1 november 2025

Aanleg en gebruiksgeschiedenis van de begraafplaats van Duin en Bosch (Jaarboek 47 2024 pg 16-25)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.


Jaarboek 47, pagina 16

Aanleg en gebruiksgeschiedenis van de begraafplaats van Duin en Bosch

De laatste rustplaats van inwoners en personeelsleden hersteld

Een anoniem graf.
Een anoniem graf. Foto Ernst Mooij.

Met zijn artikel in het 22e jaarboek (1999) heeft Gerrit Schumm, voormalig hoofd van de activiteitendienst, de begraafplaats van het toenmalige Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch aan de vergetelheid ontrukt.

Sinds 2004 is het een rijksmonument. De begraafplaats is samen met de omringende duingronden eind 2018 door zorginstelling Parnassiagroep overgedragen aan de provincie, die het in beheer heeft gegeven aan PWN.

De registers van de begraafplaats bevinden zich in het Noord-Hollands Archief in Haarlem, zijn gedigitaliseerd en via internet te raadplegen. Ze blijken een schat aan informatie te bevatten over het funeraire verleden van deze bijzondere plek.

Aanleg

Uit stukken in het Regionaal Archief in Alkmaar blijkt dat de gemeente Castricum in 1909 vergunning heeft verleend voor de aanleg van de begraafplaats, maar daarbij is geen tekening meer aanwezig.

In het Noord-Hollands archief is van alles te vinden over het beheer van gebouwen, patiëntenzorg enzovoorts, maar ook daar ontbreekt een ontwerp van de begraafplaats.

Wel bevinden zich twee plattegronden in de collectie van Oud- Castricum: een ongedateerde, die van vóór 1930 moet zijn en een gedateerde plattegrond uit 1948.

Voor de aanleg van de begraafplaats werd een kleine duinvallei in de zuidwesthoek van het ziekenhuisterrein bestemd. Daar was al een gebouw gerealiseerd dat de dubbelfunctie had van mortuarium en anatomiegebouw. Een stuk van de achter­ liggende duinlaagte werd opgehoogd en vlakgemaakt.

De aanleg moet eenvoudig geweest zijn. Een middenpad vanaf het mortuarium naar de duinrand verdeelde het terrein in twee velden. Het gehele noordelijke veld en de oostelijke helft van het zuidelijke veld werden bestemd als algemene begraafplaats.

De westelijke helft van het zuidelijke veld werd bestemd als rooms-katholieke begraafplaats. Een ijzeren hekwerk scheidde het katholieke gedeelte van het algemene deel. Het katholieke gedeelte was in tweeën gedeeld met een pad naar een kleine calvarieberg. Een calvarieberg is een heuvel waarop een kruis is opgericht met de voorstelling van de gekruisigde Jezus. De rijen graven – rug aan rug, met graspaden tussen de voeteneinden – lagen voor alle klassen in alle compartimenten in dezelfde richting, namelijk dwars op de middenas.

Hiërarchie

Zowel de algemene als de rooms-katholieke begraafplaats waren onderverdeeld in compartimenten voor drie begraafklassen. Hierover staat in het reglement begrafenissen uit 1914, artikel 1 het volgende: “De begraafplaats is verdeeld in twee afzonderlijke gedeelten, waarvan één gedeelte is bestemd tot algemene begraafplaats, één gedeelte is bestemd voor Roomsch-Katholieke overledenen. Deze gedeelten zijn ieder verdeeld in drie klassen. De eerste klasse is bestemd voor hoofdbeambten en beambten, voor zoover zij in- of opwonend zijn, de tweede klasse voor het overige personeel, voor zoover zij in- of opwonend zijn, en de derde klasse voor verpleegden.”

In artikel 2 staat dat met toestemming van de Commissie van Bestuur ook overleden gezinsleden van in- of opwonenden op de begraafplaats begraven kunnen worden, met in achtneming van de klasseverdeling. Uit het begraafregister blijkt dat ook bij het gezin inwonende familieleden (ouders-schoonouders) hier begraven werden.


Jaarboek 47, pagina 17

In artikel 12 wordt beschreven voor wie de kosten van de begrafenis zijn: “De kosten eener begrafenis worden berekend volgens het bij deze bepalingen gevoegde tarief. De kosten worden, behoudens het bepaalde in Artikel 14 aan de bloed­ver­wanten of betrekkingen der overledenen, of, voor zoover het de overleden verpleegden betreft, aan de gemeente- of armbesturen, voor welker rekening de lijders verpleegd werden, in rekening gebracht”.

Al voordat de begraafplaats werd aangelegd stond midden in de duinen het gebouw met de dubbel- functie van mortuarium en anatomiegebouw.
Al voordat de begraafplaats werd aangelegd stond midden in de duinen het gebouw met de dubbel- functie van mortuarium en anatomiegebouw. In de omgeving lagen akkertjes. Een man met paard en wagen voert de oogst van het land af. Foto Collectie Noord-Hollands Archief/Oud-Castricum.

In een schrijven van 9 maart 1921 maakt de ‘Commissie van Bestuur van het Provinciaal Ziekenhuis Duinenbosch’ bekend dat begrafenissen van “tot den dienst van het Ziekenhuis behoord hebbende ambtenaren, opwonend of uitwonend,” nog steeds op de begraafplaats van het ziekenhuis begraven kunnen worden, maar dat dit niet meer zal zijn voor rekening van het ziekenhuis.

Het anatomiegebouw.

Het anatomiegebouw. Goudsbergen 12, Duin en Bosch, Bakkum. Collectie Oud-Castricum.

Jaarboek 47, pagina 18

Klasse-indeling van de begraafplaats.
Klasse-indeling van de begraafplaats volgens de kaart uit 1948 uit de collectie van Oud-Castricum (bewerkt).
Legenda.
Legenda.

Niet alleen de maatschappelijke status was bepalend in welk compartiment men werd begraven. De klasse-indeling kwam ook tot uitdrukking in de begrafenis. Op de eerste plaats in de drie tarieven voor grafkisten en op de tweede plaats door het aantal dragers met een voorganger.

Volgens het reglement uit 1914 kostte een eersteklas begrafenis 74,50 gulden, een tweedeklas begrafenis 38,50 gulden en een derde klasse begrafenis 25 gulden. De grafkisten waren daarbij inbegrepen. Daarna zijn wel tariefsverhogingen doorgevoerd. Een door het ziekenhuis zelf uitgevoerde begrafenis, inclusief grafkisten, kostte per 1 januari 1946 voor een eersteklas begrafenis 220 gulden een tweedeklas begrafenis 135 gulden en een derdeklas begrafenis 83 gulden.

In het hiervoor genoemde reglement staat dat overledenen in de eerste en tweede klasse door tien dragers naar het graf worden gedragen en bij begrafenissen van de 3e klasse door acht dragers. Overledenen jonger dan vijftien jaar en ouder dan één jaar, worden gedragen door de helft van het hierboven genoemd aantal dragers, terwijl overleden kinderen beneden één jaar door één persoon grafwaarts wordt gedragen.

Voorganger en dragers moesten in zwart gekleed gaan. “Ten gebruike bij de begrafenissen worden aan den voorganger en ieder der dragers een zwart lakensch pak, hoed, benevens een paar handschoenen verstrekt”. De dragers werden telkens voor één jaar door de Technische Adjunct-Directeur uit de tuinarbeiders aangewezen.

Volgens een niet gedateerde specificatie kostte een derdeklas grafkist van vurenhout en zwart gelakt afgerond 30 gulden. Een tweede klas kist, ook van vurenhout, aan de buitenzijde in eikenpatroon geschilderd en gelakt kostte afgerond 48 gulden. Een eerste klas kist met een vurenhouten bodem, eikenhouten zij- en eindstukken, een eikenhouten deksel en met was ingewreven, kostte afgerond 80 gulden.

Een bijzonder geval

Bijzonder is artikel 7 van het begraafreglement. Daarin staat: “Op verlangen van bloedverwanten of betrekkingen van overledenen, vallende in de 2e of 3e klasse, kan, na ver­kregen toestemming van de Commissie van Bestuur, de begrafenis dezer overledenen in een hoogere klasse geschieden dan die, waartoe zij volgens Artikel 6 behoorden, behoudens bijbe­taling overeenkomstig het tarief, bedoeld in Artikel 12 dezer ‘Bepalingen’. Begrafenis in eene lagere klasse is voor hen, vallende onder het tarief voor de 1e en 2e klasse vastgesteld, niet toegelaten”.

Op de rooms-katholieke begraafplaats werden slechts twee patiënten in het tweede klasse grafveld begraven en één patiënt in het eerste klasse grafveld. Op de algemene begraafplaats hebben ruim veertig patiënten formeel een plek in de tweede klasse gekregen en nog geen tien patiënten in de eerste klasse.


Jaarboek 47, pagina 19

Bijzonder is het graf van ene Benjamin Gabriël, geboren op 10 januari 1883. Hij was ongehuwd en werd op 20 april 1917 opgenomen. Na acht dagen is hij op 34 jarige leeftijd op 28 april 1917 overleden. Zijn begrafenis vond plaats op 1 mei 1917. In het algemene register is de derde klasse aantekening vervangen door een eerste klasse vermelding.

De grafsteen van Gabriël Benjamin.
De grafsteen van Benjamin Gabriël of Gabriël Benjamin is nog steeds op de begraafplaats aanwezig. Foto Ernst Mooij.

Zijn kortdurende verpleging kwam voor rekening van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Waarschijnlijk heeft deze overheidsbemoeienis of een weldoener ertoe bijgedragen dat deze Benjamin een eerste klasse begrafenis heeft gekregen én een grafsteen boven zijn graf. Hij ligt begraven in de nabijheid van het graf van dr. Jacobi. Blijkbaar bestond er enige verwarring over wat zijn voornaam en achternaam was, want op de grafsteen zijn de namen omgedraaid. Uit het opschrift van de grafsteen blijkt dat deze persoon afkomstig was uit Koerdistan.

Op de regel dat personen die onder het tarief voor de eerste klasse vielen niet in een lagere klasse begraven konden worden, zijn in het begraafregister uitzonderingen te vinden. Bij enkele verwanten van personeelsleden met eerste klasse aantekening staat genoteerd dat zij in de tweede klasse afdeling zijn begraven. Nabestaanden van verpleegden hadden de mogelijkheid om hun verwanten formeel in een hogere klasse te laten begraven. Uit een globale inventarisatie van de grafstenen blijkt echter dat verpleegden met de aantekening ‘derde klasse’ ook informeel in de tweede klasse afdeling liggen begraven.

Een aantekening uit 1941 op een los papiertje lijkt dit te bevestigen. Daarop staat: “Deze graven zijn 2e klas, doch waren indertijd gebezigd voor 3e klas patiënten”. Niet duidelijk is of dit is gebeurd uit ruimtegebrek op de derde klasse grafvelden en op welke graven deze notitie betrekking heeft. Wel is duidelijk dat er meer patiënten in de tweede klasse liggen begraven dan verwacht.

Aanleg

De dames Albers en Guinée, die in opdracht van PWN onderzoek hebben gedaan naar de aanleggeschiedenis van de begraaf plaats, gaan ervan uit dat de oorspronkelijke aanleg eenvoudig was en dat het padenpatroon later aangelegd zal zijn.

Zij dateren de aanleg omstreeks 1917 en vermoeden dat het een ontwerp van Gerard Bleeker is geweest. Deze in de nieuwe architectonische tuinstijl geïnteresseerde tuinarchitect werkte van 1906 tot 1924 op het bureau van zijn oom, de bekende tuinarchitect Leonard Springer. Springer is zeker met Bleeker op Duin en Bosch geweest. De tekeningen van de tuinen in ouderwetse landschapsstijl die Springer zelf in 1917 en 1919 ontwierp voor de paviljoens en het administratiegebouw van Duin en Bosch, worden in zijn archief in Wageningen bewaard.

Het aan Bleeker toegedachte ontwerp voor de begraafplaats lijkt op de vorm van een hand waarvan de duim naar binnen is gevouwen. Op de oudst bekende plattegrond zijn alleen derdeklas graven van 1909 tot 1920 ingetekend. Een aantal daarvan lag op de plek van een nieuw ontworpen pad. Dat pad kon dus niet zonder meer worden aangelegd.

Ongedateerde plattegrond van de begraafplaats.
Ongedateerde plattegrond van de begraafplaats. Daarop staan graven ingetekend die in 1930 geruimd zullen worden. Collectie Oud- Castricum.

De eersten

Volgens het ‘Register der Algemene Begraafplaats’ werd de ongehuwde Wilhelmina Johanna Schamper op 3 juni 1909 als eerste op het algemene gedeelte begraven. Zij werd geboren op 17 augustus 1824, opgenomen op 26 mei 1909 en is overleden op 1 juni 1909 in de leeftijd van 84 jaar. Zij werd voor die paar dagen verpleegd voor rekening van de gemeente Amsterdam. Haar graf is niet meer aanwezig.

Volgens het ‘Register der Roomsch-Katholieke Begraafplaats’ was het Johanna Meijer, echtgenote van J.J. de Harder, die op 21 november 1911 als eerste op het katholieke gedeelte werd begraven. Zij werd geboren op 19 december 1877, opgenomen op 6 september 1911 en is op 17 november in datzelfde jaar overleden op de leeftijd van bijna 34 jaar. Ook zij werd die korte opnameperiode verpleegd voor rekening van de gemeente Amsterdam. Haar graf is niet meer te traceren.


Jaarboek 47, pagina 20

In het reglement van 1914 staat in artikel 15: “Aan bloedverwanten of betrekkingen van overledenen, op ‘Duin en Bosch’ begraven, kan door de Commissie van Bestuur vergunning worden verleend, een gedenkteeken op een graf te plaatsen. Die vergunning wordt verleend voor een tijdvak van tien jaren, en tegen betaling van eene door de Commissie van Bestuur vast te stellen som.”

Voor tien jaar moest 5 gulden grafrechten worden betaald. In het hetzelfde artikel staat dat het grafrecht telkens met tien jaar kan worden verlengd. Een gedenkteken moest bestaan uit “solied materiaal (hardsteen, marmer enzovoorts)”.

Een grafsteen op het derdeklas grafveld van de algemene begraafplaats.
Een grafsteen op het derdeklas grafveld van de algemene begraafplaats. Vermoedelijk werd volstaan met alleen een grafsteen of een houten grafteken. Foto Ernst Mooij.

In de eerste klasse en de tweede klasse mocht het grondvlak van een gedenkteken niet groter zijn dan één derde van het oppervlak van het gehele. graf. “Het onderhoud van het gedenkteeken geschiedt vanwege het gesticht”.

Grafsteen, opgericht in 1914, ter nagedachtenis aan Johanna Carolina Magdalena ten Pas.
De grafsteen, opgericht in 1914, ter nagedachtenis aan Johanna Carolina Magdalena ten Pas is een van de weinige (nog ongeschonden) grafstenen op het rooms-katholieke deel van de begraafplaats. Johanna is slechts twee dagen opgenomen geweest en is op 74-jarige leeftijd overleden. Foto Ernst Mooij.

In het reglement staat niets waaraan een gedenkteken in de derde klasse moet voldoen, ook worden er voor geen enkele klasse de toegestane afmetingen van de grafstenen genoemd, wel in een losse notitie uit 1956. Grafstenen mochten de maximale afmetingen hebben van 185 x 75 centimeter.

Uit een overzicht van 1951 blijkt dat het innen van grafrechten geen eenvoudige zaak was. “Resultaat uitgaande brieven op 10 november 1951 gedeclareerde bedragen grafrechten. Aantal verzonden brieven 77 (gedeclareerd bedrag 750 gulden). Tot heden als ‘niet bekend, onbestelbaar’ terug ontvangen 37 brieven (gedeclareerd bedrag 400 gulden). Tot heden ontvangen grafrechten van 22 personen (175 gulden). Duin en Bosch, 8 December 1951”.


Jaarboek 47, pagina 21

Na 1942

In 1942 moest op bevel van de Duitse Wehrmacht het gehele ziekenhuis ontruimd worden voor de kustverdediging (Atlantikwall). De patiënten werden verdeeld over vier andere inrichtingen. Na de bevrijding in mei 1945 werd de inrichting enkele maanden gebruikt voor internering van ‘politieke delinquenten’.

Voorafgaand aan die periode vond op 9 juni 1942 de laatste begrafenis plaats en daarna de eerste begrafenis op 28 november 1945. In december 1958 richtte een natuursteenhandel uit Alkmaar een verzoek aan de directie adresgegevens van familieleden van overleden patiënten te verstrekken, om met de betreffende familieleden in contact te kunnen komen voor levering van gedenktekens.

De administrateur antwoordde namens de economisch directeur het volgende: “Naar aanleiding van Uw schrijven van 16 december jongstleden bericht ik U, dat wij als overheidsbedrijf geen bemiddeling kunnen verlenen met betrekking tot de levering van grafmonumenten in de door U gevraagde vorm. Hoogstens kunnen wij eventueel bij informatie door de familie van overleden patiënten ondermeer Uw adres doorgeven”.

Vanaf 1963 werden nieuwe paviljoens aan het ziekenhuiscomplex toegevoegd. Dit leidde tot een gebiedsuitbreiding naar het westen. Een nieuwe weg werd aangelegd om de gebouwen en de begraafplaats. De begraafplaats kreeg toen een achteruitgang aan het westeinde van de middenas. In dat jaar besloot het bestuur van Duin en Bosch evenwel om de begraafplaats formeel te sluiten.

De registers

Volgens het register van de algemene begraafplaats en het register van het rooms-katholieke gedeelte hebben op de begraafplaats van Duin en Bosch in totaal 1.812 overledenen een tijdelijke of eeuwige rustplaats gekregen: 1.624 op het algemene gedeelte en 188 op het katholieke gedeelte. Blijk­ baar heeft de Spaanse griep in de jaren 1918-1920 ook de ziekenhuispopulatie zwaar getroffen. De katholieke en niet-katholieke begrafenissen bij elkaar opgeteld vonden in 1918 66 begravingen plaats, in 1919 waren het er 78 en in 1920 nog eens 62.

Op het algemene gedeelte zijn achttien personeelsleden begraven, waaronder de eerste geneesheer-directeur dr. Jan Willem Jacobi. Jacobi werd op 31 mei 1865 geboren en overleed op 51-jarige leeftijd op 5 december 1916. Zijn graf is door de korte obelisk niet te missen.

Het in 2013 gerestaureerde grafmonument op het graf van de eerste geneesheer-directeur dr. Jan Willem Jacobi.
Het op initiatief van Oud-Castricum in 2013 gerestaureerde graf­monument op het graf van de eerste geneesheer-directeur dr. Jan Willem Jacobi. Achter zijn graf ligt de zerk op het graf van zijn jong overleden zoon Willem Lodewijk. Hij werd geboren op 5 april 1903 en is op 12 jarige leeftijd overleden op 23 december 1915. Foto Ernst Mooij.

Zeventien volwassenen verwanten en twintig kinderen van personeelsleden hebben op het algemene gedeelte een laatste rustplaats gekregen. Van die twintig kinderen zijn zes baby’s levenloos geboren en zes kindertjes hebben het eerste levensjaar niet gehaald. Twee personeelsleden liggen op het katholieke gedeelte begraven.

Het in 1935 intacte graf van de eerstejaars inwonend leerling-verpleegster Sophia Dekker.
Het in 1935 intacte graf van de eerstejaars inwonend leerling-verpleegster Sophia Dekker. In vervallen en overwoekerde toestand bestaat haar graf nog steeds. Sophia werd op 7 juli 1905 geboren, overleed op 29 april 1930 en moest in dat jaar nog 25 jaar worden. Collectie Noord-Hollands Archief.

Het katholieke register maakt melding van drie overleden kinderen van personeelsleden, waarvan één kindje het eerste levensjaar niet heeft gehaald.

Het grafmonument ter nagedachtenis aan Jan Blei.
Het grafmonument ter nagedachtenis aan Jan Blei in welstand. Op de gebroken zuil staat de tekst: “Op een duintop heeft hij z’n rust gevonden”. Die tekst verwijst naar het ongeluk dat daar heeft plaatsgevonden. (zie 34e jaarboek, 2011). Onder: Het graf van Jan Blei, in 1977 bezocht door een jong familielid. Foto’s ter beschikking gesteld door Loes Wormsbecher.

Jaarboek 47, pagina 22

In 1965 kreeg de vader van de zo jammerlijk omgekomen Jan Blei (geboren op 10 juli 1931 en overleden op 24 juli 1936) namens de economisch directeur en briefje met de volgende inhoud: “Hiermede bericht ik u, dat bij controle der graven de kettingen tussen de granieten stempels van het graf van wijlen Uw zoon J. Blei uit de bevestigingen los gelaten waren. Dit dient wel gerepareerd te worden. … ”. Of de reparatie heeft plaatsgevonden is niet bekend. Het graf van de vijfjarige Jan Blei is voor de kenner nog wel te traceren, maar er is weinig van over.

Het graf van Jantje Blei, gefotografeerd in 1977.
Het graf van Jantje Blei, gefotografeerd in 1977.

Ruimingen

Uit enkele losse notities in het begraafregister blijkt dat alleen op de algemene begraafplaats ruimingen hebben plaats gevonden. Op een los blaadje staat het volgende geschreven: “De grafnummers (graven) 1 tot en met 40 zijn na een tijdvak van 20 jaren in juli 1930 ‘geroerd’ en de restanten in een afgesloten deel van de begraafplaats begraven.” Daarbij staat aangetekend dat deze ruimingen in het register met een ‘R’ zijn aangeduid. Ook daarna hebben ruimingen plaatsgevonden.

Notitie uit 1931 over ruimingen.
Notitie uit 1931 over ruimingen op een losliggend blaadje in het begraafregister. Collectie Noord-Hollands Archief.

Volgens andere kladpapiertjes zijn in 1931 zevenendertig vrouwengraven en tweeënzeventig mannengraven geruimd; in 1935 drieënnegentig mannengraven en in 1937 nog eens vierentwintig mannengraven. In 1941 zijn tweeëntwintig graven geruimd, zonder vermelding of dit vrouwen of mannengraven waren.

Tot in 1946 hebben ruimingen plaatsgevonden. Volgens het register zijn in totaal 383 graven geruimd. De laatste notering betreft een graf uit januari 1928.

Bij leven werden mannen en vrouwen in aparte paviljoens ondergebracht (drie voor vrouwen en drie voor mannen). Deze scheiding werd zelfs tot na de dood doorgevoerd, want uit de notities over de ruimingen blijkt dat mannen en vrouwen in aparte grafrijen lagen begraven. Over ruimingen op het katholieke gedeelte is niets bekend, waarschijnlijk bestond daarvoor geen noodzaak.

Overbrengingen

Uit correspondentie met nabestaanden en uit de registers blijkt dat overledenen die eerst op de begraafplaats van Duin en Bosch werden begraven later naar begraafplaatsen elders zijn overgebracht. Voor overbrengingen moest toestemming verkregen worden van de burgemeester van Castricum. In het register van de algemene begraafplaats wordt melding gemaakt van elf overbrengingen; negen naar begraafplaatsen elders in de provincie Noord-Holland en twee overbrengingen op de algemene begraafplaats vanuit het eerste klasse grafveld naar het tweede klasse grafveld, onder andere om de broertjes Koeman in één graf samen te brengen. Eerste klasse graven waren enkelvoudig, in de tweede en derde klasse werd in twee lagen begraven. Vanuit het katholieke gedeelte heeft één overbrenging naar een begraafplaats elders plaats gevonden.


Jaarboek 47, pagina 23

Onderzoek

In 1959 vraagt een röntgenoloog uit Den Helder aan de burgemeester van Castricum verlof tot het opgraven van de stoffelijke resten van een in 1953 met name genoemde overledene voor het maken van enige foto’s ten behoeve van een geneeskundig onderzoek. Gehoord de toestemming van de eigenaar van het graf, de geneesheer-directeur van het Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch, wordt onder voorwaarden toestemming verleend.

De kist met de stoffelijke resten moet direct na het onderzoek in hetzelfde graf herbegraven worden. De opgraving en herbegraving moet plaatsvinden onder toezicht van de plaatselijke rijkspolitie die daarover een proces-verbaal zal opmaken. De opgraving dient plaats te vinden op vrijdag 2 oktober om 18 uur. In 1960 doet de geneesheer-directeur van het Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch in een schrijven aan de burgemeester van Castricum een gelijkluidend verzoek.

De reden daarvoor is het kunnen laten verrichten van een geneeskundig onderzoek door dezelfde röntgenoloog uit Den Helder onder dezelfde hiervoor vermelde voorwaarden. De opgraving dient plaats te vinden op 29 juli om 21.30 uur. In het register wordt van deze gebeurtenissen geen melding gemaakt omdat herbegraving in dezelfde graven heeft plaatsgevonden.

De laatsten

Op 12 september 1953 is het hoofd van de economische dienst, de heer Wilhelm Emanuel van Keeken, als laatste personeelslid op de begraafplaats van Duin en Bosch begraven. Van Keeken was medeoprichter van de Bakkumse tennisclub.

Het graf van Wilhelm Emanuel van Keeken.
Het graf van Wilhelm Emanuel van Keeken bestaat nog. Oorspronkelijk zaten op de grafsteen bronzen letters. Nadat die eraf vielen is er een gedenkplaat voor in de plaats gekomen. Foto Ernst Mooij.

Aan Dieuwertje Vlug-Ooms komt de eer toe vermeld te worden als de laatste patiënte die daar op 14 november 1960 is begraven. Zij werd op 12 maart 1887 geboren en op 12 november 1915 in het ziekenhuis opgenomen. Na een verblijf van bijna 45 jaar is zij op 10 november 1960 op 93-jarige leeftijd overleden. Haar graf is niet meer te traceren.


Jaarboek 47, pagina 24

Het verval

In 1963 is het formele besluit genomen de begraafplaats te sluiten. De algemene begraafplaats is dan vrijwel vol. Gedurende 10 jaar moet een gesloten begraafplaats onaangeroerd blijven liggen. Na die tijd mag de grond voor bezaaiing of beplanting worden gebruikt. Dertig jaar na sluiting mag gegraven worden tot grotere diepte dan 0,5 meter. Aanvankelijk was het de bedoeling de begraafplaats terug te geven aan de natuur.

De op willekeurige plekken aangeplante beukenbomen dateren uit die tijd. De eerder genoemde Gerrit Schumm heeft de begraafplaats behoed voor bebossing en is de aanjager geweest voor het herstel van de padenstructuur in 1993. Voor zover mogelijk werden kapotte grafstenen provisorisch hersteld. Op de eerste en tweede klasse grafvelden van de algemene begraafplaats staan de meeste grafstenen.

Op de eerste en tweede klasse grafvelden van de algemene begraafplaats staan de meeste grafstenen.
Op de eerste en tweede klasse grafvelden van de algemene begraafplaats staan de meeste grafstenen. In april 2014 waren de iepen nog niet gekapt. Op de voorgrond het graf van Sophia Dekker. Rechts daarvan het dubbelgraf van de broertjes Koeman. Foto Ernst Mooij.

De nog aanwezige stenen op de het derdeklas grafveld van de algemene begraafplaats zijn merendeels klein van formaat. Zeker is dat overal grafstenen zijn verdwenen, maar vele graven zullen ook voorzien zijn geweest van houten graftekens en die zijn in de loop van de tijd vergaan. De leegte op de eerste en tweedeklas grafvelden van het rooms-katholieke gedeelte komt doordat daar weinig begrafenissen hebben plaatsgevonden. Op de derde klasse grafvelden is het aantal grafstenen gering.

De nog aanwezige grafstenen op de derdeklas grafvelden van de algemene begraafplaats zijn in het algemeen klein van formaat.
De nog aanwezige grafstenen op de derdeklas grafvelden van de algemene begraafplaats zijn in het algemeen klein van formaat. Foto Ernst Mooij.

Het pad dat de middenas van de begraafplaats vormt, werd vanaf de opgang aan de oostzijde geflankeerd door hoog opgaande iepen. Wegens iepziekte zijn die in 2014 en 2015 gekapt. Dat lot trof ook de treuriep in de rotonde. Daarmee heeft de begraafplaats veel van zijn monumentale karakter verloren.

De ensemblewaarde van het mortuarium-anatomiegebouw met de begraafplaats is verloren gegaan sinds het mortuarium is verbouwd tot woonhuis en door erfbeplanting voor een belangrijk deel aan het zicht wordt onttrokken. De begraafplaats is aan de oostzijde via een pad langs het voormalige mortuarium te bereiken. De achteringang is voor wandelaars gemakkelijker te vinden.

Waardering

Zo nu en dan wordt de begraafplaats nog door nazaten bezocht en/of wordt bij Oud-Castricum informatie opgevraagd.

In het monumentenregister van de Rijksdienst voor het Cultureel staat als slotzin: “De begraafplaats uit 1909 is van algemeen belang als historisch-functioneel onderdeel van het ziekenhuiscomplex Duin en Bosch. Vanwege het ontwerp in decoratieve tuinstijl. Vanwege de inrichting met groenaanleg, padenstelsel, grafstenen en hekwerken.”

De verwachting is dat PWN als beheerder een goed evenwicht zal nastreven tussen het behoud van dit cultureel erfgoed en het behoud of versterking van de natuurwaarden.

Van het gietijzeren kruis op de calvarieberg resteert alleen nog het onderste deel. Een speurtocht op internet heeft een identiek kruis opgeleverd. Daarover verschijnt een artikel in het volgende jaarboek.

Ernst Mooij

Andere artikelen:

Bronnen:

  • Albers Adviezen Historische Parken en Anja Guinée -Landschapsarchitectuur, Begraafplaats Duin en Bosch te Castricum, aanleggeschiedenis en waardenstelling, november 2021.
  • Register der Algemene Begraafplaats (van het Gesticht ”Duin en Bosch” te Bakkum, 1914). Noord-Hollands Archief.
  • Register der Roomsch-Katholieke Begraafplaats (van het Gesticht ”Duin en Bosch” te Bakkum, 1914). Noord-Hollands Archief.
  • Reglement begrafenissen, 1914. Noord-Hollands Archief.
  • Bewaard gebleven correspondentie in het Noord-Hollands Archief.
  • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, registernummer begraafplaats 524188
  • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, registernummer anatomiegebouw 5241676

Jaarboek 47, pagina 25

Voor 2014 werd het oostelijke entree nog geflankeerd door hoog opgaande iepen.
Voor 2014 werd het oostelijke entree nog geflankeerd door hoog opgaande iepen. In het midden een treuriep in de rotonde. Foto Ernst Mooij.
0 Reacties
Nieuwste
Oudste
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties