20 december 2022

Brabantse Landbouw, boerderij (Jaarboek 35 2012 pg 92-93)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 92

De Brabantse Landbouw was eens de grootste boerderij van Castricum

De boerderij De Brabantse Landbouw.
De boerderij De Brabantse Landbouw nog met de schuur erachter.

Jachtopziener Cees Schoen, geboren en getogen in het Geversduin, heeft in 1938 op uitnodiging van het PWN opgeschreven wat hem bekend was over de boerderij ‘De Brabantse Landbouw’.

Zijn verhaal begint als volgt:
“Wie tegenwoordig een wandeling maakt door het Castricumse duinterrein – voorheen Geversduin – en ongeveer halfweg tussen ‘Kijk Uit’ en het strand ‘de Brabantse Landbouw’ passeert, zal zich nauwelijks kunnen voorstellen dat dit nog het woonhuis is van een van de grootste boerderijen van Castricum, zo niet de grootste.”

De Brabantsche Landbouw Oude Schulpweg 8.
De Brabantse Landbouw. Oude Schulpweg 8 in Castricum.

Ooit omvatte het bedrijf zo’n 250 hectare duingebied tussen Kijk Uit en Johanna’s Hof. De Amsterdammer Andries A.Deutz van Assendelft, tevens eigenaar van kasteel Assumburg, was in de 18e eeuw eigenaar van het Castricumse duingebied. Deze familie heeft de boerderij omstreeks 1763 gesticht.

Het bedrijf gold als bewijs voor de stelling dat verdere ontginning van de duinen goed mogelijk zou zijn. Er was wel een goede afwatering nodig. Een staartmolen maalde het winterwater uit de vallei van de daar stromende Hoepbeek en voerde het af naar de Schulpvaart.

Bij de Brabantse Landbouw ...
Bij de Brabantse Landbouw …

Bij de boerderij hoorde een stal voor ruim 30 koeien, die zo was ingericht dat de koeien met de koppen naar elkaar stonden, zodat over een middelgang daar tussendoor gelopen kon worden. Het vee werd overdag geweid in de duingraslanden en ’s nachts werd het weer binnengehaald. De mest die ’s nachts werd geproduceerd, werd vermengd met stro, waardoor de hoeveelheid toenam. Aan deze Brabantse wijze van boeren dankt de boerderij zijn naam.

Korenschoven op het land van de Brabantse Landbouw.
Korenschoven op het land van de Brabantse Landbouw. Oude Schulpweg in Castricum, 1941. De regering had een roggeplan ontwikkeld om de voedselvoorziening te verbeteren. Daarvoor werd in opdracht van het PWN duinen tussen Heemskerk en Egmond-Binnen in cultuur gebracht. Dit werd ook gedaan in het belang van de werkverschaffing. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op 13 hectare bouwland, waarvoor de mest hard nodig was, werden naast granen zoals tarwe, rogge, haver en gerst ook peulvruchten en aardappelen geteeld.

Naast een stal voor 8 paarden, waren er ook kalverenhokken, verder een gedeelte waar kaas gemaakt werd, een groot vierkant voor hooi- en zaadberging en een ‘dorsch’ van ongeveer 15 bij 8 meter waar het verbouwde graan bewerkt werd.

Schaapherderswoning.
Schaapherderswoning. Oude Schulpweg in Castricum. Na enkele honderden meters langs de Oude Schulpweg zag men ooit de schaapherderswoning van 1852. Het was een soort van schuurtje achter een jachtopzienerswoning. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op enige afstand, zuidelijk van de boerderij, stond de schaapherderswoning, waarbij een schaapskooi van vijftig bij vijftien meter hoorde. Eenzelfde kooi was op enige afstand ten noorden van de boerderij gebouwd. Dagelijks trokken twee schaapherders met hun kudde van 300 schapen de zeeduinen in die achter de weilanden lagen.


Jaarboek 35, pagina 93

Jan Kops, hoogleraar en landbouwcommissaris, schreef in 1796 in ‘De Letterbode’ een artikel getiteld ‘Berigt wegens ene schone Bouw-Boerderij, in het midden der Catrikommer Duinen aangelegd’.

Citaat: “Behalve de Boer, genaamd Evert Asjes en zijne Vrouw, die nog jonge kinderen hebben vinden hier drie knegts, éne meid en twee jongens, hun werk; en vier melkbeesten leveren voor dit huisgezin genoegzaam zuivel op.”

Dat hij goed ‘boerde’ blijkt wel uit het feit dat hij in 1812 tot de hoogst aangeslagen en in de directe belastingen behoorde. Evert was de overgrootvader van Albert Asjes, die zijn vader en daarvoor zijn grootvader opvolgde op de boerderij Albert’s hoeve en die hij in 1939 naliet aan de hervormde kerk. De wijk Albert’s hoeve is grotendeels op die grond gebouwd.

De voorzijde van de boerderij.
De voorzijde van de boerderij.

Jan Kops was onder de indruk van De Brabantse Landbouw, eenzaam gelegen te midden van woeste duingronden, want hij eindigde zijn artikel als volgt:
“Ik durf mijne Medeburgers uitnodigen, om deze Boerderij te gaan bezichtigen. Noorddorp, de wisselplaats der Postwagens van Haarlem op Alkmaar, ligt één uur van deze plaats af.”

Noorddorp was een buurtschap aan de Rijksstraatweg in Heemskerk en de wisselplaats van de paarden lag ter hoogte van de nog bestaande boerderij Halfweg.

Ter wille van de landbouw moesten de konijnen worden uitgeroeid. Jan Kops gebruikte daarvoor het fraaie woord ‘depeupleren’, maar bedoelde ongetwijfeld hetzelfde. Iedereen die dat wilde, kreeg vanaf 1782 vergunning om konijnen te vangen.

Boerderij De Brabantse Landbouw.
Boerderij De Brabantse Landbouw. Pentekening Nico Lute. Scan van Kijk-Uit kalender 1994. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Toen in 1853 Hendrik Docter als pachtboer De Brabantse Landbouw betrok, was het bedrijf al enigszins geslonken. Omstreeks die tijd is de schaapskooi ten noorden van de boerderij afgebroken. Van het bouwplan werden sommige akkers niet meer gebruikt en zijn toen bebost. Na 42 jaren de boerderij bewoond te hebben, overleed Hendrik in 1895.

Het bedrijf was toen tot ongeveer de helft verminderd en met de schapenhouderij was het helemaal afgelopen.

Zoon Dirk Docter werd de nieuwe pachter. Hoewel er nog vee gehouden werd, moest het benodigde hooi worden aangevuld van land in de polder en van hooiveilingen. Na 1900 werd in de duinen geen hooi meer gewonnen. Op het nog overgebleven weiland konden een gedeelte van het jaar nog een tien of twaalf koeien gehouden worden; de andere graasden in de polder. Toen Dirk Docter in 1917 de boerderij verliet, had De Brabantse Landbouw als boerderij afgedaan.

Bank en Marij Beentjes.
Bank en Marij Beentjes. Bank Beentjes was de laatste pachter van de Brabantse Landbouw. De boerderij was eigendom van Jonkheer Gevers en werd verkocht aan de Provincie die er een dienstwoning van maakte, thans eigendom van het PWN. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na een jaar te hebben leeg gestaan werd het huis nog betrokken door Bank Beentjes, die er een paar koeien hield en wat aardappelen verbouwde. Tenslotte werd het bedrijf in 1921 voorgoed opgeheven.

Gedenksteen ter herinnering aan het verblijf van prof. De Hartog.
Gedenksteen ter herinnering aan het verblijf van professor De Hartog.

In 1923 werd het woonhuis verbouwd voor Cees Schoen. In 1934 werden de stallen afgebroken. Het veranderde woonhuis is daarna ook nog enige tijd als zomerverblijf gebruikt door prof. dr. A.H. de Hartog, vader van de schrijver Jan de Hartog. Een gedenksteen in de voorgevel herinnert nog aan het verblijf van deze bekende theoloog.

Luchtfoto Brabantse Landbouw.
Luchtfoto Brabantse Landbouw. Duinen in Castricum, 26 februari 1945. In het midden de Oude Schulpweg met de boerderij de Brabantse Landbouw en het voormalig roggeveld. Foto Royal Air Force. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Behalve het woonhuis zijn verder nog als enige overblijfsels van het bedrijf, de vroegere omheiningen van de uitgestrekte weilanden te zien. Die bestaan uit opgeworpen wallen, hier en daar met doornstruiken beplant.

Schoolpad, duinen in het Geversduin.
Schoolpad in het Geversduin. Duinen in Castricum, 1920. Pad tussen de Brabantse Landbouw en Kijk Uit. Waarschijnlijk weg waarlangs in het duin wonende kinderen naar school gingen. Het loopt parallel aan de Oude Schulpweg. Het Schoolpad bestaat grotendeels niet meer. Alweer jaren geleden (bij schrijven is het 2014) heeft het PWN het pad parallel aan de Oude Schulpweg dichtgegooid met grote takken en boomstammetjes, zodat het niet gebruikt kon worden en overwoekerde. Dit omdat er te veel paden door het gebied lopen. Collectie Pennekamp. Toegevoegd.

Onder het motto ‘Zonder verleden geen heden’ heeft het PWN een wandeling van 8,5 kilometer uitgezet die langs de voormalige boerderij en landbouwgronden loopt (in 2018 bestaat deze PWN wandeling niet meer). De start is vanaf het parkeerterrein aan de Geversweg, maar vanaf de ‘wisselplaats der postwagens’ is De Brabantse Land-bouw ook nog steeds te bereiken.

Niek Kaan

Bronnen:

  • Schoen, C: De Brabantsche Landbouw, mei 1938;
  • Kops, J: Bericht ener Bouw-Boerderij, De Letterbode 1796.

20 december 2022

Zanderij, oude duinbeek (Jaarboek 35 2012 pg 88-91)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 88

Oude duinbeek op de Zanderij

De kaart uit 1850 laat zien dat het duingebied zich uitstrekte tot de huidige Mient.
De kaart uit 1850 laat zien dat het duingebied zich uitstrekte tot de huidige Mient. Rechts is ter oriëntatie het tracé van de geplande spoorlijn ingetekend. Met de pijl wordt het gebied van de Zanderij aangegeven.

Op 20 mei 2009 vond een archeologische verkenning plaats in een bouwput gelegen aan de Duinenboschweg 28 te Castricum. Op de plaats van een gesloopte woning werd nieuwbouw gepleegd. Onder de nieuw te bouwen woning was een kelder gepland. Dit was aanleiding om hier een bijna drie meter diepe bouwput te graven. Deze situatie gaf ons een uniek kijkje op een stukje geschiedenis van de Zanderij. Het profiel van een duinbeek werd zichtbaar en getuigt van overstuivingen van rond de tiende eeuw na Christus.

In het duingebied zijn er vele duinbeken geweest om op natuurlijke wijze af te wateren naar het lagere gebied. Ook zijn er de met de hand gegraven duinrellen die dezelfde functie hadden. Dat de duinen zeer nat geweest zijn, is nog terug te vinden in toponiemen als Watervlak, Vennewater, Vogelwater, Swaensdal, Waterstall en Mareveldt.

Een commissie schetste in 1798 het volgende beeld:
Alle deeze vlakten zijn bedekt met eene meenigte van onderscheide grassen en planten, men vindt er zelfs telkens veel witte en ook roode klaver, zo dat wij van de meeste kunnen zeggen, ’t geen wij boven van de Meente op Texel verklaarden, dat zij als ongebruikte Weilanden moeten gerekend worden. Veele Greppels zijn ook door de Natuur gevormd, van welke de geenen die tusschen Noortdorp en de Beverwijk liggen haare uitloozing hebben door beekjes die na de binnenwateren vloeien. Indien dezelve slechts verbreed of tot slooten werden gemaakt, om het water betere afleiding te bezorgen; en de gronden naar behooren werden toegemaakt, zou hier eene aanzienlijke meenigte van Runder Vee zelfs, kunnen geweid worden.”

Hieruit blijkt dat het een zeer nat gebied geweest is, dat heden ten dage door grondwaterwinning en beplanting in vergelijking met vorige eeuwen een dorre boel is.

De toegenomen windactiviteit bracht vanaf de 11e eeuw grote massa’s door de zee aangevoerd zand in beweging. Het oude en tamelijk vlakke duinlandschap werd verstoven en er ontstond een hoge duinrand die zich steeds verder naar het oosten verplaatste. Uitlopers van de jonge duinen bereikten ook de dorpen Castricum en Bakkum. Pas in de 18e eeuw werd de zandzee getemd door helmaanplant en bosaanleg.

De omgeving van de opgraving; het zwarte vierkant geeft de contouren van de bouwput.
De omgeving van de opgraving; het zwarte vierkant geeft de contouren van de bouwput.

Door het afgraven van duinzand in de 19e eeuw heeft een deel van de duinrand in Castricum een heel ander aanzien gekregen en is de Zanderij ontstaan. Veel duinzand is indertijd gebruikt voor de aanleg van de spoorlijn tussen Alkmaar en Amsterdam rond 1860. Er is in het gebied twee tot acht meter hoog duin weggeschept. Op deze afgraving zal ter plaatse tuinbouw zijn bedreven. Een groot deel van de Zanderij is ook heden ten dage nog in gebruik als tuinbouwgrond, al zijn er tegenwoordig ook bedrijven en woningen te vinden.

Luchtfoto Zanderijweg
Luchtfoto Zanderijweg met huis en schuur van Arie Lute. Links boven kruispunt Mient-Ruiterweg in Castricum, 1976. Foto Pieter de Graaf. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Jaarboek 35, pagina 89

Deze afbeelding geeft de situatie van 1879 weer. Nog maar een beperkt deel van de Zanderij is afgegraven. Op een kaart uit 1900 bleek dit al wel het geval te zijn. Op alle bestudeerde kaarten is geen spoor van de gevonden duinbeek zichtbaar.
Deze afbeelding geeft de situatie van 1879 weer. Nog maar een beperkt deel van de Zanderij is afgegraven. Op een kaart uit 1900 bleek dit al wel het geval te zijn. Op alle bestudeerde kaarten is geen spoor van de gevonden duinbeek zichtbaar.

De opgraving

De verkenning is verricht in mei 2009 door Marc Harsveld van AWN Zaanstreek Waterland en Rino Zonneveld van Werkgroep Oud-Castricum en Werkgroep Oer-IJ.

In het noordelijke deel van de bouwput werd in de wand een verzande beek aangetroffen. Deze beek of duinrel tekende zich duidelijk af tegen het lichte duinzand en bleek gevuld met lagen zand. De verschillende lagen zand waren duidelijk van elkaar te onderscheiden, voornamelijk door de textuur en de kleur van de afzettingen. De situering van de bouwput bleek een gelukkig toeval, vooral omdat zowel een dwars- als een langsdoorsnede van de beek zichtbaar was.

Met name in het noordoostelijke profiel van de bouwput was een groot deel van de dwarsdoorsnede van de beek waar te nemen.
De noordwesthoek van de beek lag deels buiten de bouwput. Ongeveer tweederde deel van het dwarsprofiel van de beek kon worden gedocumenteerd. In het langsprofiel zijn de stroom- of overstuivingsrafelingen nog zichtbaar.

Op de foto zijn een dwars- en langsdoorsnede van de beek zichtbaar.
Op de foto zijn een dwars- en langsdoorsnede van de beek zichtbaar. Rechts op de foto Rino Zonneveld.

Jaarboek 35, pagina 90

Tekening van het noordoost-profiel.
Tekening van het noordoost-profiel.

De opeenvolgende grondlagen

De onderkant van de bouwput bestaat uit natte zandhoudende klei. Direct daarboven bevindt zich achtereenvolgens ongeveer 60 centimeter veenhoudende klei en ongeveer 40 centimeter verzadigd zand, dan volgt het nulpunt van het huidige NAP, daarboven ongeveer een meter aardvochtig zand en tot het maaiveld ongeveer 60 centimeter de bouwvoor.

De beek ligt in zand met fijne schelpdeeltjes die door de wind zijn afgezet. In de bovenste zandlaag zijn nauwelijks of geen schelpdeeltjes meer aanwezig. Op basis van de geomorfologie, de wetenschap die de vormingsprocessen van het landschap bestudeert, is bekend dat verstuivingen vanaf de achtste eeuw plaatsvinden.

Enkele vondsten: v.l.n.r. twee fragmenten Pingsdorf aardewerk,een stukje kogelpot en twee stukjes botschilfer.
Enkele vondsten: van links naar rechts twee fragmenten Pingsdorf aardewerk, een stukje kogelpot en twee stukjes botschilfer.

Archeologische vondsten in de duinbeek

In de beek zijn verschillende voorwerpen aangetroffen.Op de diepste plek (0 meter NAP) werden de kaak van een rund, botmateriaal en een aantal stukjes van een kogelpot uit de 8e of 9e eeuw gevonden. Ook zijn twee stukjes Pingsdorf en drie stukjes rood Andenne gevonden, waaronder een stukje lensbodem. Het aardewerk dateert uit de 12e en 13e eeuw.

Ook wat ondieper in de beek (0,4 meter boven NAP) werden stukjes Pingsdorf aardewerk, kogelpot en botschilfer gevonden.
Boven in de beek (0,9 meter boven NAP) is een gelige, grof gemagerde scherf gevonden. Dit is mogelijk de rand van een Pingsdorf baksel uit periode 1225-1250 na Christus.


Jaarboek 35, pagina 91

Wat zegt de vondst van de duinbeek over het verleden ?

De donkere cultuurlaag, die aanleiding was de bouwput beter te bekijken, is een laag veen met ingestoven zand. Of de laag door de mens bewerkt is, hebben we niet kunnen vaststellen. Het beekprofiel laat ons alsnog getuige zijn van de overstuivingen van rond de tiende eeuw na Christus. De vondsten wijzen zeker op duinbewoning hier in de periode van 1000 tot 1300 en mogelijk van de periode daarvoor. Gezien de omvang van de beek zal er veel water door gestroomd zijn. Tevens laat het zien dat de duinen zeer waterrijk zijn geweest. De beek ligt in de oude duinen en is dichtgestoven door het zand van de latere jonge duinen.

Rino Zonneveld

Literatuur:

  • Vos, P.C., R.A. van Eerden, J. de Koning, 2010: Paleolandschap en archeologie van het PWN duingebied bij Castricum.
  • Kops, J.: Tegenwoordige staat der duinen van het voormalig gewest Holland; zijnde het eerste deel van het algemeen rapport der Commissie van Superintendentie over het onderzoek der duinen. Leiden, 1798.

Dank: Met dank aan Gerard Graas voor het determineren van het botmateriaal.

Beleidsnota archeologie vastgesteld

Op 6 oktober 2011 heeft de gemeenteraad een Beleidsnota Archeologie vastgesteld. Daaraan zijn een waarden- en verwachtingenkaart en een maatregelenkaart gekoppeld.
De gemeenten hebben op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg tot taak het archeologisch erfgoed in de bodem te beschermen. Het uitgangspunt van de wet is dat archeologische waarden via ruimtelijke ordening worden beschermd. Zo kan de gemeente aan vergunningen voor ingrepen in de bodem voorwaarden verbinden om vindplaatsen te beschermen of, als dit niet mogelijk is, te laten opgraven. De beleidsnota en de kaarten dienen ertoe om het archeologiebeleid beter af te stemmen op de lokale situatie en de omstandigheden.

Aan de vaststelling van de nota is uitvoerig overleg met verschillende instanties en belangenorganisaties voorafgegaan. De Regionale Archeologische Werkgroep Oer-IJ heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld.

Castricum wordt wel een schatkamer genoemd van de archeologie in de provincie. Amateur-archeoloog Derk van Deelen en vervolgens de Werkgroep Oud-Castricum hebben zich er al vanaf de jaren (negentien) vijftig voor ingezet.

Bodemvondsten uit de eerste eeuwen worden in onze gemeente soms dicht onder het maaiveld al aangetroffen. Vandaar dat er een discussie is ontbrand over het voorstel van het gemeentebestuur een vrijstelling voor archeologisch onderzoek toe te staan tot 50 centimeter diepte. De werkgroep ‘Oer-IJ’ had graag 30 centimeter gezien voor specifieke gebieden. De monumentenraad heeft gepleit voor afstemming met de omliggende gemeenten. Uiteindelijk is de vrijstellingsgrens bijgesteld tot een diepte van 40 centimeter.

De nota met het kaartmateriaal is te raadplegen op de website van de gemeente onder het hoofdstuk Sport, Kunst en Cultuur. Uitvoerige informatie over de totstandkoming van de nota op de website van Oud-Castricum onder de taakgroep Archeologie.

20 december 2022

Bakkum, einde gemeente (Jaarboek 35 2012 pg 87)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 87

Tweehonderd jaar geleden einde gemeente Bakkum

De vroegere Cunerakapel.
De vroegere Cunerakapel. Schets van Andries Schoemaker in 1726 (’s-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek).

Op 1 januari 2012 was het tweehonderd jaar geleden dat Bakkum en Castricum werden samengevoegd. Tot dat moment was Bakkum een zelfstandige gemeente met ongeveer 110 inwoners en een eigen gemeentebestuur. De grens tussen beide gemeenten liep ter hoogte van de huidige Zeeweg en de Schulpvaart. Het grondgebied van de toenmalige gemeente Bakkum is het gedeelte van de gemeente Castricum dat wij nu Bakkum-Noord noemen.

Het gemeentebestuur van Bakkum vergaderde in het rechthuis; dat stond aan de oostzijde van de Heereweg bij de Achterlaan. Het rechthuis was ondergebracht in de voormalige Cunerakapel; de geschiedenis van deze kapel gaat vele eeuwen terug (zie hiervoor het uitvoerige artikel van Chris ten Raa in het 25e Jaarboek van Oud-Castricum).

De Cunerakapel afgebeeld op een geaquarelleerde pentekening.
De Cunerakapel afgebeeld op een geaquarelleerde pentekening. Heereweg in Bakkum, 1439. Getekend door Pieter Bruin, periode 1592-1643.

In 1576 was de kapel verlaten en in het begin van de 17e eeuw werd zij ingericht als ‘regthuys’ voor bestuur en rechtspraak door schout en schepenen en tevens als schooltje. Tot in de Franse tijd, in 1812, heeft het gebouw als zodanig dienst gedaan. Nadien was het nog geruime tijd als woonhuis in gebruik. Omstreeks 1870 werd het pand gesloopt.

De gemeentelijke samenvoeging vond plaats in de Franse tijd. Bij keizerlijk decreet werden per 1 januari 1812 meerdere gemeenten in onze regio samengevoegd en wel naast Bakkum bij Castricum ook Wimmenum bij Bergen, Limmen bij Heiloo, Groet bij Schoorl en Veenhuizen met Oterleek bij Heerhugowaard.

Na de Franse overheersing werden op 1 mei 1817 deze samenvoegingen weer teniet gedaan. Dat gold alleen niet voor de samenvoeging van Bakkum en Castricum, wat niet zijn oorzaak vond in het geringe inwoneraantal van Bakkum. Wimmenum werd namelijk ook weer zelfstandig met 68 inwoners.

Wapen van de ambachtsheer van Bakkum.
Wapen van de ambachtsheer van Bakkum, 1695. Dit is het wapen van Perné, Jacob vanaf 1695, Isaac vanaf 1748, Abraham vanaf 1748-1749. Een ambachtsheer oefende in een plaats of dorp het gezag uit namens de graaf of na de middeleeuwen namens de Staten van Holland. Een dorp waar de graaf het gezag erfelijk in leen had uitgegeven aan de ambachtsheer werd een (ambachts) heerlijkheid genoemd. Het gezag in Bakkum werd tot het begin van de 17e eeuw uitgeoefend door de machtige heren Van Egmond, die zetelden op het ‘Slot op den Hoef’ te Egmond aan den Hoef. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het kwam vooral doordat Bakkum toch al nauw verbonden was met Castricum, vanwege het feit dat we al sinds 1749 toebehoorden aan dezelfde ambachtsheer en dezelfde schout hadden. Ook zou het opnieuw inrichten van een plaatselijk bestuur voor Bakkum wel eens lastig geweest kunnen zijn.

Nog in 1811 wordt Jan van Bruijnswaard benoemd als burgemeester van Bakkum. Direct na zijn aanstelling heeft hij hemel en aarde bewogen om hem dit niet aan te doen, want hij achtte zich door zijn hoge leeftijd, zijn slechte gehoor, zijn onvoldoende opleiding en het niet beheersen van de Franse taal niet capabel om dit ambt te vervullen. Desondanks werd hij niet ontslagen.

Op 1 januari 1812 ging de nieuwe gemeente officieel heten: Castricum en Bakkum. Tot burgemeester werd Jacob Nuhout van der Veen benoemd, zoon van de voormalige schout.

Joachim Nuhout van der Veen.
Joachim Nuhout van der Veen was van 1780 tot 1814 schout van Castricum en Bakkum. Het ambt van schout is het best te vergelijken met dat van burgemeester. Hij woonde in de nog bestaande boerderij het Knophuis aan de Overtoom in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op 5 januari daaropvolgend werd de nieuwe gemeenteraad op het raadhuis van Castricum geïnstalleerd.

De raadsleden zijn Wouter de Bie, Fulps Ranke, Gerrit Brasser, Evert Asjes, Pieter Schavemaker, Arie Admiraal, Simon Duinmaijer, Albert Knaap en Willem Brakenhoff. Van hen hebben de laatste vier deel uitgemaakt van het bestuur van de opgeheven gemeente Bakkum.

Simon Zuurbier

Een verordening van het dijksbestuur over het houden van vee op de dijk.
Een verordening van het dijksbestuur over het houden van vee op de dijk. Castricum, 1807. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Vertegenwoordigers van Castricum en Bakkum in het bestuur van de Sint-Aagtendijk:

Heemraad voor Castricum:
tot 1833 meester Joachim Nuhout van der Veen
1833 Pieter Kieft
1836 Pieter Schotvanger
1859 Johannes F. Rommel
1878 Cornelis Mooij Janszoon
1916 Joseph M. Goes

Heemraad voor Bakkum:
tot 1837 meester Jacob Nuhout van der Veen
1837 Jan de Quack
1836 Pieter Schotvanger
1853 Klaas Stet
1860 Cornelis Schermer
1878 jonkheer meester J.W.G. Boreel
1888 Johannes Kuijs Pieterszoon
1913 Johannes Mooij

Hoofdingeland voor Castricum:
Pieter Duijneveld
1833 Fulps Ranke

1861 Johannes Louter
Adrianus van der Park
1892 Wulbert Melker
1905 Cornelis Spaansen

Hoofdingeland voor Bakkum:
Simon Duijnmeijer
1833 Bartholomeus N. Rommel
1870 Jan Schotvanger

20 december 2022

Biljartverenigingen (Jaarboek 35 2012 pg 75-86)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 75

De Castricumse biljartverenigingen

Interieur van het café Spoorzicht van 'Kouwe' Bal Lute met de biljartclub.
Interieur van het café Spoorzicht van ‘Kouwe’ Bal Lute met de biljartclub. Kramersweg 11 in Castricum, 1938. Op de achterste rij van links naar rechts Gerrit Kuijs (Poentje), Bal Lute en moeder Trijn. Zittend Jan Nijman, Freek Stuifbergen, Cor Nijman, Tinus en Cor Brakenhoff (van Oppie), Cor Brakenhoff, Doris Lute en Gerrit Tromp (Kwik). Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De oudste foto van biljarters in Castricum dateert van rond 1900. Deze is genomen in hotel-café-restaurant ‘De Rustende Jager’ aan de Dorpsstraat. Ook in café ‘Spoorzicht’ aan de Kramersweg in de tijdens de oorlog gesloopte buurt De Duinkant werd deze sport al beoefend. De oudste biljartvereniging in ons dorp is ‘Onder Ons’, die in 1935 werd opgericht.

Aanvankelijk bestonden er zes verenigingen. Nu zijn dat er nog vijf, waarvan ‘Onder Ons’ en ‘Willen is Kunnen’ bij de landelijke bond zijn aangeslotenen in dat verband ook aan districtswedstrijden meedoen. De andere drie verenigingen, te weten de ‘Biljartclub voor Ouderen’, ’t Steegie’ en ’t Stetje’ spelen alleen onderling wedstrijden. ‘De Doorschieter’ is in 2011 opgeheven. Naast deze verenigingen hebben zich in Castricum nog diverse caféclubs gevormd.

Al in 1985 was er een damesclubje dat elke maandagavond de biljartkunst in Hotel Borst beoefende onder leiding van Jos Bijl, die hier onder vuur wordt genomen.
Al in 1985 was er een damesclubje dat elke maandagavond de biljartkunst in Hotel Borst beoefende onder leiding van Jos Bijl, die hier onder vuur wordt genomen. Van links naar rechts Tiny Zonneveld-Van der Zwan, Els Liefting-Hopman, Ellen Borst, Hermien de Waard, Hetty Doekes-Brugsma, Vera Glorie-Post, Annemiek Glorie-Steevens, Gré Weerstand en Karin Borst-Glorie.

Geschiedenis van het biljartspel

Er is geen land ter wereld waar de biljartsport zo intensief beoefend wordt als in Nederland en België. De ouderdom van het spel is niet met zekerheid bekend, maar waarschijnlijk vond de geboorte van het biljarten ergens in het begin van de twaalfde eeuw plaats. Wat het land van herkomst betreft blijven de meningen eveneens verdeeld. De Fransen beweren dat het woord ‘billard’ een samenvoeging is van ‘bille’ en


Jaarboek 35, pagina 76

‘art’ en dus betekent ‘de kunst van het balspel’. De Engelsen beweren dat het een Engelse uitvinding is, omdat Bill Kew voor het eerst de bal met zijn ‘yard’ (ellestok) op de tafel zou hebben gespeeld. Biljarten was trouwens een spel van de betere standen en wordt daarom wel ‘het spel der koningen’ genoemd.

De uitvinding van de pomerans (leren dopje van de keu) in 1827 betekende een ware omwenteling inde biljartsport. Daardoor werd het mogelijk de nieuwe techniek van trekstoten toe te passen. Er zouden doorlopend nieuwe technieken toegepast worden en ook het materiaal werd steeds meer geperfectioneerd. Voor de tafelbladen ging men over op leisteen en de ballen werden gemaakt uit ivoor, dat later weer door kunsthars werd vervangen.

De meest beoefende spelsoorten zijn het libre-, het kader- en het driebandenspel.

Biljarten is een mannensport geworden sinds het hoofdzakelijk beoefend wordt in cafés. De laatste decennia hebben echter ook meer vrouwen de keu ter hand genomen. Omdat je het tot op hoge leeftijd kunt doen, zijn er momenteel nog heel veel ouderen die biljarten. Daarbij kampen de meeste verenigingen met het feit dat de aanwas van jongeren achterblijft.

21 december 1950: stand van de onderlinge competitie van biljart vereniging Onder-Ons.
21 december 1950: stand van de onderlinge competitie van biljart vereniging Onder-Ons.

De voorzitters van 1935 tot 2012

1935-1946 Henk Broksma
1946-1955 Piet Kuijs
1955-1961 Gerrit Twisk
1961-1963 Cor Theissling
1963-1965 Jaap Bregman
1965-1978 Cor Brinkhuijsen
1978-1992 Ber Zonneveld
1992-2000 Jan Levering
2000-2003 Ab Aarsman
2003-2006 Wim Kerssens
2006-heden (=2012) Hans Gosselink

Het voormalige ‘Bondshotel’, dat later bekend stond als het ‘biljartpaleis’ van Joop Leferink.
Het voormalige ‘Bondshotel’, dat later bekend stond als het ‘biljartpaleis’ van Joop Leferink.

Onder ons (1935)

De eerste Castricumse biljartvereniging werd in 1935 opgericht door de heren Broksma en Daniels. Er werd gespeeld in het voormalige ‘Bondshotel’ op de hoek Burgemeester Mooijstraat-Dorpsstraat, waarvan Henk Broksma de eigenaar was. Dit pand stond later bekend als het ‘biljartpaleis’ van Joop Leferink. De vereniging sloot zich aan bij de Nederlandse Biljart Bond (NBB). Deze bond werd in 1911 opgericht en stond vanaf 1951 bekend als Koninklijke Nederlandse Biljart Bond (KNBB).

Na de oorlog heeft Onder Ons ruim 50 districtskampioenen en 12 nationale kampioenen in de annalen mogen bijschrijven. De meest bekende daarvan is Jan Feeke, die in de periode van 1969 tot en met 1976 vijf keer Nederlands kampioen in het onderdeel kader 57/2 hoofdklasse werd.

Jan Feeke, biljartfenomeen.
Jan Feeke, biljartfenomeen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Piet en Arie Liefting behaalden beiden ook een nationale titel in respectievelijk de libre overgangsklasse in 1968 en kader 38/2 2e klasse in 1992. In latere jaren waren ook mannen als Frans Peperkamp, Jan Levering en Jan Visser meer dan eens succesvol tijdens districts- en gewestelijke kampioenschappen.


Jaarboek 35, pagina 77

Jan Feeke, vele malen kampioen

Jan Feeke in zijn glorietijd.

Jan Feeke (1928) is onbetwist de beste speler die Onder Ons heeft voortgebracht. Hij was een natuurtalent dat talloze wedstrijden op zijn naam schreef. Jan beoefende zijn sport zeer serieus en speelde beslist niet alleen voor de gezelligheid. Toen hij 13 jaar was, leerde hij het biljarten kennen:

“In 1941 ben ik begonnen. Ik woonde in Burgerbrug en de vader van een vriendje van me had een tafelbiljart. Al snel bleek ik aanleg voor het spelletje te hebben en mocht ik niet meer meedoen, omdat ik steeds won.

Toen ben ik bij de vereniging ‘Het groene laken’ in mijn woonplaats gaan spelen en nam daar vanaf mijn 18e deel aan de clubwedstrijden. In 1947 zocht ik het hogerop bij ‘Excelsior’ in Alkmaar. Vanaf mijn trouwen in 1953 ben ik gestopt en in 1957 ging ik met mijn vrouw in Zuid-Afrika wonen. In Pretoria kon ik aan de slag als boekhouder, maar na onenigheid met mijn werkgever kwamen we in 1967 toch weer terug en konden een huis kopen in de Prins Hendrikstraat. Er woonde hier al wat familie en bovendien werd ik hoofdadministrateur bij Unilever in Wormerveer.

Het biljarten heb ik toen weer opgepakt. Henk Marcker, die ik nog van vroeger kende, vroeg me om lid te worden van Onder Ons en dat deed ik. In 1968 speelde ik mijn eerste nationale kampioenschap en promoveerde naar de hoofdklasse. Een jaar later volgde de eerste titel in het ankerkader 57/2 en die prolongeerde ik vier jaar achter elkaar. Ook in de nog moeilijker eerste klasse kader 47/2 ben ik kampioen geworden. Dat was in 1979 in Rotterdam en was mijn mooiste titel. Ik heb in die jaren tegen diverse biljarttoppers gespeeld, zoals Piet van de Pol, Hans Vultink en Christ van der Smissen.”

In de periode van ca. 1930 tot 1948 droeg het pand links de naam ‘Bondshotel Broksma', naar de eigenaar Hendrik Broksma. Daarna werd het bondshotel Meijer, tot in 1959 Joop Lefering de zaak overnam en in het cafégedeelte het Biljart
paleis ging exploiteren met enkele echte wedstrijdtafels, waarvan dan ook door biljartvereniging 'Onder Ons' druk gebruik werd gemaakt.
In de periode van ca. 1930 tot 1948 droeg het pand links de naam ‘Bondshotel Broksma’, naar de eigenaar Hendrik Broksma. Daarna werd het bondshotel Meijer, tot in 1959 Joop Leferink de zaak overnam en in het cafégedeelte het Biljartpaleis ging exploiteren met enkele echte wedstrijdtafels, waarvan dan ook door biljartvereniging ‘Onder Ons’ druk gebruik werd gemaakt.

Van de Pol en Feeke speelden op 11 december 1947 een demonstratiepartij bij Broksma ten bate van de Nederlandse militairen in Indië (NIWIN). Het Nieuwsblad voor Castricum schreef er uitgebreid over. Wereldkampioen Van de Pol kwam die avond te laat aan, maar dat belette hem niet om in zes beurten 700 punten te maken. Feeke was uiteraard kansloos, maar dat mocht de pret niet drukken.

De opbrengst van het evenement was netto 173,65 gulden, waar de penningmeester van het NIWIN erg blij mee was. Na afloop van de wedstrijd roemde Van de Pol nog even het zuivere biljart van Broksma, want Piet had bij andere demonstratiepartijen dikwijls op tafels moeten spelen die hij ‘hobbelpaarden’ noemde …

Voor de KNBB heeft Jan Feeke in diverse commissies gezeten. Ook was hij opleider-instructeur en begeleider van nationale en internationale arbiters. Om die reden werd Jan door de bond benoemd tot lid van verdienste.

Jan Feeke beschikt over diverse plakboeken die getuigen van zijn indrukwekkende biljartcarrière. In zijn glorietijd waren partijen in één beurt (250 caramboles) geen uitzondering voor hem. Naarmate zijn leeftijd vorderde, moest Jan echter een stapje terug doen:

“Vroeger lag mijn gemiddelde om en nabij de 50. Nadat ik in 1991 stopte met nationale wedstrijden, is dat gedaald tot ongeveer vijf. In juni 2011 ben ik ook gestopt bij Onder Ons, omdat ik de eerste verschijnselen van de ziekte van Parkinson kreeg en ook mijn ogen achteruit gingen. Tijdens de jaarvergadering heb ik afscheid genomen en werd ik benoemd tot erelid. Alles bij elkaar heb ik een prachtige tijd gehad bij Onder Ons. Het is een prestatiegerichte vereniging en die paste bij mij. Inmiddels ben ik 84 en op die leeftijd mis je de clubavonden niet meer. Ter compensatie ben ik een schildercursus gaan volgen bij Perspectief.”

De leden van Onder Ons in 1984.
De leden van Onder Ons in 1984. Van links naar rechts staand Henk Woudenberg, Nico Tessel, Ber Zonneveld, Piet Liefting, Willem Baltus, Cor Brinkhuijsen, Jan Visser, Dick Pruis, Willem Schermer, Ber Veldt, Kees Lute, Nico de Jong, Frans Peperkamp, Cees Liefting, Jan Feeke, Hans Smit, Jan Hemmer en Sjef van Opstal; zittend Arie Liefting, Jan Veldt, Piet de Graaf, Marieke Schigt-Van Duin en Joop Tuynman.

Biljartlocaties

Tot 1980 kon de vereniging terecht in het ‘biljartpaleis’ van Joop Leferink.

Het biljartpaleis.
Het biljartpaleis van Leferink. Hoek Dorpstraat-Burgemeester Mooijstraat 42 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Toen dat een andere bestemming kreeg, verhuisde Leferink naar het oude veilinggebouwtje dat even verderop stond.

Links het voormalige veilinggebouw, hier in gebruik als café-biljart.
Links het voormalige veilinggebouw, hier in gebruik als café-biljart. Dorpsstraat 40 in Castricum, 1980. Daarnaast op 40a winkel ‘De Kijkdoos’ en tenslotte het hoekpand Dorpsstraat-Mooijstraat, waarin toen was gevestigd bloemenhandel ‘De Kruyff. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Dat kwam het spelpeil niet ten goede. Omdat Leferink er al binnen twee jaar mee stopte, moest worden uitgeweken naar een andere locatie. De club kreeg onderdak in de biljartsociëteit van Cees Kaandorp aan de Westerweg in Heiloo, waar wel weer goede resultaten werden behaald. Een vereniging als Onder Ons hoorde echter in Castricum thuis en daarom werd naarstig gezocht naar een nieuw onderkomen in ons dorp. De oplossing werd in december 1981 gevonden toen de gebroeders Ber en Jan Veldt aankondigden een biljartcentrum te willen beginnen in een leegstaand pand aan de Jacob Rensdorpstraat.

Ber Veldt (1942): “De voormalige werkplaats van schildersbedrijf Zoontjes kwam daar vrij en die voldeed aan de eisen voor eventuele horeca. De gemeente zag het ook wel zitten, alleen raadde men ons aan eerst de buren van onze plannen in kennis te stellen. Die hadden er gelukkig niet veel problemen mee en zo konden de benodigde vergunningen worden aangevraagd.

Ik had al een vestigingsvergunning en moest alleen nog even een horeca papiertje in de avonduren halen. Eind van de zomer 1982 gaf de


Jaarboek 35, pagina 78

Burgemeester Gmelich Meijling verrichtte de openingsstoot in het biljartcentrum aan de Jacob Rensdorpstraat.
Burgemeester Gmelich Meijling verrichtte de openingsstoot in het biljartcentrum aan de Jacob Rensdorpstraat.

gemeente toestemming en werd met de verbouw van de garageboxen begonnen. Vele zaterdagen en avonden is er keihard gewerkt, want we wilden alles voor de start van het nieuwe biljartseizoen in september af hebben en dat lukte allemaal.

Burgemeester Gmelich Meijling verrichtte onder grote belangstelling de afstoot op 27 april 1982. Tevens werd zijn naam aan een wisselbeker verbondenen die heeft hij vele malen uitgereikt, zelfs toen hij allang geen burgemeester van Castricum meer was.”

Ber, Gonnie en Jan Veldt tijdens de afscheidsreceptie op 2 juli 2011.

Voor Ber en Jan Veldt was het realiseren van dit biljartcentrum natuurlijk heel bijzonder, want de broers financierden het en hadden er naast hun werk zomaar een horeca zaakje bij.

Jan (1946): “Ook de biljartvereniging was met de vier biljarttafels in haar nopjes. Naast de clubavond op maandag was het zaaltje ook op zaterdagmiddag open en dat trok veel biljartliefhebbers. Zo kwamen er binnen niet


Jaarboek 35, pagina 79

al te lange tijd twee verenigingen (De Doorschieter en ’t Steegie) bij en werd het zelfs druk.

Het biljartpaleis.
Het biljartpaleis. Raadhuisplein 21 in Castricum, 2001. Rechts de Vomar van Winkelcentrum Geesterduin. Collectie Makelaarsbriefje. Toegevoegd.

Na zeven jaar werd om diverse redenen de locatie verruild voor een nieuw onderkomen bij het winkelcentrum Geesterduin, waar mijn broer Ber en ik ook eigenaar van werden. Daar kon op donderdag-, vrijdag- en zaterdagmiddag worden gespeeld. Op 1 september 1989 werd het centrum feestelijk geopend en we hebben dat met veel plezier bestierd tot 1 juli 2011.

Toen vonden wij het na 29 jaar wel goed zo en is het beheer overgedragen aan de nieuwe Stichting Belangenbehartiging Biljartsport Castricum (SBBC). Deze stichting, die wordt gevormd door de verenigingen Onder Ons en ’t Steegie, huurt het pand voorlopig voor vijf jaar en alles wordt nu gerund door vrijwilligers. De Doorschieter is per 1 juli vorig jaar opgehouden te bestaan, maar sommige leden zijn in Geesterduin blijven spelen.

Ik ben overigens nog gewoon lid van Onder Ons en speel zelf op de maandagavond. Daarnaast draaien mijn broer en ik bardiensten. Het is wel even wennen om er niet meer dagelijks naar toe te moeten. Dat geldt ook voor mijn vrouw Gonnie. Zij ging bijna altijd met me mee om de boel schoon te maken en alles op te ruimen. We hebben in het winkelcentrum een schitterende tijd gehad en vele toernooien gehouden, zoals het Henk Marckertoernooi en het Geesterduintoernooi.”

Leden

Onder Ons mag zich al jaren verheugen over leden die de club heel lang trouw zijn. Op dit moment (in 2012) telt de vereniging rond de 25 leden. Mensen als Jan Hemmer, Cees Liefting, Ber Zonneveld, Jan Feeke en Ber en Jan Veldt zijn al tussen de 40 en 50 jaar lid. Henk Marcker is zelfs meer dan 70 jaar bij de vereniging en was maar liefst 50 jaar secretaris.

Het niveau van de club is de laatste jaren wel een stuk minder geworden. Had Onder Ons voorheen nog tien kaderspelers, nu moet de club het doen met nog maar één speler in deze spelsoort en 23 spelers in de klasse libre. Het is wel heel bijzonder voor de vereniging dat Marieke Schigt al 32 jaar het enige vrouwelijke lid is.

Erelid en bondsridder

Henk Marcker (1922) verhuisde op vijfjarige leeftijd met zijn ouders van Amsterdam naar Castricum. Zijn moeder was een vriendin van de vrouw van eigenaar Henk Broksma van het Bondshotel. Zodoende kwam Marcker in aanraking met de biljartsport en werd in1940 lid van Onder Ons.

Marcker: “Ik speelde onder anderen met ‘Slappe’ Piet Kuijs van de zaadhandel, Bank Beentjes, Piet Res en Jan Visbeen. Een hoogvlieger was ik niet, maar wel een gemiddelde speler. Eén keer (in 1976) ben ik districtskampioen geworden in de hoofdklasse libre. Op bestuurlijk gebied was ik ook behoorlijk actief. Bij Onder Ons ben ik secretaris geweest van 1945 tot 1999. Daarnaast was ik 25 jaar districtsbestuurder en 23 jaar districtsarbiter.”

Henk Marcker biljartte in 1961 met een sigaar in zijn mond.
Henk Marcker biljartte in 1961 met een sigaar in zijn mond.

Tijdens de viering van het 75-jarig bestaan in 2010 werd hij lid van verdienste. Daarvoor was hij al tot erelid benoemd. Ook werd hij lid van verdienste en erelid van het district Alkmaar. Hier bleef het echter niet bij, want de Castricumse biljarter werd op 17 april 1990 ook nog eens door KNBB-voorzitter Maarten Hendriks tot bondsridder geslagen.

De fel begeerde onderscheiding van de carnavalsvereniging.
De fel begeerde onderscheiding van de carnavalsvereniging. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Aan het eind van ons gesprek in zijn woning liep Henk nog even naar de gang en toonde de oorkonde van de ‘Luie bul’ die hij in 1985 kreeg van Prins Carnaval.

De enige vrouw van Onder Ons

Marieke Schigt-Van Duin (1955) rijdt al 32 jaar elke maandagavond van haar woonplaats Zuid-Scharwoude naar het biljartcentrum in Geesterduin om de onderlinge wedstrijden van Onder Ons te regelen. Zij doet dat echter met veel plezier:

“Ik ben al jaren arbiter voor het district Alkmaar en daardoor kwam ik in de jaren (negentien) zeventig ook op bezoek bij Onder Ons. Dat leek mij een leuke vereniging om bij te spelen en daarom ben ik in 1980 lid geworden en nooit meer weggegaan. Ik voel mij hier heerlijk thuis en heb alle mannen onder de duim. Ze doen ook alles voor me en ik kreeg al gauw de bijnaam ‘Koningin van de vereniging’.

Voor het vele vrijwilligerswerk bij de club en voor de bond in 31 jaar werd ik onderscheiden. Daarnaast ben ik lid van verdienste van zowel de club als het district. Ook ben ik gehuldigd voor 30 jaar lidmaatschap van Onder Ons.

Voor het district ben ik nog steeds actief als docent arbitersopleiding en gewestelijk arbiter. Bij de vereniging maak ik roosters voor de onderlinge wedstrijden en de finales. Ik geniet elke maandagavond ten volle als alles draait en ik zie dat iedereen het naar zijn zin heeft!”


Jaarboek 35, pagina 80

75-jarig bestaan.
75-jarig bestaan. Van links naar rechts Marieke Schigt-Van Duin, Jan Hemmer, Cees Suurmond, Ber Zonneveld, Henk Marcker, Jan Levering en Hans Gosselink.

Jubilea

In 1985 vierde Onder Ons het gouden jubileum. Naar aanleiding daarvan verscheen een boekwerkje, waarin aandacht werd besteed aan diverse hoogtepunten. Burgemeester Gmelich Meijling feliciteerde in zijn voorwoord de vereniging met het 50-jarig bestaan en wees erop dat biljarten niet alleen ontspanning brengt, maar ook inspanning en training vergt. Het programma omvatte een receptie op 2 maart in het clublokaal en de volgende dag was er voor de leden en partners een feestavond in Uitgeest.

In 2010 stond de vereniging stil bij het 75-jarig bestaan en recipieerde (red: ontving genodigden) ter ere daarvan op 2 maart in het biljartcentrum van de gebroeders Veldt. Tijdens deze bijeenkomst werden Henk Marcker (70 jaar lid), Jan Hemmer (55 jaar lid), Ber Zonneveld (50 jaar lid) en Marieke Schigt (30 jaar lid) benoemd tot lid van verdienste. Tenslotte werd secretaris Jan Levering door Jan Visser, afgevaardigde van de KNBB, benoemd tot lid van verdienste van het district Alkmaar.

Ledenvergadering Onder Ons op 29 mei 2012.
Ledenvergadering Onder Ons op 29 mei 2012. Van links naar rechts staand Wim Schermer, Ber Zonneveld, Jan Veldt, Arie Liefting, Gert Jonkman, Ber Veldt, Ferry Rommel, Ab Schuit, Herman Mooij, Frans Peperkamp, Dick Pruis, Jan Hemmer, Aart Waterman en Cees Liefting; zittend Jan Feeke (erelid), Jan Levering (secretaris), Marieke Schigt-Van Duin (wedstrijdleider), Hans Gosselink (voorzitter), Cees Suurmond (penningmeester) en Henk Marcker (erelid).

Willen is kunnen (1965)

Op 15 oktober 1965 werd in De Rustende Jager een nieuwe biljartclub opgericht, die dezelfde naam kreeg als het etablissement. Daar speelden Cees Burgmeijer, Anton Steij en Nico de Jong hun wekelijkse potje biljart. De Jong hanteerde ook als eerste de voorzittershamer. Al snel telde de club ruim 20 leden.

Biljarten in de Rustende Jager.
Biljarten in de Rustende Jager. Dorpsstraat 62 in Castricum, 1915. De oudste foto van biljarters in Castricum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Jaarboek 35, pagina 81

Enkele maanden na de oprichting trad de vereniging toe tot de KNBB en ging spelen in district Alkmaar, waar menig kampioenschap werd behaald.

Het kampioensteam van WIK in 1967.
Het kampioensteam van WIK in 1967. Van links naar rechts Anton Steij, Nico de Jong, Cees Burgmeijer en Gert Lute.

Bovengenoemd drietal werd met Gert Lute erbij zelfs in 1967 Nederlands kampioen in de vierde klasse libre. Een unieke prestatie voor zo’n jonge club.

Bij de huldiging kregen de Castricummers een compliment van de voorzitter van de bond voor hun kleding. In die tijd was het namelijk de gewoonte om in een zwarte trui te spelen, maar de biljarters van ‘De Rustende Jager’ deden dat in een zwart vest.

Na de sloop van De Rustende Jager in 1976 moest de vereniging naar een andere locatie uitzien en kwam toen terecht in het biljartpaleis van Leferink. Vanwege het verdwijnen van ‘De Rus’ besloot men de naam te veranderen in ‘Willen Is Kunnen’ (WIK). Mede door meer biljartmogelijkheden kon ook het aantal leden worden uitgebreid.

Biljarters van WIK in actie aan de Stetweg.
Biljarters van WIK in actie aan de Stetweg.

Evenals Onder Ons verhuisde de club in 1980 naar het voormalige veilinggebouwtje in de Dorpsstraat. Samenwerking met enkele andere verenigingen, waaronder een aantal bridgeclubs, leidde ertoe dat WIK in 1982 opnieuw verkaste.

Het onderkomen van het bridge en biljartcentrum aan de Stetweg
Het onderkomen van het bridge en biljartcentrum aan de Stetweg 34a in Bakkum. Het pand is gebouwd door aannemer de Nijs. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Toen werd het onderkomen gevestigd in het biljart- en bridgecentrum aan de Stetweg, waar men nu nog speelt. Daar beschikt de club ook over vier prachtige wedstrijdtafels. Op 27 oktober 1990 hield de vereniging daar een receptie ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum.

De vereniging kende tot nu toe slechts vier voorzitters. Daarvan is Peter Vos de langst zittende.

De voorzitters van 1965 tot heden

1965-1973  Nico de Jong
1973-1978 Ko van Maldegem
1978-1980 Jaap van der Himst
1990-heden (=2012) Peter Vos

Plezier

WIK is geen vereniging meer die op hoog niveau speelt. Enkele spelers zijn naar een club gegaan die beter bij hun ambities paste. Van de drie oprichters speelt momenteel Cees Burgmeijer(1939) nog steeds bij WIK.

Cees merkte het volgende op: “Met Gert Lute, die er vlak na de oprichting bij kwam, ben ik inmiddels 47 jaar lid; wij beiden zijn erelid. Verschillende spelers zijn al meer dan 30 jaar lid, want over ’t algemeen zijn Wikkers honkvast. Het ledenaantal is ongeveer 25 en dat blijft constant. Elk jaar doen verschillende spelers mee aan districtswedstrijden in diverse spelsoorten en af en toe wordt een mooi succes gehaald.

Het belangrijkste is echter dat de leden veel plezier beleven aan hun hobby en daar iedere week naar uitzien. WIK is naast een biljartclub ook een gezelligheidsclub, want meerdere keren per jaar worden ook de partners van de leden uitgenodigd om samen aan een activiteit deel te nemen.”


Jaarboek 35, pagina 82

WIK-leden tijdens het 30-jarig bestaan in 1995.
WIK-leden tijdens het 30-jarig bestaan in 1995. Van links naar rechts achterste rij Theo Bijman, Rob Tijms, Henk Smolenaars, Ber Beentjes, Peter Vos, Gert-Jan Beentjes en Peter Groenendaal; middelste rij Anton Steij, Cees Burgmeijer, Cor Stroet, Klaas Ulder, Hans Beijersbergen, Piet Liefting, Hans Gosselink en Gerard Ursem; voorste rij Jan Plug, John Heeze, Peter Ent, Jan Kamp, Jan van der Zon en Gert Lute.

Theo de Graaf deed poging werelduurrecord biljarten

Café Duinzicht.
Café Duinzicht. Beverwijkerstraatweg 6 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het biljarten in Castricum kwam in de zomer van 1971 volop in het nieuws. Binnen de biljartclub Duinzicht, die in het gelijknamige café aan de Beverwijkerstraatweg speelde, was namelijk het idee ontstaan om een aanval te doen op het wereldrecord non-stop biljarten, dat op dat moment stond op 67 uur en 32 minuten. Theo de Graaf (1951) wilde wel een poging doen om dat record te verbreken en startte met zijn marathon op donderdag 15 juli om 16.00 uur, nadat de acquitstoot was verricht door niemand minder dan zanger Johnny Jordaan.

Theo de Graaf aan het begin van zijn recordpoging, waarbij Johnny Jordaan eregast was.
Theo de Graaf aan het begin van zijn recordpoging, waarbij Johnny Jordaan eregast was.

Theo: “In het begin had ik nogal last van zenuwen, wel weer. Voor deze poging had ik van biljartfabriek Feller uit Hoorn een mooie keu gekregen die goed in de hand lag. De medische verzorging was prima geregeld. Huisarts Van den Bergh controleerde regelmatig mijn conditie en fysiotherapeut Rob Schouten masseerde mij van tijd tot tijd. Ook waren leden van de Castricumse EHBO onafgebroken aanwezig om een oogje in het zeil te houden. Ik moest mij daarbij aan een uitgekiend dieet houden met zo weinig mogelijk calorieën, dat onder andere bestond uit een appel, zuurkool, beschuit, thee, bouillon, citroen en karnemelk.

Uiteindelijk hield ik het vol tot zondag 18 juli 12.03 uur en toen vond ik het na 68 uur en 3 minuten welletjes. Daarmee werd het oude record dus verbeterd met 28 minuten. Overigens hing dat succes nog even aan een zijden draadje, toen ik in de nacht van zaterdag op zondag een black-out kreeg. De slaap overviel me en ik dreigde volkomen in elkaar te zakken. Na een massage, een rondje hardlopen in de frisse buitenlucht en een koude douche wisten ze mij echter weer klaar te stomen voor de slotfase.

Toen het moment eenmaal daar was, bleek dat ik in totaal 3.725 caramboles had gemaakt, oftewel een gemiddelde van 1,04. Dat was hoger dan mijn algemeen gemiddelde bij de club! Tijdens deze marathon speelde ik trouwens tegen mijn eigen clubleden die steeds rouleerden.

Na afloop was het tot diep in de nacht groot feest met optredens van de Wico’s en de Amsterdamse zanger Bolle Jan. Ik werd bedolven onder de bloemen.


Jaarboek 35, pagina 83

Daarna maakte ik met Willem Harder, de toenmalige uitbater van Duinzicht en organisator van dit biljartspektakel, een rondedans voor de enthousiaste supporters, familieleden, vrienden en vele andere belangstellenden. Ook mocht ik diverse geschenken en een geldbedrag in ontvangst nemen.

De enige smet op mijn prestatie is dat het record niet erkend kon worden door het Guinness Book of Records, omdat de poging door twee spelers dient te worden ondernomen. De tweede kandidaat van Duinzicht haakte echter af. Toen besloot ik het maar in mijn eentje te doen. Met veel plezier kijk ik hierop terug en ik sta nog steeds achter mijn uitspraak vlak na het behalen van het record: “Dit was eens, maar nooit weer!”

Biljartclub voor ouderen (1981)

Begin jaren 1980 bleek er draagvlak te zijn voor een nieuwe biljartvereniging, omdat ook de vergrijzing in ons dorp sterk was toegenomen. Op 23 maart 1981 zag de ‘Biljartclub Voor Ouderen’ (BVO) het levenslicht. Ko van Maldegem was de eerste voorzitter.

Het eerste bestuur van de Stichting Biljart- en Bridge Centrum.
Het eerste bestuur van de Stichting Biljart- en Bridge Centrum. Van links naar rechts achterste rij Maarten Voogt, Jaap van der Himst, Piet van der Maaten, Jan Edam; voorste rij Theo Bijman, Ko van Maldegem en Jaap van der Werf. Dit zijn vertegenwoordigers van Bridgekring 1966, Biljartvereniging WIK en de Biljartvereniging voor Ouderen.

Ook deze vereniging vond in de eerste dagen van haar bestaan onderdak bij café Leferink. De leden waren aanvankelijk blij hier te kunnen biljarten, maar misten toch wel een eigen accommodatie. Die werd gelukkig vrij snel gevonden boven de nieuwgebouwde bakkerij van Kuilman aan de Stetweg.

Samen met enkele andere verenigingen ging de BVO deel uitmaken van de Stichting Biljart- en Bridge Centrum. Uit de beginjaren komen namen voor als die van Ko van Maldegem, Anton Ellermeijer en Jan Edam, bestuurders van het eerste uur, die met hun enthousiasme en doorzettingsvermogen de vereniging door de eerste roerige jaren hebben geloodst.

De voorzitters van 1981 tot heden

1981-1990 Ko van Maldegem
1990-1994 Joop Lamers
1994-2003 Jan van der Vliet
2003-2009 Andy van Ollefen
2009 heden (=2012) Rob Smit

Een van de oprichters

Jan Edam (1919-2012) was met Ko van Maldegem (1921-2004) een van de oprichters van BVO. De inmiddels overleden Jan vertelde daar het volgende over:

“Er waren rond 1980 zoveel ouderen die wilden biljarten dat er behoefte was aan een nieuwe club. In De Kern vond de oprichtingsvergadering plaats en in het begin hebben we nog even bij Leferink gespeeld tot we overstapten naar het pand van Kuilman aan de Stetweg.

Dat heeft ons, maar ons niet alleen, vele slapeloze nachten bezorgd. Er was een bedrag van 120.000 gulden nodig voor de inrichting van de speelruimte en voor de aanschaf van materialen. Dat bedrag hadden we niet en de beide andere verenigingen, de biljartvereniging WIK en Bridgekring 1966 evenmin. Op subsidie van de gemeente hoefden we niet te rekenen. Een verzoek aan een van de Castricumse banken om een lening had ook geen resultaat. De bank liet weten dat er onvoldoende onderpand zou zijn om, als we het niet zouden redden, bij het opheffen van de stichting de lening terug te betalen. Over de helft van het bedrag zou eventueel te praten zijn. We hebben toen een obligatielening uitgeschreven en binnen 14 dagen was dankzij het enthousiasme van de verenigingen en hun leden het benodigde bedrag van 60.000 gulden binnen. De bank ging toen ook overstag en de Stichting Biljart- en Bridgecentrum kon van start. BVO had als deelnemende vereniging een eigen home!

De eerste jaren waren mager en elke cent werd omgedraaid. Over een koekje bij de koffie moest in het stichtingsbestuur worden gestemd … Ik weet ook nog goed dat we geen personeel in dienst konden nemen voor buffet- en schoonmaakwerkzaamheden, omdat er dan belasting was verschuldigd over de betalingen. Daarom vroegen we maar vrijwilligers via een advertentie en daar kwamen voornamelijk vrouwen op af. Zij kregen dan een vergoeding van maximaal 1.500 gulden per jaar en als ze dat bedrag hadden bereikt, moesten ze van de boekhouder vertrekken en mochten pas het jaar daarop weer terugkomen … Toch is alles op zijn pootjes terechtgekomen en na 10 jaar waren alle schulden afgelost en was de gehele inventaris afgeschreven.

Ik heb bij BVO een hele leuke tijd gehad. We speelden onderlinge wedstrijden, maar ook tegen Alkmaar en Heemskerk. Toen ik in 2006 in De Santmark ging wonen, vond ik het mooi geweest en ben ik gestopt met biljarten. Mijn keu heb ik echter nog steeds bewaard.


Jaarboek 35, pagina 84

De BVO voorzag in een grote behoefte, want het ledental steeg jaar na jaar. In 1994 moest er zelfs een ledenstop worden ingevoerd, omdat het toen ingestelde maximum van 154 leden was bereikt en dat aantal dreigde behoorlijk te worden overschreden.

Het grote voordeel van deze vereniging is dat er wekelijks op zeven verschillende dagdelen in clubverband kan worden gebiljart. Daarnaast kan er op twee middagen vrij worden gespeeld.

BVO-voorzitter Rob Smit (rechts) feliciteert Gert Lute met het behalen van het clubkampioenschap in 2012.
BVO-voorzitter Rob Smit (rechts) feliciteert Gert Lute met het behalen van het clubkampioenschap in 2012.

Bij het 30-jarig jubileum in 2011 blikte de huidige (in 2012) voorzitter Rob Smit (1946) terug en zei tot slot:
“De BVO is een club met een groot aantal trouwe leden. Het overgrote deel biljart voor zijn plezier in een gemoedelijke sfeer, soms ook wel fanatiek, maar zonder het ‘mes op tafel’. Gelukkig maar, de biljartlakens gaan hier dan ook vrij lang mee.

Er zijn heel veel leden, zonder hier namen te noemen, die in het verleden een enorm actieve rol hebben gespeeld binnen de vereniging. Maar één naam springt er nadrukkelijk uit en dat is Anton Ellermeijer, die in 2000 wegens zijn grote verdiensten voor de vereniging gedurende 15 jaar werd benoemd tot erelid. Hij is tot nu toe ook de enige die deze eer ten deel viel. En als ik Anton Ellermeijer heb genoemd, mag ik ook de naam van Jan van Vliet niet vergeten. Met een ongelooflijk goed humeur en geduld wist hij veel lastige ledenvergaderingen tot een goed einde te brengen, Hij was negen jaar voorzitter en hij bleef altijd vrolijk.

Goed vandaag dus 30 jaar BVO, op naar het volgende lustrum. Al die jaren zijn wij al een bloeiende vereniging en dat willen wij graag blijven. Aan het bestuur zal het niet liggen, aan u ongetwijfeld ook niet, want er wordt nog steeds veel plezier aan het spelletje beleefd. Ik heb zojuist gememoreerd dat wij in 1994 over 154 leden beschikten. Nu schommelt het ledenaantal rond de honderd, 109 om precies te zijn. Van die leden is een kwart 80 jaar en ouder, sterker nog, drie zijn er over de 90.
Het is wel zaak om het ledenaantal vast te houden en liefst nog wat te vergroten!”

De Doorschieter (1982)

De Doorschieter werd op 1 september 1982 opgericht door en voor biljarters van allerlei pluimage: jong en oud; beginner en gevorderde; man en vrouw. De eerste voorzitter was Nico Tessel, die werd bijgestaan door secretaris Jan de Jong en penningmeester Jaap Brugman. Ook deze club begon in de garageboxen aan de Jacob Rensdorpstraat en verhuisde in 1989 mee naar het nieuwe biljartcentrum in Geesterduin. Daar werden elke woensdagavond de wedstrijden gespeeld.

Marcel Klomp werd in 1999 eerste in de 5e klasse libre. Links clubgenoot Eric Hansman.
Marcel Klomp werd in 1999 eerste in de 5e klasse libre. Links clubgenoot Eric Hansman.

De nadruk van De Doorschieter lag op de gezelligheid in combinatie met het streven naar een zo goed mogelijke prestatie. Daarom werd er vanaf 1985 voor de bond in het district Alkmaar in diverse disciplines gespeeld. De kampioenen deden daarna mee aan de gewestelijke wedstrijden. Zo was Marcel Klomp succesvol in november 1999 door in Lisse de finale te winnen van de 5e klasse libre. Hij was ook de enige Doorschieter die mee mocht doen aan een landelijk kampioenschap, overigens zonder daarbij in de prijzen te vallen.

Het KNBB-team van De Doorschieter in het seizoen 2006-2007.
Het KNBB-team van De Doorschieter in het seizoen 2006-2007. Van links naar rechts staand Cees van Oostrom, Joop van der Wijst, (sponsor) Marc van Delden en Janhans Berg; zittend Eric Hansman, Frans Lute, Theo Zentveld en Tiddo Luttjeboer.

In de discipline ‘teams’ werd één keer gewestelijk meegedaan door De Doorschieter en wel in 2001. Het team stond onder leiding van Gerard van Oostrom, het enige lid van deze biljartvereniging die in 2007 werd benoemd tot erelid vanwege zijn vele bestuursfuncties en zijn 25-jarig lidmaatschap. Voor velen was deze club namelijk een doorgangshuis, want in al die jaren werden in totaal 77 leden genoteerd (waaronder circa 10 dames) , terwijl het ledental jaarlijks varieerde van 16 tot 25.

De leden die tijdens wedstrijdavonden nog niet aan de beurt waren, verveelden zich overigens nooit, want er werd veel geklaverjast en dat werd vaak tot in de kleine uurtjes voortgezet. Eens per jaar werd het gezelligheidstoernooi ’10 over Rood’ gespeeld, waarbij om de clubbokaal werd gestreden. Ook werden er meerdere feestjes gehouden, zoals in 1992 en 2007 tijdens de vieringen van respectievelijk het 10-jarig en 25-jarig bestaan.

Toch zag deze club geen kans te overleven, nadat de gebroeders Veldt per 1 juli 2011 stopten met hun biljartcentrum. Toen viel ook het doek voor


Jaarboek 35, pagina 85

De Doorschieter. Vele leden zegden dat jaar hun lidmaatschap op om verschillende redenen, waarvan er een was dat men geen verplichtingen wilde aangaan ten opzichte van de stichting die per die datum het centrum in Geesterduin ging beheren. Omdat er nog maar zes leden overbleven, heeft het bestuur onder voorzitterschap van Frans Lute toen maar besloten om de vereniging op te heffen.

De eerste acht van ’t Steegie in 1996.
De eerste acht van ’t Steegie in 1996. Van links naar rechts staand Nico Scheerman, Bert Zonneveld, Piet Glorie en Toon Stuifbergen; zittend Huib Moot, Pé Zonneveld, Jan Glorie en Arno Nooij.

’t Steegie (1988)

Van een vereniging met een historie van 24 jaar mag je toch verwachten dat er een en ander op papier is terug te vinden. Dat geldt echter niet voor ’t Steegie, dat als vijfde Castricumse biljartvereniging op 28 november 1988 het levenslicht zag. Voorzitter Martin Res (1936) kon dat echter wel verklaren en wist gelukkig nog veel te vertellen:

“Ik kwam in de jaren 1980 nog wel eens een biljartje maken bij de gebroeders Veldt aan de Jacob Rensdorpstraat. Jan Stet vroeg me op een gegeven moment of ik er iets voor voelde om mee te helpen een club op te richten. We wilden namelijk niet bij Onder Ons spelen, want dat niveau was te hoog voor ons. Al snel hadden we 10 mannen die mee wilden doen en onder leiding van voorzitter Verner Oussoren gingen we van start. De naam ‘t Steegie werd bedacht door Klaas Tessel die zich liet inspireren door het feit dat je alleen via een steeg tegenover het zwembad de garageboxen van Veldt kon bereiken.

Toen het biljartcentrum daar werd opgeheven, gingen we natuurlijk mee naar de nieuwe vestiging in Geesterduin. Ondertussen waren we uitgegroeid tot 22 leden. In 2005 wilde Oussoren onmiddellijk weg bij Veldt, omdat de gebroeders lieten doorschemeren dat ze wilden stoppen. De voorzitter schreef op dat moment zonder overleg of inspraak een brief aan alle leden, waarin hij meedeelde dat er vanaf september in het biljartcentrum aan de Steweg zou worden gespeeld.

Dat veroorzaakte tweespalt binnen de vereniging, met als gevolg dat ongeveer de helft opstapte en een nieuwe vereniging oprichtte. De andere leden bleven bij Veldt spelen en doen dat nu nog. Ik werd na de breuk de nieuwe voorzitter van ’t Steegie en binnen anderhalf jaar zaten we weer op 22 leden. Waarschijnlijk heeft Oussoren, die inmiddels is overleden, alle papieren meegenomen en is er daarom bijna niets meer terug te vinden. Ook hebben we nog geen website, omdat de gemiddelde leeftijd 65 is en er niemand staat te dringen om ermee aan de gang te gaan. Ons jongste lid is ongeveer 55 jaar en ikzelf ben met 75 jaar zo’n beetje de oudste.

We spelen alleen onderlinge wedstrijden op de donderdagavond. Kenmerkend is de hoge opkomst. Er zijn veel avonden waarop iedereen er is en dat is voor een groot deel te danken aan de gezelligheid die bij ons voorop staat. Zo organiseren we op een vaste avond tussen kerst en nieuwjaar een spelletjesavond. Aan het eind van elk seizoen vindt de prijsuitreiking plaats en in juni hebben we een feestavond. Zo hou je het lang vol, alleen zou ik zo langzamerhand wel willen aftreden om plaats te maken voor een jonge voorzitter. Maar waar vind je die vandaag de dag?”

De leden van ’t Steegie in 2008.
De leden van ’t Steegie in 2008. Van links naar rechts achterste rij Piet Bakker (Castricum), Joop Mooij, Piet Bakker (Heiloo), Herman Rab, John Sallehart, Ed Huitinga, Nico Veldt, Hans Oudejans en Ton Res; middelste rij Gerard Borst, Jaap Spek, Piet Veldt, Jan van Zilt, Piet Duin, Bert Hooft, Piet Glorie en Toon Stuifbergen; voorste rij Giel de Reus, Bert Zonneveld, Martien Res, Rob Stet en Nico Scheerman.

’t Stetje (2005)

De jongste biljartvereniging van Castricum heet ’t Stetje. Zoals al beschreven onder ’t Steegie, werd Verner Oussoren voorzitter van deze nieuwe vereniging die op 25 juli 2005 werd opgericht. Met 14 leden ging men puur als gezelschapsgroep van start in het biljartcentrum aan de Stetweg, waar


Jaarboek 35, pagina 86

vanzelfsprekend de naam van de vereniging mee verbonden is. Sinds het overlijden van Jan van de Kerkhof in april 2012 wordt de functie van voorzitter bekleed door Hans Molenaar. Momenteel (in 2012) telt de club alweer 20 leden die op vrijdagavond bij elkaar komen. In het voorjaar van 2011 werd het clubtenue, bestaande uit een zwarte of donkerblauwe broek en een wit overhemd, uitgebreid met een rood vestje dat werd voorzien van een geborduurd embleem.

Groepsfoto van ’t Stetje uit 2010.
Groepsfoto van ’t Stetje uit 2010. Van links naar rechts achterste rij Huib Moot, Jeroen van de Kerkhof, Siem Castricum, Jan van de Kerkhof, Henk Revers, Jaap de Boer, Piet Castricum, Jos Hes, Ronald Bijwaard, Jan Elting, Johan van Venetiën, Siem Groentjes en Kees Rörik; voorste rij Piet Nieuwenhuizen, Stefan Castricum, Harm Regts, Cees Brouwer en Eugene Burgzorg.

‘t Stetje organiseert elk jaar drie toernooien, waarvoor ook andere verenigingen worden uitgenodigd. Verder wordt veel aandacht besteed aan de onderlinge band door middel vaneen clubblad en het jaarlijks organiseren van een barbecue of een andere gezellige avond. In november 2009 is men zelfs met de hele groep en partners drie dagen op stap geweest.

Nastoot

In Bakkum en Castricum wordt er anno 2012 nog door circa 200 biljarters in clubverband gespeeld. Ondanks het feit dat de oorspronkelijke biljartsport door de opkomst van pool- en snookerbiljarts fors aan populariteit heeft moeten inboeten, telt ons dorp toch vijf gezonde verenigingen die deze edele sport beoefenen. Daarom is de verwachting dat er hier nog lange tijd wordt gekrijt!

Hans Boot

Bronnen:

  • Archiefmateriaal en websites biljartverenigingen;
  • Castricum-Bakkum in vervlogen jaren, 1996;
  • Heideman H., Dorpje aan de duinkant, 1986.

Met dank aan: Cees Burgmeijer, Jan Feeke, Hans Gosselink, Theo de Graaf, Eric Hansman, Jeroen van de Kerkhof, Jan Levering, Henk Marcker, Gerard van Oostrom, Martin Res, Marieke Schigt-Van Duin, Rob Smit, Ber Veldt, Jan Veldt, Maarten Voogt en Peter Vos.


19 december 2022

Koningsbosch, jeugdherberg (Jaarboek 35 2012 pg 63-74)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 63

Van jeugdherberg Koningsbosch naar Stayokay Bakkum

Koningsbosch, de eerste door de NJHC gebouwde jeugdherberg. Gebouwd in 1932, gemeentelijk monument.  Tegenwoordig is dit een restaurant en hotel genaamd Huize Koningsbosch.
Koningsbosch, de eerste door de NJHC gebouwde jeugdherberg. Gebouwd in 1932, gemeentelijk monument.  Tegenwoordig is dit een restaurant en hotel genaamd Huize Koningsbosch.

Aan de Heereweg te Bakkum, omgeven door het duinrandbos van het Noordhollands Duinreservaat staat de vroegere jeugdherberg Koningsbosch. Vanwege de architectonische vormgeving is het gebouw geplaatst op de gemeentelijke monumentenlijst.

Maar ook om een andere reden is het een bijzonder gebouw. Het is de eerste speciaal gebouwde jeugdherberg in opdracht van de Nederlandsche Jeugdherbergcentrale.

Na vele jaren jeugdherberg Koningsbosch werd Stayokay Bakkum de nieuwe benaming. In 2012, het jaar waarin het gebouw tachtig jaar bestaat, is het einde van Stayokay Bakkum in zicht gekomen.

De Nederlandsche Jeugdherbergcentrale (NJHC)

Naar Duits voorbeeld ontstaan in de jaren (negentien) twintig van de vorige eeuw de eerste jeugdherbergen in Nederland. Op particulier initiatief wordt in 1927 de eerste jeugdherberg geopend in Ouderkerk aan de Amstel. Nog voordat de NJHC is opgericht, zijn er in totaal al twee jeugdherbergen bijgekomen: in Petten en Amersfoort. Ze zijn klein en zeer eenvoudig.

Uitnodiging voor de opening van jeugdherberg Koningsbosch.
Uitnodiging voor de opening van jeugdherberg Koningsbosch. Heereweg 84 in Bakkum, 1932. De officiële opening is op 26 maart 1932 nadat de eerste steen op 1 oktober 1931 is gelegd. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De NJHC gaat op 5 april 1929 officieel van start. Het doel is om goedkope en veilige overnachtingsgelegenheden voor de jeugd te bieden en om tot een goed netwerk van jeugdherbergen te komen. Voor de NJHC wordt een plaats ingeruimd in het kantoor van het Nederlandsch Jeugdleiders Instituut in Amsterdam. Een van de eerste taken van de nieuwe stichting is het uitgeven van eigen Nederlandse trekkerskaarten.

Inlegkaart trekkerskaart van de jeugdherbergen.
Inleg-trekkerskaart van de jeugdherbergen. Afgestempeld op 19 december 1970 te Koningsbosch bij het afscheid van Joop en Saar Richter. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1929 verschijnt de eerste jeugdherberg gids en worden huisregels opgesteld, waarin rechten en plichten van de bezoekers van jeugdherbergen zijn beschreven. In het eerste jaar vinden er in de jeugdherbergen 8.575 overnachtingen plaats. De NJHC heeft dan nog geen eigen jeugdherbergen. Ze is een overkoepelend orgaan dat naast de uitgifte van trekkerskaarten en de jeugdherberg gids, ook landelijke propaganda maakt.

De Zevensprong te Petten. Geen comité van notabelen, oproep om geld, besprekingen over statuten en dergelijke. Enkele jongelieden huurden een ‘huis’ voor 1 gulden per week en met een groep jonge vrienden besteedden zij hun vakantie om dit krotje te vertimmeren. De heer en mevrouw Wiese, de ouders van een van de initiatiefnemers, werden daar de eerste jeugdherbergouders.
De Zevensprong te Petten. Geen comité van notabelen, oproep om geld, besprekingen over statuten en dergelijke. Enkele jongelieden huurden een ‘huis’ voor 1 gulden per week en met een groep jonge vrienden besteedden zij hun vakantie om dit krotje te vertimmeren. De heer en mevrouw Wiese, de ouders van een van de initiatiefnemers, werden daar de eerste jeugdherbergouders.

Enkele huisregels vermeld in de jeugdherberggids van 1929

Wanneer men ’s avonds moe en stoffig na een langen tocht in een Jeugdherberg aankomt, beginne men zich geheel te wasschen. Liefst neme men een douche. Het nemen van een voetbad is echter voor ieder verplicht.

De ledikanten worden niet als bergplaats voor rugzakken en stoffige kleeding gebruikt. Deze wordt opgeborgen op daarvoor bestemde plaatsen. Ieder brenge zijn eigen lakens mee.

Alles is ingericht op het zich zelf helpen onder leiding van den Herbergvader. Ieder heeft daarom de plicht, waaraan hij zich nimmer mag onttrekken, om ervoor te zorgen, dat de slaapzalen vóór het vertrek den volgenden morgen wederom zijn schoongemaakt, de bedden opgemaakt en de keuken en waschgelegenheden in hun ouden toestand zijn teruggebracht.

Alcoholgebruik en rooken zijn ten strengste verboden. Om 10 uur ’s avonds moet iedereen stil zijn om allen in de gelegenheid te stellen een goede nachtrust te genieten.

Wanneer men ’s avonds na een lange tocht moe en stoffig in een Jeugdherberg aankomt, bestaat de mogelijkheid om een douche te nemen. Het nemen van een voetbad is echter voor ieder verplicht. De ledikanten mogen niet als bergplaats voor rugzakken en kleding worden gebruikt.

Zowel verenigingen als individuele personen kunnen bij de NJHC ingeschreven worden. Voor individuele personen bedraagt de contributie 3 gulden, inclusief het mededelingenblad. Voor jongeren bedraagt de contributie 1 gulden en voor gezinnen 1,50 gulden. De jeugdherberggids van 1930 vermeldt al 24 jeugdherbergen. In bijna alle jeugdherbergen zijn uitsluitend vegetarische maaltijden verkrijgbaar.


Jaarboek 35, pagina 64

Boerderij Zeeveld omstreeks 1930.

Boerderij Zeeveld

Een plaatselijke comité onder voorzitterschap van mevrouw Aukes, die ook lid was van Provinciale Staten, onderneemt actie om tot een jeugdherberg in Castricum te komen. Er wordt geld ingezameld onder meer door het organiseren van een bazaar en het werven van donateurs. De boerderij Zeeveld, bezit van de provincie Noord-Holland, zou als jeugdherberg ingericht kunnen worden. In 1930 verleent Gedeputeerde Staten van Noord-Holland toestemming.

Naast het naambord van de boerderij hangt de driehoek van de Nederlandsche Jeugdherberg Centrale.
Naast het naambord van de boerderij hangt de driehoek van de Nederlandsche Jeugdherberg Centrale.

Op 9 juli 1930, op een mooie zomermiddag, vindt de opening plaats. Genodigden worden ontvangen op de dors, een ruimte waar tijdens de hooitijd de hooiwagens naar binnen worden gereden. De ontvangstruimte is sober versierd met enig groen, enkele dahlia’s en rozen.

“Toen we allen op de toegeschoven banken waren gezeten en ons konden steunen tegen het pas geborgen hooi, opende mevrouw Aukes, voorzitster van het plaatselijke comité de bijeenkomst, (…)”, zo schrijft een verslaggever van de Alkmaarsche Courant om daarna zijn artikel te vervolgen met:

“In haar openingswoord wees zij er op hoe hier in korten tijd getracht en hopelijk gelukt is, om een jeugdherberg te kunnen openen, waar de reizende en trekkende jeugd goed en goedkoop een frissche slaapplaats kan worden verschaft (…).”

Boerderij Zeeveld.
Boerderij Zeeveld. Noorderstraat 2 in Bakkum. Deze mooie boerderij is gelegen aan het oude stukje Heereweg. Het gedeelte van de Heereweg langs de jeugdherberg is pas in 1930 aangelegd. Zeeveld is een tamelijk riant boerenbedrijf. Het is gebouwd in het begin van de vorige eeuw en de boerderij heeft tot 1962 als zodanig dienst gedaan. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na het openingswoord wordt een rondgang gemaakt en geeft de verslaggever een indruk van de tot jeugdherberg ingerichte boerderij. “Zeker er zijn geen ruime en luchtige slaapgelegenheden als in een hotel kunnen worden geboden, maar de reizende en trekkende jeugd vraagt dat niet, die heeft genoeg aan een sober maar helder gespreid bed, met eenvoudige waschgelegenheid en vraagt geen luxueuze ingerichte waschtafel.”

In de stal, waar in de winter de koeien staan, slapen de meisjes. Voor de jongens zijn de slaapplaatsen ondergebracht in twee tenten op het erf en ook op de zolder. Achter in de boerderij, in de paardenstal, is de keuken, waar ieder zijn eigen potje kan koken.

De dors deed dienst als ‘dagverblijf ’. Piet Mooij (staand) was naast boer ook twee seizoenen ‘jeugdherbergvader’ (1930).
De dors deed dienst als ‘dagverblijf ’. Piet Mooij (staand) was naast boer ook twee seizoenen ‘jeugdherbergvader’ (1930).

Vanaf die dag kunnen 14 meisjes en 10 jongens bij vader Piet Mooij terecht.

Het plaatselijk comité legde in oktober verantwoording af over het eerste seizoen, waarbij eraan wordt herinnerd dat gezien het weinige geld dat beschikbaar was. Er waren in die eerste maanden toch nog 195 overnachtingen, waarvan 2 uit Castricum zelf, 144 uit Noord-Holland, 43 uit andere provincies en 6 uit het buitenland.

In 1931 is het aantal gasten gestegen tot 985, dus is het bezoek meer dan vervijfvoudigd. Ten opzichte van 1930 is het aantal jeugdherbergen in 1931 inmiddels toegenomen tot 33 en daar zal spoedig een nieuw te bouwen jeugdherberg in Bakkum bij opgeteld kunnen worden.

Jeugdherberg Koningsbosch

Koning Willem I.
Koning Willem I. Bakkum, 1829. Koning Willem I, geboren in 1772 in Den Haag als prins Willem Frederik, werd na de Franse tijd in 1813 koning der Nederlanden (Nederland en België). Koning Willem I kocht in 1829 het Bakkumse duingebied uit de nalatenschap van Abraham Barnaart, grootgrondbezitter. Ook het aan de zuidzijde grenzende terrein van jonkheer Lucas Boreel werd aangekocht. Verschillende namen verwijzen naar het vroegere koninklijk bezit. Een stuk duingebied wordt Koningsduin genoemd. De waterloop langs de Zeeweg, tussen het fietspad en de rijweg, draagt de naam Koningskanaal. Een noordelijker gelegen stuk bebost duinterrein heet Koningsbosch, waarnaar de vroegere jeugdherberg Koningsbosch werd vernoemd. Een van de bospaden in het duingebied achter Bakkum draagt de naam Van Wiedlaan, zo genoemd naar prinses Von Wied die ook eigenaresse van de Bakkumse duinen is geweest en een kleindochter was van koning Willem I. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

In 1829 verwierf koning Willem I het duingebied bij Bakkum. Daarna is het enkele generaties lang in het bezit gebleven van leden van de koninklijke familie. Sinds 1903 is de Provincie Noord-Holland eigenaresse.

Het bollenland achter de duintjes, tegenover jeugdherberg Koningsbosch.
Het bollenland achter de duintjes, tegenover jeugdherberg Koningsbosch. Heereweg in Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Hiertoe behoort ook het gebied Koningsbosch in de binnenduinrand. Daar wordt in 1931 begonnen met de bouw van een nieuwe jeugdherberg, die ook de naam ‘Koningsbosch’ zal dragen. Het is de eerste jeugdherberg die in opdracht van de NJHC zal wor-


Jaarboek 35, pagina 65

den gebouwd. De bouw wordt door de Provinciale Staten van Noord-Holland mogelijk gemaakt door uitgifte van grond in erfpacht en een garantstelling tot een bedrag van 50.000 gulden  voor een geldlening.

Voor de eerste speciaal gebouwde jeugdherberg Koningsbosch wordt op 1 oktober 1931 de eerste steen gelegd.
Voor de eerste speciaal gebouwde jeugdherberg Koningsbosch wordt op 1 oktober 1931 de eerste steen gelegd door de gedeputeerde van Noord-Holland, de heer A.H. Gerhard. Hij staat met de hoed in de hand achter de zittende dame, links op de foto. Piet Mooij van Zeeveld was er ook.

De Amsterdamse architect Den Tex krijgt opdracht het gebouw te ontwerpen en hij volgt daarbij de stijl van de Amsterdamse School. Het gebouw zal ruimte bieden aan 76 bedden en een inpandige woning voor de herbergouders. De bouw wordt gegund aan de firma G. & J. Broertjes te Heemstede en Bloemendaal. In tegenwoordigheid van een grote groep genodigden wordt op 1 oktober 1931 de eerste steen gelegd door de heer Adrien Henri Gerhard, gedeputeerde van Noord-Holland.

Opening jeugdherberg Koningbosch.
Opening jeugdherberg Koningsbosch. Foto Ger van Geenhuizen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op paaszaterdag 26 maart 1932 is de officiële opening van jeugdherberg Koningsbosch. De eerste spreker is Dr. C.P. Gunning, voorzitter van de NJHC. Hij memoreert hoe in 1929 bij rentmeester Vogelenzang van het PWN het idee rijpte om dit terrein aan de Heereweg te gebruiken voor het stichten van een jeugdherberg en dat een in dat jaar gevormd comité ervoor heeft gezorgd dat de jeugdherberg er is gekomen.

Architect Den Tex roemt de artistieke bijdragen van mevrouw Ten Raa, lid van het plaatselijke comité en ontwerpster van een tweetal glas-in-lood ramen naast de open haard in het dagverblijf. Ook wijst hij op de vierkante mozaïekzuil die de luifel bij de ingang draagt. Het mozaïekwerk toont de figuren van een meisje, een haan, een uil en een boom.

De ingang met luifel en vierkante mozaïekzuil van jeugdherberg Koningsbosch.
De ingang met luifel en vierkante mozaïekzuil van jeugdherberg Koningsbosch. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na het hijsen van de vlag is er gelegenheid om de jeugdherberg te bezichtigen. Vanwege een sterke wind ziet men af van het ontsteken van een groot paasvuur.

Vader en moeder Mooij bedanken voor de eer om de eerste jeugdherberg ouders van Koningsbosch te worden, zij geven de voorkeur aan voortzetting van het boerenbedrijf. Het zijn Jan en Sien Reinders die in volledige dienst als jeugdherberg ouders worden geïnstalleerd. Zij zullen door de bezoekers met ‘vader’ en ‘moeder’ worden aangesproken.

Adrien Henri Gerhard werd op 7 april 1858 te Lausanne geboren. Hij stamde uit een geslacht van kleermakers. Ook zijn vader Hendrik Gerhard was kleermaker, maar was daarnaast een vakbondsleider en een pionier van de sociale beweging.

Adrien volgde de Rijksnormaalschool te Hoorn en werd in 1882 op 24-jarige leeftijd hoofd van een school in Amsterdam. Hij was een Nederlands politicus, vrijdenker, onderwijsspecialist en mede-oprichter van de SDAP. Hij kwam in 1913 in de Tweede Kamer en werd een alom gewaardeerd onderwijswoordvoerder. Hij sprak met een onvervalst Amsterdams accent. Hij bleef Kamerlid tot 1931. Van 1913 tot 1935 was hij lid van Provinciale Staten van Noord-Holland. Van 1916 tot 1935 was hij tevens gedeputeerde van die provincie.

Gerhard was lid van het plaatselijke jeugdherbergbestuur. Hij overleed te Bakkum op 3 juli 1948 op 90-jarige leeftijd.

Vele jongeren geven gehoor aan de oproep om zaterdag voor Pasen naar Koningsbosch te komen, de opening mee te maken en er het paasweekend door te brengen. Onder hen is ook Leo de Wolff. Aan hem wordt gevraagd om voor het maandblad ‘De Trekker’ een artikel over de opening te schrijven. Dat doet hij, maar hij betrekt daarin ook zijn herinneringen aan Zeeveld.

“ (…) Ik keerde me om, daar lag nu die modeljeugdherberg, waarvan reeds talrijke wonderlijke sprookjes de ronde deden. Fantastische verhalen waren in omloop over de inrichting van dit jeugdpaleis. In de verte achter wat hooge boomen moest de oude jeugdherberg liggen, ‘Zeeveld’, waar we zoo’n menig gezellig uurtje hadden doorgebracht. In die oude boerderij had je je thuis gevoeld, juist door de intieme primitiviteit van de inrichting. Waar boer Mooij en zijn vrouw je des avonds in het dagverblijf of buiten op het erf aan de babbel hielden, waar je de geur van het hooi opsnoof, waar de vogels je gratis op muziek tracteerden,


Jaarboek 35, pagina 66

’s morgens vroeg en in den avond. En nu, vlak voor ons een model-jeugdherberg (…).”

De in 1932 in gebruik genomen modeljeugdherberg Koningsbosch. In de beginjaren krijgt de jeugdherberg van de trekkers de bijnaam ‘halftonsherberg’, een verwijzing naar de bouwkosten.
De in 1932 in gebruik genomen modeljeugdherberg Koningsbosch. In de beginjaren krijgt de jeugdherberg van de trekkers de bijnaam ‘halftonsherberg’, een verwijzing naar de bouwkosten.

Groei

In 1932 stijgt het aantal jeugdherbergen tot 41. Overnachten voor gasten tot en met 18 jaar kost 0,30 gulden, voor gasten tot en met 21 jaar 0,40 gulden en voor gasten boven de 21 jaar 0,50 gulden. Voor een broodmaaltijd wordt 0,30 en voor een warme maaltijd 0,50 gulden gerekend. Het huren van een slaapzak kost 0,15 gulden. Bakkum verstrekt koude douches gratis. Wil men er warm water bij, dan moeten er 5 centen op tafel komen. De rijwielstalling is echter kosteloos.

In 1936 betrekt de NJHC een eigen kantoor in de Professor Tulpstraat. Daarmee is een einde gekomen aan de inwoning in het gebouw van het Nederlands Jeugdleiders Instituut.

In 1939 wordt het 10-jarig bestaan van de NJHC gevierd. Er zijn dan 64 jeugdherbergen.

Tussen 10.00 en 15.00 uur waren de jeugdherbergen gesloten. Op een poster werd dit in rijmvorm aan de gasten kenbaar gemaakt. De R. in de rechter benedenhoek doet vermoeden dat het ontwerp van de hand van de Bakkumse herbergvader Jan Reinders is.
Tussen 10 en 15 uur waren de jeugdherbergen gesloten. Op een poster werd dit in rijmvorm aan de gasten kenbaar gemaakt. De R. in de rechter benedenhoek doet vermoeden dat het ontwerp van de hand van de Bakkumse herbergvader Jan Reinders is.

Jeugdherbergouders

Het ‘vader’ en ‘moeder’ zijn van een jeugdherberg was geen bestaand beroep. Veelal werden echtparen gevraagd die bereid waren tegen een kleine vergoeding het beheer van een jeugdherberg op zich te nemen. Meestal waren vrij wonen en een gedeeltelijke kostvergoeding voldoende om de jeugdherberg als bijbaan te accepteren.

Jan Reinders schrijft daarover in het boek ‘Een kwart eeuw jeugdherbergen 1929-1954’ het volgende:
“Nergens kun je een diploma halen voor het vak herbergvaderen en -moederen. En toch moet je van alles kunnen, een soort duivelskunstenaar zijn. Kok, directeur, administrateur, je technische knobbel moet een zekere omvang hebben bereikt, … en dan nog een beetje pedagogie, wat psychologisch inzicht, … o ja, een beetje kennis van de levende natuur verdient wel aanbeveling, terwijl enige bekwaamheid in het volksdansen en musiceren, wat kennis van land en volk niet ongewenst zijn. En dan nog vader en moeder zijn, snapt u wat ik bedoel?”

Zegel jeugdherberg Koningsbosch.
Zegel jeugdherberg Koningsbosch, circa 1950. Jan Reinders maakte van alle jeugdherbergen in Nederland steunzegels. Hij keerde na de oorlog niet terug naar de jeugdherberg en richtte zich volledig op muziek en tekenen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat uit de kring van jeugdherbergouders de behoefte naar voren komt om meer contact met elkaar te hebben en aan scholing. Op de School voor Maatschappelijk Werk te Amsterdam wordt die mogelijkheid geboden. Jan Reinders vindt dat er ook wat moet gebeuren met hun rechtspositie. De jeugdherbergouders richten een eigen belangenorganisatie op.


Jaarboek 35, pagina 67

De oorlogsjaren

Al in 1939 krijgt het jeugdherbergwerk te maken met de oorlogstoestand in Europa. Een bericht in ‘De jeugdherberg’ meldt dat de in april geplande cursus voor jeugdherbergouders niet zal doorgaan, omdat een aantal jeugdherbergen voor de legering van militairen is gevorderd. Ook voor andere jeugdherbergen wordt dit verwacht.

De in 1939 afgelaste cursussen vinden nu van 8 tot 13 april 1940 plaats in Koningsbosch. Tijdens die bijeenkomst ontstaat een gespannen sfeer vanwege de Duitse aanval op Denemarken en Noorwegen. Een aantal deelnemers verlaat de cursus vroegtijdig.

Op 10 mei 1940 komt de oorlog over Nederland. Het met zoveel zorg opgebouwde jeugdherbergwerk wordt uiteindelijk onder nationaal socialistische leiding gesteld. Op een bijeenkomst op 7 mei 1941 in Utrecht krijgen de jeugdherbergouders van de nieuwe ‘leiding’ te horen welke nieuwe wegen er zullen worden gegaan.

Jeugdherbergouders hoeven geen lid van de NSB te worden en de huisregels worden niet veranderd. Alleen de toegang voor Joden wordt verboden! Na afloop van de bijeenkomst staat het voor enkele herbergouders vast dat ze ermee stoppen. Zij verliezen hun baan, maar ook hun woning, zonder enige garantie op financiële hulp. Anderen proberen het nog een poosje, maar verlaten dan ook het werk of worden door de nieuwe leiding ontslagen. De rest doet zijn best om het werk zoveel mogelijk door de beroerde tijden heen te loodsen.

Koningsbosch 10 jaar

Ook voor Koningsbosch breken moeilijke tijden aan. In de periode 1940-1941 wordt de jeugdherberg regelmatig voor korte perioden gevorderd voor legering van Duitse militairen. Ook moet enkele weekenden gastvrijheid worden verleend aan jeugdgroepen van organisaties die de Duitse ideologie uitdragen.

Bunker complexen in het duingebied van Castricum, 1941. Rechts bovenaan de kaart is er een groot complex met 31 bunkers ten oosten van de Heereweg in de driehoek Duinweg, Doornduin en de jeugdherberg Koningsbosch. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Toch wordt in april 1942 door een honderdtal trekkers het 10-jarig bestaan van Koningsbosch gevierd. Op de avond van paaszaterdag houdt ‘vader’ Reinders een lezing met lichtbeelden over Kennemerland. Paaszondag maken de bezoekers ’s morgens een excursie door het Geversduin onder Castricum en de middag wordt besteed aan sport en spel. ’s Avonds wordt door de trekkers een revue opgevoerd.

Het aantal jeugdherbergbezoekers loopt drastisch terug, mede omdat het vooral voor jonge mensen steeds gevaarlijker wordt om op pad te gaan. Bovendien hebben de Duitsers, evenals vele andere jeugdherbergen, uiteindelijk ook Koningsbosch gevorderd. Daarmee komt in 1942, het jubileumjaar van Koningsbosch, ook een einde aan het jeugdherberg ouderschap van de familie Reinders, maar daarmee zal Jan Reinders nog niet van het jeugdherberg toneel verdwijnen.

Nieuwe start

Na de bevrijding krijgen de jeugdherberg besturen hun in oorlogstijd onteigende panden weer terug. Slechts enkele plaatselijke stichtingen maken gebruik van dit rechtsherstel. Anderen zien van hun recht af, omdat zij de kosten van achterstallig onderhoud aan gebouwen en inventaris financieel niet kunnen opbrengen.

De NJHC, die voor de oorlog uitsluitend een overkoepelend orgaan was en de exploitatie van de meeste jeugdherbergen aan de plaatselijke stichtingen overliet, krijgt in 1945 als erfenis een gehavend en verwaarloosd net van jeugdhergbergen.

Van de overgebleven 39 jeugdherbergen kunnen er in 1945 slechts 9 weer gasten ontvangen. De andere 30 zijn ingezet voorde geallieerde militairen, evacués, terugkerende arbeiders uit Duitsland enzovoorts. Het is in het eerste jaar improviseren en dat zal nog enkele jaren zo blijven. De NJHC organiseert werkkampen voor hen die bereid zijn om hun vakantietijd te besteden aan timmeren, metselen en schilderen.

Bakkum, Pinksteren 1946. De corveeploeg. Het derde meisje van rechts is Erna Meijer. Zij had er toen nog geen vermoeden van dat ze in 1954 een seizoen in Koningsbosch als assistente zou werken en daardoor een speciale band met deze jeugdherberg zou krijgen.
Bakkum, Pinksteren 1946. De corveeploeg. Het derde meisje van rechts is Erna Meijer. Zij had er toen nog geen vermoeden van dat ze in 1954 een seizoen in Koningsbosch als assistente zou werken en daardoor een speciale band met deze jeugdherberg zou krijgen.

Reinders opgevolgd

Het echtpaar Leo Rommerts en Alie Muller wordt gevraagd om de jeugdherberg te gaan leiden. Koningsbosch staat op dat moment leeg. Het hele pand is door de Duitsers uitgewoond. Er moet van alles opgeknapt worden. Zodra de jeugdherberg te Bakkum gereed is, trekken zij erin en kunnen zij in 1946 de eerste gasten, vooral afkomstig uit Amsterdam, ontvangen. Er moet veel geïmproviseerd worden, want er is in die jaren weinig geld.

Jeugdherberg ouders Leo en Alie Rommerts
Jeugdherberg ouders Leo en Alie Rommerts (1945 tot en met 1960). Heereweg 84 in Bakkum, 1955. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

“Ik moest in de zomer vaak koken voor honderd mensen, maar ik had maar een paar pannen. De gasten kregen overigens nooit vlees in die tijd, want dat was veel te duur. Alleen seizoensgroente en aardappelen. Als er scholen kwamen deden we vaak een kwartje op de prijs en dan kochten we worst die we in plakken sneden en dan bakten, zodat de kinderen wel wat vlees kregen”, aldus de 86-jarige Alie Rommerts in een kranteninterview uit 2002.

Vader en moeder Rommerts krijgen drie kinderen; Floris, Marjolijne en Charlotte. De laatste twee zijn in de jeugdherberg geboren. Het gezin bewoont de bovenverdieping van de rechtervleugel. Het verlangen van Leo om zanger te worden is met het jeugdherbergouderschap niet op de


Jaarboek 35, pagina 68

achtergrond geraakt. In de herfst, de winter en het vroege voorjaar ziet hij kans om aan zijn zangcarrière te werken. Een paar maal per week reist hij naar Amsterdam om zangles te nemen. In 1948 zingt hij voor het eerst mee in de Mattheus-Passion. Sindsdien wordt hij de zingende jeugdherbergvader genoemd. Dit alles lokt veel zang- en muziekliefhebbers naar Koningsbosch. Als actieve voorbereiding voor het luisteren naar een grote uitvoering van de Mattheus-Passion organiseert hij voor geïnteresseerde trekkers Mattheus-weekenden, maar ook met zijn grote liefde voor volksliederen maakt hij van Koningsbosch de jeugdherberg van de zang. Een en ander heeft zelfs geleid tot de vorming van het zangkoortje ‘Jan Pierewiet’, dat enkele jaren in het radioprogramma ‘Boanopstekken’ van de VARA heeft gezongen. Het zingen bij de haard is voor moeder Rommerts een van haar mooiste herinneringen. Daarover zegt ze in het eerder genoemde interview:

“Mijn man had een hele mooie stem en volgde, toen we vlak na de oorlog kwamen wonen in Koningsbosch, nog een zangstudie. Al snel wisten de trekkers van de zangkwaliteiten van mijn man en hij moest bijna iedere avond zingen. Dan zaten wij in het hoekje naast de haard en de bezoekers zaten dan in een grote kring om ons heen. Dat was zo gezellig altijd, we waren eigenlijk één groot gezin.”

Rond de open haard was het gezellig vertoeven als de zingende Leo Rommerts zichzelf op zijn gitaar begeleidde.
Rond de open haard was het gezellig vertoeven als de zingende Leo Rommerts zichzelf op zijn gitaar begeleidde.

Nadat in voorgaande jaren opvallend veel ouderen de jeugdherbergen ontdekken als een goedkoop ‘pension’, besluit de NJHC in 1952 de leeftijd voor het verkrijgen van een trekkerskaart op maximaal 35 jaar te stellen.

In 1954 bestaat het jeugdherbergwerk vijfentwintig jaar. In dat jaar wordt het verbod voor toegang van berijders van bromfietsen, scooters en motoren opgeheven. Bezoekers met auto’s worden gedoogd, maar bij de jeugdherbergen bestaan nog geen parkeerterreinen. In 1955 start de ons bekende Jan Reinders met een serie artikelen ‘Wèg van de grote weg’, een poging om de bezoekers langs mooie binnenwegen van jeugdherberg naar jeugdherberg te leiden. Later werden deze artikelen in boekvorm uitgegeven en verkocht voor slechts 0,25 gulden.

De haardzaal waarin werd gegeten en werd gerecreëerd.
De haardzaal waarin werd gegeten en werd gerecreëerd.

Een trekkersechtpaar

Erna Fopma-Meijer (84) en Ger Fopma (85) vormen een trekkersechtpaar, bovendien is Erna een van de assistenten van vader en moeder Rommerts geweest.

Erna en Ger Fopma.
Erna en Ger Fopma koesteren herinneringen aan hun trekkerstijd en aan Koningsbosch.

Erna vertelt: “Ik ben geboren in Den Haag en Ger in Amsterdam. Mijn eerste trektocht was op een geleende herenfiets. Ik kende Ger toen nog niet.” Ger: “Mijn eerste kennismaking met jeugdherbergen was een weekend met Ons Huis in Koningsbosch. Ons Huis was een club op socialistische grondslag.

Erna vervolgt:“Ger en ik ontmoetten elkaar in 1951 voor het eerst in de jeugdherberg aan de Kloveniersburgwal te Amsterdam. Wij hielpen het ‘Comité 25 jaar Jeugdherbergen’ bij verschillende acties om geld in te zamelen voor een nieuwe jeugdherberg. Ik meen dat dit de jeugdherberg in Sittard is geworden.

Het bezoeken van jeugdherbergen trok ons aan, omdat je zo van de ene naar de andere kon trekken en dus heerlijk onderweg was. Ook de omgang met andere jonge mensen vonden we fijn. De geldende regels vonden we heel normaal. We hebben ons nooit beknot gevoeld. We waren een oorlog gewend met veel meer beklemmende regels.

We kwamen regelmatig in Koningsbosch, zoals met de Mattheus-weekenden. Leo Rommerts studeerde dan met ons de koralen in en zong zelf met wat collega’s de bas-aria’s. Zo werkten we de hele Mattheus-Passion door. Heerlijke weekenden waren dat. Ook deden we mee aan werkweekenden, niet alleen in Bakkum, maar ook in andere jeugdherbergen in het land.”

Erna was van half mei tot in oktober 1954 jeugdherberg assistente in Bakkum. Het was een voorstel van Alie Rommerts dat zij samen met Ger intern zou komen wonen. Ger kon dan vanuit Bakkum op en neer reizen naar zijn werk in Amsterdam. Zij namen het aanbod aan, maar er werd wel eerst getrouwd, want dan zouden zij sneller in aanmerking komen voor een woning in Amsterdam.

“Ik heb het aanbod aangenomen om met Ger samen te kunnen zijn, niet omdat ik zo gek ben op huishoudelijk werk. Het was eigenlijk ‘van de nood een deugd maken’, ook al was onze woonruimte in het zogenaamde ziekenkamertje zeer


Jaarboek 35, pagina 69

beperkt. Er was alleen ruimte voor een bed en een open kast voor de bagage. Ik was de enige assistente. Alleen in het hoogseizoen mocht er een kracht bijkomen. In oktober konden we een paar kamers huren in het Betondorp te Amsterdam en was mijn assistentschap bij Koningsbosch voorbij”, vertelt Erna.

In 1959 zijn zij in Castricum komen wonen. Ger en Erna raakten bevriend met de familie Rommerts. Als Leo Rommerts voor een zanguitvoering het land in ging, nam Ger de leiding van avondwandelingen met de trekkers van hem over. Ook werden ze wel gevraagd om waar te nemen als Alie en Leo met vakantie gingen of anderszins weg moesten.

Eldert Kortenoever.
Eldert Kortenoever bezig met de uitleg tijdens een duinexcursie bij Bakkum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Ger kan zich de natuur-educatieve presentaties van Eldert Kortenoever nog goed herinneren. In een van de loodsen op het kampeerterrein had hij een kleine natuurhistorische tentoonstelling ingericht. Later kreeg hij de beschikking over een houten gebouw tegenover het kampeerterrein. Toen Kortenoever door het PWN was aangesteld als voorlichtingsambtenaar, organiseerde hij onder andere excursies voor scholen en hield hij presentaties, ook in Koningsbosch. Hij zat ook in het plaatselijke bestuur van de jeugdherberg.

Ger onthult een bijzondere herinnering aan die bijeenkomsten:
“Een vriend van de familie Rommerts, kunstschilder Cor Heeck, kwam ook wel naar de presentaties van Kortenoever. Hij bracht dan zijn schetsboek mee om daarin, tijdens de voordracht, portretten van aanwezigen te schetsen. Ik heb nog altijd het schetsje dat hij van mij heeft gemaakt.”

Het echtpaar Fopma kijkt met veel genoegen terug op deze jaren.
“Wij zeggen altijd dat die trekkerstijd ons gevormd heeft tot de mensen die we nu zijn en er zijn veel vriendschappen voor het leven uit voortgekomen”, zo besluit Erna.

Veranderingen

Vanaf 1960 vinden grote veranderingen in het jeugdherbergwerk plaats. In een tijd van opkomende vrijheidsbeleving blijkt uit een onderzoek dat de huisregels als star en streng worden ervaren. De huisregels dienen niet te verdwijnen, maar een soepelere omgang hiermee is wel gewenst. Het merendeel jeugdherbergouders is wel voor veranderingen, maar zij beseffen ook dat die een verzwaring van hun taak met zich zullen meebrengen. Er zullen meer assistenten moeten komen.

Als in 1964 de familie Richter 25 jaar in het jeugdherbergwerk werkzaam is, wordt deze unieke foto gemaakt met de vier echtparen die achtereenvolgens de jeugdherberg te Bakkum hebben gediend.
Als in 1964 de familie Richter 25 jaar in het jeugdherbergwerk werkzaam is, wordt deze unieke foto gemaakt met de vier echtparen die achtereenvolgens de jeugdherberg te Bakkum hebben gediend. Van links naar rechts de heren Reinders, Rommerts, Richter en de dames Reinders, Rommerts en Richter. Het echtpaar Mooij, dat de eerste boerderij-jeugdherberg beheerde, staat rechts.

Het echtpaar Rommerts wacht al die veranderingen niet af. Het is altijd hard werken en dat kunnen zij na vijftien jaar niet langer volhouden. De familie Rommerts stopt in 1960 en verhuist naar de Prins Bernhardstraat. Leo blijft de zangkunst beoefenen en blijft werken voor de Stichting Schoolconcert. Eén huisgenoot keert naar de jeugdherberg terug: hond Flappie.

“Hij vond het niks in het dorp, moest ineens aangelijnd uitgelaten worden. Nadat hij twee keer naar de jeugdherberg was teruggelopen, hebben we hem hier maar gelaten, bij de nieuwe jeugdherbergouders”, zo vertelde Alie Rommerts.

Na het vertrek van het echtpaar Rommerts komen in 1960 Joop Richter en Saar Niesing met hun zoon Joost naar Bakkum. Joop en Saar zullen het beheer van de jeugdherberg overnemen. Eerder werkten zij in de jeugdherbergen te Blaricum en Axel.

De verkoop van frisdranken en het vervallen van de vleesloze maaltijden zijn veranderingen die in 1961 in de jeugdherbergen worden doorgevoerd. Er wordt voortaan vlees of vis bij de maaltijd verstrekt. De prijs stijgt daarmee met 60 cent naar 1,75 gulden. Om het imago van de NJHC te verbeteren verandert in 1965 de naam van het maandblad ‘De Trekker’ in ‘Toer’.

De Bakkumse Corrie Meijne-Olthoff werkt al vanaf 1952 op Koningsbosch en is de steun en toeverlaat van Joop en Saar Richter. Sytze de Vries, een van de assistenten, herinnert zich dat Corrie er in 1969 nog werkte. Haar man Kees Meijne zorgde ervoor dat de voedselresten bij zijn varkens terecht kwamen.


Jaarboek 35, pagina 70

De jeugdherberg is uitgebreid met onder andere een grotere eetzaal.
De jeugdherberg is uitgebreid met onder andere een grotere eetzaal.

Uitbreiding

In 1967/1969 wordt Koningsbosch uitgebreid en gerenoveerd. Links van het voorplein wordt een beheerderswoning gebouwd. Aan de achterkant van het bestaande gebouw wordt een slaapvleugel en een bijkeuken met kelderen aan de noordvleugel een eet- en recreatiezaal gerealiseerd.

Jan Hillebrants is de architect. Vele jaren was hij compagnon van Frans Den Tex. Per 1 april 1968 wordt Sytze de Vries door het echtpaar Richter als assistent aangenomen en komt hij midden in de verbouwing terecht. Op 1 mei krijgt Sytze gezelschap van Geke Winius uit Drachten en op 1 juni komt Greetje van Gelder uit Groningen. Tijdens het hoogseizoen wordt er gewoon doorgewerkt aan de verbouwing, zodat er door de assistenten veel geïmproviseerd moet worden om de jeugdherberg ‘normaal’ te laten draaien.

“Je liep de hele dag met een natte lap in je handen, want alles wat je beet pakte was in principe vies. Ook vegen was een groot bestanddeel van je dagtaak. Zeker in het begin moest je, voor dat het donker werd, even goed kijken hoe het terrein er bij lag, zodat je ’s avonds in de duisternis je weg kon vinden”, aldus Sytze de Vries.

Na de uitbreiding en grondige renovatie kunnen gasten ondergebracht worden in twee-, vier-, of achtpersoonskamers met eigen douche en toilet. De slaapzalen blijven als vanouds, want groepen vinden bij elkaar slapen toch het leukst.

De slaapzaal van jeugdherberg Koningsbosch.
Een kijkje op de slaapzaal van Koningsbosch aan de dameskant in 1968. Er waren nog streng gescheiden afdelingen wat betreft jongens en meisjes. Het bed opmaken moest je wel zelf doen, daar was de prijs ook naar. Foto JosPe. Collectie RAA. Toegevoegd.

Tegen het eind van het seizoen verhuist de familie Richter naar de bungalow en wordt het inpandige oude woongedeelte verbouwd tot een woon- en slaapgedeelte met plaats voor zeven assistenten. Hiermee komt een einde aan de situatie dat de assistenten deel uitmaken van het gezin Richter.

Nu de capaciteit tot 150 gasten is vergroot, is ook het aantal assistenten toegenomen. Naast zes nieuwe assistenten en een extra huishoudelijke hulp is een ervaren kracht voor het echtpaar Richter erg welkom. Halverwege mei kan Sytze de Vries voor een tweede seizoen beginnen, maar nu als assistent-beheerder.

“Er was op dat moment in de jeugdherberg nog geen vijfdaagse werkweek. Buiten het seizoen ging je een keer per twee weken een weekend naar huis. In het seizoen was dat een keer per drie weken”, aldus Sytze.

Op 7 juni 1969 wordt de jeugdherberg officieel heropend. In dat jaar bezoekt prins Claus Koningsbosch, alwaar hij begroet wordt door een NJHC-delegatie. Na bezichtiging van de verbouwde jeugdherberg gaat het gezelschap per fiets door de Noord-Hollandse duinen naar jeugdherberg Slot Assumburg.

In de tijd van vader en moeder Richter was het verrichten van corvee nog heel gewoon.
In de tijd van vader en moeder Richter was het verrichten van corvee nog heel gewoon.

40 jaar NJHC

In 1969 worden alle jeugdherbergen van frisdrankautomaten voorzien. De extra kosten voor warme douches en het gebruik van de trekkerskeukens zijn komen te vervallen. In dat jaar wordt ook het 40-jarig jubileum van de NJHC gevierd.

In 1970 wordt een najaarsbijeenkomst voor jeugdherbergleiding in Bakkum gehouden. Deze bijeenkomst dreigt te mislukken wanneer een van de inleiders op het laatste ogenblik de eis stelt pas zinnig over drugs te kunnen praten, als niet tenminste 15 à 20 personen met hem praktische ervaring willen opdoen. Voor hem komt een andere inleider en de cursus, met nog vele andere onderwerpen die zich in de jongerenwereld afspelen, kan toch doorgaan.

Voor het eerst wordt gesproken over ‘jeugdherbergleiding’, er komt blijkbaar een einde aan het jeugdherbergouderschap. Het als experiment begonnen ‘gespreid ontbijten’ wordt na


Jaarboek 35, pagina 71

twee jaar in alle jeugdherbergen doorgevoerd. De gasten hoeven niet meer om 8 uur gezamenlijk te ontbijten, maar kunnen dit nu doen tussen 7.30 en 9.30 uur.

De dansleden in zelf vervaardigde kostuums.
De dansleden in zelf vervaardigde kostuums. Van links nar rechts zittend op de vloer Gerda van Tuijl, Ellen van den Akker, Anneke Mulder en Nel Verkaar. Daarachter Ans van der Molen, Walter Roozendaal, Ans Kuijs, Frank Dirkse, Dick Roozendaal, Ernst Mooij, Ronald Borstlap (op de kruk), Henk Schipper en Wim Hendrikse.

Volksdansen

Jeugdherbergen en volksdansen waren nauw met elkaar verbonden. Daar kon ook de plaatselijke jeugd van profiteren. In 1947 werd de volksdansvereniging Koningsbosch opgericht, die een lange reeks van jaren haar thuisbasis in de jeugdherberg zou hebben. Na het vertrek van de familie Rommerts en de komst van de familie Richter blijft dat zo. Het volksdansen brengt zoveel gezelligheid met zich mee dat de jeugd het geen probleem vindt naar de afgelegen jeugdherberg toe te komen. Siem Mooij, jawel een zoon van de al eerder genoemde Piet Mooij, draagt na vijftien jaar het voorzitterschap over aan Jan Pel. Daarna volgen de voorzitters elkaar snel op. Het dansseizoen in verenigingsverband wordt afgesloten als het trekkersseizoen weer begint, maar het volksdansen gaat door. Onder leiding van Joop Richter mogen de leden op de zaterdagavonden met de trekkers meedansen.

Volksdansen op het plein onder de kastanjeboom.
Volksdansen op het plein, onder de kastanjeboom bij jeugdherberg Koningsbosch in 1955, met onder anderen links met handen op de rug Siem Mooij. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Na verloop van tijd wordt er een tweede volksdansvereniging opgericht, Tarantella, die voor haar dansavonden terecht kan in een minder afgelegen onderkomen. Zo ontstaan er twee wekelijkse dansavonden, waar de leden over en weer naar toe gaan. Ook worden er gezamenlijke activiteiten georganiseerd.

In 1967 beleeft volksdansvereniging Koningsbosch haar 20-jarig bestaan. Het jubileum wordt in september gevierd met een weekend in jeugdherberg Teun de Jager in Schoorl en in november met een feestelijke dansavond in de vertrouwde haardzaal van Koningsbosch.

In de krant verschijnt over de feestavond een verslag van Truus Gorter, een van de senior-dansers. Een citaat uit dit verslag:
”Vergeet ik nog te vermelden dat dit alles bij het open haardvuur plaatsvond, waarbij menig traantje werd weggepinkt, al was dit dan door de vele rook, de schoorsteen was te vochtig.”

In 1971 gaan Koningsbosch en Tarantella fuseren en wordt Igram opgericht. Met een dansfeest wordt de fusie een feit en komt er ook een einde aan een lange periode van gastvrijheid in jeugdherberg Koningsbosch.

Eenhoofdige leiding

Na 31 jaar komt in december 1970 een einde aan het tijdperk van de Richters. Ze worden opgevolgd door het echtpaar Ferwerda. Willem (Wim) Ferwerda was voor een korte tijd jeugdherbergbeheerder in de Stadsdoelen te Amsterdam. Daarna is hij met zijn vrouw naar Koningsbosch gekomen, maar enkele jaren later volgt een echtscheiding. Wim blijft als beheerder met zijn dochtertje in de naastgelegen bungalow wonen. Een nieuwe vriendin zal zijn vrouw en moeder voor zijn kind worden.

Wim Ferwerda (1943-2011).
Wim Ferwerda (1943-2011).

Per 1 januari 1976 wordt de eenhoofdige leiding ingevoerd. De ‘manager’ is geboren. Wim Ferwerda wordt door de oudere generatie gasten nog wel met ‘vader’ aangesproken, maar door de jongeren met ‘meneer’. Hij wordt in zijn werk bijgestaan door een hoofdassistent en enkele assistenten.

Kees Verbeek was een van de assistenten. Hij was inwonend en bewaart aan zijn tijd op Koningsbosch goede herinneringen.
Ik was er precies in die tijd (in het begin van de jaren 1980) dat de keuken compleet veranderd werd. De oude keuken bestond uit ouderwetse terrazzo aanrechten met grote spoelbakken, daterend uit de tijd dat de gasten nog zelf moesten afwassen en corveeën. Na de verbouwing mochten wij alles doen.”

De keukenverbouwing was een ramp. Voor 150 gasten koken in een bouwkeet was geen pretje, het afwassen nog minder. Een sauna was er helemaal niks bij. Ik heb er wel leren werken en niet terugschrikken voor onmogelijke opdrachten. Met het Amsterdamse hoofdkantoor bestond grote onenigheid. Zoals altijd had men daar totaal geen feeling met wat er op de werkvloer moest gebeuren. Piepers schrappen en ontpitten voor 150 man was een dagtaak. Wat denk je van sla wassen of 150 kippenpoten braden in een bouwkeet! Maar al met al heb ik een prima tijd op Koningsbosch gehad.”

Op 7 april 1995 viert Wim zijn 25-jarig dienstverband met de NJHC. In het medewerkersblad NJH Cursief wordt daarvan verslag gedaan. Hij vertrouwt de verslaggeefster toe dat het werk wel anders is dan toen hij 25 jaar geleden begon.

“Alleen al omdat ik ouder ben. De afstand in leeftijd tussen mij en mijn collega’s in de herberg is groter en


Jaarboek 35, pagina 72

dat merk je. Er is ook geen lol meer aan om achter de bar te staan. Niet voor mij, maar ook niet voor de gasten. Die zien liever iemand van hun eigen leeftijd. Dus ik sta nu achter de bar, wanneer er middelbare dames in de herberg zijn.”

Als Wim geconfronteerd wordt met de plannen om de jeugdherberg in Bakkum en die in Egmond onder te brengen bij één beheerder, houdt hij het voor gezien. Met een afvloeiingsregeling wordt het hem mogelijk gemaakt om op 58-jarige leeftijd met pensioen te gaan. Na een kort ziekbed komt hij op 17 juli 2011 te overlijden.

Dochter Marieke heeft haar hele jeugd op Koningsbosch doorgebracht:
“Ik heb er een fantastische tijd gehad en heb me er als enig kind nooit eenzaam gevoeld. Ik ben opgegroeid in een mooie omgeving met veel bos en veel mensen om me heen. Ik kon me kostelijk vermaken met de kinderen van de gasten. Ik had een goede band met mijn vader. Hij hield van kunst, architectuur en geschiedenis. We hebben met z’n tweeën veel musea bezocht.”

Frank van Vught gereed voor het serveren van de soep.
Frank van Vught gereed voor het serveren van de soep.

Managers

Wim Ferwerda wordt op 1 januari 2001 door Frank van Vught opgevolgd. Van Vught kan meteen aanpakken, want Koningsbosch ondergaat opnieuw een flinke opknapbeurt. De entree wordt vernieuwd en een open balie vervangt een klein kantoortje met een luikje waar de bezoekers zich voorheen moesten melden. Verder is direct achter de receptie een bar geplaatst en de eetzaal wordt ook geschikt gemaakt als feestzaal, met discolichten en een mobiele bar.

In de gemoderniseerde jeugdherberg zijn gelukkig enkele oude details behouden gebleven. Zo is de open haard met aan beide zijden de glas-in-lood raampjes in ere gehouden. De vuurplaats van de open haard is verhoogd om de schoorsteentrek te verbeteren. De muurschilderingen, die Jan Reinders had aangebracht, zijn verdwenen. In de haardzaal staat zelfs een bar, want het alcoholverbod is allang geleden opgeheven.

Groep tieners aan de bar in jeugdherberg Koningsbosch.
Groep tieners aan de bar in jeugdherberg Koningsbosch. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op zondag 24 maart 2002 is het feest. Koningsbosch bestaat zeventig jaar en dat wordt gevierd. De jaarlijkse reünie van jeugdherbergleiding wordt ter gelegenheid van het jubileum in Bakkum gehouden.’s Middags is er een open huis met onder meer een foto-expositie en een theaterworkshop voor kinderen.

De verbondenheid van de familie Mooij met Koningsbosch: Devra Mooij heeft er gewerkt als assistente, haar oom Siem en vader Ernst hebben er gevolksdanst, oom Nico was kind aan huis bij de familie Richter en haar grootvader Piet was de eerste jeugdherbergvader op boerderij Zeeveld.
De verbondenheid van de familie Mooij met Koningsbosch: Devra Mooij heeft er gewerkt als assistente, haar oom Siem en vader Ernst hebben er gevolksdanst, oom Nico was kind aan huis bij de familie Richter en haar grootvader Piet was de eerste jeugdherbergvader op boerderij Zeeveld.

Devra Mooij, een kleindochter van de eerder genoemde Piet Mooij van boerderij Zeeveld, is in 2001 op 16-jarige leeftijd als oproepkracht in jeugdherberg Koningsbosch begonnen. Over haar eerste baantje zegt ze het volgende:
“Ik vond het in het begin natuurlijk heel spannend, maar lieve collega’s hebben mij goed opgevangen. Al gauw had ik het er erg naar mijn zin en ging ik meer voor de gezelligheid naar het werk dan voor het geld. Bijna elke maand hadden we een borrel of een uitje. We hadden een goede band met elkaar en dat zag je duidelijk in het werk terug. In het begin assisteerde ik vooral’s avonds bij het diner en ’s ochtends bij het ontbijt, zoals


Jaarboek 35, pagina 73

het buffet klaarzetten, afwassen, tafels afnemen, de zaal en de keuken schoonmaken. Later werd ik ook ingezet bij het schoonmaken van de kamers en op het laatst werkte ik als receptioniste.”

Koningsbosch wordt vooral door groepen bezocht, zoals van basisscholen uit Nederland, maar ook uit het buitenland. Artsen zonder Grenzen komt ook regelmatig. In de weekenden zijn er vooral Nederlandse families.

Devra: “Ik moet eerlijk zeggen dat ik niet heel veel contact met de gasten had. Als ik klaar was met afruimen van het ontbijtbuffet en het werk in de keuken, waren de meeste mensen al uitgecheckt of vertrokken om er een gezellige dag van te maken.”

Stayokay

Sinds 2003 is het begrip ‘jeugdherberg’ vervangen door het meer internationaal klinkende ‘hostel’ en is ‘Koningsbosch’ vervangen door ‘Stayokay Bakkum’.

Stayokay Bakkum.
Stayokay Bakkum.

Het hoofdkantoor van de Stayokay bevindt in Amsterdam en beschikt nu over 26 hostels. Ongeveer de helft van de bezoekers komt uit het buitenland. Er hoeft al lang geen corvee meer te worden gedaan. De trekkerskaart is vervangen door de stayokaycard, de eetzaal wordt nu restaurant genoemd en de eenvoudige maaltijden zijn vervangen door driegangendiners.

Sander met een deel van zijn team.
Sander met een deel van zijn team. Van links naar rechts Leonie Zandbergen, Cecilia Gatti, Veronica Pool, Kim de Jongen, Sander Bodegraven.

Frank van Vught is alweer een aantal jaren manager van de Kennemer Duincamping Geversduin en na een interim periode is Sander Bodegraven in november 2009 manager van Stayokay Bakkum geworden. Omdat hij zowel manager van Stayokay Bakkum als van Stayokay Egmond is, moet hij zijn aandacht verdelen over een tamelijk groot team medewerkers. Wat de open haard in de haardzaal betreft, heeft volgens Sander de verhoging van de vuurplaats niet tot verbetering geleid.

“Alleen met heel langzaam opstoken krijgt de schoorsteen voldoende tijd om op te warmen en ontstaat er voldoende trek voor een knap vuur. Maar zodra er deuren open gaan en er valse trek ontstaat, is het mis.”

Jeugdherbergvaders en -moeders

1932 Jan en Sien Reinders
1942 Leo en Alie Rommerts
1960 Joop en Saar Richter
1971 Wim Ferwerda
2001 Frank van Vught
2009 Sander Bodegraven

Het einde van Koningsbosch / Stayokay Bakkum.
Het einde van Koningsbosch-Stayokay Bakkum.

Tegenwoordig is iedereen welkom. Schoolklassen komen op werkweek, maar ook groepen uit het bedrijfsleven weten Stayokay Bakkum te vinden. Er kunnen ruimten worden gehuurd, ook voor ‘all inclusive’ feesten. Individuele gasten, gezinnen, opa’s en oma’s met kleinkinderen worden de laatste jaren zoveel mogelijk naar Stayokay Egmond verwezen. De meeste gasten komen niet meer op de fiets en al helemaal niet lopend met een zware rugzak op de schouders. Om aan het autogebruik tegemoet te komen, ligt naast de jeugdherberg nu een ruim parkeerterrein.

Stayokay is nog steeds een organisatie die tegen een zeer schappelijke prijs een comfortabel verblijf biedt, maar voor Stayokay Bakkum is dat na 80 jaar voorbij. Volgens Sander Bodegraven is het een moeilijke afweging geweest.
“Er moest zowel op de locatie Bakkum als Egmond worden geïnvesteerd. De renovatiekosten voor het gebouw


Jaarboek 35, pagina 74

in Bakkum kwamen veel hoger uit dan die voor Egmond en omdat Egmond meer overnachtingen oplevert, is voor het openhouden van die locatie gekozen.”

Jeugdherberg Koningsbosch. Na 60 jaar is de boom groot en het plantertje dood?
Jeugdherberg Koningsbosch. Na 60 jaar is de boom groot en het plantertje dood?

Sinds 15 april 2012 is Koningsbosch formeel gesloten, alleen als Stayokay Egmond onvoldoende plaatsen voor groepen beschikbaar heeft, wordt nog van Koningsbosch gebruik gemaakt. Zo zal de situatie blijven totdat een nieuwe eigenaar of huurder is gevonden. De majestueuze kastanjeboom, voorafgaand aan de opening in 1932 als een klein boompje geplant, heeft het (jeugd)herbergtijdperk overleefd.

Ernst Mooij

(Toegevoegd: De kastanjeboom is gekapt)

Bronnen:

  • Anoniem, Geïllustreerde gids met wandelkaart van het provinciaal landgoed te Castricum, uitgegeven door de directie van het badhotel (1932);
  • Bolman, J., Meilink, L., Warffemius M.G., Eem kwart eeuw jeugdherbergen 1929-1954;
  • Bookelmann, W.W., NJHC Inlichtingen Jeugdherbergen, 50 jaar dienstbaar aan de jeugd (1979);
  • Eikman, M., Dagblad Kennemerland, 1-3-2002, Jeugdherberg betekende saamhorigheid;
  • Heideman, J., Castricum en Bakkum tijdens de Tweede Wereldoorlog, Deel I 1939-1942;
  • Koninklijke bibliotheek, digitale raadpleging van verschillende edities van Het Vaderland: staats- en letterkundig nieuwsblad en het Haarlem’s Dagblad;
  • Kortenoever, H., Wie was … Eldert Kortenoever, 29e Jaarboek Oud-Castricum (2006);
  • Krantenknipsels over onder andere de zangcarrière van Leo Rommerts;
  • Nieuwsblad voor Castricum, 20 maart 2002, Koningsbosch stond bij iedereen bekend als de muziekherberg;
  • NJH Cursief, mededelingenblad nummer 6 (1995);
  • Noord-Hollands Archief, digitale raadpleging van het Haarlems Dagblad;
  • Regionaal Archief Alkmaar, digitale raadpleging van verschillende Alkmaarsche Couranten;
  • Vries, S. de, Koningsbosch Bakkum (2011) en 80 jaar Koningsbosch Bakkum (2012);
  • www.stayokay.com

Met dank aan: Erna en Ger Fopma, Kees Verbeek, Marieke Ferwerda, Devra Mooij, Sander Bodegraven en Nina de Wildt.

12 december 2022

Begraven in Castricum (Jaarboek 35 2012 pg 55-62)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 55

Begraven in Castricum

In 1995 zijn bij archeologisch onderzoek in de Oosterbuurt huisplattegronden en graven gevonden uit de 2e eeuw na Chr. Ook nabij het Zorgcentrum De Boogaert zijn graven uit die tijd aangetroffen.
In 1995 zijn bij archeologisch onderzoek in de Oosterbuurt huisplattegronden en graven gevonden uit de 2e eeuw na Christus. Ook nabij het Zorgcentrum De Boogaert zijn graven uit die tijd aangetroffen.

Een begrafenis is een bijzondere gebeurtenis vol emotie, waar veel familie, buren, vrienden en kennissen van de overledene bij betrokken zijn. Voor de rouwverwerking is het afscheid van grote betekenis.

Begrafenisgebruiken zijn in de loop van eeuwen ontstaan en hebben soms een heidense oorsprong. Het christelijk geloof kwam aan het eind van de 7e eeuw naar onze kuststreken. De overgang van heidendom naar christendom verliep geleidelijk en sommige heidense gewoonten werden overgenomen.

De oudste begraafplaats in Castricum bij de dorpskerk, gedeeltelijk omringd door een dubbele rij bomen, is al sinds de middeleeuwen in gebruik. De oude ‘Dingstal’, de plaats waar recht werd gesproken en waar de bewoners ter ‘buurspraak’ kwamen, grenst aan het kerkhof.

In de kerk, die uit de eerste helft van de 11e eeuw dateert, werden mensen begraven die zich dat konden veroorloven. Vermoedelijk is aan de stenen kapel, nu het zogenaamde schip van de kerk, een nog veel ouder houten gebouw vooraf gegaan. Deze plaats met omgeving vormt het middelpunt van Castricums historie.

Voordat in onze streken het christendom zijn intrede deed, werden de doden begraven op grafvelden bij woningen en boerderijen, soms in een enkel graf of grafkuil. Bij een in 1995 begonnen archeologisch onderzoek in de Oosterbuurt is een grafveld uit de 3e eeuw aangetroffen met acht skeletten. Op enige afstand daarvan kwam een compleet skelet tevoorschijn van een jonge vrouw, bekend geworden onder de naam Hilde (zie 23e Jaarboek). Ook bij een opgraving bij De Boogaert in 2010 werden menselijke skeletten uit de eerste eeuwen gevonden.

Het heeft nog honderden jaren geduurd, voordat het algemeen gebruikelijk was de doden bij of in de kerk te begraven.

De eerste begraafplaats

In het christelijk geloof was het voor het zielenheil van de overledenen van belang dat deze begraven werden in gewijde grond, het liefst in of bij de kerk. Ongedoopte kinderen en mensen die zelfmoord hadden gepleegd werden in ongewijde grond, in een hoekje van het kerkhof, begraven.

De begraafplaats van de Nederlands hervormde kerk.
De begraafplaats van de Nederlands hervormde kerk. Kerkpad 1 in Castricum, 2013. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Begraven in de kerk was alleen weggelegd voor de gegoede burgers. Bij de kerk lag het kerkhof waar de gewone ingezetenen werden begraven. Het ‘Hof van de Kerk’ was een ruim tuinachtig terrein, omgeven veelal door een muur of een houten hek, sloot en heg, dat tevens diende als ontmoetingsplaats voor de dorpelingen.

Na de reformatie in de 16e eeuw werd het rooms-katholieke geloof officieel verboden. Langzamerhand werden de kerken ontdaan van ‘roomse opschik’. De parochiekerk van Castricum werd in 1573 overgedragen aan protestanten. De katholieken, die trouw bleven aan de oude religie, gingen ‘ondergronds’ en kerkten in boerenwoningen in Uitgeest en in huiskapellen van de Heemskerkse kastelen Marquette en Assumburg. In 1663 werd een als schuilkerk ingericht boerderij aan de Breedeweg in gebruik genomen.

Schuilkerk.
Sijf Portegies maakte dit in 1909 naar aanwijzingen van anderen. Op het terrein achter de boerderij van Spaansen heeft de schuilkerk gestaan. De pastorie is tegen de schuilkerk  aangebouwd. In 1858 is de schuilkerk gesloopt, nadat er aan de Dorpsstraat nabij de plaats van de huidige roomskatholieke kerk een nieuwe kerk in gebruik was genomen. Breedeweg 72 in Castricum. Aquarel van Sijf Portegies. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De kerkhoven van de protestantse kerken bleven na de hervorming (van katholiek naar protestants geloof) in de praktijk als openbare begraafplaatsen in gebruik. Hier werden zowel katholieken als protestanten begraven. Dat de kerk in andere handen was gekomen, deed er niet toe. Wel werd geprobeerd een aantal ‘storende’ roomse gebruiken rond het begraven te verhinderen. In 1733 werd een verordening, een keur, uitgevaardigd door Schout en Schepenen van Castricum:

Dewyl enige menschen haer niet ontzien hebben, om op de palen by de Graven op het Kerkhof staande, groote kruycen te schilderen en te snyden, zynde tegens het bevel van de hoge Overigheyd, zo word alle ende een iegelyk bydezen geinterdiceert omme geen kruycen meer op de palen te schilderen of te snyden, ofte gesneden zynde, worden gelast binnen 3 dagen na de publicatie dezes daar af te


Jaarboek 35, pagina 56

doen, en de palen met zodanige kleuren te schilderen, datgeen kruycen konnen gezien worden, op de boete van tienstuyvers, ten behoeve van den Schout.

Aldus gekeurt en gepubliceert in praesentie van Schout enSchepenen, den 12 Maart 1733.

In kennisse van my Secretaris, Leonard Tempelaar.”

De begraafplaats in het begin van de 18e eeuw rond de Dorpskerk (tekening van Hendrik de Leth in het boek ‘Het Zegenpralent Kennemerlant’, uitgegeven in 1732).
De begraafplaats in het begin van de 18e eeuw rond de Dorpskerk. Tekening van Hendrik de Leth in het boek ‘Het Zegenpralent Kennemerlant’, uitgegeven in 1732).

Grafstenen in de dorpskerk

De grafstenen in de kerk getuigen van de begrafenissen die daar plaatsvonden. De oudste steen dateert uit 1586 en bedekt het graf van Johannes Pietersz. Castricum, pastoor te Castricum en Heemskerk, die ‘overging tot een andere leer’ en in 1569 verbannen werd. Hij keerde terug in 1584 te Castricum en werd tot zijn overlijden dominee bij de protestanten (zie 15e Jaarboek).

De oudste grafsteen in de Dorpskerk dateert uit 1586 en is van Jan Pietersz. Castricum, pastoor en later hier bevestigd als predikant.
De oudste grafsteen in de Dorpskerk dateert uit 1586 en is van Jan Pietersz. Castricum, pastoor en later hier bevestigd als predikant.

Uit de 16e eeuw is in de kerk een tweede zerk aanwezig en uit de 17e eeuw een veertigtal, waaronder die van Johan Noortman: ‘Hier leyt begraven D. Heer Johan Noorman P.in Castricum, obiit (overleden) den 27 May 1692’, de eerste eigen pastoor die na de reformatie in dit oude priestergraf begraven is. Een twintigtal grafzerken dateert uit de 18e en 19e eeuw. De jongste zerk heeft het opschrift: ‘Guurtje Brasser, huisvrouw van Pieter Muys, 9 juni 1822, oud 37 jaar’.

De gehele bevolking van Castricum, zo zien we aan de zerken, is vertegenwoordigd: huisvrouwen, dominees, pastoors, schoolmeesters, de schout, die ook chirurgijn was en de gemeentesecretaris.

Interessant zijn de tekens en wapens, die in de zerken zijn uitgehakt. Ze variëren van een leeuw, een zandloper, een troffel, een stok, een griep (mestvork) tot een meermin. Maar ook enkele teksten vallen op, zoals die welke het overlijden van een jonge moeder vermeldt: ‘in het kinderbedde overleden na de geboorte van haar derden zoon inden ouderdom van 23 jaren 8 maanden min 12 dagen’.


Jaarboek 35, pagina 57

Algemene begraafplaats

In 1825 werd bij Koninklijk Besluit het begraven in kerken verboden, omdat het als zeer onhygiënisch werd beschouwd. Bovendien moesten gemeenten met meer dan duizend inwoners begraafplaatsen buiten de bebouwde kom aanleggen. De begraafplaats bij de kerk is officieel eigendom van de protestantse kerk en bestaat uit twee delen: het gesloten kerkhof aan de noordkant, dat sedert 1969 niet meer in gebruik is en het deel aan de zuidkant, dat nog steeds wordt gebruikt. De begraafplaats werd in 2008 aangewezen als gemeentelijk monument.

Het kerkhof was reeds lang de algemene begraafplaats. “De grond rondom de kerk, is reeds sedert onheugelijke jaren en thans nog dienende geweest tot eene algemeene begraafplaats,” zo wordt in 1837 vermeld. In dat jaar werd tussen de kerkvoogden en de burgemeester van Castricum vastgelegd dat voor een periode van 10 jaar 35 gulden per jaar betaald zou worden voor het gebruik van het kerkhof en de huur van een deel van de kerk voor gebruik als school. Later werd de huurprijs voor het kerkhof  20 gulden per jaar en werd de huurperiode op 5 jaar bepaald.

In 1875 werd het zuidelijk deel gebruikt door de hervormde gemeente en het noordelijk deel door de gemeente Castricum. Aan de gemeente Castricum werd een recht van opstal verleend dat werd herbevestigd in 1895 en in 1939. Dit deel werd dus ook door de gemeente onderhouden.

Eind 1863 werd gerapporteerd door de ‘substituut’ strandvonder J.B. Vasseur en een proces-verbaal opgemaakt door plaatsvervangend burgemeester C. Schermer:
“Hedenmorgen 18 december 1863, omstreeks vier ure op het strand bij mijlpaal nummer 43 is aangespoeld een drenkeldode, zijnde manspersoon, oud naar gis dertig jaren, hebbende lang zwart haar, kleine baard onder de kin door, en kleine knevel, lang 1 el, 6 palm 5 duim, aanhebbende rood baaye hemd, gestreept wollen onderbroek, twee paar wollen kousen, lange vetlederen laarzen, grijswollen bovenbroek, blaauwollen borstrok, witte wollen overborstrok, oly kiel en broek, alles ongemerkt, verder niets aan of bij zich hebbende, heeft het lijk doen vervoeren naar Castricum en na behoorlijk te zijn gekist, aldaar op de algemeene begraafplaats heeft doen begraven.”

Bijna jaarlijks werd een drenkeldode (dode door verdrinking) op het strand van Castricum gevonden en in de maand juli 1881 zelfs drie. Tussen 1883 en 1893 bedroeg het aantal drenkeldoden zeven (in dezelfde periode werden 46 inwoners van Castricum op het kerkhof begraven, 15 mannen en 31 vrouwen).

De gesloten begraafplaats aan de noordkant van de dorpskerk. In 2007 zijn de drie houten graftekens gerestaureerd.
De gesloten begraafplaats aan de noordkant van de dorpskerk. In 2007 zijn de drie houten graftekens gerestaureerd.

Het noordelijk deel bevat oude graven met grafmonumenten die meestal zijn uitgevoerd in natuursteen, dikwijls aangetast door de tand des tijds. Ze dateren uit de 19e eeuw. Enkele grafmonumenten zijn in hout uitgevoerd, waarvan de oudste uit 1887 in 2007 zijn gerestaureerd (zie 31e Jaarboek).

Juffrouw Vahl.
Juffrouw Vahl, geboren 1882, was een vroedvrouw. Zij verongelukte met haar bromfiets onder de tram van het provinciale ziekenhuis. Op de begraafplaats bij de Nederlands hervormde kerk staat een zuil met haar overlijdensdatum 31 juli 1931. De grafsteen is geschonken door de vrouwen van Castricum. Collectie Ou-Castricum. Toegevoegd.

Ook het graf van juffrouw Vahl, vele jaren vroedvrouw in Castricum, bevindt zich hier. Op het graf staat een gebroken zuil met het opschrift: “J.J. Vahl, geboren 1882, verongelukt en overleden op 31 juli 1931.” Zij kwam met haar fiets met motor (en carbidlantaarn) onder de tram van het Provinciaal Ziekenhuis bij haar woning aan de Sifriedstraat.


Jaarboek 35, pagina 58

Oorlogsgraven.
Oorlogsgraven op de begraafplaats aan de noordzijde van de Nederlands hervormde kerk. Kerkpad 1 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Een deel van het kerkhof is bestemd voor de 34 oorlogsgraven uit de Tweede Wereldoorlog; de meeste zijn als ‘drenkeldode’ op het strand aangetroffen. De leeftijden van de slachtoffers liggen rond de 23 jaar en de jongste is nog maar 19 jaar. Het toezicht op het beheer van de graven is in handen van een door de Oorlogsgravenstichting aangestelde consul.

Het graf van Albert Asjes.
Het graf van Albert Asjes op de begraafplaats
 van de hervormde Kerk aan de oostzijde (aan de kant van de Schoolstraat). Kerkpad 1 in Castricum, 1939. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het kerkhof aan de zuidzijde is als begraafplaats beschikbaar voor diegenen die voorkomen in het register van de Protestantse Gemeente Castricum. Dat deel kan ongeveer 100 graven bevatten.
In de zuidoost hoek is het graf te vinden van Albert Asjes, bekend als weldoener van de kerk, die in 1939 op 75-jarige leeftijd is overleden. In het graf zijn in 1952 ook zijn ouders bijgezet.

De Pancratiuskerk in Castricum.
De Nederlands hervormde kerk in Castricum, 1924. Gezien vanaf de begraafplaats. De oude Pancratiuskerk zou rond 1200 gebouwd zijn. De toren is er omstreeks 1500 bij geplaatst. In de loop van de 16e eeuw werden kerk en toren een geheel. Het gebouw is een mengelmoes van Romaanse en Gotische bouwstijlen. Materiaal is deels tufsteen. Prentbriefkaart. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De oude dorpskerk met het omringende kerkhof is een bijzondere historische plek in het centrum van ons dorp.

Tradities en rituelen

Onze voorouders kenden veel rituelen rond het sterven en begraven om mede uiting te geven aan gevoelens van verdriet. In het huis van de overledene werden vroeger de gordijnen gesloten, de klok stil gezet en de spiegels afgedekt, ook in het huis van de buren.

De buren verzorgden de overledene, wat betreft het ontkleden, wassen en aankleden, soms in een doodskleed, en het kisten. Verdere voorbereidingen en de uitvoering van de uitvaart van de overledene werden door de buurtgenoten ook als taak gezien: de ‘burenplicht’. De buren brachten de kist met de overledene naar de kerk, veelal op een boerenwagen en droegen de overledene op een waardige manier naar het graf.

De Doodweg in het nog landelijke oostelijk deel van Castricum.
De Doodweg in het nog landelijke oostelijk deel van Castricum.

In ons dorp kennen we de Doodweg tussen de Pieter Kieftstraat en de Oosterbuurt. De naam wijst op de functie van de weg, die naar de begraafplaats leidde. Als iemand stierf, werd de kist over die weg naar de kerk of het kerkhof gebracht. De naam kan al uit de middeleeuwen dateren toen het wettelijk verplicht was om een dode in een rechte lijn naar de laatste rustplaats te brengen. Het verhaal gaat dat doodwegen dateren uit de tijd van Karel de Grote om het volk af te houden van heidense begraafplaatsen.

Doodgraver

In 1806 werd door Schout en Gemeentebestuur van Castricum aangekondigd dat Pieter Kieft tot doodgraver was benoemd: ”Welke het toezicht zal hebben dat geene lijken zonder permissie worden begraven en die zich stiptelijk naar artikel 24 van de ordonnantie der Belasting op het Regt van Successie van den 4e October 1805 zal moeten gedragen. Dat dus hiermede ophoudt en niet meer plaats mag hebben de gewoonte of gebruik, om de graven, door de naaste buuren of bekenden te laten aanmaken en weder aanvullen.”
Voor de doodgraver Pieter Kieft was een werkinstructie opgesteld, waarin was aangegeven op welke wijze het begraafregister moest worden bijgehouden en ook was de afmeting van elk graf vastgelegd.

Voorts werden de kosten voor de verschillende werkzaamheden aangegeven, die ten laste kwamen van het sterfhuis:
– voor een extract uit het begraafregister: 6 stuivers;
– voor het maken van een graf voor een lijk boven 8 jaren: 30 stuivers;
– voor een lijk beneden de 8 jaren: 15 stuivers;
– voor een van buiten komend lijk, hier begraven wordende, alsmede voor het begraven in de kerk, dubbel geld.

In 1825 was Cornelis Schut, de schoolmeester van de ‘openbare school’ naast de dorpskerk, ook belast met neventaken. Hij was onder meer de doodgraver, klokluider, opwinder van het uurwerk en hield “nauwkeurig aantekening van personen, welke komen te overlijden, en van de dag van het overlijden en begraven, waar toe aan hem de quitantien (betaling) van den betaalden impost (belasting) op het begraven zullen worden vertoond, alvorens een lijk ter aarde besteld wordt.”

De begraafregisters, die als kerkelijk register werden bijgehouden door de doodgraver, vermelden in het algemeen de begraafdatum van een overledene. De overlijdensregisters, die vanaf 1811 door de gemeente worden bijgehouden, vermelden de plaats van overlijden en het tijdstip.

In 1830 had Castricum 791 inwoners, waarvan 700 katholiek en 91 gereformeerd waren. De gemiddelde leeftijd(sverwachting) rond 1840 was voor mannen 30 jaar (in 1985: 73) en voor vrouwen 35 jaar (in 1985: 80). Van de kinderen stierf 32 procent voor het 8e jaar ten gevolge van ongezonde voeding, slecht drinkwater, gebrekkige hygiëne en malaria.

Het parochiekerkhof St.-Pancratius

De rooms-katholieke begraafplaats achter de St.-Pancratiuskerk aan de Dorpsstraat dateert uit 1858, toen de parochianen een eigen kerkgebouw kregen op een perceel weiland aan de (toenmalige) Rijksstraatweg, bekend als het Jan Evertsven.

Zicht op de rooms-katholieke Pancratiuskerk vanaf de begraafplaats. Dorpsstraat 115 in Castricum. Foto Ad van de Velde. Toegevoegd.

Op 9 februari 1858 werd door pastoor H.J. Meuwsen namens de rooms-katholieke gemeente bij de burgemeester van Castri-


Jaarboek 35, pagina 59

cum, jonkheer Rendorp van Marquette, een verzoek ingediend om “in de nabijheid der nieuwe kerk een eigen kerkhof te bezitten en op het zuidelijk gedeelte van Jan Evertsven hetzelve aan te leggen.”

De ingang van het parochiekerkhof achter de Pancratiuskerk.
De ingang van het parochiekerkhof achter de Pancratiuskerk.

De eerste steenlegging voor de eerste St.-Pancratiuskerk vond plaats in april 1857, de inwijding van het kerkhof en van de kerk respectievelijk op 19 juli en 30 september 1858. Kort daarna diende de pastoor bij dezelfde burgemeester een verzoek in om de klok te mogen luiden bij kerkelijke plechtigheden: ‘zoals in Heemskerk in de Roomsch Katholieke Gemeente de gewoonte is.’

Het klokkenspel van de Pancratiuskerk.
Het klokkenspel van de Pancratiuskerk. Dorpsstraat 115 in Castricum. Midden in de oorlogstijd werden de luidklokken op last van de bezetter uit de torens gehaald om omgesmolten te worden ten behoeve van de oorlogsindustrie. Ook de klokken van de Pancratiuskerk moesten het ontgelden. Er is slechts één aantekening bekend; die komt uit het dagboek dat drie Castricumse kapelaans hebben bijgehouden. Op 31 maart 1943 staat daarin: “De kerkklok luidt voor het laatst. Hij wordt weggehaald”. En enige dagen later: “De klepel is niet meegegeven en wordt als relikwie bewaard.” Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

De klok zal gehangen hebben in een dakruiter, het vierkante houten torentje dat over de nok van het toenmalige kerkje was gebouwd. Na de inwijding van de kerk werd de schuilkerk aan de Breedeweg gesloopt.

Bij de grondige verbouwing in de periode 1877-1883 werd genoemde dakruiter vervangen door een toren (zie 32e Jaarboek), waarnaar de klok werd overgebracht.

Ook in de ‘nieuwe’ kerk, die in 2011 honderd jaar oud is geworden, is de klok in gebruik geweest. Deze klok werd echter in 1943 in beslag genomen door de Duitsers. Na 1948 heeft een andere klok zich weer luid en duidelijk laten horen. In de jaren 1980 werden drie klokken geschonken die de klok uit 1948 vervingen. Een van deze drie klokken doet de overledene uitgeleide.

De kerkklokken van de Pancratiuskerk.
De kerkklokken van de Pancratiuskerk voor de herplaatsing. Dorpsstraat 115 in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De oude klok is sedert januari 2011 opgenomen in een monument voor het ongedoopte kind dat in de tuin achter de pastorie is geplaatst. Met dit monument heeft de kerkhaar mededogen kenbaar willen maken.

Het oudste graf op het kerkhof is dat van pastoor Henricus Johannes Meuwsen, geboren in 1810, overleden op 26 augustus 1876. In maart 2011 werden zijn resten overgebracht naar het nieuwe priestergraf, waarin nu 14 priesters en kapelaans zijn begraven.

Het priestergraf waar 14 priesters en kapelaans hun laatste rustplaats hebben.
Het priestergraf waar 14 priesters en kapelaans hun laatste rustplaats hebben.

Graven van Castricummers, bekend uit het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, vinden we hier ook, zoals dat van Leo Toepoel, die in december 1944 op 23-jarige leeftijd werd gefusilleerd. Als herinnering aan de verzetsman Jan Hoberg is bij de ingang van de begraafplaats een herdenkingsplaquette aangebracht. Ook treffen we hier het graf aan van de gerespecteerde dokter Leenaers (zie 13e Jaarboek) en zijn echtgenote. Het oorspronkelijke graf had een zerk. Toen mevrouw Leenaers-de Jongh in 1976 werd begraven, is de zerk vervangen door een liggende steen. Het graf van burgemeester Lommen en zijn echtgenote werd in 1983 overgebracht naar de begraafplaats Onderlangs (zie 34e Jaarboek).

Het graf van verzetsstrijder Leo Toepoel.
Leo Toepoel is geboren 14-03-1922 in Amsterdam. Hij was vanaf juli 1934 in Castricum woonachtig. Leo is tezamen met David Bakker, Rudolf van Balen, Gerard Brand, Toon Brand, Reijer van de Haar, Wim Jongsma, Hans Kaper, Benny Radstake, Douwe Ruitinga op 14 december 1944 in Roosendaal bij de Emma pyramide gefusilleerd. Het heeft bijna 2,5 jaar geduurd alvorens men zijn graf  in de omgeving van Arnhem had gevonden. Op zaterdag 17 mei 1947 vond de herbegrafenis plaats op het kerkhof bij de Pancratiuskerk. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het rooms-katholieke kerkhof is bestemd voor parochianen die bij de parochie zijn ingeschreven, met een parochiaan gehuwd waren of een huishouden vormden, alsmede voor oud-parochianen. Het kerkhof telt ruim 600 graven, waarvan er circa 450 bezet zijn. Het is hoofdzakelijk in gebruik voor parochianen uit Castricum, omdat Bakkummers veelal kiezen voor de begraafplaats Onderlangs.

De begraafplaats van de Pancratiuskerk.
De begraafplaats van de Pancratiuskerk. Dorpsstraat 115 in Castricum, 2005. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De begraafplaats ‘Duin en Bosch’

De Begraafplaats  van Duin en Bosch.
De Begraafplaats  van Duin en Bosch in Bakkum, 2014. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het psychiatrisch ziekenhuis Duin en Bosch werd in 1909 in gebruik genomen en had als een min of meer zelfstandig dorp een eigen begraafplaats met een algemeen en een rooms-katholiek gedeelte, gelegen aan de oostzijde van het terrein (zie 22e Jaarboek). Uit een opgave van het ziekenhuis blijkt dat hier in het jaar 1919 maar liefst 78


Jaarboek 35, pagina 60

personen werden begraven. Het hoge aantal kan gelegen hebben aan de Spaanse griep die toen heerste.

Het vervallen graf van Dr. J.W. Jacobi op de gesloten begraafplaats van Duin en Bosch. De Werkgroep Oud-Castricum voert actie om tot herstel van dit grafmonument te komen.
Het vervallen graf van Dokter J.W. Jacobi op de gesloten begraafplaats van Duin en Bosch. De Werkgroep Oud-Castricum voert actie om tot herstel van dit grafmonument te komen.
Met donaties en sponsors is in 2013 het graf van Dokter Jacobi volledig gerenoveerd.
Met donaties en sponsors is in 2013 het graf van Dokter Jacobi volledig gerenoveerd. Foto P. Levi. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Op de begraafplaats, die tot 1960 in gebruik is geweest, liggen enkele opmerkelijke graven: het graf met obelisk van Dokter J.W. Jacobi, de eerste directeur van het ziekenhuis en het graf van W.E. van Keeken, hoofd economische dienst van het ziekenhuis en bekend van de beoefening van de tennissport in Bakkum.

In 2001 werd het landgoed Duin en Bosch met de begraafplaats tot rijksmonument aangewezen. Het onderhoud van de graven schiet ernstig tekort, maar nog steeds is de plek bijzonder en sfeervol.

De begraafplaats Onderlangs

Aan de voet van de duinen ligt de fraai aangelegde gemeentelijke begraafplaats Onderlangs.
Aan de voet van de duinen ligt de fraai aangelegde gemeentelijke begraafplaats Onderlangs.

De begraafplaats Onderlangs is door de gemeente na 1953 aangelegd naar een ontwerp van de landschapsarchitect ir. Hein Otto. Van het ongeveer 1 hectare grote terrein is tweederde bestemd als algemene begraafplaats.

Voor rooms-katholieken werd destijds eenderde gedeelte afgezonderd. Het bestuur van de rooms-katholieke parochie in Bakkum wenste in principe gebruik te maken van dat deel. In de huidige tijd (2012) wordt de begraafplaats algemeen gebruikt en is er geen onderscheid meer. De begraafplaats zou ruimte kunnen bieden aan ruim 1.800 graven.

De begraafplaats Onderlangs.
De begraafplaats Onderlangs. Castricum, 2005. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De begraafplaats ligt fraai tegen de duinrand aan. Recent (rond 2012) is deze geselecteerd om mogelijk in aanmerking te komen voor de status van beschermd rijksmonument.

Sinds 1953 is de begraafplaats al enkele keren uitgebreid. In 1967 is toen het 11 jaar oude tennispark daarvoor verplaatst naar de Vinkebaan. Er werd door de gemeente een aula gebouwd met bijbehorende ruimten, die in de jaren 1980 werd overgenomen door de uitvaartverzorger P.Q. van Daalen. De aula is thans in gebruik bij Uitvaartverzorging IJmond.

In 2002 bleek vergroting van de begraafplaats opnieuw noodzakelijk. Nu werd de begraafplaats in oostelijke richting uitgebreid. Op 15 november 2006 kon dit deel officieel in gebruik worden genomen. Een herinneringsplaquette van deze gebeurtenis is ingemetseld in de gevel van de werkruimte.

Begrafenisverenigingen

Toen de burenplicht in de dorpsgemeenschap eind 19e eeuw uit gebruik geraakte, ontstonden de begrafenisverenigingen.
In Castricum werd in 1920 De Eerste Onderlinge Begrafenis Vereniging De Laatste Eer opgericht en in 1927, op initiatief van wethouder Hemmer en de raadsleden Louter en De Vries, de rooms-katholieke begrafenisvereniging Sint Barbara.

Dragers bij de begrafenis van Dokter Leenaers.
Dragers bij de begrafenis van Dokter Leenaers. Dorpsstraat 115 in Castricum, 27 juli 1944. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Aanvankelijk werd het rondzeggen door de bode (het aanspreken) en het beschikbaar stellen van een achttal dragers in passende kleding tot de taak van de verenigingen gerekend. De bode kon ook een lijkkoets, later een auto, regelen. Hij verzorgde tevens alle werkzaamheden voor de teraardebestelling.


Jaarboek 35, pagina 61

Sint Barbara.
Schilderij van Sint Barbara gemaakt door Lucas Cranach (1472-1553).

Sint Barbara

De Heilige Barbara is een christelijke heilige, die geldt als beschermster tegen brand en bliksem en tegen een plotselinge dood.

Zij zou gewoond hebben in Klein-Azië, in het plaatsje Nicomedië, waar haar vader, die heiden was, zijn mooie dochter opsloot in een toren met daarbij een gebouwd badhuis. Dit badhuis had twee ramen. Op haar verzoek werden het drie ramen om zo de Heilige Drievuldigheid te eren.

Toen haar vader de bekering tot het Christendom bemerkte, ontstak hij in woede, onthoofdde haar en werd daarna zelf door de bliksem getroffen. Dit gebeurde omstreeks het jaar 306.

De rouwkoets met eigenaar Jan Twisk op de bok voor Onderlangs (1965).
De rouwkoets met eigenaar Jan Twisk op de bok voor Onderlangs (1965).

De lijkkoets of rouwkoets, die vaak werd ingezet, was van Jan Twisk van het Schoutenbosch. De koets werd bespannen met twee zwarte Friese paarden. Toen hij zelf in 1991 kwam te overlijden, werd hij overeenkomstig zijn wens ook in een rouwkoets, zelfs met vier paarden ervoor, naar het kerkhof gebracht. Het was niet zijn eigen koets, want die was eind jaren 1960 al gesloopt. Theo Twisk: “Van de achteras is een wip gemaakt voor de kinderen.

Beide Castricumse verenigingen hadden een eigen bode en eigen dragers, die hiervoor een kleine vergoeding kregen. Na vele jaren van overleg tussen de twee verenigingen werd in 2004 besloten tot fusie en ontstond de ‘Castricumse Uitvaartvereniging’.

Als uitvaartverzorgers treden op De Jongh Uitvaartverzorging B.V. en Uitvaartverzorging IJmond.

Uitvaartverzorger De Jongh beschikt over een uitvaartcentrum bij de St.-Pancratiuskerk en Uitvaartverzorging IJmond over de aula op de begraafplaats Onderlangs. De voorgangers van laatstgenoemde organisatie waren de heren Van Balgooi, De Boer en tenslotte P.Q. van Daalen.

Begraafplaats.
Begraafplaats. Duin en bOsch in Bakkum, 2004. Aquarel van John CasperJohn Casper. Foto Jacques Schermer. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

De Castricumse Uitvaartvereniging stelt zich ten doel de belangen van de nabestaanden in de moeilijke periode van rouw en rouwverwerking te behartigen en te bemiddelen tussen de nabestaanden en het toegenomen aantal begrafenisondernemers met hun meer commerciële aanpak. Zowel de bestuursleden als voorheen de dragers zien hun werk in de eerste plaats als een opdracht die ongetwijfeld voortkomt uit het gevoel voor de burenplicht, zoals vroeger in Castricum gebruikelijk was.

Piet Blom

Bronnen:

  • Deelen van, D., Historie van Castricum en Bakkum, 1973;
  • Dekkers, C., Dorren, G., Eerden van, R., Het land van Hilde, Archeologie in het Noord-Hollandse kustgebied, 2006;
  • Dunk, Th.H. von der, De vorige Sint-Pancratiuskerk te Castricum, 32e Jaarboek Oud-Castricum (2009);
  • Genealogie, uitgave van het CBG te Den Haag, jaargang 11, nummer 2;
  • Kol, ir. J., De parochiekerk Sint Pancratius tot aan de reformatie, 15e Jaarboek Oud-Castricum (1992);
  • Koning, drs. J. de, Evaluatie-rapport opgraving Castricum – De Boogaert Fase I, 2010;
  • Monument, uitgave van de Stichting ‘Castricums Monument ons een zorg’, 2003;
  • Numan, A.M., Noord-Hollandse Kerken en kapellen in de Middeleeuwen, 2005;
  • Regionaal Archief Alkmaar, archief gemeente Castricum, archief burgemeester, strandvonder;
  • Roos, R. (redacteur), Duinen en mensen, Kennemerland, Stichting NatuurMedia, Amsterdam 2009;
  • Ruijter de, Q. , Schippers van het Stet, 1975;
  • St. Pancratiuskerk Castricum 100 jaar, 1911-2011, uitgave van rooms-katholieke parochie De Goede Herder.
Siem Mooij.
Siem Mooij.

Gesprek met Simon Mooij

Mijn grootvader was al actief bij het dragen van overledenen naar het graf, toen burenplicht nog normaal was. Ook mijn vader Piet Mooij was, als bestuurslid van de vereniging, betrokken bij het waardig ten graven dragen van overledenen. Mijn grootvader Piet is een van de oprichters in 1924 van de Eerste Onderlinge Begrafenis Vereniging ’de Laatste Eer’ in Castricum, waar inwoners van Castricum-Bakkum lid van konden worden en jaarlijks voor het lidmaatschap betaalden.

Piet Mooij senior.
Na de dienst in de Nederlands hervormde kerk. Van links naar rechts Piet Mooij senior, Jacobs (Johannes of Albertus) en Dirk Hogenstijn. Dorpsstraat in Castricum. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Er was een reglement opgesteld, waarin de tarieven voor begrafenissen in drie klassen, 1e, 2e en 3e klasse. De laatste was de goedkoopste. Leden kregen een korting op de gemaakte kosten en dat is nog zo.


Jaarboek 35, pagina 62

Al heel jong ben ik, naar het voorbeeld van mijn vader Piet Mooij en zijn broer Jan van de Klompenbuurt, betrokken geweest bij de uitvaart van overledenen in Castricum, ook als drager, voornamelijk voor protestanten en niet-katholieken. Dat was in de begintijd strikt gescheiden.

De begrafenisvereniging ‘De Laatste Eer’ deed aanvankelijk uitvaarten voor leden in Castricum en Bakkum, later ook in Limmen, en bleef betrekkelijk klein van omvang. De kist werd door timmerman Veenstra geleverd.

Sip Veenstra.
Sip Veenstra had een timmerbedrijf aan de Dorpsstraat 47 in Castricum. En hij was voorzitter van de Castricumse EHBO. Hier op de fiets bij de EHBO post aan het Strand in Castricum aan Zee. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Als ‘nabuurplicht’ werd het dragen van het stoffelijk overschot gedaan, ieder in zijn eigen zwarte kleding, pak, hoed, handschoenen, het moest wel een eenheid zijn. Met 8 mannen waren we en kregen een kleine vergoeding, zoals in het reglement is opgenomen.

Naast de dragers was er een voorman, die alles organiseerde en de leiding had. Voor De Laatste Eer was dat Beintema en bij onze collega’s van Sint Barbara, de vereniging die in 1927 is opgericht, was dat Schut. Inmiddels was ik voorzitter geworden van De Laatste Eer en werd belast met het te voeren beleid.

In de tegenwoordige tijd is het animo om als vrijwilliger drager te zijn beperkt, vandaar dat het toch tot een uitwisseling kwam met St. Barbara. We hielpen elkaar zo veel mogelijk om tot 8 dragers te komen met een vaste uitvoerder.

Maar ook de commercie kwam om de hoek kijken. Narold uit Alkmaar kwam als uitvoerder naar Castricum, later Van Balgooi en ook P.Q. van Daalen is wel bekend.

Uitvaartcentrum P.Q. van Daalen.
Uitvaartcentrum P.Q. van Daalen. Onderlangs in Castricum, 1990. Foto G. van Geenhuizen. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Het uitgangspunt van de verenigingen bleef natuurlijk de belangen van de nabestaanden van de overledenen zo goed mogelijk te behartigen. De naleving van de gemaakte afspraken met de begrafenisondernemer en de controle erop, is hierin een belangrijk aspect.

In de loop van de jaren is toch de wens ontstaan om een fusie tot stand te brengen tussen onze kleinere vereniging (140 leden) en het grotere Sint Barbara (1.200 leden).

Uiteindelijk zijn na langdurig overleg de twee Castricumse uitvaartverenigingen in 2004 gefuseerd tot de Castricumse Uitvaart Vereniging.

Gesprek met Piet Veldt

Piet Veldt.
Piet Veldt.

Op 31 mei 1933 ben ik in Castricum geboren als zoon van Piet Veldt en Hendrika Schuit (zie 5e Jaarboek). Ja, ik ben naast mijn beroep van land- en tuinbouwer (bollen), 50 jaar drager geweest. Mijn herinnering gaat terug naar de kleuterschool, toen ik door het raam een begrafenisstoet langs zag komen, in het zwart, voorzangers erbij, misdienaars en voorop liep een man in het zwart met een steek op. Dat heeft toen grote indruk gemaakt. Wij kinderen noemden zo’n begrafenisstoet een dodenpaard en wagen.

Begrafenisstoet met koets.
De begrafenisstoet met de koets van Jan Twisk bij de rooms-katholieke kerk Maria ten Hemelopneming. Brederodestraat in Bakkum. Collectie Stuifbergen. Toegevoegd.

Mijn vader was ook drager en toen hij op een dag ziek was, vroeg hij: Piet, wil jij niet voor mij invallen? In het pak van pa, lange jas er overheen, de voorman legde alles uit, we werden gesorteerd op grootte en hij zei: Denk erom, in de pas lopen!

Zo is het gekomen, je kon er in die twee uur iets mee verdienen, toen heel belangrijk, want vader had een eigen bedrijfje en 12 kinderen, waarvan ik de oudste ben. Het is ook een sociale taak die je te vervullen hebt. Altijd heb ik voor Sint Barbara gelopen, de rooms-katholieke uitvaartvereniging, opgericht in 1927, alleen bestemd voor rooms-katholieke leden en uitgegroeid tot een hele grote vereniging, wel met 1.400 leden.

Als ik nodig was voor een uitvaart dan kon ik snel bij het kerkhof zijn: naar Onderlangs of naar de kerk vanaf de tuin was met de fiets 13 minuten, omkleden 6 minuten, de uitvaart met de mis 75 minuten, nazorg 30 minuten, omkleden 5 minuten en terug naar de tuin in 13 minuten.

Frans en Dirk Schut.
Frans en Dirk Schut. Dorpsstraat 94 in Castricum, 1934. Collectie Oud-Castricum. Toegevoegd.

Als voorman heb ik Frans Schut meegemaakt en van Baal, de koster van de rooms-katholieke kerk. P.Q. van Daalen was de uitvaartleider, ook voor de overledenen van Duin en Bosch. Nadat hij ging uitbreiden, ging het bedrijf over naar IJmond, waar De Jong ook al werkte als uitvaartleider.

Zo’n 20 jaar heb ik als drager gelopen bij IJmond, die een groot rayon had, in veel plaatsen in Noord-Holland en Amsterdam.

We werkten in de loop van de tijd ook samen met De Laatste Eer om voldoende dragers te hebben; we ‘leenden’ wel bij elkaar. Het is tegenwoordig niet zo gemakkelijk om naast je baan dit werk te doen. De noodzaak om iets erbij te verdienen, lijkt ook te zijn afgenomen.

In 2009 ben ik gestopt als drager en terugkijkend is het een mooie taak geweest met soms ‘prachtige’ uitvaarten, bijvoorbeeld een Surinaamse uitvaart met muziek en zang, of een rondje om de kerk! Zo’n 6000 keer was ik drager en heb daarbij zeker wel 600 kilometer gelopen.

Na de fusiebesprekingen ben ik bestuurslid geworden van de in 2004 gevormde vereniging C.U.V.