt om er kampeertenten van camping Bakkum in op te slaan. De schuur lag dus helemaal vol met tenten. De burgemeester verordonneerde dat die tenten eruit moesten, omdat er aardappelen in opgeslagen moesten worden voor de gaarkeuken. Een jongen van Veldt reed die bintjes vanuit Friesland hier naar Castricum. Aan aardappels hebben we nooit tekort gehad. Ik heb wat piepers geschild! We hadden nog al eens aardappeleters aan tafel.
Bij die spullen van de kampeerders, die buiten kwamen te liggen, was ook een prachtig mooie pispot. Er was ook een karretje met vier wielen. Die pot heb ik daar opgezet. De schillen van de piepers gingen er overheen, want je mocht het niet zien. Ik ben door de Geelvinckstraat gelopen langs Vaalburg. Het moet in de winter van 1944-1945 geweest zijn en er lag veel sneeuw. Vaalburg was geëvacueerd en in die winkel woonde toen kruidenier Piet Stuifbergen die vanaf Bakkum verhuisd was. Oom Piet woonde boven. Ik deed de deur achter open en ik hoorde niets. Ik ben naar boven gegaan en toen hoorde ik door de deur een vreemde stem. Ik wist het meteen, dat is de radio. Maar dat mocht helemaal niet. Ik heb de deur maar niet open gedaan. Ze zouden maar kwaad op me zijn geworden, omdat ik het had gehoord. Ik heb achter die deur geluisterd en ik hoorde alsmaar het woord VREDE, VREDE.

Ik ben die trap afgegaan en mijn karretje gepakt en door de Pernéstraat over de knisperende sneeuw door de Torenstraat gelopen, waar nog geen huizen stonden. Ik moest wel janken, alleen om dat woord VREDE. Als dat toch eens waar zou kunnen zijn! Dan zou het eindelijk afgelopen zijn met het geronk van die vliegtuigen en het geluid van die kanonnen.
Ik haalde de schillen eraf en gaf de pot aan Bos en die stond helemaal te stralen. Toen kreeg ik twee prachtige volle flessen melk en met die handel ben ik toen naar huis gegaan.”
Brandhout
“Hoe kwamen we aan hout voor de kachel? Af en toe versierden we een ‘parkie’. We haalden ook wel hout uit het duin. Met mijn broer Herman heb ik heel wat staan zagen. Ik herinner mij die kou in de winter van 1944-1945. Wat we ook verzaagd hebben, was het mooie hout van die tenten. Dat was prachtig hout, dat kon je splijten en daar kon je meteen de kachel mee aanmaken. Toen de oorlog voorbij was, kwamen er mensen bij ons aan de deur om te vragen of hier nog van die tenten lagen … Ik heb gebiecht hoor. Wij gingen ook hout halen uit het Krengenbosch met een wagentje en een kistje erop.
Dat de huizen in de Pernéstraat in brand gestoken werden, heb ik gezien vanaf de zolder in de woning van Vaalburg. Door het raampje heb ik naar buiten kunnen kijken. Ik zag de Duitsers aankomen. Die sloegen een raam in en ze gooiden stro naar binnen en ze gooiden daar benzine overheen en toen vloog het hele huis van de directeur van de melkfabriek in de fik. Er zit in dat huis een rond raam boven de gevel en daar zie je nog het zwart van de verbranding van toen.”

Bevrijding
De bevrijding werd uitzinnig gevierd. Jaren van opgeklopte woede en frustratie ontlaadden zich. “Je bent een jongen van 12 jaar en je kijkt vol verbazing naar het gedrag van de grote mensen. Als gekken dansten ze door de Burgemeester Mooijstraat als een groot lang lint. Ik liep met mijn vader en moeder een rondje. Er komt een grote wagen aan en op die wagen staan allemaal mensen in boevenpakken; daaromheen is prikkeldraad gespannen. Er staat een groot bord: “verboden de dieren te voeren”. Dat waren mensen die fout waren geweest, de NSB-ers. Voor een kind was het een vreemde zaak, omdat je ook het woord NSB niet zo goed begreep. Ik wist alleen dat er tegenover ons in de ‘Jan Evertsenstraat’ een man woonde met een zwart pak en een pet op met rode randjes. Die man had iemand van de ondergrondse in Heiloo van zijn bed gehaald en murw geslagen. De ondergrondse heeft hem op de Kooiweg doodgeschoten en dat vond ik toen helemaal te gek.
Ik liep in de Pernéstraat en daar zag ik een horde mensen aan komen lopen en eentje met een grote schaar en die liep naar het huis tegen over de winkel waar Vaalburg in zat. Ik zie ze daar op de deur rammelen en roepen en er met een bijl op inslaan. Er komt een meisje uit de deur en zij wordt joelend door de Pernéstraat via de Torenstraat richting bioscoop geduwd. Zij moet op de stoep van de bioscoop gaan staan en daar wordt ze eerst kaal geknipt. Dan moet ze naar het vijvertje bij de Juliana- en Bernhardbank. Ze moest door het vijvertje lopen naar het rotsblok en daar moest ze op staan. Zo goten rode menie over haar hoofd en daar stond ze dan.

Dat maak je mee als kind. Dit zijn indrukken die je nooit vergeet. Grote mensen hou je vanaf dat moment op een afstand. Daar ben je bang voor; je gelooft en vertrouwt ze niet meer. Zoals ik meester Van Westen niet vertrouwde. Ik zat op atletiek, ik kon hartstikke hard lopen; we hadden training van mijnheer Vessies in de oorlogstijd. We hadden ook training in de gymzaal van de Augustinusschool en de sleutel was er niet. Wie wil de sleutel even halen. Ik rende naar meester Van Westen toe en belde aan en vroeg om de sleutel. Antwoord:’We geven de sleutel niet aan kinderen mee’. Kinderen … ik was verdorie de oudste in het gezin, ik had te zorgen voor brandhout en voor eten. Die man wist bij God niet waar ik voor stond.”
Seminarie
“Hoe komt iemand ertoe om naar het seminarie te gaan. Toen ik in de tweede klas zat, gingen we elke dag naar de kerk en ik vond het machtig mooi wat daar op het altaar gebeurde. Daar kwam uit zo’n deurtje de priester aanlopen met die mooie kleren aan en die had wat in zijn handen met een doekje eroverheen. Dat was de kelk, maar het was heel mysterieus.
Jaarboek 47, pagina 49

We hadden een heel stel kapelaans, pater Payens hadden we hier en de kapelaans Holthuizen en Van der Zalm. Ik wilde graag misdienaar worden en hoe kon je dat nu worden Daarvoor moest je bij de Zusters van de school op les. Er was een boekje uit het Sint Jacobs-godshuis in Haarlem en daar stond de latijnse tekst in fonetisch schrift. Dat moest je uit je hoofd leren. Ik heb de examens gedaan en ik werd misdienaar in de laagste orde. Je begint helemaal onderop. Dan begint je carrière in de katholieke kerk en uiteindelijk kan je paus worden. Daar heb ik wel van gedroomd. Je moest hele kleine stapjes zetten en geduldig blijven.
Ik wilde protestantse mensen katholiek maken. Ik had geleerd dat alleen katholieken in de hemel komen en protestanten niet. Dat vond ik heel erg.
De zusters adviseerden mij om naar de paters in Driehuis te gaan, want die hebben in Nederland zogenaamde Una Sancta-huizen. Daar kwamen burgers naar toe die graag katholiek wilden worden. Daar wilde ik naar toe. Van ome Jan van het Schulpstet in Bakkum leende ik een fiets. Het was 1947. Op de fiets zaten nog antiplofbanden.
Daarmee ben ik naar de pont gereden en ik volgde de weg die vader met de auto had genomen naar Driehuis. Ik heb bij een huis gevraagd waar een missiehuis was. Ik belde daar aan (je moest aan zo’n ijzeren staaf trekken) bij een heel hoge deur. Een grote man deed open en ik stelde de vraag: ‘Onder welke voorwaarden kan ik hier priester worden’ schijn ik gezegd te hebben. Ik werd in de spreekkamer gezet en toen kwam er een pater binnen met een heel zware stem. Ik heb ervan onthouden dat ik toelatingsexamen moest doen en ik zou er nog wel van horen.“
Voorbereidende klas
“Ik ben terug gereden en bracht de fiets terug. Ik vertelde bij thuiskomst aan mijn moeder waar ik geweest was. Dat vond ze wel apart. Ik zit in de kamer en opeens langs het raam zie ik pastoor Goes aankomen. Ik denk die man komt nooit hier en ik voelde nattigheid.

Ik ben meteen gevlucht naar boven. Ze hadden vanuit Driehuis gebeld naar de pastorie en daar gevraagd naar dat jochie. De pastoor kwam vertellen dat dat in elke geval niet door kon gaan. Ik moest eerst studiegeest opdoen. Ik heb toelatingsexamen gedaan in Driehuis; ik heb toelatingsexamen gedaan op de Mulo in Alkmaar en uiteindelijk ging ik naar niks toe. Er kwam een pater bij ons thuis en die zei: studiegeest doe je op in een voorbereidende klas en wij gaan met kerstmis met een voorbereidende klas starten. Ik ging niet naar de Mulo en niet naar het seminarie maar eerst naar de 7e klas van de heer Van Westen. Eén ding heb ik toen zeker geleerd en daar ben ik nog dankbaar voor; sinds die tijd weet ik met werkwoordvormen om te gaan. Afgesproken was dat ik in dat schooljaar 1946-1947 elke woensdag- en zaterdagmiddag naar Driehuis zou gaan. Daar kreeg ik dan van een pater les in Frans en Latijn. Dat zou doorgaan totdat de voorbereidende klas zou beginnen en dat gebeurde na Pasen 1947.
Op 21 april 1947 ging ik toen echt naar het seminarie in Driehuis met een klein koffertje met kleren. Vanaf september zat ik bij de zusters in de tuin te leren. De zomer van 1947 was heel warm.
Op dat seminarie aten we vier keer per dag: ‘s morgens, ‘s middags om 4 uur of om 5 uur. Zulke stapels brood, dat gebakken werd door broeder Krul, een nazaat van bakkerij Krul uit Den Haag. Ik heb daar ongelofelijk gegeten. ‘s Avonds om half negen aten we nog wat warms.
Je stond vroeg op, ging naar de kapel en uit de kapel ging je de studiezaal in en dan moest je je huiswerk doen. Dan kregen we ontbijt en dan naar het speelterrein en vervolgens hadden we les. Het liep als een trein met me. Tegen het Grieks, dat in de 2e klas werd gegeven, zag ik op. Ik kon aardig meekomen. We konden toneelspelen en er was een koor. Elk jaar traden we op voor de radio. Elke donderdagmiddag hadden we voetbal. Ik had geen voetbalschoenen. De pater zei, kom jij maar eens even mee. Hij doet de deur van een kast open en zoals ik bij vrouwtje Welboren al die schalen melk zag, zag ik hier een hele rij met allemaal voetbalschoenen. Ik werd keeper in het elftal, want ik was een geweldige fan van de beroemde Piet Kraak. Ik spaarde ook foto’s van keepers.
We hebben daar verder alle mogelijke balsporten en zelfs biljarten en zwemmen gedaan. Ik kon eerst niet zwemmen en de jongens uit de stad wel. Ik heb het met een bus op mijn rug mijzelf geleerd. Dan voel je wel dat je een provinciaaltje bent. Op mijn allereerste rapport stond vermeld: jij spreekt te Castricums. Daar was ik wel kwaad om. Het bleek te zitten in ‘skapen’ en ‘skool’ en spoorbómen met de klemtoon op bomen. Ik geloof dat we ‘ei’ ook niet goed uitspraken.
Op dat seminarie heb ik ontzettend veel geleerd en ik vond het alleen maar prachtig. Onze pater De Bruin zei, je moet als priester twee dingen goed kunnen en dat is zingen en voetballen. Naast zang gaf hij ook keeperstraining. Ik had best naar Vitesse gekund. Hij gaf ook nog Latijn. Hij was autodidact en onze school was niet erkend.“
Schoolkosten
“De school kostte driehonderd gulden per jaar. Hoe kwamen we aan geld, want thuis hadden we geen centen? Ik ging met mijn rapportje langs al mijn familieleden en ook naar de familie Duijn aan de Breedeweg en naar slager Jan de Kat. Van Jan de Kat kreeg ik altijd geld. Als hij het rapport had gezien zei hij, ben je al bij het ‘Gloria’?
Ook vroeg hij of ik al bij een bepaalde familie geweest was. Ik durfde niet. Dan zei hij: ‘Jij gaat daar naar toe, want je gaat niet voor jezelf, jij gaat voor de grote baas van boven.’ Naar Cor Spaansen ging ik ook en daarachter woonde ook iemand en daar kreeg ik toen 25 gulden.

We hadden een schilderij boven de slaapkamerdeur van mijn vader en moeder. Daar stond Maria op met kindje Jezus en er stonden ook duifjes op. Het papiergeld dat ik ving, stopte ik achter het schilderij. Met dat geld werd onder andere de studie betaald, dacht ik. Ik denk dat het ook wel voor andere dingen gebruikt is. Van de pastoor en het Van Schaikfonds kwam ook wat geld.
Op een avond in de winter zitten mijn vader en moeder bij de kachel. Het was in de Burgemeester Mooijstraat. We hadden een voordeur aan de straat en een aan de zijkant. Beide deuren deden het niet. Om bij ons binnen te komen moest je door de poort; het was winter en donker, dan de keukendeur in en door de donkere keuken kwam je dan in de kamer. Ineens gaat de kamerdeur open en is iemand door al die donkere toestanden heen gekomen. Wie stond daar in de kamer?
Jaarboek 47, pagina 50
Buurman Hein Groot van de schoenenzaak. Buurman stotterde een beetje, hij kon niet meteen uit zijn woorden komen, maar hij vroeg aan mijn ouders ‘Hoe doen jullie dat met die jongen van jullie?‘
‘We zitten er net over te praten, ga zitten.’

Die man heeft vanaf dat moment altijd niet alleen mijn schoenen maar ook mijn studie betaald. Toen ik verder weg woonde, hoefde ik maar te schrijven over schoenen en hij stuurde precies de goede maat en met brede leest op. Ik ben die man eeuwig dankbaar geweest. Ik heb gejankt. Het ontroert me nog steeds.
Een jaar of wat geleden, belde hij me op en hij zei, ik ben nu 89 en ik denk dat ik dood ga. Wil je eens bij me langs komen. Ik heb hem begeleid tot aan zijn eindje.”
Lourdes
“We wilden met een paar klasgenoten aan het einde van de studie, erg graag naar Lourdes. Maar je had voor de trein 120 gulden nodig. Ik moest dat bedrag dus zien te sparen. We spraken af dat we na elke vakantie 10 gulden aan de pater-overste zouden geven; die had een spaarbankboekje. Ik heb ook bollen gepeld bij Valkering in Egmond.
In vier jaar hebben we het bedrag bij elkaar gekregen. Met dat geld ben ik naar Lourdes gegaan. We wisten niet waar we zouden slapen; uiteindelijk kwamen we terecht in een kampeerhuis van scouts.
We moesten weer op tijd terug. In Parijs was er een een spoorwegstaking, terwijl we op 15 augustus in Berg en Dal moesten zijn voor ons noviciaat ter voorbereiding op het kloosterleven. Vanaf Parijs hebben we gelift tot de plaats Mons in België. Daar hadden we weer een trein.
Dat noviciaat (proeftijd voorafgaande aan het afleggen van de kloostergeloften) duurde een jaar. Ik nam afscheid van mijn moeder in Amsterdam; ik zie nog mijn moeder daar boven staan; ik wist dat ze in verwachting was. Ik zwaaide en ik denk die zie ik nooit meer terug. Dat was vreselijk.
Maar goed, ik ben toch gegaan. Ik heb wel tegen een pater gezegd, ik zie mijn moeder nooit meer terug. Ik kan niet slapen, ga eens kijken hoe het met haar is. Dat heeft die man inderdaad gedaan. Die is vanuit Berg en Dal naar Castricum gegaan. Dat was op de verjaardag van mijn moeder op 30 oktober. Hij heeft haar gefeliciteerd en hij kwam terug en vertelde me dat ze het goed maakte. Dat was een enorme geruststelling.
Op 2 december 1953 kwam de overste met een groot blad met beschuit met muisjes om te vertellen dat frater Stuifbergen een zusje, Thea, had gekregen. Het was 20 jaar na mijn geboorte. Ze heeft mij nooit thuis gezien en ik was dus eigenlijk een vreemdeling voor haar.
Na het noviciaat zijn we twee jaar filosofie gaan doen in Brummen. Daar deden we ook verschillende sporten, waaronder kanoën, schaatsen, zwemmen en wandelen. We gingen nog eens de Veluwe op en daar zagen we een groep herten, met grote geweien. Tegen de wind in slopen we dichterbij. Ik zat achter een bosje en in een keer stond zo’n machtig dier voor me. Prachtig. Ik heb daar twee jaar genoten. Ik had geen cent maar ik had geen geld nodig. Ik heb daar leren mediteren. Het was geweldig, wat een rijkdom. Ik gun het iedereen om zo zorgeloos twee jaar in een klooster te zijn.”

Ik had eigenlijk de roeping gekregen om naar Brazilië te gaan en ik had van dat land alles bestudeerd. Naar Nieuw-Guinea wilde ik niet; ik wilde mensen om me heen hebben. Ik kreeg te horen dat ik naar de universiteit moest om Engels te studeren. Ik zei dat dat helemaal niet kon, omdat ik geen staatsexamen gedaan had. Toen kreeg ik de opdracht om pedagogiek te gaan studeren. Ik moest de jeugd gaan begeleiden in Driehuis, waar ik zelf begonnen was.

Zo ben ik dus jeugdleider geworden. Van Driehuis ben ik naar Heliomare gegaan; daarna werd ik godsdienstleraar in Driehuis en op het Katholiek Gelders lyceum in Arnhem. Ik heb nooit mijn roeping als priester aan de kant gezet. Helaas mocht het ik het niet meer zijn van de Paus, omdat ik getrouwd ben. Het huwelijk is een belemmering voor het priesterschap. Ik blijf beweren dat huwelijk en priesterschap uitstekend samengaan.“
Jaarboek 47, pagina 51

Celibaat ter discussie
Voor het priesterschap in de katholieke kerk is het celibaat onder deel van de roeping, net zoals voor intrede in een kloosterorde. De verplichting dateert al uit het jaar 1075. De keuze ongehuwd te blijven staat in de kerkgeschiedenis tot op de dag van vandaag ter discussie. Steeds vaker gaan stemmen op om het verplichte celibaat te vervangen door het vrijwillig celibaat.
In de jaren (negentien) zestig en zeventig leidde het onvermogen vast te houden aan de kuisheidsgelofte tot uittredingen uit het priesterambt op grote schaal. Tijdens het pastoraal concilie (1966-1970) stonden de Nederlandse bisschoppen achter het vrijwillig celibaat. Voor Rome een brug te ver en er volgden benoemingen van zeer conservatieve bisschoppen.
Huwelijk
“Het ontkoppelen van het profane en het sacrale, dat is voor mij het grootste gevecht geweest. Ik wilde het combineren. Ik heb toen gedacht je moet de moed hebben te trouwen. Je krijgt wel ongelofelijk tegenspel. Ik heb een brief aan Rome geschreven om te vragen of het toch niet gecombineerd kon worden.

Ik werd aan mijn lot overgelaten. Als godsdienstleraar hoefde ik niet meer terug te komen in Arnhem. Ik heb het schooljaar wel afgemaakt. Ik werd met de nek aangekeken in Castricum. Pastoor Minnebo meldde dat hij liever had dat ik niet meer in de kerk kwam. Voor mijn ouders was het ook een moeilijke boodschap: ik ga het klooster uit en ik ga mijn eigen weg. Dat krijg je niet uitgelegd. Mijn schoonouders wilden absoluut niet dat ik met hun dochter ging trouwen. We hebben via de rechter toestemming moeten vragen.
Op 14 februari 1966 ben ik met Wilhelmina Jacoba Maria (Will) van der Heijden in Amsterdam getrouwd. Gelukkig hebben onze ouders ons huwelijk wel bijgewoond. Met veel moeite heb ik een kamertje van twee bij vijf meter kunnen huren. We hadden een petroleumkacheltje en onze kleren stonken ervan. Ik kreeg werk in Heliomare en studeerde androgogiek en we kregen een huis in Wijk aan Zee. Kon mijn huwelijk alsnog worden aanvaard?

Lange brief naar Rome gestuurd. Tenslotte kwam het telefoontje van Vicaris Kuipers in april 1968 met alsnog de erkenning van ons huwelijk. Onze oudste zoon werd daarna in februari 1969 geboren. De spanning was eraf. Kan je nagaan hoe zo’n vloek werkt en wat een impact het allemaal heeft gehad.”

De belevenissen van pastor Stuifbergen hebben in de verhalengroep grote indruk gemaakt. De problemen in de oorlogsjaren en de positie van de kerk hebben zijn tijdgenoten ook zo ervaren. In de huidige tijd mist Bertus Stuifbergen in de maatschappij bezieling en het nastreven van idealen, zoals in de jaren (negentien) zestig democratisering een grote rol speelde. Hij verwelkomt de inspraak in de kerk van bisschoppen, priesters, diakenen en leken. De stappen van paus Franciscus om te komen tot een mildere interpretatie van de kerkleer en oog voor de oecumene geven hem hoop voor de toekomst.
Niek Kaan


















































