5 november 2025

Feestelijke presentatie 48ste jaarboek Oud-Castricum

Voorzitter Jan Frens, van Oud-Castricum, overhandigt het eerste exemplaar van het jaarboek aan Anne Mieke Zeeman, dochter van Henk Zeeman. Foto: Nico Lute.

Door: Rino Zonneveld. Vrijdag 29 oktober 2025 – De Duynkant

De presentatie van het achtenveertigste jaarboek van Stichting Oud-Castricum vond op vrijdag 29 oktober 2025 plaats in De Duynkant. Zoals ieder jaar was de belangstelling groot. De zaal was gevuld met genodigden, familieleden, auteurs, vrijwilligers en bestuursleden, maar ook een vertegenwoordiging van de uitgever en de pers. Vooral de families Zeeman en Joosse waren eregasten tijdens deze bijzondere middag.

Na een welkomstwoord door voorzitter Jan Frens nam redactielid Jolanda Vermolen het publiek mee langs de artikelen van deze nieuwe editie. Ze wist van ieder verhaal een korte, levendige samenvatting te geven — vaak met een glimlach in de zaal tot gevolg.

Ook de familie Joosse ontving een eerste exemplaar, als eerbetoon aan de rol van Job Joosse, een man met grote betekenis voor het dorpsleven.

Een veelzijdige inhoud

Het 48ste jaarboek biedt weer een rijke verzameling verhalen over het leven, de mensen en de geschiedenis van Castricum en Bakkum.

Een greep uit de artikelen:

  • Wie was Job Joosse?
    Een portret van een markante Castricummer met een ongekend organisatietalent — een man die altijd in beweging bleef.
  • De totstandkoming van Duin en Bosch
    Een blik op de negentiende-eeuwse architecten die het Provinciaal Ziekenhuis en zijn unieke omgeving ontwierpen.
  • Bakkummerweg in 1930 (deel 1) – Torenstraat
    Een eerste verkenning van deze weg/straat, van de Dorpsstraat tot aan de Heereweg.
  • Spoken in de Castricumse meelmolen
    Een humoristisch verhaal in Castricummer streektaal over een molenaar die wel erg diep in het glaasje keek.
  • Jac. P. Thijsse College (1954-2024)
    Het JPT bestaat inmiddels 70 jaar – een mooie aanleiding om de rijke geschiedenis van deze school voor voortgezet onderwijs vast te leggen.
  • Het oorlogsdagboek van Henk Zeeman 1944-1945
    Een aangrijpend verslag van Arbeitseinsatz en de lange en langdurige weg terug naar huis na de oorlog.

Anne Mieke Zeeman met de auteurs Annette Beentjes (li) en Corrie Loogman (re). Foto: Nico Lute.
  • De Castricumse familie … Portegies
    De stamboom van een bekende Castricumse familie, verankerd in de wereld van schilders, schildersbenodigdheden  en drogisterijartikelen.
  • In memoriam – Louis Oppenheimer
    Een eerbetoon aan een geliefd lid van het archeologieteam, die in 2025 overleed.

Daarnaast bevat het jaarboek de vertrouwde rubrieken: Schenkingen, Castricum en Bakkum honderd jaar geleden, Kroniek 2024, Jaarverslag 2024, en natuurlijk de bijdragen van de voorzitter en de redactie.

Dank en uitnodiging

De redactie en het bestuur van Stichting Oud-Castricum bedanken alle auteurs, vrijwilligers, sponsoren en vooral de donateurs, die dit jaarboek weer mogelijk hebben gemaakt.

De bezorging van de boeken aan donateurs is inmiddels in volle gang — overal in Castricum, Egmond, Uitgeest en Limmen duiken de herkenbare jaarboeken weer op.

Bent u nog geen donateur, maar wilt u ook dit fraaie jaarboek lezen? Het boek is verkrijgbaar bij Boekhandel Laan voor € 19,–.
Nog beter: word donateur van Oud-Castricum en ondersteun ons werk aan het behoud van de lokale geschiedenis!

Aanmelden kan eenvoudig via de website: https://www.oud-castricum.nl/aanmelden/donateurs/

1 november 2025

Oud over nieuw (Jaarboek 47 2024 pg 26-27)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.


Jaarboek 47, pagina 26

Oud over nieuw

Wat stond daar vroeger?

Van een oude afbeelding is het vaak moeilijk de precieze locatie te bepalen. Door deze over de huidige situatie te monteren wordt het een stuk duidelijker. Ook geeft het een mooi beeld hoe het straatleven er vroeger uit zag. Deze keer de laatste vier afbeeldingen uit de serie.

Burgemeester Mooijstraat, 1920.
Burgemeester Mooijstraat, 1920.

1920 Burgemeester Mooijstraat

Het linkerdeel van de foto dateert van 1991. Toen zat daar onder andere de fotozaak van Loek Anderson. Het langgerekte pand rechts herbergt twee zaken: eerst de sigarenzaak van Kees Stuifbergen (bijnaam Kees Spriet), die met hond op arm voor de winkel staat en de zaak ernaast is de vroegere schoenwinkel van Wilhelmus Josephus Imming. Nu vind je daar de fietsenzaak van Pilkes.

Bakkummerstraat 77-79, 1927.
Bakkummerstraat 77-79, 1927.

1927 Bakkummerstraat 77-79

De timmerwerkplaats van Antoon Borst is het begin van de het huidige bouwbedrijf A.C. Borst. Grootvader Antoon Borst kwam in 1913 vanuit Schagen naar Bakkum en begon een timmerwerkplaats achter het café Groot. Hij woonde op nummer 81. De nieuwe werkplaats werd in 1916 gebouwd en het woonhuis links werd er in 1922 aangebouwd. Van links naar rechts grootvader Antoon Borst, Klaas Revers (uit Limmen), Cor Borst en Piet Gijzen. Het zijn nu twee woonhuizen.


Jaarboek 47, pagina 27

Dorpsstraat, 1920.
Dorpsstraat, 1920.

1920 Dorpsstraat

Rechts café De Vriendschap met de doorrijstal. Al in 1796 was hier een herberg gevestigd. De heelmeester Bernhard Res verwierf de het pand in 1832 en vestigde zich er. In 1845 overleed hij, waarna zijn weduwe Johanna Res-Kuin er een slijterij-café begon. Hun dochter Maria trouwde met Bertus van Benthem, die er in 1910 een feestzaal achter liet bouwen. In 1948 kocht de Amstelbrouwerij het pand en werd Piet Roozendaal de pachter. Vanaf 1968 exploiteerde Willem Beentjes de zaak, die hij d’Oude Schimmel noemde. Na veel wisselingen van eigenaren werd dit pand met een geschiedenis van meer dan 150 jaar afgebroken.

Bakkummerstraat 16-18, 1950.
Bakkummerstraat 16-18, 1950.

1950 Bakkummerstraat 16-18

De kruidenierswinkel van Pieter de Graaf met reclame voor verpakte koffie van K. Tiktak. Op deze plaats is later de winkel van Hoogervorst gekomen.

Peter Levi

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Jaarboeken

1 november 2025

Een veteraan keert terug (Jaarboek 47 2024 pg 28-34)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.


Jaarboek 47, pagina 28

Een veteraan keert terug

Castricumse marineman in een vergeten oorlog

De Piet Hein in de winter, in Koreaanse wateren.
De Piet Hein in de winter, in Koreaanse wateren. Foto collectie Jan de Ruijter.

Op 3 maart 1953 keerde de torpedobootjager Hr.Ms. (Harer Majesteits) ‘Piet Hein’ terug uit Korea, na een inzet van ruim tien maanden. De Piet Hein had in dienst van de Verenigde Naties meer dan 40.000 zeemijlen afgelegd in Koreaanse wateren en duizenden granaten verschoten. Het was geen vredesmissie. De Piet Hein kwam op 27 maart 1952 in een oorlog terecht. Eén van de 245 bemanningsleden van de ‘Piet Hein’ was Castricummer Jan de Ruijter (vader van de auteur), 21 jaar oud. Hij had op zijn zeventiende voor zes jaar bij de Marine getekend en werd in het vijfde jaar van zijn dienstverband uitgezonden naar Korea.

Over de oorlog in Korea

De oorlog in Korea wordt ook wel ‘de vergeten oorlog’ genoemd. Nederland was na de Tweede Wereldoorlog in opbouw en zat niet echt op een nieuwe oorlog te wachten. In de media werd er weinig aandacht aan besteed en er zijn weinig boeken over geschreven. Er is in die jaren één Nederlandse journalist geweest die naar Korea gereisd is om verslag te doen.

Na de aanval van Noord-Korea, op 25 juni 1950 en het kort daar­na door de Verenigde Naties genomen besluit om een VN-troepenmacht naar Zuid-Korea te sturen, deed Amerika aan Nederland het dringende verzoek een bijdrage te leveren. Nederland besloot een marineschip en een bataljon grondtroepen te sturen, de eerste Nederlandse missie in VN-verband.

De torpedobootjager ‘Evertsen’ was in 1950 het enige inzetbare marineschip in het oosten en werd daarom als eerste uitgezonden. Er zijn in totaal ruim 4.700 Nederlandse militairen in Korea ingezet, waarvan 1.300 bij de marine. Van de zes marineschepen zijn de eerste vier ingezet tijdens de oorlogshandelingen en de laatste twee tijdens het bewaken van het in de zomer van 1953 gesloten bestand. De ‘Evertsen’ beet het spits af in juli 1950. De ‘Van Zijll’ keerde eind januari 1955 als laatste schip terug naar Nederland. De ‘Piet Hein’ was de derde in de rij.

Korea is een bergachtig land met warme zomers en zeer koude winters. Er zijn regelmatig zware stormen. Dat zorgde voor moeilijke omstandigheden, zowel op het land als op het water.

De Koreaanse oorlog was bloedig. Er zijn ongeveer 4 miljoen mensen omgekomen, waaronder 2 miljoen burgers en ruim 36.000 buitenlandse VN-militairen. De 125 Nederlanders die zijn gesneuveld liggen bijna allemaal begraven op het VN-ereveld Tanggok, in Busan (Zuid-Korea).

De terugkomst

Op 3 maart 1953 was het een drukte van belang in de haven van Den Helder. Aan de kade stonden lange rijen marinepersoneel en familie te wachten op de aankomst van de ‘Piet Hein’, die 14 maanden daarvoor vanaf dezelfde plek was vertrokken.

Aankomst uit Korea van de Piet Hein in Den Helder, op 3 maart 1953.
Aankomst uit Korea van de Piet Hein in Den Helder, op 3 maart 1953. Foto Harry
Pot.

Zelfs in Castricum had dit de aandacht getrokken. Burgemeester Smeets had een taxi (met chauffeur Jan Lute) beschikbaar gesteld, om hem samen met enkele familieleden (zijn moeder, zijn broer Ker en zijn zusje Marian) op te halen uit Den Helder. Eindelijk kwam de ‘Piet Hein’ door het Marsdiep aangevaren. De meeste bemanningsleden stonden aan dek en zouden kort daarna met hun familieleden worden herenigd.

Jan de Ruijter, chauffeur Jan Lute en zijn broer Ker.
Jan de Ruijter, chauffeur Jan Lute en zijn broer Ker. Foto collectie Jan de Ruijter.

Jaarboek 47, pagina 29

Jan de Ruijter met zijn jongste zusje Marian.
Jan de Ruijter met zijn jongste zusje Marian (4 jaar). Foto collectie Jan de Ruijter.

De wilde baard van Jan de Ruijter was het gevolg van een weddenschap. Dat hij zijn baard de hele reis liet staan, leverde hem 70 gulden op. Helaas was er een smet op deze vrolijke gebeurtenis, want één bemanningslid keerde niet terug.

De reis naar Korea

De ‘Piet Hein’ vertrok op vrijdag 18 januari 1952, tijdens een zware noordwester storm, waardoor kwartiermeester Frans van der Horst kort na het vertrek overboord sloeg en verdronk. Ondanks dat er direct en lang naar hem gezocht werd, is hij nooit gevonden. De ‘Piet Hein’ zelf liep forse stormschade op en moest terug naar Den Helder voor reparaties, waarna men op maandag 21 januari alsnog vertrok richting Korea. (vervolg op pagina 31)


Jaarboek 47, pagina 30

De Piet Hein in het Suezkanaal.
De Piet Hein in het Suezkanaal. Foto collectie Jan de Ruijter.
De manschappenmess, waar Jan zijn slaapplaats had.
De manschappenmess, waar Jan zijn slaapplaats had. Derde van rechts: Jan de Ruijter. Foto collectie Jan de Ruijter.
Lancering dieptebommen.
Lancering dieptebommen, na onderzeeboot alarm. Foto collectie Jan de Ruijter.

Jaarboek 47, pagina 31

De reis verliep daarna voorspoedig. Via Gibraltar en Tripoli, door het Suezkanaal naar Djibouti, in Oost Afrika. Op 13 februari kwam het schip aan in Colombo (Sri Lanka), waar veel bemanningsleden, onder wie mijn vader, een houten olifantje kochten. Dit staat nu op een mooi plekje in onze woonkamer.

Na in Singapore olie geladen te hebben arriveerde men op 28 februari in Hong Kong. Op 2 maart werd daar de ‘Van Galen’ afgelost. Na het gereed maken van het schip vertrok het op 20 maart naar de haven van Sasebo (Japan), de thuishaven van de Nederlandse marineschepen, waar de ‘Piet Hein’ na ruim 10.000 mijl varen werd toegevoegd aan een Brits eskader.

De inzet

Op 27 maart 1952 startte de ‘Piet Hein’ met de eerste patrouille. Marineschepen van tegenwoordig zijn stukken groter dan de jagers van toen en hebben een kleinere bemanning. Op de ‘Piet Hein’ was het zo vol dat Jan geen eigen slaapplek (in een kooi) had. Hij heeft de hele reis op een (eet)bank in de manschappenmess geslapen.

Omdat Korea bijna helemaal door water omgeven is, was de marine belangrijk. De ‘Piet Hein’ werd ingezet bij de handhaving van de ingestelde zeeblokkade, probeerde het leggen van zeemijnen door de Noord-Koreanen te voorkomen, voerde beschietingen uit op kustbatterijen (die terugschoten …) en gaf (vuur-)ondersteuning aan de landstrijdkrachten.


Jaarboek 47, pagina 32

Daarbij werd soms gebruik gemaakt van een waarnemer in een helikopter, die correcties doorgaf aan de kanonniers, totdat het doel getroffen werd. Omdat de grondtroepen het zwaar hadden werd de ‘Piet Hein’ voor dit laatste regelmatig ingeschakeld.

Door de grote verschillen tussen eb en vloed (van meer dan 10 meter) aan de westkust was het gevaarlijk om dicht bij de kust te varen of voor anker te gaan. Aan de oostkust was weinig getijdenverschil, wat het leggen van zeemijnen door de Noord-Koreanen aan die kant gemakkelijker maakte.

Tijdens de vele patrouilles was er af en toe een onderzeebootalarm, waarna dieptebommen werden geworpen. Soms waren de daar rondzwemmende potvissen de oorzaak. Die waren zo groot dat hun echo leek op die van een onderzeeër.

Daarnaast werd de ‘Piet Hein’ ingezet om langs de oostkust, waar men dicht bij de kust kon komen, treinen te beschieten die voor de bevoorrading van de Noord-Koreaanse troepen werden gebruikt. Deze treinen reden ’s nachts langs de kust en hadden op hun route een aantal tunnels waar ze in konden schuilen.


Jaarboek 47, pagina 33

In de nacht van 14 op 15 november 1952 slaagde de ‘Piet Hein’ erin om zo’n trein uit te schakelen. Hiervoor kreeg de bemanning de gelukwensen van de commandant van de Amerikaanse zevende vloot en werd een ‘Presidential Unit Citation’ toegekend aan de ‘Piet Hein’, wegens ‘buitengewoon verdienstelijk optreden’. Deze kwam ik na mijn vaders overlijden (in 2018) in één van zijn boekenkasten tegen. Hij had er overigens nooit iets over gezegd.

Presidential Unit Citation voor de Piet Hein.
Presidential Unit Citation voor de Piet Hein, wegens ‘buitengewoon verdienstelijk optreden’.

Zeventig jaar geleden was het schrijven van brieven de enige manier om contact te houden met het thuisfront. Post was daarom belangrijk voor de bemanning. Deze werd tijdens patrouilles vaak aan boord bezorgd per helikopter. Deze ging dan vlak boven het schip hangen en liet aan een touw de postzakken naar beneden zakken.

De post wordt met een helikopter aan boord van de Piet Hein bezorgd.
De post wordt met een helikopter aan boord van de Piet Hein bezorgd. Foto collectie Jan de Ruijter.

Op 10 december 1952 meerde de ‘Piet Hein’ aan bij het eiland Tae Young Pyong Do. Het bleek dat de bevolking daar aan alles gebrek had en dat veel mensen ziek waren. De bemanning bracht alle kleding die ze missen kon (inclusief de cadeaus voor thuis) naar de bewoners.

De sloep met kleding arriveert.
De sloep met kleding arriveert bij het eiland Tae Young Pyong Do.

Ook hield de bemanning een inzameling, die 720 gulden opleverde, waarvan rijst voor de bewoners werd gekocht. Scheepsarts W. Boogaart heeft waar mogelijk medische hulp verleend, onder andere door de kinderen in te enten.

Scheepsarts W. Boogaart van de Piet Hein vaccineert een kind op Tae Young Pyong Do.
Scheepsarts W. Boogaart van de Piet Hein vaccineert een kind op Tae Young Pyong Do. Foto collectie Jan de Ruijter.

Afscheid en terugreis

Op 15 januari 1953 werd de ‘Piet Hein’ in de haven van Hong Kong afgelost door de ‘Johan Maurits van Nassau’. De dag voor het vertrek verzocht de bevelvoerende Britse admiraal de ‘Piet Hein’ om tijdens het vertrek langs de werf te varen. Toen de ‘Piet Hein’ dat deed, werd op het Britse fregat ‘Alert’ het bevel gegeven de hoofddeksels af te doen, en een “driewerf hoera” te geven voor de ‘Piet Hein’.

De Piet Hein vertrekt uit Hong Kong.
De Piet Hein vertrekt uit Hong Kong, voor de reis naar huis, op 15 januari 1953. Foto Marine voorlichtingsdienst.

Hetzelfde gebeurde bij het passeren van de Britse kruiser ‘Birmingham’. Toen de ‘Piet Hein’ vervolgens langs een Amerikaans bevoorradingsschip voer, bleek dat de bemanning daar in zondagstenue stond opgesteld, als eer­betoon van de Amerikaanse marine.


Jaarboek 47, pagina 34

Zo’n afscheid kreeg een oorlogsschip niet vaak. De bemanning van de ‘Piet Hein’ was hiervan zeer onder de indruk.

Tijdens de thuisreis hoorde de bemanning van de watersnoodramp in Zeeland, in de nacht van 31 januari op 1 februari. De bemanning hield een inzameling waarbij 2.000 gulden werd opgehaald. Dit bedrag werd overgemaakt naar het Nationaal Rampenfonds. Toen men op 3 maart in Den Helder arriveerde kreeg de gehele bemanning, als dank voor de gift, toegangskaarten voor de voetbalwedstrijd Nederland- Denemarken.

Veteraan

Mijn vader was trots op het feit dat hij een veteraan was, maar over zijn persoonlijke ervaringen heeft hij weinig verteld.

Groepsfoto van de bemanning van de Piet Hein.
Groepsfoto van de bemanning van de Piet Hein, genomen in februari 1952 in Hong Kong. Jan de Ruijter staat op het dek, de zesde rij van voren, zesde van links (met baard). Foto collectie Jan de Ruijter.

Dat die periode voor hem belangrijk was, bleek wel uit de groepsfoto van de bemanning van de ‘Piet Hein’ (in 1952 in Hong Kong genomen), die jarenlang in onze woonkamer heeft gehangen. Als je de kamer binnenkwam was die foto het eerste wat je zag. Hij is altijd een beetje een marineman gebleven. Als ik weer eens een kopje veel te sterke koffie van hem kreeg en ik zei daar iets over, begon hij altijd te lachen en zei dan dat het een ‘torpedistenbakkie’ was.

Hij had een levendige belangstelling voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, en is minstens 8 keer met zijn zus (Tiny Hendriks de Ruijter) in Normandië geweest voor een bezoek aan de invasiestranden. Zij verbleven dan op de camping op het strand van Colleville-Sur-Mer, het voormalige ‘Omaha Beach’, dat vlak naast de Amerikaanse begraafplaats ligt.

Jan de Ruijter zet een plantje bij het graf van de onbekende soldaat.
Jan de Ruijter zet een plantje bij het graf van de onbekende soldaat, op de Amerikaanse begraafplaats aan Omaha Beach, Collville-Sur-Mer, voorjaar 2006. Foto Tiny Hendriks-de Ruijter.

Als hij daar heen ging zette hij altijd een plantje neer bij het graf van de onbekende soldaat, vooraan op het kerkhof. Hij zei nooit veel over Korea, maar die plantjes zeiden mij wel iets.

Zijn ervaringen daar hebben gezorgd voor een dieper besef dat leven in vrijheid niet altijd vanzelfsprekend is en dat er soms een hoge prijs voor betaald wordt.

Op 6 juni 2007 heeft hij de officiële herdenking op Omaha Beach voor genodigden bijgewoond. Hij ging daar uit belangstelling kijken en antwoordde bevestigend toen iemand van de organisatie hem vroeg of hij een veteraan was, waarna hij naar één van de zitplaatsen werd begeleid. Enkele dagen later zag hij zichzelf op een foto van de plechtigheid, op de voorpagina van de plaatselijke krant. Geheel verdiend, wat mij betreft. ‘Zijn’ oorlog was alleen enkele jaren later …

Zomaar een stuk over een Castricumse veteraan, van lang
geleden, uit een bijna vergeten oorlog. Het had ook over iemand
anders kunnen gaan, want iedere veteraan heeft zijn/haar
eigen verhaal. En ja, bij ons thuis hangt op Veteranendag de
vlag uit.

Ton de Ruijter

Bronnen:

  • Max Hastings, De Koreaanse oorlog;
  • Chris Mark, Boeggolf voor Korea, De Koninklijke Marine in de Koreaanse wateren 1950-1955;
  • Anselm J. van der Peet, Out of Area, De Koninklijke Marine en multinationale vlootoperaties 1945–2001;
  • Robert Stiphout, De bloedigste oorlog, het vergeten bataljon Nederlandse militairen in Korea;
  • Alle foto’s komen uit de collectie van Jan de Ruijter, tenzij anders aangegeven.
Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Jaarboeken

1 november 2025

Stichting Huibert van Ginhoven (Jaarboek 47 2024 pg 35)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.


Jaarboek 47, pagina 35

Stichting Huibert van Ginhoven

Symbolische adoptie dodencel in het Oranjehotel

Geadopteerde cel van Huibert van Ginhoven in het Oranjehotel.
Geadopteerde cel van Huibert van Ginhoven in het Oranjehotel.

De Castricummers Jan Hoberg, Leo Toepoel en Huibert van Ginhoven zijn in de Tweede Wereldoorlog gefusilleerd. In het 28e jaarboek (2005) is de rol van de drie verzetsmannen opgetekend. De familie Van Ginhoven heeft als eerbetoon op 4 mei 2023 de Huibert C.J. van Ginhoven Stichting opgericht. De toen 88-jarige zoon Kees werd de eerste voorzitter. De stichting adopteerde een cel in het Nationaal Monument Oranjehotel in Scheveningen, waar Huibert en ook zijn broer Jacob maandenlang waren opgesloten. Een groot aantal familieleden en genodigden, waaronder vertegenwoordigers van Oud-Castricum waren bij deze gebeurtenis aanwezig.

Adoptie document van cel 521 in het oranjehotel te Scheveningen.
Adoptie document van cel 521 in het oranjehotel te Scheveningen, waar Huibert van Ginhoven opgesloten heeft gezeten.

Huibert van Ginhoven woonde met zijn gezin eerst aan de Ruiterweg en later in de Torenstraat. Hij wilde in de strijd tegen de vijand alles doen wat in zijn vermogen lag, ondanks de grote risico’s die hij liep. Hij hielp jonge mannen die naar Engeland wilden uitwijken, zorgde voor onderduikadressen en verzamelde zoveel mogelijk informatie over acties van het Duitse leger. Er ontstond een verzetsgroep van zo’n 18 mannen.

Door verraad werd de hele groep opgepakt en in Scheveningen gevangen gezet. Van Ginhoven werd ter dood veroordeeld. Op 17 maart 1942 werd hij op de Bussumerheide gefusilleerd.

Aan zijn vrouw en aan ieder kind persoonlijk had hij een afscheidsbrief geschreven. Op de plaats van de fusillade staat een gedenkteken, waarop zijn naam nog ontbrak. Op 4 mei 2024 is zijn naam tijdens een bijzondere plechtigheid toegevoegd. Wethouder Brouwer vertegenwoordigde daarbij het Castricumse gemeentebestuur.

De Castricumse verzetsstrijders werden al 1947 met een straatnaam geëerd. Op de straatnaamborden stonden alleen hun namen en velen kennen de achtergrond niet. Op voorstel van Oud-Castricum heeft het gemeentebestuur dit jaar de informatie op de straatnaamborden aangevuld. Ook bij de dodenherdenking is bijzondere aandacht uitgegaan naar deze drie slachtoffers van het oorlogsgeweld.

Niek Kaan

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Jaarboeken

1 november 2025

Jacob Olie in Castricum (Jaarboek 47 2024 pg 36-39)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.


Jaarboek 47, pagina 36

Jacob Olie in Castricum

Bekende Amsterdamse fotograaf erop uit in onze duinen

Jacob Olie junior op de Papenberg, juni 1897.
Jacob Olie junior op de Papenberg, juni 1897.

Enkele haarscherpe foto’s van Castricum en omgeving in de jaren (achttien) negentig danken wij aan de Amsterdammer Jacob Olie. Olie kwam vanaf 1890 nu en dan met vrienden en soms ook met zijn zonen met de trein naar Castricum om ook eens wat anders dan Amsterdam te fotograferen. Zijn fotoafdrukken zijn al lang verloren gegaan, maar gelukkig werden in 1959 zo’n vierduizend glasnegatieven teruggevonden. Door zijn uitstekende foto’s van vooral Amsterdam wordt hij sindsdien als de belangrijkste Nederlandse fotograaf uit zijn tijd beschouwd.

Jacob Olie werd op 17 oktober 1834 in Amsterdam geboren. Hij werd na de lagere school timmerman, maar volgde vanaf zijn dertiende ook lessen bouwkundig tekenen. Omstreeks 1855 trad hij als opzichter in dienst bij de architect Jan Leliman, die rond die tijd sociale woningbouw ontwierp aan de Valckeniersstraat en ook het gebouw tekende voor de kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae op Rokin 112, dat in 1856 voltooid werd. Leliman bezorgde Jacob Olie een baan als leraar bouwkundig tekenen aan de Eerste Amsterdamsche Ambachtschool, die in 1861 geopend werd. In 1867 werd hij door zijn collega’s voorgedragen als directeur van de school, een positie die hij slechts aarzelend aanvaardde. Niettemin zou hij 22 jaar lang een uitstekende directeur zijn.

Photographie

Waarschijnlijk maakte Olie door een collega op de Ambachtschool, Sander van der Loo, kennis met de ‘photo­graphie’. Van der Loo doceerde scheikunde en had een Duits boekje over fotografie vertaald. Olie maakte z’n eerste foto’s in 1861 in Amsterdam. Dat was in die tijd geen sinecure, want er was nog niets op dat gebied in Nederland. Hij moest eerst zelf een camera bouwen en daarna glasplaten bewerken om er negatieven op te kunnen maken. Er ging eerst collodium op, een soort gelei van alcohol, ether en schietkatoen. Daarna moest vlak voor de opname de ingesmeerde plaat in een badje van zilvernitraat gelegd worden. Fotograferen kon alleen maar met een natte plaat. Dat beperkte hem dus behoorlijk in zijn actieradius. Hij kon alleen fotograferen op plekken waar hij al zijn chemicaliën bij de hand had.


Jaarboek 47, pagina 37

Bij de dorpskerk, 30 juli 1897.
Bij de dorpskerk, 30 juli 1897.
Bij de duinrand, 30 juli 1897.
Bij de duinrand, 30 juli 1897.

Jaarboek 47, pagina 38

Op pad

In april 1890 kreeg Olie op zijn verzoek eervol ontslag als directeur van de Ambachtschool. Het bestuur van de school wilde een reorganisatie, waarin hij zich niet kon vinden.

Hier door kreeg hij veel meer tijd om te foto­graferen. Fotograferen was inmiddels aanzienlijk minderarbeids­intensief en plaats gebonden geworden, want je kon glasnegatieven en afdrukpapier kant-en-klaar in de winkel kopen. Dit maakte het Olie mogelijk ook buiten Amsterdam te gaan fotograferen.

Regelmatig stapte hij met collega’s en soms ook met zijn zoons in de trein om vanuit eenvoudig bereikbare stations zoals Castricum nieuwe omgevingen op de gevoelige plaat vast te leggen.

Een korenveld bij de duinrand, 30 juli 1897.
Een korenveld bij de duinrand, 30 juli 1897.

Papenberg

Castricum en omgeving bezocht hij verscheidene keren. Omdat hij in een schriftje noteerde wat hij fotografeerde, weten we soms tot op de dag nauwkeurig wanneer een foto gemaakt is. In juni 1897 fotografeerde hij zijn zoon Jacob Olie junior op de Papenberg.

Uitzicht van de Papenberg, juni 1897.
Uitzicht van de Papenberg, juni 1897. (Zelfde foto als die boven het artikel staat.)

Hij schreef in zijn schriftje ‘Castricum, vanaf de duinen richting Alkmaar’. Het is niet het uitzicht van de Papenberg dat we gewend zijn met als oriëntatiepunten het station en de kerktorens. Het uitzicht is meer naar links. Hij bevindt zich boven de hoeve Papenberg, waar in 1927 Piet Stuifbergen zou gaan wonen (Onderlangs 22). Iets boven de hoeve is een houten barak zichtbaar, dat is de ziekenbarak die ‘Mager en Kwaad’ heette. (Zie Jaarboek 33 uit 2010.) Je ziet duidelijk dat nog niet het hele gebied afgezand is, want links op de foto staan nog duinen ter hoogte van waar nu het einde van de Geversweg is, bij het witte huis van Jan Frens. Dat duingebied heette het Prikkelvlak. Het is pas in 1935 afgezand.

Mist in het duin, 7 augustus 1900.
Mist in het duin, 7 augustus 1900.

Rondje castricum

Een maand later, op 30 juli 1897, waren vader en zoon er weer. Ze bezochten de dorpskerk, waar Jacob zijn zoon fotografeerde en wandelden langs de duinrand. We zien Jacob junior aan de kant van een weg die mogelijk de Geversweg is. Links is nog net een pannendak van een huisje te zien. Op een andere foto staat een landarbeider met drie zoontjes bij een korenveld, achter een eenvoudig huisje. Vermakelijk is de plaat van een boer die de witte was achter zijn huis heeft gehangen. Rechts is nog net het rek met was te zien. De rest heeft hij slordig in de struiken gehangen.

Man met wasgoed, 30 juli 1897.
Man met wasgoed, 30 juli 1897.

In de duinen

Op 7 augustus 1900 is Olie opnieuw naar Castricum gereisd. Deze keer was hij in gezelschap van zijn zoon Jacob, twee onbekende heren en een dame. Hij fotografeerde het gezel­schap tijdens een rustpauze bij een duinpan. In feite moest er voor elke foto een rustpauze worden ingelast, want hij moest zijn camera uitpakken en op een statief zetten. Wat later kwam er mist van zee opzetten, die hij fraai vastlegt met het gezelschap op een hoog duin. Jacob, de oudere heer en de dame zie je onmiddellijk, de jongere heer zit wat hoger op het duin.

Bij een duinpan, 7 augustus 1900.
Bij een duinpan, 7 augustus 1900.

Jacob Olie overleed in 1905.

Eric Bor

Met dank aan Rino Zonneveld.

Bron:

  • Peter Paul de Baar, Timmerman timmerde alleen letterlijk aan de weg, onsamsterdam.nl 01-01-2000 en informatie van Oud Castricum.

Foto’s:

  • Beeldbank Stadsarchief Amsterdam/Jacob Olie.

Jaarboek 47, pagina 39

Kaart uit 1892 met vier mogelijke fotolocaties.
Kaart uit 1892 met vier mogelijke fotolocaties.
Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Jaarboeken

1 november 2025

Castricummers naar de notaris (Jaarboek 47 2024 pg 40-45)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Oud-Castricum.


Jaarboek 47, pagina 40

Castricummers naar de notaris

Wie regelden onze zaken?

Handtekening notaris Claes Adriaensz. Schoorll in 1638.
Handtekening notaris Claes Adriaensz. Schoorll in 1638.

Het onderzoek naar notariële akten heeft al heel veel informatie opgeleverd over het bezit van huizen, land en familieverbanden in Castricum. Interessant is de vraag: wat was de aanleiding voor vroegere dorpsbewoners om een bezoek aan de notaris te brengen? Bij welke notaris in Castricum of omgeving kon men terecht en welke ontwikkelingen zijn er in de afgelopen eeuwen te herkennen?

Het notarisambt

Tot 1810 vielen zowel de overdracht van huizen en grond als publieke verkopingen onder de bevoegdheden van schout en schepenen, het plaatselijke bestuur. Voor testamenten, huwelijksvoorwaarden, boedelinventarissen en het vastleggen van getuigenverklaringen, obligaties en procuraties moest men naar een notaris.

Vanaf 1921 is in Castricum permanent een notaris gevestigd. In de eeuwen daarvoor was dat alleen het geval in twee korte perioden van elk ongeveer dertig jaar. Castricummers waren lange tijd aangewezen op notarissen die buiten het dorp, doorgaans in Alkmaar, gevestigd waren.

Vóór 1810 werden de notariële bevoegdheden verleend door de Staten van de Gewesten. De notaris leerde het vak al doende, als klerk bij een gevestigde notaris. Hij deed vervolgens examen bij het gewestelijke Hof van Justitie. Slaagde hij, dan werd de kandidaat na eedaflegging tot het notarisambt toegelaten.

In de Franse tijd werd de Notariswet ingevoerd (1810). Er veranderde veel: het ambt kreeg een wettelijke basis en daardoor meer aanzien. Er was sprake van een publieke be­noeming, toezicht en richtlijnen voor werkzaamheden en waarneming.

De notaris werd ambtenaar, benoemd door de Kroon. Hij nam sindsdien taken over van het plaatselijke bestuur, zoals het passeren van transportakten, de eigendoms­overgang van onroerend goed en vestiging van hypotheken erop.

Voor openbare verkopingen of veilingen is de notaris aanwezig in een plaatselijke lokaliteit, meestal een café of koffiehuis. Ook voor boedelinventarissen is de notaris op pad.

Na een overlijden worden de bezittingen van de overledene geïnventariseerd. Gereedschappen, kleding, sieraden, vee, onroerend goed, contant geld, schulden, waardepapieren – alles wordt minutieus vastgelegd.

Vanaf 1958 is een universitaire opleiding verplicht. Na een universitaire studie notarieel recht, moet de kandidaat-notaris geduld hebben tot er een standplaats vrij komt. Tot die tijd werkt hij op een notariskantoor, een periode die vaak meer dan tien jaar duurt.

Notarissen in castricum

De eerste Castricumse notariële akte dateert van 1638 en werd opgemaakt door Claes Adriaensz Schoorll. Van ouder datum zijn slechts enkele akten bekend: testamenten die door Castricummers zijn opgesteld bij Alkmaarse notarissen. In 1580 en 1593 bij Lubbrandus Coren, in 1618 bij Huybert van der Lijn en in 1625 bij Jacob van der Gheest.

Claes Adriaensz. Schoorll – 1638 tot 1666

Claes Adriaensz. Schoorll was secretaris van de heerlijkheid Castricum en de eerste notaris. Hij maakte ook enige tijd als schepen deel uit van het dorpsbestuur. Er zijn aanwijzingen dat notaris Schoorll al vóór zijn aanstelling banden had met Castricum. Zo kocht op 14 juni 1612 ene Aerian Cornelisz. Schoorll uit Schooten bij Haarlem een stuk land ‘Luttickeven’ in Castricum. Aerian was waarschijnlijk de vader van Claes.

Zijn eerste akte passeerde hij in 1638. In dat jaar was Schoorll ook betrokken bij een conflict tussen het kerkbestuur en de Heer van Assendelft, ambachtsheer van Castricum. Het betrof een mogelijk vertrek van de predikant van Castricum, die was aangesteld door de Heer van Assendelft.

De laatste akte van notaris Schoorll dateert van 27 juni 1666. Er zijn 147 akten van hem bewaard gebleven. In de periode na Schoorll, van 1666 tot 1778, werden akten betreffende Castricum gepasseerd in Alkmaar. In deze periode zijn door 38 Alkmaarse notarissen in totaal 346 akten opgesteld met een link naar Castricum.


Jaarboek 47, pagina 41

Buiten Alkmaar kon men ook naar notaris Willem van Gerrevink in Egmond. In de periode 1707-1737 zijn er 42 Castricumse akten van zijn hand. Pas met de benoeming van Joachim Nuhout van der Veen, op 13 november 1777, kon men weer in Castricum terecht.

Mr. Joachim Nuhout van der Veen, lid van de Nationale vergadering. Gravure van R. Vinkeles. Collectie Oud-Castricum.

Joachim Nuhout van der Veen, notaris in Castricum van 1777 tot 1811

Joachim Nuhout van der Veen (1756-1833) werd geboren in Amsterdam. Joachim studeerde in Leiden en werd in 1776 bevorderd tot doctor in de rechten. Een jaar later, op 13 november 1777, volgde zijn benoeming tot notaris en secretaris van Castricum en Bakkum.

Benoeming op 13 november 1777 van mr. Joachim Nuhout van der Veen, secretaris van Castricum en Bakkum.
Benoeming op 13 november 1777 van mr. Joachim Nuhout van der Veen, secretaris van Castricum en Bakkum.

In 1780 werd hij door mr. Joan Geelvinck, de ambachtsheer van Castricum en Bakkum, aangesteld tot schout van de heerlijkheid Castricum en tot baljuw en schout van de vrije heerlijkheid Bakkum. In 1778 trouwde Joachim met Elisabeth Fabritius van Alkmaar. In 1779 werd hun enig kind geboren: Jacob. Het gezin woonde aanvankelijk in het ‘Knophuis’, een nog bestaande hoeve aan de Overtoom. Later ging het naar het dubbele herenhuis ‘Kerkzicht’ aan de Dorpsstraat.

Handtekening notaris mr. Joachim Nuhout van der Veen in 1781.
Handtekening notaris mr. Joachim Nuhout van der Veen in 1781.

Nuhout van der Veen was vurig aanhanger van de patriottische – proFranse – partij en als zodanig was hij vanaf 1796 lid van de Nationale Vergadering, waarvan hij ook als voorzitter optrad. Hij werd benoemd tot dijkgraaf van de Hondsbossche en Duinen te Petten. Voor het notarisambt bleef er weinig tijd over. Tijdens zijn notariaat passeerde hij gemiddeld vijf akten per jaar die met Castricum te maken hadden. Dit mede dankzij zijn zoon Jacob, die in 1802 tot notaris werd aangesteld en akten van zijn vader overnam.

Een voorbeeld van een akte die door Joachim werd gepasseerd, is de ‘Staat en inventaris van alle zodanige goederen, effecten en schulden’ die in 1798 werd opgemaakt van de bezittingen van de erflater Zijtje Rechtop, waarin onder meer beschreven worden de voorwerpen die zich in elk vertrek bevonden in de boerderij aan de Breedeweg (zie 40e Jaarboek, bladzijde 61-63). Joachim Nuhout van der Veen vertrok naar Alkmaar nadat hij daar op 13 augustus 1811 was aangesteld als president van de rechtbank.

Jacob Nuhout van der Veen, notaris in Castricum van 1802 tot 1811

De reeds genoemde Jacob Nuhout van der Veen (1779-1837), de zoon van Joachim, werd geboren in Castricum en studeerde vanaf 1798 in Leiden. Hij promoveerde in 1802 tot doctor in de rechten en werd op 12 mei van dat jaar aangesteld tot notaris in Castricum. Jacob trouwde in 1810 met Catharina Barbara Druijvestein van Alkmaar. Zij kregen twee kinderen.


Jaarboek 47, pagina 42

Handtekening notaris mr. Jacob Nuhout van der Veen in 1811.
Handtekening notaris mr. Jacob Nuhout van der Veen in 1811.

Jacob Nuhout van der Veen bleef net als zijn vader tot 1811 notaris in Castricum en werd op 12 december 1811 tot notaris te Alkmaar benoemd, waar hij in de Langestraat een praktijk begon. Jacob overleed in 1837. Van 1812 tot 1921 had Castricum geen eigen notaris.

Notarissen sinds 1921

De standplaats voor een notaris was vanaf 1921 bezet. Hieronder de opeenvolgende notarissen van 1921 tot heden.

Joannes Engelbertus Heenk

Joannes Engelbertus Heenk werd in 1871 geboren in Woubrugge. Hij trouwde in 1906 met Aaltje Blokker uit Midwoud en was achtereenvolgens notaris in Uitgeest, Cas­tricum en Purmerend. Hij overleed in 1951 in Haarlem.

In 1920 deed notaris Heenk het verzoek aan het gemeentebestuur van Castricum om zijn notarisstandplaats te verplaatsen van Uitgeest naar Castricum, maar toen hij er niet in slaagde zijn Uitgeester woning te verkopen, trok hij dat verzoek weer in. Het gemeentebestuur van Castricum wilde echter per se een notaris in de gemeente. Er werd een oplossing gevonden door onder Heenks naam in Castricum een notaris­kantoor te openen, dat door kandidaat-notaris Jacobus Petrus Stuyt werd betrokken. Vanaf 4 april 1921 huurde Heenk een ruimte in het nieuw gebouwde Bondshotel op de hoek Dorpsstraat en de Burgemeester Mooijstraat.

Vanaf mei 1921 werden de notariële akten gepasseerd door kandidaat-notaris Stuyt met in elke akte de vermelding: ‘verschenen voor mij, Jacobus Petrus Stuyt, kandidaat-notaris te Castricum, als plaatsvervanger voor notaris Joannes Engelbertus Heenk.’

Op 2 mei 1924 vertrok Heenk naar Purmerend. Stuyt werd vervolgens bij Koninklijk Besluit op 17 september 1924 benoemd tot notaris van Castricum.

Jacobus Petrus Stuyt

Jacobus Petrus Stuyt, geboren in Purmerend in 1880, trouwde in 1916 met Engelina Joanna Maria van den Brink uit Laren. Het echtpaar kreeg vijf kinderen.

Notaris Stuyt met vrouw en kinderen.
Notaris Stuyt met vrouw en kinderen.

Jaarboek 47, pagina 43

Jacobus Stuyt was de jongste broer van Jan (Johannes) Stuyt, de architect van (onder meer) de Pancratiuskerk en het voormalige raadhuis aan de Dorpsstraat.

Stuyt verhuisde met zijn gezin in maart 1923 van Alkmaar naar Castricum en ging wonen aan het dubbele woonhuis Dorpsstraat 1. De noordelijke helft van dit pand werd zijn woonhuis (1), de zuidelijke helft zijn notariskantoor (1a).

Een recentere aanblik van het woonhuis en kantoor van notaris Stuyt.
Een recentere aanblik van het woonhuis en kantoor van notaris Stuyt.

Jacob Stuyt overleed op 14 januari 1938. Zijn werkzaamheden werden waargenomen door kandidaat-notaris Willem Sikke Wijnands, tot de komst van notaris Van Cranenburgh.

De sluitzegel die notaris
Stuyt bij de akten gebruikte
De sluitzegel die notaris Stuyt bij de akten gebruikte.

Henricus Aloysius Alphonsus Maria van Cranenburgh

Van Cranenburgh, notaris in Castricum van 1938 tot 1960.
Van Cranenburgh, notaris in Castricum van 1938 tot 1960.

Notaris Henricus Aloysius Alphonsus Maria van Cranenburgh, geboren in Leiden in 1889, trouwde in 1925 met Maria Cornelia Agatha Schretlen van Oegstgeest; zij kregen vier kinderen.

Notaris Van Cranenburgh met echtgenote.
Notaris Van Cranenburgh met echtgenote.

Van Cranenburgh werd in 1938 benoemd tot notaris van Castricum. Hij woonde eerst aan de Stationsweg 9, tijdens de oorlogsjaren op het adres Pernéstraat 75 en vanaf 1946 in het herenhuis Hermana State aan de Dorpsstraat 76. Een deel van het huis werd gebruikt als notariskantoor. Van Cranenburgh overleed in 1960.

Hermana State, woonhuis en kantoor van notaris Van Cranenburgh aan de Dorpsstraat.
Hermana State, woonhuis en kantoor van notaris Van Cranenburgh aan de Dorpsstraat.

Jaarboek 47, pagina 44

De vaste medewerkers als ‘kantoorbediende of notarisklerk’ van notaris Van Cranenburgh en daarna van zijn opvolger Westen, waren Jacobus Johannes Dam alias Korsdam en Johanna Louter. Zij zijn vaak getuigen of gevolmachtigden namens een of meer personen uit de akte. In de vele honderden notariële akten waarin Dam een rol speelt, wordt expliciet vermeld: “Jacobus Johannes Dam, zich noemende en schrijvende Korsdam.”

Notarisklerk Jacobus Johannes Dam (1899-1986) woonde in het pand Geelvinckstraat 5 en trouwde in 1928 met Maria Anna Bonarius. Zij kregen zes kinderen. Notarisklerk Johanna (Jo) Louter (1903-1994), dochter van wethouder Gerrit Louter, was ongehuwd en woonde in het ouderlijk huis, op Dorpsstraat 92.

Hermannus Gerhardus Westen

Hermannus Gerhardus Westen (1902-1990), geboren in Emmen, was eerst kandidaat-notaris in Eindhoven, daarna in Groote broek en vanaf 1946 in Castricum, bij notaris Van Cranenburgh.

Hij was vanaf 1950 notaris in Schoorldam en kwam in 1960 naar Castricum als opvolger van notaris Van Cranenburgh. Westen trouwde in 1937 met Maria Johanna Josephine Gerarda Wortelboer, geboren in Oude Pekela. Zij hadden twee kinderen.

Hermannus Gerhardus Westen, notaris in Castricum van 1938 tot 1960.
Hermannus Gerhardus Westen, notaris in Castricum van 1938 tot 1960.

Notaris Westen kocht in 1960 het dubbele woonhuis Koningin Wilhelminalaan 13 en 15. Op nummer 13 woonde het gezin en op nummer 15 was het notariskantoor.

Jan van Zanten

Notaris Van Zanten.
Notaris Van Zanten.

Notaris Jan van Zanten (1924-2019), geboren in Bussum, woonde vanaf 1972 in Castricum, eerst aan de Orchideelaan, van af 1994 aan de Mozartlaan en tenslotte in De Boogaert. Hij trouwde in 1955 met Anna Ingeborg Saarberg uit Dresden (Duitsland). Zij kregen drie kinderen. Ook hij hield kantoor op Koningin Wilhelminalaan 13.

Notaris Westen neemt op zijn laatste werkdag afscheid van zijn vaste medewerkers.
Notaris Westen neemt op zijn laatste werkdag afscheid van zijn vaste medewerkers Jacobus Johannes Dam (links) en Johanna Louter.

Notarissen in Castricum:
1638-1666 Claes Adriaensz Schoorll
1778-1811 Joachim Nuhout van der Veen
1802-1811 Jacob Nuhout van der Veen
1921-1924 Joannes Engelbertus Heenk
1924-1938 Jacobus Petrus Stuyt
1938-1960 Henricus Aloysius Alphonsus Maria van Cranenburgh
1960-1972 Hermannus Gerardus Westen
1972-1991 Jan van Zanten
1991-2005 Dirk Jan Warmolt Kuiper
2005-2018 Sijbrand Michiel Feikema
2003–nu Gerrit Willem van Duin (op de tweede notarisplaats in Castricum)
2018–nu Sandhia Jankipersad
2018–nu Jakob Roelf Heldring (op de derde notarisplaats in Castricum)

Notariskantoor Koningin Wilhelminalaan 13 en 15

Notaris Westen kocht in 1960 het dubbele woonhuis aan de Koningin Wilhelminalaan nummers 13 en 15. Dit pand is tot op heden in gebruik als notariskantoor. Na Hermannus Westen werkten ook de notarissen Van Zanten, Kuiper en Feikema vanuit dit kantoor.

Na het vertrek van notaris Feikema werd het kantoor in 2018 voortgezet door de notarissen mr. C.S. (Sandhia) Jankipersad en mr. J.R (Jakob) Heldring, onder de naam HJ Notariaat.

Slotwoord

De notarissen die in dit artikel de revue passeerden en hier tot en met de vorige eeuw hun kantoor hadden, vertegenwoordigden een ambt dat na de invoering van de notariswet van 1999 aanzienlijk is veranderd. De notaris van nu is ondernemer geworden. Voor een benoeming moet hij een ondernemingsplan overleggen, er gelden vrije tarieven en er is dus concurrentie. Door een vergaande digitalisering gaat mogelijk de papieren notariële akte in de toekomst verdwijnen. Een bezoek aan de notaris wordt een andere beleving.

Simon Zuurbier

Bronnen:

  • Notariële archieven in de regionale archieven van Alkmaar, Haarlem en Hoorn.
  • Heersink, W., Impressies uit het notariële archief, Historisch Magazine voor Noord-Holland, nummer 3, 1994.
  • Jong, Dr. Ron de, Tussen ambt en vrij beroep, het notariaat tussen 1842 en 1999, Amsterdam, 2002

Jaarboek 47, pagina 45

Overleg van notaris Van Zanten met rechts de middenstanders.
Overleg van notaris Van Zanten met rechts de middenstanders van links naar rechts Siem Quax, kapper; Theo Weda, verfwinkel en Rob van Keulen, herenmode.
Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Jaarboeken