Schatrijke Duinen

Het rondetafelgesprek op dinsdag 19 juni 2018 georganiseerd door Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland had als thema archeologie in het Noordelijk en Zuidelijk Duingebied. Het Steunpunt was gast in het gebouw De Duynkant van Oud-Castricum. Ruim dertig genodigden, waaronder vertegenwoordiging van Oud-Castricum, bogen zich over de vraag hoe de kwetsbare archeologie, en dus de kennis over onze voorouders, in het duingebied te beschermen en/of juist zichtbaar te maken.

PWN is de dagelijkse uitvoerder in het gebied als het gaat over water en natuur. Er is in het duingebied méér dan water en natuur. Er zijn drie cultuurlagen en conflictarcheologie. Voorwerpen kun je bewaren bij een verstoring, maar sporen in het landschap niet. Het belang natuur wordt getoetst door Provincie en Staat en het belang cultuur en archeologie door de betreffende Gemeente die over het duingebied beleid maakt. Dit overleg leidde tot het boekje Schatrijk Noordelijk Duingebied. Een verzameling van kwetsbaarheden …

De kaft van het boekje Schatrijk Noordelijk Duingebied (foto Rino Zonneveld)

De groep aanwezigen vormden vier overlegtafels. De opdracht was: kom tot een overzicht van vondsten en vindplaatsen, belangrijke verhalen en aandachtspunten voor behoud, beheer, beleid, benutten en beleven van de archeologie in het duingebied.

Voor de terreinbeheerders in het duin ligt er inmiddels een protocol dat bijna klaar is. Dit protocol geeft dan samen met de uitkomst van het rondetafelgesprek richtlijnen voor beleid aan lokale groepen, gemeenten, PWN en archeologen. 

Een overlegtafel met kaart van het duingebied en betrokken en bezielde deelnemers (foto Steunpunt Monumenten en Archeologie Noord-Holland)

Het resultaat was de prachtige glossy Schatrijk Noordelijk Duingebied die op 7 december 2018 in slot Assumburg werd gepresenteerd.

Ook Paul Slettenhaar, wethouder Gemeente Castricum, kreeg een glossy overhandigd. (foto Rino Zonneveld)

De onderwerpen in het boekje die Castricum en Bakkum betreffen zijn: de Wei van Brasser met vroegmiddeleeuws aardewerk, de onderstoven nederzetting Arem, de oorlog van 1799 met als gevolg resten van soldaten en uitrusting in de duinen, de pottenstapel van Castricum met door vingers ingedrukte versiering op de rand en de vraag naar de functie, de Atlantikwall met haar resten die nu conflictarcheologie wordt genoemd, bunkers en kunstschuilkelder.

Het boekje van 131 pagina’s is te koop bij het Huis van Hilde voor slechts €2,10. Een genot om te lezen over de archeologie in de duinen van Groet tot het Noorzeekanaal. Het kan ook (gratis) gedownload worden van de site van Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland, de uitgever van het blad.

Bron: Rino Zonneveld

Voor honderd jaren

In afl. 2 van den loopenden jaargang van het Vaktijdschrift vermeldt M. Kramer interessante bijzonderheden betreffende een onderwijzersbenoeming te Castricum een eeuw geleden (1804.)

Na den inhoud van verschillende documenten aangaande de vacature en de sollicitanten te hebben medegedeeld, wordt de lezer met de correspondentie tusschen den Schout en Secretaris van Castricum en den Schoolopziener in kennis gesteld.

Vervolgens komt een uitgebreid verslag van het onderzoek der sollicitanten. Hieruit blijkt, dat eerst de Schout en Secretaris hen „omtrent hunne kunde in de nederduitsche taal, schoolonderwijs en verdere vereischten, ook door proeven in het schrijven, lezen en zingen en geschiktheid tot het schoolonderwijs” heeft geëxamineerd. Daarna zijn de genomineerden (een zestal) aan den tand gevoeld door burger Pr. Corver, Schoolonderwijzer te Velzen.

Door „den eersten genomineerden” , N. ANSLIJN, waren de getuigschriften vóór het examen teruggevraagd. Van dezen had de Schoolopziener in zijn „advis op de 32 sollicitanten” geschreven:

„N. Anslijn is, als Schoolonderwijzer praeferent – ik durf u verzekeren, dat gij in meer opzichten, dan in de taal, ook in Rekenkunst, wis- en Aardrijkskunde een bekwaam man in hem zult aantreffen. Hij schrijft zelf niet fraai, maar onderwijst goed, heeft daarin vaste theoretische gronden, – en levert, dit weet ik, goede schrijvers.-Hoe kan dit zamen gaan? zult gij vragen. Zeer wel, omdat theorie en Praktijk zeer onderscheiden zijn.”


De Schoolopziener verwachtte, „dat het Gem. Bestuur wel zoo veel achting voor het departementaal Schoolbestuur zal aan den dag leggen, dat de man met het volledig getuigschrift althans op de Nominatie worden geplaatst”.

Nadat Anslijn zich echter had teruggetrokken moest men een keuze doen uit het overgebleven vijftal, dat „van half 10 tot des namiddags om half een uuren” door genoemden burger Corver „op eene hem vereerende wijze met eene weergalooze juistheid en nauwkeurigheid; waar in de bewijzen van des examinators uitmuntende kunde en ervarenheid doorstraalde; eerst in de vereischten van eenen goeden onderwijzer der Jeugd, en het onderwijs in het bijzonder; daar na omtrent de gronden der nederduitsche taal, het regelmatig lezen, als mede de rekenkonst, (was) geëxamineerd“; en nadat de 5 genomineerde burgers in de kerk openlijke proeven hadden gegeven in het lezen en zingen werd „tot Schoolonderwijzer, koster, voorzanger en gerechtsbode van Castricum verkoren en aangesteld de burger Pieter Kieft te Amsterdam.

Volgens art. 1 zijner Instructie moest hij zich „met alle oplettendheid en naarstigheid[1] in het schoolhouden en onderwijzen gedragen naar de wetten en naar het Reglement van orde voor de openbare scholen, binnen de Bataafsche Republiek”, en hij genoot hiervoor (als schoolmeester en gerechtsbode) per jaar _ . . f 125, benevens f 3 emolumenten[2]!

Niettegenstaande de „uitmuntende kunde en ervarenheid” van den examinator schijnt er aan burger Kieft’s ontwikkeling wel het een en ander te hebben ontbroken. Althans weinige maanden na zijn benoeming werd in de vergadering van het gemeentebestuur behandeld „eene Missieve href=”#voetnoot01″>[03] van het Departementaal Schoolbestuur voor het noordelijk gedeelte van Holland”, houdende een kennisgeving, „dat door het zelve Schoolbestuur op den 7 Juny voorn. had onderzoek gedaan naar de kunde en bekwaamheid van Pieter Kieft; hem nagenoeg in alles derwijze zwak gevonden had, dat het hem niet had kunnen geven een volledig getuigschrift, maar hem alleen had toegestaan het school alhier, geduurenden één Jaar waar te nemen, om zich dan, in Juny 1805, andermaal door het zelve te laten examineeren, voorts zijn leedwezen te kennen gevende, dat het zoo ongunstig omtrent de bekwaamheid van dien persoon, zich genoodzaakt zag te berichten, maar dat het daartoe gedrongen wierdt eensdeels door de waarheid der zaake, en anderdeels door het onaangenaam gevoel, ’t welk bij het zelve had moeten opkomen, toen het gezien had, dat deze vergadering, bij het beroep van dezen, in vergelijking onkundigen man, andere sollicitanten waren voorbijgegaan, van wier meerdere kunde en bekwaamheid, het zelve de overtuigendste proeven ondervonden had”.

Niettegenstaande de „uitmuntende kunde en ervarenheid” van den examinator schijnt er aan burger Kieft’s ontwikkeling wel het een en ander te hebben ontbroken. Althans weinige maanden na zijn benoeming werd in de vergadering van het gemeentebestuur behandeld „eene Missieve[3] van het Departementaal Schoolbestuur voor het noordelijk gedeelte van Holland”, houdende een kennisgeving, „dat door het zelve Schoolbestuur op den 7 Juny voorn. had onderzoek gedaan naar de kunde en bekwaamheid van Pieter Kieft; hem nagenoeg in alles derwijze zwak gevonden had, dat het hem niet had kunnen geven een volledig getuigschrift, maar hem alleen had toegestaan het school alhier, geduurenden één Jaar waar te nemen, om zich dan, in Juny 1805, andermaal door het zelve te laten examineeren, voorts zijn leedwezen te kennen gevende, dat het zoo ongunstig omtrent de bekwaamheid van dien persoon, zich genoodzaakt zag te berichten, maar dat het daartoe gedrongen wierdt eensdeels door de waarheid der zaake, en anderdeels door het onaangenaam gevoel, ’t welk bij het zelve had moeten opkomen, toen het gezien had, dat deze vergadering, bij het beroep van dezen, in vergelijking onkundigen man, andere sollicitanten waren voorbijgegaan, van wier meerdere kunde en bekwaamheid, het zelve de overtuigendste proeven ondervonden had”.

Gelukkig voor Kieft werd „na deliberatie geresolveerd, om zonder zich te expliceeren over het in dien brief medegedeelde, en dus zonder op den inhoud enig het minste regard[4] te slaan, die missieve aan te nemen voor notificatie”. Na juni 1805 was hij dan ook nog in functie[5] en men scheen in zijn dorpje tevreden over hem, want hij werd in het laatst van dat jaar bovendien nog aangesteld als Doodgraver!


M. Kramer

Dit artikel van M. Kramer is één van de velen die hij heeft geschreven. Deze doet er toe omdat het over Castricum gaat.

Uit: Nieuw Leven, Weekblad voor Opvoeding en Onderwijs in School en Huis, 2e jaargang, no. 41, p. 488-489, 17-01-1906

Bron: Rino Zonneveld


[1] naarstigheid is ijver

[2] emolument is een beloning voor werk buiten het normale salaris.

[3] missieve is een ambtelijke brief

[4] regard is acht

[5] Pieter Kieft is in 1825 vervangen door dhr. Schut.

En brand blus je met melk …

Een verhaal over Castricum door Lieve van Ollefen en Rs. Bakker.

Lieve is geboren in Amsterdam op 13 oktober 1749. Hij heeft veel, misschien zelfs teveel geschreven. Men zou de conclusie kunnen trekken dat hij in dienst was van boekverkopers ofwel uitgeverijen. Een broodschrijver pur sang. Hij schreef toneelstukken, gedichten en biografieën. Hij schreef zelfs over de emancipatie van de vrouw en had daartoe contact met Betje Wolff. Samen met Rs. Bakker schreef hij vanaf 1791 De Nederlandsche Stad- en Dorpsbeschrijver. Over Rs. Bakker is geen levensbeschrijving te vinden. Het acht delen omvattende werk bevat prachtige gravures vervaardigd door Anna Brouwer en allegorische voorstellingen van Johan Christoffel Schultsz. De beschrijvingen gaan over het landschap en het dorp in de sfeer van postkoets en trekschuit. In 1976 is een herdruk van dit werk verschenen bij de Europese Bibliotheek in Zaltbommel. Het boek ligt bij tweedehands voor 5 of 6 euro.

Hieronder uit deel 4 Kennemerland het gedeelte dat het dorp Castricum beschrijft rond 1796. Bakkum is helaas niet beschreven. De oorspronkelijke tekst is onverkort weergegeven.

Het dorp Castricum 

De gravure is van Anna C. Brouwer
De gravure is van Anna C. Brouwer

Dit dorp met deszelfs ambacht, is mede al een van de oudsten van het in de Hollandsche Geschiedenissen zo vaak genoemde Kennemerland. 

Wat deszelfs ligging betreft, deeze kan gezegd worden te zijn, paalende met deszelfs ambacht ten noorden aan Bakkum, ten oosten aan Limmen en Uitgeest, ten zuiden aan Heemskerk, en ten westen, met de duinen, aan de Noordzee.
Het land tussen Egmond en Castricum, is zo men wil het laagste van geheel Holland: als in voorige tijden de felle stormen de zee over de dijken joeg, plagten deeze landen meest altijd onder water te geraaken; kort vóór het jaar 1100, ontstond er een geweldige haat tusschen die van Egmond en Castricum, bij dergelijke gelegenheid: de Egmonders maakten een zwaaren dijk, om dat hunne landen laager dan anderen waren, vreezende des, en niet zonder grond, voor eene geheele overstrooming; dan, de zee door dien dijk geschut, overstroomde in den volgenden winter al het land van Castricum, spoelende veele huizen om ver: de inwooners waren als woedende tegen die van Egmond, en vernielden den dijk; doch de wind die het water afkaatsten, verschoonde daardoor de Egmonders, het welk  de Monniken aldaar voor een mirakel uitbazuinden, en de eer daarvan toeschreven aan de beenderen van St. Adelbert: kort daarna, werd de dijk hermaakt, en Adelbert, Abt van Egmond, deed een graft graaven, om de kracht der golven daardoor te breeken en aftekeeren, het welk al weder tot nadeel van die van Castricum uitviel, welke toen, vrij sterk in magt en rijkdom zijnde, met een deel gewapend volk uitvielen, om den Abt daar in te verhinderen, die op hunne aankomst met de zijnen de vlugt nam; doch eenigen geraakten in handen van de Castricummers, en welken het met den dood moesten bekoopen: het einde van deezen twist, vind men niet gemeld. 

Over de naamsoorsprong

Wordt zeer bijzonderlijk gesproken: sommigen begeeren den naam Castricum afgeleid te hebben van twee Grieksche woorden, die Bever en Wijk betekenen; “Dit is,” zegt zeker schrijver “ten minsten ver gezocht, zo, niet wél gevonden”, bij de oude Chronijkschrijvers wordt het Castrichem genoemd— een voldoende aanwijzing van den oorsprong des naams hebben wij niet kunnen ontdekken— SOETEBOOM, redeneert er in zijn Saanlands Arcadia, dus over: “Dat ik, wijders, de oorzaak des naams van Castricum, naar de maniere van den gemeenen man wilde uitleggen, ik zoude durven zeggen, dat hij van den Griekschen Castor afkomstig is, dat is van Castors-hem, als zijnde een huis waarin weleer de Grieksche Castor voornoemd is geëerd, en als een God gediend geworden, gelijk dit Land in zijne ongeloovige eeuw veele zodanige Afgoden, heeft geëerd en gediend, en daarvan veele plaatsen de naamen getrokken hebben, als Medemblik, van Medea blik, diens beeld men zegt dat van den toren tot in Friesland eertijds blonk, waardoor een zeggen is gekomen, als de zon daarop begon te schijnen: Ziet Medea blikt — Staveren van Stavo den Afgod — Het Land van Arkel, van Herkules, den onoverwinnelijken held, en Baccum van Bacchus — Het verloop der eeuwen heeft voordgebragt, dat dit dorp bij den gemenen man Castercum werd geheten.”

Stichting en grootte

Wat de stichting aangaat, de eigenlijke tijd daarvan ligt mede in de vergetelheid begraaven; oud is het dorp of ambacht zekerlijk; want in de Chronijken wordt het reeds omtrent het einde der tiende eeuwe genoemd, ter gelegenheid naamlijk van het huwelijk van SICCO of SIVAART, met TETBURG VAN KASTRICUM; sommigen noemen hem SIFRIDUS, Zoon van ARNULPHUS, derde Graaf van Holland; hij zoude TETBURG voornoemd, die ook TIETBURG genaamd wordt, getrouwd hebben om haare uitneemende schoonheid; oude schrijvers willen dat zij hem tot haar in liefde heeft ontstoken door toverij: intusschen had dat huwelijk ten gevolge, dat SIFRIDUS nimmer tot het Graafschap mogt komen, maar zig moest vergenoegen met het stadhouderschap van Kennemerland, en andere goederen welken hem toegelegd werden.  —  Onder de Regeering van Graave FLORIS DEN TWEEDEN, in den jaare 1118, vindt men gemeld van eenen BRUIN VAN KASTRICUM, die door de Westfriezen te Schoorl werd verslagen; nadere berichten vindt men desaangaande niet. 

Wat aangaat het tweede gedeelte van dit artijkel in ons algemeene plan, naamlijk de grootte; volgends de quohieren der verpondingen, beslaat het ambacht 1012 morgen, 285 roeden lands, en in den jaare 1632, werden voor hetzelve 88 huizen aangetekend; dit getal is in den jaare 1732 reeds meerder geweest, en in 1749 bedroeg het 109 huizen en één molen: de bewooners derzelven zijn meest den Roomschen Godsdienst toegedaan. 

‘t Wapen

Is een wit veld, waarop twee roode klimmende leeuwen, en zes koornhalmen. 

Kerkelijk en godsdienstige gebouwen 

De Gereformeerde kerk alhier is klein , dewijl er van ouds maar weinige Gereformeerde ingezetenen waren; voor dezelven staat het jaargetal 1219, waarschijnelijk dat van den bouwtijd ; doch het choor en den toren zijn op verre na zo oud niet, men denkt dat het eerstgemelde wel 200, en de toren nog meer jaaren jonger is — de toren is, ongemeen zwaar, van vierkant metselwerk opgebouwd, en zeer aartig van ordinantie; er staat een vrij hoog spits op; van boven heeft hij een trans, en 4 wijzerplaaten — Van binnen heeft het kerkjen niets ongemeens; het is in allen deelen zeer zindelijk en net; er is geen orgel in; ook geene kaarskroonen, aangezien er des avonds nooit dienst in wordt gedaan — Boven den predikstoel leest men de woorden: Bekeert u en gelooft den Evangelium: 1599.

De Pastorie en ‘t Schoolhuis zijn zeer goede gebouwen. 

Wees- of Arm-huis wordt te Castricum niet gevonden: beiden worden bij de ingezetenen besteed — Thans zijn er zulke bestedelingen geheel niet. 

De Roomschgezinden, als gezegd is, het grootste gedeelte der inwooneren uitmaakende, hebben er een goede statie; en welke thans bediend wordt door den Weleerwaarden Heer NICOLAUS BOMMER. 

Wat aangaat de Wereldlijke gebouwen 

Desaangaande kunnen wij niets aantekenen; de zogenaamde rechtkamer wordt gehouden boven het school, en woonhuis van den Meester, zijnde deeze kamer een vertrek dat niets bijzonders heeft. 

Kerkelijk regeering 

Deeze bestaat uit den Predikant in der tijd, (thans, de Weleerwaarde Heer ERNST WILLEM FABRITIUS, die ook Predikant te Heemskerk is, doch hij woont te Castricum. Voords uit 2 Diaconen, en 2 Ouderlingen, van welken alle jaaren één afgaat; naamlijk één Ouderling, en één Diacon, die tevens door anderen worden vervangen. 

Wereldlijke regeering

Castricum en Heemskerk zijn lang onder éénen zelfden Heer verenigd geweest, zo in het aloud geslacht van Heemskerk, als in dat van Assendelft en van Renesse, tot dat het door koop gekomen is aan den stam van GEELVINK : deeze had er de aanstelling van eenen Schout en Secretaris, en vijf Schepenen — Thans, nu de gezegende revolutie het volk in zijne rechten heeft hersteld, is er de regeering op den tegenwoordigen voet ingericht; naamlijk door de dorpsstemgerechtigden is eene Municipaliteit verkozen. 

Er zijn voords twee Kerkmeesters en een gelijk getal armenvoogden. 

Voorname mannen

Castricum is onder anderen vermaard geworden door dat het der wereld geschonken heeft den beroemden en zeer geleerden JOHANNES PETRUS VAN CASTRICUM, of CASTRICHUM, als mede PANCRAS VAN CASTRICHUM [1], die Pensionaris te Groningen geweest is, en daarna Raadsheer in den Hoogen Raad van Holland; hij was een groot liefhebber der Bataafsche Geschiedenissen, en heeft in ‘t Latijn geschreven, een zeer naauwkeurige naamrol van alle de Hollandsche, Zeeuwsche en Stichtsche Schrijvers, welke naamrol echter nooit gedrukt is geworden. 


[1]Anderen stellen deezen van Alkmaar geboortig te zijn.

Voorrechten of verpligtingen 

Heeft Castricum niet.

De voornaamste Bezigheden 

Der ingezetenen van dit aangenaam dorp zijn de schulperij, (deeze bekleedt de eerste plaats,) de melk- en kaas-maakerij, en de konijnenvangst in de duinen; voords is er ook zaailand, en de raapenteelt wordt mede door eenigen ter hand gehouden. 

Geschiedenissen

Wat de oude geschiedenis van Castricum betreft, daaromtrent vindt men aangetekend, behalven ‘t geen wij er reeds van gezegd hebben, dat toen de verdervelijke Hoeksche en Kabeljaauwsche twist Nederland zo geweldig beroerde, Hertog ALBRECHT van Beieren, die tevens Graaf van Holland was, JAN VAN BLOEMENSTEIN van het Bailluwschap van Kennemerland af, en REYNOUT VAN BREDERODE daarin gezet had, zulks door de Hoeksche partij zo kwalijk werd genomen, dat zij REYNOUT voornoemd, omtrent dit dorp heimelijke laagen legden, alzo zij vernomen hadden, dat hij voorneemens was aldaar te komen; BREDERODE, hier van onkundig, kwam met zijn volk derwaards rijden, en zo dra werd hij door de Bloemenisten niet gezien , of deezen sprongen op hem toe, met het grouwlijk voornemen van hem dood te slaan; doch BREDERODE hen op hem ziende toeschieten, gaf zijn paard de spooren, en bereikte ook weldra het dorp, alwaar hij zig op het kerkhof begaf; de zijnen hadden hem niet zo schielijk kunnen volgen, zo dat drie van hun die de achtersten waren, door de Bloemenisten doodgeslagen werden: de getrouwe dorpelingen hunnen nieuwen Bailluw in deeze bekommering ziende, greepen hunne wapens, schoten gelijkerhand toe, en boden den vervolgeren tegenstand, met dat goed gevolg dat zij hun op de vlugt dreeven — De Bloemenisten kwamen vervolgends gedeeltelijk op het huis te Heemskerk, gedeeltelijk ook te Delft, alwaar zij, gelijk wij aangetekend vinden, zeer wél ontvangen en onderhouden werden.
 In het jaar 1573 werd het dorp door de Spanjaarden geplonderd, en een jaar laater zond de Pastoor deszelven, aan de Stad Alkmaar het pardon, dat de Spanjaarden aan de uitgewekenen en zogenaamde muitineerende inwooners deezer Provincie, in hunne medelijdende genade, wel wilden toestaan. 

Castricum wordt sedert in de gedenkrollen der Republiek niet genoemd.
Wat onze jongstledene beroerten betreft; daarin heeft het mede meer of min zijn deel gehad— door de Pruissische overweldigers had het echter niets te lijden, niettegenstaande veelen der inwooneren de partij des Vaderlands toegedaan waren, en zig ook in den loflijken wapenhandel geoefend hebben — Onze broeders de Franschen welken er ingequartierd zijn geweest, hebben ‘t er daarom ook zeer goed gehad; hunne wacht was in het Schoolhuis, alwaarom het School zo lang in de Kerk werd verplaatst.
Ten deezen jaare trof Castricum het ongeluk van een geweldigen brand, waarvan men ons het volgende relaas heeft mededeeld: 

Op den 29 deezer, (Julij 1795,) des namiddags ten 3 uuren werden wij alhier ter dood toe verschrikt, door dat de vlam uit een der huizen, nabij de kerk staande, sloeg, met zulk een geweld, dat wij weldra aan het bemagtigen van dezelve begonnen te wanhoopen; te meer daar alhier bijna volstrekt geen water bij de hand is; een enkelde put die men konde gebruiken was spoedig geledigd; zo dra het gezegde huis in lichterlaie vlam stond, zag men, dat ook reeds een vrij ver daarvan afgelegen huis, door het overgevlogen vuur op het stro-dak, aangestoken was, en werkelijk brandde — de angst welke ons beving is onbeschrijvelijk; wij konden niet anders verwachten, dan dat geheel ons dorp in de assche gelegd zoude worden; eerst drie, toen vier, daarna vijf huizen tegelijk stonden in volle vlamme; welke vlam nog onbedenkelijk veel akeliger werd toen mede een stalling en schuur in den brand vloog — alle die getimmertens zijn ook ten gronde toe afgebrand; waardoor niet minder dan 8 huisgezinnen , bestaande uit 34 menschen, waaronder 19 kinderen, in de uiterste armoede gedompeld zijn — er zal voor deeze ongelukkigen eene collecte op de omliggende plaatsen gedaan worden — De vlam had ook reeds eene zoldering beneden in de herberg, naast aan de brandende erven gelegen, aangegrepen; doch dezelve is met zoetemelk, wegens volstrekt gebrek aan water, gebluscht. 

Wanneer toch zal men op het platte land eens middelen trachten aanteschaffen, om het voor zulke en dergelijke jammeren re beveiligen!

De Bijzonderheden

Alhier te zien, zijn geene anderen, dan digt bij het dorp, de overblijflels van het huis Kroonenburg, ook het huis Kastricum genoemd— deezen bestaan in een ronden puinheuvel, en een laag muurwerk van eenen alouden toren: dit huis heeft al voorlang verwoest gelegen – CLAAS BRUYN noemt het  – een deerlijk overschot, het geen de krijg waarschijnlijk dus verplette. 

Logementen of herbergen 

Zijn alhier geene anderen dan de Rustende Jaager. 

Aan Reisgelegendheden 

Ontbreekt het te Castricum mede, even als op de meesten dorpen in deezen oord— De Alkmaarder Postwagen die er door passeert, verschaft somtijds eene gelegenheid om te kunnen vertrekken— Er rijdt ook een post door, met welken brieven verzonden kunnen worden. Volkstelling over Kennemerland gedaan in den jaare 1795. Castricum 540.

Lieve van Ollefen
Lieve van Ollefen
Bronnen:

Samengesteld door Rino Zonneveld

2018: Alweer een grondradar op de Zanderij?

In 2013 heeft het bedrijf EmpecSurvey de werkgroep Oud-Castricum én Menno Twisk van het strandvondstenmuseum een aanbod gedaan om onderzoek te doen naar wat er in de bodem van de Zanderij verborgen ligt.

Er is bij grond verzet een stuk hout gevonden door dhr Jan Twisk. Hij meende dat het een spant van een schip zou kunnen zijn. De uitslag van het onderzoek van Empec is voor kennisgeving aangenomen. Er is een kijkgaatje gemaakt of geologisch gezien een oer-ij-geul zichtbaar zou zijn. Er werden schelpjes aangetroffen.

In 2017 bood Wima aan opnieuw een grondradar in te zetten en hun bevindingen van te vergelijken met de gegevens uit 2013. Wima is een werkgroep van archeologie-amateurs die zich bezig houden met innovatieve meettechnieken. In dit geval grondradar. Wima beargumenteerde het aanbod als volgt: het is niet om het beter te doen dan in 2013 maar om hun apparatuur in de zandbodem en mogelijk zout bevattende bodem te testen.  Volgend de ecoloog van het PWN bevat het Zanderijzand een te verwaarlozen deel zout.

De resultaten ….

De meting van Wima op 135 cm boven NAP, dat is ongeveer 120 cm diep.
De meting van Wima 30 cm dieper op 105 cm boven NAP, dat is ongeveer 150 cm diep.

Er zijn twee dieptes gemeten. Op de tweede is meer te zien! De geel-rode reflectie duidt op aanwezigheid van materiaal anders dan het zand. Harder materiaal. Op de volgende plaat wordt de meting van Empec vergeleken met Wima en dit levert een overeenkomstig beeld. Let op! De beelden zijn gemixt.

Er ligt dus een verstoring in de ondergrond.

Onze volgende stap is om met een zuigboor geologisch onderzoek te verrichten bij deze locatie. Een zuigboor is een boor die vacuüm zuigt zodat het natte zand er niet uitloopt maar mee omhoog komt.

We houden je op de hoogte …

Bericht van Rino Zonneveld, Archeologie

Inrichting gebouw De Duynkant

Inleiding

De uitbreiding van de Duynkant was noodzakelijk vanwege de succesvolle exposities die veel bezoekers trokken. Elke maand nam het bezoekersaantal toe, soms tot 150 op een dag. Het was krap en gezellig maar ook benauwd en lawaaierig.

Gebouw De Duynkant anno 18 juni 2018

De oude expositieruimte was naast expositieruimte voor een vaste en wisseltentoonstelling ook filmruimte. Met zoveel enthousiaste bezoekers samen het feest van de herinnering vieren, ging niet goed samen. Er is nu een gescheiden filmzaal en expositieruimte.

Een tweede noodzaak was dat de klimaatbeheersing in het gebouw onvoldoende was. De temperatuur was soms 22 graden en het vochtigheidspercentage ver boven de 70%. De schimmels groeiden goed. Ons erfgoed werd aangetast. Een deel is schimmelvrij verhuisd naar het Regionaal Archief in Alkmaar. Het deel papier en objecten dat bij ons blijft vraagt om conservering en een gepaste ruimte. Er is een archiefruimte gebouwd met een vaste lage temperatuur van 16 graden en airconditioning.

De open dagen zijn voortaan op de eerste en derde zondag van de maand van 13:30 toto 16:00 uur.

Inrichting

De eerste bijeenkomst was op 7 juli 2017. De inrichting en herinrichting van zoveel materiaal vraagt om een continue coördinatie van werkzaamheden. Het inrichten en herinrichten betreft de filmruimte, de expositieruimte, de werkruimte, de tuin en hal, toilet en bergruimte.

Het doel van de inrichting is streven naar een multifunctioneel en gezellig onderkomen waar de bezoeker zich welkom voelt. Een ander doel van de inrichting is het mogelijk maken van lezingen en geven van cursussen voor een publiek tot ca 30 mensen. Het moet dan wel over erfgoed, cultuurhistorie gaan.

De nieuwbouw en de interne verhuizing hebben een aantal leden van de werkgroep enorm veel tijd en organisatie gekost. Na het tijdelijk opruimen van veel materiaal in najaar 2017 kon in februari gestart worden met de inrichting van de ruimten. Het drogen van de vloer en het in stappen verwarmen van de ruimten nam meer tijd in beslag dan gehoopt. De officiële opening is dan ook een maand uitgesteld naar 15 juni 2018. 

Filmruimte

De filmruimte heeft de kleuren gekregen van het Rijksmuseum. De kleuradviezen zijn van Loek Weda van Different Look.

Filmruimte

Het schilderwerk in deze ruimte is verricht door Weda Schilders. Er is een prachtig ophangsysteem met spots gekomen. Er staat meubilair uit het oude raadhuis van Castricum. Het meubilair is officieel in bruikleen gegeven bij de opening op 15 juni 2018.

De filmruimte is door een groot LCD-scherm en een muzieksysteem geschikt voor presentaties en films. Het scherm is geplaatst door Expert De Graaf. Voor veel leden nog even wennen aan de bediening van de moderniteiten.

Naast het scherm hangt een tapijt dat bij defilés over het bordes van het gemeentehuis hing. Het kleed is met smyrna-techniek geknoopt door de echtgenote van burgemeester Smeets.

Twee nieuwe vitrinekasten, gesponsord door Lions Club Heemskerk-Castricum zijn ingericht met materiaal dat het niet verdient in een doosje te liggen. Er liggen pareltjes uit de Castricumse en Bakkumse archeologische vondsten: munten en fibulae.

Vitrines

In de filmzaal hangen naast luchtfoto’s uit 1930 enkele originele schilderwerken en natuurlijk een kaart van de Heerlijkheid Castricum.

Expositieruimte

De expositieruimte is eveneens voorzien van een systeem met schilderijrail en spots om de thema’s of onderwerpen onder de aandacht te brengen. Ook hier heeft Weda geschilderd en heeft Different Look geadviseerd.

Expositieruimte

In deze ruimte is ook een scherm met computer om beelden te laten zien die passen bij de expositie of op verzoek van de bezoeker. De vloer is geheel geschrobd en geschoond met advies van Huitenga. Van de bekende pottenstapel was tijdens het verbouwen toch iets gebroken en het is door onze vrijwilligers vakkundig gerepareerd. De vitrinekast met archeologie is voorzien van LED-verlichting. De trapeziumtafels zijn tijdelijk ondergebracht in een Castricumse boerderij. In de ruimte staan nu drie flinke tafels, deels geschonken door Historische kring Heemskerk en deels gevonden bij Mutthathara. De bekende vaste tentoonstelling met informatie over Castricum in vogelvlucht zal in de nabije toekomst vervangen worden door korte films van twee tot drie minuten over deze onderwerpen.

De tafels staan er om onder het genot van koffie of thee verhalen uit te wisselen die in herinnering boven komen. Bij de tafels kunnen deskundige Bakkummers en Castricummers hun lokale dorpskennis doorgeven aan jonge, nieuwe dorpsgenoten en toeristen. “Wie zijn sporen niet kent of uitwist, verdwaalt.” (Ida van der Lee)

Werkruimte

De werkruimte is door de vrijwilligers zelf opgeknapt. Muren, kozijnen en deuren geschilderd, vloer schoongemaakt, plafondplaten vervangen, etc, etc. Van zes kasten verdween de inhoud naar de archiefruimte. De kasten verdwenen naar elders en dit maakt de werkruimte ruim en prettig. Al in een veel eerder stadium (2015) zijn archeologische vondsten geïnventariseerd en naar het provinciaal depot van de provincie bij het Huis van Hilde gebracht. Het papieren archief is door onze handen gegaan en er zijn vele meters naar het Regionaal Archief in Alkmaar gebracht. Door deze ‘opruiming’ kon de bibliotheek van Oud-Castricum met ruim 800 boeken uit de expositieruimte verhuizen naar de werkruimte.

Ook het boekenbestand van De Duynkant is gesaneerd en heeft een iets andere indeling.

Alle boektitels staan in de boekenbank op onze website. De kluis is gebleven want erfgoed beheren betekent ook schatten bewaren. In de werkruimte is een fotostudio gemaakt om de zeer vele objecten makkelijk te digitaliseren en met behulp van de objectenbank en door standplaatsregistratie snel terug te vinden. Er staat een groot kopieerapparaat en de leden hebben ruimte om te werken.

Archiefruimte

De geklimatiseerde archiefruimte, onderdeel van de nieuwbouw, is ingericht met behulp van stellingen uit bibliotheek Kennemerwaard te Alkmaar. De oude ladekasten met unieke plaatselijke topografische kaarten komen uit de werkruimte.

Zo kunnen we nog heel lang genieten van ons erfgoed door een betere conservatie. Trots zijn we op de geklimatiseerde archiefruimte die onderdak biedt aan o.a. het krantenarchief, het stratenbestand, het grootste deel van ons kaartenbestand en een deel van de bibliotheek en de oudere jaargangen van tijdschriften. Ons kwetsbare materiaal.

Hal, toilet en keuken

De inrichting van het hal betekent welkom zijn. De jas kan opgehangen aan oude kapstokhaken. Op het toilet zijn lijsten opgehangen met, hoe kan het anders, afbeeldingen van ons dorp. De keuken heeft een nieuw aanrechtblad en ook daar is de vloer sinds mensenheugenis proper.

Zolder

De zolder gaat een lest best worden. Na de opening gaan we orde op zaken stellen door al het materiaal te categoriseren, te fotograferen, te nummeren en te conserveren. Opruimen en terugvinden is waar het om draait. De komende jaren zal deze objectregistratie gaan plaats vinden.

 

 

Tuin

Tuin

De tuin is van ondoordringbare wildernis tot een Gulle Tuin getoverd. Vóór de afzanding rond 1850 liep hier de Gulle weg en lagen er stuifduinen. De sfeer van ooit is een beetje terug. Er zijn om de naam van het gebouw De Duynkant eer aan te doen twee duintjes gecreëerd. Er is gekozen voor beplanting met mei- en sleedoorn en vroege voorjaarsbloeiers, met name bollen. In het najaar komen er nog een aantal bij. De tuin is daardoor zeer bij-vriendelijk en letterlijk een gulle tuin zonder gif (neonicotinoïden). De bestrating is gewijzigd en er staan andere fietsenrekken. Het is nog een karwei om de tuin wat ‘onkruid’ vrij te houden. Aan de achterzijde en naast het gebouw is vlier, gelderse roos en egelantier geplant om ook de bijenpopulatie welgezind te zijn. Een pad, een beukenhaagje, een houtwalletje. Er is dankbaar gebruik gemaakt van de adviezen van Landschap Noord-Holland in het kader van “Nederland zoemt” en PWN. Arend Koet, hovenier, heeft de planten geleverd en is samen met de vrijwilligers een dag aan het planten geweest. Achter het gebouw is er zicht gemaakt naar de anti-tankmuur, zodat bezoekers onze nabije conflictarcheologie kunnen aanschouwen.

Expositie

De eerste expositie gaat, hoe kan het ook anders, over het buurtje De Duynkant, over wie waar woonde en werkte; over het Radiopad, Slingerpad en Kramersweg en over hoe dit in 1943 is gesloopt. Ons gebouw is na de sloop van boerderij Nooitgedachjt het enige pand dat resteert. Er is ook aandacht voor de historie van ons gebouw.

Het wordt daar goed werken bij Oud-Castricum in de Duynkant.

Rino Zonneveld

Horen katholieken uit Noord-Bakkum bij de parochie van Limmen of Rinnegom?

Een opvallende tekst over een geschil tussen parochies. In cursief de tekst uit een geschiedenisboek van het Bisdom Haarlem.

Op den 21 Maart 1804, heeft de Aartspriester H. F. ten Hulscher uitspraak gedaan in een geschil, tusschen de gemeente van Rinnegom en Limmen, betreffende het gehucht Noord-Bakkum.

                  Bakkum[1] wordt reeds genoemd in het Utrechtsche kerk-register van 866 “in Bacchem 2 mansi”, insgelijks in de schenkingen van Graaf Dirk II aan de abdij van Egmond: had vroeger een eigen kapel, raadhuis en school.

In 1629 was Cornelis van der Mijlen bezitter van de Ambachts-Heerlijkheid Bakkum. Het dorp aan den voet der duinen gelegen, is gesplitst in twee deelen: Noord- en Zuid-Bakkum. Burgerlijk vereenigd met Castricum, waren die van Zuid-Bakkum kerkelijk opgenomen in de gemeente Castricum; die van Noord-Bakkum van onheugelijke tijden met Limmen vereenigd geweest. Toen C. Spont[2] in 1751 was afgevallen, hadden de Katholieken van Noord- Bakkum hunne toevlugt genomen tot Rinnegom, omdat dit veel digter bij gelegen en veel gemakkelijker te bereiken was dan Castricum.  Op dezen grond meenden die van Rinnegom, hun regt op Noord-Bakkum te kunnen handhaven.

Gelijk wij gezien hebben, heeft een gedeelte van Rinnegom, onder pastoor W. Noeij, zijn paaschpligt te Limmen vervuld. Toen ze nu in 1781 weder een pastoor hadden, hield dit natuurlijk op, maar Noord-Bakkum bleef aan Limmen, Pastoor Noeij boekt afzonderlijk, zooals vroeger, de communicanten uit Limmen en uit Noord-Bakkum, en in het doopboek voegt hij bij: “ex Noord-Bakkum, communitate mea (vert. mijn parochie)”. Door den Aartspriester werd Limmen’s regt erkend, en een gelijkluidend schrijven aan pastoor Geeres en aan Theodorus Vos, pastoor van Rinnegom gezonden, waarbij Noord-Bakkum, in betrekking tot de geestelijke bediening, aan Limmen werd toegewezen.

En verder staat in de bijdrage:

Op 21 October 1817 bepaalde de Aartspriester E. S. van der Hagen, dat de oude Postweg, ook Koningsweg genoemd, de grens zou zijn tusschen Noord- en Zuid-Bakkum.

Bij de Parochiale indeeling op 13 Januarij 1857, hadden de Rinnegommers (of Egmonders) het gehucht Noord-Bakkum weder in hunne grens-lijnen ingesloten. Bij schrijven echter van Zijne Doorl. Hoogwaardigheid F. J. van Vree, Bisschop van Haarlem, werd deze fout hersteld, en het geheele gehucht[3], Noord-Bakkum[4] , aan de Parochie van St. Cornelius te Limmen opnieuw toegewezen.

Bron: Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem, deel 14, 1887

Conclusie

Deze bisschoppelijke bijdrage leert ons dat Bakkum ouder is dan het jaar 866. Er staat dat Bakkum een kapel, raadhuis en school bezat. We leren dat Noord-Bakkum uit 50 katholieken bestond en het gebied viel onder de parochie van Limmen. Opvallend is dat er niet over Egmond-Binnen wordt gesproken. Uitleg: Op de plek waar nu de jeugdherberg in Rinnegom is, staat tot 1967 de Adelbertuskerk die aanvankelijk bezocht werd door inwoners van de drie Egmonden totdat die elk een eigen kerk lieten bouwen. We lezen dat de Noord-Bakkumse parochianen zich in 1751 tot de parochie Rinnegom keerden. We lezen dat in 1781 de katholieken van Noord-Bakkum met klem aan Limmen toegewezen worden. Helemaal opvallend is dat het bisdom later in 1857 bepaalde dat de grens tussen Noord- en Zuid-Bakkum de Postweg of Koningsweg zou zijn. En dat betekent onderzoek. Waar lag die weg? Is het nu de Duinweg-Zanddijk? 

Rino Zonneveld

[1] Ook Baccum, zoo lezen wij nog op het hek van eene boerenplaats, waaraan vroeger een jagthuis verbonden was.

[2] Cornelius Spont was rooms-katholiek priester te Limmen en overleed 8-12-1951.

[3] Het gehucht Noord-Bakkum heeft tegenwoordig een en vijftig inwoners; allen zijn Roomsch Katholiek. De grond is er hoog, schraal en duinachtig.

[4] Noord-Bakkum met 51 parochianen.