Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.
Jaarboek 47, pagina 52
Historie Castricumse Reddingsbrigade
Hoe de redders zich organiseerden

Op 11 oktober 2023 vierde de Reddingsbrigade Castricum haar 75-jarig jubileum. De brigade werd opgericht op 11 oktober 1948. Marjan Wentink en Menno Twisk hebben met behulp van opgeschreven herinneringen van Marjans moeder uit 1973 de geschiedenis van de Castricumse reddingsbrigade van vóór 1948 nader onderzocht. Marjans moeder, geboren in 1910 als Marie Beusman, was (mede) oprichtster van de Castricumse Reddingsbrigade en een van de eerste vrouwelijke gemeenteraadsleden in de gemeente Castricum.
Dat de reddingsbrigade in Castricum al ver voor de Tweede Wereldoorlog bestond, was al wel bekend. Het blijkt bijvoorbeeld uit een programma voor een reddingsdemonstratie op 26 augustus 1934 op het strand in Bakkum. Uit het verhaal en oude foto’s van Marie blijkt dat al een poos voor de Tweede Wereldoorlog sprake was van een volwaardige hulpverleningsorganisatie op het strand van Bakkum en Castricum.
Geschiedenis bestrijding verdrinking
De eerste organisatie die zich bezighield met het bestrijden van verdrinking was de Maatschappij tot het Redden van Drenkelingen (1767). In die tijd was (leren) zwemmen ongewoon en verdronken er jaarlijks tientallen mensen, vooral in de grachten van de steden. De oprichters stelden: ‘’Zolang niet iedereen kan zwemmen moet iedereen die kan zwemmen ook zwemmend redden leren.” Deze Maatschappij bestaat tot de dag van vandaag en onderscheidt nog steeds mensen die heldendaden bij het voorkomen van verdrinking verrichten.
De eerste Reddingsbrigade werd opgericht in Den Bosch (1908), gevolgd door Amsterdam en Haarlem (1913), allemaal steden met grachten. In Haarlem is op 16 september 1917 de Koninklijke Nederlandse Bond tot het Redden van Drenkelingen opgericht, waarbij ook de kustreddingsbrigades zich bij aansloten.
Castricum vooruit
Rond 1920 werd de VVV ‘Castricum Vooruit’ opgericht en dit markeerde de feitelijke start van Castricum als recreatie- en vakantieoord. De toenmalige burgemeester Lommen was ervan overtuigd dat Castricum aan de vooravond stond van grote veranderingen. In deze periode waren langs de kust vaak ”badmannen’’ werkzaam bij de paviljoens, die naast hun werk ook een oogje in het zeil hielden als de badgasten de zee ingingen. In 1923 verdronk een jongeman aan het strand van Castricum, een verhaal dat wellicht in die tijd een flinke impact had.
De krant van 14 augustus 1923 verhaalde: “De 19-jarige J.Z. uit Purmerend was met zijn verloofde naar Castricum gefietst. Daar gekomen legde het meisje zich ter ruste in de duinen, waar zij in slaap viel, terwijl de jongeman zich in zee begaf om te gaan zwemmen. Enige uren later werd het meisje wakker en miste haar verloofde. Zij vond alleen zijn klederen, welke ‘s avonds bij zijn diepbedroefde moeder, een weduwe wier kostwinner hij was, werden gebracht. Het lijk is tot nu toe nog niet gevonden.”
In 1926 begon dokter Leenaers zijn praktijk in Castricum en hij was van meet af aan betrokken bij de hulpverlening aan het strand en bij de opleiding van eerstehulpverleners.

In 1929 werd het eerste EHBO-diploma uitgereikt aan Sip Veenstra en dit was tegelijk het moment van oprichting van de vereniging met deze naam.
In 1928 was Marie Beusman (toen 18 jaar ) met een groepje enthousiaste strand- en zwemliefhebbers uit Castricum aangeschoven bij de vereniging. Zij gingen trainen in het toenmalige open zwembad aan de vuurlinie langs de Aagtendijk nabij Heemskerk en kregen les van de heer Van der Groen uit Beverwijk.


De leiding van het groepje uit Castricum was in handen van Cees Sieben, H.J. Jacobs en Sip Veenstra, velen toen nog lid van de EHBO-vereniging Castricum.
Kort daarna nam Cees Sieben het initiatief om reddend zwemmen te gaan leren en op 28 september 1932 trad Castricum toe tot de Nederlandse Bond tot het Redden van Drenkelingen, nu beter bekend als Reddingsbrigades Nederland.
Naast dokter Leenaers raakte ook dokter Van der Sluis betrokken bij de hulpverleners aan het strand. Hij was als arts verbonden aan het Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch.
Beide artsen schoven vaak aan bij de vergaderingen van de strandwachten in spe. Marie Beusman (gehuwd op haar 23e met Hendrik Jan Wentink uit Heemskerk) nam ook zitting in het bestuur. Zij was getuige, bij de opening van de vergadering, van de eerste woorden van Cees Sieben die luidden: ’’Niemand mag in Castricum meer verzuipen”.
Jaarboek 47, pagina 53

Jaarboek 47, pagina 54

Het tragische is geweest, dat hij (Cees Sieben) en zijn vrouw op 27 oktober 1933 verdronken zijn, terwijl ze met dokter Van der Sluis voor een ziekenhuisbezoek aan hun dochtertje op pad waren naar Amsterdam. Bij dichte mist reden ze met de auto door de slagbomen van de pont bij de Hembrug het Noordzeekanaal in. Alleen dokter Van der Sluis wist eruit te komen, wat voor de toenmalige jonge vereniging een geweldige klap was.

Omstreeks 1934 werd bij Marie thuis ‘’droog’’ geoefend in het uitvoeren van vervoers- en bevrijdingsgrepen bij een drenkeling. Dat gebeurde in de garage van het oude Fochteloo aan de Zeeweg, het huis van Marie. Zij is op een gegeven moment samen met Sip Veenstra en zijn vriendin naar Amsterdam getogen. Ze hebben de eerste reddingsdiploma’s behaald bij de Amsterdamse Reddingsbrigade op 26 februari 1934.

De Amsterdamse Reddingsbrigade speelde een belangrijke rol in de opleiding in die periode. Het toeval wil dat tot op de dag van vandaag leden met Amsterdamse (en Zaanse) roots betrokken zijn bij de opleiding van de huidige ‘lifeguards’ zo als strandwachten tegenwoordig genoemd worden.
In 1934 werd officieel door de reddingsbrigade besloten een post aan het strand te beginnen. Door bemiddeling van het PWN stelde de Nederlandse Heidemaatschappij een schaftkeet beschikbaar. Deze was eerder gebruikt in het kader van ‘’het nuttig maken der duinen’’ (de aanplant van duizenden dennenbomen door werklozen in de crisistijd). Het toen zittende bestuur bestond uit H.P. Holthuis, H. van der Woerd, Sip Veenstra en Marie Wentink-Beusman. Er werd toen voor het eerst gesproken over diensten draaien op het strand van Castricum.
Naast het tonen van de aangeleerde reddingtechnieken mocht een stukje toneel niet ontbreken. Het programma vermeldt onder andere dat een waternimf de voorzitter de brigadevlag komt aanbieden en dat een bruidspaar in de huwelijksboot het ruime sop kiest. De waternimf zou Salacia kunnen voorstellen.


Jaarboek 47, pagina 55
Het is inmiddels een traditie dat nieuwe reddingsbrigadeleden, voordat zij op strand actief worden, ritueel gedoopt worden door Neptunus, de god van de zee en echtgenoot van Salacia. Iemand uit zee redden kwam in die tijd hoofdzakelijk op je eigen kracht aan, want een boot had de reddingsbrigade niet.

Voor de demonstratiedag werd deze geleend van de heer J.W. Kockx, de eigenaar van het paviljoen Almeria. Later kreeg de brigade een boot via de heer Velthuizen, die werkte bij een scheepvaartmaatschappij. Dat werd een sloep die haast niet te hanteren was, maar de toenmalige brigade was er erg blij mee.

De Reddingsbrigade kreeg ook een houten huisje via de gemeente, dat wel wat gezelliger was dan de oude keet.
Jaarboek 47, pagina 56
Na de Tweede Wereldoorlog werd Marie Wentink-Beusman door Veenstra en het bestuur van de Koninklijke Bond tot het Redden van Drenkelingen gevraagd of zij wilde meewerken aan een heroprichting van de Reddingsbrigade Castricum.
Zij had inmiddels een gezin met twee jonge kinderen, maar liet zich overhalen om mee te werken. In een stukje dat zij bij het 25-jarig jubileum van de Reddingsbrigade schreef over haar herinneringen, gaf zij aan dat dat een moeizaam proces was. Wellicht dat de hernieuwde oprichting daarom pas op 11 oktober 1948 plaats vond. De Reddingsbrigade Castricum kreeg daarbij de verenigingsnaam ‘’De Strandlopers’’.

Het was Matthijs (Thijs) Bakker, de zoon van Dirk Bakker senior (van Strandpaviljoen Strand- en Zeezicht), die in 1948 een sloep van de gestrande’’ Lotte Skou’’ op een slimme wijze wist te ‘’jutten’’.
In het boekje Zee, Strand en Duinen, van Kees Droog (ISBN 90 6455 533 8), maar ook in de toelichting bij de foto in de beeldbank van Oud-Castricum, wordt verslag gedaan over de slimme wijze waarop de sloep vanuit Heemskerk door Thijs naar de gemeente Castricum (paal 46) werd getrokken, om deze daar te laten stranden. Zo kon de hulpstrandvonder van toen na overleg met de burgemeester (hoofd der strandvonderij) de sloep schenken aan de prille, heropgerichte Castricumse Reddingsbrigade. De boot kreeg de naam Marie, vernoemd naar Marie Wentink-Beusman.

Tot zover de geschiedenis van de reddingsbrigade van de periode tot de (her)oprichting in 1948. Toch lijkt het ons de moeite waard om nog één voorval van jaren later te beschrijven.
De reddingsbrigade schafte in 1962 met een subsidiebedrag van 100 gulden voor hun boot de eerste nieuwe buitenboordmotor aan, maar deze verdween gelijk bij het uitproberen in zee. De motor bleek niet vast genoeg bevestigd te zijn op de ’spiegel’ (de achterkant) van de vlet. Voorzitter Kelder wilde de hier voor verantwoordelijke bemanning royeren en er was een buitengewone ledenvergadering voor nodig om dit te voor komen.
Daarna trad er een nieuw bestuur aan onder leiding van Albert Bas senior. Tot op de dag van vandaag is een van de eerste handelingen die nieuwe brigadeleden leren bij het optuigen van de reddingsvlet, het bevestigen van een borgtouwtje van de buitenboordmotor aan de spiegel, om het in zee vallen van de motor te allen tijde te voorkomen.

Marjan Wentink
Menno Twisk
